Paper Ict In Het Onderwijs Moekotte Def

1,821 views
1,670 views

Published on

Hoe kan de oudere docent in het MBO meer enthousiast gemaakt worden voor het gebruik van ICT middelen?

0 Comments
1 Like
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total views
1,821
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
3
Actions
Shares
0
Downloads
11
Comments
0
Likes
1
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Paper Ict In Het Onderwijs Moekotte Def

  1. 1. ICT in het Onderwijs Hoe kan de oudere docent in het MBO meer enthousiast gemaakt worden voor het gebruik van ICT1 middelen?I just cannot accept excuses about technology being optional, whether its from someone whois new to teaching or others who are close to retirement. There are children in thoseclassrooms every day who deserve the best education we can offer them, and it is completelyunfair if that education is less than it should be because someone wants to pick and choosewhich aspects of their job they feel are important. No child should have to put up with out ofdate learning experience just because their close-to-retirement teacher is "taxiing to thehangar".Chris BetcherAustralische DocentGenomineerd voor beste Edublog 2010Tekst aangeleverd door collega in LinkedIn discussie.1 De term ICT moet in deze paper zo ruim mogelijk worden geïnterpreteerd: computers, het internet, games, profielsites en multimedia zoalsmobiele telefoon, digitale camera’s, videocamera’s en interactieve schoolborden kan men hiertoe rekenen.Marcel MoekotteAOb academie - juli 2011 1
  2. 2. Inleiding.Uitgangspunt:Het uitgangspunt van deze paper is te benoemen waarom het merendeel van de leraren, die nutussen 40 en 65 jaar oud zijn, die men tot het oudste deel van de “generatie X” (tot 55 jaaroud) en tot de “protestgeneratie“ (55 tot 65 jaar) mag rekenen, minder vaardig zijn in hetgebruik van ICT bij hun werkzaamheden en waarom die vaardigheid ook niet verder ofslechts zeer traag ontwikkeld wordt. Voor een deel probeer ik dit te verklaren vanuit bestaande generatieverschillen. Vooreen deel ook uit de verschillen in veranderbereidheid van onderwijzend personeel, voor eenander deel vanuit gebrekkige professionalisering van onderwijspersoneel. Als laatste vanuit dehaperende inzichten en bewijzen over de meerwaarde van ICT middelen voor het onderwijs Daaruit volgend is het zaak een advies te formuleren voor de AlgemeneOnderwijsbond, waarmee de bond maatregelen kan benoemen in overleg met werkgevers envast kan laten leggen in CAO’s om de ICT vaardigheden van deze groep medewerkers tebevorderen en daarnaast bijeenkomsten voor medewerkers, leden dus, kan organiserenwaarbij onderwijsinhoudelijk goede voorbeelden uitgewisseld worden en de meerwaarde vanICT aangegeven wordt.Werksituatie:Bij mijn werk als docent aan een Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) is het tijdens lessenen andere werkzaamheden, zoals voorbereiding van lessen en communicatie met studenten encollega’s buiten lessen om, onontkoombaar geworden een PC te gebruiken. Het dagelijkscommuniceren met collega’s en studenten vindt bijvoorbeeld voor een groot deel plaats via e-mail. De PC heeft in de omgeving waarin ik werk, het onderwijsteam recreatie, zelfs de vormvan een laptop aangenomen. Op dit moment maakt mijn team deel uit van een “laptop-pilot”Zowel student als docent werken met een laptop. Dit heeft vooral als voornaamste voordeeldat men mobieler zijn werkzaamheden kan verrichten. Hiermee ben ik altijd mobiel inzetbaaren ook, binnen de gebouwen van dit ROC, verbonden met het netwerk van de werkgever, hetintranet, en verder met het internet. Buiten het ROC, zoals thuis en elders kan ik ook gebruikmaken van het netwerk van de werkgever middels een VPN (Virtual Private Network)verbinding. Wat betreft deze VPN verbinding ben ik deel van een minderheid. De meesteleraren maken nog geen gebruik van een rechtstreekse verbinding met de servers van dewerkgever buiten de schoolgebouwen en buiten de reguliere werktijden. Een onderzoekje bijde Servicedesk ICT van mijn ROC leert dat momenteel ongeveer 20% van het OnderwijzendPersoneel (OP) een VPN verbinding gebruikt.Praktische ervaringen:Wat mijzelf hierbij opvalt in de praktijk en wat een bevestiging van bovenstaande is, is datzowel de technische kennis van het gebruik van de laptop, als het gebruik van de software dieop deze laptop staat bij de meerderheid van mijn collega’s gering is. Een aantal collega’smoet “op weg geholpen” worden met de vaardigheden. Zij redden zich dan vervolgens met dewerkzaamheden die digitaal gebeuren moeten, zoals e-mail en presentieregistratie. Is er ietsnieuws aan de orde, dan moeten zij meteen weer ondersteuning van een collega of studentvragen. Het gebruik van middelen als de computer of het smartboard om eigen gemaaktelesstof te presenteren, het construeren, blijft achterwege. Het gebruik van deze middelen isbeperkt tot “substitutie” (vervanging) van middelen. (Een PowerPoint presentatie op eensmartboard weergeven i.p.v. op een wit scherm) Studenten geven aan dat juist hiermee verbetering te behalen is. Volgens hen kunnen docenten meer laten zien via internet en kunnen zemeer met beeld les geven (ROC de Leijgraaf, 2011).Marcel MoekotteAOb academie - juli 2011 2
  3. 3. Generatieverschillen:Vanuit de dagelijkse praktijk is er ook een verschil aan te geven tussen enerzijds de groepcollega’s van 25 tot 40 jaar oud en anderzijds collega’s die in de categorie 40 tot 65 jaarvallen. De eerste groep kan zich redelijk zelfstandig redden met de faciliteiten, hardware ensoftware, die op school aanwezig zijn. Vanuit mijn directe omgeving zijn er collega’s tussende 25 en 40 jaar die ook al veel natuurlijker, meer vanzelfsprekend de computer gebruiken bijhun werkzaamheden en daarbij ook meer vaardigheden vertonen. Ook zie ik deze collegamobiele telefoons gebruiken en dan de geavanceerde vorm, zogenoemde smartphones,waarmee men dus ook eenvoudig kan mailen, internetten etc.De collega’s die behoren tot de leeftijdsgroep 40 tot 65 moeten vaak “op weg geholpen”worden, zoals boven omschreven. Deze laatsten zijn mensen die niet met de computeropgegroeid zijn zoals de tegenwoordige jeugd dat wel is. Hoewel de jeugd, ook welnetgeneratie (Oblinger en Oblinger, 2005), Homo Zappiens (Veen & Vrakking, 2006) ofgeneratie Einstein (Boschma en Groen, 2006) genoemd, volop gebruik maakt van ICT enmedia, zien zij deze middelen niet als nieuwe technologie. De jeugd denkt meer in activiteitendie je met die middelen kunt doen. (Kral, 2010). Theoretisch kader.Generatiekenmerken en verschillen.Generatie-indeling.De volgende generatie-indeling heb ik als uitgangspunt genomen (Becker, 1992). Mensengeboren tussen 1941 en 1955 behoren tot de Protestgeneratie. Zij zijn in het onderwijs nutussen 55 en 65 jaar oud. Mensen geboren tussen 1956 en 1970 behoren tot de Generatie X.Zij zijn tussen de 40 en 55 jaar oud. Mensen geboren tussen 1971 en 1985 behoren tot dePragmatische generatie. Zij zijn nu tussen de 25 en 40 jaar oud. De jongere generatie, deGeneratie Y, geboren tussen 1986 en 2000 zijn tussen de 10 en 25 jaar oud. De gemiddeldeleeftijd van mijn collega’s die onderwijs verzorgen is momenteel 52 jaar (P&O-ROC vanTwente, 2011).Generatieverschillen.De 60+ ers, onderdeel van de protestgeneratie en altijd nog een aanzienlijk deel van hetpersoneelsbestand in MBO scholen, zoeken de samenwerking meer op, zijn ook geneigd teluisteren. Ze zoeken naar hun toegevoegde waarde. Waaraan kunnen ze met hun ervaring nogbijdragen? Ze willen waardering van hun managers. De 60+ ers hebben door hun enormeinhoudelijke kennis van zaken de mogelijkheid tot super specialiseren en kennisoverdracht.Maar..er zijn ook kwetsbare kanten. Ze hebben de buik vol van het (management) sturen ineen richting die ze niet willen. Ze sluiten zich gemakkelijk af, waardoor het lijkt dat ze nietsmeer willen (Bontekoning, 2010). Dan het momenteel grootste deel van de werkenden in het MBO: de generatie X(geboren tussen 1955 en 1970) Deze groep zit in de levensfase “onderweg naar deleiderschapsfase”. Ze zijn tussen de 45 en 60 jaar oud. Kenmerkend voor deze groepmedewerkers is dat ze met elkaar meedenken en luisteren naar elkaar. Ze zoeken naar debalans tussen inhoud en proces. Ze hebben een constructieve grondhouding. Ze benuttenverschillen in kennis en vaardigheden. Ze willen mensen bewust laten zijn van wat er speelten hen zo activeren er zelf iets aan te doen. Verder is deze groep gericht op het positiefbenutten van multiculturele verschillen. Ze verbeteren de kwaliteit van processen en vanprofessies. De generatie X is voornamelijk op anderen gericht, niet op zichzelf. Maar…ookdeze groep heeft kwetsbare kanten: ze willen graag gewaardeerd worden om wat ze zijnzonder dat van de daken te schreeuwen. Ze worden door andere generaties als grijze muizenMarcel MoekotteAOb academie - juli 2011 3
  4. 4. afgeschilderd, juist omdat ze zich niet laten horen. Er is vooralsnog minder vertrouwen in hetleiderschap van deze X’ers (Bontekoning, 2010). Vervolgens noem ik de pragmatische generatie, de generatie in het arbeidsproces dietussen de 30 en 45 jaar oud is. Deze groep is nog in de minderheid t.o.v. de generatie X maaral wel duidelijk aanwezig. De kenmerken van deze groep zijn dat het netwerkende individuenzijn, die voortduren zoeken naar pragmatisch samenwerkingsverbanden. Eigen belang enorganisatiebelang zijn hetzelfde. Ze willen kwaliteit en kennis van mensen benutten, het liefstmeteen. Ze zoeken graag de interactie op, zijn concreet, open, direct en persoonlijk. Ze willeneen goede procesvorm om snel tot concrete resultaten te kunnen komen. Ze willen positiefgestimuleerd worden en waarderen een goede werksfeer. Maar ook deze groep heeftkwetsbare kanten…Ze lijken gevangen in de bestaande cultuur. De moed om zich te bewegenbuiten de bestaande paden lijkt gering. Ze worden dan braaf, en volgzaam en lijkenontmoedigd, met als gevolg verlies aan werkenergie. Dit gevaar is latent aanwezig aangeziende oudere generaties meestal de toon zetten en de cultuur bepalen, waarbij de jongeregeneraties verwacht worden zich aan te passen. Als ze vastlopen hebben ze de neiging omachterover te hangen en kritisch te wijzen naar oudere generaties. Ze hebben juist steun nodigvan andere generaties, maar stralen helaas uit dat ze het zelf wel kunnen. Ze moeten nog lerennaar de ratio te luisteren. (Bontekoning, 2010). Als laatste noem ik de generatieY, ook wel screenagers of generatie Einstein genoemd.Voor deze werknemers is werken een prettig tijdverdrijf. Het samenwerken moet voldoeningopleveren en zin hebben. Op alle gebieden en m.n. op gebied van ICT leren ze inmulticulturele netwerken en ze verkeren in verschillende sociale netwerken. Ze willenzinvolle contacten. Ze zijn mediasmart of mediawijs en kunnen goed multitasken en zijn ookgewend aan en gewapend tegen snelle technologische veranderingen (Bontekoning, 2010).Veranderende rollen:Dat ik mij bij deze paper beperk tot de MBO docent heeft als reden dat de rollen die eendocent vervult bij het onderwijsproces in de verschillende sectoren, PO, VO en MBO,aanzienlijk verschillen. Dit is onderzocht, ook in opdracht van de Algemene Onderwijsbond,door van Leeuwen (2008). Zij gaat in haar onderzoeksrapport uit van 5 verschillende rollendie leraren kunnen hebben: uitvoerder, ontwerper, onderzoeker, teamlid/begeleider en lerendeprofessional. De navolgende zaken hebben betrekking op de rollen van leraren in het MBO. Van Leeuwen vermeldt in dit rapport, waarin met name onderzocht is hoe dezedocentrollen veranderen door het gebruik van ICT, dat de docent als uitvoerder ontlast zalworden door ICT, waarbij hij meer als coach in taakgerichtheid van de student zal moetenoptreden. In zijn rol als ontwerper is er een groot verschil tussen een docent in ontwikkelingen een gevorderde docent. Hoe vaardiger de docent wordt hoe meer hij de computer zalgebruiken in deze rol. Als onderzoeker zet de docent de computer blijkbaar in bij hetanalyseren van gedragsproblemen bij studenten. Ook bij deze rol bepaalt de vaardigheid demate van gebruik. Wanneer men het beziet vanuit de rol van teamlid/begeleider dan wordtdeze rol prominenter voor de MBO docent vanwege het feit dat onderwijs steeds meerintegratief wordt in het MBO. Men geeft niet meer alleen een vak. Het team verzorgt sameneen opleiding. Als lerende professional blijkt de docent open te staan voor hulp van collega’sen studenten. Hierbij wordt aangenomen dat een docent met meer computervaardigheden ookmeer plezier beleeft aan het gebruik van ICT. Een leuk voorbeeld van dit laatste is het initiatief van studenten van een ICTopleiding van het ROC van Twente om de leraren wegwijs te maken in het gebruik vansociale media.Marcel MoekotteAOb academie - juli 2011 4
  5. 5. Indeling perioden ontwikkeling ICT in onderwijs.Als we de periode indeling van Marijke Kral (eerste lector bij de HAN, praktijkgerichtonderzoek betreffende zinvolle integratie ICT in onderwijs - in vijftien jaar onderwijs en ICTin vogelvlucht - 2010) aanhouden kunnen we de tot het volgende overzicht komen. De periode tot 2000: technologie en voorzieningen staan centraal. De Personalcomputer deed rond 1985 zijn intrede in het onderwijs. Allereerst als “stand alone”, niet ineen netwerk verbonden dus. Tot 1995 wordt er geïnvesteerd in netwerkarchitectuur- hetintranet. Vanaf 1995 wordt het “World Wide Web” uitgerold in het onderwijs. Intranet(schoolgebonden) en extranet (zoals Internet) worden uitgebouwd. De verbinding met debuitenwereld komt tot stand. De periode van 2000 tot 2005: de aandacht komt in deze periode te liggen op hetleren en het didactisch handelen van de docent d.m.v. het gebruik van ICT middelen. Demeest leraren worden hier geconfronteerd met het Digitaal Rijbewijs. De docent wordt dandaarna helemaal afhankelijk van de ICT ondersteuning, de zogenoemde servicedesks ofhelpdesks. De netwerkbeheerders en ICT coördinatoren doen hun intrede. Deze gaan ooksteeds meer de infrastructuur bepalen en sturen daarmee onbedoeld het onderwijsproces. Eentendens die sinds kort onderkend wordt en die men probeert bij te sturen. Managersverwachten dat kennisconstructie met ICT een veel belangrijker rol gaat spelen in detoekomst. Voor leraren is dit veel minder vanzelfsprekend. (Kennisnet, 2010). Uitgangspuntbij dit alles moet blijven dat de docent gevraagd wordt wat hij nodig heeft voor hetonderwijsproces. (Kennisnet/Zenc, 2011) De periode na 2005: de student en de rol van ICT in zijn leefwereld staan voorop. Indeze laatstgenoemde periode zitten wij nu. Momenteel vinden er in een onnavolgbareversnelling ontwikkelingen plaats op ICT gebied. De sociale media nemen een prominenteplaats in op het Internet en bepalen het digitale spectrum. Voorbeelden hiervoor zijntoepassingen als Hyves, Facebook, Twitter, LinkedIn etc. Dit zijn toepassingen waarbij(vooral) jongeren met elkaar communiceren en socialiseren.Competenties van leraren.Volgens de “Vier in Balans Monitor 2010” van Kennisnet moet de leraar naastvakinhoudelijke kennis en didactische vaardigheden ook beschikken over ICT vaardigheden.Hierbij worden deze laatste opgedeeld in basis ICT vaardigheden, zoals omgaan metstandaard toepassingen als tekstverwerken en e-mail en didactische ICT vaardigheden,waarmee ICT als hulpmiddel in leersituaties kan worden ingezet. Dit laatste kan opgesplitstworden in het lesstof arrangeren (het bekende “knippen en plakken”, nu dan digitaal) enlesstof construeren (het zelf ontwerpen van lesstof). Het zou wat betreft professionaliseringhet meest ideaal zijn als alle leraren digitaal zouden kunnen construeren. Ik besef daarbij datde meeste leraren niet goed zijn in het construeren van lesstof, of dat nu digitaal is of niet.Bovendien willen veel leraren helemaal geen lesstof construeren. Zij laten dit liever over aanuitgeverijen. Ook leerlingen vinden dat docenten kennis moeten hebben van de werking vanICT middelen en minimaal met de software om moeten kunnen gaan die op school gebruiktwordt. Ervaring is, als dat niet het geval is, dat er teveel onderwijstijd verloren gaat (ROC deLeijgraaf, 2011). De ideale situatie levert leraren op die door een volledige ondersteuning vanICT middelen in staat zijn hun (les)tijd efficiënter te gebruiken, meer met destudiebegeleiding van leerlingen bezig kunnen zijn en daarmee de kwaliteit van het onderwijskunnen verbeteren. De ICT voorzieningen in de scholen zijn behoorlijk op orde en de meeste docentenbeschikken over basisvaardigheden om met ICT om te gaan. Het gebruik in de les is echterbeperkt (Kral, 2010). Het gebruik van ICT middelen ten behoeve van pedagogisch didactischeondersteuning is een ontwikkeling die niet erg snel gaat. Dit is iets waarover men zichMarcel MoekotteAOb academie - juli 2011 5
  6. 6. internationaal ook zorgen maakt. (ELFE 2, 2009). Een pluspunt mag genoemd worden datleraren de wens om geschoold te worden op ICT gebied op de tweede plaats hebben staan, nascholing op speciale onderwijsbehoeften voor leerlingen met leerproblemen. Daarbij staat ICTop de tweede plaats van de 11 onderwerpen voor scholing. (OECD,Talis 2009). De dreigendeachterstand van het onderwijspersoneel op het gebied van ICT vaardigheden wordt al denieuwe digitale kloof genoemd. (Kral, 2010). Uitgangspunt hierbij is dat kennis steeds snellerverouderd en dat er meer en meer actuele kennis en informatie nodig is om te innoveren.Statische kennisstructuren als boeken en wetenschappelijke tijdschriften voldoen niet meer.Kennis wordt nu gedragen in een wereldwijde conversatie. Het leren bestaat uit het bouwenen onderhouden van netwerken. In zijn boek “Knowing Knowledge” benoemt Siemens, 2006,een set aan competenties, zoals patronen herkennen en filteren van informatie, die een lerendeen een docent nodig heeft om deel te kunnen nemen aan deze wereldwijde conversatie en tekunnen participeren in kennisnetwerken. Deze competenties hebben te maken met“multimediale geletterdheid” Advies aan de Algemene Onderwijsbond.Rol voor vakbondDe snelle veranderingen op het gebied van ICT nodigen ook de vakbond uit hier aandacht aante schenken en hiervan de voordelen voor het onderwijs te onderkennen en te onderzoeken.De onlangs opgerichte onderwijscoöperatie kan hierin een belangrijke rol spelen.Scholing.De scholing c.q. de ontwikkeling van medewerkers is niet in de laatste plaats ook eenverantwoordelijkheid voor de werkgever. De werkgever kan de medewerker entameren omzich te ontwikkelen. Op het gebied van het gebruik van ICT middelen is hier nog veel winst tebehalen. De winst is niet alleen aanwezig voor de medewerker – hij kan efficiënter werken,heeft daardoor meer tijd over om andere zaken te doen en zich in te zetten voor kwalitatiefbeter onderwijs. De winst is ook zeker aanwezig voor de werkgever. De werkgever heeftmedewerkers in dienst die studenten beter kunnen volgen, die beter in staat zijn de computerin te zetten bij hun werkzaamheden, die minder snel gefrustreerd raken vanwege gebrekkigecomputervaardigheden, die daardoor ook minder werkdruk zullen ervaren. Dit laatste echteralleen mits docenten de gewonnen tijd kunnen inzetten voor eigen scholing, het verderontwikkelen van digitale lesstof en het intensiever begeleiden van studenten en niet wanneerdocenten andere taken, die niet direct bijdragen aan onderwijsproces ofonderwijsontwikkelingen, toegeschoven krijgen door de werkgever.Vertalen naar arrangementen. De scholing moet zeker niet als een eenheidsworst gezien worden zoals eerder hetdigitaal rijbewijs aangeboden is. De verschillende generaties in hun verschillende levensfasenhebben behoefte aan verschillende benadering: Hoe kan dit vertaald worden naar ICTscholingvoor de protestgeneratie (60+) in een organisatie? Met deze generatie praten, deuitgangspunten van de organisatie bespreken in voortgangsgesprekken, als werkgever eengoed scholingsplan ter beschikking hebben, vastleggen wat deze werknemer nog kanbetekenen voor de organisatie, inzetten voor interne scholing aan jongere collega’s, met nameom kennisoverdracht en overdracht van rijke ervaring zeker te stellen. Leraar van deze leeftijdook vooral rol van eerder genoemde lerende professional geven. Versneldeprofessionalisering mogelijk maken. Deze groep nog op het niveau proberen brengen van hetdigitaal arrangeren van lesstof. (het digitaal knippen en plakken) Uit internationaal onderzoekMarcel MoekotteAOb academie - juli 2011 6
  7. 7. blijkt dat deze categorie de minste (bij)scholing ontvangt, gemiddeld maar 14 dagen per jaar.Dit tegen 21 dagen gemiddeld voor leraren onder de 30 jaar. (OECD, talis 2009) Als menuitgaat van 10% scholing – gangbaar in de meeste CAO’s – dan zou in de BVE 20 dagen perjaar het uitgangspunt moeten zijn voor alle docenten! Hoe kan dit voor de generatie X vertaald worden naar ICT scholing in een organisatie?Aangezien deze groep de grootste is in het werknemersveld en gezien de veranderendepensioenleeftijd nog minimaal 11 tot 26 jaar geacht wordt werkzaam te zijn, is het zaak dezegroep gedegen scholingstrajecten aan te kunnen bieden, zonder dat ze erom vragen,(aangezien ze dat, gelet op bovenstaande generatiekenmerken, niet zullen doen), waarbij zijop een niveau gebracht worden lesstof te kunnen arrangeren én construeren. Bij dat laatstemoet men zich voorstellen dat zij in staat zijn zelfstandig lesstof vanuit hun vakgebied teverzamelen en aan te bieden in een digitale omgeving, zoals b.v. het ontwikkelen van eenwebsite (wiki), het kunnen ontwikkelen van een online vragenlijst, het nuttig gebruiken vaneen ELO, het studenten laten reflecteren via online enquêtes, het studenten laten bloggen overhun BPV (stage), het kunnen aanvullen van digitale lesstof met eigen opdrachten(mogelijkheid wordt door aantal uitgevers al geboden), kortom het onder de knie hebben vandigitale kennisconstructie. Hiermee moet in aan te bieden arrangementen rekening gehoudenworden. Deze groep niet vragen naar behoeften, maar gewoon aanbieden. Hoe kan dit voor de pragmatische generatie vertaalt worden naar ICT scholing in eenorganisatie? Deze groep heeft wellicht het meest behoefte aan scholing. Uit het laatste MTObij het ROC van Twente blijkt dat deze groep (35 tot 45 jaar) ontevreden is over hunontwikkelingsmogelijkheden. De heersende cultuur bepaalt de scholingsmogelijkheden.Leraren uit de oudere generaties vinden dat ze het zo al druk genoeg hebben. Deze zullen henniet aansporen zich te ontwikkelen en te scholen. Waarom zouden jongeren zich kunnenscholen, terwijl ze daar zelf ook nooit de tijd voor genomen hebben? De pragmaten laten ditteveel over zich heen gaan en eisen de ontwikkelingsmogelijkheden niet op. Nauwelijks zijnzij zich ook bewust van de mogelijkheden, aangezien de inhoud van de CAO niet bekend is.Deze groep vragen naar behoeften en vervolgens scholingsarrangementen zo aanbieden datdeze generatie makkelijk kan opstappen bij trajecten.. Aandachtspunt voor de vakbond om ditmet werkgevers te bespreken. Uit internationaal onderzoek blijkt dat gemiddeld 55% van deleraren meer ontwikkelingsmogelijkheden willen dan ze nu krijgen. (OECD, Talis 2009) Hoe kan dit voor de generatie Y vertaalt worden naar ICT scholing in een organisatie?Deze groep is opgegroeid met de computer. Het is zaak deze groep constructivistischetrajecten aan te bieden. Ze moeten leren de lesstof digitaal aan te bieden, te construeren, endus optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die ICT te bieden heeft. Vervolgenskunnen zij ingezet worden om de oudere generaties te scholen en bij te spijkeren in hetgebruik van ICT.Dagelijkse praktijk. Vanuit vorige CAO’s was het al gebruikelijk vanuit afspraken in geregelde modellentussen werkgever en werknemer, dat de scholingstijd of professionaliseringstijd- altijd zo’n 10procent van de totale werktijd- voor een deel door de werkgever ingevuld werd, naast het deeldat de medewerker zelf moest invullen. Scholing op gebied van ICT, net zoals trouwensscholing op gebied van andere onderwijszaken die vaardigheden van onderwijsmedewerkersverbeteren, zoals toetsontwikkeling en klassenmanagement, zouden een continue karaktermoeten hebben. Je moet dus als medewerker constant kunnen bijleren, je constant kunnenontwikkelen. (OECD, Talis 2009 – Effective professional development is ongoing, includestraining practice and feedback and provides adequate time and follow up support). Dewerkgever moet zich inspannen dit te faciliteren. Dit wordt trouwens door zowel werkgeversals werknemers onderschreven, uitgaande van een NIDI rapport in opdracht van hetMarcel MoekotteAOb academie - juli 2011 7
  8. 8. Ministerie van Economische zaken uit 2007, waarin in hoofdstuk 6 uiteengezet wordt hoewerknemers kennis vergaren en hoe werkgevers kennisbeleid voeren. Zo’n tien jaar geleden iser door de werkgevers een inhaalslag ingezet door de medewerkers aan te sporen en zelfs teverplichten, om een “digitaal rijbewijs” te behalen. Kral, Van der Mooren, Van der Neut enVan Poppel (2002) en Van Kessel, Hulsen en Van der Neut (2005) merken op dat leraren overhet algemeen wel beschikken over de basisvaardigheden op ICT-gebied, maar deze minimaalinzetten tijdens de lessen. De politieke ontwikkelingen en de onderhandelingen bij CAO’shebben ertoe geleid dat de verantwoordelijkheid voor scholing nu alleen bij de medewerkersligt. Er staan in de CAO-BVE 2007-2009 een aantal artikelen gewijd aan scholingbeleid enprofessionalisering (E-6 e.v.) Hierin is summier terug te vinden dat de werkgever eenscholingsplan moet hebben. In artikel E-9a wordt in deze CAO geëxpliciteerd hoeveelscholing per organisatorische eenheid beschikbaar moet zijn. De werknemer heeft hierbij dusde verantwoordelijkheid de scholingsmogelijkheden op te eisen, zowel in tijd als in geld. Dewerknemer wil vaak wel, maar hij krijgt geen gelegenheid van de werkgever om redenen dater geen ruimte in inzet of begroting is. In verschillende sectorraadsbijeenkomsten BVE van deAOb is dit al naar voren gekomen. In scholingsplannen verwacht men ook het vermelden vanbeschikbare scholingsbudgetten. Vanuit vorige CAO’s had de werkgever door onderlingeafspraken in geregelde modellen een eigen verantwoordelijkheid die hij in ieder geval moestnemen en waarop hij aanspreekbaar was, vanuit zijn eigen goed werkgeverschap. Debeschikbare scholingstijd moest vaak voor de helft door de werkgever ingevuld worden. Doorde “eigen verantwoordelijkheid gedachte” - tegenwoordig steeds meer uitgangspunt van depolitiek - wordt de verantwoordelijkheid tot professionalisering volledig bij de werknemergelegd, kan de werkgever zich hierachter verschuilen en voelt hijzelf geen directeverantwoordelijkheid meer. Waar ik als advies naar toe wil is een hernieuwde inzet vanvakbonden op de professionaliteit van werknemers door werkgevers meerverantwoordelijkheid te geven. Het vroegere systeem van gedeelde verantwoordelijkheidwerkte beter, aangezien de werkgever al 5% van de totale werktijd moest inplannen voorscholing. De werkgever voelde dus meer de noodzaak scholingsmogelijkheden te organiserenvoor werknemers. Dat destijds deze afspraken niet altijd nagekomen werden,vaak ook doorweinig ruimte in de begroting, doet daar niets aan af. Het ligt voor de hand er opnieuw metklem bij werkgevers op aan te dringen valide toekomstgerichte scholingsplannen teontwikkelen met duidelijke scholingsbudgetten. Daarnaast moeten werkgevers zeker ook deuitvoering van scholing zelf ter hand nemen, b.v. door middel van door eigen personeelverzorgde scholingstrajecten, in het eigen instituut. Er is in eigen huis vaak veel expertise dieniet of nauwelijks met elkaar gedeeld wordt.OnderzoekEr wordt geconcludeerd dat steeds meer leraren steeds vaker gebruik maken van verschillendeICT toepassingen.(Kennisnet, Vier in Balans 2010) Dit laatste is een goede ontwikkelingmaar moet echter zeker genuanceerd worden. Uit mijn directe omgeving en vanuit mijn eigenervaring betreft dit met name de jongere leraren. Boven de 40 jarige leeftijd lijkt deverandercapaciteit en veranderbereidheid drastisch af te nemen. Het lijkt alsof de groep diezoiets heeft van “eerst zien dan geloven” groter wordt met het stijgen van de leeftijd. Dit zouonderzocht kunnen worden, aangezien deze groep leraren de meerderheid vormt de komende5 jaren. Het onderwijs heeft behoefte aan good practices, waarmee aangetoond kan wordendat het gebruik van ICT middelen de kwaliteit van het onderwijs verbetert. Zie in dit kader alsgoed voorbeeld ook het onderzoek van een aantal LIO’s van de HAN bij ROC de Leijgraafbetreffende het gebruik van Laptops. (ROC de Leijgraaf, 2011)Marcel MoekotteAOb academie - juli 2011 8
  9. 9. Conclusie en discussie.In mijn inleiding heb ik aangegeven dat oudere leraren vaak “op weg geholpen” moetenworden met hun ICT vaardigheden. Jongeren zijn in het algemeen “digital natives” (Prensky,2006), mensen voor wie computers en media normale en veelal onmisbare onderdelen vanhun dagelijkse leefomgeving zijn. Dat wil niet zeggen dat alle jongeren van huis uit bedrevenzijn in het gebruik van computers en media. Maar…ze zitten er middenin, waardoor ze zakensneller oppakken en van elkaar overnemen. Rond 2005 beginnen de effecten en implicaties hiervan door te dringen in hetonderwijs. De manier van omgaan van jongeren met ICT en media heeft invloed op huncommunicatievoorkeuren, leerstijlen en competenties (Prensky, 2001;Kral, 2010) Dedekkingsgraad van mobiele telefoons b.v. is vanaf de leeftijd van 12 jaar 100%, waarbij hetgebruik en de toepassing van dit mobieltje wel verschillend is. De jongsten gebruiken hunmobiel voor van alles, behalve bellen. Bij van alles moet men denken aan spelletjes spelen,sms’en, foto’s en video’s maken en muziek luisteren. Het was hierbij onduidelijk of het nietgebruiken van de bel functie te maken heeft met een gebrek aan geld of met een bewustekeuze. (Wijngaards, 2010). Ik pleit er bij dit alles wel voor om in het onderwijs lessen“omgaan met ICT middelen” of digitale vaardigheid (mediawijsheid) (weer) in hetlessenpakket op te nemen. Er wordt momenteel al geconstateerd dat de vermeende aanwezigemediawijsheid van de jongeren tegenvalt (Boschma en Groen, 2011) De zogenoemdemediawijsheid duidt op het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee `burgers`zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke enfundamenteel `gemedialiseerde` wereld." (Raad voor Cultuur-2005). De meeste leerlingen (93%) vinden zichzelf echter wel vaardig genoeg in het omgaanmet ICT middelen. Bij doorvragen blijkt echter dat deze vaardigheden breed geïnterpreteerdworden. Een ICT-vaardighedentoets aan het begin van de opleiding zou een oplossing kunnenzijn. (ROC de Leijgraaf, 2011). Leerlingen geven ook aan (62%) dat er leraren zijn die nietskunnen met de laptop. Ook geeft 49% van de leerlingen aan dat ze merken dat leraren hetgebruik van de laptop niet leuk vinden. Het vak mediawijsheid wordt momenteel al opgenomen in het curriculum in hetVO.(Thorbecke scholengemeenschap Zwolle) Ook studenten moet geleerd worden hoe dezetoepassingen in het onderwijs te gebruiken en vooral moeten ze in deze voor allen en allestoegankelijke wereld leren inschatten wat juist en waar is. Advies aan de AOb om aandacht tebesteden aan dit gegeven voor het MBO. Naast het generatieverschil is er ook een verschil in adaptatievermogen ofveranderbereidheid bij mensen wanneer er innovaties voorkomen of uitgezet worden.De leraar, die meestal een leeftijd heeft tussen de 25 en 65 jaar heeft moeite de student tevolgen betreffende de zich snel ontwikkelende ICT omgeving. Deze leraren zijn meestal“digital immigrants” (Prensky, 2006). Het zijn mensen die zich moeten (laten) scholen in hetgebruik van ICT middelen. Ze zijn er niet mee opgegroeid. Ze moeten zich aanpassen aan hunomgeving. Vooral de zogenoemde sociale media nemen een ware vlucht de laatste jaren.Netwerken is de lifestyle voor de jongste generatie. De nieuwe generatie is gericht opcommunicatie en participatie in sociale netwerken (Kral, 2010). ICT wordt intensief gebruiktvoor sociale interactie. Het is ondoenlijk en niet meer van deze tijd om studenten te verbiedensociale media te gebruiken in de les en om sociale media helemaal buiten het onderwijsproceste laten. De leraar is ook genoodzaakt zijn social awareness, zijn sociaal bewustzijn, teontwikkelen. Er ligt hier dus, naast de verantwoordelijkheid van de werkgever, duidelijk eeneigen verantwoordelijkheid van de professional om bij te blijven en zich te ontwikkelen. ICT in het onderwijs gebruiken biedt verschillende kansen. De leraar krijgt meer zichtop de belevingswereld van de leerling, ICT middelen kunnen helpen het onderwijs teMarcel MoekotteAOb academie - juli 2011 9
  10. 10. innoveren, het onderwijs kan attractiever worden voor leerling en leraar, de kwaliteit van hetonderwijs zal verbeteren. Door de rollenverschuiving van de moderne docent (meerloopbaanbegeleider dan leraar) moet een leraar meer administratief vastleggen, meerbijhouden over een student. Dit kan alleen effectief door het gebruik van ICT. Hiervoor moetICT met name werkdrukverlagend ingezet worden. Daarnaast is het naar mijn mening ooknog steeds een taak van de werkgever te zorgen dat de leraar een moderne,goedfunctionerende medewerker is, die zijn mediageletterdheid (het overdragen en verwervenvan kennis, vaardigheden en inzichten omtrent audiovisuele media met als resultaatmediacompetent gedrag") blijft ontwikkelen, ongeacht geslacht en leeftijd. Er kan eendriedeling gemaakt worden in de fasen van ontwikkeling in het gebruik van ICT middelen inhet onderwijs. (Brummelhuis ten, 1996; ELFE. 2009) De eerste fase is die waarbij ICTgebruikt wordt om de traditionele onderwijsmethoden te ondersteunen (eenpowerpointpresentatie op een smartboard i.p.v. op een wit scherm of witte muur). Het tweedeniveau is het niveau waarbij het vertrouwen van de leraar in het gebruik van ICT toeneemt enals gevolg ICT gebruikt om te innoveren, teamteaching toe te passen, bij de individuelebegeleiding van studenten in te zetten en ICT gebruikt bij projecten over verschillendedisciplines. Het derde niveau is het niveau waarin de leraar gaat experimenteren met ICTmiddelen, de constructivistische vaardigheden inzet (zelf digitale lesstof gaat samenstellen) ensamenwerkend leren ondersteunt. Praktisch gezien zit de ontwikkeling op Europees niveaunog steeds tussen fase 1 en 2. Er zit, zoals eerder aangegeven, nog te weinig voortgang in deontwikkeling van het gebruik van ICT middelen in het onderwijs. Een klein onderzoek bij afdeling Personeel & Organisatie bij mijn ROC leert dat degemiddelde leeftijd van het OP 52 jaar is. De meest OP’ers behoren al tot de generatie X(geboren tussen1956 en 1970). Een klein aantal boven de 60 jaar (163) is nog werkzaam alsOP’er. Zij met name dreigen het onderwijsontwikkelingsproces uit het oog te verliezen enblijven hangen in oude concepten. Daardoor dreigen zij de aansluiting met de student teverliezen. Men leeft in verschillende werelden, waardoor de communicatie tussen beidegroepen slechter wordt. Bontekoning, 2010, omschrijft dit mooi in zijn boek “Hetgeneratieraadsel”: “Op het grensvlak van jeugd en volwassenheid wordt de nieuwe mens zichbewust van wat hij wil transformeren, terwijl de oudere generatie de neiging heeft om tevolharden in haar eigen wereldbeeld” Ook het onderwijs krijgt hierbij aandacht vanBontekoning: “De vraagstukken van de jeugd komen voort uit een wereldbeeld dat verschiltvan dat van hun leraren. Die spanning is bijna niet te ondervangen, tenzij er optimaal gebruikgemaakt wordt van de terugwerkende tendens: niet alleen voedt de leraar de leerling op,maar de leerling voedt ook de leraar op”. In het eerder genoemde NIDI rapport staat oppagina 65 een interessante insteek, die een werkgever uit de zorg toepast. Het komt er op neerdat oudere werknemers niet veroordeeld worden als zij aangeven dat zij tegen problemenaanlopen door de snel veranderende omgeving. Deze werkgever stelt niet de vraag óf dewerknemer scholing wil. Deze werkgever biedt scholing gewoon aan. Daarbij zou in een eventueel onderzoek ook gekeken moeten worden naar deverschillen tussen mannen en vrouwen. Gerelateerd aan de feminisering van het onderwijs,die in het MBO trouwens sterk samenhangt met de branche waarin men werkzaam is(technische beroepen worden meestal bevolkt door overwegend mannen, zowel wat betreftleraren als studenten, verzorgingsopleidingen bestaan meestal voor het merendeel uitvrouwelijke studenten en leraren) zijn vrouwen opmerkelijk vaak deeltijdwerkers. (CBS,2008) Dit aspect heeft invloed op het verandermechanisme. Leraren die een kleinedeeltijdbaan hebben, dit wil zeggen minder dan 28 klokuren werken, hebben minder bindingmet het werkproces en blijven achter in kennisontwikkeling. (Min. EZ, 2011). Dit zijnaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het ontwerpen vanprofessionaliseringsarrangementen.Marcel MoekotteAOb academie - juli 2011 10
  11. 11. Bij deze arrangementen moet ook rekening gehouden worden met levensfases ingeneraties. Het aangeven van kenmerken van generaties en verschillen in generaties heeft hierdus als doel om aan te geven dat bij de professionaliseringsarrangementen rekening gehoudenwordt met deze kenmerken en verschillen. Er moeten “just in time’’scholingsarrangementenuitgezet worden waarbij elke docent uit elke generatie op elk willekeurig moment kaninstappen.Volgens de innovatietheorie van Rogers moeten verschillende doelgroepenverschillend benaderd worden. De zogenoemde innovators en early adopters (samen zo’n 16%) zijn mensen die graag willen experimenteren. De grootste groep (68%) wil gewoon wetenof iets werkt als het toegepast wordt en of het voordelen biedt. Of leerlingen er dus beter vangaan leren. Het aanleveren van bewijslast, dat ICT in het onderwijs bruikbaar is, is dus ergbelangrijk. Daarbij kunnen de eerste groepen (16%) dus een belangrijke rol spelen. Om de benodigde en aanwezige kennis in beeld te krijgen kunnen scholen (MBOcolleges) gebruik maken van een E-coach, die teams ondersteunt bij het in kaart brengenhiervan, aangeeft waarop leraren zich op ICT gebied moeten scholen en arrangementen kanuitzetten voor teams en leraren. Deze E-coaches moeten een belangrijke adviserende stemkrijgen in het uitzetten van beleid op ICT gebied, vanuit technologisch maar ook vooral vanuithet didactisch aspect. E-coaches zouden dan zowel inzicht moeten hebben in deontwikkelingen op technologisch als op didactisch gebied. E-coaches zou men ook kunnenaanduiden als “digitale onderwijskundigen”Verder moet de scholing het vrijwillige karakter kwijt. Het kan niet zo zijn dat de werkgeverscholingsbudgetten beschikbaar stelt, waarbij vervolgens managers en werknemers geen“kans” zien om hier gebruik van te maken. Meestal worden scholingsbudgetten aan het eindvan de rit weer gehalveerd aangezien er geen of te weinig gebruik van gemaakt is. Ook moetde kwaliteit van de scholingstrajecten omhoog. Uit internationaal onderzoek blijkt dat leraren2 problemen aangeven bij (na)scholingstrajecten: conflict met bestaande roosters en te weiniggeschikte scholingsmogelijkheden. (OECD, Talis 2009) De professionele ontwikkeling van dewerknemer moet voor werkgever en werknemer een voor de hand liggende ontwikkeling zijn,waaraan geen concessies gedaan kunnen worden. De kwaliteit van het onderwijs moet niet terdiscussie staan. De kwaliteit van het onderwijs moet een vanzelfsprekend gegeven zijn.Dankwoord:Deze paper is het product van een jaar professionaliseringstraject bij de Algemeneonderwijsbond te Utrecht. Uitgangspunt bij deze professionalisering is om kaderleden enmensen van buiten de AOb op te leiden voor functies binnen de AOb. De groep van”schooljaar” 2010-2011 was zeer divers en zeer prettig om mee samen te werken. Debijeenkomsten waren inspirerend en leerzaam. Ik wil vooral de cursusleider, mevrouw BrigitLinssen bedanken voor haar aandacht, inzet en deskundigheid. Daarnaast een woord van dankaan mijn begeleider vanuit het hoofdbestuur, de heer Bert Imminga, die mij de goede richtingaangegeven heeft en mijn vraagtekens zoveel mogelijk heeft proberen weg te nemen.Tenslotte wil ik de AOb bedanken voor de geboden mogelijkheid om ditprofessionaliseringstraject te volgen.Ik hoop dat de AOb iets kan met het advies geformuleerd in deze paper. Dit is uiteindelijk hetuitgangspunt van deze inspanning.Marcel MoekotteAOb academie - juli 2011 11
  12. 12. Literatuurlijst:European Trade Union Committee for Education (2008). Teacher Education in Europe. An Etuce policy paper.European Trade Union Committee for Education (2009). Enhancing pedagogical use of ICT in education. European E-learning forum for Education 2.(ELFE 2)Gerrichhauzen, J. (2007). De lerende en onderzoekende docent: Professionalisering versnellen met HRM beleid, afstandsonderwijs en werkplekleren. Open Universiteit Nederland.Leeuwen van, J. (2008). Docentenrollen en ICT. Onderzoek naar de veranderende docentenrollen door het gebruik van ICT. Universiteit Utrecht.Mijland, E. (2011). Ideeënboek sociale media in het onderwijs.Kennisnet (2010). Vier in balans monitor 2010. ICT in het onderwijs: de stand van zaken.Geerdink, G. (red) (2010) Het kind, de leerkracht en het onderwijs. Terugblikken en vooruitzien. Arnhem: PABOBontekoning, A (2011) Het generatieraadsel. Ontdek de kracht van generaties. MediawerfVIVES (2011) Vakblad voor (ICT) vernieuwingen in het onderwijs – de leraar moet weer leren (114)Van de Veerdonk en Callaars, 2011. Laptops, Daar weet ik toch alles van? HAN.OECD (2009) Creating Effective Teaching and Learning Environments- First results from TALIS.Via internet:http://www.han.nl/start/graduate-school/nieuws/nieuws/han-lector-marijke-kral-o/Mediageletterdheid nieuwe digitale kloof.http://www.elearningeuropa.info/files/media/media11563.pdfAccess and use of ICT in European schools 2006.http://platformleren.wordpress.com/2011/05/26/sociale-media-en-onderwijs/Sociale media en onderwijs. Platform leren.http://ernomijland.com/Sociale media in het onderwijs bij Leraar 24.http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/arbeid-sociale- zekerheid/publicaties/artikelen/archief/2009/persbericht-emancipatimonitor.htmEmancipatiemonitor 2008.http://overhetnieuwewerken.nl/nieuws/kleine-deeltijdbanen-minder-kennisKleine deeltijdbanen, minder kennis.http://youngmarketing.web-log.nl/youngmarketing/2010/12/boek-generatie-einstein-30-in-10- oneliners.htmlRecensie Boek “Generatie Einstein 3.0” in 10 oneliners.http://ltc.umanitoba.ca/wikis/KnowingKnowledge/index.php/Main_PageSiemens, G. (2006) knowing Knowledge (WIKI) (Online)Marcel MoekotteAOb academie - juli 2011 12

×