KPMG Eindejaarstips 2011
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

KPMG Eindejaarstips 2011

on

  • 1,455 views

Tips omtrent fiscale wetgeving voor ondernemend Nederland.

Tips omtrent fiscale wetgeving voor ondernemend Nederland.

Statistics

Views

Total Views
1,455
Views on SlideShare
1,455
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
2
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

KPMG Eindejaarstips 2011 KPMG Eindejaarstips 2011 Document Transcript

  • AUDITEindejaarstips 2011 kpmg.nl
  • Fiscale eindejaarstips voor ondernemend Nederland Het fiscale landschap blijft in beweging. Het afgelopen jaar is een aantal aanpassingen in de fiscale regelgeving doorgevoerd. Ook met ingang van 2012 verandert weer het nodige. In deze uitgave treft u een aantal tips aan op grond waarvan u mogelijkerwijs nog voor 1 januari 2012 actie zou moeten ondernemen. Het overzicht is lang niet uitputtend, maar eerder bedoeld als handvat om een gesprek met uw adviseur goed te kunnen voorbereiden. Verder worden enkele (voorgestelde) wijzigingen vanaf 2012 toegelicht. Wij benadrukken dat deze uitgave de stand van het wetgevingsproces per 14 november 2011 weergeeft.© 2011 KPMG Accountants N.V.Alle rechten voorbehouden.
  • Inhoudsopgave 1 Privé 5 1.1 Boxhopping 5 1.2 Persoonsgebonden aftrek 5 1.3 Betalingsmoment 5 1.4 Toerekening inkomensbestanddelen bij partners 5 1.5 Fiscaal partnerschap 2011 6 1.6 Planning specifieke zorgkosten 6 1.7 Planning scholingsuitgaven 6 1.8 Planning giften 6 1.9 Vervangen gewone giften door een periodieke gift 7 1.10 Monumentenwoning? Onderhoudskosten aftrekbaar! 7 1.11 Auto van de zaak 7 1.12 Verklaring geen privégebruik auto 8 1.13 Terbeschikkingstellingsregeling (box 1) 8 1.14 Schenking aanmerkelijk belang (box 2) 8 1.15 Aftrek lijfrente (jaarruimte en reserveringsruimte) 9 1.16 Betaal tijdig uw lijfrentepremie! 9 1.17 Extra vrijstelling in box 3? 9 1.18 Verlies op durfkapitaal 9 1.19 Verlaging grondslag box 3 9 1.20 Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 9 1.21 Belasting terugvragen 10 1.22 Toeslagen 10 1.23 Partnerschap en Successiewet 10 1.24 Schenkingsvrijstelling 10 1.25 Schenking onder schuldigerkenning 11 1.26 Herbeoordeling testament/huwelijksgoederenregime 11 1.27 Huwelijkse voorwaarden met verrekenbeding 11 1.28 Buitenlandse bronheffing op uitgekeerde dividenden 11 1.29 Levensloopregeling 11 1.30 Participatie spaarloon 12 2 Ondernemingen 13 2.1 Optimaal gebruikmaken van investeringsaftrekken 13 2.2 Herinvesteringsreserve 13 2.3 Bespreken balans 14 2.4 Voorziening 14 2.5 Willekeurige afschrijving 14 2.6 Crisismaatregel willekeurige afschrijving 14 2.7 Uitstellen desinvesteringen in verband met desinvesteringsbijtelling 15 2.8 Zeescheepvaartwinst, tonnagebelasting 15 2.9 Afdrachtvermindering loonheffing 152 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • 2.10 Beoordelen pensioenrechten en VUT-rechten 3.11 Voorkom verliesverdamping 24 personeel (eventueel backservice) 15 3.12 Bedrijfsopvolging 252.11 Geschenkenregeling loonbelasting 152.12 Producten uit eigen bedrijf 15 4 Bv en nv 262.13 Spaarloonregeling versus levensloopregeling 16 4.1 Aangaan fiscale eenheid 262.14 Aanpassingen salarisadministratie per 1 januari 2012 16 4.2 Aanvragen fiscale eenheden die per2.15 Fiscaal voordelig belonen van werknemers 16 1 januari 2012 moeten ingaan 262.16 Werkkostenregeling 17 4.3 Verbreken fiscale eenheid per 31 december 2011 262.17 Samenhangende groep inhoudingsplichtigen 17 4.4 Fictief salaris, fictieve rente en fictieve huur 262.18 Bestelauto’s en uw personeel 17 4.5 Lenen van uw bv (inclusief rekening-courant) 262.19 Keuze auto zakelijk of privé 17 4.6 Vordering op uw bv (inclusief rekening-courant) 272.20 Doorbetaling werknemers 17 4.7 Borgstellingsprovisie bedingen bij bv 272.21 Uitbreiding personeelsbestand 18 4.8 Voorkom verliesverdamping 272.22 Uitzending personeel 18 4.9 Verliezen uit 2002 verdampen 272.23 Laatste loonheffingsaangifte 2011 18 4.10 Crisismaatregel verliesverrekening 282.24 Laatste btw-aangifte 2011 18 4.11 Pensioen voor uzelf, meewerkende2.25 Correcties op (eerdere) btw-aangiften 2011 19 echtgeno(o)t(e) en kinderen 282.26 Vergoeding kosten aan personeel en 4.12 Hoge aftrekpost bv door inkoop pensioen 28 tenaamstelling factuur (btw) 19 4.13 VAR-dga 282.27 Managementvergoeding (btw) 19 4.14 Functionele valuta of de euro 282.28 Einde fiscale eenheid btw 19 4.15 Heroverweging bv en nv 292.29 Factuurvereisten (btw) 19 4.16 Thin capitalization 292.30 Termijn terugvragen buitenlandse btw (btw) 20 4.17 Transfer pricing (bv en nv) 292.31 Autokosten werknemers (btw) 20 4.18 Verrekening houdsterverliezen 292.32 Debiteur betaalt u niet (btw) 20 4.19 Innovatiebox 292.33 Bewaarplicht 21 4.20 Deelnemingsvrijstelling 302.34 Subsidies 21 4.21 Afwaarderen en/of prijsgeven van vorderingen 302.35 Voorlopige aanslag 2011 21 4.22 Vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) 302.36 Ontslagvergoeding 21 5 Belastingplan 2012 313 Ondernemer eenmanszaak, vof, cv en maatschap 22 5.1 Vennootschapsbelasting 313.1 Begrip ondernemer 22 5.2 Vitaliteitspakket 333.2 Toetsing meewerkaftrek of arbeidsbeloning 5.3 30%-regeling 34 voor meewerkende partner 22 5.4 Loonheffingen 363.3 Urencriterium voor zelfstandigenaftrek 22 5.5 Dividendbelasting 383.4 Man-vrouwfirma 22 5.6 Wet uitwerking Autobrief 383.5 Verkoop onderneming, omzetting in bv of 5.7 Geefwet 40 starten nieuwe onderneming 23 5.8 Inkomstenbelasting 423.6 Kleine-ondernemersregeling in de btw 23 5.9 Overige wijzigingen 433.7 Middeling 2009-2011 233.8 Startende ondernemer 233.9 Verklaring arbeidsrelatie (VAR) 243.10 Btw-keuzevermogen 24© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 3Alle rechten voorbehouden.
  • 1 Privé NIET VAN TOEPASSING GEEN ACTIE NODIG ACTIE ONDERNEMEN NAVRAAG BIJ SPECIALIST1.1 Boxhopping Voorkom tijdelijke vermogensverschuivingen tussen box 3 (sparen en beleggen) en box 1 (werk en woning) en box 2 (aanmerkelijk belang). Een vermogensbestanddeel dat gedurende een periode van niet meer dan drie achtereenvolgende maanden deel uitmaakt van box 1 of 2 (en zowel daarvoor als daarna van box 3), wordt ook in box 3 in aanmerking genomen als in die periode een peildatum ligt voor box 3. Voor een periode van vier tot zes maanden geldt in eerste instantie hetzelfde, behalve wanneer u aannemelijk kunt maken dat u hebt gehandeld uit zakelijke overwegingen.1.2 Persoonsgebonden aftrek De persoonsgebonden aftrek, waaronder giften, alimentatie, ziektekosten en scholingsuitgaven, komt in mindering op het inkomen in box 1. Een eventueel restant is aftrekbaar van het inkomen in box 3 (tarief 30%) en vervolgens van het inkomen in box 2 (tarief 25%). Stem uw inkomen en aftrek zo veel mogelijk op elkaar af.1.3 Betalingsmoment Doet u aan het einde van het jaar nog betalingen, houd dan rekening met het betalingsmoment. Meestal geldt dat een betaling is gedaan op het moment waarop deze is bijgeschreven op de rekening van de ontvangende partij. Voor de inkomstenbelasting heeft de Hoge Raad echter uitgemaakt dat de betaling van aftrekbare bedragen heeft plaatsgevonden op de dag waarop de bank het bedrag heeft afgeschreven van de rekening van de belastingplichtige. Voor onder meer de resultaten uit overige werkzaamheden, waaronder ook de terbeschikkingstellingsregeling (zie onderdeel 1.13), geldt in beginsel het winstregime. Daarbij worden inkomsten en uitgaven toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Het moment van betaling speelt dan geen rol.1.4 Toerekening inkomensbestanddelen bij partners Sommige (negatieve) inkomensbestanddelen mogen willekeurig worden toegerekend aan partners. De persoonsgebonden aftrek en de inkomsten uit de eigen woning zijn hiervan belangrijke voorbeelden. Stem dit af op de niet-overdraagbare inkomensbestanddelen, maar vergeet hierbij niet de nieuwe regels over het fiscaal partnerschap in ogenschouw te nemen (zie onderdeel 1.5).© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 5Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST1.5 Fiscaal partnerschap 2011 Het fiscaal partnerbegrip is veranderd. Ongehuwd samenwonenden kunnen niet meer zelf kiezen voor het fiscaal partnerschap. In de volgende situaties zijn zij verplicht elkaars fiscaal partner: • Zij wonen samen met een notarieel samenlevingscontract. • Zij hebben samen een kind, of een kind dat is erkend binnen de relatie. • Zij zijn aangemeld als partners voor een pensioenregeling. • Zij hebben samen een eigen woning die het hoofdverblijf is. Beiden moeten verder op hetzelfde adres bij de gemeentelijke basisadministratie staan ingeschreven om fiscaal partners te kunnen zijn. Tot 1 januari 2011 eindigde het fiscaal partnerschap op het moment dat men duurzaam gescheiden ging leven. Vanaf 2011 is dit gewijzigd. Het fiscaal partnerschap eindigt pas als beiden op een ander adres staan ingeschreven bij de gemeente én als een verzoek bij de rechter is ingediend tot scheiding of tot scheiding van tafel en bed. Vanaf 2012 geldt dat wanneer ongehuwd samenwonenden in het voorafgaande jaar kwalificeerden als fiscaal partner, zij ook in het lopende jaar kwalificeren als fiscaal partner indien zij staan ingeschreven op hetzelfde woonadres.1.6 Planning specifieke zorgkosten U kunt de persoonsgebonden uitgaven voor specifieke zorgkosten aftrekken voor zover die boven een bepaalde drempel uitkomen. De drempel is afhankelijk van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Onder specifieke zorgkosten vallen onder andere uitgaven voor genees- en heelkundige hulp, voorgeschreven medicijnen, hulpmiddelen (op brillen en contactlenzen na), forfaitaire bedragen voor extra gezinshulp en een op medisch voorschrift gehouden dieet. Uitgaven betaald in 2011 zijn in dat jaar aftrekbaar.1.7 Planning scholingsuitgaven De persoonsgebonden uitgaven voor studie en opleiding met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning kunt u aftrekken, voor zover deze in het kalenderjaar hoger zijn dan de vaste drempel van € 500 (in 2012: € 250). Voor de scholingsuitgaven die zijn gedaan buiten de aan te geven maximale standaard- studieperiode (voor voltijdstudies) geldt een jaarlijks aftrekplafond van € 15.000. Uitgaven gedaan voor het volgen van een erkende EVC-procedure (EVC = Erkenning van Verworven Competenties) behoren ook tot de scholingsuitgaven.1.8 Planning giften Giften aan door de Belastingdienst erkende algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) kunt u aftrekken. De aftrek bedraagt maximaal 10% van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Voor 2011 bedraagt de drempel 1% van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek, met een minimum van € 60. Stem uw giften af op de drempel en het maximum. Als u kosten maakt voor een ANBI, bijvoorbeeld in uw hoedanigheid als bestuurslid, en u kunt deze kosten declareren maar u hebt dat niet gedaan, dan kunt u deze kosten aftrekken als gift aan de ANBI. Dit geldt ook als de ANBI niet in staat is de kosten te vergoeden, maar dat gewoonlijk wel doet.6 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST1.9 Vervangen gewone giften door een periodieke gift De drempel en het maximum voor het aftrekken van giften gelden niet als de schenking aan de instelling de vorm heeft van een periodieke uitkering met een looptijd van ten minste vijf jaar. Dit moet zijn vastgelegd in een notariële akte. Ook moet de periodieke gift zijn gedaan aan een ANBI of aan een niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde vereniging met ten minste 25 leden.1.10 Monumentenwoning? Onderhoudskosten aftrekbaar! Als u in een monumentenwoning woont die ook uw bezit is, kunt u de uitgaven voor onderhoud, vaste lasten en afschrijvingen aftrekken. Wanneer u zo’n woning bezit maar deze niet als permanent hoofdverblijf gebruikt, kunt u alleen de onderhoudskosten aftrekken. Voor beide gevallen geldt in 2011 een aftrekdrempel. Voor de eigen woning (uw hoofdverblijf) is de drempel 0,80% van de eigenwoningwaarde. Voor een monumentenwoning die niet uw hoofdverblijf is en dus wordt belast in box 3, is de drempel 4% van de waarde in het economisch verkeer aan het begin van het kalenderjaar. Met ingang van 2012 komt de aftrek voor vaste lasten en afschrijvingen te vervallen. De drempel verdwijnt. Nog slechts 80% van de onderhoudskosten is aftrekbaar. Voor onderhoudskosten waartoe voor 1 januari 2012 reeds onherroepelijke verplichtingen zijn aangegaan, wordt een overgangsregeling getroffen.1.11 Auto van de zaak Als u geen bijtelling wilt voor het privégebruik van de aan u ter beschikking gestelde auto van de zaak, moet uw kilometeradministratie op orde zijn. Desgewenst kunnen wij u een voorbeeld van een kilometeradministratie toezenden. Bij privégebruik van de auto voor 500 kilometer of minder per kalenderjaar blijft de bijtelling achterwege. Dit kan ook blijken uit een schriftelijke overeenkomst met uw werkgever waarin staat dat met de auto niet privé mag worden gereden, in combinatie met onder meer een betrouwbare controle op het autogebruik door de werkgever. Beoordeel samen met uw adviseur of, naast de overeenkomst met uw werkgever, de overige aanvullende bewijsmiddelen in acht zijn genomen. Is met uw werkgever afgesproken dat u bepaalde kosten zelf moet betalen, regel het dan zo dat u met hem overeenkomt dat u de betalingen aan derden doet voor of namens de werkgever en dat de werkgever die betalingen verrekent als eigen bijdrage voor het privégebruik. Op die manier kunnen betalingen aan derden toch in aanmerking worden genomen als eigen bijdragen voor privégebruik. Voor auto’s met een zeer lage CO2-uitstoot bedraagt de bijtelling voor privégebruik ten minste 14% van de cataloguswaarde. Voor een tussencategorie auto’s met een lage CO2-uitstoot geldt een tarief van ten minste 20% bijtelling in 2011. Voor de overige auto’s geldt een bijtellingspercentage van ten minste 25. Voor auto’s die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen geldt de waarde in het economisch verkeer als grondslag, en een bijtellingspercentage van ten minste 35. U kunt hier wellicht rekening mee houden als u op het punt staat een nieuwe (lease) auto uit te kiezen of aan te schaffen.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 7Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST1.12 Verklaring geen privégebruik auto Als u op jaarbasis 500 of minder privékilometers rijdt met de aan u ter beschikking gestelde auto van de werkgever, kunt u de Belastingdienst verzoeken een ‘verklaring geen privégebruik’ af te geven. Na overlegging van deze verklaring aan uw werkgever hoeft deze het voordeel van het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto niet tot uw loon te rekenen. Zodra u constateert dat u in het kalenderjaar meer dan 500 kilometers privé zult gaan rijden, moet u dit direct melden aan de Belastingdienst. Vanaf 1 januari 2012 bent u verplicht dit direct aan de Belastingdienst te melden en kunt u een boete krijgen als u dat nalaat. De Belastingdienst zal de verklaring geen privégebruik dan intrekken. Over de periode dat bij u door uw werkgever ten onrechte geen loonheffing is ingehouden over het voordeel van het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto, zal de Belastingdienst aan u (en niet aan uw werkgever) een naheffingsaanslag voor de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opleggen (eventueel met boete en heffingsrente). Controleer uw kilometeradministratie op onvolkomenheden. Als u nalatig bent in het melden van het hogere privégebruik zal dit, afhankelijk van het geval, van invloed zijn op de hoogte van de boete die de Belastingdienst aan u oplegt. Bovendien kunt u na 1 januari 2012 een extra boete krijgen wegens het niet melden. De Belastingdienst stuurt een standaardbrief naar iedere werknemer die een verklaring geen privégebruik voor de auto van de zaak heeft aangevraagd. In deze brief vraagt de Belastingdienst om een onderbouwing van de verklaring dat met de auto van de zaak op jaarbasis minder dan 500 kilometers privé wordt gereden.1.13 Terbeschikkingstellingsregeling (box 1) Als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden wordt aangemerkt het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan: • de onderneming of werkzaamheid van een verbonden persoon; • de eigen aanmerkelijkbelangvennootschap of de aanmerkelijkbelangvennootschap van een verbonden persoon. Ga na of een dergelijke relatie in 2011 bestaat of heeft bestaan. Denk daarbij ook aan rekening-courantverhoudingen, optierechten of het verhuren of ter beschikking stellen van een werkruimte in de eigen woning. Overleg met uw adviseur wat u eventueel moet doen.1.14 Schenking aanmerkelijk belang (box 2) In de inkomstenbelasting kunt u bij schenking van een aanmerkelijk belang (in essentie 5% of meer van de aandelen, opties of winstbewijzen) in een vennootschap die een materiële onderneming drijft, gebruikmaken van een doorschuiffaciliteit. Verder zijn er voorwaarden verbonden aan de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor de schenk- en erfbelasting bij schenking of vererving van ondernemingsvermogen of een aanmerkelijk belang in een vennootschap die een materiële onderneming drijft, zie ook onderdeel 3.12. Als u overweegt een aanmerkelijk belang te schenken, raadpleeg dan uw adviseur.8 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST1.15 Aftrek lijfrente (jaarruimte en reserveringsruimte) Bij een pensioentekort kunt u de zogenoemde jaarruimte benutten tot in totaal maximaal € 27 .156 voor een lijfrentepremieaftrek. Daarnaast bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid om de in het verleden niet-benutte aftrekruimte alsnog te gebruiken tot maximaal € 6.872 (€ 13.571 voor 55-plussers) door middel van de zogenoemde reserveringsruimte. Stel met uw adviseur de maximaal aftrekbare premie vast (zie onderdeel 1.16).1.16 Betaal tijdig uw lijfrentepremie! Premies die u in de aangifte 2011 wilt aftrekken moeten in 2011 daadwerkelijk zijn betaald. U kunt geen premies betaald in 2012 meer terugwentelen naar 2011. Let op: als u de betaalde lijfrentepremie geheel of gedeeltelijk niet kunt aftrekken, kan dubbele heffing optreden. Dit gebeurt voor zover u meer dan € 2.269 niet-aftrekbare premie hebt per jaar. Bespreek met uw adviseur of dit bij u het geval is en bekijk wat hiervan de consequenties zijn.1.17 Extra vrijstelling in box 3? U kunt een extra vrijstelling in box 3 creëren door (een deel van) uw vermogen maatschappelijk te beleggen, zoals in groenfondsen of sociaal-ethische beleggingen. U kunt uw vermogen ook aanwenden als durfkapitaal (directe en indirecte beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen). Als u een fiscaal partner hebt, kan de vrijstelling voor zowel maatschappelijke beleggingen als beleggingen in durfkapitaal oplopen tot maximaal € 110.952. Daarnaast ontvangt u voor maatschappelijke beleggingen en directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen extra heffingskortingen die bij partners kunnen oplopen tot maximaal € 1.110.1.18 Verlies op durfkapitaal Hebt u voor 1 januari 2011 een lening verstrekt aan een beginnende ondernemer (een zogenoemde tante-Agaathlening) en is deze vordering niet meer voor verwezenlijking vatbaar? Dan is zij aftrekbaar op de kwijtscheldingsdatum of, als deze later ligt, op de dagtekening van de beschikking van de Belastingdienst waarbij de oninbaarheid wordt vastgesteld. Per beginnende ondernemer geldt een maximaal aftrekbaar bedrag van € 46.984.1.19 Verlaging grondslag box 3 U betaalt minder belasting als de grondslag van box 3 lager is. Dit kunt u beïnvloeden door bijvoorbeeld uw belastingschulden te betalen voor 1 januari van het nieuwe jaar. U kunt ook denken aan een schenking aan uw (klein)kinderen of de aankoop van een consumptiegoed (zoals een auto, schilderij of boot) voor het einde van het jaar.1.20 Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting U kunt om een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 2012 vragen als aannemelijk is dat de ingehouden loonbelasting hoger zal zijn dan de uiteindelijk verschuldigde inkomstenbelasting. Dit kan het geval zijn als u in 2012 aftrekposten zult hebben, zoals (hypotheek)rente in verband met de eigen woning, uitgaven voor inkomensvoorzieningen (onder andere lijfrentepremies), persoonsgebonden aftrek (onder andere alimentatie en buitengewone uitgaven) en verliezen uit werk en woning uit voorgaande jaren.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 9Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST1.21 Belasting terugvragen T-biljetten kunnen over de jaren tot en met 2009 worden ingediend. Deze biljetten moeten binnen vijf jaar na afloop van het kalenderjaar zijn ingediend. De termijn voor indiening van het T-biljet 2006 eindigt dus op 31 december 2011. Over de jaren vanaf 2010 kan belasting worden teruggevraagd door het indienen van een P-biljet. De teruggaafgrens voor 2011 bedraagt € 14.1.22 Toeslagen Onder omstandigheden kunt u van de overheid een bijdrage ontvangen in de kosten van kinderopvang, huur en premie van een zorgverzekering. Deze toeslagen vraagt u aan bij de Belastingdienst. De eerste maandelijkse betaling ontvangt u in de regel acht weken nadat de Belastingdienst uw aanvraag heeft ontvangen. Voorwaarde hierbij is dat u de aanvraag volledig en correct hebt ingevuld. Toeslagen over 2011 kunt u nog aanvragen tot 1 april 2012. Als u over 2011 een toeslag ontvangt, zult u in principe over 2012 automatisch ook een toeslag ontvangen.1.23 Partnerschap en Successiewet De Successiewet kent een hoge vrijstelling en een relatief laag tarief voor de verkrijging van vermogen door schenking of overlijden van de echtgenoot of echtgenote. Ook samenwoners kunnen gebruikmaken van deze hoge vrijstelling en dit relatief lage tarief, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Informeer tijdig naar de mogelijkheden en de gevolgen bij uw adviseur.1.24 Schenkingsvrijstelling In 2011 zijn schenkingen door ouders aan kinderen tot de volgende bedragen vrijgesteld van schenkbelasting: Kind € 5.030 Kind tussen 18 en 35 jaar (eenmalig) naar keuze: • ter vrije besteding; of € 24.144 • voor aankoop woning of voor een studie; of € 50.300 • voor aankoop woning, indien voor 2010 de verhoogde vrijstelling is geschonken. € 26.156 Voor de eenmalige verhoogde vrijstelling komt het kind in aanmerking mits daarop een beroep wordt gedaan in de aangifte schenkbelasting (en u nog niet eerder een beroep op deze vrijstelling hebt gedaan). De schenking van € 50.300 kan worden gesplitst in € 24.144 ter vrije besteding en € 26.156 voor de aankoop van woning of voor een studie. Indien een kind niet maar zijn partner wel binnen de leeftijdscategorie valt, kunt u als (schoon)ouders onder voorwaarden ook gebruikmaken van de verhoogde vrijstelling. U moet deze aangifte indienen voor 1 maart 2012.10 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST1.25 Schenking onder schuldigerkenning De schuldigerkenning uit vrijgevigheid is een wijze van vermogensoverheveling waarbij de schenker niet de beschikkingsmacht over het vermogen verliest en waarbij toch een successierechtelijk voordeel wordt behaald. Deze schuldigerkenning is een vermogensbestanddeel van box 3. Over de schuld moet jaarlijks daadwerkelijk een rente van 6% worden betaald. Gebeurt dat niet, dan wordt de schuld aan de kinderen niet gezien als een schuld van de nalatenschap, zodat geen erfbelasting wordt bespaard. Let op: voor schenkingen onder schuldigerkenning verlangt de Belastingdienst een notariële akte.1.26 Herbeoordeling testament/huwelijksgoederenregime Het kan, ook fiscaal, nuttig zijn uw testament en/of huwelijksgoederenregime dit jaar nog eens kritisch te (laten) bekijken. Dit is vooral van belang vanwege de ingrijpende wijziging van de Successiewet en de aanmerkelijkbelangregeling met ingang van 1 januari 2010, of bij veranderingen in uw persoonlijke omstandigheden.1.27 Huwelijkse voorwaarden met verrekenbeding In veel huwelijkse voorwaarden waarin een verrekenbeding is opgenomen, is bepaald dat jaarlijks een verrekening moet plaatsvinden: het zogenoemde periodiek of Amsterdams verrekenbeding. Als dit niet gebeurt, kan tussen de echtgenoten een schuldvorderingsverhouding ontstaan, zelfs als is opgenomen dat de mogelijkheid tot verrekenen na een bepaalde termijn vervalt. Het niet verrekenen kan ongewenste financiële gevolgen hebben. Als u (nog) niet hebt verrekend, is het aan te raden uw financiële positie op dit punt te (laten) beoordelen.1.28 Buitenlandse bronheffing op uitgekeerde dividenden Ontvangt u dividend van buitenlandse ondernemingen, dan zal in de regel buitenlandse dividendbelasting worden ingehouden. In bepaalde gevallen kan deze worden teruggevorderd. Let in dit verband op verjaring van een eventueel vorderingsrecht. Dit kan per land verschillen. Neem hierover contact op met uw bank of adviseur.1.29 Levensloopregeling De levensloopregeling biedt u de mogelijkheid (fiscaal vriendelijk) brutoloon te reserveren om in de toekomst een periode van onbetaald verlof te kunnen financieren. U kunt op verschillende manieren sparen. Werknemers die 51 jaar of ouder waren op 31 december 2005 maar nog niet de leeftijd van 56 jaar hadden bereikt, kunnen een hoger bedrag reserveren. Indien u van plan bent na 1 januari 2012 door te gaan met levensloopsparen, zorgt u dan dat u op 1 januari 2012 meer dan € 3.000 op de levensloopspaarrekening hebt staan. In dat geval hoeft u de levensloopregeling niet te beëindigen in het kader van de per 1 januari 2013 van kracht wordende vitaliteitsregeling, en kunt u de levensloopregeling ongewijzigd voortzetten (zie ook onderdeel 5.2). Praat met uw adviseur over uw toekomstplannen.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 11Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 1.30 Participatie spaarloon Participeert u nog niet in een spaarloonregeling, dan kan het lonen dit toch te doen. Dit moet u zien in het licht van de afschaffing van de spaarloonregeling per 1 januari 2012, waarbij alle geblokkeerde saldi vrij zullen vallen (zie ook onderdeel 5.2). Participatie kan u een nettovoordeel opleveren van € 180 netto.12 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • 2 Ondernemingen NIET VAN TOEPASSING GEEN ACTIE NODIG ACTIE ONDERNEMEN NAVRAAG BIJ SPECIALIST2.1 Optimaal gebruikmaken van investeringsaftrekken Beoordeel of het wenselijk is te wachten met investeringen tot na 1 januari 2012. Als tijdstip van investering geldt het moment waarop u de verplichtingen tot aanschaf of verbetering van het bedrijfsmiddel aangaat. Zie ook www.kpmg.nl/promemorie, hier vindt u een handige KPMG-publicatie (Pro Memorie 2011) die kan helpen bij het nemen van uw ondernemingsbeslissingen. Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek Als u in 2011 investeert voor een bedrag van € 301.800 of minder, komt u in aanmerking voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (zie tabel). Bij samenwerkingsverbanden worden de investeringen samengeteld voor toepassing van de aftrek per ondernemer. Investeringsbedrag Investeringsaftrek Meer dan Maar niet meer dan – € 2.200 – € 2.200 € 54.324 28% € 54.324 100.600 € 15.211 € 100.600 € 301.800 € 15.211 minus 7,56% van het investeringsbedrag boven € 100.600 € 301.800 - - Energie-investeringsaftrek Deze aftrek bedraagt 41,5% van het bedrag van de investering. Op jaarbasis wordt per belastingplichtige ten hoogste een bedrag van € 116.000.000 aan energie-investeringen in aanmerking genomen. Bij samenwerkingsverbanden wordt dit maximum naar ieders aandeel toegepast op de afzonderlijke ondernemers. Milieu-investeringsaftrek Voor deze aftrek geldt geen investeringsplafond. De aftrek bedraagt, afhankelijk van de categorie waarin de investering wordt ingedeeld, 13,5%, 27% of 36% van het bedrag van de investering.2.2 Herinvesteringsreserve Bij vervreemding van een bedrijfsmiddel kan de vervreemdingswinst buiten de belastingheffing blijven door deze winst te reserveren in een herinvesteringsreserve. Voorwaarde is dat u een voornemen tot herinvestering hebt en dat deze herinvestering ook binnen drie jaar na het jaar van reserveren plaatsvindt. Ga na of dit jaar een herinvesteringstermijn verloopt en of tijdige herinvestering nog mogelijk is. Onder bepaalde bijzondere omstandigheden kan de herinvesteringstermijn worden verlengd.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 13Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 2.3 Bespreken balans Het is wenselijk om voor het afsluiten van het boekjaar de balans en de winst-en- verliesrekening in grote lijnen te bespreken met uw accountant en/of belastingadviseur. Voorzieningen en waardering van balansposten kunnen dan aan de orde komen. Op het gebied van de afschrijvingen is fiscaal een aantal beperkingen opgelegd. Zo zijn voor onroerende zaken de aard van het gebruik, de vaststelling van de WOZ- waarde en de invloed van de zogenoemde werktuigenvrijstelling bepalende factoren voor de hoogte van de fiscale afschrijving. Wij raden u sterk aan de WOZ-beschikking kritisch te beoordelen, al dan niet samen met uw adviseur. Ondanks de fiscale afschrijvingsbeperkingen blijft afwaardering tot lagere bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel mogelijk. 2.4 Voorziening Wilt u winst uitstellen? Kijk dan of u nog een voorziening kunt vormen. Daarvoor is al voldoende dat de toekomstige uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor de balansdatum, en dat een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de uitgaven in de toekomst worden gedaan. Verder geldt dat de toekomstige uitgaven ook moeten kunnen worden toegerekend aan de periode voorafgaande aan de balansdatum. Voorzieningen zijn mogelijk voor bijvoorbeeld een reorganisatie, onderhoud, saneringskosten, het verlenen van garantie op producten of jubileumuitgaven voor het personeel. 2.5 Willekeurige afschrijving Ga na of u optimaal gebruikmaakt van willekeurige afschrijvingen. Denk hierbij onder andere aan: • VAMIL (op milieu-investeringen); • investeringen door bepaalde groepen (startende ondernemers en ondernemingen die zeeschepen exploiteren). Gezien de fiscale afschrijvingsbeperkingen die zijn ingevoerd, kan het extra interessant zijn de fiscale faciliteiten van de willekeurige afschrijving optimaal te benutten. 2.6 Crisismaatregel willekeurige afschrijving Als tijdelijke crisismaatregel kunnen bepaalde investeringen die in 2009, 2010 en 2011 zijn of worden gedaan, onder voorwaarden willekeurig worden afgeschreven. Hiervoor geldt een maximum van 50% in het jaar waarin de verplichting is aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt. Deze bedrijfsmiddelen moeten dan wel voor 1 januari 2012, 1 januari 2013 respectievelijk voor 1 januari 2014 in gebruik worden genomen. Uitgesloten van de regeling zijn onder andere gebouwen, immateriële activa en niet-tijdelijk aan derden ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen.14 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST2.7 Uitstellen desinvesteringen in verband met desinvesteringsbijtelling Voor bedrijfsmiddelen waarvoor u bij aanschaf een investeringsaftrek (kleinschaligheid, energie of milieu) hebt genoten, geldt een desinvesteringsbijtelling als u deze bedrijfsmiddelen verkoopt binnen vijf jaar na aanvang van het kalenderjaar waarin de aftrek plaatsvond. De desinvesteringsbijtelling geldt ook als u iets doet wat gelijk te stellen is met verkoop. Om zo’n bijtelling te voorkomen, is het in bepaalde gevallen beter niet in 2011 te desinvesteren maar pas in 2012.2.8 Zeescheepvaartwinst, tonnagebelasting Als u in 2011 voor het eerst zeescheepvaartwinst geniet en u wilt gebruikmaken van de belastingheffing op tonnagegrondslag, moet u daartoe in 2011 een verzoek indienen per onderneming. U moet daar dus niet mee wachten tot de aangifte over 2011.2.9 Afdrachtvermindering loonheffing Ga na of u in 2011 optimaal gebruik hebt gemaakt van de diverse afdrachtverminderingen in de loonbelasting/premies volksverzekeringen. Denk hierbij onder andere aan: • werknemers die onderwijs, stages of een EVC-procedure volgen; • zeevarende werknemers op een schip onder de Nederlandse vlag; • werknemers voor speur- en ontwikkelingswerk (WBSO; ook in andere EU-landen).2.10 Beoordelen pensioenrechten en VUT-rechten personeel (eventueel backservice) Op pensioengebied hebben zich in het verleden ingrijpende wetswijzigingen voorgedaan. Ouderdomspensioenregelingen, overbruggingspensioenregelingen, VUT-regelingen en prepensioenregelingen moeten voldoen aan de eisen van de Wet VUT, pensioen en levensloop en aan de Pensioenwet. Toekennen of verhogen van pensioenrechten ten behoeve van werknemers kan leiden tot een backservicelast die nog ten laste kan komen van de fiscale winst in 2011. In het kader van het beheersbaar houden van de pensioenkosten kunt u ook overwegen een eind- of middelloonregeling om te zetten naar een beschikbare premieregeling. Stem met uw adviseur af of uw pensioenregeling hiervoor nog (fiscale) ruimte biedt.2.11 Geschenkenregeling loonbelasting Indien u als werkgever uw werknemers fiscaal gefaciliteerd een geschenk wilt geven, kunt u dit doen tot een bedrag van € 70. Hierover moet u als werkgever 20% eindheffing toepassen. Is de waarde hoger dan € 70, dan kunt u gebruikmaken van de kleine verstrekkingenregeling, mits het totaal op jaarbasis een bedrag van € 272 niet te boven gaat en het per verstrekking niet meer is dan € 136. Hierover moet u als werkgever het tabeltarief als eindheffing toepassen. De geschenkenregeling is niet van toepassing op een contante betaling. Raadpleeg uw adviseur.2.12 Producten uit eigen bedrijf U kunt uw werknemers een vrije vergoeding of verstrekking geven van 20% van de waarde in het economisch verkeer van producten uit eigen bedrijf, met een maximum van € 500 per kalenderjaar.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 15Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 2.13 Spaarloonregeling versus levensloopregeling Ga na of optimaal gebruik is gemaakt van de spaarloonregeling voor werknemers. Onder omstandigheden kan een directeur-grootaandeelhouder (dga) gebruikmaken van de spaarloonregeling. Spaarloon- en levensloopregeling kunnen niet gelijktijdig worden toegepast. Per jaar kan een keuze worden gemaakt voor een van de twee regelingen. Let op: u moet over het spaarloon een eindheffing van 25% toepassen. Over het spaarloon hoeft u geen premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet te betalen. 2011 is het laatste jaar waarin gebruik kan worden gemaakt van de spaarloonregeling. Werknemers die meedoen aan de spaarloonregeling kunnen hun opgebouwde tegoed vanaf 1 januari 2012 in z’n geheel opnemen, zonder fiscale sancties. Voor wie dat niet doet, vervalt de blokkeringstermijn van vier jaar en blijft de vrijstelling in box 3 tot 2016 bestaan. De levensloopregeling vervalt per 2012 voor werknemers die op 31 december 2011 een levenslooptegoed hebben van minder dan € 3.000, zie onderdeel 5.2. 2.14 Aanpassingen salarisadministratie per 1 januari 2012 Net als elk jaar moet u voor de eerste salarisrun van januari 2012 een aantal zaken aanpassen: reis- en autokostenvergoedingen, inhoudingen spaarregelingen en overige inhoudingen, forfaits enzovoort. 2.15 Fiscaal voordelig belonen van werknemers Denk bij ‘incentives’ aan personeel bijvoorbeeld eens aan: • een onbelaste vergoeding of verstrekking van een mobiele telefoon (smartphone/ BlackBerry), internet en dergelijke als het zakelijk gebruik meer dan 10% is (en dat is al snel het geval); • een onbelaste vergoeding voor maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter (overwerk, koopavonden, uit eten met cliënten, maaltijden tijdens cursussen en zakenreizen); • een personeelsfeest of personeelsreis. Let op dat dit onbelast kan tot een bedrag van maximaal € 454 per werknemer per jaar. Deze vrijstelling geldt niet als een dga en zijn partner de enige werknemers zijn; • een onbelaste verstrekking of vergoeding van een openbaarvervoerkaart die mede wordt gebruikt voor zakelijke reizen en/of woon-werkverkeer; • een abonnement voor bedrijfsfitness buiten werktijd. Deze vrijstelling geldt niet als een dga en zijn partner de enige werknemers zijn; • bij dreigende verkeershinder tijdens woon-werkverkeer door wegwerkzaamheden gedurende 24 maanden, naast een onbelaste reiskostenvergoeding, onder voorwaarden onbelast een openbaarvervoerpas vergoeden of verstrekken; • een onbelaste vergoeding of verstrekking bij schade aan of verlies van persoonlijke zaken van de werknemer. De schade of het verlies moet zijn ontstaan door een bijzondere gebeurtenis die samenhangt met de dienstbetrekking;16 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • een onbelaste bijdrage aan de personeelsvereniging en aan de ‘lief-en-leedpot’ of vergoedingen van de desbetreffende contributies aan uw werknemers. Dit geldt ook voor contributies betaald aan beroepsverenigingen of vakbond. Deze vrijstelling geldt niet als een dga en zijn partner de enige werknemers zijn. Mocht u van plan zijn de werknemers fiscaal gunstig te willen belonen, dan kunt u uiteraard contact opnemen met uw adviseur over de mogelijkheden.2.16 Werkkostenregeling Met ingang van 1 januari 2014 moet u de werkkostenregeling toepassen. De bestaande regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen komen daarmee te vervallen. Er geldt nu een overgangsregeling waarbinnen u kunt overgaan naar de nieuwe werkkosten- regeling. Neem contact op met uw adviseur over wat de gevolgen van de nieuwe werkkostenregeling zijn voor uw organisatie. Daarnaast kan het moment van invoering van de werkkostenregeling voor uw bedrijf nog voordelig uitpakken.2.17 Samenhangende groep inhoudingsplichtigen Voor inhoudingsplichtigen is het mogelijk zich aan te laten wijzen als samenhangende groep inhoudingsplichtigen (sgi). Voordeel hiervan is dat (bijvoorbeeld binnen concern) werknemers kunnen worden verplaatst zonder nieuwe vaststelling van de identiteit, zonder nieuwe opgaaf gegevens loonheffingen en zonder gevolgen voor de spaarloon- en 30%-regeling. De desbetreffende inhoudingsplichtigen kunnen in één bedrag de loonheffingen betalen, maar moeten wel zelf aangifte doen.2.18 Bestelauto’s en uw personeel Voor personeel dat bestelauto’s ook gebruikt voor privéritten geldt een fiscale bijtelling in de loonbelasting volgens het autokostenforfait. De bijtelling bedraagt maximaal 25% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm) voor bestelauto’s tot en met vijftien jaar oud. Om bijtelling te voorkomen, kunnen werknemer en werkgever overeenkomen dat de werknemer de bestelauto niet privé mag gebruiken. De werkgever moet het autogebruik controleren. Als sprake is van doorlopend afwisselend gebruik en het privégebruik valt niet per werknemer vast te stellen, dan kan de eindheffingsregeling worden toegepast. Bespreek met uw adviseur welke afspraken u het beste kunt maken.2.19 Keuze auto zakelijk of privé Als u een auto zowel zakelijk als privé gebruikt, kunt u er onder omstandigheden voor kiezen de auto als privé- of als ondernemingsvermogen aan te merken. Deze ‘etiketteringskeuze’ moet voor de inkomstenbelasting en de btw afzonderlijk worden gemaakt. Bij deze keuze moet rekening worden gehouden met factoren als privébijtelling, aftrek van btw, correctie btw wegens privégebruik, gereden kilometers, brandstof en verzekeringen. Uw adviseur kan u helpen bij het maken van uw keuze.2.20 Doorbetaling werknemers Een werkgever moet twee jaar lang het loon doorbetalen van zieke werknemers (minimaal 70% gedurende twee jaar). Neem uw personeelsbestand door om het (risico op) ziekteverzuim goed in kaart te brengen. Wellicht is aanpassing van de aanpak van het ziekteverzuim binnen uw onderneming gewenst en zijn andere of betere vastleggingen in het personeelsdossier noodzakelijk.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 17Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 2.21 Uitbreiding personeelsbestand Denk bij het aannemen van nieuw personeel ook aan de zogenoemde 30%-regeling. Hierdoor kan een deel van de arbeidsvergoeding effectief buiten de heffing van de loon- en inkomstenbelasting blijven. De regeling is onder voorwaarden van toepassing op werknemers uit het buitenland, maar ook op Nederlanders die weer naar Nederland terugkeren. Indien u van plan bent iemand aan te nemen uit de grensstreek (binnen een straal van 150 kilometer van Nederland) of een Nederlander die naar Nederland terug- keert, dan kan het in verband met de wijziging van de 30%-regeling per 1 januari 2012 verstandig zijn dat nog dit jaar te doen, zie onderdeel 5.3. Raadpleeg hierover uw adviseur. 2.22 Uitzending personeel Als een personeelslid is uitgezonden binnen Europa, kan het voorkomen dat deze werknemer in twee landen is verzekerd voor de sociale verzekeringen. Door middel van een A1-verklaring (voorheen: E-101-verklaring) kunt u de dubbele verzekeringsplicht voorkomen. De verklaring moet voor de uitzending worden aangevraagd en periodiek, afhankelijk van de uitzendperiode, worden verlengd. 2.23 Laatste loonheffingsaangifte 2011 Ga na of alle betalingen gedaan aan het personeel op een juiste wijze zijn verloond. Denk hierbij ook aan de forfaitaire bijtellingen voor de bestelauto en de personenauto, en aan andere gunstige beloningsvormen. 2.24 Laatste btw-aangifte 2011 Indien het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar, moeten in deze aangifte worden opgenomen: • correctie btw privégebruik auto (zowel voor de ondernemer als voor zijn personeel). Let hierbij op de nieuwe regels die per 1 juli 2011 van kracht zijn, zie ook onderdeel 2.31. Het is raadzaam om in ieder geval tegen de correctie over de eerste helft van 2011 bezwaar aan te tekenen; • correctie btw privégebruik gas, water, elektriciteit en warmte; • correctie btw voor gebruik door ondernemer van tot het bedrijf behorende goederen voor andere dan bedrijfsdoeleinden (onder andere privégebruik, bijvoorbeeld bedrijfsmiddelen die de ondernemer zowel zakelijk als privé gebruikt, zie ook onderdeel 3.10); • correctie btw voor verrichten van diensten door de ondernemer voor andere dan bedrijfsdoeleinden (onder andere privégebruik); • correctie in het kader van de bedrijfskantineregeling; • overige correcties op aftrek van voorbelasting over verstrekkingen aan het personeel (gelegenheid geven tot sport of ontspanning, privévervoer en huisvesting) en voor relatiegeschenken en dergelijke. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de correctie voor andere vormen van loon in natura en de restcategorie ‘overige personeelsverstrek- kingen’ (zoals de verstrekking van een mobiele telefoon aan personeel) niet is toegestaan. Wat hiervan de gevolgen zijn, is nog niet bekend. Het is niet ondenkbaar dat de correctie op andere wijze is verschuldigd (via een zogenoemde interne dienst); • herziening van voorbelasting op goederen en diensten bij wijziging van (voorgenomen) gebruik; • herziening van voorbelasting op roerende en onroerende investeringsgoederen.18 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST2.25 Correcties op (eerdere) btw-aangiften 2011 Correcties in verband met te weinig aangegeven btw uit eerdere aangiftetijdvakken moet u bij voorkeur vrijwillig aangeven en betalen voor 1 april 2012, omdat dan geen heffingsrente is verschuldigd. U mag de correcties niet verwerken in de laatste aangifte van 2011 of in een van de (eerste) aangiften over 2012, maar u moet deze melden in een aparte brief of via een formulier Suppletie Omzetbelasting (te downloaden via www.belastingdienst.nl, zoekterm: suppletie omzetbelasting). Bij ‘grote correcties’ (correcties van € 20.000 of meer, of correcties van 10% of meer van de al afgedragen btw) is een boete verschuldigd (5% met een maximum van € 4.920).2.26 Vergoeding kosten aan personeel en tenaamstelling factuur (btw) Een ondernemer geniet alleen aftrek van btw als de prestatie aan hem is verricht. Het is daarom van belang dat het contract voor de desbetreffende aankoop en de bijbehorende factuur op zijn naam staan. Dit speelt onder meer bij het vergoeden van zakelijke uitgaven die de werknemer voor zijn werkgever doet. Om het recht op aftrek van btw van de werkgever te behouden, moeten contract en factuur op naam van de ondernemer (de werkgever) zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor benzinebonnen, zij het dat hiervoor is toegestaan dat de ondernemer op andere wijze kan worden geïdentificeerd (bijvoorbeeld via girale betaling of een tankpasnummer). Als de werknemer de betrokken inkopen (deels) gebruikt voor privédoeleinden, is in zoverre sprake van loon in natura en kan een btw-correctie nodig zijn. Neem in dit geval contact op met uw adviseur. Niet alle btw op te vergoeden kosten is aftrekbaar. Zo stelt de Belastingdienst zich op het standpunt dat voor de vaste telefoon bij de werknemer thuis in principe geen btw-aftrek mogelijk is.2.27 Managementvergoeding (btw) Een ondernemer mag in beginsel alleen btw aftrekken als hij activiteiten verricht die met btw zijn belast. Een vennootschap die alleen managementdiensten verleent aan bijvoorbeeld dochtermaatschappijen zonder hiervoor een vergoeding te bedingen, is geen btw-ondernemer. In dat geval bestaat geen recht op btw-aftrek. Ontvangt een dergelijke vennootschap in de toekomst een vergoeding voor haar management- werkzaamheden, dan bestaat in beginsel wel recht op aftrek van btw (bijvoorbeeld bij accountantswerkzaamheden of adviesdiensten).2.28 Einde fiscale eenheid btw Als u tot de conclusie komt dat een fiscale eenheid voor de btw niet meer bestaat, moet u dit zo spoedig mogelijk schriftelijk melden aan de Belastingdienst. Dit om te voorkomen dat u of bepaalde ondernemingen aansprakelijk worden gesteld voor de btw-schuld van de fiscale eenheid die eigenlijk al niet meer bestaat.2.29 Factuurvereisten (btw) Om recht op aftrek van btw te hebben, moet de factuur waarop die btw is vermeld, voldoen aan bepaalde (wettelijke) eisen. Dit betreft onder meer de vermelding van de volledige NAW-gegevens van de leverancier en afnemer, en afzonderlijke vermelding van het btw-bedrag op de factuur. Het is dus belangrijk dat u correcte facturen uitreikt, maar ook dat u inkomende facturen goed controleert voordat u ze accepteert. Anders loopt u het risico dat de Belastingdienst de door u gevraagde btw-aftrek weigert. Correctie van onjuiste facturen is aan voorwaarden gebonden. Een overzicht van de factuurvereisten is ook te vinden via www.belastingdienst.nl (zoekterm: factuur opmaken).© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 19Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 2.30 Termijn terugvragen buitenlandse btw (btw) Aftrekgerechtigde ondernemers kunnen de in andere EU-landen betaalde btw terugvragen via een elektronisch verzoek bij de Belastingdienst. Het verzoek moet binnen zijn vóór 1 oktober van het jaar dat volgt op het jaar waarover u btw terugvraagt. Verzoeken die hierna binnenkomen, worden in beginsel door het andere EU-land niet meer in behandeling genomen. 2.31 Autokosten werknemers (btw) Als de werkgever een auto van de zaak ter beschikking stelt aan zijn werknemer, heeft de werkgever in principe recht op volledige btw-aftrek over de autokosten. Aan het einde van het boekjaar moet de werkgever dan echter een btw-correctie aangeven voor het privégebruik. De regels voor de correctie voor privégebruik zijn gewijzigd met ingang van 1 juli 2011. Voor de eerste zes maanden van 2011 geldt het oude regime. Dit houdt in dat de correctie voor privégebruik op jaarbasis 12% maal de correctie voor de loonheffingen/inkomstenbelasting bedraagt. Wij adviseren tegen deze correctie bezwaar aan te tekenen. Het privégebruik is vanaf 1 juli 2011 als fictieve dienst belast naar het werkelijke privégebruik van de auto. Daarbij geldt woon-werkverkeer niet langer als zakelijk maar als privégebruik. De staatssecretaris van Financiën stelt als eis om het werkelijk privégebruik te corrigeren dat een sluitende kilometeradministratie beschikbaar moet zijn. In de praktijk zal dit vaak niet het geval zijn. Goedgekeurd is dat de ondernemer mag volstaan met een correctie op jaarbasis van 2,7% van de catalogusprijs. De invulling van de nieuwe autocorrectie is nog niet volledig uitgekristalliseerd. Wij adviseren ondernemers met een wagenpark van enige omvang contact op te nemen met een btw-specialist. De werkgever heeft nooit recht op btw-aftrek over autokosten die hij aan een werknemer vergoedt vanwege zakelijk gebruik van diens eigen auto. 2.32 Debiteur betaalt u niet (btw) Als een debiteur u niet betaalt, kunt u onder omstandigheden de btw die u hebt voldaan aan de Belastingdienst terugvragen. U moet hiertoe een apart verzoek indienen bij de Belastingdienst binnen één maand na het aangiftetijdvak waarin duidelijk is dat uw debiteur de factuur niet meer zal betalen. Let erop dat als u afspraken maakt met uw debiteur over de betaling van de factuur, het kan zijn dat uw vordering wordt omgezet in een lening. In geval van een lening kunt u geen teruggaafverzoek indienen bij de Belastingdienst. U moet dus goed nagaan of uw debiteur uiteindelijk aan zijn verplichtingen zal voldoen of niet.20 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST2.33 Bewaarplicht Het opruimen en vernietigen van oude administratieve gegevens zal u zeker een kostenbesparing opleveren. U moet echter wel rekening houden met de wettelijke bewaartermijn van ten minste zeven jaar van uw administratieve gegevens. Op deze hoofdregel zijn uitzonderingen. Als u de btw over de aankoop of verbouwing van een pand hebt teruggevraagd, moet u de btw-boekhouding tien jaar bewaren. Permanente stukken (aktes, pensioen- en lijfrentepolissen en dergelijke) mogen niet worden weggegooid. Raadpleeg voor het opruimen daarom eerst uw adviseur. Tip: als u de gegevens van verkoopbonnen digitaal opslaat en deze ter beschikking kunt stellen aan de Belastingdienst, is het niet meer noodzakelijk om kassabonnen, kassarollen enzovoort op papier te bewaren. Dit geldt ook voor facturen. Wij adviseren u dit eerst met de Belastingdienst af te stemmen, voordat u alle papieren documenten weggooit.2.34 Subsidies Beoordeel of u mogelijkheden hebt om (niet-)fiscale subsidies te verkrijgen. In veel gevallen moet een eventuele aanvraag voor het einde van het boekjaar bij de desbetreffende instantie binnen zijn. Ook kan het voorkomen dat bepaalde handelingen (opdracht, aanbetaling en/of ingebruikname) nog dit jaar moeten plaatsvinden voor het verwerven van een toekomstige subsidie. Raadpleeg uw adviseur hierover.2.35 Voorlopige aanslag 2011 Als uw resultaat over 2011 achterblijft bij uw prognose, kan uw voorlopige aanslag te hoog zijn. Maak tijdig bezwaar, waarbij u verzoekt om het opleggen van een nadere negatieve voorlopige aanslag. Hierbij kunt u, afhankelijk van de situatie, verzoeken om vergoeding van heffingsrente. Raadpleeg daartoe uw adviseur. Daarnaast kan het wenselijk zijn bij een te verwachten hogere belastinglast te verzoeken om een nadere voorlopige aanslag. In de regel bent u heffingsrente verschuldigd aan de Belastingdienst. Deze moet de voorlopige aanslag op korte termijn opleggen, uiterlijk drie maanden na een dergelijk verzoek of na het indienen van de aangifte. Doet de Belastingdienst dat niet, dan is de heffingsrente beperkt tot die drie maanden na het verzoek of het indienen van de aangifte. Voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012 geldt dat een te hoge of een te lage voorlopige aanslag vennootschapsbelasting kan worden aangepast door middel van een verzoek om herziening. Voor die jaren geldt ook het regime van de belasting- rente (zie onderdeel 5.9), in plaats van de heffingsrente. De belastingrente gaat pas lopen 6 maanden na afloop van het belastingjaar.2.36 Ontslagvergoeding Onder omstandigheden is het mogelijk dat de ontslaguitkering aan een werknemer wordt gezien als een regeling voor vervroegde uittreding. De werkgever kan dan worden geconfronteerd met een strafheffing op het gebied van de loonheffing van 52% berekend over de ontslagvergoeding. Daarnaast kunt u mogelijk een strafheffing zijn verschuldigd indien de werknemer wordt geacht een excessieve ontslagvergoeding te hebben ontvangen. Dit kan van toepassing zijn op werknemers die een fiscaal jaarloon hebben van meer dan € 522.000. Overleg bij lopende ontslagsituaties met uw adviseur in welke gevallen bij u de mogelijke strafheffingen aan de orde zijn.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 21Alle rechten voorbehouden.
  • 3 Ondernemer eenmanszaak, NIET VAN TOEPASSING GEEN ACTIE NODIG ACTIE ONDERNEMEN NAVRAAG BIJ SPECIALIST vof, cv en maatschap 3.1 Begrip ondernemer De Wet inkomstenbelasting 2001 verstaat onder een ondernemer de belastingplichtige: • voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven; en • die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming, dat wil zeggen: die aansprakelijk is voor de zakelijke schulden van de onderneming. Ga na of uw situatie voldoet aan deze criteria voor het fiscaal ondernemerschap en bespreek met uw adviseur wat gewenst is. 3.2 Toetsing meewerkaftrek of arbeidsbeloning voor meewerkende partner De meewerkaftrek is, afhankelijk van het aantal door de partner meegewerkte uren, een bepaald percentage van de winst. De meewerkaftrek kan alleen worden geclaimd als uw partner zonder enige vergoeding meewerkt. Hebt u wel gekozen voor een arbeidsbeloning van uw partner, dan komt die niet ten laste van de winst uit onderneming als de vergoeding lager is dan € 5.000 op jaarbasis. Bij uw partner is de vergoeding dan niet belast. U kunt overwegen om uw meewerkende partner een arbeidsbeloning toe te kennen. Wellicht dat de man-vrouwfirma tot de mogelijkheden behoort. Door verdeling van de winst kunnen aanzienlijke progressievoordelen ontstaan en de partner kan onder voorwaarden gebruikmaken van de ondernemersfaciliteiten (zelfstandigenaftrek, startersaftrek, 12%-MKB-winstvrijstelling, dotatie aan de fiscale oudedagsreserve (FOR), stakingsaftrek enzovoort). Zie ook onderdeel 3.3 en 3.4. 3.3 Urencriterium voor zelfstandigenaftrek De zelfstandigenaftrek is afhankelijk van de winst. Van de in een kalenderjaar totaal beschikbare tijd voor het verrichten van werkzaamheden moet 50% of meer zijn besteed aan het drijven van een (of meer) onderneming(en), met een minimum van 1.225 uren. Voldoet u niet aan dit urencriterium, dan hebt u geen recht op de zelfstandigenaftrek en ook niet op de speur- en ontwikkelingsaftrek, de meewerkaftrek en de FOR. Bent u starter, dan geldt een verhoogde zelfstandigenaftrek en niet de voorwaarde dat 50% of meer van de tijd aan de onderneming moet worden besteed (wel nog steeds ten minste 1.225 uren). Bent u starter en hebt u recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, dan is een tijdsbesteding van minimaal 800 uren aan uw onderneming voldoende. Noteer de uren die u maakt voor de onderneming in uw agenda. 3.4 Man-vrouwfirma Als uw partner meewerkt, kunt u met uw partner een firma aangaan. De meewerkende partner wordt dan ook zelfstandig ondernemer voor de inkomstenbelasting en heeft daardoor recht op alle ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek, de 12%-MKB-winstvrijstelling en de FOR, tenzij de partner alleen ondersteunende werkzaamheden verricht. Voorwaarde is dat een firmacontract wordt opgesteld, waarin voor de aanvangsdatum van de firma een terugwerkende kracht van maximaal negen maanden kan worden opgenomen. Overleg met uw adviseur over het (gewenste) effect.22 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST3.5 Verkoop onderneming, omzetting in bv of starten nieuwe onderneming Wanneer u overweegt uw onderneming te verkopen of om te zetten in een bv, raden wij u aan om voor het einde van het jaar te beoordelen of dit fiscaal is gewenst in 2011 of juist in 2012. Bij een verkoop van de onderneming kan de peildatum van 1 januari 2011 nog een rol spelen. De fiscale winst behaald met de staking van de oude onderneming kan in beginsel fiscaal geruisloos worden doorgeschoven naar de nieuwe onderneming. Dit leidt dus niet tot directe afrekening in de inkomstenbelasting.3.6 Kleine-ondernemersregeling in de btw Als de btw die u na aftrek van voorbelasting per saldo over 2011 bent verschuldigd niet hoger is dan € 1.883, komt u in aanmerking voor de kleine-ondernemersregeling. Op grond hiervan hoeft u (een deel van) de verschuldigde btw in het geheel niet aan de Belastingdienst te voldoen. Deze korting wordt dan wel gerekend tot het inkomen in box 1 voor de inkomstenbelasting. Deze regeling geldt alleen voor ondernemers/ natuurlijke personen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Als de op jaarbasis verschuldigde btw minder bedraagt dan € 1.345, kunt u de Belastingdienst verzoeken om een ontheffing van de administratieve verplichtingen, zoals de boekhoud-, factureer- en aangifteplicht. Bij toekenning van dit verzoek zal de Belastingdienst aangeven welke voorwaarden hiervoor gelden.3.7 Middeling 2009-2011 Het is onder bepaalde voorwaarden mogelijk uw belastbare inkomens in box 1 (werk en woning) van 2009 tot en met 2011 te middelen, waardoor u over deze jaren wellicht in totaal minder belasting betaalt. Let op: de te middelen jaren mogen slechts eenmaal in de middelingsberekening worden betrokken. Beoordeel zelf welke van de te middelen jaren u een zo hoog mogelijke belastingteruggaaf oplevert. Mogelijk kunt u ook voorgaande jaren nog middelen. Dit is afhankelijk van de dagtekening van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting over de desbetreffende jaren.3.8 Startende ondernemer Voor startende ondernemers zijn er enkele specifieke zaken waarmee tegen het einde van het kalenderjaar rekening kan/moet worden gehouden, zoals: • willekeurige afschrijving voor startende ondernemers; • afdekken van het risico van een nabestaandenpensioen; • reserveren voor belastingbetalingen; • urenregistratie voor onder andere de zelfstandigenaftrek.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 23Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 3.9 Verklaring arbeidsrelatie (VAR) De Verklaring arbeidsrelatie (VAR) geldt maximaal voor de periode van een kalenderjaar. Hebt u nog geen VAR aangevraagd voor dit jaar? Doe dat dan alsnog voor het einde van het jaar. Voor opdrachtgevers kunnen de rechtsgevolgen van een VAR zich uitstrekken over een langere periode. Om te zijn gevrijwaard van inhoudingsplicht, moeten opdrachtgevers over een afschrift van de VAR (winst uit onderneming: VAR- wuo, of inkomsten uit werkzaamheden voor rekening en risico voor uw vennootschap: VAR-dga, zie ook onderdeel 4.13) van de opdrachtnemer beschikken, de identiteit van de opdrachtnemer vaststellen en een kopie van het identiteitsbewijs bewaren. Ook zal de opdrachtgever zich ervan moeten vergewissen dat de uitgevoerde werkzaamheden in lijn liggen met de werkzaamheden waarvoor de VAR is afgegeven. Let op: als u voldoet aan bepaalde voorwaarden, dan heeft de Belastingdienst u uiterlijk half september automatisch een nieuwe VAR gestuurd voor het volgende kalenderjaar. Hebt u geen nieuwe VAR ontvangen, dan zult u er zelf een voor het volgende kalenderjaar moeten aanvragen. 3.10 Btw-keuzevermogen De btw-regelgeving maakt het mogelijk een investeringsgoed, zoals een vakantiewoning, geheel of gedeeltelijk als zakelijk of privé te bestemmen. Met ingang van 2011 is bij zakelijke etikettering van onroerende zaken voor de btw alleen nog voordruk-btw- aftrek mogelijk voor zover sprake is van btw-belast zakelijk gebruik. U hoeft dan geen correctie meer te maken voor privégebruik. Per saldo mist u voortaan een rentevoordeel op het privégebruik. Houdt u er rekening mee dat het etiketteren van het vermogen tot btw-ondernemings- vermogen of privévermogen volgens het Ministerie van Financiën moet gebeuren op het tijdstip dat de eerste investering wordt gedaan (bij panden dus meestal bij de aankoop van de ondergrond). De etikettering van het vermogen voor de btw staat overigens los van de etikettering van het vermogen voor de inkomstenbelasting. Voor de etiketteringskeuze bij auto’s verwijzen wij naar onderdeel 2.19. 3.11 Voorkom verliesverdamping Een verlies uit werk en woning behaald in 2011 is alleen verrekenbaar met winsten behaald in 2008, 2009 en 2010 (carry-back) en de winsten behaald in de jaren 2012 tot en met 2020 (carry-forward). Daarna gaan deze verliezen verloren. Om deze verliesverdamping te voorkomen, kan wellicht het resultaat worden verhoogd door kosten en lasten uit te stellen, voorzieningen te laten vrijvallen en dergelijke. Neem hierover contact op met uw adviseur.24 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST3.12 Bedrijfsopvolging Bij (gedeeltelijke) bedrijfsopvolging en estate planning kan het fiscaal interessant zijn (een deel van) uw IB-onderneming of een pakket aandelen in uw bv aan uw toekomstige erfgenamen te schenken. De huidige Successiewet kent hiervoor namelijk onder bepaalde voorwaarden een aantal faciliteiten, waaronder een vrijstelling van maximaal 100% en tien jaar (rentedragend) uitstel van belastingbetaling. De faciliteiten kunnen ook van toepassing zijn bij overlijden. De vennootschapsstructuur moet wel aan specifieke eisen voldoen. Ook de inkomstenbelastingclaim kan onder bepaalde voorwaarden worden doorgeschoven. Bij schenking van (een deel van) uw IB- onderneming moet de begunstigde in beginsel al 36 maanden medeondernemer zijn en bij schenking van de aandelen in uw bv moet de begunstigde in beginsel al 36 maanden in dienst zijn. Het is raadzaam tijdig contact op te nemen met uw adviseur om vast te kunnen stellen of de bedrijfsopvolging beter in 2011 of juist in 2012 kan plaatsvinden.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 25Alle rechten voorbehouden.
  • 4 Bv en nv NIET VAN TOEPASSING GEEN ACTIE NODIG ACTIE ONDERNEMEN NAVRAAG BIJ SPECIALIST 4.1 Aangaan fiscale eenheid Het aangaan van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting tussen meerdere vennootschappen heeft bepaalde voordelen, zoals het doen van één aangifte voor de vennootschapsbelasting, het neutraliseren van onderlinge handelstransacties, het fiscaal geruisloos doorvoeren van een herstructurering en de directe verrekening van onderlinge winsten en verliezen van gevoegde vennootschappen. Raadpleeg hierover uw adviseur (zie ook onderdeel 4.2 en 4.3). 4.2 Aanvragen fiscale eenheden die per 1 januari 2012 moeten ingaan Fiscale eenheden voor de vennootschapsbelasting die per 1 januari 2012 moeten ingaan, moeten worden aangevraagd voor 1 april 2012. 4.3 Verbreken fiscale eenheid per 31 december 2011 Als het gewenst is om per 1 januari 2012 geen onderdeel meer te zijn van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, moet het verzoek tot ontvoeging uiterlijk 31 december 2011 zijn ingediend. In bepaalde gevallen kan het voordelig zijn een fiscale eenheid tussen meerdere winstgevende vennootschappen te beëindigen. Op die manier kunnen de vennootschappen afzonderlijk gebruikmaken van de lagere MKB-tariefschijf in de vennootschapsbelasting (de tarieven voor 2011 zijn: 20% voor de winst tot en met € 200.000 en 25% voor de winst boven € 200.000). Ook kan het verbreken van een fiscale eenheid leiden tot de toepassing of verhoging van de investeringsaftrek. Let op: nagegaan moet worden of door het verbreken van de fiscale eenheid geen fiscale sanctiebepalingen in werking treden. Raadpleeg hierover uw adviseur. 4.4 Fictief salaris, fictieve rente en fictieve huur Iedere houder van een aanmerkelijk belang die voor zijn bv werkzaamheden verricht, wordt geacht een salaris te ontvangen uit zijn bv. De hoogte bedraagt in 2011 minimaal € 41.000, enkele specifieke situaties uitgezonderd. Het is verstandig vooraf overeenstemming te bereiken met de Belastingdienst over de hoogte van uw (fictieve) salaris. Worden zaken verhuurd aan een vennootschap waarin u een aanmerkelijk belang hebt, of hebt u geld geleend aan een dergelijke vennootschap? U moet dan (fictief) een zakelijke huur of rente verantwoorden in uw aangifte als resultaat uit overige werkzaamheden (zie ook onderdeel 1.13). Als u fictief salaris, fictieve huur of fictieve rente ontvangt, dan kan de bv in beginsel aanspraak maken op een corresponderende fiscale aftrekpost. Raadpleeg hierover uw adviseur. 4.5 Lenen van uw bv (inclusief rekening-courant) Als dga kunt u bijvoorbeeld uw beleggingen financieren met een lening van uw bv. Het lenen moet gebeuren op zakelijke voorwaarden. In box 3 wordt een fictief rendement belast voor zover de waarde van de beleggingen het bedrag van de opgenomen lening overtreft, de betaalde rente is verder geen aparte aftrekpost meer voor de inkomstenbelasting. Het is raadzaam de overeenkomst schriftelijk vast te leggen.26 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST Hebt u als dga een structureel hoge rekening-courantschuld bij uw bv, dan loopt u het risico dat de fiscus (een deel van) de schuld aanmerkt als een dividenduitkering en een correctie aanbrengt, eventueel zelfs verhoogd met een boete. Dit risico kunt u verminderen door bijvoorbeeld de bedragen af te splitsen die u hebt geleend voor de aankoop van beleggingen, verbouwing van de eigen woning (de rente kan dan wel aftrekbaar zijn) of andere grote privé-investeringen. U moet hiervan dan (zakelijke) leningsovereenkomsten opstellen en de voorwaarden ook naleven.4.6 Vordering op uw bv (inclusief rekening-courant) Als de dga een vordering heeft op zijn eigen bv, is de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing, zie ook onderdeel 1.13. In beginsel worden de voordelen belast in box 1. Een uitzondering is gemaakt voor de situatie dat gedurende het kalenderjaar het saldo van de rekening-courant niet hoger is geweest dan € 17 .500, waarbij de bv tevens geen rente in aanmerking neemt. Deze situatie bespaart een hoop administratieve rompslomp. Zorg er in andere situaties voor dat de voorwaarden zakelijk zijn, anders zou een eventueel afwaarderingsverlies weleens niet aftrekbaar kunnen zijn.4.7 Borgstellingsprovisie bedingen bij bv Staat u als dga in privé borg voor een door de bank aan uw bv verstrekte lening, dan moet u hiervoor een vergoeding bedingen bij uw bv. De bank kan u immers in privé aanspreken om de schuld, inclusief rente, te betalen als de bv hiertoe niet in staat is. Wij raden u aan een zakelijke borgstellingsprovisie bij uw bv in rekening te brengen om te voorkomen dat de fiscus dit (eventueel zelfs met boetes) corrigeert. De vergoeding voor de borgstelling wordt beschouwd als een voordeel volgens de terbeschikking- stellingsregeling en belast als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1, zie ook onderdeel 1.13. De bv kan de vergoeding aftrekken.4.8 Voorkom verliesverdamping Een verlies behaald in 2011 is in beginsel alleen verrekenbaar met een winst behaald in 2010 (carry-back) en de winsten behaald in de jaren 2012 tot en met 2020 (carry- forward). Daarna gaan de verliezen verloren. Om verliesverdamping te voorkomen, kan wellicht het resultaat worden verhoogd door kosten en lasten uit te stellen, voorzieningen te laten vrijvallen en dergelijke. Neem hierover contact op met uw adviseur.4.9 Verliezen uit 2002 verdampen Verliezen uit 2002 en/of daarvoor zullen per 31 december 2011 verdampen. Ga na of verliesverdamping kan worden voorkomen door stille reserves besloten in uw bedrijfsmiddelen en/of activiteiten te realiseren. Kan een en ander niet op korte termijn worden gerealiseerd, ga dan na of verlenging van het boekjaar uitkomst kan bieden. Neem hierover contact op met uw adviseur.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 27Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 4.10 Crisismaatregel verliesverrekening Als tijdelijke crisismaatregel kan voor verliezen in 2009, 2010 en 2011 bij aangifte worden gekozen voor het verlengen van de achterwaartse verliesverrekening (carry-back) van één tot drie jaar. Bij keuze voor uitbreiding van de achterwaartse verliesverrekening wordt wel voorwaartse verliesverrekening (carry-forward) ingeleverd. Deze termijn wordt namelijk ingekort van negen tot zes jaar. Verder kan met elk van de extra verrekeningsjaren maximaal € 10.000.000 aan verliezen uit 2009, 2010 en 2011 worden verrekend. 4.11 Pensioen voor uzelf, meewerkende echtgenoot en kinderen Het toekennen of verhogen van pensioenrechten kan leiden tot een aftrekpost ten laste van het resultaat van 2011. Zorg wel dat uw pensioenbrief voldoet aan alle fiscale regels. Stem met uw adviseur af of uw pensioenbrief hiervoor nog (fiscale) ruimte biedt. Een ander aandachtspunt is een pensioen dat in eigen beheer in een andere bv wordt opgebouwd dan de bv waar u op de loonlijst staat (zogenoemd extern eigen beheer). De premie moet worden bepaald op commerciële grondslagen. Bij open geïndexeerde pensioenen mag worden gerekend met een fictieve vaste indexering van 2%. Omdat deze indexatie tot praktische uitvoeringsproblemen leidt, geven wij u in overweging om, indien mogelijk, in dienst te treden bij de bv waar het pensioen wordt opgebouwd, of het pensioen op te bouwen in de bv waarin u werkt, of de pensioen- opbouw in eigen beheer desnoods te staken. In het kader van tax planning kan het zinvol zijn de afweging tussen salaris en pensioen- opbouw enerzijds en dividenduitkeringen anderzijds opnieuw tegen het licht te houden. 4.12 Hoge aftrekpost bv door inkoop pensioen Wanneer u als dga in het verleden onvoldoende pensioen hebt opgebouwd voor indiensttreding bij de eigen bv, dan kunt u dit soms herstellen door binnen de huidige pensioenregeling bij de bv pensioen in te kopen. Dit is mogelijk voor dienstjaren van voor 8 juli 1994 (na deze datum is waardeoverdracht van pensioen mogelijk). De rechter heeft in het verleden een inkooplast met betrekking tot vijftien jaar diensttijd toegestaan. Op deze manier kan een aanzienlijke aftrekpost ontstaan voor de bv. 4.13 VAR-dga De VAR-regeling (zie onderdeel 3.9) geldt ook voor een dga die werkzaamheden verricht bij een opdrachtgever door middel van zijn vennootschap. De staatssecretaris van Financiën heeft echter aangegeven dat de VAR-dga niet mag worden toegepast in de arbeidsrelatie met de vennootschappen waarin de houder van de VAR-dga onmiddellijk of middellijk aandelen bezit. Raadpleeg hierover uw adviseur. 4.14 Functionele valuta of de euro Het is mogelijk aangifte vennootschapsbelasting te doen in een andere valuta dan de euro. Om met ingang van 2012 gebruik te maken van deze mogelijkheid, moet u voor 1 januari 2012 een verzoek indienen bij de Belastingdienst. Hebt u eenmaal gekozen voor het gebruik van de functionele valuta, dan geldt dit in beginsel voor een periode van tien jaar.28 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST4.15 Heroverweging bv en nv De huidige economische omstandigheden kunnen voor u het moment zijn de gekozen rechtsvorm waarbinnen u uw onderneming drijft, te heroverwegen. Belangrijke factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn het effect van de fiscaliteit op uw besteedbaar inkomen voor u als ondernemer en de risico’s die met uw onderneming gepaard gaan. Uiteraard kunnen meer factoren een rol spelen. Bij terugkeer uit een bv of nv naar een eenmanszaak of vof kunt u gebruikmaken van een fiscale faciliteit, waarbij u geruisloos (dus zonder af te rekenen) kunt terugkeren uit een bv of nv. Bespreek dit eens met uw adviseur.4.16 Thin capitalization De thin capitalization-regels hebben tot doel de aftrek van rente te beperken als sprake is van bovenmatige financiering met vreemd vermogen. Uitgangspunt is de verhouding van het gemiddeld vreemd vermogen ten opzichte van het gemiddeld eigen vermogen naar de stand aan het begin en einde van het jaar. Nagegaan moet worden welke effecten reeds genomen en nog te nemen financieringsbeslissingen hebben voor de renteaftrek van uw vennootschap. Raadpleeg tijdig uw adviseur.4.17 Transfer pricing (bv en nv) Als u in meerdere landen ondernemingen hebt, kan een wijziging in de allocatie van bepaalde bedrijfsprocessen (uw ‘supply chain’) leiden tot een wijziging in de onderling te hanteren verrekenprijzen. Een eventuele wijziging in de allocatie van bedrijfsprocessen kan voor een in internationaal verband opererende groep van vennootschappen een interessante ontwikkeling zijn voor internationale tax planning. Naast belasting- besparing levert dit u wellicht ook een directe kostenbesparing op. Bespreek dit eens met uw adviseur.4.18 Verrekening houdsterverliezen Als sprake is van een zuivere holding- en/of financieringsmaatschappij kan het gewenst zijn deze vennootschap op te nemen in een fiscale eenheid of binnen deze vennootschap operationele activiteiten te ontwikkelen of leningen aan derden in te brengen. Een en ander hangt samen met een beperking in de verrekening van houdsterverliezen. Raadpleeg tijdig uw adviseur.4.19 Innovatiebox Voor winsten uit zelfontwikkelde immateriële activa waarvoor een octrooi of kwekersrecht is verleend of die zijn voortgevloeid uit werkzaamheden waarvoor een S&O-verklaring (speur- en ontwikkelingswerk) is afgegeven (S&O-activa), kunt u gebruikmaken van een verlaagd (effectief) tarief van circa 5%. Ook in het buitenland ontwikkelde of gepatenteerde activa kunnen kwalificeren voor deze zogenoemde innovatiebox. Het kan dus fiscaal voordelig zijn een octrooi of S&O-activa onder te brengen in de innovatiebox. Raadpleeg uw adviseur over de voordelen hiervan.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 29Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 4.20 Deelnemingsvrijstelling De deelnemingsvrijstelling is in beginsel van toepassing op belangen van 5% of meer in het nominaal gestorte kapitaal van een vennootschap. Raadpleeg uw adviseur bij uw beslissingen in het kader van herstructureringen, de aankoop van deelnemingen en dergelijke. 4.21 Afwaarderen en/of prijsgeven van vorderingen In het kader van herstructureringen kan het voorkomen dat een afgewaardeerde vordering op een deelneming wordt omgezet in aandelen, of wordt kwijtgescholden. Onder omstandigheden heeft dit gevolgen voor de belastbare grondslag van de debiteur en/of de crediteur. Raadpleeg uw adviseur. 4.22 Vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) De vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) heeft als hoofdkenmerk een vrijstelling van vennootschapsbelasting en vrijstelling van (inhouding van) dividendbelasting. De vbi biedt interessante mogelijkheden voor de dga met een zogenoemde kasgeld- vennootschap. Bespreek met uw adviseur of de vbi iets voor u is.30 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • 5 Belastingplan 2012 NIET VAN TOEPASSING GEEN ACTIE NODIG ACTIE ONDERNEMEN NAVRAAG BIJ SPECIALIST Op Prinsjesdag, 20 september 2011, heeft het kabinet de volgende vijf wetsvoorstellen ingediend bij de Tweede Kamer: het Belastingplan 2012, de Geefwet, Wet uitwerking autobrief, Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen en de Overige fiscale maatregelen 2012. Dit jaar staan de voorgestelde fiscale maatregelen in het teken van een eenvoudiger, meer solide en meer fraudebestendig belastingstelsel. Veel van deze voorgestelde maatregelen treden in werking op 1 januari 2012. Hierna hebben wij de hoofdlijnen van het Belastingplan 2012 voor u uiteengezet.5.1 Vennootschapsbelasting • Renteaftrekbeperking overnameholdings. Voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012 wordt een renteaftrekbeperking in verband met overnames van kracht, wanneer een overname wordt gefinancierd met vreemd vermogen en de overnemende partij en de target op of na 1 januari 2012 een fiscale eenheid vennootschapsbelasting aangaan. Deze nieuwe aftrekbeperking geldt ook voor rente die verband houdt met van derden verkregen financiering. De aftrekbeperking werkt op hoofdlijnen als volgt: 1. Overnamerente is allereerst aftrekbaar tot het bedrag van de ‘eigen winst’. Kort gezegd wordt deze winst bepaald door de winst van de fiscale eenheid te verminderen met het deel van die winst dat toerekenbaar is aan de verworven (en gevoegde) maatschappij(en). 2. Bedraagt de overnamerente meer dan de eigen winst, maar blijft dit meerdere beneden een bedrag van € 1.000.000 (‘franchise’), dan is de rente nog steeds geheel aftrekbaar. 3. Bedraagt de overnamerente meer dan de positieve eigen winst en overschrijdt het meerdere de franchise van € 1.000.000, dan is in beginsel aftrekbaar een bedrag ter grootte van de franchise vermeerderd met de positieve eigen winst, en is het meerdere niet aftrekbaar. Zie echter punt 4 en 5 hierna. 4. Overschrijdt het meerdere het bedrag van de franchise en de positieve eigen winst, dan is de overnamerente ook nog steeds volledig aftrekbaar als geen sprake is van een teveel aan overnamerenten (‘financieringsescape’). Het teveel aan overnamerenten is de rente die is verschuldigd over het bovenmatige deel van de overnameschuld. Dit bovenmatige deel wordt gesteld op het bedrag van de overnameschuld dat bij het einde van het jaar uitkomt boven een bepaald deel van de verkrijgingsprijs: 60% in het jaar van voeging, het jaar erna 55% en zo verder, totdat een percentage van 25 is bereikt. Als er meerdere overnameschulden zijn die bovendien betrekking hebben op in verschillende jaren gevoegde maatschappijen, moet voor elk van die jaren afzonderlijk het teveel aan overnamerenten worden bepaald. Daarbij worden overnameschulden en verkrijgingsprijzen van overnames die in hetzelfde jaar tot voeging leiden samengenomen.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 31Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 5. Is er sprake van een bovenmatig deel van de overnameschuld en dus van een teveel aan overnamerenten, dan wordt de niet-aftrekbare rente vastgesteld op het laagste van de volgende bedragen: a) overnamerente minus positieve eigen winst minus € 1.000.000; b) het bedrag van het teveel aan overnamerenten. De in een jaar niet-aftrekbare overnamerente wordt overgebracht naar het volgende jaar en in dat jaar weer getoetst aan de aftrekbeperking. Daarbij wordt voor de doorgeschoven rente niet opnieuw rekening gehouden met de franchise van € 1.000.000 en ook niet met de financieringsescape. Niet alleen een verwerving, maar ook de uitbreiding van een belang valt onder de werking van deze nieuwe maatregel. Daarnaast blijft de maatregel ook gelden na liquidatie binnen de fiscale eenheid van de overgenomen vennootschap. De nieuwe maatregel houdt in dat gedurende de bezitsperiode van een overgenomen (en gevoegde) vennootschap nauwkeurig moet worden bijgehouden welke verkrijgingsprijs en welke (resterende) schuld op welke overname betrekking hebben en in welk jaar een overname heeft plaatsgevonden. • Objectvrijstelling vaste inrichtingen. De bestaande systematiek rond de behandeling van buitenlandse vaste inrichtingen wordt met ingang van 1 januari 2012 gewijzigd. Onder de bestaande systematiek komt een buitenlands vaste-inrichtingsverlies in mindering op het belastbaar bedrag en leidt de vaste-inrichtingswinst tot een vrijstelling over de vennootschapsbelasting die over de wereldwinst is verschuldigd. In plaats daarvan wordt een zogenoemde objectvrijstelling ingevoerd. De bezittingen en schulden van een buitenlandse vaste inrichting blijven tot de fiscale balans van de belastingplichtige horen, maar de winst die toerekenbaar is aan de vaste inrichting wordt geëlimineerd uit de belastbare winst, net als bijvoorbeeld bij toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Belangrijkste praktische gevolg van de nieuwe systematiek is dat buitenlandse vaste-inrichtingsverliezen in beginsel - anders dan voorheen - niet meer aftrekbaar zijn. Dit geldt ook voor de rente op financieringen die verband houden met een buitenlandse vaste inrichting. Als de buitenlandse activiteiten worden gestaakt en per saldo verliezen zijn geleden met die activiteit, kan het stakingsverlies in beginsel wel worden afgetrokken. Dit gaat gepaard met allerlei flankerende maatregelen om oneigenlijk gebruik tegen te gaan, vergelijkbaar met die bij de liquidatieverliesregeling van deelnemingen. Ook zijn er zogenoemde ‘recapture’-maatregelen wanneer binnen een bepaalde periode na een staking in het betreffende land weer nieuwe activiteiten worden ontplooid door de belastingplichtige of met hem verbonden lichamen. Voor zogenoemde passieve vaste inrichtingen gelden afwijkende bepalingen. Voor per 31 december 2011 gestalde of in te halen buitenlandse resultaten gelden overgangsmaatregelen. • Research- & developmentaftrek. In Nederland kennen we tot dusver de volgende maatregelen om research- & developmentactiviteiten te stimuleren: de afdrachts- vermindering voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in de loonbelasting en de S&O- aftrek voor ondernemers in de inkomstenbelasting (ook wel WBSO genoemd), de aftrek ineens voor de voortbrengingskosten van immateriële activa en de innovatiebox. Met ingang van 1 januari 2012 komt daar nog een belastingfaciliteit bij: de research- & developmentaftrek (RDA). Deze wordt verleend voor de kosten en investeringen die direct toerekenbaar zijn aan S&O. Loonkosten kwalificeren niet voor de RDA; kosten van aan derden uitbesteed S&O in principe ook niet. In aanmerking komen32 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST uitsluitend gemaakte kosten voor en gedane investeringen in S&O dat wordt verricht na 31 december 2011. De RDA is een extra aftrek berekend over de kosten en investeringen die op zich al aftrekbaar of afschrijfbaar zijn. Uitgaande van een marginaal tarief in de vennootschapsbelasting van 25% en een op dit moment verwachte RDA-aftrek van 40% gaat het voor 2012 om een nettovoordeel van 10%. Ook ondernemers in de inkomstenbelasting kunnen profiteren van deze maatregel.5.2 Vitaliteitspakket Om de arbeidsparticipatie te bevorderen is het ‘vitaliteitspakket’ voorgesteld. Dit bestaat uit de volgende maatregelen: • Vervanging arbeidskorting ouderen en doorwerkbonus door werkbonus De huidige inkomensafhankelijke additionele arbeidskorting voor werknemers die 58 jaar of ouder zijn komt te vervallen. Met ingang van 1 januari 2013 komt er één werkbonus voor werknemers die aan het begin van het kalenderjaar ouder zijn dan 60 jaar. De werkbonus bedraagt maximaal € 2.350 en is, meer dan onder de huidige regelingen, gericht op oudere werknemers met lage inkomens. De doorwerkbonus voor werknemers van 62 jaar of ouder zal met ingang van 1 januari 2013 worden afgeschaft. • Introductie vitaliteitssparen Het kabinet stelt met ingang van 1 januari 2013 een nieuwe spaarfaciliteit voor: het vitaliteitssparen. In tegenstelling tot de huidige levensloop- en spaarloonregeling is vitaliteitssparen een regeling in de inkomstenbelasting. De reikwijdte van deze regeling betreft alle belastingplichtigen met inkomen uit tegenwoordige arbeid (werknemers, ondernemers en resultaatgenieters). Volgens het kabinet is vitaliteitssparen geschikt voor situaties van (tijdelijke) inkomensachteruitgang. De voorbeelden die worden genoemd zijn: zorgverlof, studie, demotie, start van een eigen onderneming of een tijdelijke omzetdaling bij een zzp’er. De stortingen op een vitaliteitsrekening zullen fiscaal aftrekbaar zijn in box 1. Er wordt pas belasting geheven bij opname van het tegoed. Dit betreft een heffing door middel van inhouding door de bank of verzekeraar tegen een vast tarief van 42%. Bij de verrekening in de inkomstenbelasting zal de belastingplichtige onder omstandigheden, afhankelijk van het voor hem geldende marginale belastingtarief, ofwel aanvullend inkomstenbelasting zijn verschuldigd ofwel recht hebben op een belastingteruggaaf. De aftrekpost zal gaan leiden tot het indienen van extra aangiften inkomstenbelasting. Daarnaast wordt het (forfaitair) rendement over het opgebouwde tegoed niet belast in box 3. Het maximaal fiscaal gefaciliteerd op te bouwen vermogen mag in totaal € 20.000 (bruto) bedragen. Naast deze grens zal een jaarlijks aftrekbare maximuminleg van € 5.000 gaan gelden. Er zullen geen beperkingen gelden voor de bestedingsdoelen, zoals bij de levensloop- en spaarloonregeling wel het geval is. Tot en met het jaar waarin de deelnemer de 61-jarige leeftijd bereikt, zijn er ook geen beperkingen voor het op te nemen bedrag. Om echter het gebruik van vitaliteitssparen voor vervroegd uittreden te ontmoedigen, is het voorstel om het vitaliteitstegoed volledig te belasten bij de belastingplichtige die meer dan € 10.000 uit vitaliteitssparen opneemt in de kalenderjaren na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Daarbij wordt dan ook revisierente in rekening gebracht. De opname van het tegoed moet uiterlijk plaatsvinden voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 33Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Afschaffing levensloopregeling per 2012 De levensloopregeling wordt afgeschaft per 1 januari 2012. De overgangsregeling is erop gericht actief spaargedrag in het verleden te belonen. Deelnemers die op 31 december 2011 een saldo hebben van ten minste € 3.000 (inclusief rendement) kunnen daarom nog blijven deelnemen aan de levensloopregeling onder de huidige voorwaarden. Vanaf 2012 wordt echter geen levensloopkorting meer opgebouwd. De tot die tijd opgebouwde rechten kunnen worden verzilverd bij opname van het spaartegoed of bij de omzetting van het levenslooptegoed in vitaliteitssparen. De verzilvering van de opgebouwde levensloopkorting kan in het jaar van de omzetting worden geclaimd via de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting of bij de aangifte inkomstenbelasting over dat jaar. Deelnemers die op 31 december 2011 een levenslooptegoed hebben van minder dan € 3.000 kunnen vanaf 1 januari 2012 niet langer deelnemen aan de levensloopregeling. Zij kunnen het tegoed in 2012 of in 2013 opnemen voor verlof, of het in 2013 onbelast doorstorten naar vitaliteitssparen. Het levenslooptegoed dat niet is opgenomen of is doorgestort, valt aan het eind van 2013 na inhouding van loonheffingen vrij. Deelnemers die op 31 december 2011 een levenslooptegoed hebben van meer dan € 3.000 mogen vanaf 1 januari 2012 nog steeds blijven deelnemen aan de levensloopregeling onder de huidige voorwaarden. Zij kunnen het tegoed in 2013 echter ook onbelast doorstorten naar vitaliteitssparen, ook als de waarde van het tegoed hoger is dan het maximum van € 20.000. Daarnaast kunnen deze deelnemers ook na 2013 hun levenslooptegoed fiscaal geruisloos doorstorten naar vitaliteitssparen. Voor die jaren geldt echter wel het maximum dat in vitaliteitssparen wordt gefaciliteerd (2013: € 20.000). Over het eventuele meerdere moeten loonheffingen worden betaald bij de aanslag over het desbetreffende jaar. De levensloopkorting wordt ook in deze situaties verrekend. • Afschaffing spaarloonregeling per 2012 Ook de spaarloonregeling wordt per 1 januari 2012 afgeschaft. Daarmee vervalt dus de eindheffing van 25% ten laste van de werkgever. Deelnemers aan de spaarloon- regeling kunnen vanaf 1 januari 2012 hun tegoed fiscaal vrijgesteld opnemen of laten staan. In het laatste geval kunnen zij gebruik blijven maken van de vrijstelling voor spaarloon in box 3. In 2016 zal deze overgangsregeling vervallen. • Verlaging drempel aftrek scholingsuitgaven Ter stimulering van scholing wordt de drempel voor aftrek van scholingsuitgaven in box 1 gehalveerd van € 500 naar € 250. 5.3 30%-regeling De 30%-regeling is een fiscale faciliteit voor werknemers die vanuit het buitenland naar Nederland komen en over een specifieke deskundigheid beschikken die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. De extra kosten van het verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale kosten) mogen aan deze ingekomen werknemers onbelast worden vergoed. Deze vergoeding mag echter ook forfaitair worden vastgesteld op 30% van het loon. Aangezien hierdoor slechts 70% van het loon in de heffing wordt betrokken, ontstaat een belastingvoordeel. Het belastingplan stelt drie belangrijke wijzigingen voor met betrekking tot de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de 30%-regeling:34 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Het specifiekedeskundigheidscriterium De belangrijkste voorwaarde is dat de ingekomen werknemer beschikt over een specifieke deskundigheid die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Onder de huidige regeling wordt dit getoetst op basis van feiten en omstandigheden. Van belang zijnde factoren zijn onder andere de opleiding en werkervaring. In de nieuwe regeling wordt een salarisnorm geïntroduceerd: een ingekomen werknemer zal alleen kwalificeren voor de regeling wanneer het fiscale loon dus exclusief de onbelaste 30%-vergoeding - ten minste € 50.619 bruto per jaar bedraagt (inclusief onbelaste vergoeding op grond van de 30%-regeling is de norm € 72.313). Deze norm is gekoppeld aan de kennismigrantenregeling voor het verkrijgen van een werk- vergunning. Overigens betreft het hier de salarisnorm voor de categorie werknemers van 30 jaar en ouder. Promovendi aan Nederlandse en buitenlandse universiteiten die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt en na hun promotieonderzoek in Nederland blijven of gaan werken, komen voortaan in aanmerking voor de regeling. Momenteel kwalificeren zij vaak niet als ingekomen werknemer, omdat zij al in Nederland woonachtig waren op het moment van indiensttreding. Bovendien wordt voor deze groep een verlaagde salarisnorm gehanteerd (een fiscaal jaarloon van ten minste € 26.605). Voldoet een werknemer onder de nieuwe wetgeving aan de salarisnorm, dan zal dus - sneller dan nu het geval is - worden aangenomen dat sprake is van schaarste. Hierop wordt echter wel een uitzondering gemaakt voor specifieke beroepsgroepen waarbij alle werknemers voldoen aan de nieuwe salarisnorm. De staatssecretaris van Financiën noemt hierbij profvoetballers als voorbeeld. In deze gevallen zal altijd worden getoetst of sprake is van schaarste. Onder de huidige wetgeving wordt een werknemer geacht te hebben voldaan aan de criteria van specifieke deskundigheid en schaarste indien sprake is van een tijdelijke uitzending binnen concernverband naar Nederland. De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat hij van plan is om de ‘concernroulatiebepaling’ te handhaven, waarbij hij de kanttekening maakt dat ook deze werknemers moeten voldoen aan de salarisnorm. De toegevoegde waarde van het handhaven van de concernroulatiebepaling is dan ook zeer beperkt en bestaat eruit dat het elke onzekerheid wegneemt over de vraag of is voldaan aan het schaarstecriterium. • Uitbreiding van de kortingsregeling De 30%-regeling wordt toegekend voor de periode van 10 jaar. Indien een ingekomen werknemer eerder in Nederland heeft verbleven of is tewerkgesteld, worden deze eerdere perioden gekort op de toekenningsduur. Onder de huidige regeling wordt voor deze kortingsregeling een toetsperiode van 10 jaar gehanteerd. Perioden van verblijf of tewerkstelling die meer dan 10 jaar geleden zijn geëindigd, worden in beginsel niet in aanmerking genomen. In de nieuwe regeling wordt de toetsperiode verlengd tot 25 jaar. Deze wijziging is voornamelijk van belang voor Nederlanders, omdat zij doorgaans niet langer dan 25 jaar buiten Nederland hebben gewoond en gewerkt.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 35Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Grensarbeiders uitgesloten van de 30%-regeling Werknemers die woonachtig zijn binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens komen niet langer in aanmerking voor de 30%-regeling. Deze nieuwe toets wordt geïntroduceerd om verdringing van Nederlanders op de arbeidsmarkt in de grensstreek tegen te gaan. De uitsluiting van grensarbeiders is van belang voor werknemers uit België en de grensstreek van Duitsland, omdat zij niet langer in aanmerking komen voor de regeling. • Overgangsregeling Reeds afgegeven 30%-regelingen zullen in beginsel worden geëerbiedigd. De huidige regelgeving biedt de inspecteur met ingang van het zesde jaar van de looptijd echter wel de mogelijkheid de inhoudingsplichtige te verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds moet worden aangemerkt als ingekomen werknemer in de zin van de 30%-regeling. Als dat toetsmoment na 1 januari 2012 is gelegen, gelden wel de nieuwe voorwaarden voor de specifieke deskundigheid. Ook geldt dan tevens de voorwaarde dat de werknemer op het moment van indiensttreding niet woonachtig mag zijn geweest binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens. Werknemers die de 30%-regeling op 1 januari 2012 echter al langer dan vijf jaar toepassen, zijn dit toetsmoment al gepasseerd en zullen voor de resterende looptijd recht houden op de 30%-regeling. De vastgestelde looptijd van een voor 1 januari 2012 afgegeven 30%-beschikking zal na 1 januari 2012 niet op grond van de nieuwe regelgeving worden bijgesteld. De verruimde kortingsregeling gaat dus alleen gelden voor nieuwe gevallen. 5.4 Loonheffingen • Uitbreiding vrijwillige voortzetting pensioenregeling. Voor (ex-)werknemers die na hun ontslag hun pensioenregeling vrijwillig voortzetten, geldt momenteel een fiscale regeling waardoor voor een periode van maximaal drie jaar na ontslag ook voor deze vrijwillige opbouw van pensioen een faciliteit geldt. Voorgesteld wordt deze termijn uit te breiden van drie naar tien jaar na ontslag. Dit is in lijn met de maximumtermijn voor vrijwillige voortzetting in de Pensioenwet. In aanvulling daarop wordt het pensioengevend loon na het derde jaar gemaximeerd op actuele inkomensgegevens, met als bovengrens het laatstverdiende pensioengevend loon in de periode tot ontslag. Deze wijziging zal verder worden uitgewerkt in een later in 2011 uit te brengen wijzigingsbesluit op het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. • Uitbreiding reikwijdte afdrachtvermindering onderwijs. De afdrachtvermindering onderwijs is momenteel niet van toepassing indien de opleiding in het buitenland wordt gevolgd. Dit werkt belemmerend en daarom wordt de regeling met ingang van 1 januari 2012 uitgebreid. De wijziging houdt in dat bepaalde varianten van de afdrachtvermindering onderwijs ook worden toegekend aan inhoudingsplichtigen die een persoon in dienst nemen die elders in de EU of EER een opleiding volgt die vergelijkbaar is met de Nederlandse opleiding die kwalificeert voor de afdracht- vermindering onderwijs. De inhoudingsplichtige moet beschikken over een verklaring van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).36 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Verduidelijking afdrachtvermindering onderwijs. Wanneer de inhoudingsplichtige en het (erkend) leerbedrijf niet dezelfde entiteit zijn, kan de afdrachtvermindering worden toegepast als een overeenkomst van opdracht is gesloten tussen de inhoudingsplichtige en het erkend leerbedrijf. Daarin is onder meer vastgelegd dat het voordeel van de afdrachtvermindering toekomt aan het leerbedrijf. De regeling geldt voor overeenkomsten van opdracht die ingaan op of na 1 januari 2012. • Aanpassing afdrachtvermindering S&O: verlaging loongrens eerste schijf. De afdracht- vermindering speur- & ontwikkelingswerk is een fiscale tegemoetkoming voor inhoudingsplichtigen die speur- en ontwikkelingswerk verrichten. Deze stimulerings- maatregel is vormgegeven als een korting op de af te dragen loonheffingen. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet de betreffende inhoudingsplichtige wel beschikken over een zogenoemde S&O-verklaring. De loongrenzen en percentages worden om budgettechnische redenen elk jaar aangepast. Voor 2012 bedraagt de afdrachtvermindering: - 42% (2011: 50%) van de eerste € 110.000 (2011: € 220.000) aan S&O-loon van de inhoudingsplichtige; - 60% (2011: 64%) van de eerste € 110.000 (2011: € 220.000) aan S&O-loon voor een startende inhoudingsplichtige; - 14% (2011: 18%) van het resterende S&O-loon. De afdrachtvermindering bedraagt per inhoudingsplichtige maximaal € 14.000.000 per kalenderjaar. Vanaf 2013 zal het maximumbedrag worden verlaagd naar € 8.500.000. De loongrens in de eerste schijf wordt dan € 150.000 en het percentage 45. Voor starters blijft het percentage in de eerste schijf 60. • Werkkostenregeling. Los van het Belastingplan 2012 heeft een tussenevaluatie van de werkkostenregeling plaatsgevonden. De resultaten hiervan zijn: - Met ingang van 1 januari 2013 (voorziene invoering van de Wet uniformering loonbegrip) stijgt de forfaitaire ruimte van 1,4% naar 1,6% van de fiscale loonsom. - Individuele vastlegging in de administratie van eigen bijdragen per werknemer voor loon in natura (bijvoorbeeld kantinemaaltijden) is niet langer vereist bij aanwijzing van dit loon als eindheffingsbestanddeel. Het totaal van de eigen bijdragen van de werknemers mag in mindering worden gebracht (maar niet verder dan nihil). - Er komen vooralsnog niet meer gerichte vrijstellingen, gelet op het doel van de werkkostenregeling om daarin minder detailregelingen op te nemen dan onder het oude systeem. - De voor 2013 aangekondigde vervolgevaluatie van de werkkostenregeling zal eerder plaatsvinden. • Bestuurders van beursvennootschappen. Door de Wet bestuur en toezicht die per 1 januari 2012 van kracht wordt, worden bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen geacht niet langer een civielrechtelijke dienstbetrekking te hebben. Dit gegeven heeft ook direct invloed op de positie van die bestuurders voor de loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. Omdat voor de toepassing van de loonbelasting en de premies werknemersverzekeringen in principe wordt aangesloten bij het hebben van een civielrechtelijke dienstbetrekking, zouden de betreffende bestuurders voor de toepassing van die wetten niet langer als werknemer kwalificeren. Hierdoor zou voor hen dus ook geen inhoudingsplicht en verzekeringsplicht meer bestaan. Dat vond de wetgever onwenselijk en dus geldt vanaf 1 januari 2012 dat bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap worden geacht tot die vennootschap in een fictieve dienstbetrekking te staan.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 37Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Jaarloonuitvraag. De tijdelijke regeling voor de uitvraag van loongegevens wordt met ingang van 1 januari 2012 omgezet in een definitieve regeling. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd. • Loon in, loon over. De tijdelijke ‘loon over-regeling’ wordt omgezet in een structurele regeling. Op basis van deze regeling kan loon dat in 2012 wordt betaald maar dat betrekking heeft op al verstreken loontijdvakken, binnen het kalenderjaar 2012 worden toegerekend aan het tijdvak van uitbetaling. Voorwaarde is dat door inhoudings- plichtigen een bestendige gedragslijn wordt gevolgd. 5.5 Dividendbelasting • Inhoudingsplicht coöperaties. Coöperaties zijn op dit moment op grond van hun rechtsvorm niet inhoudingsplichtig voor toepassing van de dividendbelasting. Op grond van het wetsvoorstel blijven coöperaties ook met ingang van 1 januari 2012 buiten de sfeer van de dividendbelasting, tenzij sprake is van een situatie die door de wetgever wordt aangeduid als een misbruiksituatie. Als inderdaad sprake zou zijn van een misbruiksituatie, heeft dat niet altijd tot gevolg dat de coöperatie inhoudings- plichtig wordt voor de dividendbelasting. Dan moet namelijk nog de vervolgvraag worden beantwoord of bij een lid van de coöperatie het lidmaatschapsrecht tot een ondernemingsvermogen behoort. Behoort het lidmaatschapsrecht bij een lid niet tot een ondernemingsvermogen, dan is de coöperatie in een misbruiksituatie inhoudingsplichtig. Op de hoofdregel dat in misbruiksituaties toch geen inhoudingsplicht voor de dividend- belasting ontstaat als het lidmaatschapsrecht tot een ondernemingsvermogen behoort, wordt in het wetsvoorstel een uitzondering gemaakt. Het gaat dan om de situatie dat Nederlandse deelnemingen tot de bezittingen van de coöperatie behoren en de coöperatie bijvoorbeeld is tussengeschoven om de ten tijde van de verkrijging van de deelnemingen door de coöperatie bestaande dividendbelastingclaim op winsten en stille reserves van de Nederlandse deelnemingen te ontgaan. De staatssecretaris van Financiën heeft bevestigd dat met het wetsvoorstel geen wijziging is beoogd ten opzichte van het bestaande uitvoeringsbeleid. Reeds bestaande coöperaties die zijn opgericht binnen de kaders van dat beleid krijgen onder de nieuwe bepalingen niet te maken met inhoudingsplicht. 5.6 Wet uitwerking Autobrief Om enerzijds een gat in de begroting te voorkomen en anderzijds aan te sluiten bij het oorspronkelijke doel dat alleen de echt zuinige auto’s worden gestimuleerd, wenst het kabinet zijn fiscale stimuleringsbeleid per 1 juli 2012 aan te scherpen. • BPM. Voor de zuinigste auto’s zal een vrijstelling van BPM blijven bestaan, zij het dat de grenzen van de in de BPM opgenomen CO2-schijven jaarlijks per 1 januari (in 2012 per 1 juli) naar beneden worden bijgesteld. Per 1 januari 2015 zullen de grenzen (voorlopig?) voor het laatst worden verlaagd. De bestaande tariefverschillen tussen benzine- en dieselauto’s zijn dan verdwenen. De huidige BPM-vrijstellingsgrens bedraagt voor een benzineauto 110 gram CO2-uitstoot per kilometer (gr/km), voor een dieselauto geldt een grens van 95 gr/km. Met ingang van 1 juli 2012 worden deze verlaagd naar 102 gr/km respectievelijk 91 gr/km. In 2015 geldt alleen nog een vrijstelling bij een maximale uitstoot van 82 gr/km.38 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • MRB. Tot 1 januari 2014 blijft de huidige vrijstelling van de MRB voor zeer zuinige auto’s gehandhaafd en gelden de huidige CO2-vrijstellingsgrenzen (benzine 110 gr/km, diesel 95 gr/km). Vanaf 2014 vervalt de vrijstelling van de MRB voor zowel nieuwe als bestaande auto’s en zal de belasting alleen nog op gewicht zijn gebaseerd. Uitzondering hierop vormt een vrijstelling tot en met 2015 voor zeer zuinige auto’s met een uitstoot van niet meer dan 50 gr/km. • Bijtelling loonbelasting/inkomstenbelasting. De bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak zal aansluiten bij de verscherping van de schijven in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (de BPM). Naast deze aanscherping van de zuinigheidsgrenzen op basis waarvan een verlaagde bijtelling kan worden toegepast, wordt ook voorgesteld de periode te beperken waarbinnen deze verlaagde bijtelling van toepassing is. Onder de huidige wetgeving geldt dat de aanscherpingen van de zuinigheidsgrenzen alleen zullen gelden voor auto’s waarvan het kenteken na de (eerste) aanscherping voor het eerst op naam wordt gesteld. In de voorgestelde systematiek zal de periode dat men na een aanscherping van de zuinigheidsgrenzen nog een verlaagd bijtellingspercentage kan toepassen worden teruggebracht tot 60 maanden (de veronderstelde gemiddelde duur van een leasecontract). Aan het einde van iedere periode van 60 maanden wordt bekeken of de auto opnieuw in aanmerking komt voor een verlaging van het bijtellingspercentage. Voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km geldt vanaf 1 januari 2012 tot en met 2015 een nihiltarief voor de bijtelling. Een auto die in de periode tot 31 december 2015 op kenteken wordt gezet en die dan kwalificeert voor de nihilbijtelling, behoudt deze nihilbijtelling voor een periode van 60 maanden. Een auto met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km die al voor 1 januari 2012 op kenteken wordt gezet, valt onder de nihilbijtelling met ingang vanaf 2012 tot en met 2016. Voor nulemissieauto’s die al voor 1 januari 2012 op kenteken zijn gezet, wordt de huidige nihilbijtelling uitgebreid tot en met 2016. • Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’s. De werknemer aan wie een bestel- auto als bedoeld in de BPM ter beschikking is gesteld die niet voor privédoeleinden wordt gebruikt, kan met ingang van 1 januari 2012 verzoeken om een ‘verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’. Het verzoek daartoe wordt door de werknemer via de inhoudingsplichtige aan de inspecteur gedaan. Wanneer de werknemer de bestelauto wel voor privédoeleinden gaat gebruiken, dan moet hij vooraf via de inhoudingsplichtige de verklaring bij de inspecteur intrekken. Vermoedt de inhoudings- plichtige privégebruik van de bestelauto, dan moet hij de inspecteur informeren. De Belastingdienst zal onder meer aan de hand van camerabeelden toezicht houden. Als de inspecteur een vermoeden heeft van privégebruik van de bestelauto, kan hij de werknemer en de inhoudingsplichtige vragen aan te tonen dat de betreffende rit zakelijk was. Slagen zij daar niet in, dan wordt aan de werknemer een naheffings- aanslag loonheffingen (met eventuele boetes) opgelegd. Deze aanslag wordt opgelegd aan de inhoudingsplichtige indien deze weet dat de werknemer de bestelauto voor privédoeleinden gebruikt en wanneer de inhoudingsplichtige niet direct meldt dat de werknemer de verklaring nog niet heeft ingetrokken.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 39Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST 5.7 Geefwet In de zogenoemde Geefwet wordt een samenstel van fiscale maatregelen getroffen waarmee het kabinet beoogt te bewerkstelligen dat goede doelen ook in de toekomst nog, of zelfs beter, kunnen worden verwezenlijkt. • Aanpassing van het ANBI-begrip. In de huidige wet is het begrip ‘algemeen nut beogende instelling’ (ANBI) niet nader gedefinieerd, maar is bewust gekozen voor een open norm waaraan de rechtspraak invulling geeft. Voorgesteld wordt deze open norm te behouden, maar die wel verder in te kaderen. Vooral het criterium dat een ANBI niet het behalen van winst tot doel mag hebben, wordt nader ingevuld. In de wet zal expliciet worden opgenomen dat aandelenvennootschappen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en vergelijkbare rechtsfiguren met deelnemers geen ANBI kunnen zijn. Daarnaast wordt een opsomming gegeven van doelen die worden geacht van algemeen nut te zijn, namelijk: welzijn, cultuur, onderwijs, wetenschap en onderzoek, gezondheidszorg, jeugd- en ouderenzorg, ontwikkelings- samenwerking, dierenwelzijn, religie, levensbeschouwing en spiritualiteit en bevordering van de democratische rechtsorde. Ook is besloten de definitie van een ANBI over te hevelen van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). • ANBI-status en commerciële activiteiten. Beoogd wordt deze instellingen meer ruimte te geven om eigen inkomsten te genereren via het ontplooien van commerciële activiteiten, zonder dat dit gevolgen heeft voor de ANBI-status. Uitgangspunt is dat commerciële activiteiten waarvan de opbrengsten (nagenoeg) uitsluitend ten bate komen van het algemeen nuttige doel, de ANBI-status niet in de weg staan. • Verruiming giftenaftrek in de vennootschapsbelasting. Voorgesteld wordt de giften- aftrek in de vennootschapsbelasting te verruimen. Hieraan wordt onder meer vormgegeven door het totale bedrag dat als giftenaftrek in aanmerking kan worden genomen te verhogen van 10% naar maximaal 50% van de winst, met een maximum van € 100.000. De nu geldende ‘drempel’ (€ 227) komt te vervallen. Wanneer wordt geschonken aan een ANBI die als ‘culturele instelling’ is aangemerkt, geldt een extra aftrekmogelijkheid (‘multiplier’), zie hierna. • Verhogen winstdrempels voor vennootschapsbelasting en keuze voor integrale belastingplicht. Via de vennootschapsbelasting worden (aanvullende) maatregelen getroffen om onder meer bij ANBI’s het commercieel (cultureel) ondernemerschap te stimuleren en te faciliteren. Dit om te voorkomen dat instellingen waarbij het winststreven slechts van bijkomstige betekenis is, niet alsnog aanlopen tegen bepaalde drempels, discussies of financiële lasten. De winstdrempel bij verenigingen en stichtingen wordt verdubbeld tot een bedrag van € 15.000 op jaarbasis, dan wel tot € 75.000 over het jaar zelf en de vier voorafgaande jaren samen. De nu nog geldende eis dat het algemeen of sociaal belang op de voorgrond moet staan, komt te vervallen. Verder wordt aan culturele instellingen voor de heffing van vennootschapsbelasting de mogelijkheid geboden te kiezen voor een integrale belastingplicht. In beginsel worden zij slechts in de heffing van vennootschapsbelasting betrokken indien en voor zover zij een onderneming drijven. De instellingen kunnen er echter voor kiezen om integraal te worden belast. Dit houdt in dat eventuele exploitatietekorten uit onbelaste activiteiten in aftrek mogen worden gebracht op het ondernemingsresultaat. Wanneer men hiervoor kiest, is men daaraan gebonden voor een minimumperiode van vijf jaar.40 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Multiplier giftenaftrek inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Om fondsen- werving door culturele ANBI’s van een extra stimulans te voorzien, wordt voorgesteld schenkers een extra giftenaftrek te verlenen. Giften aan dergelijke ANBI’s mogen voor de giftenaftrek in de inkomstenbelasting onbegrensd en in de vennootschaps- belasting tot een bedrag van maximaal € 5.000 worden vermenigvuldigd met de factor 1,5. In verband met staatssteunaspecten ligt onderhavig voorstel momenteel ter goedkeuring voor aan de Europese Commissie. • Negatieve giftenaftrek. Er wordt een negatieve giftenaftrek geïntroduceerd. Om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de giftenaftrek door aftrek te claimen voor giften die in een later stadium worden ontbonden of herroepen, wordt een negatieve persoonsgebonden aftrekpost in het leven geroepen. Wanneer een gift onder een ontbindende voorwaarde op een later moment wordt ontbonden of herroepen, wordt de voor deze gift geclaimde giftenaftrek in het jaar van herroeping teruggenomen. • Vrijwilligers (inkomsten-, vennootschaps- en loonbelasting). De voorwaarden voor de aftrekbaarheid van vrijwilligersvergoedingen in de inkomstenbelasting worden wettelijk vastgelegd. Een bij een ANBI werkzame vrijwilliger ontvangt dikwijls een vrijwilligersvergoeding voor de door hem fictief gemaakte kosten. Het afzien van een dergelijke vergoeding is onder voorwaarden een aftrekbare gift van de vrijwilliger zelf aan de betreffende instelling. Vereist is dat de instelling een vrijwilligersverklaring heeft afgegeven, dat de vrijwilliger aanspraak kan maken op de vergoeding, dat de instelling bereid en in staat is deze daadwerkelijk uit te betalen en dat de vrijwilliger hier vrij over kan beschikken. Voorgesteld wordt dit toetsingskader in de wet te verankeren. De vrijwilliger komt onder voorwaarden tevens in aanmerking voor giftenaftrek in de inkomstenbelasting wanneer hij afziet van een kostenvergoeding voor daadwerkelijk door hem gemaakte kosten. Vereist is wel dat deze kosten door de instelling naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen horen te worden vergoed. Daarbij wordt voor het afzien van een vergoeding voor vervoerskosten per auto (anders dan per taxi) een gift in aanmerking genomen tot € 0,19 per kilometer. De fictieve kostenaftrek in de vennootschapsbelasting in verband met vrijwilligers wordt aangepast (op grond van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012). Als bij een ANBI en bij een lichaam dat een sociaal belang behartigt de winst hoofd- zakelijk wordt behaald met behulp van arbeid die door natuurlijke personen om niet of voor een lager dan gebruikelijk loon wordt verricht, dan geldt een fictieve kostenaftrek. Aftrekbaar zijn dan namelijk de kosten die voor vrijwilligers aftrekbaar zouden zijn indien hun beloning zou plaatsvinden op basis van het minimumloon, verminderd met de werkelijke kosten. Hierdoor wordt het voordeel dat ontstaat door het inschakelen van vrijwilligers bij een dergelijk lichaam niet in de vennootschapsbelasting betrokken. De vrijwilligersregeling in de loonbelasting wordt verruimd door het uitbreiden van de kring van instellingen waarvoor deze regeling geldt. De vrijwilligersregeling gaat gelden voor alle ANBI’s, waardoor ook ANBI’s die zijn onderworpen aan vennootschaps- belasting voor hun vrijwilligers van deze faciliteit kunnen profiteren. De regeling bepaalt dat een persoon die als vrijwilliger een vergoeding van ten hoogste € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar ontvangt van een kwalificerende instelling waarvoor vrijwilligerswerk wordt verricht, onder bepaalde voorwaarden niet in dienstverband is bij de betreffende instelling.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 41Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Fondsenwervende instellingen (Overige fiscale maatregelen 2012). De huidige Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb) geeft aan zogenoemde fondsenwervende instellingen de mogelijkheid om de opbrengsten die zij met hun (commerciële) activiteiten behalen ten laste van de winst te brengen als zij deze uitkeren aan het goede doel. Ook als een ANBI zelf dergelijke activiteiten verricht, kan van deze aftrek gebruik worden gemaakt. Om in aanmerking te komen voor de fondswerversaftrek moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden. De uitleg van de huidige wettelijke regeling leidt er in de praktijk toe dat commerciële winsten, ongeacht de aard en de activiteiten die daaraan te grondslag liggen, geheel buiten de heffing van vennoot- schapsbelasting kunnen blijven. De wetgever vindt dat dit niet in overeenstemming is met de oorspronkelijke doelstelling van deze wettelijke regeling. Daarom zal op grond van de nieuwe wettelijke regeling onder andere zijn vereist dat de gelden in overwegende mate zijn verworven als gevolg van de inzet van vrijwilligers en dat kenbaar wordt gemaakt dat de opbrengst (nagenoeg) uitsluitend ten goede komt aan een ANBI. Daarnaast wordt ook expliciet in de wet vastgelegd dat de gelden moeten zijn verworven door middel van een van de volgende activiteiten: - de verkoop van roerende zaken of het leveren van diensten met een lagere kostprijs dan normaal; - de verkoop van roerende zaken of het leveren van diensten tegen een hogere prijs dan zakelijk is; - de inzameling van roerende zaken om niet. Vereist is verder dat de fondsenwerver zich heeft verplicht de opbrengsten (nagenoeg) geheel uit te keren aan de ANBI en de gelden binnen zes maanden na verwerving uit te keren. 5.8 Inkomstenbelasting • Research- & developmentaftrek. Zie hiervoor onderdeel 5.1. • Zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek wordt geüniformeerd op één vast bedrag van € 7.280 per jaar. Dit bedrag zal niet langer aflopen bij oplopende winst en zal niet worden geïndexeerd. Ondernemers krijgen hierdoor vooraf zekerheid over de hoogte van de zelfstandigenaftrek. De regeling is gunstiger voor ondernemers met hogere winsten. Hiermee wordt de focus verlegd van ondernemersactiviteiten die weinig winstgevend zijn naar winstgevend ondernemerschap en doorgroei. Als mogelijke vervolgstap wil het kabinet verder de mogelijkheden van een winstbox onderzoeken. Dit zou kunnen betekenen dat ondernemersfaciliteiten in de toekomst zullen opgaan in een lager en minder progressief tarief voor winst, waarmee de belastingheffing over winst eenvoudiger en transparanter zou worden. • Doorschuiven terbeschikkingstelling bij echtscheiding. Als een tot een huwelijks- gemeenschap behorend vermogensbestanddeel ter beschikking wordt gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, dan wordt dit vermogensbestanddeel voor de terbeschikkingstellingsregeling in box 1 aan beide echtgenoten voor de helft toegerekend. In de wet wordt expliciet vastgelegd dat het vermogensbestanddeel geruisloos kan worden doorgeschoven bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap als gevolg van scheiding, mits het vermogensbestanddeel wordt toebedeeld aan de belastingplichtige die de terbeschikkingstelling voortzet.42 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Uitbreiding defiscalisering erfrechtelijke verkrijgingen. Op grond van het wettelijk erfrecht worden bij overlijden van een echtgenoot/ouder (evenals bij een ouderlijke boedelverdeling) alle goederen en schulden van de nalatenschap toebedeeld aan de langstlevende echtgenoot, waardoor deze een schuld krijgt aan de kinderen. De vermogensbestanddelen van de nalatenschap worden voor de inkomstenbelasting belast bij de langstlevende echtgenoot. De schuld aan de kinderen en de daarmee corresponderende vorderingen van de kinderen worden fiscaal genegeerd (lees: gedefiscaliseerd). Met ingang van 1 januari 2012 wordt deze regeling uitgebreid voor situaties tussen de langstlevende echtgenoot en de kinderen, die materieel voldoende vergelijkbaar worden geacht te zijn met genoemde wijze van verdeling. Hieronder vallen onder meer vorderingen en schulden die ontstaan bij de partiële verdeling van een nalatenschap, bij (keuze)legaten tegen inbreng van de waarde waarbij de inbreng wordt schuldig gebleven en bij legitimaire vorderingen. Het moet wel om niet-opeisbare vorderingen gaan. Ook niet-opeisbare geldvorderingen van kinderen op de langstlevende ouder die niet met de erflater was gehuwd gaan onder de defiscaliseringsbepaling vallen. Daarnaast worden ook erfrechtelijke vruchtgebruik- situaties onder de regeling gebracht, echter alleen indien het box 3-vermogen betreft: defiscalisering vindt in box 3 plaats ten aanzien van de goederen die de kinderen erven, onder een last van vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende echtgenoot. De goederen worden dan volledig bij de langstlevende echtgenoot in de heffing betrokken. • Waardering verpachte woningen. In de wet wordt gecodificeerd dat verpachte woningen voor de inkomstenbelasting en de erf- en schenkbelasting worden gewaardeerd overeenkomstig de tabel voor waardering van verhuurde woningen. Woningen die op grond van een pachtovereenkomst zijn verpacht voor een periode van ten minste twaalf jaar, mogen voor de schenk- en erfbelasting en box 3 van de inkomstenbelasting op een lagere waarde worden gewaardeerd dan de WOZ- waarde, vanwege het waardedrukkende effect dat uitgaat van de verpachting.5.9 Overige wijzigingen • Informatieverplichting. Het kabinet heeft voorgesteld om verplicht te stellen dat belastingplichtigen uit eigen beweging onjuistheden aan de Belastingdienst melden. Deze verplichting geldt voor de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, de verklaring geen privégebruik auto, onjuistheden in de btw-aangifte en wanneer erfgenamen ontdekken dat de aangifte erfbelasting over buitenlandse bestanddelen niet juist was. Het niet voldoen aan deze meldingsplicht zal kunnen worden beboet met een vergrijpboete van maximaal 100% van de onterecht niet geheven belasting. • Vergrijpboete na verzuimboete bij nieuwe bezwaren. Op grond van jurisprudentie kan niet tweemaal een fiscale boete worden opgelegd voor hetzelfde feit. Dit vloeit voort uit het ne bis in idem-beginsel. Toch wordt voorgesteld om de inspecteur de mogelijkheid te bieden na de (vaak geautomatiseerde) oplegging van een verzuimboete alsnog een vergrijpboete op te leggen, wanneer ‘nieuwe bezwaren’ aanwezig zijn die leiden tot opzet of grove schuld. De verzuimboete wordt verrekend met de later alsnog opgelegde vergrijpboete. De voorgestelde regeling zal voornamelijk toepassing vinden bij de boeten wegens het (gedeeltelijk) niet of niet tijdig betalen van een aangiftebelasting, zoals de loonbelasting of de omzetbelasting.© 2011 KPMG Accountants N.V. Eindejaarstips 2011 43Alle rechten voorbehouden.
  • NIET VAN GEEN ACTIE ACTIE NAVRAAG BIJ TOEPASSING NODIG ONDERNEMEN SPECIALIST • Belastingrente. Met ingang van tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2012 zal een nieuwe regeling gelden voor het berekenen en vergoeden van rente door de Belastingdienst. Zowel de regeling voor de heffingsrente - onder de nieuwe regeling: ‘belastingrente’ - als die voor de invorderingsrente zal wijzigen. De wijzigingen betreffen voornamelijk de inkomsten- en de vennootschapsbelasting. De periode waarover rente wordt berekend of vergoed zal aanvangen zes maanden na afloop van het belastingjaar en eindigt op de vervaldag van de betalingstermijn van de aanslag. Belastingplichtigen kunnen het betalen van belastingrente zo veel mogelijk beperken door de verschuldigde belasting te betalen voordat de periode van zes maanden na afloop van het belastingjaar eindigt. De Belastingdienst zal verder nog zeer zelden rente vergoeden. • Tijdelijke verlaging tarief overdrachtsbelasting. De eerder dit jaar bij beleidsbesluit uitgevaardigde verlaging van de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% bij de aankoop van een woonhuis wordt vastgelegd in de wet. De verlaging geldt vanaf 15 juni 2011 tot 1 juli 2012. • Verhoging eigenwoningforfait. Los van het Belastingplan 2012 wordt in 2012 het eigenwoningforfait voor woningen boven een bepaalde WOZ-waarde (in 2011 is dat € 1.020.000) verhoogd van 1,05% naar 1,30% voor het deel dat die WOZ-waarde overstijgt. Uiteindelijk zal het forfait 2,35% zijn in 2016. • Uitstel van betaling van erfbelasting bij verkrijging blote eigendom van een woning. Op grond van de huidige wet bestaat een uitstelregeling voor de verschuldigde erfbelasting in verband met de verkrijging krachtens erfrecht van de blote eigendom van een woning die voor de vruchtgebruiker kwalificeert als ‘eigen woning’. Deze regeling geldt ook voor de erfbelasting die verband houdt met een onder- bedelingsvordering voor de vererving van een dergelijke woning. De voorwaarden waaronder deze regeling van toepassing is worden in het nu voorliggende voorstel verfijnd en verruimd. In de huidige regeling wordt getoetst of de bloot eigenaar over voldoende middelen beschikt - anders dan de blote eigendom van de woning of de onderbedelingsvordering - om de erfbelasting te kunnen voldoen die over de verkrijging van de blote eigendom van een woning is verschuldigd (de middelentoets). Voorgesteld wordt de toets voortaan toe te passen op de langstlevende ouder. Dit is namelijk degene aan wie de goederen uit de nalatenschap, dus ook de woning, ter beschikking zullen staan. Hoewel bij de totstandkoming van deze uitgave de grootst mogelijke zorgvuldigheid is betracht, bestaat de mogelijkheid dat bepaalde informatie na verloop van tijd verouderd of niet meer juist is. Dit kan door (aanpassing van de) regelgeving die bekend is geworden na het opmaken van deze uitgave. KPMG Meijburg & Co en KPMG Accountants N.V. zijn dan ook niet aansprakelijk voor de gevolgen van activiteiten die worden ondernomen op basis van informatie in deze uitgave. Gehele of gedeeltelijke vermenigvuldiging of overname van de tekst op welke wijze dan ook is alleen toegestaan met bronvermelding.44 Eindejaarstips 2011 © 2011 KPMG Accountants N.V. Alle rechten voorbehouden.
  • Contact usKPMG AuditLaan van Langerhuize 11186 DS AmstelveenPostbus 745551070 DC AmsterdamRenée Crama(020) 656 7752De in dit document vervatte informatie is van algemene aard en is niet toegespitst op de specifieke omstandigheden van een bepaaldepersoon of entiteit. Wij streven ernaar juiste en tijdige informatie te verstrekken. Wij kunnen echter geen garantie geven dat dergelijkeinformatie op de datum waarop zij wordt ontvangen nog juist is of dit in de toekomst blijft. Daarom adviseren wij u op grond vandeze informatie geen beslissingen te nemen behoudens op grond van advies van deskundigen na een grondig onderzoek van dedesbetreffende situatie.© 2011 KPMG Accountants N.V., een Nederlandse naamloze vennootschap, is een dochtermaatschappij van KPMG Europe LLPen lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Cooperative (‘KPMGInternational’), een Zwitserse entiteit. KPMG, het KPMG-logo en “cutting through complexity” zijn geregistreerde merken vanKPMG International Cooperative (‘KPMG International’), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden. Gedrukt in Nederland.193_1211