Masterproef

1,394 views
1,197 views

Published on

"Wat als ouders en kinderen Facebook vrienden worden? Een perspectief van beide partijen."

Published in: Social Media
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,394
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Masterproef

  1. 1. Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte Lise Eerdekens Studiegebied Communicatiewetenschappen Rolnummer: 103290 Master WAT ALS KIND EN OUDER FACEBOOKVRIENDEN WORDEN? EEN PERSPECTIEF VAN BEIDE PARTIJEN Continuïteit of discontinuïteit tussen online en offline relaties op sociale netwerken Profiel Strategische Bedrijfscommunicatie & Marketing Proeve ingediend voor het behalen van de graad van Master in de Communicatiewetenschappen Promotor Karl Verstrynge Academiejaar 2012 - 2013
  2. 2. Engelse vertaling titel masterproef: WHAT IF CHILD AND PARENT BECOME FACEBOOK FRIENDS? A PERSPECTIVE OF PARENTS AND CHILDREN  
  3. 3. Ik verklaar plechtig dat ik de masterproef, ‘Wat als kind en ouder Facebookvrienden worden? Een perspectief van beide partijen’, zelf heb geschreven. Ik ben op de hoogte van de regels i.v.m. plagiaat en heb erop toegezien om deze toe te passen in deze masterproef. Datum Naam en handtekening  
  4. 4. Samenvatting Het afgelopen decennium zijn nieuwe communicatietechnologieën aan de lopende band gecreëerd en hebben zich daarbij al snel doordrongen in alle lagen van onze samenleving. Ook Facebook kan gezien worden als één van de uitkomsten van de vele communicatietechnologieën. Daarbij is Facebook de eerste sociale netwerksite die alle lagen van de bevolking betrekt en alle leeftijdscategorieën kan overhalen een account te maken. Over Facebook is dan ook veel wetenschappelijke en zeker ook nietwetenschappelijke literatuur verschenen. Toch brengt het de afgelopen jaren ook een nieuw fenomeen met zich mee. Ouders en kinderen bevinden zich namelijk beiden op hetzelfde online platform, met als groot gevolg dat beide partijen elkaar als ‘vriend’ gaan toevoegen. Dit onderzoek gaat dan ook dieper onderzoeken wat de perspectieven van zowel ouders als kinderen zijn omtrent deze ‘online vriendschap’. Er wordt getracht volgende vragen te beantwoorden: - Nabijheid versus afstand. Tieners en hun ouders wonen (meestal) onder één dak. Maar wat mogen ouders en kinderen van elkaar weten, en wat niet? Wat mogen ouders en kinderen van elkaar op Facebook, en wat niet? - Wat zijn de motivaties van de ouders en de jongeren om elkaar al dan niet toe te voegen op Facebook? - Hoe ervaren ouder en kind deze online ‘Facebook’ relatie in hun offline leven? - Hoe ervaren jongeren en ouders sociale netwerksites? Wat zijn de positieve en wat zijn de negatieve effecten voor hun relatie? Zien ze dit als een ‘displacement’ of het ‘stimulation’ hypothese? Als eerste werd er een literatuurstudie uitgevoerd om te kijken welke informatie er al aanwezig was over het onderwerp in het wetenschappelijk veld. Hierbij werden drie grote delen behandeld om zo een voorlopig antwoord te formuleren op de onderzoeksvragen. Het eerste deel gaat over de offline kindouder relatie, waarbij opvoeding en privacy de belangrijkste concepten zijn. Het tweede deel bevat de opkomst van het internet en de sociale netwerksites waaronder Facebook. Het derde deel beschrijft relaties in een online wereld, en specifiek de kind-ouder relatie. Na de literatuurstudie werd het duidelijk dat een empirisch onderzoek nodig was om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden.  
  5. 5. In dit empirisch deel werd geopteerd voor kwalitatief onderzoek met focusgroepen. Zowel drie focusgroepen met ouders als drie focusgroepen met jongeren werden hiervoor georganiseerd. Beide partijen hadden telkens een kind of een ouder als vriend op Facebook. De eerste onderzoeksvraag bevestigde wat we al wisten uit de literatuur. Kinderen worden jongeren met behoefte aan een eigen private plek, ouders worden daarbij dan ook minder belangrijk en mogen minder weten. Ouders daarentegen willen alles weten en vooral hun kind beschermen. Deze twee uitersten zorgen voor heel wat spanning. Ook online wordt die spanning verdergezet, zeker nu ze elkaar op Facebook hebben toegevoegd. Ouders controleren hun kinderen dan wel op de voet, maar kinderen zijn ze vaak te slim af en beschermen hun privacy op allerlei manieren. Opmerkelijk was, dat jongeren vonden dat ze belachelijk gemaakt werden door hun ouders op Facebook, en dit was duidelijk hetgeen jongeren het meest stoorde aan deze online vriendschap. Daarnaast voegden jongeren en ouders elkaar toe om diverse reden. Bij de ouders was ‘controle van het kind’ een grote motivatie. Bij jongeren was de meest aangehaalde reden dan weer ‘lichte dwang’ van de ouders. Toch waren er ook ouders en kinderen die hier weinig om gaven. Hoewel de meeste ouders en kinderen geen actieve relatie onderhouden op Facebook, geeft men toch aan dat er bepaalde effecten zijn voor het offline leven. Beide partijen halen aan dat ze meer weten over elkaar en dat er meer wordt gepraat sinds deze Facebookvriendschap. Er werden dus duidelijk argumenten aangehaald die aansluiten bij de ‘stimulation’ hypothese. Kinderen waren daarbij positiever over deze relatie dan ouders. Het enige echte negatieve punt wat werd aangehaald is dat Facebook ervoor gezorgd heeft dat elk gezinslid nu op zijn eigen scherm kijkt. Er is minder plaats voor een echt gesprek of voor een gezinsmoment. Dit argument past dan weer perfect in de ‘displacement’ hypothese. Soms zorgt Facebook bij ouders en kinderen dus voor meer gesprek en soms voor minder. Wat voor effect Facebook precies heeft, hangt duidelijk af van de situatie waarin ouder en kinderen zich bevinden.  
  6. 6. Abstract Auteur: Lise Eerdekens Titel: What If Child and Parent Become Facebook Friends? A Perspective of Parents and Children Universiteit: Vrije Universiteit Brussel Promotor: Karl Verstrynge Academiejaar: 2012 – 2013 Facebook is the most popular social network site according to different age groups. Therefore a new phenomenon exists, namely parents and children are becoming friends on this social network platform. Although there is already a huge amount of information about Facebook, less is known about the perceptions of parents and children when they are adding each other on Facebook. This research will execute a literature review and a qualitative research to answer this question. Parents want to follow their adolescent and they are curious. But for children, having their parents on Facebook annoys them. Often it’s because of their own privacy and because they are afraid to be ridiculous in front of their friends because of their parents. Parents want to protect their children from the negative side affects of Facebook. Parents and children agree that they know more about each other and that they talk more since they became Facebook friends. The only negative side effect for their relation is that each family member is now focused on their own screen instead of talking to each other. Trefwoorden: Facebook, social network sites, parents, children, adolescence, privacy, friends, onlineoffline, relations  
  7. 7. Voorwoord ‘Taggen’, ‘sharen’, ‘inchecken’… sociale media zijn kindjes van onze hedendaagse tijd en we worden overdonderd door allerlei nieuwe begrippen en concepten hieromtrent. Ik wilde mij voor mijn masterproef dan ook verdiepen in hét paradepaardje van alle sociale media, namelijk ‘Facebook’. Ondanks de overvloed van informatie die er al over Facebook te vinden was, vond ik, mede dankzij assistente Joke Beyl, een vernieuwde invalshoek: ouders en kinderen die bevriend waren met elkaar op Facebook. Het onderwerp van mijn thesis was zo actueel dat ik er eigenlijk voortdurend mee geconfronteerd werd. Zo zat ik op een ochtend in een koffiebar in Hasselt aan mijn thesis te werken naast een groepje jongeren. Opeens hoorde ik één van de meisjes zeggen: “Oké, wie mag ik taggen op Facebook?” Ik ging er dus vanuit dat ze zonet een foto met haar Iphone had gemaakt. Waarop een jongen reageerde met “Zet da daar ma op eh, voorwa ni?” Een andere slimme spijbelaar reageerde “Mijn ouders eh!” In mijzelf heb ik dus vaak gelachen, want het is precies of ik haast niet op zoek moet gaan naar informatie, die kwam voortdurend gewoon op me af. Hoewel het onderwerp interessant en actueel was, werden het uitschrijven en het uitvoeren van het deze masterproef zeker geen gemakkelijke opdracht. Ik maak van dit voorwoord dan ook gebruik om de personen te bedanken die mij in deze opdracht gesteund en geholpen hebben. In de eerste plaats wil ik al mijn respondenten bedanken voor hun bereidwilligheid en openheid tijdens de focusgroepen. Zij hebben er immers voor gezorgd dat ik een antwoord kon formuleren op mijn onderzoeksvragen. Daarnaast wil ik ook mijn vriend Patrick bedanken voor het eeuwige geduld, de hulp tijdens de focusgroepen en het nalezen van mijn masterproef. Ook mijn tante, die ervoor gezorgd heeft dat er bij haar thuis een focusgroep kon plaatsvinden, wil ik bedanken. Mijn ouders, mijn mama voor het mede mogelijk maken van een focusgroep en mijn papa voor het nalezen van mijn masterproef. Ook mijn medeleidsters van de KLJ, voor het helpen zoeken naar respondenten en het ter beschikking stellen van het lokaal. Als laatste wil ik mijn promotor, professor Karl Verstrynge hartelijk danken. En ook Katleen Gabriels en Joke Beyl voor de hulp bij het empirisch gedeelte. Speciale dank ook aan Patrick Brebels voor de opbouwende kritiek.  
  8. 8. Inhoudstafel Inleiding ...................................................................................................................................................1 1. Probleemstelling ...............................................................................................................................2 1.1 Maatschappelijke relevantie .......................................................................................................2 1.2 Wetenschappelijke relevantie ....................................................................................................3 2. Onderzoeksdoelstelling ....................................................................................................................4 3. Onderzoeksvragen ............................................................................................................................5   Literatuurstudie ......................................................................................................................................8   Hoofdstuk 1: De ‘offline’ kind-ouderrelatie.........................................................................................8 1. De tienerjaren en de opvoeding ....................................................................................................8 2. Privacy ........................................................................................................................................10 2.1 Privacy als theoretisch en juridisch begrip...........................................................................10 2.1.1 Theorie ...........................................................................................................................10 2.1.2 Juridische kant ...............................................................................................................12 2.2 Privacy in de kind-ouderrelatie: theorie en wet ...................................................................12 Besluit hoofdstuk 1 .................................................................................................................................14   Hoofdstuk 2: Het gebruik van internet, SNS en Facebook ...............................................................16 1. Het wereldwijde web ..................................................................................................................16 1.1 De internetgeneratie .............................................................................................................17 1.2 Generatie X en het internet ..................................................................................................17 2. Web 2.0 en User Generated Content (UGC) ..............................................................................19 3. Sociale media..............................................................................................................................20 3.1 Wat zijn sociale media, en wat niet? ....................................................................................21 3.1.1 3.1.2 4. Media Research .............................................................................................................21 Sociale processen...........................................................................................................22 Sociale Netwerk Sites (SNS) ......................................................................................................23 4.1 4.2 5. Theorie Networked Publics ..................................................................................................23 “Uses and gratifications”......................................................................................................25 Facebook.....................................................................................................................................26 5.1 Het begin van Facebook .......................................................................................................27 5.2 Facebook in 2013 .................................................................................................................29  
  9. 9. 5.3 Facebook en jongeren ..........................................................................................................30 5.4 Ouders en Facebook .............................................................................................................31 Besluit hoofdstuk 2 .................................................................................................................................31   Hoofdstuk 3: Kind-ouder relatie in een digitaal tijdperk .................................................................32 1. Relaties in het digitale tijdperk ...................................................................................................32 1.1 Displacement versus stimulation hypothesis .......................................................................32 1.2 Technologisch versus maatschappij determinisme ..............................................................33 1.3 Online relaties en het sociaal kapitaal ..................................................................................34 2. Privacy op sociale netwerksites (SNS) .......................................................................................36 2.1 Privacy paradox ....................................................................................................................36 2.2 Jongvolwassen en online privacy .........................................................................................36 2.3 Ouders en online privacy .....................................................................................................38 2.4 Privacy op Facebook ............................................................................................................39 3. De online kind-ouder relatie .......................................................................................................40 3.1 Opvoeding over SNS en Facebook ......................................................................................40 3.2 Kind en ouder worden ‘Facebookvrienden’ .........................................................................40 3.2.1 Ouderlijk toezicht op Facebook.....................................................................................42 Besluit hoofdstuk 3 .................................................................................................................................43   Besluit literatuur ...................................................................................................................................44   Empirisch onderzoek............................................................................................................................46   Methodologie .........................................................................................................................................46 1. Type onderzoek ..............................................................................................................................46 1.1 Motivatie en voordelen van het onderzoek ..............................................................................46 1.2 Uitdagingen en beperkingen van het onderzoek ......................................................................48 2. Dataverzameling en steekproef ......................................................................................................49 3. Data-analyse ...................................................................................................................................51   Analyse...................................................................................................................................................52 1. Algemeen profiel van de respondenten ..........................................................................................52 1.1 Kwantitatieve contactfiche .......................................................................................................52  
  10. 10. 2. Resultaten van het kwalitatief onderzoek .......................................................................................57 2.1 Topic – en vragenlijst ...............................................................................................................58 2.2 Het gebruik van Facebook .......................................................................................................59 2.2.1 Wat zijn de motivaties om elkaar toe te voegen op Facebook? ........................................59 2.2.2 Bezorgdheden van beide partijen over het gebruik van Facebook ...................................63 2.3 Afstand en nabijheid ................................................................................................................66 2.4 De kind – ouder relatie online en offline .................................................................................71 2.4.1 De online Facebookrelatie: wat mag, wat niet en waar zijn ze verbaasd over? ................71 2.4.2 De offline relatie: welke invloed heeft Facebook? ...........................................................74 2.5 Positieve en negatieve effecten van Facebook .........................................................................79   Besluit empirisch onderzoek ................................................................................................................82   Algemeen besluit ...................................................................................................................................85   Aanbevelingen voor verder onderzoek ...............................................................................................89   Bibliografie ............................................................................................................................................90   Bijlagen ..................................................................................................................................................99   Lijst met figuren, tabellen, foto's en afkortingen ............................................................................100  
  11. 11. Inleiding Digitale media en virtuele netwerken zijn geen vreemden meer. Zeker in het leven van de jongere generatie kregen ze de afgelopen jaren een centrale plaats. Deze generatie groeit op in een omgeving waar digitale media en virtuele netwerken een deel zijn van hun sociaal en cultureel leven. 1 Voornamelijk sociale netwerksites zijn hét communicatiemiddel bij uitstek voor jongeren. De meeste jongeren maken een publiek of semipubliek profiel en komen zo in contact met vele andere profielen.2 Deze nieuwe technologieën kennen dan ook tal van voordelen. Vooral voor jongeren blijken ze het ideale middel om informatie nog sneller en beter met elkaar te delen. Toch heeft deze medaille ook een keerzijde, want onvermijdelijk zorgen ze ook voor meer controle, en op die manier wordt privacy een alsmaar moeilijker gegeven. Sociale media waaronder Facebook zijn in een mum van tijd razend populair geworden in het leven van de jongeren vandaag. Facebook wordt vandaag de dag dan ook massaal gebruikt om te communiceren met ‘vrienden’.3 Deze vrienden zijn belangrijk in het leven van de jongvolwassenen. Vriendschap bij tieners, volgens Pahl en Pevalin, zijn de eerste belangrijke contacten die ze leggen buiten het gezin en de familie.4 La Greca en Harrison geven dit aan als de ‘adolescentiefase’ waarbij vrienden zelfs belangrijker worden als ouders en familie in hun sociaal netwerk.5 Het zijn net deze familieleden, en specifiek de ouders die we ook in dit onderzoek willen betrekken. Ook ouders zijn steeds meer betrokken in de online wereld. Uit het onderzoek van EU Kids Online blijkt dat steeds meer ouders ook online zijn en dat ze op die manier de generatiekloof stilaan aan het dichten zijn.6 Hoewel de leeftijdsgroep van 18 tot 29 nog steeds de grootste stijging kende, was het toch ook de leeftijdsgroep van 30 tot 49 jaar, die steeg met 54% van 2005 tot 2010. 7 Ook Facebookgebruikers in België zijn niet enkel jongeren, 41% onder hen is meer dan 35 jaar.8 Facebook blijkt dus voor elke generatie hét middel bij uitstek om in contact te komen met vrienden. Maar wat als ouders op de proppen komen en bevriend willen worden? Sites zoals “Oh Crap. My                                                                                                             1 METZGER M., FLANAGIN A. (2008). Digital Media, Youth and Credibility. MIT Press, foreword. SUBRAHMANYAM K., REICH S.M., WAECHTER N., ESPINOZA G. (2008). Online and Offline Social Networks: Use of Social Networking Sites by Emerging Adults. Journal of Applied Developmental Psychology 29, p. 420. 3 WEST A., LEWIS J., CURRIE P. (2009). Student Facebook ‘Friends’: Public and Private Spheres. Journal of Youth Studies, Volume 12, Number 6. p. 615. 4 PAHL R., PEVALIN D. J. (2005). Between Family and Friends: A Longitudinal Study of Friendship Choice. The British Journal of Sociology, Volume 56, Issue 3, p. 446. 5 LA GRECA A., HARRISON H. M. (2005). Adolescent Peer Relations, Friendships and Romantic Relationships: Do They Predict Social Anxiety and Depression? Journal of Clinical Child and Adolescent Psychology, Volume 34, Number 1, p. 49. 6 D’HAENENS L., VANDONINCK S. (2012). Hoe digitaal zijn de Belgische kinderen en jongeren in vergelijking met leeftijdsgenoten in Europa? Kids online: vaardigheden, kansen en risico’s van kinderen en jongeren op het Internet. p. 7. 7 MADDEN M. (2010). Older Adults and Social Media: Social Networking Use Among Those Ages 50 and Older Nearly Doubled Over The Past Year. Pew Research Center. p. 3. 8 SOCIAL BAKERS, Facebook Statistics. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. 2 1
  12. 12. Parents Joined Facebook”9 doen ons geloven dat jongeren niet staan te springen om vrienden te worden met hun ouders. Zowel uit het onderzoek van Kanter, Afifi en Robbins en als uit dat van West, Lewis en Currie blijkt dat jongeren zo’n online ‘vriendschap’ voornamelijk zien als een invasie van hun privacy.10 Maar wat zijn de attitudes en perspectieven van beide partijen in zo’n situatie? Heeft de online relatie een impact op hun offline relatie? In dit onderzoek zullen de meningen van beide partijen worden onderzocht. Om dit te onderzoeken werd er een kwalitatief onderzoek uitgevoerd met semigestructureerde focusgroepen. Hierbij werden zowel groepen van ouders als groepen van kinderen ondervraagd die met hun kind of met hun ouders bevriend zijn op Facebook. Hoe het onderzoek precies werd opgezet en hoe het is verlopen vindt u in het empirisch gedeelte van deze masterproef. 1. Probleemstelling 1.1 Maatschappelijke relevantie Jongeren van vandaag zijn een echte internetgeneratie. Tagging, sharing, blogging… Ze kunnen content creëren, bekijken en becommentariëren.11 Het is voor hen een fluitje van een cent. Toch rijzen er in de maatschappij ethische vragen over dit online gebruik bij jongeren. Sociale media kunnen verschillende risico’s inhouden. Jongeren worden al snel beïnvloed door de online peer-to-peer groups, door ongepaste inhouden op deze sites of door het gebrek aan kennis over wat men ziet of leest. Daar bovenop zijn er ook nog de privacy issues op deze netwerken. 12 Omdat dit onderzoek zich voornamelijk toespitst op Facebook en het bevriend worden met ouders, zullen deze ‘privacy issues’ een belangrijk onderdeel worden van ons onderzoek. Wat als ouders de online publieke sfeer van hun kind ontdekken? Wat vinden jongeren dan van hun privacy? Een generatie met vele vrienden en slechts een primitieve notie van privacy13, zo noemt Sonia Livingstone de doelgroep die ook in dit onderzoek zal onderzocht worden. Zelf deed ze in 2007 onderzoek naar sociale netwerken bij deze doelgroep. Ook de representatie van zichzelf is voor deze jongeren een belangrijk aspect. Vriendschappen worden gemaakt en terug afgebroken.14 De publieke en private sfeer van jongeren is hier belangrijk. Is de publieke sfeer op Facebook dezelfde voor ouders als voor leeftijdsgenootjes? En wat als ouders plots ‘vrienden’ worden?                                                                                                             9 OH CRAP, MY PARENTS JOINED FACEBOOK. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. WEST A., LEWIS J., CURRIE P. (2009) Op Cit. p. 625 en KANTER M., AFIFI T., ROBBINS S. (2012). The Impact of Parents ‘Friending’ Their Young Adult Child on Facebook on Perceptions of Parent-child Relationship Quality. Journal of Communication 62, p. 901. 11 BARRETT D. (2008). Mediawiki. O’Reily Media, 2008, p.3. 12 O’KEEFFE G.S., CLARKE-PEARSON K. (2011). Persuasion: Theory and Research. Londen: SAGE, p. 801. 13 LIVINGSTONE S. (2007) Taking Risky Opportunities in Youthful Content Creation: Teenagers’ Use of Social Networking Sites for Intimacy, Privacy and Self-expression. New Media and Society, Volume 10, Number 3, 393-411. p. 3. 14 LIVINGSTONE S. (2007) Op. Cit. p. 4. 10 2
  13. 13. Verschillende sites, zoals “Oh Crap. My Parents Joined Facebook”15 bewijzen wat ook in het artikel van West, Lewis en Currie wordt beschreven: Facebook is een plaats waar jongeren vrij kunnen converseren en interageren met vrienden, zonder dat ze zich zorgen moeten maken over wat hun ouders daar over denken.16 Het is dus van groot belang na te gaan wat voor attitudes beide partijen hebben ten opzichte van deze ‘Facebookvriendschap’. Zowel in het onderzoek van West, Lewis en Currie als in het onderzoek van Kanter, Afifi en Robbins wordt het onderwerp onderzocht.17 18 Toch ontbreekt telkens het perspectief van de ouders in dit verhaal. Het wordt dus duidelijk dat er een maatschappelijke en wetenschappelijke nood is naar inzicht over deze Facebookvriendschap vanuit beide partijen, de kinderen én de ouders. 1.2 Wetenschappelijke relevantie Niet alleen in het maatschappelijk debat zijn online relaties en adolescentie een populair onderwerp. Sinds de komst van het internet zijn er heel wat wetenschappelijke onderzoeken gevoerd naar hoe verschillende doelgroepen omgaan met de constant veranderende digitale omgeving. Een groot deel van de aandacht gaat uit naar hoe deze online netwerken een effect hebben op de individuele persoonlijkheid van mensen, zoals het zelfvertrouwen en psychologisch welzijn, onder andere in het onderzoek van Steinfield, Ellison en Lampe wordt dit beschreven.19 Natuurlijk zijn ook jongeren een veelbesproken doelgroep. Zo vinden we enkele onderzoeken over offline relaties en het gebruik van sociale media. Maar vaak gaat het over oudere adolescenten, zoals in het onderzoek van Ahn20 of het onderzoek van Subrahmanyam, Reich, Waechter, Espinoza21, dat zich op universiteitsstudenten richt. Andere onderzoeken richten zich net op heel erg jonge kinderen van 5 tot 11 jaar, zoals het onderzoek van Marsh deed in 2011.22 De reden waarom dit onderzoek wetenschappelijk relevant is, komt voornamelijk door het feit dat het onderzoek gericht is op jonge (pre)adolescenten (12 – 17 jaar). Livingstone en Bober geven aan dat er nood is aan meer onderzoek naar deze ‘pre-teens’ en ‘pre-adolescenten’23. Een ander relevant gegeven is, zoals eerder vermeld, het feit dat eindelijk ook het perspectief van de ouders belicht wordt. Want hoewel sociale netwerksites nog steeds in volle groei zijn bij jonge adolescenten (van 55% in 2006 tot                                                                                                             15 OH CRAP, MY PARENTS JOINED FACEBOOK. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. WEST A., LEWIS J., CURRIE P. (2009). Op Cit. p. 618. 17 WEST A., LEWIS J., CURRIE P. (2009). Op Cit. p. 615 – 627. 18 KANTER M., AFIFI T., ROBBINS S. (2012). Op Cit. p. 900 – 917. 19 STEINFIELD C., ELLISON N., LAMPE C. (2008). Social Capital, Self-Esteem and Use of Online Social Network Sites: a Longitudinal Analysis. Journal of Applied Developmental Psychology, 29, p. 434 – 445. 20 AHN J. (2011). The Effect of Social Networking Sites on Adolescents’ Social and Academic Development: Current Theories and Controversies. Journal of the American Society for Information Science and Thechnology 8, p. 1435 – 1445. 21 SUBRAHMANYAM K., REICH S.M., WAECHTER N., ESPINOZA G. (2008). Op. Cit. p. 422. 22 MARSH J. (2011). Young Children’s Literacy Practices in a Virtual World: Establishing an Online Interaction Order. Reading Research Quarterly, Volume 46, Number 2, p. 101 – 118. 23 LIVINGSTONE, S., BOBER, M. (2005). UK Children Go Online: Final Report of Key Project Findings. London: Economic and Social Research Council. 41 p. 16 3
  14. 14. 73% in 201024) is dit zeker ook het geval voor andere leeftijdsgroepen, waaronder ouders. Zo waren er in 2005 nog maar 66% van de ouders online, terwijl dit al 85% bedroeg in 2008. Een duidelijk teken dat de ouders de generatiekloof stilaan aan het dichten zijn.25 Steeds meer ouders en kinderen vinden elkaar op Facebook, en slechts weinig onderzoek heeft hier tot nu toe aandacht aan besteed. Er valt dus zeker en vast op te merken dat er een zich een leegte bevindt wat betreft de online Facebookrelatie tussen de ouder en het kind en hoe deze offline wordt ervaren. Hoewel een ouder onderzoek uit 2009 van West, Lewis en Currie al onderzoek heeft gedaan naar het bevriend worden met oudere personen op Facebook (waaronder ouders) werd dit enkel bekeken vanuit het perspectief van de universiteitsstudenten. Ook in het werk van Kanter, Afifi en Robbins doet men onderzoek naar ‘friending’ met ouders op Facebook. Ook hier richten ze zich op jonge universiteitsstudenten.26 Toch zien we dat het voornamelijk ‘jonge’ ouders zijn die zich op Facebook aanmelden. 27 En het zijn ook voornamelijk jonge tieners die het moeilijk hebben om ‘vriend’ te worden met hun ouders. Want in het onderzoek van Kanter Afifi en Robbins wordt aangegeven dat de ‘privacy’ meer geschonden wordt als het gaat om tieners. Hoewel universiteitsstudenten het meest onderzocht worden, zijn het toch voornamelijk jonge adolescenten die zich het meest bedreigd voelen omdat ze nog steeds bij hun ouders inwonen.28 Ook zijn tienerjaren heel apart, zo zegt Allan in zijn artikel, omdat in deze jaren vriendschapsbanden zelfs belangrijker worden dan de banden die men heeft met familieleden.29 2. Onderzoeksdoelstelling Aangezien er slechts weinig bekend is over de attitudes die deze jongvolwassenen en ouders hebben ten opzichte van hun online relatie op Facebook, zal het onderzoek in de eerste plaats een explorerend onderzoek zijn. Zoals we eerder aanhaalden is het onderwerp vrij nieuw. Toch kan ook gezegd worden dat er rond Facebook al heel wat onderzoeken zijn gebeurd en theoretische concepten zijn opgesteld. Deze bestaande concepten en informatie zullen we in de literatuurstudie bespreken en ook aanhalen in de focusgroepen. Tim May haalt dit in zijn boek aan als ‘deductie’. Theorie komt hier voor het onderzoek. Het onderzoek probeert hier de theorieën te testen of te weerleggen.30 Toch wordt er geen gebruik gemaakt van hypothesen. Daarvoor is er te weinig specifieke informatie beschikbaar. Met andere woorden; eerst worden er bestaande theorieën besproken in de literatuurstudie en deze theorieën worden als basis gebruikt voor het onderzoek en voor de kwalitatieve focusgroepen.                                                                                                             24 LENHART A., PURCELL K, SMITH A., ZICKUHR K. (2010). Social Media and Mobile Internet Use Among Teens and Young Adults. Pew Internet and American Life Project, p. 17. 25 D’HAENENS L., VANDONINCK S. (2012). Op Cit. p. 7. 26 KANTER M., AFIFI T., ROBBINS S. (2012). Op Cit. p. 900–917. 27 D’HAENENS L., VANDONINCK S. (2012). Op Cit. p. 7. 28 KANTER M., AFIFI T., ROBBINS S. (2012). Op Cit. p. 901. 29 ALLAN G. (2008). Flexibility, Friendship and Familiy. Personal relationships, Volume 15. p. 9. 30 MAY T. (1957). Social Research: Issues, Methods and Process. 3rd ed. Open University Press, p. 32. 4
  15. 15. Door het sterke maatschappelijk verhaal, zou dit onderzoek kunnen dienen voor toepassingen in het dagelijkse leven. Zo zou kunnen blijken dat jongvolwassenen nood hebben aan een opvoeding in ‘sociale media’, bijvoorbeeld op school. Of de vraag die ouders zich misschien stellen: “Is het goed om mijn kind toe te voegen op Facebook?” zou wel eens beantwoord kunnen worden. Het onderzoek zou wel eens een maatschappelijk antwoord kunnen geven op het gebied van opvoeding, zowel op school en in het gezin. Volgens Miller en Salkind is een toegepast onderzoek dan ook een goede theoretische basis en speelt het een belangrijke rol in de organisatorische beslissingen.31 Door de afwezigheid van up-to-date informatie in de wetenschappelijke literatuur omtrent dit onderwerp vandaag de dag, kan dit onderzoek een meerwaarde bieden, ook in de praktijk. 3. Onderzoeksvragen 1. Nabijheid versus afstand. Tieners en hun ouders wonen (meestal) onder één dak. Maar wat mogen ouders en kinderen van elkaar weten, en wat niet? Wat mogen ouders en kinderen van elkaar op Facebook, en wat niet? Wat als je ouders of je kinderen plots je ‘vriend’ worden? Ouder en kind wonen in de tienerjaren nog vaak onder één dak en zijn dus fysiek nabij. Maar vaak is er in de relatie tussen ouders en tieners toch een bepaalde afstand. Wat mogen kinderen en ouders van elkaar weten en wat niet? Wordt er over Facebook gesproken? Worden er dingen verwijderd die ouders of kinderen niet mogen zien? Denken ouders en kinderen na over ze op Facebook zetten omdat de andere partij dit wel eens zou kunnen zien? De afstand tussen beide partijen hangt natuurlijk voor een groot deel al af van de soort relatie tussen ouder en kind. Maar heeft Facebook hier misschien toch wat aan veranderd? Hoeveel afstand moeten kinderen en ouders bewaren ten opzichte van elkaar op dit sociaal netwerk. Met andere woorden: wat mogen ze op Facebook en wat niet? 2. Wat zijn de motivaties van de ouders en de jongeren om elkaar al dan niet toe te voegen op Facebook? Uit het onderzoek van West, Lewis en Currie uit 2009 blijkt dat slechts één iemand van alle ondervraagde universiteitsstudenten bevriend was met zijn ouders op Facebook.32 Nu, anno 2013, zien we dat heel wat ouders hun kinderen op Facebook toevoegen. Wat is de reden van de online                                                                                                             31 32 MILLER D., SALKIND N. (2002). Handbook of Research Design and Social Measurement. SAGE. 808p. p. 63. WEST A., LEWIS J., CURRIE P. (2009). Op Cit. p. 615 – 627. 5
  16. 16. ‘vriendschap’ tussen ouder en kind? Wie voegt wie toe, en waarom? En wat is de reden van de andere partij om deze dan te accepteren? 3. Hoe ervaren ouder en kind deze online ‘Facebookrelatie’ in hun offline leven? In verschillende theorieën worden online relaties in verband gebracht met de relaties in het offline leven. Verschillende theoretici, waaronder Kraut, geven op die manier aan dat online relaties een negatief effect zouden hebben op offline relaties. Hij noemt het ook wel de ‘displacement’ hypothese. We zouden onze offline relaties vervangen door online relaties. 33 Toch is deze theorie anno 2013 een beetje voorbijgestreefd. Vele auteurs geven nu aan dat er eerder sprake is van een ‘stimulation’ hypothese. Vele relaties die we online onderhouden zijn eigenlijk afkomstig uit ons offline leven. Daarom geeft deze hypothese aan dat online relaties onze offline relaties zouden versterken.34 De Europese Commissie heeft in de digital agenda ook al gesproken over deze offline-online dichotomie. Zoals in vele, meer recente literatuur te lezen staat, is online en offline niet zo strikt gescheiden. Vaak is er geen groot verschil tussen de realiteit en de virtuele realiteit, en lopen ze door elkaar.35 Met deze derde onderzoeksvraag willen we vooral te weten komen of de online kind-ouder relatie een rol speelt in hun offline leven. Want hoewel de offline relatie voor een groot deel de online relatie bepaalt, is het omgekeerde ook waar. Het feit dat ze elkaar online ontmoeten kan misschien ook een invloed hebben op hun offline relatie? Contacteren ze elkaar vaker nu dat ze elkaar online als vriend hebben toegevoegd? Of praten ze over gebeurtenissen die zich op Facebook afspelen? 4. Hoe ervaren jongeren en ouders sociale netwerksites? Wat zijn de positieve en wat zijn de negatieve effecten voor hun relatie? Zien ze dit als een ‘displacement’ of het ‘stimulation’ hypothese? Uit de meer recente literatuur is dus duidelijk geworden dat online relaties eerder een aanvulling zijn op de offline relaties. 36 Maar met deze laatste onderzoeksvraag willen we vooral te weten komen of ouders en kinderen daar ook zo over denken. Met andere woorden: zien ze Facebook als een soort van vervanging (‘displacement’) voor andere relaties? Jongeren chatten misschien liever met vrienden in                                                                                                             33 KRAUT R. PATTERSON M., LUNDMARK, KIESLER S., MUKOPADHYAY T., SCHERLIS W. (1998). Internet Paradox: A social Technology That Reduces Social Involvement and Psychological Well Being? The American Psychological Association,Volume 53, Number 9, p. 1029. 34 VALKENBURG P., PETER J. (2007). Online Communication and Adolescent Well-Being: Testing the Stimulation versus Displacement Hypothesis. Journal of Computer-Mediated Communication 12, p. 1170. 35 EUROPEAN COMMISSION. The onlife manifesto: being human in a hyperconnected era. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. 36 VALKENBURG P., PETER J. (2007). Op Cit. p. 1170. 6
  17. 17. plaats van met hun mama of papa te praten. Of zien ze dit als ‘stimulation’; namelijk als een manier om de vriendschapsband nog beter te onderhouden? Zien jongeren en ouders dit als iets wat hun band alleen maar versterkt? Wat vinden jongeren en ouders negatief en wat vinden ze positief aan deze Facebookrelatie? 7
  18. 18. Literatuurstudie Binnen dit literatuuronderzoek worden er drie verschillende hoofdstukken behandeld. Op basis van deze literatuurstudie wordt er een voorlopig antwoord gegeven op de onderzoeksvragen. De delen die onbeantwoord blijven, zullen worden aangevuld in het empirisch gedeelte. Hoofdstuk 1: De ‘offline’ kind-ouderrelatie Wanneer we de relatie tussen ouder en kind op Facebook bespreken, is het natuurlijk uiterst belangrijk om eerst eens te kijken naar de offline relatie die beide met elkaar onderhouden. Want ook al voor de komst van het internet waren de tienerjaren een veelbesproken en vaak bewandeld pad in de literatuur. In dit hoofdstuk wordt de offline relatie tussen ouder en kind verder toegelicht. 1. De tienerjaren en de opvoeding De tienertijd, een veelbesproken onderwerp in de literatuur, is ook in dit onderzoek een belangrijk concept wanneer het gaat over de relatie tussen ouders en kinderen. In het boek van Adriaenssens wordt aangegeven dat de tienerjaren het pad vormen dat naar volwassenheid leidt. Toch, zo’n pad loopt niet altijd recht en kent veel obstakels. Voornamelijk de band met de ouders wordt vaak op de proef gesteld.37 En dit is geen kindje van zijn tijd, ook in het artikel van Steinberg wordt aangehaald dat deze kind-ouder relatie tijdens de tienerjaren al gedurende decennia op de proef wordt gesteld.38 Wat in het boek van Adriaenssens meteen duidelijk wordt, is het verschil tussen de puberteit en de adolescentie. Waar de pubertijd staat voor een periode van lichamelijke verandering, is de adolescentie eerder de periode waarin de kinderen psychologisch een verandering ondergaan.39 Vooral het tweede concept zal dus belangrijk zijn voor dit onderzoek. Adolescentie is een belangrijke periode in de sociale ontwikkeling, wanneer het kind zijn vriendennetwerk enorm zal uitbreiden. Intieme relaties en ook romantische relaties komen rond deze periode dan ook voor het eerst tot stand. Wat sociale omgang betreft, krijgen vrienden dus een voorsprong ten opzichte van de ouders.40 Ook Steinberg gaat in op de adolescentiefase, en wel door de jaren heen. Zo geeft hij aan dat er heel wat onderzoek gebeurd is naar hoe we de relatie tussen het kind en de ouder zouden moeten aanpakken in de tienerjaren. In de jaren 60’ houdt men zich dan ook vooral vast aan wat Steinberg de                                                                                                             37 ADRIANSSENS P. (2000). Vanaf hieraf mag je gaan: over opvoeden van tieners. Lannoo Uitgeverij, p. 8. STEINBERG L. (2001). We Know Some Things: Parent-Adolescent Relationships in Retrospect and Prospect. Journal of Research on Adolescence, Volume 11, Issue 1, p. 3. 39 ADRIANSSENS P. (2000). Op Cit. p. 9. 40 LA GRECA A., HARRISON H. M. (2005). Op Cit. p. 49. 38 8
  19. 19. ‘storm-and-stress’ formule noemt. Hierbij wordt het conflict gezien als een positief punt en geeft men aan dat storm en stress eigenlijk gezonde factoren zijn in deze fase. De ouders gaan in conflict om zo de orde te handhaven. Toch komt dit model in de jaren 70’ onder vuur te liggen. Nieuwe empirische resultaten geven aan dat deze ‘storm-and-stress’ formule geen goede manier is om deze tienerjaren te doorworstelen. Net een intieme band, waar weinig of geen conflict aan te pas komt, zou de kind-ouder relatie verbeteren. Enkel in gezinnen waarbij de jongeren werkelijk met problemen kampen, zou de formule toch nog een goed effect hebben.41 Hoewel de opvoeding van kinderen tijdens deze jaren dus meer en meer verschoven is naar een zachte aanpak, waarin we een meer intiemere band hebben met onze ouders, wil Steinberg dit model toch niet helemaal afschrijven. Hij geeft daarbij aan dat conflicten sterk kunnen variëren en dat ze soms toch nuttig kunnen zijn.42 Dit geeft ook Adriaenssens weer in zijn boek. In onze huidige samenleving heeft ‘opvoeden’ een zekere evolutie doorgemaakt. Hoewel vroeger vaak ‘hardhandig’ de macht werd gebruikt om kinderen op te voeden, gaat het er vandaag een stuk rustiger aan toe. Voornamelijk ‘communicatie’ staat daarbij centraal. Toch zorgt dit, in tegenstelling tot wat men eerst dacht, niet voor een verlies aan respect voor de ouders. Onderzoek heeft zelfs uitgewezen dat ouders die een grote controle uitoefenen jongeren vaak verder wegduwen en dat deze op hun beurt sociale steun gaan zoeken bij de buitenwereld, zoals bij vrienden. Adriaenssens noemt dit ook wel het ‘controle-model’. Lijnrecht ten opzichte van dit model staat het ‘conflict-en-contact model’. Dit bestaat uit praten, discussiëren en uitleggen maar wel met steeds een duidelijk standpunt.43 Hoewel ouders zich veel zorgen maken over het opvoeden van hun kinderen, blijkt tot grote verbazing uit het boek van Pedro De Bruyckere en Bert Smits dat de invloed van ouders groter is dan ooit. Het feit dat ook de generatiekloof tussen jongeren en ouders steeds kleiner wordt, kan daar dan ook een rol in spelen. Zowel uit het onderzoek in Nederland door het ‘Centraal Plan Bureau’ als uit het onderzoek in Vlaanderen door het ‘Steunpunt Cultuur, Jeugd en Sport, blijkt dat ouders vaak grote invloeden uitoefenen. Ouders die vaak aan cultuur doen, dragen dit over, maar bijvoorbeeld ook verdraagzaamheid of racisme lijken van ouder op kind over te gaan.44 Het is dus duidelijk dat communicatie tussen kind en ouder een zeer belangrijke formule blijft, maar wat als online communiceren om de hoek komt piepen?                                                                                                             41 STEINBERG L. (2001). Op Cit. p. 3 – 4. STEINBERG L. (2001). Op Cit. p. 5. 43 ADRIANSSENS P. (2000). Op Cit. p. 12. 44 DE BRUYCKERE P., SMITS B. (2011). De jeugd is tegenwoordig. Lannoo Campus, p.111 – 114. 42 9
  20. 20. 2. Privacy Kleine kindjes worden groot, zoveel is duidelijk. En hoewel goede communicatie de band tussen het kind en de ouder wel kan versterken, blijven bepaalde problemen altijd bestaan. Tieners willen plots ‘privacy’ en ouders mogen niet meer alles weten. Maar wat mogen tieners en ouders voor elkaar verborgen houden, en wat niet? Waar trekt men de grens? Vooraleer we de privacy tussen kind en ouder bekijken, gaan we dieper in op het begrip ‘privacy’ zowel vanuit de literatuur als vanuit juridisch standpunt. 2.1 Privacy als theoretisch en juridisch begrip 2.1.1 Theorie “Privacy is not simply about zeros and ones, it is about how people experience their relationship with others and with information. Privacy is a sense of control over information, the context where sharing takes place, and the audience who can gain access.”45 Boyd geeft hiermee aan dat privacy geen zwart-wit denken is. Informatie is dan ook niet privaat omdat niemand het weet. Het is privaat omdat degenen die het privaat willen houden, weten dat het onder controle is. Ze weten dat het gelimiteerd is tot de personen die ervan op de hoogte mogen zijn. Daarbij zijn geheimen het meest privaat van alle sociale informatie. Toch is er een immense ‘grijze zone’ tussen wat geheimen zijn en wat men zeker en vast publiek wil maken. Facebook werd daarbij vaak gezien als deze ‘grijze zone’. Er worden geen geheimen verteld, maar wel persoonlijke informatie die niet altijd relevant is om publiek gemaakt te worden.46 Privacy op SNS is dus ook een groot issue, maar hierover meer informatie in hoofdstuk 3. Ook Garfinkel geeft aan dat ‘privacy’ een belangrijk issue met een grote en brede lading is. Daarnaast heeft privacy voor veel mensen een andere betekenis. Een denkpiste die volgens de woorden van de auteur vaak wordt aangehaald, is de volgende: “Why should I worry about privacy? I have nothing to hide.”47 Toch gaat privacy niet alleen over iets te verbergen hebben, maar ook over wat men bezit. Autonomie en integriteit spelen een belangrijke rol.48 In de 21ste eeuw is de notie van privacy alleen nog maar complexer geworden. Nieuwe technologieën spelen daarin een grote rol. Garfinkel is van mening dat het bergaf gaat met onze privacy, of zoals hij het met de titel van zijn boek duidelijk maakt “privacy is dead”49: videocamera’s die ons gedrag                                                                                                             45 BOYD D. (2008) Facebook’s Privacy Trainwreck: Exposure, Invasion and Social Convergence: The International Journal of Research into New Media Technologies, Volume 14, Number 1, p. 18. 46 IBIDEM. 47 GARFINKEL S. (2008). Database Nation: the Dead of Privacy in the 21st century. O’Reilly Media, p. 4. 48 IBIDEM. 49 IBIDEM. 10
  21. 21. observeren, computers die onze persoonlijke gegevens bewaren en communicatienetwerken die deze informatie wereldwijd beschikbaar maken.50 In de literatuur over privacy wordt er vaak over de noties ‘private’ en ‘public’ sfeer gesproken. Hieronder wordt nader toegelicht wat beide begrippen betekenen en wat er zoal in de literatuur over geschreven staat. Hoewel deze begrippen vrij eenvoudig lijken, wordt dit toch steeds complexer, zeker in een digitale wereld. Pitkin stelde in 1981 dat het private kon gelijk gesteld worden aan “in here”, hetgene wat persoonlijk en intiem is. Het is dichtbij ‘het zelf’ en het is uitgesloten van ongewilde anderen. Het is waar we onszelf kunnen zijn. Het publieke stelde hij dan weer gelijk aan “out there”, waarmee hij onpersoonlijke zaken bedoelde. Zoals afstandelijk, formele zaken en wat collectief is.51 Weintraub daarentegen denkt hier anders over. Hij geeft aan dat publieke en private sfeer te vaak worden weergegeven als dichotomieën. Hij ziet deze dan ook niet als complete opposities maar eerder als een complexe familie, omdat ze toch nog steeds gerelateerd zijn aan mekaar.52 Verschillende onderzoekers, waaronder Weintraub en O’Sullivan, geven aan dat de grenzen tussen publieke en private sfeer steeds meer aan het vervagen zijn in onze digitale wereld.53 Gal geeft daarom een goede verklaring voor het verschil tussen publiek en privaat. Volgens hem zijn ‘publiek’ en ‘privaat’ relatieve termen die kunnen variëren in een bepaalde context. Zo kan de indeling ‘publiek’ en ‘privaat’ verschillen naargelang het in een bredere of smallere context komt te staan. Een goed voorbeeld is ‘thuis’. Op zich is ‘thuis’ privaat als we het bekijken ten opzichte van onze buurt, maar ook binnen ons ‘thuis’ bestaan er publieke en private sferen.54 Waar de woonkamer als publiek beschouwd wordt, is de kamer van een tiener eerder privaat. Ook Rossler omschrijft gelijkaardige verklaringen voor de publieke en de private sfeer. Hij haalt twee belangrijke modellen aan die we kunnen toepassen als we gaan kijken naar publieke en private sfeer. In het eerste model wordt er rekening gehouden met de verschillende lagen die privacy kan hebben. Dit wordt het ‘onion model’ genoemd. Deze ‘onion’ (of in het Nederlands: ajuin) heeft verschillende lagen. Het centrum van de ajuin stelt dan de persoonlijke of lichamelijke intimiteit voor. Een voorbeeld hiervan kan een dagboek zijn. De tweede laag is de klassieke privacy, zoals die van de familie of andere intieme relaties. Een laag verder bevindt zich het meer publieke gedeelte; de buitenwereld, de maatschappij en de staat. In de laatste laag bevinden zich de economische structuren en de publieke samenleving. Het tweede model staat lijnrecht tegenover dit eerste model. Hier gaat                                                                                                             50 GARFINKEL S. (2008). Op Cit. p. 5. PITKIN H.F. (1981). Justice: on Relating Private and Public. Political Theory, Volume 9, Issue 3, p. 328. 52 WEINTRAUB J. (1997). Public/Private: the Limitations of a Grand Dichtomy. The Responsive Community, Volume 7, Issue 2, p. 14. 53 WEINTRAUB J., KUMAR K. (1997). Public and Private in Thought and Practice: Perspectives on a Grand Dichotomy. University of Chicago Press, p. xi en O’SULLIVAN L.F. (2012). Open to the Public: How Adolescents Blur the Boundaries Online Between the Private and Public Spheres of Their Lives. Journal of Adolescent Health 50, p. 429 – 430. 54 GAL S. (2002). A Semiotics of the Public/Private Distinction Differences: A Journal of Feminist Cultural Studies, p. 81. 51 11
  22. 22. men uit van acties die men ondergaat of beslissingen die men neemt en die bepalen of iets publiek of privaat is, ongeacht de plaats waar dit gebeurt. Zo kan een kerk zowel publiek als privaat zijn. We kunnen daar wel iets publiek zeggen en toch nog een private persoon zijn. Als individuen onafhankelijk beslissingen nemen die niet beïnvloed werden door de staat of de maatschappij, dan kunnen deze toch nog als ‘privaat’ beschouwd worden.55 2.1.2 Juridische kant Ook in de Belgische wetgeving is het ‘recht op privacy’ opgenomen. In het kort betekent dit het volgende: “Iedereen heeft het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.” (Belgische Grondwet, artikel 22)56 Ook in de Europese wetgeving wordt er aandacht besteed aan de privacy van de burgers. Hier gaat men zelfs nog verder: “Ook de eigen woning en correspondentie zijn privé. Geen enkel openbaar gezag mag zich dus mengen in wat u (1) doet in uw privéleven, (2) doet in uw eigen huis, (3) schrijft in uw brieven of emails, (4) zegt aan de telefoon.”57 Toch zijn er natuurlijk altijd uitzonderingen op deze wetten wanneer de privacy van de burgers wel geschonden mag worden. Denk maar aan veiligheid en welzijn van het land, strafbare feiten of als het gaat over gezondheid, goede zeden, rechten of vrijheden van andere. 58 We hebben dus duidelijk privacy ten opzichte van de buitenwereld. Maar hoe zit het met de privacy die we binnen het gezin hebben? Met andere woorden: wat betekent privacy tussen ouder en kind? 2.2 Privacy in de kind-ouderrelatie: theorie en wet Hoewel er in de literatuur heel wat geschreven staat over privacy en wat het betekent in verschillende contexten, verschilt dit toch nog zeer sterk van wat privacy betekent in de context van kind en ouder. Verschillende auteurs hierboven geven dan ook aan dat ‘privacy’ afhangt van context én dat het verschillende lagen kan hebben. Zo wordt een huiselijke sfeer, zoals die van kind en ouder, vaak beschouwd als een private sfeer. Toch kan ook hier nog een verschil zijn tussen publiek en privaat, denk maar aan het voorbeeld van de tienerkamer waar eerst geklopt moet worden.                                                                                                             55 ROSSLER B., GLASGOW R. (2005) The Value of Privacy. Polity. p. 5 – 6. PORTAAL BELGUIM. Informatie en diensten van de overheid. URL en datum van raadpleging zie literatuur. 57 IBIDEM. 58 IBIDEM. 56 12
  23. 23. Nissembaum vindt, net als Gal, dat de schending van privacy afhangt van de context waarin het plaatsvindt. Verschillende contexten hebben namelijk een verschillende cultuur, verschillende wetten, normen, limieten, verwachtingen… Het criterium voor privacy is volgens hem contextuele integriteit. Elke context kent volgens de auteur daarom twee soorten normen: de norm van geschiktheid (‘appropriateness’) en distributie (‘flow’).59 Geschiktheid: norm van geschiktheid of ‘appropriateness’ bepaalt welke informatie over een persoon geschikt is om te onthullen en welke niet. Zo kent de context ouder-kind slechts weinig normen van geschiktheid, omdat beide partijen veel over elkaar weten. Ze mogen dus ook veel informatie aan elkaar verhullen. We zien dat dit bijvoorbeeld heel anders is in de context van openbare informatie op Facebook, waar heel wat normen voor geschiktheid gelden.60 Distributie: de norm van distributie of ‘flow’ gaat over de distributie van informatie van de ene naar de andere partij. Het geeft met andere woorden weer in hoeverre bepaalde informatie mag verspreid worden in een bepaalde context. Als we terugkijken naar de kind-ouder relatie, zien we dat deze relatie meer normen van distributie zal kennen. Zo is bepaalde informatie uit het gezin vaak intiem en wordt er van de gezinsleden verwacht hier discreet mee om te gaan. In de context van Facebook daarentegen zijn er slechts weinig normen van distributie. Er wordt verwacht dat wat je op Facebook zet ook publiek is en dat het dus ook verspreid mag worden.61 Toch zien we dat ouders of kinderen soms meer distributie gaan uitvoeren dan beide partijen van elkaar verwachten. Denk maar aan foto’s uit het privéleven van een gezin. De privacy wordt volgens Nissembaum pas geschonden als één van deze twee normen wordt overtreden binnen een bepaalde context. Het wordt duidelijk dat privacy dus niet enkel gaat over de informatie zelf, maar wel in welke context die informatie zich bevindt en welke normen daar gelden.62 Ouders en kinderen kunnen dan wel een zekere privacy van elkaar verwachten, het kind heeft ook nog eens privacy ten opzichte van zijn of haar ouders. En uit het artikel 16 uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) blijkt wel duidelijk dat minderjarigen recht hebben op deze privacy: “No child shall be subjected to arbitrary or unlawful interference with his or her privacy, family, home or correspondence, nor to unlawful attacks on his or her honour and reputation.” “The child has the right to the protection of the law against such interference or attacks.”63                                                                                                             59 NISSENBAUM H. (2004). Privacy as Contextual Integrity. Washington Law Review 79, number 1. p. 120 – 121. IBIDEM. 61 NISSENBAUM H. (2004). Op Cit. p. 122 – 123. 62 NISSENBAUM H. (2004). Op Cit. p. 125. 63 CONVENTION ON THE RIGHTS OF THE CHILD. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. 60 13
  24. 24. Met andere woorden, kinderen hebben recht op privacy en op een juiste behandeling van hun persoonlijke gegevens. Daarbij spelen leeftijd en de mate van bekwaamheid geen rol. Daarnaast kunnen ze dit recht gebruiken ten opzichte van alle derden, en dus ook ten opzichte van hun ouders, zo blijkt op de site van de Vlaamse overheid.64 Toch hebben ze geen volledige privacy. In het kader van ‘ouderlijk gezag en opvoeding’ kunnen ze deze privacy wettig schenden als ze gegronde redenen hebben om zich zorgen te maken over de veiligheid en het welzijn van hun kind. Ze zijn namelijk verantwoordelijk voor de beslissingen van hun minderjarig kind en kunnen daarom toch het recht hebben om persoonlijke gegevens, waaronder die op het internet, in te kijken.65 Media, en dan vooral de nieuwe communicatietechnologieën, hebben ervoor gezorgd dat we overal met elkaar in contact kunnen staan, ook al bevinden we ons op een ander tijdstip en op een andere plaats. Verschillende onderzoekers, zo blijkt uit het artikel van Lange, geven dan ook aan dat de grenzen tussen publieke en private sfeer veelal aan het vervagen zijn in onze digitale wereld.66. Ook juridisch gezien kan privacy een hele andere invulling krijgen op het wereldwijde web. Daarom zal dit verder besproken worden in hoofdstuk 3, waar we dieper ingaan op de relatie kind-ouder in een digitale wereld. Besluit hoofdstuk 1   De relatie die kind en ouder onderhouden in hun ‘offline’ leven is zeer belangrijk omdat het een groot effect kan hebben op hoe ze ‘online’ met elkaar zullen omgaan. De tienerjaren kunnen daarbij een valkuil zijn in de relatie tussen kind en ouder. Het is daarom uiterst belangrijk dat ouders communicatie centraal stellen in hun relatie: praten, discussiëren en overleggen zijn goede manieren om toch betrokken te geraken in het leven van deze jongvolwassenen. Adriaenssens beschrijft dit als het conflict-en-contact model. De controle handhaven met een harde hand is meestal een slecht idee. In de jaren 60’ was dit een populair model, Steinberg beschrijft het als de ‘storm-and-stress’ formule en Adriaenssens heeft het over een ‘controle-model’. Niet alleen zou het kind op deze manier verder weggeduwd worden, het zorgt ook nog eens voor privacyproblemen. ‘Privacy’ is een begrip dat een grote en brede lading dekt. Uit dit hoofdstuk kunnen we besluiten dat het veelal een tweevoudig begrip is. In de eerste plaats is er privacy in het algemeen, naar de buitenwereld toe. Bijvoorbeeld een typisch gezinsgesprek aan de eettafel dat niet bedoeld is voor buitenstaanders. Maar er is ook privacy binnen het gezin, en dit is dan het tweede begrip. Jonge tieners die een privégesprek voeren met vrienden willen daarbij liefst geen ongewenste luisteraars, zoals hun ouders bijvoorbeeld. Wat publiek en wat                                                                                                             64 VLAAMSE OVERHEID. De rechten van de minderjarige. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. EXPOO. Expertisecentrum en opvoedingsondersteuning. URL en datum van raadpleging zie biliografie. 66 LANGE P.G. (2008) Publicly Private and Privately Public: Social Networking on YouTube. Journal of Computer-mediated Communication 13, p. 364. 65 14
  25. 25. privaat is tussen ouder en kind, lijkt soms een moeilijke afweging. Volgens Nissembaum is ‘contextuele integriteit’ dan ook de oplossing. Als beide partijen zich houden aan de geschiktheid en de distributie van informatie zouden er geen privacyproblemen mogen ontstaan. Toch heeft de komst van digitale media en nieuwe communicatietechnologieën het er niet eenvoudiger op gemaakt. Vandaar dat we in het volgende hoofdstuk uitgebreid bespreken hoe het internet, sociale netwerksites en Facebook tot stand zijn gekomen. In het derde hoofdstuk wordt dan dieper ingegaan op hoe dit hele internetgebeuren ook de relatie tussen ouder en kind heeft beïnvloed. 15
  26. 26. Hoofdstuk 2: Het gebruik van internet, SNS en Facebook In dit hoofdstuk wordt het internet, en dan voornamelijk de sociale netwerksites die zich op het internet bevinden, uitgebreid besproken. Ook het begrip ‘sociale netwerksites’ wordt duidelijk afgebakend. Omdat dit een erg breed begrip is, wordt één platform gekozen waar dit onderzoek zich verder op richt, namelijk: Facebook. Verder wordt er besproken hoe de twee verschillende doelgroepen van ons onderzoek, namelijk tieners en ouders, omgaan met het internet en met sociale netwerken zoals Facebook. 1. Het wereldwijde web De Westerse samenleving staat niet stil. Na de industriële samenlevingen en de postindustriële samenlevingen zijn we nu geëvolueerd tot een informatiesamenleving. De shift van de ene naar de andere samenleving kwam er natuurlijk niet zomaar, heel wat economische, sociale en culturele veranderingen hebben de hele wereld beïnvloed en er op die manier voor gezorgd dat de samenleving geëvolueerd is naar zo’n informatietijdperk. De meest spectaculaire verandering is, zonder verrassing, het internet. De steeds groeiende rol van de informatie - en communicatietechnologieën valt niet meer te ontkennen.67 Niet veel later sprak Castells dan ook van een ‘networksociety’. Volgens hem zijn de basisideeën van onze samenleving zo veranderd dat niet natuurlijke bronnen maar wel digitale communicatiekanalen nu de basis zijn van onze samenleving.68 “The Internet today is a widespread information infrastructure, the initial prototype of what is often called the National (or Global or Galactic) Information Infrastructure. Its history is complex and involves many aspects - technological, organizational, and community. And its influence reaches not only to the technical fields of computer communications but throughout society as we move toward increasing use of online tools to accomplish electronic commerce, information acquisition, and community operations.”69 Met dit citaat wordt meteen duidelijk dat het internet doorgedrongen is tot in alle lagen van de samenleving. Het internet, met zijn vele ontwikkelingen, heeft zich ondertussen al meer dan 40 jaar in ons leven gevestigd. Vooral toen het internet ook begon door te dringen als zoekmachine, sociale media, dataverzameling en commercialisatie, werd het wereldwijd gebruikt.70 De grote verspreiding van internettechnologieën heeft ervoor gezorgd dat er steeds meer verschillende media tot stand zijn gekomen voor informatie en communicatie. Web 2.0 heeft ervoor gezorgd dat internetgebruikers                                                                                                             67 SZEKELY L., NAGY A. (2011). Online Youth Work and eYouth, a Guide to the World of the Digital Natives. Children and Youth Services Review 33, p. 2186. 68 CASTELLS M. (2000). Towards a Sociology of the Network Society. Contemporary Sociology, Volume 29, Number 5, p. 695. 69 LEINER B.M., CERF V.G., CLARK D.D., KAHN E.R., KLEINROCK L., LYNCH D.C., POSTEL J., ROBERTS L.G., WOLF S. (2003). Brief History of the Internet. Datum van raadpleging en URL zie bibliografie. 70 LOADER B.D., DUTTON W.H. (2012). A Decade in Internet Time. Information, Communication and Society, p. 609 – 610. 16
  27. 27. kunnen discussiëren, hun mening kunnen geven, commentaar kunnen leveren, of gewoonweg een sociaal leven kunnen leiden op het internet.71 1.1 De internetgeneratie De jongeren van vandaag zijn geboren in dit tijdperk met User Generated Content en Web 2.0 als hun grote ‘vriend’. Een rijzende vraag in de huidige samenleving is dan ook hoe deze jongeren zullen veranderen in deze digitale wereld. 72 De auteur Prensky noemt hen ook wel ‘digital natives’. Hij noemt ze ‘native’ om zo te verwijzen naar het feit dat in de digitale wereld zijn geboren. Het is als het ware hun ‘geboorteplaats’ en de digitale taal is hun ‘moedertaal’. De internetgeneratie is grootgebracht met ICT, vandaar dat het voor hen als vanzelfsprekend gaat. Volgens Prensky zullen zij dan ook deze communicatiemiddelen inzetten in hun alledaagse leven: informatie opzoeken over consumptie, media, gezondheid… Op die manier zullen ze een heel ander pad bewandelen dan hun voorgangers. Hun voorgangers zijn immers ‘digitale immigranten’, zo zegt Prensky. Omdat ze niet geboren zijn in een digitale wereld, zal het nooit hun echte thuis worden. Ze zullen altijd nog een beetje denken in het verleden. Op die manier zullen de ‘immigranten’ de ‘digital natives’ ook nooit kunnen bijhouden wat digitale kennis betreft. Ze zullen ons altijd een stapje voor zijn en weten meer dan wie ook hoe ze met deze digitale wereld moeten omgaan. Volgens Prensky gaat het zelfs zo ver dat we moeten luisteren naar deze ‘digital natives’ voor goede oplossingen.73 1.2 Generatie X en het internet Maar ook ouders blijven niet achter. Uit het onderzoek van EU Kids Online blijkt dat steeds meer ouders online zijn. Hoewel in 2005 nog maar 66% van de ouders online waren geweest, is dit gestegen tot 85% in 2008.74 Een duidelijk teken dat de ouders de generatiekloof stilaan aan het dichten zijn.75 Het is duidelijk dat ook de generatie van de ouders gedetailleerder bekeken moet worden. De meeste ouders van de hedendaagse middelbare schooljeugd maken deel uit van ‘generatie X’. Deze generatie is geboren tussen 1961 en 1981. Een term die afkomstig is uit het boek van William Strauss en Neil House ‘Generations’ (1991). Zo’n generatieterm wordt vaak gebruikt om karakteristieken aan personen te geven die geboren zijn in een bepaalde periode.76 De ‘X’ in de naam ‘generatie X’ duidt erop dat deze generatie eigenlijk naamloos was, of om het beter te beschrijven: verwaarloosbaar klein.                                                                                                             71 SZEKELY L., NAGY A. (2011). Op Cit. p. 2187. IBIDEM. 73 PRENSKY M. (2005). Listen to the Natives. Educational Leadership. Association for Supervision and Curriculum Developement, p. 9. 74 LIVINGSTONE S., HADDON L. (2009). EU Kids Online: Final Report. LSE London: EU Kids Online. p. 5. 75 D’HAENENS L., VANDONINCK S. (2012). Op Cit. p. 7. 76 MILLER J.D. (2011). Active, Balanced and Happy: These Young Americans are not Blowing Alone. The Generation X Raport, Volume 1, Issue 1, p. 1. 72 17
  28. 28. Ze leken soms in de schaduw te staan van hun enorme groep voorgangers, de babyboomers.77 Toch, generatie X heeft een hele andere kijk op de wereld. De generatie X wordt gekenmerkt als onafhankelijk, op zoek naar emotionele stabiliteit, de voorliefde voor informele gesprekken en hun zin voor ondernemen. Waar de babyboomers nog leefden om te werken, werkt generatie X om te leven. Voor hen is het belangrijk om dé ideale balans te vinden tussen werken en leven. Vandaar ook dat deze generatie er veel sneller de brui aan zal geven, moest men ontevreden zijn. Dit werd ook duidelijk in de relaties van deze generatie. Nog nooit ervoor kende een generatie zo veel scheidingen, alleenstaande ouders of nieuw samengestelde gezinnen. De ‘traditionele familie’ van vroeger werd vanaf deze generatie niet meer als ‘normaal’ beschouwd. Daarnaast is deze generatie ook de generatie waarin het meeste kinderen ooit werden opgevoed door de kinderopvang terwijl de ouders uit huis gingen werken.78 Ook is deze generatie de eerste generatie waarbij het internet een rol heeft gespeeld in hun ontwikkeling.79 Uit het onderzoek van Pew Internet and American Life Project blijkt dan ook dat hoewel de jongere generatie misschien wel meer surft, het toch de generatie X is die het meest van allemaal aan online banking doet, online shopt en ook het meest zoekt naar online informatie over gezondheid. Ook zien we dat van alle volwassenen, de generatie X het meest online zit na generatie Y. (zie figuur)80 Figuur 1: Resultaat uit het onderzoek van Pew Internet and American Life Project81 Een andere belangrijke uitkomst van dit onderzoek, weliswaar anno 2009, is het verschil in de online activiteiten tussen de verschillende generaties. De generatie van tieners, in ons onderzoek de kinderen, zijn online om te communiceren met anderen en om zichzelf te entertainen. Heel anders dan bij ‘generatie X’, oftewel de ouders in ons onderzoek, want deze zijn volgens het onderzoek van Pew Internet and American Life Project veel meer bezig met het zoeken van informatie, met e-mailen of                                                                                                             77 BEUTELL N.J., WITTIG-BERMAN U. (2008). Work-Family Conflict and Work-Family Synergy for Generation X, Babyboomers and Matures. Journal of Managerial Psychology, Volume 13, Number 5, p. 508. 78 BEUTELL N.J., WITTIG-BERMAN U. (2008). Op. Cit. p. 509. 79 MILLER J.D. (2011).Op Cit. p.1. 80 JONES S., FOX S. (2009). Generations Online in 2009. Pew Internet and American Life Project, p. 1. 81 IBIDEM. 18
  29. 29. met online shoppen. Waar het voor de kinderen eerder gaat over entertainment en praten met vrienden, is het voor de ouders eerder een handig ‘tool’.82 Verschillende van deze online ouders bevinden zich dan ook meer en meer op Facebook. Volgens de statistieken van Social Bakers uit België in 2012, is 18% van de Facebookgebruikers 35 tot 44 jaar en 12% is 45 tot 54 jaar oud.83 We zien dus dat ouders niet alleen meer online zijn, steeds meer ouders maken ook een Facebookaccount aan. Ook deze groep, namelijk ouders die zich online en op Facebook bevinden, wordt een belangrijke doelgroep voor dit onderzoek. 2. Web 2.0 en User Generated Content (UGC) Een grote stap voor het internet was toch wel de stap naar ‘User Generated Content’. Tim O’Reilly was een van de eerste om deze evolutie van Web 1.0 naar Web 2.0 te beschrijven. Waar men bij Web 1.0 enkel online informatie kon consumeren, kan men op Web 2.0 zonder veel kennis of knowhow zelf inhoud creëren en delen over het wereldwijde web. Het centrale principe in Web 2.0 ligt volgens O’Reilly in de macht van collectieve intelligentie.84 Hij beschrijft het fenomeen als volgt: “Web 2.0 is the business revolution in the computer industry caused by the move to the Internet as platform, and an attempt to understand the rules for success on that new platform. Chief among those rules is this: Build applications that harness network effects to get better the more people use them.”85 Hoewel men in Web 1.0 content enkel liet publiceren door professionelen, gaat Web 2.0 over collectieve projecten, zoals wiki’s en blogs. Enkele bekende voorbeelden die het web gemaakt hebben tot wat het vandaag is, zijn Wikipedia, YouTube. Ook Facebook bestaat voor een groot deel uit zelfgecreëerde content. Een ander woord voor deze content is ook wel ‘User Generated Content’ (UGC). Hoewel Web 2.0 de ideologische en technologische basis voorstelt, is UGC de som van alle manieren waarop mensen er gebruik van maken. Kortom, het beschrijft de verschillende vormen van mediainhoud die beschikbaar zijn op het web en gecreëerd zijn bij eindgebruikers van dat web.86 Het is een content die onmogelijk nog weg te denken is uit ons dagelijks leven.                                                                                                             82 JONES S., FOX S. (2009). Op Cit. p. 3. SOCIAL BAKERS, Facebook statistics. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. 84 O’REILLY T. (2005). What is Web 2.0: Design Patterns and Business Models for the Next Generation of Software. O’Reilly Media. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. 85 O’REILLY, T. (2006). Web 2.0 Compact Definition: Trying Again. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. 86 KAPLAN A., HAENLEIN M. (2009). Users of the World, Unite! The Challenges and Opportunities of Social Media. Business Horizons, Volume 54, Issue 1, p. 61. 83 19
  30. 30. De OECD, ook wel ‘Organisation for Economic Cooperation and Development’ defineert ‘UGC’ als volgt: “(1) content die publiek beschikbaar gemaakt is over het internet, (2) met een bepaald niveau van creativiteit, (3) content buiten de professionele routines en praktijk gecreëerd.” 87 Sociale media, zoals Facebook in deze paper, bevatten dus enorm veel UGC. Onderzoek van Xiang en Gretzel heeft ook aangetoond dat bij een zoekopdracht in Google, ongeveer 1 op 10 zoekresultaten verwijzen naar sociale media. 40% van de zoekresultaten representeert virtuele gemeenschappen, 27% reviews, 15% blogs, 9% sociale netwerken, 7% multimedia sharing sites en 2% representeert de rest.88 Hiermee wordt meteen duidelijk hoe groot het aandeel van UGC is. Figuur 2: Resultaat uit het onderzoek van Xiang en Gretzel.89 3. Sociale media De bekendste vorm van UGC is dus vandaag zonder twijfel te vinden in sociale media. Toch verschillen sociale media nog van de concepten UGC en Web 2.0 volgens Kaplan en Haenlein. Zo waren het Bruce en Susan Abelson die een eerste ‘sociaal medium’ lanceerden op het web. Het was een open dagboek. Een site waarop verschillende schrijvers hun dagboek konden bijhouden. Hoewel men toen het woord ‘weblog’ gebruikte, evalueerde dit later tot ‘blog’. Door de groei van het internet in gebruik en beschikbaarheid, werd ‘bloggen’ alsmaar bekender en populairder. Dit leidde dan ook tot de eerste echte social networksites, zoals MySpace in 2003 en Facebook in 2004. Daarnaast werden ook virtuele werelden populairder. Hiermee kunnen we als avatars in computer gestimuleerde omgevingen ronddwalen. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk ‘Second Life’.90                                                                                                             87 WUNSCH-VINCENT S., VICKERY G. (2007). Participative Web and User-Created Content. Organisation for Economic Co-operation and Development, p. 8. 88 XIANG Z., GRETZEL U. (2010). Role of Social Media in Online Travel Information Search. Journal of Tourism Management 31, p.184. 89 IBIDEM. 90 KAPLAN A., HAENLEIN M. (2009). Op Cit. p. 60. 20
  31. 31. 3.1 Wat zijn sociale media, en wat niet? Vandaag de dag zijn er verschillende programma’s voor de online uitwisseling van persoonlijke informatie: sociale netwerk sites, SMS’en, chatten, online gamen, computerondersteund samenwerken, online opleidingen… Maar wat zijn nu werkelijk sociale media en wat niet? Volgens Barnes is het onderscheid relatief simpel; alle media die de sociale samenwerking ondersteunen gelden voor haar onder deze noemer. De term sociale media is volgens haar als een paraplu die de sociale software en sociale netwerken beschrijft. Of zoals Tepper het duidt: “Social software refers to various, loosely connected types of applications that allow individuals to communicate with one another, and to track discussions across the Web as they happen.”91 Kaplan en Haenlein vinden dat we duidelijk moeten onderscheiden wat sociale media zijn en wat niet. Vandaar dat zij een schema hebben bedacht waarin verschillende sociale media kunnen gecategoriseerd worden. Hierbij maken ze gebruik van enkele theorieën die binnen sociale media een belangrijke rol spelen zoals media research (sociale aanwezigheid en media rijkdom) en sociale processen (zelfpresentatie en zelfonthulling). Beide elementen zijn belangrijk als het gaat over sociale media. 3.1.1 Media Research ‘Sociale aanwezigheid’ kan gedefinieerd worden als een contact tussen twee communicatiepartners. Dit kan fysiek zijn, maar het kan ook visueel of enkel auditief. Het proces wordt beïnvloed door intimiteit. Dit kan interpersoonlijk (bijvoorbeeld: een face-to-face gesprek) of gemedieerd (bijvoorbeeld: een telefoongesprek) zijn. Ook directheid speelt een rol. Zo kan het niet synchroon zijn (bijvoorbeeld: een e-mail) of wel synchroon (bijvoorbeeld: live chatten). Hoe hoger de sociale aanwezigheid is, hoe groter de sociale invloed van de communicatiepartners op elkaars gedrag. Met andere worden: een face-to-face gesprek is het meest intiem en het meest synchroon en heeft dus de grootste sociale invloed. Hieraan linken Kaplan en Haenlein de theorie van ‘media rijkdom’, of de ‘Media richness theory’ van Daft en Lengel. De basis van deze theorie is dat elke vorm van communicatie eigenlijk een oplossing is om een bepaald gevoel van onzekerheid en ambiguïteit te verminderen. Ze stellen dat er verschillende graden zijn van mediarijkdom. Hierbij spelen de hoeveelheid informatie die men geeft                                                                                                             91 TEPPER M. (2003). The Rise of Social Software. netWorker, Volume 7, Number 3, p. 19. 21
  32. 32. en het tijdsinterval een grote rol. Daarom zijn sommige media effectiever in het oplossen van een onzekerheid en ambiguïteit dan andere.92 Als we dit in de context van sociale media bekijken, kunnen ze al gecategoriseerd worden op basis van hoge of lage sociale aanwezigheid en hoge of lage sociale rijkdom. Dit is dan ook de eerste as van het schema van Kaplan en Haenlein.93 (zie schema hieronder) 3.1.2 Sociale processen   Omdat sociale media bovenal een sociale basis hebben, is het ook belangrijk om deze mee in rekening te gaan nemen. Hierbij wordt als eerste gekeken naar de ‘zelfpresentatie’ van mensen op sociale media. Volgens Goffman proberen we in elke sociale interactie de indrukken die de andere over ons hebben te beïnvloeden. Dit kan zijn omdat we een bepaald doel willen bereiken (bijvoorbeeld: men wil goed overkomen bij toekomstige collega’s) of het kan zijn omdat we onze identiteit consistent willen houden (bijvoorbeeld: merkkleding dragen omdat men aan een bepaald imago wil voldoen).94 Dit is ook wat er gebeurt als mensen zichzelf representeren in een online omgeving. Men gaat zichzelf presenteren door middel van ‘zelfonthulling’. Een bewuste of onbewuste openbaring van persoonlijke informatie: gevoelens, gedachten, likes, dislikes… En deze moeten dan overeenstemmen met het beeld dat we willen dat mensen van ons hebben. Deze zelfonthulling is dan ook de tweede as in het schema van Kaplan en Haenlein. De mate van zelfonthulling bepaalt ook voor een deel de categorie waartoe het sociale medium behoort.95 Dit is het uiteindelijke schema: Figuur 3: Dit schema is het resultaat uit een onderzoek van Kaplan en Haenlein 96 Hier wordt het duidelijk tot welke verschillende categorieën de sociale media behoren. Opvallend is dat sociale netwerksites hoog scoren op beide elementen. Enkel virtuele sociale werelden, waar mensen altijd synchroon met elkaar in contact zijn, scoren nog hoger. Dit wil zeggen dat sociale                                                                                                             92 DAFT R.L., LENGEL R.H. (1986). Organizational Information Requirements Media Richness and Structural Design. Management Science, Volume 32, Number 5, p. 554 – 571. 93 KAPLAN A., HAENLEIN M. (2009). Op Cit. p. 61. 94 GOFFMAN E. (1959). Presentation of Self in Everyday Life. Doubleday Anchor Books. New York. p. 4. 95 KAPLAN A., HAENLEIN M. (2009). Op Cit. p. 62. 96 IBIDEM. 22
  33. 33. netwerksites een zeer hoge zelfpresentatie en zelfonthulling kennen. Vaak wordt op zulke sites aangegeven wie we zijn, waar we voor staan, wat we ‘leuk’ vinden en wat niet. We representeren en onthullen onszelf. Ook wat sociale presentatie en media rijkdom betreft, scoren sociale netwerksites ‘middelmatig’, wat ook wil zeggen dat we vaak synchroon of niet synchroon met elkaar in contact staan op een gemedieerde manier. Daarnaast biedt het ook de mogelijkheid om een bepaald gevoel van onzekerheid of ambiguïteit weg te werken. 4. Sociale Netwerk Sites (SNS) Deze sociale netwerk sites zijn dan ook de vorm van sociale media die in deze paper in de diepte zullen bespreken. Vanaf de eerste online netwerken zoals WELL (Whole Earth 'Lectronic Link) tot Facebook, MySpace, Twitter en vele anderen. Wetenschappers in verschillende vakgebieden hebben zich altijd al zorgen gemaakt over de impact van de vorm, de kwaliteit en de invloed op menselijke relaties.97 Boyd omschrijft sociale netwerksites als volgt: “We define social network sites as web-based services that allow individuals to (1) construct a public or semi-public profile within a bounded system, (2) articulate a list of other users with whom they share a connection, and (3) view and traverse their list of connections and those made by others within the system. The nature and nomenclature of these connections may vary from site to site.”98 Boyd geeft verder aan dat de term ‘networking’ in de term ‘social networking sites’ niet altijd klopt. Zo zou ‘networking’ in de meeste gevallen suggereren dat dit een kennismaking is tussen vreemden. Toch is dit op de meeste SNS niet het geval. Vreemden ontmoeten is hier vaak niet het doel. Integendeel zelfs, degene die we het meest ontmoeten op deze SNS zijn onze ‘latent ties’. De mensen die we al kennen vanuit ons offline leven. Zo geeft ook Boyd aan dat we op de populairste SNS meestal niet op zoek zijn naar nieuwe contacten of andere netwerken. Zoals op Facebook komen we voornamelijk in contact met mensen die zich al in ons offline netwerk bevonden.99 4.1 Theorie Networked Publics Een andere belangrijke theorie die Boyd aanhaalt over SNS is ‘networked publics’, waarbij ze twee verschillende delen onderscheidt: ‘publics’ en ‘networked’. In de eerste plaats wil zij met het woord ‘publics’ duiden op het feit dat SNS publiek zijn, zoals op een openbare plaats. Ook de leden van een SNS zijn volgens Boyd ‘publics’, zij duidt hiermee op het feit dat mensen samenkomen in een openbare ruimte. Daarnaast gebruikt ze ook het woord ‘networked’ omdat ze aangeeft dat dit alles                                                                                                             97 VALLOR S. (2010). Social Networking Technology and the Virtues. Ethics in Information and Techonology, Number 12, p. 157 – 170. BOYD D., ELLISON N. (2007). Social network sites: definition, history and scholarship. Journal of Computer-Mediated Communication, volume 13, number 1, artikel 11, p. 211. 99 IBIDEM. 98 23
  34. 34. gebeurt door netwerktechnologieën zoals op een SNS. Met andere woorden, SNS laten toe om samen te komen in een publieke plaats op het internet. Toch is deze site niet enkel ‘publiek’. Zo kan het profiel van zo’n site ‘publiek’ zijn, namelijk voor iedereen. Of het kan ook ‘privaat’ zijn, en dus misschien enkel toegankelijk voor vrienden.100 Boyd maakt daarnaast een onderscheid in gemedieerde (communicatie door een bepaald medium bijvoorbeeld televisie) en niet-gemedieerde publieken (face-to-face communicatie) en networked publics. De reden waarom ‘networked publics’ verschillen van het gemedieerde en niet-gemedieerde publiek, is de sociale interactie die het biedt. Bij niet-gemedieerde omgevingen worden we beperkt door fysieke limieten. Bijvoorbeeld een muur waardoor we niet kunnen zien. Ook hetgeen wat publiek is in een niet-gemedieerde omgeving, is beperkt. Wanneer er iets gebeurt, zijn enkel de mensen die werkelijk aanwezig waren op die plaats en die het gezien hebben, getuige van deze gebeurtenis. Met andere woorden, in een niet-gemedieerde wereld is het onmogelijk dat de hele wereld getuige is van een gebeurtenis. Het kan hoogstens doorverteld worden van mond-tot-mond.101 Daarin verschilt het dus duidelijk van het gemedieerde publiek. Hieronder hoort radio, televisie en printmedia. Gebeurtenissen die in deze media besproken worden, kennen een veel groter en breder publiek. Boyd geeft dus aan dat er een aantal duidelijke verschillen tussen deze niet-gemedieerde publieken (face-to-face) en wel gemedieerde publieken zoals die van radio, tv, pers en internet.102 ‘Networked publics’ zijn gemedieerde publieken die nog een stapje verder gaan. Ze voegen namelijk de notie ‘opzoekbaarheid’ toe. We kunnen elke gebeurtenis op ieder moment bekijken door het op te zoeken op het internet. Hieronder worden de verschillende elementen toegevoegd waarin de ‘networked publics’ van de gewone ‘mond-aan-mond’ conversatie (niet-gemedieerde publieken) verschillen.103 Persistentie (‘persistence’): bij het gemedieerde publiek en networked publics kennen de gebeurtenissen een langere levensduur. Ze worden (meestal) gearchiveerd en kunnen op die manier altijd terug opgeroepen worden. Kopieerbaar (‘replicability’): gebeurtenissen die worden doorverteld, kunnen altijd verkeerd geïnterpreteerd worden. Door de kopieerbaarheid van de gebeurtenissen bij het gemedieerd publiek en bij de networked publics is dit veel minder het geval. Zo kan de inhoud vaak exact gekopieerd worden en kan men het onderscheid niet maken tussen het originele en de kopie.                                                                                                             100 BOYD D. (2007). Why Youth (Heart) Social Network Sites: the Role of Networked Publics in Teenage Social Life. The Role of Networked Publics.Youth, Identity and digital media volume, p. 7. 101 BOYD D. (2007). Op Cit. p. 8. 102 IBIDEM. 103 BOYD D. (2007). Op Cit. p. 9 . 24
  35. 35. Onzichtbaar publiek (‘invisble audience’): in een niet-gemedieerde wereld is het onmogelijk om altijd en overal te zijn en om zo alle gebeurtenissen te volgen. Maar bij het gemedieerd publiek en de networked publics kan dit wel. We moeten niet op dezelfde plaats en op het zelfde moment zijn waar de gebeurtenis zich voordoet. We kunnen als onzichtbaar publiek deze gebeurtenissen bekijken op een andere plaats en een ander tijdstip. Opzoekbaar (‘searchability’): in de networked publics is (bijna) alles en iedereen opzoekbaar. Hoewel het in een niet-gemedieerde omgeving vaak moeilijk is om een persoon te vinden, is een digitaal profiel van iemand opzoeken een fluitje van een cent.104 4.2 “Uses and gratifications” SNS zijn rijk aan verschillende bronnen en content. Zo bieden ze niet alleen tekst, maar ook foto’s, video’s, polls, games... Maar waarom zijn deze sociale netwerksites zo populair? Ook hier hebben zich ondertussen verschillende wetenschappers over gebogen. Een theorie die hier zeker een goed inzicht in biedt, is de ‘uses and gratifications theory’. De theorie werd oorspronkelijk gebruikt in de jaren 40’. Onderzoekers werden nieuwsgierig naar de behoeftes die het publiek heeft en hoe ze deze vervullen door verschillende soorten van media te raadplegen.105 Hoewel dit oorspronkelijk vooral werd gebruikt om kranten en radio te bestuderen, wordt het vandaag veelal gebruikt om nieuwe media, zoals sociale netwerksites te bestuderen. Eén van de eerste studies rond sociale netwerken en de ‘uses and gratifications’ theorie was die van Bumgarner in 2007. Hierin ging hij na welke motivaties studenten hadden om Facebook te gebruiken.106 In 2008 gingen ook Raacke en Bonds-Raacke op zoek naar de ‘uses and gratifications’ van universiteitsstudenten op sociale netwerken en meer specifiek op Facebook en MySpace.107 Een jaar later doen ook Park, Kee en Valenzuela een onderzoek naar de ‘uses and gratifications’ van Facebook.108 In al deze onderzoeken wordt nagegaan waarom men gebruik maakt van SNS. Zo kon Bumgarner besluiten dat Facebook bij universiteitsstudenten voornamelijk gebruikt werd als een sociale activiteit. Facebook wordt gebruikt om met vrienden te praten, en volgens zijn onderzoek voornamelijk om met vrienden te ‘roddelen’. Facebook is in de eerste plaats een vergemakkelijkt roddelapparaat, zo stelt hij. Daarnaast geeft hij aan dat Facebook ook een goed ‘adresboekje’ kan zijn. Zo beweerden veel respondenten in zijn onderzoek Facebook te gebruiken om met mensen in contact te komen. Hij stelt zeer duidelijk dat dit resultaten zijn die enkel toegepast kunnen worden op Facebook. Hij vergelijkt                                                                                                             104 105 IBIDEM. RUGGIERO T.E. (2000). Uses and Gratifications Theory in the 21st Century. Mass Communication and Society, Volume 3, Number 1, p. 3. 106 BUMGARNER B.A. (2007). You Have Been Poked: Exploring the Uses and Gratifications of Facebook Among Emerging Adults. First Monday (Peer Viewed Journal on the Internet), Volume 12, Number 11. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. 107 RAACKE J., BONDS-RAACKE J. (2008). MySpace and Facebook: Applying the Uses and Gratifications Theory to Exploring FriendNetworking Sites. Cyberpsychology and Behaviour, Volume 11, Number 2, p. 169 – 174. 108 PARK N., KEE K.F., VALENZUELA S. (2009). Being Immersed in Social Networking Environment. Facebook Groups, Uses and Gratifications, and Social Outcomes. Cyberpsychology and Behaviour, Volume 12, Number 6, p. 729 – 733. 25
  36. 36. Facebook met MySpace en concludeert dat MySpace een hele andere soort van ‘uses and gratifications’ heeft omdat we hier vaak niet meteen met bekenden spreken. SNS, zoals MySpace kunnen daarom wel dienen voor het maken van nieuwe vriendschappen en relaties. Eén van de uses and gratifications waar Facebook duidelijk minder voor geschikt is.109 Ook Raacke en Bonds-Raacke onderzoeken Facebook en MySpace. Zij maken echter weinig onderscheid tussen beide sociale netwerken. Zij gaan er vanuit dat alle SNS toch wel dezelfde motivaties met zich meebrengen. Zo zegt 96% van hun respondenten dat ze het gebruiken om in contact te komen met oude vrienden en 91,1% zegt dat ze het gebruiken om met huidige vrienden te chatten. In het onderzoek van Ellison, Steinfield en Lampe geven ze aan dat SNS kunnen opgedeeld worden. Zo heeft ieder sociaal netwerk wel een bepaalde context. LinkedIn gebruikt men voornamelijk in een werkomgeving. Bij Frienster.com was het dan meer de bedoeling om ‘romantische relaties’ aan te knopen. MySpace, op zijn manier, is een SNS geworden waar mensen met gelijke muzikale interesses elkaar vinden. Ook Facebook had in het begin een duidelijke context. Het was een SNS speciaal voor universiteitsstudenten.110 In dit onderzoek zal onder andere worden nagegaan welke motivaties zowel jongvolwassenen als ouders hebben om zich bij sociale netwerken zoals Facebook aan te sluiten. Verder wordt onderzocht welke de motivaties zijn van beide partijen om ook ‘bevriend’ te worden op zo’n sociaal netwerk. Sociale netwerksites zijn dan ook gemaakt opdat individuen zichzelf zouden kunnen representeren en om hun sociale netwerken uit te breiden en te verbeteren. Daarnaast zijn ze er om nieuwe connecties op te richten of om bestaande te onderhouden.111 5. Facebook Hét populairste sociale medium online blijft ook in 2013 Facebook. Nadat ze in het vorig jaar de grens van 1 miljard leden hebben overschreden, blijft de site groeien met 18% in 2012. Daarnaast is Facebook verantwoordelijk voor 51% van de gedeelde media online. Meer dan de helft dus! Ook Twitter doet het zeker niet slecht op de sociale media markt en kent ook een groei van 55%. Ook dit sociale medium is goed voor 15% van de gedeelde media. En zelfs Google (Google +) steeg dit jaar lichtjes, namelijk met 12%. Helaas is deze groei zo goed als onzichtbaar ten opzichte van het succes van Pintrest (site waar men zelf moodboards kan maken met allerlei dingen van het internet) en Reddit (sociale nieuwssite) die respectievelijk 400% en 110% groeiden het afgelopen jaar. Toch gaat het niet                                                                                                             109 BUMGARNER B.A. (2007). Op Cit. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. IBIDEM. 111 ELLISON N.B., STEINFIELD C., LAMPE C. (2007). The Benefits of Facebook “Friends”: Social Capital and Colllege Students’ Use of Online Social Network Sites. Journal of Computer-Mediated Communication 12, p. 1143. 110 26
  37. 37. van een leien dakje voor alle sociale media. Zo is MySpace afgelopen jaar heel wat van zijn pluimen verloren (65%) en ook Delicious is 57% van zijn aandeel verloren.112 Figuur 4: Resultaat uit de online accountant113 5.1 Het begin van Facebook De beginjaren van Facebook kunnen het best worden weergegeven aan de hand van het onderzoek van Acquisiti en Gross, waar ‘The Facebook’ in 2006 werd bestudeerd. De site, die nu wereldwijd verspreid is, en ondertussen gewoon ‘Facebook’ heet, stond toen nog in haar kinderschoenen. Toch had ‘The Facebook’ volgens de auteurs toen al een voorsprong op andere SNS, en welbepaald om drie specifieke redenen: (1) succes bij het universiteitspubliek, (2) het aantal en de kwaliteit van de persoonlijke informatie die de gebruikers beschikbaar maken en (3) het feit dat de informatie wordt gelinkt aan een echte, persoonlijke identiteit. Ook geven deze auteurs aan dat de site een enorme, zelfs verwonderlijke penetratie kende. Ook al was de site toen nog enkel beschikbaar voor studenten, het aantal leden steeg al snel naar een abnormale hoogte. Anders dan op andere sociale netwerken, is dat men in die tijd enkel een Facebookaccount kon aanmaken met een geldig e-mail adres van een bepaalde universiteit. Op die manier werd de student toegelaten op het sociale netwerk van zijn eigen universiteit. Ook dit aspect gaf vele universiteitsstudenten een soort van vertrouwen, aldus de auteurs. Men had op die manier de perceptie dat de site een gesloten, betrouwbare en vertrouwelijke gemeenschap was van de universiteit.114 Het eerste Facebookprofiel (2004) moet er als in foto 1 uitgezien hebben en even later zoals in foto 2 (2006).                                                                                                             112 DE ONLINE ACCOUNTANT. Social media trends in 2012. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. IBIDEM. 114 ACSUISTI A., GROSS R. (2006). Imagined Communities: Awareness, Information, Sharing and Privacy on the Facebook. PET. p. 3. 113 27
  38. 38. Foto 1115 Foto 2116 In 2004 werd ‘The Facebook’ gelanceerd op de universiteit van Havard. In een snelle vaart werd het Facebookvirus ook doorgegeven aan verschillende andere Amerikaanse universiteiten: Stanford, Columbia, Yale… In 2005 ging het verhaal zelfs de zee over naar verschillende Britse universiteiten. Facebook kende een enorme groei. In 2008 was de site wereldwijd verspreid en was de helft van de gebruikers zelfs al geen student meer.117 Hieronder een voorbeeld van de site in 2008, toen de evolutie al duidelijk zichtbaar was. (Foto 3) Foto 3118 Op Facebook kunnen individuele personen zich representeren met een eigen online profiel.119 Deze persoonlijke profielen kunnen verschillende soorten informatie bevatten: foto’s, video’s, audio bestanden en blogs.120 Zo’n profiel bevat meestal een profielfoto en een vriendenlijst. Wanneer een gebruiker een vriendschapsverzoek verstuurt, moet deze eerst door de andere partij worden                                                                                                             115 I LIKE MEDIA. URL en datum van raadpleging zie bibliografie. IBIDEM. 117 WEST A., LEWIS J., CURRIE P. (2009) Op Cit. p. 618. 118 I LIKE MEDIA. URL en datum van raadpleging zie bilbiografie. 119 ELLISON N.B., STEINFIELD C., LAMPE C. (2007) Op Cit. p. 1143. 120 KAPLAN A., HAENLEIN M. (2009) Op Cit. p. 63. 116 28

×