Brugge Gidsenbond ; -Dominicaanse kloosterbeweging xx 2010-eindwerk

  • 1,740 views
Uploaded on

 

More in: Education
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
No Downloads

Views

Total Views
1,740
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
8
Comments
0
Likes
2

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. DOMINICAANSE KLOOSTERBEWEGINGEN EN HUN PATRIMONIUM IN BRUGGE November 2010 Eindwerk opleiding Stadsgids Brugge.Kimpe Wilfried
  • 2. INHOUDSTAFEL1. Woord vooraf.2. H. Dominicus en de Domicanenorde.3. Bedelorden en hun vestiging in Brugge. 3.1 Situering binnen stadsontwikkeling en kerk.4. De Predikheren nabij de Oude Molenbrug. 4.1 Stichting en oprichting Dominicanenkerk en klooster binnen Brugge 1234. 4.2 Hervormingen. Geuzentijd tot opheffing. 4.3 Het patrimonium na de Franse Revolutie. 4.4 Huidige site; nabije toekomst, Rijksarchief Brugge. 4.5 Illustraties en simulatie.5. Zusters Dominicanessen. 5.1 De stichting en verblijf in Assebroek 1284. 5.2 Onveiligheid in landelijke Engelendale in de 16de eeuw. Refuge binnen de stadsmuren. Een nieuw begin. 5.3 Klofhamersstraat wordt Jakobijnessenstraat. 5.4 Heroprichting in 1861 en stichting in Vlamingdam. Gebouwen en patrimonium. Illustraties.6. Bibliografie. 2
  • 3. 1/ WOORD VOORAF. Aanzet tot deze beknopte studie ivm. de Dominicaanse kloosterbeweging in Brugge was enerzijds het feit dat ik enkele jaren terug opzoekingswerk heb gedaan naar stichting en aanwezigheid van het Domicanessenklooster Engelendale in Assebroek en Brugge. Een tweede aanleiding betreft de boeiende bouwgeschiedenis én de hedendaagse ontwikkelingen die uiteindelijk resulteren in een nieuwe, duurzame en eigentijdse bestemming van de besproken sites. Immers zowel de gebouwen van het zusterklooster in de Vlamingdam, -waarvan het klooster enkele jaren terug volledig werd herbouwd- als de resten van de site Dominicanen maken deel uit van het unieke Brugse stadsweefsel waarvan invulling en herbestemming onze kritische aandacht verdient. De gekende ex- rijkswachtkazerne met belangrijke restanten van het gewezen Dominicanen- of Predikherenklooster aan de Molenbrug en Coupure worden in de eerstkomende maanden grondig gerestaureerd en geïntegreerd. Voor de omgeving Langestraat en de Coupurewijk zal deze ingreep een betekenisvolle herwaardering van de buurt met zich brengen. Het is goed vooraleer nieuwe omvangrijke architecturale of landschappelijke ingrepen binnen een stadsdeel worden doorgevoerd nog even de vele sporen van menselijke activiteiten via archeologie, archiefonderzoek en verhalen te inventariseren. Kennis en inzicht kunnen enkel maar de lezer of toehoorder bewuster maken van ons rijk erfgoed. Wij dienen het te koesteren om voor ons -als Bruggelingen-, voor onze duizenden gasten die wij jaarlijks mogen ontvangen maar vooral ook om voor onze kinderen en komende generaties een nog betere leefkwaliteit in een stad op mensenmaat te helpen creëren. Een boeiende onderneming! Op deze plaats wil ik ook mijn dank uitspreken voor de mensen die mij op één of andere manier hebben bijgestaan in de loop van mijn opleiding. De docenten van de voorbije jaren, de medestudenten waarmee we samen, soms in weer en wind, op pad zijn gegaan, de mensen die literatuur aanreikten en niet te vergeten het thuisfront voor het geduld en de vele lange studieavonden. Dank dus aan : Marleen Puype, Marc Demeyer, de zusters van Engelendale, Dirk Pollet, Jozef Vleugels en alle goede mensen rondom mij. 3
  • 4. 2/ H. DOMINICUS EN DE DOMINICANENORDE. Dominicus van Guzman werd omstreeks 1171 geboren uit een adellijke familie in Caleruega, een kleine stad -niet ver van Osma- in het Spaanse Castilië. In een visioen bij zijn geboorte begreep zijn moeder dat zij het leven gaf aan een hond die de wereld in vuur en vlam zette met een toorts in zijn muil. Dit werd gezien als een voorteken van de missiearbeid die Dominicus later zou doen. De hond werd het typische symbool van de orde, mede door de populaire woordspeling dominicani =Domini canes (honden van de Heer). Als veertienjarige ging hij aan de kapittelschool van Palencia studeren. Omstreeks 1195 trad hij toe tot de reguliere gemeenschap van kanunniken verbonden aan de kathedraal van Osma, eveneens in Castilië, en werd er in 1198 tot priester gewijd. In 1201 was hij onderprior van de gemeenschap en in 1203 werd hij medewerker van bisschop Diego van Osma, belast met een diplomatieke opdracht voor koning Ferdinand van Castilië in Denemarken. Deze reis maakte op Dominicus een diepe indruk en betekende een keerpunt in zijn leven. Hij kwam er in aanraking met de Cumanen in het oosten van Duitsland, maar ook -op doortocht in Zuid-Frankrijk- voor het eerst in contact met de Katharen of Albigenzen. Een volgende reis in 1205 versterkte zijn overtuiging voor de missiepraktijk. Zijn terugreis uit het Noorden in 1206 bracht hem opnieuw in de Languedoc, waar het mislukken van de cisterciënzermissie tegen het katharisme nu duidelijk was geworden. Diego besloot daarop met Dominicus een andere strategie uit te proberen, gestoeld op twee principes: de predikers zouden de kathaarse volmaakten imiteren door in absolute eenvoud en armoede te leven en daarnaast zouden zij het debat aangaan, gebruik makend van alle intellectuele technieken die, o.a. in het universitair onderwijs, waren ontwikkeld. De kerk stond er in dat deel van Zuid-Frankrijk niet goed voor. 4
  • 5. In de 12e eeuw hadden de mensen steeds vaker het beeld voorogen van de arme en rondreizende apostelen in het Evangelie. Hetis niet te verwonderen dat veel geestelijken niet aan dat ideaalkonden voldoen. Daardoor ging de deur open voor predikers, metmin of meer Manicheïstische ideeën. Het Manicheïsme is eenstroming in de 3de eeuw in Perzië ontstaan door het optreden vaneen zekere Mani. Hij leerde dat er een god van het goede en eenvan het kwade is. Die dualistische leer liet zich opmerken door haarstrenge leefwijze van zijn verkondigers. In tegenstelling tot dekatholieke geestelijken genoten zij aanzien als goede mensen(bons hommes). Hun vijanden noemden hen die van Albi ofAlbigenzenTegen het einde van de12de eeuw hadden zij ineen groot deel van hetland rond Toulouse enCarcasonne een hechteorganisatie opgebouwd, alseen alternatieve kerk meteen eigen hiërarchie. Zijbeloofden de volgelingendat zij uiteindelijk geredzouden worden als zij voorhun dood hetconsolamentumontvingen. Dit kanbeschouwd worden als eentegenhanger van hetdoopsel en verplichtte hendie het hadden ontvangentot een strenge levensstijl.Dit uitte zich zowel in hetpredikend rondtrekken als inhun manier van wonen; inhet bijzonder vrouwenverenigden zich soms in eensoort kloostergemeen-schappen. Als basis voorhun activiteiten stichttenDiego en Dominicus eenvrouwenklooster in Prouille, Afbeelding: Het vuurwonder ,Museo deldat later een grote rol zou Prado,Madrid.spelen in de dominicanes-senorde.Een jaar lang trokken zij van stad tot stad, de open discussieuitlokkend met leiders van de Katharen. Toen Diego in 1207 stierf,kwam de leiding van deze nieuwe prediking in handen vanDominicus. 5
  • 6. In de volgende jaren werkte hij enigszins in de schaduw van de militaire kruistocht tegen de Katharen, waartoe paus Innocentius had opgeroepen. Er zijn geen aanwijzingen dat hij daadwerkelijk betrokken was bij de gewelddadige repressie van het katharisme. Zijn aandacht ging vooral naar de uitbouw van een blijvende structuur voor zijn activiteiten. Door zijn ascetische levens-wandel en de kracht van zijn woord kon hij een aantal volgelingen rond zich verzamelen, die hij in april 1215 in een gemeenschap verenigde. De voornaamste regel, -van Sint Augustinus- die hij steeds verder zal volgen kan geduid worden als een middenweg tussen ascese en engagement. De groep rond Dominicus kreeg vrijwel onmiddellijk na het concilie, in 1216, de goedkeuring van paus Honorius III. Ze vormden de orde van de predikbroeders, fratres praedicatores, in de Nederlandse volkstaal verbasterd tot predicaers (vandaar ook predikheren), maar vanaf de late middeleeuwen ook de Dominicanen genoemd. De volgelingen van Franciscus werden verenigd in de orde van de minderbroeders (later Franciscanen genoemd) en zouden in 1233 hun definitieve regel ontvangen. Samen vormden ze de eerste bedelorden (in het latijn: ordines mendicantes, vandaar ook mendicanten), zo genoemd omdat zij in principe geen bezittingen aanvaardden, maar al bedelend in hun bestaan moesten voorzien. Dus niet enkel de verplichting tot individuele armoede van elk lid maar ook de algemene regel voor de hele gemeenschap, zelfs de hele orde diende eigenlijk afhankelijk te zijn van aalmoezen. Dit kon uiteraard enkel omdat deze orden met hun prediking grote bevolkingsgroepen konden bereiken en niet in contemplatieve eenzaamheid wensten te leven. Dominicus sterft op 6 augustus 1221 te Bologna. Reeds in 1234 werd Dominicus door Gregorius IX heilig verklaard.3/ BEDELORDEN EN HUN VESTIGING IN BRUGGE. Bedelorden hadden een grotere mobiliteit dan de oudere orden en waren in veel mindere mate gebonden aan een bepaalde kloosterinstelling. Men trad niet in het klooster maar wel in de orde, en die bepaalde de verblijfplaats, per definitie van tijdelijke aard. Zodoende waren de broeders snel overal inzetbaar, wat hen tot uitstekende medewerkers van het pausdom maakte. Het wekt dan ook weinig verbazing dat het voorbeeld van de Dominicanen en Franciscanen in latere decennia navolging kende: omstreeks midden van de 13de eeuw werden twee groeperingen van kluizenaars omgevormd tot bedelorden (de heremieten van Sint- Augustinus of augustijner heremieten en de broeders van de berg 6
  • 7. Karmel of Karmelieten) en nog een aantal anderen zouden in hun spoor treden. De 13de eeuw is ongetwijfeld de periode geweest waarin de orde zijn grootste uitstraling heeft gekend. In 1277 telde de orde 393 kloosters, in het begin van de 14de eeuw 554. Men mag veronderstellen dat toen zon 25.000 broeders als Dominicanen actief waren. Op zowat alle terreinen van de toenmalige menselijke kennis speelden ze een voorname rol. Heel wat wetenschappelijke publicaties verschenen van hun hand vanaf halfweg 13de eeuw. Maar het is toch vooral in de universitaire wereld, in het bijzonder als docenten theologie en wijsbegeerte, en als theoretici van de prediking en de biecht, dat de orde haar meest originele bijdragen heeft geleverd.3/1 SITUERING BINNEN STADSONTWIKKELING EN KERK. Zoals in Gent en andere steden kwamen ook in Brugge in de loop van de 13de eeuw de genoemde bedelorden zich vestigen. De Dominicanen kwamen er kort na 1228 op initiatief en met de steun van gravin Johanna van Constantinopel, die daarmee en wens van haar in 1233 overleden echtgenoot, graaf Ferrand, vervulde. In januari 1234 kwamen zij zich vestigen op gronden van clericus Arnulf Voet nabij de Oude Molenbrug en de Oude Molenpoort op het einde van de Hoogstraat. Deze poort was deel van de eerste omwalling van 1127 . De eerste verdedigingslinie rond de stad (ruim 75 hectare) maakte zoveel mogelijk gebruik van bestaande waterlopen en had zes of zeven poorten. Binnen de wallen waren er toen al duidelijk geen voldoende ruime terreinen meer voorhanden om er een klooster te bouwen. Omstreeks 1230 hadden ook de Minderbroeders in Brugge reeds een huis betrokken, aanvankelijk ten noorden van het oude Brugse stadsgebied, waar later de parochie St. Gillis zou ontstaan. In 1246 echter verlieten zij reeds deze plaats om zich te vestigen dichterbij de oude omwalling aan de Braamberg. Deze nieuwe plaats, het huidige Astridpark, ontvingen zij in omwisseling voor de vier gemeten op het Praatse hun door wijlen Henricus Ram geschonken om er een klooster te bouwen. In 1264-1265 kwamen de Karmelieten in de buurt van de Rolweg, gelegen in de heerlijkheid van het Voormezeelse. In juli 1265 stelde een scheidsrechterlijke commissie een overeenkomst op tussen het Sint-Donaaskapittel en de parochie van Sint-Kruis enerzijds, het karmelietenklooster anderzijds, in verband met de vestiging van het klooster, met kerk en kerkhof. De ligging, net buiten de Reimund Blanckardsbrug, thans Carmersbrug was dus ook net buiten de toenmalige stad, in een zich ontwikkelende nieuwe buitenwijk. Hoewel er vermoedelijk reeds Augustijnen te Brugge verbleven voor 1276, werd hun klooster pas in 1286 gesticht. Stichter was Jan II, heer 7
  • 8. van Gistel, die een deel van zijn gronden ten noorden van detoenmalige stad, alsook een kapel, toegewijd aan de heiligeNikolaas, in 1276 aan de paters schonk. Tien jaar later werd eenovereenkomst gesloten met het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk betreffende de omvorming van de Sint-Niklaaskapel totkloosterkerk.Dit akkoord was noodzakelijk omdat dit stadsdeel tot hetparochiegebied van Onze-LIeve-Vrouw behoorde en er dusafspraken dienden gemaakt over parochiale rechten. In 1294krijgen de Augustijnen de toestemming van de stad Brugge omtegenover de ingang van hun kerk een brug over de stadsgracht,de huidige Augustijnenrei, te bouwen. Vandaag ligt nog steeds deoude Augustijnenbrug.Tenslotte kunnen enkele kleinere stichtingen omstreeks 3de kwartvan e 13de eeuw nog tot de bedelorden worden gerekend. Zowaren er de Eksterbroeders (ekster-kleurigen) met hun zwartwit 8
  • 9. gekleurde habijt in de Sint-Gillisparochie voor 1274 en in de Onze- Lieve-Vrouweparochie (o.a. testam. 1271) de Zakbroeders, na 1300 werd in de archieven amper nog een spoor teruggevonden. Op het einde van de 13e eeuw kreeg het Brugse stadsgebied zijn grote uitbreiding door het aankopen van de heerlijkheden van het Maandagse en het Voormezeelse . Ook delen van de heerlijkheid van Sijsele (in 1275) en Praat, waar de parochie Sint-Gillis in lag (1286), kwamen binnen het stadsdomein te liggen. De stichtingen van de vier bedelorden, alsook de doorgaans armere bevolking van de toenmalige rand konden zich van dan af inwoners van Brugge noemen. De nieuwe stadsomwalling, met 9 poorten en dubbele grachten, die enkele jaren later (1297-1300) werd aangelegd, bestendigde deze ingrijpende expansie en liet ons de stadskern intra muros na die wij heden nog kennen. Het is opvallend dat deze kloosters zich buiten de eerste stadsomwalling bevonden. Naast het gebrek aan bouwgronden houdt het ongetwijfeld ook verband met het apostolaat van de bedelorden, dat in de eerste instantie gericht was op de bevolking van de nieuwe stadswijken, waar de seculiere geestelijkheid in haar taak tekortschoot. Nochtans werden in de 13de eeuw wel degelijk nieuwe parochies te Brugge opgericht als antwoord op de sterke bevolkingsaangroei, maar de kerken ervan stonden- op de Sint- Giiliskerk na- niet in de arbeiderswijken buiten de eerste omwalling. Oorspronkelijk mag de parochiale geestelijkheid wellicht opgezet geweest zijn met de komst van o.a. die specialisten predikers, die hen alvast van een moeilijke taak -de zondagspreek- ontlastte, al gauw merkte zij dat daarmee ook een deel van haar inkomsten naar de nieuwe kloosters verdween, en zij haar greep op het gelovige volk dreigde te verliezen.4/ DE PREDIKHEREN NABIJ DE OUDE MOLENBRUG. Zoals reeds eerder gesteld lag het initiatief tot stichting ongetwijfeld bij de grafelijke familie. Op 12 januari 1234 verklaarde gravin Johanna van Constantinopel dat zij in overleg met de uitvoerders van het testament van haar overleden echtgenoot Ferrand een som van 300 lb. uit zijn nalatenschap zou besteden aan de oprichting van een dominicanenklooster te Brugge en dat zij uit haar eigen vermogen de bijgebouwen zou financieren. Men keek dus uit naar een geschikte vestigingsplaats die men uiteindelijk vond op een terrein die de zuidoostelijke grens vormde van het Brugse stadsgebied, in de heerlijkheid van Sijsele. 9
  • 10. 4.1 STICHTING EN OPRICHTING DOMINICANENKERK EN KLOOSTER. Het erfelijk eigendom van de Brugse clericus Arnulf Voet, 3 gemet groot- waarop ook reeds een woning stond die hij in leen hield van de edelman Boudewijn I, heer van Assebroek werd door de gravin aangekocht en overgedragen aan de dominicanenorde. Er werd reeds in april 1234 een overeenkomst bereikt met het Sint- Donaaskapittel omtrent voorwaarden en schadevergoeding voor verlies aan parochiale rechten. Te verdelen onder het kapittel en de parochiale overheid van de Sint-Kruiskerk. Het kloosterdomein besloeg een belangrijk deel van het (latere) bouwblok in deze buurt Langestraat, Predikherenstraat, Ganzestraat. Dominicanenkerk en klooster, omgeving Molenbrug. Detail uit stadsplan van Marcus Gerards 1562. Enige betrouwbare afbeelding vóór de godsdiensttroebelen van de 16de eeuw. Dankzij meerdere giften van o.a. gravin Johanna verzamelden zij voldoende middelen om klooster en kerk verder uit te bouwen. Na haar overlijden tien jaar later, werd de nieuwe gravin Margareta, -Johannas zuster- als het ware de tweede stichteres. Zij droeg tot aan haar dood in 1279 op alle mogelijke wijze bij tot het vergroten en verbeteren van eigendom en gebouwen. De eerste kapel of het nederig kerkje werd omschreven als “ecclesesiam satis humilem”. Vanaf 1242 volgt dan een kapittelzaal, een refectorium en dormitorium. Vanaf 1280 of 1284 is men met de bouw van de nieuwe, grote kerk begonnen. Een eerste deel van de driebeukige kerk werd ingewijd door Olaf, -bisschop van Roskild in Denemarken- in juli 1311. 10
  • 11. De Dominicanen hadden reeds in de 13de eeuw een nauwe bandmet de begijnen en de bogarden in de stad, uiteraard ook met dedominicanessen die zij vanaf 1286 onder hun bescherming namen.Ze stonden eveneens aan de wieg van de kloostercongregatie vande zusters van de Potterie in 1276, waaruit trouwens enkele jarenlater het vrouwenklooster van de Dominicanessen Engelendale teAssebroek zou ontstaan.Aanvankelijk ondervonden de Dominicanen veel tegenstand vande parochiale geestelijkheid. Zo mochten de kerken geen klokkenof kerkhoven hebben en was niet toegestaan buiten de kloosters teprediken tenzij in open lucht of met toestemming van de pastoors.Ook voor het horen van de biecht hadden zij de toestemming vande bisschop nodig.Geleidelijk aan werden intussen nieuwe percelen rond hun kloosterverworven. De kerk, die werd opgedragen aan de apostel Sint-Paulus, was voltooid omstreeks 1320. Reeds in 1306 hadden erbegrafenissen plaats. Omstreeks 1330 bouwde men de nieuwekappitelzaal, in dezelfde periode werd de aanpalende groteslaapzaal opgetrokken, nog een tweede en derde dormitoriumvolgden. In het kerkgebouw werden in de loop van de jarenmeerdere altaren en zelfs kapellen opgetrokken. Zo hadden dePortugese handelaars er sinds 1410 hun kapel, de Algarvische en deCastiliaanse natie volgden kort daarop. Ook zij hadden het rechtom hun afgestorven leden daar te begraven.In 1445 koos het ambacht van de stroodeckers eveneens eenplaats voor de bouw van haar kapel, waarbij ook zij hetlessenaarsdak optrokken met een hoog kruisribgewelf. In de loopvan de 15de eeuw volgden nog de gilden van de zwarteleertouwers, de leerlooiers en ook de rederijkerskamers “Gheselscepdi St-Esprit” hadden er geruime tijd hun kapel. In 1454 werden beidezijbeuken volledig verhoogd, dus op de lijn van de eerderverhoogde kapellen.In de nacht van 1 op 2 september 1459 werd het klooster door eenhevige brand geteisterd. De slaapzaal in de zuidervleugel en debibliotheek gingen totaal in de vlammen op, zodat zelfs weinig vande muren overbleef. Heel wat gebruiksvoorwerpen en kostbareboeken gingen verloren. Onder leiding van prior Johannes Stock enmet de steun van hertog Filips de Goede werden in gans hetgraafschap Vlaanderen omhalingen gedaan en konden degebouwen stilaan hersteld of opnieuw opgetrokken worden.Het is hier ook gepast te wijzen op het initiatief van dominicaan Mgr.De Witte -bisschop van Cuba- die in 1539 beslist zijn fortuin tegebruiken om in Brugge een universiteit op te richten. Dezogenaamde “Fundatie Cuba” werd uiteindelijk in 1541 ingehuldigdonder de sympathie van de stad Brugge. De eerste cursussenwerden gegeven in de letteren door de vermaarde en omstreden 11
  • 12. godgeleerde Joris Cassander, in 1545 volgde een leerstoel theologie. Na een onderbreking door de godsdienstberoerten werden de lessen pas hernomen in 1587. Enkele jaren later werd de fundatie Cuba geïntegreerd in het in 1571 opgerichte Brugse seminarie. Tot in 1722 doceerden de predikheren er theologie.4,2 GEUZENTIJD TOT OPHEFFING . Een nieuwe ramp bedreigde de kloosterlingen. In 1578 brak voor de dominicanen, zoals in veel andere godsdienstige instellingen, een tijd van vernieling en ellende aan. “Een grote bende dewapende geusen” uit Gent kwam onder leiding van “Capiteyn van Reyhove” te Brugge aan. Daar hij “heymelijk verstandt” had met de “hooftman van S. Jans Sestendeel die de wagt hebbende aan de cruyspoorte, den vryen ingang gaf aan Reyhove met de syne”, kwamen de geuzen “op t onverwagste” de stad binnen. Op 1 oktober besloten de schepenen van de stad de dominicanen te verdrijven. Voor de twaalfde van dezelfde maand moesten zij “huerlyeder cloestere laeten staen alzoe eet stondt; en mochten nyet hudt draeghe...”. Kort daarop plunderden de geuzen het klooster . De kerk, waarvan het gehele interieur vernield was, gebruikten de protestanten voor de eigen erediensten. De klooster- gebouwen werden gedeeltelijk verhuurd als woningen. Het trekken van twee straten doorheen het domein betekende de afbraak van heel wat gebouwen . J. Beerblock, tekening van het dominicanenklooster, Brugge 1796. 12
  • 13. De grote zuidelijke slaapzaal beschadigd, de oostelijk gelegen eet- en slaapzaal en de kapittelzaal vernield. Ook de tweede werd gesloopt. Het tij keerde in Brugge met de komst van Farnese die de Spaanse overheersing herstelde en de calvinisten verdreef naar het noorden. Een triomferende kerk richtte opnieuw kloosters en kerken op als nooit tevoren. Vanaf 1584 startten de dominicanen moeizaam met de restauratie van het klooster. De kerk werd heringericht en heel wat Brugse families en geestelijken hadden er opnieuw hun mausuleum, graftomben en grafplaten. Samen met de nieuwe kapellen die werden gebouwd zijn ze van het grootste belang geweest voor de luister en het decorum van het kerkinterieur. In 1600 werd de kloosteromgang herbouwd en het zuidelijke dormitorium hersteld. In 1630 volgde de oostelijke slaapzaal. In 1637 werd een nieuwe bibliotheek opgericht, waarnaast in 1641 de brouwerij kwam te staan. Een aanzienlijke ingreep betekende in 1751 het graven van de Coupure die dwars door het domein van het klooster liep, enkele huizen en bijgebouwen (o.a. ziekenhuis met kapel, het vreemdelingenkwartier) werden onteigend, zonder evenwel de kerk of de voornaamste gebouwen te raken. In de gedetailleerde ingekleurde tekening van Jan Beerblock is o.a. duidelijk te zien hoe de kloostergangen twee verdiepingen telden en het dak verder doorloopt in de achterste bouwblok. Ook hier valt ons op -zoals bij M. Gerards - dat de kloosterbouwtraditie werd gerespecteerd. De eenvoud van de kerk wordt onderstreept door sobere baksteenbouw die nauw aansluit bij de gebruikelijke huizenbouw, dakruiter (ipv. toren) en lichte steunberen, geen pinakels noch nissen met sculptuur zijn er te zien. Op de voorgrond liggen de boten in de Coupure die werd aangelegd om de schepen via de stad naar de Gentse Vaart te leiden. Ze vind aansluiting bij de lange rei en de Sint-Annarei die daartoe verdiept werden.4.3 HET PATRIMONIUM NA DE FRANSE REVOLUTIE. De hervormingen onder Maria-Theresia en Jozef II brachten nieuwe taksen met zich en in 1771 verbiedt een decreet het aanvaarden van een uitzet bij het intreden van een nieuw kloosterlid, ook het verbod om giften aan te nemen komt hard aan. Uit een telling in die periode van het aantal religieusen blijkt dat de gemeenschap toch nog steeds uit “twee en dertigh priesters, twee absent tot Rysel om frans te leren; item drie clercken en twaelf leecke broeders...” bestond. Een eeuw vroeger waren er gemiddeld een 70-tal geestelijken. 13
  • 14. Enkele jaren later betekende de Franse Revolutie de definitievedoodsteek van de dominicanen in Brugge. In 1796 werden dekloosters van de vier bedelorden alsook de abdijen Ter Duinen, teEekhoute en Hemelsdale en vele andere kloosters opgeheven. Ookde dominicanessen in Assebroek en de meeste “susterkens sijn aluuijt huerlieder convente geiaeght, ende huerlieder schoone kerckeal ghebroken ende ghedestrueert....”. De gebouwen werdenonteigend en verkocht.Een deel van het dominicanenklooster, bestaande uit debinnenkoer met een gedeelte van de westelijke vleugel alsook dezuidelijke vleugel van het klooster, werd toegewezen aan detoenmalige gendarmerie. In 1799 werden de kerk en de overigegebouwen publiekelijk verkocht. De marmeren vloeren, hetbeeldhouwwerk en het rijke meubilair waren niet in de verkoopakteopgenomen. L. :Restanten westportaal kerk (mei 1987) R. :Eiken trappaal met emblemen.De kerk, die reeds als hooiopslaggebruikt werd, was verwaarloosd, en in het jaar 1801 stortte het dakin , waarna het -op een deel van het ingangsportaal en eenfragment van de zuidelijke muur na- geheel werd afgebroken. Ditzijn zowat de meest opvallende resten van de kerk. Ze werden in1995 geïntegreerd in een nieuw appartementsgebouw. Beidefragmenten waren reeds eerder als monument geklasseerd metK.B. Van 17 december 1982.Het deel toegankelijk via de Langestraat was reeds na de eerstewereldoorlog ingericht als het hotel Verriest. Het werd voornamelijk 14
  • 15. door Engelsen bezocht. Een aantal prentkaarten uit die tijd, van zowel interieur als van gebouwen en tuinen geven ons een goed beeld. Tijdens de oorlog 1940-45 werd het hotel door de Duitsers bezet en erg beschadigd. Vanaf 1946 tot in de jaren negentig waren de diensten van het Rode Kruis in een deel van het oude klooster gevestigd. Het gebouw is nog in grote mate authentiek, met onder meer de kapittelzaal van de paters, de prachtige grote trap in de hal waarvan de eiken trappaal waar het embleem van de dominicanenorde is ingewerkt. Ook groteskenfiguren (chronogram 1566) en consoles zijn mogelijk herbruikte architectuurelementen. De kapittelzaal of sacristie heeft een bijna vierkant grondplan en is overspannen door een kruisribgewelf waarvan de ribben vallen op figuratief uitgewerkte consoles. In het midden van de zaal wordt het gewelf gedragen door een ronde zuil met basement, in blauwe natuursteen.Dominicanenklooster: oostelijke vleugel, na WO. 2 tot 1992 in gebruik doorbrugse Rode Kruis. Kapittelzaal met kruisribgewelf, in midden gedragen doorronde zuil op vierkante basis, waarvan ribben steunen op figuratief uitgewerkteconsoles. De monumentale trap met eiken trappaal met de gekende dominicaanseemblemen (toestand 2010). De aanpalende gang telt drie traveeën met kruisribgewelven. Verrassend zijn de materiële dominicaanse sporen die her en der verspreid in brugse en andere kerken en kapellen nog te vinden zijn. Zo hebben wij weet van de predikstoel in de St. Bertinuskerk te Poperinge, het orgel (1715) in de parochiekerk van Stalhille, een zilveren monstrans met lunula (1711) in de kerk van Koekelare. Het beeld van O.L.Vrouw van de Rozenkrans en de offerblok in de St. Walburgakerk in Brugge die behoorden tot het Rozenkrans- broederschap. Het prachtig 15de eeuws houten O.L.Vrouwbeeldje 15
  • 16. dat bij de dominicanen in het koor stond is heden nog te zien in de kloosterkerk van de dominicanessen aan de Vlamingdam (zie p. 28). Als gevolg van de verkoop “.. van ornamenten en andere kerkgoederen voortkomende uit de afgeschafte kloosters...” zijn ook nogal wat schilderijen in Brugge terug te vinden. Volgens pater Piet De Pue zijn nog (in 1981) een dertigtal werken aan te wijzen die voortkomen uit het dominicaans patrimonium; In de O.L. Vrouwkerk reeds 7 werken waaronder J. Van Oost, J. Herregouts, J.E. Quellin en G. De Crayer, vervolgens telkens een tweetal schilderijen in de St. Walburgakerk, het S. Thomas van Aquino. bisschoppelijk paleis, het OCMW van Brugge, een monumentaal werk siert het Anoniem, Brugge-Bisdom hoofdaltaar in de Sint Jacobskerk “De Aanbidding van de Drie Koningen” door Jan van Boeckhorst (1605-1668) in de stijl van Rubens, maar ook in het brugse Begijnhof, de Maricolen, Godelieveabdij, Sint Gilliskerk, Engels klooster en uiteraard bij de Dominicanessen vinden wij schilderijen.4.4 HUIDIGE SITE, NABIJE TOEKOMST. RIJKSARCHIEF BRUGGE. Via sporadisch archeologisch onderzoek komen -na een intens verblijf van meer dan 500 jr. op het domein- uiteraard ook regelmatig zaken aan de oppervlakte. Recent nog (aug. 2010) werd door de archeologische dienst bij de voorbereiding van de geplande nieuwbouw op de boden van een bouwput een loden moerbuis blootgelegd. Vermoedelijk deel van de eind dertiende eeuwse waterleiding. (zie hierover Kontaktblad Gidsenbond sept - okt. 2010). Grondiger onderzoek werd in 1993 - 1994 beschreven door stadsarcheoloog H. Dewitte die toen de opgravingen leidde op de plaats waar eertijds de westbouw van de kerk stond. Aanleiding was de realisatie van een nieuw, -op eerder ongelukkige wijze- ingepast appartementsgebouw. 16
  • 17. Er werden toen een elftal geheel of gedeeltelijk bewaardebakstenen grafkelders aangetroffen, gedateerd tussen de 14de ende 17de eeuw. Op de oudste graven trof men restanten van deklassieke grafschilderingen. Ook funderingen in veldsteen enDoornikse kalksteen van het 1ste kerkgebouw zijn toenblootgelegd. Vastgesteld werd ook dat de gebouwen werdenopgetrokken in een moerassig gebied. Het pleistoceen zandbevindt zich op ca. 5m. onder het huidige maaiveld. Daarbovenheeft er zich 50 tot 80 cm. veen gevormd dat overgaat in eenkleilaag waarin zelfs nog sporen van rietbegroeïng merkbaarwaren. Aansluitend werden twee grafzerkfragmentenbovengehaald beschreven door Dhr. R. Van Belle (ts. BrugsOmmeland 1995, 3-4). Het betreft eind 13de eeuwse vloerzerkenmet lijngravering in Doornikse kalksteen.Intussen is er in het kader van het nieuwe bestemmingsplan voorde ganse site reeds een belangrijke weg afgelegd. Op 30 mei 2008was er de officiële opening van het Justitiehuis door o.a. deMinister van Justitie Van Duersen en de Minister van FinanciënReynders ook bevoegd voor de Regie der gebouwen. L.: Justitiehuis voorgevel aan Predikherenrei, R. : Heraangelegde kloostertuin (dec.Op 2 december 2009 was er dan 2010).de druk bijgewoonde informatie-vergadering in het Brugse Stadhuis,waar de plannen van architecten Salens werden voorgesteld. Wemaken een opvallend gebouw, dat toch rust uitstraalt , zegt Salensover het gebouw dat eind 2012 of begin 2013 de deuren opent.Het dak doet bijvoorbeeld denken aan een blad gekreukt papier.Ook de bakstenen zijn opmerkelijk. Maar toch past het harmonieusin de omgeving. 17
  • 18. Het Brugse Rijksarchief zal er drie keer meer plaats hebben! Gezien het acute plaatsgebrek in de Poortersloge is dit geen overbodige luxe. Veel archieven zitten nu bijvoorbeeld in Beveren-Waas. De nieuwe bewaarplaats zal 16 kilometer archief bevatten. Belangrijker voor de buurtbewoners is dat er onder het archief een parking voor 200 autos wordt aangelegd. Volgens betrokken schepen van Ruimtelijke Ordening is er voor de mensen van de Langestraat en omgeving opnieuw een duidelijke positieve ingreep in het stadslandschap. Op de info-bijeenkomst bleek dat de plannen vrijwel op unanieme goedkeuring kon rekenen bij de buurtbewoners.4.5 ILLUSTRATIE EN SIMULATIE Sinds december zij de afbraakwerken van start gegaan. Het weinig waardevolle volume van de vroegere 19de eeuwse rijkswachtkazerne, waar zowel de ondergrondse parkeerplaats als het nieuwe modern hoofdgebouw komt werd reeds genivelleerd. Als afsluiting van dit hoofdstuk volgen nog enkele beelden van een toekomst die ons hopelijk, -na realisatie- kan overtuigen dat hedendaagse stadsrenovatie toch wel hand in hand kan gaan met respectvolle restauratie en herwaardering van gebouwen en omgeving. 18
  • 19. 19
  • 20. 5/ ZUSTERS DOMINICANESSEN. Reeds eerder is hier gebleken dat Dominicus reeds omstreeks 1206 in Prouille een eerste klooster voor vrouwen stichtte (zie p. 5). Vrouwen konden in die dagen niet als predikers optreden. Het trekkende leven van de broeders was voor hen evenmin weggelegd. Ze bleven op dezelfde plaats, in hun (slot)kloosters. Het elan waarmee de vrouwengemeenschappen in Europa groeiden deed niet onder voor dat van de broederstak. Lang werden ze zusters van de tweede orde of monialen genoemd. Tussen 1262 en de Franse revolutie hebben alleen al in de lage landen 29 dominicaanse monialenkloosters bestaan. De vrouwen deden vaak een beroep op de broeders voor geestelijke leiding en het voorgaan in hun vieringen. Deze lieten het nogal eens afweten, omdat ze voorrang gaven aan ander, in hun ogen noodzakelijker, werk. Twee golven, tijdens de reformatie en tijdens de Franse revolutie zorgden voor de afschaffing van bijna alle monialenkloosters in de Nederlanden. In Vlaanderen zijn er heden nog amper een tweetal gemeenschappen. Daarnaast is er ook nog meer actieve beweging van leken en zusters die als de derde orde zijn gekend. Uit de wereldlijke derde orde ontstond een kloosterlijke derde orde, waarvan de bekende mystica en kerkhervormster Catharina van Siëna een inspirerend voorbeeld was. Ze werden in de 19de eeuw, soms door Dominicanen gevraagd, zich in te zetten voor noden in die tijd. De regel van de Derde Orde werd als basis gekozen en aan de omstandigheden van actieve religieuzen aangepast. Ze verbinden heden nog elementen van de dominicaanse traditie met een ruim apostolaat. Vaak ging hun aandacht naar arme kinderen die in die tijd weinig opvoeding of scholing kregen. Anderen richten zich nog steeds op mensen aan de rand van de maatschappij. Velen willen ouderen en zieken bijstaan. In België en Nederland zijn nog een aantal Congregaties van Dominicanessen - met nog enkele honderden zusters- actief.5.1 STICHTING EN VERBLIJF IN ASSEBROEK 1284. Volgens de oude kronieken werd het “Clooster ten Jacopinessen bi Brucghe” gelegen langs de oude Gentsche Heerweg, tegenwoordig Astridlaan, op “HH. Dry Koningen-feest-dag van den geseyden jaere 1284. De “seer godtvruchtige vrouw-personen van 20
  • 21. gemeenen staet en conditie”, die de stichting vorm gaven, wordener met naam genoemd : Avezoete of Ymmezoete van Dam, Sibiliahaar zuster, Margarita van Gendt en Christina van Iper.Op deze plaats “...waer dickwils gehoort is geweest een seerwonderbaer, soet ende aengenaem gesang by nachte...” stondvolgens kroniekschrijvers zoals Sanderus reeds een kapel.Onderzoek heeft uitgewezen dat het traditionele stichtingsverhaaldicht aansluit bij de gekende historische gegevens. In zijnstandaardwerk over de Vlaamse bedelordekloosters heeft W.Simons aangetoond dat de legende dicht in de buurt kan komenvan wat werkelijk tussen 1280 en 1300 in Assebroek heeftplaatsgevonden.Volgens deze legende zou gedurende lange tijd het gezang vanengelen gehoord zijn op een verlaten plek te Assebroek (vandaarEngelendale). Geïnspireerd door deze goddelijke aanwijzingstichtten de vier vrome vrouwen op dezelfde plaats een klooster ,dat op Driekoningendag 1284 in gebruik werd genomen.Vanaf 1283 vinden we in het archief van het Potterirhospitaal denaam van Sybilia van Dam terug. Ze legde toen, samen met enkeleandere zusters, kloostergeloften af. In 1291 ontvingen haar zusterYmmesoete de Dam, Christine de Ypra en Marghareta deGandavo van het Brugse stadsbestuur een som, vermoedelijk alsuitkoop uit het Potteriehospitaal.Na jaren van voorlopige behuizingkrijgen de stichters in januari 1292 vanBoudewijn II van Assebroek officieeltoestemming om ...clooster en kerck testichten, daer te celebreren H. Godts-dienst, te ontfangen offeranden, vreyebegraf-plaetse te hebbeb ende alles tehebben ende gebruycken volgens deregel, statuyten, en gewoonten dersusters van t predickheeren-orden. Ditalles werd ...mildelyck begiftigt endemet een parteye van 24 gemeeten,syner naest gelegen landen. Boudewijn II van AssebroekNa een bezoek van magister-generaalMunio de Zamora in 1286 werd het jonge 1275. Wapenzegel: Schuinbalk enconvent onder toezicht van de prior van zes rozen. ARA. Brussel.de Brugse Dominicanen geplaatst.Dankzij vele giften kan de nieuwe stichting zich snel ontwikkelen.In juni 1293 worden de “sorores predicatores” genoemd in hettestament van Nikolaas van Biervliet. Ook de Graven vanVlaanderen namen het convent onder hun bescherming. Nog in1293 schenkt Gwijde van Dampiere een bunder land en maakt hun 21
  • 22. grond vrij van alle leenrechten en lasten (pointingen en settingen).Een interessante akte, onlangs gevonden in het Rijksarchief Leuvenleert ons dat in 1309 met goedkeuring van Graaf Robrecht vanBethune een stichting van een Duitse koopman werd bekrachtigd.Dit in bijzijn van “...Bouden van Arsenbroech rudder, zuster Adelisevan Ghistele prioresse en Jan van Sledinghe prior te dien tidenvander predicaren Ordine in Brucghe..” .Akte van Robrecht van Bethunevan 1309 in latijn, waarbijHendrik van Hardorpezielemissen opdraagt bij dezusters van Engelendale teAssebroek. Archief Dominica-nen nr. 389, R.A. Leuven.Afhangende gebroken zegel vanR. v. Bethune. (eigen foto 2010)De kronieken vermelddendat ook Jan zonder Vrees,hertog van Bourgondië in1406, al de goederen vanEngelendale heeft afgelost.Ze mogen ze “..eeuwighlyk.”blijven bezitten, opvoorwaarde dat ze ookeeuwigdurend vier solemelejaargetijden opdragen voorhem en voor zijn ouders. In1474 heeft Karel de Stoutedeze akte hernieuwd.Karel V deed dit opnieuw in 1516. Als we de ontwikkeling van destichting kunnen peilen via het aantal bewoners van Engelendale,dan geeft het Doodt-Register ons eenbruikbaar instrument. In het Necrologion kunnen we natellen datvoor het einde van de 14de eeuw al ruim honderd Jacobinessenin Assebroek zijn overleden! Bij dit hoge sterftecijfer moet wel wordenrekening gehouden met de “..seer smettelycke en woedendepestilentieuse sieckte...” die vanaf 1348 een ware ravage aanrichtte.Anno 1359 “... was t groote sterfte van haestiger doodt; de liedenwaeren s morgens fraey, s noens sieck ende s avonds doodt...”.Het Necrologion bevat bijna 600 namen van religieuzen die, voor deFranse revolutie, ooit op Engelendale -buiten of binnen destadsmuren- hebben verbleven.In de jaren 50 van vorige eeuw werd op de hoeve toevallig eengeelkoperen funeraire inleg uit de eerste helft van de 14de eeuw 22
  • 23. gevonden. Het hoofd -met kordate open blik -is bijna levensgroot en stelt een geestelijke voor. Dergelijke stukken zijn uiterst zeldzaam en getuigen van een grote artistieke kunde waarvoor Brugge samen met Gent en Doornik bekend was. Een aantal grafstenen en heel wat fragmenten in Doornikse kalksteen zijn nog ter plaatse bewaard gebleven. Een laatgotisch priestergrafzerk (+1525) werd in de gerenoveerde oude kapel teruggeplaatst. Koperen funerair kunstwerk Zegel in groen was van Engelendale, gevonden op de hoeve Engelendale. anno 1397. Voorstellend Sint Dominicus Grafplaat van geestelijke, 1e helft met boek en latijn kruis, aan de voeten 14de eeuw (eig. foto 1982) een draak. “(+S)CONVENTVS SOROR DE ARS(EB)ROC ORDIS PREDICATO” SAB, Inv. oorkonden nr 845.5,2 ONVEILIG IN LANDELIJK ENGELENDALE IN 16DE EEUW. REFUGE BINNEN DE STADSMUREN. EEN NIEUWE START. Zoals voor alle Brugse buitenkloosters betekende de woelige 2de helft van de 16de eeuw Engelendale het einde van haar bestaan buiten de muren. Niet na eerst verschillende keren, vanaf vroeg 16de eeuw naar hun “... eigen refugie-woon-stede...” te zijn 23
  • 24. gevlucht “...somtyds en meest het huys Leffinge, by den Meulen-meersch, niet verre van het predickheeren-clooster omgevougelycker door die religieusen gedient te kunnen worden...”. Jacopinesse. Detail uit de kaart van het Brugse Vrije, P. Pourbus/ P. Claeissins, 1560-1561. Opname stad Brugge nr. 4413/04/060694.Dezelfde kronieken waarvan wij dankbaar gebruik kunnen maken,geven soms gedetailleerde informatie omtrent de “wreedelycke”gebeurtenissen waarvan de zusters getuige waren. Zo noteerdezuster Anna Anneron (“..als-dan regeerende mevrouw priorinne..”)wat in die vreselijke maanden te Assebroek is gebeurd.Wij citeren:”...Den 15 Augusti 1561 hebben dese religieusen hun cloostermoeten verlaeten ende sich inde stadt begeven om de rasernijevande beeltstormers te ontgaen. Den 5 November 1561 t savontsontrent den neghen uren syn ontrent de dertich struyckroovers in ditclooster ghevallen, ende hebben met alle gewelt willen de deurenvan de kercke ende van den dormter open brecken, maer enhebben tot hunne meyninghe niet connen commen, daer sijnochtans met minderen aerbeyt ghecommen sijn binnen alle deandere plaetsen van het clooster, in welcke sij alleswechghenomen ende verwoest hebben.In desen inval sijn vier van onse paters seer qualijck ghehandeltgheweest. P. Joannes Antony vant convent van Brugghe ende P.Jacobus de Boots sijn van hun vermoort. P. Arnoldus vandenKerckhove met veele wonden ghequetst ende half doodtghelaeten gheweest, ende P. Stephanus de Mey, biechtvader vandit clooster is ghelijck miraculeuselijck hunnen handen ontvlucht.Door dit ongheval is dit clooster in soo slechten staet ghecommendat het ghedwonghen is gheweest alle de overgheblevene silverevaeten te vercoopen, om de grachten ende mueren wederom opte maecken, om voor de 2e mael niet overvallen te worden...”. 24
  • 25. Het onvermijdelijke is enkele woelige jaren later toch geschied: “...Ontrent dese jaeren (1580) op valsch pretext dat ons buyten clooster soude schaedig syn aen de stadt, soo hebben de guesen t selve tot de grondt doen afworpen, confiskeerende den meerendeel van de materiaelen...”. Aldus werd brutaal een streep gezet onder 300 jaar aanwezigheid in Assebroek. De kloostereigendommen echter bleven aanzienlijk. Einde 18e eeuw, bij het inventariserennn van hun goederen, bezaten de Dominicanessen van Engelendale in het Brugse Vrije, naast een aantal huizen en hoeven, niet minder dan 1800 gemeten (ong. 800 hect.) aan landerijen verspreid over vele gemeenten. Ca. 500 gemeten werden in Assebroek en Sint Kruis opgetekend.5.3 CLOFHAMERSSTRAAT WORDT JAKOBIJNESSENSTRAAT. Uiteindelijk was de gemeenschap reeds in 1578 definitief verhuisd naar de Clofhamerstraat, de huidige Jakobijnessenstraat bij het oude Magdalenenhospitaal, een plaats die ze in 1534 reeds hadden verworven. Daar hadden ze reeds, ook aanpalend op de Nieuwe Gentweg, enkele huizen en een kapel die in 1588 werd, een deel van de tuin werd voorbehouden als begraafplaats. In 1597 begonnen ze dan ter plaatse een nieuw klooster te bouwen. Er werden stenen opgehaald bij het oude convent te Assebroek. De kerk werd voltooid in 1611 en ingewijd door Mgr. Rodoan. De patroon van de kerk bleef, zoals voorheen, de H. Michael. De gemeenschap kon zich in de volgende eeuw rustig verder ontwikkelen en had opnieuw een opmerkelijk domein J. Beerblock, Dominicanessenklooster Brugge 1796, ingenomen in Brugge- Stedelijke Musea, Steinmetzkabinet. kloosterstad. De ets die J. Beerblock ons naliet bewijst dit voldoende. Maar dan kwamen met de Oostenrijkers de beruchte maatregelen van Jozef II. De contemplatieve orden vindt hij niet nuttig. Hij sluit 2000 kloosters (einde 1781) , neemt hun eigendommen in beslag en zou daarmee 1500 parochies stichten. Het uiteindelijke edikt kwam op 17 maart 1783. Twaalf kloosters, waaronder Engelendale, werden te Brugge gesloten. 25
  • 26. In juli moesten de zusters de panden verlaten en al hun goederen werden aangeslagen ten voordele van de Religie kas. Van 1788 tot 1796 betrokken de zusters Conceptionisten de verlaten gebouwen en in de 19e eeuw werd er het private Sint- Dominicusgesticht voor zwakzinnigen in ondergebracht. Deze instelling werd opgericht in 1834 en kende vooral in de tweede helft van de eeuw een grote uitbreiding. Ze verdween tijdens het Interbellum (1926) en de gronden langs de Jakobijnessenstraat werden verkaveld voor huizenbouw. Achter deze bebouwing ligt een terrein die in 2002 als z.g. Jakobinessenpark met o.m. speelplein en parkeerplaatsen. Dit park is nog omringd door restanten van de 17e eeuwse kloostermuur; zijn verzorgd metselwerk en overhoekse steunberen zijn vnl. ter hoogte van de Oude Gentweg en Gentpoortstraat goed bewaard.5.4 HEROPRICHTING IN VLAMINGDAM 1861. De opheffing van het klooster Engelendale in 1783 betekende niet het definitieve vertrek van de Dominicanessen uit Brugge. In 1861 kochten ze een groot huis ,Het Walleken, op de Vlamingdam (dat voorheen tijdelijk door de Xaverianen was bewoond), en verbouwden het in 1865 tot klooster. Het wordt in 1867 ingewijd. Dit, nog steeds bestaande convent, kreeg eveneens de naam Engelendale. Vanuit de Jacobinessenstraat kunnen de zusters verhuizen die absoluut in het Slot willen verblijven naar de Vlamingdam. Hier wordt het centraal bestuur gevestigd. Postulanten mogen intreden ofwel in het Sint-Dominicusinstituut ofwel in het slotklooster aan de Vlamingdam. Vanaf de vestiging in de 19de eeuw zien we de werking sterk uitbreiden naar diverse activiteiten: zo was er sinds 1874 de verzorging van oudere dames in Heverlee, sinds 1919 een weeshuis en school en in 1957 ontstond aldaar het MPI. Sint Catharina ( in 1971 als Priorij Terbank ) .Initiatieven in Oostende (ziekenhuis) en Oostduinkerke (De Rozenkrans), in Dilbeek, Zottegem, Erwetegem en vooral ook het missiewerk wijzen op een grote inzet en engagement vanuit Engelendale. De eerste missiezusters vertrekken in 1925. Hun zorg gaat uit naar ziekenhuizen, onderwijs, armen of pastoraal. Dit zowel in het voormalige Belgisch Congo als in Ruanda. De congregatie verlaat de missieposten in 1998. Het oude klooster van 1867, dat niet meer aangepast was aan de leeftijd van de bewoners, bracht ook problemen met vocht en verwarming. Het werd in 1996, met uitzondering van de kapel, gesloopt. Een nieuw complex herrees naar de plannen van architect Gino Debruyne. Er is, volgens de huidige overste -zuster Reinhilde- vooral ook naar de toekomst gekeken. De gebouwen beantwoorden aan de hedendaagse normen en voorzieningen zodat het later een dienstverlenend centrum kan worden. 26
  • 27. De bouwwerken werden voltooid in de zomer van 1998. Engelendale Vlamingdam Brugge Beeld van huidige tuin en nieuwbouw. (opname 2010). 27
  • 28. Maquette door arch. Debruyne. Algemeen beeld aan Vlamingdam. O.L.Vrouw ter Predikheren. Steensculptuur 14e eeuw. Nu in kapel van Dominicanessen.Hiernaast en onder nog enkele sfeerbeelden opde mooi gerenoveerde, oude gewezenkloostergebouwen van Engelendale teAssebroek. Een tastbaar patrimonium met eenboeiende toekomst! 28
  • 29. SELECTIEVE BIBLIOGRAFIEAlgemeen ° P. De Pue O.P., Geschiedenis van het oud-dominikanen- klooster te Brugge (1233- 1796), Leuven, 1981. ° J. De Smet, De vestiging van de vier bedelorden te Brugge in de XIIIe eeuw, in : Biekorf, LII (1951), p. 233-236. ° Duclos, Bruges,histoire et souvenirs, Brugge, 1910. ° M. Ryckaert, Historische Stedenatlas van België, Brugge, Brussel, 1991. ° M. Ryckaert, A. Vandewalle, J. Dhondt, N. Geirnaert, L. Vandamme, Brugge De geschiedenis van een Europese stad, Tielt, 1999. ° W. Simons, Bedelordekloosters in het graafschap Vlaanderen, Chronologie en topografie van de bedelordeverspreiding vóór 1350, Brugge, 1987, pp. 75-77 en 145-150. ° W. Simons, G.J. Bral, J. Koufront, J. Bockstaele, HET PAND Acht eeuwen geschiedenis van het oud Dominicanenklooster te Gent, Tielt, 1991. ° S. Tugwell O.P., De Heilige Dominicus, Ed. Du Signe, Strasbourg, 1998. ° J.A.Van Houtte, De geschiedenis van Brugge, Tielt-Bussum, 1982.2. Dominicanen ° Bogaerts, Historische beschryvinghe der Cloosters van het Order van den H. D Dominicus geschreven in t jaer 1715 door Pater Bernardus De Jonghe, Predikheer, in: Bouwstoffen voor de geschiedenis der Dominikanen in de Nederlanden, nr.1, Brussel, 1965. ° K. Deckers, J. Snaet, J. Gheyle, P. Roels, Project De Predikheren te Brugge, Regie der Gebouwen, Cel restauratie, Brussel 2005. 29
  • 30. ° H. Dewitte, Opgravingen en vondsten; Dominicanenklooster,in: Jaarboek 1993-94, Stedelijke Musea, Deel I, Brugge, 1995, p. 78-82. ° M. Dewulf, De kerkelijke architectuur van de Dominicanen te Brugge, in: Gentse Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde, XVIII (1959-1960), p.105-157. ° P. Meuleplas, De Predikheren te Brugge, in: Biekorf, LXV (1939), p. 233-237. ° P. Martens, sHeers Honden te Brugge, paper in kader van gidsencursus Kon. Gidsenbond van Brugge. November, 2006.3. Dominicanessen ° J.L. De Clercq, Boudewijn en Avezoete of Vrijheidsliefde en godsdienst, p. 398-434: Chronycke ofte kort verhael ..besonderste geschiedenissen van t klooster ENGELENDAELE de predik-heeren order (geseydt) der Jacobinessen, Gent, 1842. ° J. Desmet – H. Stalpaert, Assebroek, heemkundige schets, Brugge, 1950. ° B. De Jonghe O.P., Historische beschryvinghe der Cloosters van het Order vanden H. Dominicus geschreven in t jaer 1715, ed. P. Bogaerts in: Bouwstoffen voor de geschiedenis der Dominikanen in de Nederlanden, Brussel- Leuven 1965-1981. ° W. Kimpe, 700 jaar Engelendale. Een vergeten eeuweling?, in: Arsbroek. 1, 1984, p. 62-72. Engelendale en de grote kaart van het Brugse Vrije, een iconografische bron, in Arsbroek 13, 1996, p 5-18. ° K. Soers, Assebroek, Archeologische Inventaris Vlaanderen, Band IX, Gent, 1987, p. 172-180. ° R. Van Belle, Vlakke grafmonumenten en memorietaferelen met persoonsafbeeldingen in West-Vlaanderen, Brugge, 2006, p.112-117. ° Zs. G. Van Den Wijngaert en P. De Pue O.P., Geschiedenis van de zusters Dominicanessen Engelendale Assebroek en Brugge, Brugge, 1984. 30