Your SlideShare is downloading. ×
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006

534

Published on

ONE VOICE, de Nederlandse industrie bestaat uit vele verschillende branches en subbranches. Elke branche opereert in een specifieke markt en is afhankelijk van specifieke trends en ontwikkelingen. Er …

ONE VOICE, de Nederlandse industrie bestaat uit vele verschillende branches en subbranches. Elke branche opereert in een specifieke markt en is afhankelijk van specifieke trends en ontwikkelingen. Er zin echter meer overeenkomsten dan verschillen! Dit rapport is het resultaat van een unieke samenwerking tussen alle industriële branches op zo samen aan een beter imago te werken bij het brede publiek en de wens om een krachtig signaal af te geven richting de overheid.

Het rapport is geschreven op basis van een grote landelijke enquete en bevat 10 specifieke analyses en SWATs van de belangrijkste industriële sectoren in Nederland.

Published in: Business
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
534
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
3
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. @#A My Industry - Dutch Manufacturing 2010@#A
  • 2. Themastudie My Industr yDutch Manufacturing 2010 Economisch Bureau ING november 2006
  • 3. ColofonT H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Redactie Opmaak en druk drs. P.G. Drontmann Papyrus B.V., Diemen drs. D.J.J. Kemps G.P.M. van Nieuwland Cover/logo drs. M.J.P.M. Peek Bureau Mijksenaar Auteurs ISBN mw. drs. A. Geerts 9069-1917-5-x H.P. Bijvoet Projectpartners (Branche)verenigingen Branchemanagers mw. dr. ir. N.C.N. Alma-Zeestraten MBA– VNCI drs. D.J.J. Kemps drs. F.J. Bakkes – KVGO G.P.M. van Nieuwland M. Boerstra - FNLI A.I.M. Braakman - FEDA Bestellingen G.J. Braam – FME-CWM www.ingbank.nl/ bedrijven en instellingen M.V. Cobelens - PlasticsEurope (intern ING via BI/kenniscentrum) drs. R. Coster – VNCI drs. G.H. van Egerschot - NVTB mr. drs. R.A.J. Goes – NVTB Disclaimer H. Griffioen – KVGO De informatie in dit rapport geeft de persoonlijke mening weer van de analist(en) en geen enkel deel van de beloning ir. P. ’t Hart - VNSI van de analist(en) was, is, of zal direct of indirect gerelateerd drs. Th. van den Hoven – FME-CWM zijn aan het opnemen van specifieke aanbevelingen of menin- gen in dit rapport. De analisten die aan deze publicatie heb- mw. drs. L.M. Huiskens – Premsela Stichting ben bijgedragen voldoen allen aan de vereisten zoals gesteld drs. R. Huisman - BNO door hun nationale toezichthouders aan de uitoefening van hun vak. Deze publicatie is opgesteld namens ING Bank N.V., mr. H.J. Keijer – Koninklijke Metaalunie gevestigd te Amsterdam en slechts bedoeld ter informatie van haar cliënten. ING Bank N.V. is onderdeel van ING Groep K.J. Koekkoek - KVGO N.V. Deze publicatie is geen beleggingsaanbeveling noch ir. G.J. Koopman – Koninklijke VNP een aanbieding of uitnodiging tot koop of verkoop van enig financieel instrument. Deze publicatie is louter informatief ir. drs. M.W.C.M. Nieuwesteeg - NVC en mag niet worden beschouwd als advies. ING Bank N.V. Ph. den Ouden - FNLI betrekt haar informatie van betrouwbaar geachte bronnen en heeft alle mogelijk zorg betracht om er voor te zorgen dat drs. D.A. Rodenrijs – VNU Exhibitions ten tijde van de publicatie de informatie waarop zij haar visie in dit rapport heeft gebaseerd niet onjuist of misleidend is. drs. P.M. van Roon – FME-CWM ING Bank N.V. geeft geen garantie dat de door haar gebruikte drs. W.F. de Ruijter - NRK informatie accuraat of compleet is. De informatie in dit rap- port kan gewijzigd worden zonder enige vorm van aankon- mr. R.J. Schuitema – Koninklijke Metaalunie diging. ING Bank N.V. noch één of meer van haar directeuren mr. R. Schouten - VNSI of werknemers aanvaardt enige aansprakelijkheid voor enig direct of indirect verlies of schade voortkomend uit het ge- drs. H.A. van Sluys - GMV bruik van (de inhoud van) deze publicatie alsmede voor druk- en zetfouten in deze publicatie. Auteursrecht en rechten ter J.A. van der Spek – FME-CWM bescherming van gegevensbestanden zijn van toepassing op mr. S.V. Swolfs - FKL deze publicatie. Overneming van gegevens uit deze publicatie is toegestaan, mits de bron wordt vermeld. In Nederland is drs. C.A.J.M. Tubbing – Nevat ING Bank N.V. geregistreerd bij en staat onder toezicht van De R.H. van der Werff – Koninklijke Metaalunie Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. De tekst is afgesloten op 31 oktober 2006. M. Wilbords – KVGO
  • 4. Inhoud T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYVoorwoord 5 5 Duurzaamheid 43 5.1 Kansen door duurzaamheid 43Managementsamenvatting 7 5.2 Milieu en imago 46 5.3 Sociaal gezicht industrie 481 Inleiding 10 6. Sectorspecifieke perspectieven 512 Globalisering 13 6.1 Rubber- en Kunststofindustrie 51 2.1 Internationale economische 6.2 Voedings- en Genotmiddelenindustrie 54 verhoudingen 13 6.3 Scheepsbouw 57 2.2 Internationale rolverdeling in de keten 15 6.4 Hout(producten)- en Bouwmaterialen- 2.3 Ondernemingsklimaat in internationaal industrie 60 perspectief 19 6.5 MKB-Metaal 63 6.6 Technologische Industrie 663 Mens 23 6.7 Grafimedia 69 3.1 Arbeidsmarkt en onderwijs 23 6.8 Chemie 72 3.2 Imago 27 6.9 Papier- en Karton(waren)industrie 75 3.3 Ondernemerschap 29 6.10 Verpakkingsketen 78 3.4 Samenwerken 34 Bijlage 1 Geraadpleegde bronnen 814 Vernieuwing 35 Bijlage 2 Verantwoording enquête 83 4.1 Technologie 35 Bijlage 3 Projectpartners 84 4.2 Sociale innovatie 39 Bijlage 4 ING sectorstudies 90 4.3 Design 40
  • 5. Voorwoord T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY‘One Voice’ voor en door de Nederlandse Het rapport is geschreven op basis van de uitkom-i­ ndustrie. sten van een grote landelijke enquête (bijna 1.400De Nederlandse industrie bestaat uit vele ver- respondenten!) en de sectorspecifieke visies enschillende branches en subbranches. Elke branche SWOT-analyses van de samenwerkende branche-opereert in een specifieke markt en is ­afhankelijk verenigingen.van specifieke trends en ontwikkelingen. Dechemische industrie is sterker getroffen door Naast de algemene aanbevelingen en conclusiesstijgende energieprijzen dan bijvoorbeeld de voor de gehele Nederlandse maakindustrie, bevatgrafische industrie. De sterk op export gericht het onderzoeksrapport tien specifieke analyseskunststofindustrie zal zwaarder worden getroffen van industriële sectoren binnen de Nederlandsedoor importrestricties van andere landen dan bij- maakindustrie.voorbeeld de veelal meer lokaal opererende plaat-bewerkende industrie. Beleidsprioriteit voor de Nederlandse maak­ industrie!Er zijn echter meer overeenkomsten dan ING Bank draagt de Nederlandse industrie eenv­ erschillen! warm hart toe en is daarom een enthousiastDit inzicht en de behoefte aan een beter imago voorstander van samenwerking. Samenwerkingvan de Nederlandse maakindustrie bij het brede t ­ ussen brancheverenigingen, samenwerking ­tussenpubliek, de borging van het belang van de indu- bedrijven, maar ook samenwerking tussen allestrie voor de Nederlandse economie en de wens ‘stakeholders’ binnen de Nederlandse maakindu-om een krachtig signaal af te geven richting de strie. Dit onderzoeksrapport moet in het verleng-politiek om meer prioriteit te geven aan industrie- de van deze samenwerking gezien worden als eenbeleid, heeft geleid tot een unieke samenwerking gezamenlijke borging van het industriebelang.‘My Industry’ en een uniek onderzoeksrapport‘My Industry, Dutch Manufacturing 2010’. Onze oprechte dank gaat uit naar … Naast de input en het enthousiasme van deWaarom zo’n ‘fancy’ titels in het Engels? samenwerkende brancheverenigingen, willen wijNederland is te klein voor de industrie en tegen- ook onze dank uitspreken richting het Ministeriewoordig kunnen we zelfs veel ondernemingen uit van Economische Zaken, VNU Exhibitions, dehet MKB typeren als heuse multinationals! Premsela Stichting en de leden van het Comité van Aanbeveling. Zonder hun steun waren wijVijftien grote en overkoepelende branchevereni- nooit gekomen tot dit eindresultaat; ‘One Voice’gingen uit de industrie hebben de handen ineen- voor en door de Nederlandse industrie.geslagen en presenteren u met trots het gezamen-lijke onderzoeksrapport naar de toekomst van de De samenwerkende brancheverenigingen en deNederlandse maakindustrie. ING Bank, als initiatiefnemer en schrijver van het
  • 6. T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY onderzoeksrapport, wensen u veel leesplezier en Samenwerkende (branche) verenigingen: nieuwe energie om de uitdagingen voortvarend BNO aan te gaan en een hoofdrol te claimen voor de FEDA industrie nu en in de toekomst. Federatie NRK FME-CWM ING Branchemanagement Industrie: FNLI Michel van Nieuwland GMV David Kemps Koninklijke Metaalunie Koninklijke KVGO Economisch Bureau ING: Koninklijke VNP Anna Geerts NEVAT Marcel Peek NVC NVTB PlasticsEurope VNCI VNSI
  • 7. Managementsamenvatting T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYIndustrie van groot economisch belang gisch industriebeleid op zijn plaats. UitgangspuntDe industrie biedt anno 2006 werkgelegenheid hiervan zou vertrouwen in de industrie moetenaan maar liefst één miljoen personen en kent een zijn, zodat ondernemers geen last hebben vanindirecte werkgelegenheid die minstens zo groot dirigisme (strakke sturing in wet- en regelgeving)en stijgend is. Bovendien heeft de industrie een maar de ruimte krijgt om te ondernemen. Van deaandeel in de Nederlandse export van 70% en industrie kan vervolgens worden verwacht datneemt het bijna driekwart van de RD-­uitgaven wordt geïnvesteerd in een duurzame verbeteringvan het bedrijfsleven voor zijn rekening. De van de concurrentiepositie, door te investeren inindustrie heeft Nederland in dit opzicht dus veel vernieuwing en samenwerking (scholen, kennis­te bieden. In het voorliggende onderzoek ‘My instellingen, de keten en collega’s). Daarbij isIndustry’ is nader ingegaan op het perspectief dat bovendien de zichtbaarheid van de sector vande industrie Nederland in de aanloop naar 2010 te belang; onzichtbare bedrijven betekenen eenbieden heeft en omgekeerd; wat heeft Nederland onzichtbare industrie.de industrie te bieden. Opleiding en arbeidsmarktPerspectief industrie in Nederland goed De industrie zal nog veel meer dan nu moetenIn de oranje en witte box op de volgende pagina investeren in samenwerking met scholen. Hetdie beide aan een balans hangen zijn de belang- tekort aan goed gekwalificeerd personeel vormtrijkste uitkomsten van het onderzoek opgenomen. immers een rem op de ontwikkelingsmogelijk-Voor ieder positief punt in de oranje box is een heden van de industrie. Enerzijds is sprake vankeerzijde in de witte box zichtbaar. De ene keer een gebrek aan belangstelling voor technischeweegt het positieve punt zwaarder, de andere keer opleidingen, anderzijds zal de aansluiting tussenhet negatieve. Om de balans richting 2010 ver- scholen en bedrijven moeten worden verbeterd.der in positieve zin te laten doorslaan zijn acties Hiervoor is een grotere structurele betrokkenheidnodig, vooral omdat de wereld om ons heen niet van bedrijven bij scholen noodzakelijk om destilstaat. Het rapport vormt in die zin een begin- kwaliteit van de opleiding verder op te schroevenpunt. Om de aanzet naar deze acties te geven zijn en het zichtbaar maken van aantrekkelijke carriè-een aantal aanbevelingen opgenomen. res in de techniek. Beide zaken zorgen ervoor dat het beroepsonderwijs aantrekkelijker wordt. HetAanbevelingen Platform Bèta Techniek, dat is opgezet om te wer- ken aan een verbetering van de beschikbaarheidHerwaardering industrie van bètatechnici, kan daarbij een faciliterende rolHet is duidelijk dat de industrie Nederland richting spelen.2010 veel perspectief te bieden heeft. Dit vraagtom een brede maatschappelijke herwaardering Samenwerkingvan de industrie om als Nederland ook een Horizontaalpositief perspectief te (blijven) bieden voor de Om de steeds grotere en internationaal opererendeindustrie. Nederland moet gáán voor de industrie afnemers in de industrie te bedienen is een zekeredus is een ‘commitment’ aan een wervend strate- minimum schaalgrootte nodig. Dit kan zowel wor-
  • 8. T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY POSITIEF NEGATIEF Welk perspectief biedt de industrie Nederland? Welk perspectief biedt de industrie Nederland? 1. Industrie wil blijven 1. Keerzijde globalisering Meerderheid industrie ziet blijvend positief a- Bewustzijn over gevolgen globalisering perspectief voor merendeel eigen productie in b ­ eperkt, vooral bij kleinere bedrijven Nederland b- Onvoldoende ‘level playing field’ op onder meer energiegebied 2. Kennisintensieve dienstverlening steeds 2. Onvoldoende herbezinning strategie belangrijker ­­ a- Deel bedrijven doet niet mee, transformatie Transformatie industrie gaande; meer toe­ vindt bovendien traag plaats gevoegde waarde door meer kennisintensieve b- Regisseursrol is niet eenvoudig; veel kennis dienst­verlening (zoals onderhoud) en toename nodig om deze goed te beheersen. aandeel hoger opgeleid personeel 3. Industrie investeert in kennis 3. Scholing moet beter a- Investeringen in training en opleiding perso­ a- Gebrekkige kwantitatieve en kwalitatieve neel vinden op grote schaal plaats en nemen aansluiting aanbod arbeidsmarkt op vraag toe richting 2010 b- Veel bedrijven bieden stageprogramma’s b- Samenwerking met scholen nog vaak i ­ncidenteel 4. Onderscheidend vermogen door flexibili- 4. Te weinig nieuwe zelfscheppende ­bedrijven teit, topkwaliteit en partnership Ondernemerschap in high-tech sector blijft achter Concurrentie op partnership wint aan belang, flexibiliteit blijft de sterkste troef van bedrijven 5. Samenwerking in de keten noodzaak 5. Noodzaak krachtenbundeling als gevolg van Hoge en toenemende mate van samenwerking globalisering onvoldoende erkend in de keten, met zowel afnemers als toeleve­ a- Horizontale samenwerking (collega-bedrijven) ranciers met als doel het goed bedienen van de blijft achter eindklant b- Kleinere bedrijven werken relatief weinig s ­ amen 6. Industrie = innovatie 6. Toename RD beperkt Driekwart RD-uitgaven zijn voor rekening van Substantiële verhoging RD-uitgaven bij slechts de industrie, daarnaast vindt proces- en sociale klein deel bedrijven en sterke concentratie uit­ i ­nnovatie plaats gaven bij grote bedrijven 7. Design = innovatie+ 7. Creatieve kansen onvoldoende benut Design in Nederland goed gewaardeerd, dus Gebruik design voor waardecreatie nog ­beperkt, biedt veel kansen ook bij OEM’ers 8. Duurzaamheid levert geld op 8. Kansen duurzaamheid nog te onbekend Duurzaamheid gezien als kans door meerder­ Groot deel ondernemers nog steeds onbekend heid ondernemers (‘people, planet, profit’) met de commerciële mogelijkheden die duur­ zaamheid voor het eigen bedrijf biedt Welk perspectief biedt Nederland de industrie? Welk perspectief biedt Nederland de industrie? 9. Basis aanwezig 9. Regelgeving en onderwijs groot probleem Randvoorwaarden ondernemersklimaat op orde a- Bottlenecks administratieve lasten en flexibilise­ (inflatie, rente, betrouwbare instituties, hoog­ ring arbeid blijven aanwezig waardige kennisinstellingen etc.) b- Investeringen in onderwijs en commerciële e ­ xploitatie nieuwe technologie blijven achter c- Industriebesef Nederland nog steeds beperkt
  • 9. T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYden bereikt door overnames of fusies, maar tevens Duurzaamheiddoor slim gebruik te maken van netwerken van Bedrijven zullen moeten blijven investeren in(collega) bedrijven. Bedrijven zullen dus meer duurzaamheid, om het draagvlak voor de her-moeten investeren in samenwerkingsverbanden en waardering van de industrie verder te ­verstevigen.het participeren in netwerken. Het stimuleren van Duurzaam ondernemen in de industrie is inmid-deze samenwerking om hierdoor een betere con- dels verschoven van ‘moeten’ en ‘zo horen’currentiepositie te verkrijgen (door bijv. kennis- naar daadwerkelijk lonen. De industrie zelf zietoverdracht of fiscale voordelen) wordt van steeds duurzaamheid voornamelijk als kans, omdatgroter belang. het daadwerkelijk bij kan dragen aan de winst; ofwel ‘people, planet, profit’. Dit is tevens eenVerticaal belangrijk onderdeel van de herwaardering vanSamenwerking in de keten vindt al veel plaats en de ­industrie; het verdienen van een ‘licence toneemt verder toe in de aanloop naar 2010. Door o ­ perate’ ofwel ruimte om te ondernemen.het toegenomen aantal schakels neemt echter ookde complexiteit van de ketenregie toe. Om ambi- Terugdringing regelgevingties op het niveau van de ketenregie en samen- Aangezien de verlichting van de wet- en regel-werking in de keten vorm te geven zal dus stevig gevingsdruk nog niet echt gemerkt wordt doormoeten worden geïnvesteerd in de ketencompe- industriële ondernemers, alle retoriek ten spijt,tenties van ondernemingen. zal het tempo waarin resultaten op dit gebied worden geboekt sterk omhoog moeten. Alleen op(Branche)Organisaties en overheid die manier wordt het duidelijk dat de overheidSamenwerking is niet alleen tussen bedrijven vertrouwen heeft in de ondernemers en deze nieten andere partners van belang, ook de vertegen- bij voorbaat wantrouwt. Geen regels die het onder­woordigers van bedrijven slaan de handen in nemerschap frustreren, maar herdere, eenduidigeelkaar om een herwaardering van de industrie en handhaafbare regels.te realiseren. Dit basisrapport ‘My Industry’, ispas het begin van de samenwerking tussen de Herwaardering en imago(branche)organisaties om met één stem namens De brede maatschappelijke herwaardering vande industrie te spreken. Op basis van de conclu- de industrie, in combinatie met verbetering vansies van dit rapport zullen een aantal concrete het beroepsonderwijs en het zichtbaar maken vanacties gezamenlijk op touw worden gezet. Om industriële bedrijven zal resulteren in een positiefde herwaardering van de industrie daadwerkelijk imago voor de sector. Losse imagocampagnesvorm te geven zouden de samenwerkende branche­ hebben in het verleden niet het gewenste effectorganisaties ook een aanspreekpunt bij de over- gehad, zodat het de tijd is voor een fundamenteelheid moeten hebben. Deze persoon zou een inter- andere aanpak. Een gezamenlijke inspanning vandepartementale rol moeten vervullen. Ondanks alle ‘stakeholders’ gebaseerd op het gegeven dathet nieuwe industriebeleid ingezet vanuit de Nederland niet zonder de industrie kan, resulte-Industriebrief, is de industrie op dit moment nog rend in een herwaardering van de industrie is eensteeds onvoldoende verankerd in de overheid. dergelijke aanpak. Samen zullen we het moeten maken in Nederland!
  • 10. 10 Inleiding 1T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Rond de verkiezingen van november 2006 kan de Deel twee gaat over het aspect ‘mens’. Hierbij industrie het goed gebruiken om opnieuw op de komen achtereenvolgens arbeidsmarkt en onder- kaart gezet te worden. Zeker in het licht van een wijs aan de orde, het imago van de industrie, door globalisering veranderende ­internationale ondernemerschap en samenwerking. concurrentie is het zinvol te bezien hoe de Nederlandse industrie ervoor staat op verschillen­ In het derde deel staat vernieuwing centraal. de aspecten. Belangrijker nog is wat de toekomst­ Technologische vernieuwing komt als eerste aan perspectieven zijn en welke verbeterpunten er zijn de orde, waarna op sociale innovatie en design voor de industrie zelf, maar ook voor de overheid. wordt ingegaan. Wat heeft de industrie Nederland te ­bieden en vice versa? Duurzaamheid is het onderwerp van het vierde deel. In hoeverre is duurzaamheid ook lonend en De afgelopen jaren zijn verschillende initiatieven hoe is de relatie tussen industrie een leefomge- ontplooid door de overheid en het bedrijfsleven ving en industrie en sociale aspecten? om tot een versterking van de industriële basis van Nederland te komen. Enkele voorbeelden “One voice” vanuit de overheid zijn de Industriebrief en het Eén gezamenlijke stem van de industrie over instellen van het Innovatieplatform en program- de toekomst van de Nederlandse industrie om ma’s om meer studenten voor technische studie- hiermee een sterk signaal richting de politiek te richtingen te laten kiezen. De resultaten van de geven is het doel van het rapport. In bijlage 3 inspanningen zijn nog niet eenduidig zichtbaar, is is een korte introductie van alle projectpartners de goede weg inmiddels ingeslagen of is er nog o ­ pgenomen. een koersverandering nodig? Enquête onder 1400 ondernemers Anderzijds is het de vraag wat de industrie zelf Centraal in het rapport staan de uitkomsten van doet in de aanloop naar 2010. Hoe ziet de indu- een enquête onder bijna 1400 ondernemers, voor- strie er dan uit in een geglobaliseerde wereld, wat namelijk leden van de meewerkende (branche)­ zijn de onderscheidende aspecten van concurren- verenigingen (zie bijlage 2 voor de verantwoor- tie en wat zijn eventuele verbeterpunten? ding van het onderzoek). Daarnaast is uitgebreide deskresearch gehouden, zijn door de (branche)­ Analyse van vier hoofdthema’s verenigingen SWOT’s opgesteld. Om deze vragen te beantwoorden is het rapport in vier delen geknipt. Het eerste deel (hoofdstuk 2) Comité van aanbeveling behandelt de veranderende economische verhou- Voor het onderzoek is een comité van aanbeve- dingen in een globaliserende wereld, de invloed ling samengesteld dat bestaat uit dhr. Alexander hiervan op de structuur van de industrie en de Rinnooy Kan (voorzitter SER), dhr. Sjoerd consequenties van het huidige ondernemings­ Vollebregt (CEO Stork NV), dhr. Rein Willems klimaat. (CEO Shell Nederland NV), dhr. Chris Buijink (DG voor Ondernemen, Ministerie van
  • 11. 11 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYEconomische Zaken), dhr. Pieter Jan van denBrink (Directeur ING Bank, verantwoordelijkvoor de divisie Mid Corporates) en alle voor­zitters van de genoemde brancheverenigingen.
  • 12. 2 Globalisering 13 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY2.1 Internationale economische verhoudingen (figuur 2.1). Midden- en Oost-Europa presteert fors beter dan de Eurozone door het ‘catching-up-Bewustzijn gevolgen globalisering beperkt effect’.Onderscheidend vermogen en optimaal inspelenop de mogelijkheden van globalisering voor wat Figuur 2.1 Bijdrage aan wereld BBP in 1980 en 2025betreft afzetmarkten en kostenbesparing zullen (op basis van koopkrachtpariteit)bepalend zijn voor het uiteindelijke toekomstbeeldvoor de Nederlandse industrie. Vooral de groterebedrijven in de industrie zijn zich bewust vande kansen en bedreigingen van de voortgaandeglobalisering van de economie. Zorgwekkendis dat bij kleinere bedrijven dat besef er in veelm­ indere mate is. Vooral in de drukkerijbrancheen de bouwmaterialenindustrie is de indruk dathet van weinig invloed is. Nu zijn deze sectoren Bron: ING Economistsook traditioneel sterk regionaal gebonden, van­ COE = Centraal- en Oost-Europa = BUL, TSJ, HON, KZK,wege grondstoffen of afnemers, maar dat wil niet POL, ROE, RUS, SLK, TUR, OEKzeggen dat de veranderende economische krachts­verhoudingen niet van invloed zijn. Vooral de industrie in West-Europa wordt gecon- fronteerd met de toenemende concurrentiekrachtVanuit de overheid is een stimulerend en interna­ van opkomende landen die stoelt op een combina-tionaal sterk concurrerend ondernemingsklimaat tie van ‘goedkope’ arbeid en een veelal adequaatvan belang (zie §2.3). Cruciaal is dat beleids­ en stijgend scholingsniveau.voornemens van de overheid (Lissabon-Agenda)ook daadwerkelijk tot uitvoering komen en dat er Overheid pro globalisering..geen obstakels worden opgeworpen voor inter­ De Nederlandse overheid staat positief ­tegenovernationaal opererende bedrijven (‘level playing het proces van verdergaande globalisering, omdatfield’). dit zowel in Nederland als in ontwikkelings­landen en andere opkomende markten groei oplevert.Spectaculaire economische verschuiving Keerzijde van deze open aanpak is dat veelVoortgaande liberalisering van het ­internationale Nederlandse bedrijven onderdeel worden vankapitaal- en handelsverkeer, alsmede sterk buitenlandse concerns, waardoor de binding metd­ alende kosten van transport en communicatie Nederland verminderd met mogelijk negatieve(internet) stuwen het internationaal zakendoen gevolgen voor de werkgelegenheid.over langere afstanden op. In een wereld waarin landsgrenzen steeds ­minderHet belang van China en India in de wereldeco- van belang zijn en binnen Nederland de groei­nomie neemt spectaculair toe, de VS weet in de mogelijkheden veelal gering zijn, ligt de uit-pas te blijven, maar de Eurozone verliest terrein daging voor de overheid in het creëren van een
  • 13. 14T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY internationaal concurrerend en stimulerend onder- lisering vooral als een bedreiging. nemingsklimaat met als kernpunten onderwijs, Zorgwekkend is dat één op de drie ondernemers flexibiliteit en innovatie (zie § 2.3). in de Nederlandse industrie verwacht dat globa- lisering nauwelijks van invloed zal zijn op het De ambitie van Nederland is om in 2010 tot de bedrijf. Dit geldt in sterkere mate voor de klei- Europese koplopers te behoren op het gebied nere bedrijven. Met recht kan de vraag gesteld van de kenniseconomie. In de praktijk blijkt dat worden of de Nederlandse industrie, en dan relatief weinig vorderingen zijn gemaakt met het v ­ ooral het kleinbedrijf, wel goed voorbereid is op realiseren van de doelstellingen. Slechts op twee de grote veranderingen die gaande zijn. van de veertien zogenoemde Lissabonindicatoren, te weten de arbeidsparticipatie en het BBP per Figuur 2.3 Mate van internationalisering, in % van hoofd, behoort Nederland tot de voorhoede. De respondenten voorsprong op deze twee gebieden is echter k ­ leiner geworden. ..slechts één op de drie ondernemers enthousiast Nog geen 40% van de industriële ondernemers ziet in de voortgaande globalisering vooral een kans, al is dit aandeel onder grotere bedrijven hoger dan onder kleinere (figuur 2.2). Relatief positief gestemd zijn de producenten van elek- trische apparaten en transportmiddelen. Vooral onder drukkerijen en de metaalproductenindustrie is sprake van minder optimisme. Bijna een kwart Bron: Enquête Themastudie Productieverplaatsing van de totale industrie ziet de toenemende globa- In het verlengde daarvan maakt een deel van de Figuur 2.2 Visie op globalisering, in % van respon­ Nederlandse industrie gebruik van internationale denten mogelijkheden, blijkt uit de ING Themastudie Productieverplaatsing. Zo schakelt 40% van de bedrijven buitenlandse toeleveranciers in (outsourcing) en heeft ruim een kwart een eigen buitenlandse vestiging (figuur 2.3). Slechts een kwart van de bedrijven in de industrie verwacht tot 2010 het aandeel van Nederland in de totale verkopen te zien dalen en dus de buiten­landse omzet sneller te zien groeien dan de binnen­landse (figuur 2.4). Naarmate het huidige aandeel van de binnenlandse omzet in het totaal hoger is, verwachten meer bedrijven dat deze Bron: Enquête My Industry
  • 14. 15 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFiguur 2.4 Aandeel binnenlandse omzet in totaal, 2006 Figuur 2.5 Ontwikkeling DBI Nederland (in $ mld),en ontwikkeling hiervan tot 2010, in % van respon­ 2003-2010denten Bron: Economic Intelligence Unit (EIU)Bron: Enquête My Industry de stromen blijft vooralsnog binnen de EU-gren- zen, al groeit het belang van Zuid-Oost-Azië en(sterk) toe zal nemen. Sterk binnenlands georiën- Centraal- en Oost-Europa.teerde bedrijven blijven dus sterk op het binnen-land inzetten. Op brancheniveau blijkt dat vooral 2.2 Internationale rolverdeling in de ketende chemische en de machine-industrie een hoogexportaandeel hebben. Merendeel industrie wil blijven In tegenstelling tot het algemene beeld van eenDBI-ontwikkeling positief vertrekkende industrie blijken bedrijven vol­Nederland heeft zeer omvangrijke directe buiten­ doende vertrouwen te hebben om een belangrijklandse investeringen (DBI), zowel ingaand als deel van de activiteiten in Nederland uit te blij­uitgaand (figuur 2.5). De uitgaande investeringen ven voeren. Er is dus wel degelijk een toekomst­zijn al jaren groter dan de inkomende, maar dit perspectief voor de industrie in Nederland.zal naar verwachting in 2010 andersom zijn. Ditwijst op een verwachte positieve ontwikkeling van Anderzijds spelen nog lang niet alle industriëlehet investeringsklimaat in Nederland. Een moge- bedrijven in op internationale veranderingen doorlijke verklaring hiervoor is de gunstige logistieke het aanpassen van de organisatie en het produc­positie van Nederland die van groot belang is in ten- en dienstenpakket zo blijkt uit de enquête.een globaliserende wereld. Vooral in de machine-industrie en elektrische en optische sector is het aandeel bedrijven dat deHet patroon van in- en uitstroom naar verschil- omzet vanuit dienstverlening ziet groeien grootlende regio’s is erg onregelmatig en afhankelijk (ca. tweederde). In sectoren als de chemie en devan conjuncturele ontwikkelingen. De bulk van voedings- en genotmiddelenindustrie blijft dit
  • 15. 16T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY aandeel beperkt tot een kwart, wat verklaard kan Figuur 2.6 Aandeel Nederland in totale productie en worden door de procesmatige aard van de activi­ verwachte ontwikkeling hiervan tot 2010, in % van teiten in deze sector. respondenten Nieuwe verdeling industriële activiteiten Globalisering leidt tot een nieuwe verdeling van activiteiten over de wereld. Laagwaardige arbeids- intensieve activiteiten van enige omvang zijn steeds minder in Nederland houdbaar vanwege het relatieve hoge kostenniveau (zie tabel 2.1). Hierbij is ook de loonwig (verschil tussen betaal- de loonkosten en netto-inkomen) van belang. Deze ligt rond het Europese gemiddelde. Ook hoogwaardige arbeidsintensieve activiteiten die te verplaatsen zijn, worden in toenemende mate verplaatst. Overigens bedragen de loon- kosten in de meeste industriële bedrijven veelal Bron: Enquête My Industry ‘slechts’ 20% van de totale productiekosten. De branchespecifieke verschillen zijn echter groot Het grootste gedeelte van de productie is en blijft (chemie aanzienlijk lager, metaalbewerking aan- niettemin in Nederland. Bijna driekwart van alle zienlijk hoger). bedrijven voert meer dan 75% van de productie in Nederland uit (figuur 2.6). Bovendien zien deze Tabel 2.1 Uurloon en productiviteit in de industrie, bedrijven dit Nederlandse productieaandeel tot 2005 2010 eerder toenemen dan afnemen, vergeleken met bedrijven die een groter deel van de produc- Uurloon ($) Productiviteit op tie in het buitenland draaien. In de middengroep jaarbasis verwacht bijna de helft van de bedrijven dat het ($ ppp ) * aandeel van de Nederlandse productie op het totaal afneemt. Nederland 30.72 80.308 Duitsland 32.48 60.712 Lonen en afzetmarkt redenen voor vertrek VS 23.17 95.257 De belangrijkste factoren die een rol spelen bij Tsjechië 5.82 42.571 een eventuele productieverplaatsing zijn loon­ China 0.84 22.989 kosten en nieuwe markten (figuur 2.7). De laatste India 0.59 19.688 speelt vooral bij grotere bedrijven, vooral omdat hierin een groter aandeel OEM’ers (­fabrikanten Bron: IMD 2006 van eindproducten) is vertegenwoordigd. * Purchasing Power Parity (koopkrachtpariteit), d.w.z. in Opvallend is dat belastingdruk en regelgeving dezelfde hoeveelheid goederen en diensten die je voor een $ kunt kopen.
  • 16. 17 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFiguur 2.7 Factoren die een grote rol spelen bij even­ Figuur 2.8 Ontwikkeling export- en import in detuele productieverplaatsing, in % respondenten i ­ndustrie, 1980-2003Bron: Enquête My Industryjuist weer sterker spelen bij kleine bedrijven, Bron: OECDdie vanwege een beperkte schaalgrootte (wei-nig overhead) relatief veel kosten hebben van- data een zeer groffe en wil dit niet zeggen dat allewege administratieve lasten. Uit de Themastudie activiteiten van een sector hiertoe behoren.Productieverplaatsing bleek overigens dat onder-nemers die daadwerkelijk een eigen productie­ De ontwikkeling van de export laat bovendienvestiging in het buitenland hebben, dit vaker een gemengd beeld zien. De groei zit vooral invanwege marktkansen doen dan vanwege lagere de re-export (doorvoer met hooguit een ­minimalekosten. bewerking) en in veel mindere mate in de export van ‘eigen’ producten. De exportgroei van ‘eigen’Goederenpakket richting high-tech producten blijft al jaren achter bij de groei vanIn zowel het Nederlandse export- als het import- de wereldhandel, wat verlies van marktaandeelpakket verliezen low-tech producten aan belang betekent. Bovendien is de toegevoegde waardeten gunste van high-tech producten (figuur 2.8) . 1 van € 1 export van eigen product € 0,65 tegen-Verwacht wordt dat binnen enkele jaren het aan- over € 0,10 voor elke euro wederuitvoer. Dedeel high-tech het aandeel low-tech zal inha- Nederlandse export naar de opkomende landenlen. Voor medium-tech producten ligt het is vooral gericht op Midden- en Oost-Europa,niveau al jaren stabiel rond 35% van zowel de de groeikansen die Azië biedt worden nog maarNederlandse export als import (is niet opgenomen beperkt benut. Azië (waarbinnen in toenemendein de figuur). Overigens is de indeling in high-, mate China) heeft wel een groot aandeel in dem­ edium- en low-tech omwille van de beschikbare Nederlandse import.1 High tech wordt hierbij gedefinieerd als kantoormachines, computers, audio, video- en telecommunicatie-apparaten en beno­ digdheden, medische apparaten en instrumenten, precisie en optische instrumenten e.d., medium tech als chemie, machines, elektrische machines en apparaten en transportmiddelen, low tech als overig.
  • 17. 18T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Figuur 2.9 Omzetaandeel dienstverlening in de Over het geheel van de industrie is dan ook een i ­ndustrie anno 2006 en ontwikkeling hiervan tot 2010, groeiend belang van diensten in de omzet zicht- in % van respondenten baar (figuur 2.9). Hoewel het omzetaandeel van dienstverlening tot op heden veelal nog klein is, verwacht circa de helft van de bedrijven dat dit aandeel tot 2010 (sterk) toeneemt. Dat laat onver- let dat de andere helft een dergelijke verandering dus niet voorziet. Positief voor het kleinbedrijf is dat het aandeel dienstverlening hier groter is dan Bron: Enquête My Industry bij grotere bedrijven. Niettemin blijkt dat de helft van de bedrijven in de industrie niet zichtbaar Verschuiving richting diensten nog beperkt inspeelt op de nieuwe ontwikkelingen door zijn Gezien het relatief hoge kostenniveau in activiteiten of organisatie aan te passen. Nederland zullen Nederlandse bedrijven zich steeds meer (moeten) richten op activiteiten Figuur 2.10 Verdeling naar type bedrijf, 2006 en 2010, met een hoge toegevoegde waarde, bijvoorbeeld in % van respondenten door tevens (productgerelateerde) diensten, zoals onderhoud of opleiding, te leveren. Dit biedt bovendien een manier om inzicht te krijgen in de behoefte van de afnemer en vormt hiermee de basis voor productverbetering. In een aantal indu- strieën (zoals aerospace en mobiele telefoons) is de omzet uit diensten in absolute zin al groter dan de omzet uit de verkoop van fysieke producten. Bovendien is de toegevoegde waarde bij diensten hoger dan bij verkoop van een product, terwijl de kennis om de diensten te verlenen in het verleng- Bron: Enquête My Industry de ligt van de kennis die de fabrikant traditioneel al bezit. Veelal beseffen bedrijven echter niet hoe- Strategische keuze voor regierol veel omzet en winst eigenlijk wordt gemaakt door Als gevolg van de voortgaande expansie van productgerelateerde diensten, omdat hun admi- Midden- en Oost-Europa en Azië zal de productie­ nistratie er niet op ingericht is en diensten vaak capaciteit van deze landen verder en fors ­stijgen. als bijproduct of kostenpost worden behandeld . 2 Daarmee nemen de mogelijkheden voor het Niettemin zou een sterke ‘Maintenance, Repair optimaal gebruik maken van de wereldwijde en Overhaul’ (MRO) wel eens een belangrijk toeleveringsketen enorm toe. De regisseursrol s ­ trategisch pluspunt kunnen zijn van Nederland in in de internationale toeleveringsketen wordt dan de concurrentie met opkomende landen in Oost- ook steeds groter. Dit vraagt veel van bedrijven Europa en Azië. omdat met een toenemend aantal schakels in 2 Capgemini
  • 18. 19 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYde keten de complexiteit sterk wordt vergroot. arbeidsmarkt, het stimuleren van het vernieuwendVerschillende bedrijven in vooral de metalektro- vermogen van bedrijven en verlenen van onder-industrie proberen op de ontwikkelingen in te steuning bij internationalisering. Bovendien zouspelen door op te schuiven van parts supplier en de overheid een faciliterende rol kunnen spelenprocess supplier richting system supplier (figuur bij het clusteren van bedrijven om ze hiermee te2.10). Minder gunstig is dat de ambities van ondersteunen bij het opbouwen van een volledigondernemers om zich te ontwikkelen tot OEM’er servicepakket, waarmee bedrijven ook internatio-blijkbaar beperkt zijn, aangezien dit aandeel naal de markt op kunnen. Ook samenwerking metin de toekomst zelfs afneemt. Bovendien is het kennisinstellingen hoort hierbij.a­ andeel ondernemers dat niet weet waar het in detoekomst naar toe gaat met het eigen bedrijf bijna 2.3 Ondernemingsklimaat in internationaal10%. perspectiefDe veranderende aard van de activiteiten stelt Ombuiging positie Nederland nodigook nieuwe eisen aan medewerkers. Naarmate Een sterke verbetering van het ondernemings­meer een regiefunctie wordt ingenomen spelen klimaat kan een nieuwe impuls geven aan indu­naast vakkennis en technische vaardigheden striële bedrijvigheid in Nederland. Nederlandsesteeds meer vaardigheden op het gebied van het industriële ondernemers investeren immers in hetoverdragen van kennis en regievoering een rol. buitenland omdat daar, naast aantrekkelijke afzet­Vanzelfsprekend is niet voor iedereen een regierol markten, lagere loonkosten gelden en de wet- enweggelegd; op basis van een goede strategische regelgeving veelal minder knellend is. Met nameafweging kan ook een andere rol voor duurzame in de chemische industrie is dit laatste het geval,toekomst zorgen. terwijl vooral in de metaalproductenindustrie een versoepeling van het ontslagrecht wordt gezienTransformatie vraagt pro-actieve overheid als verbeterpunt.Om de toekomst van de Nederlandse industrieveilig te stellen zal in het beleid nog meer de Gebrek aan ‘level playing field’ in de energie­nadruk gelegd moeten worden op het ­verstevigen markt heeft bij de huidige hoge energieprijzenvan de kenniseconomie. Zonder kennis kan geen negatieve gevolgen voor de concurrentieposi­toegevoegde waarde worden gecreëerd. De trans- tie voor meer dan eenderde van de industriëleformatie van de Nederlandse industrie naar een b ­ edrijven.kennisintensieve industrie die de ketenregie kanvoeren en/of technologisch geavanceerde pro- Internationale positie loopt terugductie kan verzorgen, kan dus niet zonder een Op de ranglijsten van internationale benchmark-overheid die hier pro-actief op inspeelt. De rol studies 3 naar het concurrentievermogen van lan-van de overheid ligt vooral op het terrein van een den is Nederland begin deze eeuw afgezakt vanbeter kwantitatief en kwalitatief evenwicht op de een top 3 positie naar tussen 2003 en 2006 veelal3 Growth Competitiveness Index (GCI) en National Business Environment (NBE) World Economic Forum, 2006, Competitiveness, International Institute for Management Development (IMD), 2006.
  • 19. 20T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY een positie tussen 10 en 15 4 . Om niet verder af Administratieve lasten prioriteit te zakken en liever nog in de top terug te komen Eén van de grootste belemmeringen voor onder- zijn verbeteringen op verschillende terreinen nodig. nemerschap, ook in de industrie, is dus (nog steeds) de administratieve lastendruk, de hand­ Figuur 2.11 Verbeterpunten ondernemersklimaat, in % having en ondoorzichtigheid op gebied van wet- van respondenten en regelgeving. Op dit punt scoort Nederland relatief slecht en is de positie in internationaal perspectief zelfs nog verslechterd tussen 1998 en 2003. Dit komt vooral doordat andere landen belemmeringen sterker hebben gereduceerd dan Nederland. Het Kabinet Balkenende II heeft dan ook sterk ingezet op verlaging van de administra- tieve lastendruk met 25%. Maatregelen hiertoe zijn deels al ingegaan. Inmiddels (september 2006) zou een administratieve lastenverlichting ter waarde van € 1,9 mrd van de € 4,1 mrd gerea­ liseerd zijn, maar dit wordt vooralsnog niet als Bron: Enquête My Industry zodanig ervaren door ondernemers. Een belangrijk onderdeel van het concurrentie- Nederland kent daarentegen van oudsher relatief vermogen is een gunstig ondernemingsklimaat weinig belemmeringen voor handel en investe- waarin de overheid een voorwaardenscheppende ringen. Zo heeft Nederland geen barrières tegen rol vervult. In figuur 2.11 is zichtbaar dat regel- buitenlands eigendom van bedrijven, terwijl die geving voor ondernemers in de industrie bovenaan in bijvoorbeeld de VS, maar ook in Frankrijk wel staat als verbeterpunt. Dit blijkt te gelden voor aanwezig zijn. Ondanks de recente discussie over zowel kleine als grotere bedrijven. De chemische de negatieve kanten van hedgefunds komt hierin industrie blijkt het meest last van regelgeving en vooralsnog geen verandering. vergunningen te hebben (81%). Inflexibele arbeidsmarkt Op randvoorwaarden voor ondernemen scoort Wat de flexibiliteit van de arbeidsmarkt betreft, Nederland per saldo gemiddeld tot goed (CBS waarvoor de mate van werknemersbescherming 2006). Belangrijke macro-economische condities als indicator geldt, neemt Nederland een midden­ zijn onder meer een lage inflatie en rente, welke positie in. Als het gaat om individueel ontslag beiden in Nederland gunstig zijn. Ook zaken als bevindt Nederland zich echter bij de top. Ook uit innovatie, ondernemerschap en de beschikbaar- de enquête blijkt dat ondernemers hierin verbe- heid van kapitaal kunnen tot het ondernemings­ tering wensen, vooral ondernemers met kleinere klimaat worden gerekend. Deze factoren komen in bedrijven (figuur 2.12). Zo is in de metaal de volgende hoofdstukken aan de orde. concurrentiepositie tussen 2002 en 2004 sterk 4 Overigens is de ombuiging volgens de lijst van de World Eocnomic Forum al ingezet en staat Nederland daar inmiddels weer op plaats 9.
  • 20. 21 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYverslechterd omdat ondernemers hun medewer- Fiscaal beleid kan beterkers te lang vast hielden toen het economisch Fiscaal scoort Nederland in internationaalminder ging. Daarnaast hebben ondernemers ook p ­ erspectief mager en onder het EU gemiddelde.zelf ervoor gekozen mensen vast te houden in de Het Nederlandse belastingtarief voor bedrijvenhoop op betere tijden en vanwege schaarste van (vennootschapsbelasting, vpb) is gemiddeld ingoed personeel. De enquêteresultaten tonen dan Europa (figuur 2.12). Vrijwel alle Europese lan-ook aan dat vooral in de metaalproductenindustrie den hebben de afgelopen jaren hun vpb-tarievenversoepeling van het ontslagrecht hoog op de met gemiddeld meer dan Nederland verlaagd. Omagenda staat (62%). De overheid is bekend met een vergroting van de achterstand te voorkomenhet probleem en in oktober 2006 gaat dan ook een is nog een wetsvoorstel onderweg (‘Werken aanaantal kleine versoepelingen van het ontslagrecht winst’) voor verlaging van zowel de vpb (naarin, waaronder een soepeler toets om te zien of 25,5% vanaf 2007, en het lage tarief naar 20%)werkloosheid de werknemer is aan te rekenen en als de inkomstenbelasting op ­ondernemingswinstof hij of zij dus recht heeft op een WW-uitkering. (winstvrijstelling van 10%). Daarnaast is dePro forma procedures hoeven hierover dan niet belasting op lonen (‘loonwig’) net onder hetmeer te worden gevoerd. De verwachting is echter EU-15 gemiddelde. In de loonbelastingdruk isniet dat hiermee dit knelpunt volledig is opgelost, echter, anders dan bij veel andere landen, weinigook het probleem van hoge ontslagvergoedingen neerwaartse beweging te bespeuren. Ongeveervraagt om een oplossing. eenderde van de ondernemers geeft bovendien aan dat afschaffing van subsidies in combinatie metFiguur 2.12 Benchmark nominale vpb-tarieven, een lagere belastingdruk het perspectief voor het1995, 2005 eigen bedrijf zou verbeteren. Energieprijzen funest voor concurrentie De hoogte van de energieprijzen ten opzichte van andere landen is ook van belang voor de internationale concurrentiepositie van industriële bedrijven (vooral in energie-intensieve sectoren zoals de chemie). Momenteel is de concurrentie- positie van de energie-intensieve industrie op het punt van de energieprijzen niet sterk, omdat door gebrek aan ‘level playing field’ de stroomprijs in Nederland hoger is dan in de ons omringende landen. Meer dan eenderde vindt dat stijgende energieprijzen en een ongelijk speelveld in de wereld tot gevolg hebben dat de concurrentieposi-Bron: Ministerie van Financiën tie fors verslechterd (figuur 2.13). In de chemie, rubber- en kunststofindustrie en de papier- en kartonindustrie ligt dit aandeel zelfs boven de
  • 21. 22T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 50%. Kostenstijgingen (w.o. van energie) kunnen het verbeteren van infrastructurele knelpunten echter maar door een minderheid van de bedrijven zijn door de overheid middelen uitgetrokken, vrijwel geheel worden doorberekend aan afnemers maar de verwachting is dat die onvoldoende zijn en de verwachting is niet dat dit zal verbeteren. om het bereikbaarheidsprobleem op te lossen. Zonder verbeteringen in het speelveld betekenen Overigens speelt congestie slechts een minimale aanhoudend hoge energieprijzen dus een somber rol in de beslissing de productie uit Nederland te perspectief voor energie-intensieve bedrijven. v ­ erplaatsen. Figuur 2.13 Reactie op stelling stijgende energie­prijzen De ICT-infrastructuur is in Nederland goed te doen de concurrentiepositie fors verslechteren en noemen, vooral het hoge aandeel van breedband­ a ­ andeel dat kostenstijgingen door kan berekenen, in aansluitingen. 2006 en 2010, in % van respondenten Figuur 2.14 Benchmark weginfrastructuur, 2003 Bron: Enquête My Industry Infrastructuur op peil, maar… De ligging van Nederland is gunstig. Bovendien is er door de beperkte grootte van Nederland ­relatief veel asfalt per km 2, maar minder per werkzame persoon (figuur 2.14). Niettemin nemen ieder jaar de files toe en de bereikbaarheid af. Voor Bron: IMD 2006
  • 22. 24 Mens 3T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 3.1 Arbeidsmarkt en onderwijs Overigens blijken ook de lagelonenlanden er veelal een (in toenemende mate) hoogopgeleide Vergroting menselijk kapitaal in industrie beroepsbevolking op na te houden. Jaarlijks Scholing, opleiding en training zijn van essen­ studeren ruim 351.000 ingenieurs in China en tieel belang om de benodigde vergroting van 112.000 in India (incl. IT’ers) af. Tegenover menselijk kapitaal te realiseren. Zeker ­naarmate 61.000 in de VS en bijna 200.000 in de EU de aard van de arbeid verandert en meer vraagt (National Science Board). Het aantal bèta-afge- van werknemers in Nederland. Sterker inzetten studeerden per 1.000 inwoners in de leeftijd van op het ­stimuleren van scholing van bestaande 20-29 jaar is met 7 in Nederland een stuk lager werk­nemers is noodzakelijk en vindt bij de meer­ dan in het VK en Frankrijk, maar ligt op hetzelfde derheid van de industriële bedrijven plaats. niveau als in de VS. Overigens hebben niet alle werknemers de c ­ apaciteiten om in dit proces mee te gaan en zijn Het aandeel van hoogopgeleiden in de wetenschap v ­ erschillen tussen branches groot. of technologie van de industriële werkgelegenheid ligt boven het EU-gemiddelde maar blijft sterk Gebrek aan gekwalificeerd personeel vormt een achter bij Frankrijk, Duitsland en vooral Finland rem op de groei in de industrie. Om de beschik­ en Denemarken. Dit is een teken dat de kennis- baarheid van hoogopgeleide technici te vergro­ intensiteit bij industriële bedrijven in Nederland ten is door de overheid het Deltaplan Bèta en verbetering behoeft. In de dienstensector behoort Techniek in stelling gebracht. Gezien de ervarin­ het aandeel wel tot de Europese top. gen met eerdere, min of meer vergelijkbare pro­ gramma’s kan hiervan niet een heel grote omslag Het totale aandeel hoogopgeleiden in de leeftijds- in de keuze voor techniek worden verwacht. categorie 25-34 stagneert, waardoor Nederland Daarnaast zullen bedrijven zelf structureler met een achterstand oploopt ten opzichte van andere lokale onderwijsinstellingen moeten samenwerken westerse landen waar wel een opwaartse bewe- om de aansluiting tussen onderwijs en praktijk te ging zichtbaar is. China en India blijven bij deze verbeteren en het beroepsonderwijs aantrekkelij­ relatieve cijfers achter bij de westerse landen, ker te maken. vanwege de grote populatie-omvang. In absolute getallen is de groei zeer sterk. Hoog kennisniveau wint aan belang Voor de internationaal concurrerende Nederlandse Dalende tendens publieke uitgaven onderwijs industrie is menselijk kapitaal een cruciale ­factor. Hoewel het belang van onderwijs dus steeds Nederland heeft hoge ambities ten aanzien van g ­ roter wordt, nemen de publieke uitgaven aan onderwijs. Immers, hoogwaardige arbeid in com- onderwijs als percentage van het BBP de afge- binatie met geavanceerde technologie zijn dé lopen jaren juist af! (figuur 3.1). Ook in andere wapens waarmee de concurrentiestrijd aangegaan landen is een lichte daling zichtbaar, hoewel wordt met lagelonenlanden en waarmee het hoge Frankrijk en de VS wel op een hoger niveau welvaartsniveau in stand kan blijven. Onderwijs blijven. Het VK heeft Nederland inmiddels inge- is bovendien een noodzakelijke voorwaarde voor haald. De dalende tendens in Nederland lijkt om innovatie. te gaan slaan, aangezien vrijwel alle politieke
  • 23. 25 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYpartijen plannen hebben de onderwijsuitgaven beroepsonderwijs en de samenwerking tussendrastisch te verhogen volgens de verkiezings­ bedrijfsleven en onderwijs.programma’s. Overigens heeft het CPB geen aanwijzingenFiguur 3.1 Publieke uitgaven aan onderwijs als % van gevonden voor een tekort aan bèta’s en is hetBBP, 1999-2004 zelfs zo dat hun arbeidsmarktpositie is verslech- terd gezien de relatieve loonontwikkeling (CPB, 2005). Vergroting van het aantal afgestudeerde bèta’s wordt niet effectief geacht ter stimulering van RD aangezien ca. 60% van de afgestudeer- den niet in RD-banen terechtkomt (anderzijds dus 40% wel!). Het ROA (Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt) voorspelt niette- min voor de komende jaren grote tekorten voor de technische en industrieberoepen (zie ook figuur 3.3). Ook tegenwoordig ervaren werkgevers al pro- blemen in het werven van personeel. Ook grote bedrijven als ASML en Philips geven aan in de huidige aantrekkende conjunctuur inmiddels grote moeite te hebben met het invullen van vacatures voor hoger technisch opgeleiden. Kleinere, min-Bron: IMD 2006 der aansprekende bedrijven, hebben veelal nog meer problemen. Aangezien de afgelopen decen-Voor de industrie is het daarnaast van belang dat nia al verschillende programma’s zijn ingezethet beroepsonderwijs aansluit op de behoeften om meer jongeren (en vrouwen) voor techniekvan bedrijven. Belangrijk daarbij is vooral dat te laten kiezen, met beperkte resultaten, is heter een goede relatie is tussen bedrijf en onder- nog maar de vraag of het dit keer wel een grotewijsinstelling, waardoor het beroepsonderwijs v ­ erandering teweeg brengt.ook aantrekkelijker wordt voor jongeren. Omvoor de toekomst voldoende technici op te leiden Laag aandeel kennismigrantenheeft de overheid het Platform Bèta Techniek 5 Hooggeschoolden worden internationaal steedsopgezet in 2004. Dit platform heeft ­verschillende mobieler. Om deze kenniswerkers aan te trekkenprogramma’s voor verschillende ­schoolniveaus en vast te houden is het dus zaak een aantrekke-(van primair onderwijs, via middelbaar (beroeps)­ lijk vestigingsklimaat te bieden en weinig drem-onderwijs tot hbo en universiteit) ontwikkeld, pels op te werpen. Vooralsnog is het buitenlandwaarbij de meeste aandacht uitgaat naar het voor Nederlandse kennismigranten aantrekkelij-5 www.platformbetatechniek.nl
  • 24. 26T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY ker dan andersom. Landen die hierin aanzienlijk Figuur 3.3 Banen- en beroepsbevolkingontwikkeling beter presteren zijn Australië en Canada. Het productie/onderhoud naar opleidingsniveau (gemiddeld verder verlagen van drempels voor buitenlandse per jaar x1.000), 2006-2011 kennis­werkers zou Nederlandse bedrijven de kans b ­ ieden om meer gebruik hiervan te maken. Figuur 3.2 Aandeel bedrijven dat werknemers opleidt of traint en de ontwikkeling hierin, in % van respon­ denten Bron: CWI Industrie: hoogwaardige banen in opkomst Bron: Enquête My Industry Uit figuur 3.3 blijkt dat het aantal banen voor hoger opgeleiden in de industrie de komende Industrie investeert meer in training jaren sterker zal groeien dan voor lager en middel­ Om als werknemer aantrekkelijk te zijn op de baar opgeleiden, terwijl in absolute aantallen arbeidsmarkt is regelmatige opleiding en training de laatste categorieën nog steeds groter zijn. noodzakelijk. In Nederland volgen meer volwas- Overigens is vooral de vervangingsvraag in de senen onderwijs of trainingen dan gemiddeld in industrie hoog door een vergrijzend personeels­ Europa en de tendens is tevens opwaarts. Binnen bestand. Dit leidt vooral tot uittreding van lager de industrie volgen in ruim tweederde van de en middelbaar opgeleiden. Vooralsnog zit de bedrijven werknemers regelmatig trainingen en sterkste mismatch dan ook in deze categorie. opleidingen (figuur 3.2). Bovendien vindt nog Bovendien zijn schoolverlaters steeds minder eens tweederde dat de noodzaak tot het opleiden direct inzetbaar. Dit heeft een remmende ­werking van personeel toeneemt in de aanloop naar 2010. op de groei van de industrie. Om dit te voor- Het houdt echter wel in dat nog steeds eenderde komen moet de aansluiting tussen school en van de bedrijven niet doet aan het vergroten praktijk dus drastisch verbeteren, onder meer van de kennis en/of vaardigheden van personeel door ­nauwere samenwerking tussen scholen en en hiermee tegen een concurrentie-achterstand bedrijfsleven, maar ook door een kwalitatief goed oploopt. Onder meer bij drukkerijen is dit aan- docentenbestand. deel aan de hoge kant (42%), met aan de andere kant van het spectrum de chemische industrie met Niettemin heeft de industrie in toenemende mate slechts 17% bedrijven waarbij werknemers niet hoogwaardige werkgelegenheid te bieden. Dit regelmatig opleidingen volgen. blijkt ook uit de enquêteresultaten; tweederde
  • 25. 27 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFiguur 3.4 Ontwikkeling aandeel hoger opgeleiden in Hoewel verschillende grote industriële ­bedrijveneigen bedrijf, als aandeel van respondenten (Shell, Philips, Unilever) vrijwel altijd in de top vijf van meest aantrekkelijke werkgevers staan, is het algemene beeld van de industrie niet g ­ eweldig. Bovendien komen industriële processen steeds verder af te staan van consumenten, omdat ze zich afspelen op ver weg gelegen industrie­ terreinen. Het imago van slechte arbeidsomstan- digheden en ‘vies’ werk stamt uit vroegere tijden. De feitelijke situatie in de industrie is vaak heelBron: Enquête My Industry anders dan het beeld dat leeft bij het publiek, waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake isvan de ondernemers verwacht dat het aandeel van een imagoprobleem.hoger opgeleiden in hun bedrijf zal toenemen(figuur 3.4). Met name in de machine-industrie Daarnaast worden studies in onder meer deen de bouwmaterialenindustrie is dit het geval, natuurwetenschappen als moeilijk gezien.t­ erwijl de drukkerijbranche achterblijft. Bovendien wordt verwacht dat hiermee minder makkelijk succes kan worden behaald dan met3.2 Imago algemene studies. Bij de beroepsopleidingen speelt bovendien dat een sector als de metaal­Imagoverbetering noodzakelijk bewerking wordt gezien als sterk conjunctuur-Het imago van de industrie en in het bijzonder gevoelig waardoor de baanzekerheid laag is. Devan de industrie als werkgever, helt te veel over aantrekkingskracht van de industrie voor perso-naar de negatieve kant. Om deze beweging om te neel staat hierdoor onder druk.buigen zijn acties nodig van vooral de industriezelf en daarnaast van brancheorganisaties en De ontwikkelingen rond globalisering geven in ditoverheid. opzicht een tweeledig signaal af; n Enerzijds wordt gesproken over ­toenemendeBedrijven zien vooral veel brood in het ­aanhalen kennisintensiteit en hoogwaardigheid (Innova­van de banden met het onderwijs om hiermee tieplatform), wat positief is voor het imago;j­ ongeren tijdig vertrouwd te maken met de n Anderzijds wordt veel gesproken en geschre-i­ ndustrie. ven over productieverplaatsing in bepaalde sectoren, waardoor in de media het ideeGoed imago trekt talent o ­ ntstaat dat de toekomst van Nederland nietOm adequaat opgeleid personeel aan te trekken in de industrie ligt, wat averechts werkt vooren er ook voor te zorgen dat jongeren perspec- het imago. Een voorbeeld is DAF Trucks dattief zien in de industrie is een aansprekend en problemen heeft om vacatures te vervullenw­ ervend imago van de sector van belang. v ­ anwege het slechte imago van de automotive- sector.
  • 26. 28T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY De transformatie van de industrie naar een pro- toegenomen, vooral de structurele samenwerking ductieve, hoogtechnologische bedrijfstak is onvol- met scholen. doende bekend bij het algemene publiek. Sterke punten krijgen weinig aandacht, bijvoorbeeld: Figuur 3.5 Activiteiten van industriële bedrijven ter n Hoge productiviteit; verbetering van het eigen imago, in 2006 en in 2010, n Hoog innovatief vermogen; in % van respondenten n Maatschappelijke relevantie; n Sterke verwevenheid met dienstensector. Ook de in het vorige hoofdstuk gesignaleerde tendens naar meer hoogwaardige werkgelegenheid in de industrie past in dit rijtje. Salarissen bèta’s relatief karig Het CPB signaleert een toenemend verschil in salaris tussen bèta’s en economen, waarbij de economen aan het langste eind trekken. De meest voor de hand liggende verklaring hiervoor is dat de relatieve schaarste van bèta’s minder is dan die van economen, zoals het CPB concludeert 6 . Hoger opgeleide techneuten kunnen bovendien last hebben van het slechte imago van de lagere en middelbare techniekopleidingen. Bron: Enquête My Industry Voor het imago van technische studies werkt dit beloningsverschil logischerwijs averechts; het zal Anno 2006 is circa 80% van de bedrijven actief mensen in ieder geval niet stimuleren om voor om het bedrijfsimago te verbeteren; dit aandeel een carrière in de techniek te kiezen. Zeker aan- stijgt naar verwachting verder tot bijna 90% in gezien technische studies als zwaar te boek staan. 2010. Bedrijven zien dus zelf ook de noodzaak van het verder verbeteren van het eigen imago en Industrie zet in op stageprogramma’s daarmee het imago van de industrie als geheel. Industriële ondernemers zitten zelf ook niet stil Wellicht niet zo verbazingwekkend is dat kleinere om het imago van hun eigen bedrijf te verbeteren. bedrijven aanzienlijk minder activiteiten ont- De meest populaire manier van imagoverbete- plooien om het eigen imago te verbeteren. Kleine ring op dit moment is door stageprogramma’s en bedrijven hebben nu eenmaal minder overhead om samenwerking met scholen (figuur 3.5). Ruim dergelijke activiteiten te organiseren. Toch ver- de helft van de geënquêteerde bedrijven biedt wachten ook kleine bedrijven in de toekomst meer stageprogramma’s aan. De verwachting van de te gaan doen, vooral op het gebied van samen­ ondernemers is dat dit in 2010 nog aan belang is werking met scholen en van stageprogramma’s. 6 Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt concludeert hetzelfde; technici krijgen in Nederland gemiddeld 10-15% minder betaald dan economen.
  • 27. 29 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYBedrijven in de rubber- en kunststofindustrie en gebracht is de tijd inmiddels rijp voor een geza-chemie blijken minder actief bezig met imago­ menlijke aanpak om een grootscheepse attitude­verbetering dan bijvoorbeeld de scheepsbouw- verandering bij het publiek teweeg te brengen.en transportmiddelenindustrie zo blijkt uit dee­ nquête. Open dagen zijn vooral populair in de Imago Nederland vestigingslandchemische industrie. Voor nieuwe vestigingen van buitenlandse indu- striële bedrijven is het imago van Nederland alsNaast deze zaken zou ook het ‘reguliere’ carrière­ industrieel vestigingsland van essentieel belang.pad voor jonge onderzoekers onder de loep Het vestigingsklimaat van Nederland kan, zoals alkunnen worden genomen. Veelal is het gebrui- eerder in §2.3 beschreven, wel verbetering op eenkelijk dat na een aantal jaren research op een aantal punten gebruiken (belastingklimaat, wet-management taak wordt overgestapt, terwijl een en regelgeving).deel mogelijk liever zelf actief blijft als (senior) Ook voor buitenlandse kenniswerkers in de indu-onderzoeker. Een goede aansluiting van de moge- strie moet Nederland een wervend klimaat bieden,lijkheden op de wensen van onderzoekers kan willen deze gewilde medewerkers voor Nederlandertoe leiden dat deze langer behouden blijven bij kiezen.afdelingen waar personeelsschaarste heerst. Ookeen toename van fiscale kortingen voor bedrij- 3.3 Ondernemerschapven voor hun RD-medewerkers (WBSO, fiscales­ timuleringsregeling voor speur- en ontwikke- Nieuwe OEM’ers in de industrie gezocht!lingswerk) en werknemers zelf zijn de moeite van Om voldoende perspectief voor de industrie inhet overwegen waard. Nederland te houden, is het van groot belang om in Nederland innovatieve OEM’ers te creëren enVerbetering imago technisch onderwijs te houden. Startende innovatieve bedrijven zijnVanuit de overheid wordt gewerkt aan het verbe- dus cruciaal voor de Nederlandse industrie en ditteren van de instroom van hogere bèta-opleidin- aantal is vooral in de industrie aan de lage kantgen via het in de vorige paragraaf aangehaalde (figuur 3.7). Om een omslag mogelijk te makenDeltaplan Bèta en Techniek van de ministeries is een verbetering nodig in de bekendheid metvan EZ en OCW. Doel is die instroom met 15% het ondernemerschap bij technische opleidingente laten toenemen in 2007 en de uitstroom in 2010 alswel het daadwerkelijk beschikbare durfkapitaalmet 15%. Overigens trekken technische studies voor startende vernieuwende bedrijven. Zonderaan universiteiten in het jaar 2006/2007 gemid- verandering ontstaat er onvoldoende nieuwedeld 4% meer studenten dan het jaar ervoor. a ­ anwas en is het toekomstperspectief voor de industrie aanzienlijk somberder.Grootschalige gezamenlijke programma’s terverbetering van het imago van de industrie zijn Daarnaast is het van belang dat buitenlandseer echter niet. De verantwoordelijkheid hiervoor bedrijven Nederland een aantrekkelijke vestigings­wordt vooralsnog bij de bedrijven, de opleidingsin- plaats vinden voor investeringen (zie §2.3),stellingen en brancheverenigingen zelf neer­gelegd. aangezien dit een nog kortere weg is naar groot­Aangezien dit tot nu toe weinig verbetering heeft schalige nieuwe bedrijvigheid.
  • 28. 30T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Ondernemerschap cruciaal voor groei Het aankomend jong ondernemerschap blijft Nieuw ondernemerschap is van essentieel belang e ­ chter achter bij het EU-gemiddelde. Anders dan in de industrie. Nieuwe bedrijven ontwikkelen in de dienstverlening neemt bovendien het totale nieuwe producten (en diensten), zorgen hiermee aantal bedrijven in de industrie niet toe, maar af voor economische groei en werkgelegenheid en (figuur 3.7). Naast een sterke trendmatige ­stijging bieden een markt voor toeleveranciers. van het aantal opheffingen, is sinds 2000 het aantal starts van nieuwe bedrijven (niet zijnde Van oudsher staat de VS in vergelijking met dochterbedrijven, overigens verandert het beeld (continentaal) Europa bekend om de relatief hoge niet als deze wel worden meegenomen) eveneens risicobereidheid en het sterke individualisme van teruggelopen. De verwachting is niet dat deze mensen. Dit bepaalt, naast de mate van (admi- t ­ endens vanaf 2004 omgebogen is. nistratieve) belemmeringen, de bereidheid van m ­ ensen om ondernemer te worden. Figuur 3.7 Ontwikkeling aantal bedrijfsstarts en o ­ pheffingen, 1987-2004 De statistieken wijzen echter uit dat Nederland inmiddels wat betreft aandeel van ondernemers in de beroepsbevolking vrijwel gelijk scoort aan de VS, zij het iets onder het EU-15 gemiddelde (figuur 3.6). In dit opzicht is in de jaren negentig duidelijk vooruitgang geboekt en de trend is nog steeds opwaarts. Overigens betreft dit voor een groeiend deel zelfstandigen zonder personeel. De leidende rol in Italië heeft overigens vooral te maken met knellende wetgeving bij een werk- nemersbestand boven de 12 personen. Hierom wordt vaak een nieuw bedrijf opgericht naast het bestaande bedrijf. Figuur 3.6 Ondernemersquote, 1990, 2000, 2004 Bron: OESO en Eurostat, bewerking EIM Bron: EIM
  • 29. 31 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYGezien de toename van het belang van ‘high-tech’- fondsen op. Deze initiatieven sluiten aan bij deproducten binnen het exportpakket is vooral het behoefte die er is aan nieuwe, innovatieve onder-aantal technostarters interessant. Nederland doet nemers in de techniek.het wat dit betreft gemiddeld, maar blijft weer ach-ter als het gaat om snel groeiende ondernemingen. Ondernemerschap=onderscheidend vermogenEen verbetering van het ondernemingsklimaat zou Ondernemers in de industrie proberen op verschil-vooral deze groep ten goede moeten komen. lende manieren voor onderscheidend vermogen te zorgen. In de enquête mochten ondernemers drieBeschikbaarheid durfkapitaal beperkt aspecten kiezen die hun bedrijf onderscheidendMet name startende technologiebedrijven onder- maakt van concurrenten. Slechts 5% heeft laagstevinden problemen met de financiering van inves- prijs gekozen. Enerzijds lijkt dit positief, gezienteringen. De risico’s zijn veelal te groot voor de kostenstructuur van Nederland. Anderzijds isb­ anken en andere reguliere financiers, zodat prijs in de praktijk nog steeds veelbepalend in veelgebruik moet worden gemaakt van participatie- branches binnen de industrie, waardoor het doormaatschappijen, zogenoemde ‘informal investors’ ondernemers wellicht als vanzelfsprekend wordten subsidies. Terwijl de laatste wel redelijk voor- gezien dat daarop wordt geconcurreerd. In de voe-handen zijn, geldt dit niet voor het eerste. dings- en genotmiddelenindustrie en de rubber- en kunststofindustrie is het aandeel ondernemers datOverheid in actie voor ondernemerschap op laagste prijs concurreert ­overigens twee keer zoOm voldoende en goede ondernemers te verkrij- hoog als in de gehele industrie.gen heeft de overheid verschillende beleidslijnenuitgezet. Naast het verminderen van de belem- Figuur 3.8 Onderscheidende aspecten, in 2006 enmeringen om te gaan ondernemen (administra- 2010, in % van respondententieve lasten) werkt de overheid tevens aan anderezaken, waarvan voor de industrie het meest rele-vant zijn:n het borgen van ondernemerschap in het onder- wijs (meer ondernemende studenten);n verbetering van de financieringsmogelijkheden (ook specifiek voor groeiers);n actieplan bedrijfsoverdracht;n het stimuleren van snelle groeiers en techno- starters.In het kader van dit laatste thema is de ‘Techno­Partner Seed Capital’ (www.technopartners.nl)regeling gestart. Die ondersteunt potentiëleondernemers om met hun technische vinding eenonderneming te starten. Daarnaast richten bedrij-ven als Shell, Philips en ASML zelf investerings- Bron: Enquête My Industry
  • 30. 32T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Flexibiliteit is de meestgenoemde onderschei- negatief effect op het toekomstperspectief voor dende factor (het sterkst in de drukkerijbranche). deze bedrijven. Flexibiliteit moet daarbij worden opgevat als de Om voor de welwillende bedrijven de drempel mate waarop ondernemingen inspelen op de wen- voor samenwerking te slechten is een rol weg­ sen van klanten. Op tweede plaats volgt topkwa- gelegd voor brancheorganisaties, overheid en liteit (het sterkst in de scheepsbouw). Met name instellingen als Syntens. kleine bedrijven zien flexibiliteit als hun kern- competentie. Voor de toekomst wordt vooral vaker Figuur 3.9 Plannen bedrijfsgrootte industriële bedrij­ ingezet op partnership met klanten en/of leveran- ven, in % van respondenten ciers, technologische vernieuwing en het bieden van een totaaloplossing. Opvallend is dat creativiteit in het industriële MKB aanzienlijk belangrijker wordt geacht dan onder grotere bedrijven, terwijl voor tech- nologische vernieuwing het omgekeerde geldt. Vormgeving speelt blijkbaar nog een onder­ geschikte rol in de industrie, onafhankelijk van bedrijfsgrootte (het hoogst scoort de drukkerij- branche met 9% van de respondenten). Bron: Enquête My Industry 3.4 Samenwerken Bundeling van krachten nodig Over het geheel genomen is de Nederlandse Samen sterk naar 2010, of niet? industrie­ in internationaal opzicht kleinschalig, Samenwerking biedt bedrijven de mogelijkheid al zijn er natuurlijk verschillen binnen en tussen om optimaal gebruik te maken van bij partners sectoren. Ondanks dat is er ook een aantal hoog- aanwezige capaciteiten en kennis. Dit draagt waardige industrieën (of industriële niches) waar- bij aan het oplossen van mogelijke problemen in Nederlandse bedrijven een leidende rol spelen. met beperkte schaalgrootte die een deel van de De groeiende omvang van eindafnemers (steeds industriële bedrijven parten speelt. De beperkte vaker internationale conglomeraten) vraagt niet­ samenwerkingsbereidheid met collega-bedrijven temin ook van toeleverende bedrijven een bepaal- geeft aan dat de noodzaak tot samenwerking nog de minimum schaalgrootte, ofwel van het eigen onvoldoende aanwezig gevoeld wordt door onder­ bedrijf ofwel van een samenwerkingsverband nemers. Vaak vindt samenwerking vanuit opportu­ waarin het bedrijf participeert. Het is daarom nisme plaats. opvallend dat het overgrote deel van de bedrijven tevreden is met de huidige bedrijfsgrootte met Zorgwekkend is dat een groot deel van de ­kleinere het oog op de toekomst (figuur 3.9). Met name bedrijven buiten de boot valt als het gaat om OEM’ers vinden hun schaalgrootte voldoende samenwerkingsverbanden; zowel met ketenpart­ (70%). De vraag is of daadwerkelijk kan worden ners als met kennisleveranciers. Dit heeft een voldaan aan de (toekomstige) eisen van afnemers
  • 31. 33 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYof dat ondernemers hun kop in het zand steken Minder samenwerking kleine bedrijvenomdat de nood nu nog niet hoog genoeg is? Overigens blijken kleinere bedrijven minder samen te werken dan grote. Dit terwijl verwachtBijna een kwart van de ondernemers in de indu- zou worden dat vooral kleinere bedrijven partnersstrie acht de eigen bedrijfsgrootte onvoldoende. zouden zoeken om schaalnadelen op te heffen.Slechts 5% van de ondernemers wil echter via Anderzijds kan dit ook betekenen dat kleinerefusies of overnames een grotere schaal bereiken. bedrijven minder serieus worden genomen doorVooral grondstoffenleveranciers denken voordelen potentiële samenwerkingspartners, omdat zemet fusies of overnames te behalen, bij process minder te bieden hebben. Het verschil is hetsuppliers is het animo het geringst. Vaker kiest grootst als het gaat om samenwerking met ken-men voor groei op eigen kracht of via de inscha- nisinstellingen en brancheverenigingen. Indien dekeling van samenwerkingspartners. Samenwerking belangrijkste oorzaak voor beperkte samenwer-met collega-bedrijven biedt bijvoorbeeld de king onwil is, is hier weinig tegen te doen. Alsmogelijkheid om grotere partijen te kunnen pro- het onvermogen is, moeten alle zeilen bijgezetduceren en daarmee grotere afnemers (beter) te worden om bedrijven te ondersteunen bij hetkunnen bedienen. v ­ inden van samenwerkingspartners. Hierin spelen branche­organisaties en instellingen als SyntensSterk in kennis door samenwerking een centrale rol. Om op langere termijn samen-Ook schaalgrootte op het gebied van kennisclus- werking tussen de oren van ondernemers te krij-ters is van belang. Indien clusters onvoldoende gen is het belangrijk dat in het onderwijs (meer)groot of sterk zijn, ontstaat het gevaar dat er aandacht wordt besteed aan samenwerking.onvoldoende absorptievermogen voor deze ken-nis is en dat dit in andere landen beter wordto­ pgepakt. Figuur 3.10 Regelmatige samenwerking met verschil­ lende partners, in % van respondentenEen ander punt is de aansluiting tussen kennis bij(semi) publieke instellingen en het bedrijfsleven.In het bijzonder het kleinbedrijf maakt weiniggebruik van in Nederland beschikbare kennis,waardoor hoogwaardig onderzoek en ontwikke-ling uiteindelijk slechts mondjesmaat tot nieuweproducten in de markt leiden. In internationaalopzicht bevindt Nederland zich in de mondialetop tien als het gaat om kennisoverdracht tussenbedrijven en universiteiten (SEO, 2006). Dezerelatief sterke score herbergt echter in absolutezin nog steeds een lage score (6-) die vrij con-stant is gebleven sinds 2000. Bron: Enquête My Industry
  • 32. 34T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Afnemer populairste partner Tendens naar meer samenwerking Bedrijven in de industrie werken in de praktijk Richting 2010 wordt er in meer of mindere mate het meest samen met leveranciers en afnemers een intensivering van de samenwerking met een (figuur 3.10). Op de derde plaats staan branche- diversiteit aan partijen verwacht. Afnemers en verenigingen, gevolgd door collega-bedrijven, leveranciers blijven het meest populair. Bovendien waarmee slechts een kwart van alle bedrijven blijkt dat vooral de bedrijven die al regelmatig regelmatig samenwerkt. Vooral in de papier- en samenwerken een verdere intensivering voorzien. kartonindustrie en de chemische industrie wordt De kans is aanwezig dat de andere bedrijven, weinig samengewerkt met collega-bedrijven. zoals gezegd vooral de kleinere, de boot missen. Overigens is het aantal bedrijven actief in deze sectoren ook beperkt. Uit onderzoek onder de In de huidige veranderende wereld is het voor kunststofindustrie is gebleken dat de belangrijk- ieder bedrijf van belang of de huidige strategische ste redenen voor een lage samenwerkingsgraad koers een goed vooruitzicht biedt op versterking zijn dat men geen informatie uit wil wisselen met of behoud van de positie in de keten. Doorgaan concurrenten en dat de voordelen niet opwegen op dezelfde weg zonder strategische keuzes op tegen de nadelen . Dergelijke zaken spelen in 7 het gebied van schaalgrootte en samenwerking aanzienlijk mindere mate als wordt samengewerkt kan betekenen dat men het op den duur niet meer met leveranciers of afnemers. Met name de laatste bolwerkt. categorie biedt natuurlijk uitgelezen perspectieven om door productontwikkeling op maat uiteindelijk Subsidies samenwerking kennisinstellingen de omzet te vergroten. De samenwerking tussen kennisinstellingen en industriële bedrijfsleven is zoals gezegd gemid- Veel wordt in de media geschreven en aan de deld ondermaats, waardoor veel aanwezige ken- borrel­tafel gesproken over de slechte aansluiting nis onbenut blijft, wat innovatie in de weg zit. van de vaardigheden van schoolverlaters op de Dit wordt ook de overheid erkend en er zijn praktijk in veel branches. Het merendeel van middelen vrijgemaakt voor de lange termijn de werkgevers geeft dan ook aan zelf een brug samenwerking tussen bedrijven en publieke te slaan tussen school en werk door regelmatig instellingen in het kader van het zogenoemde (18%) of incidenteel (33%, niet in figuur opgeno- Smart Mix subsidieprogramma met een jaar- men) met onderwijsinstellingen samen te werken. lijks budget van € 100 mln (meer informatie op Dit verbetert bovendien het imago van industriële www.smartmix.nl). bedrijven bij jongeren. In de scheepsbouwindu- strie werkt zelfs bijna 90% incidenteel of regel- matig samen met scholen. 7 Sectorstudie Kunststofindustrie, november 2005
  • 33. 36 Vernieuwing 4T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 4.1 Technologie Technologieën die anno 2006 een sterke impact hebben, zijn bijvoorbeeld nanotechnologie en Beperkte verhoging RD verwacht b ­ iotechnologie. Slechts eenderde van de bedrijven is van plan de RD-investeringen de komende jaren substantieel Industrie grootste innovator van Nederland te verhogen. Bovendien baart de groep bedrijven Wereldwijd scoort Nederland goed wat betreft die nog steeds weinig aandacht heeft voor innova­ investeringen in RD, maar vergeleken met de tie grote zorgen. Indien na alle aandacht die er is welvarende landen scoort Nederland slechts voor de ondersteuning bij innovatie door instel­ gemiddeld (figuur 4.1). ling gen als Syntens, kennisvouchers en belas­ tingvoordelen nog weinig tot niets op dit gebied Figuur 4.1 RD-intensiteit, 2004, in % van BBP wordt gedaan is het de vraag of deze ondernemers ooit zover komen. Op den duur zal de continuïteit van deze ondernemingen onder druk komen te staan en zullen de vernieuwende bedrijven de slag w ­ innen. De commerciële uitnutting van kennis over nieuwe technologieën door het ontwikkelen van nieuwe producten blijft in Nederland achter. Deels zal dit komen door gebrek aan financieringsmogelijk­ heden, maar ook sociale innovatie speelt hierbij een rol om vernieuwingen een betere voedings­ Bron: IMD 2006 bodem binnen organisaties te laten krijgen. Uit de enquête blijkt geen duidelijke roep om een speci­ Van alle RD-uitgaven is het grootste deel fieke verbetering van overheidsbeleid met betrek­ afkomstig van het bedrijfsleven en iets meer dan king tot innovatie. eenderde van de overheid. Binnen het bedrijfs­ leven is ruim driekwart van de RD-uitgaven Betere concurrentiepositie door innovatie voor rekening van de industrie. Deze investerin- Vernieuwing is cruciaal voor het behouden en gen zijn in tien jaar tijd teruggelopen, maar laten versterken van de Nederlandse concurrentiepositie sinds 2004 weer een lichte stijging zien (SEO, in de huidige dynamische geglobaliseerde wereld. 2006). Hoewel ruim de helft van alle bedrijven Technologische innovaties zijn hierbij van essen- in de industrie actief bezig is met innovatie, is tieel belang. Dit type innovatie is pas écht succes- driekwart van de totale RD-uitgaven afkomstig vol als een behoefte in de markt gekoppeld kan van slechts 5% van de bedrijven (CBS, 2006)! worden aan een nieuw beschikbare technologie. De innovatiebasis van Nederland is wat dat Nieuwe technologie komt voort uit wetenschap- betreft dus smal; als enkele grote op innovatie pelijk en toepassingsgericht onderzoek en ontwik- gerichte industriële bedrijven vertrekken, zal het keling (RD). Nederlandse innovatieve vermogen van de indu-
  • 34. 37 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYstrie snel zijn gemarginaliseerd. Bovendien is dus in de literatuur veelal coördinatieproblemenbijna de helft van de industriële bedrijven niet (men weet elkaar niet te vinden) en gebrek aanactief op vernieuwingsgebied. Dit is een zorgwek- daadwerkelijk durfkapitaal genoemd. Naast dezekend gegeven aangezien Nederland het steeds e ­ xterne factoren zijn er ook bedrijfsinterne facto-meer van vernieuwende activiteiten met een hoge ren van belang; het rendement en de markt wor-toegevoegde waarde moet hebben. Overigens den als te onzeker gezien; de risico’s worden dusis het niet verwonderlijk dat niet alle bedrijven als te hoog beoordeeld (SEO, 2005). BovendienRD-uitgaven registreren. Vooral bij kleine is de vraag of de organisatiestructuur voldoendebedrijven zal vaak sprake zijn van kleine techno- voedingsbodem biedt voor vernieuwing (zielogische verbeteringen die worden doorgevoerd § 4.2).en die niet onder de noemer RD te boek zullenstaan. Figuur 4.2 Reacties op stellingen, in % van respon­ dentenCommercieel succes vernieuwing blijft achterBelangrijker nog dan de input van RD is water uiteindelijk mee tot stand komt. Een manierom het succes te meten is met aangevraagdeoctrooien bij het Europees Octrooibureau (EPO).Nederland scoort hierbij een vierde plaats, naDuitsland, Finland en Zweden. Het aantal aan-gevraagde octrooien is in de afgelopen 10 jarensterk toegenomen, zowel in Nederland als in deandere landen. Overigens vragen vooral grote Bron: Enquête My Industrymultinationals octrooien aan, met name in dec­ hemie, de elektrotechnische industrie en de Impuls innovatie bij eenderde ondernemersmachine-industrie. Meer dan eenderde van de ondernemers in de industrie geeft aan de RD uitgaven de komendeDe inzet van nieuwe technologieën in nieuwe jaren sterk te verhogen (figuur 4.2). Overigens isen verbeterde producten is de indicator waarop dit aandeel bij bedrijven met meer dan 50 werk-c­ ommercieel succesvolle innovatie kan worden nemers aanzienlijk hoger (44%) dan bij kleinebeoordeeld. Het omzetaandeel van technologisch bedrijven (31%). De meerderheid onderschrijftnieuwe en verbeterde producten in de industrie- deze stelling dus niet, wat zorgen baart aangeziensector blijkt in Nederland echter af te nemen technologische innovaties in toenemende mate(CBS, 2006). Dit betekent dat de Nederlandse van belang zijn om de internationale concurrentie‘kennisparadox’ nog steeds opgeld doet: hoewel het hoofd te kunnen bieden. Overigens zijn nietveel nieuwe technologische kennis wordt ontwik- voor alle bedrijven productinnovaties even inte-keld, blijft de commerciële toepassing hiervan in ressant, procesinnovaties zijn wel voor alle bedrij-nieuwe producten achter. Als oorzaken ­worden ven van belang.
  • 35. 38T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Vernieuwing processen en klantenbestand (zie figuur 3.9 van §3.3). Dit betekent dus dat Meer dan eenderde van de respondenten van de de ondernemers meer vertrouwen hebben in hun enquête verwacht dat zijn machinepark in 2010 eigen bedrijf als het gaat om technologische voor minstens de helft bestaat uit nieuwe machi- v ­ ernieuwing, dan in de Nederlandse industrie als nes. Vanzelfsprekend verschilt de gemiddelde geheel. levensduur van machines sterk tussen sectoren. Met name bij de drukkerijen wordt veel vernieu- Innovatie kernpunt overheidsbeleid wing verwacht (56%), terwijl in de scheepsbouw- De overheid heeft een belangrijk aandeel in industrie slechts 18% aangeeft dat de helft van de RD-uitgaven (zie figuur 4.1). Onder meer het machinepark wordt vernieuwd in de komende omdat de financiering van innovaties veelal te vier jaren. risicovol is voor reguliere financiers en uit de markt onvoldoende durfkapitaal beschikbaar is. Voor 2010 verwacht eenderde van de ondernemers Wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten dat hun klantenbestand voor ten minste de helft en andere instellingen komt dan ook vooral voor uit nieuwe klanten bestaat. Dit geeft een indicatie rekening van de overheid, maar onderzoek door van de mate van gedrevenheid van de onderne- bedrijven kan tevens op een bijdrage van de over- mers, maar ook de vernieuwingsgezindheid voor heid rekenen (van gemiddeld zo’n 15% van de zover ook nieuwe markten worden aangeboord. kosten). Daarnaast wordt het innovatieklimaat voor een belangrijk deel bepaald door het ­stelsel Internationale concurrentie op innovatie van wetten en regels die gelden, bijvoorbeeld Het streven om iedere activiteit op de meest met betrekking tot octrooien en intellectueel geschikte locatie op de wereld uit te laten voeren eigendom. Zo zijn de kosten van octrooien in blijft niet beperkt tot productie-activiteiten. Ook Nederland en Europa vijfmaal zo hoog als in de onderzoek en ontwikkeling komen in aanmer- VS, wat voor een concurrentienadeel zorgt. king voor verplaatsing. Zo kan door verplaatsing van productie het aantrekkelijker worden om de Zaken die in 2006 prioriteit hebben, onder meer RD dicht bij de nieuwe productielocatie uit te voortvloeiend uit de Industriebrief, zijn verbete- voeren. Eenderde van de ondernemers is het met ring van de kennisverspreiding naar het MKB (via deze stelling eens (figuur 4.2). Een grotere groep onder meer innovatievouchers, innovatieprestatie- respondenten deelt deze mening echter niet, al contracten en uitbreiding van de WBSO), innova- verwacht maar een heel klein deel dat Nederland tieprogramma’s en toponderzoek. de technologische voorsprong op opkomende landen vergroot (figuur 4.2). Ondernemers die Uit de enquête blijkt dat eenderde van de onder- globalisering als bedreiging ervaren zijn nog iets nemers voor meer subsidies voor innovatie in minder positief over de Nederlandse RD-positie. bedrijven is (zie figuur 2.12 in §2.3). Overigens Technologische vernieuwing wordt niettemin door is een net zo grote groep de mening toegedaan dat een licht toenemend aandeel respondenten (29% subsidies beter kunnen worden afgeschaft in com- in 2006 naar 34% in 2010) gezien als aspect dat binatie met lagere belastingdruk. Het animo voor het eigen bedrijf van concurrenten onderscheidt meer of betere technologische instituten of betere
  • 36. 39 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYtoegang daartoe is met resp. 14% en 18% aan- verhoudingen, met als doel het verbeteren van dezienlijk lager en leeft aanzienlijk sterker binnen effectiviteit of efficiency. Om sociale innovatiede grote bedrijven dan bij de kleinere. De vraag is van de grond te krijgen is het van belang dat erof in de toekomst vooral moet worden ingezet op een gedragsverandering plaatsheeft bij onderne-ieder bedrijf gelijke kansen geven bij innovatie, mer en medewerkers. Om dat te bereiken zal ookof prioriteit geven aan enkele technologieën of de houding van betrokkenen binnen het bedrijfclusters via ‘picking the winners’ waarbij enkele moeten veranderen. Sociale innovatie wordtindustriële boegbeelden worden gekozen. Door de tegenwoordig vaak gelijk gesteld met andere vor-keuze voor sleutelgebieden is sinds enkele jaren men van innovatie, zoals technische innovatie. Ditdit laatste het geval. is niet helemaal correct. Sociale innovatie vormt namelijk veel meer een middel om andere vormen4.2 Sociale innovatie van vernieuwing te stimuleren.Sociale innovatie loont Sociale innovatie en nieuwe ideeënOm de internationale concurrentie het hoofd te Een voorbeeld van sociale innovatie is het stimu-bieden is naast een hoog opleidingsniveau een leren van ideeën, om zo vernieuwing aan te moe-optimaal gebruik van creativiteit in toenemende digen. De gedachte hierbij is dat iedere innovatiemate van belang. Dit geldt zowel voor de stroom begint met een idee. Medewerkers vormen denieuwe ideeën van eigen werknemers als voor de belangrijkste bron van ideeën. Voor het continue-inzet van aanbieders van creatieve diensten als ren en doorgroeien van het bedrijf is het daaromontwerpbureaus. van groot belang dat nieuwe ideeën er rijkelijk stromen. Zeker in het MKB gaat het doorgaansWat betreft het eerste is vooral van belang dat niet om ideeën die de wereld op zijn kop zetten,bedrijven inzien wat sociale innovatie en het maar veel meer om ‘kleinere’ ideeën, die MKB-benutten van de creativiteit van de eigen mede­ ondernemers in staat stellen om tegen geringewerkers hun te bieden heeft. Dat een goede voe­ kosten toch vernieuwend te zijn.dingsbodem voor vernieuwing ontstaat. Dit vraagtom een actievere rol van branche-organisaties en Ruimte voor nieuwe ideeënoverheid om de commerciële mogelijkheden tussen Niet alleen ruimte om bestaande ideeën bovende oren van de ondernemers te krijgen en ervoor water te krijgen is van belang, maar ook om hette zorgen dat deze ook worden benut. Sociale stimuleren van nieuwe ideeën. Bijvoorbeeld doorinnovatie gericht op het beter benutten van het verminderen van regels en procedures opc­ reativiteit kan bijvoorbeeld plaatsvinden door de werkvloer, met als doel het vergroten van dehet instellen van een ideeënmanager. Deze heeft flexibiliteit van medewerkers. En het belonen vanals taak het stimuleren van nieuwe ideeën en het teamprestaties in plaats van individuele presta-behandelen en bewaken van ingediende ideeën. ties, waardoor onderlinge kennisuitwisseling en kruisbestuiving wordt gestimuleerd. Dit daagtWat is sociale innovatie eigenlijk? medewerkers uit om kansen en oplossingen vanuitSociale innovatie is het vernieuwen van arbeids- een andere hoek te bekijken. Daarnaast zorgt ken-
  • 37. 40T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY nisdeling ervoor dat bruikbare ideeën beter toe- aandacht krijgen in vakbladen en tijdens bijeen­ pasbaar zijn omdat het eindproduct vanuit meer- komsten om meer ondernemers te bereiken. dere vakgebieden is bestudeerd. In het verlengde hiervan ligt het vergroten van de diversiteit van Vernieuwing door design het personeelsbestand. Het confronteren van men- Eén van de manieren waarop creativiteit tot uiting sen met verschillende meningen is van belang kan komen is door design. Design kan zowel om buiten het bestaande denkkader te treden. Dit ingezet worden voor de (buitenkant van) produc- voorkomt ook het vastroesten van medewerkers en ten als zaken als verpakkingen en communicatie- de onderneming. uitingen (website, ‘corporate identities’). Bij de huidige veranderende markt is design één van de Ook het vergroten van de zelfwerkzaamheid, onderscheidende factoren in de concurrentie met verantwoordelijkheid en beslissingsbevoegdheid andere (internationale) bedrijven en kan hiermee van medewerkers biedt meer ruimte voor ideeën worden gezien als onderdeel van de ‘marketing- omdat zij de mogelijkheid krijgen om het proces mix’ van industriële bedrijven. om een andere manier in te vullen. Dit zorgt er bovendien voor dat de betrokkenheid van mede- Het aandeel industriële ondernemers dat design werkers bij het bedrijf wordt vergroot. Ook het (vormgeving) tot de top drie onderscheidende aanbieden van aanvullende opleidingen en trai- aspecten rekent is echter nog slechts 3% en stijgt ningen draagt hieraan bij. Het belang hiervan ook nauwelijks in de aanloop naar 2010 (zie wordt overigens ook door de ondernemers erkend, §3.3, figuur 3.8). In internationaal opzicht blijkt aangezien bij driekwart van de ondernemingen Nederland bovendien slecht te scoren als het gaat p ­ ersoneel trainingen en opleidingen volgt (zie om het doorvoeren van niet-technologische inno- figuur 3.3 van §3.1). vaties op het gebied van marketing en esthetische productaanpassingen (CBS, 2006). 4.3 Design Samenwerking met creatieve industrie Verhoging inzet design biedt kansen Bij het inzetten van design kunnen industriële Design wordt slechts beperkt ingezet in de indu­ ondernemingen gebruik maken van de creatieve strie, zowel in 2006 als in de aanloop naar 2010. bedrijfssectoren (kunst- en erfgoedsector, media Voor zover de beperkte inzet te wijten is aan en entertainment en creatieve zakelijke dienst- onbekendheid met de mogelijkheden die design verlening). Deze zijn, in internationaal opzicht, biedt is het van belang de bekendheid te vergro­ goed ontwikkeld. Vooral de ‘game’ industrie en ten. Hoewel het niet in iedere markt even relevant ‘content’ ontwikkeling (‘web design’) doen het is, kan design immers wel degelijk toegevoegde goed. Niettemin zijn er een aantal knelpunten, waarde bieden en hierdoor het verschil maken. zoals onvoldoende aandacht voor de commerciële exploitatie van ideeën en onvoldoende samen­ Design en de mogelijkheden van samenwer­ werking tussen creatieve beroepen en het bedrijfs- king met creatieve bedrijven zouden een grotere leven. Overigens is kennis een basisvereiste voor rol moeten spelen tijdens opleidingen en meer het gebruik maken van creativiteit in de industrie,
  • 38. 41 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYwaar de productieprocessen en –producten veelal van het vorige hoofdstuk blijkt dat slechts een-complex zijn en hoge kwaliteitseisen gelden. vijfde van de ondernemers verwacht meer samenHierdoor doemt als knelpunt op dat er onvol- te gaan werken met ontwerpbureaus en dan vooraldoende aanwas is van medewerkers met zowel een degenen die al samenwerken. Van de niet samen-creatieve als technische achtergrond. werkende bedrijven is slechts 5% van plan dit in de toekomst met ontwerpbureaus te gaan doen.Potentieel design onderbenut in industrie Veel ondernemers laten deze mogelijkheid dusHet aandeel ondernemers in de enquête dat vooralsnog links liggen als mogelijk ‘wapen in dedesign van essentieel belang vindt is anno 2006 strijd’ tegen marktaandeelverlies door de snellenog beperkt. Meer dan een kwart vindt het zelfs opkomst van landen in Midden- en Oost-Europaonbelangrijk. Met name bedrijven die een eigen en Azië. Hier is een duidelijke rol weggelegdeindproduct voortbrengen (OEM’ers) maken voor brancheorganisaties en de overheid, ookgebruik van design, al blijft het verschil met de door technici al vroegtijdig (tijdens de opleiding)rest beperkt. Uitzondering hierop is de drukkerij- bekend te maken met de mogelijkheden.sector, waarvoor design van groot belang is, metname omdat de hoogwaardige grafische industrie Industrial design meest interessantveel samenwerkt met hoogwaardige grafische Design wordt door de ondernemers het meestontwerpers. Aan de andere kant van het ­spectrum belangrijk geacht voor productontwikkeling,staat de chemie, vooral voor bedrijven in de vooral in de transportmiddelenindustrie, maarbasischemie is design minder van belang. aanzienlijk minder bij drukkerijen (figuur 4.4). Wederom geldt dit met name voor OEM’ers, aan-Figuur 4.3 Belang design in de eigen markt in 2010, in gezien deze verantwoordelijk zijn voor een eigen% van respondenten eindproduct. ‘Advertising’ en de eigen website zijn tevens zaken waarvoor design van groot belang is als het gaat om industriële bedrijven. In de voedings- en genotmiddelenindustrie volgt Figuur 4.4 Belangrijke rol design in proces in 2010, in % van respondentenBron: Enquête My IndustryVoor 2010 wordt de rol van design aanzienlijkgroter geacht, ondernemers zien dus meer moge-lijkheden (figuur 4.3). Op basis hiervan zoueen toename in de mate van samenwerking meto­ ntwerpbureaus worden verwacht. Uit figuur 3.10 Bron: Enquête My Industry
  • 39. 42T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY logischerwijs het verpakkingsontwerp kort hierop, Figuur 4.5 Stelling: De kwaliteit van Nederlands design terwijl dit in andere sectoren minder belangrijk is. voldoet aan de eisen van mijn bedrijf, daarvoor hoef Richting 2010 neemt het belang van design voor ik niet naar het buitenland, in % van de bedrijven die de genoemde zaken in meer of mindere mate toe. design daadwerkelijk van belang vinden De sterkste verschuiving vindt plaats bij externe communicatie. De kwaliteit van het Nederlandse design wordt door het merendeel van de ondernemers die aan- geven design van belang te vinden voldoende geacht, zodat design niet in het buiten land hoeft te worden gekocht (figuur 4.5). Slechts 8% is het hiermee oneens. Dit geeft aan dat de Nederlandse Bron: Enquête My Industry positie op (industrieel) design gebied sterk is. Een oproep derhalve aan de Nederlandse industrie om Overheid verbindende rol industrie en creatieve sector hier meer gebruik van te maken. Een betere benutting van de economische potentie van de creatieve klasse is onderwerp van over- heidsbeleid. De overheid heeft de taak op zich genomen om barrières voor samenwerking door onbekendheid met elkaars mogelijkheden te verla- gen. Daarnaast is het van belang dat de overheid zorg draagt voor bescherming van intellectueel eigendom als prikkel voor creatieve prestaties. Vooral door ICT wordt dergelijke bescherming steeds lastiger.
  • 40. 44 Duurzaamheid 5T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 5.1 Kansen door duurzaamheid aan de thema’s mens en innovatie zitten duurzaam­ heidsaspecten. Duurzaamheid is ‘people, planet, Economische noodzaak duurzaamheid profit’. Het gaat niet alleen over milieu, maar ook Aandacht voor duurzaamheid bij het ondernemen over beleid ten aanzien van medewerkers (diver- in de industrie loont, het gaat niet alleen om siteit, voorkoming ziekteverzuim) en klanten en ‘people’ and ‘planet’ maar ook om ‘profit’. Zowel leveranciers (normen voor zakendoen), werken vanuit de hoek van besparingen als het realiseren aan maatschappelijk relevante producten en is van van nieuwe opbrengsten zijn de voordelen zicht­ invloed op de winst. baar. Zeker aangezien door de toegenomen vraag vanuit de snelgroeiende ontwikkelingslanden de Duurzaamheid binnen het ondernemen kan grondstof- en energieprijzen sterk zijn gestegen en van verschillende hoeken worden benaderd het milieu steeds meer onder druk komt te staan. (figuur 5.1). De visie op duurzaamheid schuift langzamerhand steeds meer op van ‘hoort’ en Duurzaamheid wordt door een meerderheid van ‘moet’ naar ‘loont’, ofwel een duurzame winst en de industriële ondernemers inderdaad als kans bedrijfseconomische resultaten gaan juist goed gezien. Niettemin is er tevens een grote groep samen. (40%) die aangeeft niet te weten of dit het geval is of duurzaamheid niet van belang acht voor zijn Figuur 5.2 Is de toenemende aandacht voor duurzaam­ bedrijf. Hier is dus werk aan de winkel voor over­ heid voor uw bedrijf een kans of een bedreiging? In % heid en brancheorganisaties om de mogelijkheden van het aantal respondenten van duurzaamheid beter tussen de oren te krijgen en hiervan een bewuste keuze te maken. Duurzaamheid raakt elk thema Economie kan niet los worden gezien van milieu en sociale kwaliteit. Zowel aan globalisering als Figuur 5.1 Schematische weergave visie op d ­ uurzaamheid Bron: Enquête My Industry Meerderheid ziet kans in duurzaamheid Een ruime meerderheid van bedrijven in de indu- strie ziet duurzaamheid dan ook als een kans voor de toekomst. Wat dit betreft bestaat er geen verschil tussen grote en kleine bedrijven. Ook tussen de diverse sectoren binnen de industrie zijn de verschillen beperkt; al ziet de chemische industrie het beduidend vaker als kans dan de metaalproductenindustrie of drukkerijen. Een Bron: EIM grote groep (40%) zegt desondanks niet te weten
  • 41. 45 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYof duurzaamheid als kans of als bedreiging moet zien in nieuwe (latente) behoeften bij afnemers.worden gezien of het niet van toepassing vindt Hetzij door het milieuvriendelijke karakter vanop zijn bedrijf. Dit betekent in dat bij het ver- het product, hetzij door puur de kwaliteit van hetgroten van de bewustwording over de betekenis product. Dit draagt bij aan omzetvergroting ofvan duurzaamheid in de veranderende wereld in margeverbetering.toenemende mate rol is weggelegd voor over-heid en brancheorganisaties. Overigens zijn de De verwachting is bovendien dat de markt voormeeste brancheorganisaties in de industrie al in milieugoederen- en diensten sterk zal groeien inmeer of mindere mate actief op dit gebied. Enkele de komende jaren. Snelgroeiende economieënvoorbeelden hiervan zijn het ‘Responsible Care’ als China en India hebben in toenemende mateProgramma van de VNCI en de inspanningen met milieuproblematiek te maken. Na jaren vanvan de Federatie NRK om duurzaamheid bij haar ongeremde groei staat een milieuvriendelijkeleden onder de aandacht te brengen. o ­ ntwikkeling steeds hoger op de agenda. Dit biedt vroeger of later mogelijkheden voor voorlopers inBesparing door duurzaamheid milieutechnologie om hier exportproducten van teDuurzaam ondernemen in de industrie is een bron maken. ‘First-mover’-effecten zijn hierbij dus vanvoor besparingen. Hiertoe horen bijvoorbeeld belang.ecologisch en economisch-effectieve innovaties,die met de duurder worden grondstof- en energie- Door te investeren in duurzame innovatie wordenprijzen aan belang winnen. dus nieuwe markten aangeboord met veel poten-Nederland heeft relatief veel zware, energie inten- tie voor de toekomst. Het past bovendien in desieve, industrie. Om de energiekosten niet teveel transformatie van de industrie naar een meer opop te laten lopen is de inzet van energie-efficiënte k ­ ennis- en diensten gerichte sector.middelen als warmtekrachtkoppeling groot en ligtde energie-efficiëntie boven het EU-15 gemid- Continuïteit door duurzaamheiddelde. De maatschappelijke druk op bedrijven om duur- zaam te ondernemen neemt toe. DuurzaamheidInvesteringen in verbeteringen in het productie­ speelt een steeds grotere rol bij de totstand-proces, zodat de werkzaamheden minder belastend koming van het imago van een onderneming.zijn voor het personeel, leiden tot een verlaging Wanneer niet wordt voldaan aan de verwachtingenvan het ziekteverzuim en besparen verzuimkosten. met betrekking tot duurzaamheid die gebaseerd zijn op Nederlandse normen (uitbuiting werk­Besparingen zijn ook te realiseren doordat moge- nemers, lozingen van afvalstoffen) kan dit delijke toekomstige kosten aan gerechtelijke claims reputatie van de onderneming schaden.worden voorkomen. In feite is hierbij sprake vande preventie van nadelige effecten. Een slechte reputatie op het gebied van duurzaam ondernemen speelt het imago van een sector ofNieuwe opbrengsten door duurzaamheid bedrijf bovendien parten bij het aantrekken vanDuurzaam geproduceerde goederen kunnen voor- goed en gekwalificeerd personeel.
  • 42. 46T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 5.2 Milieu en imago staal- en aluminiumindustrie, de papier- en de bouwmaterialenindustrie. Enerzijds vanwege het Duurzame toekomst door vernieuwing energie-intensieve karakter (olie, cokes, aardgas), Het imago van de industrie op milieugebied doet anderzijds vanwege de soms gevaarlijke stof- over het algemeen onvoldoende recht aan de fen die in het productieproces tot stand komen. daadwerkelijke inspanningen op het gebied van Daarom zijn stoffenbeheer, water- en luchtzuive- onder meer afval-, energie- en emissiebeheer. ring en veiligheid belangrijke aandachtspunten Naast verplichte activiteiten om de milieubelas­ van zowel de basisstoffenindustrie als de overheid ting te verlagen, zoals investeringen vanwege (op verschillende niveaus). Door technologische milieuwetgeving, heeft 60% van de innovaties een innovatie kunnen economische groei en milieu- positieve milieucomponent. Duurzaamheid hangt belasting steeds meer worden losgekoppeld. Zo dus sterk samen met innovatie. blijkt dat ca. 60% van de innovaties positieve milieu-effecten genereert, bijvoorbeeld door de Innovaties zullen in de toekomst steeds vaker introductie van lichtgewicht materialen wordt op duurzame componenten hebben. Enerzijds komt grondstoffen bespaard 8 . Hoge energieprijzen dit door maatschappelijke en politieke druk, (door schaarste of beleid) hebben ­technologische anderzijds door de bedrijfseconomische voorde­ ontwikkelingen op het gebied van energie­ len die hiermee kunnen worden behaald. Gezien besparing tot gevolg. De energie-efficiënte van de de verwachte stijging van de vraag naar milieu­ Nederlandse basisstoffenindustrie behoort tot de goederen en diensten vanuit de zich ontwik­ top van de wereld. Binnen de wereldwijde Dow kelende wereld ontstaat nog een extra impuls. Jones Sustainability Index voor chemiebedrijven Nederlandse industriële bedrijven zullen hier staan dan ook twee Nederlandse bedrijven boven- optimaal op in kunnen spelen, als de huidige aan (DSM en Akzo Nobel). opgebouwde voorsprong behouden blijft. Dit vraagt wel een pro-actieve aanpak van de onder­ De vraag naar basisstoffen wordt beïnvloed door nemer en niet één waarbij wordt gewacht op het verbeterde gebruik van de basisstoffen in de wetgeving alvorens eco-efficiënte mogelijkheden verwerkende productieschakels in de verschil- benut worden. lende industriesectoren. Bij de gebruikers wordt veel geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling Milieu en duurzame industrie om grondstoffen efficiënter te benutten. Door Zoals eerder bij imago aan de orde is geweest betere energie-efficiëntie en betere benutting van staat de industrie bij een groot deel van het materialen stijgt het materiaalverbruik in kilo- publiek nog steeds bekend als vervuilend en vies. grammen ongeveer 0,5%-1% minder dan de reële In hoeverre is dit in Nederland nu ook nog daad- bruto productie. werkelijk het geval? Sterke EU-invloed op wetgeving De milieuproblematiek concentreert zich vooral Ongeveer tweederde van alle ­milieuwetgeving rond de basisstoffenproductie; de basischemie, is op EU-niveau, veelal nader uitgewerkt in 8 MNP, Milieubalans 2005
  • 43. 47 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYNederlandse wetgeving. Vanaf 1994 zijn er duurzame kapitaalgoederen) die het gevolg zijnMeerjarenafspraken (MJA) met het bedrijfsleven van maatregelen waarmee bescherming, herstel ofop dit terrein gemaakt. De Nederlandse overheid verbetering van het milieu wordt beoogd. Zoalsheeft in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan in figuur 5.3 zichtbaar is, zijn deze sinds 2001milieudoelstellingen geformuleerd. Om deze enigszins teruggelopen. De chemie is binnen dete behalen heeft het Ministerie van VROM industrie de sector met de hoogste milieu-inves-c­ onvenanten afgesloten met de industrie. Dit teringen en netto milieukosten. De netto milieu-geeft bedrijven de ruimte om zelf de beste milieu­ kosten zijn de afgelopen jaren vrijwel gelijkaanpak te ontwikkelen, onder meer voor het gebleven.terugdringen van emissies. Terugloop emissies zichtbaarMilieu-investeringen en -kosten De hoeveelheid bedrijfsafvalstoffen van de indu-Bij milieu-innovaties gaat het om het boeken strie is in 2005 teruggelopen met bijna 200.000van milieuwinst, naast bedrijfseconomische ton ten opzichte van 2004 en komt op 17 miljoenwinst. Steeds vaker wordt gebruik gemaakt van ton. In bijna alle industriesectoren werd in 2005de afvalproducten van het ene bedrijf als input 85% of meer van het afval opnieuw gebruikt.voor andere of dezelfde bedrijven; bijvoorbeeld Wat CO2 emissies betreft stootte de industrie inCO2, restwarmte of hergebruik van afgedankte 2005 ca. 20% minder uit dan in 1990. Overigensproducten. Ook gaat bijvoorbeeld groenteresidu is zowel de uitstoot van de energiesector als hetuit de vg-industrie als voer naar veehouderijen. verkeer groter dan die van de industrie. Ook voorMilieu-investeringen zijn extra investeringen (in emissies van andere stoffen geldt dat de industrie een grote slag gemaakt heeft in de afgelopen 15Figuur 5.3 Netto milieukosten en milieu-investeringen, jaren (figuur 5.4). In de chemie waren bijvoor-in € mln, 2001-2004 beeld in 2004 voor 18 van de 29 milieubelastende stoffen al de doelstelling voor 2010 behaald. Dit Figuur 5.4 Ontwikkeling emissies industrie, in mln kg, 1990-2005Bron: CBS Bron: CBS
  • 44. 48T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY alles betekent niet dat nu tevreden achterover kan duurzaam ondernemen te stimuleren, maar dat dit worden geleund. Het verder terugdringen van de weinig zoden aan de dijk zet als in andere landen negatieve effecten van het produceren van goede- bedrijven het niet zo nauw nemen met het milieu ren en diensten blijft noodzakelijk om ook op de (en werknemers). lange termijn, ofwel duurzaam, te kunnen blijven produceren. Bij de eigen inkoop van industriële bedrijven in lagelonenlanden zijn ethische overwegingen op Productmonitoring en -veiligheid milieugebied in toenemende mate van belang. Door een product vanaf de grondstofwinning tot Hier liggen immers over het algemeen de ­grootste aan het weggooien te beoordelen op de milieu­ milieurisico’s met de daaraan gerelateerde repu- effecten ontstaat zicht op de totale milieubelas- tatieschade. Een bedrijf als ASML onderzoek ting (‘lifecycle’ analyse). Steeds meer bedrijven bijvoorbeeld periodiek de milieuaspecten van de onderwerpen hun producten aan een dergelijk afgenomen goederen en diensten, beoordeelt de analyse en proberen verbeterpunten te vinden. prestaties van toeleveranciers en verbindt hieraan Ook brancheorganisaties kunnen bedrijven hier- ook consequenties. bij ondersteunen met (management)instrumenten zoals Productgerichte Milieuzorg (FME-CWM) en 5.3 Sociaal gezicht industrie milieugerichte productontwikkeling (Metaalunie). In de kunststofverwerkende industrie wordt door Winst door in te zetten op medewerkers 70% van de NRK leden onderzoek gedaan naar Industrie heeft niet het beste imago als sector. minder milieubelastende producten. Vaak leeft nog een onterecht beeld van vies en gevaarlijk werk. Niettemin is tweederde van ‘First-mover’ voordelen de werknemers in de industrie tevreden met de Naarmate meer landen overgaan op een streng arbeidsomstandigheden, wat nauwelijks onder het milieubeleid (zoals Singapore, koploper in Azië) gemiddelde voor alle sectoren ligt. zullen bedrijven in landen die hier al langer mee te maken hebben, zoals Nederland, hier voordelen ‘Goed’ omgaan met medewerkers draagt bij aan bij hebben. Zolang dit echter nog niet het geval het optimaal benutten van de capaciteiten van is, kunnen bedrijven in een strenger regime niet- medewerkers. Het leidt onder meer tot een lager temin concurrentienadelen ondervinden van dit ziekteverzuim en een sterkere commitment met het ongelijke speelveld. bedrijf en kan op die manier via hogere produc­ tiviteit tot hogere winsten leiden. Ditzelfde geldt Globalisering en duurzaamheid voor de diversiteit van het personeelsbestand, Een ondernemer die de enquête heeft ingevuld die overigens slechts bij ruim eenderde van de gaf aan dat importbeperkingen zouden moeten bedrijven(voornamelijk grotere) toeneemt in de worden opgelegd op basis van het overtreden van aanloop naar 2010. milieunormen (en arbeidsomstandigheden) bij de productie. Dit geeft het gevoel weer dat de Menselijke kant van duurzaamheid Europese landen er wel alles aan kunnen doen om Tot de menselijke kant van duurzaamheid beho-
  • 45. 49 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYren onder meer goede arbeidsomstandigheden Ontwikkeling medewerkers loont(gezondheid, veiligheid) een goede beloning en Het hoge aandeel ondernemers (tweederde) datontwikkelingsmogelijkheden, maar ook diversiteit aangeeft dat zijn personeel regelmatig opleidin-van het personeelsbestand (ouderen, vrouwen, gen of trainingen geniet, geeft aan dat de ontwik-allochtonen). keling van werknemers hoog op het prioriteiten- lijstje staat van ondernemers (figuur 3.3 in § 3.1).Ook het rekening houden hoe deze aspecten bij In verschillende CAO’s in de industrie zijn overketenpartners zijn geborgd, zowel binnen maar dit onderwerp afspraken gemaakt. Ook voor ditvooral buiten Nederland, wordt hierbij steeds aspect van duurzaam omgaan met medewerkersbelangrijker. Vooral bij het zakendoen met snel- geldt dat hiervoor niet zozeer vanwege maat-groeiende (ontwikkelings)landen is het niet van- schappelijke overwegingen wordt gekozen, maarzelfsprekend dat de arbeidsomstandigheden bij vanwege de verwachte positieve uitwerking op hettoeleveranciers door de beugel kunnen. bedrijfsresultaat.Verbetering veiligheid en gezondheid Figuur 5.5 Verwachte ontwikkeling van de diversiteitDe veiligheid en gezondheid van medewerkers in het bedrijf tot 2010, naar bedrijfsgrootte, in % vanis geregeld in arbeidsomstandighedenwetgeving, respondentenmaar ook in diverse convenanten die in verschil-lende bedrijfstakken zijn afgesloten en initiatie-ven van bedrijven zelf (bijvoorbeeld het tegen-gaan van geluidsoverlast of ergonomisch optimalewerkplekken).Tweederde van de werknemers in de industrie istevreden met de arbeidsomstandigheden (CBS,juni 2006). Hiermee scoort de industrie fractio­ Bron: Enquête My Industryneel lager dan gemiddeld in het bedrijfsleven(69%). Het ziekteverzuim ligt gemiddeld in deindustrie ruim een procentpunt hoger dan gemid- Diversiteit personeelbestanddeld in het bedrijfsleven (in 2004 5,9% resp. Een onderwerp dat steeds meer aandacht krijgt4,6%). Wat deze aspecten betreft is er dus nog in de media en in relatie met sociale innovatieverbetering mogelijk. is diversiteit. Diversiteit in leeftijd, geslacht en culturele of opleidingsachtergrond komt de cre-Vrijwel alle brancheorganisaties zijn actief om ativiteit bij bedrijven ten goede. Een bijzonderede veiligheid en gezondheid binnen industriële positie neemt in dat verband buitenlands toptalentondernemingen te verbeteren. Een veelgebruikt in. Een opvallend groot deel van de industriëleinstrument is het afsluiten van arboconvenanten, bedrijven in Nederland verwacht niettemin geenbijvoorbeeld voor het werken met oplosmiddelen verandering in de diversiteit van het personeels-in de grafische sector. bestand de komende jaren (figuur 5.5). Ongeveer
  • 46. 50T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY eenderde verwacht wel een lichte stijging op ­korte bedrijven relatief groter dan bij kleine bedrijven termijn en slechts een paar procent verwacht een in de Nederlandse industrie. Bij het merendeel sterke stijging in de diversiteit. Grote bedrijven van de (vooral kleinere) bedrijven is dus nog een blijken daarbij relatief meer diversiteit in het per- culturele omslag te maken wil men, gezien de soneel verwachten dan kleinere bedrijven. Ook verwachte schaarste aan talent, klaar zijn voor de de mate van toename in de diversiteit is bij grote toekomst.
  • 47. 6 Sectorspecifieke perspectieven 51 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY6.1 Rubber- en KunststofindustrieDit perspectief voor de rubber- en kunststofindustrie is onderdeel van het rapport My Industry, DutchManufacturing 2010. Het bestaat uit een SWOT afkomstig van de NRK (www.nrk.nl, 070-4440660)en de belangrijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor de rubber- en kunststofindustrie (160respondenten). De sector (SBI-code 25) bestaat uit ca. 625 bedrijven met meer dan 5 werknemers (4%van alle industriële bedrijven van deze grootte).Sterke mate van samenwerking in de keten van de rubber- en kunststofindustrie biedt kansen richting 2010SWOT Sterkten Zwakten - Grote afzetmarkt klein geografisch gebied - Slechte samenwerking in de keten - Steeds grotere verantwoordelijkheid binnen de keten - Druk op marges, prijsverhogingen kunnen moeilijk - Flexibele internationaal georiënteerde onder­ worden verdisconteerd nemingen - Relatieve afwezigheid duwende bedrijven qua - Creativiteit in Nederland i ­nnovatie - Ondernemerschap en sterke beleving van duurzame - Onvoldoende samenwerking bedrijven op gebied van ontwikkeling innovatie, RD en ontwikkeling - Hoog moraal ethiek; zeer hoge leveringsbetrouw- - Onderwijs onvoldoende marktgericht baarheid - Hoge loonkosten en geringe flexibiliteit arbeid - Innovatie en kennis binnen Nederlandse industrie - Onvoldoende aandacht voor industrie vanuit - Innovatieve productiemethoden gedreven door hoge o ­ verheid loonkosten - Industrie is niet sexy om in te werken - Fantastische bereikbaarheid/ligging Kansen Bedreigingen - Samenwerkingsverbanden op innovatief gebied in de - Verdwijning van de maakindustrie uit NL voortbrengingsketen (horizontaal) - China wordt dominante markt en dus productie­ - Nauwere samenwerkingsverbanden met andere platform voor andere markten. k ­ etenpartners - Rationalisering van het leveranciersbestand door - Ontwikkelen van (éénmalige) dedicated samen­ afnemers werkingsverbanden middels synergetische allianties - In innovatietrajecten vaak ‘te weinig blik naar (samen risico dragen door investeren) b ­ uiten’ - Logistieke kennis beter uitnutten - Snelle stijging grondstofprijzen. - Gebruik maken van de sterktes uit beide werelden - Concurrentievervalsing in Europa (matrijzen uit China voor productie in Europa). - Het Nederlandse industriebeleid lijkt zich - ook - Nieuwe afzetmogelijkheden ontwikkelende landen nu nog - alleen te willen richten op de high-tech - Materiaalinnovaties en combinaties, nieuwe vormen s ­ ectoren en niet op andere kansrijke Nederlandse en toepassingen; nieuwe productietechnieken industriële erfstukken. - Dutch Design heeft internationale faam en biedt - Hoge loonkosten kansen voor nieuwe Nederlandse producten - Nederland wordt steeds meer gedicteerd door - Groeiende aandacht voor duurzaamheid (incl. Europa/Brussel r ­ ecycling), veiligheid en hygiëne - Verder afnemende belangstelling voor techniek bij de jeugd.
  • 48. 52T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Sectorspecifiek toekomstprofiel Figuur 6.1.2 visie op globalisering, in % van respon­ In de aanloop naar 2010 schuiven veel onderne­ denten mingen in de sector op richting system supplier en in mindere mate OEM’er (figuur 6.1.1). Dit gaat vooral ten koste van het aantal parts suppliers. Figuur 6.1.1 Verdeling naar type bedrijf, 2006 en 2010, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry renten (figuur 6.1.3). De rubber- en kunststof- industrie zet hier sterker op in dan gemiddeld in de industrie. De komende jaren blijft flexibiliteit belangrijk, maar zullen ook partnerships, tech- nologische vernieuwing en het bieden van totaal­ oplossingen aan belang winnen. Bron: Enquête My Industry Figuur 6.1.3 Onderscheidende aspecten, in % van r ­ espondenten De rubber- en kunststofindustrie trekt niet weg uit Nederland. De belangrijkste reden om een verhui- zing naar het buitenland te overwegen blijkt hoge loonkosten te zijn. Een uitbreiding van dienst- verlening staat niet hoog op de agenda. Zo geeft bijna 80% van de bedrijven aan nauwelijks tot geen omzet uit dienstverlening te halen en hier de komende jaren nauwelijks verandering in te zien. Globalisering wordt door een minderheid van de ondernemers vooral als kans gezien (figuur 6.1.2). Vaker dan gemiddeld in de industrie ziet men echter een bedreiging in de toenemende g ­ lobalisering. Flexibiliteit blijkt het belangrijkste aspect te zijn waarin bedrijven zich onderscheiden van concur­ Bron: Enquête My Industry
  • 49. 53 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYHet gebrek aan gelijk speelveld en de hoge ener­ Figuur 6.1.5 Activiteiten ter verbetering van het eigengieprijzen spelen, zoals uit de SWOT al blijkt, imago, in % van respondenteneen grote rol in de sector. Ruim de helft van deondernemers geeft aan dat de concurrentiepositiehier onder te lijden heeft (figuur 6.1.4).Figuur 6.1.4 Stelling energieprijsstijgingen en een ge­brek aan gelijk speelveld doen de concurrentiepositievan mijn bedrijf verslechteren, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry De rubber- en kunststofindustrie werkt vooral samen met afnemers (figuur 6.1.6). Regelmatige samenwerking met collega-bedrijven vindt aan- zienlijk minder vaak plaats; met collega’s wordt vooral incidenteel samengewerkt (ruim 50%, nietBron: Enquête My Industry in figuur opgenomen).Ruim 60% van de bedrijven in de sector is actief Figuur 6.1.6 Regelmatige samenwerking naar partner,met training en opleiding van werknemers, dit is in % van respondenteniets minder dan gemiddeld in de industrie. Uit deSWOT blijkt het belang van kennis en ­scholingals basis voor de toekomst van de industrie.Beschikbare kennis wordt te weinig gebruikt ende rubber en kunststofindustrie werkt onvoldoendesamen met onderwijsinstellingen. Dit blijkt nogeens uit figuur 6.1.5; in de sector wordt relatiefweinig gedaan om het imago te verbeteren als hetgaat om stageprogramma’s en samenwerking metscholen en andere kennisinstellingen. Enkel hetaantal rondleidingen is in de rubber- en kunststofin-dustrie gemiddeld hoger dan in de totale industrie. Bron: Enquête My Industry
  • 50. 54T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 6.2 Voedings- en genotmiddelenindustrie Dit perspectief voor de voedings- en genotmiddelenindustrie (vg-industrie) is onderdeel van het rap- port My Industry, Dutch Manufacturing 2010. Het bestaat uit een SWOT en de belang­rijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor de vg-industrie (109 respondenten). De sector (SBI-code 20 en 26) bestaat uit ca. 2215 bedrijven met meer dan 5 werknemers (15% van alle industriële bedrijven van deze grootte). De totale omzet bedroeg in 2005 ca. € 48 mld. Voor meer informatie over de sector kunt u terecht bij branchevereniging FNLI, (www.fnli.nl, 070-3365150). Positieve effecten globalisering door sterke export­gerichtheid SWOT Sterkten Zwakten - Kennisdichtheid, relatief sterk netwerk (Food Valley) - Weinig onderscheidend vermogen (‘veel voor - Hoge exportgerichtheid w ­ einig’ mentaliteit bij groot deel bedrijven), maar - Sterk agrocluster verschil erg groot tussen branches - Grote spelers sterk innovatiegedreven - Hoge regeldruk - Weinig vernieuwingszin en lage RD-investeringen bij vooral kleine bedrijven Kansen Bedreigingen - Inspelen op gezondheid via voeding - Sterke afhankelijkheid Europees gemeenschappelijk - Lifesciences leveren innovaties landbouwbeleid - Sterkere marktsturing ketens - Toenemende regelgeving, geen ‘level playing field’ - Globalisering wereldwijd - Afnemen handelspositie door crises in primaire s ­ ector en verzwakking primaire sector - Macht in de keten bij sterk geconcentreerde retailers Bron: Ministerie van EZ/Berenschot, bewerking ING Economisch Bureau Figuur 6.2.1 Visie op globalisering, in % van respon­ Sectorspecifiek toekomstprofiel denten De sector heeft een meer dan gemiddeld positieve kijk op globalisering (figuur 6.2.1). De vg-indu- strie (zowel MKB als grootbedrijf) heeft al een hoge exportgerichtheid en binnen de EU heeft de grote mate van ‘level playing field’ op het gebied van voedingsmiddelen een positief effect op inter- nationalisering. Bron: Enquête My Industry
  • 51. 55 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYDesign neemt in de voedings- en genotmiddelen­ Anno 2006 wordt vooral op topkwaliteit enindustrie een steeds grotere rol in (figuur 6.2.2). flexibiliteit ingezet als onderscheidend aspect.In vergelijking met de industrie als geheel wordt Opvallend is de grote verwachte toename inveel meer gebruik gemaakt van design. Gezien partner­ships met klanten en leveranciers dede aard van het product is het weinig verbazing- komende jaren (figuur 6.2.4). Samenwerking inwekkend dat vooral design voor verpakkingen de keten neemt dus in belang toe.eruit springt (figuur 6.2.3). In combinatie metdesign voor productontwikkeling zelf, wordt hier Figuur 6.2.4 Onderscheidende aspecten voor de eigende grootste toename in het toepassen van design onderneming in 2006 en 2010, in % van respondentenverwacht. Overigens komt design niet terug bij deonderscheidende aspecten (figuur 6.2.4).Figuur 6.2.2 Hoe belangrijk is design in 2006 en 2010,in % van respondentenBron: Enquête My Industry Bron: Enquête My IndustryFiguur 6.2.3 Toepassingen van design, in % van Verontrustend is het relatief hoge percentager­ espondenten bedrijven dat zegt kostenstijgingen niet of nauwe­ lijks door te kunnen berekenen (figuur 6.2.5). Dit heeft goeddeels te maken met de sterke druk op kostenbesparing vanuit de retailers op de gehele voedingsmiddelenketen. Samenwerking vindt in de vg-industrie iets vaker plaats dan in de industrie als geheel als het gaat om leveranciers, brancheverenigingen en vooral ontwerpbureaus (figuur 6.2.6). De mate van samenwerking met scholen is echter beneden-Bron: Enquête My Industry gemiddeld.
  • 52. 56T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Figuur 6.2.5 Antwoord vg-industrie op de vraag in Evenals in de industrie als geheel stijgt het aan­ hoeverre kostenstijgingen door te berekenen zijn, deel hoogopgeleide medewerkers in de aanloop in % van respondenten naar 2010 (figuur 6.2.7). Bovendien biedt drie- kwart van de vg-ondernemingen opleidingen of trainingen aan. Dit is bovengemiddeld en het aanbod zal de komende jaren verder toenemen. Activiteiten ter verbetering van het imago blij- ven in de vg-industrie veelal beperkt tot stage­ programma’s. Figuur 6.2.7 Ontwikkeling aandeel hoogopgeleide werknemers, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry Figuur 6.2.6 Regelmatige samenwerking naar partner, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry Bron: Enquête My Industry
  • 53. 57 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY6.3 Perspectief ScheepsbouwDit perspectief voor de scheepsbouw is onderdeel van het rapport My Industry, Dutch Manufacturing2010. Het bestaat uit een SWOT opgesteld door de branchevereniging VNSI (www.vnsi.nl, 079-35311 65) en de belangrijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor de scheepsbouw (52 respon-denten). De scheepsbouw (SBI-code 351) bestaat uit bijna 300 bedrijven met meer dan 5 werkne-mers en is hiermee goed voor ruim 2% van alle industriële bedrijven met meer dan 5 werknemers.Scheepsbouwers zijn regisseurs in de maritieme maakketen. Naar schatting zijn er zo’n 1000 bedrijvenin de maakindustrie die producten en diensten toeleveren aan de scheepsbouw.Globalisering biedt vooral kansen voor ondernemers in de scheepsbouw door de toenemende wereldvraag naar(­ complexe) schepenSWOT Sterkten Zwakten - Slim ondernemerschap - Imago - Gunstige locatie en infrastructuur - Samenwerking in de keten - Innovatief in complexe segmenten - Aanwezigheid kennisinstituten Kansen Bedreigingen - Groeiende wereldmarkt - Overcapaciteit - Duurzame schepen en productie - Schaarste aan talent - Synergie in de keten - Geen ‘level playing field’ - Benutten kennisvoorsprong - Buitenlandse concurrentieSectorspecifiek toekomstprofiel enquête dat de ­groeiende wereldmarkt de vraag naarHet belangrijkste deel van de productie is en blijft (Nederlandse) schepen doet toenemen.in Nederland (figuur 6.3.1). De sterkste dalingvan het Nederlandse productiedeel vindt naar ver- Figuur 6.3.1 Aandeel Nederland in de totale productie enwachting plaats bij bedrijven die rond de helft van de verwachte ontwikkeling hierin tot 2010,de productie in Nederland uitvoeren. Nederland in % van respondentenblijft de belangrijkste afzetmarkt voor bedrijvenin de scheepsbouw.De scheepsbouw ziet globalisering vaker dande totale industrie als een kans (figuur 6.3.2).Dit sluit aan bij de verwachting uit de SWOT Bron: Enquête My Industry
  • 54. 58T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Figuur 6.3.2 Visie op globalisering, in % van respon­ tegenstelling tot de industrie als geheel, nauwe- denten lijks als optie gezien. Figuur 6.3.4 Schaalgrootte en de mogelijkheden ter verbetering ervan, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry Lagere loonkosten is de belangrijkste reden voor Bron: Enquête My Industry het overwegen van productieverplaatsing (figuur 6.3.3). Aanzienlijk minder vaak dan gemiddeld in Topkwaliteit, specialisatie en klantspecifiek maat­ de industrie spelen nieuwe afzetmarkten en regel- werk worden als belangrijkste onderscheidende geving een rol. aspecten gezien (figuur 6.3.5). De in de rest van Figuur 6.3.3 Factoren die een grote rol spelen bij een Figuur 6.3.5 Onderscheidende aspecten voor de eigen eventuele productieverplaatsing, in % respondenten onderneming, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry Structurele samenwerking met andere bedrijven is de meest genoemde oplossing voor schaalproble­ men die bij ruim een kwart van de bedrijven leven (figuur 6.3.4). Een fusie of overname wordt, in Bron: Enquête My Industry
  • 55. 59 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYde industrie veelgenoemde aspecten flexibiliteit Design is voor bedrijven in de scheepsbouw voor­en klantenbinding zijn door de scheepsbouw aan- al van belang bij het ontwikkelen en vernieuwenzienlijke minder vaak gekozen. Verwacht wordt van producten. Dit geldt vanzelfsprekend vooraldat topkwaliteit en technologische innovatie de voor de OEM’ers en in mindere mate voor de toe-komende vier jaar aan belang winnen. leveranciers binnen de branche.Vaker dan gemiddeld in de industrie volgen werk­ Meer dan in de totale industrie werkt de scheeps­nemers in de scheepsbouwsector trainingen en bouw samen met kennisinstellingen, al blijft hetopleidingen. Ook het aandeel hoogopgeleiden zal nog steeds beperkt tot bijna eenderde van denaar verwachting de komende jaren in de scheeps- ondernemers (figuur 6.3.7). De aanwezigheid vanbouw een sterkere stijging laten zien dan in de kennisinstituten wordt dan ook gezien als eentotale industrie. sterk punt voor de toekomst. De meeste toege- voegde waarde als samenwerkingspartners biedenDe scheepsbouw werkt relatief sterk aan het ver­ ketenpartners; door bijna 8 van de 10 bedrijvenbeteren van het eigen imago (figuur 6.3.6). Dit wordt met afnemers samengewerkt, door 75% metsluit aan bij de SWOT waarin het imago geldt als leveranciers, waarbij ook een verdere intensive-een kans voor de toekomst, vooral als het gaat om ring van de samenwerking wordt verwacht. Dithet aantrekken van schaars talent. bevestigt nog eens dat samenwerking in de keten kansen biedt voor de sector.De toenemende aandacht voor duurzaamheid inNederland wordt door een ruime meerderheid van Figuur 6.3.7 Regelmatige samenwerking, in % vande respondenten als kans gezien. Overigens ver- respondentenschilt de scheepvaartindustrie hierin nauwelijksvan de totale industrie.Figuur 6.3.6 Activiteiten ter verbetering van het eigenimago, in % van respondenten Bron: Enquête My IndustryBron: Enquête My Industry
  • 56. 60T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 6.4 Houtproducten- en bouwmaterialenindustrie Dit perspectief voor de hout- en bouwmaterialenindustrie is onderdeel van het rapport My Industry, Dutch Manufacturing 2010. Het bestaat uit een SWOT opgesteld in samenwerking met de branchever- eniging NVTB (www.nvtb.nl, 070-3552700) en de belangrijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor de hout- en bouwmaterialenindustrie (63 respondenten). De sector (SBI-code 20 en 26) bestaat uit ca. 1070 bedrijven met meer dan 5 werknemers (7% van alle industriële bedrijven van deze grootte). De totale omzet bedroeg in 2005 ca. € 8,5 mld. Partnerships, het bieden van totaaloplossingen en technologische vernieuwing zijn richting 2010 de belangrijkste onderscheidende aspecten in de hout- en bouwmaterialenindustrie SWOT Sterkten Zwakten - Hoog kennisniveau internationaal gezien - Onvoldoende ‘ketendenken’ (eindconsument) - Efficiënte productie - Versnippering van kennis - Sterke klantenbinding - Gebrekkige aansluiting kennis op bedrijfsniveau - Innovatief - Er is geen machtsfactor, marktleider die initiatief neemt Kansen Bedreigingen - Grotere samenwerking in de keten, onder andere - Hoge energieprijzen in IT - Regelgeving, vergunningen - Verduidelijking ketenregie (machtsfactor creëren) - Bereikbaarheid (infrastructuur) - Kapitaalintensievere productie - Versnippering en complexiteit kennisinstituten - Leveren van diensten uitbreiden op basis van kennis - Beperkingen op grondstoffenwinning door overheid - Huidige ‘aanbestedingsdenken’ (beperkingen) Sectorspecifiek toekomstprofiel Dienstverlening speelt nog nauwelijks een rol in Figuur 6.4.1 Aandeel dienstverlening in totale omzet de hout- en bouwsector, maar zal naar verwach­ en verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, ting de komende jaren fors toenemen. Dit geldt in % van respondenten voor het merendeel van de bedrijven en in nog sterkere mate voor bedrijven waar dienstverlening nu al een behoorlijk aandeel heeft in de omzet (figuur 6.4.1). Driekwart van de bedrijven behaalt het merendeel van de omzet in Nederland (figuur 6.4.2). Dit Bron: Enquête My Industry
  • 57. 61 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYheeft vooral met relatief hoge transportkosten ten Bedrijven in de hout- en bouwmaterialenindu­opzichte van de waarde van het product te maken strie zijn evenmin als de industrie als geheel inen zal in de toekomst per saldo niet veranderen. staat kostenstijgingen volledig door te berekenen (figuur 6.4.4). Gezien de huidige hoge en vola-Figuur 6.4.2 Aandeel Nederland in de totale omzet en tiele prijsniveaus van energie- en grondstoffen isde verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % van dat een zorgelijke ontwikkeling.respondenten Figuur 6.4.4 In hoeverre zijn bedrijven in staat kosten­ stijgingen door te berekenen, in % van respondentenBron: Enquête My IndustryVooral in de bouwmaterialensector wordt de toe­nemende globalisering nauwelijks als invloeds­factor gezien, terwijl de houtsector hierin meerdan gemiddeld bedreigingen ziet (figuur 6.4.3).De sterke regionale gebondenheid van de bouw-materialensector verklaart de verwachte beperkte Bron: Enquête My Industryinvloed van globalisering. Niettemin is de vraagof niet ook deze bedrijven meer en meer te maken Samenwerking vindt vooral plaats met leveran­krijgen met veranderende krachtsverhoudingen in ciers, afnemers en brancheverenigingen (figuurde wereld. 6.4.5). Verder wordt er meer dan in de totale industrie samengewerkt met kennisinstellingen en adviesinstellingen, al gebeurt dit voornamelijkFiguur 6.4.3 Visie op globalisering, in % van respon­ op incidentele basis (niet zichtbaar in figuur). Dedenten verwachting is dat deze samenwerking sterk toe- neemt in de aanloop naar 2010. Het aandeel hoogopgeleide werknemers stijgt iets meer dan gemiddeld in de industrie (figuur 6.4.6). Ruim de helft van de bedrijven in de sec- tor maakt gebruik van stagairs. Voor de komende vier jaar worden hier nauwelijks veranderingen in verwacht. Om het imago van de sector te verbe- teren zien bedrijven het meeste rendement in het samenwerken met opleidingen.Bron: Enquête My Industry
  • 58. 62T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Figuur 6.4.5 Regelmatige samenwerking, in % van De hout- en bouwmaterialenindustrie verwacht respondenten een sterke verschuiving in de manier waarop men zich de komende vier jaar zal onderscheiden van de concurrent. Flexibiliteit, maatwerk en kwali- teit worden nu als belangrijkste aspecten gezien, t ­ erwijl ondernemers het bieden van totaaloplos- singen, technologische vernieuwing en partner- ships voor de komende jaren als doorslaggevend zien (figuur 6.4.7). Hiermee is de hout- en bouw- materialenindustrie veranderingsgezinder dan de industrie als geheel. Figuur 6.4.7 Onderscheidende aspecten voor de eigen onderneming in 2006 en 2010, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry Figuur 6.4.6 Ontwikkeling van het aandeel hoog­ opgeleide werknemers tot 2010, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry Bron: Enquête My Industry
  • 59. 63 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY6.5 MKB-MetaalDit perspectief voor het MKB-metaal is onderdeel van het rapport My Industry, Dutch Manufacturing2010. Het bestaat uit een SWOT opgesteld door de Koninklijke Metaalunie (www.metaalunie.nl, 030-6053344) en de belangrijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor de sector (294 respon-denten). De enquêteresultaten zijn afkomstig van ondernemers van bedrijven met minder dan 50 enmeer dan 5 werknemers uit de metaalproducten- en machine- industrie. Hiervan zijn er anno 2006 inNederland 3745 aanwezig, dit is 22,5% van de totale bedrijven in de industrie in deze grootteklasse.Sterke mate van samenwerking in MKB-metaalSWOT Sterkten Zwakten - Flexibiliteit - Kleinschaligheid - Technisch vakmanschap - Kleine thuismarkt - Ondernemingsgeest - Imago industrie - Netwerk van gespecialiseerde toeleveranciers en - Onvoldoende marktfocus dienstverleners (servicebedrijven) Kansen Bedreigingen - Specialisatie door consequente keuzes - Onvoldoende ‘level playing field’ - Samenwerking met toeleveranciers en afnemers - Verplaatsing grote OEM-ers naar het buitenland (verticale ketenintegratie) - Opkomst lage lonenlanden - Bundeling van kennis met kennisinstellingen - Beschikbaarheid voldoende geschoold technisch - Procesinnovatie personeel - Nieuwe afzetmarkten in Oost-Europa - Lage instroom ondernemersSectorspecifiek toekomstprofiel Figuur 6.5.1 Verdeling naar type bedrijf in 2006 enIn de aanloop naar 2010 verwacht een deel van 2010, in % van respondentende bedrijven in de keten op te schuiven richtingsystem supplier (figuur 6.5.1). Dit gaat vooral tenkoste van het aandeel parts suppliers.Kennisintensieve dienstverlening (zoals onder­houd) is slechts voor een kleine minderheid vande bedrijven van groot belang (figuur 6.5.2). Inde aanloop naar 2010 neemt het belang niettemintoe bij bijna de helft van de respondenten. Bron: Enquête My Industry
  • 60. 64T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Figuur 6.5.2 Omzetaandeel van dienstverlening in ven die al veel in Nederland produceren juist de 2006, in % van respondenten productie in Nederland verder lijken te verhogen (figuur 6.5.3). Méér ondernemers dan gemiddeld in de industrie zien globalisering vooral als bedreiging voor het bedrijf (figuur 6.5.4). Bovendien is er een groot Bron: Enquête My Industry deel dat denkt dat het van weinig invloed is op het bedrijf. Wellicht zien ondernemers de kleine schaalgrootte als een belemmering in optimaal Figuur 6.5.3 Aandeel Nederland in de totale productie gebruik van de mogelijkheden van globalisering. en de verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % Bij eventuele productieverplaatsing spelen naast van respondenten loonkosten, vooral nieuwe afzetmarkten en min- der regelgeving, vaker nog dan gemiddeld in de industrie, een rol (figuur 6.5.5). Figuur 6.5.5 Factoren die een grote rol spelen bij een eventuele productieverplaatsing, in % respondenten Bron: Enquête My Industry Voor wat betreft de omzet en de productie in Nederland, loopt het beeld uiteen. Een deel van de bedrijven bouwt het aandeel van Nederland in de totale productie af, terwijl vooral bedrij- Figuur 6.5.4 Visie op globalisering, in % van respon­ denten Bron: Enquête My Industry Dat schaalgrootte een punt van zorg is in het MKB-metaal blijkt uit de relatief grote groep die zegt onvoldoende schaalgrootte te hebben om de concurrentie de komende jaren aan te kunnen. Ook de groep die niet weet of de schaalgrootte voldoende is, blijkt groter te zijn dan gemiddeld (figuur 6.5.6) Bron: Enquête My Industry
  • 61. 65 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFiguur 6.5.6 Schaalgrootte en de mogelijkheden ter Figuur 6.5.8 Regelmatige samenwerking naar partner,verbetering ervan, in % van respondenten in % van respondentenBron: Enquête My IndustryBedrijven lijken iets minder vaak dan in de totaleindustrie opleidingen en trainingen aan hun Bron: Enquête My Industrymedewerkers aan te bieden (figuur 6.5.7). Dit iszorgwekkend, omdat onvoldoende goed opgeleid Regelmatige samenwerking met afnemers komtpersoneel juist als een dreiging voor de toekomst vaker voor dan gemiddeld in de ­industrie,van de sector wordt gezien. Overigens zien onder- wat goede kansen biedt voor de toekomstnemers richting 2010 het belang van opleiding (figuur 6.5.8). Deze uitkomst is opvallend, aange-wel verder toenemen. zien kleine bedrijven gemiddeld in de totale indu- strie juist minder samen blijken te werken.Figuur 6.5.7 Aandeel ondernemingen dat regelmatig Minder regelgeving en een versoepeling van hetwerknemers trainingen of opleidingen aanbiedt, in % ontslagrecht zijn de belangrijkste twee voorwaar-van respondenten den voor een beter Nederlandse ondernemings- klimaat. Vooral de laatste factor blijkt in verge- lijking met de totale industrie vrij specifiek voor het MKB-metaal te zijn.Bron: Enquête My IndustryOm het negatieve imago van de sector om tebuigen wordt vooral ingezet op stages om jongemensen in contact te laten komen met de sector.Positief is dat hier de komende jaren een stijgingte verwachten is en dat ook samenwerking metscholen een belangrijkere rol zal krijgen.
  • 62. 66T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 6.6 Technologische Industrie Dit perspectief voor de technologische industrie is onderdeel van het rapport My Industry, Dutch Manufacturing 2010. Het bestaat uit een SWOT opgesteld door FME-CWM (www.fme-cwm.nl, 079-3531100) en de belangrijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor de sector (350 respon- denten). De sector bestaat uit bedrijven uit de metalektro-industrie (SBI-code 27-35). Een sector met een omzet in 2005 van maar liefst € 72 mld. Bedrijven met minder dan 50 werknemers uit de metaal- producten- en machine- industrie (§ 6.5) en de gehele scheepvaartindustrie (§6.3) zijn uit de resultaten gehaald, omdat hiervoor afzonderlijke perspectieven zijn opgesteld. Technologische industrie ziet aandeel Nederland in totale productie teruglopen richting 2010 SWOT Sterkten Zwakten - Internationale perceptie en oriëntatie - Kleine thuismarkt - Niche speler - Beperkte omvang (macro en micro) - Flexibiliteit - Te weinig R D - Technologische kennis - Innovatieve capaciteit komt ten goede aan te weinig - Verhouding loonkosten/productiviteit vergeleken bedrijven met West-Europese concurrenten - Te weinig vakmensen (alle niveaus) - Aantrekken investeringen in technologie en - Cultuur/klimaat rondom nieuwe bedrijven g ­ eografische markten - Industrieel imago - Gebrek aan continuïteit industriebeleid van de o ­ verheid Kansen Bedreigingen - Internationaal vermarkten van sterke kennis­ - Ontbreken internationaal ‘level playing field’ gebieden/industrieclusters - Het niet onderkennen van de globalisering van - In kielzog van multinationals weten steeds meer i ­ndustrie door de Nederlandse industrie bedrijven het verre buitenland te vinden - Vooroplopende wet-en regelving - Samenwerkingsvormen met het industriële MKB - Hoge energiekosten (Ketenregie) - Communicatiekloof school - bedrijf Sectorspecifiek toekomstprofiel enquête Figuur 6.6.1 Aandeel dienstverlening in totale omzet Dienstverlening wacht een sterke opmars in de en verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % van sector de komende jaren, zeker in vergelijking respondenten met de rest van de industrie. Zelfs bedrijven waar dienstverlening nog vrijwel geen onderdeel van de omzet uitmaakt, verwachten hierin een stijging (figuur 6.6.1). Bron: Enquête My Industry
  • 63. 67 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYDit betekent niet dat bedrijven zich vooral als Ondanks dat in de SWOT globalisering als bedrei­dienstverlener (gaan) zien (figuur 6.6.2). De ging wordt gezien, blijkt de technologische indu­sterkste verschuiving zit in de toename van het strie meer dan gemiddeld globalisering vooral alsaandeel system suppliers ten koste van de parts kans te zien (figuur 6.6.4). Niettemin geeft eensuppliers. aanzienlijk deel van de bedrijven aan dat globa- lisering een bedreiging is of dat het geen invloedFiguur 6.6.2 Verdeling naar type bedrijf in 2006 en heeft op het bedrijf.2010, in % van respondenten Figuur 6.6.4 Visie op globalisering, in % van respon­ dentenBron: Enquête My IndustryDe productie laat, in tegenstelling tot de totale Bron: Enquête My Industryindustrie, wel een zeker patroon van verschui­ving van het zwaartepunt van de activiteiten naar De eigen schaalgrootte wordt nog iets minderhet buitenland zien (figuur 6.6.3). Belangrijkste vaak dan in de industrie als geheel als onvol­reden voor het verplaatsen van de productie is het doende gezien (figuur 6.6.5). Indien wel sprake ishoge loonniveau in Nederland. Daarnaast spelen een te kleine schaal dan wordt tweemaal zo vaakvooral de nieuwe afzetmarkten een rol. als gemiddeld in de industrie voor fusies en over- names gekozen om dit probleem op te lossen.Figuur 6.6.3 Aandeel Nederland in de totale productie Figuur 6.6.5 Schaalgrootte en de mogelijkheden teren de verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % verbetering ervan, in % van respondentenvan respondentenBron: Enquête My Industry Bron: Enquête My Industry
  • 64. 68T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Technologische vernieuwing is het aspect waarop Figuur 6.6.7 Activiteiten ter verbetering van het imago, de meeste ondernemers concurreren, in 2006 in % van respondenten (figuur 6.6.6). Hiermee zet de technologische industrie hier aanmerkelijk sterker op in dan gemiddeld in de gehele industrie. In de aanloop naar 2010 blijft technologische vernieuwing het belangrijkst en wint daarnaast het bieden van een totaaloplossing aan belang. Figuur 6.6.6 Onderscheidende aspecten in 2006, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry De verschuiving van productie-activiteiten naar het buitenland is bedreigend voor de positie van Nederland op RD-gebied, omdat bijna 30 % van de ondernemers aangeeft de RD mee te laten verhuizen indien productie zal verplaatsen. De rol van design is bovengemiddeld van belang, vooral bij de ontwikkeling van producten. De komende jaren zal design verder aan belang toenemen en voor steeds meer bedrijven een essentieel onderdeel worden. Dit betekent echter nog niet dat design gezien wordt als een van de Bron: Enquête My Industry belangrijkste concurrentieaspecten, zoals zicht- baar was in figuur 6.6.6. Het tekort aan vakmensen is een absolute bedrei­ ging voor de sector. Hierom worden er meer dan gemiddeld trainingen en opleidingen aangeboden en zal dit ook nog eens meer dan gemiddeld toe- nemen. Het industriële imago van de sector is tevens een zwak punt, maar er wordt binnen de sector veel aan gedaan om hier wat aan te doen (figuur 6.6.7). Vergeleken met de totale industrie is de technologische sector op bijna alle punten actiever.
  • 65. 69 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY6.7 GrafimediaDit perspectief voor de grafimedia is onderdeel van het rapport My Industry, Dutch Manufacturing2010. Het bestaat uit een SWOT opgesteld door de branchevereniging KVGO (www.kvgo.nl,020-5435678) en de belangrijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor de grafimedia (97 res-pondenten). De sector (SBI-code 22) bestaat uit ca. 1690 bedrijven met meer dan 5 werknemers (12%van alle industriële bedrijven van deze grootte). De totale omzet bedroeg in 2005 bijna € 7,5 mld.Sterke groei (hoogwaardige) dienstverlening binnen grafimediabedrijven in de aanloop naar 2010SWOT Sterkten Zwakten - Vakkundig, professioneel en servicegericht - Imago bij opdrachtgevers - Papieren product (duurzaam) - Opvolging en samenwerking - Hoge organisatiegraad met stevige posities in - Kapitaalintensief a ­ rbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid en milieu en - Techniekgericht arbo - Ontbreken onderscheidend vermogen Kansen Bedreigingen - Uitbreiden van dienstenscala met betaalde advies- - Personele voorziening functie en businessconsultancy voor media - Beperkte marktgroei, internationaliseringmarkt - Ketenbeheersing en keten ontwikkeling - Rol van adviseur laag en rol uitvoerder hoog, dat - Samenwerking (horizontaal en verticaal), netwerk- leidt tot positieverlies functie en inzet nieuwe media - Internationalisering samenwerking - Flexibilisering productiecapaciteitSectorspecifiek toekomstprofiel Figuur 6.7.1 Aandeel dienstverlening in totale omzetGrafimediabedrijven zetten met het oog op de toe­ en verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % vankomst sterker in op dienstverlening (figuur 6.7.1). respondentenDit sluit aan bij de SWOT waarin uitbreiding vanhet dienstenscala als kans wordt gezien.De sector is en blijft relatief sterk op Nederlandgericht zowel qua omzet als productie.Voor eventuele verplaatsing van productie naarhet buitenland worden lagere loonkosten als Bron: Enquête My Industrybelangrijkste motief genoemd. Ook het aan­borenvan nieuwe afzetmarkten speelt, sterker dan in Ondanks deze voordelen zien grafische onder­de rest van de industrie, een belangrijke rol. nemers globalisering meer dan andere industriële
  • 66. 70T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY ondernemers als een bedreiging (figuur 6.7.2). Flexibiliteit wordt het vaakst als onderscheidend Daarnaast is het grote aandeel bedrijven dat niet aspect gezien (figuur 6.7.4). Voor de toekomst verwacht dat het van invloed is op het eigen wordt het bieden van creatieve oplossingen bedrijf verontrustend. belangrijker, een aspect waarop de grafimedia sterk afwijkt van de industrie als geheel. Figuur 6.7.2 Visie op globalisering, in % van respon­ denten Figuur 6.7.4 Onderscheidende aspecten in 2006 en 2010, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry In vergelijking met de totale industrie zijn g ­ rafische ondernemers kritisch over de eigen schaalgrootte. Meer dan de helft van de onder- nemers die deze schaalgrootte willen doen toe- nemen, verwacht dit te doen door samenwerking met concurrenten ondanks dat samenwerking Bron: Enquête My Industry tegenwoordig nog tot de zwakten van de branche wordt gerekend. Eenderde noemt groei via fusies In vergelijking met de totale industrie neemt het en overnames als oplossing (figuur 6.7.3). verwachte aandeel hoger opgeleiden minder hard toe (figuur 6.7.5). Dit geeft aan dat de grafimedia Figuur 6.7.3 Schaalgrootte en de mogelijkheden ter een lagere groei van de kennisintensiteit in het verbetering ervan, in % van respondenten bedrijf verwacht, maar lijkt enigszins in tegen- spraak met de wens sterker op dienstverlening in te zetten wat over het algemeen om hoogopgeleid personeel vraagt. Het aandeel bedrijven dat actief bezig is met opleiding van werknemers ligt lager dan in de industrie als geheel. Ook voor de toekomst wordt hierin weinig verandering verwacht. Dit is zorge- lijk aangezien uit de SWOT-analyse blijkt dat per- Bron: Enquête My Industry
  • 67. 71 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFiguur 6.7.5 Ontwikkeling aandeel hoogopgeleide ontwikkeling en gebruik huisstijl/logo en adverti-werknemers, in % van respondenten sing worden genoemd als zaken waarvoor design van belang is, deze zaken komen veelal in stand in samenwerking met ontwerpbureaus. In vergelij- king met de totale industrie is design nauwelijks van belang bij productontwikkeling (figuur 6.7.6). Figuur 6.7.7 Regelmatige samenwerking, in % van respondentenBron: Enquête My Industrysoneelsschaarste (van gekwalificeerd personeel)als bedreiging wordt gezien. Stageprogramma’sworden gezien als voornaamste manier om hetimago van de sector te vergroten.Figuur 6.7.6 Rol van design in 2006 en 2010, in % van Bron: Enquête My Industryrespondenten De kansen die ketenbeheersing en ketenontwik­ keling bieden worden onderschreven door de uit­ komsten van de enquête. Grafische ondernemers werken namelijk bij voorkeur samen met leve- ranciers en opvallend vaak met ontwerpbureaus, in vergelijking met de totale industrie (6.7.7). Adviseurs blijken (inderdaad) een beperkte rol te spelen in de grafimedia. De samenwerking met kennisinstellingen blijft sterk achter bij het gemiddelde in de industrie.Bron: Enquête My Industry De helft van de grafische ondernemers ziet duur­ zaamheid als een kans. Ondernemers hebbenDesign wordt in de grafimedia erg belangrijk sterker dan de industrie als geheel last van over-gevonden in vergelijking met de totale industrie. matige regelgeving, de branche bestaat vooralGrafische ondernemers zijn zeer tevreden over uit kleinere bedrijven die hierdoor relatief zwaarde kwaliteit van Nederlands design. Met name de worden getroffen.
  • 68. 72T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 6.8 Chemie Dit perspectief voor de chemie is onderdeel van het rapport My Industry, Dutch Manufacturing 2010. Het bestaat uit een SWOT opgesteld door de branchevereniging VNCI (www.vnci.nl, 070-3378787) en de belangrijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor de chemie (54 respondenten). De chemie (SBI-code 24) bestaat uit ca. 450 bedrijven met meer dan 5 werknemers en is hiermee goed voor 3% van alle industriële bedrijven van deze grootte. In 2005 nam de chemische industrie met € 43 mld euro 20% van de productiewaarde van de gehele industrie voor haar rekening, de relatieve bedrijfsomvang ligt dus hoog. Tweederde van de productiewaarde bestaat uit de productie van basischemicaliën zoals etheen, propeen en kunstharsen. De fijnchemie richt zich vooral op het maken van farmaceutische en cosmetische producten en producten als bestrijdingsmiddelen, verf en wasmiddelen. De sector streeft naar een verdubbeling haar bijdrage aan het BNP over 10 jaar en een halvering van het gebruik van fossiele grondstoffen binnen 25 jaar. Nederlandse chemische industrie zet sterk in op duurzaamheid als kans SWOT Sterkten Zwakten - Goede ligging in Europa en logistiek - Onvoldoende continuïteit en consistentie van beleid - ‘Brownfield’ locaties beschikbaar op verschillende niveaus - Sterke bedrijven met goede marktposities - Gebrek aan arbeidsflexibiliteit (wet, CAO’s, mentaliteit) - Netwerk toeleveranciers en specialisten, synergie in - Afnemende beschikbaarheid technisch geschoold producten en subclusters p ­ ersoneel, op alle niveaus - Intersectorale samenwerking - Hoge kosten van elektriciteit, gas (transport) kosten Kansen Bedreigingen - RD consortia industrie en overheid - Geen ‘level playing field’ in Europa - Behoefte aan nieuwe materialen en milieuvriende- - REACH, stoffenbeleid lijke oplossingen - Verstarrende regelgeving - Samenwerking Antwerpen/ZW Nederland/Rotterdam - Toenemende congestie - Dure euro t.o.v. dollar, dure pensioenen - Instorting van groeimarkt China Sectorspecifiek toekomstprofiel Figuur 6.8.1 Aandeel binnenland in de totale omzet en Vooral bedrijven met een binnenlands omzetaan­ de verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % van deel van meer dan driekwart zien deze stijgen respondenten tot 2010 (figuur 6.8.1).Overigens is het aandeel bedrijven met een beperkte binnenlandse omzet (minder dan 25%) aanzienlijk hoger dan in de rest van de industrie; de sector is sterk exportgericht. Bron: Enquête My Industry
  • 69. 73 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYBedrijven die nu voornamelijk in Nederland pro- baar is in figuur 6.8.5 blijft vooral de samenwer-duceren zien het aandeel eerder verder stijgen king met collega-bedrijven beperkt. De relatiefdan dalen (figuur 6.8.2). Voor bedrijven waar grote bedrijfsomvang in vergelijking tot anderep­ roductie nu al vooral in het buitenland plaats- sectoren speelt hierbij waarschijnlijk een rol.vindt, lijkt het omgekeerde waar. Dienstverlening,speelt in het geheel nog nauwelijks een rol, Figuur 6.8.3 Schaalgrootte en de mogelijkheden terslechts 5% van de bedrijven haalt hier meer dan verbetering ervan, in % van respondenten50% van de omzet uit. Niettemin zal het aandeeldienstverlening naar verwachting toenemen.Figuur 6.8.2 Aandeel Nederland in de totale productieen de verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in %van respondenten Bron: Enquête My Industry De stijging van energieprijzen in combinatie metBron: Enquête My Industry een gebrek aan gelijk speelveld zijn zeer nega­ tief voor de concurrentiepositie (figuur 6.8.4).Globalisering wordt meer dan gemiddeld als een Dit bevestigt de positie hiervan als bedreigingkans gezien en nauwelijks als een bedreiging. Bij voor de chemische industrie. Voor een kwart vande keuze om productie te verplaatsen naar het de bedrijven geldt dat kostenstijgingen niet ofbuitenland spelen vooral nieuwe afzetmarkten, n ­ auwelijks door te berekenen zijn.lagere loonkosten en het volgen van afnemers eenrol. Kennis en congestie blijken, ondanks dat het Figuur 6.8.4 Stelling energieprijsstijgingen en een ge­in de SWOT als bedreiging vermeld staat, nauwe- brek aan gelijk speelveld doen de concurrentiepositielijks van invloed op deze keuze. Mocht productie- van mijn bedrijf verslechteren, als % van respondentenverplaatsing daadwerkelijk plaatsvinden, dan zalde RD-afdeling in vergelijking met andere indu-striële sectoren relatief vaak meeverhuizen.Bijna eenderde van de bedrijven zegt onvol­doende schaalgrootte te hebben om de concur­rentie de komende vier jaar aan te kunnen. Vandeze groep denkt tweederde de positie te kunnenversterken door autonome groei (figuur 6.8.3).Samenwerking wordt aanmerkelijk minder vaakgekozen dan in andere sectoren, zoals ook zicht- Bron: Enquête My Industry
  • 70. 74T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY In de chemische industrie wordt relatief veel Duurzaamheid wordt, veel meer dan in de totale gedaan aan opleiding en training. Niet alleen industrie, gezien als grote kans (figuur 6.8.6). bedrijven die hier nu al actief in zijn, maar ook Regelgeving wordt bij uitstek in de chemie als het merendeel van de bedrijven waar nog geen een bedreiging gezien en is daarom verreweg het sprake is van trainingen, verwachten hierin een belangrijkste punt ter verbetering van het onder- stijging tot 2010. nemingsklimaat. Afnemers en leveranciers zijn in de ­chemie Figuur 6.8.6 Hoe wordt naar de toenemende aandacht de belangrijkste samenwerkingspartners voor duurzaamheid gekeken, in % van respondenten (figuur 6.8.5). Uit de SWOT blijkt al dat samen- werking synergie-effecten oplevert. De weg naar advies- en kennisinstellingen lijkt eenvoudig gevonden te worden in de chemie, want daar wordt vaker dan in de industrie als geheel mee samengewerkt. De komende jaren zal er nog intensievere samenwerking plaatsvinden met l ­ everanciers en afnemers, maar ook met kennis­ instellingen. Figuur 6.8.5 Regelmatige samenwerking, in % van Bron: Enquête My Industry respondenten Bron: Enquête My Industry
  • 71. 75 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY6.9 Papier- en Karton(waren)industrieDit perspectief voor de papier- en karton(waren)industrie is onderdeel van het rapport My Industry,Dutch Manufacturing 2010. Het bestaat uit een SWOT voor de papier- en kartonindustrie mede opge-steld door de branchevereniging Koninklijke VNP (www.vnp-online.nl, 020-6543055) en de belang­rijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor zowel de papier- en kartonindustrie als de papier-en kartonwarenindustrie (36 respondenten). De papier- en karton(waren)industrie (SBI-code) bestaat uitruim 250 bedrijven met meer dan 5 werknemers en is hiermee goed voor bijna 2% van alle industriëlebedrijven met meer dan 5 werknemers.Sterke afhankelijkheid afnemers in de papier- en karton(waren)industrieSWOT Papier-en kartonindustrie Sterkten Zwakten - Papierindustrie in NL state of the art - Hoge loonkosten, weinig uren,hoog verzuim - Organisatie van recycling system - Geen ‘level playing field’; in andere landen actieve - Netwerk van logistieke dienstverleners overheidssteun, in NL papier geen nationaal belang - Toepassing van milieutechnische kennis - Hoge energieprijzen en weinig steun WKK - Stabiel arbeidsklimaat - Centrale geografische positie - Goede logistieke infrastructuur Kansen Bedreigingen - Beschikbaarheid recovered fibre, ‘urban forest’ - Weglekken gebruikt papier uit Nederland - Benutten customer base - Kenniscentra buiten Nederland - Samenwerkingsverbanden o.a. logistiek - Besluitvorming van multinationals buiten Nederland - Innovatie op milieutechniek - Tekort aan goed opgeleide medewerkers - Concentratie zorgt voor sterkere bedrijven - Urbanisatie verdringt industrie - Benadrukken duurzaamheid van de papierketen - Imago blijft verbonden aan het kappen van bomenBron: Berenschot Groep BVSectorspecifiek toekomstprofiel Figuur 6.9.1 Aandeel binnenland in de totale omzet enPapier- en karton(waren)industrie blijft goed­ de verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % vandeels in Nederland. De Nederlandse omzet neemt respondenteneerder toe dan af en zelfs bedrijven die nu maarweinig in Nederland produceren zien dit aan-deel in de toekomst toenemen (figuur 6.9.1 enfiguur 6.9.2). Bron: Enquête My Industry
  • 72. 76T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Afnemers hebben een relatief sterke invloed Figuur 6.9.4 Visie op globalisering, in % van respon­ op productieverplaasting in de papier- en denten karton(waren)industrie (figuur 6.9.3). Daarnaast is het betreden van nieuwe markten vaker een reden voor vertrek dan in de industrie als geheel. Figuur 6.9.2 Aandeel Nederland in de totale productie en de verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry Flexibiliteit is het meest genoemde onderschei­ Bron: Enquête My Industry dende aspect (figuur 6.9.5). Dit geldt eveneens voor de totale industrie. Opvallend vaker dan gemiddeld in de industrie wordt specialisatie Figuur 6.9.3 Factoren die een grote rol spelen bij een zowel in 2006 als 2010 gekozen als onderschei- eventuele productieverplaatsing, in % respondenten dend aspect. Het bieden van een totaaloplossing wint sterk aan belang in de aanloop naar 2010. Figuur 6.9.5 Onderscheidende aspecten in 2006 en 2010, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry Globalisering wordt overwegend als bedreiging gezien in de papier- en karton(waren)industrie (figuur 6.9.4). Dit houdt onder meer verband met de sterke afhankelijkheid van de nabijheid van afnemers. Bron: Enquête My Industry
  • 73. 77 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYVergroting van het menselijk kapitaal staat hoog Duurzaamheid wordt minder vaak dan gemiddeldop de prioriteitenlijst (figuur 6.9.6). Meer nog in de industrie gezien als kans (figuur 6.9.8).dan in de totale industrie worden werknemers Gezien het toenemende belang van duurzaamheidopgeleid en dit aandeel neemt verder toe tot 2010. in de wereldeconomie is hier dus ruimte voor ver- betering.Figuur 6.9.6 Aandeel ondernemingen dat regelmatigwerknemers trainingen of opleidingen aanbiedt, in % Figuur 6.9.8 Hoe wordt naar de toenemende aandachtvan respondenten voor duurzaamheid gekeken, in % van respondentenBron: Enquête My IndustryDe samenwerking in de toeleveringsketen vanpapier- en karton(waren) is sterk in vergelijkingmet de totale industrie (figuur 6.9.7). Daarnaast Bron: Enquête My Industryvalt een hoog aandeel bedrijven dat samenwerktmet brancheorganisaties op. Minder positief is debeperkte mate van samenwerking met onderwijs-instellingen.Figuur 6.9.7 Regelmatige samenwerking, in % vanrespondentenBron: Enquête My Industry
  • 74. 78T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 6.10 Verpakkingsketen Dit perspectief voor de verpakkingsketen (verpakkingsindustrie) is onderdeel van het rapport My Industry, Dutch Manufacturing 2010. Het bestaat uit een SWOT opgesteld door het NVC (www.nvc.nl, 0182-512411) en de belangrijkste uitkomsten van de enquête My Industry voor ondernemingen uit de verpakkingsketen die hebben aangegeven lid te zijn van het NVC (37 respondenten). De verpakkings- keten omvat alle ondernemingen die belang hebben bij verpakken, van grootwinkelbedrijf tot grond- stofleverancier. Het verpakken kan zich afspelen in alle industriële sectoren, van voedingsmiddelen tot chemicaliën en van consumentenproducten tot industriële producten. Het geheel wordt hier genoemd: de verpakkingsindustrie. Wereldwijd wordt voor ongeveer € 200 miljard aan verpakkingen verbruikt om producten te verpakken * . Voor de industrie als geheel hangt iedere euro aan ingekochte verpak- king samen met ruim € 12 aan bruto marge op het verpakte product. Deze SWOT-analyse betreft de Nederlandse verpakkingsketen, met als perspectief het leveren van verpakte producten, het verpakken van deze producten, het maken van de benodigde verpakkingen, verpakkingsmachines, codeer- en iden- tificatie apparatuur en grondstoffen en het verwerken van het verpakkingsafval. * De Nederlandse Verpakkingsstatistiek 2003, Eurostat, schatting NVC Verpakkingsindustrie loopt voorop wat betreft design en het belang hiervan neemt richting 2010 verder toe SWOT Sterkten Zwakten - Alle schakels van de verpakkingsketen zijn aan­ - Geen integrale en door de gehele verpakkingsketen wezig. ** gedragen visie op het verpakken - Open blik voor buitenlandse markten, open - Teveel focus op verpakkingsafval sec en te weinig e ­ conomie Nederland. op duurzaamheid (‘people, planet, profit’) - Weinig substantiële (precompetitieve) RD Kansen Bedreigingen - Knooppuntfunctie Europese markt (‘value-added - Beperking van de ‘license to operate’ ten gevolge logistics; copacking’) van overmatige focus op verpakkingsafval en - Vergroten effectiviteit van bestaande en nieuwe o ­ nvoldoende borging duurzaamheid in ontwerp en productiesectoren productie - Werken op basis van TWV (Toegevoegde waarde van - Beperking effectiviteit RD door polarisatie in het Verpakken) in de gehele keten de verpakkingsketen en/of overmatige aandacht voor verkrijgen van dominantie in keten of binnen s ­ chakel - Verschraling maakindustrie ** (retail, merkartikelfabrikanten, private label fabrikanten, copackers, designbureaus, leveranciers verpakkingen, ­leveranciers verpakkingsmachines, leveranciers codeer- en identificatiemiddelen, grondstofleveranciers, grafische onder­nemingen, drukinktle­ veranciers)
  • 75. 79 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYSectorspecifiek toekomstprofiel gezocht in structurele samenwerking met andere bedrijven.Figuur 6.10.1 Visie op globalisering, in % van respon­denten Flexibiliteit is het belangrijkste aspect om zich te onderscheiden van de concurrentie (figuur 6.10.3). In de aanloop naar 2010 wint het bieden van totaaloplossingen en het aangaan van partnerships aan belang ten koste van flexibiliteit. Figuur 6.10.3 Onderscheidende aspecten in 2006 en 2010, in % van respondentenBron: Enquête My IndustryGlobalisering wordt aanmerkelijk vaker dan in deindustrie als geheel vooral gezien als een kans.Dit bevestigt de relatief open blik van de verpak-kingsindustrie. Nog geen kwart ziet het als eenbedreiging (figuur 6.10.1). Lagere loonkostenen nieuwe afzetmarkten zijn de belangrijksteredenen voor een eventuele productieverplaat-sing. Overigens is en blijft het merendeel van dep­ roductie in Nederland (figuur 6.10.2).Figuur 6.10.2 Aandeel Nederland in de totale productieen de verwachte ontwikkeling hierin tot 2010, in % Bron: Enquête My Industryvan respondenten Het aandeel hogeropgeleiden zal de komende jaren minder snel groeien dan gemiddeld in de industrie. Dit is een teken dat de kennis­intensiteit minder snel groeit dan gemiddeld en kan als bedreiging worden gezien. Van de bedrijven waarBron: Enquête My Industry geen opleiding en training van werknemers plaats- vindt (30%), verwacht een meerderheid dit deDe schaalgrootte van het eigen bedrijf wordt komende vier jaar wel te doen. Stageprogramma’sbeoordeeld als voldoende, slechts eenvijfde van zijn het meest gekozen ter verbetering van hetde respondenten zegt onvoldoende schaalgrootte imago van de sector.te hebben. De oplossing hiervoor wordt vooral
  • 76. 80T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Design is voor eenderde van de bedrijven in de Figuur 6.10.5 Hoe wordt naar de toenemende aandacht verpakkingsindustrie essentieel. In vergelijking voor duurzaamheid gekeken, in % van respondenten met de totale industrie is design veel belangrijker in het ontwerp en de ontwikkeling van het merk (figuur 6.10.4). Overigens is de verpakkings­ industrie iets minder tevreden over de kwaliteit van Nederlands design in vergelijking met de industrie als geheel (15% vindt de kwaliteit onvoldoende). Figuur 6.10.4 Rol van design in 2006 en de verwach­ tingen voor 2010, in % van respondenten Bron: Enquête My Industry In de verpakkingsindustrie wordt voornamelijk samengewerkt met leveranciers en afnemers. Hierin wordt de komende jaren ook de grootste stijging verwacht. Dit sluit aan bij de ketenbena- dering van de toegevoegde waarde van verpakken die ook in de SWOT is opgenomen. De resultaten van de verpakkingsindustrie zijn afkomstig van NVC leden die actief zijn in de in figuur 6.10.6 opgenomen branches. Figuur 6.10.6 Samenstelling steekproef verpakkingsin­ Bron: Enquête My Industry dustrie, in % van respondenten Duurzaamheid wordt gezien als een kans en zeker niet als bedreiging. Echter, een groot deel van de bedrijven in de verpakkingsindustrie zien de toenemende aandacht voor duurzaamheid als onbelangrijk of als een factor die geen invloed heeft op de onderneming (figuur 6.10.5). Deze onbekendheid met duurzaamheid is groter dan in de totale industrie, terwijl duurzaamheid toch een belangrijke factor zal zijn in de toekomst van de verpakkingsindustrie. Dit wordt dan ook terecht als zwakte beschouwd. Bron: Enquête My Industry
  • 77. Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen 81 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYBiermans M.L., J.P. Poort, Kennisverwerving in IMD, World Competitiveness Yearbook, juni 2006de maakindustrie, SEO/SIC, 2006 (2005, 2004, 2003, 2002, 2001)Buiten, drs. K.H.S. van, drs. J. Weda en Ministerie van Economische Zaken, Tweededrs. F. Felsö, Chemie in concurrentie, juli 2006 voortgangsrapportage Industriebrief, oktober 2006Business Week, About that Engineering Gap.., Ministerie van Economische Zaken,13 december 2005 Voortgangsrapportage Industriebrief, oktober 2005Capgemini Nederland BV, J. Kwadijk enir. H.L. Spoelstra, Dienstverlening steeds belang- Ministerie van Economische Zaken, Visie oprijker voor producenten v ­ erplaatsing, februari 2005Cobouw, Technisch beroep heeft vaak negatieve Ministerie van Economische Zaken, Industriebriefbijklank, 15-09-2006 Hart voor de industrie, november 2004CBS, Het Nederlandse ondernemingsklimaat in Ministerie van Economische Zaken, Analyse vancijfers 2006, Voorburg/Heerlen, 2006 de Nederlandse innovatiepositie, 2003CBS, Kennis en economie 2006, Onderzoek en OSA, Aantrekkelijke carrières in de metaal­innovatie in Nederland, Voorburg/Heerlen, bewerking, augustus 2006juni 2006 ROA, De arbeidsmarkt naar opleiding en beroepCPB, Kansrijk kennisbeleid, 2006 tot 2010, november 2005CPB, Economie, energie en milieu: een verken- SEO, Kennisverwerving in de maakindustriening tot 2010, 2002 Amsterdam, januari 2006Deloitte, Made in Holland V, september 2006 SER, Milieu als kans, 2005EIM, De Nederlandse industrie: positie en SIC, Winnen met de industrie, Imagoadvies vooro­ ntwikkelingen anno 2006, oktober 2006 de maakindustrie, 2003Financieel Dagblad, Topmanagers aanbidden Taskforce Sociale innovatie, Eindrapportage,Scandinavië, 29-9-2006 Sociale Innovatie, de Andere Dimensie, juli 2005HBO-raad en RWI, Kennistekort in Nederland, TNO Kwaliteit van Leven, Arbobalans 2005, 2006mei 2006 Trendchart, European Innovation Scoreboard 2005
  • 78. 82T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Vixseboxse, E, B. Wesselink en J. Notenboom Statistische informatie (MNP, Milieu- en Natuurplanbureau), Nederland www.cbs.nl en Europa; milieuprestaties in perspectief, 2006 epp.eurostat.ec.europa.eu www.oecd.org Worldbank, Doing Business 2007, september 2006 Interview Dhr. H.J. Keulen, Bestuurslid van De Unie
  • 79. Bijlage 2: Verantwoording enquête 83 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYEnquête onder bijna 1400 ondernemers te waarborgen. Dit betekent bijvoorbeeld dat deHet kwantitatieve deel van het onderzoek is in uitkomsten voor een respondent in de voedings-samenwerking met de brancheverenigingen en en genotmiddelenindustrie een wegingsfactor vanVNU tot stand gekomen. Via een enquête op een 1,82 meegekregen hebben, terwijl de uitkom-internetsite hebben 1.380 ondernemingen hun sten van een respondent uit de metaalproducten­medewerking verleend. De uiteindelijke analyse industrie maar voor 0,76 meetellen.had betrekking op 1.290 respondenten uit dei­ ndustrie. Goed doel Het goede doel heeft tevens van de medewer-Representativiteit king aan de enquête geprofiteerd. Voor elkeOmdat bepaalde sectoren in de steekproef van d ­ uizend respondenten is er door VNU Exhibitionsde enquête sterker vertegenwoordigd zijn dan in € 2.500,- overgemaakt naar de stichting KIKAde populatie zijn de uitkomsten gewogen om een (Kinderen Kankervrij).voor de industrie als geheel representatief beeld
  • 80. 84 Bijlage 3: ProjectpartnersT H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY FEDA voor een vertegenwoordiging van ruim 80% van De Federatie Aandrijven Automatiseren het Nederlandse marktvolume - is de NRK stevig is ­ontstaan door integratie van de Federatie verankerd in de RKI. De gehele bedrijfskolom is Hydrauliek en Pneumatiek (FHP) en de binnen de brancheorganisatie vertegenwoordigd: Vereniging Voor Aandrijftechniek (VVA) en is kunststof- en rubberverwerkers, recyclingbedrij- met meer dan 120 leden de grootste op aandrijf- ven, leveranciers van grondstoffen en additieven, techniek en automatisering gerichte branche­ en leveranciers van machines en hulpapparatuur. organisatie in Nederland. De NRK treedt op als belangenbehartiger in 4 convenanten (IMT, MJA2, CV3, Stoffen), heeft Naast het behartigen van de nationale en inter- een CAO, ondersteunt bij opleidingen, milieu, nationale belangen van haar leden, is promoten innovatie, export, arbo, ict en biedt leden­voor­ van het vakgebied bij zowel bedrijfsleven, onder- delen. wijs als de overheid een belangrijke taak van de FEDA. Ook het initiëren en uitbreiden van op Binnen de Federatie NRK bevinden zich meerdere aandrijftechniek gerichte opleidingen, alsmede brancheverenigingen die actief zijn in de rubber- het vergroten van de interesse bij jongeren voor en kunststofindustrie. Als overkoepelend orgaan een carrière in de (aandrijf)techniek, behoort tot draagt de Federatie zorg voor de belangenbeharti- de brede missie. ging voor de gehele rubber- en kunststof­industrie. De brancheverenigingen binnen de NRK nemen De FEDA is een branchevereniging onder de vlag de meer sectorale belangenbehartiging voor van de Vereniging FME-CWM. Dit platform biedt hun rekening. Met deze opzet van algemene en een uitstekende basis voor het initiëren en onder- specifieke belangenbehartiging is er binnen de houden van contacten met zowel de overheid, Federatie NRK ruimte gecreëerd voor de veel- als complementaire brancheverenigingen in bin- zijdigheid, die onze branche zo eigen is. Binnen nen- en buitenland. Daarnaast houden ­specialisten de NRK zullen dan ook alle rubber- en kunststof­ binnen de FEDA zich actief bezig met de ontwik- bedrijven zich thuis voelen. kelingen op het gebied van nationale en inter- nationale normen en richtlijnen binnen de vak- De acties die de Federatie opzet, kunnen liggen richtingen elektrisch, mechanisch, pneumatisch, op economisch, technisch of sociaal gebied, maar hydraulisch, vacuüm en digitale besturings- en ook op gebieden als onderwijs en kennisover- communicatietechnologie. dracht. Voor de meer sectorale belangen zijn de ledenbedrijven actief in één of meer branche­ Telefoon: 079-3531357 verenigingen. De brancheverenigingen binnen de Website: http://www.feda-fme.nl Federatie NRK richten zich met hun activiteiten op specifieke productietechnieken, materialen of Federatie NRK marktsegmenten. De Federatie Nederlandse Rubber- en Kunststofindustrie is de brancheorganisatie voor Telefoon: 070-4440660 de rubber- en kunststofindustrie (RKI). Met 25 Website: http://www.nrk.nl brancheverenigingen en 670 ledenbedrijven - goed
  • 81. 85 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFME-CWM De FNLI behartigt de bedrijfs- en branche-De Vereniging FME-CWM is de ondernemers­ overschrijdende belangen van de voedings- enorganisatie voor de technologisch-industriële levensmiddelenindustrie in Nederland. De FNLIsector. De bedrijvigheid in de sector betreft bundelt de krachten van de totale levensmiddelen­e­ ngineering, productie, handel, industrieel onder- industrie.houd en industriële automatisering. Telefoon: 070-3365150Bij FME zijn ongeveer 2.750 lidondernemingen Website: http://www.fnli.nl(metaal, kunststof, elektronica en elektrotechniek)met 260.000 vaste medewerkers aangesloten. De GMVtotale omzet van de leden is ruim 59 miljard euro. De GMV is de vereniging van fabrikanten vanDaarvan wordt 56% in het buitenland behaald. machines voor de voedingsmiddelenindustrie enFME behartigt de belangen van de lidbedrijven verpakkingsmachines. De bijna 90 leden zetten(nationaal en internationaal) en verleent hen dien- ca. € 2 miljard om, met ca. 6.000 werknemers.sten op sociaal, economisch en technisch gebied. Tot de leden behoort naar schatting 60% van deBij FME zijn 150 brancheorganisaties aangeslo- fabrikanten in de branche (in omzet ca. 85%).ten. FME heeft, inclusief brancheorganisaties, 220 Nederlandse machinefabrikanten zijn leidend inmedewerk(st)ers met specialistische kennis op onder meer pluimveeverwerking (80%) en aard-vele terreinen in dienst. appelverwerking (meer dan 50%) Tot de leden behoren voorts de grootste fabrikant ter wereldTelefoon: 079-3531100 van machines voor rood vlees en twee van de drieWebsite: http://www.fme.nl grootste bakkerijmachinefabrikanten.FNLI De GMV kent vijf secties: General Foods (voor-De Federatie Nederlandse Levensmiddelen namelijk aardappel-, vlees-, groente- en fruit­Industrie (FNLI) is dé koepelorganisatie verwerking), Dairy Liquid, Bakkerijmachines,van bedrijven en brancheorganisaties in de Animal Feed en Verpakkingsmachines (niet uit-Nederlandse levensmiddelenindustrie (food en sluitend voor voedingsmiddelen).non-food). De FNLI is spreekbuis voor bedrijven De GMV behartigt de belangen in Den Haagen brancheorganisaties en aanspreekpunt voor en Brussel en is actief in exportbevordering,handelspartners, NGO’s, overheid, politiek en Integraal Ontwerpen en Hygiënisch Ontwerpenmedia. De organisatie behartigt de belangen die en het bevorderen van samenwerking en kennis­de individuele bedrijven overstijgen. De FNLI uitwisseling tussen de leden. Ze zet zich in vooris strategisch gehuisvest in Rijswijk, vlakbij het de versterking van de positie van Nederland alspolitieke hart van Den Haag. De FNLI vertegen- toonaangevende speler in de wereld op het gebiedwoordigt een industrie die een jaarlijkse omzet van de voedingsmiddelen en de daarmee verbon-van circa 50 miljard euro genereert en werkgele- den kennis en technologie.genheid biedt aan meer dan 140.000 mensen. Telefoon: 079-3531263 Website: http://www.gmv-fme.nl
  • 82. 86T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Koninklijke Metaalunie op individuele leden en moet voor de leden direct De Metaalunie is met 12.000 leden de grootste of indirect een herkenbare toegevoegde waarde ondernemersorganisatie voor het midden- en opleveren. kleinbedrijf (MKB) in de metaal. Zij richt zich op metaalbedrijven tot ongeveer 100 werknemers Leden van de Koninklijke KVGO zijn onder- in uiteenlopende sectoren. Er zijn bedrijven aan- nemingen in Nederland die als productiebedrijf gesloten die zich bezighouden met machine- en actief zijn binnen de grafische en de communi- apparatenbouw, metaalwaren, meet- en regel- catie-industrie. Als gevolg van de digitalisering techniek, elektronica, engineering, las- en con- schuiven ooit gescheiden werelden steeds verder structiewerk, gereedschappen, gietwerk, jacht- en in elkaar. Naast grafische ondernemingen zijn dan scheepsbouw, verspanen, plaatbewerking, land- ook steeds meer bedrijven lid met activiteiten aan bouwmechanisatie, staalbouw, revisie en onder- de rand van het grafimedia-domein. houd, evenals bedrijven in handel en service. Behalve de individuele belangen, behartigt het KVGO ook de collectieve belangen. Het behar- Naast het algemene lidmaatschap van de tigen van deze belangen is niet altijd zichtbaar, Metaalunie kunnen leden zich ook aansluiten bij maar leidt tot concrete afspraken met overheden een branchegroep. Een branchegroep behartigt de zoals convenanten en bedrijfstakregelingen. Een economisch-technische belangen van een speci- krachtige branche-organisatie kan meer bereiken fieke sector zoals bijvoorbeeld de gereedschap- dan een individuele ondernemer. Bovendien biedt makers en jachtbouwers. Momenteel zijn er ruim zij een interessant (sociaal) regionaal en nationaal 50 branchegroepen die specifieke bedrijfsgroepen platform. ondersteunen. Telefoon: 020-5435678 De Metaalunie organiseert verder regionale bijeen­ Website: http://www.kvgo.nl komsten voor leden (informatievoorziening, netwerken en contacten leggen met collega-onder­ NEVAT nemers, beleidsafstemming, inspraak etc.) De Nederlandse Vereniging Algemene Toelevering (NEVAT) is het belangrijkste netwerk van indu- Telefoon: 030-6053344 striële toeleveranciers in Nederland. Als branche- Website: http://www.metaalunie.nl organisatie met ruim 280 leden is NEVAT zowel de spreekbuis van de Nederlandse toeleverings- KVGO industrie, een platform voor onderlinge uitwis- De Koninklijke KVGO is de ondernemingsorgani- seling van kennis en ervaring als een onmisbare satie die de belangen behartigt voor zijn leden, nu vraagbaak voor toeleveranciers en uitbesteders uit nog vooral in de grafimediabranche. Het KVGO binnen- en buitenland. wil zich verbreden in de richting van ook andere sectoren binnen de communicatie-industrie. NEVAT biedt onderdak aan een breed scala van gespecialiseerde ondernemingen in de metaal-, Belangenbehartiging is bij het KVGO gericht op kunststof- en elektronicaverwerkende industrie. het gehele collectief, op deelcollectieven, alsmede Zij vertegenwoordigt nagenoeg alle productie-
  • 83. 87 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYtechnieken en technologieën en omvat zowel leve- diensten en activiteiten. Tevens krijgen zij opranciers van enkelvoudige onderdelen als bedrij- praktisch alle overige activiteiten korting. Bijven die op klantenwens hoogwaardige modules en het participeren in projecten, forums en overigesystemen ontwikkelen en produceren. trendsettende of onderzoekende activiteiten heb- ben NVC-leden voorrang.In het brede veld van toeleveren en uitbestedenzijn duidelijke deelterreinen te onderscheiden. Telefoon: 0182-512411NEVAT onderkent dit en speelt hierop in via Website: http://www.nvc.nlgerichte sectoren en platforms. Leden met eengemeenschappelijke markt, een zelfde productie- NVTBproces of ketenpositie kunnen zo effectief worden Het Nederlands Verbond Toelevering Bouw isgebundeld. Momenteel kent NEVAT zeven zelf- opgericht in 1988 als koepelorganisatie van destandige sectoren. Nederlandse bouwtoeleverende industrie en handel. De gezamenlijke jaaromzet van de bouw­Alle activiteiten van de NEVAT staan ten dienste materialenindustrie en –handel is ruim € 10 mil-van het creëren van een zo groot mogelijk zake- jard per jaar.lijk resultaat voor de leden, het elimineren c.q.voorkomen van omstandigheden die dit belem- Het ledenbestand van het NVTB bestaat uit 17meren, en het versterken van marktposities van brancheverenigingen. Bij deze ledenbranche­haar leden in toeleveringsketens in binnen- en organisaties zijn meer dan 1000 ondernemingenbuitenland. aangesloten.Telefoon: 079-3531300 Het NVTB behartigt de gemeenschappelijkeWebsite: http://www.nevat.nl belangen van de industrie op het gebied van de productie en handel in bouwproducten. NVTBNVC stelt zich ten doel maximale voorwaarden teHet Nederlands Verpakkingscentrum (NVC) is c ­ reëren voor de aangesloten leden in de sectorde enige ketenvereniging in Nederland op het bouwtoelevering. Dit geschiedt via het uitdragengebied van verpakken. Met haar netwerk van ruim van een sterke inhoudelijke visie en brede ver-vijfhonderd lidbedrijven en twaalfduizend indivi- tegenwoordiging op relevante terreinen (zoveelduen is de vereniging voortrekker in opleiden en mogelijk door ondernemers zelf). Het NVTBt­ rainen, informeren en belangenbehartiging. functioneert op basis van een directe communi- catie met haar leden. Door een goede coördina-Het NVC verenigingsbureau in Gouda is de tie van de activiteiten van de leden en van hetontmoetingsplaats, het informatiecentrum en NVTB kan de grootst mogelijke meerwaarde enhet opleidingsinstituut van en voor de bedrij- e ­ fficiency bereikt worden.ven die belang stellen in de verpakkingsfunctie.Leden van de vereniging kunnen op exclusieve Telefoon: 070-3552700basis gebruik maken van een aantal belangrijke Website: http://www.nvtb.nl
  • 84. 88T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY PlasticsEurope De VNCI telt circa 30 medewerkers, die vooral PlasticsEurope behartigt de belangen van kunst- werkzaam zijn op de speerpunten Energie, stofproducenten in Europa. De brancheorganisatie Onderwijs en Innovatie, Stoffen, Veiligheid en heeft meer dan 60 ledenbedrijven, verantwoor- Milieu, Dienstverlening en Ondernemingsklimaat, delijk voor 90% van Europa’s totale capaciteit en op het terrein van Communicatie. De VNCI wat betreft ruwe kunststofmaterialen. Onder onderhoudt namens de chemische industrie con- Europa vallen hier de 25 lidstaten van de EU tacten met nationale en internationale overheden én Bulgarije, Kroatië, Noorwegen, Zwitserland, en politici over regelgeving, afspraken en ver- Roemenië en Turkije. De vereniging wordt plichtingen die de bedrijfstak aangaan. Andere bestuurd vanuit zes gedecentraliseerde kantoren belangrijke doelgroepen van de VNCI zijn: vak- in Europa, waaronder Brussel. bonden, onderwijs, werkgeversorganisaties en media. De kunststofketen, inclusief machineproducenten, distributeurs van kunststoffen en producenten en Telefoon: 070-3378787 importeurs van kunststofhulpstoffen is goed voor Website: http://www.vnci.nl ruim 1,6 miljoen arbeidsplaatsen, en heeft een geza- menlijke omzet van €160 miljard per jaar. Het behar- VNP tigen van de belangen gaat in combinatie met het De Koninklijke Vereniging van Nederlandse verzamelen van informatie voor de kunststofindustrie Papier- en kartonfabrieken (VNP) is de branche- en het promoten van de positieve bijdrage van kunst- vereniging van alle 26 papier- en kartonfabrieken stof op de samenleving, nu en in de toekomst. in Nederland. De Koninklijke VNP is erop gericht om de papier- en kartonindustrie in Nederland Telefoon: 070-4440610 te maken tot een industrie die milieuvriendelijk, Website: http://www.plasticseurope.org innovatief en aantrekkelijk is. VNCI Het speelveld van de Koninklijke VNP is zowel De Vereniging van de Nederlandse Chemische nationaal als internationaal. Naast een groot Industrie (VNCI) behartigt de collectieve belan- netwerk binnen de papier- en kartonindustrie gen van de chemische industrie in Nederland. Zij hebben we veel contact in binnen- en buitenland doet dit door middel van overleg, voorlichting en met ambtenaren, Europarlementariërs en verte- adviezen. De VNCI treedt op namens de bedrijfs- genwoordigers van allerlei instanties, instellingen tak, is een centraal aanspreekpunt en onder- en organisaties. De Koninklijke VNP houdt zich neemt activiteiten die de beeldvorming over de bezig met de actuele thema’s die spelen binnen en c ­ hemische industrie positief beïnvloeden. rondom de papier- en kartonindustrie. Per 1 januari 2006 telt de VNCI 114 aangeslo- De Nederlandse papier- en kartonindustrie kent in ten leden, verenigingen en donateurs. Rekening totaal 26 productielocaties die direct werk bieden houdend met de leden van 11 geassocieerde lid- aan ca. 6000 werknemers. In de totale papier- en verenigingen zijn meer dan 600 ondernemingen houtgerelateerde keten werken zelfs meer dan direct of indirect aangesloten bij de VNCI. 140.000 mensen. Samen waren de papierfabrieken
  • 85. 89 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYin 2005 goed voor een productie van 3,47 miljoen werk aan bijna 200.000 mensen. De scheepsbouwton papier en karton. is de centrale spil in het maritieme cluster. Zij biedt werkgelegenheid aan 50.000 mensen inDe Nederlandse productie genereerde in 2005 de Nederlandse maakindustrie. De Nederlandseeen omzet van 2,0 miljard euro. Gemeten naar scheepsbouw speelt een centrale rol in deproductiehoeveelheden waren de verpakkings- v ­ erspreiding van kennis binnen de maritiemepapieren het sterkst vertegenwoordigd met 56%, bedrijfstak.gevolgd door de grafische papieren met 40%en de huishoudelijke en sanitaire papieren met De scheepsbouw is een sector met perspectief4%. De Nederlandse papier- en kartonindustrie voor de toekomst. De stijgende waterspiegel enheeft een sterk internationaal karakter. Ruim het tekort aan leefruimte biedt kansen voor grote70% van de totale Nederlandse productie werd baggerwerken. Het vervoer over de rivieren engeëxporteerd. Hiervan blijft 90% binnen Europa. de zee zal toenemen door de steeds grotere con-Bovendien zijn slechts 4 papierfabrieken in gestie in het wegvervoer. Door een toenemendeNederlandse handen, de rest is in handen van vraag naar olie en gas groeit de offshore-industrieb­ uitenlandse concerns. gestaag. De recreatie op het water zal toenemen en hiermee ook de vraag voor jachten. De visserijTelefoon: 020-6543055 zal zich ontwikkelen met alternatieven zoals vis-Website: http://www.vnp-online.nl kwekerijen op de Noordzee en de defensie indu- strie richt zich steeds meer op kleinere conflictenVNSI en kustbescherming, waardoor ruimte ontstaatDe Vereniging Nederlandse Scheepsbouw voor nieuwe innovatieve concepten.Industrie (VNSI) behartigt de belangen van deNederlandse maritieme maakindustrie. Samen met bedrijven, overheid en politiek moe- ten we kansen kapitaliseren op gebieden waarVNSI ondersteunt individuele bedrijven op het Nederland goed in is. Samen innovatief en grens-gebied van arbo en milieu, onderwijs, techniek, verleggend bouwen aan een sterke scheepsbouw-regelgeving, onderzoek en ontwikkeling, statistiek industrie, die met haar toeleveranciers staat vooren scheepsfinanciering. Daarnaast werkt VNSI stabiele werkgelegenheid en unieke landseigenintensief samen met organisaties die actief zijn in kennis en kunde van maritiem ondernemen. Dede branche. Onlangs heeft VNSI haar strategienota Nederlandse scheepsbouw heeft de mensen, deDutch LeaderSHIP 2015 uitgebracht. Klik hier technologie, de kennis en de strategie om leidendvoor een impressie van de Dutch LeaderSHIP-film. te zijn in een bloeiende mondiale industrie. Nu en in de toekomst.Nederland is van nature verbonden met het water.60% van de bevolking leeft onder het zeeniveau. Telefoon: 079-3531165De nabijheid van water biedt tal van kansen voor Website: http://www.vnsi.nleconomische groei, werkgelegenheid en duur-zaamheid. Het maritieme cluster biedt met eentotale toegevoegde waarde van ruim € 12 miljard
  • 86. 90 Bijlage 4: ING sectorstudiesT H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Reeds eerder in de reeks ING Sectorstudies zijn verschenen: n Decentrale overheden II, oktober 2006 n Sierteeltgroothandel, juni 2004 n Woningcorporaties, september 2006 n Onderwijs, februari 2004 n Themastudie Groothandel 2010, juni 2006 n Levensmiddelendistributie groot- en detail­ n Themastudie Productieverplaatsing, handel, februari 2004 mei 2006 n Internationale groupage, januari 2004 n Accountantskantoren, april 2006 n Bouwmaterialen, november 2003 n Projectontwikkeling, maart 2006 n Touroperators en reisbureaus, oktober 2003 n ICT, december 2005 n Aanbieders facilitaire diensten, n Mode, november 2005 september 2003 n Kunststofindustrie, november 2005 n Advocatuur en notariaat, juli 2003 n Voedings- en genotmiddelenindustrie, n Farmaceutische groothandel en apotheken, n ­ ovember 2005 juni 2003 n Televisie, oktober 2005 n Ritplanning, juni 2003 n Themastudie Waarde van flexibiliteit, n Hotellerie, mei 2003 oktober 2005 n Transport logistiek “Strategisch op weg naar n Groothandel AGF, september 2005 een beter rendement, maart 2003 n Handel in Medische Hulpmiddelen, n Bouw, februari 2003 augustus 2005 n Chemie, december 2002 n Flexmarkt, juni 2005 n Woninginrichting, november 2002 n Themastudie Succesvol produceren in n Fysieke distributie, november 2002 Nederland, maart 2005 n Woningcorporaties, oktober 2002 n Autoretail, februari 2005 n Mode, oktober 2002 n Elektrotechnische groothandel, januari 2005 n Verpakkingsindustrie, september 2002 n Themastudie Woninginrichting (van aanbod- n Transport logistiek 2002, juli 2002 naar vraagketen), december 2004 n Koeriers, expres- en pakketdiensten, juli 2002 n Gemeenten, november 2004 n Metaalproducten- en machine-industrie, n Incassobureaus en gerechtsdeurwaarders­ juni 2002 kantoren, november 2004 n Groothandel AGF, mei 2002 n Pensioenfondsen, november 2004 n Leisure deelmarkten, januari 2002 n Melkveehouderij, september 2004 n Grafimedia, januari 2002 n Financiële bemiddeling, juni 2004
  • 87. @#A My Industry - Dutch Manufacturing 2010@#A

×