@#A My Industry - Dutch Manufacturing 2010@#A
Themastudie My Industr yDutch Manufacturing 2010                           Economisch Bureau ING                          ...
ColofonT H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           Redactie                        ...
Inhoud                                                                                                                    ...
Voorwoord                                                                                                                 ...
T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           onderzoeksrapport, wensen u veel leespl...
Managementsamenvatting                                                                                                    ...
T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           POSITIEF                               ...
T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYden bereikt door overnames of fusies, maar tevens    Duurzaamheiddoor slim gebruik...
10                                               Inleiding    1T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                   ...
11                                                T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYEconomische Zaken), dhr. Pieter ...
2    Globalisering      13                                                                                                ...
14T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           internationaal concurrerend en stimul...
15                                                                                                             T H E M A S...
16T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           aandeel beperkt tot een kwart, wat ve...
17                                                                                                                        ...
18T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           Figuur 2.9 Omzetaandeel dienstverleni...
19                                                                                                                       T...
20T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           een positie tussen 10 en 15 4 . Om ni...
21                                                                                                           T H E M A S T...
22T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           50%. Kostenstijgingen (w.o. van energ...
24                                                    Mens     3T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                  ...
25                                                                                                            T H E M A S ...
26T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY                                           ker dan andersom. Landen die hierin a...
27                                                                                                             T H E M A S...
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006

663
-1

Published on

ONE VOICE, de Nederlandse industrie bestaat uit vele verschillende branches en subbranches. Elke branche opereert in een specifieke markt en is afhankelijk van specifieke trends en ontwikkelingen. Er zin echter meer overeenkomsten dan verschillen! Dit rapport is het resultaat van een unieke samenwerking tussen alle industriële branches op zo samen aan een beter imago te werken bij het brede publiek en de wens om een krachtig signaal af te geven richting de overheid.

Het rapport is geschreven op basis van een grote landelijke enquete en bevat 10 specifieke analyses en SWATs van de belangrijkste industriële sectoren in Nederland.

Published in: Business
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
663
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
4
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

ING My Industry: Dutch Manufacturing 2010, nov 2006

  1. 1. @#A My Industry - Dutch Manufacturing 2010@#A
  2. 2. Themastudie My Industr yDutch Manufacturing 2010 Economisch Bureau ING november 2006
  3. 3. ColofonT H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Redactie Opmaak en druk drs. P.G. Drontmann Papyrus B.V., Diemen drs. D.J.J. Kemps G.P.M. van Nieuwland Cover/logo drs. M.J.P.M. Peek Bureau Mijksenaar Auteurs ISBN mw. drs. A. Geerts 9069-1917-5-x H.P. Bijvoet Projectpartners (Branche)verenigingen Branchemanagers mw. dr. ir. N.C.N. Alma-Zeestraten MBA– VNCI drs. D.J.J. Kemps drs. F.J. Bakkes – KVGO G.P.M. van Nieuwland M. Boerstra - FNLI A.I.M. Braakman - FEDA Bestellingen G.J. Braam – FME-CWM www.ingbank.nl/ bedrijven en instellingen M.V. Cobelens - PlasticsEurope (intern ING via BI/kenniscentrum) drs. R. Coster – VNCI drs. G.H. van Egerschot - NVTB mr. drs. R.A.J. Goes – NVTB Disclaimer H. Griffioen – KVGO De informatie in dit rapport geeft de persoonlijke mening weer van de analist(en) en geen enkel deel van de beloning ir. P. ’t Hart - VNSI van de analist(en) was, is, of zal direct of indirect gerelateerd drs. Th. van den Hoven – FME-CWM zijn aan het opnemen van specifieke aanbevelingen of menin- gen in dit rapport. De analisten die aan deze publicatie heb- mw. drs. L.M. Huiskens – Premsela Stichting ben bijgedragen voldoen allen aan de vereisten zoals gesteld drs. R. Huisman - BNO door hun nationale toezichthouders aan de uitoefening van hun vak. Deze publicatie is opgesteld namens ING Bank N.V., mr. H.J. Keijer – Koninklijke Metaalunie gevestigd te Amsterdam en slechts bedoeld ter informatie van haar cliënten. ING Bank N.V. is onderdeel van ING Groep K.J. Koekkoek - KVGO N.V. Deze publicatie is geen beleggingsaanbeveling noch ir. G.J. Koopman – Koninklijke VNP een aanbieding of uitnodiging tot koop of verkoop van enig financieel instrument. Deze publicatie is louter informatief ir. drs. M.W.C.M. Nieuwesteeg - NVC en mag niet worden beschouwd als advies. ING Bank N.V. Ph. den Ouden - FNLI betrekt haar informatie van betrouwbaar geachte bronnen en heeft alle mogelijk zorg betracht om er voor te zorgen dat drs. D.A. Rodenrijs – VNU Exhibitions ten tijde van de publicatie de informatie waarop zij haar visie in dit rapport heeft gebaseerd niet onjuist of misleidend is. drs. P.M. van Roon – FME-CWM ING Bank N.V. geeft geen garantie dat de door haar gebruikte drs. W.F. de Ruijter - NRK informatie accuraat of compleet is. De informatie in dit rap- port kan gewijzigd worden zonder enige vorm van aankon- mr. R.J. Schuitema – Koninklijke Metaalunie diging. ING Bank N.V. noch één of meer van haar directeuren mr. R. Schouten - VNSI of werknemers aanvaardt enige aansprakelijkheid voor enig direct of indirect verlies of schade voortkomend uit het ge- drs. H.A. van Sluys - GMV bruik van (de inhoud van) deze publicatie alsmede voor druk- en zetfouten in deze publicatie. Auteursrecht en rechten ter J.A. van der Spek – FME-CWM bescherming van gegevensbestanden zijn van toepassing op mr. S.V. Swolfs - FKL deze publicatie. Overneming van gegevens uit deze publicatie is toegestaan, mits de bron wordt vermeld. In Nederland is drs. C.A.J.M. Tubbing – Nevat ING Bank N.V. geregistreerd bij en staat onder toezicht van De R.H. van der Werff – Koninklijke Metaalunie Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. De tekst is afgesloten op 31 oktober 2006. M. Wilbords – KVGO
  4. 4. Inhoud T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYVoorwoord 5 5 Duurzaamheid 43 5.1 Kansen door duurzaamheid 43Managementsamenvatting 7 5.2 Milieu en imago 46 5.3 Sociaal gezicht industrie 481 Inleiding 10 6. Sectorspecifieke perspectieven 512 Globalisering 13 6.1 Rubber- en Kunststofindustrie 51 2.1 Internationale economische 6.2 Voedings- en Genotmiddelenindustrie 54 verhoudingen 13 6.3 Scheepsbouw 57 2.2 Internationale rolverdeling in de keten 15 6.4 Hout(producten)- en Bouwmaterialen- 2.3 Ondernemingsklimaat in internationaal industrie 60 perspectief 19 6.5 MKB-Metaal 63 6.6 Technologische Industrie 663 Mens 23 6.7 Grafimedia 69 3.1 Arbeidsmarkt en onderwijs 23 6.8 Chemie 72 3.2 Imago 27 6.9 Papier- en Karton(waren)industrie 75 3.3 Ondernemerschap 29 6.10 Verpakkingsketen 78 3.4 Samenwerken 34 Bijlage 1 Geraadpleegde bronnen 814 Vernieuwing 35 Bijlage 2 Verantwoording enquête 83 4.1 Technologie 35 Bijlage 3 Projectpartners 84 4.2 Sociale innovatie 39 Bijlage 4 ING sectorstudies 90 4.3 Design 40
  5. 5. Voorwoord T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY‘One Voice’ voor en door de Nederlandse Het rapport is geschreven op basis van de uitkom-i­ ndustrie. sten van een grote landelijke enquête (bijna 1.400De Nederlandse industrie bestaat uit vele ver- respondenten!) en de sectorspecifieke visies enschillende branches en subbranches. Elke branche SWOT-analyses van de samenwerkende branche-opereert in een specifieke markt en is ­afhankelijk verenigingen.van specifieke trends en ontwikkelingen. Dechemische industrie is sterker getroffen door Naast de algemene aanbevelingen en conclusiesstijgende energieprijzen dan bijvoorbeeld de voor de gehele Nederlandse maakindustrie, bevatgrafische industrie. De sterk op export gericht het onderzoeksrapport tien specifieke analyseskunststofindustrie zal zwaarder worden getroffen van industriële sectoren binnen de Nederlandsedoor importrestricties van andere landen dan bij- maakindustrie.voorbeeld de veelal meer lokaal opererende plaat-bewerkende industrie. Beleidsprioriteit voor de Nederlandse maak­ industrie!Er zijn echter meer overeenkomsten dan ING Bank draagt de Nederlandse industrie eenv­ erschillen! warm hart toe en is daarom een enthousiastDit inzicht en de behoefte aan een beter imago voorstander van samenwerking. Samenwerkingvan de Nederlandse maakindustrie bij het brede t ­ ussen brancheverenigingen, samenwerking ­tussenpubliek, de borging van het belang van de indu- bedrijven, maar ook samenwerking tussen allestrie voor de Nederlandse economie en de wens ‘stakeholders’ binnen de Nederlandse maakindu-om een krachtig signaal af te geven richting de strie. Dit onderzoeksrapport moet in het verleng-politiek om meer prioriteit te geven aan industrie- de van deze samenwerking gezien worden als eenbeleid, heeft geleid tot een unieke samenwerking gezamenlijke borging van het industriebelang.‘My Industry’ en een uniek onderzoeksrapport‘My Industry, Dutch Manufacturing 2010’. Onze oprechte dank gaat uit naar … Naast de input en het enthousiasme van deWaarom zo’n ‘fancy’ titels in het Engels? samenwerkende brancheverenigingen, willen wijNederland is te klein voor de industrie en tegen- ook onze dank uitspreken richting het Ministeriewoordig kunnen we zelfs veel ondernemingen uit van Economische Zaken, VNU Exhibitions, dehet MKB typeren als heuse multinationals! Premsela Stichting en de leden van het Comité van Aanbeveling. Zonder hun steun waren wijVijftien grote en overkoepelende branchevereni- nooit gekomen tot dit eindresultaat; ‘One Voice’gingen uit de industrie hebben de handen ineen- voor en door de Nederlandse industrie.geslagen en presenteren u met trots het gezamen-lijke onderzoeksrapport naar de toekomst van de De samenwerkende brancheverenigingen en deNederlandse maakindustrie. ING Bank, als initiatiefnemer en schrijver van het
  6. 6. T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY onderzoeksrapport, wensen u veel leesplezier en Samenwerkende (branche) verenigingen: nieuwe energie om de uitdagingen voortvarend BNO aan te gaan en een hoofdrol te claimen voor de FEDA industrie nu en in de toekomst. Federatie NRK FME-CWM ING Branchemanagement Industrie: FNLI Michel van Nieuwland GMV David Kemps Koninklijke Metaalunie Koninklijke KVGO Economisch Bureau ING: Koninklijke VNP Anna Geerts NEVAT Marcel Peek NVC NVTB PlasticsEurope VNCI VNSI
  7. 7. Managementsamenvatting T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYIndustrie van groot economisch belang gisch industriebeleid op zijn plaats. UitgangspuntDe industrie biedt anno 2006 werkgelegenheid hiervan zou vertrouwen in de industrie moetenaan maar liefst één miljoen personen en kent een zijn, zodat ondernemers geen last hebben vanindirecte werkgelegenheid die minstens zo groot dirigisme (strakke sturing in wet- en regelgeving)en stijgend is. Bovendien heeft de industrie een maar de ruimte krijgt om te ondernemen. Van deaandeel in de Nederlandse export van 70% en industrie kan vervolgens worden verwacht datneemt het bijna driekwart van de RD-­uitgaven wordt geïnvesteerd in een duurzame verbeteringvan het bedrijfsleven voor zijn rekening. De van de concurrentiepositie, door te investeren inindustrie heeft Nederland in dit opzicht dus veel vernieuwing en samenwerking (scholen, kennis­te bieden. In het voorliggende onderzoek ‘My instellingen, de keten en collega’s). Daarbij isIndustry’ is nader ingegaan op het perspectief dat bovendien de zichtbaarheid van de sector vande industrie Nederland in de aanloop naar 2010 te belang; onzichtbare bedrijven betekenen eenbieden heeft en omgekeerd; wat heeft Nederland onzichtbare industrie.de industrie te bieden. Opleiding en arbeidsmarktPerspectief industrie in Nederland goed De industrie zal nog veel meer dan nu moetenIn de oranje en witte box op de volgende pagina investeren in samenwerking met scholen. Hetdie beide aan een balans hangen zijn de belang- tekort aan goed gekwalificeerd personeel vormtrijkste uitkomsten van het onderzoek opgenomen. immers een rem op de ontwikkelingsmogelijk-Voor ieder positief punt in de oranje box is een heden van de industrie. Enerzijds is sprake vankeerzijde in de witte box zichtbaar. De ene keer een gebrek aan belangstelling voor technischeweegt het positieve punt zwaarder, de andere keer opleidingen, anderzijds zal de aansluiting tussenhet negatieve. Om de balans richting 2010 ver- scholen en bedrijven moeten worden verbeterd.der in positieve zin te laten doorslaan zijn acties Hiervoor is een grotere structurele betrokkenheidnodig, vooral omdat de wereld om ons heen niet van bedrijven bij scholen noodzakelijk om destilstaat. Het rapport vormt in die zin een begin- kwaliteit van de opleiding verder op te schroevenpunt. Om de aanzet naar deze acties te geven zijn en het zichtbaar maken van aantrekkelijke carriè-een aantal aanbevelingen opgenomen. res in de techniek. Beide zaken zorgen ervoor dat het beroepsonderwijs aantrekkelijker wordt. HetAanbevelingen Platform Bèta Techniek, dat is opgezet om te wer- ken aan een verbetering van de beschikbaarheidHerwaardering industrie van bètatechnici, kan daarbij een faciliterende rolHet is duidelijk dat de industrie Nederland richting spelen.2010 veel perspectief te bieden heeft. Dit vraagtom een brede maatschappelijke herwaardering Samenwerkingvan de industrie om als Nederland ook een Horizontaalpositief perspectief te (blijven) bieden voor de Om de steeds grotere en internationaal opererendeindustrie. Nederland moet gáán voor de industrie afnemers in de industrie te bedienen is een zekeredus is een ‘commitment’ aan een wervend strate- minimum schaalgrootte nodig. Dit kan zowel wor-
  8. 8. T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY POSITIEF NEGATIEF Welk perspectief biedt de industrie Nederland? Welk perspectief biedt de industrie Nederland? 1. Industrie wil blijven 1. Keerzijde globalisering Meerderheid industrie ziet blijvend positief a- Bewustzijn over gevolgen globalisering perspectief voor merendeel eigen productie in b ­ eperkt, vooral bij kleinere bedrijven Nederland b- Onvoldoende ‘level playing field’ op onder meer energiegebied 2. Kennisintensieve dienstverlening steeds 2. Onvoldoende herbezinning strategie belangrijker ­­ a- Deel bedrijven doet niet mee, transformatie Transformatie industrie gaande; meer toe­ vindt bovendien traag plaats gevoegde waarde door meer kennisintensieve b- Regisseursrol is niet eenvoudig; veel kennis dienst­verlening (zoals onderhoud) en toename nodig om deze goed te beheersen. aandeel hoger opgeleid personeel 3. Industrie investeert in kennis 3. Scholing moet beter a- Investeringen in training en opleiding perso­ a- Gebrekkige kwantitatieve en kwalitatieve neel vinden op grote schaal plaats en nemen aansluiting aanbod arbeidsmarkt op vraag toe richting 2010 b- Veel bedrijven bieden stageprogramma’s b- Samenwerking met scholen nog vaak i ­ncidenteel 4. Onderscheidend vermogen door flexibili- 4. Te weinig nieuwe zelfscheppende ­bedrijven teit, topkwaliteit en partnership Ondernemerschap in high-tech sector blijft achter Concurrentie op partnership wint aan belang, flexibiliteit blijft de sterkste troef van bedrijven 5. Samenwerking in de keten noodzaak 5. Noodzaak krachtenbundeling als gevolg van Hoge en toenemende mate van samenwerking globalisering onvoldoende erkend in de keten, met zowel afnemers als toeleve­ a- Horizontale samenwerking (collega-bedrijven) ranciers met als doel het goed bedienen van de blijft achter eindklant b- Kleinere bedrijven werken relatief weinig s ­ amen 6. Industrie = innovatie 6. Toename RD beperkt Driekwart RD-uitgaven zijn voor rekening van Substantiële verhoging RD-uitgaven bij slechts de industrie, daarnaast vindt proces- en sociale klein deel bedrijven en sterke concentratie uit­ i ­nnovatie plaats gaven bij grote bedrijven 7. Design = innovatie+ 7. Creatieve kansen onvoldoende benut Design in Nederland goed gewaardeerd, dus Gebruik design voor waardecreatie nog ­beperkt, biedt veel kansen ook bij OEM’ers 8. Duurzaamheid levert geld op 8. Kansen duurzaamheid nog te onbekend Duurzaamheid gezien als kans door meerder­ Groot deel ondernemers nog steeds onbekend heid ondernemers (‘people, planet, profit’) met de commerciële mogelijkheden die duur­ zaamheid voor het eigen bedrijf biedt Welk perspectief biedt Nederland de industrie? Welk perspectief biedt Nederland de industrie? 9. Basis aanwezig 9. Regelgeving en onderwijs groot probleem Randvoorwaarden ondernemersklimaat op orde a- Bottlenecks administratieve lasten en flexibilise­ (inflatie, rente, betrouwbare instituties, hoog­ ring arbeid blijven aanwezig waardige kennisinstellingen etc.) b- Investeringen in onderwijs en commerciële e ­ xploitatie nieuwe technologie blijven achter c- Industriebesef Nederland nog steeds beperkt
  9. 9. T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYden bereikt door overnames of fusies, maar tevens Duurzaamheiddoor slim gebruik te maken van netwerken van Bedrijven zullen moeten blijven investeren in(collega) bedrijven. Bedrijven zullen dus meer duurzaamheid, om het draagvlak voor de her-moeten investeren in samenwerkingsverbanden en waardering van de industrie verder te ­verstevigen.het participeren in netwerken. Het stimuleren van Duurzaam ondernemen in de industrie is inmid-deze samenwerking om hierdoor een betere con- dels verschoven van ‘moeten’ en ‘zo horen’currentiepositie te verkrijgen (door bijv. kennis- naar daadwerkelijk lonen. De industrie zelf zietoverdracht of fiscale voordelen) wordt van steeds duurzaamheid voornamelijk als kans, omdatgroter belang. het daadwerkelijk bij kan dragen aan de winst; ofwel ‘people, planet, profit’. Dit is tevens eenVerticaal belangrijk onderdeel van de herwaardering vanSamenwerking in de keten vindt al veel plaats en de ­industrie; het verdienen van een ‘licence toneemt verder toe in de aanloop naar 2010. Door o ­ perate’ ofwel ruimte om te ondernemen.het toegenomen aantal schakels neemt echter ookde complexiteit van de ketenregie toe. Om ambi- Terugdringing regelgevingties op het niveau van de ketenregie en samen- Aangezien de verlichting van de wet- en regel-werking in de keten vorm te geven zal dus stevig gevingsdruk nog niet echt gemerkt wordt doormoeten worden geïnvesteerd in de ketencompe- industriële ondernemers, alle retoriek ten spijt,tenties van ondernemingen. zal het tempo waarin resultaten op dit gebied worden geboekt sterk omhoog moeten. Alleen op(Branche)Organisaties en overheid die manier wordt het duidelijk dat de overheidSamenwerking is niet alleen tussen bedrijven vertrouwen heeft in de ondernemers en deze nieten andere partners van belang, ook de vertegen- bij voorbaat wantrouwt. Geen regels die het onder­woordigers van bedrijven slaan de handen in nemerschap frustreren, maar herdere, eenduidigeelkaar om een herwaardering van de industrie en handhaafbare regels.te realiseren. Dit basisrapport ‘My Industry’, ispas het begin van de samenwerking tussen de Herwaardering en imago(branche)organisaties om met één stem namens De brede maatschappelijke herwaardering vande industrie te spreken. Op basis van de conclu- de industrie, in combinatie met verbetering vansies van dit rapport zullen een aantal concrete het beroepsonderwijs en het zichtbaar maken vanacties gezamenlijk op touw worden gezet. Om industriële bedrijven zal resulteren in een positiefde herwaardering van de industrie daadwerkelijk imago voor de sector. Losse imagocampagnesvorm te geven zouden de samenwerkende branche­ hebben in het verleden niet het gewenste effectorganisaties ook een aanspreekpunt bij de over- gehad, zodat het de tijd is voor een fundamenteelheid moeten hebben. Deze persoon zou een inter- andere aanpak. Een gezamenlijke inspanning vandepartementale rol moeten vervullen. Ondanks alle ‘stakeholders’ gebaseerd op het gegeven dathet nieuwe industriebeleid ingezet vanuit de Nederland niet zonder de industrie kan, resulte-Industriebrief, is de industrie op dit moment nog rend in een herwaardering van de industrie is eensteeds onvoldoende verankerd in de overheid. dergelijke aanpak. Samen zullen we het moeten maken in Nederland!
  10. 10. 10 Inleiding 1T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Rond de verkiezingen van november 2006 kan de Deel twee gaat over het aspect ‘mens’. Hierbij industrie het goed gebruiken om opnieuw op de komen achtereenvolgens arbeidsmarkt en onder- kaart gezet te worden. Zeker in het licht van een wijs aan de orde, het imago van de industrie, door globalisering veranderende ­internationale ondernemerschap en samenwerking. concurrentie is het zinvol te bezien hoe de Nederlandse industrie ervoor staat op verschillen­ In het derde deel staat vernieuwing centraal. de aspecten. Belangrijker nog is wat de toekomst­ Technologische vernieuwing komt als eerste aan perspectieven zijn en welke verbeterpunten er zijn de orde, waarna op sociale innovatie en design voor de industrie zelf, maar ook voor de overheid. wordt ingegaan. Wat heeft de industrie Nederland te ­bieden en vice versa? Duurzaamheid is het onderwerp van het vierde deel. In hoeverre is duurzaamheid ook lonend en De afgelopen jaren zijn verschillende initiatieven hoe is de relatie tussen industrie een leefomge- ontplooid door de overheid en het bedrijfsleven ving en industrie en sociale aspecten? om tot een versterking van de industriële basis van Nederland te komen. Enkele voorbeelden “One voice” vanuit de overheid zijn de Industriebrief en het Eén gezamenlijke stem van de industrie over instellen van het Innovatieplatform en program- de toekomst van de Nederlandse industrie om ma’s om meer studenten voor technische studie- hiermee een sterk signaal richting de politiek te richtingen te laten kiezen. De resultaten van de geven is het doel van het rapport. In bijlage 3 inspanningen zijn nog niet eenduidig zichtbaar, is is een korte introductie van alle projectpartners de goede weg inmiddels ingeslagen of is er nog o ­ pgenomen. een koersverandering nodig? Enquête onder 1400 ondernemers Anderzijds is het de vraag wat de industrie zelf Centraal in het rapport staan de uitkomsten van doet in de aanloop naar 2010. Hoe ziet de indu- een enquête onder bijna 1400 ondernemers, voor- strie er dan uit in een geglobaliseerde wereld, wat namelijk leden van de meewerkende (branche)­ zijn de onderscheidende aspecten van concurren- verenigingen (zie bijlage 2 voor de verantwoor- tie en wat zijn eventuele verbeterpunten? ding van het onderzoek). Daarnaast is uitgebreide deskresearch gehouden, zijn door de (branche)­ Analyse van vier hoofdthema’s verenigingen SWOT’s opgesteld. Om deze vragen te beantwoorden is het rapport in vier delen geknipt. Het eerste deel (hoofdstuk 2) Comité van aanbeveling behandelt de veranderende economische verhou- Voor het onderzoek is een comité van aanbeve- dingen in een globaliserende wereld, de invloed ling samengesteld dat bestaat uit dhr. Alexander hiervan op de structuur van de industrie en de Rinnooy Kan (voorzitter SER), dhr. Sjoerd consequenties van het huidige ondernemings­ Vollebregt (CEO Stork NV), dhr. Rein Willems klimaat. (CEO Shell Nederland NV), dhr. Chris Buijink (DG voor Ondernemen, Ministerie van
  11. 11. 11 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYEconomische Zaken), dhr. Pieter Jan van denBrink (Directeur ING Bank, verantwoordelijkvoor de divisie Mid Corporates) en alle voor­zitters van de genoemde brancheverenigingen.
  12. 12. 2 Globalisering 13 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY2.1 Internationale economische verhoudingen (figuur 2.1). Midden- en Oost-Europa presteert fors beter dan de Eurozone door het ‘catching-up-Bewustzijn gevolgen globalisering beperkt effect’.Onderscheidend vermogen en optimaal inspelenop de mogelijkheden van globalisering voor wat Figuur 2.1 Bijdrage aan wereld BBP in 1980 en 2025betreft afzetmarkten en kostenbesparing zullen (op basis van koopkrachtpariteit)bepalend zijn voor het uiteindelijke toekomstbeeldvoor de Nederlandse industrie. Vooral de groterebedrijven in de industrie zijn zich bewust vande kansen en bedreigingen van de voortgaandeglobalisering van de economie. Zorgwekkendis dat bij kleinere bedrijven dat besef er in veelm­ indere mate is. Vooral in de drukkerijbrancheen de bouwmaterialenindustrie is de indruk dathet van weinig invloed is. Nu zijn deze sectoren Bron: ING Economistsook traditioneel sterk regionaal gebonden, van­ COE = Centraal- en Oost-Europa = BUL, TSJ, HON, KZK,wege grondstoffen of afnemers, maar dat wil niet POL, ROE, RUS, SLK, TUR, OEKzeggen dat de veranderende economische krachts­verhoudingen niet van invloed zijn. Vooral de industrie in West-Europa wordt gecon- fronteerd met de toenemende concurrentiekrachtVanuit de overheid is een stimulerend en interna­ van opkomende landen die stoelt op een combina-tionaal sterk concurrerend ondernemingsklimaat tie van ‘goedkope’ arbeid en een veelal adequaatvan belang (zie §2.3). Cruciaal is dat beleids­ en stijgend scholingsniveau.voornemens van de overheid (Lissabon-Agenda)ook daadwerkelijk tot uitvoering komen en dat er Overheid pro globalisering..geen obstakels worden opgeworpen voor inter­ De Nederlandse overheid staat positief ­tegenovernationaal opererende bedrijven (‘level playing het proces van verdergaande globalisering, omdatfield’). dit zowel in Nederland als in ontwikkelings­landen en andere opkomende markten groei oplevert.Spectaculaire economische verschuiving Keerzijde van deze open aanpak is dat veelVoortgaande liberalisering van het ­internationale Nederlandse bedrijven onderdeel worden vankapitaal- en handelsverkeer, alsmede sterk buitenlandse concerns, waardoor de binding metd­ alende kosten van transport en communicatie Nederland verminderd met mogelijk negatieve(internet) stuwen het internationaal zakendoen gevolgen voor de werkgelegenheid.over langere afstanden op. In een wereld waarin landsgrenzen steeds ­minderHet belang van China en India in de wereldeco- van belang zijn en binnen Nederland de groei­nomie neemt spectaculair toe, de VS weet in de mogelijkheden veelal gering zijn, ligt de uit-pas te blijven, maar de Eurozone verliest terrein daging voor de overheid in het creëren van een
  13. 13. 14T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY internationaal concurrerend en stimulerend onder- lisering vooral als een bedreiging. nemingsklimaat met als kernpunten onderwijs, Zorgwekkend is dat één op de drie ondernemers flexibiliteit en innovatie (zie § 2.3). in de Nederlandse industrie verwacht dat globa- lisering nauwelijks van invloed zal zijn op het De ambitie van Nederland is om in 2010 tot de bedrijf. Dit geldt in sterkere mate voor de klei- Europese koplopers te behoren op het gebied nere bedrijven. Met recht kan de vraag gesteld van de kenniseconomie. In de praktijk blijkt dat worden of de Nederlandse industrie, en dan relatief weinig vorderingen zijn gemaakt met het v ­ ooral het kleinbedrijf, wel goed voorbereid is op realiseren van de doelstellingen. Slechts op twee de grote veranderingen die gaande zijn. van de veertien zogenoemde Lissabonindicatoren, te weten de arbeidsparticipatie en het BBP per Figuur 2.3 Mate van internationalisering, in % van hoofd, behoort Nederland tot de voorhoede. De respondenten voorsprong op deze twee gebieden is echter k ­ leiner geworden. ..slechts één op de drie ondernemers enthousiast Nog geen 40% van de industriële ondernemers ziet in de voortgaande globalisering vooral een kans, al is dit aandeel onder grotere bedrijven hoger dan onder kleinere (figuur 2.2). Relatief positief gestemd zijn de producenten van elek- trische apparaten en transportmiddelen. Vooral onder drukkerijen en de metaalproductenindustrie is sprake van minder optimisme. Bijna een kwart Bron: Enquête Themastudie Productieverplaatsing van de totale industrie ziet de toenemende globa- In het verlengde daarvan maakt een deel van de Figuur 2.2 Visie op globalisering, in % van respon­ Nederlandse industrie gebruik van internationale denten mogelijkheden, blijkt uit de ING Themastudie Productieverplaatsing. Zo schakelt 40% van de bedrijven buitenlandse toeleveranciers in (outsourcing) en heeft ruim een kwart een eigen buitenlandse vestiging (figuur 2.3). Slechts een kwart van de bedrijven in de industrie verwacht tot 2010 het aandeel van Nederland in de totale verkopen te zien dalen en dus de buiten­landse omzet sneller te zien groeien dan de binnen­landse (figuur 2.4). Naarmate het huidige aandeel van de binnenlandse omzet in het totaal hoger is, verwachten meer bedrijven dat deze Bron: Enquête My Industry
  14. 14. 15 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFiguur 2.4 Aandeel binnenlandse omzet in totaal, 2006 Figuur 2.5 Ontwikkeling DBI Nederland (in $ mld),en ontwikkeling hiervan tot 2010, in % van respon­ 2003-2010denten Bron: Economic Intelligence Unit (EIU)Bron: Enquête My Industry de stromen blijft vooralsnog binnen de EU-gren- zen, al groeit het belang van Zuid-Oost-Azië en(sterk) toe zal nemen. Sterk binnenlands georiën- Centraal- en Oost-Europa.teerde bedrijven blijven dus sterk op het binnen-land inzetten. Op brancheniveau blijkt dat vooral 2.2 Internationale rolverdeling in de ketende chemische en de machine-industrie een hoogexportaandeel hebben. Merendeel industrie wil blijven In tegenstelling tot het algemene beeld van eenDBI-ontwikkeling positief vertrekkende industrie blijken bedrijven vol­Nederland heeft zeer omvangrijke directe buiten­ doende vertrouwen te hebben om een belangrijklandse investeringen (DBI), zowel ingaand als deel van de activiteiten in Nederland uit te blij­uitgaand (figuur 2.5). De uitgaande investeringen ven voeren. Er is dus wel degelijk een toekomst­zijn al jaren groter dan de inkomende, maar dit perspectief voor de industrie in Nederland.zal naar verwachting in 2010 andersom zijn. Ditwijst op een verwachte positieve ontwikkeling van Anderzijds spelen nog lang niet alle industriëlehet investeringsklimaat in Nederland. Een moge- bedrijven in op internationale veranderingen doorlijke verklaring hiervoor is de gunstige logistieke het aanpassen van de organisatie en het produc­positie van Nederland die van groot belang is in ten- en dienstenpakket zo blijkt uit de enquête.een globaliserende wereld. Vooral in de machine-industrie en elektrische en optische sector is het aandeel bedrijven dat deHet patroon van in- en uitstroom naar verschil- omzet vanuit dienstverlening ziet groeien grootlende regio’s is erg onregelmatig en afhankelijk (ca. tweederde). In sectoren als de chemie en devan conjuncturele ontwikkelingen. De bulk van voedings- en genotmiddelenindustrie blijft dit
  15. 15. 16T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY aandeel beperkt tot een kwart, wat verklaard kan Figuur 2.6 Aandeel Nederland in totale productie en worden door de procesmatige aard van de activi­ verwachte ontwikkeling hiervan tot 2010, in % van teiten in deze sector. respondenten Nieuwe verdeling industriële activiteiten Globalisering leidt tot een nieuwe verdeling van activiteiten over de wereld. Laagwaardige arbeids- intensieve activiteiten van enige omvang zijn steeds minder in Nederland houdbaar vanwege het relatieve hoge kostenniveau (zie tabel 2.1). Hierbij is ook de loonwig (verschil tussen betaal- de loonkosten en netto-inkomen) van belang. Deze ligt rond het Europese gemiddelde. Ook hoogwaardige arbeidsintensieve activiteiten die te verplaatsen zijn, worden in toenemende mate verplaatst. Overigens bedragen de loon- kosten in de meeste industriële bedrijven veelal Bron: Enquête My Industry ‘slechts’ 20% van de totale productiekosten. De branchespecifieke verschillen zijn echter groot Het grootste gedeelte van de productie is en blijft (chemie aanzienlijk lager, metaalbewerking aan- niettemin in Nederland. Bijna driekwart van alle zienlijk hoger). bedrijven voert meer dan 75% van de productie in Nederland uit (figuur 2.6). Bovendien zien deze Tabel 2.1 Uurloon en productiviteit in de industrie, bedrijven dit Nederlandse productieaandeel tot 2005 2010 eerder toenemen dan afnemen, vergeleken met bedrijven die een groter deel van de produc- Uurloon ($) Productiviteit op tie in het buitenland draaien. In de middengroep jaarbasis verwacht bijna de helft van de bedrijven dat het ($ ppp ) * aandeel van de Nederlandse productie op het totaal afneemt. Nederland 30.72 80.308 Duitsland 32.48 60.712 Lonen en afzetmarkt redenen voor vertrek VS 23.17 95.257 De belangrijkste factoren die een rol spelen bij Tsjechië 5.82 42.571 een eventuele productieverplaatsing zijn loon­ China 0.84 22.989 kosten en nieuwe markten (figuur 2.7). De laatste India 0.59 19.688 speelt vooral bij grotere bedrijven, vooral omdat hierin een groter aandeel OEM’ers (­fabrikanten Bron: IMD 2006 van eindproducten) is vertegenwoordigd. * Purchasing Power Parity (koopkrachtpariteit), d.w.z. in Opvallend is dat belastingdruk en regelgeving dezelfde hoeveelheid goederen en diensten die je voor een $ kunt kopen.
  16. 16. 17 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFiguur 2.7 Factoren die een grote rol spelen bij even­ Figuur 2.8 Ontwikkeling export- en import in detuele productieverplaatsing, in % respondenten i ­ndustrie, 1980-2003Bron: Enquête My Industryjuist weer sterker spelen bij kleine bedrijven, Bron: OECDdie vanwege een beperkte schaalgrootte (wei-nig overhead) relatief veel kosten hebben van- data een zeer groffe en wil dit niet zeggen dat allewege administratieve lasten. Uit de Themastudie activiteiten van een sector hiertoe behoren.Productieverplaatsing bleek overigens dat onder-nemers die daadwerkelijk een eigen productie­ De ontwikkeling van de export laat bovendienvestiging in het buitenland hebben, dit vaker een gemengd beeld zien. De groei zit vooral invanwege marktkansen doen dan vanwege lagere de re-export (doorvoer met hooguit een ­minimalekosten. bewerking) en in veel mindere mate in de export van ‘eigen’ producten. De exportgroei van ‘eigen’Goederenpakket richting high-tech producten blijft al jaren achter bij de groei vanIn zowel het Nederlandse export- als het import- de wereldhandel, wat verlies van marktaandeelpakket verliezen low-tech producten aan belang betekent. Bovendien is de toegevoegde waardeten gunste van high-tech producten (figuur 2.8) . 1 van € 1 export van eigen product € 0,65 tegen-Verwacht wordt dat binnen enkele jaren het aan- over € 0,10 voor elke euro wederuitvoer. Dedeel high-tech het aandeel low-tech zal inha- Nederlandse export naar de opkomende landenlen. Voor medium-tech producten ligt het is vooral gericht op Midden- en Oost-Europa,niveau al jaren stabiel rond 35% van zowel de de groeikansen die Azië biedt worden nog maarNederlandse export als import (is niet opgenomen beperkt benut. Azië (waarbinnen in toenemendein de figuur). Overigens is de indeling in high-, mate China) heeft wel een groot aandeel in dem­ edium- en low-tech omwille van de beschikbare Nederlandse import.1 High tech wordt hierbij gedefinieerd als kantoormachines, computers, audio, video- en telecommunicatie-apparaten en beno­ digdheden, medische apparaten en instrumenten, precisie en optische instrumenten e.d., medium tech als chemie, machines, elektrische machines en apparaten en transportmiddelen, low tech als overig.
  17. 17. 18T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY Figuur 2.9 Omzetaandeel dienstverlening in de Over het geheel van de industrie is dan ook een i ­ndustrie anno 2006 en ontwikkeling hiervan tot 2010, groeiend belang van diensten in de omzet zicht- in % van respondenten baar (figuur 2.9). Hoewel het omzetaandeel van dienstverlening tot op heden veelal nog klein is, verwacht circa de helft van de bedrijven dat dit aandeel tot 2010 (sterk) toeneemt. Dat laat onver- let dat de andere helft een dergelijke verandering dus niet voorziet. Positief voor het kleinbedrijf is dat het aandeel dienstverlening hier groter is dan Bron: Enquête My Industry bij grotere bedrijven. Niettemin blijkt dat de helft van de bedrijven in de industrie niet zichtbaar Verschuiving richting diensten nog beperkt inspeelt op de nieuwe ontwikkelingen door zijn Gezien het relatief hoge kostenniveau in activiteiten of organisatie aan te passen. Nederland zullen Nederlandse bedrijven zich steeds meer (moeten) richten op activiteiten Figuur 2.10 Verdeling naar type bedrijf, 2006 en 2010, met een hoge toegevoegde waarde, bijvoorbeeld in % van respondenten door tevens (productgerelateerde) diensten, zoals onderhoud of opleiding, te leveren. Dit biedt bovendien een manier om inzicht te krijgen in de behoefte van de afnemer en vormt hiermee de basis voor productverbetering. In een aantal indu- strieën (zoals aerospace en mobiele telefoons) is de omzet uit diensten in absolute zin al groter dan de omzet uit de verkoop van fysieke producten. Bovendien is de toegevoegde waarde bij diensten hoger dan bij verkoop van een product, terwijl de kennis om de diensten te verlenen in het verleng- Bron: Enquête My Industry de ligt van de kennis die de fabrikant traditioneel al bezit. Veelal beseffen bedrijven echter niet hoe- Strategische keuze voor regierol veel omzet en winst eigenlijk wordt gemaakt door Als gevolg van de voortgaande expansie van productgerelateerde diensten, omdat hun admi- Midden- en Oost-Europa en Azië zal de productie­ nistratie er niet op ingericht is en diensten vaak capaciteit van deze landen verder en fors ­stijgen. als bijproduct of kostenpost worden behandeld . 2 Daarmee nemen de mogelijkheden voor het Niettemin zou een sterke ‘Maintenance, Repair optimaal gebruik maken van de wereldwijde en Overhaul’ (MRO) wel eens een belangrijk toeleveringsketen enorm toe. De regisseursrol s ­ trategisch pluspunt kunnen zijn van Nederland in in de internationale toeleveringsketen wordt dan de concurrentie met opkomende landen in Oost- ook steeds groter. Dit vraagt veel van bedrijven Europa en Azië. omdat met een toenemend aantal schakels in 2 Capgemini
  18. 18. 19 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYde keten de complexiteit sterk wordt vergroot. arbeidsmarkt, het stimuleren van het vernieuwendVerschillende bedrijven in vooral de metalektro- vermogen van bedrijven en verlenen van onder-industrie proberen op de ontwikkelingen in te steuning bij internationalisering. Bovendien zouspelen door op te schuiven van parts supplier en de overheid een faciliterende rol kunnen spelenprocess supplier richting system supplier (figuur bij het clusteren van bedrijven om ze hiermee te2.10). Minder gunstig is dat de ambities van ondersteunen bij het opbouwen van een volledigondernemers om zich te ontwikkelen tot OEM’er servicepakket, waarmee bedrijven ook internatio-blijkbaar beperkt zijn, aangezien dit aandeel naal de markt op kunnen. Ook samenwerking metin de toekomst zelfs afneemt. Bovendien is het kennisinstellingen hoort hierbij.a­ andeel ondernemers dat niet weet waar het in detoekomst naar toe gaat met het eigen bedrijf bijna 2.3 Ondernemingsklimaat in internationaal10%. perspectiefDe veranderende aard van de activiteiten stelt Ombuiging positie Nederland nodigook nieuwe eisen aan medewerkers. Naarmate Een sterke verbetering van het ondernemings­meer een regiefunctie wordt ingenomen spelen klimaat kan een nieuwe impuls geven aan indu­naast vakkennis en technische vaardigheden striële bedrijvigheid in Nederland. Nederlandsesteeds meer vaardigheden op het gebied van het industriële ondernemers investeren immers in hetoverdragen van kennis en regievoering een rol. buitenland omdat daar, naast aantrekkelijke afzet­Vanzelfsprekend is niet voor iedereen een regierol markten, lagere loonkosten gelden en de wet- enweggelegd; op basis van een goede strategische regelgeving veelal minder knellend is. Met nameafweging kan ook een andere rol voor duurzame in de chemische industrie is dit laatste het geval,toekomst zorgen. terwijl vooral in de metaalproductenindustrie een versoepeling van het ontslagrecht wordt gezienTransformatie vraagt pro-actieve overheid als verbeterpunt.Om de toekomst van de Nederlandse industrieveilig te stellen zal in het beleid nog meer de Gebrek aan ‘level playing field’ in de energie­nadruk gelegd moeten worden op het ­verstevigen markt heeft bij de huidige hoge energieprijzenvan de kenniseconomie. Zonder kennis kan geen negatieve gevolgen voor de concurrentieposi­toegevoegde waarde worden gecreëerd. De trans- tie voor meer dan eenderde van de industriëleformatie van de Nederlandse industrie naar een b ­ edrijven.kennisintensieve industrie die de ketenregie kanvoeren en/of technologisch geavanceerde pro- Internationale positie loopt terugductie kan verzorgen, kan dus niet zonder een Op de ranglijsten van internationale benchmark-overheid die hier pro-actief op inspeelt. De rol studies 3 naar het concurrentievermogen van lan-van de overheid ligt vooral op het terrein van een den is Nederland begin deze eeuw afgezakt vanbeter kwantitatief en kwalitatief evenwicht op de een top 3 positie naar tussen 2003 en 2006 veelal3 Growth Competitiveness Index (GCI) en National Business Environment (NBE) World Economic Forum, 2006, Competitiveness, International Institute for Management Development (IMD), 2006.
  19. 19. 20T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY een positie tussen 10 en 15 4 . Om niet verder af Administratieve lasten prioriteit te zakken en liever nog in de top terug te komen Eén van de grootste belemmeringen voor onder- zijn verbeteringen op verschillende terreinen nodig. nemerschap, ook in de industrie, is dus (nog steeds) de administratieve lastendruk, de hand­ Figuur 2.11 Verbeterpunten ondernemersklimaat, in % having en ondoorzichtigheid op gebied van wet- van respondenten en regelgeving. Op dit punt scoort Nederland relatief slecht en is de positie in internationaal perspectief zelfs nog verslechterd tussen 1998 en 2003. Dit komt vooral doordat andere landen belemmeringen sterker hebben gereduceerd dan Nederland. Het Kabinet Balkenende II heeft dan ook sterk ingezet op verlaging van de administra- tieve lastendruk met 25%. Maatregelen hiertoe zijn deels al ingegaan. Inmiddels (september 2006) zou een administratieve lastenverlichting ter waarde van € 1,9 mrd van de € 4,1 mrd gerea­ liseerd zijn, maar dit wordt vooralsnog niet als Bron: Enquête My Industry zodanig ervaren door ondernemers. Een belangrijk onderdeel van het concurrentie- Nederland kent daarentegen van oudsher relatief vermogen is een gunstig ondernemingsklimaat weinig belemmeringen voor handel en investe- waarin de overheid een voorwaardenscheppende ringen. Zo heeft Nederland geen barrières tegen rol vervult. In figuur 2.11 is zichtbaar dat regel- buitenlands eigendom van bedrijven, terwijl die geving voor ondernemers in de industrie bovenaan in bijvoorbeeld de VS, maar ook in Frankrijk wel staat als verbeterpunt. Dit blijkt te gelden voor aanwezig zijn. Ondanks de recente discussie over zowel kleine als grotere bedrijven. De chemische de negatieve kanten van hedgefunds komt hierin industrie blijkt het meest last van regelgeving en vooralsnog geen verandering. vergunningen te hebben (81%). Inflexibele arbeidsmarkt Op randvoorwaarden voor ondernemen scoort Wat de flexibiliteit van de arbeidsmarkt betreft, Nederland per saldo gemiddeld tot goed (CBS waarvoor de mate van werknemersbescherming 2006). Belangrijke macro-economische condities als indicator geldt, neemt Nederland een midden­ zijn onder meer een lage inflatie en rente, welke positie in. Als het gaat om individueel ontslag beiden in Nederland gunstig zijn. Ook zaken als bevindt Nederland zich echter bij de top. Ook uit innovatie, ondernemerschap en de beschikbaar- de enquête blijkt dat ondernemers hierin verbe- heid van kapitaal kunnen tot het ondernemings­ tering wensen, vooral ondernemers met kleinere klimaat worden gerekend. Deze factoren komen in bedrijven (figuur 2.12). Zo is in de metaal de volgende hoofdstukken aan de orde. concurrentiepositie tussen 2002 en 2004 sterk 4 Overigens is de ombuiging volgens de lijst van de World Eocnomic Forum al ingezet en staat Nederland daar inmiddels weer op plaats 9.
  20. 20. 21 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYverslechterd omdat ondernemers hun medewer- Fiscaal beleid kan beterkers te lang vast hielden toen het economisch Fiscaal scoort Nederland in internationaalminder ging. Daarnaast hebben ondernemers ook p ­ erspectief mager en onder het EU gemiddelde.zelf ervoor gekozen mensen vast te houden in de Het Nederlandse belastingtarief voor bedrijvenhoop op betere tijden en vanwege schaarste van (vennootschapsbelasting, vpb) is gemiddeld ingoed personeel. De enquêteresultaten tonen dan Europa (figuur 2.12). Vrijwel alle Europese lan-ook aan dat vooral in de metaalproductenindustrie den hebben de afgelopen jaren hun vpb-tarievenversoepeling van het ontslagrecht hoog op de met gemiddeld meer dan Nederland verlaagd. Omagenda staat (62%). De overheid is bekend met een vergroting van de achterstand te voorkomenhet probleem en in oktober 2006 gaat dan ook een is nog een wetsvoorstel onderweg (‘Werken aanaantal kleine versoepelingen van het ontslagrecht winst’) voor verlaging van zowel de vpb (naarin, waaronder een soepeler toets om te zien of 25,5% vanaf 2007, en het lage tarief naar 20%)werkloosheid de werknemer is aan te rekenen en als de inkomstenbelasting op ­ondernemingswinstof hij of zij dus recht heeft op een WW-uitkering. (winstvrijstelling van 10%). Daarnaast is dePro forma procedures hoeven hierover dan niet belasting op lonen (‘loonwig’) net onder hetmeer te worden gevoerd. De verwachting is echter EU-15 gemiddelde. In de loonbelastingdruk isniet dat hiermee dit knelpunt volledig is opgelost, echter, anders dan bij veel andere landen, weinigook het probleem van hoge ontslagvergoedingen neerwaartse beweging te bespeuren. Ongeveervraagt om een oplossing. eenderde van de ondernemers geeft bovendien aan dat afschaffing van subsidies in combinatie metFiguur 2.12 Benchmark nominale vpb-tarieven, een lagere belastingdruk het perspectief voor het1995, 2005 eigen bedrijf zou verbeteren. Energieprijzen funest voor concurrentie De hoogte van de energieprijzen ten opzichte van andere landen is ook van belang voor de internationale concurrentiepositie van industriële bedrijven (vooral in energie-intensieve sectoren zoals de chemie). Momenteel is de concurrentie- positie van de energie-intensieve industrie op het punt van de energieprijzen niet sterk, omdat door gebrek aan ‘level playing field’ de stroomprijs in Nederland hoger is dan in de ons omringende landen. Meer dan eenderde vindt dat stijgende energieprijzen en een ongelijk speelveld in de wereld tot gevolg hebben dat de concurrentieposi-Bron: Ministerie van Financiën tie fors verslechterd (figuur 2.13). In de chemie, rubber- en kunststofindustrie en de papier- en kartonindustrie ligt dit aandeel zelfs boven de
  21. 21. 22T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 50%. Kostenstijgingen (w.o. van energie) kunnen het verbeteren van infrastructurele knelpunten echter maar door een minderheid van de bedrijven zijn door de overheid middelen uitgetrokken, vrijwel geheel worden doorberekend aan afnemers maar de verwachting is dat die onvoldoende zijn en de verwachting is niet dat dit zal verbeteren. om het bereikbaarheidsprobleem op te lossen. Zonder verbeteringen in het speelveld betekenen Overigens speelt congestie slechts een minimale aanhoudend hoge energieprijzen dus een somber rol in de beslissing de productie uit Nederland te perspectief voor energie-intensieve bedrijven. v ­ erplaatsen. Figuur 2.13 Reactie op stelling stijgende energie­prijzen De ICT-infrastructuur is in Nederland goed te doen de concurrentiepositie fors verslechteren en noemen, vooral het hoge aandeel van breedband­ a ­ andeel dat kostenstijgingen door kan berekenen, in aansluitingen. 2006 en 2010, in % van respondenten Figuur 2.14 Benchmark weginfrastructuur, 2003 Bron: Enquête My Industry Infrastructuur op peil, maar… De ligging van Nederland is gunstig. Bovendien is er door de beperkte grootte van Nederland ­relatief veel asfalt per km 2, maar minder per werkzame persoon (figuur 2.14). Niettemin nemen ieder jaar de files toe en de bereikbaarheid af. Voor Bron: IMD 2006
  22. 22. 24 Mens 3T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY 3.1 Arbeidsmarkt en onderwijs Overigens blijken ook de lagelonenlanden er veelal een (in toenemende mate) hoogopgeleide Vergroting menselijk kapitaal in industrie beroepsbevolking op na te houden. Jaarlijks Scholing, opleiding en training zijn van essen­ studeren ruim 351.000 ingenieurs in China en tieel belang om de benodigde vergroting van 112.000 in India (incl. IT’ers) af. Tegenover menselijk kapitaal te realiseren. Zeker ­naarmate 61.000 in de VS en bijna 200.000 in de EU de aard van de arbeid verandert en meer vraagt (National Science Board). Het aantal bèta-afge- van werknemers in Nederland. Sterker inzetten studeerden per 1.000 inwoners in de leeftijd van op het ­stimuleren van scholing van bestaande 20-29 jaar is met 7 in Nederland een stuk lager werk­nemers is noodzakelijk en vindt bij de meer­ dan in het VK en Frankrijk, maar ligt op hetzelfde derheid van de industriële bedrijven plaats. niveau als in de VS. Overigens hebben niet alle werknemers de c ­ apaciteiten om in dit proces mee te gaan en zijn Het aandeel van hoogopgeleiden in de wetenschap v ­ erschillen tussen branches groot. of technologie van de industriële werkgelegenheid ligt boven het EU-gemiddelde maar blijft sterk Gebrek aan gekwalificeerd personeel vormt een achter bij Frankrijk, Duitsland en vooral Finland rem op de groei in de industrie. Om de beschik­ en Denemarken. Dit is een teken dat de kennis- baarheid van hoogopgeleide technici te vergro­ intensiteit bij industriële bedrijven in Nederland ten is door de overheid het Deltaplan Bèta en verbetering behoeft. In de dienstensector behoort Techniek in stelling gebracht. Gezien de ervarin­ het aandeel wel tot de Europese top. gen met eerdere, min of meer vergelijkbare pro­ gramma’s kan hiervan niet een heel grote omslag Het totale aandeel hoogopgeleiden in de leeftijds- in de keuze voor techniek worden verwacht. categorie 25-34 stagneert, waardoor Nederland Daarnaast zullen bedrijven zelf structureler met een achterstand oploopt ten opzichte van andere lokale onderwijsinstellingen moeten samenwerken westerse landen waar wel een opwaartse bewe- om de aansluiting tussen onderwijs en praktijk te ging zichtbaar is. China en India blijven bij deze verbeteren en het beroepsonderwijs aantrekkelij­ relatieve cijfers achter bij de westerse landen, ker te maken. vanwege de grote populatie-omvang. In absolute getallen is de groei zeer sterk. Hoog kennisniveau wint aan belang Voor de internationaal concurrerende Nederlandse Dalende tendens publieke uitgaven onderwijs industrie is menselijk kapitaal een cruciale ­factor. Hoewel het belang van onderwijs dus steeds Nederland heeft hoge ambities ten aanzien van g ­ roter wordt, nemen de publieke uitgaven aan onderwijs. Immers, hoogwaardige arbeid in com- onderwijs als percentage van het BBP de afge- binatie met geavanceerde technologie zijn dé lopen jaren juist af! (figuur 3.1). Ook in andere wapens waarmee de concurrentiestrijd aangegaan landen is een lichte daling zichtbaar, hoewel wordt met lagelonenlanden en waarmee het hoge Frankrijk en de VS wel op een hoger niveau welvaartsniveau in stand kan blijven. Onderwijs blijven. Het VK heeft Nederland inmiddels inge- is bovendien een noodzakelijke voorwaarde voor haald. De dalende tendens in Nederland lijkt om innovatie. te gaan slaan, aangezien vrijwel alle politieke
  23. 23. 25 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYpartijen plannen hebben de onderwijsuitgaven beroepsonderwijs en de samenwerking tussendrastisch te verhogen volgens de verkiezings­ bedrijfsleven en onderwijs.programma’s. Overigens heeft het CPB geen aanwijzingenFiguur 3.1 Publieke uitgaven aan onderwijs als % van gevonden voor een tekort aan bèta’s en is hetBBP, 1999-2004 zelfs zo dat hun arbeidsmarktpositie is verslech- terd gezien de relatieve loonontwikkeling (CPB, 2005). Vergroting van het aantal afgestudeerde bèta’s wordt niet effectief geacht ter stimulering van RD aangezien ca. 60% van de afgestudeer- den niet in RD-banen terechtkomt (anderzijds dus 40% wel!). Het ROA (Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt) voorspelt niette- min voor de komende jaren grote tekorten voor de technische en industrieberoepen (zie ook figuur 3.3). Ook tegenwoordig ervaren werkgevers al pro- blemen in het werven van personeel. Ook grote bedrijven als ASML en Philips geven aan in de huidige aantrekkende conjunctuur inmiddels grote moeite te hebben met het invullen van vacatures voor hoger technisch opgeleiden. Kleinere, min-Bron: IMD 2006 der aansprekende bedrijven, hebben veelal nog meer problemen. Aangezien de afgelopen decen-Voor de industrie is het daarnaast van belang dat nia al verschillende programma’s zijn ingezethet beroepsonderwijs aansluit op de behoeften om meer jongeren (en vrouwen) voor techniekvan bedrijven. Belangrijk daarbij is vooral dat te laten kiezen, met beperkte resultaten, is heter een goede relatie is tussen bedrijf en onder- nog maar de vraag of het dit keer wel een grotewijsinstelling, waardoor het beroepsonderwijs v ­ erandering teweeg brengt.ook aantrekkelijker wordt voor jongeren. Omvoor de toekomst voldoende technici op te leiden Laag aandeel kennismigrantenheeft de overheid het Platform Bèta Techniek 5 Hooggeschoolden worden internationaal steedsopgezet in 2004. Dit platform heeft ­verschillende mobieler. Om deze kenniswerkers aan te trekkenprogramma’s voor verschillende ­schoolniveaus en vast te houden is het dus zaak een aantrekke-(van primair onderwijs, via middelbaar (beroeps)­ lijk vestigingsklimaat te bieden en weinig drem-onderwijs tot hbo en universiteit) ontwikkeld, pels op te werpen. Vooralsnog is het buitenlandwaarbij de meeste aandacht uitgaat naar het voor Nederlandse kennismigranten aantrekkelij-5 www.platformbetatechniek.nl
  24. 24. 26T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RY ker dan andersom. Landen die hierin aanzienlijk Figuur 3.3 Banen- en beroepsbevolkingontwikkeling beter presteren zijn Australië en Canada. Het productie/onderhoud naar opleidingsniveau (gemiddeld verder verlagen van drempels voor buitenlandse per jaar x1.000), 2006-2011 kennis­werkers zou Nederlandse bedrijven de kans b ­ ieden om meer gebruik hiervan te maken. Figuur 3.2 Aandeel bedrijven dat werknemers opleidt of traint en de ontwikkeling hierin, in % van respon­ denten Bron: CWI Industrie: hoogwaardige banen in opkomst Bron: Enquête My Industry Uit figuur 3.3 blijkt dat het aantal banen voor hoger opgeleiden in de industrie de komende Industrie investeert meer in training jaren sterker zal groeien dan voor lager en middel­ Om als werknemer aantrekkelijk te zijn op de baar opgeleiden, terwijl in absolute aantallen arbeidsmarkt is regelmatige opleiding en training de laatste categorieën nog steeds groter zijn. noodzakelijk. In Nederland volgen meer volwas- Overigens is vooral de vervangingsvraag in de senen onderwijs of trainingen dan gemiddeld in industrie hoog door een vergrijzend personeels­ Europa en de tendens is tevens opwaarts. Binnen bestand. Dit leidt vooral tot uittreding van lager de industrie volgen in ruim tweederde van de en middelbaar opgeleiden. Vooralsnog zit de bedrijven werknemers regelmatig trainingen en sterkste mismatch dan ook in deze categorie. opleidingen (figuur 3.2). Bovendien vindt nog Bovendien zijn schoolverlaters steeds minder eens tweederde dat de noodzaak tot het opleiden direct inzetbaar. Dit heeft een remmende ­werking van personeel toeneemt in de aanloop naar 2010. op de groei van de industrie. Om dit te voor- Het houdt echter wel in dat nog steeds eenderde komen moet de aansluiting tussen school en van de bedrijven niet doet aan het vergroten praktijk dus drastisch verbeteren, onder meer van de kennis en/of vaardigheden van personeel door ­nauwere samenwerking tussen scholen en en hiermee tegen een concurrentie-achterstand bedrijfsleven, maar ook door een kwalitatief goed oploopt. Onder meer bij drukkerijen is dit aan- docentenbestand. deel aan de hoge kant (42%), met aan de andere kant van het spectrum de chemische industrie met Niettemin heeft de industrie in toenemende mate slechts 17% bedrijven waarbij werknemers niet hoogwaardige werkgelegenheid te bieden. Dit regelmatig opleidingen volgen. blijkt ook uit de enquêteresultaten; tweederde
  25. 25. 27 T H E M A S T U D I E M Y I N D U S T RYFiguur 3.4 Ontwikkeling aandeel hoger opgeleiden in Hoewel verschillende grote industriële ­bedrijveneigen bedrijf, als aandeel van respondenten (Shell, Philips, Unilever) vrijwel altijd in de top vijf van meest aantrekkelijke werkgevers staan, is het algemene beeld van de industrie niet g ­ eweldig. Bovendien komen industriële processen steeds verder af te staan van consumenten, omdat ze zich afspelen op ver weg gelegen industrie­ terreinen. Het imago van slechte arbeidsomstan- digheden en ‘vies’ werk stamt uit vroegere tijden. De feitelijke situatie in de industrie is vaak heelBron: Enquête My Industry anders dan het beeld dat leeft bij het publiek, waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake isvan de ondernemers verwacht dat het aandeel van een imagoprobleem.hoger opgeleiden in hun bedrijf zal toenemen(figuur 3.4). Met name in de machine-industrie Daarnaast worden studies in onder meer deen de bouwmaterialenindustrie is dit het geval, natuurwetenschappen als moeilijk gezien.t­ erwijl de drukkerijbranche achterblijft. Bovendien wordt verwacht dat hiermee minder makkelijk succes kan worden behaald dan met3.2 Imago algemene studies. Bij de beroepsopleidingen speelt bovendien dat een sector als de metaal­Imagoverbetering noodzakelijk bewerking wordt gezien als sterk conjunctuur-Het imago van de industrie en in het bijzonder gevoelig waardoor de baanzekerheid laag is. Devan de industrie als werkgever, helt te veel over aantrekkingskracht van de industrie voor perso-naar de negatieve kant. Om deze beweging om te neel staat hierdoor onder druk.buigen zijn acties nodig van vooral de industriezelf en daarnaast van brancheorganisaties en De ontwikkelingen rond globalisering geven in ditoverheid. opzicht een tweeledig signaal af; n Enerzijds wordt gesproken over ­toenemendeBedrijven zien vooral veel brood in het ­aanhalen kennisintensiteit en hoogwaardigheid (Innova­van de banden met het onderwijs om hiermee tieplatform), wat positief is voor het imago;j­ ongeren tijdig vertrouwd te maken met de n Anderzijds wordt veel gesproken en geschre-i­ ndustrie. ven over productieverplaatsing in bepaalde sectoren, waardoor in de media het ideeGoed imago trekt talent o ­ ntstaat dat de toekomst van Nederland nietOm adequaat opgeleid personeel aan te trekken in de industrie ligt, wat averechts werkt vooren er ook voor te zorgen dat jongeren perspec- het imago. Een voorbeeld is DAF Trucks dattief zien in de industrie is een aansprekend en problemen heeft om vacatures te vervullenw­ ervend imago van de sector van belang. v ­ anwege het slechte imago van de automotive- sector.
  1. A particular slide catching your eye?

    Clipping is a handy way to collect important slides you want to go back to later.

×