Loading...
Flash Player 9 (or above) is needed to view slideshows. We have detected that you do not have it on your computer.To install it, go here
Slideshow Transcript
- Slide 1: DE MAALWERKTUIGEN VAN EEN KORENMOLEN 1 Kees Vanger juli 2006
- Slide 2: wrijfsteen, zadelsteen of handmolen genaamd 2
- Slide 3: Een boer stuitte tijdens het ploegen in Vlagtwedde (Oost-Groningen) op 3 deze prehistorische maalstenen. (± vijfduizend jaar oud)
- Slide 4: 4
- Slide 5: rosmolen 5
- Slide 6: Bovenslagmolen watermolen waarbij het water door een goot boven op de schoepen van het waterrad valt. Middenslagmolen watermolen, waarbij het water op de halve hoogte van het schoepenrad op de schoepen stroomt. Onderslagmolen watermolen, waarvan het schoepenrad onderaan door het stromende water wordt gegrepen. watermolen 6
- Slide 7: windmolens 7
- Slide 8: NATUURSTENEN Natuursteen, die ruw is, stroef en een openstructuur heeft (natuurlijk snijvermogen) is daarom juist geschikt als maalsteen. Zo kennen we de Duitse of blauwe steen, die uit de Eifel komt en van vulkanische oorsprong is (basaltlava). De steen blauwe steen is vrij zacht en goed te gebruiken voor het malen van tarwe. Een tweede belangrijke natuursteen is de Franse steen. Deze is samengesteld uit zoetwaterkwarts, is zeer hard en geschikt 8 voor het malen van tarwe.
- Slide 9: KUNSTSTENEN Kunststenen bestaan uit een maal- en een ballastlaag. De maallaag bestaat uit stukjes natuursteen (amaril en kwarts) die samen met amaril kwarts een vloeibaar bindmiddel (magnesiet, een gipssoort en magnesiet, chloormagnesium, of waterglas) tot chloormagnesium waterglas een maalsteen gemaakt worden. Naast massieve kunstenen bestaan er ook kunststenen met een zachte uitslag. Hierdoor kun je deze stenen beter billen. Daarbij is de uitslag (het bodemsel) het gedeelte wat gebild moet worden van een zachtere steensoort dan de van een sterkere steensoort gemaakte kerf. Bijvoorbeeld de FLINSTSTENEN (Hans Titulaar) Ballastlaag: Een niet massieve Ballastlaag molensteen die samengesteld is uit een maallaag van natuursteen en uit een verzwarende ballastlaag die ongeveer tweederde van de steendikte bedraagt. 9
- Slide 10: 10
- Slide 11: 11 KUNSTSTENEN
- Slide 12: Franse steen FRANSE STEEN samengesteld uit stukken zoetwaterkwarts met groot natuurlijk snijvermogen, waardoor kort gemalen kan worden en waarop vaak geen scherpsel voorkomt. De stukken zijn niet zo groot dat er een hele steen van gemaakt kan worden. Daarom maakt met eerst een verzwaring of ballastlaag. Het maken van deze steen is verder hetzelfde als bij een kunststeen. De stukken kwarts worden vlak gemaakt en als een puzzel naast elkaar gelegd en met een bindmiddel op de ballastlaag gekit. De binnenste stukken zijn meestal van iets zachtere kwaliteit (zandsteen) dan de buitenkant. Rondom de steen houden stevige ijzeren banden het geheel bijelkaar. Deze steensoort is zeer geschikt om tarwe te malen. Doordat de stenen erg hard zijn is billen erg tijdrovend en heeft men extra sterke bilhamers nodig 12
- Slide 13: Franse steen 13
- Slide 14: Franse steen 14
- Slide 15: gatenscherpsel gatenscherpse Steen met gatenscherpsel: in de uitslag (bodemsel) zittende langwerpige gaten, zodat bij het afslijten van de maallaag het maalvermogen (graagheid) van de steen gehandhaafd blijft. Tussen de kerven zitten dammen. Een goede entree is erg15 belangrijk. Deze stenen werden voornamelijk gebruikt voor het malen van voergranen (boerengemaal) en zijn zelfscherpend.
- Slide 16: gatenscherpsel gatenscherpse 16
- Slide 17: Francois Jansen Visé steen Diverse molensteenfabrikanten experimenteerde met het ontwikkelen van zelfscherpende stenen. Zo ook de Belg Francois stenen Jansen uit Visé. Deze stenen van kwarts met amaril hebben een recht scherpsel in pandsels, waarbij de lengte van de nevenkerven korter wordt. In de 10 tot 14 cm diepe groeven is een 4 cm dikke strook van hard rubber aangebracht waarop een harde stalen strip is bevestigd. De bovenzijde van de strip loopt naar de maalkant toe, hierdoor ontstaat een scherp kantje. Zijn de kerven afgemalen dan worden de rubberstrokken weer dieper in 17 de groeven gedreven tot er weer een scherp kantje ontstaat.
- Slide 18: Ook een vernieuwing voor zelfscherpende stenen. Uitslag 18 opgevuld met hout (“Koffiemolen” Terschelling)
- Slide 19: pelsteen onderkant pelsteen met zoggaten PELSTEEN: lopersteen meestal gemaakt van zandsteen (Bentheimersteen) met zoggaten of windkerven aan de onderzijde PELSTEEN (Bentheimersteen en een geruwde buitenomtrek voor het pellen. De vijf tot zes zoggaten zorgen voor een werveling rondom de steen. Via het kropgat wordt de lucht aangezogen en ontsnapt weer aan de onderkant. Hierdoor gaan de gerstkorrels, die op de loper19 worden uitgestort, zweven waardoor ze tegen het pelblik aanschuren. De ligger van een pelsteen is slechts drager van de pelsteen.
- Slide 20: pelsteen 20
- Slide 21: kantstenen (van graniet) Stel vertikaal op een de kantstenen zijn ongeveer gelijk van afmeting: stenen- of metalen vloer (doodbed) wentelende stenen doodbed) - diameter 1,50m voor o.a. het pletten van oliehoudende zaden. Ook wel 21 - dikte 0,50m koldergang of kollergang genoemd. - gewicht ca. 2400 kg.
- Slide 22: GROOTTE VAN DE STENEN De meest gebruikte steenmaat is de zestiender. Dat is een steen met een diameter van 1.40 m De grootste maat is de zeventiender met een diameter van 1.50 m. Verder kennen we nog : vijftiender: diameter 1.30 m vijftiender veertiender: diameter 1.20 m veertiender dertiender: diameter 1.10 m Stenen met een kleinere diameter worden wolfjes genoemd. 22 Ps. De benaming 17der betekent oorspronkelijk 17 Amsterdamse Voeten
- Slide 23: De bovenste steen heet loper De onderste steen heet ligger De ligger behoort op het maalvlak volkomen vlak te zijn, terwijl de loper op het binnenste gedeelte van het maalvlak enigszins hol moet zijn.(=arme steen) .(=arme steen Een vlakke loper noemt men een rijke steen. steen maalspleet 23
- Slide 24: 24
- Slide 25: Scherpsel Het scherpsel bestaat uit de uitslag en de kerf (of maalbalk). Dat is het hoge gedeelte, de richel, tussen de “uitgehakte” gootjes De uitslag of het bodemsel. Dit is het “uitgehakte” gootje. De vijlkant. Dit is de plotselinge diepe overgang van kerf naar vijlkant uitslag. De maalkant. Dit is de geleidelijke overgang van uitslag naar kerf. maalkant De uitslagen moet de molenaar regelmatig uitscherpen. Een zwaar 25 en tijdrovend werk (billen) Daarom maakte men later de uitslagen van zachter materiaal en ontstond een steen met zachte uitslag.
- Slide 26: FUNCTIE SCHERPSEL 2. Snijvermogen leveren, waardoor het product goed gemalen kan worden 3. Het product gelegenheid geven om af te koelen tijdens het maalproces. Meeltemperatuur maximaal 35 tot 40 graden. 4. Het transport tussen de stenen verzorgen. Welk scherpsel te gebruiken hangt af van: van Structuur van de steen Het te vermalen product Het gewenste eindresultaat SOORTEN SCHERPSELS NIET – PANDSCHERPSELS zoals 1. ZWAAISCHERPSELS B. 2. STRALENSCHERPSELS 26 1. ZWAAIPAND ( met voor – en achterpand) E. PANSDCHERPSELS zoals: 2. RECHTPAND (met voor - en achterpand)
- Slide 27: VOORBIJLIGGING De kerven beginnen niet vanuit het middelpunt van de steen, maar daaraan voorbijliggend. Ze beginnen vanuit een denkbeeldige cirkel rond het kropgat. 27
- Slide 28: OPBRENGST STENEN MEER CAPACITEIT MEER UITMALEN meer kerven minder kerven krommere kerven rechte(re) kerven meer voorbijligging minder voorbijligging met maalkant geen maalkant DE KERF Wil men een steen met veel capaciteit dan zijn kromme kerven het best. Ze transporteren het meel snel naar de omtrek. Ze malen echter vaak minder mooi uit! Veel gebruikt bij het malen van veevoer. Mooi uitgemalen meel krijg je het beste door kerven met een geringe kromming of zelfs geheel rechte kerven. De capaciteit is echter wel minder dan bij kromme(re) kerven. 28 Voorbijligging geeft een grotere productie, maar maalt minder uit!
- Slide 29: 29
- Slide 30: VOORPAND. Hier wordt de voorbijligging van de nevenkerven (vergeleken met de hoofdkerf) steeds groter. Voorpand maalt sneller uit dan achterpand. Dit scherpsel komt meer voor dan scherpsel met achterpand. ACHTERPAND Bij achterpandscherpsel wordt de voorbijligging van de bijkerven steeds kleiner tot negatief. De steen maalt trager uit. Achterpand kwam weinig voor! 30
- Slide 31: 31
- Slide 32: 32
- Slide 33: Excentrisch zwaaipand scherpsel Excentrisch zwaaipand scherpsel 33
- Slide 34: recht pandenscherpsel 34
- Slide 35: 35
- Slide 36: 36
- Slide 37: 37
- Slide 38: Zwaaipandscherpsel. Een veel voorkomend scherpsel met veel voordelen. De steen wordt niet in een aantal kerven verdeeld, maar in een aantal panden. Ieder pand wordt verdeeld in een hoofdnerf, al of niet met voorbijligging, en 3 tot 5 nevenkerven. Als de nevenkerven steeds meer voorbijligging krijgen noemt men dat voorpand. Ook zijn er stenen waarbij de 38 nevenkerven steeds minder voorbijligging krijgen. Dit heet dan achterpand. Dit komt echter zelden voor achterpand
- Slide 39: 39
- Slide 40: 40
- Slide 41: STRALENSCHERPSEL De kerven zijn niet recht getrokken op de molensteen, maar volgens het verloop van een cirkelboog waarbij alle kerven een gelijke voorbijligging hebben (men noemt het ook wel stralenscherpsel of zwaaibilsel) 41
- Slide 42: Links scherpsel Links scherpsel 42
- Slide 43: Het maalvlak is de buitenste ring. Hier wordt het graan gemalen (maalbaan) maalbaan Tussenstuk: om de entree Tussenstuk ligt het tussenstuk. Hier wordt het graan gebroken. (breekbaan) breekbaan De krop: om het kropgat is krop een ring, de krop. Hier wordt het graan verdeeld over de steen (entree) entree 43
- Slide 44: entree breekbaan maalbaan 44
- Slide 45: 45
- Slide 46: JAGER OF STRIJKER Door de centrifugaal werking van de steen valt het meel in de meelring. De luchtstoom die hierbij ontstaat is vaak niet voldoende om het meel via en opening in de meelpijp te krijgen. Daarom zit er aan de loper een zgn. jager of strijker die 46 het meel voor zich uit schuift over de meelring in de richting van de uitloop.
- Slide 47: DE BOLSPIL Deze spil draagt via de rijn de loper en steunt onderaan via een taatspot op de pasbalk. Aan de onderkant van de bolspil zit een taats. De bolspil is aan de bovenkant voorzien van een tapse nok, waar de rijn of binnenrijm op rust. nieuwe bolspil (Vaags) De hals is de verdikking. Dit gedeelte draait, in de ligger geplaatste, steenbus. Hiermee 47 wordt ook de erg hoge radiale druk opgevangen.
- Slide 48: 48
- Slide 49: DE TAATS De taats wordt gesmeerd met wonderolie of niet al te dunne olie. Over de taatspot ligt een 49 deksel tegen stof of meel in het lager (op de foto’s draait de bolspil op een
- Slide 50: KUSSEN Om de bolspil precies verticaal te kunnen stellen, is het kussen in het horizontale vlak op de pasbalk verstelbaar d.m.v. duw – en trekwiggen. 50
- Slide 51: De bolspil draagt de loper via de rijn, een sterke ijzeren constructie die in het kropgat vast zit. Boven in de rijn grijpt het staakijzer van de steenspil. Er zijn vaste rijnen, balanceerrijnen en het pennetjeswerk. VAST RIJN. Een vast rijn past nauwkeurig en onbeweeglijk op de nok van de bolspil. De rijn heeft twee, drie of vier uiteinden, de takken. Deze zijn in takken het kropgat van de loper vastgegoten (gips) of vastgewigd. Rijn en loper vormen één geheel. Om de loper zuiver evenwijdig over de ligger te laten strijken, moet de vast rijn zeer nauwkeurig worden gemonteerd. 51
- Slide 52: 52
- Slide 53: VAST VIERTAKSRIJN 53
- Slide 54: VAST VIERTAKSRIJN 54
- Slide 55: VAST RIJN 55
- Slide 56: 56
- Slide 57: tweetaksrijn 57
- Slide 58: 58
- Slide 59: 59
- Slide 60: ENGELSRIJN OF BALANCEERRIJN. Uitgevonden rond 1850 Bestaat uit een binnen- en een buitenrijn. De binnenrijn rust op de nok van de bolspil en wordt aangedreven door het staakijzer. De binnenrijn heeft twee tegenover elkaar liggende ronde tappen. De buitenrijn ligt hier op, zodat hij een kantelende beweging kan maken. Haaks op de tappen van de binnenrijn heeft de buitenrijn eveneens twee tappen. Deze dragen de loper 60 via twee rijnschoentjes
- Slide 61: 61
- Slide 62: 62
- Slide 63: 63
- Slide 64: PENNETJESWERK Het pennetjeswerk kan ook balanceren. De bolspil staat hierbij echter stil. In plaats van een nok is de bolspil hierbij voorzien van een taatspot. In deze taatspot staat een korte taats, die enigszins kan kantelen. Het boveneinde van de taats is in de rijn vastgeklemd. Deze rijn is 64 tweearmig, zit vast in het kropgat van de loper en wordt op de gebruikelijke manier door het staakijzer aangedreven.
- Slide 65: 65
- Slide 66: 66
- Slide 67: 67
- Slide 68: Beugelrijn (soort pennetjeswerk) 68
- Slide 69: HOUTEN STEENBUS Gemaakt van vuren- of iepen hout met in het midden een gat waar de hals van de bolspil in past. In de zijkanten van de opening zijn drie verticale gleuven gehakt, waarin pokhouten neuten passen. Een van de neuten is verstelbaar. Door slijtage ontstaat na verloop van tijd ruimte in de steenbus. Door het aanslaan van deze stelwig kan dit probleem weer verholpen worden. De hals van de bolspil moet iets boven de bus uitsteken. Door het uitlichten en bijhouden van de steen moet hij in de laagste stand het lager nog volledig afsluiten om binnendringen van meel etc. te voorkomen. smering De slijtage kan nogal groot zijn en door het aanwiggen van slechts één neut kan de bolspil scheefgedrukt worden! 69
- Slide 70: HOUTEN STEENBUS 70
- Slide 71: HOUTEN STEENBUS 71
- Slide 72: HOUTEN STEENBUS 72
- Slide 73: HOUTEN STEENBUS 73
- Slide 74: 74
- Slide 75: HOUTEN STEENBUS 75
- Slide 76: DE IJZEREN STEENBUS. Onder de nok heeft de bolspil een verdikking, de hals. Deze hals draait in de steenbus. De steenbus houdt de bolspil in een zuiver verticale stand d.m.v. drie pokhouten neuten die met erachter geplaatste wiggen verstelbaar zijn. Tussen de neuten in de ijzeren steenbus bevinden zich vetkamers voor de hals van de bolspil. 76
- Slide 77: splinternieuwe steenbus en bolspil (Vaags) 77
- Slide 78: BALANCEERBUS Twee of meer tegenover elkaar liggende kamers in de bovenzijde van de ballastlaag van de loper om deze met gewichten in balans te krijgen 78
- Slide 79: DE STEENSPIL De steenspil komt in twee uitvoeringen voor nl. met een doorlopende ijzeren as, het staakijzer, met houten staakijzer bekleding. en met een houten spil met afzonderlijk een tap- en klauwijzer. De houten bekleding wordt met ijzeren banden op zijn plaats gehouden. Het bovenste van het staakijzer is de tap. 79 Het onderste deel van het staakijzer is de klauw. Deze grijpt klauw in de rijn en brengt de loper aan het draaien.
- Slide 80: SPIL- OF TAPBALK De tap van de steenspil draait in een (pok)houten of bronzen lager, dat is opgesloten in een in de spil- of tapbalk uitgehakte kamer. Dit lager bestaat meestal uit twee delen, de maalneut en de keerneut. Als men de keerneut uitneemt kan men de tap in het beugelijzer drukken, waarmee de spil uit zijn werk wordt gezet. 80 Ook kan men m.b.v. een soort hefboom de spil (automatisch) uit zijn werk zetten.
- Slide 81: 81
- Slide 82: REGULATEUR De op- en neergaande beweging van de regulateur wordt via een stangenstelsel overgebracht op de lichtboom. Wanneer de regulateur langdurig maximaal uitslaat moet de molenaar zwichten. De regulateur kan zowel 82 uìtlichten als bijhouden.
- Slide 83: 83
- Slide 84: molen van Makkum 84
- Slide 85: Het billen van een wolfje op korenmolen “De Sterrenberg” te Nijeveen GEREEDSCHAP OM TE BILLEN bilhamers kneushamer rij mal, zwei voor nieuw scherpsel Bilhamer ook wel scherphamer genoemd. 85 Vaak zijn de uiteinden voor de stevigheid versterkt met zgn. widea (erg hard staal) koppen
- Slide 86: 86
- Slide 87: 87
- Slide 88: 88
- Slide 89: VORM VAN DE UITSLAG De vorm van de uitslag is over het gehele oppervlak van de steen niet hetzelfde. In de krop (transport) is de transport oppervlakte het kleinst. Een goede en grote toelaat in de krop krijg je door de uitslagen diep uit te scherpen en de kerven smal te houden. (= vierkant uitscherpen) In het tussenstuk (breken) breken kerven wat breder maken uitslagen smaller. De maalkant iets minder diep en de uitslag lepelvormig. Maalvlak (uitmalen) kerf even (uitmalen breed als de uitslag. De maalkant verdwijnt en de overgang van de uitslag naar de kerf is heel geleidelijk. 89
- Slide 90: KNEUSHAMER. Hamer met twee gelijke koppen die voorzien zijn van scherpe punten om uitstekende delen in het 90 loopvlak van een molensteen vlak te maken.
- Slide 91: DE STEENWIJZER. De steenwijzer is een houten plank met een rond gat die men om de nok van de bolspil vastklemt. De andere zijde van de steenwijzer komt tot ongeveer 5 cm. binnen de omtrek van de steen. Aan het uiteinde zit en gat. Met de steenwijzer kan men de steen (het lager) nauwkeurig centreren. 91
- Slide 92: DE RIJ De rij wordt gebruikt om het oppervlak van de stenen te controleren op hoge en lage delen. Het is een houten balkje iets langer dan de steendiameter, zuiver recht en even dik. Let op de kleuren op de balk en op de steen! Afreien ligger 92
- Slide 93: “hangpaard” HET LICHTWERK De constructie, die de steenspil, de rijn, de loper en de bolspil draagt en op en neer doet bewegen, wordt het paard genoemd. Het verstelbare kussen met de taatspot, waarin de bolspil draait, ligt op de pasbalk. Deze balk hangt met het pasbalk ene uiteinde scharnierbaar in de ezel die aan de vloerbalken van de steenzolder is bevestigd. Het andere uiteinde beweegt in een verticale vlak binnen een houten raamwerk. (voorkomt slingeren) Via een trekstang hangt dit gedeelte aan een zgn. 93 lichtboom. Hiermee kun je de loper lichten (meer ruimte geven) of bijhouden (minder ruimte geven)
- Slide 94: LICHTWERK Het geheel wordt het paard genoemd. begrippen: bijhouden (knijpen) lichten 94
- Slide 95: LICHTWERK 95
- Slide 96: LICHTWERK 96
- Slide 97: LICHTWERK 97
- Slide 98: lichtwerk “De Berk” Veenpark. 98 één lichtboom is gemaakt van een oude houten roe
- Slide 99: DE STEENKRAAN SPINDELMOER SPINDEL KRAANBEUGELS 99
- Slide 100: 100
- Slide 101: 101
- Slide 102: HET OPENLEGGEN VAN EEN LOPER MET VAST RIJN De rijn zit vaak muurvast op de nok van de bolspil.. Bij het lichten van de loper d.m.v. de steenkraan zal de bolspil (conisch) in de rijn blijven hangen. De spil moet dus vanboven los worden geslagen, waardoor de rijn nogal op z’n donder krijgt. Hoe?...Eerst de steenspil verwijderen. Daarna loper zover mogelijk uitlichten. En slaan vervolgens drie of vier wiggen tussen de maalspleet. Daarna steen zoveel mogelijk bijhouden. De bolspil hangt dan boven de taatspot. Ter bescherming van de 102 taatspot een stukje zacht hout tussentaats pot en spil plaatsen. Hierna kun je veilig de met een moker op de bout slaan totdat de spil uit de rijn valt.
- Slide 103: 103
- Slide 104: 104
- Slide 105: 105
- Slide 106: 106
- Slide 107: 107
- Slide 108: kaar zakkenbok steenspil kaarboom schuddebak kuipdeksel kuip touw van afhouder meelring lichtboom 108
- Slide 109: 109
- Slide 110: 110
- Slide 111: aandrijving steen in standerdmolen 111
- Slide 112: Klapspaan Rond het staakijzer zitten houten strippen (of van botten) de zgn klapspanen. Door het draaien van het staakijzer 112 veroorzaken ze een schuddende beweging van de schuddebak waardoor het graan gelijkmatig verdeeld wordt. Het tempo van het schudden wordt bepaald door de snelheid waarmee de molen draait (‘n soort doseerapparaat)
- Slide 113: 113
- Slide 114: aanhouder 114
- Slide 115: 115
- Slide 116: maalstoel 116
- Slide 117: maalstoel 117
- Slide 118: 118 “De Berk” Veenpark
- Slide 119: “boerenmolentje”net aangekocht door de molenaar van “De koffiemolen” te Formerum Terschelling 119
- Slide 120: 120 buil
- Slide 121: 121
- Slide 122: MENGKETEL122
- Slide 123: MENGKETEL123
- Slide 124: 124
- Slide 125: 125
- Slide 126: 126 JACOBSLADDER
- Slide 127: Voor de “meelmuizen” BRONNEN: info en tekeningen Zingende Stenen van D.J. Abelskamp Cursusmap van het Gilde van Vrijwillig Molenaars Van Ambacht tot Industrie van P. van Bussel Tijdens het maken van deze presentatie veel geleerd uit bovenstaande boeken. Het samenstellen was dan ook een boeiende bezigheid en het is dan ook één van mijn mooiste presentaties geworden, waar ik erg trots op ben! Mochten er fouten instaan of foto’s niet kloppen geef het a.u.b. door! Ik weet ook niet alles hoor! Dan pas ik het geheel aan. Ik hoop dat jullie er net zoveel plezier aan e-mailadres: beleven! keesenmariekevanger@kpnplanet.nl 127 Met vriendelijke groet, Kees Vanger

