Your SlideShare is downloading. ×
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
INDUSTRIEMOLENS
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

INDUSTRIEMOLENS

4,319

Published on

Achtergrond informatie bij de opleiding tot molenaar. Deze keer over INDUSTRIEMOLENS. …

Achtergrond informatie bij de opleiding tot molenaar. Deze keer over INDUSTRIEMOLENS.
groet, Kees Vanger

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
4,319
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
3
Actions
Shares
0
Downloads
177
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide
  • Transcript

    • 1. INDUSTRIEMOLENS Door verdere technische ontwikkelingen werden in de 17e eeuw diverse andere toepassingen ontwikkeld die gebruik gingen maken van grootschalige wind- of waterkracht. Het betreft o.a. het slaan van olie uit oliehoudende zaden, de fabricage van papier, het zagen van hout, het malen van specerijen, het malen van pigmentpoeder voor verf en het malen van tras voor metselspecie. Deze industriemolens hadden voor een te produceren product een speciaal aangepaste inrichting. Kees Vanger januari 2009
    • 2. Beste molenaars in opleiding of andere geïnteresseerden .  Ik heb de laatste jaren, voor de molenaars in opleiding uit Meppel en omgeving op de computer nogal wat bestanden gemaakt of verzameld over molens en molenonderdelen. De onderliggende gedachte was dat je met de computer de leerstof uit de steeds lijviger (en interessanter) wordende Basiscursus aanschouwelijker kan maken door allerlei afbeeldingen toe te voegen. Noem het maar een vorm van aanschouwelijk onderwijs! Dus niet een aparte methode, maar een extra verduidelijking van de informatie uit ons cursusboek d.m.v. heel veel gedetailleerde foto’s en zo nu en dan een tekening. De presentaties zijn uitermate geschikt voor theorieavonden, waarbij met beamer het geheel op een groot scherm geprojecteerd kan worden. Verder kunnen de leerlingen thuis op de computer de lesstof nog eens bestuderen. Aanvankelijk heb ik alles gemaakt voor de theorieavonden in Meppel, maar na vele verzoeken alles uiteindelijk via internet aan andere molenliefhebbers beschikbaar gesteld. Daar heb ik de lesstof uiteindelijk dan ook voor gemaakt!  Naast vele eigen foto’s hebben vele molenaars, fotografen of andere molenliefhebbers de afgelopen jaren, na vele oproepen via het “prikbord”, meegewerkt door ontzettend veel foto’s op te sturen. BEDANKT! In het bijzonder wil ik o.a. Harmannus Noot, Joop Vendrig, Roelof Kooiker, Wilbert Bijzittter, Jaap Kuitert en Simon Jellema   bedanken voor de mooie foto’s die ze spontaan en in zeer grote hoeveelheden beschikbaar gesteld hebben. KLASSE!   De gedetailleerde tekeningen komen o.a. uit de boeken van: “ opleiding watermolenaar” van ing. J. den Besten . Het oude maar prachtige boek “ Korenmolens Van Ambacht tot Industrie” van Ing. P.W.E.A. van Bussel ; Ons leerboek voor startende molenaars “ De windmolen en zijn onderdelen” van J.G. Wiessner en de erg informatieve map over korenmolens nl “ Zingende Stenen” van D.J. Abelskamp . Verder ook nog een aantal juweeltjes van tekeningen van Anton Sipman .  Helaas geen tekeningen uit ons eigen cursusboek. Jammer! De powerpointpresentaties zijn een soort diashow met ongekende mogelijkheden. Een digitale excursie door molenland.   Verder heb ik een aantal lesbrieven gemaakt. Hierin worden een aantal belangrijke hoofdstukken uit De Basiscursus beknopt weergegeven. Ook hierbij spelen foto’s en tekeningen een aanvullende en verduidelijkende rol. Verder zijn bij een aantal lesbrieven vragen (en antwoorden) gemaakt/bewerkt door  Ron Keizer van de afdeling Overijssel/Gelderland bijgevoegd als extra informatie en als extra oefenstof.   Ik hoop dat jullie in ieder geval wat leren van deze manier van aanbieden van de lesstof.   Het is in ieder geval een prachtige en boeiende hobby.  Kees Vanger Molenaar molen “De Weert” Meppel.
    • 3. BIJNA 10.000 MOLENS ZORGDEN IN ONS LAND VOOR EEN ENORME BEDRIJVIGHEID.
    • 4. HOUTZAAGMOLENS “ De Rat“ IJlst
    • 5. “ Agneta” Ruurlo “ De Zwaluw” Birdaard
    • 6. Tot 1600 was houtzagen zwaar werk. Stammen werden door handzagers in delen gezaagd. Deze handzagers hadden het erg druk, want de vraag naar gezaagd hout was erg groot door de bouw van molens en de bloeiende scheepsbouw. Door de uitvinding van de krukas kon men uiteindelijk houtzaagmolens bouwen. (in eerste instantie de Paltrok houtzaagmolen) De uitvinder Cornelis Cornelisz. uit Uitgeest is hier aan het einde van de 16e eeuw mee begonnen. Hij heeft de krukas dus niet uitgevonden, maar heeft ervoor gezorgd dat de krukas toepasbaar werd in molens. Hierdoor werden de handzagers al snel werkloos, want één houtzaagmolen nam het werk over van 50 handzagers. Dit leidde uiteraard tot felle protesten van het gilde van handzagers. In Amsterdam werden de nieuwe houtzaagmolens zelfs verboden! Men week toen uit naar de Zaanstreek die met 240 houtzaagmolens uitgroeide tot een waar industriegebied. Voordeel van de paltrok zijn vooral de lagere bouwkosten t.o.v. de achtkantige houtzaagmolen. Nadeel van de paltrok is dat de molen niet de zwaarste stammen kon zagen en kon alleen als zaagmolen gebruikt worden Voor de verarmde boerenbevolking van de Zaanstreek waren de molens met hun werkgelegenheid een zegen. Het duurde dan ook niet lang of door het succes van de houtzagerij ontstond een gebied waar uiteindelijk meer dan 1000 industriemolens hebben gewerkt.
    • 7. stiepen De jager Woudsend
    • 8.  
    • 9. Met de uitvinding door Cornelis Cornelisz. uit Uitgeest (rond 1600) van de krukas in een windmolen, werd het mogelijk om een draaiende beweging (windmolens waren er al) om te zetten in een op en neer gaande beweging.
    • 10. Bij een drieslags-krukas zijn de krukken onderling in een hoek van 120 graden ten opzichte van elkaar geplaatst. Daardoor wordt een gelijkmatige krachtsverdeling bereikt. Aan elke kruk hangt een drijfstang (wijfelaar of kolderstok) die aan de onderkant is verbonden met het zaagraam.
    • 11. Krukpol = houten lageringstoel voor de krukas. Hiermee wordt niet alleen de as gedragen, maar wordt ook gebruikt om de krukas goed uit te lijnen
    • 12. krukas
    • 13. wijfelaar of kolderstok
    • 14.  
    • 15.  
    • 16. Palstokken : een stok, werkend als een pal, die de krabbelhaak aantrekt zodat deze de winderij in beweging zet waardoor de balken de molen in kunnen worden getrokken
    • 17. AANDRIJVING DOOR KRUKAS In deze tekening is dit schematisch weergegeven. Anders dan bij de klassieke raamzaag is het zaagraam in een zaagmolen stationair, dat wil zeggen de zagen blijven op hun plek. Om te kunnen zagen zal er dus hout aangevoerd moeten worden. Hiervoor beschikt een houtzaagmolen over een krabbelwerk.
    • 18. Het krabbelwerk zorgt voor de aanvoer van het te zagen hout. De tekening geeft een schematisch overzicht. Het systeem werkt als volgt. Met de op en neergaande beweging van het zaagraam wordt de krabbelstok (kan ook een ketting zijn) op een neer bewogen. Daardoor wordt de krabbelarm in beweging gebracht. Door deze beweging grijpt de pal in het krabbelrad, waardoor deze een of meer tanden (afhankelijk van de afstelling) vooruit wordt getrokken. Zoals uit de tekening blijkt gebeurt dit alleen op het moment dat het zaagraam naar boven beweegt. Het krabbelrad is via de krabbelas verbonden met een klein rondsel. Dit rondsel grijpt in de tandheugel. De tandheugel is een getande staaf ijzer die in de zaagslede is gemonteerd. Het draaien van het rondsel schuift de tandheugel en daarmee de zaagslede naar voren. Het te zagen hout is vastgezet op de zaagslede en schuift dus mee naar voren. Terwijl het zaagraam weer naar beneden beweegt wordt het hout gezaagd. Dus : Het hout wordt aangevoerd, terwijl het zaagraam naar boven gaat. Het zagen gebeurt bij de beweging naar beneden. HET KRABBELWERK
    • 19. tandheugel met rondsel
    • 20. HET KRABBELWERK
    • 21.  
    • 22. krabbelrad: krabbelarm: pal
    • 23.  
    • 24. PENDELSLAG . Om te kunnen zagen moeten de zaagtanden een zekere snelheid hebben. Dat geldt voor een gewone handzaag immers ook. Probeer je met een handzaag heel langzaam te zagen, dan zal dat niet lukken. Voor de zagerij in een houtzaagmolen geldt hetzelfde. Er wordt alleen gezaagd op het moment dat het zaagraam naar beneden gaat. De neerwaartse beweging begint vanuit “stilstand”, neemt in snelheid toe en eindigt ook weer in stilstand om direct weer door te gaan in de beweging naar boven. Dit betekent dat er voor gezorgd moet worden dat de tanden van de zaag alleen in het hout “bijten” als de zaagtand genoeg snelheid heeft. Het zaagraam beschikt daarvoor over strijkplaten die zorgen dat het zaagraam op het moment dat er genoeg neerwaartse snelheid is naar voren wordt geduwd. De zaagtanden beginnen dan te zagen. Bij het afnemen van de neerwaartse snelheid (aan het einde van de slag) wordt het zaagraam naar achteren geduwd. De zaagtanden komen los van het hout en het zaagsel kan worden gelost. (info houtzaagmolen “De Fram” Woltersum).
    • 25. “ Bezoekers vragen ons vaak hoe snel het zagen van een stam gaat”. U begrijpt het al... dat hangt van de wind af. Toch kunnen we u wel een globale indruk geven. In onze molen betekent een omwenteling van de bovenas (de wieken) 2,33 omwentelingen van de krukas. Bij 15 omwentelingen per minuut draait de krukas 35 keer rond. Stel dat per opgaande beweging het krabbelrand een tandje vooruit wordt geschoven. Dat betekent in onze molen dat de zaagslede per minuut 35 mm vooruit wordt geschoven. Per uur dus ruim twee meter. (info “De Fram” Woltersum).
    • 26.  
    • 27.  
    • 28. onderspanhoofd : onderste balk van het zaagraam waarin de zaagbladen worden vastgezet
    • 29.  
    • 30.  
    • 31.  
    • 32.  
    • 33. aandrijving winderij winderij: takelinrichting om de boomstammen de molen in te trekken.
    • 34. winderij: takelinrichting om de boomstammen de molen in te trekken. Palstokken : een stok, werkend als een pal, die de krabbelhaak aantrekt zodat deze de winderij in beweging zet waardoor de balken de molen in kunnen worden getrokken
    • 35.  
    • 36.  
    • 37.  
    • 38.  
    • 39.  
    • 40.  
    • 41. Op houtzaagmolen de Fram beschikken ze over ongeveer 80 zagen. De zagen verschillen wat in lengte (143 en 147) cm. Het aantal tanden van deze zagen bedraagt 46 of 47. De afstand tussen de zaagtanden ("de steek") is 2,5 cm. Het scherpen (vijlen) van de zaag wordt gedaan in de vijlbank. Het scherpen van een zaag gebeurt in een paar stappen. Allereerst worden de zaagtanden allemaal even hoog gemaakt. Dit doen ze door met een vijl over de tanden van de zaag te strijken. Vervolgens krijgt een zaagtand een `nieuwe´ punt door als eerste de `borst´ van de tand te vijlen. Daarna wordt de rug van de tand gevijld. Het goed scherpen van de zaag is een belangrijke voorwaarde om goed te kunnen zagen. Een scherp span zagen maakt bij het zagen een "helder" geluid. Zagen die bot geworden zijn veroorzaken een "brommend" geluid. Het is belangrijk om een span zagen tijdig te vervangen. Een bot stel zagen veroorzaakt veel meer spanning tijdens het zagen. Bovendien heb je als houtzager veel meer werk wanneer je de zagen te laat vervangt! Om goed te kunnen zagen moeten de zagen niet alleen scherp zijn. De zagen moeten ook nog worden gezet. Dat wil zeggen dat de punt van de zaagtand een beetje naar buiten wordt gebogen. Dit gebeurt dus om en om naar links en naar rechts. Het gevolg is dat de zaagsnede een fractie breder is dat de dikte van het zaagblad. Dit is nodig om te voorkomen dat de zaag in het hout wordt vastgeklemd . ( info “De Fram’” Woltersum ).
    • 42.  
    • 43. Houtzaagmolens liggen altijd aan het water, dit i.v.m. de aanvoer van boomstammen. Hiernaast zie je een “balkengat” zoals alle houtzaagmolens hadden. De boomstammen liet men vaak jaren inwateren om ze van hun groeisappen te ontdoen. Eiken boomstammen lagen vaak na verloop van tijd op de bodem. Grenen boomstammen bleven drijven.
    • 44. INFO houtzaagmolen “De Ster” Utrecht “ De Ster” is een balkenzager en geen wagenschotzager. Wagenschot is op een speciale manier gezaagd eikenhout. Eikenstammen werden eerst met de hand gekloofd in vier of vijf stukken. Uit die gekloofde stukken werden vervolgens planken gezaagd. (haaks op de nerf) Het resultaat is dan een hele fijne kwaliteit gezaagd hout met een mooie tekening (de spiegels).Wagenschot werd toegepast voor de aftimmering in schepen en woningen. In de 17e eeuw was het een belangrijk exportproduct naar Engeland. Aan die handel kwam een einde toen door Engelse belastingmaatregelen de uitvoer niet meer lonend was. Aanvoer boomstammen over de Rijn Het Rijnse hout werd aangevoerd via de Rijn. Het vertrekpunt van de zogenaamde Höllanderflösse was vaak Mannheim of Mainz. Maar voordat het hout vanaf die vertrekplaatsen stroomafwaarts richting Nederland kon gaan, had het al een hele weg afgelegd. Na gekapt te zijn moesten de stammen eerst via kleine stroompjes richting een zijrivier van de Rijn. Daar aangekomen konden er vlotten van gebouwd worden. In Mannheim of Mainz werden uit die vlotten, weer grotere vlotten samengesteld die de omvang hadden van zo’n anderhalf voetbalveld. De stammen werden op elkaar gestapeld tot zo’n anderhalve meter dikte. Vervolgens was het dan wachten op een geschikte waterstand waarna de reis richting Nederland kon aanvangen. Het over de Rijn loodsen van zo’n enorme massa aan hout was geen eenvoudige opgave. Een Höllanderflösse bestond uit meerdere delen die ten opzichte van elkaar konden bewegen. Het vlot was daardoor een beetje stuurbaar. Verder waren er riemen aan weerszijde van het vlot aangebracht. Bij moeilijke passages werd gebruik gemaakt van ankers. Om alles in goede banen te kunnen leiden werd zo’n vlot begeleid door zo’n 20 aken. Die aken waren ook nodig om het hout op te pikken dat soms van het vlot los kwam wanneer er b.v. een zandbank geraakt werd. Gedurende de reis stroomafwaarts stond er een klein dorp op het vlot. Tenten en hutten waren het tijdelijk onderkomen voor ca. 500 personen. Een deel daarvan was nodig om het vlot te bedienen. Het merendeel voer als passagier mee. Eindpunt van de Höllanderflösse was meestal Dordrecht. Daar werden de vlotten afgebroken om vervolgens de stammen in kavels te verkopen. Via een houtcommissionair, die z’n provisie kreeg van zowel de verkoper als de koper, kon zo’n kavel dan uiteindelijk op een zaagmolen tot planken gezaagd worden.
    • 45. Voorjaar 2006 restauratie Bolwerksmolen te Deventer (houtzaagmolen)
    • 46. BEGRIPPEN ZAAGMOLENS. Kolderstok is een staak aan de krukas in een houtzaagmolen, aangebracht om de draaiende beweging om te zetten in een op- en neergaande beweging om de zaagramen te bedienen (ook wuifelaar). Krabbelwerk voorziening om in een houtzaagmolen het te zagen hout voort te schuiven naar het zaagraam. Krek Zaans woord voor krukas in houtzaagmolens . Krukas houtzaagmolen. As om een ronddraaiende beweging om te zetten in een op- en neergaande. Pompraam loos zaagraam in houtzaagmolen, aangebracht ter wille van de evenwichtige gang van de krukas. Zaagmolen Houtzaagmolen. Molen met zaaginstallatie. Een krukas (met krukwiel, aangedreven door de bonkelaar)drijft via een kolderstok of wuifelaar het zaagraam met zaagbladen aan. Websites : http://www.houtzaagmolen.nl/ (houtzaagmolen “De Fram” in Woltersum) http://www.zwfriesland.nl/derat/ Houtzaahmolen “De Rat” in IJlst http://www.houtzaagmolen-de-ster.nl/ Houtzaagmolen “De Ster” te Utrecht
    • 47. molen Dijkstra Winschoten PELMOLENS pelmolen “Terhorst” Rijssen
    • 48. Gerst is een graansoort. De korrels, het meel en alle andere afgeleide producten van gerst bevatten gluten.  Gort - gepelde gerst (gerst zonder zemel) - is vaak bekender als voedingsmiddel dan gerst. Bij gort is het buitenste vlies van de gerstkorrel verwijderd.   Gerst (hele korrels) - omdat bij gerst het kaf en de korrels sterk vergroeid zijn wordt gerst altijd gepeld voor consumptie. Alleen de buitenste onverteerbare laag kaf wordt verwijderd, een proces waarbij de meeste voedingstoffen behouden blijven. Gerst is één van de oudste graansoorten van de wereld. Er werden twee soorten gerst verbouwd nl. gerst dat bestemd was voor het voedsel van vee en groeide op de arme gronden. Daarnaast werd er gerst verbouwd op de vruchtbare kleigrond van Groningen dat bestemd was voor het voedsel van mensen (gort) Vroeger at men heel veel gort. Het wordt nu onder andere nog in pap (gortpap) en krentjebrij verwerkt. Het afval en de doppen werden destijds als veevoer verkocht. Gort kun je redelijk lang bewaren en daarom werd het op zeilschepen als proviand meegenomen Gerst wordt ook gebruikt als grondstof voor bier (brouwgerst) en whisky 
    • 49. PELLEN. …..WAAROM?….HOE? Gerst heeft een vastgegroeide kafhuid die er tijdens de groei en opslag voor zorgt dat de korrel beschermd wordt tegen vocht, schimmels en parasieten. Gerst wordt van haar pel (velletje) ontdaan door de korrels intensief tegen elkaar te wrijven tussen de draaiende pelsteen en het omringende pelblik. Dit is een zeef met scherpe gaatjes waar de gerst niet doorheen kan, maar het stof en de pelletjes wel. Door de wrijving gaat de pel stuk en laat van de korrel los. Dit pellen werd eerst gedaan door ambachtelijke gortemakers, die het met handmolens fabriceerden. Aangezien dit niet erg handig was, werd uitgedacht hoe men dit met een molen kon doen. Zo verscheen in 1639 in Koog aan de Zaan de eerste pelmolen. In 1680 verscheen in Groningen de eerste pelmolen. Rond 1850 waren er waarschijnlijk zo'n 30 pelmolens in Groningen. Na de afschaffing van de belasting op het gemaal, in 1855, verschenen in de provincie Groningen nog veel meer pelmolens. Omdat er vanaf toen geen belasting meer over gerst/gort werd geheven. In Groningen waren de pelmolens ook uitgerust met stenen voor het malen van graan. De pelstenen hebben namelijk meer wind nodig om goed te kunnen draaien, dan de maalstenen. Malen kan vanaf windkracht 2-3 (schaal Beaufort) en pellen pas bij windkracht 6. Daarom schakelde men over bij harde wind van malen naar pellen. Omdat er voor het pellen lang niet altijd genoeg wind was, was het voordelig om een gecombineerde molen te bouwen. In de Zaanstreek werden koren en pelmolens niet gecombineerd, omdat de pelmolen in de Zaanstreek iets anders is uitgerust dan de Groningse, is er in een Zaanse pelmolen haast geen ruimte voor maalstenen.
    • 50. VAN GERST TOT GORT Gerst legt een lange weg af, voordat het gort genoemd kan worden. De bemanning van de molen (2 á 3 man) moet een hoop werk verrichten, alvorens een partij gerst tot gort is gepeld. De bewerkingen bestaan voor een groot gedeelte uit het verplaatsen van grote hoeveelheden graan. Op de eerste steen ( de voorloper ) wordt de gerst voorgepeld. Op de tweede steen ( de naloper ) wordt het pellen herhaald. Gerst mag niet langer dan enkele minuten op een steen verblijven, omdat het dan te heet wordt. Door de hitte loopt het vochtgehalte terug en daarmee het gewicht. Na het pellen komt de gerst op een zeef. De fijne delen vallen, gesorteerd, in de gortpijpen eronder. De grove delen (halfgepeld) vallen naast de zeef op de vloer. De halfgepelde gerst wordt opnieuw op de stenen gestort. Deze handelingen worden nog twee keer herhaald. Een partij goed gepelde gerst is dus in totaal zes stenen gepasseerd en drie keer over de zeef gegaan. Pas daarna gaat het de wanmolen in, om van de laatste stofresten te worden ontdaan en te worden gesorteerd op kwaliteit. Gort behoort wit te zijn. Als er iets aan de kleur mankeerde schepte men er talkpoeder door!!
    • 51. PELSTENEN. Evenals bij het malen, zijn bij het pellen twee stenen nodig. De onderste steen ligt stil en de bovenste draait er overheen. De lagering en aandrijving is gelijk aan die van de maalstenen. Maar hiermee houdt de vergelijking op! In de pelmolen zitten de pelstenen opgesloten tussen zware balken onder een aparte loopvloer, waar alleen het kaar en de handgreep van het afsluitschot uitsteekt (zie foto rechts) Op een constructie van stevige balken rust de onderste zandsteen, het zgn. doodbed. De steen is met bouten, dwars door de vloer heen vastgezet. Om slijtage te beperken, ligt er een brede ijzeren ring in de steen verzonken. Het doodbed vormt de bodem van de pelkuip en lagert de bolspil. Over het doodbed draait de pelsteen. De steen heeft een middellijn van 180 cm en weegt 2500 kg! Gerst wordt boven op de pelsteen gestort en door de middelpuntvliedende kracht naar buiten gedreven, waardoor het tussen de pelsteen en pelblik beland.
    • 52. De zgn. zoggaten onder in de steen dienen er voor om de ventilatorwerking van de steen te vergroten. Via het kropgat wordt lucht aangezogen, Deze luchtstroom passeert de onderkant van de stenen en kan alleen via de zijkant ontwijken. Aan deze kant ontstaat een naar boven gerichte luchtstroom waar de gerstekorrels tijdens de rondgang in zweven, waardoor ze zoveel mogelijk langs het pelblik kunnen schuren. Voor het pellen is veel vermogen nodig en moet de draaisnelheid van de pelsteen heel groot zijn (verhouding: 1:10) Vanwege deze voorwaarden komen pelmolens daarom het meeste voor in Groningen, Friesland en de Zaanstreek, waar de windcondities het meest gunstig van Nederland zijn. Tijdens het pellen draait de steen plm. 160 toeren per minuut. De van zandsteen vervaardigde pelsteen is tamelijk zacht. De zijkant wordt door het pellen glad en moet regelmatig worden geruwd met een speciale beitel. Als de middellijn van de steen tot 140 cm is afgesleten moet de steen worden vervangen.
    • 53. pelstenen, maten gewichten en toerentallen Pelstenen werden voornamelijk gemaakt van Bentheimer zandsteen. Door het hoge toerental van de steen was uit elkaar vliegen niet ondenkbeeldig. Om deze reden werd de steen geplaatst tussen de balken. De diameter van een nieuwe steen was 1,70 meter. Tussen de steen en het pelblik zat ongeveer een duim (2,5cm ) ruimte. In tegenstelling tot bijvoorbeeld een oliemolen, had de pelmolen veel wind nodig om goed te kunnen werken. Goede wind begon bij windkracht zes! Ook de overbrengingsverhouding tussen bovenas en steenspil lag met 1:11 erg hoog. Waar een oliemolen lekker draait bij zestig enden (dit is het aantal malen dat een wiek voor de borst langs komt), begint het leven voor een Pelmolen pas bij 90 enden. Met 22 a 25 omwentelingen per minuut van de bovenas draait de pelsteen dus minimaal 240 omwentelingen per minuut. Bij 90 enden resulteert dit in een omtreksnelheid van de pelsteen van ca. 80km/uur en bij 120 enden in ca. 105 km/uur.
    • 54. DE PELKUIP. Op het doodbed is de pelkuip gebouwd. Dit is een rond houten geraamte, dat aan de binnenkant is bekleed met blikken platen. In de gehele oppervlakte van de platen zijn, op 11 millimeter van elkaar, gaatjes geslagen. De scherpe punten, die hierdoor zijn ontstaan, steken uit naar de binnenkant en vormen de rasp voor het pellen van de gerst; het zogenaamde pelblik. Het pelblik staat op 11 millimeter afstand van de pelsteen. De cirkel wordt onderbroken door een schuif die geopend kan worden om de gepelde gerst in een emmer (schootemmer) te laten stromen. Door de gaatjes in het pelblik verdwijnt stof en kaf, dust geheten, in de afgesloten ruimte rondom de pelkuip, de dustgroep. De diameter van de pelkuip moet geregeld verkleind worden i.v.m. omtrekslijtage van de steen.
    • 55. Stenen en dustgroep worden aan de bovenzijde afgesloten door de uit losse luiken bestaande pelzolder. De luiken zijn aan de onderzijde voorzien van pelblik, zodat de stenen aan alle kanten door een rasp zijn omgeven (dit hebben niet alle pelmolens ) Pellen kan alleen bij harde wind. Tijdens het pellen loopt de molen op volle toeren. Daarom mag de molen onder geen beding onbelast draaien. Een te hoge snelheid zou zelfs een pelsteen kunnen doen breken. Om dit te voorkomen, voorziet de molenaar de ene steen van een nieuwe voorraad gerst, alvorens hij de andere steen leegt.
    • 56.  
    • 57. schootemmer: een houten emmer met een lang hengsel, waarin de gepelde gerst (gort dus) bij de schuif wordt opgevangen.
    • 58. vanuit deze pelkaar wordt de gerst over de steen verdeeld.
    • 59. waaierij
    • 60. Na het pellen wordt de gort gezeefd. De zeef bestaat uit een bak, waarin drie zeven boven elkaar hangen. Elke lager hangende zeef is minder grof en minder lang. Het einde van elke zeef hangt boven een eigen stortkoker, gortpijp genoemd. Doordat de zeven enigszins hellen, wordt de gort vanzelf naar de gortpijpen getransporteerd. Het afval valt door de onderste zeef op de vloer van het zeeflichaam. De zeef wordt aangedreven door een riem op de pelspil. Een krukas, voorzien van een vliegwiel, brengt de zeef aan het schudden. Om de zeef te kunnen laten schudden, is hij aan dunne, veerkrachtige latten gehangen. Als na het pellen de gort op de zeef wordt gegooid, zit er een hoeveelheid halfgepelde korrels tussen, die nogmaals moeten worden gepeld. Deze partij mag niet in de gortpijpen belanden, maar moet apart gehouden worden. Deze halfgepelde korrels vallen op de werkvloer naast de zeef. Daarvandaan worden de nog een keer te pellen korrels met een schootemmer opnieuw op de pelsteen geleegd .
    • 61. wanmolen WANMOLEN De wanmolen is een kast, waarin zich een sneldraaiende as bevindt waarop zes bladen zijn bevestigd. De as wordt aangedreven door een op de bolspil lopende drijfriem. De bladen hebben de taak een luchtstroom te veroorzaken die gort reinigt en sorteert. Onder in de wanmolen zitten luiken, die geopend kunnen worden om de verzamelde stof te verwijderen. De werking is als volgt: de gortpijpen, die door de vloer steken hangen precies boven de wanmolen. De wanmolen staat dus één zolder lager dan de zeef. In elke gortpijp zit een schuif. Als één van de gortpijpen wordt geopend, stroomt gort de wanmolen in. Het passeert een krachtige luchtstroom die het gort van de stofresten ontdoet. Het stof valt op de bodem van de wanmolen. De luchtstroom is zo krachtig dat het tegelijkertijd de kleine korrels opzij blaast. Daardoor ontstaat er een sortering. Zware korrels vallen naar beneden, lichte korrels worden opzij geblazen. Beide soorten vallen in afzonderlijke goten. Via deze goten glijdt de gort, gesorteerd, in zakken. Naast reiniger en sorteerder dient de wanmolen ook als stofzuiger. Tijdens het pellen ontstaat er een grote hoeveelheid stof dat, door een koker, vanuit de dustgroep in de wanmolen wordt gezogen . `
    • 62. PELPROCES IN’T KORT . Vanuit de gerstemmer wordt de ongepelde gerst op de draaiende pelsteen gestort. De gerst wordt vanuit het midden van de steen weggeslingerd. Het pelblik aan de binnenkant van de kuip zorgt ervoor dat de pel of het vlies van de gerstekorrel wordt geslepen. Via kleine raspgaatjes wordt het slijpsel, ook wel dust genoemd, afgevoerd. Dit werd vroeger gebruikt als veevoeder. De gepelde gerst (gort) wordt via de schuif in de schootemmer gedaan. Nu wordt de gort op grootte gesorteerd door middel van een zeef, de gortharp. De gort wordt in de waaierij gestort en verder schoongemaakt. Ook wordt het hier verder op grootte gesorteerd. Uiteindelijk vallen de korrels in de gortemmers en worden ze bewaard in de gorthokken of in zakken voor de verkoop.
    • 63. pelmolens hadden speciale roeden en een extra diepe zeeg en sterk naar voren staande windborden voor een hoge trekkracht. Op de foto links nog een exemplaar uit eind 19e eeuw (Prinsenhof) Om een hoge kwaliteit gort te krijgen werd de gerst vaak tot zes maal toe gepeld. De korrels gingen als het ware zes keer 'door de molen'. Een vast onderdeel in dit proces was het zeefwerk. Via een schuif stroomt de te pellen gerst uit de kaar op de stortzolder naar beneden. De korrels komen dan terecht op een aantal zeefbakken die door een drijfstang heen en weer worden geschud. Op deze manier wordt het te pellen graan ontdaan van 'vuil‘ zoals kleine stukjes stro, takjes, zanddeeltjes en stof. Het zeven van de ongepelde korrels wordt op de 'koude harp' gedaan. De gerst die al een of meerdere keren een bewerking had ondergaan in de kuip met de pelsteen, werd voor iedere nieuwe bewerking gezeefd . Dit is het krukmechanisme van zeef (gortharp) die zorgt voor de schuddende beweging.
    • 64.  
    • 65. Molen “Dijkstra” Winschoten Deze molen heeft in totaal 4 koppels maalstenen en twee pelstenen. Dus 6 rondsels rond het spoorwiel! welk rondsel is van een pelsteen? aan het einde van presentatie staat een verslag van Alice de Wit over pelmolens
    • 66. “ Woldzicht” Roderwolde OLIEMOLENS
    • 67. Oliehoudende zaden Olie wordt in een molen geslagen uit oliehoudende zaden. Er zijn verschillende soorten zoals koolzaad, raapzaad, lijnzaad, sesamzaad, enzovoort. Toepassingen Koolzaad en raapzaad die erg op elkaar lijken, werden vroeger gebruikt voor lampolie en bakolie. Tegenwoordig wordt er. koolzaad aangeplant om van de olie biodiesel te maken. Lijnolie heeft als eigenschap dat het droogt. Lijnolie wordt ook gebruikt om verf en zeep te maken. Lijnolie wordt ook toegepast  voor de fabricage van drukinkt en linoleum. Omdat lijnolie veel stoffen bevat die goed zijn voor het menselijk lichaam, wordt het ook gebruikt voor consumptie. In de andere oliemolens in de Zaanstreek en de rest van Nederland wordt voornamelijk lijnzaad gebruikt. De koek die na verwerking overblijft was prima diervoeder en werd vroeger zelfs gebruikt als meststof. Olieslagers in werkkledij Als de olieprijzen hoog waren, werd de olie opgepompt en in vaten verkocht. In de Zaanstreek werden de vaten met een kraan op boten geladen. 45-55% 18-24% 50-56% 40-50% 38 - 45% oliepercentage: palmpitten sojabonen sesamzaad lijnzaad koolzaad                                                                                                                   
    • 68. oliemolen “De Passiebloem” Zwolle Vlas wordt zeker al 8000 jaar als cultuurgewas gebruikt. Het is een eenjarige kruidachtige plant, die tot een meter hoog kan worden. De bloemen zijn blauw of wit. Na de bloei blijven de zaaddozen over. De zaaddozen van de vlasplant worden gekraakt om het zaad eruit te kunnen winnen. Dit zaad noemt men lijnzaad. Door deze zaden van de vlasplant uit te persen ontstaat lijnolie. Dit product werd vroeger veelvuldig in de zeilvaart gebruikt om zijn goede waterafstotende werking. Eeuwenlang is lijnolie de basis voor olie verf.  lijnzaad koolzaad
    • 69. “ De pelmolen” Terhorst te Rijssen (tevens oliemolen)
    • 70. Alleen al in de Zaanstreek hebben vroeger rond de 200 oliemolens gestaan. Ook in andere delen van het land kwamen ze voor, zij het minder talrijk
    • 71. olie slaan op “Het Pink” in foto’s
    • 72. Als eerste wordt het zaad geplet met behulp van een kollergang . Twee grote kantstenen pletten de zaden onder hun grote gewicht. Na enige tijd wordt dit geplette zaad verwijderd van de ligger (de grote horizontaal liggende steen waarop de kantstenen lopen) Deze ligger ligt op het doodsbed .
    • 73.  
    • 74.  
    • 75. doodsbed strijkers houden het zaad tijdens het malen onder de rondgaande stenen .
    • 76. Het geplette zaad wordt daarna verwarmd op een vuister. Een vuister is een soort stenen kachel die met hout gestookt wordt. Aan de bovenzijde bevindt zich een metalen plaat waarop het zaad verwarmd wordt. Een door de molen aangedreven roerijzer zorgt ervoor dat het zaadmeel in beweging blijft en niet aanbrandt. Bovenin een werkende oliemolen heb je dus altijd een rooklucht. (geen last van ongedierte dus!)
    • 77. Wanneer het zaad warm genoeg is wordt het in kleine zakken gestopt, die bulen genoemd worden. Het meel gaat in de bulen die gemaakt zijn van een wollen weefsel . Als de bulen gevuld zijn, worden de twee bulen in de haren  gedaan. Een haar is een gevlochten mat in een leren omhulsel.
    • 78.  
    • 79.  
    • 80. Er is een slaghei , die het eigenlijke perswerk doet, en een loshei die de wiggen in het slagblok losslaat. Het slaan mag niet te snel gebeuren. De olie moet niet alleen de tijd krijgen om weg te vloeien, maar ook de heien moeten de tijd krijgen om te vallen. Na ongeveer 100 slagen is de meeste olie eruit en zit de slagbeitel muurvast in de pers. Om alles nu los te kunnen maken is het voldoende om met de loshei enige klappen op de losbeitel te geven. Deze contrawig zakt dan naar beneden en in één klap is zo de druk van pers. Door een contragewicht schiet de slagbeitel daarna weer terug naar zijn beginpositie en is er ruimte in de pers om de haren met de bulen er uit te halen. ( zie tekening )
    • 81. voorslag Het meest belangrijke onderdeel van een oliemolen is het “slagblok” Dit blok is een enorme zware balk ongeveer 75 bij 75 cm. Liefst met het worteleinde er nog aan. In het blok wordt een gat gehakt ongeveer 1.30 meter lang en ongeveer 20 cm breed. In dat gat wordt door de heien op de wiggen geslagen die de olie uit het zaad persen. Hierbij ontstaan gigantische spanningen (350 atm.). Het voorslagblok diende uitsluitend om olie te persen en het naslagblok voor het restant olie en voor de rest om verkoopbare veekoeken te maken. De “haren” worden hierin geplaatst en direct daarna wordt een wig geplaatst, die van bovenaf door een hei , wordt aangeslagen. In de wigpers (slag of laad) ontstaat een hoge druk door de slagbeitel. Hierdoor worden “de haren” zijwaarts ineen geperst, waardoor de olie eruit vloeit. Deze olie wordt in een bak onder het slagblok opgevangen. (Ps. Er zijn ook oliemolens die zonder haren slaan.)
    • 82. naslag : het oliezaadmeel, dat een eerste keer is uitgeperst (voorslag), wordt opnieuw opgewarmd en uitgeslagen. Hierna wordt het opnieuw uitgeperst.
    • 83.  
    • 84.  
    • 85.  
    • 86.  
    • 87. appelpot
    • 88.  
    • 89.  
    • 90. De hei wordt opgetild door de wentelas . Dat is een horizontale as waar nokken aan vast zitten. Aan de heien zitten vuisten . Als nu de wentelas draait, dan tilt hij de hei op en laat deze bovenaan automatisch weer los door het wegdraaien van de wentelas. De hei valt door zijn eigen gewicht naar beneden en komt op de wig, de slagbeitel terecht. In de wigpers ontstaat een hoge druk door de slagbeitel. Hierdoor worden “de haren” zijwaarts ineen geperst, waardoor de olie eruit vloeit.
    • 91.  
    • 92.  
    • 93.  
    • 94.  
    • 95.  
    • 96. Van de uitgeperste lijnzaden werden lijnkoeken gemaakt, die dienden als veevoer. Overzicht van de nog bestaande oliemolens in Nederland Zaanstreek: Het Pink op verzoek en op speciale maaldagen geopend De Ooievaar niet open voor publiek De Zoeker dagelijks geopend De Os niet open voor publiek De Bonte Hen 's woensdags en 's zaterdags beperkt open voor publiek Overig Nederland: De Wachter te Zuid Laren speciale openingstijden Woldzicht te Roderwolde speciale openingstijden De Passiebloem te Zwolle speciale openingstijden De Pelmolen te Rijssen speciale openingstijden Holtens molen te Deurne de Passiebloem Zwolle Het Pink koog aan de Zaan pelmolen (ook oliemolen) Terhorst Rijssen Woldzicht Roderwolde
    • 97. De Zaanstreek en de molens     ± 100 overig 11     snuifmolens   12   meelmolens   13   hennepmolens 11   ± 30 kleurstofmolens 27 42 ± 35 papiermolens 44 62 ± 55 pelmolens 106 140 ± 135 oliemolens 1816 1731 1725   type molen eerste hennepklopper eerste papiermolen eerste kleurstofmolen eerste oliemolen 1607 1605 1602 1601
    • 98. BEGRIPPEN OLIEMOLENS: Appelpot Oliemolen. Pot, waarin oliekoeken fijngestampt worden. Doodbed de stenen of metalen vloer van een kollergang Heien palen met nokken (vuisten) die door de nokken (spaken) aan de wentelas worden opgetild en na het wegdraaien van de spaken vallen. Ze heien als het ware grote wiggen (slagbeitel en losbeitel) in en uit laad(lade) in het voor- of naslagblok. Er zijn slagheien en losheien. Kantstenen rechtopstaande stenen voor onder andere het pletten van oliehoudende zaden. Ook wel koldergang of kollergang genoemd. Kolder- of Kollergang stel vertikaal op een stenen- of metalen vloer (doodbed) wentelende stenen, die al het waren het maalgoed pletten en fijn wrijven. Laad olieslagerij. Ruimte in een voor- of naslagblok waarin de olie uit het zaadmeel wordt geperst. In de laad bevinden zich tijden het olieslaan jaagijzers, de losbeitel, de slagbeitel, de haren. Losbeitel oliemolen. Omgekeerde wig, die door loshei naar beneden geslagen wordt. Oliemolen wind- of wateraangedreven molen, die door middel van heien en stampers oliehoudende zaden uitperst. Slagbeitel oliemolen. Wig, door slaghei naar beneden geslagen. Stamper te vinden in oliemolen. Een hei of stamper breekt de oliekoeken in een appelpot (of perenpot, naar gelang de vorm). Hierna wordt de massa nog eens opnieuw bewerkt Vuist nok op heien en stampers in een olieslagerij. De spaak aan de wentelas tilt aan de vuist de hei en stamper op en laat hem na het wegdraaien weer vallen. Vuister oliemolen. Gemetselde vuurpot, waarboven zich een ijzeren plaat bevindt. Hierop wordt het oliezaad verwarmd. Wentelas oliemolen. Grote, horizontale as, die via het wentelwiel door de (onder)bonkelaar (aan de koningsspil) wordt aangedreven/ Websites: http://www.industriemolens.nl/ (erg informatief) http://www.depelmolen.nl/ De pelmolen ter Horst te Rijssen http://pink.molens.org/index.php Oliemolen Het Pink http://www.holtensmolen.nl/ Holtensmolen te Deurne HIERNA VOLGEN NOG ANDERE (INDUSTRIE) MOLENS
    • 99. VERFMOLEN “De Kat” Verfmolen “De Kat aan de Zaanse Schans is de enige verfstoffen makende windmolen ter wereld. Pigment of kleurstof, is het product van deze molen. Als kleurstof dienen verfhout-soorten die vanaf 1600 op grote schaal werden ingevoerd om kledingstoffen te kleuren. Deze zware stukken hout worden in de kapperij tot spanen gehakt. De houtsnippers worden daarna door kantstenen tot poeder gemalen. Het poeder wordt vervolgens gezeefd in een draaiende trommel (de buul) en verpakt in balen of vaten om daarna bij de klant te worden afgeleverd. De brokken gedroogde kalk worden onder kantstenen vermalen. Op de zijkant van de kantstenen staat een rood kruis. Dit is typerend voor de Zaanse verfmolens. In de oliemolens werden de stenen anders beschilderd. Apart van de kantstenen staat in een afgesloten ruimte, een tweede koppel kantstenen. Hier worden dakpannen vermalen tot rode kleurstof. De koppels stenen staan gescheiden van elkaar in aparte kamers om kleurvermenging door stof te voorkomen . kapperij
    • 100.  
    • 101.  
    • 102. “ De Schoolmeester” PAPIERMOLEN Van lompen worden de aangevoerde lappen in kleine strookjes gescheurd en met hamers of messen (bewogen door het mechaniek van de molen) zo fijn mogelijk gehakt of geplet. Daarna gaat het textiel voor de laatste bewerking in een zogenaamde hollander (een kuip met water met daarin een draaiende trommel met haakjes) waarin de fijne textielvezels in het water zo veel mogelijk moeten oplossen. De vezelpap wordt daarna overgegoten in een schepkuip, waaruit de papierschepper met behulp van een raam met fijn gaas wat papierpap uit de bak schept en onderwijl het water weg laat lopen. Op het gaas blijft dan een laagje nat papier achter, wat na persen en drogen een mooi velletje geschept papier wordt. In Nederland zijn momenteel nog 3 molens die op oude ambachtelijke wijze geschept papier produceren. In Zaandam is dit molen De Schoolmeester, en in Gelderland twee bovenslag-watermolens, te Arnhem (Openluchtmuseum en te Loenen, in de Middelste Molen. Gestampte spijkerbroeken
    • 103. KRIJT- en TRASMOLEN " D'Admiraal " Anno 1792 Vroeger gebruikte men tras als metselspecie. Tras had als eigenschap dat het onder water even snel (of langzaam) verhardde als boven water. Tras werd steenhard en liet geen water door. De lange verhardingstijd heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat tras werd vervangen door Portland cement. In trasmolens werden schelpen en stenen tot gruis gemalen, waarna van het gruis cement werd gemaakt. Ook werden blokken tras vermalen die afkomstig waren van oude bouwwerken zoals vervallen kastelen. Het vermalen gebeurde aanvankelijk onder stampers, maar later ook onder kantstenen. Hierdoor komt de inrichting van een trasmolen een beetje overeen met de inrichting van een oliemolen. Het product wordt vermalen door een kollergang, waar een koppel kantstenen rolt over een natuurstenen vloer, de ligger, die rust op een gemetselde verhoging, doodbed, genaamd. Rond de ligger is een houten rand aangebracht, de kuip. De stenen, die van boven gezien met de wijzers van de klok meedraaien, zijn gevat in een zwaar houten raam, het steenraam. Dat is bevestigd aan de steenspil, die zich bevindt in het midden van het spoorwiel. Dit grote wiel wordt via de steenschijfloop in beweging gebracht door de koningsspil, die door middel van de bovenbonkelaar wordt aangedreven door het bovenwiel op de bovenas, aan welks uiteinde zich het wiekenkruis bevindt. Er zijn een buitensteen en een binnensteen. De laatste loopt ongeveer twintig centimeter dichter bij de spil, zodat een breed spoor door de twee stenen wordt bestreken. De stenen hebben naar boven en beneden enige speling in hun lagers om oneffenheden op te vangen, die kunnen ontstaan door opeenhoping van maalgoed of door grote bonken tufsteen of krijt, die zonder verdere voorbewerking zo maar onder de stenen werden gegooid. Viel een dergelijke kluit aan de binnenkant van de steen dan kantelde deze soms wel een voet of meer naar buiten en liep zwaar knarsend tegen de bouten van het steenraam. Aan de buitenzijden der stenen konden daardoor diepe groeven ontstaan. Een stel meelopende strijkhouten in gebogen vorm zorgt ervoor dat het onder de stenen uitgewalste product weer in het spoor van de rollende stenen wordt teruggeschoven. De aanstrijker doet dat bij de binnensteen, de koningsstrijker bij de buitensteen. Tenslotte komt het product via openingen in de kuip in een trechter terecht, die uitmondt op een jakobsladder met een groot aantal opvangbakjes. Die voeren het pulver naar de buil, een cilindervormige zeefkoker, die al ronddraaiend de fijne deeltjes door het gaas naar buiten gooit, waar ze via een trechter in een zak worden opgevangen. De grove deeltjes, kluitjes en harde stukjes, worden teruggevoerd naar de kollergang voor een tweede maling.
    • 104. Snuifmolens Snuifmolens waren meestal kleine windmolens die tabak fijn kapten en vermaalden tot snuif. Ja, wat is snuif? Snuif wordt samengesteld uit een zorgvuldig geselecteerde mélange tabaksoorten. Na het ondergaan van enkele rijpingsprocessen wordt het tabaksblad in eikenhouten vijzels met ijzeren stampers tot zijde-achtige poeder gemalen. Vervolgens wordt de poeder enkele keren gezeefd ter verkrijging van een uitstekende mélange en gelijke gladde poeder. Snuiftabak- en Specerijenmolens “de Lelie en “de Ster” Sinds 1996 wordt weer op vrijwillige basis met de beide Kralingse snuif- en tabaksmolens het oude ambacht uitgeoefend. Op elke 2e zaterdag van de maand wordt met deze molen en de naburige molen De Ster specerijen en snuiftabak gemalen. Bij specerijen bepaalt de de hoeveelheid vet in het product de manier van malen. De vettere producten worden vooral met de verticale kantstenen fijn gewreven. Producten met weinig vet worden tussen twee horizontale stenen van basaltlava gemalen. Na het malen wordt het product gezeefd, kleine parijen met een handzeef, voor grote partijen wordt een door de molen aangedreven buil gebruikt. De Lelie Kralingen De Ster Kralingen
    • 105.  
    • 106.  
    • 107.  
    • 108. wentelas
    • 109.  
    • 110.  
    • 111. SPECERIJENMOLENS Specerijenmolens zijn molens - meestal windmolens - die dienden om specerijen te malen. Daarbij kan gedacht worden aan het malen van alle soorten specerijen en aanverwante producten zoals peper, piment, nootmuskaat, foelie, gemberwortel, kaneel, kruidnagelen, fenegriek en koriander, of mengsels van specerijen en kruiden. Specerijenmolens werden vooral gebouwd in de buurt van havens waar de Oost- en West-Indische Compagnieën hun goederen aanvoerden. Waar er voor bijvoorbeeld korenmolens op elk dorp voldoende behoefte was aan de maalcapaciteit van ten minste één molen, was de omzet van specerijen nergens zo groot dat een plaatselijke molen gerechtvaardigd was. Enkele molens rond de aanvoerhavens waren voldoende om in de gehele behoefte van het achterland te voorzien. Het malen van specerijen is een langdurig en arbeidsintensief proces. Specerijen bevatten etherische oliën, aromastoffen die in feite niets met olie te maken hebben. Wanneer deze oliën worden verwarmd, geven zij het specifieke aroma af waardoor bijvoorbeeld nootmuskaat naar nootmuskaat ruikt, of peper naar peper. Door de wrijving van maalstenen worden de specerijen warm en komen de genoemde aromastoffen dus vrij. Met andere woorden, tijdens het malen gaat een deel van het aroma verloren. Om die reden moet het maalproces dusdanig worden uigevoerd dat het maalsel minimaal opwarmt. Dit wordt bereikt door slechts geringe hoeveelheden tegelijk te malen, en door de specerijen niet in één keer tot de juiste korrelgrootte te malen, maar eerst te breken tussen molenstenen die 'te ver van elkaar' liggen. Na deze breekgang kan het maalsel afkoelen, de stenen worden iets dichter op elkaar afgesteld en het gebroken maalgoed wordt nogmaals gemalen. Op deze wijze wordt in drie tot vier maalgangen de eindkwaliteit bereikt. Tussendoor wordt het maalsel gezeefd en opnieuw in de kaar gestort.
    • 112. VOLMOLENS In de zeventiende eeuw gebeurde het vollen nog voor het overgrote deel met de voeten; pas tegen het einde van deze eeuw verdrongen een paar volmolens de honderden voetvollers. Deze molens werden door water, wind of door paarden aangedreven en uitgerust met hamers die de stof machinaal beukten om het verviltingsproces op gang te brengen. Na het weven volgde het vollen van de geweven stof. Vollen is een nabewerking van geweven wollen stof waardoor de kwaliteit sterk verbeterde. Deze wollen stof was een tussenproduct van de Lakenindustrie. De bedoeling was om de weefselstructuur dichter en vaster te maken. Om dit te bereiken moest de stof urenlang, voor sommige kwaliteiten zelfs dagenlang, gekneed worden. Bijzonder smerig werk dat door vollersknechten in de nachtelijke uren werd verricht. Urenlang stampten zij spiernaakt rond in de volkuipen waarin de geweven stof door de werking van verrotte urine, warm water, vollersaarde en reuzel kromp en vervilte. Naast reuzel werd ook wel ranzige boter gebruikt. De geweven stof werd opnieuw gewassen en gedroogd waarna een laatste behandeling volgde. Met bollen van de kaardedistel werden door de kaarder de wollen vezels opgehaald om de stof te ruwen. Voor de laatste bewerking van de geweven stof werd de urine verzameld in tonnen die door de voldersbaas bij voorkeur aan grote gezinnen tegen een kleine vergoeding werden uitgedeeld. Vanwege de stank van de gerotte urine gebeurde het vollen aan de rand van de stad. Vanaf het eind van de 16e eeuw werd voor het vollen windkracht aangewend. Buiten de bebouwde kom van de stad (i.v.m. de stank) werden vaak volmolens opgericht die tot in de 19e eeuw in bedrijf bleven. Dit vollen gebeurde met door de molen aangedreven stampers, die in kommen vielen waarin de stoffen lagen. De stoffen lagen in een mengsel van vollers- of bleekaarde, reuzel en urine, men wil niet weten wat voor een bende dit gaf tijdens het stampen. Nadat de stoffen waren vervilt, werden zij gewassen en te drogen opgehangen in de schuur van de molen die vermoedelijk niet veel afweek van de droogschuur van een papiermolen. Het vollen van laken met windmolens heeft tot omstreeks 1825 plaats gevonden, daarna is deze tak van molenindustrie totaal verdwenen.
    • 113. In volmolens werden nl. met o.a. gerotte urine, reuzel en vollersaarde, wollen stoffen vervilt. Door de ingrediënten waarmee dat gebeurde kregen volmolens vaak namen van sterk riekende dieren, zoals bunzing, rob, wezel en bruinvis of gewoon “De Stinkerd”.
    • 114. EINDE Hierna volgt een verslag van Alice de Wit over pelmolens
    • 115. Op reis met Gijs (17) geschreven door Alice de Wit, Een zoektocht naar molens en hun verhaal Pellen op de Ceres van gerst tot gort Pel/korenmolen Ceres te Spijk in noordoost Groningen met molenaar Henk de Haan. Een grijze winterdag in januari. Toch staat er een aardige oostenwind zoals we zagen aan de flink draaiende moderne windmolens bij Almere Buiten, waar we langs reden tijdens onze reis naar het noorden. Voorbij de stad Groningen rijden we de kleipolders in, waar onder andere gerst verbouwd wordt. Kleine dorpen met molens zien we voorbij glijden. Tegen het middaguur ligt Spijk er verlaten bij. Nu gaan we ons alles laten vertellen over het oude ambacht, dat in Groningen op grote schaal in het verleden werd beoefend: het pellen van gerst tot gort. De Ceres Deze stellingmolen is in 1839 gebouwd om te pellen, maar er is later ook nog een koppel maalstenen ingelegd om koren te kunnen malen. De deur in de houten onderbouw blijkt van het slot te zijn. We lopen de zogeheten invaart in, waar ze vroeger met paard en wagen inreden om de zakken gerst of graan te lossen en de gort of het meel te laden. Nu is er in die ruimte een foto-expositie opgesteld van Groningse molens. Er staan nog 84 molens in Groningen, maar vroeger waren dat er wel duizend. Een smalle houten trap leidt ons naar de stellingzolder. Buiten op de stelling zet molenaar Henk de Haan met kruilier en kettingen zijn molen op de wind. We maken kennis met een gedreven molenaar, die al sinds de zeventiger jaren ‘besmet is met het molenvirus’. Hij heeft het pellen op De Jonge Hendrik in Den Andel geleerd, dat was de laatste molen in Groningen, die commercieel pelde. Ondertussen staat de kap met het wiekenkruis naar het oosten gedraaid. De spanwijdte van de wieken, de vlucht, bedraagt 21,30 meter. De molen heeft op één roede een systeem met jaloezieën (kleppen) in plaats van een zeil. Deze jaloezieën kun je aan de achterzijde met een ketting open en dicht zetten. Een gewicht aan de ketting bepaalt dan het moment waarop de kleppen geopend worden en remmend gaan werken. Op de andere roede zit gewoon hekwerk met een zeil, dat er uit geldgebrek opgezet is. Het jaloeziesysteem is voor de pelmolenaar erg handig, want het is uitstekend te regelen en het gedoe met zeil wisselen is van de baan. ‘Als we gaan pellen kan dat pas met windkracht zes, want de pelstenen moeten genoeg snelheid krijgen voor het pelproces,’ vertelt Henk.
    • 116. De pelstenen Als je vanaf de stelling naar binnen loopt, kom je op de plek waar het pellen plaats vindt: de pelzolder. Henk: ‘Als er niet gepeld wordt, dan wordt er graan gemalen op de maalzolder. Het grote verschil tussen pellen en malen is, dat de korrel van de gerst heel blijft, terwijl het graan fijn gewreven wordt. Verder gebeurt het pellen aan de zijkant van de pelsteen, terwijl het graan tussen twee stenen gemalen wordt.’ Ook de plaats van de stenen in de molen is verschillend bij malen en pellen. De pelstenen liggen tussen twee vloeren in, terwijl de maalstenen boven de vloer liggen. Ik heb gelezen dat pelstenen voor de veiligheid tussen de vloer liggen, omdat door de draaisnelheid en het zachte materiaal van de zandstenen ze uit elkaar kunnen springen. ‘Ja, als dat gebeurt, vliegen ze door de muren heen naar buiten, maar dat komt nauwelijks voor. Belangrijker is, dat je gemakkelijk het kaar met gerst kan vullen, omdat je boven de stenen loopt. Verder kan het stof, de dust, in de afgesloten ruimte buiten het blik vallen. Die dustruimte, de groep geheten, wordt regelmatig schoon geveegd. ‘Vroeger waren er speciale stofpijpen naar buiten toe. De dust werd gebruikt voor het vee van de molenaar. Vaak hadden ze wel een varken thuis.’ Wat de pelstenen betreft, de draaiende pelsteen ligt op een stilliggende steen, het doodbed. Om de steen is een houten raamwerk aangebracht met een tussenruimte van 1,5 centimeter ten opzichte van de steen. Op dat raamwerk, de kuip, is het pelblik aangebracht. Dat is blik, waarin met een blikpen en hamer gaatjes in zijn geslagen, zowel aan de voorkant als aan de achterzijde van het blik. Henk laat het zien. Door de scherpe randen, die ontstaan zijn wordt de gerst ontdaan van zijn schil. ‘De gerstkorrels worden door de centrifugale kracht tegen het blik geslingerd. Als je elke dag pelt lijkt het blik wel op roestvrij staal zo glimt het. Er zijn twee pelstenen, een voorloper en een naloper, die na elkaar hun werk doen. Deze stenen worden aangedreven door middel van een spil, die boven een schijfloop heeft, waar de kammen van het takrad in grijpen. Het takrad is een enorm groot houten wiel met 97 kammen. Dit wiel draait op een zolder hoger en zit om de koningsspil heen, die in beweging wordt gebracht via een overbrenging in de kap door de wieken. Het pellen gebeurt dus op windkracht.
    • 117. Het pellen van gerst Omdat het pellen nogal arbeidsintensief is, zijn er altijd meerdere molenaars actief. ‘Vroeger had je een knecht, die meewerkte.’ Henk legt het pelproces uit: eerst gooit de molenaar de gerst in het kaar, een houten bak boven de pelsteen, en zet hij de schuif een stukje open, zodat de gerst geleidelijk naar beneden valt. Door de snelheid van de draaiende steen gaat de gerst zweven en wordt de schil er door het pelblik gedeeltelijk afgehaald. Als het wiekenkruis één keer ronddraait, gaat de pelsteen negen keer rond. Dan laat de molenaar de warme gerst in de schootemmer vallen en gooit hij het in de naloper. Waarom kan gerst niet in één keer gepeld worden, net zoals bij het graan malen? ‘Door de hoge draaisnelheid wordt de gerst veel te warm. Nu gaat het er een paar minuten in, dat doe je op gevoel.’ Na de naloper wordt de gerst met de schootemmer in het kaar van de zifterij, de zeverij, gegooid. Deze is uitgerust met een verticale krukas met op de bovenzijde van de as een vliegwiel, dat aangedreven wordt via een drijfriem door de pelspil van de naloper. Het vliegwiel zorgt voor een regelmatige gang en de krukas zet de draaiende beweging om in een schuddende waardoor de drie zeeframen de gort op grootte sorteren. ‘ Andere pelmolens hebben een Jacobsladder, dat is een transportsysteem met bakjes dat door de hele molen gaat en de gerst transporteert. Je hebt dan geen schootemmers nodig. Maar hier doen we alles met de hand.’ Vervolgens gaat de gort naar de onderste zolder waar de wanmolen of waaierij staat. Hierin zit een waaier, een houten schoepenrad, dat de gort reinigt door middel van een luchtstroom en de korrels op gewicht sorteert naar grootte. ‘De gerst wordt zes keer door de pelstenen gepeld en gaat drie keer in de zeverij en de waaierij.’ Vroeger werd de gort uiteindelijk in zakken gedaan en ging het eindproduct naar de consument. Deze molen pelde voor de mensen in de omgeving. Gort een mooi product. De kleipolders van Groningen zijn uitermate geschikt om gerst op te verbouwen. De meest geschikte soort om te pellen is de wintergerst, die heeft een grotere korrel en is van een goede kwaliteit. Hoe komt de gerst hier, als jullie gaan pellen? ‘Dat regelen de mensen, die de pelcursus geven aan leerlingen.’ Om de kennis van het pellen niet verloren te laten gaan is er een tijdje geleden een pelproject van start gegaan. Vrijwillige molenaars krijgen de mogelijkheid om op de Ceres een cursus pellen te volgen. De gerst is evenals de tarwe en de rogge, maar beperkt houdbaar. Zeker in de warmere zomermaanden.
    • 118. In de 16de eeuw kwam gort, vanuit Oost-Europa en via Duitsland, op het menu in Nederland te staan. In de 17de eeuw was het vooral goedkoop voedsel voor de armen, omdat er geen belasting op geheven werd. Studenten en zeelieden aten het volop. In de 18de eeuw ging men bij de bereiding experimenteren met gort. Behalve ingekookte gortebrij en de karnemelkse pap, gebruikte men vet, spek en stroop bij de gort. Boeren aten gortebrij met pens. De Friezen vonden appelbrij met gort een traktatie. De arme Groningers aten in de 19de eeuw hoofdzakelijk gort en roggebrood. Men startte de dag met karnemelkse pap, die gemaakt is met karnemelk en gort. Ik heb het anno 2006 geprobeerd en het is zo voedzaam, dat je de eerst komend uren niet meer hoeft te eten. Gort is behalve voedzaam ook erg gezond vanwege de vitaminen en mineralen die het bevat. Henk noemt nog krentjebrij, als gerecht waar behalve krenten en bessensap ook gort in verwerkt zit. ‘Vroeger was sleepgort de duurste gort, die op een speciale manier gemaakt werd.’ Ook juffertjes- of parelgort was een duurdere gortsoort.’ Waarom is pellen moeilijker dan het malen van graan? ‘Het beoordelen van de gort tijdens het pelproces is moeilijker dan het beoordelen van het meel dat tussen de stenen uitkomt en bovendien moet je veel meer weerkennis hebben, omdat je pas vanaf windkracht zes kan pellen. Ik weet, dat als ik thuis de wind in de schoorsteen hoor suizen, dat ik niet met een onbelaste molen kan gaan draaien. Als de molen niet genoeg belast wordt met zoveel wind, gaat hij er vandoor.’ Henk vindt het belangrijk dat de kennis die er nog is op het gebied van het pellen doorgegeven wordt. Zowel door middel van de pelcursus als het uitgeven van boekjes over dit onderwerp. We bedanken deze molenaar hartelijk voor dit gesprek en wensen hem veel succes met het pellen. Literatuur: Basisopleiding Vrijwillig Molenaars , De pelmolen Pellen van gerst tot gort, Lesbrief voor molenaars Werking van de pelmolen, P.Havik Met dank aan: Vrijwillige molenaar Henk de Haan, Alice de Wit, de reizende correspondent PRACHTIGE INFORMATIE OVER INDUSTRIEMOLENS KUN JE VINDEN OP DE SITE VAN JAAP KAMPHUIS ZIE: http://www.industriemolens.nl
    • 119. einde

    ×