• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Hans Sleurink Open brief Algemene Rekenkamer september 2011
 

Hans Sleurink Open brief Algemene Rekenkamer september 2011

on

  • 913 views

 

Statistics

Views

Total Views
913
Views on SlideShare
849
Embed Views
64

Actions

Likes
0
Downloads
5
Comments
0

1 Embed 64

http://www.opentrends.nl 64

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

CC Attribution-ShareAlike LicenseCC Attribution-ShareAlike License

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Hans Sleurink Open brief Algemene Rekenkamer september 2011 Hans Sleurink Open brief Algemene Rekenkamer september 2011 Document Transcript

    • College Algemene RekenkamerDe president drs. S.J. StuivelingLange Voorhout 82514 ED Den HaagOpen brief Gorredijk, 2 september 2011Geachte mevrouw de president,Mijn dank voor uw reactie van 15 juni 2011 op mijn brief van 23 maart over uwrapport Open standaarden en opensourcesoftware bij de Rijksoverheid. U stuurdemij ook toe het antwoord op de 52 vragen die de Tweede Kamer over hetzelfderapport heeft gesteld. In dit schrijven zal ik uw beide antwoorden als een geheelbeschouwen en dus niet specifiek verwijzen naar het ene dan wel het anderedocument.Een belangrijke vraag is vanzelf of de lezer wijzer is geworden van uwantwoorden. Persoonlijk vind ik van wel, en zelfs zo dat conclusies te trekken zijn.De twee belangrijkste zijn:1. Het rapport en de beantwoording van de verschillende vragen halen nergens hetinhoudelijke, methodische en onafhankelijke niveau dat van de AlgemeneRekenkamer verwacht mag worden.2. U bent over het hekje van het politieke speelveld gesprongen en politiek aan hetbedrijven.Op deze conclusies kom ik terug. Eerst zal ik aangeven waar ze op gebaseerd zijn.Overigens geldt daarbij ook nu weer dat ik niet naar volledigheid zal streven,gezien de beperkte tijd die me ter beschikking staat.In mijn brief van 23 maart constateer ik dat uw rapport op essentiële puntenondeugdelijk is, zoals het ontbreken van een heldere methodiek, een gebrekkigeverantwoording, het vertekenen van de historie, een onacceptabel reductionisme,en het te buiten gaan van uw staatsrechtelijke positie. In deze brief kom ik op dezeconstateringen terug, maar nu mede in het licht van de antwoorden die u gaf.In mijn brief constateerde ik dat u open ICT niet plaatst in de contexten waarin hetals beleidsonderwerp thuishoort. Door het ontbreken daarvan wordt het verwerven
    • van overzicht illusoir en ontstaat methodische warboel. Als voorbeeld noemde ikde historische vertekening die u aanbrengt door de start van het open ICT-beleiduitsluitend in de Tweede Kamer te leggen. Daarop zegt u nu: het verzoek kwamvan de Tweede Kamer, dus daar hebben we ons toe beperkt. Dat zal, maar u doetuw uitspraken zonder relativering of contextduiding, waardoor u de indruk geefthet historische beeld te verschaffen. U gebruikt dit onvolledige en daardoormisleidende overzicht bovendien mede als basis voor uw uiteindelijke inzicht. Uslaat zo de plank op twee manieren mis.Al even opmerkelijk is uw reactie op mijn constatering dat beantwoording vanvraag 6 in het hele stuk niet aan de orde komt. U ontkent dat en u verwijst naarparagraaf 5 waar uw aanbevelingen staan. Inderdaad, er staan aanbevelingen, maarin vraag 6 beloofde u expliciet de uit te brengen aanbevelingen te plaatsen in decontext van relevante actuele nationale en internationale ontwikkelingen (mijncursivering, HS). En deze zijn in uw rapport nergens te bespeuren. Methodischgezien is dit weer opmerkelijk: eindelijk plaatst u het Kamerverzoek in eencontext om vervolgens die context weer te verdonkeremanen. In de tweede plaatsinhoudelijk gezien: bij het door u gekozen ambitieniveau past het inderdaad deogen flink te openen om te zien wat zich rond open ICT aan actuele ontwikke-lingen voordoet. U kwam evenwel niet toe aan deze aanpak, maar datopmerkelijke feit vermeldt u niet en u legt er ook geen verantwoording voor af.De vraag is natuurlijk of de Algemene Rekenkamer de aangewezen institutie is omzon inhoudelijke exercitie uit te voeren. U begeeft zich daarmee al snel oppolitiek gebied en staatsrechtelijk lijkt mij dat niet in de haak. Door de ambitieuzevraag 6 heeft u wel voor deze weg gekozen om daaraan vervolgens volledig teverzaken. Een staatsrechtelijke scheve schaats die ook nog eens niks andersoplevert dan vragen over de werkwijze van de Rekenkamer, daar waar antwoordenop de door de Kamer gestelde vragen verwacht mochten worden. Het is mede opdit punt dat mijn vertrouwen in de Algemene Rekenkamer - een vertrouwen datmij altijd ingaf uw organisatie te beschouwen als een hoeksteen van de democratie- volledig is weggevallen. Dat u ook nog eens het niet-beantwoorden van vraagzes niet ruiterlijk erkent, maakt dit alles nog triester.In uw beantwoording verwijst u herhaaldelijk naar gebrek aan tijd waardoor u nietaan bepaalde studiewerkzaamheden kon toekomen. Daar bovenop moest uhalverwege een gebrek aan mandaat constateren. U werd genoodzaakt uwstudieveld in te krimpen: van alle overheden naar alleen de rijksoverheid. Devraag komt op of u op dit punt niet resoluut het verzoek aan de Kamer had moetenteruggeven. Immers, voldoende tijd en mandaat ontbraken om op adequate wijzeaan het verzoek te kunnen voldoen.U heeft gekozen voor voortzetting en dat dwingt mij nu te constateren dat deinkrimping van uw studieveld veel groter is dan u aangeeft. Op pag. 5 van uwrapport merkt u op dat het beleid van Kamer en Kabinet gericht is op de publiekesector. Akkoord, maar in het vervolg van het rapport schrijft u alleen over deoverheden. Hoe nu, waar laat u de rest van de publieke sector? Het onderwijs, de
    • zorg? Bij u verdwijnt plotsklaps een flink deel van de werkelijkheid uit hetgezichtsveld, van de ene op de andere alinea. De inkrimping is veel groter dan uvermeldt en verantwoordt. Er is sprake van een enorme reductie, zoals blijkt uitcijfers van het CBS. De publieke sector in Nederland beslaat 27% van allebeschikbare arbeidsplaatsen. De rijksoverheid neemt 2,7% van de beschikbarearbeidsplaatsen voor haar rekening. Uw rapport heeft dus betrekking op slechtseen tiende deel van het werkingsgebied van het kabinetsplan Nederland Open inVerbinding. Door dit te verzwijgen, ontneemt u de lezer de mogelijkheid uwrapport op relevantie te beoordelen. Maar misschien heeft u deze inkrimpinggewoon niet in de gaten gehad. Hoe dan ook, net als op veel andere plaatsen in uwrapport komen hier het ontbreken van methodiek, een gebrek aan verantwoordingen reductionisme samen.Dan TCO. U schrijft van plan te zijn geweest TCO, Total Cost of Ownership, tebenutten als meetmethode. Maar helaas, dat bleek onmogelijk door het ontbrekenvan geschikt cijfermateriaal. U laat TCO dan verder onbesproken, maar waaromeigenlijk? Door te zwijgen laat u de suggestie bestaan dat TCO, zoals velenmenen, een goede meetmethode is om de gebruikswaarde van software te bepalen.U had kunnen aangeven, desnoods in een bijlage, dat er meerdere TCO-methodesbestaan, zoals die uit het standaardwerk van Remenyi, Bannister en Money of, watdichter bij huis, die van de Wetenschappelijke Technische Raad. En verder, dat diemethodes verschillen tonen en bekritiseerd worden, en waarom ze derhalve al danniet geschikt geweest zouden zijn voor het onderzoek dat u had uit te voeren.U had daarnaast twee generieke opmerkingen kunnen maken over het TCO-model. In de eerste plaats dat het onjuist is te spreken over eigendom (ownership)als het gaat om confectiesoftware (standaardpakketten). Geslotenstandaardpakketten bieden niet meer dan een gebruiksrecht; bij open softwarebestaat er daarboven een beschikkingsrecht dat aanpassing en hergebruik mogelijkmaakt. U had kunnen aangeven dat, hoe lastig momenteel nog te becijferen, opensoftware door het beschikkingsrecht een waarde heeft die gesloten software nietheeft.Dit leidt naar een tweede generieke opmerking. TCO gaat alleen over kosten,maar zoals bij elke investering is het raadzaam ook te kijken naar opbrengsten.TCO vervult zo gezien maar een beperkte functie. Waar het in feite op aankomt isICT Value Management. Dat stelt de vraag naar de doelen die met de inzet vansoftware worden beoogd. Kosten en opbrengsten worden in samenhang met elkaarbeoordeeld. Dergelijke kanttekeningen zouden waardevol zijn geweest. Hier ligtper slot het hart van het werk van de Rekenkamer. U had ex ante een modelmoeten ontwikkelen voor het doorrekenen van de besparingen en dat model in uwrapport moeten opnemen. Vervolgens had u gericht kunnen aangeven dat definanciële administratie van de overheden een invulling van het model niettoestaat. In plaats daarvan heeft u eigen becijferingen gezocht die intussen door dekritiek van vele zijden hopeloos in diskrediet zijn geraakt.U had te weinig mandaat, u had te weinig tijd, u had niet het geschikte
    • cijfermateriaal. Kon op deze manier wel worden gevonden wat werd gezocht?Deze vraag is des te relevanter, omdat u voor kennis van zaken ook nog eensafhankelijk was van derden. Onduidelijk blijft bijvoorbeeld waarom in uwliteratuurlijst verwijzingen naar relevante wetenschappelijke bronnen ontbreken.In uw beantwoording geeft u aan dat er meer is gelezen dan in de literatuurlijstvermeld staat. Het is spijtig te moeten opmerken dat daarvan in de rapporttekstniets is te merken, en dat u zelfs waar het gaat om het bestuderen van één Finsrapport moet erkennen daar onvoldoende tijd voor te hebben gehad. Het gaat hiernota bene om een proefschrift, Large scale migation to an open source officesuite, een werkstuk dat naar de hoogste academische graad is beoordeeld.U heeft wel met wetenschappers gesproken, schrijft u. Ik neem aan dat u hiermeedoelt op praktiserende wetenschappers. Inderdaad toont de lijst achterin de naamvan de jurist M. Paapst van de Rijksuniversiteit Groningen, een erkenddeskundige op het gebied van open en gesloten licenties. Maar wie zorgde voor dewetenschappelijke expertise op het gebied van implementatie van open ICT inbredere zin? Uw lijst vermeldt een tweede wetenschapper, prof. C. Verhoef van deVrije Universiteit van Amsterdam. Bij mijn weten beschikt hij niet over specifiekeonderzoekskennis op het gebied van open ICT. Zijn uitlatingen in de vakpersworden gekenmerkt door, op basis van een onduidelijke redenering, te sneren overopen sores. Het is uiteraard aan u om te spreken met wie u wilt, maar mag ik opgrond van noodzakelijk evenwicht en behoefte aan degelijkheid in het onderzoekverwachten dat u ook spreekt met praktiserende wetenschappers die studie hebbenverricht naar open ICT. Nederland kent een aantal wetenschappers met eenuitstekende staat van dienst en reputatie op dit gebied, zoals dr. T. Egyedi van TUDelft die in Europa geldt als een autoriteit in open standaarden, en dewetenschappers van het Maastricht Economic Research Institute for Technology(MERIT) die onder leiding van prof. Luc Soete jarenlang onderzoek hebbenverricht naar open ICT voor de Europese Commissie.Verder moet ik constateren dat het bestuderen van niet-vermelde literatuur en degesprekken met een enkele wetenschapper niet hebben kunnen verhinderen, dat ublijkt geeft van gebrek aan elementair inzicht in de betekenis en praktijkwerkingvan open source software. Ik heb dit eerder gekritiseerd door in mijn brief tewijzen op een onvolledige en daardoor onwerkelijke bewering op pag. 39 van uwrapport, waar u schrijft: “Het komt in de praktijk regelmatig voor dat software dieop het ene moment nog gratis onder een opensourcelicentie ter beschikking staat,de volgende dag onder een gesloten licentie wordt gebracht en geld gaat kosten...”.Zelfs nadat ik u had gewezen op het dubieuze karakter van deze bewering, blijft uer in de beantwoording aan vasthouden en versterkt dit nog door te beweren dat“...het gebruik van opensourcesoftware niet per se leidt tot vendor-lock-in”.Iedereen die dergelijke onzin schrijft, diskwalificeert zichzelf om over de materiete kunnen oordelen. Ik heb het hem niet gevraagd, maar ik kan me voorstellen datde jurist Paapst zich bij het lezen van uw wijsheid zich achter de oren krabt enzich afvraagt welke zin zijn gesprek met u heeft gehad.De hier vermelde citaten vind ik overigens kenmerkend voor een hinderlijketendens in uw rapport, namelijk om uitspraken over open source in speculatieve
    • zin – soms in de zou-vorm – negatief te kleuren. Bizar zelfs vind ik uw dubbelemaatvoering als het om CIOs gaat. Voor uw eigen alternatieve becijfering leunt uzwaar op informatie verkregen van Nederlandse CIOs, maar als het gaat om eenFins proefschrift wordt de maker door u neergezet als geen onafhankelijkepersoon omdat hij CIO is van een Fins ministerie. Zon discriminatoirebeoordeling roept twijfels op over de ethische maatstaven waarmee uw rapport issamengesteld.In mijn brief heb ik uw rapport gekritiseerd vanwege een onacceptabelreductionisme van beleidsdoelen. U ontkent aan reductie te doen en houdt vast aande door u genoemde twee beleidsdoelen: betere bedrijfsvoering (intern) enmarktordening (extern). U beveelt aan beleid te voeren door deze doelstellingenvan elkaar te scheiden.Maar als ik het kabinetsplan Nederland Open in Verbinding (NOiV) er op na sla,kom ik direct in de eerste regels beleidsdoelen tegen die uw rapport doodzwijgt, teweten een goede participatie van burgers en duurzaamheid van informatie. Dezebeleidsdoelen weglaten, zoals u doet, is onacceptabel reductionisme. Is hier alleensprake van onzorgvuldigheid? Het zijn juist deze beleidsdoelen die laten zien datde door u aanbevolen scheiding van intern en extern beleid niet realistisch is. Ditgegeven is al eerder onderkend in een gezamenlijk advies van de Raad voor hetOpenbaar Bestuur en de Raad voor Cultuur. Deze Raden stellen dat participatievan burgers een prioritaire beleidsdoelstelling moet worden en gekoppeld dient teworden aan het op orde brengen van de ICT-informatiehuishouding. En ondankshet feit dat deze doelstelling ook nog eens in het kabinetsplan NOiV isopgenomen, gaat u er heel anders mee om: niks prioritair, gewoon weglaten.Wat zijn de actuele nationale en internationale ontwikkelingen die u beloofde meete nemen en tot welke inzichten over bredere beleidsdoelen hadden deze kunnenleiden? De Digitale Agenda van Eurocommissaris Neelie Kroes is zoninternationale ontwikkeling. In haar Digitale Agenda wordt het belang van openICT sterk benadrukt. Ze spoort lidstaten aan zelf verantwoordelijkheid te nemenen te werken aan het operationaliseren van open standaarden, en sterker nog actiefbij te dragen aan de ontwikkeling ervan. Ook nationaal worden deze beleidsdoelenbelangrijker in het debat en het beleid. Zo publiceerde de jurist MauriceSchellekens van de Universiteit van Tilburg (een praktiserend wetenschapper) inhet Open Source Jaarboek een beschouwing waarin hij wees op de noodzaak openstandaarden als een burgerrecht op te nemen in de Grondwet. Ook enkele ledenvan de Commissie Grondwet bleken vorig jaar deze denkrichting voor te staan. Inlijn hiermee is het beleid van nationaal archivaris Martin Berens die zowel denoodzaak van duurzame informatie als het belang van burgerparticipatiebenadrukt. Hij noemt open source het voorbeeld voor de aanpak die hij in zijnbeleid voorstaat. En minstens zo belangrijk is de herziening van deArchiefregeling door minister Plasterk. Lid 1 van art. 26 van die regeling stelt datoverheden die digitale bescheiden voor archiefopslag aanbieden, dat moeten doenin “...een valideerbaar en volledig gedocumenteerd bestandsformaat dat voldoet
    • aan een open standaard...”. Opgemerkt wordt ook digitale bescheiden direct in eenopen standaard vast te leggen, want als de standaarden pas later worden toegepast,kan dat extra lasten betekenen wegens conversie of migratie, met bovendien risicovan informatieverlies. Uit dit laatste valt een belangrijke aanwijzing voor beleid tehalen: als het gaat om kosteninventarisatie moet niet alleen worden gekeken naarde levenscyclus van de software in kwestie, maar ook naar het levenspad van alhetgeen met die software werd geproduceerd. Duidelijk wordt hier ook dat hetbelang van open standaarden tegelijkertijd raakt aan kostenbeheersing en aandemocratische waarden. Door zo aandacht aan beleidsdoelen te besteden wordthet mogelijk materiële en immateriële waarden van open standaarden teinventariseren en bovendien de beleidsdoelen te toetsen aan nieuweontwikkelingen en inzichten. Uw rapport laat het ook in dit opzicht volledigafweten. In plaats van meer overzicht te bieden zorgt u voor een verschrompelingvan de relevante werkelijkheid. U bedrijft hiermee politiek. Een beleidsdoel in eenkleine context kan een prima oplossing opleveren, terwijl dezelfde oplossing ineen grotere of andere context ontoereikend kan zijn en zelfs destructief kanuitpakken. Door uw reductie tot bedrijfsvoering en marktordening plaatst u nietalleen bepaalde contexten buiten het gezichtsveld, maar ook andere beleidsdoelen.U stuurt zo het beleid, of poogt dat althans, en bedrijft politiek. Eenstaatsrechtelijke scheve schaats.Ik moet tot een slot komen. Het lukt me niet meer aandacht te besteden aanhetgeen u te berde brengt over de eigen positie van de Algemene Rekenkamer inrelatie tot het kabinetsplan NOiV. Dat is jammer, want ook daarover is het nodigeop te merken. Maar de tijd is op.Het geheel overziend: onder uw verantwoordelijkheid heeft de AlgemeneRekenkamer een rapport geproduceerd dat kwalitatief onder elk aanvaardbaarmethodisch, inhoudelijk en ethisch niveau is. In de tweede plaats bedrijft upolitiek door beleidsdoelen en bestuurlijke contexten weg te laten, waardoor eenonacceptabele sturing op het beleid ontstaat.Dit falende rapport heeft ernstige gevolgen: de Rekenkamer vertroebelt hetpolitieke ICT-beleid, brengt zichzelf in diskrediet en ondermijnt het vertrouwen inhet functioneren van de democratie. Mijn hoop is dat u persoonlijk voldoendemorele kwaliteit bezit om terug te treden en plaats te maken voor een president diekan gaan werken aan herstel van de reputatie van de Rekenkamer en aan herstelvan vertrouwen in het functioneren van staatsrechtelijke instituties.Met vriendelijke groet,Hans SleurinkRedacteur Open Source Jaarboek