De ijsbeer op de Noordpool had het zo verschrikkelijk
koud dat hij alle woorden door elkaar bibberde.




Help jij hem eve...
Wat hoort er bij warm en wat bij koud?

Kleur eerst de dingen die bij warm horen rood.
Daarna kleur je de ‘koude’ dingen b...
   Hij kan niet door de ramen kijken.
   Dat doet hij met de auto.
   Op de ramen van de auto zit ijs.
   Vader gaat n...
Sneeuw-                           pool
Ski-                              schoen
Winter-                           beer
Noo...
pinguïn
                       ---------------------------------------------------------------
                       ----...
g
l
a
d
ij
d
a
s
s
c
s
d
o
n
k
e
r
v
p
h
m
ij
w
a
n
t
e
n
r
a
u
z
s
l
e
e
o
g
e
a
t
e
ij
v
o
r
s
tt
t
s
s
 a l l s e v l o k l s s n e e u w p o p Je houdt zeven letters
 over. Schrijf die i...
3. Een jongen heeft 2 schaatsen nodig als hij op het ijs
wil gaat schaatsen. 2 jongens hebben vier schaatsen
nodig om op h...
Vertel mij eens:

1. Kun jij mij uitleggen wat glad betekent?
…………………………………………………………………
…………………………………………………………………

2. Weet...
Winterboekje
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Winterboekje

700

Published on

lesbeschrijving voor onderbouw uit de leermiddelendatabase

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
700
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
3
Actions
Shares
0
Downloads
0
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Transcript of "Winterboekje"

  1. 1. De ijsbeer op de Noordpool had het zo verschrikkelijk koud dat hij alle woorden door elkaar bibberde. Help jij hem even? r ij b ee s ------------------- logi ------------------- n ui p g i n ------------------- teemsln ------------------- eimosk ------------------- netwri ------------------- n ie v z r e ------------------- l s n a b ee w u -------------------
  2. 2. Wat hoort er bij warm en wat bij koud? Kleur eerst de dingen die bij warm horen rood. Daarna kleur je de ‘koude’ dingen blauw. Maak nu twee rijen: 1 rij met warme dingen en 1 rij met koude dingen. dekbed ijsbeer ijsje bevriezen verwarming strijkijzer Noordpool chocolademelk skiën Afrika schaatsen Oven Warm Koud Weet je nog meer? Zet de zinnen in de goede volgorde. De eerste zin daar komt een 1 voor te staan, dan een 2 en zo verder.
  3. 3.  Hij kan niet door de ramen kijken.  Dat doet hij met de auto.  Op de ramen van de auto zit ijs.  Vader gaat naar zijn werk.  Maar nu heeft hij koude handen.  Vader pakt de ijskrabber.  Nu moet vader eerst krabben.  De auto ramen zijn weer schoon.  Dat heeft moeder gedaan.  Zij hebben het lekker warm.  Binnen zijn Geert en Meike.  Dat komt omdat de verwarming aan is.  Hij heeft de ramen gekrabd en heeft koude handen.  Dat vinden ze zielig voor pap.  Zij brengen papa handschoenen.  Geert en Meike zien pap. Veel woorden zijn eigenlijk rekensommen. Lees maar eens: school + bord = schoolbord. Kun jij ook rekenen met woorden. + = Hand- bal
  4. 4. Sneeuw- pool Ski- schoen Winter- beer Noord- jas IJs- vakantie Doe het nu eens zelf: Sneeuwpop = + Vogelhuisje = + Sneeuwklokje = + IJspret = + wintersport = + Sledehond = + Hakken en plakken! IJsbloemen wordt dan ijs-bloe-men. Chocolademelk --------------------------------------------------------------- --------------------------------------------------------------- Noordpool --------------------------------------------------------------- ---------------------------------------------------------------
  5. 5. pinguïn --------------------------------------------------------------- --------------------------------------------------------------- sneeuwklokjes --------------------------------------------------------------- --------------------------------------------------------------- ijsbeertjes --------------------------------------------------------------- --------------------------------------------------------------- verwarming --------------------------------------------------------------- --------------------------------------------------------------- Winterpuzzel Zoek en kleur de woorden in de puzzel. Ze staan van links naar rechts en van boven naar beneden. glad sneeuwbal ijzel sneeuwpop ijspret slee muts donker vlok das schaats vorst wanten ijs ij n e e u w b s
  6. 6. g l a d ij d a s s c s d o n k e r v p h m ij w a n t e n r a u z s
  7. 7. l e e o g e a t e ij v o r s tt t s s a l l s e v l o k l s s n e e u w p o p Je houdt zeven letters over. Schrijf die in de balk. Je leest dan de naam van een dier. Rekenen in de winter! 1. Jan, Kees en Frank gooien samen sneeuwballen. Jan en Kees gooien er allebei 3. Frank gooit er 2 meer dan Kees. Hoeveel sneeuwballen gooit Frank?…………… 2. Klaartje maakt sneeuwpoppen. 1 Sneeuwpop heeft drie knopen op zijn buik. Op het einde van de dag heeft Klaartje 5 sneeuwpoppen af. Hoeveel knopen heeft Klaartje nodig? ……………
  8. 8. 3. Een jongen heeft 2 schaatsen nodig als hij op het ijs wil gaat schaatsen. 2 jongens hebben vier schaatsen nodig om op het ijs te gaan. Hoeveel schaatsen hebben 8 jongens nodig om te kunnen schaatsen? ……………………… 4. Pap en mam betalen samen 10 euro om te mogen schaatsen. Mijn broer en ik betalen samen 8 euro om te schaatsen. Hoeveel moet pap bij de kassa betalen? …………….. 5. Een pinguïn eet op een dag 7 vissen. Hoeveel vissen eten twee pinguïns samen?…………….. 6. Een auto heeft 6 ramen: een voorraam, een achterraam en 4 zijramen. Als vader het ijs van 1 raam gaat krabben, dan duurt dat 2 minuten. Hoelang duurt het tot de hele auto klaar is?…………….
  9. 9. Vertel mij eens: 1. Kun jij mij uitleggen wat glad betekent? ………………………………………………………………… ………………………………………………………………… 2. Weet jij waar je een peen voor gebruikt als je een sneeuwpop bouwt? …………………………………………………… …………………………………………………… 3.Waarom moet je eigenlijk eerst het ijs van je autoramen afkrabben voordat je gaat rijden? ………………………………………………………………… ………………………………………………………………… 4. Weet jij waarom je beter geen heet water over je auto kunt gooien als de ramen bevroren zijn? ………………………………………………………………… ………………………………………………………………… 5.Weet jij het verschil tussen een want en een handschoen? ………………………………………………………………… …………………………………………………………………

×