• Save
Verordeningenboekje tender 2013
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Verordeningenboekje tender 2013

on

  • 1,027 views

 

Statistics

Views

Total Views
1,027
Views on SlideShare
454
Embed Views
573

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

2 Embeds 573

http://www.spring-board.nl 555
http://spring-board.nl 18

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Verordeningenboekje tender 2013 Verordeningenboekje tender 2013 Document Transcript

    • Tender 2013Verordening Transitie II en PiekenVerordening en toelichting
    • 2
    • Het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) heeft ééncentraal doel: de economie in het Noorden versterken. Er is doorhet Ministerie van Economische Zaken € 10 miljoen beschik-baar gesteld voor onze speerpunten watertechnologie, energie,Healthy Ageing, agribusiness en sensor­technologie. Het geld is­afkomstig uit Transitiemiddelen als vervolg op het programma EZKoers Noord “Pieken in de Delta”. Een mooie kans voor onze vijfnoordelijke speerpunten!Eise van der Sluis,directeur SNNVersterking van onze speerpunten
    • 4AgribusinessAgribusiness is voor het Noorden van groot belang met ruim 15.000bedrijven, 80.000 banen en een toegevoegde waarde van circa 1,3 miljardeuro. Er is sterk geïnvesteerd in kenniscentra als de Dairy Campus en hetCarbohydrate Competence Center (CCC), het expertisecentrum op hetgebied van koolhydraten.
    • InhoudsopgaveInhoudsopgave 5Verordening 7Algemene toelichting 19Artikelsgewijze toelichting 21BijlagenBijlage 1 Programma- en actielijnen Pieken 25Bijlage 2 Situatieschets en knelpuntenanalyse 34Bijlage 3 Rankingscriteria 47Bijlage 4 Programma- en actielijnen Toerisme (vervallen) 49Bijlage 5 Situatieschets en knelpuntanalyse Noord-Nederland en deuitwerking daarvan in ten aanzien van ­transitie in regionalespeerpuntsector Toerisme (vervallen) 50Bijlage 6 Rankingscriteria (vervallen) 51Bijlage 7 Indicatoren 52
    • 6EnergieHet aantal bedrijven in de energiesector is tussen 2000 en 2010 in hetNoorden met maar liefst 83 procent gegroeid. Het aantal energiebanengroeide met 18 procent; dat is tweemaal zoveel als landelijk. In totaal kentde energiesector in de Energy Valley-regio ruim 33.500 banen en 4.000bedrijven.
    • 7Verordening van 17 april en 24 april 2013, houdende regels betreffende de subsidiëring in het kader vanTransitie II en Pieken middelen (Verordening Transitie II en Pieken)Provinciale Staten van Fryslân, Groningen en Drenthe;gelet op het voorstel van gedeputeerde statengelet op artikel 145 van de Provinciewet;gelezen de gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Noord-Nederland;besluitenvast te stellen de Verordening Transitie II en Pieken, als volgt.Hoofdstuk I Algemene bepalingenArtikel 1 BegripsbepalingenIn deze verordening wordt verstaan onder:a. DB: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;b. SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland;c. wet: Algemene wet bestuursrecht;d. projectperiode: de periode tussen de startdatum en de einddatum van het project;Verordening
    • 8e. startdatum: de datum waarop de aanvraag, die voor het nemen van een besluit voldoende informatie bevat,bij het Samenwerkingsverband Noord-Nederland binnen is gekomen;f. algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de EuropeseGemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard («de algemenegroepsvrijstellingsverordening») (PbEU L 214);g. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economischeactiviteit uitoefent;h. penvoerder: de door het samenwerkingsverband aangewezen persoon of organisatie, die namens en voor departijen in het samenwerkingsverband zorgt voor de administratieve relatie met het SNN;i. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste tweeniet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten;j. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:a. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:1. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,2. volledig aansprakelijk vennoot is van, of3. overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, enb. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;k. fundamenteel onderzoek: experimentele of theoretische activiteiten die voornamelijk worden verricht omnieuwe kennis te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en waarneembare feiten,zonder dat hiermee een rechtstreekse praktische toepassing of gebruik wordt beoogd;l. industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennisen vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of ombestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de vervaardigingvan onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name vooralgemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypes als bedoeld in sub m;m. experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande weten-schappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema’sof ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten. Hieronder kantevens de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, procedés of dienstenworden verstaan. Deze activiteiten kunnen tevens het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen enandere documentatie omvatten, mits zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd. De ontwikkelingvan commercieel bruikbare prototypes en proefprojecten valt eveneens onder experimentele ontwikke-ling indien het prototype het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om alleen voordemonstratie- en validatie doeleinden te worden gebruikt. Bij commercieel gebruik van demonstratie- ofproefprojecten worden eventuele inkomsten die hieruit voortvloeien, op de in aanmerking komendekosten in mindering gebracht. De kosten van de experimentele ontwikkeling en het testen van producten,procedés en diensten komen eveneens in aanmerking, voor zover deze niet voor industriële toepassing of
    • 9­commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt. Onder experimentele ontwikkelingwordt niet verstaan de routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen,fabricage­processen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringenkunnen inhouden.n. kennisinstelling: een entiteit, zoals een universiteit of onderzoeksorganisatie, ongeacht haar rechtsvorm(publiek- of privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich in hoofdzaak bezighoudt methet verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en hetverspreiden van de resultaten daarvan door middel van onderwijs, publicaties of technologieoverdracht.Alle winst wordt opnieuw geïnvesteerd in die activiteiten, in de verspreiding van de resultaten daarvan, ofin onderwijs. Ondernemingen die invloed over een dergelijke entiteit kunnen uitoefenen door middel vanbijvoorbeeld aandeelhouders of leden, genieten geen preferente toegang tot de onderzoekscapaciteit vaneen dergelijke entiteit of tot de resultaten van haar onderzoek. Mbo- en hbo-instellingen en roc’s vallen ookonder de bedoelde entiteit.Artikel 2 Subsidieplafond1. Het DB stelt een subsidieplafond vast voor het verstrekken van subsidie op in een bepaalde periodeontvangen aanvragen voor de subsidiabele activiteiten die bijdragen aan de programma- en actielijnenzoals opgenomen in bijlage 1.2. Het DB verdeelt het in het vorige lid bedoelde bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen aande hand van de rankingscriteria van bijlage 3 te beginnen met de aanvraag met de hoogste score.3. [Vervallen]Hoofdstuk II Verstrekken van subsidieArtikel 3 Subsidiabele activiteitenSubsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten die bijdragen aan de programma- en actielijnenzoals opgenomen in bijlage 1).Artikel 4 Wie komt in aanmerking voor subsidie?Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen. Geen subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen dielouter zijn opgericht ter uitvoering van het project waarvoor subsidie wordt gevraagd.
    • 10Artikel 5 Aanvraag1. Indien aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag in viaeen penvoerder.2. Aanvragen moeten uiterlijk binnen een door het DB vast te stellen aanvraagperiode zijn ingediend.3. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door het DB vastgesteld formulier,waarin tevens is aangegeven welke bescheiden dienen te worden verstrekt bij de aanvraag.Artikel 6 AfwijzingEr wordt in ieder geval afwijzend beslist op een aanvraag om subsidie indien:a. naar verwachting de beoogde effecten van het project niet zullen terechtkomen in één of meer van de drienoordelijke provincies;b. uit de rangschikking van de aanvraag aan de hand van de rankingscriteria van bijlage 3 volgt dat de scorevan de aanvraag minder dan 13 punten bedraagt;c. de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 75.000;d. het subsidiebedrag minder zou gaan bedragen dan € 25.000;e. de financiering, naast de gevraagde subsidie, van het project niet is zekergesteld;f. het startmoment en de realisatiedatum niet eenduidig zijn gefixeerd;g. aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder belangrijke vertraging zullen worden uitge-voerd;h. de berekening van de kosten niet doorzichtig en verifieerbaar is;i. de kosten waarvoor subsidie is aangevraagd niet doelmatig en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan hetdesbetreffende project;j. de aangevraagde vorm van subsidie niet de meest geëigende vorm is;k. de activiteiten onvoldoende bijdrage aan de doelstellingen van de subsidie leveren;l. het een subsidieontvanger betreft die een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat alsbedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;m. een aanmerkelijke kans bestaat dat het verlenen van subsidie in strijd is met de Europese regels.n. de activiteiten behoren tot de reguliere (bedrijfs)activiteiten en/of verantwoordelijkheden van de aanvrager;o. de aanvraag niet voldoet aan de overige bij of krachtens deze verordening gestelde regels.Artikel 7 Toetsingscriteria[Vervallen]
    • 11Artikel 8 Hoogte van de subsidie1. De subsidie bedraagt maximaal 30 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat van diesubsidiabele kosten eerst de aan het project toe te rekenen opbrengsten, gedurende de projectperiode,worden afgetrokken.2. Het totaal van de subsidie en de betreffende cofinanciering kan niet meer bedragen dan 100% van de­subsidiabele kosten van het project.3. [Vervallen]Artikel 9 ProjectperiodeDe maximale projectperiode, zoals bedoeld in artikel 1 sub d, bedraagt vier jaren.Artikel 10 Subsidiabele kosten1. Voor subsidie komen de kosten in aanmerking die aantoonbaar en onlosmakelijk verbonden zijn met deuitvoering van de te financieren activiteiten en die redelijk en billijk zijn.2. Voor het bepalen van de subsidie worden de kosten in aanmerking genomen met inbegrip van omzet­belasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kanbrengen of niet gecompenseerd wordt uit het BTW-compensatiefonds als genoemd in artikel 2 van de Wetop het BTW-compensatiefonds3. Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het­gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.Artikel 11 Niet-subsidiabele kostenIn ieder geval geen subsidiabele kosten zijn:a. de eventuele restwaarde van specifiek voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur;b. kosten verbonden aan de oprichting van een privaatrechtelijk rechtspersoon;c. kosten die verband houden met de uitgifte van aandelen;d. kosten van verwerving ter zake van concessies en vergunningen;e. kosten van goodwill die van derden is verkregen;;f. kosten voor debetrente, boetes, financiële sancties en gerechtskosten;g. kosten van aankoop of inbreng van grond.
    • 12Hoofdstuk III Standaardmethoden van berekenen subsidiabele kostenArtikel 12 Berekening loonkosten1. Voor de berekening van de subsidiabele loonkosten kan de aanvrager kiezen uit:a. de loonkosten-plus-overhead-systematiek, opgenomen in lid 2, ofb. de vaste-uurtarief-systematiek, opgenomen in lid 3.2. Indien de aanvrager kiest voor de loonkosten-plus-overhead-systematiek, worden de subsidiabele kostenberekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd metde wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voorsociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1.650 productieve uren per jaar bij een voltijdsdienstverband van 40 uren, vermeerderd met een vaste opslag voor indirecte kosten van 30%.3. Indien de aanvrager kiest voor de vaste-uurtarief-systematiek, worden de subsidiabele kosten berekenddoor het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve vandeze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 40,--, waarin zowel dedirecte loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen.Artikel 13 Berekening overige kosten1. De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke encontroleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in hetmaatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatigtoepast.2. De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen voor het project wordenberekend op basis van historische aanschafprijzen.3. De kosten van aankoop of inbreng van gebouwen en onroerende zaken, met inbegrip van de kosten vooraankoop, belastingen, leges en taxatiekosten, worden gebaseerd op de objectief aangetoonde actuelemarktwaarde, blijkend uit bij de aanvraag om subsidievaststelling gevoegde gegevens en bescheiden, alsvoor het gebouw of onroerende zaken in de afgelopen 10 jaar geen nationale of communautaire steun isverleendHoofdstuk IV Beslissing aanvraagArtikel 14 TermijnDe termijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag is maximaal drie maanden na de laatste dag van deperiode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.
    • 13Artikel 15 PenvoerderIndien de subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband wordt de beschikking aan depenvoerder gezonden.Artikel 16 Mededeling1. De aanvrager doet onverwijld mededeling aan het SNN van de indiening bij de rechtbank van een verzoektot het op hem van toepassing verklaren tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot failliet­verklaring van hem.2. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling zodra aannemelijk is dat:a. de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht;b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;c. het project ten opzichte van de aanvraag en de verleningsbeschikking is gewijzigd of de aanvragervoornemens is het project ten opzichte van de aanvraag en de verleningsbeschikking te wijzigen.Artikel 17 Administratie1. De subsidieontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijkewijze is af te leiden:a. de aard, inhoud en voortgang van de verrichte werkzaamheden;b. het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerkingkomen;c. het aantal uren dat per persoon is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;d. de specifiek ten behoeve van de activiteiten gemaakte en betaalde kosten.2. De administratie wordt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard.3. De subsidieontvanger stelt de indicatoren, zoals deze in bijlage 7 zijn opgenomen, beschikbaar voor deraming vooraf en meting achteraf van de effecten van het project. Er dient vooraf een onderbouwingaangeleverd te worden van de verwachte uitkomsten op deze indicatoren.4. De subsidieontvanger dient minimaal één keer per jaar een rapportage in te dienen. Gerapporteerd dient teworden conform het daartoe door het SNN verstrekte format.5. Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun rapportages in viaeen penvoerder.
    • 14Artikel 18 Voorschotten1. Op aanvraag van de subsidieontvanger kan een eerste voorschot van 30% worden verleend, nadat het SNNvan de subsidieontvanger het volgende heeft ontvangen:a. een schriftelijke verklaring dat met de uitvoering van het project is begonnen;b. een schriftelijke verklaring omtrent de wijze waarop de financiering is zeker gesteld, vergezeld vankopieën van de financieringsovereenkomsten;c. bij aanbestedende diensten en daarmee gelijkgestelde diensten, een overzicht van de lopende of reedsafgeronde aanbestedingsprocedures, inclusief de gevolgde aanbestedingswijze;d. de wijze waarop in voorkomende gevallen wordt voldaan aan gestelde aanvullende voorwaarden, zoalsdeze zijn opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking.2. Op aanvraag van de subsidieontvanger kan met behulp van het daartoe ingevulde declaratieformulierhet tweede voorschot van 30% verleend worden, indien aangetoond is dat 30% van de totale subsidiabelekosten is gemaakt en betaald en voldaan is aan alle van toepassing zijnde voorwaarden.3. Op aanvraag van de subsidieontvanger van het project kan een derde voorschot van 20 % verleend worden,indien 60% van de totale subsidiabele kosten is gemaakt en betaald en voldaan is aan alle van toepassingzijnde voorwaarden.4. Op aanvraag van de subsidieontvanger kan indien de financiële situatie van de projectindiener daartoenoopt in uitzonderingsgevallen, met behulp van het daartoe ingevulde declaratieformulier, een vierdevoorschot van 10% verstrekt worden, indien aangetoond is dat 80% van de totale subsidiabele kosten isgemaakt en betaald en voldaan is aan alle van toepassing zijnde voorwaarden.5. Indien de aanvraag voor een voorschot meer bedraagt dan € 300.000,-- dient de begunstigde een separateaccountantsverklaring te overleggen.6. Elke subsidieontvanger kan door het SNN worden verzocht om bij een voorschotverzoek een separateaccountantsverklaring, conform het daartoe vastgestelde model, te overleggen.7. Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, worden de voorschotten verstrektvia de penvoerder aan de subsidieontvanger. Deze betaling geldt als betaling aan de subsidieontvanger.Hoofdstuk V IntrekkingArtikel 19 Intrekking/wijziging subsidieverleningOnverminderd de artikelen 4:48 en 4:50 van de wet en artikel 14 van de Kaderverordening subsidiesSamenwerkingsverband Noord-Nederland 2000 kan een besluit tot subsidieverlening worden ingetrokken often nadele van de subsidieontvanger worden gewijzigd, indien:a. het project niet wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van deze verordening;b. het project niet in overeenstemming is met het doel van deze verordening;
    • 15Artikel 20 Terugvordering1. Betaling van een terugvordering geschiedt door bijschrijving op een rekening van de provincie Groningen.2. Het DB heeft de mogelijkheid een geldschuld ten aanzien van een terugvordering te verrekenen met nog teuit te keren subsidie.Hoofdstuk VI SubsidievaststellingArtikel 21 Aanvraag vaststelling1. De subsidieontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling in uiterlijk dertien weken na het tijdstipwaarop de activiteiten moeten zijn voltooid.2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door het DB vastgesteld formulier. De aanvraaggaat, overeenkomstig in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden.Artikel 22 Penvoerder1. Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag totsubsidie­vaststelling in via de penvoerder.2. Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, wordt het subsidiebedrag via depenvoerder aan de subsidieontvanger betaald. Deze betaling geldt als betaling aan de subsidieontvanger.Artikel 23 Vaststelling1. Alleen projectkosten die binnen de projectperiode zijn gemaakt en betaald zijn subsidiabel, met uitzonde-ring van kosten ten behoeve van eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden ten behoevevan (het verzoek tot) vaststelling.2. Het subsidiebedrag zal naar evenredigheid worden verlaagd indien de werkelijke subsidiabele kosten lagerworden vastgesteld dan in de subsidieverleningsbeschikking of wanneer de werkelijke inkomsten hoger zijndan geraamd in de projectbegroting en/of de subsidieverleningsbeschikking.3. Indien met een project inkomsten, gedurende de projectperiode, worden gegenereerd, worden de inkom-sten van de subsidiabele kosten afgetrokken4. Indien sprake is van een subsidie in een exploitatietekort geldt het volgende:a. indien de subsidie is verleend op basis van een aandeel in het exploitatietekort, dan is de verleendesubsidie een aandeelfinanciering ten opzichte van de overige partijen die het project financieren. Deverhouding tussen de financiers in de subsidieverleningbeschikking zal gehandhaafd worden in dedefinitieve vaststelling;
    • 16b. ten opzichte van bijdragen of inkomsten van onbekenden, zoals verwachte inkomsten uit de markt, is deverstrekte subsidie een restfinanciering en zal ook bij de definitieve vaststelling op die wijze vastgesteldworden;c. bij een gemengde financiering met deels bijdragen van projectparticipanten en deels verwachte­inkomsten uit de markt, wordt het tekort van het project bij de vaststelling als geheel bepaald en­vervolgens naar rato aan de financieringsparticipanten toegerekend op basis van de in de subsidie­verlenings­beschikking vermelde financiering.5. De subsidie kan in elk geval lager worden vastgesteld, indien:a. de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen in de onderneming gezien de rentabiliteit en de aardvan de onderneming niet aanvaardbaar is of indien gerede twijfel bestaat omtrent het voortbestaan vande onderneming;b. aan de subsidieontvanger surséance van betaling is verleend of de subsidieontvanger failliet is verklaard;c. de activiteiten in strijd met de Europese regelgeving zijn uitgevoerd.Artikel 24 Termijn1. De beschikking tot subsidievaststelling wordt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraagverstrekt.2. Indien een beschikking tot subsidievaststelling niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kanworden gegeven, kan deze termijn eenmaal met dertien weken worden verlengd.Hoofdstuk VII SlotbepalingenArtikel 25 Toezichthouders1. Ten behoeve van de uitvoering van deze verordening worden toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 vande Algemene wet bestuursrecht aangewezen.2. De in het eerste lid bedoelde toezichthouders zijn belast met het toezicht op de naleving van de in of­krachtens de Algemene wet bestuursrecht en in of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.Artikel 26 InwerkingtredingDeze verordening treedt in werking op de eerste dag na plaatsing in het Provinciaal Blad en werkt terug tot1 april 2011.
    • 17Artikel 27 CiteertitelDeze verordening wordt aangehaald als: Verordening Transitie II en Pieken
    • 18Healthy AgeingNoord-Nederland heeft in verhouding meer werkgelegenheid in desector Healthy Ageing dan Nederland als geheel.De brede Noord-Nederlandse gezondheidssector telt 6.000 bedrijvenmet 100.000 banen en is goed voor een omzet van 5 miljard euro.
    • 19Algemene toelichtingBegin oktober 2010 is er tussenhet SNN en het Ministerie vanEconomische Zaken – zoals hettoen nog heette – een overeen-komst gesloten over de herinzet vanmiddelen uit oude programma’s enregelingen, ten behoeve van eenvervolg op Koers Noord 2007-2010.Vanuit oude programma’s enregelingen is in totaal naar schatting€ 21,6 mln beschikbaar.Naast deze zogeheten Package Deal isafgesproken dat er in 2011 een vervolgkomt op het Pieken-programma.Op 30 november 2010 is door hetDagelijks Bestuur SNN besloten dezezogeheten “Transitie II”-middelen,die beschikbaar zijn voor de jaren2007-2013, te gaan tenderen.Op 8 maart 2011 is door het DagelijksBestuur SNN besloten het zogehetenPieken­geld daarbij te voegen en ookte gaan tenderen.Voor het verstrekken van subsidieis een wettelijk voorschriftvereist. Het verstrekken van dezogenoemde Transitie II middelenzal niet geschieden op basis vaneen ­ministeriële regeling, nu dezemiddelen als “eigen” geld kunnenworden beschouwd. Daartoe is dezeverordening opgesteld.Deze verordening is opgesteld metals belangrijkste input van toepas-sing zijnde regels en verordeningvan het Koers Noord programma.De ­verordening ziet voornamelijkop de Pieken van nationaal belangen de regionale speerpuntsectoren,.In bijlage 2 is de situatieschets enknelpuntanalyse opgenomen en deuitwerking daarvan ten aanzien vanPieken van nationaal belang.Om enige inhoudelijke sturing aante brengen tussen de thema’s enbovendien te voorkomen dat bij debeoordeling van projecten teveel‘appels met peren’ dienen te wordenvergeleken, is de speerpuntsectorLife Science bij de vier Pieken thema’sgetrokken. Wanneer er gesprokenwordt over ‘Pieken’, worden hiermeedeze vijf thema’s bedoeld.
    • 20WatertechnologieWatertechnologie is een groeiende sector in het Noorden. Er zijn 150bedrijven actief in de watertechnologie met circa 1.000 banen en eentoegevoegde waarde van 150 miljoen euro.
    • 21Artikelsgewijze toelichtingArtikel 3In artikel 3 is opgenomen dat subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten die bijdragen aan deprogramma- en actielijnen zoals opgenomen in bijlage 1 (Pieken)Doel PiekenBijlage 1 (Pieken) ziet op aanvragen met als doel het stimuleren van gebiedsspecifieke economische­ontwikkelingen die van belang zijn voor Noord-Nederland, door kansen te benutten en knelpunten weg tenemen. Het gaat om het uitbouwen van en versterken van economische clusters die van groot belang zijn voorde economische draagkracht en de internationale concurrentiepositie van Noord-Nederland.Artikel 4Speciaal voor de subsidie opgerichte entiteiten komen daarmee niet voor subsidie in aanmerking.Artikel 6 sub lUit artikel 6 aanhef en sub l blijkt dat de aanvraag wordt afgewezen indien een aanmerkelijke kans bestaat dathet verlenen van subsidie in strijd is met de Europese regels. Dat kan het geval zijn indien er een aanmerkelijkekans bestaat dat het verlenen van subsidie zal leiden tot het verlenen van ongeoorloofde staatssteun in de zinvan artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
    • 22StaatssteunUit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van de Europese Unie blijkt dat er sprake is vanstaatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unieindien aan vier voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet een voordeel door de overheid worden verleend.Ten tweede moet het voordeel worden verleend aan ondernemingen. Ten derde moet dit voordeel selectief zijn.Ten slotte moet het voordeel de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en een invloed op de handeltussen lidstaten hebben. In het kader van deze regeling wordt altijd aan de eerste en aan de laatste voorwaardevoldaan. Aan de derde voorwaarde wordt gezien deze regeling ook bijna altijd voldaan.Ook kan de conclusie zijn dat de verlening van subsidie aan het project niet leidt tot staatssteun, omdat desubsidie als de-minimis is te verstrekken conform Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de de-minimissteun(PbEG 2006, L 379-5), indien de aanvrager heeft verklaard te kunnen voldoen aan de betreffende voorwaarden.Indien het dagelijks bestuur van het SNN op basis van het projectplan tot het oordeel komt dat de ­verstrekkingvan subsidie aan het project leidt tot staatssteun in de zin van artikel 107, Verdrag betreffende de werking vande Europese Unie met betrekking ten aanzien van de in het projectplan opgenomen uit te voeren ­activiteitenen de betreffende activiteiten ook niet als geoorloofde staatssteun kunnen worden aangemerkt, zal deaanvraag worden afgewezenVoor het bepalen of een activiteit geoorloofde staatssteun bevat wordt verwezen naar de regelgeving van deEuropese commissie en door de Europese commissie goedgekeurde nationale regelgeving en dan het bijzondernaar:• verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 (“de algemene Groepsvrijstellings­verordening”).• De Omnibus decentraalregeling Noord-Nederland• Uw project is specifiek bij beschikking van de Europese commissie goed gekeurd.
    • 23Artikel 23Uit artikel 23 lid 5 aanhef en sub c blijkt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld, indien de activiteiten instrijd met de Europese regelgeving zijn uitgevoerd.Ook hierbij kan men denken aan staatssteun of aan de Europese regelgeving met betrekking tot aanbesteden.Wanneer een eindbegunstigde of subsidieontvanger een aanbestedende dienst is en sprake is van verstrekkingvan opdrachten voor infrastructurele werken, leveringen of diensten of als de eindbegunstigde of subsidieont-vangers in het project een opdracht plaatst die voor meer dan 50% rechtstreeks door aanbestedende dienstenwordt gesubsidieerd en verder ook sprake is van een opdracht als bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn 2004/18EG dient voldaan te worden aan de regelgeving voor aanbesteden, waarbij de geldende drempels en proceduresgevolgd dienen te worden.
    • 24SensortechnologieNet als Watertechnologie is sensortechnologie een groeiende sector inNoord-Nederland. Dit cluster is goed voor circa 2.000 banen en heefteen toegevoegde waarde van circa 100 miljoen euro.
    • 25Bijlage 1Programma- en actielijnen PiekenA. EnergieOnder energie wordt verstaan: handel en distributie vanaardgas en brandstoffen, productie van fossiele en niet-fossiele energie en de productie van elektriciteit.Programmalijn 1. Ontwikkeling aardgashubfunctieInzet is om de rol van Noord-Nederland als mainport vooraardgas (ook in vloeibare vorm) of te versterken doorontwikkeling van de regio tot een internationaal knoop-punt voor handel, doorvoer en opslag van aardgas.Actielijn 1Projecten gericht op kennisontwikkeling ten behoevevan handel, doorvoer en opslag van aardgas in Noord-Nederland.Programmalijn 2. Verwerving sleutelpositieduurzame energieInzet is om Noord-Nederland een zodanige bijdrage telaten leveren aan de nationale productie en het gebruik vanduurzame energie, dat de totale Nederlandse productie enhet gebruik van duurzame energie binnen vijf jaar verge-lijkbaar is met de Europese top van landen die duurzameenergie produceren en gebruiken.Actielijn 2aProjecten gericht op de vergroting van het gebruik vanduurzame energiebronnen door de industrie in Noord-Nederland, waarvoor collectieve fysieke aanpassing van deinfra­structuur nodig is.Actielijn 2bProjecten gericht op experimentele kennisontwikkelingal dan niet in combinatie met industrieel onderzoek inNoord-Nederland voor inzet van biomassa ten behoeve vanenergie­opwekking of biobrandstoffen in Noord-Nederland.
    • 26Programmalijn 3. Uitbouw kennisinfrastructuurInzet is om de bestaande kennis­infrastructuur in Noord-Nederland uit te bouwen door verbreding van deexperimentele ontwikkeling al dan niet in combinatiemet industrieel onderzoek naar nieuwe of ­verbeterdeenergiebronnen, door versterkt kwantitatief en kwalitatiefaanbod van kenniswerkers vanuit MBO, HBO en WO, ofdoor samenwerking van ondernemers of ondernemers enonderzoeksorganisaties actief op het gebied van energie,met andere sectoren of met ondernemers of onderzoeks-organisaties buiten de grens.Actielijn 3aProjecten gericht op het ontwikkelen van nieuwetechnieken voor winning of benutting van bronnen vanfossiele of duurzame energie.Actielijn 3bProjecten gericht op het ontwikkelen van gemeenschappe-lijke plannen en daarop gebaseerde acties van een Noord-Nederlandse ondernemer met ten minste een andereondernemer of onderzoeksorganisatie of gemeenten,provincies of openbare lichamen actief op het gebied vanfossiele of duurzame energie, ten behoeve van innovatievetoepassing en vermarkting van aardgas en andere gassen.Actielijn 3cProjecten gericht op experimentele ontwikkeling al danniet in combinatie met industrieel onderzoek op het gebiedvan energie door een of meer Noord-Nederlandse onder-nemers of door ten minste een Noord-Nederlandse onder-neming en een onderzoeksorganisatie actief op het gebiedvan energie, in samenwerking met een of meer onderne-mers of onderzoeksorganisaties uit een of meer van deNoord-Nederlandse clusters water, sensor­technologie,agribusiness, life sciences of toerisme.Actielijn 3dProjecten gericht op het voorbereiden van opleidingen of hetbieden van hoogwaardige onderwijsfaciliteiten voor kennis-werkers op het gebied van fossiele of duurzame energie.Actielijn 3eProjecten gericht op samenwerking tussen Noord-Nederlandse ondernemers of ten minste een ondernemeren onderzoeksorganisaties actief op het gebied van energiemet een of meer niet-Nederlandse ondernemers of onder-zoeksorganisaties, ten behoeve van experimentele ontwik-keling al dan niet in combinatie met industrieel onderzoekop het gebied van fossiele of duurzame energie.Programmalijn 4. Versterking regionale­clustervorming en profileringInzet is het realiseren van vernieuwende ketensamen­werkingtussen de energiegerelateerde grote bedrijven met vesti-gingen in Noord-Nederland en bestaande of nieuw te vormenNoord-Nederlandse toeleveranciers, of het versterken vande nationale en internationale profilering van de regio alstoplocatie voor productie, handel en opslag van fossiele enduurzame energie. Onder vernieuwende ketensamenwerkingwordt hierbij verstaan een zodanige wisselwerking tussenuitbesteders en toeleveranciers, dat de toeleveranciers voort-durend afdoende zijn geïnformeerd over en ingespeeld op deeisen waar de uitbesteders uit hoofde van de ontwikkelingenin de energiesector mee worden geconfronteerd.Actielijn 4aProjecten gericht op vernieuwende ketensamenwerkingtussen ondernemers in de energiesector met een vesti-ging in Noord-Nederland, op het gebied van grootschaligeNoord-Nederlandse gas- of elektriciteitsprojecten.
    • 27Actielijn 4bProjecten gericht op vernieuwende ketensamenwerkingtussen ondernemers in de energiesector met een vesti-ging in Noord-Nederland, op het gebied van (hernieuwde)oliewinning.Actielijn 4cProjecten gericht op vernieuwende ketensamenwerkingtussen ondernemers in de energiesector met een vestigingin Noord-Nederland, gericht op het kunnen inzetten vandiverse soorten brandstof (˜brandstofdiversificatie).Actielijn 4dProjecten gericht op het versterken van het internationaleprofiel van Noord-Nederland als toplocatie voor productie,handel en transport voor fossiele en duurzame energie(Energy Valley).Actielijn 4eProjecten gericht op het stimuleren van de vestiging vanondernemers of onderzoeksorganisaties op het gebied vanenergie in Noord-Nederland.B. WaterOnder watertechnologie wordt verstaan: alle techno-logieën en technieken ten behoeve van het bereiden,transporteren, leveren, verzamelen, behandelen en (her)gebruiken van drinkwater, proceswater en afvalwater vooren van burgers, huishoudens, industrie, land- en tuinbouw,recreatie en toerisme, alsmede daaraan gelieerdeapplicatie­kennis en kennis en advies over organisatie,beheer en financiering van watertechnologie.Programmalijn 1. Versterking van regionale­clustervorming en ­profileringInzet is Noord-Nederland zich te laten ontwikkelentot Europese toplocatie voor kennis en productie vanhoogwaardige watertechnologie en daaraan gerela-teerde diensten door versterking van de onderlingesamen­werking tussen ondernemers en onderzoeks­organisaties of ­vergroting van het aantal ondernemers,onderzoeks­organisaties en opleidingen op het gebied vanwate­rtechnologie.Actielijn 1aProjecten gericht op het stimuleren van de vestiging inNoord-Nederland van ondernemers, onderzoeksorgani-saties of opleidingen op het gebied van watertechnologie,die door hun complementaire kennis of goede reputatiebijdragen aan de positie van Noord-Nederland als Europesetoplocatie voor watertechnologie.Actielijn 1bProjecten gericht op de instandhouding, de uitbouw of deaanpassing aan nieuwe onderzoeksvelden en -bevindingenvan de analytische laboratoriumfaciliteiten, de kleinschaligeonderzoeksvoorzieningen en grootschaliger onderzoeks-opstellingen (‘applicatiefaciliteiten’) in Noord-Nederland voor ondernemers en onderzoeksorganisatiesop het gebied van watertechnologie.
    • 28Actielijn 1cProjecten gericht op het faciliteren van de beschikbaarheidvan bedrijfsruimten of de toegang tot durfkapitaal voorin Noord-Nederland (door)startende bedrijven die water­technologische kennis toepassen.Actielijn 1dProjecten gericht op de versterking van het organisa-tievermogen, de gezamenlijke promotie en de ontwik-keling van gezamenlijke strategische toekomstvisies endaarop gebaseerde acties van Noord-Nederlandse, metwatertechnologie verbonden ondernemers, onderzoeks­organisaties of gemeenten, provincies of openbarelichamen.Programmalijn 2. Versterking van valorisatie vanwatertechnologieInzet is om meer opbrengsten te genereren van bestaandeof nieuw te ontwikkelen watertechnologische kennis doorintensivering van de experimentele ontwikkeling al danniet in combinatie met industrieel onderzoek op het gebiedvan watertechnologie of door profilering van Noord-Nederland als toplocatie voor experimenteel onderzoekal dan niet in combinatie met industrieel onderzoek naarmet watertechnologie gerelateerde nieuwe producten endiensten.Actielijn 2aProjecten gericht op onderzoek naar de toepassings­mogelijkheden van watertechnologische kennis viatest­opstellingen (demosites) in Noord-Nederland.Actielijn 2bProjecten waarbij een onderneming of een bestuurs­orgaan als eerste afnemer (launching customer) van eenproduct of dienst op het gebied van watertechnologieoptreedt, of samenwerkingsprojecten tussen ten minsteeen Noord-Nederlandse ondernemer met ondernemersof onderzoeksorganisaties gericht op het uitvoeren endemonstreren van praktijkgerichte testen van water­technologische producten of watertechnologischeproducten en daaraan verbonden diensten, waarbij deschaal van de test overeen komt met uitvoering in depraktijk (referentieprojecten).Actielijn 2cProjecten die bijdragen aan de profilering van Noord-Nederland als geschikte testomgeving (proeftuin) voornieuwe productmarktcombinaties van watertechnologie ofdaaraan gerelateerde diensten.Programmalijn 3. Versterken aanwezigheid­kenniswerkersInzet is om via het opleiden van kenniswerkers op hetgebied van watertechnologie en het stimuleren vanaantrekkelijke carrièrepaden voor dergelijke kennis­werkers,het aanbod van kenniswerkers in Noord-Nederland teversterken en daarmee bij te dragen aan de positie van deregio als Europees kenniscentrum voor watertechnologie.Actielijn 3aProjecten gericht op het ontwikkelen van traineeships bijondernemers in het watercluster in Noord-Nederland,waarbij trainees op verschillende plaatsen in het Noord-Nederlandse bedrijfsleven ervaring kunnen opdoen en zicheen beeld kunnen vormen van de aantrekkelijkheid van eenloopbaan in de watertechnologiesector.Actielijn 3bProjecten gericht op het ontwikkelen van nieuwe endoorontwikkelen van reeds bestaande watertechnologie-opleidingen voor MBO, HBO en universiteiten (ir. of MBA)in Noord-Nederland.
    • 29Actielijn 3cProjecten gericht op het in Noord-Nederland ontwikkelenvan bijscholingstrajecten voor personeel uit het bedrijfs-leven op het gebied van watertechnologie.C. SensortechnologieOnder sensortechnologie wordt verstaan: technologiedie het mogelijk maakt grote hoeveelheden gegevensvan fysische, chemische, biologische, meteorologische,medische of ecologische veranderingen in korte tijd uiterstnauwkeurig te monitoren, registeren of verwerken enzonodig automatisch bij te sturen.Programmalijn 1. Versterking van regionale­clustervorming en ­profileringInzet is het versterken van de positie van Noord-Nederlandals toplocatie voor onderzoek naar en toepassing vansensortechnologie, door het aantrekken van bestaandeof het ondersteunen van nieuwe ondernemers en onder-zoeksorganisaties actief op het gebied van sensortechno-logie, of door het versterken van de nationale en interna-tionale bekendheid van het cluster sensortechnologie inNoord-Nederland.Actielijn 1aProjecten die bijdragen aan de oprichting van een inter­nationaal kennisinstituut in Noord-Nederland voor­industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling ophet gebied van sensortechnologie.Actielijn 1bProjecten gericht op het stimuleren van de vestigingin Noord-Nederland van ondernemers of onderzoeks­organisaties die zich richten op de toepassing van doorNoord-Nederlandse onderzoeksorganisaties ontwikkeldekennis op het gebied van sensortechnologie.Actielijn 1cProjecten die erop zijn gericht om het Noord-Nederlandsecluster sensortechnologie meer nationale of internationalebekendheid te geven.Programmalijn 2. Versterking van valorisatie vansensortechnologieInzet is de toepassing en de opbrengsten van kennis op hetgebied van sensortechnologie te versterken door versterktekennisdeling tussen ondernemers en onderzoeks­organisaties, door toepassing van de technologie opnieuwe markten, door het betrekken van een brederekring partijen die de techniek in hun producten of dienstenkunnen incorporeren, of door het maken van plannen voorcommerciële toepassing van de ontwikkelde technologie.Actielijn 2aProjecten gericht op het identificeren van marktenwaarvoor commerciële toepassingen van sensor­technologie kunnen worden ontwikkeld door ten minsteeen Noord-Nederlandse ondernemer actief op het gebiedvan sensortechnologie met een andere ondernemer of met
    • 30een of meer beoogde gebruikers van sensortechnologieof door ten minste een Noord-Nederlandse ondernemingen een onderzoeksorganisatie actief op het gebied vansensortechnologie.Actielijn 2bProjecten waarbij een onderneming of een bestuursorgaanals eerste afnemer (launching customer) van een productof dienst op het gebied van sensortechnologie optreedt ofprojecten gericht op samenwerking tussen een of meerNoord-Nederlandse leveranciers van sensortechnologieen een of meer beoogde gebruikers, ten behoeve van deontwikkeling van prototypes van producten of diensten ophet gebied van sensortechnologie.Actielijn 2cProjecten gericht op het ontwikkelen van plannen endaarop gebaseerde acties voor commerciële toepas-sing van sensortechnologie door ten minste een Noord-Nederlandse ondernemer actief op het gebied van sensor-technologie met een andere ondernemer of met een ofmeer beoogde gebruikers van sensortechnologie of doorten minste een Noord-Nederlandse onderneming en eenonderzoeksorganisatie actief op het gebied van sensor-technologie.Actielijn 2dProjecten waarbij in sensortechnologie gespecialiseerdeondernemers of onderzoeksorganisaties zich richten op hettoepasbaar maken voor en het overdragen van sensor-technologische kennis naar het midden- en kleinbedrijfin Noord-Nederland waardoor participatie van Noord-Nederlandse MKB-ondernemers in toepassingsprojectenvan sensortechnologie mogelijk wordt.Programmalijn 3. Versterken aanwezigheid­kenniswerkersInzet is om via ontwikkeling van specifieke opleidingenof hoogwaardige onderwijsfaciliteiten voldoende kennis­werkers aan te trekken of te kunnen opleiden om aan devraag naar gekwalificeerd personeel in de sector sensor-technologie in Noord-Nederland te kunnen voldoen.Actielijn 3aProjecten gericht op het opzetten van opleidingen of hetbieden van hoogwaardige onderwijsfaciliteiten in Noord-Nederland voor kenniswerkers op het gebied van sensor-technologie.D. AgribusinessOnder agribusiness wordt verstaan: voedingstechnologie,agribusiness (verwerkende industrie inclusief producentenvan biomassa ten behoeve van biobrandstoffen of anderenieuwe grondstoffen), biotechnologie en nutrition (novelfoods, functional foods, nutriceutals). Activiteiten in deprimaire sector zijn in deze definitie uitgesloten.Programmalijn 1. Versterking van regionale­clustervorming en ­profileringDe inzet is gericht op het versterken van de samenwerkingtussen ondernemers, onderzoeksorganisaties of overhedenactief op het gebied van agribusiness in Noord-Nederlandof de vergroting van de nationale en internationalebekendheid van dit cluster.
    • 31Actielijn 1aProjecten gericht op versterking van de samen­werkingtussen ondernemers en onderzoeksorganisaties ofgemeenten, provincies of openbare lichamen, actief op hetgebied van agribusiness in Noord-Nederland.Actielijn 1bProjecten gericht op bevordering van samenwerking vaneen of meer Noord-Nederlandse ondernemers of eenof meer ondernemers en onderzoeksorganisaties actiefop het gebied van agribusiness met in het buitenland­gevestigde ondernemers of onderzoeksorganisaties.Actielijn 1cProjecten gericht op het versterken van de bekendheidvan de Noord-Nederlandse agribusiness-sector en de inNoord-Nederland uitgevoerde of lopende onderzoeks-projecten door versterkte communicatie en informatie­verstrekking tussen ondernemers of ondernemers enonderzoeks­organisaties actief in de agribusiness-sector ennaar ­potentiële afnemers van producten of diensten van deNoord-Nederlandse sector.Programmalijn 2. Versterking van valorisatie vankennis in de ­agribusinessketenDe inzet is gericht op het versnellen van het proces gerichtop commerciële toepassing van kennis uit de agribusiness,of op het ontwikkelen van meer kostenefficiënte methodenom grondstoffen uit de agribusiness in te zetten voorverschillende toepassingen en daarmee bij te dragen aande opbrengsten van agribusiness voor Noord-Nederland.Actielijn 2aProjecten gericht op het versnellen van de commerciëletoepassing van kennis in Noord-Nederland op het gebiedvan agribusiness door samenwerking tussen onderzoeks-organisaties, in agribusiness gespecialiseerde ondernemersen MKB, door het ontwikkelen en testen van praktischetoepassingen van in de agribusiness ontwikkelde grond-stoffen en daarop gebaseerde producten of door hetopzetten van proefopstellingen voor toepassingen van inde agribusiness ontwikkelde kennis.Actielijn 2bProjecten gericht op verbetering van de kostenefficiëntiein de productie van grondstoffen uit de agribusiness-sector of voor toepassingen daarvan door ten minsteeen Noord-Nederlandse ondernemer actief op hetgebied van agribusiness met een andere ondernemer ofdoor ten minste een Noord-Nederlandse ondernemingen een onderzoeks­organisatie actief op het gebied vanagri­business.Programmalijn 3. Ontwikkelen van kansrijkeproductmarkt­combinaties van agribusiness metandere sectorenInzet is om nieuwe producten en diensten te ontwikkelenvoor toepassing van kennis uit de agribusiness-sector inandere sectoren.Actielijn 3aProjecten gericht op het tot stand brengen van gemeen-schappelijke plannen en daarop gebaseerde acties tussenondernemers of onderzoeksorganisaties uit de Noord-Nederlandse agribusiness en ondernemers of onderzoeks-organisaties uit een of meer van de Noord-Nederlandseclusters energie, water, sensortechnologie, agribusiness, oflife sciences of toerisme, gericht op het ontwikkelen vannieuwe productmarktcombinaties.Actielijn 3bProjecten gericht op experimentele ontwikkeling aldan niet in combinatie met industrieel onderzoek tenbehoeve van nieuwe productmarktcombinaties op basis
    • 32van biomassa door ten minste een Noord-Nederlandseondernemer actief op het gebied van agribusiness meteen andere ondernemer of door ten minste een Noord-Nederlandse onderneming en een onderzoeksorganisatieactief op het gebied van agribusiness.Programmalijn 4.Versterken aanwezigheid kenniswerkersInzet is om via ontwikkeling van specifieke opleidingen enhoogwaardige onderwijsfaciliteiten voldoende kenniswer-kers aan te trekken en te kunnen opleiden om aan de vraagin de sector agribusiness naar gekwalificeerd personeel tekunnen voldoen.Actielijn 4aProjecten gericht op het voorbereiden van opleidingenof het bieden van hoogwaardige onderwijsfaciliteiten inNoord-Nederland voor kenniswerkers op het gebied vanagribusiness.E. Life ScienceProgrammalijn 1 Versterking van het regionaleclustervorming en profileringDe inzet is gericht op het versterken van de samenwerkingtussen ondernemers, onderzoeksorganisaties of overhedenbinnen het cluster life sciences in Noord-Nederland of devergroting van de nationale en internationale bekendheidvan dit cluster.Actielijn 1aProjecten gericht op de versterking van de samen­werking tussen ondernemers, onderzoeksorganisaties engemeenten, provincies of openbare lichamen, actief op hetgebied van life sciences in Noord-Nederland.Actielijn 1bProjecten gericht op het aantrekken van binnenlandse enbuitenlandse life sciences ondernemers en onderzoeks­organisaties naar Noord-Nederland.Actielijn 1cProjecten in aansluiting op het nationale instrumentariumdie gericht zijn op ondersteuning van starters en spin-offs uit ondernemingen en onderzoeksorganisaties, diekennis op het gebied van life sciences in Noord-Nederlandtoepassen.Actielijn 1dProjecten gericht op het versterken van de bekendheidvan de Noord-Nederlandse life sciencessector en de in diesector uitgevoerd en lopende onderzoeksprojecten, doorversterkte communicatie en informatieverstrekking tussenondernemers of ondernemers en onderzoeksorganisatiesin de lifesciences-sector en naar potentiële afnemers vanproducten of diensten van de Noord-Nederlandse sector.Actielijn 1eProjecten gericht op bevordering van samenwerking mettussen in Noord-Nederland gevestigde ondernemers ofondernemers en onderzoeksorganisaties op het gebied vanlife siences en buiten de grens gevestigde ondernemers ofonderzoeksorganisaties.
    • 33Programmalijn 2 Ontwikkelen van nieuwe­product-marktcombinaties van life sciencesmet andere sectorenInzet is om vanuit de life sciences nieuwe productenen diensten te ontwikkelen voor toepassing in anderesectoren.Actielijn 2aProjecten gericht op het ontwikkelen van een gemeen-schappelijke onderzoeks- en ontwikkelingsagenda ofstructurele samenwerking van ondernemers en onder-zoeksorganisaties binnen het Noord-Nederlandse clusterlife sciences met ondernemers of onderzoeksorganisa-ties uit een of meer van de Noord-Nederlandse sectorenenergie, water, sensortechnologie, agribusiness oftoerisme, waarin de verdere integratie van kennis leidt totnieuwe product/marktcombinaties.Actielijn 2bProjecten gericht op het ontwikkelen van nieuwe product/marktcombinaties, voortbouwend op de bestaande Noord-Nederlandse kennis rond het thema veroudering.
    • 34Bijlage 2Situatieschets en knelpuntenanalyseDe keuzes in het programma worden gemaakt tegen deachtergrond van een aantal sterkten en zwakten van denoordelijke economie. Het formuleren van deze sterktenen zwakten is behulpzaam om enerzijds de kansen van­nationaal belang te kunnen definiëren, en anderzijds omgericht de knelpunten te kunnen oplossen.Sterkten: goed leef en vestigingsklimaat en kansrijke, goed verankerde clustersNoord-Nederland bestaat uit de provincies Fryslân,Groningen en Drenthe. Met ruim 1,7 miljoen inwoners (11%van Nederland) op ruim een kwart van het Nederlandsegrondgebied is Noord-Nederland een relatief dunbevolkteregio. Hierdoor kan de regio de ruimtevragende functieszoals werken, wonen, natuur en recreatie goed inpassen.De congestie is beperkt, de kwaliteit van de woon enleefomgeving is hoog en er is voldoende aanbod vanbedrijfsruimte tegen concurrerende prijzen. Arbeid is inNoord-Nederland tegen redelijke lonen beschikbaar.Met de Rijksuniversiteit Groningen heeft Noord-Nederlandeen belangrijk centrum voor kennisontwikkeling, terwijlin de clusters water en sensortechnologie belangrijkesector­specifieke kenniscentra bestaan in de vorm van deTTI-Wetsus, respectievelijk ASTRON/LOFAR. Deze sectorenhebben goede perspectieven op internationale groeimarkten.De aantrekkelijke omgeving draagt bij aan een sterkeregionale positie in het toerisme en de historisch gegroeidesectoren landbouw en energie hebben een goede veranke-ring in de regio.Noord-Nederland kent geen echt dominante sectoren.De kracht moet vooral komen uit de breedte van en desnijvlakken tussen sectoren. De uitgangspositie hiervoor isgunstig; er vinden nu reeds veel ontwikkelingen plaats ophet snijvlak tussen disciplines en er is veel potentie voorsynergie tussen de clusters. Het midden en kleinbedrijfis sterk vertegenwoordigd in Noord-Nederland met eenwerkgelegenheidsaandeel van 75%, en zal een rol moetenspelen bij het valoriseren van kennis.Met 650.000 banen heeft Noord-Nederland een aandeelvan 9% in de nationale werkgelegenheid. Daarnaast is dearbeidsproductiviteit de afgelopen jaren gegroeid.
    • 35Zwakten: economische ijlheid, onvoldoende ‘kassa’, onvoldoende innovatief MKBen mismatch op de arbeidsmarktIn de geschetste structuur schuilen echter voor een deelook de zwakten van Noord-Nederland. De geografischespreiding in het Noorden geeft een historische ­verklaringvoor ijle verbindingen tussen kennisinstellingen enbedrijven onderling.Zo is er in de kansrijke sectoren nog behoefte aan verdereuitbouw van het organiserend vermogen. Ook wordt nogonvoldoende gewerkt aan het identificeren van kansrijkemarktvensters, terwijl op de snijvlakken tussen sectorennog onvoldoende gemeenschappelijke agenda’s enmarkten zijn gedefinieerd.Alhoewel de primaire landbouw met de daaraan­gerelateerde voedings- en genotmiddelenindustrie eensterke massa heeft in Noord-Nederland, drijft deze sectorvoor een deel op lage kosten en staat hij onder druk vanveranderend gemeenschappelijk landbouwbeleid enWTO-afspraken1. Ook sectoren als de traditioneel relatiefsterk aanwezige metaalsector drijven sterk op lage kosten.Veel van de producten uit deze sectoren zijn aan het eindvan hun levenscyclus. Innovatie krijgt vooral gestalte inprocesinnovaties en minder in vernieuwende product­innovaties.De publieke sector, die een sterke groei heeft gekend inmet name de gezondheids en welzijnszorg en in onder-wijs en openbaar bestuur, draagt nauwelijks bij aan deregionale concurrentiekracht. Het toerisme ondervindt­concurrentie van goedkoop te bereiken buitenlandsebestemmingen.1 Dit geldt minder voor regionaal gebonden activiteiten alsveilingen. Indien echter de afzet van agrarische productenwordt bedreigd door concurrentie uit lage lonen landen,dan komen ook deze activiteiten onder druk.Er zal dus gefocust moeten worden op innovatieveconcepten en innovatieve productmarktcombinaties omduurzaam groeiperspectief en comparatief voordeel tebehouden. Daarbij ligt een versnelde omschakeling van deklassieke ‘productieregio’ die Noord-Nederland nog steedsin overwegende mate is, naar een meer kennisintensieve,zogenaamde clusterregio het meest voor de hand2. In hettoerisme en in de landbouw, die verbindingen kan leggenmet innovatieve voedseltechnologie en met energie(biobrandstoffen) is daar ook potentieel voor.In de sectoren water, energie en sensorsysteemtechnologiemag nog verder gewerkt worden aan versterking van hetorganiserend vermogen en het ontwikkelen van spin offsen gemeenschappelijke agenda’s. In de life sciences, waarNoord-Nederland een sterke kennispositie heeft, moetgewerkt worden aan heldere marktvensters en een duide-lijke focus en positionering van de regio. Het doel moetzijn dat de aanwezige kennis ook naar de markt wordtgebracht en wordt omgezet in kassa.Alhoewel het MKB een rol zou moeten spelen bij devermarkting van kennis, blijven de innovatie en hetondernemerschap die cruciaal zijn voor toepassing endiffusie van kennis, sterk achter (zie box). Mede daardoorblijft ook de export achter: het aandeel van de export inde totale omzet van het bedrijfsleven ligt zo’n 7% lagerdan het landelijke cijfer. De sectorstructuur biedt hiervooronvoldoende verklaring. Tenslotte zijn er onvoldoende2 Een clusterregio is een regio met een hoge economischegroei, een gespecialiseerde economische structuur en eenconcentratie van soortgelijke economische ­activiteiten, diedaardoor van agglomeratievoordelen kunnen ­profiteren.Innovativiteit, ondernemerschap en de kwaliteit vanarbeidskrachten zijn belangrijke factoren voor hetinvesterings­klimaat in dit type regio.
    • 36werknemers die de nieuwe kennis kunnen toepassenen ­absorberen. Er is een relatief laag aanbod van hogeropgeleiden – terwijl een beperkte werkgelegenheid ininnovatieve beroepen op zijn beurt het gevaar oproeptdat hoger opgeleiden wegtrekken – , de onderwijsgraadvan jongeren in sommige gedeelten van Noord-Nederlandblijft achter en de pool van werklozen is vooral middelbaargeschoold.Het zijn deze meer randvoorwaardelijke knelpuntenvoor een omslag naar een innovatieve economie en de­gesignaleerde Piekenopgaven, die het driesporenbeleidwaar dit programma op inzet, rechtvaardigen.Innovatie en kenniseconomie inNoord-NederlandHet gemiddeld opleidingsniveau van de werkzameberoepsbevolking in Noord-Nederland is lager dan inde rest van Nederland.Het aandeel industriële hightech en mediumtechwerkgelegenheid in de totale werkgelegenheid inNoord-Nederland is gemiddeld tot laag (platteland)en slechts in een enkele gemeente hoog tot zeerhoog.Het aandeel R&D-werkgelegenheid in de totalewerk­gelegenheid is in vrijwel heel Noord-Nederlandlaag tot zeer laag en slechts in een enkele gemeentehoog tot zeer hoog.De innovatieve inspanningen (voor zover traceer-baar via R&D-uitgaven, octrooien) zijn in Noord-Nederland ­beduidend lager dan het landelijk­gemiddelde3.3 Overigens laat dit zich voor een aanzienlijk deel verklarendoor de bedrijfstypen. R&D-inspanningen worden vaaktoegeschreven aan een hoofdvestiging, terwijl in Noord-Nederland vooral nevenvestigingen zijn gehuisvest.Hier wordt verder per piek (Energie, Water, Sensor­technologie, Agribusiness en Life Science) uiteengezet wathet huidige beeld is, wat de ambities zijn en voor welkecentrale opgave Noord-Nederland staat.A. Energie (‘energiepiek in energievallei’)BeeldVoldoende massa…Het overgrote deel van de Nederlandse activiteiten ophet gebied van aardgas (winning, transport, behandeling,handel en research) is in Noord-Nederland geconcen-treerd. Naast de winning vanuit het Slochterenveld is ookde toekomstige winning van het Waddengas van belang.Met de nabehandeling maar ook met het onderhoudvan de technische installaties zijn veel werkgelegenheiden geld gemoeid. De elektriciteitsproductie, -opslag en-distributie (Eemscentrale, gasopslag Grijpskerk, Langelooen Zuidwending) en potentiële aardoliewinning achterEmmen winnen aan belang in Noord-Nederland. Debedrijven zijn van behoorlijke omvang en hebben groei-potentie. Dominant is een aantal grote spelers als NAM,Gasunie (transport en infrastructuur), GasTerra (handelin gas), Essent, NUON en Electrabel met breed palet aantoeleveranciers, uitbestedingrelaties en spin-offs.De belangrijke afnemers (bijvoorbeeld energie-intensievechemie en metaalbedrijven) zijn eveneens in Noord-Nederland gevestigd. Verder zijn er belangrijke relaties metandere sectoren als agribusiness (energie uit biomassa),chemie (gas als grondstof voor procesindustrie) en afval-verwerking (energie uit afval).De aan energie gerelateerde werkgelegenheid in Noord-Nederland omvat zo’n 20.000 banen met daarnaastuitstraling naar de gehele Nederlandse economie (omzetaardgas in 2000 € 9,34 miljard met een toegevoegdewaarde van ruim € 8 miljard, goed voor 2,1% van BBP).
    • 37… kunde en kennisIn 2003 is Energy Valley gevormd, een publiek privaatsamenwerkingsverband van bedrijven, kennisinstellingenen overheden, dat als doel heeft een breed en integraalcluster van activiteiten te ontwikkelen dat bijdraagt aan deeconomische ontwikkeling van Noord-Nederland.Binnen ex-overheidsbedrijven als NAM en Gasunie is dekennisontwikkeling traditioneel gesloten, maar er wordtvolop gewerkt aan meer samenwerking, onder andere metde kennisinstellingen (RUG, HBO) maar ook met EnergyDelta Institute, Energy Delta Research Centre en Cartesius(kenniscentrum duurzame energie). Het aantal kennis­werkers in de sector is hoog. De kenniskolom energieis echter nog niet volledig en ook gemeenschappelijkeagenda’s ten aanzien van commerciële ontwikkelingenontbreken nog.… en in potentie nog meer kassaLiberalisering en internationalisering bieden volopkansen voor het noordelijke energiecluster; de massa en­aanwezige kennis bieden perspectief om deze kansen ookte benutten. Daarbij is het wel zaak te focussen op dieenergievelden waarin Noord-Nederland traditioneel sterkis (gas en olie).Op dit punt staan leverings en voorzieningszekerheid-discussies nu hoog op de agenda. Waar Nederland alsterk staat als het gaat om kennis en kunde van onder-grondse opslag, zijn deze actuele discussies een extrareden om de ondergrondse opslag, een gasrotonde (vanen naar Nederland), CO2-opslag en hiervoor benodigdepijp­leidingen snel te realiseren. Een gasrotonde wordt ininternationaal perspectief gezien als noodzakelijk funda-ment van Energy Valley.De sterk stijgende olie- en gasprijzen en de daarmeegepaard gaande dreiging voor het bestaan van de (energie-intensieve) industrie in (Noord-)Nederland nopen tottotaal nieuwe energieconcepten. De behoefte aan andereenergiedragers en andere productieprocessen die deafhankelijkheid van aardgas(prijzen) verminderen en eenvergroening binnen de industrie/chemie tot stand brengen,bieden nieuwe kansen voor de noordelijke economie.Een biobased economy komt hiermee dichterbij en biedttegelijkertijd nieuwe kansen voor de agribusiness.Gewijzigd beleid (verplichte bijmenging van 5,75%biobrandstoffen in 2010) leidt tot meer vraag naar groengas, groene brandstoffen en groene stroom, en kan tevensleiden tot nieuwe commerciële kansen en toepassingen. Inhet verlengde hiervan zijn nieuwe innovaties en techno-logieën te verwachten die op hun beurt weer leiden tothoogwaardige arbeid. Deze innovatieve energietoepas-singen (zoals Blue Energy en een smart power system– micro-wkk –) dragen bij aan een hoogwaardige kennis-regio. Het is dan ook van belang verbinding te zoekenmet kansrijke ontwikkelingen en uitdagingen binnende agribusiness (biorefineries, biobrandstoffen), water(innovatieve energieopwekking) en chemie (vergroening).Forse investeringen in een aantal grote projecten in Noord-Nederland bieden het regionale bedrijfsleven nieuwemogelijkheden. De toeleveranties en uitbestedingen van enaan het regionale bedrijfsleven krijgen hierdoor een nieuweimpuls. Het is nu zaak voor het regionale bedrijfsleven ende NOM de grote uitbesteders te bevragen op hun uitbe-stedingseisen en daarop innovatief in te spelen.AmbitieMet Energy Valley richt Noord-Nederland zich de komendejaren op een onderscheidend en (inter-) nationaal sterkopererend energiecluster. De ambitie is Energy Valley uit tebouwen tot belangrijke energy-mainport op Europees enmondiaal niveau. Op Europees niveau zal Noord-Nederlandde nummer één moeten zijn op het gebied van handel,transport en opslag van gas en CO2. Daarnaast wil Noord-Nederland een sleutelpositie innemen op het terrein vanduurzame energie. Ook de kennis hierover zal toonaan­gevend moeten zijn. Het aantal patenten moet toenementot minimaal 10% van het nationale aantal energie­
    • 38gerelateerde patenten. Het aantal kenniswerkers zalminimaal 5% zijn gegroeid. Het aantal fte’s en bedrijfsvesti-gingen in de energiesector zal zijn gegroeid naar minimaal15% van het landelijke aantal.Centrale opgavenDe centrale opgaven zijn het vormgeven van deaardgas- en CO2-hubfunctie in Noord-Nederland en het­positioneren van het duurzame energiecluster. Daaraanzullen alle partijen (bedrijfsleven, overheden en kennis-instellingen) die in (Noord-)Nederland actief zijn op hetgebied van energie, zich dienen te committeren.De komende jaren dient tevens het energiegerelateerdecluster verder te worden uitgebouwd door het organisato-risch vermogen te vergroten, de bedrijvigheid in het MKBte stimuleren, de kennis te vermeerderen, het MKB aante laten haken (kennisontwikkeling en kennisconversie),de links met andere sectoren te versterken en door vooralhet cluster verder te verankeren in de regio ondanks deverdergaande internationalisering, liberalisering en markt-werking.B. Water (‘van kennis naar kassa’)Water is door het Innovatieplatform als een van de sleutel-gebieden voor stimulering van innovatie ­bestempeld.Binnen dit sleutelgebied wordt onderscheid gemaakttussen watertechnologie (afvalwaterzuivering, voorzieningdrink en industriewater), het maritiem cluster (offshore,scheepsbouw en baggersector) en deltatechnologie(waterbeheer en waterbouw).Op scheepsbouwgebied heeft Noord-Nederlandeen relatief sterke positie met een fors aandeel in detotale werkgelegenheid in de sector en een inter-nationaal sterke positie in vooral het zogenaamdeshort sea segment. Er is een compleet cluster vanbedrijven, reders, toeleveranciers en dienstverleners.De marktperspectieven van de sector liggen vooralin vervangingsvraag en te verwachten extra vraagdoor economische groei. Verder heeft de sector,via een gedeeld netwerk van toeleveranciers endienstverleners, een sterke synergie met de jacht-bouw. Om deze marktperspectieven optimaal tekunnen benutten, zijn blijvende product en proces­innovaties nodig. Eventuele ondersteuning hiervoorlijkt afgedekt te kunnen worden via de borgstelling­regeling en de innovatieregeling scheepsbouw,het programma Maritiem (dat vooral aansluit bijkennisontwikkeling en een focus heeft op ondermeer jachtbouw) en via het generiek instrumen-tarium. Dit is de reden dat er vooralsnog hier geenexpliciete programmalijnen voor de sector wordenopgenomen. Indien tijdens de regelmatige evaluatiesen bijstellingen van het ’Koers Noord‘-programmamocht blijken dat de specifieke innovatiebehoeftenvan de noordelijke scheepsbouwsector hiermeetoch niet afdoende kunnen worden gedekt, dan zalworden bezien of eventueel een additionele faciliteitvoor de scheepsbouw moet worden geboden.
    • 39BeeldVooral sterk op gebied watertechnologieDe positie van Noord-Nederland binnen het sleutelgebiedis vooral sterk op het vlak van watertechnologie (drinken industriewatervoorziening en afvalwaterbehandeling).Verder bestaat potentie voor het benutten van de kennisvan sensortechnologie voor waterkwaliteitsbeheer enbestaat kennis op het snijvlak van water en energie.Marktaantrekkelijkheid watertechnologie goedDe internationale watermarkt wordt geschat op 425miljard. Prognoses laten zien dat de markt het komendedecennium nog jaarlijks groeit met 11%. Het aantal concur-renten is beperkt.Voldoende massa…Alhoewel de noordelijke bedrijven en leveranciersvan watertechnologie op wereldschaal relatief kleinespelers zijn, behoren ze in sommige nichemarkten tot dewereldtop. Nationaal gezien speelt Noord-Nederland ophet gebied van water(zuiverings)technologie en water-management een belangrijke rol. In de drie noordelijkeprovincies zijn ruim 5500 mensen werkzaam in de water-sector, 145 bedrijven behalen circa € 1 miljard aan omzet.Alleen al binnen Friesland zijn 80 bedrijven actief op hetgebied van waterzuiveringstechnologie. De 80 bedrijvendragen met hun omzet voor 4,4% bij aan het BRP vande provincie. Het waterbedrijf Groningen is de op één nagrootste leverancier van industriewater in Nederland en dewatermaatschappij Drenthe is één van de voortrekkers ophet gebied van kennisoverdracht en ondernemen naar enin ontwikkelingslanden.…en kennisDe bedrijven zijn relatief R&D-intensief. In een rapportvan het EIM (2005) wordt het cluster voor de toekomstals kansrijk ingeschat. Hierin speelt de kennispositie eenbelangrijke rol. In Noord-Nederland zijn grote innova-tieve bedrijven gevestigd als Pacques, Spaans Babcock,Landustrie en Hubert. Hét kennisinstituut op het gebiedvan waterzuivering, Wetsus, is gevestigd in Leeuwarden.Rond dit instituut is onlangs het TTI-watertechnologiegevormd, met een FES-toekenning van € 35 miljoen. Metde vorming van dit instituut rond Wetsus, zal het aantalwatertechnologische thema’s waaraan in het Noordenwordt gewerkt de komende jaren nog worden uitgebreid.Verder staat in Leeuwarden het grootste en meest geavan-ceerde drinkwaterlaboratorium van Europa. Samen met deRUG en Van Hall (biotechnologie) en NHL (fysisch/chemi-sche technologie) en hun spin-off bedrijven is daarmee eengroot kennispotentieel aanwezig.Via initiatieven als iWater (voortgekomen uit sensor­technologie) wordt in Noord-Nederland ook een kennis-positie op het gebied van waterkwaliteitsmeting en opafstand bedienbare waterregel en waterzuiveringinfra-structuur uitgebouwd. De sector beschikt daarmee overkennis op belangrijke snijvlakken tussen de pieken inNoord-Nederland.…maar nog onvoldoende kassaDoor concurrentieoverwegingen en traditioneel afgeba-kende rollen van ingenieurs, adviesbureaus aannemers enzuiveringsbedrijven (veelal publiek), is de sector echter nogte veel versnipperd. Hierdoor worden nog onvoldoendetotaaloplossingen aangeboden. Buitenlandse concurrentendoen dit beter. Ook de (gemeenschappelijke) internationaleprofilering is zwak. Hierdoor worden de exportmogelijk-heden nog onvoldoende benut. Ondanks de internationaleoriëntatie en de goede internationale reputatie die (Noord)op het gebied heeft, scoort de export relatief laag.Verder wordt de keten van kennis, kunde en kassa nogonvoldoende benut: de spin-offs van de kennis blijvenachter.Wel is met de Friese Wateralliantie samenwerking in ganggezet tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid.Deze alliantie mikt op het genereren en demonstreren van
    • 40integrale oplossingen waarbij Nederlandse watertechno-logie, in samenhang met watermanagement en capaci-teitsontwikkeling (bij overheden en studenten), wordtaangeboden.En op langere termijn blijvend kennisbundeling en vraaggerichteR&D nodigVoor de langere termijn is verdere uitbouw van kennisen het ontwikkelen van producten waar vraag naaris, cruciaal. Voor de Nederlandse watersector wordtop dit vlak een tekort aan (gemeenschappelijke) R&Dgesignaleerd: de R&D in de sector ligt lager dan hetlandelijk gemiddelde en de benutting van internatio-nale R&D-subsidies is gering. Hier speelt ondermeer hetbelangrijke aandeel van publieke waterbedrijven een rol.Tevens kan de gemiddeld lage opleidingsgraad in Noord-Nederland een belemmering vormen voor blijvendeinnovatie.Tenslotte is aandacht nodig voor het opzetten van pilot-projecten om de brug te slaan tussen R&D en toepassingen daaraan gekoppelde opbrengsten.Relatie met het Innovatieprogramma waterDe sterkten en zwakten van de noordelijke watersectorzijn sterk vergelijkbaar met die van de Nederlandse water-sector als geheel.Vandaar dat het Innovatieprogramma Water, dat in 2006van start is gegaan, inzet op het vergroten van de exporten, voor de langere termijn, het ontwikkelen van toepas-singen waar marktvraag naar bestaat. Hiervoor is vanuitEZ € 45 miljoen gereserveerd voor de komende vijf jaar.Het geld wordt ondermeer ingezet voor in samen­werkingverricht industrieel en preconcurrentieel onderzoek(InnoWator; € 5 miljoen per jaar); voor internationaalonderzoek (€ 2 miljoen per jaar), en voor het makelen enschakelen tussen watergerelateerde partijen. Verder wordtvanuit de bestaande instrumenten ingezet op versterkingvan de internationale profilering.De ambitie van het Innovatieprogramma Water is omeen excellente watersector te creëren die in samenhangopereert en waarbinnen de kansrijke clusters drink- enenergiewatervoorziening, afvalwatertechnologie, sensor-technologie en interactie met natuurlijke systemen (water-verdeling en -kwaliteit; ondergrondse water/energie­opslag) tot de wereldtop behoren.Dit Koers Noord-programma focust meer specifiek opversterking van het noordelijke cluster en het verderuitbouwen van de stap naar de markt door experimenteelonderzoek en referentieprojecten en de unieke mogelijk-heid van Noord-Nederland als proeftuin voor toepassingvan watertechnologie en de ontwikkeling van integralevraaggerichte concepten voor buitenlandse afnemers enbedrijven met specifieke behoeften. Hiervoor vormt dekennis op belendende gebieden (ontwikkeling van kennisen organiserend vermogen bij afnemers van water­technologie, koppeling van waterkwaliteitsmanagementen -beheer aan toerisme, landbouw, visserij en wonen) eensterke basis.AmbitieHet is de ambitie van Noord-Nederland uit te groeien toteen internationale topregio voor kennis en toepassingenop het gebied van watertechnologie. Het aandeel van dewatersector in het BBP van Noord-Nederland stijgt vancirca 2% (2002) naar 4% in 2020, vooral door een sterkestijging van de export. Wetsus groeit hierbij uit tot eenEuropees topinstituut rond welk een sterk cluster vanwatertechnologiebedrijven en -instellingen ontstaat, dat inNoord-Nederland ontwikkelde technologie, producten endiensten met name in het buitenland afzet.Centrale opgavenOm deze ambitie te realiseren, is de centrale opgavevoor Noord-Nederland om te komen tot versterking vande factor kassa (spin-offs, gezamenlijke profilering) enhet wegnemen van specifieke belemmeringen voor een
    • 41blijvend sterke positie (kennisbundeling en onderwijs).Noord-Nederland kan daarbij gebruik maken van zijnunieke positie op het snijvlak van clusters om nieuweproductmarktcombinaties te ontwikkelen. Hierbij wordenwatertechnologie en schoon water benut voor de ontwik-keling van nieuwe economische activiteiten (bijvoorbeeldop het gebied van duurzame energie en toerisme).Tevens kan Noord-Nederland profiteren van de gelijk-tijdige beschikbaarheid van goede natuurlijke condities(voldoende ruimte, zoet en zout water en eilanden alsnatuurlijk begrensde proefgebieden) en goede conditiesvoor de ontwikkeling van een sterk cluster (de aanwezig-heid van Wetsus, van bedrijven en kennisinstellingen ophet gebied van watertechnologie en het draagvlak bijde overheden (tevens launching customers)). Dit maaktNoord-Nederland zeer geschikt als proeftuin voor ontwik-keling en demonstratie van innovatieve totaalconcepten enreferentieprojecten.C. Sensortechnologie: intelligente toepassingenin complexe systemenBeeldVan kennis …De kennisbasis voor sensortechnologie in Noord-Nederlandwordt gevormd door LOFAR. LOFAR is een project datinternationaal gezien een voorname en unieke positie heeften op zich onderscheidend is. LOFAR is een radiotelescoopdie volgens een geheel nieuw principe werkt. Duizendenkleine sensoren zijn via een hoogwaardig glasvezel­netwerk verbonden met de aanwezigheid van Europa’smeest krachtige supercomputer STELLA, die de informatievertaalt in beelden en interessante aggregatiegegevens. Detoepassingen van deze sensornetwerken zijn gebaseerd opwetenschappelijk onderzoek en leiden naar verwachtingtot nieuwe wetenschappelijke doorbraken.ASTRON in Dwingeloo is de trekker van het LOFAR-project.… en kundeLOFAR biedt kansen voor de ontwikkeling van eenkenniscluster van intelligente sensornetwerken en heeftde potentie om nieuwe bedrijvigheid tot stand te brengenmet een wereldwijde markt. Daarbij wordt gedacht aanvele toepassingsgebieden, zoals beheersing van water-systemen, beheer van energienetwerken, monitoring vanmilieu­afspraken, onderzoek van de ruimte/ruimtevaart,dijkbewaking, logistieke systemen, meteorologischetoepassingen en precisielandbouw. Juist op de raakvlakkenmet andere pieken kunnen zich interessante innovatieveontwikkelingen voordoen die de positie van Noord-Nederland als kennisregio verder kunnen versterken.Daardoor kunnen zich ook nieuwe commerciële mogelijk-heden aandienen.… naar meer kassa en massa.Sensor Universe is gericht op het positionerenvan Nederland als een internationaal innovatie enbedrijvigheid­cluster rondom de ontwikkeling van zgn.Multifunctional Wide Area Sensornetwerk (multisensing)technologie. Met het LOFAR-project en de supercomputerin Groningen heeft Noord-Nederland een voorspronggenomen in de ontginning van deze complexe sensor­systemen. Het is nu zaak deze piek snel verder commer-cieel uit te bouwen. Er is al veel (basis)kennis, echter er zijnnog weinig concrete toepassingen. Daarnaast ontbrekennog de massa en het benodigde start en durfkapitaal.AmbitieHet beleid is gericht op het ontwikkelen van Noord-Nederland tot toonaangevende kennisregio in de wereldop het gebied van intelligente sensornetwerken in eenperiode van 10 jaar. De uitdaging is om op basis van dezepositie een innovatie en bedrijvigheidcluster rondom
    • 42Multifunctional Wide Area Sensornetworktechnology(multisensing) te ontwikkelen. Het is noodzakelijk samenmet nationale en internationale netwerkpartijen te komentot een publiek-private uitvoering van een gecoördineerdprogramma (Sensor Universe) en internationaal aansluitingte zoeken bij grote maatschappelijke thema’s.Centrale opgavenOm Noord-Nederland tot een internationaal toonaan-gevend economisch cluster op het gebied van sensor-systemen en sensornetwerken te maken, ligt een aantalopgaven voor.Er moet tot een kritische massa gekomen worden om eeneconomische toppositie te bereiken met een duurzaamconcurrentievoordeel ten opzichte van andere regio’s.Om de opgaven te realiseren moet de kennis verderuitgebouwd worden en is Sensor Universe in het levengeroepen. Wezenlijk is het opsporen en invullen van hiatenop het gebied van intelligente en innovatieve sensor­systemen.Ook uitbouw van de pool van talent op het gebied vansensorsystemen is nodig. Deze is nog niet goed ontwik-keld. De huidige pool bestaat uit het personeel bij ASTRON,een beperkt aantal medewerkers bij andere kennis­instellingen en een tiental MKB-bedrijven. Er zijn noggeen ­gespecialiseerde opleidingen aan de RijksuniversiteitGroningen en aan de Hogescholen. Naast ASTRON zijner nog maar weinig instellingen bezig met onderzoekop het gebied van sensorsystemen en -netwerken. Erdient samengewerkt te worden tussen overheid, kennis­instellingen en bedrijfsleven om de nog prille technologieen markt van sensorsystemen en sensornetwerken totontwikkeling te brengen.D. Agribusiness: kennis vergroten en brug slaan naargroene life sciencesBeeldVoldoende massa…Noord-Nederland kent een aantal dominante agroclusters,vooral gebaseerd op de verwerking van melk, aardappelsen suikerbieten. Er is een nauwe binding tussen primaireproductie en verwerking, vooral bij de aardappels, suiker-bieten en melk.De Nederlandse landbouw staat momenteel onderdruk vanwege voornamelijk de hervorming van hetGemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid.De agrosector in Noord-Nederland heeft een toegevoegdewaarde van € 5,7 miljard en biedt circa 80.000 arbeids-plaatsen (getallen LEI 2003, inclusief verwerking buiten-landse grondstoffen). Dit betreft 14% van zowel de totaletoegevoegde waarde als van de totale werkgelegenheid inNoord-Nederland. Dit is hoger dan de landelijk gemiddeldecijfers, respectievelijk circa 10% en 11%.De Noord-Nederlandse voedings- en genotmiddelen­industrie is goed voor ongeveer 22.000 arbeidsplaatsen.Hiertoe behoren ongeveer 600 bedrijven waaronder eenaantal grote, zoals de aardappel en zuivelverwerking, desuikerindustrie en slachterijen. Bekende namen zijn RoyalFriesland Foods, Avebe en Cosun.… maar aandacht nodig voor kennisDe kennis op agribusinessgebied zit voornamelijk bij de(grotere) bedrijven. De belangrijkste kennisinstellingenzitten echter buiten Noord-Nederland. De benodigdekennis zal dus voor een deel ook buiten Noord-Nederlandgehaald moeten worden. Voor de agribusiness is vooral hetcontact met de Universiteit Wageningen een heel belang-rijk facet.Verder is voor de agribusiness de kennisontwikkeling in delife sciences sector van groot belang.
    • 43De kennisbasis voor life sciences is in Noord Nederlandgeconcentreerd bij de RUG/UMCG en een aantalhogescholen inclusief gelieerde instituten. Binnen de bredecontext van de life sciences is voor de agribusiness vooralde groene tak relevant. Hiervoor is behalve RUG/TNO hetVan Hall-instituut als onderdeel van de WUR een belangrijknoordelijk kenniscentrum. Van groot belang is verknopingen afstemming van de kennisbases van Wageningen en hetVan Hall-instituut.De opleiding voor de uitvoerende niveaus in deagri­business is via mbo-opleidingen voldoende aanwezig.... en voor kassaHoewel de kassa nog behoorlijk rinkelt, rinkelt er in deagribusiness ook al enige tijd een alarmbel. De bedrei-gingen voor de sector zijn evident. De Pieken van deagribusiness naar markten en producten met hogeretoegevoegde waarde is voor de sector van levensbelang.De noordelijke bedrijven hebben dit begrepen. Er zijnverspreid over Noord-Nederland meer dan 50 bedrijvenactief met bioprocessing gericht op voedsel en veevoer.In deze, veelal grotere, bedrijven staat de toepassing vandie kennis voorop, met name van kennis gericht op hetverhogen van de kwaliteit en gezondheid van voedings-middelen.De marktkant op het snijvlak van traditionele agribusinessen groene life sciences is echter nog onderontwikkeld.Er zijn bijvoorbeeld nog geen duidelijke marktvenstersbinnen het cluster gekozen. Wel is te zien dat ook de groteagri-foodbedrijven steeds meer opschuiven richting lifesciences. Delen van de ‘groene’ life sciences (met name ophet snijvlak agribusiness en food) vormen een interessantcluster met groeiperspectief.AmbitieDoelstelling van het beleid is de nummer 1 regio te zijn ophet terrein van de groene life sciences, het snijvlak tussenlife sciences en de agribusiness. Daarnaast moeten deagrifoodbedrijven inzetten op de biobased economy. Doornieuwe toepassingen van grondstoffen aan de (energie-intensieve) chemische en procesindustrie dragen de agri-foodbedrijven bij aan de vergroening van de industrie en deontplooiing en verbreding van de biobased economy.Om basis te blijven behouden voor de economisch belang-rijke agrisector is het tenslotte van belang om binnende hele agriketen te werken aan innovatieve productie­methoden, nieuwe producten en nieuwe merken. Kennismoet snel gevaloriseerd worden.Voor de Pieken van de agrifoodbedrijven wordt ingezetop verbetering van de kostenefficiëntie om een positieop bestaande markten te behouden, en vergroting vaninnovatiemogelijkheden door een betere benutting ennieuwe marktgerichte toepassingen van de huidige grond-stoffen.Centrale opgavenTen aanzien van agribusiness ligt de eerste centrale opgavein het identificeren en definiëren van kansrijke markt-vensters op het snijvlak met life sciences, maar ook metenergie en chemie.Een aardappel wordt dan niet meer gezien als aardappel,maar als biomassa. Daarbij gaat het zowel om de ‘hoofd-grondstof’ als om het rest en afvalgedeelte van de plant.Door sterkere en nieuwe verbindingen te leggen tussende agribusiness-sectoren, kennisinstellingen en deontwikkeling van technologie (kennisplatform biomassa)kunnen grote innovatieve stappen worden gemaakt bijde scheiding en toepassing van biomassa. Het vergt deontwikkeling en opschaling van veel nieuwe processen entechnieken. Dit biedt in principe ook weer kansen voor talvan spin-off-bedrijven die zich toe kunnen leggen op detoelevering van technieken en materialen ten behoeve vandeze processen. Afstemming van de noordelijke ambitiesop het terrein van de agribusiness/groene life sciences metde landelijke en regionale roadmaps is hierbij essentieel.Ten tweede moet worden gewerkt aan een groter organi-
    • 44serend vermogen om betere kennisuitwisseling mogelijkte maken tussen bedrijven onderling en met kennisinstel-lingen.Een derde opgave ligt in het versnellen van de vermarktingen het op orde brengen van de randvoorwaarden(scholing) ten behoeve van de bredere Pieken. DezePieken krijgt verder, zoals aangegeven, vorm door in desector breed in te zetten op procesinnovaties gericht op­verbeterde kostenefficiëntie.E. Life sciences: naar een stevige focus en­positioneringBeeldEen sector met potentieLife sciences is een dynamisch wetenschaps en techno-logiegebied dat vormen van biologisch leven analyseerten gebruikt voor de ontwikkeling van betere productenen productieprocessen in veel toepassingsgebieden. Detoepassingsmogelijkheden worden globaal onderscheidenin landbouw en verwerking van agrarische producten(groene life sciences, zie agribusiness), industriële toepas-singen (witte life sciences) en gezondheid (rode lifesciences).Groningen bekleedt samen met Amsterdam de tweedepositie (na Leiden) in de life sciences sector voor watbetreft aantal bedrijven, kenniswerkers en omzet vanzogenaamde dedicated life sciences (dit zijn kennis­intensieve, gespecialiseerde bedrijven die actief zijn inR&D en die zowel aanwenden voor eigen gebruik alskennis verkopen ten behoeve van processen, productenen/of diensten aan externe opdrachtgevers). In totaalwaren er eind 2004 ongeveer 30 van zulke dedicated lifesciences bedrijven. Ze bieden hoogwaardige werkgelegen-heid aan 500 mensen. Het gaat om 15-20% van de totalewerk­gelegenheid in de dedicated life sciencesbedrijven inNederland. De grotere dedicated life sciences bedrijven inen rond Groningen hebben een sterke internationale oriën-tatie. De kleinere bedrijven hebben ook een internationaleoriëntatie, maar zijn daarnaast op overig Nederland en deeigen regio gericht.De dedicated life sciences bedrijven zijn veelal spin-offsvan de kennisinstellingen in Noord-Nederland en onder-houden daar in bijna alle gevallen nauwe relaties mee.Naast de dedicated life sciencesbedrijven, zijn er meerdan 50 diversified (bedrijven met deels eigen R&D diekennis in bestaande producten en processen zijn gaanintegreren) en volgende bedrijven (geen eigen R&D) actiefmet life sciences. In de diversified en volgende bedrijven,die veelal veel groter zijn dan de dedicated bedrijven, staatde toepassing van die kennis voorop. Ze zijn gericht op hetverhogen van de kwaliteit en gezondheid van voedings-middelen en geneesmiddelen, het verbeteren van demilieukwaliteit, en in zijn algemeenheid de verbetering vande procesgang in de bedrijven met behulp van life scienceskennis.Gezamenlijk hebben de dedicated bedrijven en de­diversified bedrijven een massa van rond de 12.000werkzame personen.Kennisbasis sterk, maar focus nodig…De life sciences sector (dedicated life sciences bedrijven enkennisinstellingen) is sterk technologisch gericht en maaktin hoge mate gebruik van de ontwikkelingen die plaats-vinden in de kennisgebieden biotechnologie, farmacie,medische wetenschappen, chemie, levensmiddelen­technologie, materiaalkunde, informatica, nano­technologie,scheidingstechnologie en milieukunde.Noord-Nederland heeft een aanzienlijke kennisbasis ophet life sciencesterrein. De grote noordelijke kennis­instellingen zoals de Rijksuniversiteit Groningen (RUG),Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), deHanzehogeschool met het Instituut voor Life Sciencesen de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden hebben life
    • 45sciences als speerpunt. Er zijn opleidingen voor biologisch-medisch laboratoriumonderzoek binnen de NoordelijkeHogeschool Leeuwarden en de Hogeschool Drenthe inEmmen. Het Leeuwarder Van Hall Instituut besteedt veelaandacht aan voedingsmiddelen en biotechnologie. Allenoordelijke provincies bieden MBO-opleidingen aan opterreinen als laboratorium-, voedingsmiddelen en proces-technologie, waardoor ook op de uitvoerende niveaus eenruim arbeidsaanbod bestaat.In Noord-Nederland en speciaal bij het UMCG/deRijksuniversiteit Groningen (RUG), zijn alle relevantetechnologiegebieden binnen de life sciences te vinden.Met deze diversiteit onderscheidt Noord-Nederland zichvan de andere life sciences clusters in Nederland.Om deze diversiteit te kunnen benutten, massa tekunnen verwerven en een duidelijke positionering vanNoord-Nederland te bereiken, is echter wel focus nodig.Nu is binnen Noord-Nederland het grootste deel van dededicated life sciences bedrijven en de kennisinstellingen(met name het UMCG) actief op het gebied van rode lifesciences. De Randstad (met Leiden en Amsterdam) heeftechter een sterkere kennisbasis, terwijl ook Maastrichtin opkomst is. Wel ontstaat binnen de rode life sciencesin Noord-Nederland een duidelijke kennispositie op hetterrein van veroudering.Witte life sciences (biochemie, instrumenten en uitrusting,technologie algemeen) zijn relatief sterk vertegenwoor-digd in Noord-Nederland, maar ook hier is focus nodig omhieraan een kansrijke uitbouw te geven.Het is dus zaak vanuit de onderscheidende, brede, kennis-basis te komen tot een duidelijke positionering.Die positionering kan worden gevonden door vanuit decombinatie van de verschillende kennisgebieden op zoekte gaan naar nieuwe productmarktcombinaties op desnijvlakgebieden tussen de regionaal sterke clusters enop het gebied van veroudering. Dit biedt de potentie omvanuit de brede kennisbasis vraaggestuurd te werken ende stap naar de markt te maken. De vraag van veel­eisende,want zelf ook sterk in ontwikkeling zijnde kansrijkeclusters, dwingt op zijn beurt het wetenschapsgebiedtot blijvende proces en productinnovaties. Een derge-lijke insteek biedt daarom enerzijds steun aan de brederePiekenopgave (via het combineren van de kennisbasesen de versterking van snijvlakken tussen clusters) engeeft anderzijds voldoende richting om gedurende dePiekenperiode aan een onderscheidende positie te werken.…en aandacht voor kunde en kassaDe gewenste integratie van kennisgebieden komt zowelbinnen de kennisinstellingen als binnen en tussen dededicated life sciences bedrijven wel voor, maar tot nutoe in onvoldoende mate. De clusterstructuur van de lifesciences is nog dun. Het organiserend vermogen beperktzich op dit moment tot Biomedcity (een overlegstructuurtussen bedrijven en kennisinstellingen) en bijeenkomstendie voortkomen uit het project voor netwerkvorming enkennisoverdracht ‘Katalysatorplus’. De bestaande organi-saties missen nog slagkracht als clusterorganisatie enmoet verder versterkt worden zodat een hechte cluster­organisatie van overheden, opleidingsinstituten, onder-zoeksinstituten en vooral bedrijven ontstaat. Het voortouwligt daarbij bij de bedrijven.Ook de marktkant is nog relatief onderontwikkeld. Deomzet van witte, groene en rode life sciences mag relatiefgroot zijn – zo’n 23% van het Nederlands totaal –, toch isNoord-Nederland mondiaal een zeer kleine speler. Er zijnnog geen duidelijke marktvensters gekozen. Alhoewel hetimago van Groningen sterk is – vooral ten aanzien vanbiotechnologie – en Groningen meeloopt in de subtop ophet gebied van rode en witte life sciences, is het aantalspin-offs de laatste jaren afgenomen. Dit aantal is gaanachterlopen bij Wageningen, Utrecht en Rotterdam.AmbitieDe ambitie van het cluster van Noord-Nederland is eengemiddelde groei van 10% per te realiseren bij alle spelers
    • 46in het cluster. Een groei van gemiddeld 10% per jaar resul-teert in 2010 in een cluster van rond de 50 dedicated lifesciences bedrijven, zorgend voor zo’n 850 hoogwaardigearbeidsplaatsen bij dedicated life sciences bedrijven en2.200 kenniswerkers in diverse instituten die bezig zijn metvele nieuwe producten. Het cluster kan binnen 5 jaar eenzodanige dichtheid verkrijgen dat gesproken kan wordenvan een piek van nationaal belang.Centrale opgavenVoorwaarde voor succesvolle uitbouw en Pieken van delife sciences sector is allereerst het versterken van hetorganiserend vermogen en het vandaar uit combinerenvan de verschillende kennisgebieden bínnen de life sciences(dedicated bedrijven en instellingen). Dit biedt kansen omnieuwe product/marktcombinaties te ontwikkelen.Ten tweede dient vanuit deze combinatie op zijn beurtgefocust te worden op kansrijke marktvensters. Dezeliggen enerzijds in het vraaggestuurd ontwikkelen vanproducten voor en op de snijvlakken tussen de clustersdie in Noord-Nederland kansrijk zijn. Het gaat dan om deverbinding met het agro-industriële complex (groene lifesciences, zie ook onder agribusiness), het energiecluster(biomassa), watertechnologie (via microbiologie), sensor-technologie (via medische technologie) en chemie- enprocesindustrie (via witte life sciences).Anderzijds dient met de combinatie ingezet te worden ophet ontwikkelen van innovatieve producten die aansluitenbij de kennisbasis op het gebied van vergrijzing. Een aantalinitiatieven op dit terrein is inmiddels in gang gezet:Life-lines en Eriba (in opzet) bij de kennisinstituten, terwijlook de dedicated bedrijven – vooral rood en groen – zoalsSyncom, IQ-corporation en DSM Biologics, productenontwikkelen die inspelen op het thema veroudering. Demarkten bevinden zich ondermeer in de farmaceutischeindustrie, de voedingsmiddelenindustrie (supplementen) ende zorgsector.Tenslotte dient te worden ingezet op regionale verankeringen vermarkting via het genereren van spin-offs en uitbouwvan het cluster.
    • 47Bijlage 3RankingscriteriaScore voor ranking projecten Tender 2013Naam project:Naam penvoerder:Dossiernummer:Programmalijn waarop het project betrekking heeft:  Maximale score1 Financieel1a Percentage gevraagde bijdrage ten opzichte van de totale subsidiabele kosten score 1a 230% of meer: 0 punten, 30 tot 25%: 1 punt, 25% of minder: 2 punten  1b Percentage totale bijdrage van projectpartners, niet zijnde gemeente, provincie, Rijk en/of EU, tenopzichte van de totale subsidiabele kostenscore 1b 40 tot 30%: 0 punten, 30 tot 40%: 1 punt, 40 tot 50%: 2 punten, 50 tot 60%: 3 punten, 60% ofmeer:4 punten1c [Vervallen] score 1c1d [Vervallen] score 1cTotaal Financieel 6 2 Innovatie2a Mate waarin er sprake is van proces/product vernieuwing met toegevoegde waarde voor deNoord-Nederlandse economiescore 2a 5Hierbij wordt gekeken naar de kwaliteit van de onderbouwing in de aanvraag0 = zeer matig, 1 = matig, 2 = redelijk, 3 = behoorlijk, 4 = goed, 5 = zeer goedToelichting:
    • 48Score voor ranking projecten Tender 20132b In hoeverre is er sprake van valorisatie? score 2b 3Valorisatie: het tot maatschappelijke waarde brengen van wetenschappelijke en technologischekennis uit het publieke domein.0 = niet, 1 = matig, 2 = redelijk, 3 = goedToelichting: 2c Is het project nieuw voor Noord-Nederland? score 2c 2ja = 2 punten, nee = 0 puntenToelichting:Totaal Innovatie 10   3 Samenwerking en clustering3a Mate van samenwerking (aantal deelnemers) score 3a 31 deelnemer: 0 punten , 2 deelnemers: 1 punt, 3 deelnemers: 2 punten,4 of meer deelnemers: 3 punten3b Kwalitatieve bijdrage score 3b 3  Speelt een kennisinstelling een wezenlijke rol bij dit project? Dit komt o.a. tot uiting in de matewaarin wordt deelgenomen in de projectactiviteiten. De bijdrage van de kennisinstelling moeteen additionele bijdrage betreffen. Alleen een bestaand en volledig onderzoek inbrengen telt nietals bijdrage van een kennisinstelling. De bijdrage van de kennisinstelling wordt gerelateerd aan detotale subsidiabele kosten van het project (bijdrage kennisinstelling/TSK).0 tot 4% = 0 punten, 4 tot 8% = 1 punt, 8 tot 12% = 2 punten, 12% of meer = 3 punten 3c Heeft het project inhoudelijke raakvlakken met andere nationale topsectoren of regionalespeerpunten uit Koers Noord en levert het daarmee een bijdrage aan de versterking hiervan?score 3c 3ja = 3 punten, nee = 0 puntenToelichting:Totaal Samenwerking en clustering 9 Totaal 25
    • 49Bijlage 4Programma- en actielijnen Toerisme[Vervallen]
    • 50Bijlage 5Situatieschets en knelpuntanalyse Noord-Nederlanden de uitwerking daarvan in ten aanzien van­transitie in regionale speerpuntsector Toerisme[Vervallen]
    • 51Bijlage 6Rankingscriteria[Vervallen]
    • 52Bijlage 7IndicatorenVan de volgende indicatoren vindt per project monitoring plaats, conform de volgende indicatoren.IndicatorR&D projecten (0 of 1)Uitgelokte private vervolginvesteringen (in euro’s conform EIM rekentool)R&D investeringen (in euro’s)Aantal ondersteunde startende bedrijven en kleine bedrijven (< 5 jaar)Aantal ondersteunde MKB-bedrijvenAantal samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en kennis-/researchinstellingenAantal bruto gecreëerde arbeidsplaatsen (in FTE conform EIM rekentool)Aantal projecten gericht op verbetering van natuur, landschap of cultureel erfgoed
    • 53
    • UitgaveSamenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN)© SNN juni 2013Laan Corpus den Hoorn 200, 9728 JS GroningenPostbus 7799700 AT GroningenT +31 (0)50 5224 900F +31 (0)50 5276 091E info@snn.euwww.snn.eu/tender2013Deze subsidieregeling is gefinancierd doorhet Ministerie van Economische Zaken.