• Save
Face Beheerplan Format Deel1 Stichting Face
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Face Beheerplan Format Deel1 Stichting Face

on

  • 3,476 views

FACE The Netherlands. Forestry Management Plan. Posted by Youmanitas Energy Farms Foundation.

FACE The Netherlands. Forestry Management Plan. Posted by Youmanitas Energy Farms Foundation.

Statistics

Views

Total Views
3,476
Views on SlideShare
3,475
Embed Views
1

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

1 Embed 1

http://www.fachak.com 1

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Face Beheerplan Format Deel1 Stichting Face Face Beheerplan Format Deel1 Stichting Face Document Transcript

  • Beheerplanformat conform de criteria zoals opgesteld door de Stichting Face en de FSC voor bossen in Nederland Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie R.J.A.M. Wolf Eelerwoude Ingenieursbureau In samenwerking met: Stichting Face maart 2001
  • Dit is een uitgave van: Stichting Face Cronjéstraat 11, Arnhem Postbus 646, 6800 AP Arnhem Tel.: 026-3570770 e-mail: info@facefoundation.nl internet: www.facefoundation.nl en Eelerwoude Ingenieursbureau B.V. Postbus 53, 7470 AB Goor Tel.: 0548-512555 e-mail: info@eelerwoude.nl internet: www.eelerwoude.nl Auteur: Robbert Wolf Foto's: Robbert Wolf Trefwoorden: beheerplan, beheervisie, bos, certificering, FSC, planning Alle rechten voorbehouden. Deze uitgave mag vrijelijk gebruikt worden alleen en uitsluitend ten behoeve van totstandkoming van een beheerplan voor bosgebieden in Nederland. Voor andere doeleinden dan deze mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet, digitale datadragers of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Stichting Face en Eelerwoude Ingenieursbureau B.V.
  • AANBEVELING Met enige trots bied ik u hier een format aan waarmee het veel eenvoudiger wordt om een bosbeheerplan te schrijven dat voldoet aan de eisen van modern bosbeheer. Aan zo'n hulpmiddel was behoefte maar dit was tot dusver niet beschikbaar. Het is ontwikkeld door Ingenieursbureau Eelerwoude in opdracht van Stichting Face (Forests Absorbing Carbon dioxide Emission). Niet alleen de boseigenaren waarmee Face samenwerkt, zijn erbij gebaat maar alle boseigenaren en bosbeheerders in Nederland. Tevens sluit het format aan bij een subsidieaanvraag in het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer (Programma Beheer). Sinds 1992 is alleen al in Nederland, op initiatief van Face, ruim 1200 ha broeikasbos aangeplant. Dergelijk bos helpt om een deel van de CO2-uitstoot te bufferen. Face heeft zich tot doel gesteld wereldwijd CO2 uit de atmosfeer te halen door de aanleg en behoud van bos. Dat doen wij door mondiale samenwerking met bosbouworganisaties en vanuit een zakelijke context door bedrijven en organisaties te stimuleren hun verantwoordelijkheid te nemen om hun CO2- uitstoot te compenseren. Broeikasbossen moeten aan de hoogste kwaliteits- en certificeringseisen voldoen. Een bos aanleggen is stap één. Daarna komt het aan op goed beheer en behoud van het bos gedurende 99 jaar. Een goed beheerplan, gebaseerd op modern bosbeheer is daarbij essentieel. Via internet http://www.facefoundation.nl/beheerplanformat kunt u het format ophalen; ook kunt u het bij Face bestellen. Daarmee is het optimaal toegankelijk voor iedere bosbeheerder. Het format biedt u de mogelijkheid om tegen zo laag mogelijke kosten een bosbeheerplan op te stellen. Een extra stimulans tot goed bosbeheer in Nederland en een verdere bijdrage aan 'Meer bos, minder CO2’! Graag wens ik u veel succes bij het opstellen van uw bosbeheerplan. Boele Staal Voorzitter Stichting Face
  • VOORWOORD In juni 2000 werd door Stichting Face aan Eelerwoude Ingenieursbureau opdracht verleend om een format op te stellen voor bosbeheerplannen. Deze opdracht heeft geresulteerd in twee rapporten. Deel I, dat voor u ligt, bevat de toelichting voor het invullen van het format. Deel II bestaat uit het format zelf. Dit is ook digitaal beschikbaar. Beide delen zijn op het internet van de sites van Stichting Face en Eelerwoude te downloaden. De beheerplannen die volgens het format worden opgesteld, moeten voldoen aan de voorwaarden die de FSC-certificering in Nederland stelt voor goed bosbeheer. Daarom zijn deze FSC-voorwaarden als maatgevend voor het format beschouwd, en wordt in dit rapport veel aandacht besteed aan de wijze waarop het format moet worden ingevuld om aan de FSC-eisen te voldoen. Recente kennis en ervaring over beheerplanning en bosecologie bieden mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van bosbeheerplannen. Deze nieuwe inzichten zijn gebruikt bij het opstellen van de ‘formatstructuur’, voorbeeldteksten en bijlagen met achtergrondgegevens. Dit rapport is opgesteld door Robbert Wolf. De projectleiding was in handen van Ronny Sprong. Eelerwoude Ingenieursbureau is dhr. M.H.A. van Benthem, dhr. R.A. Bax en dhr. J.A. Verwey van Stichting Face erkentelijk voor de prettige samenwerking in dit project. Mevr. G. Boetekees (Stichting Goedhout!), dhr. J.K. van Raffe, dhr. J.J. de Jong en dhr C.J.M. van Vliet (Alterra) danken we voor hun nuttige op- en aanmerkingen. Tijdens het opstellen van het format heeft een praktijktoets plaatsgevonden via ‘pilot’- beheerplannen voor drie opdrachtgevers: de gemeente Zwolle en de particuliere boseigenaren Goosen en Raven. Deze pilot-plannen zijn opgesteld door studenten van IAH-Larenstein. We danken de boseigenaren voor hun deelname aan het pilot-project en de studenten voor hun inzet bij het opstellen van de plannen.
  • INHOUD AANBEVELING VOORWOORD INLEIDING 1 TOELICHTING EN VOORBEELDEN 3 ALGEMENE TOELICHTING 3 1 INLEIDING* 4 2 ALGEMENE BASISGEGEVENS* 5 2.1 Oriëntatie* 5 2.2 Abiotiek* 8 2.3 Beleidskader* 10 2.4 Rechten en plichten* 12 3 HOOFDDOELSTELLING EN FUNCTIES* 13 3.1 Hoofddoelstelling* 13 3.2 Functies* 13 3.3 Deelgebieden** 14 4 DOELSTELLINGEN EN REGULIERE MAATREGELEN* 16 4.1 Financieel resultaat* 16 4.2 Bossamenstelling en structuur* 17 4.3 Bijzondere waarden* 21 4.4 Recreatie en ontsluiting* 22 4.5 Jacht* 25 4.6 Werkverdeling* 25 5 HERSTEL EN ONTWIKKELING* 27 5.1 Inrichtings- en herstelprojecten* 27 5.2 Onderzoeksprojecten** 28 6 BEGROTING** 29 6.1 Regulier beheer** 29 6.2 Herstel en ontwikkeling** 31 LITERATUUR* 31
  • BIJLAGEN B1 1 FSC-EISEN B1 2 BEHEERPLANNING B3 3 INHEEMSE SOORTEN B5 4 RODE LIJSTEN EN BESCHERMDE SOORTEN B6 5 GRONDWATERTRAPPEN B8 6 GROEIPLAATSEN EN NATUURLIJKE BOOM-/STRUIKSOORTEN B9 7 GROEIVERWACHTING BOOMSOORTEN B14 8 SUBSIDIEREGELING NATUURBEHEER 2000 B16 9 BOSONTWIKKELINGSFASEN B19 10 DEFINITIES B20 LITERATUUR B23
  • INLEIDING Achtergronden Wie bos heeft aangelegd met een financiële bijdrage van Stichting Face (Forests Absorbing Carbon dioxide Emission), is verplicht om binnen drie jaar na de start van de bosaanleg een beheerplan te hebben opgesteld voor de komende 10 jaar. Om de boseigenaren tegemoet te komen, heeft Stichting Face het initiatief genomen een ‘format’ voor bosbeheerplannen op te laten stellen. Met dit format wordt het eenvoudiger om een goed beheerplan te schrijven dat aan de eisen van Stichting Face voldoet. Het gaat daarbij zowel om recent aangelegd bos, als om oudere bosgebieden/-gedeelten. Eelerwoude heeft diverse bossen aangelegd en beheerplannen opgesteld. Daarnaast heeft Eelerwoude in samenwerking met Alterra een beheer- en bedrijfsplanningssystematiek voor geïntegreerd bosbeheer ontwikkeld. Deze ervaring is gebruikt bij het opstellen van het beheerplanformat. Parallel aan de wens om tot een beheerplanformat te komen, werkt Stichting Face aan twee typen certificering: FSC-certificering (Forest Stewardship Council) voor goed bosbeheer en certificering van broeikasgas-vastlegging (Greenhouse Gas project verification and certification service). Beide worden voor de Face projecten uitgevoerd door SGS AgroControl (Société Générale de Surveillance). Recent is vastgesteld aan welke eisen de Nederlandse boseigenaar moet voldoen om voor beide certificaten in aanmerking te komen (Stichting Face 2000). Een deel van de FSC-eisen heeft betrekking op het beheerplan. Deze zijn weergegeven in bijlage 1. Hiervoor geldt de kanttekening dat de Nederlandse FSC-criteria nog niet officieel bekrachtigd zijn. In 2000 is de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 in werking getreden (Dienst Landelijk Gebied 2000). In dit kader is het van belang dat een beheerplan een goede basis vormt voor het aanvragen en realiseren van de subsidiepakketten voor bossen die in deze regeling zijn onderscheiden. Dus is ervoor gezorgd dat het beheerplanformat op deze subsidieregeling aansluit. Het opstellen van een goed beheerplan blijft - ook met dit format - vrij complex. Veel aspecten van het bosbeheer moeten worden geïntegreerd en er moet een vertaling plaatsvinden van abstracte doelen naar concrete maatregelen. Vaak worden er daarom externe adviseurs betrokken bij het opstellen van het beheerplan. Het format geeft een boseigenaar echter de mogelijkheid om (delen van) het plan zelf op te stellen en daardoor zijn bosgebied beter te leren kennen. Dankzij dit format hoeft een boseigenaar geen bosbouw gestudeerd te hebben om toch zelf zijn beheerplan op te stellen. Kopieën van het format kunnen tegen administratiekosten ad. € 10,50 (exclusief BTW) opgevraagd worden bij Eelerwoude Ingenieursbureau B.V. of bij Stichting Face. Tevens zijn beide delen op het internet van de sites van Stichting Face en Eelerwoude te downloaden. 1 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Doelstelling Aansluitend op de bovenstaande achtergronden is de doelstelling voor het beheerplanformat: Het opstellen van een standaardstructuur voor bosbeheerplannen die het mogelijk maakt om tegen beperkte kosten een goed beheerplan op te stellen dat voldoet aan de eisen van Stichting Face voor FSC-certificering voor goed bosbeheer, en een goede basis vormt voor subsidieaanvraag in het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer (Programma Beheer). De op te stellen plannen moeten compact zijn, een heldere structuur hebben en voor de boseigenaar de basis leggen voor een doelgericht, slagvaardig bosbeheer. Leeswijzer Dit rapport bevat de toelichting voor het invullen van het format. Er worden in deze toelichting voorbeeldteksten en –formuleringen gegeven. Na een korte algemene toelichting, volgt de indeling van dit rapport de indeling van het format. De bijlagen bevatten achtergrondinformatie voor het invullen van het format. Hierin vindt u gegevens over boomsoorten, definities van gehanteerde begrippen en verwijzingen naar andere documenten over beheerplanning. 2 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • TOELICHTING EN VOORBEELDEN ALGEMENE TOELICHTING Voor het invullen van het format kan het best een digitale versie worden gebruikt. Alle onderdelen die voor uw bosbedrijf niet van toepassing zijn, kunnen dan eenvoudig weggelaten worden. Bovendien kunt u per onderdeel de hoeveelheid ruimte die u wilt gebruiken gemakkelijk aanpassen. Opzet format Het format is opgezet aan de hand van korte teksten gevolgd door overzichtstabellen en – soms – overzichtskaarten. Bij elk onderdeel is aangegeven of het met het oog op FSC-certificering verplicht moet worden ingevuld (*), of dat het desgewenst kan worden overgeslagen (**). Om het plan zo compact mogelijk te houden, is de traditionele indeling in inventarisatie, beheervisie en beheerplan niet doorvertaald naar een hoofdstukkenindeling. Deze indeling vormt echter wel de basis van de planstructuur. Meer informatie over de structuur van beheerplannen is te vinden in bijlage 2. De hoofdstukkenindeling volgt de werkvolgorde die bij het opstellen van het beheerplan gehanteerd wordt. Na de inleiding (hoofdstuk 1), worden in hoofdstuk 2 de algemene basisgegevens beschreven die aan het begin van het planproces nodig zijn. In hoofdstuk 3 wordt de hoofddoelstelling geformuleerd, wordt aangegeven welke functies van belang zijn en wordt bepaald of er binnen het bosgebied deelgebieden onderscheiden worden. In hoofdstuk 4 zijn concrete, evalueerbare doelstellingen geformuleerd en zijn de reguliere maatregelen beschreven die nodig zijn om deze doelstellingen te realiseren. Eenmalige projecten die nodig zijn om gestelde doelen te behalen zijn beschreven in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 bevat een globale begroting voor de beheerplanperiode van 10 jaar. Het beheerplanformat geldt voor een periode van 10 jaar. Daarom maakt het werkplan geen deel uit van het plan: werkplannen gelden slecht voor één jaar (het komende jaar). Beheerplan, monitoring en evaluatie In de hoofdstukken 2 en 4 zijn gegevens opgenomen over de huidige situatie. Door op deze plaats bij elke herziening van het beheerplan (in principe elke 10 jaar) de nieuwe “huidige situatie” te beschrijven, kunnen de oude en nieuwe waarden worden vergeleken. Hierdoor kunnen de beheereffecten worden gemonitord. Door de beschreven veranderingen te vergelijken met de middellange termijn-doelstellingen, kan het beheer worden geëvalueerd. Soms is het gewenst om veranderingen op korte termijn (bijvoorbeeld van jaar tot jaar) te monitoren. De resultaten van een dergelijk monitoringprogramma kunnen, gezien de termijn, geen onderdeel zijn van het beheerplan. Hiervoor is een afzonderlijke verslaglegging nodig. Wel kan de monitoring als beheermaatregel in hoofdstuk 4 van het beheerplan genoemd worden. 3 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 1 INLEIDING* Tekst* Beschrijf de achtergronden, het doel en de planperiode van het beheerplan. Noem ook op welk beheerplan of bebossingsplan dit beheerplan aansluit. Eindig met een leeswijzer. Toelichting Achtergronden: waarom een beheerplan?, aanleiding en belang van het beheerplan. Doel: te verwachten effect van het plan (algemeen doel), speerpunten/nadruk, randvoorwaarden, op te lossen knelpunten. Leeswijzer: wat staat in elk hoofdstuk beschreven? (bijvoorbeeld zoals in “Algemene toelichting, Opzet format”) Voorbeeld Doel: het beheerplan heeft tot doel de gewenste functies binnen het bestaande beleidskader te optimaliseren. Voor dit gebied ligt de nadruk hierbij op verhoging van natuur- en landschapswaarden. Randvoorwaarde daarbij is dat voldoende hout wordt geproduceerd om de beheerkosten te kunnen dekken. De stijgende onkosten als gevolg van een toenemende gebruiksdruk door recreanten vormen een belangrijk knelpunt. 4 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 2 ALGEMENE BASISGEGEVENS* 2.1 Oriëntatie* Ligging en omvang* Tekst* Beschrijf de omvang en de ligging van het bosgebied. Toelichting Omvang: de totale oppervlakte van het bosgebied in ha. Het gaat om de oppervlakte waarvoor het beheerplan geldt. Ligging: in welke provincie en gemeente? Bij of tussen welke grote steden? Etc. Figuur* Kaart met omtrek bosgebied (begrenzing eigendom) en belangrijkste oriëntatiepunten in de (wijde) omgeving (hoofdwegen, steden, provinciegrens etc.). Objecten* Worden er binnen het bosgebied meerdere objecten onderscheiden? Zo niet, ga dan door naar “ontstaan”. Tekst* Beschrijf hoeveel objecten er zijn, noem de namen en verwijs naar de tabel en figuur. Tabel* Som de objecten op met hun oppervlakte. Onderaan staat de totale oppervlakte van het bosgebied. Figuur* Kaart met ligging, begrenzing en namen van de objecten waaruit het bosgebied is opgebouwd. Ontstaan* Tekst* Beschrijf de ontstaanswijze en -periode en het voormalig beheer van het bosgebied. Doe dit, wanneer er objecten zijn onderscheiden, per object. Wilt u de ontstaanswijze per object in een tabel aangeven? Zo niet, ga dan door naar “terreintypen”. Tabel** Geef per object aan in welke periode het (meeste) bos is aangelegd (of spontaan is ontstaan) en wat het bodemgebruik was voordat er bos aanwezig was. Het gaat bij bosaanleg om de eerste bosgeneratie. 5 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Terreintypen* Tekst* Beschrijf de terreintypen die in het bosgebied voorkomen. Geef van weinig voorkomende terreintypen aan waar (in welke objecten bijvoorbeeld) ze (vooral) voorkomen. Toelichting Omdat het om een bosgebied gaat, zal het meest voorkomende terreintype “bos” zijn. Andere terreintypen die regelmatig binnen bosgebieden voorkomen zijn: stuifzand, heide, water, landbouwgrond. Meestal is er ook een categorie overig, waarin bijvoorbeeld schouwpaden, wegen en bouwkavels ondergebracht kunnen zijn. Puntvormige en lijnvormige landschapselementen, zoals solitaire bomen of houtwallen, vallen hier ook onder overig en kunnen verderop als “bijzondere waarden” beschreven worden. Heeft u binnen uw bosgebied meerdere terreintypen, vul dan onderstaande tabel in. Zo niet, ga dan naar “boomsoortensamenstelling” Tabel* Geef per terreintype aan welk aandeel van het bosgebied het beslaat. Boomsoortensamenstelling* Tekst* Beschrijf wat in uw bosgebied de belangrijkste boomsoorten zijn. Geef ook aan wat het aandeel inheemse soorten en het aandeel loofboomsoorten is. Toelichting Boomsoorten worden als “inheems” opgevat als ze als zodanig worden beschouwd door de Subsidieregeling Natuurbeheer (Dienst Landelijk Gebied 2000). De gehanteerde lijst inheemse boomsoorten is weergegeven in bijlage 3. Het aandeel per boomsoort kan uitgedrukt worden in verschillende eenheden: percentages van de totale bosoppervlakte, van de houtvoorraad of van het grondvlak. Geef dus aan om welke eenheid het gaat. Voorbeeld: Het bos bestaat voornamelijk uit populier, es, wilg, fijnspar en grove den. Tabel… geeft alle boomsoorten weer die minimaal 2% van het kronendak uitmaken. Inheemse boomsoorten nemen iets minder dan de helft van de bosoppervlakte in. Het aandeel loofboomsoorten is hoog: 70%. Tabel* Vul per boomsoort en per boomsoortengroep het aandeel (percentage) in, uitgedrukt in de door u gekozen eenheid. Bijzondere waarden* Tekst* Noem de belangrijkste bijzondere waarden op het gebied van natuur, archeologie en cultuurhistorie & landschap die binnen het bosgebied aanwezig zijn. Wanneer geen planten- en diersoorten zijn aangetroffen die op de rode lijst staan, moet dit als zodanig worden vermeld (FSC). Hetzelfde geldt voor archeologische en cultuurhistorische & landschappelijke waarden. Toelichting Volgens de FSC-eisen is een boseigenaar verplicht om aan te geven of er in zijn bosgebied bijzondere bosgemeenschappen, rode lijstsoorten, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden aanwezig zijn. 6 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Rode lijsten voor dieren zijn te vinden in bijlage 4. Hierin is ter vergelijking ook de lijst met beschermde dieren en planten opgenomen. Voor de rode lijst van (hogere) planten wordt verwezen naar de literatuur (Weeda et al 1990) en naar de Flora (Van der Meijden 1990, 1996). Wilt u de aangetroffen bijzondere waarden in een tabel samenvatten? Zo niet, ga dan door naar “figuur” Tabel** Geef voor de categorieën natuur, archeologie en cultuurhistorie & en landschap aan welke bijzondere waarden aanwezig zijn. Voorbeeld Soort bijzondere waarde Beschrijving en voorkomen Rode lijstsoorten Planten Tweestijlige meidoorn (3 kleine populaties) Reptiel Hazelworm (1 locatie) Bijzondere bosgemeenschappen A-lokatie Wintereiken-beukenbos (12 ha) Andere natuurwaarden Oud bosplanten Dalkruid (5 locaties), Zevenster (3 locaties) Archeologische waarden Grafheuvels 6 grafheuvels in vervallen staat (bomen erop) in object 1. Cultuurhistorische en landschappelijke waarden Lanen Twee oude beukenlanen (totaal 1200 m), goed onderhouden Singels 7000 m berkensingel, grotendeels vervallen (gaten en overgroeid door aangrenzende bos) Wanneer u Rode lijstsoorten in uw bosgebied hebt aangetroffen, moet u de locaties ervan op kaart weergeven (FSC-eis). Ook andere aanwezige bijzondere waarden kunt u op kaart aangeven, maar dit is niet verplicht. Figuur* Kaart met de locaties van de aanwezige bijzondere waarden. Ecologische relaties met omgeving* Tekst* Beschrijf het bosgebied in relatie tot de belangrijkste natuur- en landschapswaarden in het omliggende gebied en de mate waarin het bosgebied hiervan is geïsoleerd dan wel hiermee in verbinding staat. 7 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 2.2 Abiotiek* Zijn er specifieke klimatologische omstandigheden voor uw bosgebied van toepassing? Zo niet, ga dan door naar “geomorfologie”. Klimaat** Tekst** Beschrijf één of meerdere specifieke klimatologische factoren waarmee rekening gehouden moet worden bij het bosbeheer. Bijvoorbeeld hoge windsnelheden en zoute zeewind (kustgebied) of hoge stikstofdepositie. Tabel** Vat de beschreven klimaatsfactoren desgewenst samen in tabelvorm. Geomorfologie** Wilt u gegevens over de vorm van het aardoppervlak (geomorfologie) opnemen? Zo niet, ga dan door naar “bodem en waterhuishouding” Tekst** Beschrijf in hoofdlijnen de geomorfologie van het bosgebied, met name de afwisseling van hoge en lage delen (ruggen, geïsoleerde en dalvormige laagten etc.). Toelichting De geomorfologie levert een goede basis voor inzicht in de hoofdlijnen van de landschapsopbouw. De beste basis voor een geomorfologische beschrijving vormt de geomorfologische kaart (schaal 1:50.000; Stichting voor Bodemkartering 1975- 1990). Helaas is deze kaart niet landsdekkend. Voor ontbrekende kaartbladen kan gebruik worden gemaakt van de toelichting bij de bodemkaart (schaal 1:50.000; Stichting voor Bodemkartering 1965-heden), die wel landsdekkend is. Voorbeeld Het oosten van het bosgebied ligt op een kreekrug. Het centrale deel ligt lager en bestaat uit een kweldervlakte. In het westen bevindt zich een kwelderwal. of In het grootste deel van het bosgebied is het grondoppervlak zwak golvend. Het gaat hier om dekzandruggen. In het noorden gaan de dekzandruggen over in een dalvormige laagte. Het westelijke deel van het bosgebied bestaat uit lage landduinen. Hier komen vrij steile, 2 tot 5 m hoge heuvels voor die ontstaan zijn door zandverstuiving in de late middeleeuwen. Tabel** Geef voor de onderscheiden geomorfologische eenheden aan welk oppervlakteaandeel ze ongeveer beslaan. Wanneer er een geomorfologische kaart van het gebied beschikbaar is, kunnen de code’s die op deze kaart staan in de tabel worden vermeld. Figuur** Kaart met de locaties van de aanwezige geomorfologische eenheden. 8 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Bodem en waterhuishouding* Tekst* Beschrijf de belangrijkste bodemtypen die in het bosgebied voorkomen. Ga kort in op de belangrijkste kenmerken van de bodemtypen en/of de belangrijkste verschillen tussen de beschreven bodemtypen. Beschrijf de waterhuishouding aan de hand van de grondwatertrappen die bij de bodemeenheden horen en aan de hand van de ontwatering (greppels e.d.) binnen het bosgebied en in de directe omgeving. Toelichting Als basis kan meestal het best gebruik gemaakt worden van de (toelichting bij de) 1:50.000 bodemkaart (Stichting voor Bodemkartering 1965-heden). Omdat deze kaarten vaak al enkele tientallen jaren oud zijn, kunnen met name de waterstanden (grondwatertrappen) inmiddels anders zijn. Gegevens over recente veranderingen kunnen worden ontleend aan kennis over recente waterhuishoudkundige veranderingen bij de eigenaar zelf en/of bij het waterschap. Een beschrijving van de gehanteerde grondwatertrappen is te vinden in bijlage 5. Wilt u de beschreven bodemtypen/grondwatertrappen in een tabel samenvatten en/of op kaart weergeven? Zo niet, ga dan door naar “groeiplaatsen en groeiverwachting” Tabel** Geef voor de onderscheiden bodemeenheden aan welk oppervlakteaandeel ze ongeveer beslaan. Geef per bodemtype aan hoe deze heet, welke grondsoort het betreft en wat de code van de 1:50.000-bodemkaart is. Vermeld bovendien welke grondwatertrappen in elk bodemtype zijn aangetroffen. Voorbeeld Bodemkundige eenheid Oppervlakte- aandeel Naam Grondsoort Code Grond- watertrap Kalkarme lichte zavel Mn15c VI 27% Mn25c V* 10% Poldervaag- Kalkarme zware zavel gMn25c V 19% grond Kalkloze lichte tot matig GMn83c V 10% zware klei Duinvaaggrond Zd21 VII* 15% Leemarm fijn zand Haarpodzol Hd21 VII* 6% VI 8% Veldpodzol Lemig fijn zand Hn23 VII 5% Figuur** Kaart met de locaties van de aanwezige bodemeenheden en grondwatertrappen. Groeiplaatsen en groeiverwachting* Tekst* Beschrijf de belangrijkste groeiplaatsen die in het bosgebied voorkomen. Geef per groeiplaats aan waar deze voorkomt, wat de natuurlijke hoofdboomsoorten zijn, en wat de belangrijkste boomsoorten zijn die goede houtteeltkundige perspectieven hebben. Toelichting In een wat ouder bosgebied kan een globale beschrijving van groeiplaatsen en groeiverwachtingen worden opgesteld door te bekijken hoe goed de aanwezige 9 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • boomsoorten tot nu toe gegroeid zijn in de verschillende delen van het bosgebied. Het verdient aanbeveling om deze beschrijving te toetsen en te detailleren aan de hand van bodemkundige gegevens (o.a. bodemkaart). Bij recent aangelegd bos kan voor de groeiplaatsbeoordeling uitsluitend van de bodemkundige gegevens worden uitgegaan. Maar doorgaans is er in deze gevallen al groeiplaatsonderzoek uitgevoerd in het kader van een bebossingsplan. Een groeiplaatsclassificatie voor de Nederlandse bossen is nog in ontwikkeling. Totdat deze is gepubliceerd kan de groeiplaats het best worden gekarakteriseerd via de Potentieel Natuurlijke Vegetatie (PNV; Van der Werf 1991). De PNV kan globaal worden bepaald aan de hand van het bodemtype. Zie hiervoor bijlage 6. Soms moet de PNV-begrenzing worden bijgesteld aan de hand van veldwaarnemingen aan de vegetatie en boomgroei. De groeiverwachting van boomsoorten is globaal te koppelen aan een PNV. Zie hiervoor bijlage 7. Neem deze gegevens echter niet klakkeloos over, maar kijk ook steeds goed naar de groei van het bestaande bos en stel de groeiverwachting op grond hiervan zo nodig bij. Wilt u de beschreven groeiplaatsen en groeiverwachtingen in een tabel samenvatten en/of op kaart weergeven? Zo niet, ga dan door naar “planologisch kader”. Tabel** Geef voor de onderscheiden groeiplaatsen (PNV’s) aan welk oppervlakteaandeel ze ongeveer beslaan, welke bodemtypen het betreft, wat de natuurlijke boomsoorten zijn (bijlage 6), en welke boomsoorten een goede of een normale groeiverwachting hebben. Voorbeeld Groeiplaats Opp Bodem- Natuurlijke Boomsoorten Boomsoorten (PNV) (%) typen boomsoort met goede met normale (PNV) groeiverwachting groeiverwachting Elzenrijk Essen- 29 gMn25c V Es, Els, Iep, Berk, Eik, Els, Es, Beuk, Esdoorn, Iepenbos (22) GMn83c V Eik, Populier, Haagbeuk, Iep, Schietwilg Schietwilg Ratelpopulier Droog Berken- 71 Zd21 VII* Eik, Berk, - Amerikaanse eik, Zomereiken bos Hd21 VII* Lijsterbes Berk, Corsicaanse (6) den, Douglas, Grove den, Oostenrijkse den Figuur** Kaart met de locaties van de aanwezige groeiplaatsen (PNV’s) 2.3 Beleidskader* Gemeente* Tekst* Geef aan welk gemeentelijk bestemmingsplan van toepassing is, en wat de belangrijkste bestemmingen en (eventueel) aanduidingen zijn die voor het bosgebied gelden. Indien er andere relevante gemeentelijke beleidsnota’s zijn, kunnen ook deze kort worden beschreven. 10 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Voorbeeld Voor het bosgebied geldt het Bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente, dat is vastgesteld in maart 1999. Het overgrote deel van het terrein heeft als bestemming Natuurgebied, Bosgebied met natuurwaarde of Multifunctioneel bosgebied. In deze volgorde neemt de prioriteit die aan de natuurfunctie wordt gesteld af. De bestemming Natuurgebied geldt voor het meest zuidwestelijke gedeelte. Deze gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden. Aan de noordrand is een klein deel van het bosgebied aangeduid met de bestemming ‘Recreatieve doeleinden’. Het gebied is bestemd voor dagrecreatie in combinatie met verblijfsrecreatie, behoud van cultuurhistorische waarde en bosbouwkundige doeleinden. Een zevental kleine terreingedeelten heeft als dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’. In deze terreingedeelten moeten vergunningen worden gevraagd voor het vellen of rooien van bos en het verwijderen, aanleggen of verharden van paden en wegen. Wilt u de voor het bosgebied relevante bestemmingen en aanduidingen in een tabel samenvatten? Zo niet, ga dan door naar “overkoepelend”. Tabel** Geef de bestemmingen en aanduidingen aan die voor het bosgebied van belang zijn. Overkoepelend** Wilt u beleidsstukken beschrijven die boven het gemeentelijk niveau staan (regionaal, provinciaal, landelijk of internationaal?) Zo niet, ga dan door naar “rechten en plichten”. Tekst** Geef aan welke regionale, provinciale, landelijke of internationale beleidsnota’s van belang zijn voor het bosgebied. Beschrijf van elke nota kort wat de betekenis is voor het bosgebied. Toelichting Diverse nota’s die boven het gemeentelijk niveau staan, kunnen van belang zijn voor het beheer van het bosgebied. Voorbeelden zijn beleidsstukken van waterschappen, Streekplannen en Uitwerkingsplannen natuurbeheer van provincies, en het Natuurbeleidsplan (o.a. Ecologische Hoofdstructuur), Bosbeleidsplan (o.a. A-locaties) en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening van het Rijk. Uiteindelijk moeten deze overkoepelende beleidsstukken hun weerslag vinden in het gemeentelijke bestemmingsplan. Soms is dit nog niet gebeurd, of zijn er andere redenen waardoor het van belang is in te gaan op bepaalde overkoepelende nota’s. Tabel** Noem de naam, de beleidsorganisatie en het jaar van verschijnen van de overkoepelende beleidsstukken die in de tekst zijn beschreven. 11 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 2.4 Rechten en plichten* Tekst* Beschrijf de lopende verplichtingen die van belang zijn voor het beheer van het bosgebied. Geef steeds aan wie de rechthebbende is, om welke soort verplichting het gaat, en welke gedeelten van het bosgebied het betreft. Toelichting Rechten en plichten kunnen van heel verschillende aard zijn. Het kunnen bijvoorbeeld afspraken met aanliggende eigenaren betreffen, zoals recht van overpad. Ook kan het gaan om de onderhoudsplicht van waterwegen (waterschap), afspraken die samenhangen met de financiering van bosaanleg (Face, Ministerie LNV), afspraken die samenhangen met beheersubsidies (doelpakketten Subsidieregeling Natuurbeheer, Ministerie LNV), etc. Tabel* Noem van elke lopende verplichting die in de tekst is beschreven de naam van de rechthebbende, het soort verplichting waar het om gaat en de locaties waarvoor de verplichting geldt. Wilt u in het beheerplan een overzichtstabel opnemen van de beheer- recreatie- en landschapspakketten die in het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer voor het bosgebied zijn vastgesteld? en/of Wilt u de locaties waarvoor de pakketten van de Subsidieregeling Natuurbeheer en/of andere verplichtingen gelden op kaart aangeven? Zo niet, ga dan door naar “3. Hoofddoelstelling en functies”. Tabel** Geef voor elk pakket van de Subsidieregeling Natuurbeheer de subsidie per ha, het aantal ha, en de totale vergoeding aan (zie ook bijlage 8). Voorbeeld Pakket Soort pakket Vergoeding Opp. Totale verg. (per ha en jr) (ha) (per jr) Bos Beheerpakket, Basis (09) € 45,38,- 80 € 3630,40 Bos met verhoogde Beheerpakket, Plus (27) € 62,17,- 50 € 3108,50 natuurwaarde Poel Landschapspakket (62) € 63,53 per 2 stuks € 127,06 poel Recreatiepakket (80) € 13,61 130 € 1769,30 Totaal 130 € 8635,26 Figuur** Kaart van het bosgebied waarop is aangegeven voor welke terreingedeelten de pakketten van de Subsidieregeling Natuurbeheer en/of andere verplichtingen gelden. 12 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 3 HOOFDDOELSTELLING EN FUNCTIES* 3.1 Hoofddoelstelling* Tekst* Beschrijf in één of enkele zinnen hoe de hoofddoelstelling (=missie) voor het bosgebied luidt. Denk daarbij aan de beweegredenen (motieven) om bos in bezit te hebben, en aan de eigenschappen en randvoorwaarden die op grond waarvan voor het bos moeten gelden. Voorbeeld Het onderstaande voorbeeld van een hoofddoelstelling is voor een groot aantal Nederlandse boseigenaren van toepassing. Ontwikkelen en duurzaam instandhouden van landschappelijk en recreatief aantrekkelijk bos met een hoge natuurwaarde, waarvan het beheer kostendekkend is. Tekst* Licht alle elementen die in de hoofddoelstelling zijn genoemd kort toe en geef eventueel aan welke verschuivingen de hoofddoelstelling zal veroorzaken ten opzichte van het beheer tot nu toe. 3.2 Functies* Tekst* Beschrijf en motiveer, voortvloeiend uit de hoofddoelstelling, het belang dat u hecht aan houtproductie, natuur, landschap, cultuurhistorie, recreatie, jacht en eventuele andere functies. Tabel* Kruis per functie aan welk belang het heeft voor het bosgebied en in welk deel van het bosgebied (bijvoorbeeld in welke objecten) de desbetreffende functie het belangrijkst is. Toelichting In de tabel wordt per functie, gemiddeld over het totale bosgebied, het belang aangegeven: - Geen: de functie speelt geen enkele rol. - Ondergeschikt: de functie is wel van toepassing op het gebied, maar is steeds ondergeschikt aan één of meerdere andere functies. - Belangrijk: de functie is in ten minste een deel van het bosgebied, al dan niet samen met één of meerdere andere functies, de hoofdfunctie. Bij “zwaartepunt” wordt aangegeven in welke gedeelten van het bosgebied de desbetreffende functie (één van de) hoofdfunctie(s) is. 13 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 3.3 Deelgebieden** Wilt u op grond van verschillen in gewenste functievervulling, groeiplaatseigenschappen en/of huidige bossamenstelling, deelgebieden binnen uw bosgebied onderscheiden? Het onderscheiden van deelgebieden is alleen zinvol als u per deelgebied andere doelstellingen wilt formuleren, bijvoorbeeld: andere gewenste bossamenstelling of ander recreatiebeleid. Vaak zal dit alleen voor grotere bosbedrijven nodig zijn. Let wel: de aansturing van het beheer kan door het onderscheiden van deelgebieden worden verbeterd, maar het beheerplan wordt er wel complexer door. Als u geen deelgebieden wilt onderscheiden, ga dan door naar “4.1 Financieel resultaat”. Tekst** Beschrijf welke deelgebieden zijn onderscheiden en op grond van welke verschillen in huidige bossamenstelling, groeiplaats en/of gewenste functievervulling dit is gedaan. Geef een korte beschrijving van elk deelgebied. Toelichting Veel doelen die worden nagestreefd, kunnen in verschillende gedeelten van het terrein anders zijn. Ze worden daarom beschreven per deelgebied. Motivatie voor de keuze van “gewenste functievervulling”, “groeiplaats” en “huidige bossamenstelling” als de drie criteria voor een deelgebiedenindeling: - De te realiseren doelen en maatregelen hangen samen met de nadruk die in een bosgedeelte wordt gelegd op verschillende functies (functiezonering); - De groeiplaats bepaalt de groeimogelijkheden voor de diverse boomsoorten en vormt daarmee een randvoorwaarde voor te realiseren doelen en maatregelen; - De huidige bossamenstelling vormt het startpunt voor de bosontwikkeling. Aangezien het bij bosbeheer in het algemeen gaat om (bij)sturen in het bestaande bosecosysteem, is dit startpunt van belang voor de keuze van de te realiseren doelen en maatregelen. Voorbeeld Binnen het bosgebied zijn vijf deelgebieden onderscheiden, voornamelijk op grond van groeiplaatsverschillen en verschillen in de gewenste functievervulling. Deelgebied 1 Recent aangelegd bos op de armste groeiplaats binnen het bosgebied (PNV Droog Berken-Zomereikenbos). In dit deelgebied ligt de nadruk meer dan in de rest van het bosgebied op houtproductie. Het bos is met medefinanciering van Stichting Face aangelegd, wat inhoud dat ook het vastleggen van CO2 hier een belangrijke functie is. Deelgebied 2 ……….. Tabel* Geef per deelgebied een korte karakteristiek aan de hand van de criteria “gewenste functievervulling”, “groeiplaats” en “huidige bossamenstelling”. Geef aan waar elk deelgebied binnen het bosgebied voorkomt (locatie) en geef per deelgebied de oppervlakte aan (in ha en/of %). 14 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Voorbeeld Deelgebied Karakteristiek Locatie Oppervlakte aandeel (%) 1 Jong aangeplant bos op droge arme Noordoost 24 zandgronden met nadruk op houtproductie en CO2-vastlegging 2 Oud bos op vrij natte zeekleigronden met Midden en 25 nadruk op recreatie, natuur en landschap oost 3 Oud bos op relatief droge zeekleigronden met Zuid 16 nadruk op recreatie, natuur en landschap 4 Vrij eenvormig loofbos op vochtige, lemige West en 30 zandgronden met nadruk op recreatie noordwest 5 Vrij eenvormig loofbos op vochtige, lemige Noordwest 5 zandgronden met nadruk op natuur en landschap. Figuur** Kaart van het bosgebied waarop de ligging van de onderscheiden deelgebieden is aangegeven. 15 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 4 DOELSTELLINGEN EN REGULIERE MAATREGELEN* Omgaan met deelgebieden Bepaalde doelstellingen en reguliere maatregelen zullen per deelgebied anders zijn. Over het algemeen zal dit vooral gelden voor de doelstellingen en maatregelen die samenhangen met de samenstelling en structuur van het bos (4.2) en met recreatie en ontsluiting (4.4). Wanneer er deelgebieden zijn onderscheiden, zullen deze doelstellingen en reguliere maatregelen per deelgebied beschreven moeten worden. Dit betekent dat de desbetreffende teksten en tabellen moeten worden gekopieerd, en per deelgebied (of per groep deelgebieden) afzonderlijk moeten worden ingevuld. Welke gedeelten van dit hoofdstuk dit betreft, is afhankelijk van de criteria op grond waarvan de deelgebieden zijn ingedeeld. Dit is niet voor elk bosgebied hetzelfde. 4.1 Financieel resultaat* Tekst* Beschrijf het financiële resultaat van de afgelopen periode en het gewenste financiële resultaat voor de middellange termijn (komende 10 jaar) en de lange termijn (over ca. 30 jaar). Het gewenste financiële resultaat is voor sommige bosbedrijven een “echte” doelstelling, voor andere wordt het als een randvoorwaarde beschouwd. Desgewenst kan behalve het totale financiële resultaat, ook het resultaat per kostenplaats worden beschreven. Voorbeeld Het jaarlijkse financiële resultaat was over de periode 1991-2000 gemiddeld ongeveer € 2.500,- negatief. De boseigenaar hanteert als randvoorwaarde dat het beheer van haar bos- en natuurterreinen ten minste kostendekkend is. Daarbij mogen natuurbeheer en recreatievoorziening een beperkt negatief saldo hebben, dat gecompenseerd moet worden door de netto inkomsten uit jachtverhuur en bosexploitatie. Tabel* Geef, al dan niet opgesplitst naar kostenplaats, aan wat het huidige financiële resultaat is en wat de gewenste waarden zijn voor de middellange en lange termijn. Voorbeeld Kostenplaats Bedrag (per jaar) Huidige Middellange lange termijn waarde termijn (10 jaar) (30 jaar) € +7.000,- > € +9.000,- > € +8.000,- Bosbeheer € -1.500,- < € -2.000,- < € –2.000,- Bijzondere waarden € -6.000,- < € -5.000,- < € -5.000,- Recreatie en ontsluiting € +1.000,- > € +1.000,- > € +1.000,- Jacht € +9.000,- € +10.000,- € +10.000,- Subsidies € -12.000,- < € -13.000,- < € -13.000,- Algemene kosten € 0,- < € -500,- < € -500,- Projecten € -2.500,- > € 0,- > € 0,- Totaal 16 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 4.2 Bossamenstelling en structuur* Tekst* Beschrijf de huidige en gewenste situatie wat betreft houtoogst, boomsoortensamenstelling, menging, ontwikkelingsfasen en dood hout. Gebruik de indeling in ontwikkelingsfasen die is weergegeven in bijlage 9. Beschrijf desgewenst ook de huidige en gewenste situatie wat betreft gelaagdheid, toekomstbomen, bosranden en vegetatie. Toelichting De doelstellingen die hier worden beschreven bepalen gezamenlijk het streefbeeld voor het bos. De FSC-voorwaarden stellen voor deze doelstellingen de volgende eisen: - minimaal streven naar een aandeel van 50% inheemse boomsoorten over 30 jr; - minimaal streven naar 4 dikke dode bomen (dikker dan 30 cm) per ha over 30 jr; - minimaal 25% van het bos moet over 30 jaar gemengd zijn. Wanneer het gaat om bos dat recent is aangelegd (al dan niet medegefinancierd door Stichting Face), dan zullen er de eerste ca. 20 tot 25 jaar waarschijnlijk geen of weinig bosbeheermaatregelen uitgevoerd worden. Voorbeeld Houtoogst* De gewenste houtoogst bedraagt voor de lange termijn ongeveer 4 m3/ha.jr. Dit is lager dan de huidige waarde. De afname zal geleidelijk gaan (circa 5 m3/ha.jr over 10 jaar) en hangt samen met een toenemend belang van de functies natuur en recreatie in vergelijking tot de houtproductiefunctie. Er wordt zo veel mogelijk gestreefd naar de productie van kwaliteitshout. Boomsoortensamenstelling* Ten opzichte van de huidige situatie zal het aandeel grove den gelijk blijven. De aandelen van eik en berk zullen de komende 30 jaar sterk toenemen ten koste van de uitheemse boomsoorten. Amerikaanse vogelkers mag zich niet uitbreiden. Menging* Een gemengd bos heeft vele voordelen. Menging verhoogt de natuurwaarde (meer variatie, meer niches voor planten en dieren), spreidt de risico’s van houtproductie (niet afhankelijk van één boomsoort) en kan de aantrekkelijkheid van het bos voor recreanten verhogen. Er wordt daarom gestreefd naar een geleidelijke, maar aanzienlijke verhoging van het aandeel gemengd bos, van 10% nu, via minimaal 20% over 10 jaar, tot minimaal 50% over 30 jaar. Ontwikkelingsfasen* Het is gewenst dat het aandeel jong bos iets toeneemt ten opzichte van het aandeel oud bos (boomfase). Jong bos is nu vooral aanwezig als dichte, vlaktegewijze aanplant. Door groepsgewijs te gaan verjongen, ontstaat een gevarieerder leeftijdsmozaïek. Doordat de komende 10 jaar een verjongingsgolf wordt ingezet, is het aandeel jong bos over 10 jaar hoger dan dat op de lange termijn. Met het oog op houtkwaliteit is het van belang dat in de toekomst minimaal 75% van het jonge bos in dichte stand opgroeit. 17 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Gelaagdheid** Het is gewenst om een gevarieerde verticale opbouw van het bos te realiseren. Dit betekent dat het aandeel gelaagd bos waarin een tweede boomlaag of struiklaag aanwezig is moet toenemen tot de 50–75% van de totale oppervlakte oud bos. Toekomstbomen** De houtkwaliteit in het bos dat voorbij het omslagpunt is, is vrij goed: er zijn hier gemiddeld 90 kwaliteitsbomen per ha aan te wijzen. In de toekomst worden de functies natuur en recreatie belangrijker, met als logisch gevolg dat het aantal als toekomstboom aan te merken kwaliteitsbomen iets zal afnemen. Er zijn vrij veel markante bomen aanwezig. Deze door vorm of omvang opvallende bomen staan echter in dichte stand en zijn niet als toekomstboom aangemerkt. Door een aantal van de aanwezige markante bomen als toekomstboom te bestempelen en vrij te stellen, zullen deze meer gaan opvallen en hun kroon beter kunnen ontwikkelen. Dood hout* Gekoppeld aan het streven naar versterking van de natuurwaarde, wordt het aandeel dood hout de komende 10 jaar verhoogd van minder dan 1% tot 5-10% van de houtvoorraad. Er dient zowel een behoorlijk aandeel liggend als staand dood hout aanwezig te zijn. Voor veel planten en dieren is vooral dik dood hout nodig. Gezien de leeftijd van het bos is het gewenste aantal van 4 dikke dode stammen per ha pas op de lange termijn te realiseren. Bosranden** Bosranden kunnen in de vorm van mantels en zomen een grote bijdrage leveren aan de natuurwaarde van het bosgebied. Op dit moment komt slechts op enkele plaatsen een goed ontwikkelde bosrand voor. Het is gewenst om de hoeveelheid bosrand met goed ontwikkelde zomen en mantels aanzienlijk te verhogen. Langs 50 tot 75% van de buitenrand wordt een 5 tot 8 m brede bosrand ontwikkeld; langs de paden die door het bos lopen worden op een aantal plekken brede bosranden gerealiseerd. Deze breedte is hier nodig om ervoor te zorgen dat het aangrenzende bos zich hier niet boven de bosrand kan sluiten. Vegetatie** Onder het merendeel van het bos bevindt zich een dichte grasmat van Bochtige smele. Het is wenselijk dat deze grasmat afneemt, en plaats maakt voor een meer gevarieerde ondergroei. Waarschijnlijk zal dit vanzelf gebeuren, doordat met het ouder worden van de bosbodem het humusprofiel dusdanig zal veranderen dat het diverse soorten bosplanten gaat bevoordelen ten opzichte van Bochtige smele. Tabel* Geef de huidige en gewenste waarden weer voor houtoogst, boomsoortensamen- stelling, menging, ontwikkelingsfasen en dood hout. Gebruik de indeling in ontwikkelingsfasen die is weergegeven in bijlage 9. Geef desgewenst ook de huidige en gewenste waarden weer voor gelaagdheid, toekomstbomen, bosranden en vegetatie. Geef aan welke maatregelen nodig zijn om de gewenste situatie te bereiken. De aangegeven categorieën (jeugdverzorging, selectie toekomstbomen, dunning en verjonging, bosverzorging, dood hout, bosrandbeheer en overig) dienen daarbij als leidraad, maar hoeven niet allemaal verplicht ingevuld te worden. Toelichting Deze tabel vat de kern van het bosbeheer samen aan de hand van de uitgangssituatie, concrete doelstellingen en uit te voeren maatregelen in het bos. 18 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • De FSC-voorwaarden stellen hiervoor de volgende eisen: - waar dit mogelijk en zinvol is gebruik maken van natuurlijke verjonging; - de schaal van verjongingsvlakten is kleiner dan 2 ha. Voorbeeld Doelstelling Huidige situatie Middellange Lange termijn termijn (10 jaar) (30 jaar) Hoeveelheid (m3/ha.jr) Houtoogst Totaal 6 4–6 3–5 Boomsoort Aandeel (%) Grove den 25 20 – 30 20 – 30 Berk 10 15 – 30 20 – 40 Eik 10 15 – 35 20 – 50 Amerikaanse <1 <1 <1 vogelkers Boomsoortengroep Aandeel (%) Uitheemse 40 15 – 30 10 – 20 boomsoorten Gemengd bos Aandeel van het bosgebied (%) Totaal 10 > 25 > 70 Oud bos Oppervlakte-aandeel (%) Boomfase 80 60 – 70 60 – 70 Jong bos Oppervlakte-aandeel (%) Totaal 10 20 – 30 15 – 20 In groepen <1 20 - 30 15 – 20 Dichte stand 10 <5 <1 Gelaagd bos Oppervlakte-aandeel (%) Tweede boomlaag 15 20 – 30 25 – 40 en/of struiklaag aanwezig Toekomstbomen Aantal per ha Kwaliteitsbomen 90 70 – 90 50 – 80 Markante bomen 5 3- 5 3–5 Dood hout Hoeveelheid per ha Totaal < 1% 5 – 10% 5 – 10% Dikker dan 30 cm 0 stuks > 1 stuks > 4 stuks Staand < 1% > 2% > 2% Liggend < 1% > 2% > 2% Bosrand Aandeel van totale randlengte (%) Buitenrand bos 2 50 – 75 50 – 75 (5 – 8 m breed) Rand bospad 3 20 - 30 20 – 30 (10 – 15 m breed) Vegetatie Oppervlakte-aandeel (%) Dichte mat van 70 < 50 < 20 Bochtige smele 19 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Beheermaatregelen Prio- Beschrijving maatregel riteit Jeugdverzorging (in bosgedeelten vóór het omslagpunt) (Wegens hoge kosten tot een minimum beperken) - Bij meer dan 20% uitval in recent aangeplant bos: groepsgewijs 1 hoofdboomsoort bijplanten (kleine dichte groepen, ca. 40 stuks per groep) - Wanneer de verjonging in een bij de laatste ingreep gevelde groep te ijl 2 is, dichte groepen eik bijplanten (750 per ha, 25 stuks per groep) - Wanneer meer dan 25% van het jonge bos (dichte of stakenfase) niet in 1 sluiting is, dit gedeeltelijk omvormen via groepsgewijze velling. Vervolgens aanplant van kleine dichte groepen eik. Selectie toekomstbomen (in bosgedeelten voorbij omslagpunt) - Merk in de bosgedeelten die voorbij het omslagpunt zijn gemiddeld per 1 ha 50 tot 80 kwaliteitsbomen als toekomstboom. De verdeling van de toekomstbomen over het bos is bij voorkeur onregelmatig. - Merk in de bosgedeelten die voorbij het omslagpunt zijn gemiddeld per 1 ha 3 tot 5 markante bomen als toekomstboom aan. - Merk bij weinig menging vooral exemplaren van mengboomsoorten aan 1 als toekomstboom. - Merk nestbomen aan en voorkom dat deze worden geveld. 1 - Houdt bij de keuze van toekomstbomen de volgende prioriteitsvolgorde 1 aan: 1. eik, 2. grove den, 3. berk, 4. beuk, 5. overig. Dunning en verjongingskap (in bosgedeelten voorbij omslagpunt) - Verwijder de grootste concurrent(en) bij elke als toekomstboom aangewezen kwaliteitsboom of markante boom, zodat circa de helft van 1 de boomkroon vrij komt te staan. - Vel in werkvakken met weinig jong bos (< 20%) en weinig of geen menging, vrijwel uitsluitend uitheemse boomsoorten of slechte 1 houtkwaliteit, groepsgewijs 20-25% van de bosoppervlakte. Maak middelgrote groepen van 2 tot 3 x de boomhoogte. - Vel in werkvakken met < 40% jong bos en vrij weinig menging, voornamelijk uitheemse boomsoorten of matige houtkwaliteit, 2 groepsgewijs 10-15% van de bosoppervlakte. Maak middelgrote groepen van 2 tot 3 x de boomhoogte. Bosverzorging (in bosgedeelten voorbij omslagpunt) - Ploeg de strooisellaag in een kwart van de oppervlakte van de gevelde 1 groepen, wanneer een dichte mat van Bochtige smele aanwezig is. - Plant kleine dichte groepen eik in de gevelde groepen waar (vrijwel) 1 geen voorverjonging van eik aanwezig is. - Verwijder alle Amerikaanse vogelkersen in werkvakken waarin groepen 1 gekapt worden. Dood hout - Laat al het stormhout liggen; laat afgestorven bomen staan, behalve 1 langs wegen (dan omzagen en laten liggen). - Bij dunning en groepenkap enkele dikke, slecht gevormde stammen na 1 velling in het bos achterlaten. - Ring slecht gevormde, dikke Amerikaanse eiken (niet langs wegen en 1 als toekomstboom gemarkeerde markante bomen uitgezonderd) Bosrandbeheer - Langs 60% van de buitenrand van het bos alle bomen vellen in een 5 1 tot 8 m brede strook (vooral daar waar al struiken aanwezig zijn). - Langs 25% van de paden in het bos aan beide zijden alle bomen vellen 2 in een 10 tot 15 m brede strook. - Overhangende bomen vellen bij bestaande mantels en zomen 1 20 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 4.3 Bijzondere waarden* Tekst* Beschrijf de huidige en gewenste situatie wat betreft rode lijstsoorten, bijzondere bosgemeenschappen, archeologische waarden en cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Als (sommige van) deze waarden niet aanwezig zijn, is dit in § 2.1 al aangegeven, en hoeft dit hier niet meer vermeld te worden. Beschrijf desgewenst ook de huidige en gewenste situatie wat betreft “andere natuurwaarden” (anders dan rode lijstsoorten). Toelichting Vaak is er veel bekend bij locale organisaties (IVN, vogelwerkgroep, historische kring, etc). Soms kan samenwerking met deze groepen ook leiden tot ondersteuning bij de uitvoering van bepaalde beheermaatregelen. Tabel* Geef – als deze waarden aanwezig zijn - de huidige en gewenste situatie weer voor rode lijstsoorten, archeologische waarden en cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Doe dit desgewenst ook voor natuurwaarden anders dan rode lijstsoorten Geef aan welke specifieke maatregelen nodig zijn om de gewenste situatie te bereiken. De aangegeven categorieën (bescherming en onderhoud) dienen daarbij als leidraad, maar hoeven niet verplicht ingevuld te worden. Stel realistische doelen en beschrijf realistische maatregelen (ze worden getoetst door de certificeerder). Soms kan verwezen worden naar algemene maatregelen (§ 4.2, 4.4 of 4.5). Beschrijf éénmalige inrichtings- of herstelmaatregelen niet hier, maar in § 5.1. Voorbeeld Doelstelling Huidige situatie middellange lange termijn termijn (10 jaar) (30 jaar) Rode lijstsoorten Hoeveelheid en locatie Tweestijlige 2 vindplaatsen Aantallen per vindplaats vergroten meidoorn (kleine aantallen) 1 vindplaats Rijsbes Populatie minimaal in standhouden (vrij grote populatie) Incidenteel Duurzame aanwezigheid Boommarter waargenomen boommarter Wild zwijn 5 stuks Instandhouden huidige aantal 1 locatie (kleine Vergroten aantal locaties en Bosparelmoervlinder populatie) omvang populaties 2 locaties (kleine Ringslang Aantallen per locatie vergroten populaties) Andere Hoeveelheid en locatie natuurwaarden 5 locaties (vrij grote Dalkruid Aantal locaties vergroten, populaties) populatiegrootte minimaal 3 locaties (kleine handhaven. Zevenster populaties) Das 1 bewoonde burcht Bewoonde burcht handhaven (vervolg op volgende pagina) 21 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Archeologische Hoeveelheid waarden Grafheuvel 4 (verwaarloosd) 4 (goed onderhouden) Cultuurhistorische en landschappelijke Hoeveelheid waarden Poel Geen 2 3 Houtwal 3 (5 km) Laan 2 (3 km) 1 (2 km) Pinetum 1 (verwaarloosd) 1 (goed onderhouden) Beheermaatregelen Prio- Beschrijving maatregel riteit Bescherming - Invoeren kleinschalig hakhoutbeheer op de twee vindplaatsen van 1, 2 Tweestijlige meidoorn, tot op 10 m afstand van de populatie. Eén plek afzetten per beheeringreep. 1, 2 - De Rijsbesbegroeiing vrijhouden van bosopslag en van overschaduwing door randbomen. 1, 2 - Open houden heideterreintjes en venoevers en opwerpen broedhoop bij beide vennen (voor Ringslang). - Zoneren recreatie en daarmee creëren van rust in centraal bosgebied 1 (onder andere voor Boommarter en Das; zie ook § 4.4). - Op de locatie waar de bosparelmoervlinder voorkomt velling uitvoeren 1 in kader van bosrandbeheer (zie § 4.2). - Op locaties waar de oud-bosplanten Dalkruid of Zevenster voorkomen 1, 2 geen groepenkap uitvoeren. Onderhoud - Hoofdlaan (2 km) vrijstellen van aangrenzende bos (afstand tussen 1 kronen van laanbomen en van het bos moet minimaal 5 m zijn). - Alle houtwallen ééns in de 10 jaar afzetten (elke jaar 500 m houtwal 1, 2 afzetten), overstaanders laten staan. 4.4 Recreatie en ontsluiting* Tekst* Beschrijf de huidige en gewenste situatie wat betreft recreatief gebruik, ontsluiting, communicatie met bosgebruikers en voorzieningen. Toelichting Voor de communicatie met bosgebruikers is het handig om een lijst op te stellen van contactpersonen van de verschillende belangengroepen, zodat deze personen gemakkelijk geïnformeerd kunnen worden. Voorbeeld Recreatief gebruik* Alle wegen en paden in het bosgebied zijn opengesteld voor wandelaars. Fietsers, mountainbikers, ruiters en gemotoriseerd verkeer mogen uitsluitend gebruik maken van de daarvoor bestemde routes. Honden zijn alleen aangelijnd toegestaan. Parkeren moet op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen gebeuren. Regulatie van aantallen recreanten vindt plaats via de te realiseren ontsluiting en voorzieningen. 22 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Ontsluiting* De totale hoeveelheid wandelpaden blijft gelijk. Wel worden enkele brede rechte paden vervangen door smalle slingerende paden door het bos. Ook worden de paden meer aan de randen van het bosgebied geconcentreerd. Hier worden ook twee gemarkeerde wandelroutes aangelegd: een korte van 4 km en een lange van 11 km. De bestaande fietspaden blijven gehandhaafd. Momenteel is er geen speciale route voor ATB-ers (= mountainbikers). Het is gewenst om er in de komende 5 jaar één aan te leggen. Het aantal bosontsluitingswegen wordt verlaagd. Slechts de wegen die echt nodig zijn voor het beheer blijven voor dit doel in gebruik. De enige openbare verharde weg die door het bosgebied loopt, blijft gehandhaafd. Ook alle greppels blijven aanwezig en moeten hun afwateringsfunctie behouden. Communicatie met bosgebruikers* Het aantal bosbezoekers is de afgelopen jaren toegenomen, evenals hun betrokkenheid bij het beheer. Dit laatste leidt soms tot weerstand bij vellingen. Anderzijds is het aantal overtredingen van regels ook toegenomen (loslopende honden, afval in het bos, schade aan voorzieningen). Om de betrokkenheid verder de vergroten, weerstanden tegen beheermaatregelen weg te nemen en overtredingen en schade zo veel mogelijk te voorkomen, wordt de bosgebruiker in de toekomst beter geïnformeerd. Jaarlijks wordt een excursie georganiseerd waarop informatie wordt gegeven over het bosgebied zelf en over het (geplande) beheer. Voorafgaand aan ingrijpende beheermaatregelen (zoals groepenkap) worden deze via tijdelijke, eenvoudige bebording bij de ingangen en in het bos toegelicht. Voorzieningen* Parkeerplaatsen ontbreken. Het is gewenst om er twee aan te leggen met in totaal een 50-tal plaatsen, zodat de bosranden ontlast worden. Picknickplaatsen bestaan uit drie locaties waar één picknicktafel staat. Er is een lichte toename tot 5 van deze kleine plekken gewenst. Hetzelfde geldt voor het aantal bankjes: toename gewenst van 6 naar 10. Op één plek worden bezoekers geïnformeerd via een informatiepaneel. Ook bij de andere hoofdingang van het bosgebied moet een dergelijk paneel komen. Op beide panelen zullen ook de wandelroutes worden aangegeven. Handhaving en toezicht* Om overtredingen te voorkomen en de veiligheid voor bosgebruikers te verhogen is handhaving van de geldende regels nodig via dagelijks toezicht door een BOA, die bevoegd is om overtredingen te bekeuren. In de zomermaanden juli en augustus is de recreatiedruk aanzienlijk hoger dan in de rest van het jaar, wat dan een intensiever toezicht vergt. Tabel* Geef de huidige en gewenste situatie weer voor recreatief gebruik, ontsluiting en voorzieningen. Geef aan welke maatregelen gewenst zijn op het vlak van handhaving, toezicht en communicatie met bosgebruikers. Geef aan welke onderhoudsmaatregelen nodig zijn om de gewenste situatie te bereiken. Beschrijf éénmalige inrichtings- of herstelmaatregelen niet hier, maar in § 5.1. 23 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Voorbeeld Doelstelling Huidige situatie Middellange Lange termijn termijn (10 jaar) (30 jaar) Soort recreatief Openstelling gebruik Wandelen Op alle wegen en paden Fietsen Op fietspaden Paardrijden Op ruiterpaden ATB Op fietspaden Op aangegeven route en fietspaden Aangelijnd en Honden uitlaten Aangelijnd loslopend Parkeren Langs bosranden Op parkeerplaatsen Soort ontsluiting Hoeveelheid Ca. 40 km (meer paden dóór het Wandelpad Ca. 40 km bos) Fietspad 8 km ATB-route Geen Ca. 10 km Gemarkeerde Geen 15 km wandelroute Bosontsluitings- Ca. 8 km Ca. 4 km weg Openbare weg Ca. 2 km Greppel Ca. 12 km Soort voorziening Hoeveelheid Parkeerplaats Geen 2 (totaal 50 plaatsen) Picknickplaats 3 kleine 5 kleine Bank met afvalbak 6 10 Informatiepaneel 1 2 Beheermaatregelen Prio- Beschrijving maatregel riteit Handhaving, toezicht en communicatie met bosgebruikers Dagelijks toezicht (ook in weekends) door BOA, in juli-augustus gemiddeld 16 uur per week, in de rest van het jaar gemiddeld 8 uur per 1 week. Elk jaar organiseren van een excursie (halve dag) voor bosgebruikers. 1 Per jaar bij maximaal 4 plekken waar groepen bos geveld gaan worden of 1 andere duidelijk zichtbare ingrepen zijn gepland tijdelijke informatieborden plaatsen. Onderhoud Eens in de 5 jaar slechte plekken herstellen in wandelpaden, fietspaden 1 en bosontsluitingswegen. Elk jaar slechte plekken herstellen van de gemarkeerde wandelroutes 2 Elk jaar picknickplaatsen, banken, bebording, routemarkering en 1 informatiepanelen controleren en herstellen. Jaarlijks 1/5 deel van de greppels opschonen. Plekken met bijzondere 1 vegetatie met rust laten. Elk najaar blad verwijderen van de parkeerplaatsen. 2 Eens in de twee weken afvalbakken legen. 1 Jaarlijks zwerfvuil opruimen met hulp van vrijwilligers. 1 Figuur* Kaart met de ligging van de beschreven typen ontsluiting en voorzieningen. 24 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 4.5 Jacht* Speelt jacht in het bosgebied nu of in de beheerplanperiode een rol? Zo niet, ga dan door naar “5 Herstel en ontwikkeling”. Tekst* Geef aan tot welke Wildbeheereenheid (WBE) het bosgebied behoort. Beschrijf de huidige en gewenste wilddichtheden en de voor de komende 10 jaar geplande bijbehorende beheermaatregelen. Voorbeeld In het bosgebied wordt in principe een natuurlijke wildstand nagestreefd. Randvoorwaarde is dat wildvraat de bosverjonging niet belemmert. In dit opzicht kunnen reeën problemen opleveren. Er wordt daarom gejaagd wanneer het aantal reeën dermate hoog wordt dat het schade gaat opleveren aan de bosverjonging. Om dit te kunnen beoordelen worden jaarlijks reetellingen gehouden en wordt elk voorjaar de eventuele schade aan bosverjonging bekeken. Wilt u de gegevens over jacht in tabelvorm weergeven? Zo niet, ga dan door naar “4.6 werkverdeling”. Tabel** Geef per diersoort aan wat de huidige en gewenste dichtheid is, en welke maatregelen nodig zijn om de gewenste dichtheid te realiseren. Voorbeeld Tabel 4…. Wildstand en jacht Doelstelling Huidige waarde middellange termijn lange termijn (10 jaar) (30 jaar) Soort wild Aantal per 100 ha Ree Onbekend (periodiek < 1,5 (weinig schade aan de bosverjonging) vrij veel schade aan bosverjonging) Beheermaatregelen Prio- Beschrijving maatregel riteit -Wanneer het aantal reeën aan het eind van de winter meer dan 1,5 is en/of er veel schade aan bosverjonging is, afschot 1 van reeën tot het niveau van 1,5 per 100 ha. 4.6 Werkverdeling* Tekst* Geef aan welke werkzaamheden binnen het bosbedrijf door u zelf worden uitgevoerd, welke u door eigen personeel laat uitvoeren en wat wordt uitbesteed. Geef bij uitbesteed werk aan welke aannemers/bosbedrijven u dit werk laat uitvoeren. Bij uitbesteding van werkzaamheden voor meer dan € 2250,- moeten de aannemers voldoen aan de criteria van de Erkenningsregeling bosaannemers (FSC-eis). 25 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Wilt u de gegevens over werkverdeling in tabelvorm weergeven? Zo niet, ga dan door naar “5 Herstel en ontwikkeling”. Tabel** Voorbeeld Uitvoering ervan Werkzaamheden Eigen Zelf Uitbesteed aan bosbedrijf/ aannemer: personeel Planning Opstellen beheerplan Eelerwoude X Ingenieursbureau Opstellen werkplannen Eelerwoude X X Ingenieursbureau Bosbeheer Blessen X X Bosgroep Vellen X Planten X Houtverkoop X Bosgroep Toezicht bosbeheer X X Bosgroep Recreatie en ontsluiting Onderhoud wegen X De Vries Onderhoud Jansen X waterwegen Onderhoud Pietersen X recreatievoorzieningen Toezicht op onderhoud X Voorlichting X Algemeen toezicht X Overig Algemene Eelerwoude X X directievoering Ingenieursbureau Administratie X 26 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 5 HERSTEL EN ONTWIKKELING* In dit hoofdstuk wordt aandacht besteedt aan eenmalige projectmatige activiteiten die bedoeld zijn om impulsen te geven aan nieuwe ontwikkelingen in het bosgebied. Deze projecten staan buiten het reguliere bosbeheer. Het kan bijvoorbeeld gaan om het graven van poelen, de aanleg van een fietspad of het veranderen van de waterhuishouding, maar ook om grootschalige omvormingsvellingen in het bos. Soms is het nodig (en verplicht, zie FCS-eis 26 in bijlage 1) eerst onderzoek uit te voeren. Gaat u de komende 10 jaar inrichtings- en herstelprojecten uitvoeren? Als dit zo is, beschrijf deze dan hieronder. Is dit niet zo, ga dan door naar “5.2 Onderzoeksprojecten”. 5.1 Inrichtings- en herstelprojecten* Tekst* Beschrijf één of meer inrichtings- of herstelprojecten die u wilt (laten) uitvoeren om de voor het bosgebied gestelde doelen te realiseren. Geef kort de motivatie en de te verwachten meerwaarde voor het bosgebied aan. Geef ook aan welke effecten het project heeft op natuur en milieu en hoe eventuele negatieve effecten geminimaliseerd kunnen worden (FSC-eis). Toelichting Soms zijn éénmalige inrichtings-, of herstelprojecten nodig om de gestelde doelen te kunnen realiseren. Deze projecten kunnen heel verschillend van aard zijn, van het graven van poelen tot het herstel van grafheuvels, het uitbaggeren van een ven en de aanleg van een fietspad. Tabel** Geef voor elk inrichtings- en herstelproject het doel aan. Werk een korte projectbeschrijving uit en geef zo goed mogelijk aan uit welke onderdelen het project bestaat. Geef door middel van een cijfer aan welke status en prioriteit het project heeft. Toelichting Met status wordt aangegeven hoe belangrijk men het – ten opzichte van andere projecten - vindt dat het onderzoeksproject wordt uitgevoerd (1 = hoogste status). Met prioriteit wordt, zoals eerder al is vermeld, aangegeven hoe snel met uitvoering van het onderzoeksproject begonnen moet worden (1 = hoogste prioriteit). 27 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Voorbeeld Naam inrichtings- Aanleg twee poelen status: 1 Prio- 2 /herstelproject: riteit: Projectdoel projectbeschrijving Onderdelen Realiseren van Enkele lage plekken op de grens van bos Bepalen exacte locaties, twee poelen aan en weiland bieden goede kansen voor omvang en diepte van de de bosrand, met het ontwikkelen van poelen met hoge te graven poelen. een rijk waterleven landschappelijke waarden en Aanvragen subsidies natuurwaarden. Door hier twee ovale voor aanleg; keuze poelen (ca. 15 m doorsnede) met elk één aannemers. oever met een stijl en Uitgraven van de poelen; één met ene flauw talud aan te leggen, grond verwerken in zijn de kansen op een rijke waterflora en directe omgeving. –fauna groot. Door aan de weilandzijde Aanplanten wilgen en enkele (knot)wilgen te planten, wordt de plaatsen informatiebord landschappelijke betekenis vergroot. bij één van de poelen. 5.2 Onderzoeksprojecten** Wilt u onderzoeksprojecten beschrijven en/of wilt u de beschreven (onderzoeks-, inrichtings- en herstel)projecten op kaart weergeven? Zo niet, ga dan door naar “6 Begroting”. Tekst** Beschrijf één of meer onderzoeksprojecten die u wilt (laten) uitvoeren als ondersteuning van resultaat- en doelgericht beheer van het bosgebied. Geef ook kort de motivatie en de te verwachten meerwaarde voor het bosgebied aan. Toelichting Vaak is voor de optimalisering van het beheer van een bosgebied op bepaalde terreinen (zoals ecologie, hydrologie, management, bosgebruik etc.) te weinig kennis aanwezig. Via onderzoeksprojecten kunnen kennisleemtes worden opgevuld. De uitkomst van een onderzoeksproject kan bepalen of en hoe een beheermaatregel of een inrichtings- of herstelproject wordt uitgevoerd. Tabel** Geef voor elk onderzoeksproject het doel aan. Werk een korte projectbeschrijving uit en geef zo goed mogelijk aan uit welke onderdelen het project bestaat. Geef door middel van een cijfer aan welke status en prioriteit het project heeft (zie toelichting bij § 5.1). Figuur** Kaart van het bosgebied waarop de locaties van beschreven projecten zijn aangegeven (projectenkaart) 28 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 6 BEGROTING** Met het geven van een kort overzicht van het huidige en het gewenste financiële resultaat (§ 4.1) voldoet u aan de FSC-eis (zie bijlage 1).Toch is het aan te bevelen ook een uitgebreidere begroting op te stellen van de kosten en opbrengsten die het geplande beheer en de geplande projecten de komende 10 jaar met zich meebrengen. Het geeft een goed inzicht in de financiële positie en mogelijkheden van het bosbedrijf en is ook een toets of het geplande beheer realistisch is: misschien moet dit aan de hand van het inzicht dat voortvloeit uit de begroting wel bijgesteld worden. Wilt u in het beheerplan een begroting opnemen van de kosten en opbrengsten van het reguliere beheer van het bosgebied voor de komende 10 jaar? Zo niet, ga dan door naar “6.2 Herstel en ontwikkeling” 6.1 Regulier beheer** Tekst** Beschrijf aan de hand van onderstaande tabel in het kort hoe het totale saldo van kosten en opbrengsten van het reguliere beheer eruit ziet, en welke beheermaatregelen of andere kostenplaatsen in de komende 10 jaar (beheerplanperiode) het meest bepalend zijn voor het totale kostenplaatje van het reguliere beheer. Toelichting Het Normenboek van Staatsbosbeheer (Staatsbosbeheer 2000) of van het IMAG- DLO (IMAG 1994) kunnen hiervoor als hulpmiddel dienen. Tabel** Geef per maatregel aan over welke oppervlakte deze in de komende 10 jaar uitgevoerd gaat worden en hoeveel de te verwachten opbrengsten, kosten en saldi per ha bedragen. Geef per maatregel/kostenplaats ook aan hoeveel de te verwachten totale opbrengsten, kosten en saldi bedragen. Tel de opbrengsten, kosten en saldi per maatregel/kostendrager op tot totale waarden. Deze geven een indicatie van de aan regulier beheer gerelateerde kosten en opbrengsten over de komende 10 jaar. 29 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Voorbeeld Maatregel/kosten Opp., Op- Kosten Saldo Op- Kosten Saldo plaats Lengte breng- breng- of sten sten Totaal# (€) Aantal € per ha, km of stuk Bosbeheer Blessen 90 ha 0 60 -60 0 5400 -5400 Groepenkap 20 ha 2450 200 +2250 49000 4000 +45000 Dunnen 70 ha 1100 150 +950 77000 10500 +66500 Planten eik 5 ha 0 500 -500 0 2500 -2500 (500/ha) Bijzondere waarden Afzetten 5 km 650 4000 -3350 3250 20000 -16750 (2,5 ha) houtwallen Hakhoutbeheer bij Tweestijlige 0,3 ha 600 3750 -3150 175 1125 -950 meidoorn Opwerpen 2 stuks 0 750 -750 0 750 -750 broedhopen Recreatie en ontsluiting Onderhoud 40 km 0 125 -125 0 5000 -5000 wegen Onderhoud 15 km 0 500 -500 0 7500 -7500 waterwegen Onderhoud - - - - 0 6000 -6000 recreatievoorz. Dagelijks toezicht - - - - 0 32500 -32500 Voorlichting - - - - 0 7500 -7500 Jacht Verhuur 120 ha - - - 15000 0 +15000 Onderhoud 0,5 ha 0 1500 -1500 0 3000 -3000 wildakker Overige opbrengsten Beheersubsidie Regeling 120 ha 750 0 750 90000 0 +90000 Natuurbeheer Recreatiesubsi- die Regeling 120 ha 150 0 150 18000 0 +18000 Natuurbeheer Overige kosten Administratie - - - - 0 15000 -15000 Leiding - - - - 0 30000 -30000 Beheerplanning - - - - 0 15000 -15000 Heffingen - - - - 0 47500 -47500 Contributies - - - - 0 5000 -5000 Verzekeringen - - - - 0 20000 -20000 Algemene kosten - - - - 0 10000 -10000 Totaal#: 252425 248275 +4150 #totaal over de gehele beheerplanperiode van 10 jaar 30 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 6.2 Herstel en ontwikkeling** Wilt u voor gewenste éénmalige projecten een begroting opstellen voor de komende 10 jaar? Zo niet, ga dan door naar “Literatuur” Tekst** Geef in het kort de kosten en financieringsmogelijkheden aan voor de in hoofdstuk 5 beschreven projecten, en relateer de financiële inschattingen van deze projecten aan de gestelde prioriteit. Toelichting De begroting van projecten is hier apart gehouden van de van het reguliere beheer omdat de kosten en financiering hiervan doorgaans buiten het normale beheerbudget vallen. Tabel** Maak voor elk project een tabel. Geef per project aan welke onderdelen dit beslaat en hoeveel de te verwachten opbrengsten, kosten en saldi bedragen. Tel de opbrengsten, kosten en saldi van de diverse onderdelen op tot totale waarden. Deze geven een indicatie van de aan het project gerelateerde éénmalige kosten en opbrengsten. Uitvoering van projecten kan soms leiden tot blijvende kostenstijging (of daling) van het reguliere beheer (bijvoorbeeld extra onderhoudskosten). Als dit zo is, geef dan een inschatting van deze verandering in kosten van het reguliere beheer. LITERATUUR* Beschrijf de voor het beheerplan gebruikte literatuur 31 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • BIJLAGEN 1 FSC-EISEN In februari 2000 is door de FSC-werkgroep Nederland een voorstel opgesteld voor een Nederlandse standaard voor FSC-certificering van goed bosbeheer in Nederland. Tot op heden is deze nog niet definitief vastgesteld. Desondanks vormt dit voorstel de basis voor de FSC-eisen zoals die hier zijn geformuleerd. Slechts een deel van de eisen uit de voorgestelde FSC-standaard heeft betrekking op het beheerplan. Globaal luiden de eisen voor het beheerplan (naar van Blitterswijk et al 2000): - minimaal eens in de 10 jaar actualiseren van het plan; - een beschrijving geven van de huidige toestand van het bos; - een beschrijving geven van de streeftoestand van het bos; - de maatregelen beschrijven waarmee de streeftoestand gerealiseerd moet worden; - aangegeven welke functies het bos moet vervullen. In het rapport “Beter bos vastgelegd” (Stichting Face 2000) zijn de FSC-eisen voor beheerplannen meer in detail uitgewerkt. Aan de hand van dit rapport is het eisenoverzicht opgesteld dat op de volgende pagina is afgebeeld. Dit eisenoverzicht heeft als randvoorwaarde gediend bij het opstellen van het format. Bij elke eis is aangegeven in welk hoofdstuk van het format-beheerplan dit is terug te vinden. Een gedegen bosbeheerplan voldoet automatisch aan de meeste eisen uit deze lijst. Aandachtspunten zijn ecologische relaties met de omgeving (10), bescherming van bijzondere waarden (13, 14, 16), omgang met ontwatering, bemesting en bestrijdingsmiddelen (21, 22, 23), monitoring van beheereffecten (25), en effectbeschrijving en –minimalisatie van grote projecten (26). Eisen voor het bos zelf zijn: - minimaal streven naar een aandeel van 50% inheemse boomsoorten over 30 jaar (15); - waar dit mogelijk en zinvol is gebruik maken van natuurlijke verjonging (17); - de schaal van verjongingsvlakten is kleiner dan 2 ha (18); - minimaal streven naar 4 dikke dode bomen (dikker dan 30 cm) per ha over 30 jaar (19); - minimaal 25% van het bos moet over 30 jaar gemengd zijn (20). B1 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • In beheer- FSC-eisen aan beheerplan (naar Stichting Face 2000) planformat (hoofdstuk) 1 Planperiode en planningscyclus 10 jaar of minder Nvt 2 Gedetailleerde inventarisatiegegevens opnemen 2, 4 3 Informatie over bosbeheer en maatregelen 4, 5 4 Doelstellingen voor lange en middellangetermijn 3, 4 5 Informatie over gewenste en feitelijke bosontwikkeling 3, 4 6 Informatie over communicatie met betrokkenen 4 7 Planning maatregelen, waaronder houtoogst 4 8 Financiële paragraaf 4, 6 9 Toezicht (tegengaan ongewenst bosgebruik) 4 10 Ecologische relaties met haar omgeving 2, 3, 4, 5 11 Bosbeheer is gericht op duurzame instandhouding (“goed bosbeheer”) 3, 4 12 Het bosbeheer is gericht op vervulling van meerdere functies, waaronder ten 3 minste de functies natuur/landschap, recreatie en houtproductie 13 Aanwezige natuurlijke inheemse bosgemeenschappen/ waardevolle 3, 4 (evt. als bostypen (A-locaties, bosreservaten, Natuurbeschermingswetgebieden) apart deel- worden beschermd en instandgehouden gebied) 14 Aanwezige elementen met bijzondere beheervormen, sociale, culturele, wetenschappelijke of educatieve waarden worden beschermd en 4 instandgehouden 15 Er wordt naar gestreefd dat over 30 jaar ten minste 50% van het bos 4 (grondvlak) uit inheemse boomsoorten bestaat 16 Zeldzame en bedreigde planten- en diersoorten en hun habitat worden 4 beschermd; hun voorkomen wordt op kaart aangegeven. 17 Bij het bosbeheer wordt waar mogelijk en zinvol, gebruik gemaakt van 4 natuurlijke verjonging 18 De schaal van verjongingsvlakten is maximaal 2 ha 4 19 Er wordt gestreefd naar een aandeel oude bomen en dood hout (minimaal 4 4 dode bomen van minimaal 30 cm dik per ha of in 5% van het bosbezit permanent geen houtoogst) 20 Na 30 jaar moet ten minste 25% van het bosoppervlak individueel of 4 groepsgewijs gemengd zijn (in gemengd bos mag op 0,5 ha maximaal 80% uit één boomsoort bestaan) 21 Bestrijdingsmiddelen worden niet gebruikt, tenzij plaatselijk, doelgericht en goed beargumenteerd. Biologische bestrijding gebeurt niet met genetische 4, 5 gemodificeerde organismen 22 Er worden geen nieuwe greppels of andere ontwateringsvoorzieningen 4, 5 aangelegd, tenzij het voortbestaan van het bos in gevaar komt 23 Bemesting alleen doelgericht nadat een gebrek aan een bepaald nutriënt is 4, 5 vastgesteld of als compensatie van nadelig effect van zure depositie 24 Bij uitbesteding van werk voor meer dan € 2250,- moeten de aannemers 4 voldoen aan de criteria van de Erkenningsregeling bosaannemers 25 Beheereffecten worden gemonitord en monitoringgegevens worden gebruikt 4 bij herziening beheerplannen 26 Uitvoeren onderzoek naar en aan de hand daarvan aangeven van effecten 5 op natuur en milieu bij ingrijpende veranderingen in bosbeheer; maatregelen aangeven om deze effecten te minimaliseren 27 Productiebeplantingen moeten de rest van het bos ontzien, en mogen 4 (als apart uitsluitend bestaan uit wilg, zoete kers, tamme kastanje, walnoot, populier, deelgebied) robinia of fijnspar 28 Productiebeplantingen bevatten minimaal 10% menging met inheemse 4 boomsoorten, waarvan hoogstens de helft geoogst wordt 29 In Productiebeplantingen is de schaal van oogst maximaal 5 ha 4 30 Er wordt aangegeven welke effecten de productiebeplanting heeft op bodem, 4 waterhuishouding, ziekten en plagen B2 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 2 BEHEERPLANNING Bij het opstellen van het beheerplanformat is de planningsmethode die door Alterra in samenwerking met Eelerwoude is ontwikkeld, als basis gebruikt. Deze methode is ontwikkeld voor geïntegreerd bosbeheer in de gemeentebossen van Someren, maar is algemeen toepasbaar voor de bosbeheerplanning. De methode is beschreven in een Alterra-rapport (Van Raffe & Wolf 2000), in een artikel in Vakblad Natuurbeheer (Van Raffe & Wolf 2001) en in een Alterra-brochure. De uitwerking voor gemeente Someren is te vinden in een ander Alterra-rapport (Wolf et al 2000a) en in een artikel in Groen (Wolf et al 2000b). Daarnaast is een aantal discussiepunten over bosbeheerplanning beschreven in een artikel in het Nederlands Bosbouwtijdschrift (Wolf & Van Raffe 2000). In de genoemde methode voor beheerplanning worden drie verschillende plannen (Beheervisie, Beheerplan, Werkplan) en een afzonderlijk inventarisatiedeel onderscheiden. Dit onderscheid vormt een belangrijke basis voor effectieve beheerplanning (zie onderstaand figuur). Ook de vertaling van de algemene, abstracte hoofddoelstelling naar concrete beheermaatregelen is essentieel voor een doelmatig planproces. Dit gebeurt in stappen. Deze stappen zijn in de figuur schematisch afgebeeld. In het beheerplanformat zijn de verschillende plannen en de inventarisatiegegevens zoveel mogelijk geïntegreerd. Hiermee is het format compact gemaakt, zonder dat daarbij stappen van het planproces zijn weggelaten. In de figuur is aangegeven in welke hoofdstukken van het beheerplanformat de diverse onderdelen van “inventarisatie”, “beheervisie” en “beheerplan” zijn terug te vinden. B3 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • BEHEERVISIE BEHEERPLAN WERKPLAN INVENTARISATIE (30 jaar) (10 jaar) (1 jaar) Missie/ Hoofddoelstelling Functies Groeiplaatsen Functiezonering Bossamenstelling Deelgebieden Lange termijndoelen (product- en terreindoelen) Middellange Uitgangssituatie termijndoelen per terreindoel (product- en terreindoelen) Maatregelen Projecten Globale begroting Werkvakken & Werkblokken Uitgangssituatie per maatregel- Maatregelen criterium (jaarlijks, per werkvak) Middelen Jaarbegroting Hoofdstuk 2 + 4 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 6 Niet in het beheerplanformat Beheerplanstructuur in relatie tot het beheerplanformat (naar Wolf et al 2000b). B4 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 3 INHEEMSE SOORTEN De onderstaande bomen en hoge struiken worden zowel bij FSC-certificering als binnen de Subsidieregeling Natuurbeheer als inheems beschouwd (Dienst landelijk Gebied 2000; FSC- werkgroep Nederland 1999). Inheemse soorten Amandelwilg Hollandse linde Tamme kastanje Appel Hulst Taxus Beuk Jeneverbes Trosvlier Bittere wilg Koraalmeidoorn Tweestijlige meidoorn Boswilg Kraakwilg Vogelkers Eenstijlige meidoorn Laurierwilg Wegedoorn Fladderiep Mispel Wilde kardinaalsmuts Gladde iep Peer Wilde liguster Gelderse roos Ratelpopulier Wilde lijsterbes Gele kornoelje Rode kamperfoelie Wintereik Geoorde wilg Rode kornoelje Witte els Gewone es Rode paardekastanje Witte paardekastanje Gewone esdoorn Rossige wilg Zachte berk Gewone vlier Ruwe berk Zoete kers Grauwe abeel Ruwe iep Zomereik Grauwe wilg Schietwilg Zomerlinde Grove den Sleedoorn Zwarte els Haagbeuk Spaanse aak Zwarte populier Hazelaar Sporkehout En kruisingen tussen genoemde soorten B5 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 4 RODE LIJSTEN EN BESCHERMDE SOORTEN Rode lijsten Rode lijst zoogdieren (25 soorten; Lina & Van Ommering 1994) Bechstein’s vleermuis, Bever, Boommarter, Brandt’s vleermuis, Bruinvis, Damhert, Edelhert, Eikelmuis, Franjestaart, Gewone zeehond, Grijze grootoorvleermuis, Grijze zeehond, Grote bosmuis, Grote hoefijzerneus, Hazelmuis, Ingekorven vleermuis, Kleine hoefijzerneus, Mopsvleermuis, Noordse woelmuis, Otter, Tuimelaar, Vale vleermuis, Veldspitsmuis, Waterspitsmuis, Wild zwijn. Rode lijst vogels (57 soorten; Lina & Van Ommering 1996) Baardmannetje, Blauwe kiekendief, Bontbekplevier, Dodaars, Draaihals, Duinpieper, Dwergstern, Eidereend, Geelgors, Geoorde fuut, Grauwe gors, Grauwe kiekendief, Grauwe klauwier, Griel, Groene specht, Grote karekiet, Grote stern, Grutto, Hop, IJsvogel, Kemphaan, Kerkuil, Klapekster, Kluut, Korhoen, Kraanvogel, Krooneend, Kuifleeuwerik, Kwak, Kwartelkoning, Lepelaar, Nachtzwaluw, Noordse stern, Oeverzwaluw, Ooievaar, Ortolaan, Paapje, Patrijs, Porseleinhoen, Purperreiger, Raaf, Rietzanger, Rode wouw, Roerdomp, Roodborsttapuit, Roodkopklauwier, Snor, Steenuil, Strandplevier, Tapuit, Tureluur, Velduil, Visdief, Watersnip, Woudaapje, Zomertaling, Zwarte stern. Rode lijst reptielen en amfibieën (15 soorten; Hom et al 1996) Adder, Gladde slang, Hazelworm, Muurhagedis, Ringslang, Zandhagedis. Boomkikker, Geelbuikvuurpad, Heikikker, Kamsalamander, Knoflookpad, Poelkikker, Vinpootsalamander, Vroedmeesterpad, Vuursalamander. Rode lijst dagvlinders (47 soorten; Van Ommering et al 1995) Aardbeivlinder, Bont dikkopje, Bosparelmoervlinder, Bruin blauwtje, Bruin dikkopje, Bruine eikepage, Bruine vuurvlinder, Donker pimpernelblauwtje, Duingentiaanblauwtje, Duinparelmoervlinder, Dwergblauwtje, Dwergdikkopje, Groot geaderd witje, Grote parelmoervlinder, Grote vos, Grote vuurvlinder, Grote weerschijnvlinder, Heideblauwtje, Heidegentiaanblauwtje, Heivlinder, Iepepage, Kalkgraslanddikkopje, Keizersmantel, Klaverblauwtje, Kleine heivlinder, Kleine ijsvogelvlinder, Kleine parelmoervlinder, Kommavlinder, Koninginnepage, Moerasparelmoervlinder, Pimpernelblauwtje, Purperstreepparelmoervlinder, Rode vuurvlinder, Rouwmantel, Sleedoornpage, Spiegeldikkopje, Tijmblauwtje, Tweekleurig hooibeestje, Vals heideblauwtje, Veenbesblauwtje, Veenbesparelmoervlinder, Veenhooibeestje, Veldparelmoervlinder, Woudparelmoervlinder, Zilveren maan, Zilverstreephooibeestje, Zilvervlek. B6 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Rode lijst hogere planten (541 soorten; Weeda et al 1990) Wegens grote aantal hier niet opgenomen. Rode lijst-planten zijn als zodanig aangegeven in de Heukels flora (21ste en 22ste druk, Van der Meijden 1990, 1996). Beschermde soorten (Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 1997) Zoogdieren: Bever, Das, Eekhoorn, Egel, Eikelmuis, Grijze zeehond, Hamster, Hazelmuis, Noordse woelmuis, Otter, alle Vleermuissoorten, alle Walvisachtigen, Zeehond. Reptielen: Moerasschildpad, alle soorten Hagedissen en Slangen. Amfibieën: alle soorten Kikkers, Padden en Salamanders. Vissen: Beekprik, Bermpje, Bittervoorn, Elrits, Gestippelde alver, Grote modderkruiper, Houting, Kleine modderkruiper, Meerval, Rivierdonderpad, Rivierprik, Steur. Insecten: Brede geelrand waterroofkever, Gestreepte waterroofkever, Heldenbok, Juchtleerkever, Vliegend hert. Bronslibel, Donkere winterjuffer, Gaffellibel, Gevlekte witsnuitlibel, Groene glazenmaker, Rivierrombout, Oostelijke witsnuitlibel, Sierlijke witsnuitlibel, Bruin dikkopje, Donker pimpernelblauwtje, Dwergblauwtje, Dwergdikkopje, Groot geaderd witje, Grote ijsvogelvlinder, Grote vos, Grote vuurvlinder, Heideblauwtje, Iepepage, Kalkgraslanddikkopje, Keizersmantel, Kleine heivlinder, Pimpernelblauwtje, Rouwmantel, Tweekleurig hooibeestje, Vals heideblauwtje, Veenbesblauwtje, Veenbesparelmoervlinder. Kreeftachtigen: Rivierkreeft Slakken: Wijngaardslak Planten: Aardaker, Beenbreek, Blaasvaren, Blauwe zeedistel, Daslook, Gele helmbloem, alle Gentianen, Gewone vogelmelk, Groensteel, Grote kaardenbol, Herfsttijloos, Jeneverbes, Kleine maagdenpalm, Klein glaskruid, alle Klokjes, Knikkende vogelmelk, Koningsvaren, Lange ereprijs, Muurbloem, alle Orchideeën, Parnassia, Pijlscheefkelk, Rechte driehoeksvaren, Schubvaren, alle Sleutelbloemen, Spaanse ruiter, Steenanjer, Steenbreekvaren, Stengelomvattend havikskruid, Stijf hardgras, Tongvaren, Valkruid, Veldsalie, Waterdrieblad, Wilde kivietsbloem, Wilde marjolein, Zinkviooltje, Zomerklokje, alle soorten Zonnedauw, Zwanebloem, Zwartsteel. B7 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 5 GRONDWATERTRAPPEN Bij de indeling in grondwatertrappen (Gt’s) die door de Stichting voor Bodemkartering (tegenwoordig onderdeel van Alterra) in de bodemkaarten wordt gehanteerd, wordt uitgegaan van verschillende combinaties van een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De GHG is een maat voor het hoogste grondwaterniveau in een normale winter. De GLG voor het laagste niveau in een gemiddelde zomer (zie ook begrippenlijst, hoofdstuk 9). De grondwatertrappen zijn van I tot VII geordend van nat naar droog. De droogste gedeelten binnen een aantal grondwatertrappen zijn met een ster (*) aangemerkt. Vaak gaat het om bodems die (kunstmatig) ontwaterd zijn. Grondwatertrap I en IV hebben geringe wisselingen in waterstand gedurende het jaar, terwijl grondwatertrap V juist gekenmerkt wordt door zeer grote verschillen tussen waterstanden in de winter en in de zomer. De andere grondwatertrappen zitten wat betreft jaarlijkse wisselingen in grondwaterstand tussen de bovengenoemde situaties in. Grondwatertrap VII* wordt soms als VIII aangemerkt. Grondwatertrap Gemiddeld Hoogste Gemiddeld Laagste (Gt) grondwaterstand (GHG) grondwaterstand (GLG) (cm beneden maaiveld) (cm beneden maaiveld) I < 20 < 50 II < 40 50-80 II* 25-40 50-80 III <40 80-120 III* 25-40 80-120 IV >40 80-120 V <40 >120 V* 25-40 >120 VI 40-80 >120 VII >80 >160 VII* (VIII) >140 >160 B8 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 6 GROEIPLAATSEN EN NATUURLIJKE BOOM-/STRUIKSOORTEN Onderstaand overzicht is afgeleid van de (concepten van) de serie Bosecosystemen van Nederland (Stortelder et al 1998; Wolf et al 2001; Stortelder et al in prep). Gebruik: - bepaal in welk landschap het bosgebied ligt (Hogere zandgronden, Heuvelland Zuid-Limburg, Rivierengebied, Zeeklei- en laagveengebied, Kustduinen; bepaal de groeiplaats (PNV) aan de hand van de bodemeenheden; - bepaal de natuurlijke soorten die op deze groeiplaats voorkomen. - Groeiplaats Karakteristieke bodemeenheden Natuurlijke soorten Hoofd- Aanvullende soorten soorten Landschap: Hogere Zandgronden Droog Berken- Haarpodzolgronden (Hd21, Hd30) Zomereik Grove den, Lijsterbes, Ruwe berk, Vuilboom Zomereikenbos Duinvaaggronden (Zd21) (PNV 6) Vlakvaaggronden (Zn21) Veldpodzolgronden (Hn21) Grondwatertrap: VII, VII* Vochtig Berken- Veldpodzolgronden (Hn21) Zomereik Geoorde wilg, Ruwe berk, Vuilboom, Zachte Zomereikenbos Vlakvaaggronden (Zd21) berk (PNV 7) Grondwatertrap: III, III*, V, V*,VI Droog Holtpodzolgronden (Y21, Y23, Y30) Beuk Appel, Boswilg, Hulst, Lijsterbes, Peer, Wintereiken- Loopodzolgronden (cHd21, cHd23, cHd30) Ratelpopulier, Ruwe berk, Vuilboom, Beukenbos Enkeerdgronden (zEZ21, zEZ23, zEZ30) Wintereik, Winterlinde, Zomereik (PNV 8) Veldpodzolgronden (Hn 23) Laarpodzolgronden (cHn21, cHn23) Vorstvaaggronden (Zb 21, Zb23) Grondwatertrap: VII, VII* Vochtig Veldpodzolgronden (Hn23, Hn21x, Hn23x) Beuk Boswilg, Hazelaar, Hulst, Lijsterbes, Wintereiken- Laarpodzolgronden (cHn21x, cHn23x) Ratelpopulier, Ruwe berk, Vuilboom, Beukenbos Beekeerdgronden (pZg21) Wintereik, Zachte berk, Zomereik (PNV 9) Gooreerdgronden (pZn21, pZn23) Grondwatertrap: V*, VI Elzen-Eikenbos Veldpodzolgronden (Hn23, Hn21x, Hn23x) Vuilboom, Eenstijlige meidoorn, Gelderse roos, Grauwe (PNV 10) Moerpodzolgronden (vWp) Zachte wilg, Hazelaar, Hulst, Lijsterbes, Laarpodzolgronden (cHn21x, cHn23x) berk, Ratelpopulier, Ruwe berk, Vogelkers Beekeerdgronden (pZg21) Zomereik, Gooreerdgronden (pZn21, pZn23) Zwarte els Grondwatertrap: III, III*, V Gierstgras- Ooivaaggronden Ld5, Ld6, Beuk Eenstijlige meidoorn, Haagbeuk, Hazelaar, Beukenbos Poldervaaggronden Ln5 Hulst, Kers, Lijsterbes, Ruwe berk, Taxus, (PNV 13) (in kalkloze löss/leem) Wintereik, Winterlinde, Zomereik Grondwatertrap: VI, VII, VII* Gewoon Eiken- Keileem- of potkleigronden (KX) Haagbeuk, Beuk, Eenstijlige meidoorn, Es, Gelderse Haagbeuken- Beekeerdgronden (pZg23, kpZg23) Hazelaar, roos, Hondsroos, Kardinaalsmuts, Kers, bos (kalkhoudend) Zomereik Lijsterbes, Linde, Rode kornoelje, Ruwe (PNV 17) berk, Sleedoorn, Tweestijlige meidoorn, Grondwatertrap: V, V*, soms VI Wegendoorn, Winterlinde, Zachte berk, Zomerlinde Kamperfoelierijk Keileem- of potkleigronden (KX) Haagbeuk, Aalbes, Beuk, Eenstijlige meidoorn, Eiken- Beekeerdgronden (pZg23, kpZg23) Hazelaar, Hondsroos, Kers, Lijsterbes, Ratelpopulier, Haagbeuken- (kalkloos) Zomereik Rode kornoelje, Ruwe berk, Tweestijlige bos meidoorn, Vogelkers, Vuilboom, Zachte berk (PNV 18) Grondwatertrap: V, V*, soms VI B9 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Groeiplaats Karakteristieke bodemeenheden Natuurlijke soorten Hoofd- Aanvullende soorten soorten Landschap: Hogere Zandgronden (vervolg) Vogelkers- Beekeerdgronden (pZg23, kpZg23) Es, Aalbes, Eenstijlige meidoorn, Grauwe wilg, Essenbos (kalkhoudend/kalkrijk) Gelderse Haagbeuk, Hazelaar, Hondsroos, (PNV 23) roos, Kardinaalsmuts, Kers, Lijsterbes, Rode Grondwatertrap III, III* Vogelkers, kornoelje, Ruwe berk, Zachte berk, Zwarte els Zomereik, Zwarte bes Gewoon Broekeerdgronden (vWz, zVz, kWz) Zwarte els, Es, Gelderse roos, Grauwe wilg, Lijsterbes, Elzenbroek Zwarte bes Vuilboom, Zachte berk (PNV 29) Grondwatertrap I, II Berken- Vlierveengronden (Vz, Vp, Vs) Vuilboom, Gagel, Geoorde wilg, Grauwe wilg, Elzenbroek Zachte Lijsterbes, Kruipwilg, Ratelpopulier, Zomereik (PNV 31) Grondwatertrap I, II berk, Zwarte els Groeiplaats Karakteristieke bodemeenheden Natuurlijke soorten Hoofd- Aanvullende soorten soorten Landschap: Heuvelland Zuid Limburg Droog Poldervaaggronden (Ln5, Ln6) Beuk, Appel, Boswilg, Hulst, Kers, Lijsterbes, Wintereiken- (verarmde, ontkalkte löss) Wintereik Ratelpopulier, Ruwe berk, Tamme Beukenbos kastanje, Vuilboom, Winterlinde, Zomereik (PNV 8) Grondwatertrap: VII, VII* Vochtig Poldervaaggronden (Ln5, Ln6) Beuk, Boswilg, Hazelaar, Hulst, Lijsterbes, Wintereiken- (verarmde, ontkalkte löss) Wintereik Ratelpopulier, Ruwe berk, Tamme Beukenbos kastanje, Vuilboom, Zachte berk, Zomereik (PNV 9) Grondwatertrap: V*, VI Veldbies- Grindgronden (G1) Beuk Appel, Boswilg, Haagbeuk, Hulst, Beukenbos Vuursteengronden (G2) Lijsterbes, Mispel, Ratelpopulier, Ruwe (PNV 12) berk, Trosvlier, Vuilboom, Zomereik, Grondwatertrap: VII, VII* Wintereik, Gierstgras- Ooivaaggronden (Ld5, Ld6) Beuk Eenstijlige meidoorn, Haagbeuk, Hazelaar, Beukenbos Poldervaaggronden (Ln5) Hulst, Kers, Lijsterbes, Ruwe berk, Taxus, (PNV 13) Kleefaardegronden (KM) Wintereik, Winterlinde, Zomereik (kalkloos) Grondwatertrap: VI, VII, VII* Parelgras- Ooivaaggronden (Ld5, Ld6, Lh5, Lh6) Beuk Aalbes, Eenstijlige meidoorn, Es, Esdoorn, Beukenbos Kleefaardegronden (KM) Gelderse roos, Haagbeuk, Hazelaar, (PNV 14) Krijteerdgronden (KD) Kardinaalsmuts, Kers, Rode kornoelje, (kalkrijk) Rood peperboompje, Ruwe berk, Sleedoorn, Wegendoorn, Wintereik, Grondwatertrap: VI, VII, VII* Winterlinde, Zomereik Gewoon Eiken- Ooivaaggronden (Ld5, Ld6, Lh5, Lh6) Beuk, Eenstijlige meidoorn, Es, Gelderse roos, Haagbeuken- Poldervaaggronden (Ln5) Haagbeuk, Hondsroos, Kardinaalsmuts, Kers, bos Kleefaardegronden (KM) Hazelaar, Lijsterbes, Linde, Rode kornoelje, Ruwe (PNV 17) Krijteerdgronden (KD) Zomereik berk, Sleedoorn, Tweestijlige meidoorn, Beekeerdgronden (pZg23, kpZg23) Wegendoorn, Winterlinde, Zachte berk, (kalkhoudend) Zomerlinde Grondwatertrap: V, V* Vogelkers- Beekeerdgronden (pZg23, kpZg23) Es, Aalbes, Eenstijlige meidoorn, Gelderse Essenbos (kalkhoudend/kalkrijk) Vogelkers, roos, Grauwe wilg, Haagbeuk, Hazelaar, (PNV 23) Zwarte els Hondsroos, Kardinaalsmuts, Kers, Lijsterbes, Rode kornoelje, Ruwe berk, Grondwatertrap: III, III* Zachte berk, Zomereik, Zwarte bes Gewoon Broekeerdgronden (vWz, zWz, kWz) Zwarte els, Es, Gelderse roos, Grauwe wilg, Lijsterbes, Elzenbroek Zwarte bes Vuilboom, Zachte berk (PNV 29) Grondwatertrap: I, II B10 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Groeiplaats Karakteristieke bodemeenheden Natuurlijke soorten Hoofd- Aanvullende soorten soorten Landschap: Rivierengebied Gierstgras- Ooivaaggronden (Ld5, Ld6) Beuk Eenstijlige meidoorn, Haagbeuk, Beukenbos (kalkloos, zandig) Hazelaar, Hulst, Kers, Lijsterbes, Ruwe (PNV 13) berk, Taxus, Wintereik, Winterlinde, Grondwatertrap: VI, VII, VII* Zomereik Gewoon Poldervaaggronden (KRn, Rn) Hazelaar, Beuk, Eenstijlige meidoorn, Es, Gelderse Eiken- Zomereik roos, Haagbeuk, Hondsroos, Haagbeuken- Kardinaalsmuts, Kers, Lijsterbes, Linde, bos Rode kornoelje, Ruwe berk, Sleedoorn, (PNV 17) Tweestijlige meidoorn, Wegendoorn, Grondwatertrap: V, V* Winterlinde, Zachte berk, Zomerlinde Abelen- Ooivaaggronden (Rd) Gladde Eenstijlige meidoorn, Egelantier, Es, Iepenbos (kalkrijk, zandig) iep, Gewone vlier, Hazelaar, Hondsroos, (PNV 20) Grauwe Kardinaalsmuts, Kruisbes, Lijsterbes, abeel Sleedoorn, Spaanse aak, Ruwe berk, Tweestijlige meidoorn, Wegendoorn, Grondwatertrap: VI, VII, VII* Zomereik, Winterlinde Essen- Poldervaaggronden (Rn) Es, Gladde Aalbes, Eenstijlige meidoorn, Egelantier, Iepenbos Ooivaaggronden (Rd) iep Gelderse roos, Hazelaar, Hondsroos, (PNV 21) Leekeerdgronden (pRn) Kardinaalsmuts, Kers, Rode kornoelje, (zavel of lichte klei) Sleedoorn, Spaanse aak, Tweestijlige meidoorn, Wegendoorn, Zomereik Grondwatertrap: IV, VI, VII Elzenrijk Poldervaaggronden (Rn) Es Aalbes, Amandelwilg, Eenstijlige Essen- Leekeerdgronden (pRn) meidoorn, Gelderse roos, Gladde iep, Iepenbos (zware klei) Grauwe wilg, Katwilg, Rode kornoelje, (PNV 22) Schietwilg, Sleedoorn, Zomereik, Zwarte Grondwatertrap: III, III*, IV bes, Zwarte els Vogelkers- Poldervaagronden (KRn1, KRn2, KRn8, Es, Aalbes, Eenstijlige meidoorn, Grauwe Essenbos Rn15c) Gelderse wilg, Haagbeuk, Hazelaar, Hondsroos, (PNV 23) (kalkhoudend/kalkrijk) roos, Kardinaalsmuts, Kers, Lijsterbes, Rode Vogelkers, kornoelje, Ruwe berk, Zachte berk, Grondwatertrap: III, III* Zwarte els Zomereik, Zwarte bes Ruigt- Koopveengronden (hV) Es, Zwarte Eenstijlige meidoorn, Grauwe wilg, Elzenbos Waardveengronden (kV) els Schietwilg, Zachte berk, Zwarte bes (PNV 27) Weideveengronden (pV) Plaseerdgronden (Wo) (overgang veen-klei; kalkarm) Grondwatertrap: II, II* Gewoon Broekeerdgronden (vWz, zWz, kWz) Zwarte els, Es, Gelderse roos, Grauwe wilg, Elzenbroek (overgang veen-zand) Zwarte bes Lijsterbes, Vuilboom, Zachte berk (PNV 29) Grondwatertrap: I, II, Schietwilgen- Poldervaaggronden (Rn) Schietwilg Amandelwilg, Bittere wilg, Grauwe wilg, bos Vlakvaaggronden Katwilg, Kraakwilg, Zwarte els, Zwarte (PNV 33) Gorsvaaggronden populier (zand tot zware klei) Grondwatertrap: I, II, II*, III B11 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Groeiplaats Karakteristieke bodemeenheden Natuurlijke soorten Hoofd- Aanvullende soorten soorten Landschap: Zeeklei- en laagveengebied Vochtig Vlakvaaggronden (Zn, Sn) Zachte Geoorde wilg, Ruwe berk, Vuilboom Berken- (kalkloos zand) berk, Zomereiken- Zomereik bos (PNV 7) Grondwatertrap: III, III*, V, V*,VI Gierstgras- Ooivaaggronden (Md) Beuk Eenstijlige meidoorn, Haagbeuk, Beukenbos (kalkloos, zandig) Hazelaar, Hulst, Lijsterbes, Ruwe berk, (PNV 13) Taxus, Wintereik, Winterlinde, Zomereik Grondwatertrap: VI, VII, VII* Abelen- Ooivaaggronden (Md) Gladde Eenstijlige meidoorn, Egelantier, Es, Iepenbos (kalkrijk, zandig) iep, Gewone vlier, Hazelaar, Hondsroos, (PNV 20) Grauwe Kardinaalsmuts, Kruisbes, Lijsterbes, abeel Sleedoorn, Spaanse aak, Ruwe berk, Tweestijlige meidoorn, Wegendoorn, Grondwatertrap: VI, VII, VII* Zomereik, Winterlinde Gewoon Poldervaaggronden (Mn) Hazelaar, Beuk, Eenstijlige meidoorn, Es, Gelderse Eiken- Zomereik roos, Haagbeuk, Hondsroos, Haagbeuken- Kardinaalsmuts, Kers, Lijsterbes, Linde, bos Rode kornoelje, Ruwe berk, Sleedoorn, (PNV 17) Tweestijlige meidoorn, Wegendoorn, Grondwatertrap: V, V* Winterlinde, Zachte berk, Zomerlinde Essen- Poldervaaggronden (Mn) Es, Gladde Aalbes, Eenstijlige meidoorn, Egelantier, Iepenbos Ooivaaggronden (Md) iep Gelderse roos, Hazelaar, Hondsroos, (PNV 21) Leekeerdgronden (pMn) Kardinaalsmuts, Kers, Rode kornoelje, (kalkrijke zavel of lichte klei) Sleedoorn, Spaanse aak, Tweestijlige meidoorn, Wegendoorn, Zomereik Grondwatertrap: IV, VI, VII Elzenrijk Poldervaaggronden (Mn) Es Aalbes, Amandelwilg, Eenstijlige Essen- Leekeerdgronden (pMn) meidoorn, Gelderse roos, Gladde iep, Iepenbos (zware klei) Grauwe wilg, Katwilg, Kraakwilg, Rode (PNV 22) kornoelje, Schietwilg, Sleedoorn, Grondwatertrap: III, III*, IV Zomereik, Zwarte bes, Zwarte els Ruigt- Koopveengronden (hV) Es, Zwarte Eenstijlige meidoorn, Grauwe wilg, Elzenbos Waardveengronden (kV) els Schietwilg, Zachte berk, Zwarte bes (PNV 27) Weideveengronden (pVk, pVz) Plaseerdgronden (Wo) (overgang veen - klei/zand; kalkarm) Grondwatertrap: II, II* Gewoon Broekeerdgronden (vWz. zWz, kWz) Zwarte els, Es, Gelderse roos, Grauwe wilg, Elzenbroek Zwarte bes Lijsterbes, Vuilboom, Zachte berk (PNV 29) Grondwatertrap: I, II Moerasvaren- Vlietveengronden (Vo) Zwarte els Grauwe wilg, Laurierwilg, Lijsterbes, Elzenbroek Vlierveengronden (Vc, Vb, Vd, Vr) Vuilboom, Zachte berk (PNV 30) Grondwatertrap: I, II Berken- Vlierveengronden (Vz, Vp, Vs) Vuilboom, Gagel, Geoorde wilg, Grauwe wilg, Elzenbroek Zachte Lijsterbes, Kruipwilg, Ratelpopulier, (PNV 31) berk, Zomereik Grondvwatertrap: I, II Zwarte els Schietwilgen- Poldervaaggronden (Mn) Schietwilg Amandelwilg, Bittere wilg, Grauwe wilg, bos Vlakvaaggronden (Zn) Katwilg, Kraakwilg, Zwarte els (PNV 33) Gorsvaaggronden (MOb) (zand tot zware klei) Grondwatertrap: I, II, II*, III B12 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Groeiplaats Karakteristieke bodemeenheden Natuurlijke soorten Hoofd- Aanvullende soorten soorten Landschap: Duinen Droog Duinvaaggronden (Zd) Zomereik, Grove den, Lijsterbes, Vuilboom Berken- Haarpodzolgronden (Hd) Ruwe berk Zomereiken- bos (kalkarm) (PNV 6) Grondwatertrap: VII, VII* Vochtig Vlakvaaggronden (Zn) Zomereik, Geoorde wilg, Ruwe berk, Vuilboom Berken- (kalkarm) Zachte Zomereiken- berk bos (PNV 7) Grondwatertrap: IV, V*, VI Droog Akkereerdgronden (cZd) Beuk, Boswilg, Hulst, Kers, Lijsterbes, Wintereiken- Wintereik Ratelpopulier, Ruwe berk, Tamme Beukenbos kastanje, Vuilboom, Zomereik (PNV 8) Grondwatertrap: VII, VII* Vochtig Beekeerdgronden (pZg) Beuk Boswilg, Hazelaar, Hulst, Lijsterbes, Wintereiken- Gooreerdgronden (cZn) Ratelpopulier, Ruwe berk, Vuilboom, Beukenbos Wintereik, Zachte berk, Zomereik (PNV 9) Grondwatertrap: V*, VI Elzen- Moerpodzolgronden (vWp) Vuilboom, Eenstijlige meidoorn, Gelderse roos, Eikenbos Beekeerdgronden (pZg) Zachte Grauwe wilg, Hazelaar, Hulst, Lijsterbes, (PNV 10) Gooreerdgronden (cZn) berk, Ratelpopulier, Ruwe berk, Vogelkers Zomereik, Grondwatertrap: III, III*, V Zwarte els Duin- Duinvaaggronden (Zd) Lijsterbes, Eenstijlige meidoorn, Hondsroos, Eikenbos (oppervlakkig ontkalkt) Zomereik Kardinaalsmuts, Ratelpopulier, Ruwe (PNV 11) berk, Vogelkers, Zachte berk Grondwatertrap: VII, VII* Gierstgras- Enkeerdgronden (zEZ) Beuk Eenstijlige meidoorn, Haagbeuk, Beukenbos Hazelaar, Hulst, Lijsterbes, Ruwe berk, (PNV 13) Grondwatertrap: V*, VI, VII, VII* Taxus, Wintereik, Winterlinde, Zomereik Duin- Vlakvaaggronden (Zn) Eenstijlige Duindoorn, Egelantier, Gelderse roos, Berkenbos (kalkrijk) meidoorn, Grauwe abeel, Kardinaalsmuts, Kruisbes, (PNV 19) Hondsroos Lijsterbes, Vogelkers, Vuilboom, Ratelpopu- Wegendoorn, Zomereik lier, Zachte Grondwatertrap: IV, V*, VI berk Abelen- Duinvaaggronden (Zd) Gladde Eenstijlige meidoorn, Egelantier, Es, Iepenbos Akkereerdgronden (cZd) iep, Gewone vlier, Hazelaar, Hondsroos, (PNV 20) (kalkrijk) Grauwe Kardinaalsmuts, Kruisbes, Lijsterbes, abeel Sleedoorn, Spaanse aak, Ruwe berk, Tweestijlige meidoorn, Wegendoorn, Grondwatertrap: VI, VII, VII* Zomereik, Winterlinde B13 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 7 GROEIVERWACHTING BOOMSOORTEN Gebruik: - bepaal de groeiplaats (PNV) aan de hand van de bodemeenheden; bepaal de (inschatting van de) groeiverwachting van boomsoorten op deze - groeiplaats. Boomsoorten die niet genoemd worden, komen weinig in Nederland voor, hebben een slechte groeiverwachting, of hebben grote ziekterisico’s. Dit laatste geldt vooral voor naaldboomsoorten op kalkhoudende en kalkrijke groeiplaatsen. De indeling in de categorieën “goede groei”, “normale groei” sluit aan bij Schütz & van Tol (1990). Zij onderscheiden ook een derde categorie “slechte groei”. In dit handboek zijn voor de belangrijkste Nederlandse boomsoorten aan deze categorieën ook indicaties voor de hoogtegroei gekoppeld (S-waarden). Groeiplaats Boomsoorten met een goede Boomsoorten met een normale (PNV) groeiverwachting groeiverwachting Droog Berken- - Amerikaanse eik, Berk, Corsicaanse den, Grove Zomereiken- den, bos (PNV 6) Vochtig Berken- Amerikaanse eik, Berk, Grove den Corsicaanse den, Douglas, Eik, Fijnspar, Lariks Zomereiken- bos (PNV 7) Droog Amerikaanse eik, Berk, Beuk, Corsicaanse Abeel, Esdoorn, Fijnspar, Kers Wintereiken- den, Douglas, Eik, Grove den, Lariks Beukenbos (PNV 8) Vochtig Amerikaanse eik, Berk, Beuk, Corsicaanse Abeel, Els, Esdoorn, Haagbeuk, Iep, Kers Wintereiken- den, Douglas, Eik, Fijnspar, Grove den, Lariks Beukenbos (PNV 9) Elzen-Eikenbos Berk, Eik, Els Esdoorn, Fijnspar, Grove den, Haagbeuk, Kers, (PNV 10) Lariks Duin-Eikenbos - Amerikaanse eik, Berk, Corsicaanse den, Eik, (PNV 11) Veldbies- Amerikaanse eik, Berk, Beuk, Corsicaanse Abeel, Esdoorn, Haagbeuk, Iep, Kers Beukenbos den, Douglas, Eik, Fijnspar, Grove den, Lariks (PNV 12) Gierstgras- Abeel, Amerikaanse eik, Berk, Beuk, Els, Es Beukenbos Corsicaanse den, Douglas, Eik, Esdoorn, (PNV 13) Fijnspar, Grove den, Haagbeuk, Iep, Kers, Lariks Parelgras- Abeel, Amerikaanse eik, Berk, Beuk, Els, Es Beukenbos Corsicaanse den, Eik, Esdoorn, Haagbeuk, (PNV 14) Iep, Kers Gewoon Eiken- Berk, Eik, Els, Esdoorn, Haagbeuk, Iep, Kers Abeel, Amerikaanse eik, Beuk, Es Haagbeuken- bos (PNV 17) Kamperfoelierijk Berk, Eik, Haagbeuk, Abeel, Amerikaanse eik, Beuk, Douglas, Els, Eiken- Esdoorn, Fijnspar, Iep, Kers, Lariks Haagbeuken- bos (PNV 18) Duin-Berkenbos - Berk (PNV 19) B14 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Groeiplaats Boomsoorten met een goede Boomsoorten met een normale (PNV) groeiverwachting groeiverwachting Abelen- Abeel, Berk, Beuk, Corsicaanse den, Eik, Haagbeuk, Kers Iepenbos (PNV Esdoorn, Iep 20) Essen- Abeel, Berk, Beuk, Eik, Els, Es, Esdoorn, Iepenbos (PNV Haagbeuk, Iep, Kers 21) Elzenrijk Essen- Berk, Eik, Els, Es, Iep Beuk, Esdoorn, Haagbeuk, Iepenbos (PNV 22) Vogelkers- Berk, Eik, Els, Es, Esdoorn, Haagbeuk, Iep, Amerikaanse eik, Beuk Essenbos Kers (PNV 23) Ruigt-Elzenbos Els, Berk, Eik, Es (PNV 27) Gewoon - Els Elzenbroek (PNV 29) Moerasvaren- - - Elzenbroek (PNV 30) Berken- - Els, Berk Elzenbroek (PNV 31) Schietwilgen- Schietwilg bos (PNV 33) B15 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 8 SUBSIDIEREGELING NATUURBEHEER 2000 Voor bos relevante Beheerpakketten Beheer- Soort Vergoe- Voorwaarden pakket pakket ding per ha en jr Bos Basis- € 45,38 Minimaal 90% van de oppervlakte is bos waarvoor de Boswet - pakket geldt. (09) Minimaal 5% van het oppervlak bezet met inheemse - boomsoorten. Verjongingsvlakten zijn maximaal 2 ha groot. - Minimum aaneengesloten oppervlakte 0,5 ha, mits in totaal - voor minimaal 5 ha beheersubsidie wordt aangevraagd. Bos met Omvor- € 62,17 Minimaal 90% van de oppervlakte is bos waarvoor de Boswet - verhoogde mings- geldt. natuur- pakket Minimaal 20% van het oppervlak bezet met inheemse - waarde (26) boomsoorten. Er zijn nadere voorwaarden gedefinieerd: voorwaarden A, B - en C. Na elk tijdvak van 6 jaar moet het bos voldoen aan de voorwaarden van een volgende categorie. Dus: na 6 jaar voldoen aan A, na 12 jaar aan B, na 18 jaar aan C. Nadere voorwaarden (A/B/C): - Minimaal 35%/53%/70% van het oppervlak bezet met inheemse boomsoorten. - Minimaal 25%/37%/50% van het oppervlak bevat gemengd bos. - Verjongingsvlakten zijn maximaal 2 ha groot. - Aaneengesloten gedeelten met meer dan 80% uitheemse boomsoorten zijn maximaal 2 ha groot. - Minimaal 35%/52%/70% van het oppervlak bevat minimaal 4 dode bomen per ha van minimaal 30 cm dik (Bij Grondwatertrap I of II minimaal 15 cm dik). - Minimum aaneengesloten oppervlakte 5 ha. Bos met Plus- € 62,17 - Minimaal 90% van de oppervlakte is bos waarvoor de Boswet verhoogde pakket geldt. natuurwaar (27) - Minimaal 70% van het oppervlak bezet met inheemse de boomsoorten. - Minimaal 50% van het oppervlak bevat gemengd bos. - Verjongingsvlakten zijn maximaal 2 ha groot. - Aaneengesloten gedeelten met meer dan 80% uitheemse boomsoorten zijn maximaal 2 ha groot. - Minimaal 70% van het oppervlak bevat minimaal 4 dode bomen per ha van minimaal 30 cm dik (Bij Grondwatertrap I of II minimaal 15 cm dik). - In plaats van dood mag er ook voor worden gekozen om uit minimaal 70% van het bos geen (delen van) bomen of struiken af te voeren. - Minimum aaneengesloten oppervlakte 5 ha. € 68,97 Voor begrensde waardevolle bosgemeenschappen geldt een toeslag van € 6,80 per ha op voorwaarde dat: - Minimaal 95% van het oppervlak bezet met inheemse boomsoorten. - Verjongingsvlakten zijn maximaal 0,5 ha groot en liggen minimaal 75 m uit elkaar. - Minimaal 50% van het oppervlak bevat gemengd bos. B16 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Natuurbos Plus- € 68,97 Minimaal 90% van de oppervlakte is bos waarvoor de Boswet - pakket geldt. (28) Minimaal 95% van het oppervlak bezet met inheemse - boomsoorten. Minimaal 70% van het oppervlak bevat per ha minimaal 40 - levende “dikke” bomen (dbh > 30 cm; op veen of met Gt I of II > 15 cm). Er mogen geen (delen van) bomen of struiken uit het bos - worden verwijderd. Minimum aaneengesloten oppervlakte 40 ha op kalkloze - zandgronden; 10 ha op overige groeiplaatsen. Hakhout en Plus- € 236,87 Minimaal 90% van de oppervlakte is bos waarvoor de Boswet - griend pakket (eik) geldt. (29) Minimaal 90% van de oppervlakte is hakhout. € 1283,74 - (wilg, es, Minimaal 60% van de hakhoutstoven is ouder dan 25 jr. - els) Minimaal 80% van de stoven bestaat uit Zomereik/Wintereik - of uit inheemse wilgen/Es/Zwarte els. De diameter van de staken is maximaal 10 cm (50 cm boven - de stoof). Minimale breedte is 30 m. - Vlaktegewijze verjonging, vegetatief (stronkopslag) of - inboeten jonge staken (vervanging dode stoven). Afgezette staken afvoeren. - Minimum aaneengesloten oppervlakte 0,5 ha. - Middenbos Plus- € 126,15 Minimaal 90% van de oppervlakte is bos waarvoor de Boswet - pakket geldt. (30) Minimaal 90% van de oppervlakte is bestaand of voormalig - middenbos (hakhout met overstaanders). Minimaal 60% van de hakhoutstoven is ouder dan 25 jr. - Minimaal 70% van de oppervlakte is bezet met inheemse - boomsoorten. De diameter van de staken is maximaal 10 cm (50 cm boven - de stoof). Minimaal 25 overstaanders per ha met een hoogte van ten - minste 15 m. Minimale breedte is 30 m. - Vlaktegewijze verjonging van het hakhout, vegetatief - (stronkopslag) of inboeten jonge staken (vervanging dode stoven). Minimum aaneengesloten oppervlakte 0,5 ha. - Laag Recre- € 13,61 Het terrein is minimaal 358 dagen per jaar kosteloos - recreatie- atie opengesteld voor wandelaars op wegen, vaarwegen en niveau pakket paden, tussen zonsopkomst en zonsondergang. (80) Het terrein moet gemiddeld minimaal 50 m/ha aan - doorgaande of rondgaande wegen en paden bevatten. Via onderhoud moet de bruikbaarheid van het terrein voor - wandelaars gegarandeerd worden. Het aantal toevoerwegen en ingangen met openstellingsbord - moet bij een terrein van minder dan 200 ha minimaal 1 zijn, bij 200-500 ha minimaal 2, bij meer dan 500 ha minimaal 3. De beheerder moet op verzoek meewerken aan de realisatie - van doorgaande wandel en fietsroutes in het kader van landelijke afstandswandelpaden (LAW’s) en lange fietsroutes (LF). B17 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Hoog Recre- € 22,69 Het terrein moet in een gemeente liggen die voorkomt op de - recreatie- atie lijst “Gemeenten met recreatiepakket zwaar”. niveau pakket Het terrein is het gehele jaar kosteloos opengesteld voor - (90) wandelaars en fietsers op (de voor fietsers geschikte) wegen en paden, tussen zonsopkomst en zonsondergang. Het terrein moet gemiddeld minimaal 80 m/ha aan - doorgaande of rondgaande wegen en paden bevatten. Via onderhoud moet de bruikbaarheid van het terrein voor - wandelaars en fietsers gegarandeerd worden. Het aantal toevoerwegen en ingangen met openstellingsbord - moet bij een terrein van minder dan 200 ha minimaal 2 zijn, bij 200-500 ha minimaal 3, bij meer dan 500 ha minimaal 4; per ingang kan dit recreatiepakket voor maximaal 150 ha gelden. De beheerder moet op verzoek meewerken aan de realisatie - van doorgaande wandel en fietsroutes in het kader van landelijke afstandswandelpaden (LAW’s) en lange fietsroutes (LF). De bovenstaande pakketten geven de subsidiemogelijkheden aan voor het bos zelf. Maar voor een bosgebied kunnen ook andere pakketten van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 van belang zijn: basis- en pluspakketten voor andere terreintypen (bijvoorbeeld heide of ven), of landschappakketten voor landschaps- of cultuurhistorische elementen (bijvoorbeeld houtwal, landweer, singel, poel, raster). Voor een beschrijving van de eisen die hiervoor gelden wordt naar de regeling verwezen (Dienst Landelijk Gebied 2000). B18 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 9 BOSONTWIKKELINGSFASEN (naar Wolf, Van Raffe & Van Nierop 2000) De indeling in bosontwikkelingsfasen die hier is gehanteerd is opgesteld via een combinatie van de indeling volgens Leibundgut (1978) en het begrip omslagpunt. Via deze combinatie zijn drie samenvattende categorieën onderscheiden: - Open ruimte (Kale fase), - Jonge bos (Jonge fase + Dichte fase + deel Stakenfase voor omslagpunt), - Bos voorbij omslagpunt (deel Stakenfase voorbij omslagpunt, Boomfase, Aftakelingsfase). Bosontwikkelingsfase Samenvattende Omschrijving Leibundgut (1978) eenheid Kruiden dominant; boomsoorten Kale fase Open ruimte afwezig Zaailingen en jonge bomen tot 2 Jonge fase meter hoog; niet in sluiting Struweel van jonge bomen, ca. 2- Jong bos Dichte fase 10 m hoog Dicht bosgedeelte met één laag Stakenfase van ca. 10-20 m hoog Eén of meerlagig bosgedeelte Boomfase met differentiatie in sluiting Bos voorbij Bosgedeelte met veel afstervende omslagpunt bomen; in natuurlijk bos leidend Aftakelingsfase tot een kleinschalig mozaïek van ontwikkelingsfasen. Het bosmozaïek (de horizontale structuur) wordt bepaald door de oppervlakteaandelen van de verschillende bosontwikkelingsfasen, en door de grootte van de eenheden die tot een bepaalde ontwikkelingsfase behoren. Gelaagdheid (verticale structuur) speelt alleen een rol in de boomfase (zie omschrijving bij indeling Leibundgut). B19 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • 10 DEFINITIES Bodemtype Eenheid die (op de bodemkaart) wordt gebruikt om te beschrijven hoe de opeenvolging en samenstelling van lagen (horizonten) van het maaiveld tot op 120 cm diepte is. Boomfase Een bosontwikkelingsfase. Oud bosgedeelte dat één of meerlagig is met differentiatie in kroonsluiting (zie ook bijlage 9). Bosgebied De totale oppervlakte waarop het bosbeheerplan betrekking heeft. Bosontwikkelingsfase Aanduiding voor bosgedeelten, die samenhangt met de ouderdom en de structuur ervan (zie ook bijlage 9). Gemengd bos Bos waarin minimaal 20% van het kronendak wordt gevormd door andere boomsoorten als de hoofdboomsoort. GHG Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand. Het gemiddelde van de drie hoogste grondwaterstanden over een periode van 5-8 jaar. Maat voor hoge grondwaterstanden die in de winter kunnen optreden. Eenheid die gebruikt wordt voor het bepalen van de grondwatertrap (zie bijlage 5). GLG Gemiddeld Laagste Grondwaterstand. Het gemiddelde van de drie laagste grondwaterstanden over een periode van 5-8 jaar. Maat voor lage grondwaterstanden die in de zomer kunnen optreden. Eenheid die gebruikt wordt voor het bepalen van de grondwatertrap (zie bijlage 5). Groeiplaats Terreingedeelte waarbinnen de bodemkundige en andere abiotische factoren die door de plantengroei relevant zijn niet of nauwelijks verschillen. Hierdoor zijn de te verwachten natuurlijke vegetatieontwikkeling en de groeiverwachting van boomsoorten binnen dit terreingedeelte gelijk. Grondvlak De som van de oppervlakten van de stamdoorsneden gemeten op borsthoogte (1,3 m) van alle bomen van een bosgedeelte (opstand), uitgedrukt in vierkante meters per hectare. Grondwatertrap Eenheid die (op de bodemkaart) wordt gebruikt om het jaarlijkse grondwaterverloop te beschrijven (Zie ook GHG, GLG en bijlage 5). Hoofdboomsoort Boomsoort die in een bepaald bosgedeelte een groter aandeel van het kronendak inneemt dan alle andere boomsoorten. Humusprofiel De opeenvolging van lagen (horizonten) die voornamelijk uit organisch materiaal (humus) bestaan. Het kan hierbij gaan om strooisellagen die op de feitelijke bodem liggen (“ectorganisch humusprofiel”), om humeuze bovenste bodemlagen (“endorganisch humusprofiel”), of om een combinatie daarvan. Jong bos Bos dat nog niet aan het omslagpunt is; oftewel, waarin het beheer nog bestaat uit jeugdverzorging (of “niets doen”). Zie ook bijlage 9 en “omslagpunt”. B20 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Kostenplaats Maatregel of andere type activiteit waarvoor bepaalde kosten worden gemaakt. Kwaliteitsboom Boom die op grond van de stamkwaliteit en vitaliteit als “goed” wordt beoordeeld voor houtproductiedoeleinden. Mantel Bosrandbegroeiing die bestaat uit lage bomen, struiken en hoogopgaande kruiden. Overgangszone tussen bos en zoom. Markante boom Boom die door zijn vorm of omvang afwijkt van de andere bomen, en – mits vrijgesteld – opvalt voor recreanten. Natuurlijke boomsoort Boomsoort die thuishoort in de natuurlijke bosgemeenschap van een bepaalde groeiplaats. Niche De functie die een bepaalde plantensoort of diersoort in een ecosysteem vervult. Object Ruimtelijk afgebakend deel van het bosgebied. Een indeling in objecten staat – in tegenstelling tot de deelgebiedenindeling – los van de doelstellingen die in het beheerplan worden opgesteld. Omslagpunt Het moment in de bosontwikkeling waarop de takken van de bomen zijn afgestorven tot op tweevijfde deel van de te verwachten eindhoogte van het bos (Klingen Bomen). Dit is het moment waarop jeugdverzorgingsmaatregelen stoppen, en vervangen worden door maatregelen als dunning en verjongingskap. Het omslagpunt wordt bereikt tijdens de stakenfase (zie bijlage 9). Oud bos Bos in de boomfase of de aftakelingsfase (zie “bosontwikkelingsfase” en bijlage 9). Overstaander Boom die tot een vorige bosgeneratie behoort, gespaard is bij de kap van de ander bomen van zijn generatie (bijvoorbeeld bij het afzetten van hakhout), en waaronder of -tussen de bomen van de nieuwe generatie opgroeien. PNV Potentieel-Natuurlijke Vegetatie. De vegetatie die op een bepaalde groeiplaats het eindstadium vormt van de natuurlijke ontwikkeling (met uitsluitend inheemse soorten), uitgaand van gelijkblijvende externe omstandigheden. Vaak wordt een natuurlijke ontwikkeling over een periode van ca. 150-200 jaar aangehouden. De PNV is in Nederland bijna overal een bepaald type bos. Ringen Bosbeheermaatregel waarbij men een staande boom laat afsterven door rondom de stam een strook bast en cambium (ring) te verwijderen. Rode lijst Overzicht van uit Nederland verdwenen en/of in Nederland bedreigde planten- of diersoorten. (Dit staat in principe los van de status “beschermde soort”). B21 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Toekomstboom Boom die op grond van één of meerdere van zijn kwaliteiten wordt aangemerkt als “boom voor de toekomst”, en op grond daarvan wordt bevoordeeld bij bosbeheermaatregelen (bijvoorbeeld: vrijstellen bij dunning, sparen bij groepenkap, opsnoeien). Vaak wordt “toekomstboom” synoniem geacht aan “kwaliteitsboom”. Maar ook markante bomen, nestbomen etc. kunnen als toekomstboom aangemerkt worden. Werkvak Ruimtelijke eenheid waarvoor de uit te voeren (bos)beheermaatregelen worden gepland. De planning van beheermaatregelen per werkvak hoort thuis in het werkplan (zie bijlage 2). Traditioneel wordt meestal een bosafdeling als werkvak gebruikt, maar dit hoeft niet altijd. Vaak zijn grotere werkvakken efficiënter, en besparen dus kosten. Zoom Kruidachtige vegetatie die voorkomt langs randen van bossen, struwelen, hagen, houtwallen, graslanden en akkers. Overgangszone tussen korte vegetatie en mantel. B22 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • LITERATUUR Blitterswijk, H. van, J.J. de Jong & C.J.M. van Vliet 2000. Certificering van kleine bosbedrijven. Alterra rapport 31, Wageningen. Dienst Landelijk Gebied 2000. Subsidieregeling Natuurbeheer 2000. Eelerwoude 1995. Beheerplan Leeuwarder Bos 1995-2006. Rijssen. Eelerwoude 1996. Beheerplan Het Boerenbos 1997-2007. Rijssen. Eelerwoude 2000. Bosbeheerplan Birkhoven-Bokkeduinen, Gemeente Amersfoort 2000-2009. Rijssen. Hom, C.C., P.H.C. Lina, G. van Ommering, R.C.M. Creemers & H.J.R. Lenders 1996. Bedreigde en kwetsbare amfibieën in Nederland. Toelichting op de rode lijst. IKC-natuurbeheer, Wageningen. IMAG 1994. Tijdnormen groenvoorziening en buitensportaccomodaties. IMAG-DLO, Wageningen. Jager, K. & A. Oosterbaan 1994. Aanleg van gemengde loofhoutbeplantingen met inheemse soorten. Schuyt, Haarlem. Jagt, J.L. van der, J.M. Paasman, L.A.S. Klingen, M.R. Houtzagers & C.J.F. Konings 2000. Geïntegreerd bosbeheer. Praktijk, voorbeelden en achtergronden. Expertisecentrum LNV, Wageningen. Jong, J.J. de & J.K. van Raffe 2001. Bedrijfsdiagnose voor bosbedrijven. Alterra. Wageningen. Leibundgut, H.1978. Die Waldpflege. Paul Haubt, Bern. Lina, P.H.C. & G. van Ommering 1994. Rode lijst van bedreigde en kwetsbare zoogdieren in Nederland. IKC-natuurbeheer, Wageningen. Lina, P.H.C. & G. van Ommering 1996. Bedreigde en kwetsbare vogels in Nederland. Toelichting op de rode lijst. IKC-natuurbeheer, Wageningen. Meijden, R van der 1990, 1996. Heukels’ flora van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Ommering, GT. Van, I. van Halder, C.A.M. van Swaay & I. Wynhoff 1995. Bedreigde en kwetsbare dagvlinders in Nederland. Toelichting op de rode lijst. IKC-natuurbeheer, Wageningen. Raffe, J.K. van & R.J.A.M. Wolf 2000. Bedrijfsplanning geïntegreerd bosbeheer. Alterra rapport 051, Wageningen. Raffe, J.K. van & R.J.A.M. Wolf 2001. Beslissingen nemen moet je toch. Vakblad natuurbeheer 40-1, 10-15. Schütz, P.R. & G van Tol 1990. Aanleg en beheer van bos en beplantingen. Pudoc, Wageningen. Soesbergen, G.A. van,C. van Wallenburg, K.R. van Lynden & H.A.J. van Lanen 1986. De interpretatie van bodemkundige gegevens. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. B23 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001
  • Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 1997. 680. Besluit van 3 december 1997, houdende de aanwijzing van beschermde inheemse dier- en plantensoorten (Besluit beschermde inheemse dier- en plantensoorten). 5 pag. Sdu, ‘s-Gravenhage. Staatsbosbeheer 2000. Normenboek Staatsbosbeheer 2000-2001. Normen voor uitvoering van werkzaamheden in Bosbouw, Natuurbeheer en Landschapsverzorging. Staatsbosbeheer, Utrecht. Stichting Face 2000. Beter bos vastgelegd. Een onderzoek naar de toepassing van FSC- en COV-criteria binnen de Nederlandse projecten van Stichting Face. Arnhem. Stichting voor Bodemkartering 1975-1990. Geomorfologische kaart van Nederland; schaal 1:50.000 (Niet volledig landsdekkend). Wageningen. Stichting voor Bodemkartering 1965-heden. Bodemkaart van Nederland; schaal 1:50.000. Wageningen (blad 1-62). Stortelder, A.H.F. & E.J. Al 1999. Beheer van bosranden: van scherpe grens naar soortenrijke gradiënt. KNNV, Utrecht Stortelder, A.H.F., P.W.F.M. Hommel & R.W. de Waal 1998. Bosecosystemen van Nederland 1. Broekbossen. KNNV, Utrecht. Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel 1999. De Vegetatie van Nederland, deel 5. Plantengemeenschappen van ruigten, struwelen en bossen. Opulus, Uppsala. Stortelder, A.H.F., R.W. de Waal & R.J.A.M. Wolf (red). in prep. Bosecosystemen van Nederland 3/4. Bossen van arme gronden/ rijke gronden. KNNV, Utrecht. Weeda, E.J., R. van der Meijden & P.A. Bakker 1990. FLORON-Rode lijst 1990. Gorteria, tijdschrift voor de Floristiek, 16-1P 2-26. Werf, S. van der 1991. Bosgemeenschappen. Natuurbeheer in Nederland deel 5. Pudoc, Wageningen. Wolf, R.J.A.M. & J.K. van Raffe 2000. Over planning bij geïntegreerd bosbeheer, naar aanleiding van een workshop op de manifestatie Bos & Bomen 2000. Nederlands Bosbouwtijdschrift 72- 4:129-132. Wolf, R.J.A.M., J.K. van Raffe & L.J.A.M. van Nierop 2000a. Uitwerking bedrijfsplanning geïntegreerd bosbeheer voor gemeente Someren, 5 delen. Alterra rapport 052(1-5), Wageningen. Wolf, R.J.A.M., J.K. Van Raffe & J. Truijen 2000b. Gemeente Someren: een bijzonder voorbeeldbedrijf geïntegreerd bosbeheer. Groen 56-12. Wolf, R.J.A.M., A.H.F. Stortelder & R.W. de Waal 2001. Bosecosystemen van Nederland 2. Ooibossen. KNNV, Utrecht. B24 Beheerplanformat Deel I: Toelichting en achtergrondinformatie © Eelerwoude/ Stichting Face 2001