De Autoritaire Persoonlijkheid

  • 8,813 views
Uploaded on

Paper rond de autoritaire persoonlijkheid in het kader van de lessen People Skills van Willy Musschoot. …

Paper rond de autoritaire persoonlijkheid in het kader van de lessen People Skills van Willy Musschoot.

door:
EVA BATEN
EVI DHOLLANDER
LAETITIA GERARD
JOCHEN GOEKINT
GERT-JAN JEDDENS
GERT MAES

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
8,813
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
85
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. POSTGRADUAAT MANAGEMENT & COMMUNICATIE DE AUTORITAIRE PERSOONLIJKHEID ACADEMIEJAAR 2008-2009 EVA BAETEN EVI DHOLLANDER LAETITIA GERARD JOCHEN GOEKINT GERT-JAN JEDDENS GERT MAES DOCENT: WILLY MUSSCHOOT 1
  • 2. Inhoudsopgave Inleiding .................................................................................................. 5 Hoofdstuk 1: De Autoritaire Persoonlijkheid............................................ 6 1 De auteurs van The Authoritarian Personality ........................................ 6 2 Situering van The Authoritarian Personality ........................................... 7 3 Bespreking van het onderzoek ............................................................. 8 4 Vier schalen....................................................................................... 8 5 Negen kenmerken van de ‘Implicit Anti-Democratic Trend scale’ ............ 10 5.1 Methodologie ............................................................................. 12 5.2 De concrete beschrijving van een autoritaire persoonlijkheid ............ 12 5.3 De autoritaire reactie .................................................................. 15 De autoritaire persoonlijkheid ............................................................... 16 5.4 Ontwikkeling tot een autoritaire persoonlijkheid ............................. 18 6 Kritiek op The Authoritarian Personality .............................................. 19 7 Vervolgonderzoek............................................................................. 26 Hoofdstuk 2: De Autoritaire Volgers ...................................................... 28 1 Situering ......................................................................................... 28 2 Linker en rechter autoritaire volgers ................................................... 29 3 RWA scale ....................................................................................... 30 3.1 Authoritarian submission of autoritaire onderwerping ...................... 30 3.1 Authoritarian aggression of autoritaire agressie .............................. 31 3.2 Conventionalisme ....................................................................... 33 3.3 Sociale discriminatie ................................................................... 33 4 Autoritaire volgers en niet-autoritaire volgers ...................................... 34 4.1 Right-wing van laag niveau .......................................................... 35 4.2 Right-wing van hoog niveau ......................................................... 36 5 RWA en SDO ................................................................................... 37 6 Belang van hiërarchie ....................................................................... 37 2
  • 3. Hoofdstuk 3: Rechts-Autoritarisme vs. Links-Autoritarisme, een case: Hitler vs Stalin ....................................................................................... 40 1 Inleiding ......................................................................................... 40 2 De jeugd van Stalin .......................................................................... 40 3 De jeugd van Hitler .......................................................................... 44 4 Bepalende factoren tijdens de jeugd ................................................... 50 Hoofdstuk 4: De Autoritaire Leider in de Organisatie............................. 51 5 De neurotische organisatie ................................................................ 51 6 Schadelijke interactie........................................................................ 59 6.1 Schadelijke interactiepatronen binnen de familie ............................ 60 6.2 Relatie autoritair/ondergeschikte .................................................. 61 Hoofdstuk 5: Autoritair Leiderschap in Film en Theater ......................... 64 1 Verfilming van het Stanford experiment .............................................. 64 1.1 Het Stanford experiment ............................................................. 64 1.1.1 Het experiment in het kort ........................................................ 64 1.1.2 Maatregelen voor het bereiken van het beoogde psychologisch effect 64 1.1.3 De eerste barsten .................................................................... 66 1.1.4 De uitbraak ............................................................................. 68 1.1.5 Typologie ................................................................................ 69 1.1.6 Abu Ghraib.............................................................................. 69 1.1.7 Stopzetting van het experiment ................................................. 70 1.2 Das Experiment .......................................................................... 71 2 Verfilming van ‘The Third Wave’ experiment ........................................ 73 2.1 The Third wave........................................................................... 73 2.2 Die Welle ................................................................................... 74 2.2.1 Inhoud ................................................................................... 74 2.2.2 Bespreking .............................................................................. 75 3
  • 4. 2.2.3 Opmerkelijke cameratechnieken ................................................ 77 2.2.4 Is een dictatuur nog mogelijk?................................................... 78 3 Arturo Ui ......................................................................................... 80 Bibliografie ............................................................................................ 84 Bijlage: Het experiment van Milgram..................................................... 86 Methode van het experiment ................................................................... 86 Resultaten ............................................................................................ 88 Reacties ............................................................................................... 89 Variaties ............................................................................................... 89 4
  • 5. Inleiding We willen in deze paper eerst even teruggrijpen naar de 18e eeuwse filosoof Immanuel kant (1724-1804) die in één van zijn bekende papers de vraag stelde “wat is verlichting?”. Volgens Kant was een gebrek aan individuele autonomie gewijd aan de luiheid en lafheid. Dit veroorzaakte de algemene aanvaarding van de regels van de Kerk en de adel. Kant stelde dat het comfortabeler was om afhankelijk en niet autonoom te zijn. Dit maakte het mogelijk voor iemand, stelde Kant, om de druk te ontwijken dat een individu zijn eigen geest moet gebruiken. Kant vermeldde eigenlijk voor de eerste keer het principe van de autoritaire reactie. Individuen werden zo aangepast aan hun afhankelijke staat dat die afhankelijkheid bijna een deel begon uit te maken van hun natuur, ging Kant verder. Deze individuen begonnen zelfs te houden van hun staat van afhankelijkheid. Het gevolg van deze staat van afhankelijkheid, besloot Kant, was het onvermogen om te rebelleren tegen onrechtmatige controle. Kant voegde zelfs toe, wanneer de banden van deze afhankelijkheid verlicht werden, deze individuen geen gebruik zouden maken van het voordeel dat hen geboden werd door hun nieuwe vrijheid. Dit idee van psychologische afhankelijkheid van autoriteit werd verder vervolgd en ontwikkeld door verschillende filosofen van de 19e eeuw zoals Hegel, Marx en Simmel. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam systematisch onderzoek naar de specifieke psychologische dimensies van vrijwillige onderwerping en afhankelijkheid in opgang. Massapsychologie toonde aan dat mensen zich in groep anders gedroegen dan dat ze deden in kleine groepen of alleen. Mensen in groepen leken minder rationeel, emotioneler en passiever, met als gevolg dat ze gemakkelijk gecontroleerd werden. Deze bevindingen waren de eerste empirische contributies tot een psychologische verklaring van hoe onrechtmatige sociale controle werkte. De studies rond massapsychologie beschrijven mechanismen die mensen dwingt om andere posities en vormen van gedrag op te nemen en uiteindelijk zich vrijwillig te onderwerpen aan leiders. Deze ideeën hebben uiteindelijk geleid tot een psychologisch concept van de autoritaire persoonlijkheid. (Oesterreich, 2005, pp. 275-297) 5
  • 6. Het uitgangspunt voor deze paper over de autoritaire persoonlijkheid vormt het boek The Authoritarian Personality. Dit boek werd voor het eerst uitgegeven in de jaren ’50. De jaren erna werd het meerdere keren opnieuw gepubliceerd maar nooit echt herwerkt. Om het boek toegankelijker te maken voor de lezers werd het in 1982 heruitgegeven in een verkorte versie (Adorno, Frenkel-Brunswik, Levinson, & Sanford, 1982). Het doel was het boek in te korten zonder dat het aan inhoud moest inboeten. The Authoritarian Personality is een mijlpaal in de sociale psychologie. De studie beschrijft zaken van groot politiek belang en had grote politieke en maatschappelijke impact. The Authoritarian Personality stond aan de basis van tal van verdere studies. Hoofdstuk 1: De Autoritaire Persoonlijkheid 1 De auteurs van The Authoritarian Personality De studie van de autoritaire persoonlijkheid werd verricht door verschillende onderzoekers, waarbij we de belangrijkste kort zullen situeren. Eerst en vooral hebben we Theodor Adorno. Hij was een van de belangrijkste leden van het New Samen met Else Frenkel-Brunswik, een Institute for Social Research. vooraanstaand kinderpsycholoog kwam hij naar Amerika, om te ontsnappen aan het fascisme in Europa. R. Nevit Sanford was hoogleraar psychologie aan de universiteit van Californië. Daniël Levinson ten slotte verrichte, ten tijde van de studie onderzoek als student en werd later net als Levinson hoogleraar psychologie aan de universiteit van Yale. Deze onderzoekers en tevens auteurs van het boek werden in hun studie bijgestaan door Max Horkheimer. Horkheimer had al onderzoek verricht naar het hebben van vooroordelen bij individuen en leidde het Departement of Scientific Research of the American Jewish Committee. Ook kregen ze hulp van Samuel Flowerman, die Horkeimer later opvolgde in zijn functie als hoofd van dit comité (Roiser, 2002). The Authoritarian Personality werd met groot enthousiasme onthaald omwille van de grote bijdrage die het had op het gebied van de sociale psychologie, die zich in de jaren ’50 bezig hield met de zorg een verdraagzamere naoorlogse wereld te 6
  • 7. creëren. Deze studie vormde het basiswerk voor later onderzoek. Vijf jaar later waren er al 65 afgeleide studies verricht en zelfs tot op de dag van vandaag vloeien er onderzoeken voort uit dit immens belangrijke werk. De keerzijde van de medaille is dat er grote kritiek is geuit op Adorno’s autoritaire persoonlijkheid. Tot op vandaag worden er discussies gevoerd met betrekking tot de wetenschappelijke relevantie ervan. Op de belangrijkste kritiek wordt verderop in deze paper dieper ingegaan. 2 Situering van The Authoritarian Personality Het onderzoek naar de kenmerken van een autoritaire persoonlijkheid heeft zijn wortels in de theorieën van Marx en Freud en vertrekt vanuit een aantal gevoerde onderzoeken in Duitsland en Frankrijk. Een studie verricht door het Frankfurt Institute of Social Research in de jaren ’20, onderzocht al de politieke, culturele en sociale houdingen van arbeiders en bedienden in Duitsland. Uit deze studie bleek dat slechts een minderheid van de ondervraagden autoritaire eigenschappen vertoonde. Latere studies in de jaren ’30 hebben dan weer gewezen op de link tussen het autoritaire systeem en de familiestructuren van de samenleving. De auteurs wezen erop dat individuele en psychologisch autoritaire persoonlijkheidskenmerken een voorspeller zijn voor het ontstaan en het voorkomen van fascisme als politieke strekking. Dit werd niet gezien als een typisch Duits fenomeen, maar meer als een algemeen kenmerk van de moderne industriële samenleving. Nadat de Nazi’s dit instituut in Frankfurt sloten, vluchtten vele onderzoekers naar Amerika om daar hun studie verder te zetten. Uit een andere studie in de jaren ’30 bleek dat een derde van een groep Amerikaanse arbeiders antisemitische trekken vertoonden, maar door een politieke verbod werd deze studie niet gepubliceerd. 7
  • 8. Na de Tweede Wereldoorlog konden onderzoekers terug gemakkelijker onderzoek verrichten en samenwerken. Uit zo een samenwerkingsverband is The Authoritarian Personality uiteindelijk ontstaan. 3 Bespreking van het onderzoek Het onderzoeksteam onderwierp 2000 respondenten aan een vragenlijst over persoonlijkheid en attitude en besloten dat het ‘niet moeilijk’ was om onderzoekspersonen te vinden waarvan bleek dat ze het fascisme zouden aanvaarden indien dit een sociaal aanvaarde en respectabele ideologie zou zijn (Adorno, Frenkel-Brunswik, Levinson, & Sanford, 1982). 4 Vier schalen Er werden vier schalen ontworpen. Drie van deze schalen waren ontwikkeld om antisemitisme (AS), etnocentrisme (E), politiek en economische conservatisme (PEC) te meten. De vierde schaal moest dan het potentieel voor fascisme meten. De eerste schaal, de AS-schaal wordt besproken in hoofdstuk 3 van het boek (Adorno et al, 1982). Een van de meest duidelijke antidemocratische vormen in de sociale ideologie is prejudice of bevooroordeeldheid. In deze context vormt antisemitisme een goed uitgangspunt voor sociaalpsychologisch onderzoek. Georganiseerd antisemitisme vormt een grote dreiging voor de democratie in een samenleving. Vanuit psychologisch oogpunt is antisemitisme zeer belangrijk en verhelderend omdat de onderliggende psychologische oorzaken van antisemitisme en fascisme sterk op elkaar lijken. De tweede schaal, de E-schaal meet etnocentrisme en wordt beschreven in hoofdstuk 4 van het boek (Adorno et al, 1982). Met deze schaal wilden de onderzoekers het probleem van bevooroordeeldheid plaatsen in een algemeen, globaal kader. De term prejudice of bevooroordeeldheid is niet helemaal passend in de context van het onderzoek omdat het verschillende meningen en 8
  • 9. connotaties met zich meedraagt. Dit kan leiden tot onduidelijkheden en vertekeningen in het onderzoek. De term etnocentrisme is in deze context meer van toepassing. In zijn oorspronkelijke en algemene betekenis, staat etnocentrisme voor culturele bekrompenheid; de neiging van het individu om “etnically centered” te zijn; om consequent te zijn in zijn aanvaarding van de in cultuur “gelijken” en de verwerping van de “ongelijken”. Deze oorspronkelijke betekenis van etnocentrisme verschilt in verschillende aspecten van de manier waarop bevooroordeeldheid of prejudice vaak begrepen wordt. Bevooroordeeldheid wordt over het algemeen begrepen als een gevoel van voorkeur of afkeer tegenover een bepaalde groep; etnocentrisme echter heeft eerder te maken met het persoonlijke raamwerk van de manier waarop we naar “vreemden” kijken. Etnocentrisme slaat meer op de groep in zijn geheel, waar het bij bevooroordeeldheid meestal gaat over specifieke rassenverschillen of minderheden. Bij theorieën over etnocentrisme staan de psychologische aspecten van de groepsrelaties centraal. De groep waartoe een individu behoort of graag wil bijhoren wordt de ingroup genoemd, de ondergeschikte groep of minderheid wordt outgroup genoemd. Na de verrichtte metingen met deze schaal schreven de auteurs het volgende in hun besluit (Adorno et al, 1982, p.150):‘Ethnocentrism is based on a pervasive and rigid ingroup-outgroup distinction; it involves stereotyped negative imaginary and hostile attitudes regarding outgroups, stereotyped positive imaginary and submissive attitudes regarding ingroups, and a hierarchical, authoritarian view of group interaction in which ingroups are rightly dominant, outgroups subordinate.’ De derde schaal of PEC-schaal mat het politiek en economische conservatisme. De items op de PEC- schaal boden zichzelf aan om prejudice te meten, maar de correlaties met de twee vorige schalen waren toch niet hoog genoeg. Het probleem was dat de items op deze schaal te expliciet waren op ideologisch niveau. Ze werden te sterk en te snel met bevooroordeeldheid geassocieerd op een te logische en bijna vanzelfsprekende manier. De onderzoekers werden geconfronteerd met de noodzaak items te vinden die gecorreleerd waren met de AS- en E-schaal, maar die niet rechtstreeks 9
  • 10. geassocieerd werden met politieke, economische of sociale zaken. Ze gingen dus zoeken in het al verzamelde materiaal, voornamelijk in de discussies van de onderzoekspersonen over zichzelf, hun familie, geslacht, inter-persoonlijke relaties, morele en persoonlijke waarden. Op die manier kwamen ze uiteindelijk tot de F-schaal. Deze laatste schaal was de sleutel tot het meten van autoritarisme en was meer gericht op persoonlijkheidskenmerken dan op houding en gedragingen. Deze schaal, de F-schaal of de ‘California F-scale’ werd ook wel de ‘Impliciet Anti- Democratic Trends scale’ genoemd. Dit impliciete slaat dus op het feit dat deze items niet vanzelfsprekend geassocieerd worden met autoritarisme. Deze schaal bevat negen items. Elk item is een persoonlijkheidstrend, in meer of mindere mate die zich weerspiegelde zowel in etnocentrisme als in verschillende psychologische gerelateerde opinies en attitudes. 5 Negen kenmerken van de ‘Implicit Anti-Democratic Trend scale’ De negen kenmerken van een autoritaire persoonlijkheid, die gemeten werden met de F-schaal vindt u hieronder, telkens met een korte uitleg erbij. Negen componenten van autoritaire persoonlijkheid (Adorno, Frenkel- Brunswik, Levinson, & Sanford, 1982, p. 157) Zich vastklampen aan de conventionele Conventionalisme • waarden van de middenklasse. Een onderdanige en onkritische houding autoritaire • aannemen ten aanzien van de geïdealiseerde onderwerping morele autoriteiten van de ingroup. De neiging op de uitkijk te staan voor, en op te autoritaire agressie • passen voor mensen die de conventionele waarden schenden en deze mensen veroordelen, verwerpen en straffen. Zich verzetten tegen het subjectieve, het Anti-intraceptie • imaginaire en het irrationele. 10
  • 11. Het geloof in de mystieke gedetermineerdheid Bijgeloof en • van het individueel noodlot; stereotypering de neiging om te denken in rigide categorieën. • Volledig in beslag genomen worden door de Macht • dimensies: dominantie-onderwerping, sterk- zwak, leider-volger; zich identificeren met krachtige en machtige • figuren; het overbenadrukken van de conventionele • kenmerken van het ego; het overdreven willen handhaven van macht, • kracht en hevigheid. en 1. Een algemene vijandigheid tegenover, Destructiviteit kwaadsprekerij over en belastering van het cynisme menselijk wezen. 2. De geaardheid te geloven dat er wilde en Projectiviteit gevaarlijke dingen gebeuren in de wereld; 3. de projectie naar de omgeving toe van onbewuste, emotionele impulsen. Een overdreven zorg met alles wat te maken Seks • heeft met het geslacht. Deze variabelen werden verondersteld een soort structuur of syndroom van een individu weer te geven, die hem of haar ontvankelijk maakt voor antidemocratische propaganda. Men kan dus zeggen dan de F-schaal trachtte de potentiële antidemocratische persoonlijkheid te meten. Dit wil niet zeggen dat alle persoonlijkheidskenmerken in deze schaal zijn opgenomen, maar dat de schaal een behoorlijke sample is van de manieren waarop deze persoonlijkheid zich uit. 11
  • 12. 5.1 Methodologie Voor het onderzoek werd gebruik gemaakt van Likert-schalen. De respondenten moesten voor elk item aanduiden op een schaal van +3 tot -3 in welke mate ze al dan niet akkoord gingen met een bepaalde stelling. De scores werden vervolgens omgezet op een schaal van 1 tot 7. Hiervan werd een gemiddelde berekend waarbij 7 stond voor de sterkste autoritaire persoonlijkheid en 1 voor de minst autoritaire. De respondenten die dus gelijke gemiddelde scores hadden, moesten niet noodzakelijk op elk item hetzelfde antwoorden. Met deze schaal kon dus dezelfde score op verschillende manieren bereikt worden. Dit maakt net deze studie zo uniek en vooruitstrevend. In de initiële studie werden, zoals boven al werd vermeld, 2000 mensen uit Californië aan de vragenlijst onderworpen die de vier verschillende schalen bevatte. Uit deze 2000 mensen werden 80 individuen gefilterd die hoog of laag scoorden op de E-schaal. Deze mensen werden onderworpen aan een interview waarin er gedetailleerde vragen werden gesteld over hun opvoeding, familierelaties en hun professionele ambities. Eveneens moeste zij de Thematic Apperception Test (TAT) afleggen. Gebaseerd op al deze gegevens werden de mensen die gelijke patronen vertoonden in hun resultaten en bepaalde karakteristieken hadden zoals uit de interviews bleek, geclusterd. Hier concentreerde de studie zich dus op het autoritaire persoonlijkheidstype. 5.2 De concrete beschrijving van een autoritaire persoonlijkheid Het autoritaire type scoorde volgens Adorno hoog op antisemitisme, etnocentrische en conservatieve gedragingen, ondanks de verschillende inhoudelijke invullingen die deze termen kregen. Eveneens scoorden deze types hoog op de F-schaal zelf. De autoritaire persoonlijkheidstypes hadden de neiging bevooroordeeld te zijn tegenover de Joden, kwamen op voor hun vaderland, stonden vijandig tegenover buitenlanders, vreemdelingen en 12
  • 13. minderheidsgroepen zoals bijvoorbeeld ‘negers’ en religieuze sektes en antwoorden zeer conservatief op vragen over welzijnszorg en vakbonden (Adorno et al, 1982, hoofdstukken 3,4 & 5). Men stelde dat de combinatie van al deze karakteristieken wees op de autoritaire persoonlijkheid, een sterk bevooroordeeld individu dat antidemocratisch en potentieel fascistisch was. Het autoritaire type is, gebaseerd op de resultaten, psychologisch ongezond en opgegroeid in een streng gezin. Zulke autoritaire individuen kunnen, onder bepaalde economische omstandigheden, fascistische eigenschappen vertonen zoals dit ook het geval was in het vooroorlogse Europa en tijdens de Tweede Wereldoorlog. De studie waarschuwde er ons dus voor dat het menselijk potentieel dat kan zorgen voor een heropleving van het fascisme aanwezig was in het Amerika van de jaren ’50 en dat waarschijnlijk nu nog steeds is. Hoe wordt autoritarisme nu vandaag gedefinieerd? Oesterreich definieerde autoritarisme in functie van een tendens waar individuen op zoek gaan naar geborgenheid en veiligheid. De autoritaire reactie is volgens hem: “Een basispatroon van menselijke reacties op stressvolle en onzekere situaties die angst en onzekerheid veroorzaken. Dit kadert in een zoektocht naar veiligheid en onderdak. Diegene die steun verzorgt, wordt dit, door een proces waar psychologisch een autoriteit wordt geattribueerd aan de steunverlener. Daarom kan een mechanisme waarbij men steun en onderdak zoekt onder gespannen omstandigheden, een autoritaire reactie genoemd worden.” Socialisatie ligt in onderhandeling met de basisreactie om te vechten in onzekere situaties. Wanneer individuen zich ontwikkelen, leren ze de autoritaire reactie negeren door zelf eigen strategieën te ontwikkelen om het hoofd te bieden aan de realiteit. Een onvermogen om zulke strategieën te ontwikkelen geeft neiging tot de ontwikkeling van een autoritaire persoonlijkheid. Autoritaire persoonlijkheden neigen in bepaalde situaties te verschuiven naar gedrag, waar zij diegene die hen zekerheid en comfort biedt, zal dicteren en controleren. Zij zijn zelf niet in staat om voor zichzelf te zorgen. Andere voorbeelden van het basisautoritaire respons zijn: 13
  • 14. verwerpen van het nieuwe en het ongewone, • rigide hechten aan normen en waardesystemen, • een angstig en inflexibel antwoord op nieuwe situaties, • onderdrukte vijandelijkheid en passieve agressiviteit. • Oesterreich wil verder een nieuw kader creëren waarin autoritarisme bekeken wordt in de context van een theoretische benadering. Hij wil de condities beschrijven en toelichten, waarbinnen personen autonome individuen of autoritaire persoonlijkheden worden. Het concept autoritarisme, zoals het gebruikt wordt in de sociale wetenschappen, werd ontwikkeld om het succes van het Duitse nazisme te verklaren binnen een socio-psychologische kader. Tussen 1929 en 1933, steeg het aantal Duitsers die stemden voor de NSDAP van minder dan een miljoen naar 17 miljoen. De economische crisis van deze periode en de voortdurende pauperisatie van miljoenen mensen, gaven geen neiging tot een socialistische revolutie zoals vele intellectuelen hadden voorspeld, maar bracht het rechts-extremisten aan de macht. Zelfs de traditionele linkse werkersklasse neigde meer en meer naar de Nationaal-socialisten. Reich (1933, Horkheimer, Fromm, and Marcuse (1936), en Adorno et al. (1950), de pioniers in het onderzoek naar autoritarisme, verklaarden het onverwachte succes van de Nationaal-socialisten als een effect van autoritaire socialisatie. Concreet houdt dit in dat individuen in crisissituaties socialiseren op een autoritaire manier. Ze onderwerpen zich aan autoriteit en positioneren zichzelf aan de rechterkant in het politieke spectrum. Het concept van dit persoonlijkheidstype werd bekend onder het label ‘autoritaire persoonlijkheid’. Vanwege hun afhankelijkheid van autoriteit, werden autoritairen vatbaar geacht om zich over te gegeven aan de verleidingen die hen geboden werden door het fascisme om zo macht, grootheid en roem te delen. Autoritairen werden dus verleide mensen die hun inherente belangen volgden, maar die opgaven door zich te onderwerpen aan de heersende autoriteit.(Oesterreich, 2005, pp. 275- 297) Oesterreich stelt dat de autoritaire persoonlijkheid ontstaat vanuit een niet kunnen omgaan met autoritaire reacties. Dit omschreef hij als de ‘Flight into 14
  • 15. Security’ of de vlucht naar de veiligheid. Daarom beschrijven we eerst de autoritaire reactie. 5.3 De autoritaire reactie Autoriteit is een fenomeen dat zich binnen een individu bevindt en niet buiten. In ambigue situaties welke afschrikwekkend lijken, oriënteren mensen zich naar individuen die hen veiligheid bieden. Normaal zijn dit de mensen die macht lijken te hebben, de middelen hebben om onderdak te geven, om de problemen van mensen op te lossen, en die zelf hulp aanbieden. Zulke kwaliteiten trekken automatisch mensen aan die op zoek zijn naar iemand die hun problemen oplost en hun gevoelens van angst en onzekerheid vermindert. Dit wordt de vlucht naar veiligheid genoemd, een autoritaire reactie, een basisreactie van alle menselijke wezens en misschien van alle hogere levensvormen. Freud en Milgram, die gelijkaardige concepten ontwikkelden om submissief gedrag te verklaren, dachten dat dit gedrag aangeboren was. Maar het kan ook dat het verworven wordt wanneer kinderen leren omgaan met de realiteit. Het idee dat dreiging, angst en onzekerheid tot autoritarisme leiden is ook gesterkt door recentelijk onderzoek naar autoritarisme. Algemeen bieden hoofdzakelijk de ouders of andere personen die verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van het kind, de veiligheid. De autoritaire reactie beschermt het kind tegen de risico’s en de bedreigingen van een wereld waar het nog niet mee kan omgaan. Gedurende de opvoeding leert een individu om de autoritaire reactie te overwinnen en formuleert het individu eigen strategieën om met de realiteit om te gaan. Maar in conflicten die de eigen mogelijkheden overschrijden kan een autoritaire reactie opduiken, zelfs bij volwassenen. Autoritaire reacties vinden plaats wanneer cognitieve omgangsstrategieën falen en individuen zich overbelast voelen. De idee van een autoritaire reactie vertoonde een gelijkenis met de benadering aangebracht door Lavine et al. Zij namen een activatiemodel van dreiging en autoritarisme waar, waarin zij aantoonden dat dreiging een verschillend effect heeft op sterk- en 15
  • 16. laagautoritairen. Sterkautoritairen voelen zich bedreigd en sluiten hun geest af. Deze benadering is gelijkaardig aan de idee dat de autoritaire reactie functioneert als een mechanisme om angst en vrees af te schermen, hoewel zelfs niet-autoritairen op een autoritaire manier zullen reageren, wanneer de situatie hen emotioneel overbelast. De autoritaire persoonlijkheid De autoritaire persoonlijkheid is het resultaat van het niet adequaat leren omgaan met autoritaire reacties. Autoritarisme is een persoon’s gewoongemaakte reactieve neiging om te vluchten naar onderdak of naar diegene die steun biedt in kritische en bedreigende situaties. Maar autoritairen worden door meer gekarakteriseerd dan enkel door een zich oriënteren naar autoriteit. De vastgestelde neiging om onderdak te zoeken wordt vergezeld door secundaire persoonlijkheidskarakteristieken die opduiken in het verloop van socialisatie. Ten eerste is er de oriëntatie naar autoriteit. Deze heeft een invloed op de ontwikkeling van een persoon. Het individu identificeert zich met de autoriteiten en internaliseert hun normen en hun waardesystemen. Deze geïnternaliseerde normen en algemene oriëntaties worden dan eveneens beschermend. De autoritaire reactie begint vertrouwd te voelen door een rigoureus oriënteren in de richting van deze normen. Kirscht en Dillehay (1967) wezen al op het gegeven dat het zeer moeilijk is om theoretisch te voorspellen wat de te verwachten reacties van autoritaire personen zijn: of men mag verwachten dat iemand meer openlijk agressief door rede of algemene vijandigheid reageert of minder door rede van submissiviteit en conventionaliteit. De vlucht naar veiligheid sluit een open agressieve reactie uit. Agressief gedrag houdt altijd een persoonlijk risico in. Deze risico’s zijn precies wat de autoritaire reactie probeert te vermijden. Hoewel de autoritaire reactie, in het algemeen, niet agressief is, kan het beschouwd worden als vijandig, welke overeenkomt met de oudere theorie rond autoritarisme. De omschrijving door Rokeach (1960) van het begrip ‘closed-mindedness’ is een goede beschrijving van de emotionele defensie naar alles nieuw toe. Een andere 16
  • 17. kan gezien worden in de benadering van Tajfel naar identiteit en eigenwaarde, uitwijzende dat een gebrek aan identiteit en zelfwaarde tot afwijzing van anderen leidt. Er zijn twee situaties waarin een openlijke agressieve reactie kan ontstaan bij een autoritaire persoonlijkheid. Ten eerste, wanneer hun autoriteiten het bevelen, kan een autoritair individu agressief worden. In dit geval is de agressie een deel van de algemene submissieve attitude van de autoritaire persoonlijkheid. Ten tweede, wanneer autoriteiten geen hulp kunnen bieden omdat zij zelf onder zware aanval liggen. Altemeyer beschreef, dat een aanval op de leidende autoriteiten een sterke emotionele reactie bij de autoritaire persoonlijkheden tot gevolg kan hebben, deze reacties kunnen mogelijk agressief worden. Hoewel deze twee voorbeelden agressief gedrag kunnen uitlokken, is openlijke agressie niet typisch voor autoritair gedrag, dat meer submissief, rigide en afkeer opwekt. Wat zien we nu al terug komen in deze discussie, welke beschrijvingen werden al aangereikt? 1. Autoritaire persoonlijkheden weren alles af dat nieuw en onbekend is, dat onzekerheid en onveiligheid zou creëren. Wanneer geen afdoende omgangsstrategie is ontwikkeld, is het gevolg angst. ‘Closed-mindedness’ is een mechanisme waarmee deze negatieve gevoelens worden geweerd. 2. Autoritaire persoonlijkheden worden gekarakteriseerd door rigide gedrag. Verandering vermijden en dingen doen op een manier die ze goed kennen is een strategie om risico’s te verkleinen. 3. Submissie ten opzichte van autoriteiten en conformiteit naar gestelde waarden lijken het individu direct te beschermen van de bedreigingen een gecompliceerde wereld waar autoritaire persoonlijkheden mee geconfronteerd worden. Ten slotte zijn autoritairen vijandig omdat hun gevoel dat zij onvoldoende in staat zijn om met de realiteit om te gaan een sterke onzekerheid bij hen veroorzaakt tijdens sociale contacten. Ze kijken naar andere mensen met een sterke vijandelijkheid en ze zijn blij wanneer die falen. 17
  • 18. 5.4 Ontwikkeling tot een autoritaire persoonlijkheid Nu vanwaar komt de ontwikkeling van een kind tot een autoritaire persoonlijkheid? In de volgende alinea’s zullen we ons hier dieper over buigen. De studie van Oesterreich toont absoluut geen verband tussen emotioneel koud en repressief ouderlijk gedrag en autoritarisme. In plaats daarvan toont het wel een correlatie tussen overbeschermend, controlerend ouderlijk gedrag en bijgevolg een gebrek aan onafhankelijkheid van het kind. Deze resultaten bevestigen de idee van een autoritaire reactie, want overbescherming en controle verhinderen het kind om voor zichzelf individuele oplossingen te ontwikkelen waar het kind in staat zal zijn om onzekere en stressvolle situaties te overwinnen. Een gebrek aan onafhankelijkheid voorkomt de ontwikkeling van de capaciteit van een kind om, om te gaan met situaties en leidt tot een versterking van de afhankelijkheid van autoriteit. Voorwaarden van socialisatie die een sterke emotionele verbondenheid creëren van ouders zijn factoren die leiden tot een autoritaire ontwikkeling. Kinderen die verplicht worden om op zeer jonge leeftijd de emotionele banden met hun ouders te verbreken kunnen sterk problematische persoonlijkheidsstructuren ontwikkelen, maar zij zullen geen autoritaire persoonlijkheden worden. In de moderne industriële samenleving, wordt een individu in twee richtingen beïnvloedt. Een individu wordt onafhankelijker, zelfstandig en kritisch, maar tegelijk wordt het individu meer geisoleerd, alleen en bang. Deze opmerking werd gemaakt door Fromm in 1941, en werd bevestigd door een gelijkaardige verklaring van Milgram (1974). 18
  • 19. 6 Kritiek op The Authoritarian Personality Vanaf de jaren ’50 werd het onderzoek naar de autoritaire persoonlijkheid aan dodelijke kritieken blootgesteld. Maar eveneens werd de studie sterk verdedigd door aanhangers, die het belang inzagen van voortdurend psychologisch onderzoek om een heropleving van het fascisme te vermijden. De eerste kritieken op de studie waren zeer mild en benadrukten de fouten in het methodologisch kader van het onderzoek. Zo kwam het gebruik van de Likert- schaal onder vuur te liggen samen met het gegeven dat de F-schaal iets impliciet mat, iets wat eventueel in de toekomst nog kon gebeuren. Eveneens werd er door de onderzoekers te veel aandacht geschonken aan de respondenten die hoog en laag scoorden en te weinig naar de minder extreem scorende respondenten. Scherpere kritiek kwam er op het persoonlijkheidsaspect van het onderzoek. De studie van autoritaire persoonlijkheid wordt verondersteld persoonlijkheid én attitude te meten. Toch leunt het onderzoek het sterkst aan bij persoonlijkheid omdat het de focus legt op opvoeding en gebeurtenissen uit de kindertijd. De nadruk ligt veel minder op de gevolgen die dit soort bevooroordeeld gedrag heeft op de omgeving. Hierbij moet vermeld worden dat slechts één schaal, de F- schaal persoonlijkheidskenmerken benadrukte en dat de andere schalen gericht waren op het meten van attitude en gedrag. Vooral het idee dat er iets bestond als ‘left-authoritarism’ heeft het originele onderzoek sterk uitgedaagd en heeft de agenda van veel van het vervolgonderzoek bepaald. Links-autoritaire personen zijn mensen die dwepen met een revolutionaire leider of zelf een bepaalde autoriteit omver willen werpen. Ze zijn erop gericht het establishment van de macht te verdrijven en hun eigen gedachtegoed op te dringen. De kritiek van left-authoritarism werd voornamelijk geuit door E.A. Shills (Shills, 1954). Shills, een politiek wetenschapper schreef het hoofdstuk ‘Authoritarianism, Right and Left’ in het boek van Christie en Jahoda ‘Studies in the Scope and Method of the Authoritarian Personality’. Shills herorganiseerde de bestaande politieke categorieën, waarbij hij extreemlinks en extreemrechts in essentie als gelijke en als zeer ondemocratisch beschouwde. Dit 19
  • 20. was in tegenstelling tot het oorspronkelijke onderzoek van Adorno et al. (1950), waar enkel extreemrechts als autoritair werd aanschouwd. Hoewel de kritiek van Shills niet wetenschappelijk onderbouwd was, heeft dit dus geleid tot verscheidene studies waarin werd gezocht naar gelijkenissen tussen fascisten (extreemrechts) en communisten (extreemlinks). Roger Brown (Brown, 1986) concludeerde het volgende: “It has not been demonstrated that fascist en communist resemble one another in authoritarianism or in any other dimension of ideology. No one has thus far shown that there is an authoritarian of the left. Still the impression exist that such a type exists and that some Communists belong to it.” Naast het onderzoek naar ‘left-authoritarisme’ kunnen we in de jaren ’50 ook kritieken uit sociologische hoek waarnemen. De psychoanalytische theorie waarrond het meeste onderzoek is gebeurd op het gebied van autoritarisme, zoals het gebruikt wordt in de studies van Adorno en zijn medewerkers, is voor Stewart en Hoult(1959) niet voldoende. De psychoanalytische benadering heeft de bruikbaarheid van autoritarisme als concept gelimiteerd als een sociologisch concept. Het faalt niet alleen om adequaat subculturele variaties in autoritaire persoonlijkheden op te sporen, maar het is ook moeilijk om empirisch te testen, het is gebaseerd op een variabel gemeenschappelijk kenmerk verbonden aan bepaalde autoritairen. Stewart en Hoult stellen een sociaal-psychologische theorie voor om de psychoanalytische theorie te vervangen die tot dan toe gebruikt werd. Zij schuiven, de vraag naar bewijs en de nood voor vergelijking van de psychoanalytische benadering van het onderwerp even aan de kant. Hun theorie stelt dat de graad van zogenaamd autoritarisme gemanifesteerd wordt bij een bepaald individu, gemiddeld, negatief gecorreleerd is met het aantal sociale rollen die hij beheerst. Zoals algemeen verstaan, wordt met ‘role-playing’ een relatie gelegd tussen open gedrag en een bepaalde positie. ‘Role-taking’ omschrijven zij als de mogelijkheid waarover iemand beschikt om zich in de plaats van iemand anders te plaatsen. Zodat hij een inzicht kan krijgen in het vermoedelijke gedrag van de andere persoon in een bepaalde situatie. Ze spreken dus over een vorm van altruïsme dat dus negatief gecorreleerd zou zijn met een mate van autoritarisme. 20
  • 21. De theorie is meer gebaseerd op gemiddelden dan dat het zich richt naar de algemeenheid, de theorie probeert enkel die persoonlijkheidskarakteristieken te verklaren die als autoritair worden beschouwd. Het probeert niet om de Machiavellaanse politieke manipulator of de autocratische ondernemer te verklaren. Beiden oefenen een autoriteit uit op een verhoogde manier. Maar het uitoefenen van deze autoritait gebeurt daarom niet noodzakelijk op een autoritaire manier. Dit toch conform de beperkte manier waarop de term gedefinieerd is, naar het concept, door onderzoek en in de paper van Stewart en Hoult. Eén implicatie van de theorie of de hypothese die door de theorie wordt voorgesteld, is de manier van ontwikkeling van de autoritaire. Hij is een persoon, die als kind, adolescent en jonge volwassene de volgende sequentie doorliep: Hij is opgegroeid, of leeft in een sociaal milieu dat zijn perspectief - beperkt zodat hij weinig kansen heeft om zijn empathie te ontwikkelen. Hij kan hierdoor slechts een aantal rollen aannemen en is slecht - geplaatst om nieuwe ‘role-playing’ op te nemen. Hij wordt geconfronteerd met een groot aantal mislukkingen in het - opnemen van nieuwe rollen en bijgevolg neigt hij meer te vertrouwen op de rollen die het meest geaccepteerd worden door de referentiegroep die het belangrijkst is voor hem. Hij is niet in staat om andere rollen op te nemen, van anderen die zich - niet in zijn referentiegroep bevinden. Hij is niet in staat om deze andere te begrijpen of er sympathie voor op - te brengen. Hij neigt tot het verwerpen van zulke groepen, stelt zich vijandig op ten - opzichte van de leden, hij rationaliseert zijn mislukkingen door de schuld te projecteren op de out-groep en zijn leden. Deze sequentie kan de volgende vraag opwerpen:”Is het niet mogelijk dat een beperktheid in het beheersen van rollen eerder een product is van autoritarisme, dan omgekeerd?” Stewart en Hoult leveren het bewijs dat autoritarisme eerder voorkomt bij personen die opgegroeid zijn in een milieu dat de ontwikkeling van het role-taking beperkt. De F-schaal die ontwikkeld is door Adorno en zijn groep op Berkeley is onderworpen aan noemenswaardige kritiek. Thomas Cohn stelt bijvoorbeeld dat 21
  • 22. de schaal in een bepaalde mate het vermogen tot role-taking meet, die in grote mate een hoedanigheid van intelligentie is. Ook op de psychoanalytische benadering zijn er kritieken. Eerst moeten de theoretische tekortkomingen vermeld worden die gewijd kunnen worden aan de psychoanalytische benadering. Deze is theoretisch zeer vaag. Autoritarisme wordt gedefinieerd als een syndroom, een combinatie van verschillende persoonlijkheidseigenschappen waarvan de verbondenheid nooit theoretisch werd verduidelijkt. Het hielp niet dat dit concept voor verschillende decennia gebuikt is als een ideologisch wapen en een poging om verschillende politieke vijanden te vernederen als autoritair. Masling poneerde in 1954 al dat autoritaire persoonlijkheid altijd bij de ander lijkt voor te komen en nooit bij iemand zelf. Het negatieve aspect leidde regelmatig tot een associatie met verschillende negatieve karakteristieken. De autoritaire persoonlijkheid werd omschreven als neurotisch, antidemocratisch, bevooroordeeld, etnocentrisch, agressief, conventioneel, laf, rigide, angstig, dogmatisch, dom, demagogisch, dominant, over-aangepast, despotisch, submissief, geremd, etcetera. Het is overduidelijk dat een menselijk wezen die gekarakteriseerd word door zoveel sterk verschillende aspecten, niet kan bestaan, stelt Oesterreich. Het grootste probleem van de traditionele theorie over autoritarisme is de mislukking om gedrag te voorspellen. Zoals reeds betoogd werd door Oesterreich wordt de autoritaire persoonlijkheid door de psychoanalytische theorie als een persoonlijkheidssyndroom beschouwd, niet als een karaktertrek. Daarom worden verschillende vormen van gedrag zoals submissief, agressief, rigide, conventioneel of bevoordeeld gedrag genoemd onder één overkoepelende structuur van de persoonlijkheid. Dit concept maakt het zeer moeilijk om te bepalen of waargenomen gedrag veroorzaakt wordt door een autoritaire dispositie of door andere factoren. Agressie, submissie of conformiteit kan volledig ongerelateerd tot autoritarisme bestaan. Wanneer gedrag voorspeld zou moeten worden moet er een verband gecreëerd worden tussen al deze verschillende vormen van gedrag en het concept van autoritarisme. Bewijs suggereert dat bevooroordeeld of etnocentrisch gedrag niet automatisch relateert naar autoritarisme. Pettigrew (1958) vond dat blanke Zuid-Afrikanen, meer bevooroordeeld zijn tegen zwarte mensen, dan Amerikanen, maar dat ze 22
  • 23. niet autoritairder zijn dan Amerikanen. Een gelijkaardige studie tussen personen in het noorden en het zuiden van de VS bracht gelijkaardige resultaten aan het licht. Deze bevindingen brengen naar voor, dat bevooroordeeldheid meer vorm wordt gegeven door situationele factoren, zoals verschillende culturele normen, geschiedenis, en socio-economische omstandigheden dan door autoritaire persoonlijkheidskarakteristieken. De zwaarste uitdaging voor het concept komt van studies die bewijzen dat gedrag normaal beschouwd als autoritair kan opgewekt worden door situationele factoren. Bewijs hiervan is geleverd door studies van menselijk gedrag onder extreem stressvolle situaties, zoals in een gevecht, in de gevangenis of in concentratiekampen. Maar er bestaat ook veel bewijsmateriaal uit het psychologische onderzoek. Als eerste moeten hiervoor de experimenten van Milgram genoemd worden. Een hoog percentage van Milgram’s studieobjecten volgden de instructies van hun testleider om verschillende zware elektrische schokken toe te dienen aan studenten in een valse leeromgeving. Deze vorm van gedrag, het gehoorzamen van de instructies van een autoriteitspersoon om andere mensen te straffen, is beschouwd als zeer typisch voor de autoritaire persoonlijkheid. Toch bestond de testgroep van Milgram niet uit personen die beschouwd werden als autoritair. De test gebeurde op een groep die gemiddeld was opgebouwd. Zelfs niet-autoritairen gedroegen zich op een gehoorzame manier. Het gegeven dat deze vorm van gedrag sterker was binnen een groep van autoritairen toont aan dat minstens een klein deel van de reikwijdte van waargenomen gedrag kan toegewezen worden aan autoritarisme. De experimenten van Milgram leiden tot de conclusie dat onderdanig gedrag in stresssituaties en ambiguïteit algemeen gedrag is en niet beperkt is tot autoritaire persoonlijkheden. Oesterreich zal een aantal kritieken op autoritarisme bundelen. Hij zal een aantal revisies van het concept bespreken. Deze zijn bijzonder interessant in het kader van deze paper omdat ze een overzicht geven van het wetenschappelijke debat dat gevoerd werd rond autoritarisme. Een goed voorbeeld van een eerste type revisie is de benadering van Rokeach (1960). Hij probeerde een algemeen autoritarisme, vrij van conservatieve ideologie dat door hem dogmatisme werd genoemd, te meten. Zijn theorie 23
  • 24. gebruikte instrumenten van waargenomen en cognitieve psychologie om autoritarisme (dogmatisme) als een bepaalde vorm van cognitief functioneren (closed-mindedness) te definiëren. Ondanks zijn moderne psychologische benadering, die duidelijker is dan de psychoanalytische, was zijn theorie empirisch niet succesvoller dan het traditionele concept van autoritarisme, omdat zijn schaal om dogmatisme te meten (de D-schaal) dezelfde fouten vertoonde als de klassieke F-schaal, zoals die door Adorno werd geïntroduceerd. Altmeyer probeerde het concept te behouden door te focussen op drie centrale elementen van het autoritarisme-syndroom-onderdanigheid, agressie en conventionalisme. Zijn schaal om autoritarisme is ook een traditionele attitudeschaal maar het loste het probleem van een attitude schaal op, waar hij niet in staat was om onafhankelijk persoonlijkheidskarakteristieken te meten door het concept te definiëren als ‘right-wing autoritarisme’ en de schaal als een maatstaaf van ‘right-wing autoritarisme?????. Oesterreich vindt dit niet overtuigend omdat hij enkel het traditionele autoritarisme concept een andere naam geeft. Autoritarisme als ‘right-wing autoritarisme’ omschrijven gaat een van de oudste problemen in het onderzoek uit de weg, namelijk dat enkel de politieke rechtervleugel autoritair lijkt. Wetenschappelijke problemen kunnen niet opgelost worden met een simpele herdefinitie. De pogingen van Altemeyers poging om het concept tot drie dimensies te herleiden (zoals autoritarisme, submissie, autoritaire agressie en conventionalisme) lijken vruchtbaarder. Deze concentratie gaat veel van de theoretische inconsistentie van de psychoanalytische benadering uit de weg. Altemeyer kon aantonen dat wanneer het concept beperkt wordt tot minder persoonlijkheidskarakteristieken, het succesvoller is in empirische termen. Anderen probeerden het concept te vernauwen tot één centrale dimensie. Rubenowitz (1963) probeerde om rigiditeit, autoritarisme, dogmatisme en politiek conservatisme onder één categorie te plaatsen met name algemene inflexibiliteit. Ray (1976) beperkte autoritarisme tot directiviteit, Eysenick (1954) tot ‘toughmindedness’ en Christie en Geis (1970) tot de neiging om menselijke noden te manipuleren als een mechanisme om regels te beveiligen. Ray’s benadering maakt specifiek niet veel verschil als men denkt aan het fenomeen van autoritarisme als een primair fenomeen van menselijke ‘nonage’. De pioniers 24
  • 25. van de Frankfurt school en de Stanford onderzoeksgroep had niks minder in gedachten toen zij het idee van de autoritaire persoonlijkheid ontwikkelden, dan de beschrijving van een dominant directief persoonlijkheidstype. Oesterreich stelt dat Ray zo ver terug naar de basis van de ontwikkeling gaat, waardoor er van een categorie geen sprake meer is. Duckitt biedt in plaats van een persoonlijkheidsaanpak een meer sociaal- psychologische benadering. Hiermee conceptualiseert hij autoritarisme in termen van de individuele identificatie met sociale groepen waartoe iemand behoort. Autoritarisme is de intensiteit van de groepsidentificatie van een individu en hun engagement aan de cohesie van een groep. Dit idee definieert autoritarisme als het tegengesteld van liberalisme: ‘autoritarisme als de ene extreme van een bipolaire schaal in het geloof dat persoonlijke noden en waarden verlaten zouden worden voor de cohesie van de groep en zijn vereiste.’ Hoewel Duckitt zeer veel empirisch bewijs verzamelde, geeft zijn benadering spijtig genoeg geen antwoord op de vraag welke vorm van het perspectief van de oudere theorie van autoritarisme centraal lijkt te staan. Waarom identifiëren individuen zich met een bepaalde sociale groep? En waarom identifiëren bepaalde groepen zich sterker dan anderen? Deze vragen leiden naar een soort psychodynamische benadering die Duckitt wil vermijden. Feldman ontwikkelde een gelijkaardige benadering aan die van Duckitt. Hij begon met dezelfde kritiek van de individualistische benadering als Duckitt (2003) en baseert autoritarisme op een waardedimensie. Deze dimensie strekt van sociale conformiteit tot persoonlijke autonomie. Mensen die zichzelf oriënteren naar sociale conformiteit zijn meer autoritair volgens deze benadering. Autoritarisme omschrijven als een geloofssysteem maakt het eenvoudiger om een schaal, die autoritarisme meet, op te stellen. Deze schalen kunnen even goed attitudeschalen zijn. Maar opdat het idee nuttig zou zijn, zouden deze schalen onafhankelijk meetschalen van autoritaire attitudes moeten zijn en mogen ze niet enkel een conservatieve ideologie meten. Deze schalen geboden door Feldman meten duidelijk een conservatieve ideologie,gesterkt door een ‘law and order’ mentaliteit, sociale conformiteit, respect voor traditionele waarden en normen, en zo verder. Hoge correlaties met Altemeyers RWA schaal waren te verwachten en werden zoals verwacht dan ook gevonden. 25
  • 26. Oesterreich spoort aan om de bevindingen rond situationalisme zeker in overweging te nemen. Hij gaat deels akkoord met de inzichten die Duckitt en Feldman bieden, maar volgens hem laten ze de centrale vraag van het onderzoek naar autoritarisme onbeantwoord, welke volgens zijn mening de vraag is die door Kant gesteld werd: ‘Waarom onderwerpen individuen zich vrijwillig aan onrechtmatige controle, waarbij zij een staat van ‘nonage’ prefereren dan één van verlichting en van individuele autonomie?’ Zo komen we tot een laatste punt van kritiek. In The Authoritarian Personality wordt verder onderzoek aangemoedigd en gestuurd in de richting van hoe autoritaire persoonlijkheidskenmerken zich concreet op individueel niveau kunnen vertalen in een fascistische samenleving. Naar dit aspect zijn meerdere onderzoeken gevoerd. Maar tot op vandaag heeft nog geen enkele studie hierover uitsluitsel kunnen geven. 7 Vervolgonderzoek In een review van de publicaties, gemaakt om het 40-jarige bestaan van The Authoritarian Personality te vieren, schreef Meloen (1991) dat er wel 1000 vervolgonderzoeken zijn verschenen tussen 1950 en 1989 die gebruik maakten van de F-schaal. De studies kenden een piek op het einde van de jaren ’50 en vielen sterk terug in de jaren ’60. Toch bleef het aantal vervolgstudies aanhouden. Een echte heropleving kwam er echter na de jaren ’80, na het antiliberale bewind van de Amerikaanse president Reagan. Deze onderzoeken vallen uiteen in verschillende groepen met verschillende thema’s. In een eerste groep van studies wordt er onderzocht welke patronen van politieke ideologieën er zijn ontstaan in samenlevingen waar het bestaand autoritaire regime is omvergeworpen door een staatsgreep. Een tweede groep van studies blijft verder onderzoek verrichten met betrekking tot het potentieel van het fascisme in moderne samenlevingen. Hierbij wordt er nog steeds gebruik gemaakt van de ontwikkelde F-schaal uit The Autoritarian Personality en er wordt ook gebruik gemaakt van enkele nieuw ontwikkelde schalen. Een derde groep van studies richt zich dan op autoritaire kenmerken van een bepaald 26
  • 27. staatssysteem of overheid en is minder gericht op individuele persoonlijkheidskenmerken. 27
  • 28. Hoofdstuk 2: De Autoritaire Volgers 1 Situering Authoritarianism autoritisme ontstaat wanneer er een band tot stand komt tussen de autoritaire leiders en de volgers. Dit gebeurt wanneer de volgers te veel vertouwen aan de leider geven en hem te veel zaken toevertrouwen. Ze geven de autoritaire persoonlijkheid te veel vrijheid om te doen wat deze persoon wil. Dit zal vaak gebeuren op een ondemocratische, tirannieke en brutale manier. Een andere definitie integreerde autoritarisme en relaties tussen verschillende groepen. Volgens deze definitie kan het fenomeen gezien worden als conceptie dat een groep heeft over de relatie tussen de groep en de individuele leden. Als we een korte analyse maken van de eerste definitie kunnen we er een zeer belangrijk aspect uithalen: de volgers. Zonder het geven van vertrouwen en vrijheid aan de autoritaire persoon kan deze zijn macht ook niet tot stand laten komen en verder uitbreiden. Het opkomen van dictators heeft vaak een oorsprong bij een ontevredenheid bij het volk. Een charismatisch persoon die het volk weet te bespelen zal dan ook vaak de macht in de schoot geworpen krijgen en pas later zal men beseffen dat het verkeerd loopt, op een moment dat openlijk verzet bijna onmogelijk wordt. Volgens de tweede definitie is een individu autoritair tot een bepaalde hoogte. Die hoogte wordt bepaald door de mate waarin de persoon gelooft dat de belangen van de groep groter zijn dan de individuele belangen. Aansluitend op deze definitie gaat men ervan uit dat de groepsleden personen die niet tot de eigen groep behoren zullen discrimineren. Bepaalde mensen zijn echter vatbaarder voor het volgen van een autoritaire leider en zullen hem eindeloos krediet geven, ook al beseffen ze dat wetten worden overtreden. In de volgende pagina’s wordt besproken hoe het profiel van een volger er, in theorie, uitziet en hoe hij zich gedraagt in bepaalde situaties. 28
  • 29. 2 Linker en rechter autoritaire volgers Er zijn verschillende soorten van autoritaire persoonlijkheden en volgers. We maken hier een onderscheid tussen de linker en de rechter vleugel. Beiden zijn het volgers van een autoritair persoon of een autoritair persoon, maar de achterliggende gedachte voor het volgen verschilt grondig. De autoriteit van de rechter vleugel is niet noodzakelijk gerelateerd met een conservatief politieke gedachtegoed. Als we het extreem bekijken is het daarentegen iemand die bijdraagt aan het tot stand komen van autoritaire persoonlijkheid in de maatschappij, die anderen aanvalt in de naam van de autoriteit en zich volledig aan de regels van de autoriteit zal onderwerpen. De mate van autoritair zijn is een deel van de persoonlijkheid van de volger, zoals een persoon een verlegen, vrolijk of stil type kan zijn. Indien men in de positie van volger terecht gekomen is zal men enerzijds de autoriteit in zijn geheel volgen (bijvoorbeeld een geheel regime) of anderzijds een autoritair persoon die zich heeft opgeworpen tot de absolute top de hiërarchie en zich daar alleen bevindt (bijvoorbeeld Hitler of Kim Jong-il, de Noord-Koreaanse dictator) Volgers van de linker vleugel zijn dan weer personen die dwepen met een revolutionaire leider of zelf een bepaalde autoriteit omver willen werpen. Ze zijn erop gericht het establishment van de macht te verdrijven en hun eigen gedachtegoed op te dringen (bijvoorbeeld Stalin). In onze huidige westerse maatschappij is het heel moeilijker geworden om personen te vinden die zich in deze linker vleugel bevinden én dan nog eens hun intenties ten uitvoer brengen. Men zal, indien men moeite doet, hier en daar nog enkele dergelijke personen vinden. Rechts autoritairen zijn daarentegen veel gemakkelijker te vinden, ook in onze westerse maatschappij. Wanneer verder in het stuk over autoritaire personen en volgers zal gesproken wordt gaat dit hoofdzakelijk over deze rechter vleugel (RWA). Indien het over een links autoritaire volger gaat zal dit duidelijk worden aangegeven. De attitude van autoritaire volgers tegenover de overheid kan best omschreven worden als ‘Daddy and mommy know best” mentaliteit. Ze gaan er niet vanuit dat de wetten en de sociale standaarden voor de autoriteiten gelden, maar 29
  • 30. geloven daarentegen wel dat de autoriteiten zich boven de wet bevinden en dus kunnen beslissen welke wetten voor hen gelden en welke ze liever niet volgen. In een democratie staat echter niemand boven de wet, maar autoritaire persoonlijkheden hebben het er niet moeilijk mee om deze principes én wetten opzij te schuiven of te manipuleren. De autoritaire volgers zullen deze acties dan ook niet in vraag stellen. 3 RWA scale Met deze schaal, de Right-Wing Authoritairian scale, kan men meten op welk niveau een persoon zich bevindt op het vlak van autoritair volgen. Deze schaal is opgebouwd uit een aantal aspecten die verder worden besproken. Onderzoekers kwamen reeds verscheidene malen tot de vaststelling dat personen met een hoge score op de RWA-schaal vatbaarder waren voor het volgen van een charismatisch persoon. Personen met een hoge score op de RWA-schaal bezitten zelf een autoritaire persoonlijkheid met, naast het kenmerk van het gemakkelijker volgen van een charismatisch persoon, het kenmerk van het uitsluiten van personen die geen lid zijn van hun groep en het toewijzen van kwaadaardige motieven aan hen. Ondanks het niet conservatief zijn op het vlak van het politieke gedachtegoed houden ze wel gemakkelijker vast aan traditionele waarden, tonen ze een lage tolerantie tegenover ambiguïteit, ze hebben dus liever één duidelijke uitleg, die niet voor interpretatie vatbaar is. Iemand met een hoog RWA-niveau heeft over het algemeen een aantal kenmerken die sterk aanwezig zijn. Ze worden besproken in de volgende punten. 3.1 Authoritarian submission of autoritaire onderwerping = A high degree of submissiveness to the authorities who are perceived to be established and legitimate in the society in which one lives. Iedereen onderwerpt zich aan een autoriteit. We zullen allemaal een aantal regels volgen om te verkomen dat het leven een chaos wordt. We kunnen dit het beste aantonen met de verkeersregels. Als de mensen het zouden nalaten deze 30
  • 31. regels te volgen zou het verkeer één grote chaos zijn en schoten de bedragen voor een autoverzekering de hoogte in. Mensen volgen dus meestal een autoriteit tot op een bepaalde hoogte. Er zijn echter ook personen die een autoriteit zullen blijven volgen, ook al overschrijdt deze de normen, is ze oneerlijk, corrupt, unfair en zelf kwaadaardig en wreed. We moeten echter wel temperen en zeggen dat het niet zo is dat elke persoon die hoog scoort op de RWA-schaal ook automatisch een autoritair persoon zal volgen. Het is wel zo dat personen met een hoge score op de RWA- schaal zich bij bijvoorbeeld morele kwesties meestal anders zullen opstellen dan een persoon met een lage score. We kunnen dit illustreren met volgend voorbeeld: Als we de vraag voorleggen of een persoon eten mag stelen als hij of zij geen andere mogelijkheden heeft om aan eten te geraken, dan zal een persoon met een hoge score eerder een antwoord geven waarbij het erop neer komt dat men te allen tijde de wet moet naleven. Bij personen met een lage score zullen de antwoorden eerder variëren. Om het aan te tonen met een recent voorbeeld: mensen met een hoger autoritair niveau op basis van de vragenlijst steunden de oorlog in Irak veel langer of bleven ze steunen, ook nadat bekend raakte dat er geen massavernietigingswapens aanwezig waren. De steun aan de autoriteit is echter niet steeds onvoorwaardelijk. 3.1 Authoritarian aggression of autoritaire agressie =A general aggressiveness directed against deviants, outgroups, and other people that are perceived to be targets according to established authorities. Wanneer gezegd wordt dat autoritaire volgers agressief zijn, wordt niet bedoeld dat ze een bar binnen gaan om een potje te vechten. Volgende punten werden via onderzoek bevestigd: Eerst en vooral gaan autoritaire volgers, zeker in de USA, vaker naar de kerk dan dat ze naar bars gaan. Ten tweede zullen ze er alles aan doen om een gelijke strijd te vermijden. Ze zullen dan wel zelf aanvallen als ze vinden en geloven dat recht en macht (en spierkracht) aan hun kant staan. Recht betekent voor hen 31
  • 32. dat de vijandigheden die ze uitvoeren gesteund worden door de gevestigde autoriteit of ondersteund worden door de autoriteiten. Macht betekent voor hen dat ze een groot fysiek voordeel hebben op hun doelwit. Dit kan zowel op vlak van wapens als op vlak van het aantal personen. Denk maar aan de Waffen S.S. Het is opvallend hoeveel van deze autoritaire agressies op laffe manier gebeuren na het vallen van de avond. Deze acties worden vaak uitgevoerd door cowards die er achteraf alles aan zullen doen om hun verantwoordelijkheid te ontlopen. De typische slachtoffers van autoritaire agressie zijn vrouwen, kinderen, personen die zich in een positie bevinden waarin ze zich zeer moeilijk kunnen verdedigen of groepen die de slagkracht niet hebben om zich te verdedigen tegen de zwaarder bewapende knokploegen. Niet alleen worden deze weerloze slachtoffers aangevallen op een laffe manier, de aanvallers voelen zich ook op moreel vlak beter dan de personen die ze aanvallen in een ongelijke strijd. Verder ondervond men in het onderzoek dat rechts autoritaire volgers dan weer voorstander zijn van langere en zwaardere straffen voor misdadigers. Dit zou zo zijn doordat autoritaire volgers geloven dat de misdaden zwaarder zijn dan wat de gewone mens gelooft. Daarnaast zou het hen persoonlijk goed doen voelen wanneer ze een common criminal zouden kunnen straffen. Ze vinden deze mensen verwerpelijk en walgelijk. De persoon die het onderzoek uitvoerde suggereerde dat ‘authoritarian followers have a little volcano of hostility bubbling away inside them looking for a (safe, approved) way to erupt’. Deze stelling zou ook nog worden bevestigd door enkele andere onderzoeken die door dezelfde persoon werden uitgevoerd. We mogen er echter niet vanuit gaan dat autoritaire volgers altijd anderen aanvallen als ze denken dat de autoritaire overheid het goedkeurt. Angst van tegenagressie of het geloof dat dergelijke acties verboden zijn en bestraft zullen worden, houden mensen vaak tegen om te handelen tegen personen die zich volgens hen niet gedragen zoals voorgeschreven door de autoritaire leiders. Men kan echter wel gemakkelijk situaties vinden waar bij autoritaire volgers hun potje kan overkoken. Daarnaast moeten we nog rekening houden met de gradaties waarin men een follower kan zijn. Dit kan op een zeer laag niveau, maar ook op een zeer hoog niveau 32
  • 33. 3.2 Conventionalisme = A high degree of adherence to the traditions and social norms that are perceived to be endorsed by society and its established authorities. Onder conventionalisme verstaan we het naleven van sociale conventies. Men zal zich gedragen naar de normen die heersen in een samenleving en enkel gedragingen uitvoeren die door de maatschappij en de autoriteiten als aanvaardbaar worden gezien. Daarnaast vindt men zelf ook dat de andere personen zich naar deze normen en waarden zouden moeten gedragen. 3.3 Sociale discriminatie Sociale discriminatie wordt omschreven als de tendens om leden van de eigen groep positief te benaderen en mensen die niet tot de groep behoren negatief te benaderen. Dit komt duidelijk naar voor in de film Die Welle. Leden die niet tot die welle behoren worden onder druk gezet of op een agressieve manier benaderd, tegenover leden die daarentegen wel tot die welle behoorden. Als we even terugkeren naar de definities van authoritarianism, dan zien we dat dit kenmerk in één van de definities werd aangehaald. De groepsleden van een bepaalde groep zullen, zonder dat er enige vorm van aanzet geweest is door de autoriteit, leden uit andere groepen niet aanvaarden of discrimineren. Indien één of meerdere van de groepsleden wordt aangevallen, mentaal of fysiek, zal de groep deze persoon vaak in bescherming nemen. Men zal er dus altijd voor zorgen dat de groepsbelangen niet worden geschaad, de persoonlijke belangen krijgen daarbij slechts een beperkte aandacht. Indien persoonlijke belangen een rol beginnen spelen kunnen we te maken krijgen met enerzijds het verlaten van de groep, of anderzijds het proberen te versterken van de eigen positie binnen de groep. Daarbij zal men proberen andere groepsleden voor zich te winnen om de eigen positie te verbeteren. Het beste voorbeeld hierbij kunnen we vinden begin de 20ste eeuw in Rusland. De communistische partij werd verdeeld door een verschillende visie op de toekomst. Dit zorgde voor twee verschillende kampen binnen deze groep. Enerzijds de Mensjevieken (letterlijk: de meerderheid) en anderzijds de 33
  • 34. Bolsjevieken (letter: de minderheid). De rivaliteit en het streven naar macht groeiden zeer sterk binnen deze groep zodat er een onoverbrugbare tweespalt ontstond. Deze tweespalt zorgden ervoor dat agressie ontstond tussen de twee groepen en de ene groep hun toenmalige groepsgenoten deporteerden en vermoordden. 4 Autoritaire volgers en niet-autoritaire volgers De auteur van het boek The Authoritarians voerde een experiment uit op een universiteit om na te gaan hoe de gedragingen verschillen tussen personen met een hoog en een laag niveau van autoritarisme in bepaalde maatschappelijke situaties. De verschillen worden duidelijk door de uitleg van het experiment. De setting van het onderzoek was een eerder gesofistikeerde simulatie van de toekomst van onze aarde, the Global Change Game. Het spel werd gespeeld op een grote kaart van de wereld met 50 tot 70 spelers. De spelers werden daarbij gesplitst in verschillende regio’s, naar analogie met het echte inwonersaantal van die regio. De regio India bestond dus uit meer mensen dan de regio Noord- Amerika. Het spel werd twee keer gespeeld, één keer met right-wing followers van een laag niveau, een tweede keer met right-wing followers van een hoog niveau. De groepen werden samengesteld uit studenten op basis van voordien ingevulde formulieren bij het inschrijven van het spel. Na de uitleg van het spel konden deelnemers door op te staan zichzelf als leider van een regio uitroepen, zij zouden ondermeer de bankrekening beheren. Deze personen vormden de elite van hun regio en de hele wereld. Het geld dat ze beheerden kon gebruikt worden voor het aankopen van fabrieken, hospitalen, legers, … Daarnaast konden ze ook reizen maken om contracten af te sluiten met andere elites. Aan het einde zou echter ook een prijs worden uitgereikt voor de rijkste persoon, dit zorgde ervoor dat de elite geld in eigen zak konden steken om zo de rijkste te worden. 34
  • 35. 4.1 Right-wing van laag niveau Eenmaal het spel van de volgers van een laag niveau begonnen was, belegde de elite een top waarbij afgesproken werd dit steeds te doen in geval van problemen. Er werd dus meteen een wereldwijde organisatie opgezet om het hoofd te bieden aan problemen. Verder begonnen de regio’s met het oplossen van de specifieke problemen eigen aan deze regio, wapens werden omgesmeed tot ploegen om het land te bewerken en het aantal legers in de wereld was minimaal. Er werd geen oorlog gevoerd en er waren geen bedreigingen aan het adres van andere regio’s. Na ongeveer een uur in het spel (dat ongeveer 2,5 uur duurt) werd door de spelleiding aangekondigd dat er een gat zat in de ozonlaag. De elite belegde een top en besloot te investeren in technologie om de ozonlaag te herstellen. Zo werden nog een aantal problemen aangebracht. De derde wereld landen werden geconfronteerd met grotere armoede en 300 miljoen mensen stierven. Europa bood hulp aan, maar Noord-Amerika weigerde. Uiteindelijke groeide de populatie tot 8,7 miljoen mensen en de meeste onder hen hadden voedsel en medische voorzieningen. Het geld voor deze voorzieningen werd gehaald uit het demilitariseren, het drijven van handel waarbij beide partijen profijt maakten en het beperken van het geld dat in eigen zak werd gestoken door de elite. Het spel verliep beter dan in een situatie waarbij de deelnemers wel gemengd en we dus met mensen met een laag, gemiddeld en hoog niveau van autoritair volgen te maken kregen. Dit is ondermeer zo door het beeld dat de mensen met een laag niveau van autoritair volgen hebben. Ze dachten tijdens het spel niet volgens “wij tegen hen”. Er heerst daarentegen een grotere interesse in het samenwerken en in het milieu dan bij mensen van een hoger niveau of een gemende groep. De algemene gedachte tijdens het spel was de volgende: Let’s work together and clean up this mess. Het was de eerste keer dat de spelleiders dergelijke samenwerking zagen tijdens de uitvoering van het spel. 35
  • 36. 4.2 Right-wing van hoog niveau De avond nadien vond het spel nog maal plaats, deze keer met personen die volgens de vragenlijst bij het inschrijvingsformulier eerder van het hoge niveau waren op vlak van het autoritaire volgen. Ook bij hen werd dezelfde procedure gevolgd. Een aantal personen konden zichzelf weer opwerpen als elite (enkel jongens stapten naar voor). Zij kregen dezelfde opdrachten als de voorgaande groep. Bij aanvang van het spel verdubbelde de elite van het Midden-Oosten de olieprijs en kocht het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (ooit de Sovjet Unie) een groot aantal legers en vielen ze Noord-Amerika binnen. Deze hadden echter een tekort aan gewone troepen en reageerden met een kernaanval. Uiteindelijk werden alle mensen op aarde gedood. Op dit moment grepen de spelleiders in en gaven ze de groep de kans op een tweede toekomst. Het GOS bleef echter het leger uitbouwen en viel later China binnen, met 400 miljoen doden tot gevolg. Als gevolg werden de Verenigde Naties samengeroepen, maar een akkoord bleef uit. Bij het uitbreken van de ozoncrisis werd geen verdere top belegd, enkel Europa ondernam stappen tegen het gat in de ozonlaag. Uiteindelijk werden arme regio’s nog armer en gingen elites allianties smeden om zichzelf en hun macht te beschermen, dit terwijl het GOS weer dreigde met een nucleaire oorlog en Afrika en Azië op instorten stonden. Uiteindelijk eindigde de autoritaire wereld in een ramp. De elite stak twee keer zoveel geld in eigen zak als de autoritairen van een laag niveau. Ze waren veel meer etnocentrisch en enkel het eigen volk telde. Ze ging als het ware te werk volgens deze slogan: Care about your own, we are not all in this together. In de vragenlijst stelden de meeste volgers van een hoog niveau dat ze inzaten met het milieu. Als het puntje bij het paaltje kwam kozen ze uiteindelijk toch voor het geld en de macht. 36
  • 37. 5 RWA en SDO Naast de right-wing authoritairians als volgers kent men ook de SDO, de social dominance orientation. Mensen met een hoog niveau van SDO zouden zich eerder richten op een hoge sociale status, prestige en competitie. Men kan stellen dat er links liggen tussen het gedrag van een hoge SDO met het Machiavellianism (Het doel heiligt de middelen, Il Principe), vooroordelen en een gebrek aan empathie. Op basis van deze kenmerken kunnen we besluiten dat ze een eerder exploita tive, uitbuitende, mentaliteit hebben. De vraag is nu of leiders met een hoge SDO en volgers met een hoog niveau van RWA beslissingen nemen die meer onethisch zijn mensen met een laag of gemiddeld niveau. Men voerde enkele studies uit om te kunnen antwoorden op die vraag. Het onderzoek gebeurde op basis van diades, twee personen en dus de kleinst mogelijke groep. Wanneer men een persoon met een hoog niveau van SDO en een persoon met een hoog RWA niveau samen zet, dan zal de beslissing over ethische discussies het meeste afhangen van wie de eigenlijke leiderschap heeft. Indien de leider de persoon was met hoge SDO en de volger de persoon met het hoge RWA niveau, dan werd bij beslissingen eerder de keuze gemaakt waarbij financiële winsten verkozen werden boven maatschappelijke en milieukwesties in tegenstelling tot situaties waarbij de persoon met een hoog niveau van RWA de leiding had boven de persoon met een hoog SDO. 6 Belang van hiërarchie Het autoritaire leiderschap wordt bepaald door de hiërarchie die heerst binnen een organisatie. Zoals de logica ons zegt, hebben leden die hoger staan de mogelijkheid om orders te geven aan leden op een lager niveau. De leden van een organisatie zijn zich ten volle bewust van de hiërarchie binnen een organisatie en gaan er ook meestal vanuit dat deze nodig is om de organisatie efficiënt te laten verlopen. De personen in de positie van volger, op basis van vorige principes, gaan de hiërarchie meestal in acht nemen en bevelen of opdrachten uitvoeren die hen door de meerdere(n) werden opgelegd. Over het 37
  • 38. algemeen is het wel zo dat de volgers een zone of acceptance, zone van aanvaardbaarheid, hebben over welke opdrachten ze willen uitvoeren. Deze zone van aanvaardbaarheid kan echter gemakkelijk, door invloed van gezag en autoriteit, zeer breed worden, dit bleek uit onderzoek. Hier komen we bij het punt waar we de experimenten van Milgram er kunnen bij halen. In één van zijn bekende experimenten (zie bijlage) liet hij een proefpersoon vragen stellen aan een zogenaamde tweede proefpersoon (in werkelijkheid echter een acteur), in een andere ruimte. Bij een verkeerd antwoord moest een stroomschok van oplopende sterkte worden toegediend, zogenaamd om onderzoek te doen naar leren onder druk. Het onderzoek ging in werkelijkheid over de invloed van autoriteit, en of de autoriteit van een onderzoeker iemand er toe konaan zetten om zijn morele grenzen te overschrijden. De conclusie was schokkend: zo'n 80 procent van de proefpersonen ging door tot een dodelijk niveau van stroomsterkte. De proefpersoon wist echter niet dat er in werkelijkheid geen stroomschokken werden toegediend: de acteur (zgn. tweede proefpersoon) simuleerde pijn. Milgram beschrijft 19 variaties van het experiment. In het algemeen ondervond hij dat als de nabijheid van het slachtoffer werd verhoogd, de naleving van de opdrachten minder werd, en als de nabijheid van het gezag steeg, de naleving langer aanhield. Zo ontvingen de deelnemers in één variatie de instructies slechts telefonisch. Dit zorgde voor een sterk verminderde naleving ten opzichte van de situatie waarbij het gezag werkelijk aanwezig was. Een aantal deelnemers bedroog het gezag zelfs door te beweren dat ze doorgingen met het experiment terwijl ze eigenlijk gestopt waren. Een persoon die zich in de ondergeschikte positie bevindt zal bij het uitvoeren van instructies van hogerhand de eigen morele overtuigingen over boord gooien. De volgers gaan er dan wel vanuit dat de verantwoordelijkheid niet meer bij hen ligt, maar wel de persoon die de opdracht gaf. Volgens Bamard (1938, p.170) ontlopen veel mensen zo hun verantwoordelijkheid. Ze creëren een fiction of superior authority. Mentaal praten de mensen dus hun daden goed door ervan uit te gaan dat ze enkel orders van hogerhand uitvoeren. Het basisprincipe hierbij is het geloof dat de autoriteit wel een goede reden zal hebben om de instructies te geven, ook al verstaat de volger deze instructies niet. 38
  • 39. Op basis van dit experiment kunnen we de lijn doortrekken naar een volledige maatschappij, zoals bijvoorbeeld het Duitsland van voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. De hiërarchische oversten hebben telkens een direct invloed op hun onderdanen. Zo wordt een ketting gecreëerd waarbij tot bijna op de basis een directe invloed bestaat van oversten op hun onderdanen, zelfs in die mate dat mensen van een gelijke positie dissidenten aangeven bij hun directe oversten. 39
  • 40. Hoofdstuk 3: Rechts-Autoritarisme vs. Links- Autoritarisme, een case: Hitler vs Stalin 1 Inleiding De twee meest gekende voorbeelden van autoritairen uit de laatste honderd jaar van de geschiedenis, zijn Hitler en Stalin. Hierin is Hitler een voorbeeld van een autoritair leider die rechtse autoritaire volgers kent. Stalin daarentegen is een voorbeeld van een revolutionair leider die linkse autoritaire volgers kent (cfr. supra). Wie waren nu deze twee mannen die een onuitwisbare stempel op de Europese geschiedenis zouden drukken? De één werd tien jaar later geboren dan de andere: Stalin werd geboren als Josef Vissarionovich Dzhugashvil op 21 december 1879 te Gori in Georgië, Hitler werd geboren op 20 april 1889 als Adolf Hitler in het dorpje Braunau aan de Inn in Oostenrijk, net over de Duitse grens. Geen van beiden behoorden ze tot de traditionale klasse. Hun carrière was alleen mogelijk in de nieuwe wereld die ontstaan was door de ineenstorting van de oude orde in Europa ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog. Hun denkbeelden werden gevormd door de werled waarin ze opgroeiden: Stalin richtte zich tot het marxisme, Hitler richtte zich tot een combinatie van sociaal-darwinisme en racisme. Dit waren negentiende-eeuwse stelsels waarvan de invloed zijn hoogtepunt bereikte rond de eeuwisseling: namelijk in het laatste decennium van de 19de en het eerste van de 20ste eeuw (Alan Bullock, 2001). Door de jeugdjaren van beide dictators te bestuderen trachten we te achterhalen welke factoren een mogelijke invloed hebben gehad tot het vormen van beide autoritaire persoonlijkheden. 2 De jeugd van Stalin Stalin kwam uit een niet al te rijk arbeidersgezin en beide ouders waren niet hoog geschoold. Beide ouders werden als lijfeigenen1 geboren. Pas in 1864 konden ze zichzelf officieel vrij verklaren. Zijn vader, Vissarion, was 1 Lijfeigenschap is de situatie waarbij iemands lichaam wordt beschouwd als het eigendom van de heer (landsheer, heerser) van een bepaald gebied. Het is een vorm van horigheid die de slavernij dicht benadert. Het verschil met slavernij is dat lijfeigenen een gezin konden stichten, een stukje land mochten bebouwen om hun gezin te voeden en niet zonder hun gezin en hun land konden worden verkocht. 40
  • 41. schoenmaker van beroep. Bij het verhuizen naar de kleine stad Gori leerde hij Jekaterina Geladze kennen met wie hij later trouwde. Twee kinderen stierven bij de geboorte voordat Stalin ter wereld kwam. Het gezin woonde in een uit één kamer bestaand bakstenen huisje met een klein zolderkamertje (Alan Bullock, 2001). Stalin’s vader was een ruwe, gewelddadige man die aan de drank was en hierdoor zijn vrouw en kind sloeg en maar met moeite de kost verdiende. Het gevolg hiervan was dat de jongen bittere wrok koesterde tegen de manier waarop zijn vader hem behandelde, maar zijn geest werd er niet door gebroken. In tegenstelling tot de haat die hij had voor zijn vader, had hij een grote bewondering voor zijn moeder. Ze was een wilskrachtige en vrome vrouw die haar man trotseerde en die door het overlijden van haar eerdere twee zonen, haar enige overgebleven zoon koesterde en goed verzorgde. Toen zijn vader naar Tiflis trok om in een schoenfabriek te gaan werken nam Jekaterina een job als huishoudster en trok ze in het huis van een orthodoxe priester. Met hulp van deze priester kreeg Jekaterina Stalin binnen in de school van een orthodoxe kerk. Stalin was toen acht jaar en een niet al te grote jongen met duidelijke Georgische gelaatstrekken. Hij had een geteisterde huid vanwege een bijna dodelijke aanval van pokken op vijfjarige leeftijd en als gevolg hiervan bleef zijn gezicht pokdalig. Het bleef niet enkel bij de dodelijke aanval van pokken. Zo kende Stalin in zijn jonge leven ook enkele bloedvergiftigingen, werd hij overreden door een wagen en door erfelijke trekken raakte zijn linkerarm misvormd (deze was stijf en een aantal centimeters korter dan zijn rechterarm). Maar deze fysieke misvormingen en problemen belette Stalin er niet van te pesten in plaats van gepest te worden tijdens zijn jonge jaren. Dit waren al de eerste kenmerken van wat later een zeer assertief man zou worden. Ondanks een éénmalige actie van zijn vader om Stalin op zijn tienjarige leeftijd mee te nemen naar de schoenfabriek, slaagde Jekaterina erin Stalin terug te halen naar school om zijn opleiding af te werken. Jekaterina was vastbesloten dat haar zoon priester zou worden. Deze vastberadenheid in ambitie en verwachtingen die ze richtte op het succes van haar zoon, had ook een effect op de persoonlijkheid van Stalin. De moeilijke verhouding met zijn vader ontwikkelde bij Stalin een hart van steen en een haat jegens elke vorm van 41
  • 42. gezag. Zijn moeder daarentegen creëerde bij hem het vertrouwen dat hij een bijzonder iemand was die tot grootse dingen in staat zou zijn. Deze combinatie zou later een machtige erfenis blijken (Alan Bullock, 2001). Een belangrijk gegeven is dat ten tijde dat Stalin op de parochieschool zat in Gori, er als gevolg van het russificatiebeleid van de tsaristische regering, het onderwijs niet langer in het Georgisch gegeven werd en abrupt vervangen werd door het Russisch. Dit leidde tot botsingen waarbij Stalin één van de leidende rebellen was. Stalin hield hier zijn grote interesse voor Georgische literatuur aan over (Alan Bullock, 2001). Zo kon Stalin in een boekenwinkel in Gori aan boeken geraken die door de schoolautoriteiten verboden waren. Voornamelijk waren dit werken van Georgische schrijvers en één van deze werken maakte een blijvende indruk op hem en was gebasseerd op een waargebeurde episode in 1840. Het werk was getiteld “de vadermoordenaar” en was het verhaal van een Kaukastische Robin Hood, genaamd Koba. Stalin was zo gek op dit karakter dat hij zijn vrienden dwong om hem zo te noemen. Het ging zelfs zo ver dat Stalin zichzelf had voorgenomen een tweede Koba te worden, net zo’n beroemde strijder en held. Robert Tucker, een Amerikaanse biograaf van Stalin, schreef hierover het volgende (Robert Tucker, 1990, p. 4): De theorie houdt in dat de wrede behandeling die Stalin kreeg van zijn vader, vooral de afranselingen die de jongen en zijn moeder in zijn bijzijn kregen, de fundamentele onzekerheid veroorzaakte, het gevoel geïsoleerd te zijn in een vijandige wereld, wat tot de ontwikkeling van een neurotische persoonlijkheid in een kind kan leiden. Op zoek naar vaste grond waarop men innerlijke zekerheid kan bouwen, zou iemand die in zijn jeugd zo’n zekerheid had ervaren, er heel goed toe kunnen komen deze zekerheid te zoeken in het vormen van een geïdealiseerd zelfbeeld en dat vervolgens aan te nemen als zijn ware identiteit. ‘Vanaf dat ogenblik wordt zijn energie in toenemende mate aangewend om te proberen het geïdealiseerde zelfbeeld door daden te bewijzen en de bevestiging ervan door anderen te verkrijgen.’ In het geval van Stalin klopt dit met het feit dat hij zich eerst identificeerde met de Kaukasische, vogelvrijverklaarde held Koba, wiens naam hij aannam, en later met Lenin, de revolutionaire held, die hij als model koos voor zijn eigen 42
  • 43. ’revolutionaire persona’ door middel van de naam Stalin, ‘man van staal’, waarin Lenins eigen pseudoniem weerklonk. Nadat Stalin klaar was met de basisschool in Gori, die hij vrij makkelijk had weten te doorlopen, ging hij naar het Orthodox Theologisch Seminarium van Tiflis. Zijn resultaten van het toelatingsexamen waren zo goed dat hij ingeschreven werd als inwonende leerling voor wie alles betaald werd. De verhuis van een kleine stad op het open platte land naar de hoofdstad van de Kaukasische republiek was een belangrijk keerpunt. Zo leerde hij onder andere vele nieuwe culturen kennen. Het Orthodox Theologisch Seminarium waar Stalin terechtkwam was een seminarie met een zeer streng regime. Zo mochten er geen kranten gelezen worden en veel boeken, van onder andere Tolstoy en Dostoyevsky, waren ook uit den boze. Deze regels hebben er ook voor gezorgd dat Stalin vaak in de problemen kwam omdat hij veel van de boeken die uitgebannen waren wel las. Als tegenreactie bespioneerden de monniken hun leerlingen, luisterden hen af, doorzochten hun kleren en kasten en verklikten hen bij de rector. De monniken vreesden namelijk dat hun pupillen zouden rebelleren tegen hen. Maar het verplichten van de jongens om op zondagen en kerkelijke feestdagen de drie of vier uur durende kerkdiensten staand bij te wonen, creëerde het omgekeerde effect en lokte een krachtige antigodsdienstige reactie uit. Dit werd nog meer aangewakkerd door het officiële russificatiebeleid dat het seminarie tot een bolwerk van Georgisch nationalisme maakte, broeinesten van revolutionairen. In 1894, zoals sommige getuigen zeggen, ging Stalin bij een Marxistische jongerengroep, die begeleid werd door een van de oudere studenten. Maar zelfs tegen deze rebellerende jongerengroep rebelleerde hij. Hij richtte namelijk zijn eigen splinterfractie op die hij domineerde en waarin hij een verdeel en heers tactiek in toepaste. Deze tactiek zou hij in zijn latere bestaan als potentaat nog heel handig weten te gebruiken. Wel beschrijft Bullock dat het verblijf in het seminari een grote invloed heeft gehad op Stalin (Alan Bullock, 2001, p. 13): Degenen die Stalin in Gori hadden gekend als een levendige en spontane jongen, constateerden nadat hij een jaar of twee het seminarie had bezocht, een opvallende verandering in hem: hij werd teruggetrokken en zwijgzaam, hij 43
  • 44. gaf er de voorkeur aan er alleen op uit te trekken al dan niet met een boek toonde zich snel beledigd, zelfs als van een belediging geen sprake was. In 1898 werd de voorloper van de latere Communistische Partij gesticht, de Russische Sociaal Democratische Arbeiderspartij. Wel bleken de idealen die Stalin voor ogen had te megalomaan. Stalin werd dan ook door de leider van de partij geadviseerd om tot bezinning te komen en zijn school af te maken, wat Stalin uiteindelijk nog maar één jaar volhield. Het was in de lente van 1899 dat Stalin het seminarie verliet, nadat hij maar vijf jaar van de zesjarige studie had volbracht. Waarom en hoe deze gebeurtenis zich heeft kunnen voltrekken is tot op de dag van vandaag onduidelijk gebleven. Wat wel bekend is dat hij in zijn laatste studiejaar steeds meer onvrede toonde over de gang van zaken aldaar. Volgens zijn vroegere docenten toonde Stalin tijdens de lessen die hij volgde geen enkel respect voor de leraren en was hij daarbij ook nog eens een slechte leerling. Hij leerde zijn gevoelens verbergen met een bedrevenheid in het veinzen die hem tot een tweede natuur werd. Vijf jaar lang leerde hij niet alleen te overleven, maar bestudeerde hij uit de eerste hand een gesloten gemeenschap waarin op de naleving van de regels werd toegezien door een systeem van spionage, verklikkerij en angst: de les was niet aan hem verspild (Alan Bullock, 2001, p13). 3 De jeugd van Hitler In Waldviertel, een arme afgelegen streek ten noorden van de Donau, woonde een boerenbevolking die afgesneden was van de stromingen in het leven van Oostenrijk. Temidden van deze plattelandsbevolking, met haar veelvuldig onderlinge huwelijken, leefde de familie Hitler. Adolf’s vader, Alois Schicklgruber, geboren in 1837, was de onechtelijke zoon van Maria Anna Schicklgruber en een onbekende vader (Alan Bullock, 1983). Het is zelfs misschien te veronderstellen dat de grootvader van Hitler een Jood is geweest, omdat zijn grootmoeder als kokkin werkte in een rijk Joods gezin. Maar het is nooit helemaal duidelijk geworden wie nu de echte grootvader van Hitler is geweest. 44
  • 45. In 1876, op 39-jarige leeftijd, werd de naam van Alois Schicklgruber veranderd in Alois Hitler, naar zijn oom Hiedler. Door een administratieve fout werd het Hitler. In 1885, na talloze affaires en twee beëindigde huwelijken, trouwde Alois Hitler, toen 48 jaar oud, met de zwangere Klara Pölzl, 24 jaar jonger. Zij was de kleindochter van zijn oom Hiedler. Hiervoor moest Alois speciale toestemming vragen van de bisschop, aangezien zij eigenlijk zijn nicht was. Alois Hitler was niet echt een sympathiek persoon. Hij was autoritair en egoïstisch en hield weinig rekening met de gevoelens van zijn veel jongere vrouw. Maar dit gold voor veel mannen van zijn tijd die zich hadden opgewerkt. Zo bekleedde Alois Hitler de positie van douanebeamte bij de Habsburgse Keizerlijke Douandienst (Alan Bullock, 1983). Klara Pölzl had voor de geboorte van Adolf Hitler, op 20 april 1889 in het dorpje Braunau am Inn in Oostenrijk, al drie andere kinderen gebaard, die alle drie in hun kinderjaren vroegtijdig waren overleden. Tot zijn vijfde jaar, toen Adolf er een broertje bij kreeg, kreeg Adolf alle aandacht van zijn moeder. Er zijn geen overtuigende bewijzen dat hij erg jaloers was toen er aan deze periode een einde kwam (Alan Bullock, 2001, p6). Toen Adolf zes jaar was ging hij voor de eerste maal naar school, een basisschool in de buurt van Linz in het noordoosten van Oostenrijk. In dat jaar vonden er voor Hitler twee belangrijke gebeurtenissen plaats, zo ging hij voor het eerst naar de basisschool, waarmee de meest zorgeloze tijd van zijn leven afgelopen was, en ging zijn vader met pensioen. Dit had tot gevolg dat er opeens veel meer controle op Adolf’s jonge leventje kwam, wat niet echt gewaardeerd werd door hem. Adolf’s oudere broer Alois die toen dertien was, was meestal het mikpunt van zijn vaders bevelen en agressie. Na menige klappen en andere vormen van agressie van de vader die gericht waren tegen de jonge Alois, had deze er op zijn veertiende genoeg van en ging uit huis. Nu was het de beurt aan de zevenjarige Adolf om geterroriseerd te worden. Aangezien vader Alois werkzaam was geweest als een hoge ambtenaar voor de gemeente en naar wie geluisterd moest worden,verwachtte hij hierdoor ook dat iedereen hem gehoorzaamde. Binnen deze periode verhuisde de familie ook veel waardoor Adolf telkenmale moets veranderen van school (Alan Bullock, 1983). 45
  • 46. Toen hij een jaar of acht was gingen ze in Lambach wonen en ging Adolf naar een kloosterschool. Adolf was een goede leerling en net als Stalin was hij lid van het jongenskoor. Als jonge knaap bewonderde hij de priesters zeer en hij heeft twee jaar lang serieus overwogen om zelf priester te worden. Hitler las ook veel, met name de cowboy verhalen van Karl May waar hij verslaafd aan was. Deze boeken werden geschreven door een nooit in het buitenland geweest zijnde Duitser die onder andere het karakter van “Old Shatterhand” creëerde (Alan Bullock, 1983). Toen hij de Führer was bleef hij deze boeken lezen en tijdens de Duitse aanval op de Sovjet unie noemde hij de Russen zo af en toe zelfs roodhuiden en beval hij zijn officieren de boeken van Karl May bij zich te dragen. Uiteindelijk werd hij na de oorlog door zijn broer Alois beschreven als een licht ontvlambare en een door zijn moeder verwende etter. Toen het einde van zijn basisschooltijd in zicht kwam, moest Hitler een keuze maken welke vervolgopleiding hij wilde gaan doen. Hij kon kiezen tussen een klassieke of een technische opleiding. Gedwongen door zijn vader, die wilde dat de jonge Hitler in zijn voetsporen zou treden, moest Adolf verplicht naar de technische school in Linz in september 1900. Hitler zelf had echter altijd gedroomd van een carrière als beroemde kunstenaar en beschouwde zichzelf ook als een talent op dit gebied. Dit heeft tot de nodige ruzies geleid tussen Adolf en zijn vader. De eerste paar jaren op deze opleiding deed Hitler het vrij slecht. In zijn tweede jaar aan de technische hogeschool kwam er een andere interesse van Hitler die zeker niet onbelangrijk was bovendrijven: het Duits nationalisme. Hoewel hij van oorsprong Oostenrijker was voelde hij zich meer aangetrokken tot de Duitse monarch dan tot de monarch van Oostenrijk. Deze voorliefde voor Duitsland is onder andere te verklaren door de voorliefde van zijn vader voor het Oostenrijks Habsburgse Huis. Hitler wilde hiermee zich afzetten tegen zijn vader. Ook voelde Hitler grote bewondering voor belangrijke personen uit het Duitse roemruchte verleden, zoals Bismarck en Frederik de Grote. In muzikaal opzicht was Hitler liefhebber van Richard Wagner, wat waarschijnlijk kwam door het bombastische karakter van zijn muziek (Alan Bullock, 1983). In 1903 zou de worsteling met zijn vader tot een abrupt einde komen door het plotselinge overlijden van Alois aan een longbloeding, waarmee hij Adolf 46
  • 47. achterliet als hoofd van het gezin op 13-jarige leeftijd. Hoewel Hitler nu zelf kon kiezen wat voor opleiding hij wilde volgen, bleef hij toch zijn opleiding aan de Technische school volgen. De goede cijfers bleven uit en Hitler besefte dat het hem niet zou lukken de opleiding te voltooien waardoor hij zich steeds slechter ging gedragen. Dit bleek onder andere uit nare streken en grappen die hij uithaalde bij de docenten die hij steeds meer begon te verachten. Deze grappen maakten hem ongeliefd bij de docenten maar des te meer geliefd bij zijn medeleerlingen, die niet zelden applaudisseerden als hij weer een docent voor schut had gezet. De enige docent die zijn respect en zijn interesse wist te behouden was zijn geschiedenisdocent. Deze deed ook zijn interesse voor het Duitse nationalisme toenemen. In de zomer van 1904 verliet Hitler de middelbare school in Linz. In september van datzelfde jaar ging hij naar een kostschool in Steyr. Maar er kwam geen verbetering in de schoolresultaten. Door een longinfectie die Hitler in 1905 had opgelopen kon hij zijn moeder ervan overtuigen dat het beter was dat hij van school ging. Hij ging proberen een toelating te bekomen voor de kunstacademie van Wenen. Maar met veel excuses stelde hij gedurende twee jaar telkenmale het toelatingsexamen voor de kunstacademie uit. Nadat hij de kostschool verliet in 1905 spendeerde hij de volgende twee jaar met nietsnutterij. Zijn geduldige moeder probeerde hem zo ver te krijgen dat hij een vak ging leren of een baan ging zoeken. Maar Hitler walgde van het idee dat hij een andere autoriteit dagelijks zou moeten gehoorzamen. Omdat hij niets deed, en de absolute zelfbeschikking had, beschreef hij later deze tijd als de gelukkigste van zijn leven (Alan Bullock, 1983). Zo langzamerhand werd Hitler steeds verder vervuld van een zekere trots op het Duitse ras, een trots die samenging met een afkeer van alle niet Arische/Duitse rassen. Net als Stalins Koba, het beeld van een heroïsche rebel, creëerde Hitler tijdens deze periode zijn zelfbeeld waarbij hij zichzelf zag als een geniaal kunstenaar. En één van zijn grote voorbeelden waaraan hij zichzelf spiegelde was Richard Wagner, wiens muziekdrama’s hem in de ban hielden. Toen hij voor het eerst naar Wenen ging groeide zijn interesse voor architectuur gigantisch en besloot hij, omdat hij wel aardig kon tekenen, toe te treden tot de prestigieuze Weense academie voor verfijnde kunsten. Hij werd tot twee keer toe 47
  • 48. afgewezen. Dit zorgde er voor dat Hitler zeer depressief werd. Hij keerde toen terug naar zijn ouderlijk huis waar hij een aan borstkanker stervende moeder aantrof. Net als Stalin had Hitler heel veel te danken aan zijn moeder. Freud merkt hierin op dat (Siegmund Freud, 1952, p. 76): ‘een man die de onbetwistbare lieveling van zijn moeder is geweest, zijn leven lang het gevoel houdt een veroveraar te zijn, dat vertrouwen in succes dat vaak tot echt succes leidt.’ Dit hing misschien op voor Stalin, maar zeer zeker voor Hitler. De dood van zijn moeder samen met het falen van hem, kwam voor hem als een diepe schok. Door zijn wil om kunstenaar te worden joeg Hitler langzaam zijn erfenis er doorheen, hij eindigde uiteindelijk als een straatarm gebroken man die een zwerversbestaan leed. Dit miserabele bestaan heeft zijn ideeën over de politiek en rassen sterk beïnvloedt, wat immense gevolgen zou hebben voor de toekomst. In de tabel op de volgende pagina worden kort de belangrijkste overeenkomsten en verschillen van de jeugd van Adolf Hitler en Josef Vissarionovich Dzhugashvili alias Stalin samengevat. 48
  • 49. Overeenkomsten Verschillen Beide bewindslieden hadden ouders die niet Hitler kwam in tegenstelling van origine uit het land kwamen waar ze later tot Stalin uit een niet al te alleenheerser zouden zijn. arm gezin. Beiden hadden een vader die er niet voor Hitler is veel meer verhuisd terugdeinsde geweld te gebruiken in de dan Stalin in zijn jeugd opvoeding. Beiden verloren hun vaders al op vroege Hitler was een stuk jonger leeftijd. dan Stalin, meer bepaald 10 jaar. Beiden hielden van het lezen van boeken en leefden zich ook in bijna beangstigende mate in, in de personages van deze boeken. Beiden hadden een gruwelijke hekel aan school. Hier vloeide ook deels uit voort dat ze een hekel hadden aan autoriteiten die controle op hen uitoefenden. Beiden waren of aangetrokken door de kerk of hadden zelfs een gedeeltelijke opleiding aan een kerkelijke instelling genoten. Beiden stopten met hun middelbare schoolopleiding in het jaar dat ze het af zouden ronden. In tegenstelling tot de vaders waren de moeders absoluut gek op hun kinderen. 49
  • 50. 4 Bepalende factoren tijdens de jeugd De belangrijkste factor die een invloed gehad heeft op de vorming van de persoonlijkheid van beide leiders is het hebben van een dominante vader die er niet voor terugdeinsde geweld te gebruiken om zijn woorden kracht bij te zetten. Hierdoor creëerden beide leiders een autoritaire reactie waarbij ze angst en onzekerheid ontwikkelden tegen elke vorm van gezag. Ze zullen er dus niet in slagen om strategieën te ontwikkelen waardoor zij kunnen omgaan met de realiteit. Zo kenden beiden een moment waarop zij zich op zichzelf terugplooiden. Beiden concentreerden zich gedurende een bepaalde periode op literaire werken en bepaalde politieke ideologieën en hechtten zich op een rigide wijze aan normen- en waardesystemen. Dit kadert in de ontwikkeling van een autoritaire reactie naar een autoritaire persoonlijkheid en betekent concreet dat zij hun geest zullen afsluiten voor andere ideeën. De andere aspecten van de autoritaire persoonlijkheid zoals geformuleerd in het artikel van Oesterreich zullen in het latere leven van zowel Hitler als Stalin terugkomen. Zowel het verwerpen van het nieuwe en het ongewone, een angstig en inflexibel antwoord op nieuwe situaties, een onderdrukte vijandelijkheid en passieve agressiviteit en zoals hierboven al aangehaald het rigide hechten aan normen en waardesystemen. Het tekort aan affectie van de vader werd overgecompenseerd door een al te beschermende moeder. Door Freud werd dit gezien als de oorsprong van het Oedipuscomplex2. De bemoederende houding waarmee Hitler en Stalin geconfronteerd werden, lag aan de basis van een narcistische houding, maar het moedigde hen ook niet aan om, zoals hierboven al gesteld, strategieën te ontwikkelen om om te kunnen gaan met de realiteit en zogenaamde ‘coping’ te ontwikkelen. Zoals Fromm (1977) ook al stelde wordt dit bij politieke leiders als een beroepsafwijking beschouwd, al naargelang van de mate waarin zij overtuigd zijn dat ze een door de Voorzienigheid bepaalde missie hebben en zij aanspraak maken op de onfeilbaarheid van hun oordeel en op een machtsmonopolie. Daarom zullen zij ook eerder angstig en inflexibel reageren op nieuwe situaties zoals past binnen hun autoritaire persoonlijkheid. 2 de door seksualiteit bepaalde instinctieve erotische binding van het kind aan zijn ouders, waarbij met name de zoon zich aangetrokken voelt tot de moeder (en de vader als concurrent ziet) 50
  • 51. Hoofdstuk 4: De Autoritaire Leider in de Organisatie Als leidinggevenden of medewerk(st)ers geblokkeerd zitten in een gedragsvorm die persoonlijke groei, ontwikkeling en een toename van gedragsflexibiliteit tegenhoudt, dan kun je binnen een organisatie spreken van neurotisch gedrag. Neurotisch gedrag is kenmerkend voor de extreme autoritaire leider. Hierdoor wordt ook de groei, ontwikkeling en gedragsflexibiliteit van de organisatie als geheel tegengehouden. Vaak zorgt de aanwezigheid van een autoritaire leider binnen een organisatie voor het ontstaan van neurotisch gedrag in deze organisatie. Daarom zullen wij in wat volgt de neurotische organisatie uitvoerig omschrijven en analyseren. 5 De neurotische organisatie Het individu heeft een enorme impact op de organisatie waarvan hij deel uitmaakt. Vaak gebeurt dit onbewust. De grote econoom Adam Smith geloofde dat mensen worden geleid door een onzichtbare hand (“the invisible hand”) die maakt dat ze in feite niet door hen gekozen doeleinden nastreven. Besluitvorming, leiderschap, het ontwikkelen van strategieën en veranderingen binnen de organisatie worden op subtiele en complexe wijze beïnvloed door onzichtbare, diepgewortelde psychologische krachten waarvan het individu zich meestal niet bewust is. De verhulde krachten manifesteren zich binnen een organisatie vaak in de vorm van uiterst irrationele en dysfunctionele elementen.(Kets de Vries & Miller, 1984, pp. 11-12) De persoonlijkheid van de topmanager kan de strategie en de structuur van een organisatie diepgaand beïnvloeden; in het bijzonder de organisatiecultuur. Er bestaat voldoende theoretisch en empirisch materiaal dat de samenhang tussen deze elementen omschrijft. Meestal kijkt men bij deze analyses slechts naar één aspect van de persoonlijkheid, zoals bijvoorbeeld het verlangen naar macht/succes, en relateert die dan aan enkele organisatievariabelen, zoals bijvoorbeeld de mate van participatie in de besluitvorming. Onderzoek dat enkel gebaseerd is op losstaande trekken of houdingen kan zeer misleidend zijn. Complexe situaties worden teruggebracht tot één dimensie, alsof die ene 51
  • 52. dimensie het verschijnsel zou kunnen verklaren of los zou staan van andere aspecten van de persoonlijkheid. Daarom is het beter te vertrekken vanuit een psychoanalytische of psychiatrische benadering. Volgens de auteurs van “De neurotische organisatie” omdat deze benadering een hechter samenhangend beeld geeft van het intrapsychische functioneren en gedrag. Zij hadden er meer baat bij persoonlijkheidsstijlen -gedragspatronen waardoor mensen communiceren met de buitenwereld en hun eigen innerlijke disposities – te onderzoeken dan dat ze zich gingen concentreren op slechts een trek of attitude van de manager. Er zijn vijf neurotische stijlen te onderscheiden: de paranoïde, dwangneurotische, theatrale, depressieve en schizoïde stijl. Kets de Vries en Miller wijzen er op dat we hierbij niet enkel mogen denken aan de extreme gevallen. Allemaal hebben we bepaalde dysfunctionele neurotische trekken. Bijvoorbeeld verlegenheid, irrationele angsten,depressies,… Iedereen vertoont op een gegeven moment wel eens een van deze kenmerken. In feite houdt “normaal zijn” in dat men vele uiteenlopende neurotische trekjes heeft. Maar soms vertonen mensen een aantal kenmerken die allemaal uitingen blijken te zijn van één neurotische stijl. Deze mensen lijken niet echt ziek maar hun starre gedrag beperkt wel hun effectiviteit als topmanager. Het vertekent hun kijk op andere mensen en gebeurtenissen, heeft een diepe invloed op de doelen die ze zich stellen, op de manier van beslissingen nemen en ook op hun sociaal milieu. Het zijn deze soort van autoritaire leiders die zorgen voor het ontstaan van een neurotische organisatie. Om te verstaan hoe de neurotische organisatie zich manifesteert, is het nodig de neurotische persoonlijkheidskenmerken te bestuderen. Uitgesproken ontwikkeling van neurotische trekken is typisch voor de autoritaire leider. Kets De Vries en Miller (1986, pp. 33-38) geven een overzicht van de vijf neurotische persoonlijkheidsstijlen: Paranoïde stijl Kenmerken • Argwanend o Hypersensitief en hyperalert o 52
  • 53. Continu letten op verhulde motieven en speciale betekenissen o (betrekkingswanen) Kil, rationeel o Denkbeeld: “Eigenlijk kan ik niemand vertrouwen. Er zijn superieure • machten die het op mij gemunt hebben; ik moet op mijn hoede zijn.” Gevaren • Vertekeningen van de werkelijkheid door ingebeelde verdenkingen o Verlies van het vermogen tot spontane actie vanwege de afwerende o attitude Dwangneurotische stijl Kenmerken • Perfectionistisch o Aandacht voor onbelangrijke details o Anderen dwingen dingen te doen op zijn opgelegde manier o Kijk op verhoudingen in termen van overheersing en onderwerping o Gebrek aan spontaniteit o Onvermogen om zich te ontspannen o Denkbeeld: “Ik wil niet overgeleverd worden aan de grillen van het lot. • Ik moet heer en meester zijn over alles waar ik mee te maken krijg.” Gevaren • Op zichzelf gericht o Besluiteloosheid en uitstelgedrag o Faalangst o Onvermogen om af te wijken van geplande activiteiten o Vasthouden aan vastgelegde regels en procedures o Fragmentarisch denken, gebrek aan overzichtelijk denken o Theatrale stijl Kenmerken • Egotripper o Sterallures o Overdreven uiten van emoties o Sterk narcistisch o Houdt van kicks o 53
  • 54. Pendelend tussen idealiseren en neerhalen van anderen (zwart- o witdenken) Denkbeeld: “Ik wil aandacht van en indruk maken op mensen uit mijn • omgeving.” Gevaren • Oppervlakkigheid o Gemakkelijk te beïnvloeden o Vervallen in een fantasiewereld o Acties gebaseerd op “voorgevoelens” o Overreageren op pietluttigheden o Depressieve stijl Kenmerken • Schuldgevoelens o Minderwaardigheidsgevoel o Gevoel van hulpeloosheid en hopeloosheid o Verminderd vermogen tot helder nadenken o Verlies van belangstelling en motivatie o Onvermogen om te genieten o Denkbeeld: “Het is nutteloos te pogen de loop der dingen in mijn leven • te veranderen. Daar ben ik niet toe in staat.” Gevaren • Extreem pessimistische kijk o Moeilijkheden met concentreren o o Niet in staat tot handelen, besluiteloosheid Schizoïde stijl Kenmerken • Afstandelijk o Teruggetrokken o Gebrek aan enthousiasme o Onverschillig tegenover lof of kritiek o Gebrek aan belangstelling voor heden of toekomst o Gevoelloos o 54
  • 55. Denkbeeld: “De realiteit schenkt mij geen enkele bevrediging. Mijn • omgang met anderen zal mij schade berokkenen dus is het beter afstand te bewaren.” Gevaren • Verdringing van emoties o Verwarring en agressie o De neurotische stijl van een individu wordt weerspiegeld in het strategische gedrag, de cultuur, structuur en omgeving van een bedrijf. De kenmerken van die neurotische organisaties komen voort uit de overheersende neurotische stijl van de dominanten binnen de organisatie. Bovenstaande neurotische stijlen kunnen overgedragen worden op de totale organisatie via de autoritaire leidinggevende. (Kets de Vries & Miller, 1986, pp. 36-53) Voor de “high potentials” onder ons die weldra in het bedrijfsleven stappen is het zeer interessant te zien hoe een autoritaire persoonlijkheid zodanig de organisatie naar zijn hand kan zetten dat deze de kenmerken van de autoritaire gaat overnemen. De paranoïde organisatie In de paranoïde organisatie leidt de argwaan van de leidinggevende tot het overdreven vergaren van informatie en beheersstructuren. Deze organisatie is zeer bureaucratisch. Managementinformatiesystemen hebben een zeer geraffineerde methode voor het bespieden van de omgeving en het beheersen van interne processen. Deze studie van de omgeving doen zij om bedreigingen en uitdagingen te kunnen vaststellen. De topmanagers zijn steeds op hun hoede en koesteren argwaan ten opzichte van mensen binnen en buiten het bedrijf. Complexe informatiestromen zijn het product van hun verlangen om continu waakzaam en op het ergste voorbereid te zijn. De paranoia van de leiders beïnvloedt ook de manier waarop beslissingen worden genomen. Ze ontwikkelen een persoonlijke defensieve strategie: Informatie wordt doorgespeeld aan elkaar om de organisatie te beschermen tegen concurrenten. Om adequaat op mogelijke bedreigingen te kunnen reageren, gaat besluitvorming dan gepaard met uitgebreide analyses. In paranoïde organisaties is er steeds de neiging om macht te gaan centraliseren bij die topfunctionarissen die zelf de beheersings- en informatiesystemen 55
  • 56. ontwikkelden. Zij die zich bedreigd voelen, vinden het over het algemeen best om hun ondergeschikten op allerlei manieren in de gaten te kunnen houden. Ze gebruiken de ondergeschikten om uit te pluizen wat er omgaat in de organisatie maar reserveren de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid voor zichzelf. Het machtscentrum ligt dus op het hoogste niveau van de organisatie. De strategie van paranoïde bedrijven is meestal eerder reactief dan proactief. Bedreigingen van buitenaf komen het management ter ore waarna men zijn uiterste best gaat doen om daar iets aan te doen. Als concurrenten bijvoorbeeld hun prijzen verlagen zal het bedrijf deze uitdaging vermoedelijk eerst analyseren en pas daarna erop reageren. Als concurrenten een nieuw product lanceren en daar succes mee hebben, zal het paranoïde bedrijf dit waarschijnlijk imiteren. De strategie is ook gekenmerkt door een flinke dosis conservatisme. Men zal risico´s zoveel mogelijk vermijden en kiezen voor een veilige “stap-voor-stap-strategie”. Dit zorgt vaak voor een aanmodderende aanpak. Op gebied van productinnovatie hebben zij een achterstand op de concurrenten. Hun afzetmarkt zullen zij vaak diversifiëren. Zo probeert men het risico te verminderen afhankelijk te zijn van één omgeving. Ze richten zich op verschillende, vaak niet-samenhangende markten. De dwangneurotische organisatie Deze organisatie is verknocht aan rituelen. Iedere activiteit wordt van tevoren tot in de details gepland en uitgevoerd op routinematige en voorgeprogrammeerde wijze. Grondig zijn, volledigheid en het zich conformeren aan gevestigde procedures worden benadrukt. Deze fundamentele gedragingen uiten zich in de organisatiestructuur, besluitvormingsprocessen en strategieën van het dwangneurotische bedrijf. Net zoals bij de paranoïde organisatie ligt de nadruk op formele beheersstructuren en informatiesystemen. Een cruciaal verschil met de paranoïde organisatie is echter dat deze beheersstructuren niet bedoeld zijn om externe omgevingsfactoren te beïnvloeden maar wel voor strikte interne operationele controle. Men houdt zich sterk vast aan formele richtlijnen en procedures. Men gaat hierin zeer ver. Er is niet alleen voorprogrammatie op vlak van productie maar ook op vlak van kledingvoorschiften, gedragsvoorschriften,…Alles is voorgeschreven. Afwijkingen van de regels zijn uit den boze. 56
  • 57. De dwangneurotische organisatie wordt gekenmerkt door een sterke hiërarchie. De status van de mensen wordt bepaald door hun positie. De dwangneurotische leider heeft nood aan sterke controle op zijn ondergeschikten. De strategie wordt gekenmerkt door details, strak omlijnde doelstellingen en plannen. Ieder project wordt zeer zorgvuldig opgezet, met veel checkmomenten, evaluatieprocedures op regelmatige tijdstippen en zeer gedetailleerde schema´s. Vaak beschikt men daartoe over een uitgebreide planningsafdeling met deskundigen. Dus in tegenstelling tot paranoïde bedrijven, bij wie de strategieën gekenmerkt worden door gebrek aan een rode draad, hebben de dwangneurotische bedrijven duidelijk omlijnde en vaststaande thema´s. Zij richten zich op een afgebakend marktsegment. Diversificatie is geen optie. Veranderen is voor de dwangneurotische organisatie zeer moeilijk. Door fixatie op regels en procedures is het moeilijk een nieuwe strategische oriëntatie door te drukken. Gewoonlijk wordt een verandering voorafgegaan door een langdurige periode van twijfel en ambivalentie omdat het versoepelen van de bestaande regels voor besluitvorming een groot probleem vormt. De omgeving moet stabiel zijn en mag geen uitdagingen opleveren. De theatrale organisatie De theatrale onderneming wordt gekenmerkt door een zeer grillige levenscyclus door het roekeloze karakter van de topbeslissers. De macht is gecentraliseerd bij de top zodat zij de geprivilegieerde positie behouden die hen in staat stelt om steeds nieuwe en gewaagde ondernemingen en projecten op te zetten. Risico´s nemen en uitgebreide diversificatie vormen de rode draad bij de strategie. In plaats van te reageren op de omgeving probeert de top zelf te bepalen hoe de omgeving er gaat uitzien. Hij betreedt nieuwe markten even snel als hij ze verlaat, introduceert nieuwe producten evenveel als oude te laten schieten. Gewoonlijk zijn dit ingrijpende en gewaagde acties. Zij spelen dan ook met hun kapitaal wat een faillissement tot gevolg kan hebben. De strategie van de organisatie staat in functie van de narcistische behoeften van de topmanager. De CEO wil in het middelpunt van de belangstelling staan. Hij is de ster van de show en verkondigt dat alle successen van het bedrijf aan hem te danken zijn. De besluitvorming is roekeloos. Beslissingen worden impulsief genomen. Projecten worden ingegeven door intuïtie en oppervlakkige indrukken in plaats 57
  • 58. van feiten. De zaak wordt nog verergerd doordat het topmanagement zelden beschikt over trouwe ondergeschikten of deskundigheid. Het zijn “praatjesmakers”. Door hun egoïstisch gedrag kunnen zij niet meer rekenen op de oprechte steun van hun omgeving. De structuur van het bedrijf is vaak zeer chaotisch en primitief. Groei en diversificatie van het bedrijf zullen meestel snel en lukraak hebben plaatsgevonden waardoor de structuur snel werd opgezet of niet aangepast aan de nieuwe omstandigheden. Een effectief informatiesysteem met goed afgestemde doorstroming ontbreekt. De structuur wordt ook gekenmerkt door een heterogene aard en een hoog niveau van differentiatie in de doelstellingen, methoden en interpersoonlijke relaties tussen de verschillende bedrijfsonderdelen. De depressieve organisatie In de depressieve organisatie hangt een sfeer van lijdelijk toezien en wachten op de dingen die gaan komen. De organisatie heeft veel weg van een automatische piloot. Initiatieven en vernieuwingen worden buiten beschouwing gelaten. De meeste depressieve bedrijven treffen we aan in stabiele omgevingen. Dit is ook de enige setting waarin ze kunnen overleven. Meestal zijn ze ingebed in een solide markt die al jaren dezelfde technologie, klanten en concurrentiepatronen kent. Een traditie met weinig veranderingen, weinig concurrentie en een homogene groep afnemers maken het besturen van dergelijke ondernemingen een eenvoudige en afstompende taak. De structuur wordt gekenmerkt door bureaucratie, zoals bij de paranoïde organisatie. Het productieproces is bijna geheel geautomatiseerd en men maakt al jaren gebruik van dezelfde bestuurlijke procedures. Men zou bijna kunnen zeggen dat de organisatie zichzelf runt en het topmanagement overbodig is. Hoewel de organisatie gekenmerkt is door hiërarchie, vormt macht binnen de organisatie niet direct een probleem. De leiders bepalen de koers van het bedrijf niet. Voorstellen tot verandering worden tegengewerkt. Afremmen van initiatieven is veelvoorkomend. Het is alsof het topmanagement beheerst wordt door gevoelens van onmacht, door de idee dat de gang van zaken toch niet te veranderen is en buiten hun kunnen ligt. Het management is niet capabel om het bedrijf nieuw leven in te blazen. Er is een “leiderschapsvacuüm”. 58
  • 59. Een strategie lijkt in de depressieve bedrijven te ontbreken. Met strategisch beleid houdt men zich niet bezig, zo is er nooit sprake van zinvolle veranderingen. De schizoïde organisatie Net als bij de voorgaande neurotische organisatie, wordt de schizoïde gekenmerkt door een “leiderschapsvacuüm”. De CEO ontmoedigt interactie door angst om bij iets of iemand betrokken te raken. Vaak is de schizoïde organisatie een bedrijfspolitiek slagveld. De strategie is een product van individuele aspiraties, streven naar macht in plaats van een reactie op bedreigingen of kansen die de omgeving biedt. Maar meestal zet de manager, uit behoudzucht, zijn beelden niet om in daden. Het gevolg is dat slechts kleine correcties en stapsgewijze veranderingen optreden. De coördinatie en communicatie tussen de afdelingen is bijna onmogelijk. Het zijn los van elkaar staande entiteiten. Informatie wordt gebruikt als machtsbron en niet als middel voor effectieve aanpassingen. De omgeving wordt niet geanalyseerd. De organisatie is gericht op zichzelf, op de politieke ambities en het vervullen van de wensen van leiders. 6 Schadelijke interactie Evenwichtige interactie tussen superieuren en ondergeschikten is een van de hoekstenen van succesvol leiderschap. Kortsluiting in het interactieproces bedreigt het effectief functioneren van de organisatie. Situaties uit het verleden kunnen via overdrachtsprocessen diepgaande invloed uitoefenen op leiderschapssituaties. Overdracht kunnen we omschrijven als de reactie waarbij iemand de ander ziet alsof die belangrijk was in het verleden en er ook zo op reageert. Dit concept werd ontwikkeld door Freud. Maar ook factoren in het heden kunnen interacties beïnvloeden. Veel van wat geschreven is over dysfunctionele interactie en communicatiepatronen binnen een familie werpt een helder licht op onevenwichtige verhoudingen tussen autoritaire leiders en ondergeschikten in organisaties(Kets de Vries & Miller, 1986, pp. 113-133). In wat volgt, gaan wij hier dieper op in. 59
  • 60. 6.1 Schadelijke interactiepatronen binnen de familie Onderzoek wees uit dat autoritaire persoonlijkheden in het verleden vaak te maken hadden met strijdige communicatiepatronen binnen hun gezin of familie. Bateson richtte hier veel onderzoek naar. Hij hield zich vooral bezig met “double- blind” communicatie, waarbij interacties of interpretaties die in overeenstemming zijn met wat er in feite wordt gevraagd onmogelijk zijn. Het dwingende bevel “Handel spontaan!” is hier een voorbeeld van. Dit soort communicatie heeft verwarring, frustratie en vijandigheid tot gevolg. Op lange termijn kan dit ernstige schadelijke gevolgen hebben en kan dit zorgen voor manipulatief gedrag. Dit is typisch voor een autoritaire leider. Dit draagt tevens bij tot het ontstaan van symbiotische verhoudingen waarbij men elkaar wederzijds misbruikt. De ene kan tegenstrijdige boodschappen doorgeven aan de ander, om die dan te gaan manipuleren. Dit proces wordt niet altijd bewust op gang gebracht. Er zijn ook communicatiepatronen die resulteren in een binding van familieleden. Hierdoor wordt voorzien in verlangens van overheersing of afhankelijkheid bij ouders en hun kinderen. Sommige ouders proberen hun kinderen te beheersen omdat deze de voornaamste bron zijn van plaatsvervangende bevrediging van hun behoeften. De ouders belasten hun kinderen dan met irreële eisen en verwachtingen, wat gevoelens van schuld en minderwaardigheid oproept. Een andere methode van binding is gezinsmythen die voor eendracht en stabiliteit moeten zorgen. Mythen zoals “Ik doe dit alleen maar om je bestwil” dienen als rechtvaardiging voor het gedrag van familieleden terwijl ze hun egocentrische motieven verhullen. Een derde methode om families samen te binden zijn “maskeren” van conflicten. Uitingen van onvrede en van persoonlijke verlangens worden niet getolereerd. Er bestaan drie verschillende graden van verbondenheid of affiliatie in interacties tussen ouder en kind. Stierlin spreekt van de bindende, de afwijzende en de afvaardigende modus. Waar de bindende modus overheersend is, gaan de ouders met hun kinderen om op een manier die hen vastkluistert aan het ouderlijke milieu en tot gevangenen maakt van het “gezinsghetto”. 60
  • 61. Bij de afwijzende modus verwaarlozen de ouders hun kinderen. Ze laten ze voortdurend in de steek en zien ze als een “sta-in-de-weg” voor het bereiken van eigen doelen. De ouders stellen geen grenzen aan hun gedrag en geven op die manier blijk van een gebrek aan zorgzaamheid ten opzichte van hun kinderen. Bij de afvaardigende modus kan het kind zich wel onttrekken aan de ouderlijke sfeer maar blijft het vastzitten aan de ouders door een lange lijn van loyaliteit. Afvaardigende ouders hebben de neiging om het kind aan zich te binden maar het ook af te stoten. Ze doen dit door het kind een bepaalde opdracht te geven en tot hun eigen plaatsvervanger te maken; een substituut van zichzelf. Tussen al deze familie-interactiepatronen en wat zich afspeelt binnen een organisatie tussen superieuren en hun ondergeschikten, zijn parallellen te vinden. Kijk maar bijvoorbeeld naar wat de jeugd van Stalin en Hitler van hen gemaakt heeft (infra). Hieronder zetten wij dit kort uiteen. Zij kunnen ons helpen de relatie tussen een autoritair en zijn ondergeschikten te begrijpen. 6.2 Relatie autoritair/ondergeschikte Double-blind communicatie in de organisatie Double-blind situaties zijn in de organisatie veelvoorkomend. Daarbij worden ontoepasselijke en tegenstrijdige signalen doorgegeven die bij de ontvanger tot een staat van verwarring leiden. Wanneer een superieur bijvoorbeeld een opdracht geeft en de volgende dag het tegenovergestelde vraagt, kan dit zorgen voor desoriëntatie. Bij langdurige toepassing van double-blind communicatie kan de ontvanger het gevoel krijgen dat hij in de val zit en kan dit uitmonden in woede. Autoritairen maken hier met plezier gebruik van. Ze kweken de ondergeschikten eigenschappen als zwakte en hulpeloosheid aan om zo hun eigen macht en impact te kunnen vergroten. Double-blind communicatie belemmert het ontstaan van wederzijds vertrouwen. Conflicten worden verdrongen. De ondergeschikte mag zichzelf niet verdedigen en wordt in een zwakke positie gepusht. Er wordt een valse sfeer van eendracht geschapen. De autoritaire superieur laat weinig ruimte voor persoonlijke groei van zijn ondergeschikte, individualiteit of initiatief. In de zeldzame gevallen dat de ondergeschikte toch reageert, wekt dit frustratie op bij de superieur. Hij heeft het gevoel de zaken niet meer in de hand te hebben. Zijn gevoel van 61
  • 62. onzekerheid wordt aangewakkerd waardoor hij net nóg meer zijn autoritair karakter naar boven zal laten komen. Binden Superieuren die aan binden doen, zien hun omgeving als afwijzend en vijandig. Slechts enkele favorieten genieten hun vertrouwen. Deze autoritairen hebben het gevoel dat zij in een wereld leven waarin je niemand kunt vertrouwen en je voortdurend op je hoede moet zijn. Dit beeld heeft tot gevolg dat de superieur zijn ondergeschikten, die hij nodig heeft in zijn professionele leven, overdreven gaat beschermen en beheersen. Aan de ondergeschikten wordt verboden zich op onbekend terrein te begeven. De beste ondergeschikten zijn voor dit soort leider, zij die extreme loyaliteit en toewijding aan hun baas tonen. De bindende superieur wil de touwtjes in handen hebben. Ze moeten al zijn projecten steunen, doen wat hij wil en het nooit met hem oneens zijn. Ondergeschikten die blindelings al de wensen uitvoeren en nooit kritiek uiten zijn ideaal voor de bindende leider. De gezinsmythe komt terug bij de leiders in die zin dat zij menen al hun handelingen te stellen “in het belang van de onderneming”. Dit geeft de indruk altruïstisch te zijn maar wanneer men verder kijkt, wordt duidelijk dat de leider enkel zo handelt vanuit eigenbelang. Een veelvoorkomend trucje bij dit soort leiders is het niet eenduidig spreiden van verantwoordelijkheden binnen een organisatie. Een van de gevolgen van die verwarrende situatie is dat men de schuld in andermans schoenen kan schuiven als er iets misgaat. Het manipuleren van het geweten van de ondergeschikte door hem op te zadelen met schuldgevoelens bij een mislukking is een tweede trucje bij de bindende strategie. Substitutie In geval van substitutie maakt de autoritaire superieur de ondergeschikte als zijn plaatsvervanger. Hij verwacht dat hij zelfstandig initiatieven neemt en tegelijkertijd perfect de wensen van de superieur opvolgt. De ondergeschikte is een substituut van de baas maar de baas wil niet dat de buitenwereld dit ziet en laat de ondergeschikte hierin ook niet vrij. De ondergeschikte moet bijdragen tot het behartigen van de politieke belangen van de superieur en bijdragen tot zijn status en prestige. Als de ondergeschikte succesvol doelen bereikte, gaat de 62
  • 63. superieur met de eer lopen. Van de werknemer wordt verwacht dat hij als een hondje achter de baas aan loopt. 63
  • 64. Hoofdstuk 5: Autoritair Leiderschap in Film en Theater De autoritaire persoonlijkheid is menigmaal onderwerp geweest van de cinematografie. Hieronder zullen we ‘Das Experiment’ en ‘Die Welle’ bespreken. Hierbij zullen we zien dat het om twee verschillende vormen van autoriteit gaat. Daarnaast zullen we ook een korte bespreking geven van het toneelstuk ‘De weerbare opkomst van Arturo Ui’ van Bertolt Brecht. Dit laatste vormt een parodie op hoe Hitler aan de macht is gekomen. 1 Verfilming van het Stanford experiment 1.1 Het Stanford experiment 1.1.1 Het experiment in het kort Volgens de officiële website van het Stanford Experiment (http://www.prisonexp.org) voerde professor Zimbardo in 1971 aan de Stanford University in Californië een psychologisch experiment uit, dat erin bestond twintig mensen in een geïmproviseerde gevangenis te zetten. Acht bewakers en twaalf gevangenen die in principe volledig aan hun bewakers waren overgeleverd. Het experiment liep zeer snel uit de hand en moest na zes dagen worden stilgelegd, toen bleek dat de bewakers hun rol iets te ernstig namen. Ze gingen zich te buiten aan mentale vernederingen van de gevangenen, die het dan ook steeds moeilijker gingen krijgen en tekenen van depressie gingen vertonen. Het experiment werd stopgezet toen Christina Maslach, een studente die interviews afnam in de 'gevangenis', kritiek op de mensonterende omstandigheden uitoefende. Zimbardo merkte nog op dat van de vijftig buitenstaanders die de gevangenis van binnen hadden gezien, Maslach de enige was die vraagtekens bij de moraal ervan had gezet. 1.1.2 Maatregelen voor het bereiken van het beoogde psychologisch effect Dit experiment was dus bedoeld om aan te tonen welk psychologisch effect het gevangenisleven heeft op de mens en wat het verschil zou zijn tussen de rol van bewaker en die van gevangene. Daarom werd een simulatiegevangenis gebouwd 64
  • 65. waarin elke invloed van het gebouw op het gedrag van degenen die erin verbleven, minutieus werd genoteerd. De gevangenis was voorzien van camerabewaking en afluisterapparaten in elke cel. Vensters of horloges waren er niet, wat maakt dat de notie van tijd heel moeilijk was. Bij hun aankomst werden alle gevangenen gefouilleerd en moesten ze zich volledig uitkleden. Vervolgens werden ze bespoten met een spray om alle bacteriën of luizen te doden. Vervolgens kreeg de gevangene een soort kleed als uniform dat hij te allen tijde moest dragen zonder ondergoed. Vooraan en achteraan stond de nummer van de gevangene. Elke gevangene droeg aan de rechterenkel een ketting. Als schoeisel kregen ze rubberen sandalen en hun haar werd bedekt door een net gemaakt uit nylon. Het was dus geen letterlijke overname van een gevangenis maar eerder een functionele. In het echte gevangenisleven moeten de gevangenen immers geen jurken dragen maar toch voelen ze zich na een tijdje vernederd en ontdaan van hun mannelijkheid. Dit effect wilden ze in het Stanford experiment sneller verkrijgen waardoor ze dus jurken gebruikten. En inderdaad, als de gevangenen die klederdracht droegen begonnen ze anders te stappen en zich anders te gedragen – veeleer als een vrouw dan als een man. De ketting rond hun enkel is ook niet gebruikelijk in een echte gevangenis. Dit werd hier gebruikt om de gevangenen eraan te herinneren dat zij de onderdrukten waren, dat zelfs als ze aan het slapen waren, ze niet konden vluchten van het gevoel onderdrukt te zijn. Door gebruik te maken van nummers voelden de gevangenen zich ook anoniem. Elke gevangene moest bij zijn nummer genoemd worden en kon enkel daarmee naar zichzelf verwijzen. Het nylon op hun hoofd diende als vervanging van het haar dat wordt geschoren als men naar de gevangenis gaat. Dit maakte dat de 65
  • 66. gevangenen zich zeker niet meer als een individu kon bestempelen maar als deel van een collectieve groep. De bewakers mochten doen wat ze wilden om hun bevel te versterken en om respect af te dwingen. Bijgevolg maakten ze hun eigen regels op en implementeerden die onder toezicht van de bewaker David Jaffe. De gevangenen waren vooraf gewaarschuwd dat ze zich konden verwachten aan pesterijen, dat hun privacy en andere burgerrechten zouden geschonden worden en dat ze een aangepaste voeding zouden krijgen. Dit was allemaal overeengekomen voordat ze deelnamen aan het experiment. ’S morgens werden de gevangenen wakker gemaakt door de bewakers waarna ze geteld werden. Zo raakten de gevangenen vertrouwd met hun nummer maar belangrijker nog, zo konden de bewakers controle oefenen op hun. Aanvankelijk werd het tellen niet serieus genomen en wilden de gevangenen nog opkomen voor hun onafhankelijkheid. Ook de bewakers leefden zicht nog niet volledig in in hun rol en wisten niet goed hoe ze autoriteit moesten afdwingen. Dit werd dan het begin van meerdere confrontaties tussen de gevangenen en de bewakers. Push-ups waren een alom gekend middel om de gevangenen te straffen voor het overtreden van regels of als ze ongepast gedrag vertoonden jegens de bewakers of de instelling. In concentratiekampen was dit eveneens een vorm van straf. 1.1.3 De eerste barsten Op de tweede dag brak een opstand uit. De gevangenen hadden hun nylondoeken afgedaan, alsook hun nummers en hadden zichzelf in hun cel opgesloten door hun bedden voor de deuropening te plaatsen. De bewakers waren woedend en gefrustreerd aangezien de gevangenen ze ook begonnen te kwellen en vervloeken. Als de dagploeg aankwam waren ze kwaad dat de nachtploeg zo laks was geweest jegens de gevangenen. Ze maakten korte metten met de opstand door een brandblusapparaat te halen en te sproeien onder de deuren waardoor ze de gevangenen dwongen om achteruit te gaan. Zo konden ze in de cellen binnendringen waar ze de gevangenen uitkleedden, de 66
  • 67. bedden wegnamen en de leiders van de opstandelingen in isoleercellen opsloten. Hier begonnen de bewakers ook de gevangenen te kwellen en te vernederen. Ze kwamen ook op het idee om de gevangenen niet fysisch te onderdrukken maar psychisch. Zo installeerden ze een geprivilegieerde cel. De drie gevangenen die het minst te maken hadden met de opstand kregen zo’n cel. Ze kregen ook hun kleren en hun bedden terug en mochten hun tanden poetsen. De anderen mochten dit niet. De geprivilegieerde gevangene kreeg ook speciale voeding in aanwezigheid van de anderen die tijdelijk geen eten kregen. Hun doel was om zo de solidariteit onder de gevangenen te breken. En inderdaad, de gevangenen begonnen elkaar te wantrouwen. Deze tactiek wordt ook in het echte leven gebruikt. Zo wordt racisme bijvoorbeeld gebruikt om de zwarten tegen de Chicanos op te zetten. In het echte gevangenisleven komt de grootste bedreiging van medegevangenen en niet van de bewakers. De opstand zorgde ook voor een grotere solidariteit onder de bewakers. Plotseling was het niet langer een simulatie, een experiment maar beschouwden de bewakers de gevangenen als lastposten die alles zouden doen om ze terug te pakken. Zo voerden de bewakers de controle en agressie op. Alle handelingen van de gevangenen werden gecontroleerd door de bewakers. Zelfs het gebruikmaken van sanitair werd een privilege dat enkel door de bewakers kon gegeven of geweigerd worden naar welbelieven. Na tien uur ’s avonds waren ze zelfs verplicht om hun behoeften in een emmer te doen en soms werd het niet toegestaan om de emmers leeg te maken wat maakte dat binnen de kortste keren de gevangenis naar urine en feces rook. De bewakers waren vooral streng jegens de leiders van de opstandelingen. De volgende dag was er een bezoekuur voorzien voor de familie. Sommige ouders waren van streek bij het zien van hun vermoeide en gekwelde zoon maar hun reactie was simpelweg naar de directeur toestappen en hem vragen om de toestand waarin hun zoon verkeerde te verbeteren. 67
  • 68. 1.1.4 De uitbraak Het gerucht ging de ronde dat er plannen waren om uit te breken. Een gevangene die vroegtijdig vrijgelaten was (gevangene 8612), zou samen met een paar vrienden buiten de gevangenen staan opwachten. De bewakers beraadden dan over een plan om meer bewakers in te roepen, de gevangenen aan elkaar te ketenen, een zak boven hun hoofd te doen en ze naar het vijfde verdiep te verhuizen. Ondertussen zou er een informant in de cel van de voormalige gevangene 8612 zitten en de inbrekers opwachten om hun dan te zeggen dat het experiment ten einde was en dat iedereen al naar huis was en ze dus niemand meer moesten bevrijden. Wanneer ze dan zouden weggaan, zouden de gevangenen teruggebracht worden en zou de controle verdubbeld worden. De uitbraak bleek echter een gerucht te zijn en iemand moest wel opdraaien voor al die verloren moeite. De bewakers deden dus de teisteringen toenemen en vernederden de gevangenen steeds meer door bijvoorbeeld ze toiletten te doen kuisen met niets anders als hun blote handen. Ze moesten ook veel langer push- ups doen dan voordien. Later kwam een priester bij elke gevangene en vertelde hun dat als ze wilden vertrekken ze een advocaat moesten betalen en parool aanvragen. Tijdens de paroolzittingen gebeurden een paar opmerkelijke dingen: De meesten aan wie er gevraagd werd of ze al het geld dat ze tot die dag - verdiend hadden zouden teruggeven om ze op parool vrij te laten antwoorden affirmatief. Na de zitting werden ze gevraagd om afwachtende op het antwoord terug - te keren naar hun cel en iedereen deed dit heel gewillig ook al konden ze evengoed hetzelfde resultaat behalen door gewoon te zeggen dat ze wilden stoppen. Waarom gehoorzaamden ze dan? Ze voelden zich gewoon machteloos. 68
  • 69. 1.1.5 Typologie Er waren drie types bewakers: De harde maar rechtvaardige bewakers die de gevangenisregels opvolgden - De goede bewakers die hier en daar een gunst deden voor sommige - gevangenen en die ze nooit straften. Een derde van de bewakers was vijandig en creatief in het straffen van de - gevangenen. Zij genoten van de verkregen macht. Geen van de vooraf afgenomen tests kon voorzien hoe de mensen zouden worden in die situatie. De enige link die kon gelegd worden is die tussen de persoonlijkheid van de gevangene en het gedrag in de gevangenis. Gevangenen met een hoge graad aan autoriteit konden de autoritaire gevangenisomgeving beter aan dan de anderen. 1.1.6 Abu Ghraib Dit voorval is niet bij een experiment gebleven aangezien het zich in het echte leven ook heeft voorgedaan. In 2003 hebben Amerikaanse soldaten immers gevangenen in de gevangenis van Abu Ghraib misbruikt op een soortgelijke manier. De gevangenen werden eveneens uitgekleed, moesten zakken over hun hoofd dragen en werden seksueel vernederd terwijl de bewakers ze uitlachten en foto’s trokken. Daar zie je dus dat eens iemand de macht heeft over individuen, hij die macht kan misbruiken. Hier hebben we te maken met het derde type van bewakers in het Stanford experiment. Zij genieten zodanig van hun verkregen macht dat ze het ook gaan misbruiken om mensen te kleineren en zelfs mishandelen. Zo willen ze hun autoriteit tonen. 69
  • 70. Abu Ghraib Stanford gevangenis 1.1.7 Stopzetting van het experiment Het experiment werd om twee redenen vroegtijdig beëindigd: 1) De bewakers gingen steeds verder in het misbruiken van de gevangenen door het ’s nachts te doen omdat ze dachten dat de camera’s dan niet aanstonden. Door de verveling gingen ze steeds verder in pornografische en vernederende misbruiken. 2) Christina Maslach, aangesteld om de bewakers en gevangenen te ondervragen, had bezwaar als ze zag hoe de gevangenen met een zak over hun hoofd en de voeten aan elkaar geketend naar het toilet werden geleid. Zij was echter de enige die deze mensonterende toestanden had aangeklaagd (van de 50 mensen die de toestanden in de gevangenis hadden gezien). Eens ze het de anderen had doen inzien werd het duidelijk dat de studie moest worden stopgezet. 70
  • 71. 1.2 Das Experiment In 2001 bracht Oliver Hirschbiegel de film Das Experiment uit dat gebaseerd is op het Standford experiment en het daarop geschreven boek van Giordano “The Experiment-Black Box”. De film geeft, welliswaar overdreven, weer tot waar uitdrukking van autoriteit kan leiden. Dat mensen die initieel heel onzeker en onderdrukt zijn, zich kunnen ontpoppen tot tirans bij het verwerven van enige vorm van autoriteit. Het is alsof ze zich eindelijk kunnen doen ‘gelden’. Das Experiment speelt zich af in het hedendaagse Duitsland. Tarek, een taxichauffeur en journalist - hij moest foto’s nemen tijdens het experiment zonder dat de professoren dit wisten - meldt zich vrijwillig aan voor een experiment in een nagebootste gevangenis, samen met 19 andere kandidaten. Het experiment zou hen 4000 marken opleveren voor twee weken. Door de computer werden de kandidaten ingedeeld in gevangenen en bewakers. Camera’s filmen wat er gebeurt. De hoofdregel is dat wie geweld gebruikt eruit ligt. Voor de gevangenen zijn er een aantal regels zoals geen persoonlijke namen gebruiken, de bewakers gehoorzamen en alles wat ze als maaltijd voorgeschoteld krijgen opeten en drinken. Aanvankelijk gaat alles goed: de bewakers en hun gevangenen maken kennis, we horen wat ze zoal doen in het echte leven, en er mag al eens gelachen worden ook. Maar dat verandert snel. Tarek (gevangene 77) provoceert vanaf het begin de bewakers die op hun beurt straffen beginnen te verzinnen om hun rol in het experiment te handhaven. Wat begint met push-ups, degradeert tot mentale en tenslotte fysieke marteling. De meest teruggetrokken bewaker, een typische kantoorklerk, ontpopt zich binnen de kortste keren tot een bruut, die enorm kickt op zijn pas verworven macht. Omdat de leider van het experiment, professor Klaus Thon, de reacties van bewakers en gevangenen als psychologische standaardreacties betitelt, stopt hij het experiment niet. Na een tijdje nemen de bewakers de professoren gevangen. Als professor Thon dit hoort gaat hij terug naar het complex. Ondertussen komt er een opstand van de gevangenen en proberen ze te ontsnappen. Op twee na lopen ze in de val en worden ze weer ingerekend. De twee die niet in de val zijn gelopen komen de meest sadistische bewaker tegen en slaan hem helemaal verrot. Ondertussen is 71
  • 72. Thon in het complex en komt hij een bewaker tegen die hem per ongeluk neerschiet. Iemand weet de politie te waarschuwen en het experiment wordt gestopt. Uiteindelijk zijn er twee doden en drie gewonden gevallen. Dokter Thon overleeft het en wordt aangeklaagd voor doodslag. Het aanvankelijk onschuldige experiment loopt dus heel dramatisch uit de hand en dit omdat de mens in het algemeen tot de meest vreselijke dingen in staat is als hij zich veilig waant voor consequenties van zijn daden. “Das Experiment is voor veel mensen misschien een misselijke, ontnuchterende film, omdat de prent de ware aard van het beestje blootlegt : er zit een Nazi in elk van ons, iedereen volgt bevelen op, iedereen is in staat een ander te vermoorden, geef ons een beetje macht en een wapen en we zullen ons daarnaar gedragen en er vroeg of laat misbruik van maken.” (http://www.urbanmag.be/artikel/261/das-experiment) Das Experiment past in een compromisloze studie over het beest in de mens, waarin duidelijk wordt dat beschaving slechts een klein laagje vernis is waaronder de brute krachten van onze verre voorvaderen schuilgaan. Dat juist een Duitse film laat zien dat doorsnee mensen in ware beulen kunnen veranderen is natuurlijk opmerkelijk en gewaagd. Hirschbiegel nuanceert dat aspect door in te haken op een belangrijke conclusie van het Stanford- experiment. Zijn film herinnert eraan dat de transformatie van mens naar monster in sterke mate afhangt van de rol die een persoon in een crisissituatie heeft of krijgt toebedeeld. In Das Experiment staan alleen de cipiers onder enorme druk om de orde te bewaren en een oplossing te zoeken voor de conflicten tussen de twee groepen. Van de gevangenen wordt slechts verwacht dat ze zich misdragen. De in zijn gewone werk enorm gefrustreerde Berus staat op springen en grijpt de kans om als hoofdcipier zijn zelfrespect te hervinden, met alle dramatische gevolgen van dien. We zouden dus kunnen zeggen dat hij de karakteristieken vertoont van bewaker nummer drie van het Stanford experiment. 72
  • 73. De autoriteit waar we hier mee te maken hebben is door geweld en kleinering verworven. Initieel werd er niet naar de bewakers geluisterd. Ze hebben met andere woorden hun autoriteit ‘afgedwongen’. De gevangenen waren zodanig uitgeput en vernederd dat ze alle vorm van tegenstribbeling lieten vallen. In het volgende experiment zal een andere manier gebruikt worden om het gezag in handen te krijgen. Daar zullen de mensen de ‘leider’ respecteren en niet zozeer vrezen zoals dat in het Stanford experiment wel het geval was. 2 Verfilming van ‘The Third Wave’ experiment 2.1 The Third wave In 1967 (Alvin Toffler, 1980) besloot Ron Jones, een leerkracht geschiedenis op een middelbare school in Palo Alto, Californië, om een experiment uit te voeren met zijn tweedejaarsleerlingen. Om hen proefondervindelijk te doen aanvoelen hoe het nazisme in de jaren dertig zo populair had kunnen worden in Duitsland, startte hij op zijn eigen school een beweging, die hij The Third Wave noemde. De leden van The Third Wave trokken uniformen aan, hadden een speciale groet, een lidkaart enzovoort. Hun gehoorzaamheid aan Jones was absoluut: ze gingen synchroon zitten en rechtstaan en deden alles wat hij hen vroeg. Binnen enkele dagen tijd werd The Third Wave een afgesloten kliek binnen de school, die zichzelf verheven voelde boven alle anderen, en die ook heel snel groeide. Van 30 leerlingen groeide de beweging op enkele dagen tijd tot meer dan 200. Leden die zich niet aan de regels hielden, werden al snel bij Jones verklikt door de anderen. Na een vijftal dagen kreeg Jones het gevoel dat hij het experiment (en zijn leerlingen) niet meer onder controle had en zette hij het stop. Het experiment begint met de instelling van een strikte discipline: recht zitten, goed ademen, klaar en duidelijk praten, enz. De beperking van hun individuele vrijheid moet leiden tot een groter gemeenschapsgevoel. Initieel zou Ron Jones het spel maar één dag laten duren. Hij is echter verbaasd wanneer de leerlingen zich ook de volgende dag nog strikt aan de afgesproken regels houden. 73
  • 74. Op korte tijd ontstaat er een hechte beweging die uitzwermt over de hele school. Ze noemen zichzelf ‘The Third Wave’ en worden steeds fanatieker: leerlingen die het spel niet willen meespelen, worden uitgesloten. Ze gaan elkaar bespioneren en verklikken. ‘Vijanden’ worden met geweld geïntimideerd. Leerkrachten en ouders beginnen zich ernstig zorgen te maken. Op de vijfde dag van het experiment lopen de spanningen zo hoog op dat Ron Jones de hele onderneming moet stopzetten. Het experiment vond plaats tijdens de woelige jaren ’60, toen veel jongeren elke vorm van revolutie gretig omarmden. Ron Jones stelde zijn nieuwe beweging voor als een gezamenlijk streven naar radicale vernieuwing in de Amerikaanse politiek. Daar waren heel wat jongeren onvoorwaardelijk voorstander van; velen van hen vreesden immers te moeten gaan vechten in de Vietnam-oorlog. 2.2 Die Welle 2.2.1 Inhoud In 2008 bracht Dennis Gansel de film “Die Welle” uit. Hiermee tracht hij het experiment van Ron Jones te delen met het grote publiek. Het experiment was al eens verfilmd geweest in de jaren ’80 en had de toepasselijke titel “The wave”. De film speelt zich af in Duitsland en gaat over Rainer Wenger, een hippe, populaire en liberale leerkracht die tijdens een themaweek les moet geven over autocratie. Wanneer de klasdiscussie afwijkt naar het Derde Rijk, besluiten de meeste van zijn leerlingen dat een dergelijke dictatuur tegenwoordig onmogelijk zou zijn, omdat de mensen nu wel beter weten. “Ja, we weten het nu wel. De nazi’s waren stom. Maar vandaag zou een dictatuur in Duitsland niet meer mogelijk zijn. Wij zijn slimmer dan dat.” Zonder de leerlingen in te lichten over zijn werkelijke intenties, besluit hij de proef op de som te nemen en begint hij aan een rollenspel waarbij hij de klas onderwerpt aan de totalitaire beginselen van gelijkheid en discipline. In plaats 74
  • 75. van zich te verzetten, laten vele leerlingen zich graag meevoeren op een golf van enthousiasme. Ze groeperen zich tot een beweging: Die Welle. Deze begint echter op een angstaanjagende manier een eigen leven te leiden. De beweging palmt andere klassen in, vervolgens de hele school en tenslotte treedt Die Welle ook buiten de schooloevers. Wenger heeft een monster gecreëerd dat hij niet langer onder controle heeft. Te laat wil hij het experiment stopzetten. Hij verliest de controle over Die Welle en over zichzelf. Sommige leerlingen keerden zich meteen van de nieuwe subcultuur in hun school af, anderen zijn vanaf het begin mee. Hoe zwakker de leerlingen in het dagelijkse leven staan - zoals Tim, een sukkelaar die regelmatig gepest wordt - hoe fanatieker ze deelnemen3. Voor het eerst krijgen de leerlingen het gevoel een gemeenschappelijk doel te hebben en hun kuddegeest neemt al snel angstaanjagende vormen aan. Ook Wenger zelf lijkt zich met griezelige voldoening in zijn rol van ‘führer’ te nestelen. 2.2.2 Bespreking Er is natuurlijk een reden voor de voortdurende fascinatie voor dit verhaal. Die reden is in eerste instantie gewoon de universele geldigheid van het volgende principe: “mensen volgen graag regeltjes. We hebben het graag als anderen ons zeggen wat te doen, hoe ons te gedragen en zelfs te kleden. Het leven is eenvoudiger als je niet individueel moet nadenken” (http://www.digg.be/movie.php?id=1850) De vraag waar het hele drama mee begint ‘hoe is Duitsland ooit zo mak achter kan historisch beantwoord worden met Hitler kunnen gaan aanlopen?’ argumenten over het trauma van de Eerste Wereldoorlog, de crisis in Duitsland en de haat tegen communisten en joden die het gevolg waren van de kortstondige rode regering in Duitsland in 1919. Maar dat soort van verklaringen zeggen tegelijk alles en niets. Fundamenteel hebben we allemaal iets in ons dat 3 Dit hebben we ook gezien bij ‘Das Experiment’. De grootste loser ontpopte zich tot een van de meest sadistische bewakers. 75
  • 76. graag een leider volgt - in een complexe wereld verlangen we naar simpele antwoorden, en dat is precies wat dictators en populisten allerhande aanreiken. Neem bijvoorbeeld het personage Tim, de loser die in Die Welle eindelijk aanvaarding vindt en bijgevolg al snel fanatiek wordt in zijn gevoelens voor de groep. We zien dat Tim thuis heel ongelukkig is, wat een stimulans geeft aan zijn betrokkenheid in Die Welle. Of nog de sportieve Marco, die geen ouders meer heeft, waardoor hij kind aan huis is geworden bij zijn liefje Karo. Die mensen zijn het kwetsbaarst en zoeken bijgevolg hun toevlucht bij een sterke persoonlijkheid. Die Welle vertelt ook het klassiek ‘tovenaarsleerling’ verhaal van Goethe met een sterke politieke bijklank. Een oude tovenaar verlaat op een dag zijn werkplaats en geeft zijn leerling tijdens zijn afwezigheid een klusje: het atelier is dringend aan een poetsbeurt toe. De leerling tovenaar houdt het saaie werk al gauw voor bekeken en neemt zelf de touwtjes in handen: met een spreuk uit het toverboek wekt hij de bezem tot leven. Zo kan die al het werk voor hem opknappen. Maar de leerling heeft het toveren nog niet onder de knie; hij kan de bezemsteel niet in bedwang houden. De bezem blijft maar water aanvoeren. Al gauw staat het atelier onder water. En er komt nog steeds geen einde aan de watervloed. Ten einde raad grijpt de leerling een bijl en hakt de bezem in stukken. Maar dat is het begin van nog meer ellende: elk stuk komt apart tot leven, grijpt een emmer, en het water stroomt nu nog overvloediger dan voorheen. Het hele atelier, inclusief de leerling, dreigt ten onder te gaan in een enorme vloedgolf. Net op tijd komt de oude tovenaar terug. Hij verbreekt de betovering en de rust keert terug in het atelier. De leerling heeft dus te veel macht in een keer gekregen en er misbruik van gemaakt. Uiteindelijk ziet hij zijn fout in maar dit is veel te laat. Dit gebeurt ook 76
  • 77. in Die Welle. Wegner ziet veel te laat in dat zijn ‘spel’ veel te ver gaat. Hij probeert het nog stop te zetten maar het wordt alsmaar erger. Uiteindelijk vallen er zelfs doden. 2.2.3 Opmerkelijke cameratechnieken Als Rainer uit zijn auto stapt, wordt hij gefilmd vanuit een laag camerastandpunt. Dat roept onmiddellijk herinneringen op aan de manier waarop voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog de nazikopstukken in beeld werden gebracht om hen imposanter te doen overkomen4. Rainer wordt ons meer dan eens vanuit de laagte getoond, vooral als hij alleen door de gangen van de school loopt. Ook zijn laatste toespraak, wanneer hij eerst een neonazispeech van jewelste houdt en dan het project afblaast, is hier een mooi voorbeeld van. De media manipuleert met andere woorden de beelden zodanig dat de mensen superieur lijken. Joseph Goebbels5 deed dit eveneens bij het filmen van Hitler. Rainers spreekt tijdens zijn toespraak met zware klemtonen6 aan het einde van zijn zinnen (“Duitsland wordt PLATGEWALST!”). Een niet onbelangrijk detail is dat Hitler ook spraaklessen gevolgd heeft om op zijn woorden te leren duwen tijdens zijn toespraken. Zo kunnen we duidelijk zien dat de media ook een grote rol speelt bij het ‘creëren’ van een auoriteit. Het feit dat de autoritaire personen vanuit een laag standpunt gefilmd worden versterkt nog eens hun superioriteit en onze onderdanigheid ten opzichte van hun. Goebbels filmde Hitler op een gelijkaardige manier. Daarbovenop mocht der Führer nooit gefotografeerd of gefilmd worden 4 Leni Riefenstahl (1902-2003) was een Duitse regisseur en fotografe. Ze is nu vooral bekend om haar film Triump des Willens uit 1934, waarin ze een ‘verslag’ gaf van het partijcongres van de nazi’s in Neurenberg. Hoewel de film gepresenteerd werd als een documentaire, zit er heel wat geënsceneerd materiaal in. Riefenstahl filmde de hoogwaardigheidsbekleders van het nazisme zoals Hitler vanuit een laag camerastandpunt, zodat hij imposanter leek. Ook wisselde ze scènes uit het officiële gedeelte met de toespraken en de rondritten af met beelden van soldaten die zich lachend en dollend met de dagelijkse activiteiten bezig houden, zoals eten of zich uit emmers wassen. (Dennis Gansel doet iets vergelijkbaars in DIE WELLE, waar hij Wegner vanuit een laag camerastandpunt filmt en de schoolactiviteiten afwisselt met beelden van fuiven.) 5 Hij was de minister van propaganda van Adolf Hitler en wellicht de eerste spindoctor in de moderne tijd. 77
  • 78. als hij niesde of hoeste. Alle tekenen van menselijkheid (dus ‘gebreken’) moesten weggecijferd worden. Hij moest bezien worden als perfect, foutloos. 2.2.4 Is een dictatuur nog mogelijk? Stanley Milgram (1974) in zijn boek ‘Obedience to Authority: An Experimental View’: “Ordinary people, simply doing their jobs, and without any particular hostility on their part, can become agents in a terrible destructive process. Moreover, even when the destructive effects of their work become patently clear, and they are asked to carry out actions incompatible with fundamental standards of morality, relatively few people have the resources needed to resist authority.” Impulsief zet ook Rainer Wenger een sociaal experiment op, niet als wetenschapper in zeer gecontroleerde omstandigheden, – zoals Zimbardo met zijn nagebootste gevangenis - maar gewoon in zijn eentje op school. De vraag die alles in gang zet: is een dictatuur vandaag nog mogelijk in Duitsland? Geleidelijk slaagt hij erin de massa als schaapjes mee te voeren op zijn golf van: Macht door discipline; - Macht door gemeenschap; - Macht door actie. - Deze drie kernideeën benadrukken en verheerlijken zelfs het concept ‘macht’. Macht is het streefdoel, maar niemand stelt de vraag waar die macht dan wel goed voor is. Het begint onschuldig met het handhaven van een discipline die heel wat strenger is dan voorheen: iedereen moet rechtop zitten en kernachtige antwoorden geven. Tegelijk speelt de leerkracht voor het eerst zijn gezag uit: voortaan wil hij aangesproken worden met “Herr Wenger”. Hoewel de jongeren wat lacherig doen over de nieuwe regels, passen ze zich snel aan: leerlingen zitten veel aandachtiger in de les en werken ongelooflijk goed mee. In een volgende stap overtuigt Wenger zijn leerlingen van het nut en het plezier van een hechte gemeenschapszin: iedereen is gelijk. Die samenhorigheid van 78
  • 79. gelijken willen ze bereiken door uniformiteit in kleding: iedereen draagt een wit hemd en jeans. Dat heeft een praktisch voordeel: je hoeft ’s morgens je hoofd niet langer te breken over wat je zal aantrekken. Er zijn echter ook gevolgen op emotioneel niveau: vroegere buitenbeentjes worden nu opgenomen in de groep. Voor velen is het de eerste keer in hun leven dat ze samen ergens voor gaan. Het gevoel van samenhorigheid bezorgt hen een overweldigende energie en ze barsten van de ambitieuze plannen. Hoe konden brave burgers tijdens het nazisme of nog de leerlingen van Die Welle zich zo laten doen door dit verderfelijk systeem? Steeds speelt de maatschappelijke context een grote rol in het tot stand komen van hun massahysterie. Bij de opkomst van het fascisme in de jaren ’30 verkeerde Duitsland in crisis. De economie zat in de knoei, velen leefden in armoede en de hele natie voelde zich vernederd door de bepalingen van het Verdrag van Versailles in 1918, waar Duitsland éénzijdig verantwoordelijk werd gesteld. Maar ook de jongeren van vandaag, met hun twijfels en onzekerheden, zijn bereid om een idool te verheerlijken dat hen een antwoord biedt op hun vele vragen. In een tijd waarin alle zekerheden verloren zijn gegaan, zoeken zij naar hulp. Zoals Dennis zegt: “Waartegen kunnen we ons vandaag nog rebelleren? We willen enkel nog maar lol maken. Onze generatie mist een doel dat ons verenigt.” Als er dan iemand opstaat die antwoorden geeft, die een doel lijkt te hebben, blijkt de verleiding groot. Ron Jones (Alvin Tofler, 1980) “Het experiment werkt omdat de meeste van ons eenzaam zijn. Omdat ze geen familie hebben, geen gemeenschap, geen verbondenheid met een groep.” 79
  • 80. 3 Arturo Ui Begin jaren '40 schreef de socialistisch-pacifistische Duitser Bertolt Brecht, terwijl hij in Finland wachtte op zijn visum voor de VSA, ‘de weerbare opkomst van Arturo Ui7’ als een aanklacht tegen het kapitalistische systeem en de twee volgens hem belangrijkste uitwassen daarvan: Hitler en de georganiseerde misdaad.8 Voor de voorstelling stond er op de brochures die uitgedeeld werden door de theatermaatschappij uitdrukkelijk geschreven: quot;It is important to note that Brecht was writing before the extent of Hitler's evil was known, including the mass genocide of the 'Final Solution'.quot; Hiermee wil hij nogmaals benadrukken dat hij al lang wist dat dit allemaal zou gebeuren, dat de autoritaire leider al lange tijd ‘in de maak’ was, men moest maar de tekenen niet genegeerd hebben. Het verhaal speelt zich af in Chicago. Hitler (Arturo Ui) wordt voorgesteld als een kleine gangster(een hond). Brecht vertaalt de manipulatie van de Duitse en Oostenrijkse regering in gangsters die de bloemkolenhandel in Chicago en de aangrenzende stad, Cicero, trachten over te nemen. Aanvankelijk wordt Ui voorgesteld als een onderworpen ‘hond’ die door de ‘Bloemkolen Commissie’ allesbehalve toegelaten wordt. Deze commissie is een parodie op het Duits kapitalisme. Dogsborough (Hindenburg) trekt zelfs zijn neus op voor hem. Als de tijden echter harder worden, de voorraden slinken en de comfortabele levensstijl bedreigd wordt, wordt Ui langzaam maar zeker door hun geaccepteerd en wordt hij ook de ‘protégé’ van Dogsborough9. Opmerkelijk is dat Brecht het eerder op Hindernburg gemunt heeft als Hitler. Zo stond er eveneens in de brochure dat: quot;the play is not so much an attack on Hitler, but rather upon the complacency of the people who were able to resist him, but didn't.quot; 7 Voor de CD Rom van de voorstelling zie bijlage. 8 Bron: cursus van deheer Geert Opsomer 9 Hindenburg werd in 1932 herverkozen als Duitse president en stelt in datzelfde jaar nog Hitler aan als kanselier. 80
  • 81. Zo klaagt hij Hindenburg aan in het stuk. Dat hij eigenlijk al de hele tijd wist wat er aan de hand was, dat Hitler zich ontpopte tot een wrede, autoritaire leider en toch niets ondernomen heeft. In het stuk laat hij Dogsborough (Hindenburg dus) het volgende zeggen op zijn sterfbed: “ En het is zo dat ik, Dogsborough, toegestemd heb in al de daden van deze bende moordenaars (…)O wrede wereld! Degenen die mij gekend hebben zeggen dat ik van niets wist omdat ik het anders nooit zou toegelaten hebben. Terwijl ik alles weet. Ik weet wie de brand gesticht heeft bij Hook. Ik weet wie Fish ontvoerd en gedrogeerd heeft. Ik weet dat Roma bij Sheet was op de dag dat hij vermoord werd. Ik weet wie Bowl vermoord heeft voor het stadhuis, omdat hij te veel wist over de eerlijke Dogsborough (…) Ik wist alles en ik heb het toegelaten, ik, jullie eerlijke Dogsborough. Ik was mijn handen in onschuld, ik heb niets gezien” (uit ‘Der aufhaltsame Aufstieg des Arturo Ui’) Hij toont er ook duidelijk de gevolgen van Ernst Röhm’s (Ernesto Roma in het stuk) misplaatste trouw aan Hitler en het blindelings navolgen van diens irrationele principes. Röhm beschouwde zichzelf als ‘de mentor’ van Hitler. Als hij echter weigerde de SA (waarvan hij de leider was) een onderdeel te laten worden van het Duitse leger zoals Hitler hem had opgedragen, liet deze laatste hem in juni 1934, tijdens de 'Nacht van de Lange Messen' in München gevangennemen en opsluiten10. In het stuk zijn Roma’s laatste woorden voor diens executie ‘Hail Ui’, wat nog eens zijn onvoorwaardelijke trouw in Hitler benadrukt. Dit personage toont ook dat Hitler niet ‘alleen’ was, dat er mensen achter hem stonden en hem ‘gevormd’ hebben. Om even terug te keren naar de opkomst van ‘Arturo Ui’. Samen met zijn trouwe trawanten probeert hij dus de macht over de bloemkoolhandel in handen te nemen. (bloemkool staat daar satirisch voor de economie) Het gaat echter niet goed met zijn beweging; de concurrenten halen hem aan alle kanten in, zijn eigen mannen verlaten hem en aan zijn charisma schort ook nog het één en ander. In de campagne om een deel van de stad in zijn greep te krijgen volstaan de tips van één van zijn handlangers nog, maar als zijn heerschappij zich 10 Dit onder verschillende voorwendselen: het zou een homo zijn, of hij zou samengezworen hebben tegen Adolf Hitler. Ernst Röhm was inderdaad homoseksueel, maar in feite ging het om het tijdig uitschakelen van een potentiële rivaal. 81
  • 82. uitstrekt over een groter gebied (in werkelijkheid als Hitler Polen wou annexeren) moet er een leraar aan te pas komen om hem de uitstraling van een échte leider te geven. En die leraar wordt gevonden in... een toneelspeler. (in het echt kreeg Hitler lessen van de acteur Gustav Gründgens!11) Deze toneelspeler leerde hem verschillende dingen om zich te doen gelden als autoriteit: 1. Stappen: Rechtop - de toppen van de tenen moeten eerst de grond raken - armen voor de gordel kruisen - hoofd naar achteren - ‘Ik wil dat de mensen zien dat IK aan het stappen ben!’ 2. Staan: Rechtop - Armen vóór het lichaam kruisen (zie DVD ter verduidelijking) - ‘Ik wil dat de mensen MIJ zien, en niet de twee mensen die achter mij staan!’ 3. Zitten: recht zitten, niet naar achteren leunen - handen parallel op de benen - ellebogen naast het lichaam - 4. Spraak: de acteur reciteert een stuk uit de redevoering van Marcus - Antonius12, waarna het de beurt is aan Arturo Ui. Hier wordt hem geleerd op de belangrijke woorden te duwen om zo zijn autoriteit te doen gelden. Tussen alle vreugd en jolijt worden de raderen van de macht blootgelegd. Het blijkt dat de economie, de politiek en de georganiseerde misdaad feitelijk op hun sterkst zijn als ze een krachtig verbond met elkaar gesloten hebben. En in dat verbond wint de oprechte nooit; zo veel is duidelijk. Slechts door list en bedrog 11 Gustaf Heinrich Arnold Gründgens (22 december 1899 - 7 oktober 1963) was een van Duitslands bekendste acteurs van de 20e eeuw. Zijn bekendste rol was die van Mephistopheles in Faust van Goethe. 12 De redevoering die hij gehouden heeft tijdens de begrafenis van Caesar. Voor het deel dat gebruikt werd tijdens het stuk Artuto Ui zie bijlage. 82
  • 83. kan de eigen positie worden vastgehouden en versterkt. Zo spreekt Ui de ‘gewone mens’ aan en boezemt ze eerst angst in door te zeggen dat er dreiging om de hoek loert, dat ze bescherming nodig hebben. Deze bescherming biedt hij daarna dan ook tegen een prijs aan. Hij creëert met andere woorden een angstgevoel om dan als de grote redder, beschermer uit de hoek te komen. Om nog te verduidelijken dat dat nu niet anders is dan zestig jaar geleden spreekt Arturo op het hoogtepunt van zijn illegaal verkregen macht de woorden 'wie niet voor mij is, is tegen mij'. “Je bent een werker, wat betekent dat je werkt. Als je staakt en niet meer werkt betekent dit dus dat je geen werker bent en dus een gevaarlijk (uit ‘Der individu bent. Dit betekent dat ik moet tussenkomen.” aufhaltsame Aufstieg des Arturo Ui’) Het stuk eindigt met een laatste toespraak van Arturo Ui. Daar is Ui volledig ‘af’. “want de mens is zo gemaakt. (…) Als ik niet doodt, is het de andere die mij doodt. Het is logisch.” Waarna hij zijn hand in de lucht heft (Hitler-stijl). 83
  • 84. Bibliografie Altemeyer, B. (1996) The Authoritarians. Cambridge, MA, Harvard University Press Bamard, C. I. (1938). The functions of the executive. Cambridge: MA: Harvard. Bertolt, B. (1983). De weerstaanbare opkomst van Arturo Ui. Amsterdam: International Theatre Bookshop Bullock, Alan. (2001). Hitler en Stalin. Parallelle levens(2nd ed.). uitgeverij De Arbeidspers. tweede druk Bullock, Alan. (1983). Hitler. Leven en ondergang van een tiran. Amsterdam: Omega boek. tweede druk Freud, Siegmund. (1952). Collected papers. Londen. geciteerd in Tucker. Stalin as revolutionary. p. 76 Fromm, Erich. (1977). The Anatomy of Human Destructiveness. Londen. p. 498- 515 Kets De Vries, M. & Miller, D. (1984) De neurotische organisatie. Amsterdam: De Managementbibliotheek. Martin, J.L., The authoritarian personality, 50 Years Later: What Lessons Are There for Political Psychology, Political Psychology, Vol.22, N°. 1 (March, 2001), pp 1-26 Milgram, S. (1974). Obedience to authority: an experimental view Oesterreich, D., Flight into Security: A New Approach and Measure of the Authoritarian Personality, Political Psychology, Vol 26, N°2, Special Issue: Authoritarianism (Apr., 2005), pp. 275-297, 84
  • 85. Stewart, D., Hoult, T., A Social-Psychological Theory of the Authoritarian Personality, The American Journal of Sociology, Vol 65, N°3 (Nov.,1959),pp 274- 279 Reuth, R. G. (1990). Goebbels. München: R. PiperGmbH & Co Toffler, A. (1980). The third wave. Bantam Books Tucker, Robert. (1990). Stalin in Power: The Revolution from Above 1928-1941. New York, p. 4 Film en theater Der aufthaltsame Aufstieg des Arturo Ui – regie: Das Berliner Ensemble Die Welle – regie: Dennis Gansel The wave – regie: Alexander Grasshoff Das Experiment – regie: Oliver Hirschbiegel Websites Zimbardo P. G. (1999). Stanford prison experiment. Geraadpleegd op 12 februari 2009 op http://www.prisonexp.org/ Digg – n.d. Geraadpleegd op 12 februari 2009 op http://www.digg.be/movie.php?id=1850 Urbanmag. (2007). In elk mens zit een stukje nazi: Das Experiment. Geraadpleegd op 12 februari 2009 op http://www.urbanmag.be/artikel/261/das- experiment Colleges Professor Geert Opsomer 85
  • 86. Bijlage: Het experiment van Milgram Het experiment van Milgram is een beroemd wetenschappelijk experiment in de sociale psychologie. Het experiment werd voor het eerst beschreven door Stanley Milgram, een psycholoog aan de Yale University in een artikel getiteld Behavioral study of obedience (Gedragstudie van gehoorzaamheid) dat in 1963 werd gepubliceerd. Later werd het experiment samengevat in zijn boek Obedience to Authority: An Experimental View (Gehoorzaamheid aan autoriteit: een experimentele waarneming) uit 1974. Het was bedoeld om de bereidheid te meten van een deelnemer om gehoor te geven aan opgedragen taken van een gezaghebbende die strijdig zijn met het persoonlijke geweten van de deelnemer. Methode van het experiment De methode van het originele experiment van Milgram was als volgt. De deelnemers werden geworven via een krantenadvertentie en een direct postverzoek, met daarin de mededeling dat het om een quot;geheugenstudiequot; aan de Yale University zou gaan. Er werd gesteld dat het experiment één uur zou duren, waarvoor de persoon $ 4,50 zou krijgen. De deelnemers waren mannen tussen de leeftijd van 20 en 50 jaar, met allerlei verschillende onderwijsachtergronden, variërend van een basisschoolopleiding tot deelnemers met een doctoraatstitel. Aan de deelnemer en een proefpersoon (een acteur die een andere deelnemer beweert te zijn) wordt door degene die het experiment uitvoert verteld dat zij aan een experiment zullen deelnemen om de gevolgen van straf bij het leren van gedrag te testen. Aan de deelnemer en de acteur wordt een papiertje overhandigd. De deelnemer wordt ervan overtuigd dat op een van de papiertjes quot;leerlingquot; staat en op de andere quot;leraarquot; en dat hij willekeurig een van de papiertjes krijgt. De acteur claimt het papiertje met quot;leerlingquot; te hebben gekregen, zodat de deelnemer gelooft dat de rollen willekeurig zijn gekozen. In werkelijkheid staat op beide papiertjes quot;leraarquot; en de acteur liegt over wat er op zijn papiertje staat. Er is dus geen element van willekeur in het spel en de deelnemer wordt altijd als leraar aangewezen. De opzet van het experiment is dat de leraar de leerling onderwijst door fouten af te straffen met een elektrische schok. De deelnemer die als leraar wordt aangemerkt krijgt aan het begin als voorbeeld een 45-volt elektrische schok met 86
  • 87. een elektroshockgenerator om te voelen wat de leerling voelt als deze straf krijgt. De quot;leraarquot; wordt vervolgens een lijst van woordparen gegeven die hij moet gebruiken om de leerling te onderwijzen. De leraar leest een lijst van woordparen voor aan de leerling. Na het lezen van de woordparen leest de leraar de eerste helft van de woordparen nog eens voor en en geeft hierbij 4 mogelijke antwoorden aan de leerling. De leerling zegt dan welk tweede woord hij denkt dat goed is door een knop (1 tot 4) in te drukken. Als zijn antwoord onjuist is, krijgt de leerling een schok, die verhoogd wordt met 15 volt bij elk verkeerd antwoord. Als de leerling een correct antwoord geeft, wordt het volgende woordpaar gelezen. Als het experiment begint, worden de leraar en de leerling gescheiden. De leraar gelooft dat hij echte schokken aan de leerling geeft. In werkelijkheid zijn er geen schokken in het spel. Zodra de leerling en leraar worden gescheiden, zet de leerling (de acteur) een bandrecorder op, die met de elektro- schokgenerator is geïntegreerd. Deze bandrecorder speelt vooraf opgenomen opnames bij bepaalde schokniveaus af. Bij 135 volt begint het geschreeuw van pijn op de opnames. Naast de opnames, bonst de acteur op de muur die hem van de leraar scheidt. Als de spanning is opgelopen tot 300 volt bonst de acteur opnieuw op de muur. Na het bonzen op de muur en het klagen over zijn hart, geeft de leerling geen verdere reactie op de vragen en geen verdere klachten. Het is op dit punt dat veel mensen proberen het experiment te beëindigen en zich bezorgd beginnen te maken over de proefpersoon. Veel deelnemers houden bij 135 volt op en beginnen het doel van het experiment na te vragen. Sommigen gaan verder nadat zij ervan zijn verzekerd dat zij niet verantwoordelijk zullen worden gehouden voor eventuele gevolgen. Sommige deelnemers beginnen zelfs te lachen zodra zij de schreeuwen van pijn horen van de leerling. Dit gelach is niet sadistisch, maar zenuwachtig gelach dat velen gebruiken om de kalmte te bewaren ondanks de angst en spanning die zij voelen vanwege het gejammer van de acteur. Hoewel er enkele deelnemers tot schokken van 450 volt doorgingen, hield iedereen op een punt op en begon te twijfelen aan het experiment. Anderen zeiden zelfs dat zij het geld zouden teruggeven dat hen in het vooruitzicht was gesteld. Recentere testresultaten en veelvoudige testopstellingen toonden aan dat hoe dichter de leraar bij de leerling was, des te spoediger hij ophield. In één testopstelling waren zij in dezelfde ruimte, en in een andere moest de leraar de hand van de leerling op een quot;schok- stootkussenquot; houden. In deze gevallen hielden de deelnemers veel vroeger op en weigerden verder te gaan. 87
  • 88. Als de deelnemer op een ogenblik zijn wens kenbaar maakte om het experiment te stoppen, kreeg hij weerwoord van degene die het experiment uitvoerde. Er werd dan een poging gedaan om de deelnemer door te laten gaan. Zo zou er na een weigering worden gezegd: „Het experiment vereist dat u verdergaat. Gelieve verder te gaan.“ Als de deelnemer na vier opeenvolgende pogingen nog steeds weigerde door te gaan, werd het experiment gestopt. Resultaten Voordat het experiment werd uitgevoerd, vroeg Milgram aan medepsychologen wat zij verwachtten dat de resultaten zouden zijn. Zij geloofden eenstemmig dat slechts een paar sadisten bereid zouden zijn om de maximumspanning van 450 volt te geven. Bij de eerste reeks experimenten gaf 65 procent van deelnemers de maximumschok van 450 volt, hoewel velen zich er zeer ongemakkelijk bij voelden. Geen deelnemer hield op vóór het 300 voltniveau. Varianten van het experiment werden later uitgevoerd door Milgram zelf en andere psychologen in de wereld met gelijkwaardige resultaten. Naast het bevestigen van de originele resultaten hebben de variaties variabelen in de experimentele opstelling getest. Zo zijn deelnemers over het algemeen gehoorzamer als degene die ze opdrachten geeft daadwerkelijk aanwezig is dan wanneer de instructies via de telefoon worden gegeven. Thomas Blass van de Universiteit van Maryland (die ook de auteur van een biografie van Milgram is, getiteld De man die de wereld schokte) voerde een meta-analyse uit op de resultaten van versies van het experiment. Hij concludeerde dat het percentage deelnemers dat bereid is om fatale spanning op te leggen, tussen 61% en 66% ligt, een percentage dat ongeacht tijd of plaats opmerkelijk constant blijft (een populair verslag van de resultaten van Blass werd gepubliceerd in Psychology, maart/april 2002). De volledige resultaten werden gepubliceerd in het Journal of Applied Social Psychology, 29, 955-978 door Blass, T. (1999). Titel van het artikel: The Milgram paradigm after 35 years: Some things we now know about obedience to authority. 88
  • 89. Reacties Het experiment riep vragen op over de ethiek van wetenschappelijke proefneming vanwege de extreme emotionele spanning die door de deelnemers wordt opgelopen (alhoewel men zou kunnen zeggen dat deze spanning door hun eigen vrije acties werd veroorzaakt). De meeste moderne wetenschappers zouden het experiment tegenwoordig als immoreel beschouwen, hoewel het in een waardevol inzicht in menselijke psychologie resulteerde. Achteraf vroeg Milgram de deelnemers of zij het experiment als quot;positiefquot;, quot;neutraalquot; of quot;negatiefquot; hadden ervaren. 84 procent van vroegere deelnemers gaven aan dat de deelname aan het experiment een positieve ervaring was geweest en 15 procenten koos neutraal. Veel deelnemers schreven achteraf een bedankbriefje. Milgram ontving herhaaldelijk aanbiedingen van ex-deelnemers om te helpen bij toekomstige experimenten en om van zijn onderzoeksteam lid te worden. Variaties Milgram beschrijft 19 variaties van het experiment. In het algemeen ondervond hij dat als de nabijheid van het slachtoffer werd verhoogd, de naleving van de opdrachten minder werd, en als de nabijheid van het gezag steeg, de naleving langer aanhield (experimenten 1-4). Zo ontvingen de deelnemers in één variatie de instructies slechts telefonisch (experiment 2). Dit zorgde voor een sterk verminderde naleving ten opzichte van de situatie waarbij het gezag werkelijk aanwezig was. Een aantal deelnemers bedroog het gezag zelfs door te beweren dat ze doorgingen met het experiment terwijl ze eigenlijk gestopt waren. In de variatie waarbij de quot;leerlingquot; het dichtst bij was, moesten de deelnemers de arm van de leerling op een schokplaat houden. Dit verminderde de naleving zeer (experiment 4). In deze laatstgenoemde opstelling voltooide 30 procent van de deelnemers nog het experiment. In experiment 8 werden vrouwen gebruikt als deelnemers (bij andere experimenten werden enkel mannen gebruikt). Voor de gehoorzaamheid maakt dit niet veel uit, hoewel de deelnemers onder een hogere druk stonden. In één versie (experiment 10), huurde Milgram een bescheiden kantoor in Bridgeport, Connecticut, zonder duidelijk verband met Yale. Dit zou het prestige van de universiteit als mogelijke factor elimineren. De resultaten van dit experiment verschilden echter niet beduidend van de experimenten aan de campus van Yale. 89
  • 90. Milgram combineerde ook de macht van gezag met dat van overeenstemming. In deze experimenten voerde de deelnemer het experiment uit met één of twee extra quot;lerarenquot; (die eigenlijk acteurs waren, net zoals de quot;leerlingquot;). Het gedrag werd hierdoor duidelijk beïnvloed. Toen twee extra leraren weigerden het experiment te voltooien (experiment 17), zetten slechts vier deelnemers van 40 het experiment voort. In een andere versie (experiment 18) voerde de deelnemer een hulptaak met een andere quot;leraarquot; uit, die altijd zou doorgaan. In deze variatie demonstreerden slechts drie van 40 tegen de gang van zaken. 90