Cohortonderzoek COOL5-18 Tweede meting 2010/11                                                                            ...
COHORTONDERZOEK COOL5-18
Cohortonderzoek COOL5-18Technisch rapport basisonderwijs, tweede meting 2010/11Geert DriessenLia MulderJaap Roeleveld
De particuliere prijs van deze uitgave is € 15,-Deze uitgave is te bestellen bij het ITS, 024 - 365 35 00.Foto omslag:, Kl...
VoorwoordIn het schooljaar 2007/08 is, als voortzetting van de vroegere PRIMA- en VOCL-cohorten, een nieuw cohortonderzoek...
codeboek voor de gebruikte instrumenten, en is tegelijkertijd ook een naslagwerkwaarin de eerste resultaten worden geprese...
InhoudVoorwoord                                                                        vDeel I – Het veldwerk             ...
Deel III – De leerlinggegevens                         254 Achtergronden van de leerlingen                      275 De taa...
9 De Leerlingenvragenlijst                   101  9.1 Procedure en respons                   101  9.2 Motivatievragen groe...
Deel IHet veldwerk
1 De steekproef van scholen en leerlingen1.1 InleidingMeer dan tien jaar (tussen 1994 en 2005) hebben het ITS te Nijmegen ...
belangrijkste criteria, samen met het kenmerk schoolscore. De schoolscore geeft eenindicatie van de sociaal-etnische samen...
Met het bij de voorbereidingen van het veldwerk meest recente scholenbestand vanhet ministerie van OCW, gebaseerd op de te...
1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproefDe uiteindelijke totale steekproef van COOL in scho...
urbanisatiegraad zijn in de referentiesteekproef goed in overeenstemming met delandelijke verhoudingen. Dat betekent dat d...
Bij de selectiecriteria is de schoolgrootte niet betrokken. Volledigheidshalve is ach-teraf nagegaan of de scholen in de r...
van COOL waren betrokken en niet meer aan de tweede meting mee wilden doen, isgevraagd of ze toch bereid waren om de toets...
De spreiding van TV-scholen over de verschillende concepten is niet conform delandelijke verdeling. Er zitten relatief vee...
Groep 2 is per definitie een nieuwe groep. Het percentage bekende leerlingen in groep5 en 8 samen ligt iets onder de 50 pr...
2 De dataverzameling2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanningBij de dataverzameling van de tweede COOL-meting valt een vier...
Omdat deze ronde niet het benodigde aantal scholen opleverde, is nog een wervings-ronde gehouden waarin vrijwel alle overi...
2.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzamelingAlle toetsen in het COOL-onderzoek zijn afkomstig uit het...
Deze vragenlijsten gingen ook vergezeld van een instructie voor het invullen. Devragenlijsten zijn via de groepsleerkracht...
Tabel 2.1 – Verzamelde gegevens naar fase, instrument, bron en niveauFase/instrument         Informatie verstrekt         ...
Over elk van deze instrumenten wordt in het vervolg van dit rapport in afzonderlijkehoofdstukken gerapporteerd.2.7 Rapport...
Deel IIDe schoolgegevens
3 De schoolinformatielijst3.1 Procedure en responsAan de directies van de scholen zijn enkele vragen gesteld over het onde...
Tabel 3.1 – V1. Heeft uw school een bepaald onderwijsconcept, zo ja welk? (in %)Toelichting: Als u van een bepaald onderwi...
Tabel 3.3 – V3. Wordt in de kleutergroepen een van de volgende programma’s ge-bruikt? (in %)                              ...
Deel IIIDe leerlinggegevens
4 Achtergronden van de leerlingenDit hoofdstuk beschrijft een aantal achtergrondkenmerken van de leerlingen en hunouders. ...
Tabel 4.1 – Achtergrondkenmerken van de leerlingen                                          referentiesteekproef          ...
Tabel 4.2 – Geboorteland van de ouders van de leerlingen (in %)                                   referentiesteekproef    ...
bij gekozen kon worden uit vier categorieën: maximaal LO/BaO, maximaalLBO/VBO, maximaal MBO (incl. MAVO, HAVO, VWO) of HBO...
In deze indeling worden onder allochtone ouders ouders verstaan die niet in Neder-land zijn geboren. Allochtone ouders met...
5 De taal-, lees- en rekentoetsen5.1 De taal-, lees- en rekentoetsenIn Tabel 5.1 geven we allereerst per jaargroep een ove...
OrdenenDe toets Ordenen (versie oudste kleuters) onderscheidt drie vaardigheden: classifice-ren, seriëren en vergelijken e...
In tegenstelling tot de oude versie van de DMT kunnen de verschillende leeskaartennu wel met elkaar vergeleken worden. De ...
4. Complexere toepassingen: opgaven waarbij leerlingen meerdere bewerkingen   moeten uitvoeren, bijvoorbeeld zowel optelle...
7. Procenten: basiskennis en toepassingen.8. Meten: lengte/omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht.9. Meetkunde: diverse aspe...
dat op sommige scholen voor groep 2 geen gebruik wordt gemaakt van toetsen uit hetCito-Leerlingvolgsysteem.Om na te gaan o...
Tabel 5.3 – Toetsscores taal, lezen en rekenen                                      referentiesteekproef                  ...
Tabel 5.5 – Toetsscores taal, lezen en rekenen groep 5, naar sociaal-etnische achter-grond                                ...
Tabel 5.6 – Toetsscores taal, lezen en rekenen groep 8, naar sociaal-etnische achter-grond                                ...
6 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test6.1 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten TestDe Niet-Schoolse Cognitiev...
ExclusieHieronder zie je vier figuren. Boven de figuren staan de letters A, B, C en D. Eénfiguur is anders dan de andere. ...
6.2 ResponsHet COOL-bestand bevat voor groep 5 gegevens van 10109 leerlingen in de referen-tiesteekproef en 13266 in de to...
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting

1,387 views
1,205 views

Published on

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,387
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Geert Driessen et al. (2012) Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting

  1. 1. Cohortonderzoek COOL5-18 Tweede meting 2010/11 Cohortonderzoek COOL5-18 Technisch rapport basisonderwijs, tweede meting 2010/11 Geert Driessen | Lia Mulder | Jaap Roeleveld Postbus 9048 6500 KJ Nijmegen G. Driessen, L. Mulder & J. Roeleveld c ool Postbus 94208 1090 GE Amsterdam 5-18ISBN 978 90 5554 439 4 ohortonderzoekNUR 840 o n d e r w ij s l o o p b a n e n
  2. 2. COHORTONDERZOEK COOL5-18
  3. 3. Cohortonderzoek COOL5-18Technisch rapport basisonderwijs, tweede meting 2010/11Geert DriessenLia MulderJaap Roeleveld
  4. 4. De particuliere prijs van deze uitgave is € 15,-Deze uitgave is te bestellen bij het ITS, 024 - 365 35 00.Foto omslag:, Klara Schreuder, Nationale Beeldbank.CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK DEN HAAGDriessen, Geert.Cohortonderzoek COOL5-18. Technisch rapport basisonderwijs, tweede meting2010/11. Geert Driessen, Lia Mulder & Jaap Roeleveld - Nijmegen: ITS / Amster-dam: Kohnstamm InstituutISBN 978 90 5554 439 4NUR 840ITS-Projectnummer: 34000612 2012 ITS, Radboud Universiteit Nijmegen /Kohnstamm Instituut AmsterdamBehoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit dezeuitgave worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilmof op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een retrieval systeem worden opgeslagen, zonder devoorafgaande schriftelijke toestemming van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen.No part of this book/publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or anyother means without written permission from the publisher.iv
  5. 5. VoorwoordIn het schooljaar 2007/08 is, als voortzetting van de vroegere PRIMA- en VOCL-cohorten, een nieuw cohortonderzoek gestart. Dit onderzoek, COOL5-18 genoemd,volgt leerlingen van 5 tot 18 jaar in hun schoolloopbaan door het primair en voortge-zet onderwijs en het mbo. Vier aspecten van de ontwikkeling van leerlingen staan inhet onderzoek centraal:• de cognitieve ontwikkeling: kennis en vaardigheden in het Nederlands, Engels en rekenen/wiskunde;• onderwijsloopbanen in primair, secundair en tertiair onderwijs;• de ontwikkeling van sociale competenties, waaronder burgerschapscompetenties;• de sociaal-emotionele ontwikkeling.Om de leerlingen op deze vier aspecten te volgen worden op diverse momenten toet-sen en vragenlijsten afgenomen. Daarnaast wordt de gehele schoolloopbaan van deleerlingen in kaart gebracht. De gegevens hierover worden verkregen door koppelingvan de cohortgegevens aan de Onderwijsnummerbestanden die beheerd worden doorhet Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).Het doel van COOL5-18 is in de eerste plaats een representatief beeld te geven van deprestaties en schoolloopbanen van diverse categorieën leerlingen. Omdat COOL5-18meerdere metingen kent, kan niet alleen een beeld worden geschetst van de situatie opeen bepaald moment, maar kunnen ook ontwikkelingen in kaart worden gebracht.Met behulp van de gegevens die in COOL5-18 worden verzameld, kunnen bovendienuiteenlopende beleidsmaatregelen worden geëvalueerd en kan ook nieuw beleid wor-den voorbereid.Er zijn drie ronden van gegevensverzameling gepland: in 2007/08, 2010/11 en2013/14. Over de eerste COOL-meting, uitgevoerd in 2007/08, zijn diverse rapporta-ges verschenen, waaronder een zogenaamd ‘technisch rapport’ over de meting in hetbasisonderwijs. In dat rapport wordt verslag gedaan van de dataverzameling en wordteen beschrijving gegeven van alle gegevens die in het basisonderwijs zijn verzameld.Het betreft onder meer de toetsprestaties taal, lezen en rekenen, gezinskenmerken,houdings- en gedragskenmerken, burgerschapscompetenties, niet-schoolse cognitievecapaciteiten, resultaten op de Cito Eindtoets en het advies voortgezet onderwijs. Hetdoel van het technisch rapport is tweeledig: het functioneert als verantwoording en v
  6. 6. codeboek voor de gebruikte instrumenten, en is tegelijkertijd ook een naslagwerkwaarin de eerste resultaten worden gepresenteerd.Het voorliggende rapport is het technische rapport over de tweede meting vanCOOL5-18 in het basisonderwijs, uitgevoerd in schooljaar 2010/11. Het heeft dezelfdeopzet als het rapport over de eerste meting.Het COOL5-18-onderzoek in het basisonderwijs is een samenwerkingsproject van hetITS te Nijmegen en het Kohnstamm Instituut te Amsterdam. Voor het onderzoek inhet voortgezet onderwijs en MBO zijn het Cito in Arnhem en het GION in Groningenverantwoordelijk. Over de resultaten van dat deel wordt apart door de betreffendeinstituten gerapporteerd.vi
  7. 7. InhoudVoorwoord vDeel I – Het veldwerk 11 De steekproef van scholen en leerlingen 3 1.1 Inleiding 3 1.2 Nagestreefde referentiesteekproef 3 1.3 Nagestreefde aanvullende steekproeven 5 1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproef 6 1.5 Aantallen oude en nieuwe COOL-scholen 8 1.6 Omvang van de leerlingensteekproef 102 De dataverzameling 13 2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanning 13 2.2 Fase 1: Benadering van scholen en opvragen van administratieve gegevens 13 2.3 Fase 2: Verzameling van leerlinggegevens 14 2.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzameling 15 2.5 Fase 4: Uitstroomformulieren, zorgprofielen en schoolinformatielijst 16 2.6 Overzicht van de verzamelde data 16 2.7 Rapportage aan de scholen 18Deel II – De schoolgegevens 193 De schoolinformatielijst 21 3.1 Procedure en respons 21 3.2 De schoolkenmerken 21 vii
  8. 8. Deel III – De leerlinggegevens 254 Achtergronden van de leerlingen 275 De taal-, lees- en rekentoetsen 33 5.1 De taal-, lees- en rekentoetsen 33 5.1.1 Groep 2 33 5.1.2 Groep 5 34 5.1.3 Groep 8 36 5.1.4 Afname en scoring 37 5.2 Respons 37 5.3 De taal-, lees- en rekenvaardigheid 386 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test 43 6.1 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test 43 6.2 Respons 45 6.3 Schaalconstructie 45 6.4 De NSCCT-scores 467 Het leerlingprofiel 49 7.1 Procedure en respons 49 7.2 Prestaties, gedrag en houding 51 7.2.1 Schaalconstructie 51 7.2.2 Schaalscores 53 7.3 Gezin, zorg en onderwijskundige bijzonderheden 61 7.3.1 Gezin 61 7.3.2 Zorg 63 7.3.3 Onderwijskundige bijzonderheden 70 7.4 Karakter 758 Het zorgprofiel 83 8.1 Procedure en respons 83 8.2 Aandeel Zorgleerlingen 84 8.3 Kenmerken van zorgleerlingen 86 8.4 Overige vragen zorgprofiel 93viii
  9. 9. 9 De Leerlingenvragenlijst 101 9.1 Procedure en respons 101 9.2 Motivatievragen groep 5 én 8 102 9.2.1 Schaalconstructie 103 9.2.2 Schaalscores 105 9.3 Extra motivatievragen groep 8 108 9.3.1 Schaalconstructie 109 9.3.2 Schaalscores 11110 De vragenlijst Burgerschapscompetenties 113 10.1 De vragenlijst 113 10.2 Respons 115 10.3 Schalen 116 10.4 Schaalscores 12011 Het uitstroomformulier groep 8 123 11.1 Het uitstroomformulier 123 11.2 Respons 123 11.3 De Eindtoets basisonderwijs 124 11.4 Vervolgadvies voortgezet onderwijs 127Deel IV – De gezinsgegevens 12912 De oudervragenlijst groep 2 131 12.1 Inleiding 131 12.2 Respons op de oudervragenlijsten 131 12.3 Beschrijving van de resultaten 133Literatuur 149 ix
  10. 10. Deel IHet veldwerk
  11. 11. 1 De steekproef van scholen en leerlingen1.1 InleidingMeer dan tien jaar (tussen 1994 en 2005) hebben het ITS te Nijmegen en het Kohn-stamm Instituut te Amsterdam het PRIMA-cohortonderzoek in het basisonderwijsuitgevoerd. Vanaf schooljaar 2007/08 is PRIMA opgevolgd door een nieuw cohort-onderzoek: COOL5-18 (CohortOnderzoek OnderwijsLoopbanen van 5 tot 18 jaar) 1,waarbij het ITS en Kohnstamm Instituut wederom verantwoordelijk zijn voor hetonderzoek in het basisonderwijs. De eerste meting van COOL is in schooljaar2007/08 uitgevoerd; de tweede, waarover hier wordt gerapporteerd, in schooljaar2010/11. Bij het COOL-onderzoek zijn de leerlingen uit de groepen 2, 5 en 8 van 550basisscholen betrokken.Vanwege de continuïteit met de eerdere PRIMA-metingen sluit de scholensteekproefin het COOL-cohortonderzoek aan bij de opzet van PRIMA. Dat betekent dat er zo-veel mogelijk voormalige PRIMA-scholen in de COOL-steekproef zijn opgenomenen dat de steekproef van COOL, net als in PRIMA het geval was, uit twee delen be-staat: een landelijk representatieve steekproef van 400 scholen (de zogenoemde refe-rentiesteekproef) en een aanvullende steekproef van scholen met een hoge concentra-tie van allochtone en autochtone kinderen uit lagere sociaal-economische milieus.Deze opzet zorgt ervoor dat er voldoende achterstandsleerlingen in de steekproef zijnopgenomen, en dat er tevens uitspraken gedaan kunnen worden over scholen met eenuiteenlopende sociaal-etnische leerlingpopulatie. In COOL wordt daarnaast gepro-beerd om voldoende traditionele vernieuwingsscholen (Vrije Scholen, Freinet-, Dal-ton-, Jenaplan- en Montessorischolen) in de steekproef op te nemen, zodat ook overdie groep van scholen uitspraken gedaan kunnen worden.1.2 Nagestreefde referentiesteekproefDe referentiesteekproef is bedoeld om algemene uitspraken te doen over het basison-derwijs. Deze steekproef moet dan ook een zo goed mogelijke afspiegeling zijn vande totale populatie basisscholen. Voor het selecteren van de referentiesteekproef zijnrichting, provincie en urbanisatiegraad van de vestigingsgemeente van de school de1 Ter wille van de leesbaarheid gebruiken we hierna de verkorte aanduiding COOL, zonder 5-18. 3
  12. 12. belangrijkste criteria, samen met het kenmerk schoolscore. De schoolscore geeft eenindicatie van de sociaal-etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie van eenschool; hoe hoger de score, hoe groter de sociaal-etnische achterstand van de school. 2Tabel 1.1 – Verhoudingen in de landelijke schoolpopulatie (schooljaar 2009/10,N=6882) met betrekking tot schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad enbijbehorende streefaantallen in de referentiesteekproef landelijk % nagestreefde nSchoolscore100-104 52.8 211105-109 21.5 86110-119 13.1 52120-139 6.9 28140-159 3.5 14>159 2.2 9Richtingopenbaar 32.8 131protestants-christelijk 26.1 104rooms-katholiek 30.1 120overig bijzonder 11.0 45ProvincieGroningen 4.6 18Friesland 6.9 28Drenthe 4.4 18Overijssel 8.0 32Flevoland 2.8 11Gelderland 13.7 55Utrecht 6.8 27Noord-Holland 13.3 53Zuid-Holland 17.2 69Zeeland 3.4 14Noord-Brabant 13.0 52Limburg 5.9 24Urbanisatiegraadniet stedelijk 21.1 84weinig stedelijk 26.3 105matig stedelijk 20.5 82sterk stedelijk 20.7 83zeer sterk stedelijk 11.4 46totaal 100% 4002 De schoolscore wordt berekend door het gewogen aantal leerlingen van een school (dus met verdis- contering van hun wegingsfactor) te delen door het ongewogen aantal leerlingen. De uitkomst van deze rekensom wordt met 100 vermenigvuldigd en is door ons vervolgens ingedikt tot zes catego- rieën.4
  13. 13. Met het bij de voorbereidingen van het veldwerk meest recente scholenbestand vanhet ministerie van OCW, gebaseerd op de telling van peildatum 1 oktober 2008, konworden vastgesteld hoe de landelijke verdeling van deze kenmerken er op dat mo-ment uitzag. Door dezelfde percentuele verdeling over te brengen op een referen-tiesteekproef van 400 scholen, werd duidelijk naar welke aantallen diende te wordengestreefd. In Tabel 1.1 geven we de procentuele landelijke verdeling en de nage-streefde aantallen scholen weer.1.3 Nagestreefde aanvullende steekproevenDe totale COOL-steekproef wordt gevormd door een representatief deel en een aan-vullend deel van achterstandsscholen. Als criterium voor de laatstgenoemde aanvul-lende steekproef is de schoolscore-verdeling gebruikt. Er is naar gestreefd om voor deaanvullende steekproef in iedere schoolscore-categorie, met uitzondering van decategorie 100-104, ten minste 30 scholen te werven. Daarmee zouden naar verwach-ting voldoende achterstandsleerlingen in de steekproef worden opgenomen en kondentevens uitspraken worden gedaan over scholen met een uiteenlopende sociaal-etnische samenstelling. Gegeven de nagestreefde aantallen in de referentiesteekproef(zie ook Tabel 1.1) leidde dat tot de in Tabel 1.2 weergegeven aantallen voor de na-gestreefde totale steekproef.Tabel 1.2 – Nagestreefde aantallen scholen per schoolscore-categorie in de referen-tiesteekproef, de aanvullende steekproef en de totale steekproefSchoolscore referentie- aanvullende totaal steekproef steekproef100-104 211 0 211105-109 86 30 116110-119 52 30 82120-139 28 30 58140-159 14 30 44>159 9 30 39totaal 400 150 550Een ander streven was om minimaal 40 traditionele vernieuwingsscholen (‘TV-scholen’) in de steekproef op te nemen, waarvan de helft in de referentiesteekproef ende andere helft in de aanvullende steekproef. Die scholen zijn verdisconteerd in deaantallen van Tabel 1.2. 5
  14. 14. 1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproefDe uiteindelijke totale steekproef van COOL in schooljaar 2010/11 bestaat uit 553basisscholen; dat is dus 3 meer dan beoogd. Kanttekening bij dit aantal is dat ver-schillende dépendances van één school afzonderlijk in de steekproef kunnen voorko-men. In dat geval is er sprake van meer locaties waarop alle aan de COOL-metingdeelnemende groepen (2, 5 en 8) aanwezig zijn. Achter deze werkwijze steekt zoweleen inhoudelijk als een financieel-organisatorisch motief. Ten eerste blijkt het vaak tegaan om gefuseerde scholen die slechts in beperkte mate samenwerken; ten tweedezou het alternatief (elke administratieve eenheid met al zijn locaties beschouwen alséén school) leiden tot een enorme verhoging van het aantal te toetsen leerlingen.In hoofdstuk 2 wordt beschreven op welke wijze de COOL-scholen geselecteerd enbenaderd zijn. Hier dient echter alvast enige toelichting gegeven te worden op dewijze waarop omgegaan werd met de selectiecriteria tijdens de werving. De wervingbegon met het verzoek aan de scholen die al aan de eerste meting van COOL haddenmeegedaan om ook aan de tweede meting mee te werken. Indien zij aangaven daarniet toe bereid te zijn, werd voor die uitgevallen school een vervanger gezocht die watbetreft schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad zoveel mogelijk leek opde uitgevallen school. Daarbij bleek het gaandeweg vrijwel onmogelijk om alle vierde selectiecriteria steeds een even zwaar gewicht te geven. Dat heeft vooral te makenmet het forse percentage scholen dat negatief op ons deelnameverzoek bleek te reage-ren (zie hoofdstuk 2).In Tabel 1.3 worden de nagestreefde en feitelijke verdelingen van de referentiesteek-proef over de vier selectiekenmerken (schoolscore, richting, provincie en urbanisatie-graad) weergegeven (‘feitelijke n’). In totaal zitten er 406 scholen in de referen-tiesteekproef. Dat het er wat meer zijn dan de 400 beoogde scholen, heeft te makenmet het feit dat we achteraf enkele dependances van één school als afzonderlijkeschool in de steekproef hebben opgenomen (zie hierboven).De schoolkenmerken zijn afkomstig van het departementale bestand van schooljaar2009/10, dat naar BRIN-nummer is gerangschikt. Dat betekent dat, waar er in deCOOL-steekproef sprake is van meer schoollocaties met elk een eigen schoolnum-mer, aan elk van die locaties dus de kenmerken van de gehele school gekoppeld zijn.We zien wat kleine afwijkingen bij de schoolscore-categorie 100-104 (onderverte-genwoordigd), denominatie (openbaar oververtegenwoordigd) en provincie (Utrechtondervertegenwoordigd). Met behulp van de χ2-toets is nagegaan of er sprake is vansignificante verschillen (p<0.01) tussen de nagestreefde en feitelijke n, waarmee derepresentativiteit van de referentiesteekproef in het geding zou zijn. Dat bleek echternergens het geval te zijn. De verhoudingen naar schoolscore, provincie, richting en6
  15. 15. urbanisatiegraad zijn in de referentiesteekproef goed in overeenstemming met delandelijke verhoudingen. Dat betekent dat de referentiesteekproef representatief is inalle genoemde opzichten.Tabel 1.3 – Nagestreefde en feitelijke verdeling van de 406 scholen in de referen-tiesteekproef, naar schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad nagestreefde verdeling feitelijke verdeling % % nSchoolscore100-104 52.8 47.8 194105-109 21.5 23.6 96110-119 13.1 16.0 65120-139 6.9 6.9 28140-159 3.5 3.4 14>159 2.2 2.2 9Richtingopenbaar 32.8 35.2 143protestants-christelijk 26.1 24.9 101rooms-katholiek 30.1 30.8 125overig bijzonder 11.0 9.1 37ProvincieGroningen 4.6 3.2 13Friesland 6.9 5.2 21Drenthe 4.4 4.2 17Overijssel 8.0 8.6 35Flevoland 2.8 2.5 10Gelderland 13.7 14.8 59Utrecht 6.8 3.2 13Noord-Holland 13.3 17.7 72Zuid-Holland 17.2 14.3 58Zeeland 3.4 5.9 24Noord-Brabant 13.0 14.0 57Limburg 5.9 6.7 27Urbanisatiegraadniet stedelijk 21.1 23.2 94weinig stedelijk 26.3 26.8 109matig stedelijk 20.5 20.0 81sterk stedelijk 20.7 19.2 78zeer sterk stedelijk 11.4 10.8 44totaal 100.0 100.0 406 7
  16. 16. Bij de selectiecriteria is de schoolgrootte niet betrokken. Volledigheidshalve is ach-teraf nagegaan of de scholen in de referentiesteekproef afwijken van de landelijkepopulatie qua het totale aantal leerlingen. Daartoe hebben we eveneens gebruik ge-maakt van het scholenbestand van het Ministerie van OCW van schooljaar 2009/10.De gemiddelde schoolgrootte in de referentiegroep is iets kleiner dan die in de popu-latie: 222 tegen 225 landelijk.Het streven was om in de aanvullende steekproef 30 extra scholen te werven in elkecategorie boven de 100-104. In Tabel 1.4 staan de feitelijke aantallen.Tabel 1.4 – Feitelijke schoolscore-verdeling in de totale steekproefSchoolscore referentie- aanvullende totaal steekproef steekproef100-104 194 1 195105-109 96 15 111110-119 65 30 95120-139 28 47 75140-159 14 36 50>159 9 18 27totaal 406 147 553In de schoolscore-categorieën 105-109 en >159 zijn minder dan 30 scholen geworvenvoor de aanvullende steekproef. Voor de categorie 105-109 is dat geen bezwaar om-dat er in die categorie al veel scholen in de referentiesteekproef zitten. Dat het aantalin de categorie >159 niet is gehaald, komt doordat ook het totale aantal scholen inNederland in deze categorie laag is (2.2%), waardoor het lastig is om bij non-responsvervangende scholen te vinden.Het totaal aantal scholen dat aan de tweede COOL-meting heeft deelgenomen be-draagt 553. Niet alle scholen hebben op alle instrumenten volledige data aangeleverd.In de volgende hoofdstukken worden per instrument de responscijfers weergegeven,en wordt een beschrijving gegeven van de beschikbare data.1.5 Aantallen oude en nieuwe COOL-scholenBij de tweede COOL-meting bevat de totale steekproef 553 basisscholen die uiteen-vallen in een referentiesteekproef van 406 scholen en een aanvullende steekproef van147 achterstandsscholen. Van deze 553 steekproefscholen namen er 342 (62%) ookdeel aan de eerste COOL-meting in 2007/08. Aan de scholen die bij de eerste meting8
  17. 17. van COOL waren betrokken en niet meer aan de tweede meting mee wilden doen, isgevraagd of ze toch bereid waren om de toetsscores aan te leveren van de leerlingendie in 2010/11 in groep 5 en 8 zaten en die drie jaar eerder in groep 2 en 5 aanCOOL1 hadden meegedaan. Er zou dan geen nieuwe groep 2 bij het onderzoek wor-den betrokken en er zouden geen andere instrumenten worden afgenomen, maar hetzou in ieder geval informatie opleveren over het prestatieniveau van de uit COOL1bekende leerlingen. Ruim 20% van de scholen die dit verzoek hebben gekregen wasdaartoe bereid.Het werven van nieuwe scholen ter vervanging van uitgevallen COOL-scholen ver-liep zeer moeizaam. Na verschillende wervingsrondes bedroeg de respons uiteindelijkslechts 3.7%. Het aantal benaderde scholen en de responspercentages staan in Tabel1.5.Tabel 1.5 – Aantallen benaderde scholen en responsType scholen benaderd respons n n %COOL1-scholen 537 276 51.3COOL1-scholen (alleen toetsscores) 220 49 22.2vervanging 6139 228 3.7totaal 6676 553Aan de scholen is gevraagd volgens welk onderwijskundig concept zij werken. Daar-uit kon worden afgeleid welk type TV-scholen het betrof. Een deel van de scholen gafaan dat zij gedeeltelijk volgens een bepaald concept werken. De aantallen in de steek-proef, uitgesplitst naar type, staan in Tabel 1.6.Tabel 1.6 – Aantal TV-scholen, uitgesplitst naar onderwijskundig concept COOL landelijk geheel gedeeltelijk geheelMontessori 8 5 160Jenaplan 10 8 206Dalton 10 30 299Vrije school - 2 68Freinet - 4 15totaal 28 49 748 9
  18. 18. De spreiding van TV-scholen over de verschillende concepten is niet conform delandelijke verdeling. Er zitten relatief veel Daltonscholen in de steekproef en de Vrijescholen ontbreken nagenoeg. Uitgaande van de scholen die geheel volgens het ge-noemde onderwijsconcept werken, is het streefaantal van minimaal 40 scholen nietgehaald. Het aantal wordt wel ruimschoots gehaald als ook de scholen die gedeeltelijkvolgens het concept werken erbij worden betrokken.1.6 Omvang van de leerlingensteekproefTen behoeve van de tweede COOL-meting hebben de 553 deelnemende basisscholengegevens verstrekt over hun leerlingen in de groepen 2, 5 en 8. In totaal bleek het tegaan om bijna 38000 leerlingen; een gemiddelde van 69 leerlingen per school in dedrie jaargroepen samen. In Tabel 1.7 is te zien hoeveel leerlingen per steekproef enjaargroep dit betreft.Tabel 1.7 – Totaal aantal leerlingen per jaargroep referentiesteekproef aanvullende steekproef totale steekproef n % n % n %groep 2 9261 32.1 2734 30.4 11995 31.7groep 5 10109 35.1 3157 35.1 13266 35.1groep 8 9444 32.8 3094 34.4 12538 33.2totaal 28814 100.0 8985 100.0 37799 100.0In Tabel 1.8 is te zien hoeveel procent van de leerlingen ook heeft deelgenomen aande eerste meting van COOL.Tabel 1.8 – Totaal aantal leerlingen per jaargroep in de tweede COOL-meting, enpercentage daarvan dat bekend is uit de eerste COOL-meting totale steekproef n % in COOL1groep 2 11995 0.0groep 5 13266 44.3groep 8 12538 52.1totaal 3779910
  19. 19. Groep 2 is per definitie een nieuwe groep. Het percentage bekende leerlingen in groep5 en 8 samen ligt iets onder de 50 procent. Ongeveer de helft van de voormaligeCOOL1 leerlingen is dus niet meer bij COOL2 betrokken. Dat komt deels door deuitval van scholen en deels doordat leerlingen in de tussentijd zijn blijven zitten, naareen andere basisschool zijn gegaan of naar het speciaal (basis)onderwijs zijn verwe-zen. Wat de uitval op leerlingniveau betreft gaat het in totaal om ruim 2000 zittenblij-vers (en enkele leerlingen die een klas hebben overgeslagen), ruim 2500 leerlingendie naar een andere basisschool zijn gegaan en ruim 500 leerlingen die naar het speci-aal (basis)onderwijs zijn verwezen. Deze ‘verdwenen’ leerlingen worden in iedergeval via het Onderwijsnummer en zo mogelijk via de nieuw school verder gevolgd.Ook de leerlingen die zijn uitgevallen omdat de school niet meer aan COOL meewilde doen, worden via het Onderwijsnummer verder gevolgd. De uitgevallen leer-lingen blijven hier verder buiten beschouwing; er wordt in een aparte rapportageaandacht aan deze groep leerlingen besteed.Binnen COOL zijn verschillende instrumenten afgenomen. Door ziekte, tussentijdseuitstroom of andere oorzaken varieert de respons per instrument Op deze responswordt hierna in de betreffende hoofdstukken ingegaan. 11
  20. 20. 2 De dataverzameling2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanningBij de dataverzameling van de tweede COOL-meting valt een viertal fasen te onder-scheiden: de werving van deelnemende scholen, gecombineerd met het opvragen vanenkele administratieve gegevens (fase 1), de verzameling van aantallen, namen enenkele achtergrondgegevens van de leerlingen in de toetsgroepen (fase 2), de toetsaf-names en gelijktijdige overige dataverzamelingen in groep 2, 5 en 8 (fase 3), en tenslotte de verzameling van zorgprofielen, uitstroomgegevens groep 8 en een schoolin-formatielijst (fase 4).De bijbehorende kalender staat hieronder vermeld. Elke fase wordt in de paragrafenhierna beschreven.Kalender dataverzameling eerste COOL-metingFase 1: april – september 2010Fase 2: september – december 2010Fase 3: januari – april 2011Fase 4: mei – juni 20112.2 Fase 1: Benadering van scholen en opvragen van administratieve gegevensDe eerste benadering van scholen was vooral bedoeld om hun bereidheid tot deelna-me te checken, maar werd gecombineerd met het aanbieden van een kort vragenlijstjeover een aantal administratieve zaken. Alle scholen die drie jaar eerder aan de eerstemeting van COOL hadden deelgenomen, ontvingen in april 2010 deze vragenlijst. Opbasis van hun respons is bepaald hoeveel nieuwe scholen nog nodig waren; dat blekener 265 te zijn. Nagegaan is wat de kenmerken moesten zijn van deze nieuwe scholen,in eerste instantie qua schoolscore en vervolgens ook zoveel mogelijk naar provincie,richting en urbanisatiegraad (zie ook par. 1.4). Met het oog op de te verwachten hogenon-respons werd uit het departementale bestand vervolgens een veelvoud van dezebenodigde scholen geselecteerd, die daarop zijn benaderd met dezelfde vragenlijst alsdie de voormalige COOL-scholen hadden ontvangen. 13
  21. 21. Omdat deze ronde niet het benodigde aantal scholen opleverde, is nog een wervings-ronde gehouden waarin vrijwel alle overige scholen uit het departementale bestandzijn benaderd.Uiteindelijk is op deze manier het aantal van ruim 550 scholen gerealiseerd. Daartoezijn in totaal circa 6600 scholen benaderd; de 550 deelnemers van de vorige metingen daarnaast ruim 6000 nieuwe scholen (zie par. 1.5).2.3 Fase 2: Verzameling van leerlinggegevensZodra een school had aangegeven bereid te zijn om aan het onderzoek deel te nemen,werd bij die school opgevraagd welke leerlingen in het onderzoeksjaar in groep 2, 5en 8 zaten. Per parallelgroep werden behalve de namen van die leerlingen ook enkeleachtergrondkenmerken opgevraagd (zie hoofdstuk 4). Deze gegevens konden geau-tomatiseerd worden aangeleverd, mits de scholen gebruik maakten van het admini-stratiepakket ESIS-A of ParnasSys. Aan de hand van een bijgevoegde instructie kon-den de scholen met een paar eenvoudige handelingen de gevraagde gegevens vanuithun administratieprogramma naar een bestand exporteren, en dit bestand vervolgensnaar de COOL-onderzoekers opsturen. Scholen die geen gebruik maakten van ESIS-A of ParnasSys hebben per mail een Excel-bestand ontvangen, waarin de namen enenkele achtergrondgegevens van leerlingen konden worden ingevuld. Het ingevuldebestand werd vervolgens per mail naar de onderzoekers teruggestuurd.Bij de verwerking van de gegevens van de bekende scholen, werd de nieuwe informa-tie vergeleken met die in de bestanden van COOL1. Zo kon worden nagegaan welkeleerlingen ook drie jaar eerder aan het onderzoek hadden deelgenomen en welkeleerlingen nieuw waren.Bij de verwerking van de opbrengst van fase 2 werd aan elke leerling die volgens deopgave van de scholen in groep 2, 5 of 8 zat, een uniek respondentnummer toege-kend. In dit nummer was ook het schoolnummer en de jaargroep verwerkt. De namenen respondentnummers werden vervolgens voorgedrukt op de instrumenten en ant-woordbladen die voor deze leerlingen in fase 3 en 4 werden ingezet. De school- enrespondentnummers vormen de basis van de opgebouwde school- en leerlingbestan-den, waarin alle in 2010/11 verzamelde gegevens zijn opgenomen.14
  22. 22. 2.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzamelingAlle toetsen in het COOL-onderzoek zijn afkomstig uit het Cito-Leerlingvolgsysteem(zie ook hoofdstuk 5), met uitzondering van de NSCCT, de Niet-Schoolse CognitieveCapaciteiten Test. Aangezien het merendeel van de scholen de Citotoetsen zelf alafneemt en de toetsscores van hun leerlingen in een computerprogramma invoert,hebben we voor het onderzoek zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de toetsgege-vens die al op de school aanwezig waren.De scholen c.q. groepsleerkrachten hebben een uitvoerige handleiding ontvangen,waarin de procedures voor afname, nakijken en invoeren van de scores duidelijk enuitgebreid werden uitgelegd. Samengevat zag de procedure er als volgt uit: de betrok-ken scholen namen alle Cito-LVS-toetsen die in het COOL-onderzoek worden ge-bruikt op een zelfgekozen tijdstip in de periode januari-maart af, en maakten daarbijgebruik van eigen toetsmateriaal. Was dat materiaal voor een of enkele toetsen niet opde school aanwezig, dan werd het door de onderzoekers (in bruikleen) aangeleverd.Na de toetsafnames werden de toetsen door de school zelf nagekeken.Scholen die gebruik maakten van het computerprogramma CITO-LOVS, ESIS-B ofParnasSys kregen een instructie om de scores op een eenvoudige manier naar eenbestand te exporteren; dat bestand werd vervolgens via e-mail naar de onderzoekersgestuurd. Scholen die de toetsscores niet of in een ander computerprogramma invoer-den, kregen de mogelijkheid om de scores via internet in te voeren.Voor de coördinatie van het onderzoek zijn regiocoördinatoren ingesteld. Die haddenbinnen een bepaalde regio een aantal scholen onder hun hoede. Zij waren verant-woordelijk voor het controleren, aanleveren en ophalen van het materiaal, en fun-geerden als vraagbaak voor de scholen. Deze coördinatoren zijn voor het verrichtenvan hun werkzaamheden uitgebreid mondeling en schriftelijk geïnstrueerd.Voorafgaande aan de toetsperiode zijn op alle scholen in een voorbereidend gesprektussen regiocoördinator en team de procedures doorgenomen en afspraken over deplanning gemaakt. Tevens nam de coördinator bij dit eerste bezoek het materiaal meevoor de afname van de andere instrumenten dan de Citotoetsen: de NSCCT, de ou-dervragenlijsten, de leerlingprofielen en leerlingvragenlijsten. Ingevulde instrumentenwerden aan het einde van de toetsperiode door de regiocoördinator weer meegeno-men. Vragenlijsten die nog niet waren ingevuld, konden de scholen per post lateralsnog retourneren.Bij de oudervragenlijsten waren aparte toelichtingen in het Nederlands, Turks, Ara-bisch en Engels bijgevoegd. Hierin werd onder meer het doel van het onderzoekuitgelegd en werd er tevens op gewezen dat, wanneer de ouders bezwaar haddentegen deelname van hun kind aan het onderzoek zij dit aan de school konden melden,waarna de betreffende gegevens niet zouden worden meegenomen in het onderzoek. 15
  23. 23. Deze vragenlijsten gingen ook vergezeld van een instructie voor het invullen. Devragenlijsten zijn via de groepsleerkrachten onder de leerlingen verspreid. Nadat deouders de vragenlijst hadden ingevuld, konden ze die in een gesloten enveloppe weervia hun kind bij de school inleveren.2.5 Fase 4: Uitstroomformulieren, zorgprofielen en schoolinformatielijstDe laatste fase in de dataverzameling bestond uit twee schriftelijke onderdelen en eeninternetvragenlijst, namelijk de uitstroomformulieren en een schoolinformatielijst(schriftelijk) en de zorgprofielen (via internet). Op de optisch inleesbare uitstroom-formulieren konden de leerkrachten van groep 8 of de directeur over elke leerling vangroep 8 het schooladvies voor voortgezet onderwijs, de Cito-Eindtoetsscore en devermoedelijke VO-school aangeven. Met de schoolinformatielijst werden enkelegegevens over de school opgevraagd, zoals het onderwijskundig concept en Voor- enVroegschoolse Educatie. De uitstroomformulieren en schoolinformatielijst zijn in mei2011 per post aan de COOL-scholen toegestuurd; ook de retournering door de scho-len verliep per post.Verder kregen de leerkrachten van de groepen 2, 5 en 8 in mei een brief met het ver-zoek om, via een speciale code, in te loggen op een COOL-webpagina. Daarin ston-den de namen van de leerlingen uit hun klas. Van elke leerling kon worden aangege-ven of de betreffende leerling een ‘zorgleerling’ was, en over die leerlingen werdenenkele vragen gesteld met betrekking tot hun zorgproblematiek (het ‘zorgprofiel’).2.6 Overzicht van de verzamelde dataIn de verschillende fasen van dataverzameling werd via diverse instrumenten enbronnen en op verschillende niveaus informatie verzameld. Zonder in details te tre-den, laten we in Tabel 2.1 de herkomst en het niveau van de verzamelde informatiezien.16
  24. 24. Tabel 2.1 – Verzamelde gegevens naar fase, instrument, bron en niveauFase/instrument Informatie verstrekt Informatieniveau door/ verzameld bij school groep leerlingFase 1wervingsvragenlijst directie deelnamebereid- heid, school- kenmerkenFase 2ESIS/ParnasSys - directie, administratie aantal groepen groepsnamen, groep, naam,export-instructie of of leerkrachten groep 2, 5, 8 locaties groep achtergrondkenmerkenexcel-bestand 2, 5, 8 2, 5, 8Fase 3Citotoets Taal voor leerlingen groep 2 toetsscoresKleutersCitotoets Ordenen leerlingen groep 2 toetsscoresCitotoets (Lees) leerlingen groep 5, 8 toetsscoreswoordenschatCitotoets Begrijpend leerlingen groep 5, 8 toetsscoreslezenCitotoets Technisch leerlingen groep 5, 8 toetsscoreslezen (Drie-Minuten-Toets)Citotoets Rekenen/ leerlingen groep 5, 8 toetsscoresWiskundeNSCCT (Niet- leerlingen groep 5 testscoresSchoolse CognitieveCapaciteiten Test)leerlingprofiel leerkrachten groep 2, beoordeling, aanpak en 5, 8 bijzonderheden leerlingleerlingvragenlijst leerlingen groep 5, 8 motivatie, schoolwel- bevindenvragenlijst burger- leerlingen groep 8 burgerschapscompe-schapscompetentie tentie (kennis, attitude, vaardigheid, reflectie)oudervragenlijst ouders groep 2 en kenmerken ouders, nieuwe leerlingen 5, 8 gezin, opvoedingFase 4zorgprofiel leerkrachten groep 2, informatie over 5 en 8 zorgleerlingen en zorgproblematiekuitstroomformulier directie/ leerkracht uitstroomgegevens groep 8 overgang VOschoolinformatielijst directie schoolkenmer- ken (bv. onder- wijskundig concept, VVE) 17
  25. 25. Over elk van deze instrumenten wordt in het vervolg van dit rapport in afzonderlijkehoofdstukken gerapporteerd.2.7 Rapportage aan de scholenVlak voor de zomervakantie hebben de scholen een schoolrapport ontvangen met deresultaten van hun leerlingen. In deze rapportage is veel aandacht besteed aan deprestaties van de leerlingen en de school in relatie tot leerlingen en scholen elders inhet land met een vergelijkbare sociaal-etnische achtergrond. Ook van de leerlingpro-fielen en de leerlingvragenlijsten zijn in het ‘landelijk vergelijkend schoolrapport’enkele resultaten opgenomen.18
  26. 26. Deel IIDe schoolgegevens
  27. 27. 3 De schoolinformatielijst3.1 Procedure en responsAan de directies van de scholen zijn enkele vragen gesteld over het onderwijsconcept,onderwijskundige ontwikkelingen, de samenstelling van de kleuterbouw en het ge-bruik van VVE-programma’s. Daarvoor is gebruik gemaakt van een vragenlijstje vanéén pagina. Binnen de referentiesteekproef bedroeg de respons hierop 85.5% en bin-nen de totale steekproef 80.0%. Nagegaan is of de respons samenhing met de sociaal-etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie van de school. Dat is gedaan aan dehand van de schoolscore, die een indicatie geeft van het aandeel achterstandsleerlin-gen op een school: hoe hoger de score, hoe meer achterstand (zie hoofdstuk 1). Bin-nen de referentiesteekproef bedroeg de gemiddelde schoolscore van zowel de respon-derende als de niet responderende scholen 110.2; binnen de totale steekproef warende gemiddelde scores respectievelijk 115.6 en 119.0 (p=0.70; eta=0.005). Binnen detotale steekproef hebben de niet-responderende scholen dus wat meer achterstands-leerlingen, maar het verschil met de responderende scholen is niet significant; er isderhalve geen sprake van selectieve respons.3.2 De schoolkenmerkenBij de presentatie van de antwoorden op de vragen hierna houden we de volgorde vande vragenlijst aan. Steeds wordt de vraag letterlijk weergegeven, waarna in tabelvormde verdeling van de antwoorden volgt. Er vindt daarbij steeds een uitsplitsing plaatsnaar referentiesteekproef en totale steekproef. 21
  28. 28. Tabel 3.1 – V1. Heeft uw school een bepaald onderwijsconcept, zo ja welk? (in %)Toelichting: Als u van een bepaald onderwijsconcept wel elementen toepast maar hetconcept is niet of nog niet in zijn geheel op de school van toepassing, vult u dan in‘gedeeltelijk’ referentiesteekproef (n=342) totale steekproef (n=441) geheel gedeeltelijk geheel gedeeltelijkMontessori 2.0 0.9 1.8 1.1Jenaplan 2.9 1.5 2.3 1.8Dalton 2.9 7.6 2.3 6.8Vrije school -- 0.3 -- 0.5Freinet -- 0.9 -- 0.9Ontwikkelingsgericht onderwijs 5.8 21.1 4.8 21.5Ervaringsgericht onderwijs -- 4.7 -- 5.0Natuurlijk leren, authentiek leren, e.d. 0.6 3.2 0.7 2.9Samenwerkend leren, zelfsturend leren, e.d. 2.3 19.0 2.0 19.5anders 10.2 8.2 11.6 7.9Tabel 3.2 – V2. Is uw school bezig met een van de volgende ontwikkelingen? (in %) referentiesteekproef totale steekproef nee ja i.v.* n nee ja i.v.* nVoorschool (deelname aan een 71.0 22.8 6.3 272 62.4 31.6 6.0 348Voorschoolproject)Peutergroep binnen de school 77.8 14.4 7.8 270 71.7 21.1 7.1 350Samenwerking met peuterspeelza- 27.3 57.7 15.0 300 23.2 63.1 13.7 388len en/of kinderdagverblijven voor0-4 jarigenVversterk 67.9 26.5 5.6 268 62.6 31.3 6.1 345Brede school 55.4 26.7 17.9 285 49.7 34.2 16.0 368Onderwijstijdverlenging 87.4 8.8 3.8 262 83.4 13.4 3.3 337Schakelklas(sen) 85.8 11.9 2.3 260 77.8 20.1 2.1 338Met Woorden in de Weer 84.6 12.0 3.5 259 79.3 16.3 4.4 338Taalpilot/Taalverbetertraject/ 53.3 40.8 5.9 287 46.7 47.5 5.7 366Taallijn VVERekenpilot/Rekenverbetertraject 77.7 18.2 4.1 269 74.2 19.6 6.2 341Op Maattraject 96.9 2.4 0.8 255 96.0 2.5 1.6 321Project Versterken 66.3 21.7 12.0 276 63.0 24.2 12.8 351Opbrengstgericht werken* i.v.=in voorbereiding22
  29. 29. Tabel 3.3 – V3. Wordt in de kleutergroepen een van de volgende programma’s ge-bruikt? (in %) referentiesteekproef totale steekproef nee ja n nee ja nPiramide 76.4 23.6 229 68.2 31.8 302Kaleidoscoop 97.5 2.5 198 95.9 4.1 245Basisontwikkeling 82.1 17.9 218 79.2 20.8 269Ko Totaal 86.9 13.1 214 84.8 15.2 263BAS-project 75.4 24.6 207 74.5 25.5 255een ander programma 53.6 46.4 183 52.3 47.7 214Tabel 3.4 – V4. Hoe zijn op uw school de kleutergroepen samengesteld? (in %) referentiesteekproef totale steekproefwij hebben aparte groepen 1 en 2 13.5 15.5groep 1 en 2 zijn bij ons gecombineerd 77.7 75.9anders 8.8 8.6n 341 440 23
  30. 30. Deel IIIDe leerlinggegevens
  31. 31. 4 Achtergronden van de leerlingenDit hoofdstuk beschrijft een aantal achtergrondkenmerken van de leerlingen en hunouders. Het gaat om gegevens die in het begin van het schooljaar 2010/11zijn ver-strekt door de scholen (doorgaans afkomstig uit de administraties). In totaal zijn van37799 leerlingen deze kenmerken bekend. In Tabel 4.1 wordt een overzicht van dekenmerken gepresenteerd; daarbij maken we – net zoals in de rest van dit hoofdstuk –een uitsplitsing naar steekproef en groep.Uit de tabel valt (in de regels met ‘n’) op te maken dat de aantallen leerlingen perkenmerk variëren. Een eerste reden daarvoor is dat de scholen niet alle informatieeven consequent hebben aangeleverd. Waarschijnlijk ontbreekt een deel van de in-formatie in de schooladministraties. Een tweede reden heeft te maken met de gezins-samenstelling. Een kleine 10% van de gezinnen betreft eenoudergezinnen. Doorgaansgaat het daarbij om gezinnen met alleen een moeder. Dit heeft consequenties voor derespons op vragen die in het onderzoek apart zijn gesteld over de vader en moeder.Bij die vragen zal het aantal ‘missings’ bij de vaders per definitie veel hoger liggen.Het verschil in samenstelling van de referentie- en totale steekproef komt vooral totuitdrukking bij het kenmerk OAB-gewicht. Dit gewicht geeft een indicatie van (mo-gelijke) onderwijsachterstanden die gerelateerd zijn aan het thuismilieu van de leer-lingen. Scholen ontvangen in het kader van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB)op basis van het aantal achterstandsleerlingen extra financiële middelen van het mi-nisterie van OCW om deze achterstanden te bestrijden. Of een kind een achterstands-kind is, wordt momenteel bepaald op grond van het opleidingsniveau van de ouders.Er worden drie gewichtscategorieën onderscheiden:0.0 geen achterstand;0.3 kinderen van wie beide ouders maximaal LBO/VBO/VMBO hebben gehad;1.2 kinderen van wie één van de ouders maximaal basisonderwijs heeft gehad en de ander maximaal LBO/VBO/VMBO. 27
  32. 32. Tabel 4.1 – Achtergrondkenmerken van de leerlingen referentiesteekproef totale steekproef grp. 2 grp.5 grp. 8 totaal grp. 2 grp. 5 grp. 8 totaalMaximaal aantal leerlingen 9261 10109 9444 28814 11995 13266 12538 37799Leeftijd per 01-01-11 (gem.) 5.7 8.8 11.9 8.8 5.7 8.8 11.9 8.9n 9027 9856 9252 28135 11645 12971 12325 36941Sekse (%)jongen 52.6 50.6 49.0 50.7 52.1 50.7 49.1 50.6meisje 47.4 49.4 51.0 49.3 47.9 49.3 50.9 49.4n 8980 9867 9293 28140 11562 12910 12287 36759Verblijfsduur in Nederland (%)< 1 jaar 0.2 0.1 0.4 0.2 0.3 0.1 0.3 0.21-3 jaar 0.7 0.3 0.3 0.5 1.1 0.6 0.4 0.74-5 jaar 1.8 0.4 0.3 0.8 3.1 0.4 0.3 1.2> 5 jaar 0.7 1.6 2.7 1.7 0.9 2.4 3.9 2.4altijd 96.5 97.6 96.2 96.8 94.7 96.6 95.0 95.4n 7403 8240 7887 23530 9687 10692 10309 30688Gezinssamenstelling (%)volledig 91.2 91.0 90.8 91.0 89.6 89.3 89.2 89.4alleen moeder 7.1 7.3 7.1 7.2 8.8 9.0 8.6 8.8alleen vader 0.6 0.8 0.8 0.7 0.6 0.8 1.0 0.8anders 1.1 1.0 1.3 1.1 1.0 0.9 1.2 1.0n 8341 9077 8594 26012 10714 11621 10982 33317OAB-gewicht (%)0.0 86.5 84.8 83.2 84.8 80.2 78.5 76.9 78.50.3 8.2 9.3 10.9 9.5 10.0 11.3 12.9 11.41.2 5.4 5.9 5.8 5.7 9.8 10.2 10.2 10.1n 8884 9828 9197 27909 11529 12914 12185 36628In Tabel 4.2 volgen gegevens over het geboorteland van de ouders van de leerlingen.28
  33. 33. Tabel 4.2 – Geboorteland van de ouders van de leerlingen (in %) referentiesteekproef totale steekproef grp. 2 grp.5 grp. 8 totaal grp. 2 grp. 5 grp. 8 totaalGeboorteland vaderNederland 83.6 84.5 86.0 84.7 76.4 77.4 78.9 77.6Suriname 1.1 1.2 1.3 1.2 1.4 1.6 1.8 1.6Antillen/Aruba 0.3 0.3 0.3 0.3 0.6 0.6 0.6 0.6Molukken 0.0 0.0 0.1 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0Turkije 3.5 3.9 3.8 3.7 5.7 6.5 6.6 6.3Marokko 4.4 4.3 3.3 4.0 7.1 6.5 5.6 6.4voormalig Joegoslavië 0.5 0.4 0.3 0.4 0.7 0.6 0.5 0.6voormalige Sovjet-Unie 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1Polen 0.2 0.1 0.1 0.1 0.3 0.2 0.1 0.2China 0.2 0.1 0.1 0.1 0.3 0.3 0.3 0.3Irak 0.3 0.3 0.5 0.4 0.4 0.4 0.5 0.4Afghanistan 0.4 0.3 0.3 0.3 0.5 0.4 0.4 0.4Somalië 0.4 0.2 0.1 0.2 0.5 0.4 0.2 0.4ander westers land 1.7 1.5 1.3 1.5 1.7 1.6 1.3 1.5ander niet-westers land 3.0 2.5 2.3 2.6 4.4 3.5 3.0 3.6n 8472 9427 8838 26737 10866 12253 11558 34677Geboorteland moederNederland 82.6 83.7 85.0 83.8 75.3 76.2 77.4 76.3Suriname 1.3 1.4 1.7 1.4 1.7 2.2 2.5 2.1Antillen/Aruba 0.5 0.3 0.5 0.4 0.8 0.7 0.9 0.8Molukken 0.1 0.0 0.0 0.0 0.1 0.0 0.0 0.0Turkije 3.3 3.6 3.4 3.4 5.3 6.0 6.2 5.8Marokko 4.3 4.1 3.3 3.9 6.7 6.2 5.5 6.1voormalig Joegoslavië 0.3 0.4 0.3 0.4 0.5 0.6 0.5 0.5voormalige Sovjet-Unie 0.3 0.2 0.2 0.2 0.3 0.2 0.2 0.2Polen 0.4 0.3 0.2 0.3 0.5 0.4 0.3 0.4China 0.3 0.2 0.2 0.3 0.4 0.3 0.3 0.3Irak 0.4 0.2 0.5 0.4 0.3 0.4 0.5 0.4Afghanistan 0.3 0.2 0.2 0.3 0.4 0.3 0.3 0.3Somalië 0.5 0.3 0.2 0.3 0.6 0.5 0.3 0.4ander westers land 2.1 1.8 1.5 1.8 2.0 1.8 1.5 1.8ander niet-westers land 3.4 3.1 2.7 3.1 5.1 4.3 3.7 4.3n 8766 9715 9134 27615 11384 12765 12083 36232De totale steekproef onderscheidt zich sterk van de referentiesteekproef wat betrefthet grotere aandeel allochtone ouders – hetgeen ook werd nagestreefd.In Tabel 4.3 wordt een overzicht gegeven van de ouderlijke opleidingsniveaus. Hetbetreft hier een inschatting door de school, vaak afkomstig uit de administratie, waar- 29
  34. 34. bij gekozen kon worden uit vier categorieën: maximaal LO/BaO, maximaalLBO/VBO, maximaal MBO (incl. MAVO, HAVO, VWO) of HBO/WO.Tabel 4.3 – Opleidingsniveau van de ouders van de leerlingen (in %) referentiesteekproef totale steekproef grp. 2 grp.5 grp. 8 totaal grp. 2 grp. 5 grp. 8 totaalOpleiding vadermax. LO/BaO 5.3 5.2 5.7 5.4 9.0 8.9 9.5 9.1max. LBO/VBO 20.8 23.0 25.4 23.1 22.7 25.0 27.3 25.1max. MBO 42.2 40.0 38.8 40.3 39.9 38.0 36.6 38.1HBO/WO 31.7 31.7 30.1 31.2 28.4 28.1 26.6 27.7n 8238 9217 8593 26048 10537 11978 11267 33782Opleiding moedermax. LO/BaO 6.4 6.6 6.5 6.5 10.4 11.0 11.2 10.9max. LBO/VBO 15.2 16.5 20.0 17.3 17.2 18.9 22.0 19.4max. MBO 48.1 48.0 47.4 47.9 45.6 45.1 44.4 45.0HBO/WO 30.3 28.8 26.1 28.4 26.8 24.9 22.4 24.7n 8612 9518 8917 27047 11155 12549 11833 35537In het COOL-onderzoek wordt naast de wegingsfactor (het OAB-gewicht; zie Tabel4.1) nog een andere gedetailleerdere maat voor de sociaal-etnische achtergrond ge-hanteerd. Die maat is geconstrueerd op basis van de gegevens uit de vorige drie tabel-len, te weten het geboorteland en het opleidingsniveau van de ouders en de gezinssa-menstelling. De resulterende variabele ‘sociaal-etnische achtergrond’ kan devolgende waarden aannemen:1. kinderen van niet-westerse allochtone ouders die beiden ten hoogste een opleiding op LBO-niveau hebben gevolgd;2. kinderen van autochtone ouders die beiden ten hoogste een opleiding op LBO- niveau hebben gevolgd;3. kinderen van niet-westerse allochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding op MBO-niveau heeft gevolgd (meer dan LBO, maar minder dan HBO/WO);4. kinderen van autochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding op MBO-niveau heeft gevolgd (meer dan LBO, maar minder dan HBO/WO);5. kinderen van niet-westerse allochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding op HBO/WO-niveau heeft gevolgd;6. kinderen van autochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding op HBO/WO-niveau heeft gevolgd.30
  35. 35. In deze indeling worden onder allochtone ouders ouders verstaan die niet in Neder-land zijn geboren. Allochtone ouders met een westerse achtergrond zijn tot de catego-rie autochtone ouders gerekend; gelet op de verdeling van de prestaties van hun kin-deren is dat het meest logisch. In het geval van een eenoudergezin, heeft de indelingplaatsgevonden op basis van de gegevens van die ene ouder. Als er sprake is van éénouder van Nederlandse en één ouder van buitenlandse herkomst, vormt het herkomst-land van de moeder het uitgangspunt. Deze variabele zal hierna in deze rapportagesteeds worden gebruikt om eventuele verschillen tussen leerlingen wat betreft hunprestaties, gedrag en houding te duiden. In Tabel 4.4 staat de verdeling van dit ken-merk.Tabel 4.4 – Sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen (in %) referentiesteekproef totale steekproef grp. 2 grp.5 grp. 8 totaal grp. 2 grp. 5 grp. 8 totaalmax. LBO allochtoon 5.5 5.8 6.0 5.8 9.6 10.3 10.6 10.2max. LBO autochtoon 9.5 9.9 11.8 10.4 10.9 11.5 13.4 12.0max. MBO allochtoon 5.1 4.7 4.4 4.7 7.2 6.8 6.5 6.8max. MBO autochtoon 38.6 38.9 39.9 39.2 35.4 35.6 36.2 35.7HBO/WO allochtoon 3.8 2.9 2.6 3.1 4.7 3.8 3.5 4.0HBO/WO autochtoon 37.5 37.7 35.2 36.8 32.2 32.0 29.8 31.3n 8558 9492 8895 26945 11119 12537 11848 35504 31
  36. 36. 5 De taal-, lees- en rekentoetsen5.1 De taal-, lees- en rekentoetsenIn Tabel 5.1 geven we allereerst per jaargroep een overzicht van de toetsen die zijnafgenomen. Daarna lichten we elk van de toetsen kort toe. Alle toetsen zijn onderdeelvan het leerlingvolgsysteem van het Cito. Sommige van de oude versie van dat sys-teem, het LVS (Leerlingvolgsysteem), andere van de nieuwe versie, het LOVS (totvoor kort Leerling- en onderwijsvolgsysteem; momenteel Volgsysteem primair on-derwijs). Welke versie is afgenomen varieert per school, maar doorgaans kiest eenschool voor ofwel de oude, ofwel de nieuwe versie (voor zover al beschikbaar). Bijdeze COOL-meting is steeds de M-versie (midden schooljaar) afgenomen. Vooruitgebreidere informatie over de toetsen verwijzen we naar www.cito.nl.Tabel 5.1 – Overzicht afgenomen toetsen (tussen [..] aantallen items)Groep Taal Lezen Rekenen2 Taal voor Kleuters (oudste Ordenen (oudste kleuters) [42] kleuters) LOVS [60]5 Woordenschat [70] Toets begrijpend lezen 1998 [50] Rekenen/Wiskunde 2002 [67] Drie Minuten Toets 2009 [120] Begrijpend lezen LOVS [50] Rekenen/Wiskunde LOVS [56]8 Leeswoordenschat [32] Toets begrijpend lezen 1998 [50] Rekenen/Wiskunde 2002 [107] Drie Minuten Toets 2009 [120] Begrijpend lezen LOVS [55] Rekenen/Wiskunde LOVS [96]5.1.1 Groep 2Taal voor KleutersIn de toets Taal voor Kleuters (versie oudste kleuters) zijn aspecten van de taalontwik-keling (conceptueel bewustzijn) en de ontluikende geletterdheid (metalinguïstisch be-wustzijn) opgenomen.• Conceptueel bewustzijn: hieronder vallen passieve woordenschat en kritisch luiste- ren. Dit is het herkennen van begrippen en het begrijpen van korte teksten.• Metalinguïstisch bewustzijn: hieronder vallen schriftoriëntatie, klank en rijm, laat- ste en eerste woord horen en auditieve synthese. Metalinguïstisch bewustzijn is de vaardigheid om af te zien van de betekenis en te letten op de vorm, bijvoorbeeld de gerichtheid van kinderen op geschreven taal en de gerichtheid op klanken. 33
  37. 37. OrdenenDe toets Ordenen (versie oudste kleuters) onderscheidt drie vaardigheden: classifice-ren, seriëren en vergelijken en tellen.• Classificeren is het groeperen van voorwerpen op naam (bijvoorbeeld alle dieren) of op een bepaald kenmerk.• Seriëren is het rangschikken van voorwerpen op grond van een bepaald kenmerk, bijvoorbeeld grootte (dik-dun, lang-kort hoog-laag, breed-smal).• Vergelijken is het bepalen of er meer, minder of evenveel voorwerpen zijn. Tellen betreft het bepalen van het aantal.5.1.2 Groep 5WoordenschatDe toets Woordenschat LOVS meet de ontwikkeling van de woordenschat van kinde-ren in geschreven taal. Bij elke opgave moeten leerlingen een zin lezen waarin steedseen woord of een uitdrukking vetgedrukt is. Onder de zin staan vier antwoorden. Deleerlingen moeten bepalen welke van de vier antwoorden het beste de betekenisweergeeft van het vetgedrukte zinsdeel.Drie Minuten ToetsMet de Drie Minuten Toets, kortweg ook wel DMT genoemd, wordt vastgesteld hoegoed een leerling losse woorden van uiteenlopende moeilijkheidsgraad kan verklan-ken, oftewel hoe goed een leerling is in technisch lezen. Hoewel veruit de meesteleerlingen in groep 5 geen problemen meer hebben met het correct lezen van woor-den, blijft het technisch lezen een belangrijk aandachtspunt.De DMT is een leessnelheidstoets en telt drie verschillende kaarten. In één minuutmoeten leerlingen zoveel mogelijk woorden van een kaart hardop lezen.• Op leeskaart 1 staan woorden van het type ‘km’ (uil), ‘mk’ (koe) en ‘mkm’ (pen).• Op leeskaart 2 staan woorden van het type ‘mmkm’ (spin), ‘mkmm’ (bank), ‘mmkmm’ (krant), ‘mmmkm’ (schroef) en ‘mkmmm(m)’ (herfst).• Op leeskaart 3 ten slotte, staan woorden met twee, drie en vier lettergrepen, zoals ‘geluid’, ‘koningin’, ‘papegaaien’.Het is niet noodzakelijk om bij alle leerlingen van groep 5 alle drie de leeskaarten afte nemen. Uit onderzoek is namelijk bekend dat leerlingen die correct en vlot meerlet-tergrepige woorden kunnen lezen ook kortere woorden goed kunnen lezen. Daaromwordt eerst bij alle leerlingen leeskaart 3 afgenomen. Leerlingen die daarop meer daneen bepaalde score behalen, hoeven kaart 2 en 1 niet meer te lezen. Dit geldt landelijkgezien voor 50 tot 75% van de leerlingen. Zij zijn na leeskaart 3 dus klaar met deafname.34
  38. 38. In tegenstelling tot de oude versie van de DMT kunnen de verschillende leeskaartennu wel met elkaar vergeleken worden. De vaardigheidsscore behorend bij een scoreop kaart 3 is te vergelijken met de vaardigheidsscore behaald bij een totaalscore opkaarten 1, 2 en 3. De vaardigheidsscores van de tweede meting van COOL zijn der-halve niet te vergelijken met de ruwe scores die in het technisch rapport van de eerstemeting van COOL zijn gerapporteerd (vgl. Driessen e.a., 2009). De scores van diemeting kunnen overigens wel worden omgezet naar vaardigheidsscores3.Wat betreft het afnametijdstip geldt hetzelfde als voor groep 2.Begrijpend lezenVan de toets Begrijpend lezen zijn er momenteel verschillende versies in gebruik opde scholen; deze zijn weliswaar inhoudelijk vergelijkbaar, maar niet wat de scoresbetreft. Voor groep 5 is er de versie van 1998 en van LOVS.De toets Begrijpend lezen 1998 (opgavenboekje 1) bestaat uit een aantal teksten metmeerkeuze-opgaven en is bedoeld om het niveau vast te stellen van de vaardigheidom teksten te begrijpen.De toets bestaat uit drie modules die verschillen in moeilijkheid. Module 1 past bij degemiddelde vaardigheid van leerlingen in groep 5. Module 2 is gemakkelijker enmodule 3 is moeilijker. Alle leerlingen maken de eerste module. Afhankelijk van hunscore op de eerste module, maken de minder goede lezers daarna de tweede moduleen de betere lezers de derde module. Elke leerling maakt dus twee van de drie modu-les, dus deel 1 en 2 of deel 1 en 3. Voor de LOVS-versie van Begrijpend Lezen geldthetzelfde. Alle leerlingen maken module Start, gevolgd door Vervolg 1 voor de min-der goede lezers en Vervolg 2 voor de betere lezers.Rekenen/WiskundeVan de toets Rekenen/Wiskunde zijn eveneens verschillende versies in omloop. Voorgroep 5 is er de versie van 2002 en LOVS. Ook hier geldt dat ze inhoudelijk welvergelijkbaar zijn, maar dat de scores niet met elkaar kunnen worden vergeleken.De toets Rekenen/Wiskunde (versie LOVS) bevat de volgende leerstofonderdelen:1. Getallen en getalrelaties: structuur van de telrij en van getallen, en relaties tussen getallen.2. Hoofdrekenen: optellen, aftrekken.3. Hoofdrekenen: vermenigvuldigen en delen.3 Sinds de vorige COOL-meting wordt de DMT dus niet alleen meer uitgedrukt in termen van het aantal goed gelezen woorden, maar ook in een vaardigheidsscore. Tijdens het veldwerk kregen wij de indruk dat er bij scholen soms enig misverstand over de ruwe en de vaardigheidsscores bestond. Ook bleek in een enkel geval de invoer in het computersysteem niet vlekkeloos te gaan. Mogelijk zijn de scores op de DMT hierdoor iets minder betrouwbaar dan bij de eerste COOL-meting. 35
  39. 39. 4. Complexere toepassingen: opgaven waarbij leerlingen meerdere bewerkingen moeten uitvoeren, bijvoorbeeld zowel optellen als aftrekken.5. Meten en meetkunde: begrippen die in meetsituaties gebruikt worden.6. Tijd: basiskennis en begrip van klok en kalender.7. Geld: rekenen met munten en bankbiljetten.5.1.3 Groep 8LeeswoordenschatDe toets Leeswoordenschat meet de ontwikkeling van de woordenschat van kinderenin geschreven taal. Bij elke opgave moeten leerlingen een zin lezen waarin steeds eenwoord of een uitdrukking vetgedrukt is. Onder de zin staan vier antwoorden. Deleerlingen moeten bepalen welke van de vier antwoorden het beste de betekenisweergeeft van het vetgedrukte zinsdeel.Drie Minuten ToetsMet de Drie Minuten Toets wordt vastgesteld hoe goed een leerling losse woordenvan uiteenlopende moeilijkheidsgraad kan verklanken, oftewel hoe goed een leerlingis in technisch lezen. Bij kinderen in groep 8 komt het verklanken van woorden overhet algemeen snel tot stand, zodat zij hun aandacht volledig kunnen richten op hetbegrijpen van teksten. Toch zijn er in deze fase nog steeds leerlingen bij wie het tech-nisch lezen niet geautomatiseerd verloopt. Voor een verdere beschrijving, zie groep 5.Begrijpend lezenVoor groep 8 zijn twee versies van Begrijpend lezen in omloop (1998 en LOVS).Beide versies bestaan uit een aantal teksten met meerkeuze-opgaven en is bedoeld ombij leerlingen in groep 8 het niveau vast te stellen van de vaardigheid om teksten tebegrijpen. Voor een verdere beschrijving, zie groep 5.Rekenen/WiskundeVan de toets Rekenen/Wiskunde zijn twee versies in omloop: 2002 en LOVS. Detoets Rekenen/Wiskunde (versie 2002) bevat de volgende leerstofonderdelen:1. Getallen: structuur van de telrij en structuur van getallen.2. Automatisering van elementaire optel-, aftrek-, vermenigvuldig- en deeloperaties.3. Hoofdrekenen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met getallen sec en in toepassingssituaties.4. Bewerkingen op papier, waarbij kinderen uitrekenpapier mogen gebruiken om een cijferalgoritme toe te passen of bijvoorbeeld tussenuitkomsten te noteren.5. Breuken: basiskennis en toepassingen.6. Verhoudingen: basiskennis en toepassingen.36
  40. 40. 7. Procenten: basiskennis en toepassingen.8. Meten: lengte/omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht.9. Meetkunde: diverse aspecten uit de meetkundige oriëntatie.10. Tijd: klok en kalender.De onderdelen samen vormen de schaal Rekenen algemeen. De LOVS-versie bevatdezelfde leerstofonderdelen als de 2002-versie. In de LOVS-versie is schattend reke-nen een extra onderdeel en is er een aanvullende keuzemodule met de rekenmachine.5.1.4 Afname en scoringHet Cito schrijft voor alle toetsen een bepaalde periode voor waarin ze moeten wor-den afgenomen (de toetskalender). De scholen konden de in COOL gebruikte toetsengewoon volgens deze toetskalender inplannen. Alleen met betrekking tot de Lees-woordenschattoets, die in de toetskalender voor november staat gepland, is aan descholen gevraagd het afnamemoment enkele weken later in de tijd te plannen.De scores op de toetsen zijn uitgedrukt in zogenoemde vaardigheidsscores. Vaardig-heidsscores hebben als voordeel dat ze over jaargroepen heen op één continue schaalliggen en met elkaar kunnen worden vergeleken. Binnen COOL geldt dit in principevoor de toetsen die in groep 5 en groep 8 zijn afgenomen (dus niet voor de twee toet-sen voor groep 2). Een probleem daarbij is wel dat er verschillende versies van eentoets zijn; vaardigheidsscores op toetsen van verschillende versies zijn niet met elkaarvergelijkbaar.5.2 ResponsIn totaal bevat het COOL-bestand gegevens van 37799 leerlingen. Het betreft deleerlingen waarvan de scholen bij aanvang van het schooljaar hebben aangegeven datzij op dat moment in de betreffende klassen zaten. Van al deze leerlingen zijn – inprincipe – ook de achtergrondgegevens bekend die door de scholen zijn verstrekt enzijn opgeslagen in het administratiebestand (‘het totaalbestand’). Ten opzichte vandeze groep hebben 36109 (95.5%) leerlingen ook een of meer toetsen gemaakt; van4.5% van de leerlingen zijn dus geen toetsgegevens beschikbaar. Deze non-responskan bijvoorbeeld te maken hebben met absentie door ziekte of door verhuizing tussenhet moment van de verzameling van de administratieve gegevens en de afname vande toetsen. De respons verschilt per groep. In de referentiesteekproef bedraagt derespons voor de drie groepen achtereenvolgens 93.8, 96.3 en 97.2%; in de totalesteekproef gaat het om 93.2, 96.6 en 96.6%. In groep 2 is de non-respons dus onge-veer twee keer zo hoog als in groep 5 en 8. Mogelijk heeft dit te maken met het feit 37
  41. 41. dat op sommige scholen voor groep 2 geen gebruik wordt gemaakt van toetsen uit hetCito-Leerlingvolgsysteem.Om na te gaan of er sprake is van selectieve uitval hebben we de feitelijke verdelin-gen van de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestandafgezet tegen de verdeling in het toetsbestand. Daarvoor hebben we gebruik gemaaktvan de COOL-SES variabele (zie Tabel 4.4). In Tabel 5.2 geven we de verdelingenweer, uitgesplitst naar referentiesteekproef en totale steekproef. Omdat de resultatenvoor elk van de drie groepen (2, 5 en 8) vergelijkbaar zijn, maken we hier geen uit-splitsing naar groep. In de tabel beperken we ons overigens tot de leerlingen waarvande sociaal-etnische achtergrond bekend is. 4Tabel 5.2 – Respons op de toetsen: verdeling sociaal-etnische achtergrond binnen hettotaalbestand en binnen het toetsbestand (groepen 2, 5 en 8 samen; in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal toets totaal toetsLBO all. 5.8 5.8 10.2 10.2LBO aut. 10.4 10.4 12.0 11.9MBO all. 4.7 4.7 6.8 6.8MBO aut. 39.2 39.2 35.7 35.8HBO/WO all. 3.1 3.1 4.0 4.0HBO/WO aut. 36.8 36.7 31.3 31.2n 26945 25927 35504 34138De verschillen tussen de verdeling van sociaal-etnische achtergrond binnen het to-taalbestand en het toetsbestand zijn verwaarloosbaar, maximaal 0.1%-punten.5.3 De taal-, lees- en rekenvaardigheidIn Tabel 5.3 – 5.6 worden de verdelingen van de toetsscores gepresenteerd: het ge-middelde, de standaarddeviatie en het aantal leerlingen (gem., sd, n) waarop dezebetrekking hebben. Dat gebeurt steeds uitgesplitst naar steekproef en groep en verdernog naar sociaal-etnische achtergrond.4 Dat geldt ook voor alle nog volgende tabellen waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar sociaal- etnische achtergrond.38
  42. 42. Tabel 5.3 – Toetsscores taal, lezen en rekenen referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2Taal voor Kleuters LOVS 64.2 10.8 7603 63.1 10.9 9828Ordenen 59.4 13.8 7199 58.7 13.8 9439Groep 5Woordenschat 63.6 15.1 8943 62.0 15.3 11612Drie Minuten Toets 2009 71.7 16.9 8797 72.0 16.8 11602Toets begrijpend lezen 1998 27.5 14.6 678 27.4 14.5 876Begrijpend lezen LOVS 25.8 14.2 8850 24.8 14.1 11574Rekenen/Wiskunde 2002 85.0 12.6 360 84.7 12.8 528Rekenen/Wiskunde LOVS 71.1 15.4 9196 70.1 15.6 12040Groep 8Leeswoordenschat 115.4 13.4 3296 114.3 13.5 4229Drie Minuten Toets 2009 98.2 13.6 8294 98.2 13.5 10779Toets begrijpend lezen 1998 58.7 16.7 3957 57.5 16.6 5161Begrijpend lezen LOVS 54.2 19.1 4689 52.3 19.3 6220Rekenen/Wiskunde 2002 118.8 9.2 2137 118.1 9.4 2814Rekenen/Wiskunde LOVS 110.0 13.1 6481 109.3 13.2 8577Tabel 5.4 – Toetsscores taal en rekenen groep 2, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nTaal voor Kleuters LOVSLBO all. 54.8 8.8 370 55.0 8.6 841LBO aut. 60.4 9.3 668 59.6 9.2 982MBO all. 56.9 9.7 354 56.8 9.0 654MBO aut. 64.7 10.4 2756 64.3 10.5 3296HBO/WO all. 58.8 9.6 267 58.6 9.8 438HBO/WO aut. 67.6 10.4 2680 67.3 10.5 2991OrdenenLBO all. 51.2 13.4 373 52.7 13.4 878LBO aut. 54.6 11.4 628 54.5 11.3 926MBO all. 53.2 12.2 344 54.2 12.9 657MBO aut. 59.4 13.0 2617 59.2 13.1 3134HBO/WO all. 56.3 12.6 253 56.4 12.6 425HBO/WO aut. 62.8 14.1 2593 62.7 14.1 2910 39
  43. 43. Tabel 5.5 – Toetsscores taal, lezen en rekenen groep 5, naar sociaal-etnische achter-grond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nWoordenschatLBO all. 49.1 11.7 517 49.4 11.9 1195LBO aut. 58.8 13.4 831 58.4 13.9 1252MBO all. 52.9 12.6 412 53.1 12.7 788MBO aut. 63.1 13.4 3270 62.8 13.6 3876HBO/WO all. 60.5 14.6 260 57.9 14.3 449HBO/WO aut. 69.0 14.9 3172 68.8 15.0 3502Drie Minuten Toets 2009LBO all. 70.0 17.1 501 71.6 16.5 1155LBO aut. 69.5 16.8 822 69.7 16.5 1265MBO all. 72.7 16.6 401 73.0 15.9 771MBO aut. 70.2 16.8 3254 70.5 16.8 3947HBO/WO all. 76.6 15.5 257 76.2 15.5 440HBO/WO aut. 73.8 16.6 3144 73.9 16.8 3522Toets begrijpend lezen 1998LBO all. 22.2 11.9 13 22.4 11.5 33LBO aut. 21.2 11.9 60 21.1 12.4 97MBO all. 17.9 9.6 14 22.6 13.4 31MBO aut. 25.7 14.8 259 26.4 14.9 324HBO/WO all. 26.6 15.2 17 27.5 15.4 24HBO/WO aut. 31.2 14.4 294 31.4 14.2 330Begrijpend lezen LOVSLBO all. 16.6 12.0 518 16.6 11.9 1171LBO aut. 20.3 13.1 835 20.0 13.1 1270MBO all. 19.6 13.1 417 19.4 12.5 755MBO aut. 24.9 13.4 3242 24.8 13.4 3901HBO/WO all. 25.0 12.7 253 23.1 12.5 435HBO/WO aut. 30.4 14.1 3097 30.4 14.2 3474Rekenen/Wiskunde 2002LBO all. 83.5 8.6 9 80.8 8.9 37LBO aut. 75.5 16.5 27 75.9 16.1 57MBO all. 83.1 15.5 8 81.7 12.7 25MBO aut. 83.9 12.9 107 84.7 12.4 153HBO/WO all. 80.4 8.9 8 80.9 8.1 11HBO/WO aut. 87.9 10.7 120 88.3 10.8 149Rekenen/Wiskunde LOVSLBO all. 61.5 15.7 522 62.1 15.3 1194LBO aut. 65.9 14.4 865 65.3 14.8 1322MBO all. 63.6 16.5 422 64.1 16.0 791MBO aut. 70.5 14.9 3387 70.4 14.9 4076HBO/WO all. 68.5 15.1 258 68.6 15.5 449HBO/WO aut. 75.6 14.5 3296 75.5 14.5 368140
  44. 44. Tabel 5.6 – Toetsscores taal, lezen en rekenen groep 8, naar sociaal-etnische achter-grond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nLeeswoordenschatLBO all. 105.2 11.3 238 105.9 12.2 564LBO aut. 110.7 10.3 331 110.2 10.2 453MBO all. 109.5 11.2 201 109.4 11.6 380MBO aut. 114.4 12.6 1147 114.6 12.9 1304HBO/WO all. 114.0 13.6 90 114.3 12.4 146HBO/WO aut. 120.0 12.4 951 120.0 12.3 1017Drie Minuten Toets 2009LBO all. 98.2 13.7 459 98.0 13.0 1039LBO aut. 95.1 14.4 918 95.5 14.1 1345MBO all. 100.2 14.3 350 100.0 13.7 650MBO aut. 97.3 13.4 3172 97.5 13.5 3806HBO/WO all. 98.6 14.5 202 99.0 14.3 349HBO/WO aut. 99.9 12.9 2782 99.9 12.9 3116Toets begrijpend lezen 1998LBO all. 48.0 15.2 240 47.7 15.0 458LBO aut. 50.8 15.8 426 51.2 15.4 647MBO all. 54.2 17.4 166 52.7 16.7 301MBO aut. 57.1 15.7 1487 56.7 15.6 1826HBO/WO all. 59.9 18.1 113 58.0 16.7 187HBO/WO aut. 64.8 15.7 1375 64.4 15.7 1574Begrijpend lezen LOVSLBO all. 41.6 16.8 256 40.6 17.7 695LBO aut. 46.5 17.4 537 45.2 17.0 791MBO all. 47.3 18.3 199 45.8 18.0 408MBO aut. 52.5 17.7 1766 52.5 17.5 2103HBO/WO all. 54.3 19.3 99 50.5 19.1 188HBO/WO aut. 61.5 19.1 1498 61.5 19.2 1663Rekenen/Wiskunde 2002LBO all. 113.6 9.0 115 113.2 9.9 210LBO aut. 113.6 9.6 216 113.6 9.4 376MBO all. 114.9 8.8 73 115.4 9.0 147MBO aut. 118.1 8.8 773 117.7 8.9 953HBO/WO all. 119.6 8.7 54 119.6 8.9 79HBO/WO aut. 122.1 8.5 751 121.9 8.5 864Rekenen/Wiskunde LOVSLBO all. 103.7 12.0 355 104.1 12.8 917LBO aut. 104.1 13.2 740 104.2 13.0 1063MBO all. 107.0 12.8 273 106.5 13.2 555MBO aut. 108.7 12.8 2483 108.9 12.6 2982HBO/WO all. 111.3 13.8 156 109.9 13.9 300HBO/WO aut. 114.3 11.9 2140 114.2 12.0 2398 41
  45. 45. 6 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test6.1 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten TestDe Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (NSCCT; Van Batenburg & Van derWerf, 2004) is bedoeld om leerkrachten op de basisscholen een objectieve secondopinion te geven over de niet-schoolse capaciteiten van hun leerlingen. Leerkrachtenwillen weten hoe goed hun leerlingen op en buiten de school om kunnen leren. Metbehulp van de NSCCT kunnen ze leerlingen opsporen die onder hun niveau presterenen daar iets aan doen. In groep 8 kan de test tevens worden gebruikt bij het schoolad-vies.De test bevat verbale, numerieke en ruimtelijke items voor kinderen in groep 4, 6 en8. De test bestaat uit vijf onderdelen, namelijk figuur samenstellen, exclusie, getallen-reeksen, categorieën en analogieën.De NSCCT is genormeerd en op zijn psychometrische kwaliteiten onderzocht. De testis door het COTAN op alle criteria ‘voldoende’ tot ‘goed’ beoordeeld, met uitzonde-ring van de normen die als verouderd worden beoordeeld. Voor meer informatie ziewww.nscct.2ya.com.Speciaal voor COOL is er op basis van de versies voor groep 4 en 6 een nieuwe ver-sie ontwikkeld voor groep 5. De eerste drie subtests tellen elk 15 items, de laatstetwee elk 20 items. De totale test telt dus 85 items. Om een indruk te geven van deinhoud van de test volgt hierna per subtest een voorbeeld van een opgave.Figuur samenstellenBij deze test zie je voor de streep telkens een vierkantje waar een stukje van af is. Hetstuk dat er af is staat tussen de figuren achter de streep. 43
  46. 46. ExclusieHieronder zie je vier figuren. Boven de figuren staan de letters A, B, C en D. Eénfiguur is anders dan de andere. Zoek de letter van de figuur die anders is dan de rest.GetallenreeksenIn deze taak staan voor de streep rijtjes getallen waarin telkens één getal is weggela-ten. Achter de streep staan ook getallen. Boven die getallen staan de letters A, B, C enD. Je moet steeds dat getal kiezen dat weggelaten is in de rij voor de streep.CategorieënVoor de streep zie je drie plaatjes, die bij elkaar horen. Achter de streep zie je vierplaatjes waarvan er precies één hoort bij de drie figuurtjes voor de streep.AnalogieënHieronder zie je in het vakje voor de streep bovenaan twee dingen die bij elkaar ho-ren. In het voorbeeld zijn dat een klein poppetje en een groot poppetje. Daaronder zieje een klein bloemetje en een vraagteken. Op de plaats van het vraagteken moet ietskomen dat op dezelfde manier bij het bloemetje past als het grote poppetje bij hetkleine. Je kunt het vinden bij de vier dingen achter de streep A, B, C en D. Zoek deletter die past bij het plaatje dat op de plaats van het vraagteken moet komen. Welkplaatje is dat?44
  47. 47. 6.2 ResponsHet COOL-bestand bevat voor groep 5 gegevens van 10109 leerlingen in de referen-tiesteekproef en 13266 in de totale steekproef. In de referentiesteekproef heeft 84.5%van de leerlingen aan de testafname meegedaan en in de totale steekproef 78.0%. Tenopzichte van de leerlingen die ook hebben deelgenomen aan de afname van de taal-,lees- en rekentoetsen bedraagt de respons 86.3%, respectievelijk 79.6%.Om te controleren op mogelijke selectieve uitval hebben we de feitelijke verdelingenvan de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestandafgezet tegen de verdeling in het NSCCT-bestand. Daarvoor is gebruik gemaakt vande COOL-SES variabele. In Tabel 6.1 staan de verdelingen, uitgesplitst naar referen-tiesteekproef en totale steekproef.Tabel 6.1 – Respons op de NSCCT: verdeling sociaal-etnische achtergrond binnenhet totaalbestand en binnen het NSCCT-bestand (in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal NSCCT totaal NSCCTLBO all. 5.8 6.3 10.3 10.1LBO aut. 9.9 10.2 11.5 11.5MBO all. 4.7 5.0 6.8 6.5MBO aut. 38.9 39.0 35.6 35.9HBO/WO all. 2.9 3.1 3.8 3.7HBO/WO aut. 37.7 36.4 32.0 32.2n 9492 9186 12537 12169De verschillen tussen de verdeling van sociaal-etnische achtergrond binnen het to-taalbestand en het NSCCT-bestand zijn zeer klein.6.3 SchaalconstructieOp basis van de binnen COOL verzamelde gegevens is de betrouwbaarheid (Cron-bachs alfa) van elk van de vijf subtests bepaald. Die waren achtereenvolgens 0.70,0.71, 0.75, 0.80 en 0.78. Ook is nog de betrouwbaarheid van de gehele test bepaald;die bedroeg 0.89. Factoranalyse op de vijf subtests liet één generale factor zien die51% van de variantie verklaart. 45

×