• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting Geert Driessen et al.
 

Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting Geert Driessen et al.

on

  • 1,032 views

 

Statistics

Views

Total Views
1,032
Views on SlideShare
1,032
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
1
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting Geert Driessen et al. Cohortonderzoek Cool 5-18 Tweede meting Geert Driessen et al. Presentation Transcript

    • Cohortonderzoek COOL5-18 Tweede meting 2010/11 Cohortonderzoek COOL5-18 Technisch rapport basisonderwijs, tweede meting 2010/11 Geert Driessen | Lia Mulder | Jaap Roeleveld Postbus 9048 6500 KJ Nijmegen G. Driessen, L. Mulder & J. Roeleveld c ool Postbus 94208 1090 GE Amsterdam 5-18ISBN 978 90 5554 439 4 ohortonderzoekNUR 840 o n d e r w ij s l o o p b a n e n
    • COHORTONDERZOEK COOL5-18
    • Cohortonderzoek COOL5-18Technisch rapport basisonderwijs, tweede meting 2010/11Geert DriessenLia MulderJaap Roeleveld
    • De particuliere prijs van deze uitgave is € 15,-Deze uitgave is te bestellen bij het ITS, 024 - 365 35 00.Foto omslag:, Klara Schreuder, Nationale Beeldbank.CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK DEN HAAGDriessen, Geert.Cohortonderzoek COOL5-18. Technisch rapport basisonderwijs, tweede meting2010/11. Geert Driessen, Lia Mulder & Jaap Roeleveld - Nijmegen: ITS / Amster-dam: Kohnstamm InstituutISBN 978 90 5554 439 4NUR 840ITS-Projectnummer: 34000612 2012 ITS, Radboud Universiteit Nijmegen /Kohnstamm Instituut AmsterdamBehoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit dezeuitgave worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilmof op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een retrieval systeem worden opgeslagen, zonder devoorafgaande schriftelijke toestemming van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen.No part of this book/publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or anyother means without written permission from the publisher.iv
    • VoorwoordIn het schooljaar 2007/08 is, als voortzetting van de vroegere PRIMA- en VOCL-cohorten, een nieuw cohortonderzoek gestart. Dit onderzoek, COOL5-18 genoemd,volgt leerlingen van 5 tot 18 jaar in hun schoolloopbaan door het primair en voortge-zet onderwijs en het mbo. Vier aspecten van de ontwikkeling van leerlingen staan inhet onderzoek centraal:• de cognitieve ontwikkeling: kennis en vaardigheden in het Nederlands, Engels en rekenen/wiskunde;• onderwijsloopbanen in primair, secundair en tertiair onderwijs;• de ontwikkeling van sociale competenties, waaronder burgerschapscompetenties;• de sociaal-emotionele ontwikkeling.Om de leerlingen op deze vier aspecten te volgen worden op diverse momenten toet-sen en vragenlijsten afgenomen. Daarnaast wordt de gehele schoolloopbaan van deleerlingen in kaart gebracht. De gegevens hierover worden verkregen door koppelingvan de cohortgegevens aan de Onderwijsnummerbestanden die beheerd worden doorhet Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).Het doel van COOL5-18 is in de eerste plaats een representatief beeld te geven van deprestaties en schoolloopbanen van diverse categorieën leerlingen. Omdat COOL5-18meerdere metingen kent, kan niet alleen een beeld worden geschetst van de situatie opeen bepaald moment, maar kunnen ook ontwikkelingen in kaart worden gebracht.Met behulp van de gegevens die in COOL5-18 worden verzameld, kunnen bovendienuiteenlopende beleidsmaatregelen worden geëvalueerd en kan ook nieuw beleid wor-den voorbereid.Er zijn drie ronden van gegevensverzameling gepland: in 2007/08, 2010/11 en2013/14. Over de eerste COOL-meting, uitgevoerd in 2007/08, zijn diverse rapporta-ges verschenen, waaronder een zogenaamd ‘technisch rapport’ over de meting in hetbasisonderwijs. In dat rapport wordt verslag gedaan van de dataverzameling en wordteen beschrijving gegeven van alle gegevens die in het basisonderwijs zijn verzameld.Het betreft onder meer de toetsprestaties taal, lezen en rekenen, gezinskenmerken,houdings- en gedragskenmerken, burgerschapscompetenties, niet-schoolse cognitievecapaciteiten, resultaten op de Cito Eindtoets en het advies voortgezet onderwijs. Hetdoel van het technisch rapport is tweeledig: het functioneert als verantwoording en v
    • codeboek voor de gebruikte instrumenten, en is tegelijkertijd ook een naslagwerkwaarin de eerste resultaten worden gepresenteerd.Het voorliggende rapport is het technische rapport over de tweede meting vanCOOL5-18 in het basisonderwijs, uitgevoerd in schooljaar 2010/11. Het heeft dezelfdeopzet als het rapport over de eerste meting.Het COOL5-18-onderzoek in het basisonderwijs is een samenwerkingsproject van hetITS te Nijmegen en het Kohnstamm Instituut te Amsterdam. Voor het onderzoek inhet voortgezet onderwijs en MBO zijn het Cito in Arnhem en het GION in Groningenverantwoordelijk. Over de resultaten van dat deel wordt apart door de betreffendeinstituten gerapporteerd.vi
    • InhoudVoorwoord vDeel I – Het veldwerk 11 De steekproef van scholen en leerlingen 3 1.1 Inleiding 3 1.2 Nagestreefde referentiesteekproef 3 1.3 Nagestreefde aanvullende steekproeven 5 1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproef 6 1.5 Aantallen oude en nieuwe COOL-scholen 8 1.6 Omvang van de leerlingensteekproef 102 De dataverzameling 13 2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanning 13 2.2 Fase 1: Benadering van scholen en opvragen van administratieve gegevens 13 2.3 Fase 2: Verzameling van leerlinggegevens 14 2.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzameling 15 2.5 Fase 4: Uitstroomformulieren, zorgprofielen en schoolinformatielijst 16 2.6 Overzicht van de verzamelde data 16 2.7 Rapportage aan de scholen 18Deel II – De schoolgegevens 193 De schoolinformatielijst 21 3.1 Procedure en respons 21 3.2 De schoolkenmerken 21 vii
    • Deel III – De leerlinggegevens 254 Achtergronden van de leerlingen 275 De taal-, lees- en rekentoetsen 33 5.1 De taal-, lees- en rekentoetsen 33 5.1.1 Groep 2 33 5.1.2 Groep 5 34 5.1.3 Groep 8 36 5.1.4 Afname en scoring 37 5.2 Respons 37 5.3 De taal-, lees- en rekenvaardigheid 386 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test 43 6.1 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test 43 6.2 Respons 45 6.3 Schaalconstructie 45 6.4 De NSCCT-scores 467 Het leerlingprofiel 49 7.1 Procedure en respons 49 7.2 Prestaties, gedrag en houding 51 7.2.1 Schaalconstructie 51 7.2.2 Schaalscores 53 7.3 Gezin, zorg en onderwijskundige bijzonderheden 61 7.3.1 Gezin 61 7.3.2 Zorg 63 7.3.3 Onderwijskundige bijzonderheden 70 7.4 Karakter 758 Het zorgprofiel 83 8.1 Procedure en respons 83 8.2 Aandeel Zorgleerlingen 84 8.3 Kenmerken van zorgleerlingen 86 8.4 Overige vragen zorgprofiel 93viii
    • 9 De Leerlingenvragenlijst 101 9.1 Procedure en respons 101 9.2 Motivatievragen groep 5 én 8 102 9.2.1 Schaalconstructie 103 9.2.2 Schaalscores 105 9.3 Extra motivatievragen groep 8 108 9.3.1 Schaalconstructie 109 9.3.2 Schaalscores 11110 De vragenlijst Burgerschapscompetenties 113 10.1 De vragenlijst 113 10.2 Respons 115 10.3 Schalen 116 10.4 Schaalscores 12011 Het uitstroomformulier groep 8 123 11.1 Het uitstroomformulier 123 11.2 Respons 123 11.3 De Eindtoets basisonderwijs 124 11.4 Vervolgadvies voortgezet onderwijs 127Deel IV – De gezinsgegevens 12912 De oudervragenlijst groep 2 131 12.1 Inleiding 131 12.2 Respons op de oudervragenlijsten 131 12.3 Beschrijving van de resultaten 133Literatuur 149 ix
    • Deel IHet veldwerk
    • 1 De steekproef van scholen en leerlingen1.1 InleidingMeer dan tien jaar (tussen 1994 en 2005) hebben het ITS te Nijmegen en het Kohn-stamm Instituut te Amsterdam het PRIMA-cohortonderzoek in het basisonderwijsuitgevoerd. Vanaf schooljaar 2007/08 is PRIMA opgevolgd door een nieuw cohort-onderzoek: COOL5-18 (CohortOnderzoek OnderwijsLoopbanen van 5 tot 18 jaar) 1,waarbij het ITS en Kohnstamm Instituut wederom verantwoordelijk zijn voor hetonderzoek in het basisonderwijs. De eerste meting van COOL is in schooljaar2007/08 uitgevoerd; de tweede, waarover hier wordt gerapporteerd, in schooljaar2010/11. Bij het COOL-onderzoek zijn de leerlingen uit de groepen 2, 5 en 8 van 550basisscholen betrokken.Vanwege de continuïteit met de eerdere PRIMA-metingen sluit de scholensteekproefin het COOL-cohortonderzoek aan bij de opzet van PRIMA. Dat betekent dat er zo-veel mogelijk voormalige PRIMA-scholen in de COOL-steekproef zijn opgenomenen dat de steekproef van COOL, net als in PRIMA het geval was, uit twee delen be-staat: een landelijk representatieve steekproef van 400 scholen (de zogenoemde refe-rentiesteekproef) en een aanvullende steekproef van scholen met een hoge concentra-tie van allochtone en autochtone kinderen uit lagere sociaal-economische milieus.Deze opzet zorgt ervoor dat er voldoende achterstandsleerlingen in de steekproef zijnopgenomen, en dat er tevens uitspraken gedaan kunnen worden over scholen met eenuiteenlopende sociaal-etnische leerlingpopulatie. In COOL wordt daarnaast gepro-beerd om voldoende traditionele vernieuwingsscholen (Vrije Scholen, Freinet-, Dal-ton-, Jenaplan- en Montessorischolen) in de steekproef op te nemen, zodat ook overdie groep van scholen uitspraken gedaan kunnen worden.1.2 Nagestreefde referentiesteekproefDe referentiesteekproef is bedoeld om algemene uitspraken te doen over het basison-derwijs. Deze steekproef moet dan ook een zo goed mogelijke afspiegeling zijn vande totale populatie basisscholen. Voor het selecteren van de referentiesteekproef zijnrichting, provincie en urbanisatiegraad van de vestigingsgemeente van de school de1 Ter wille van de leesbaarheid gebruiken we hierna de verkorte aanduiding COOL, zonder 5-18. 3
    • belangrijkste criteria, samen met het kenmerk schoolscore. De schoolscore geeft eenindicatie van de sociaal-etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie van eenschool; hoe hoger de score, hoe groter de sociaal-etnische achterstand van de school. 2Tabel 1.1 – Verhoudingen in de landelijke schoolpopulatie (schooljaar 2009/10,N=6882) met betrekking tot schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad enbijbehorende streefaantallen in de referentiesteekproef landelijk % nagestreefde nSchoolscore100-104 52.8 211105-109 21.5 86110-119 13.1 52120-139 6.9 28140-159 3.5 14>159 2.2 9Richtingopenbaar 32.8 131protestants-christelijk 26.1 104rooms-katholiek 30.1 120overig bijzonder 11.0 45ProvincieGroningen 4.6 18Friesland 6.9 28Drenthe 4.4 18Overijssel 8.0 32Flevoland 2.8 11Gelderland 13.7 55Utrecht 6.8 27Noord-Holland 13.3 53Zuid-Holland 17.2 69Zeeland 3.4 14Noord-Brabant 13.0 52Limburg 5.9 24Urbanisatiegraadniet stedelijk 21.1 84weinig stedelijk 26.3 105matig stedelijk 20.5 82sterk stedelijk 20.7 83zeer sterk stedelijk 11.4 46totaal 100% 4002 De schoolscore wordt berekend door het gewogen aantal leerlingen van een school (dus met verdis- contering van hun wegingsfactor) te delen door het ongewogen aantal leerlingen. De uitkomst van deze rekensom wordt met 100 vermenigvuldigd en is door ons vervolgens ingedikt tot zes catego- rieën.4
    • Met het bij de voorbereidingen van het veldwerk meest recente scholenbestand vanhet ministerie van OCW, gebaseerd op de telling van peildatum 1 oktober 2008, konworden vastgesteld hoe de landelijke verdeling van deze kenmerken er op dat mo-ment uitzag. Door dezelfde percentuele verdeling over te brengen op een referen-tiesteekproef van 400 scholen, werd duidelijk naar welke aantallen diende te wordengestreefd. In Tabel 1.1 geven we de procentuele landelijke verdeling en de nage-streefde aantallen scholen weer.1.3 Nagestreefde aanvullende steekproevenDe totale COOL-steekproef wordt gevormd door een representatief deel en een aan-vullend deel van achterstandsscholen. Als criterium voor de laatstgenoemde aanvul-lende steekproef is de schoolscore-verdeling gebruikt. Er is naar gestreefd om voor deaanvullende steekproef in iedere schoolscore-categorie, met uitzondering van decategorie 100-104, ten minste 30 scholen te werven. Daarmee zouden naar verwach-ting voldoende achterstandsleerlingen in de steekproef worden opgenomen en kondentevens uitspraken worden gedaan over scholen met een uiteenlopende sociaal-etnische samenstelling. Gegeven de nagestreefde aantallen in de referentiesteekproef(zie ook Tabel 1.1) leidde dat tot de in Tabel 1.2 weergegeven aantallen voor de na-gestreefde totale steekproef.Tabel 1.2 – Nagestreefde aantallen scholen per schoolscore-categorie in de referen-tiesteekproef, de aanvullende steekproef en de totale steekproefSchoolscore referentie- aanvullende totaal steekproef steekproef100-104 211 0 211105-109 86 30 116110-119 52 30 82120-139 28 30 58140-159 14 30 44>159 9 30 39totaal 400 150 550Een ander streven was om minimaal 40 traditionele vernieuwingsscholen (‘TV-scholen’) in de steekproef op te nemen, waarvan de helft in de referentiesteekproef ende andere helft in de aanvullende steekproef. Die scholen zijn verdisconteerd in deaantallen van Tabel 1.2. 5
    • 1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproefDe uiteindelijke totale steekproef van COOL in schooljaar 2010/11 bestaat uit 553basisscholen; dat is dus 3 meer dan beoogd. Kanttekening bij dit aantal is dat ver-schillende dépendances van één school afzonderlijk in de steekproef kunnen voorko-men. In dat geval is er sprake van meer locaties waarop alle aan de COOL-metingdeelnemende groepen (2, 5 en 8) aanwezig zijn. Achter deze werkwijze steekt zoweleen inhoudelijk als een financieel-organisatorisch motief. Ten eerste blijkt het vaak tegaan om gefuseerde scholen die slechts in beperkte mate samenwerken; ten tweedezou het alternatief (elke administratieve eenheid met al zijn locaties beschouwen alséén school) leiden tot een enorme verhoging van het aantal te toetsen leerlingen.In hoofdstuk 2 wordt beschreven op welke wijze de COOL-scholen geselecteerd enbenaderd zijn. Hier dient echter alvast enige toelichting gegeven te worden op dewijze waarop omgegaan werd met de selectiecriteria tijdens de werving. De wervingbegon met het verzoek aan de scholen die al aan de eerste meting van COOL haddenmeegedaan om ook aan de tweede meting mee te werken. Indien zij aangaven daarniet toe bereid te zijn, werd voor die uitgevallen school een vervanger gezocht die watbetreft schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad zoveel mogelijk leek opde uitgevallen school. Daarbij bleek het gaandeweg vrijwel onmogelijk om alle vierde selectiecriteria steeds een even zwaar gewicht te geven. Dat heeft vooral te makenmet het forse percentage scholen dat negatief op ons deelnameverzoek bleek te reage-ren (zie hoofdstuk 2).In Tabel 1.3 worden de nagestreefde en feitelijke verdelingen van de referentiesteek-proef over de vier selectiekenmerken (schoolscore, richting, provincie en urbanisatie-graad) weergegeven (‘feitelijke n’). In totaal zitten er 406 scholen in de referen-tiesteekproef. Dat het er wat meer zijn dan de 400 beoogde scholen, heeft te makenmet het feit dat we achteraf enkele dependances van één school als afzonderlijkeschool in de steekproef hebben opgenomen (zie hierboven).De schoolkenmerken zijn afkomstig van het departementale bestand van schooljaar2009/10, dat naar BRIN-nummer is gerangschikt. Dat betekent dat, waar er in deCOOL-steekproef sprake is van meer schoollocaties met elk een eigen schoolnum-mer, aan elk van die locaties dus de kenmerken van de gehele school gekoppeld zijn.We zien wat kleine afwijkingen bij de schoolscore-categorie 100-104 (onderverte-genwoordigd), denominatie (openbaar oververtegenwoordigd) en provincie (Utrechtondervertegenwoordigd). Met behulp van de χ2-toets is nagegaan of er sprake is vansignificante verschillen (p<0.01) tussen de nagestreefde en feitelijke n, waarmee derepresentativiteit van de referentiesteekproef in het geding zou zijn. Dat bleek echternergens het geval te zijn. De verhoudingen naar schoolscore, provincie, richting en6
    • urbanisatiegraad zijn in de referentiesteekproef goed in overeenstemming met delandelijke verhoudingen. Dat betekent dat de referentiesteekproef representatief is inalle genoemde opzichten.Tabel 1.3 – Nagestreefde en feitelijke verdeling van de 406 scholen in de referen-tiesteekproef, naar schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad nagestreefde verdeling feitelijke verdeling % % nSchoolscore100-104 52.8 47.8 194105-109 21.5 23.6 96110-119 13.1 16.0 65120-139 6.9 6.9 28140-159 3.5 3.4 14>159 2.2 2.2 9Richtingopenbaar 32.8 35.2 143protestants-christelijk 26.1 24.9 101rooms-katholiek 30.1 30.8 125overig bijzonder 11.0 9.1 37ProvincieGroningen 4.6 3.2 13Friesland 6.9 5.2 21Drenthe 4.4 4.2 17Overijssel 8.0 8.6 35Flevoland 2.8 2.5 10Gelderland 13.7 14.8 59Utrecht 6.8 3.2 13Noord-Holland 13.3 17.7 72Zuid-Holland 17.2 14.3 58Zeeland 3.4 5.9 24Noord-Brabant 13.0 14.0 57Limburg 5.9 6.7 27Urbanisatiegraadniet stedelijk 21.1 23.2 94weinig stedelijk 26.3 26.8 109matig stedelijk 20.5 20.0 81sterk stedelijk 20.7 19.2 78zeer sterk stedelijk 11.4 10.8 44totaal 100.0 100.0 406 7
    • Bij de selectiecriteria is de schoolgrootte niet betrokken. Volledigheidshalve is ach-teraf nagegaan of de scholen in de referentiesteekproef afwijken van de landelijkepopulatie qua het totale aantal leerlingen. Daartoe hebben we eveneens gebruik ge-maakt van het scholenbestand van het Ministerie van OCW van schooljaar 2009/10.De gemiddelde schoolgrootte in de referentiegroep is iets kleiner dan die in de popu-latie: 222 tegen 225 landelijk.Het streven was om in de aanvullende steekproef 30 extra scholen te werven in elkecategorie boven de 100-104. In Tabel 1.4 staan de feitelijke aantallen.Tabel 1.4 – Feitelijke schoolscore-verdeling in de totale steekproefSchoolscore referentie- aanvullende totaal steekproef steekproef100-104 194 1 195105-109 96 15 111110-119 65 30 95120-139 28 47 75140-159 14 36 50>159 9 18 27totaal 406 147 553In de schoolscore-categorieën 105-109 en >159 zijn minder dan 30 scholen geworvenvoor de aanvullende steekproef. Voor de categorie 105-109 is dat geen bezwaar om-dat er in die categorie al veel scholen in de referentiesteekproef zitten. Dat het aantalin de categorie >159 niet is gehaald, komt doordat ook het totale aantal scholen inNederland in deze categorie laag is (2.2%), waardoor het lastig is om bij non-responsvervangende scholen te vinden.Het totaal aantal scholen dat aan de tweede COOL-meting heeft deelgenomen be-draagt 553. Niet alle scholen hebben op alle instrumenten volledige data aangeleverd.In de volgende hoofdstukken worden per instrument de responscijfers weergegeven,en wordt een beschrijving gegeven van de beschikbare data.1.5 Aantallen oude en nieuwe COOL-scholenBij de tweede COOL-meting bevat de totale steekproef 553 basisscholen die uiteen-vallen in een referentiesteekproef van 406 scholen en een aanvullende steekproef van147 achterstandsscholen. Van deze 553 steekproefscholen namen er 342 (62%) ookdeel aan de eerste COOL-meting in 2007/08. Aan de scholen die bij de eerste meting8
    • van COOL waren betrokken en niet meer aan de tweede meting mee wilden doen, isgevraagd of ze toch bereid waren om de toetsscores aan te leveren van de leerlingendie in 2010/11 in groep 5 en 8 zaten en die drie jaar eerder in groep 2 en 5 aanCOOL1 hadden meegedaan. Er zou dan geen nieuwe groep 2 bij het onderzoek wor-den betrokken en er zouden geen andere instrumenten worden afgenomen, maar hetzou in ieder geval informatie opleveren over het prestatieniveau van de uit COOL1bekende leerlingen. Ruim 20% van de scholen die dit verzoek hebben gekregen wasdaartoe bereid.Het werven van nieuwe scholen ter vervanging van uitgevallen COOL-scholen ver-liep zeer moeizaam. Na verschillende wervingsrondes bedroeg de respons uiteindelijkslechts 3.7%. Het aantal benaderde scholen en de responspercentages staan in Tabel1.5.Tabel 1.5 – Aantallen benaderde scholen en responsType scholen benaderd respons n n %COOL1-scholen 537 276 51.3COOL1-scholen (alleen toetsscores) 220 49 22.2vervanging 6139 228 3.7totaal 6676 553Aan de scholen is gevraagd volgens welk onderwijskundig concept zij werken. Daar-uit kon worden afgeleid welk type TV-scholen het betrof. Een deel van de scholen gafaan dat zij gedeeltelijk volgens een bepaald concept werken. De aantallen in de steek-proef, uitgesplitst naar type, staan in Tabel 1.6.Tabel 1.6 – Aantal TV-scholen, uitgesplitst naar onderwijskundig concept COOL landelijk geheel gedeeltelijk geheelMontessori 8 5 160Jenaplan 10 8 206Dalton 10 30 299Vrije school - 2 68Freinet - 4 15totaal 28 49 748 9
    • De spreiding van TV-scholen over de verschillende concepten is niet conform delandelijke verdeling. Er zitten relatief veel Daltonscholen in de steekproef en de Vrijescholen ontbreken nagenoeg. Uitgaande van de scholen die geheel volgens het ge-noemde onderwijsconcept werken, is het streefaantal van minimaal 40 scholen nietgehaald. Het aantal wordt wel ruimschoots gehaald als ook de scholen die gedeeltelijkvolgens het concept werken erbij worden betrokken.1.6 Omvang van de leerlingensteekproefTen behoeve van de tweede COOL-meting hebben de 553 deelnemende basisscholengegevens verstrekt over hun leerlingen in de groepen 2, 5 en 8. In totaal bleek het tegaan om bijna 38000 leerlingen; een gemiddelde van 69 leerlingen per school in dedrie jaargroepen samen. In Tabel 1.7 is te zien hoeveel leerlingen per steekproef enjaargroep dit betreft.Tabel 1.7 – Totaal aantal leerlingen per jaargroep referentiesteekproef aanvullende steekproef totale steekproef n % n % n %groep 2 9261 32.1 2734 30.4 11995 31.7groep 5 10109 35.1 3157 35.1 13266 35.1groep 8 9444 32.8 3094 34.4 12538 33.2totaal 28814 100.0 8985 100.0 37799 100.0In Tabel 1.8 is te zien hoeveel procent van de leerlingen ook heeft deelgenomen aande eerste meting van COOL.Tabel 1.8 – Totaal aantal leerlingen per jaargroep in de tweede COOL-meting, enpercentage daarvan dat bekend is uit de eerste COOL-meting totale steekproef n % in COOL1groep 2 11995 0.0groep 5 13266 44.3groep 8 12538 52.1totaal 3779910
    • Groep 2 is per definitie een nieuwe groep. Het percentage bekende leerlingen in groep5 en 8 samen ligt iets onder de 50 procent. Ongeveer de helft van de voormaligeCOOL1 leerlingen is dus niet meer bij COOL2 betrokken. Dat komt deels door deuitval van scholen en deels doordat leerlingen in de tussentijd zijn blijven zitten, naareen andere basisschool zijn gegaan of naar het speciaal (basis)onderwijs zijn verwe-zen. Wat de uitval op leerlingniveau betreft gaat het in totaal om ruim 2000 zittenblij-vers (en enkele leerlingen die een klas hebben overgeslagen), ruim 2500 leerlingendie naar een andere basisschool zijn gegaan en ruim 500 leerlingen die naar het speci-aal (basis)onderwijs zijn verwezen. Deze ‘verdwenen’ leerlingen worden in iedergeval via het Onderwijsnummer en zo mogelijk via de nieuw school verder gevolgd.Ook de leerlingen die zijn uitgevallen omdat de school niet meer aan COOL meewilde doen, worden via het Onderwijsnummer verder gevolgd. De uitgevallen leer-lingen blijven hier verder buiten beschouwing; er wordt in een aparte rapportageaandacht aan deze groep leerlingen besteed.Binnen COOL zijn verschillende instrumenten afgenomen. Door ziekte, tussentijdseuitstroom of andere oorzaken varieert de respons per instrument Op deze responswordt hierna in de betreffende hoofdstukken ingegaan. 11
    • 2 De dataverzameling2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanningBij de dataverzameling van de tweede COOL-meting valt een viertal fasen te onder-scheiden: de werving van deelnemende scholen, gecombineerd met het opvragen vanenkele administratieve gegevens (fase 1), de verzameling van aantallen, namen enenkele achtergrondgegevens van de leerlingen in de toetsgroepen (fase 2), de toetsaf-names en gelijktijdige overige dataverzamelingen in groep 2, 5 en 8 (fase 3), en tenslotte de verzameling van zorgprofielen, uitstroomgegevens groep 8 en een schoolin-formatielijst (fase 4).De bijbehorende kalender staat hieronder vermeld. Elke fase wordt in de paragrafenhierna beschreven.Kalender dataverzameling eerste COOL-metingFase 1: april – september 2010Fase 2: september – december 2010Fase 3: januari – april 2011Fase 4: mei – juni 20112.2 Fase 1: Benadering van scholen en opvragen van administratieve gegevensDe eerste benadering van scholen was vooral bedoeld om hun bereidheid tot deelna-me te checken, maar werd gecombineerd met het aanbieden van een kort vragenlijstjeover een aantal administratieve zaken. Alle scholen die drie jaar eerder aan de eerstemeting van COOL hadden deelgenomen, ontvingen in april 2010 deze vragenlijst. Opbasis van hun respons is bepaald hoeveel nieuwe scholen nog nodig waren; dat blekener 265 te zijn. Nagegaan is wat de kenmerken moesten zijn van deze nieuwe scholen,in eerste instantie qua schoolscore en vervolgens ook zoveel mogelijk naar provincie,richting en urbanisatiegraad (zie ook par. 1.4). Met het oog op de te verwachten hogenon-respons werd uit het departementale bestand vervolgens een veelvoud van dezebenodigde scholen geselecteerd, die daarop zijn benaderd met dezelfde vragenlijst alsdie de voormalige COOL-scholen hadden ontvangen. 13
    • Omdat deze ronde niet het benodigde aantal scholen opleverde, is nog een wervings-ronde gehouden waarin vrijwel alle overige scholen uit het departementale bestandzijn benaderd.Uiteindelijk is op deze manier het aantal van ruim 550 scholen gerealiseerd. Daartoezijn in totaal circa 6600 scholen benaderd; de 550 deelnemers van de vorige metingen daarnaast ruim 6000 nieuwe scholen (zie par. 1.5).2.3 Fase 2: Verzameling van leerlinggegevensZodra een school had aangegeven bereid te zijn om aan het onderzoek deel te nemen,werd bij die school opgevraagd welke leerlingen in het onderzoeksjaar in groep 2, 5en 8 zaten. Per parallelgroep werden behalve de namen van die leerlingen ook enkeleachtergrondkenmerken opgevraagd (zie hoofdstuk 4). Deze gegevens konden geau-tomatiseerd worden aangeleverd, mits de scholen gebruik maakten van het admini-stratiepakket ESIS-A of ParnasSys. Aan de hand van een bijgevoegde instructie kon-den de scholen met een paar eenvoudige handelingen de gevraagde gegevens vanuithun administratieprogramma naar een bestand exporteren, en dit bestand vervolgensnaar de COOL-onderzoekers opsturen. Scholen die geen gebruik maakten van ESIS-A of ParnasSys hebben per mail een Excel-bestand ontvangen, waarin de namen enenkele achtergrondgegevens van leerlingen konden worden ingevuld. Het ingevuldebestand werd vervolgens per mail naar de onderzoekers teruggestuurd.Bij de verwerking van de gegevens van de bekende scholen, werd de nieuwe informa-tie vergeleken met die in de bestanden van COOL1. Zo kon worden nagegaan welkeleerlingen ook drie jaar eerder aan het onderzoek hadden deelgenomen en welkeleerlingen nieuw waren.Bij de verwerking van de opbrengst van fase 2 werd aan elke leerling die volgens deopgave van de scholen in groep 2, 5 of 8 zat, een uniek respondentnummer toege-kend. In dit nummer was ook het schoolnummer en de jaargroep verwerkt. De namenen respondentnummers werden vervolgens voorgedrukt op de instrumenten en ant-woordbladen die voor deze leerlingen in fase 3 en 4 werden ingezet. De school- enrespondentnummers vormen de basis van de opgebouwde school- en leerlingbestan-den, waarin alle in 2010/11 verzamelde gegevens zijn opgenomen.14
    • 2.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzamelingAlle toetsen in het COOL-onderzoek zijn afkomstig uit het Cito-Leerlingvolgsysteem(zie ook hoofdstuk 5), met uitzondering van de NSCCT, de Niet-Schoolse CognitieveCapaciteiten Test. Aangezien het merendeel van de scholen de Citotoetsen zelf alafneemt en de toetsscores van hun leerlingen in een computerprogramma invoert,hebben we voor het onderzoek zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de toetsgege-vens die al op de school aanwezig waren.De scholen c.q. groepsleerkrachten hebben een uitvoerige handleiding ontvangen,waarin de procedures voor afname, nakijken en invoeren van de scores duidelijk enuitgebreid werden uitgelegd. Samengevat zag de procedure er als volgt uit: de betrok-ken scholen namen alle Cito-LVS-toetsen die in het COOL-onderzoek worden ge-bruikt op een zelfgekozen tijdstip in de periode januari-maart af, en maakten daarbijgebruik van eigen toetsmateriaal. Was dat materiaal voor een of enkele toetsen niet opde school aanwezig, dan werd het door de onderzoekers (in bruikleen) aangeleverd.Na de toetsafnames werden de toetsen door de school zelf nagekeken.Scholen die gebruik maakten van het computerprogramma CITO-LOVS, ESIS-B ofParnasSys kregen een instructie om de scores op een eenvoudige manier naar eenbestand te exporteren; dat bestand werd vervolgens via e-mail naar de onderzoekersgestuurd. Scholen die de toetsscores niet of in een ander computerprogramma invoer-den, kregen de mogelijkheid om de scores via internet in te voeren.Voor de coördinatie van het onderzoek zijn regiocoördinatoren ingesteld. Die haddenbinnen een bepaalde regio een aantal scholen onder hun hoede. Zij waren verant-woordelijk voor het controleren, aanleveren en ophalen van het materiaal, en fun-geerden als vraagbaak voor de scholen. Deze coördinatoren zijn voor het verrichtenvan hun werkzaamheden uitgebreid mondeling en schriftelijk geïnstrueerd.Voorafgaande aan de toetsperiode zijn op alle scholen in een voorbereidend gesprektussen regiocoördinator en team de procedures doorgenomen en afspraken over deplanning gemaakt. Tevens nam de coördinator bij dit eerste bezoek het materiaal meevoor de afname van de andere instrumenten dan de Citotoetsen: de NSCCT, de ou-dervragenlijsten, de leerlingprofielen en leerlingvragenlijsten. Ingevulde instrumentenwerden aan het einde van de toetsperiode door de regiocoördinator weer meegeno-men. Vragenlijsten die nog niet waren ingevuld, konden de scholen per post lateralsnog retourneren.Bij de oudervragenlijsten waren aparte toelichtingen in het Nederlands, Turks, Ara-bisch en Engels bijgevoegd. Hierin werd onder meer het doel van het onderzoekuitgelegd en werd er tevens op gewezen dat, wanneer de ouders bezwaar haddentegen deelname van hun kind aan het onderzoek zij dit aan de school konden melden,waarna de betreffende gegevens niet zouden worden meegenomen in het onderzoek. 15
    • Deze vragenlijsten gingen ook vergezeld van een instructie voor het invullen. Devragenlijsten zijn via de groepsleerkrachten onder de leerlingen verspreid. Nadat deouders de vragenlijst hadden ingevuld, konden ze die in een gesloten enveloppe weervia hun kind bij de school inleveren.2.5 Fase 4: Uitstroomformulieren, zorgprofielen en schoolinformatielijstDe laatste fase in de dataverzameling bestond uit twee schriftelijke onderdelen en eeninternetvragenlijst, namelijk de uitstroomformulieren en een schoolinformatielijst(schriftelijk) en de zorgprofielen (via internet). Op de optisch inleesbare uitstroom-formulieren konden de leerkrachten van groep 8 of de directeur over elke leerling vangroep 8 het schooladvies voor voortgezet onderwijs, de Cito-Eindtoetsscore en devermoedelijke VO-school aangeven. Met de schoolinformatielijst werden enkelegegevens over de school opgevraagd, zoals het onderwijskundig concept en Voor- enVroegschoolse Educatie. De uitstroomformulieren en schoolinformatielijst zijn in mei2011 per post aan de COOL-scholen toegestuurd; ook de retournering door de scho-len verliep per post.Verder kregen de leerkrachten van de groepen 2, 5 en 8 in mei een brief met het ver-zoek om, via een speciale code, in te loggen op een COOL-webpagina. Daarin ston-den de namen van de leerlingen uit hun klas. Van elke leerling kon worden aangege-ven of de betreffende leerling een ‘zorgleerling’ was, en over die leerlingen werdenenkele vragen gesteld met betrekking tot hun zorgproblematiek (het ‘zorgprofiel’).2.6 Overzicht van de verzamelde dataIn de verschillende fasen van dataverzameling werd via diverse instrumenten enbronnen en op verschillende niveaus informatie verzameld. Zonder in details te tre-den, laten we in Tabel 2.1 de herkomst en het niveau van de verzamelde informatiezien.16
    • Tabel 2.1 – Verzamelde gegevens naar fase, instrument, bron en niveauFase/instrument Informatie verstrekt Informatieniveau door/ verzameld bij school groep leerlingFase 1wervingsvragenlijst directie deelnamebereid- heid, school- kenmerkenFase 2ESIS/ParnasSys - directie, administratie aantal groepen groepsnamen, groep, naam,export-instructie of of leerkrachten groep 2, 5, 8 locaties groep achtergrondkenmerkenexcel-bestand 2, 5, 8 2, 5, 8Fase 3Citotoets Taal voor leerlingen groep 2 toetsscoresKleutersCitotoets Ordenen leerlingen groep 2 toetsscoresCitotoets (Lees) leerlingen groep 5, 8 toetsscoreswoordenschatCitotoets Begrijpend leerlingen groep 5, 8 toetsscoreslezenCitotoets Technisch leerlingen groep 5, 8 toetsscoreslezen (Drie-Minuten-Toets)Citotoets Rekenen/ leerlingen groep 5, 8 toetsscoresWiskundeNSCCT (Niet- leerlingen groep 5 testscoresSchoolse CognitieveCapaciteiten Test)leerlingprofiel leerkrachten groep 2, beoordeling, aanpak en 5, 8 bijzonderheden leerlingleerlingvragenlijst leerlingen groep 5, 8 motivatie, schoolwel- bevindenvragenlijst burger- leerlingen groep 8 burgerschapscompe-schapscompetentie tentie (kennis, attitude, vaardigheid, reflectie)oudervragenlijst ouders groep 2 en kenmerken ouders, nieuwe leerlingen 5, 8 gezin, opvoedingFase 4zorgprofiel leerkrachten groep 2, informatie over 5 en 8 zorgleerlingen en zorgproblematiekuitstroomformulier directie/ leerkracht uitstroomgegevens groep 8 overgang VOschoolinformatielijst directie schoolkenmer- ken (bv. onder- wijskundig concept, VVE) 17
    • Over elk van deze instrumenten wordt in het vervolg van dit rapport in afzonderlijkehoofdstukken gerapporteerd.2.7 Rapportage aan de scholenVlak voor de zomervakantie hebben de scholen een schoolrapport ontvangen met deresultaten van hun leerlingen. In deze rapportage is veel aandacht besteed aan deprestaties van de leerlingen en de school in relatie tot leerlingen en scholen elders inhet land met een vergelijkbare sociaal-etnische achtergrond. Ook van de leerlingpro-fielen en de leerlingvragenlijsten zijn in het ‘landelijk vergelijkend schoolrapport’enkele resultaten opgenomen.18
    • Deel IIDe schoolgegevens
    • 3 De schoolinformatielijst3.1 Procedure en responsAan de directies van de scholen zijn enkele vragen gesteld over het onderwijsconcept,onderwijskundige ontwikkelingen, de samenstelling van de kleuterbouw en het ge-bruik van VVE-programma’s. Daarvoor is gebruik gemaakt van een vragenlijstje vanéén pagina. Binnen de referentiesteekproef bedroeg de respons hierop 85.5% en bin-nen de totale steekproef 80.0%. Nagegaan is of de respons samenhing met de sociaal-etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie van de school. Dat is gedaan aan dehand van de schoolscore, die een indicatie geeft van het aandeel achterstandsleerlin-gen op een school: hoe hoger de score, hoe meer achterstand (zie hoofdstuk 1). Bin-nen de referentiesteekproef bedroeg de gemiddelde schoolscore van zowel de respon-derende als de niet responderende scholen 110.2; binnen de totale steekproef warende gemiddelde scores respectievelijk 115.6 en 119.0 (p=0.70; eta=0.005). Binnen detotale steekproef hebben de niet-responderende scholen dus wat meer achterstands-leerlingen, maar het verschil met de responderende scholen is niet significant; er isderhalve geen sprake van selectieve respons.3.2 De schoolkenmerkenBij de presentatie van de antwoorden op de vragen hierna houden we de volgorde vande vragenlijst aan. Steeds wordt de vraag letterlijk weergegeven, waarna in tabelvormde verdeling van de antwoorden volgt. Er vindt daarbij steeds een uitsplitsing plaatsnaar referentiesteekproef en totale steekproef. 21
    • Tabel 3.1 – V1. Heeft uw school een bepaald onderwijsconcept, zo ja welk? (in %)Toelichting: Als u van een bepaald onderwijsconcept wel elementen toepast maar hetconcept is niet of nog niet in zijn geheel op de school van toepassing, vult u dan in‘gedeeltelijk’ referentiesteekproef (n=342) totale steekproef (n=441) geheel gedeeltelijk geheel gedeeltelijkMontessori 2.0 0.9 1.8 1.1Jenaplan 2.9 1.5 2.3 1.8Dalton 2.9 7.6 2.3 6.8Vrije school -- 0.3 -- 0.5Freinet -- 0.9 -- 0.9Ontwikkelingsgericht onderwijs 5.8 21.1 4.8 21.5Ervaringsgericht onderwijs -- 4.7 -- 5.0Natuurlijk leren, authentiek leren, e.d. 0.6 3.2 0.7 2.9Samenwerkend leren, zelfsturend leren, e.d. 2.3 19.0 2.0 19.5anders 10.2 8.2 11.6 7.9Tabel 3.2 – V2. Is uw school bezig met een van de volgende ontwikkelingen? (in %) referentiesteekproef totale steekproef nee ja i.v.* n nee ja i.v.* nVoorschool (deelname aan een 71.0 22.8 6.3 272 62.4 31.6 6.0 348Voorschoolproject)Peutergroep binnen de school 77.8 14.4 7.8 270 71.7 21.1 7.1 350Samenwerking met peuterspeelza- 27.3 57.7 15.0 300 23.2 63.1 13.7 388len en/of kinderdagverblijven voor0-4 jarigenVversterk 67.9 26.5 5.6 268 62.6 31.3 6.1 345Brede school 55.4 26.7 17.9 285 49.7 34.2 16.0 368Onderwijstijdverlenging 87.4 8.8 3.8 262 83.4 13.4 3.3 337Schakelklas(sen) 85.8 11.9 2.3 260 77.8 20.1 2.1 338Met Woorden in de Weer 84.6 12.0 3.5 259 79.3 16.3 4.4 338Taalpilot/Taalverbetertraject/ 53.3 40.8 5.9 287 46.7 47.5 5.7 366Taallijn VVERekenpilot/Rekenverbetertraject 77.7 18.2 4.1 269 74.2 19.6 6.2 341Op Maattraject 96.9 2.4 0.8 255 96.0 2.5 1.6 321Project Versterken 66.3 21.7 12.0 276 63.0 24.2 12.8 351Opbrengstgericht werken* i.v.=in voorbereiding22
    • Tabel 3.3 – V3. Wordt in de kleutergroepen een van de volgende programma’s ge-bruikt? (in %) referentiesteekproef totale steekproef nee ja n nee ja nPiramide 76.4 23.6 229 68.2 31.8 302Kaleidoscoop 97.5 2.5 198 95.9 4.1 245Basisontwikkeling 82.1 17.9 218 79.2 20.8 269Ko Totaal 86.9 13.1 214 84.8 15.2 263BAS-project 75.4 24.6 207 74.5 25.5 255een ander programma 53.6 46.4 183 52.3 47.7 214Tabel 3.4 – V4. Hoe zijn op uw school de kleutergroepen samengesteld? (in %) referentiesteekproef totale steekproefwij hebben aparte groepen 1 en 2 13.5 15.5groep 1 en 2 zijn bij ons gecombineerd 77.7 75.9anders 8.8 8.6n 341 440 23
    • Deel IIIDe leerlinggegevens
    • 4 Achtergronden van de leerlingenDit hoofdstuk beschrijft een aantal achtergrondkenmerken van de leerlingen en hunouders. Het gaat om gegevens die in het begin van het schooljaar 2010/11zijn ver-strekt door de scholen (doorgaans afkomstig uit de administraties). In totaal zijn van37799 leerlingen deze kenmerken bekend. In Tabel 4.1 wordt een overzicht van dekenmerken gepresenteerd; daarbij maken we – net zoals in de rest van dit hoofdstuk –een uitsplitsing naar steekproef en groep.Uit de tabel valt (in de regels met ‘n’) op te maken dat de aantallen leerlingen perkenmerk variëren. Een eerste reden daarvoor is dat de scholen niet alle informatieeven consequent hebben aangeleverd. Waarschijnlijk ontbreekt een deel van de in-formatie in de schooladministraties. Een tweede reden heeft te maken met de gezins-samenstelling. Een kleine 10% van de gezinnen betreft eenoudergezinnen. Doorgaansgaat het daarbij om gezinnen met alleen een moeder. Dit heeft consequenties voor derespons op vragen die in het onderzoek apart zijn gesteld over de vader en moeder.Bij die vragen zal het aantal ‘missings’ bij de vaders per definitie veel hoger liggen.Het verschil in samenstelling van de referentie- en totale steekproef komt vooral totuitdrukking bij het kenmerk OAB-gewicht. Dit gewicht geeft een indicatie van (mo-gelijke) onderwijsachterstanden die gerelateerd zijn aan het thuismilieu van de leer-lingen. Scholen ontvangen in het kader van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB)op basis van het aantal achterstandsleerlingen extra financiële middelen van het mi-nisterie van OCW om deze achterstanden te bestrijden. Of een kind een achterstands-kind is, wordt momenteel bepaald op grond van het opleidingsniveau van de ouders.Er worden drie gewichtscategorieën onderscheiden:0.0 geen achterstand;0.3 kinderen van wie beide ouders maximaal LBO/VBO/VMBO hebben gehad;1.2 kinderen van wie één van de ouders maximaal basisonderwijs heeft gehad en de ander maximaal LBO/VBO/VMBO. 27
    • Tabel 4.1 – Achtergrondkenmerken van de leerlingen referentiesteekproef totale steekproef grp. 2 grp.5 grp. 8 totaal grp. 2 grp. 5 grp. 8 totaalMaximaal aantal leerlingen 9261 10109 9444 28814 11995 13266 12538 37799Leeftijd per 01-01-11 (gem.) 5.7 8.8 11.9 8.8 5.7 8.8 11.9 8.9n 9027 9856 9252 28135 11645 12971 12325 36941Sekse (%)jongen 52.6 50.6 49.0 50.7 52.1 50.7 49.1 50.6meisje 47.4 49.4 51.0 49.3 47.9 49.3 50.9 49.4n 8980 9867 9293 28140 11562 12910 12287 36759Verblijfsduur in Nederland (%)< 1 jaar 0.2 0.1 0.4 0.2 0.3 0.1 0.3 0.21-3 jaar 0.7 0.3 0.3 0.5 1.1 0.6 0.4 0.74-5 jaar 1.8 0.4 0.3 0.8 3.1 0.4 0.3 1.2> 5 jaar 0.7 1.6 2.7 1.7 0.9 2.4 3.9 2.4altijd 96.5 97.6 96.2 96.8 94.7 96.6 95.0 95.4n 7403 8240 7887 23530 9687 10692 10309 30688Gezinssamenstelling (%)volledig 91.2 91.0 90.8 91.0 89.6 89.3 89.2 89.4alleen moeder 7.1 7.3 7.1 7.2 8.8 9.0 8.6 8.8alleen vader 0.6 0.8 0.8 0.7 0.6 0.8 1.0 0.8anders 1.1 1.0 1.3 1.1 1.0 0.9 1.2 1.0n 8341 9077 8594 26012 10714 11621 10982 33317OAB-gewicht (%)0.0 86.5 84.8 83.2 84.8 80.2 78.5 76.9 78.50.3 8.2 9.3 10.9 9.5 10.0 11.3 12.9 11.41.2 5.4 5.9 5.8 5.7 9.8 10.2 10.2 10.1n 8884 9828 9197 27909 11529 12914 12185 36628In Tabel 4.2 volgen gegevens over het geboorteland van de ouders van de leerlingen.28
    • Tabel 4.2 – Geboorteland van de ouders van de leerlingen (in %) referentiesteekproef totale steekproef grp. 2 grp.5 grp. 8 totaal grp. 2 grp. 5 grp. 8 totaalGeboorteland vaderNederland 83.6 84.5 86.0 84.7 76.4 77.4 78.9 77.6Suriname 1.1 1.2 1.3 1.2 1.4 1.6 1.8 1.6Antillen/Aruba 0.3 0.3 0.3 0.3 0.6 0.6 0.6 0.6Molukken 0.0 0.0 0.1 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0Turkije 3.5 3.9 3.8 3.7 5.7 6.5 6.6 6.3Marokko 4.4 4.3 3.3 4.0 7.1 6.5 5.6 6.4voormalig Joegoslavië 0.5 0.4 0.3 0.4 0.7 0.6 0.5 0.6voormalige Sovjet-Unie 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1Polen 0.2 0.1 0.1 0.1 0.3 0.2 0.1 0.2China 0.2 0.1 0.1 0.1 0.3 0.3 0.3 0.3Irak 0.3 0.3 0.5 0.4 0.4 0.4 0.5 0.4Afghanistan 0.4 0.3 0.3 0.3 0.5 0.4 0.4 0.4Somalië 0.4 0.2 0.1 0.2 0.5 0.4 0.2 0.4ander westers land 1.7 1.5 1.3 1.5 1.7 1.6 1.3 1.5ander niet-westers land 3.0 2.5 2.3 2.6 4.4 3.5 3.0 3.6n 8472 9427 8838 26737 10866 12253 11558 34677Geboorteland moederNederland 82.6 83.7 85.0 83.8 75.3 76.2 77.4 76.3Suriname 1.3 1.4 1.7 1.4 1.7 2.2 2.5 2.1Antillen/Aruba 0.5 0.3 0.5 0.4 0.8 0.7 0.9 0.8Molukken 0.1 0.0 0.0 0.0 0.1 0.0 0.0 0.0Turkije 3.3 3.6 3.4 3.4 5.3 6.0 6.2 5.8Marokko 4.3 4.1 3.3 3.9 6.7 6.2 5.5 6.1voormalig Joegoslavië 0.3 0.4 0.3 0.4 0.5 0.6 0.5 0.5voormalige Sovjet-Unie 0.3 0.2 0.2 0.2 0.3 0.2 0.2 0.2Polen 0.4 0.3 0.2 0.3 0.5 0.4 0.3 0.4China 0.3 0.2 0.2 0.3 0.4 0.3 0.3 0.3Irak 0.4 0.2 0.5 0.4 0.3 0.4 0.5 0.4Afghanistan 0.3 0.2 0.2 0.3 0.4 0.3 0.3 0.3Somalië 0.5 0.3 0.2 0.3 0.6 0.5 0.3 0.4ander westers land 2.1 1.8 1.5 1.8 2.0 1.8 1.5 1.8ander niet-westers land 3.4 3.1 2.7 3.1 5.1 4.3 3.7 4.3n 8766 9715 9134 27615 11384 12765 12083 36232De totale steekproef onderscheidt zich sterk van de referentiesteekproef wat betrefthet grotere aandeel allochtone ouders – hetgeen ook werd nagestreefd.In Tabel 4.3 wordt een overzicht gegeven van de ouderlijke opleidingsniveaus. Hetbetreft hier een inschatting door de school, vaak afkomstig uit de administratie, waar- 29
    • bij gekozen kon worden uit vier categorieën: maximaal LO/BaO, maximaalLBO/VBO, maximaal MBO (incl. MAVO, HAVO, VWO) of HBO/WO.Tabel 4.3 – Opleidingsniveau van de ouders van de leerlingen (in %) referentiesteekproef totale steekproef grp. 2 grp.5 grp. 8 totaal grp. 2 grp. 5 grp. 8 totaalOpleiding vadermax. LO/BaO 5.3 5.2 5.7 5.4 9.0 8.9 9.5 9.1max. LBO/VBO 20.8 23.0 25.4 23.1 22.7 25.0 27.3 25.1max. MBO 42.2 40.0 38.8 40.3 39.9 38.0 36.6 38.1HBO/WO 31.7 31.7 30.1 31.2 28.4 28.1 26.6 27.7n 8238 9217 8593 26048 10537 11978 11267 33782Opleiding moedermax. LO/BaO 6.4 6.6 6.5 6.5 10.4 11.0 11.2 10.9max. LBO/VBO 15.2 16.5 20.0 17.3 17.2 18.9 22.0 19.4max. MBO 48.1 48.0 47.4 47.9 45.6 45.1 44.4 45.0HBO/WO 30.3 28.8 26.1 28.4 26.8 24.9 22.4 24.7n 8612 9518 8917 27047 11155 12549 11833 35537In het COOL-onderzoek wordt naast de wegingsfactor (het OAB-gewicht; zie Tabel4.1) nog een andere gedetailleerdere maat voor de sociaal-etnische achtergrond ge-hanteerd. Die maat is geconstrueerd op basis van de gegevens uit de vorige drie tabel-len, te weten het geboorteland en het opleidingsniveau van de ouders en de gezinssa-menstelling. De resulterende variabele ‘sociaal-etnische achtergrond’ kan devolgende waarden aannemen:1. kinderen van niet-westerse allochtone ouders die beiden ten hoogste een opleiding op LBO-niveau hebben gevolgd;2. kinderen van autochtone ouders die beiden ten hoogste een opleiding op LBO- niveau hebben gevolgd;3. kinderen van niet-westerse allochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding op MBO-niveau heeft gevolgd (meer dan LBO, maar minder dan HBO/WO);4. kinderen van autochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding op MBO-niveau heeft gevolgd (meer dan LBO, maar minder dan HBO/WO);5. kinderen van niet-westerse allochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding op HBO/WO-niveau heeft gevolgd;6. kinderen van autochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding op HBO/WO-niveau heeft gevolgd.30
    • In deze indeling worden onder allochtone ouders ouders verstaan die niet in Neder-land zijn geboren. Allochtone ouders met een westerse achtergrond zijn tot de catego-rie autochtone ouders gerekend; gelet op de verdeling van de prestaties van hun kin-deren is dat het meest logisch. In het geval van een eenoudergezin, heeft de indelingplaatsgevonden op basis van de gegevens van die ene ouder. Als er sprake is van éénouder van Nederlandse en één ouder van buitenlandse herkomst, vormt het herkomst-land van de moeder het uitgangspunt. Deze variabele zal hierna in deze rapportagesteeds worden gebruikt om eventuele verschillen tussen leerlingen wat betreft hunprestaties, gedrag en houding te duiden. In Tabel 4.4 staat de verdeling van dit ken-merk.Tabel 4.4 – Sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen (in %) referentiesteekproef totale steekproef grp. 2 grp.5 grp. 8 totaal grp. 2 grp. 5 grp. 8 totaalmax. LBO allochtoon 5.5 5.8 6.0 5.8 9.6 10.3 10.6 10.2max. LBO autochtoon 9.5 9.9 11.8 10.4 10.9 11.5 13.4 12.0max. MBO allochtoon 5.1 4.7 4.4 4.7 7.2 6.8 6.5 6.8max. MBO autochtoon 38.6 38.9 39.9 39.2 35.4 35.6 36.2 35.7HBO/WO allochtoon 3.8 2.9 2.6 3.1 4.7 3.8 3.5 4.0HBO/WO autochtoon 37.5 37.7 35.2 36.8 32.2 32.0 29.8 31.3n 8558 9492 8895 26945 11119 12537 11848 35504 31
    • 5 De taal-, lees- en rekentoetsen5.1 De taal-, lees- en rekentoetsenIn Tabel 5.1 geven we allereerst per jaargroep een overzicht van de toetsen die zijnafgenomen. Daarna lichten we elk van de toetsen kort toe. Alle toetsen zijn onderdeelvan het leerlingvolgsysteem van het Cito. Sommige van de oude versie van dat sys-teem, het LVS (Leerlingvolgsysteem), andere van de nieuwe versie, het LOVS (totvoor kort Leerling- en onderwijsvolgsysteem; momenteel Volgsysteem primair on-derwijs). Welke versie is afgenomen varieert per school, maar doorgaans kiest eenschool voor ofwel de oude, ofwel de nieuwe versie (voor zover al beschikbaar). Bijdeze COOL-meting is steeds de M-versie (midden schooljaar) afgenomen. Vooruitgebreidere informatie over de toetsen verwijzen we naar www.cito.nl.Tabel 5.1 – Overzicht afgenomen toetsen (tussen [..] aantallen items)Groep Taal Lezen Rekenen2 Taal voor Kleuters (oudste Ordenen (oudste kleuters) [42] kleuters) LOVS [60]5 Woordenschat [70] Toets begrijpend lezen 1998 [50] Rekenen/Wiskunde 2002 [67] Drie Minuten Toets 2009 [120] Begrijpend lezen LOVS [50] Rekenen/Wiskunde LOVS [56]8 Leeswoordenschat [32] Toets begrijpend lezen 1998 [50] Rekenen/Wiskunde 2002 [107] Drie Minuten Toets 2009 [120] Begrijpend lezen LOVS [55] Rekenen/Wiskunde LOVS [96]5.1.1 Groep 2Taal voor KleutersIn de toets Taal voor Kleuters (versie oudste kleuters) zijn aspecten van de taalontwik-keling (conceptueel bewustzijn) en de ontluikende geletterdheid (metalinguïstisch be-wustzijn) opgenomen.• Conceptueel bewustzijn: hieronder vallen passieve woordenschat en kritisch luiste- ren. Dit is het herkennen van begrippen en het begrijpen van korte teksten.• Metalinguïstisch bewustzijn: hieronder vallen schriftoriëntatie, klank en rijm, laat- ste en eerste woord horen en auditieve synthese. Metalinguïstisch bewustzijn is de vaardigheid om af te zien van de betekenis en te letten op de vorm, bijvoorbeeld de gerichtheid van kinderen op geschreven taal en de gerichtheid op klanken. 33
    • OrdenenDe toets Ordenen (versie oudste kleuters) onderscheidt drie vaardigheden: classifice-ren, seriëren en vergelijken en tellen.• Classificeren is het groeperen van voorwerpen op naam (bijvoorbeeld alle dieren) of op een bepaald kenmerk.• Seriëren is het rangschikken van voorwerpen op grond van een bepaald kenmerk, bijvoorbeeld grootte (dik-dun, lang-kort hoog-laag, breed-smal).• Vergelijken is het bepalen of er meer, minder of evenveel voorwerpen zijn. Tellen betreft het bepalen van het aantal.5.1.2 Groep 5WoordenschatDe toets Woordenschat LOVS meet de ontwikkeling van de woordenschat van kinde-ren in geschreven taal. Bij elke opgave moeten leerlingen een zin lezen waarin steedseen woord of een uitdrukking vetgedrukt is. Onder de zin staan vier antwoorden. Deleerlingen moeten bepalen welke van de vier antwoorden het beste de betekenisweergeeft van het vetgedrukte zinsdeel.Drie Minuten ToetsMet de Drie Minuten Toets, kortweg ook wel DMT genoemd, wordt vastgesteld hoegoed een leerling losse woorden van uiteenlopende moeilijkheidsgraad kan verklan-ken, oftewel hoe goed een leerling is in technisch lezen. Hoewel veruit de meesteleerlingen in groep 5 geen problemen meer hebben met het correct lezen van woor-den, blijft het technisch lezen een belangrijk aandachtspunt.De DMT is een leessnelheidstoets en telt drie verschillende kaarten. In één minuutmoeten leerlingen zoveel mogelijk woorden van een kaart hardop lezen.• Op leeskaart 1 staan woorden van het type ‘km’ (uil), ‘mk’ (koe) en ‘mkm’ (pen).• Op leeskaart 2 staan woorden van het type ‘mmkm’ (spin), ‘mkmm’ (bank), ‘mmkmm’ (krant), ‘mmmkm’ (schroef) en ‘mkmmm(m)’ (herfst).• Op leeskaart 3 ten slotte, staan woorden met twee, drie en vier lettergrepen, zoals ‘geluid’, ‘koningin’, ‘papegaaien’.Het is niet noodzakelijk om bij alle leerlingen van groep 5 alle drie de leeskaarten afte nemen. Uit onderzoek is namelijk bekend dat leerlingen die correct en vlot meerlet-tergrepige woorden kunnen lezen ook kortere woorden goed kunnen lezen. Daaromwordt eerst bij alle leerlingen leeskaart 3 afgenomen. Leerlingen die daarop meer daneen bepaalde score behalen, hoeven kaart 2 en 1 niet meer te lezen. Dit geldt landelijkgezien voor 50 tot 75% van de leerlingen. Zij zijn na leeskaart 3 dus klaar met deafname.34
    • In tegenstelling tot de oude versie van de DMT kunnen de verschillende leeskaartennu wel met elkaar vergeleken worden. De vaardigheidsscore behorend bij een scoreop kaart 3 is te vergelijken met de vaardigheidsscore behaald bij een totaalscore opkaarten 1, 2 en 3. De vaardigheidsscores van de tweede meting van COOL zijn der-halve niet te vergelijken met de ruwe scores die in het technisch rapport van de eerstemeting van COOL zijn gerapporteerd (vgl. Driessen e.a., 2009). De scores van diemeting kunnen overigens wel worden omgezet naar vaardigheidsscores3.Wat betreft het afnametijdstip geldt hetzelfde als voor groep 2.Begrijpend lezenVan de toets Begrijpend lezen zijn er momenteel verschillende versies in gebruik opde scholen; deze zijn weliswaar inhoudelijk vergelijkbaar, maar niet wat de scoresbetreft. Voor groep 5 is er de versie van 1998 en van LOVS.De toets Begrijpend lezen 1998 (opgavenboekje 1) bestaat uit een aantal teksten metmeerkeuze-opgaven en is bedoeld om het niveau vast te stellen van de vaardigheidom teksten te begrijpen.De toets bestaat uit drie modules die verschillen in moeilijkheid. Module 1 past bij degemiddelde vaardigheid van leerlingen in groep 5. Module 2 is gemakkelijker enmodule 3 is moeilijker. Alle leerlingen maken de eerste module. Afhankelijk van hunscore op de eerste module, maken de minder goede lezers daarna de tweede moduleen de betere lezers de derde module. Elke leerling maakt dus twee van de drie modu-les, dus deel 1 en 2 of deel 1 en 3. Voor de LOVS-versie van Begrijpend Lezen geldthetzelfde. Alle leerlingen maken module Start, gevolgd door Vervolg 1 voor de min-der goede lezers en Vervolg 2 voor de betere lezers.Rekenen/WiskundeVan de toets Rekenen/Wiskunde zijn eveneens verschillende versies in omloop. Voorgroep 5 is er de versie van 2002 en LOVS. Ook hier geldt dat ze inhoudelijk welvergelijkbaar zijn, maar dat de scores niet met elkaar kunnen worden vergeleken.De toets Rekenen/Wiskunde (versie LOVS) bevat de volgende leerstofonderdelen:1. Getallen en getalrelaties: structuur van de telrij en van getallen, en relaties tussen getallen.2. Hoofdrekenen: optellen, aftrekken.3. Hoofdrekenen: vermenigvuldigen en delen.3 Sinds de vorige COOL-meting wordt de DMT dus niet alleen meer uitgedrukt in termen van het aantal goed gelezen woorden, maar ook in een vaardigheidsscore. Tijdens het veldwerk kregen wij de indruk dat er bij scholen soms enig misverstand over de ruwe en de vaardigheidsscores bestond. Ook bleek in een enkel geval de invoer in het computersysteem niet vlekkeloos te gaan. Mogelijk zijn de scores op de DMT hierdoor iets minder betrouwbaar dan bij de eerste COOL-meting. 35
    • 4. Complexere toepassingen: opgaven waarbij leerlingen meerdere bewerkingen moeten uitvoeren, bijvoorbeeld zowel optellen als aftrekken.5. Meten en meetkunde: begrippen die in meetsituaties gebruikt worden.6. Tijd: basiskennis en begrip van klok en kalender.7. Geld: rekenen met munten en bankbiljetten.5.1.3 Groep 8LeeswoordenschatDe toets Leeswoordenschat meet de ontwikkeling van de woordenschat van kinderenin geschreven taal. Bij elke opgave moeten leerlingen een zin lezen waarin steeds eenwoord of een uitdrukking vetgedrukt is. Onder de zin staan vier antwoorden. Deleerlingen moeten bepalen welke van de vier antwoorden het beste de betekenisweergeeft van het vetgedrukte zinsdeel.Drie Minuten ToetsMet de Drie Minuten Toets wordt vastgesteld hoe goed een leerling losse woordenvan uiteenlopende moeilijkheidsgraad kan verklanken, oftewel hoe goed een leerlingis in technisch lezen. Bij kinderen in groep 8 komt het verklanken van woorden overhet algemeen snel tot stand, zodat zij hun aandacht volledig kunnen richten op hetbegrijpen van teksten. Toch zijn er in deze fase nog steeds leerlingen bij wie het tech-nisch lezen niet geautomatiseerd verloopt. Voor een verdere beschrijving, zie groep 5.Begrijpend lezenVoor groep 8 zijn twee versies van Begrijpend lezen in omloop (1998 en LOVS).Beide versies bestaan uit een aantal teksten met meerkeuze-opgaven en is bedoeld ombij leerlingen in groep 8 het niveau vast te stellen van de vaardigheid om teksten tebegrijpen. Voor een verdere beschrijving, zie groep 5.Rekenen/WiskundeVan de toets Rekenen/Wiskunde zijn twee versies in omloop: 2002 en LOVS. Detoets Rekenen/Wiskunde (versie 2002) bevat de volgende leerstofonderdelen:1. Getallen: structuur van de telrij en structuur van getallen.2. Automatisering van elementaire optel-, aftrek-, vermenigvuldig- en deeloperaties.3. Hoofdrekenen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met getallen sec en in toepassingssituaties.4. Bewerkingen op papier, waarbij kinderen uitrekenpapier mogen gebruiken om een cijferalgoritme toe te passen of bijvoorbeeld tussenuitkomsten te noteren.5. Breuken: basiskennis en toepassingen.6. Verhoudingen: basiskennis en toepassingen.36
    • 7. Procenten: basiskennis en toepassingen.8. Meten: lengte/omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht.9. Meetkunde: diverse aspecten uit de meetkundige oriëntatie.10. Tijd: klok en kalender.De onderdelen samen vormen de schaal Rekenen algemeen. De LOVS-versie bevatdezelfde leerstofonderdelen als de 2002-versie. In de LOVS-versie is schattend reke-nen een extra onderdeel en is er een aanvullende keuzemodule met de rekenmachine.5.1.4 Afname en scoringHet Cito schrijft voor alle toetsen een bepaalde periode voor waarin ze moeten wor-den afgenomen (de toetskalender). De scholen konden de in COOL gebruikte toetsengewoon volgens deze toetskalender inplannen. Alleen met betrekking tot de Lees-woordenschattoets, die in de toetskalender voor november staat gepland, is aan descholen gevraagd het afnamemoment enkele weken later in de tijd te plannen.De scores op de toetsen zijn uitgedrukt in zogenoemde vaardigheidsscores. Vaardig-heidsscores hebben als voordeel dat ze over jaargroepen heen op één continue schaalliggen en met elkaar kunnen worden vergeleken. Binnen COOL geldt dit in principevoor de toetsen die in groep 5 en groep 8 zijn afgenomen (dus niet voor de twee toet-sen voor groep 2). Een probleem daarbij is wel dat er verschillende versies van eentoets zijn; vaardigheidsscores op toetsen van verschillende versies zijn niet met elkaarvergelijkbaar.5.2 ResponsIn totaal bevat het COOL-bestand gegevens van 37799 leerlingen. Het betreft deleerlingen waarvan de scholen bij aanvang van het schooljaar hebben aangegeven datzij op dat moment in de betreffende klassen zaten. Van al deze leerlingen zijn – inprincipe – ook de achtergrondgegevens bekend die door de scholen zijn verstrekt enzijn opgeslagen in het administratiebestand (‘het totaalbestand’). Ten opzichte vandeze groep hebben 36109 (95.5%) leerlingen ook een of meer toetsen gemaakt; van4.5% van de leerlingen zijn dus geen toetsgegevens beschikbaar. Deze non-responskan bijvoorbeeld te maken hebben met absentie door ziekte of door verhuizing tussenhet moment van de verzameling van de administratieve gegevens en de afname vande toetsen. De respons verschilt per groep. In de referentiesteekproef bedraagt derespons voor de drie groepen achtereenvolgens 93.8, 96.3 en 97.2%; in de totalesteekproef gaat het om 93.2, 96.6 en 96.6%. In groep 2 is de non-respons dus onge-veer twee keer zo hoog als in groep 5 en 8. Mogelijk heeft dit te maken met het feit 37
    • dat op sommige scholen voor groep 2 geen gebruik wordt gemaakt van toetsen uit hetCito-Leerlingvolgsysteem.Om na te gaan of er sprake is van selectieve uitval hebben we de feitelijke verdelin-gen van de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestandafgezet tegen de verdeling in het toetsbestand. Daarvoor hebben we gebruik gemaaktvan de COOL-SES variabele (zie Tabel 4.4). In Tabel 5.2 geven we de verdelingenweer, uitgesplitst naar referentiesteekproef en totale steekproef. Omdat de resultatenvoor elk van de drie groepen (2, 5 en 8) vergelijkbaar zijn, maken we hier geen uit-splitsing naar groep. In de tabel beperken we ons overigens tot de leerlingen waarvande sociaal-etnische achtergrond bekend is. 4Tabel 5.2 – Respons op de toetsen: verdeling sociaal-etnische achtergrond binnen hettotaalbestand en binnen het toetsbestand (groepen 2, 5 en 8 samen; in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal toets totaal toetsLBO all. 5.8 5.8 10.2 10.2LBO aut. 10.4 10.4 12.0 11.9MBO all. 4.7 4.7 6.8 6.8MBO aut. 39.2 39.2 35.7 35.8HBO/WO all. 3.1 3.1 4.0 4.0HBO/WO aut. 36.8 36.7 31.3 31.2n 26945 25927 35504 34138De verschillen tussen de verdeling van sociaal-etnische achtergrond binnen het to-taalbestand en het toetsbestand zijn verwaarloosbaar, maximaal 0.1%-punten.5.3 De taal-, lees- en rekenvaardigheidIn Tabel 5.3 – 5.6 worden de verdelingen van de toetsscores gepresenteerd: het ge-middelde, de standaarddeviatie en het aantal leerlingen (gem., sd, n) waarop dezebetrekking hebben. Dat gebeurt steeds uitgesplitst naar steekproef en groep en verdernog naar sociaal-etnische achtergrond.4 Dat geldt ook voor alle nog volgende tabellen waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar sociaal- etnische achtergrond.38
    • Tabel 5.3 – Toetsscores taal, lezen en rekenen referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2Taal voor Kleuters LOVS 64.2 10.8 7603 63.1 10.9 9828Ordenen 59.4 13.8 7199 58.7 13.8 9439Groep 5Woordenschat 63.6 15.1 8943 62.0 15.3 11612Drie Minuten Toets 2009 71.7 16.9 8797 72.0 16.8 11602Toets begrijpend lezen 1998 27.5 14.6 678 27.4 14.5 876Begrijpend lezen LOVS 25.8 14.2 8850 24.8 14.1 11574Rekenen/Wiskunde 2002 85.0 12.6 360 84.7 12.8 528Rekenen/Wiskunde LOVS 71.1 15.4 9196 70.1 15.6 12040Groep 8Leeswoordenschat 115.4 13.4 3296 114.3 13.5 4229Drie Minuten Toets 2009 98.2 13.6 8294 98.2 13.5 10779Toets begrijpend lezen 1998 58.7 16.7 3957 57.5 16.6 5161Begrijpend lezen LOVS 54.2 19.1 4689 52.3 19.3 6220Rekenen/Wiskunde 2002 118.8 9.2 2137 118.1 9.4 2814Rekenen/Wiskunde LOVS 110.0 13.1 6481 109.3 13.2 8577Tabel 5.4 – Toetsscores taal en rekenen groep 2, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nTaal voor Kleuters LOVSLBO all. 54.8 8.8 370 55.0 8.6 841LBO aut. 60.4 9.3 668 59.6 9.2 982MBO all. 56.9 9.7 354 56.8 9.0 654MBO aut. 64.7 10.4 2756 64.3 10.5 3296HBO/WO all. 58.8 9.6 267 58.6 9.8 438HBO/WO aut. 67.6 10.4 2680 67.3 10.5 2991OrdenenLBO all. 51.2 13.4 373 52.7 13.4 878LBO aut. 54.6 11.4 628 54.5 11.3 926MBO all. 53.2 12.2 344 54.2 12.9 657MBO aut. 59.4 13.0 2617 59.2 13.1 3134HBO/WO all. 56.3 12.6 253 56.4 12.6 425HBO/WO aut. 62.8 14.1 2593 62.7 14.1 2910 39
    • Tabel 5.5 – Toetsscores taal, lezen en rekenen groep 5, naar sociaal-etnische achter-grond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nWoordenschatLBO all. 49.1 11.7 517 49.4 11.9 1195LBO aut. 58.8 13.4 831 58.4 13.9 1252MBO all. 52.9 12.6 412 53.1 12.7 788MBO aut. 63.1 13.4 3270 62.8 13.6 3876HBO/WO all. 60.5 14.6 260 57.9 14.3 449HBO/WO aut. 69.0 14.9 3172 68.8 15.0 3502Drie Minuten Toets 2009LBO all. 70.0 17.1 501 71.6 16.5 1155LBO aut. 69.5 16.8 822 69.7 16.5 1265MBO all. 72.7 16.6 401 73.0 15.9 771MBO aut. 70.2 16.8 3254 70.5 16.8 3947HBO/WO all. 76.6 15.5 257 76.2 15.5 440HBO/WO aut. 73.8 16.6 3144 73.9 16.8 3522Toets begrijpend lezen 1998LBO all. 22.2 11.9 13 22.4 11.5 33LBO aut. 21.2 11.9 60 21.1 12.4 97MBO all. 17.9 9.6 14 22.6 13.4 31MBO aut. 25.7 14.8 259 26.4 14.9 324HBO/WO all. 26.6 15.2 17 27.5 15.4 24HBO/WO aut. 31.2 14.4 294 31.4 14.2 330Begrijpend lezen LOVSLBO all. 16.6 12.0 518 16.6 11.9 1171LBO aut. 20.3 13.1 835 20.0 13.1 1270MBO all. 19.6 13.1 417 19.4 12.5 755MBO aut. 24.9 13.4 3242 24.8 13.4 3901HBO/WO all. 25.0 12.7 253 23.1 12.5 435HBO/WO aut. 30.4 14.1 3097 30.4 14.2 3474Rekenen/Wiskunde 2002LBO all. 83.5 8.6 9 80.8 8.9 37LBO aut. 75.5 16.5 27 75.9 16.1 57MBO all. 83.1 15.5 8 81.7 12.7 25MBO aut. 83.9 12.9 107 84.7 12.4 153HBO/WO all. 80.4 8.9 8 80.9 8.1 11HBO/WO aut. 87.9 10.7 120 88.3 10.8 149Rekenen/Wiskunde LOVSLBO all. 61.5 15.7 522 62.1 15.3 1194LBO aut. 65.9 14.4 865 65.3 14.8 1322MBO all. 63.6 16.5 422 64.1 16.0 791MBO aut. 70.5 14.9 3387 70.4 14.9 4076HBO/WO all. 68.5 15.1 258 68.6 15.5 449HBO/WO aut. 75.6 14.5 3296 75.5 14.5 368140
    • Tabel 5.6 – Toetsscores taal, lezen en rekenen groep 8, naar sociaal-etnische achter-grond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nLeeswoordenschatLBO all. 105.2 11.3 238 105.9 12.2 564LBO aut. 110.7 10.3 331 110.2 10.2 453MBO all. 109.5 11.2 201 109.4 11.6 380MBO aut. 114.4 12.6 1147 114.6 12.9 1304HBO/WO all. 114.0 13.6 90 114.3 12.4 146HBO/WO aut. 120.0 12.4 951 120.0 12.3 1017Drie Minuten Toets 2009LBO all. 98.2 13.7 459 98.0 13.0 1039LBO aut. 95.1 14.4 918 95.5 14.1 1345MBO all. 100.2 14.3 350 100.0 13.7 650MBO aut. 97.3 13.4 3172 97.5 13.5 3806HBO/WO all. 98.6 14.5 202 99.0 14.3 349HBO/WO aut. 99.9 12.9 2782 99.9 12.9 3116Toets begrijpend lezen 1998LBO all. 48.0 15.2 240 47.7 15.0 458LBO aut. 50.8 15.8 426 51.2 15.4 647MBO all. 54.2 17.4 166 52.7 16.7 301MBO aut. 57.1 15.7 1487 56.7 15.6 1826HBO/WO all. 59.9 18.1 113 58.0 16.7 187HBO/WO aut. 64.8 15.7 1375 64.4 15.7 1574Begrijpend lezen LOVSLBO all. 41.6 16.8 256 40.6 17.7 695LBO aut. 46.5 17.4 537 45.2 17.0 791MBO all. 47.3 18.3 199 45.8 18.0 408MBO aut. 52.5 17.7 1766 52.5 17.5 2103HBO/WO all. 54.3 19.3 99 50.5 19.1 188HBO/WO aut. 61.5 19.1 1498 61.5 19.2 1663Rekenen/Wiskunde 2002LBO all. 113.6 9.0 115 113.2 9.9 210LBO aut. 113.6 9.6 216 113.6 9.4 376MBO all. 114.9 8.8 73 115.4 9.0 147MBO aut. 118.1 8.8 773 117.7 8.9 953HBO/WO all. 119.6 8.7 54 119.6 8.9 79HBO/WO aut. 122.1 8.5 751 121.9 8.5 864Rekenen/Wiskunde LOVSLBO all. 103.7 12.0 355 104.1 12.8 917LBO aut. 104.1 13.2 740 104.2 13.0 1063MBO all. 107.0 12.8 273 106.5 13.2 555MBO aut. 108.7 12.8 2483 108.9 12.6 2982HBO/WO all. 111.3 13.8 156 109.9 13.9 300HBO/WO aut. 114.3 11.9 2140 114.2 12.0 2398 41
    • 6 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test6.1 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten TestDe Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (NSCCT; Van Batenburg & Van derWerf, 2004) is bedoeld om leerkrachten op de basisscholen een objectieve secondopinion te geven over de niet-schoolse capaciteiten van hun leerlingen. Leerkrachtenwillen weten hoe goed hun leerlingen op en buiten de school om kunnen leren. Metbehulp van de NSCCT kunnen ze leerlingen opsporen die onder hun niveau presterenen daar iets aan doen. In groep 8 kan de test tevens worden gebruikt bij het schoolad-vies.De test bevat verbale, numerieke en ruimtelijke items voor kinderen in groep 4, 6 en8. De test bestaat uit vijf onderdelen, namelijk figuur samenstellen, exclusie, getallen-reeksen, categorieën en analogieën.De NSCCT is genormeerd en op zijn psychometrische kwaliteiten onderzocht. De testis door het COTAN op alle criteria ‘voldoende’ tot ‘goed’ beoordeeld, met uitzonde-ring van de normen die als verouderd worden beoordeeld. Voor meer informatie ziewww.nscct.2ya.com.Speciaal voor COOL is er op basis van de versies voor groep 4 en 6 een nieuwe ver-sie ontwikkeld voor groep 5. De eerste drie subtests tellen elk 15 items, de laatstetwee elk 20 items. De totale test telt dus 85 items. Om een indruk te geven van deinhoud van de test volgt hierna per subtest een voorbeeld van een opgave.Figuur samenstellenBij deze test zie je voor de streep telkens een vierkantje waar een stukje van af is. Hetstuk dat er af is staat tussen de figuren achter de streep. 43
    • ExclusieHieronder zie je vier figuren. Boven de figuren staan de letters A, B, C en D. Eénfiguur is anders dan de andere. Zoek de letter van de figuur die anders is dan de rest.GetallenreeksenIn deze taak staan voor de streep rijtjes getallen waarin telkens één getal is weggela-ten. Achter de streep staan ook getallen. Boven die getallen staan de letters A, B, C enD. Je moet steeds dat getal kiezen dat weggelaten is in de rij voor de streep.CategorieënVoor de streep zie je drie plaatjes, die bij elkaar horen. Achter de streep zie je vierplaatjes waarvan er precies één hoort bij de drie figuurtjes voor de streep.AnalogieënHieronder zie je in het vakje voor de streep bovenaan twee dingen die bij elkaar ho-ren. In het voorbeeld zijn dat een klein poppetje en een groot poppetje. Daaronder zieje een klein bloemetje en een vraagteken. Op de plaats van het vraagteken moet ietskomen dat op dezelfde manier bij het bloemetje past als het grote poppetje bij hetkleine. Je kunt het vinden bij de vier dingen achter de streep A, B, C en D. Zoek deletter die past bij het plaatje dat op de plaats van het vraagteken moet komen. Welkplaatje is dat?44
    • 6.2 ResponsHet COOL-bestand bevat voor groep 5 gegevens van 10109 leerlingen in de referen-tiesteekproef en 13266 in de totale steekproef. In de referentiesteekproef heeft 84.5%van de leerlingen aan de testafname meegedaan en in de totale steekproef 78.0%. Tenopzichte van de leerlingen die ook hebben deelgenomen aan de afname van de taal-,lees- en rekentoetsen bedraagt de respons 86.3%, respectievelijk 79.6%.Om te controleren op mogelijke selectieve uitval hebben we de feitelijke verdelingenvan de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestandafgezet tegen de verdeling in het NSCCT-bestand. Daarvoor is gebruik gemaakt vande COOL-SES variabele. In Tabel 6.1 staan de verdelingen, uitgesplitst naar referen-tiesteekproef en totale steekproef.Tabel 6.1 – Respons op de NSCCT: verdeling sociaal-etnische achtergrond binnenhet totaalbestand en binnen het NSCCT-bestand (in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal NSCCT totaal NSCCTLBO all. 5.8 6.3 10.3 10.1LBO aut. 9.9 10.2 11.5 11.5MBO all. 4.7 5.0 6.8 6.5MBO aut. 38.9 39.0 35.6 35.9HBO/WO all. 2.9 3.1 3.8 3.7HBO/WO aut. 37.7 36.4 32.0 32.2n 9492 9186 12537 12169De verschillen tussen de verdeling van sociaal-etnische achtergrond binnen het to-taalbestand en het NSCCT-bestand zijn zeer klein.6.3 SchaalconstructieOp basis van de binnen COOL verzamelde gegevens is de betrouwbaarheid (Cron-bachs alfa) van elk van de vijf subtests bepaald. Die waren achtereenvolgens 0.70,0.71, 0.75, 0.80 en 0.78. Ook is nog de betrouwbaarheid van de gehele test bepaald;die bedroeg 0.89. Factoranalyse op de vijf subtests liet één generale factor zien die51% van de variantie verklaart. 45
    • De scores op elk van de subtests en van de test als geheel zijn gesommeerd tot eentotaalscore.6.4 De NSCCT-scoresIn Tabel 6.2 staan eerst de scores op elk van de subtests en op de test als geheel, uit-gesplitst naar steekproef. In Tabel 6.3 volgt de verdere uitsplitsingen naar sociaal-etnische achtergrond.Tabel 6.2 – De NSCCT-scores referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nFiguur samenstellen 10.5 2.7 8534 10.4 2.7 10345Exclusie 11.9 2.5 8529 11.8 2.6 10340Getallenreeksen 11.1 2.5 8531 11.0 2.5 10340Categorieën 15.8 3.2 8531 15.7 3.3 10339Analogieën 13.6 3.9 8530 13.4 3.9 10339NSCCT totaal 62.8 10.8 8540 62.2 10.9 1035346
    • Tabel 6.3 – De NSCCT-scores, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nFiguur samenstellenLBO all. 9.3 2.9 503 9.5 2.9 988LBO aut. 9.8 2.7 828 9.8 2.8 1127MBO all. 9.6 2.8 396 9.6 2.9 632MBO aut. 10.4 2.7 3140 10.4 2.7 3529HBO/WO all. 10.1 2.6 252 10.1 2.8 363HBO/WO aut. 11.1 2.5 2918 11.1 2.5 3149ExclusieLBO all. 10.8 2.9 502 10.9 3.0 987LBO aut. 11.4 2.7 827 11.3 2.8 1126MBO all. 11.1 2.8 396 11.0 2.9 632MBO aut. 11.8 2.6 3137 11.8 2.6 3526HBO/WO all. 11.5 2.7 252 11.5 2.7 363HBO/WO aut. 12.5 2.2 2918 12.5 2.2 3149GetallenreeksenLBO all. 10.1 2.7 503 10.3 2.6 988LBO aut. 10.4 2.5 827 10.4 2.5 1126MBO all. 10.7 2.4 395 10.6 2.4 630MBO aut. 11.0 2.5 3140 11.0 2.5 3529HBO/WO all. 11.1 2.4 252 11.0 2.5 363HBO/WO aut. 11.6 2.4 2917 11.6 2.4 3148CategorieënLBO all. 14.0 3.8 504 14.1 3.8 988LBO aut. 15.1 3.4 827 15.0 3.4 1126MBO all. 14.5 3.4 396 14.5 3.4 631MBO aut. 15.8 3.2 3138 15.8 3.2 3527HBO/WO all. 15.3 3.3 252 15.2 3.4 363HBO/WO aut. 16.5 2.8 2917 16.5 2.8 3148AnalogieënLBO all. 11.5 3.9 504 11.4 3.9 988LBO aut. 12.4 3.9 826 12.4 3.9 1126MBO all. 12.2 3.6 396 12.3 3.6 631MBO aut. 13.5 3.8 3138 13.5 3.8 3527HBO/WO all. 13.2 3.9 252 12.8 3.9 363HBO/WO aut. 14.5 3.7 2917 14.6 3.7 3148NSCCT totaalLBO all. 55.7 11.6 504 56.0 11.7 989LBO aut. 59.1 10.7 828 58.9 10.9 1128MBO all. 57.8 10.7 397 57.8 10.7 633MBO aut. 62.4 10.5 3142 62.3 10.5 3532HBO/WO all. 61.2 10.4 252 60.7 10.6 363HBO/WO aut. 66.1 9.6 2920 66.1 9.5 3151 47
    • 7 Het leerlingprofiel7.1 Procedure en responsAan de leerkrachten van de groepen 2, 5 en 8 is het zogenaamde leerlingprofiel voor-gelegd. Hierin konden zij hun mening geven over elke leerling uit hun klas met be-trekking tot:• de leerlingprestaties;• het gedrag;• de relatie met de leerling;• de achtergrond van de leerling;• zorg en andere onderwijskundige bijzonderheden;• het karakter van de leerling.Om vergelijkingen met gegevens uit de eerste COOL-meting en de voorgaandePRIMA-metingen mogelijk te maken, zijn in het leerlingprofiel voor een deel dezelf-de vragen opgenomen als die in PRIMA en in COOL-1 zijn gesteld. Dit betreft devragen over leerlingprestaties en leerlinggedrag en een aantal vragen over de achter-grond van de leerling, namelijk die over het sociaal milieu van de leerling, en vragenover onderwijskundige bijzonderheden.De vragen over de relatie van de leerkracht met de leerling, zorg, enkele vragen overde achtergrond van de leerling en vragen over het karakter van de leerling zijn inbeide metingen van het COOL-onderzoek vergeleken met PRIMA nieuw toegevoegd.De relatie van de leerkracht met de leerling is gemeten met behulp van een verkorteversie van de Leerling-Leerkracht Relatie Vragenlijst van Koomen, Verschueren &Pianta (2007). Deze vragenlijst is een Nederlandstalige versie van de Student-TeacherRelationship Scale van Pianta (2001).Wat de achtergrond van de leerling betreft zijn in COOL vragen over echtscheidingen gezinsproblemen toegevoegd.De vragen over zorg zijn ontleend aan een leerlingprofiel gericht op zorgleerlingendat aan de zesde meting van PRIMA toegevoegd werd in het kader van het bij diemeting behorende centrale onderzoeksthema ’Zorgleerlingen en leerlingenzorg in hetbasisonderwijs’ (Smeets e.a., 2007).De vragen over het karakter van de leerling zijn gebaseerd op de vijf dimensies vande Five Factor Personality Inventory (Hendriks, 1997). 49
    • In dit hoofdstuk worden schaal- en betrouwbaarheidsanalyses beschreven van alle inhet leerlingprofiel opgenomen schalen.De op naam gestelde leerlingprofielen zijn door de regiocoördinatoren bij hun eerstebezoek op school achtergelaten, zodat de leerkrachten ze in de periode van de feitelij-ke toetsafnames konden invullen. Na de toetsafnames hebben de regiocoördinatorende formulieren weer meegenomen. Nog niet ingevulde formulieren konden de leer-krachten nazenden.Binnen de referentiesteekproef is van 90.1% van de leerlingen een leerlingprofielbeschikbaar. Uitgesplitst naar jaargroep gaat het achtereenvolgens om 90.3, 90.3 en89.8%. Binnen de totale steekproef ligt de respons duidelijk lager, namelijk 78.5%.Uitgesplitst naar jaargroep gaat het om 87.4, 75.6 en 73.5%.Of er sprake is van selectieve uitval hebben we gecontroleerd door de feitelijke verde-ling naar sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het COOL-leerlingen-bestand af te zetten tegen de respons op de leerlingprofielen. De resultaten staan inTabel 7.1, waarbij we een uitsplitsing maken naar de referentie- en totale steekproef.Tabel 7.1 – Respons op de leerlingprofielen; verdeling sociaal-etnische achtergrondbinnen het totaalbestand en binnen het leerlingprofielbestand (in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal profiel totaal profielLBO all. 5.8 5.9 10.2 10.1LBO aut. 10.4 10.4 12.0 11.8MBO all. 4.7 4.9 6.8 6.7MBO aut. 39.2 39.1 35.7 35.7HBO/WO all. 3.1 3.2 4.0 4.0HBO/WO aut. 36.8 36.6 31.3 31.6n 26945 24484 35504 31307In de referentiesteekproef komt de verdeling van de respons naar sociaal-etnischeherkomst vrijwel overeen met die in de totale COOL-steekproef. De afwijkingen zijnhooguit 0.2%. Ook in de totale steekproef zijn de afwijkingen tussen de twee steek-proeven hooguit 0.3%.50
    • 7.2 Prestaties, gedrag en houding7.2.1 SchaalconstructieDe eerste blokken in het leerlingprofiel bestaan uit 13 vragen over de leerlingpresta-ties en het leerlinggedrag. Het gaat hierbij om schalen, die ook in PRIMA al uitge-breid beproefd zijn (Jungbluth, Roeleveld & Roede, 2001). Voor de beantwoordingkonden de leerkrachten kiezen uit vijf antwoordcategorieën: (1) beslist onwaar, (2)onwaar, (3) niet onwaar, niet waar, (4) waar, en (5) beslist waar.De op deze vragen uitgevoerde factoranalyse leverde voor de referentiesteekproefvier factoren op, die samen 73.7% van de variantie binden. De factoren kunnen alsvolgt worden geïnterpreteerd: onderpresteren; gedrag; werkhouding; en populariteit inde klas. In Tabel 7.2 staan de resultaten van deze factoranalyse.Tabel 7.2 – Factorladingen en betrouwbaarheden van vier profielschalen onder- gedrag werk- popula-(Bij) deze leerling(e) … presteren houding riteitgeven prestaties goed beeld van talent -0.80blijven prestaties achter bij capaciteiten 0.88kan eigenlijk (nog) beter presteren 0.84is vaak brutaal 0.81houdt zich aan de regels -0.73probeert altijd eigen zin door te drijven 0.79maakt nooit ruzie -0.73werkt nauwkeurig -0.78denkt al gauw dat het werk af is 0.83houdt snel op als iets niet lukt 0.77kan goed met klasgenoten opschieten 0.81is bij klasgenoten populair 0.90heeft weinig vriend(inn)en in de klas -0.87betrouwbaarheid (alfa) 0.85 0.82 0.82 0.87De resulterende schalen zijn, via hercodering van relevante items, zo geconstrueerddat een hoge score overeenkomt met de naam van de schaal. Een hoge score op ge-drag of werkhouding betekent dus gunstig gedrag of een goede werkhouding; eenhoge score op onderpresteren betekent een hoge mate van onderpresteren.Het volgende blok in het leerlingprofiel bevat 15 vragen over de relatie van de leer-kracht met de leerling uit de verkorte versie van de Leerling-Leerkracht Relatie Vra- 51
    • genlijst van Koomen, Verschueren & Pianta (2007). De vragen omvatten drie sub-schalen: nabijheid, conflict en afhankelijkheid. De subschaal nabijheid meet de matewaarin een leerkracht genegenheid, warmte en open communicatie ervaart in de rela-tie met een leerling, de subschaal conflict de mate waarin een leerkracht de relatie meteen leerling als negatief en conflictueus beoordeelt en de subschaal afhankelijkheid demate waarin een leerkracht een leerling als overmatig afhankelijk beoordeelt tenopzichte van zichzelf.De vragen kennen dezelfde antwoordcategorieën als hiervoor. Hier leverde factorana-lyse drie factoren op, die samen 74.1% van de variantie verklaren. Deze factorenbetreffen de drie genoemde aspecten van de relatie tussen leerkracht en leerling. InTabel 7.3 staan de resultaten van deze factoranalyse.Tabel 7.3 – Factorladingen en betrouwbaarheden van drie profielschalen afhanke- conflict nabij-Deze leerling(e) … lijkheid heidheeft voortdurend bevestiging van mij nodig 0.85is de hele dag sterk op mij gericht 0.86reageert sterk op situaties waarin hij/zij niet bij mij kan zijn 0.78gedraagt zich te afhankelijk van mij 0.87vraagt om hulp in situaties waarin dit eigenlijk niet nodig is 0.83Dit kind en ik lijken voortdurend strijd met elkaar te leveren 0.87Dit kind heeft het gevoel dat ik hem/haar oneerlijk behandel 0.83Als dit kind slecht gehumeurd is, weet ik dat het een lange en 0.87moeilijke dag gaat wordenDe gevoelens van dit kind tegenover mij kunnen geheel 0.86onvoorspelbaar zijn of abrupt omslaanDe omgang met dit kind vergt veel energie van mij 0.78Dit kind praat openhartig met mij over zijn/haar gevoelens en 0.80ervaringenAls dit kind verdrietig is, zal het troost bij me zoeken 0.82Ik heb een hartelijke, warme relatie met dit kind 0.85Dit kind lijkt zich veilig bij mij te voelen 0.80De omgang met dit kind geeft mij een gevoel van effectiviteit 0.75betrouwbaarheid (alfa) 0.91 0.93 0.87In het volgende blok zitten enkele vragen over het ouderlijk gezin van de leerling. Erkan een in PRIMA en COOL1 al beproefde schaal ‘ouderbetrokkenheid’ gemaaktworden van de drie volgende items:52
    • In dit gezin…• zijn de ouders actief betrokken bij de school;• worden leren en nieuwsgierigheid bevorderd;• zijn de ouders het kind bij het leren tot steun.De betrouwbaarheid (alfa) van deze schaal bedraagt 0.88.Het vierde item in dit blokje (‘in dit gezin zijn veel problemen’) is niet voor dezeschaal bedoeld en wordt verderop afzonderlijk besproken.7.2.2 SchaalscoresHierna geven we in Tabel 7.4 als eerste per steekproef en groep een overzicht van degemiddelde scores, standaarddeviaties en aantallen leerlingen op de hiervoor bespro-ken schalen. Op alle schalen is een geldige score berekend als er tenminste twee itemsbeantwoord waren.Tabel 7.4 – Schaalscores profielenReferentiesteekproef groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd nonderpresteren 2.46 0.81 8293 2.53 0.82 9054 2.38 0.86 8422gedrag 3.67 0.80 8331 3.70 0.83 9088 3.76 0.83 8448werkhouding 3.40 0.89 8236 3.40 0.93 9012 3.51 0.92 8372populariteit in de klas 3.79 0.71 8220 3.61 0.79 8983 3.68 0.82 8357relatie leerkracht-leerling, afhankelijkheid 2.15 0.76 8323 2.15 0.84 9095 1.95 0.81 8450relatie leerkracht-leerling, conflict 1.71 0.75 8327 1.71 0.80 9083 1.67 0.79 8448relatie leerkracht-leerling, nabijheid 3.90 0.60 8312 3.68 0.62 9084 3.57 0.67 8437ouderbetrokkenheid 3.83 0.82 8300 3.72 0.83 9059 3.69 0.88 8429Totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd nonderpresteren 2.50 0.81 10663 2.55 0.82 11413 2.42 0.86 10684gedrag 3.64 0.81 10703 3.69 0.84 11468 3.74 0.84 10717werkhouding 3.39 0.89 10583 3.41 0.92 11367 3.48 0.93 10610populariteit in de klas 3.76 0.72 10561 3.60 0.80 11335 3.67 0.81 10587relatie leerkracht-leerling, afhankelijkheid 2.17 0.76 10695 2.16 0.84 11459 1.99 0.82 10708relatie leerkracht-leerling, conflict 1.73 0.76 10701 1.72 0.81 11447 1.69 0.80 10707relatie leerkracht-leerling, nabijheid 3.89 0.60 10683 3.69 0.62 11448 3.56 0.68 10690ouderbetrokkenheid 3.76 0.85 10660 3.66 0.87 11411 3.62 0.91 10684 53
    • Vervolgens presenteren we hierna in Tabel 7.5 – 7.12 een overzicht van de schaalsco-res per groep, steeds nader onderverdeeld naar de steekproef en sociaal-etnische her-komst van de leerlingen.Tabel 7.5 – Schaalscores ‘onderpresteren’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 2.78 0.76 428 2.76 0.76 951LBO aut. 2.50 0.78 743 2.56 0.79 1094MBO all. 2.74 0.80 396 2.74 0.79 713MBO aut. 2.42 0.79 2999 2.44 0.79 3557HBO/WO all. 2.65 0.75 297 2.66 0.76 476HBO/WO aut. 2.39 0.83 2932 2.39 0.83 3271Groep 5LBO all. 2.59 0.79 512 2.62 0.76 1103LBO aut. 2.59 0.80 845 2.60 0.82 1226MBO all. 2.68 0.77 425 2.67 0.76 737MBO aut. 2.53 0.81 3299 2.54 0.82 3841HBO/WO all. 2.57 0.77 264 2.62 0.78 423HBO/WO aut. 2.48 0.84 3197 2.48 0.85 3512Groep 8LBO all. 2.59 0.79 485 2.63 0.81 1089LBO aut. 2.49 0.86 937 2.53 0.87 1332MBO all. 2.55 0.87 360 2.56 0.84 640MBO aut. 2.39 0.85 3206 2.40 0.85 3713HBO/WO all. 2.31 0.86 211 2.40 0.87 350HBO/WO aut. 2.29 0.86 2759 2.30 0.87 304354
    • Tabel 7.6 – Schaalscores ‘gedrag’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.51 0.81 431 3.51 0.81 952LBO aut. 3.58 0.84 748 3.52 0.83 1098MBO all. 3.55 0.85 399 3.52 0.82 719MBO aut. 3.66 0.81 3007 3.66 0.81 3566HBO/WO all. 3.65 0.75 297 3.62 0.77 476HBO/WO aut. 3.73 0.77 2950 3.73 0.77 3288Groep 5LBO all. 3.54 0.91 514 3.56 0.88 1106LBO aut. 3.54 0.86 853 3.54 0.89 1236MBO all. 3.51 0.82 425 3.56 0.85 737MBO aut. 3.71 0.82 3314 3.71 0.83 3860HBO/WO all. 3.69 0.84 264 3.70 0.87 424HBO/WO aut. 3.80 0.81 3206 3.81 0.80 3522Groep 8LBO all. 3.51 0.90 488 3.50 0.90 1092LBO aut. 3.63 0.87 937 3.61 0.86 1334MBO all. 3.68 0.84 361 3.65 0.86 641MBO aut. 3.76 0.83 3210 3.76 0.83 3718HBO/WO all. 3.76 0.86 212 3.78 0.84 352HBO/WO aut. 3.87 0.79 2774 3.86 0.79 3061 55
    • Tabel 7.7 – Schaalscores ‘werkhouding’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.20 0.86 423 3.26 0.87 936LBO aut. 3.16 0.92 740 3.12 0.90 1089MBO all. 3.31 0.91 393 3.33 0.90 709MBO aut. 3.39 0.89 2980 3.38 0.89 3535HBO/WO all. 3.43 0.85 288 3.44 0.85 467HBO/WO aut. 3.52 0.88 2915 3.52 0.87 3247Groep 5LBO all. 3.28 0.94 513 3.34 0.91 1099LBO aut. 3.16 0.93 843 3.18 0.93 1220MBO all. 3.35 0.86 421 3.42 0.89 730MBO aut. 3.37 0.92 3286 3.38 0.92 3825HBO/WO all. 3.52 0.93 262 3.56 0.92 421HBO/WO aut. 3.51 0.92 3180 3.52 0.92 3494Groep 8LBO all. 3.27 0.91 483 3.28 0.93 1080LBO aut. 3.27 0.92 926 3.26 0.94 1313MBO all. 3.48 0.93 357 3.46 0.93 636MBO aut. 3.45 0.93 3180 3.45 0.93 3681HBO/WO all. 3.70 0.91 207 3.65 0.91 345HBO/WO aut. 3.69 0.88 2756 3.68 0.89 304156
    • Tabel 7.8 – Schaalscores ‘populariteit in de klas’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.59 0.69 420 3.55 0.70 932LBO aut. 3.65 0.73 736 3.62 0.72 1083MBO all. 3.68 0.74 394 3.64 0.73 710MBO aut. 3.80 0.72 2975 3.80 0.72 3526HBO/WO all. 3.62 0.72 288 3.61 0.71 467HBO/WO aut. 3.86 0.70 2911 3.86 0.70 3244Groep 5LBO all. 3.43 0.73 510 3.46 0.75 1094LBO aut. 3.45 0.81 840 3.45 0.82 1218MBO all. 3.54 0.74 418 3.53 0.77 727MBO aut. 3.62 0.78 3278 3.62 0.79 3816HBO/WO all. 3.57 0.76 261 3.59 0.78 420HBO/WO aut. 3.69 0.80 3169 3.69 0.81 3482Groep 8LBO all. 3.57 0.76 483 3.59 0.74 1075LBO aut. 3.53 0.85 923 3.55 0.85 1310MBO all. 3.65 0.75 357 3.64 0.73 635MBO aut. 3.67 0.82 3175 3.66 0.82 3674HBO/WO all. 3.67 0.80 206 3.63 0.80 344HBO/WO aut. 3.77 0.81 2751 3.76 0.80 3036 57
    • Tabel 7.9 – Schaalscores ‘relatie leerkracht-leerling, afhankelijkheid’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 2.32 0.71 429 2.31 0.72 951LBO aut. 2.31 0.77 747 2.33 0.77 1098MBO all. 2.24 0.75 397 2.25 0.77 716MBO aut. 2.15 0.77 3006 2.16 0.77 3565HBO/WO all. 2.22 0.76 297 2.20 0.77 476HBO/WO aut. 2.07 0.74 2948 2.07 0.74 3286Groep 5LBO all. 2.25 0.85 515 2.25 0.83 1106LBO aut. 2.30 0.87 853 2.29 0.87 1234MBO all. 2.27 0.87 425 2.24 0.86 738MBO aut. 2.16 0.83 3314 2.17 0.84 3860HBO/WO all. 2.13 0.78 264 2.11 0.78 423HBO/WO aut. 2.03 0.82 3210 2.03 0.82 3525Groep 8LBO all. 2.14 0.85 488 2.22 0.84 1090LBO aut. 2.14 0.86 940 2.15 0.87 1334MBO all. 1.97 0.82 361 2.05 0.83 640MBO aut. 1.99 0.82 3209 1.99 0.82 3714HBO/WO all. 1.83 0.71 214 1.91 0.76 353HBO/WO aut. 1.83 0.77 2772 1.84 0.78 305858
    • Tabel 7.10 – Schaalscores ‘relatie leerkracht-leerling, conflict’, naar sociaal-etni-sche achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 1.88 0.80 431 1.89 0.79 954LBO aut. 1.80 0.77 745 1.82 0.80 1097MBO all. 1.86 0.81 400 1.88 0.82 720MBO aut. 1.69 0.74 3007 1.70 0.74 3563HBO/WO all. 1.74 0.76 297 1.77 0.76 477HBO/WO aut. 1.65 0.71 2948 1.65 0.71 3286Groep 5LBO all. 1.85 0.89 515 1.86 0.90 1107LBO aut. 1.78 0.83 853 1.80 0.86 1235MBO all. 1.92 0.85 425 1.87 0.84 738MBO aut. 1.70 0.79 3310 1.70 0.80 3855HBO/WO all. 1.80 0.81 262 1.76 0.82 421HBO/WO aut. 1.63 0.76 3204 1.62 0.75 3518Groep 8LBO all. 1.85 0.82 488 1.90 0.85 1091LBO aut. 1.79 0.89 940 1.79 0.88 1332MBO all. 1.75 0.80 362 1.76 0.80 641MBO aut. 1.68 0.81 3207 1.68 0.80 3713HBO/WO all. 1.64 0.74 213 1.64 0.74 352HBO/WO aut. 1.57 0.72 2772 1.58 0.73 3059 59
    • Tabel 7.11 – Schaalscores ‘relatie leerkracht-leerling, nabijheid’, naar sociaal-etni-sche achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.73 0.61 431 3.75 0.62 952LBO aut. 3.83 0.61 746 3.83 0.59 1098MBO all. 3.78 0.58 400 3.80 0.61 719MBO aut. 3.92 0.59 2997 3.92 0.58 3553HBO/WO all. 3.76 0.63 295 3.78 0.63 475HBO/WO aut. 3.95 0.59 2945 3.96 0.59 3283Groep 5LBO all. 3.61 0.62 514 3.62 0.63 1106LBO aut. 3.65 0.60 852 3.67 0.61 1232MBO all. 3.63 0.61 424 3.66 0.62 737MBO aut. 3.68 0.62 3311 3.69 0.62 3858HBO/WO all. 3.51 0.71 263 3.55 0.69 422HBO/WO aut. 3.72 0.62 3206 3.73 0.62 3520Groep 8LBO all. 3.41 0.70 488 3.43 0.73 1089LBO aut. 3.56 0.72 940 3.55 0.70 1331MBO all. 3.46 0.68 360 3.50 0.68 638MBO aut. 3.57 0.66 3204 3.58 0.67 3710HBO/WO all. 3.50 0.73 214 3.54 0.73 353HBO/WO aut. 3.62 0.65 2766 3.60 0.65 305160
    • Tabel 7.12 – Schaalscores ‘ouderbetrokkenheid’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 2.94 0.84 432 2.98 0.88 946LBO aut. 3.43 0.89 742 3.34 0.90 1091MBO all. 3.33 0.91 397 3.40 0.89 717MBO aut. 3.86 0.74 2996 3.85 0.75 3556HBO/WO all. 3.59 0.86 295 3.64 0.83 474HBO/WO aut. 4.10 0.67 2942 4.10 0.67 3275Groep 5LBO all. 2.95 0.86 513 3.00 0.91 1101LBO aut. 3.30 0.90 852 3.24 0.92 1232MBO all. 3.35 0.83 421 3.36 0.88 729MBO aut. 3.73 0.77 3304 3.73 0.78 3850HBO/WO all. 3.55 0.81 262 3.59 0.85 421HBO/WO aut. 3.99 0.71 3193 4.00 0.72 3506Groep 8LBO all. 2.82 0.94 487 2.89 0.95 1089LBO aut. 3.25 0.93 936 3.18 0.95 1327MBO all. 3.42 0.91 360 3.35 0.92 639MBO aut. 3.69 0.80 3198 3.69 0.81 3702HBO/WO all. 3.57 0.91 214 3.60 0.90 354HBO/WO aut. 4.03 0.73 2771 4.03 0.73 30577.3 Gezin, zorg en onderwijskundige bijzonderheden7.3.1 GezinNaast de drie items die opgenomen zijn in de eerder besproken schaal ouderbetrok-kenheid, zijn nog twee vragen gesteld die betrekking hebben op het gezin. Dat betreftallereerst het item ‘in dit gezin zijn veel problemen’ (1 = beslist onwaar … 5 = beslistwaar), waarvan eerder is aangegeven dat het niet tot de schaal ouderbetrokkenheidbehoort. En verder is gevraagd of de ouders van het kind gescheiden (of bijna ge-scheiden) zijn.In Tabel 7.13 – 7.15 geven we een overzicht van de antwoorden, eerst alleen uitge-splitst naar steekproef en groep, en vervolgens ook nog naar sociaal-etnische her-komst. 61
    • Tabel 7.13 – Schaalscores ‘gezin’Referentiesteekproef groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd nin dit gezin zijn veel problemen 2.02 1.00 8252 2.14 0.99 9013 2.06 1.00 8379 % ja aantal n % ja aantal n % ja aantal nouders gescheiden 12.8 1045 8154 16.3 1453 8921 19.4 1614 8336Totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd nin dit gezin zijn veel problemen 2.09 1.01 10592 2.18 1.01 11356 2.13 1.02 10628 % ja aantal n % ja aantal n % ja aantal nouders gescheiden 13.9 1459 10470 17.5 1963 11234 20.6 2181 10564Tabel 7.14 – Scores ‘gezin veel problemen’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 2.50 1.02 426 2.49 1.02 936LBO aut. 2.49 1.19 738 2.57 1.18 1089MBO all. 2.33 1.00 394 2.33 0.98 709MBO aut. 1.98 0.98 2979 2.02 0.99 3529HBO/WO all. 2.17 0.92 293 2.13 0.89 471HBO/WO aut. 1.81 0.86 2925 1.83 0.87 3258Groep 5LBO all. 2.51 0.99 512 2.48 1.01 1096LBO aut. 2.54 1.15 848 2.57 1.14 1226MBO all. 2.32 0.88 421 2.29 0.92 728MBO aut. 2.14 0.99 3283 2.16 1.01 3828HBO/WO all. 2.17 0.87 260 2.10 0.93 418HBO/WO aut. 1.96 0.92 3179 1.96 0.93 3492Groep 8LBO all. 2.36 0.97 484 2.43 0.97 1083LBO aut. 2.40 1.10 935 2.50 1.14 1324MBO all. 2.24 0.93 359 2.34 0.96 637MBO aut. 2.08 1.00 3188 2.10 1.01 3693HBO/WO all. 2.15 1.05 207 2.11 0.97 346HBO/WO aut. 1.85 0.92 2762 1.88 0.93 304862
    • Tabel 7.15 – Scores ‘gescheiden ouders’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef % ja aantal n % ja aantal nGroep 2LBO all. 19.2 81 422 16.1 149 925LBO aut. 21.8 158 726 25.3 271 1070MBO all. 18.8 73 388 15.8 111 702MBO aut. 13.2 387 2938 14.1 492 3489HBO/WO all. 10.6 31 293 9.8 46 470HBO/WO aut. 8.6 248 2895 9.2 298 3227Groep 5LBO all. 11.7 58 494 14.5 154 1059LBO aut. 26.7 225 842 29.4 357 1215MBO all. 19.9 82 413 19.5 139 712MBO aut. 16.4 536 3261 17.5 665 3801HBO/WO all. 9.4 24 254 10.3 42 408HBO/WO aut. 13.0 409 3157 13.6 472 3470Groep 8LBO all. 18.0 86 478 19.8 210 1063LBO aut. 25.5 237 931 28.3 375 1323MBO all. 19.4 69 355 23.3 147 630MBO aut. 19.6 619 3164 20.7 759 3668HBO/WO all. 22.0 46 209 17.9 62 346HBO/WO aut. 16.4 450 2746 16.9 511 30287.3.2 ZorgAls volgende onderdeel wordt in het leerlingprofiel gevraagd of er sprake is vanspeciale zorg voor de betreffende leerling. Er wordt gevraagd naar de volgende situa-ties:• is er voor dit kind een ‘Rugzak’ beschikbaar?• wordt er voor dit kind ambulante begeleiding gegeven vanuit het speciaal onder- wijs?• loopt voor dit kind een procedure tot plaatsing in het speciaal onderwijs?• is er voor dit kind een handelingsplan opgesteld?• volgt het kind een eigen leerlijn?Op deze vragen kon geantwoord worden met ‘ja’, ‘nee’ of ‘weet niet’.Uit de voorgaande vijf vragen naar verschillende ‘zorgsituaties’ is nog een nieuwevariabele ‘zorgleerling’ geconstrueerd. Een leerling wordt een zorgleerling genoemdals op ten minste één van de genoemde vragen met ‘ja’ is geantwoord. 63
    • In Tabel 7.16 – 7.22 geven we het percentage leerlingen waarvoor deze vragen met‘ja’ zijn beantwoord. (De antwoordcategorie ‘weet niet’ laten we daarbij buiten be-schouwing; deze wordt, net als niets is ingevuld, als ‘missing value’ beschouwd.)Eerst weer uitgesplitst naar steekproef en groep, en daarna ook nog naar sociaal-etnische achtergrond.Tabel 7.16 – Schaalscores ‘zorg’Referentiesteekproef groep 2 groep 5 groep 8 % ja aantal n % ja aantal n % ja aantal nrugzak 1.0 79 8151 2.0 179 8997 2.3 195 8397ambulante begeleiding 1.3 104 8233 2.3 207 9026 1.8 153 8417procedure plaatsing SBO 0.8 66 8226 0.8 72 9024 1.0 83 8409handelingsplan 20.7 1705 8221 33.1 2975 8992 23.5 1970 8380eigen leerlijn 3.2 265 8222 5.3 479 9010 8.5 710 8392zorgleerling 21.5 1797 8363 33.8 3082 9127 25.0 2116 8480Totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 % ja aantal n % ja aantal n % ja aantal nrugzak 1.0 103 10469 2.0 223 11333 2.2 229 10630ambulante begeleiding 1.2 130 10578 2.2 251 11379 1.6 174 10655procedure plaatsing SBO 1.0 109 10554 0.8 94 11371 1.1 113 10653handelingsplan 22.7 2401 10564 32.6 3693 11333 23.5 2498 10612eigen leerlijn 3.3 345 10540 5.4 617 11359 8.8 935 10629zorgleerling 23.3 2511 10753 33.4 3844 11515 25.1 2704 1075464
    • Tabel 7.17 – Scores ‘Rugzak’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef % ja aantal n % ja aantal nGroep 2LBO all. 1.4 6 420 1.1 10 927LBO aut. 1.8 13 724 1.6 17 1064MBO all. 2.1 8 387 1.6 11 702MBO aut. 0.8 24 2952 0.8 28 3496HBO/WO all. 1.0 3 287 1.1 5 462HBO/WO aut. 0.8 24 2909 0.9 29 3244Groep 5LBO all. 2.3 12 511 2.1 23 1092LBO aut. 2.6 22 845 2.3 28 1220MBO all. 1.7 7 422 1.4 10 726MBO aut. 2.1 70 3272 2.2 85 3809HBO/WO all. 1.1 3 264 1.2 5 419HBO/WO aut. 1.8 58 3172 1.8 64 3485Groep 8LBO all. 1.0 5 481 0.8 9 1079LBO aut. 2.7 25 932 2.7 35 1320MBO all. 0.8 3 359 0.9 6 636MBO aut. 2.9 91 3187 2.7 98 3682HBO/WO all. 0.9 2 214 1.7 6 354HBO/WO aut. 1.9 52 2759 1.9 58 3041 65
    • Tabel 7.18 – Scores ‘ambulante begeleiding’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef % ja aantal n % ja aantal nGroep 2LBO all. 2.1 9 426 1.7 16 940LBO aut. 2.7 20 740 2.4 26 1086MBO all. 2.3 9 396 1.5 11 714MBO aut. 0.7 22 2978 0.7 26 3528HBO/WO all. 1.4 4 293 1.1 5 472HBO/WO aut. 1.2 35 2921 1.2 39 3254Groep 5LBO all. 2.1 11 514 2.0 22 1101LBO aut. 2.8 24 848 2.5 30 1224MBO all. 1.6 7 425 1.5 11 731MBO aut. 2.5 81 3287 2.5 95 3826HBO/WO all. 1.9 5 264 1.4 6 423HBO/WO aut. 2.0 65 3176 2.1 73 3491Groep 8LBO all. 0.2 1 484 0.6 6 1082LBO aut. 2.2 21 936 2.0 27 1322MBO all. 0.8 3 359 0.6 4 635MBO aut. 2.3 73 3196 2.1 77 3698HBO/WO all. 0.9 2 213 0.9 3 352HBO/WO aut. 1.6 43 2764 1.5 47 304866
    • Tabel 7.19 – Scores ‘procedure plaatsing SBO’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef % ja aantal n % ja aantal nGroep 2LBO all. 2.6 11 426 2.6 24 935LBO aut. 2.0 15 733 2.3 25 1077MBO all. 0.8 3 394 1.1 8 709MBO aut. 0.7 20 2976 0.7 26 3520HBO/WO all. 1.0 3 290 1.3 6 468HBO/WO aut. 0.3 9 2926 0.4 12 3259Groep 5LBO all. 2.5 13 511 1.8 20 1100LBO aut. 1.3 11 848 1.4 17 1222MBO all. 1.4 6 425 1.5 11 732MBO aut. 0.7 22 3286 0.7 25 3822HBO/WO all. 0.8 2 265 0.5 2 424HBO/WO aut. 0.4 12 3179 0.3 12 3491Groep 8LBO all. 0.8 4 481 1.3 14 1082LBO aut. 1.7 16 934 2.0 27 1321MBO all. 0.0 0 357 0.2 1 632MBO aut. 0.9 29 3197 1.0 36 3698HBO/WO all. 0.0 0 211 0.3 1 351HBO/WO aut. 1.0 27 2764 0.9 27 3051 67
    • Tabel 7.20 – Scores ‘handelingsplan’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef % ja aantal n % ja aantal nGroep 2LBO all. 39.4 167 424 38.8 365 940LBO aut. 32.5 240 739 33.6 364 1084MBO all. 32.2 127 395 31.5 224 710MBO aut. 19.9 591 2972 20.6 724 3521HBO/WO all. 27.6 79 286 27.2 126 464HBO/WO aut. 14.6 427 2920 15.0 488 3256Groep 5LBO all. 40.0 205 512 35.5 390 1098LBO aut. 40.5 341 842 39.2 476 1215MBO all. 34.7 146 421 30.7 223 726MBO aut. 34.3 1124 3275 34.2 1306 3813HBO/WO all. 28.4 75 264 27.2 114 419HBO/WO aut. 28.7 910 3166 28.4 989 3479Groep 8LBO all. 34.2 165 482 30.5 328 1075LBO aut. 34.5 320 928 34.0 447 1313MBO all. 23.5 84 357 21.9 139 635MBO aut. 24.6 781 3178 24.0 884 3678HBO/WO all. 18.9 40 212 19.3 68 352HBO/WO aut. 17.0 469 2758 16.9 514 304168
    • Tabel 7.21 – Scores ‘eigen leerlijn’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef % ja aantal n % ja aantal nGroep 2LBO all. 6.6 28 427 5.3 50 938LBO aut. 4.6 34 740 4.9 53 1079MBO all. 4.9 19 390 4.0 28 703MBO aut. 2.2 64 2973 2.3 80 3516HBO/WO all. 3.8 11 290 3.0 14 468HBO/WO aut. 2.9 84 2913 2.8 91 3244Groep 5LBO all. 5.7 29 511 6.8 75 1096LBO aut. 5.7 48 843 5.9 72 1221MBO all. 5.6 24 425 5.3 39 730MBO aut. 4.5 148 3279 4.4 169 3820HBO/WO all. 3.8 10 264 3.3 14 422HBO/WO aut. 5.9 187 3179 6.0 209 3490Groep 8LBO all. 17.7 85 480 14.8 159 1077LBO aut. 14.2 132 931 14.3 188 1319MBO all. 10.6 38 357 9.2 58 632MBO aut. 8.0 256 3189 7.9 292 3690HBO/WO all. 5.6 12 213 6.2 22 353HBO/WO aut. 5.1 141 2758 5.3 162 3041 69
    • Tabel 7.22 – Scores ‘zorgleerling’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef % ja aantal n % ja aantal nGroep 2LBO all. 39.4 171 434 38.4 369 960LBO aut. 32.9 247 751 33.7 373 1106MBO all. 32.6 131 402 32.1 232 723MBO aut. 20.3 612 3021 21.0 753 3585HBO/WO all. 27.5 82 298 27.2 130 478HBO/WO aut. 15.7 464 2955 16.0 528 3294Groep 5LBO all. 40.2 208 518 36.3 403 1110LBO aut. 40.7 350 859 39.3 489 1243MBO all. 34.7 148 426 31.3 231 739MBO aut. 34.7 1154 3323 34.7 1343 3873HBO/WO all. 29.3 78 266 28.4 121 426HBO/WO aut. 29.8 959 3221 29.6 1049 3539Groep 8LBO all. 36.8 180 489 32.1 351 1093LBO aut. 35.9 339 944 36.6 491 1342MBO all. 25.6 93 363 23.6 152 643MBO aut. 25.8 831 3221 25.3 943 3733HBO/WO all. 19.6 42 214 20.1 71 354HBO/WO aut. 18.3 508 2779 18.4 564 30667.3.3 Onderwijskundige bijzonderhedenIn het leerlingprofiel wordt vervolgens nog een aantal vragen over onderwijskundigebijzonderheden gesteld. Ze komen hierna achtereenvolgens aan bod.De eerste vraag was of de leerling aanspreekbaar is in het Nederlands. Daarop kongeantwoord worden met: (1) zeer slecht, (2) slecht, (3) matig, (4) goed, en (5) zeergoed. Vervolgens werd een vraag gesteld naar het AVI-niveau waarop de leerlingleest. Daarbij kon gekozen worden uit de oude AVI-indeling (niveau 1 tot en metniveau 9) of de nieuwe AVI-indeling (Start, M3, E3 ….. M7, E7, Plus; gescoord als 1,2, 3 ….. 10, 11, 12). Voor het overgrote deel van de leerlingen uit groep 2 is dezevraag (nog) niet relevant. We laten groep 2 dan ook verder buiten beschouwing.De volgende vraag betrof de meest waarschijnlijke VO-keuze. Hierbij kon gekozenworden tussen (1) VMBO-beroepsgericht, (2) VMBO-theoretisch, (3) HAVO, en (4)VWO. Bij twijfel tussen twee antwoorden konden ook beide antwoorden wordenaangekruist. Deze zijn als tussenliggende waarden gescoord; bijvoorbeeld: HAVO énVWO aangekruist krijgt de waarde 3.5 op de variabele waarschijnlijke VO-keuze.70
    • In Tabel 7.23 – 7.26 volgen de uitsplitsingen naar steekproef en groep, en dan verderook nog naar sociaal-etnische achtergrond.Tabel 7.23 – Schaalscores ‘onderwijskundige bijzonderheden’Referentiesteekproef groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd naanspreekbaar in het Nederlands 4.48 0.64 8042 4.53 0.58 8886 4.63 0.53 8299oude AVI niveau - - - 7.23 1.72 1808 8.92 0.38 4010nieuwe AVI-niveau - - - 7.37 2.29 6459 11.56 1.32 4383meest waarschijnlijke VO-keuze 2.50 0.93 6060 2.44 0.94 8441 2.45 1.04 8304Totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd naanspreekbaar in het Nederlands 4.42 0.68 10325 4.48 0.61 11172 4.59 0.55 10515oude AVI niveau - - - 7.17 1.74 2170 8.90 0.43 4942nieuwe AVI-niveau - - - 7.33 2.24 8379 11.55 1.28 5837meest waarschijnlijke VO-keuze 2.44 0.93 7834 2.39 0.94 10679 2.39 1.04 10503 71
    • Tabel 7.24 – Scores ‘aanspreekbaar in het Nederlands’, naar sociaal-etnische ach-tergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.70 0.84 414 3.73 0.78 909LBO aut. 4.32 0.66 726 4.29 0.68 1064MBO all. 4.01 0.74 379 4.00 0.73 685MBO aut. 4.55 0.55 2919 4.54 0.56 3461HBO/WO all. 4.06 0.72 287 4.05 0.73 464HBO/WO aut. 4.67 0.51 2843 4.66 0.51 3173Groep 5LBO all. 3.91 0.66 502 3.94 0.63 1066LBO aut. 4.44 0.61 844 4.42 0.62 1213MBO all. 4.11 0.65 411 4.09 0.64 709MBO aut. 4.57 0.54 3230 4.56 0.54 3758HBO/WO all. 4.26 0.64 255 4.22 0.62 413HBO/WO aut. 4.69 0.49 3143 4.69 0.49 3455Groep 8LBO all. 4.09 0.59 479 4.11 0.57 1070LBO aut. 4.48 0.56 920 4.47 0.58 1300MBO all. 4.32 0.61 350 4.32 0.59 626MBO aut. 4.65 0.51 3153 4.65 0.51 3652HBO/WO all. 4.41 0.63 207 4.42 0.60 342HBO/WO aut. 4.79 0.42 2737 4.78 0.42 301972
    • Tabel 7.25a – Scores ‘oude AVI-niveau’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 5LBO all. 6.78 1.78 96 6.80 1.77 199LBO aut. 7.06 1.81 159 6.90 1.83 222MBO all. 6.66 1.87 67 6.85 1.79 108MBO aut. 7.21 1.70 661 7.17 1.72 743HBO/WO all. 7.26 1.90 43 7.40 1.79 68HBO/WO aut. 7.40 1.69 722 7.37 1.70 763Groep 8LBO all. 8.83 0.72 193 8.82 0.63 489LBO aut. 8.84 0.53 464 8.84 0.54 627MBO all. 8.93 0.32 121 8.89 0.37 247MBO aut. 8.92 0.38 1620 8.91 0.43 1798HBO/WO all. 8.96 0.27 69 8.90 0.38 135HBO/WO aut. 8.96 0.26 1345 8.95 0.28 1441Tabel 7.25b – Scores ‘nieuwe AVI-niveau’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 5LBO all. 6.79 2.17 371 6.86 2.07 822LBO aut. 6.96 2.11 629 7.00 2.10 942MBO all. 7.60 2.35 318 7.40 2.22 546MBO aut. 7.14 2.19 2352 7.14 2.16 2814HBO/WO all. 7.52 2.49 182 7.54 2.32 315HBO/WO aut. 7.74 2.30 2266 7.74 2.30 2544Groep 8LBO all. 11.59 0.95 291 11.54 1.07 668LBO aut. 11.46 1.34 467 11.42 1.38 703MBO all. 11.63 1.12 227 11.58 1.17 427MBO aut. 11.46 1.55 1521 11.48 1.48 1851HBO/WO all. 11.59 1.61 143 11.55 1.45 229HBO/WO aut. 11.66 1.15 1430 11.67 1.11 1610 73
    • Tabel 7.26 – Scores ‘waarschijnlijke VO-keuze’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 1.83 0.82 306 1.88 0.83 683LBO aut. 1.88 0.83 553 1.87 0.81 827MBO all. 2.14 0.87 283 2.13 0.88 515MBO aut. 2.38 0.88 2183 2.38 0.88 2595HBO/WO all. 2.42 0.91 207 2.40 0.91 343HBO/WO aut. 2.88 0.83 2185 2.88 0.83 2448Groep 5LBO all. 1.89 0.87 447 1.92 0.86 992LBO aut. 1.99 0.89 796 1.96 0.87 1165MBO all. 2.15 0.87 386 2.15 0.89 662MBO aut. 2.32 0.89 3082 2.32 0.89 3613HBO/WO all. 2.44 0.89 237 2.42 0.91 389HBO/WO aut. 2.78 0.89 2999 2.79 0.89 3308Groep 8LBO all. 1.75 0.82 480 1.82 0.89 1064LBO aut. 1.83 0.89 912 1.83 0.89 1295MBO all. 2.18 0.94 348 2.13 0.98 622MBO aut. 2.30 0.99 3159 2.30 0.99 3653HBO/WO all. 2.64 1.01 211 2.59 1.02 343HBO/WO aut. 2.95 0.93 2737 2.93 0.94 3015Tot slot werd nog gevraagd of het kind behoorde tot een speciale categorie, bijvoor-beeld asielzoekers. Tabel 7.27 geeft de percentages weer.74
    • Tabel 7.27 – Speciale categorieën kinderen (in %)Referentiesteekproef groep 2 groep 5 groep 8 nn.v.t. 97.7 98.2 98.6 21517schipperskinderen 0.4 0.5 0.2 85woonwagen / zigeunerkinderen 0.5 0.2 0.4 72asielzoekerskinderen 1.2 0.9 0.6 200Molukse bevolkingsgroep 0.2 0.2 0.1 41 100.0 100.0 100.0 21915Totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 nn.v.t. 97.6 98.2 98.6 27220schipperskinderen 0.3 0.4 0.2 88woonwagen / zigeunerkinderen 0.4 0.2 0.4 84asielzoekerskinderen 1.4 1.0 0.7 286Molukse bevolkingsgroep 0.3 0.2 0.1 60 100.0 100.0 100.0 277387.4 KarakterAls laatste wordt in het leerlingprofiel gevraagd om kort enkele karaktertrekken vande leerling, gebaseerd op de vijf dimensies van de Five Factor Personality Inventory(Hendriks, 1997), te scoren. Op een 5-puntsschaal kan de leerkracht het kind typerentussen de polen:• extravert versus introvert• onverdraagzaam versus verdraagzaam• ordelijk versus niet-ordelijk• emotioneel versus niet-emotioneel• autonoom, onafhankelijk versus niet-autonoom, volgzaam.Het middelste punt van de 5-puntsschaal wordt op het profiel aangeduid met: ‘tussen-in’. Een score onder de 3 betekent hier dus, bijvoorbeeld, meer extravert dan intro-vert; en een score ver boven de 3 betekent: duidelijk meer verdraagzaam dan onver-draagzaam.In Tabel 7.28 - 7.33 geven we de gemiddelden voor de vijf karaktertrekken weer,eerst weer onderverdeeld naar steekproef en groep, en dan nog verder naar sociaal-etnische herkomst. 75
    • Tabel 7.28 – Schaalscores ‘karakter’Referentiesteekproef groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd nextravert vs. introvert 2.42 1.15 8288 2.56 1.17 9072 2.55 1.18 8430onverdraagzaam vs. verdraagzaam 3.53 1.11 8294 3.52 1.12 9069 3.62 1.05 8427ordelijk vs. niet-ordelijk 2.68 1.05 8281 2.85 1.13 9058 2.74 1.10 8426emotioneel vs. niet-emotioneel 2.93 1.03 8286 2.88 1.01 9067 2.97 1.00 8428autonoom, onafh. vs. niet-autonoom, volgz. 2.74 1.02 8235 2.76 0.98 9030 2.64 1.03 8400Totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd nextravert vs. introvert 2.43 1.15 10652 2.56 1.18 11441 2.55 1.18 10692onverdraagzaam vs. verdraagzaam 3.51 1.12 10660 3.51 1.13 11434 3.59 1.07 10689ordelijk vs. niet-ordelijk 2.69 1.04 10643 2.85 1.14 11420 2.76 1.11 10688emotioneel vs. niet-emotioneel 2.93 1.03 10651 2.89 1.02 11432 2.95 1.01 10691autonoom, onafh. vs. niet-autonoom, volgz. 2.75 1.02 10603 2.76 0.99 11391 2.65 1.03 1066976
    • Tabel 7.29 – Scores ‘extravert vs. introvert’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 2.54 1.19 432 2.56 1.18 951LBO aut. 2.46 1.12 741 2.41 1.14 1089MBO all. 2.53 1.18 399 2.49 1.18 720MBO aut. 2.37 1.13 2996 2.37 1.12 3553HBO/WO all. 2.62 1.21 295 2.59 1.21 473HBO/WO aut. 2.40 1.15 2928 2.39 1.15 3265Groep 5LBO all. 2.63 1.13 512 2.58 1.16 1100LBO aut. 2.52 1.18 854 2.54 1.19 1230MBO all. 2.53 1.13 426 2.52 1.17 739MBO aut. 2.51 1.17 3306 2.53 1.18 3853HBO/WO all. 2.81 1.20 264 2.72 1.20 423HBO/WO aut. 2.59 1.18 3197 2.60 1.18 3512Groep 8LBO all. 2.58 1.23 488 2.57 1.19 1091LBO aut. 2.56 1.18 939 2.57 1.19 1333MBO all. 2.51 1.20 360 2.52 1.16 639MBO aut. 2.55 1.17 3198 2.55 1.17 3705HBO/WO all. 2.54 1.23 214 2.52 1.23 354HBO/WO aut. 2.55 1.18 2766 2.56 1.18 3052 77
    • Tabel 7.30 – Scores ‘onverdraagzaam vs. verdraagzaam’, naar sociaal-etnischeachtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.35 1.16 431 3.39 1.15 952LBO aut. 3.43 1.12 743 3.37 1.14 1092MBO all. 3.41 1.18 399 3.40 1.16 719MBO aut. 3.50 1.12 2994 3.51 1.11 3550HBO/WO all. 3.47 1.09 297 3.44 1.10 475HBO/WO aut. 3.62 1.08 2932 3.61 1.09 3269Groep 5LBO all. 3.39 1.20 512 3.40 1.20 1099LBO aut. 3.31 1.13 854 3.30 1.16 1230MBO all. 3.27 1.14 426 3.34 1.17 737MBO aut. 3.51 1.10 3302 3.50 1.10 3848HBO/WO all. 3.46 1.17 265 3.43 1.22 424HBO/WO aut. 3.64 1.10 3197 3.65 1.10 3512Groep 8LBO all. 3.40 1.12 487 3.40 1.13 1089LBO aut. 3.49 1.10 939 3.46 1.10 1332MBO all. 3.59 1.11 360 3.54 1.11 639MBO aut. 3.58 1.04 3198 3.57 1.05 3706HBO/WO all. 3.55 1.06 213 3.60 1.08 353HBO/WO aut. 3.75 1.02 2765 3.74 1.02 305278
    • Tabel 7.31 – Scores ‘ordelijk vs. niet-ordelijk’, sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 2.84 1.09 430 2.77 1.06 950LBO aut. 2.96 1.05 741 2.99 1.02 1087MBO all. 2.75 1.05 398 2.70 1.02 718MBO aut. 2.68 1.04 2990 2.69 1.04 3547HBO/WO all. 2.73 1.02 295 2.70 1.04 472HBO/WO aut. 2.57 1.04 2929 2.57 1.04 3266Groep 5LBO all. 2.80 1.13 511 2.82 1.12 1097LBO aut. 3.09 1.13 853 3.06 1.14 1229MBO all. 2.86 1.05 425 2.80 1.09 737MBO aut. 2.88 1.12 3303 2.89 1.13 3847HBO/WO all. 2.72 1.17 264 2.70 1.16 423HBO/WO aut. 2.79 1.15 3191 2.78 1.15 3505Groep 8LBO all. 2.77 1.06 486 2.79 1.07 1087LBO aut. 2.95 1.05 938 2.96 1.08 1333MBO all. 2.66 1.10 360 2.67 1.09 638MBO aut. 2.82 1.10 3197 2.83 1.11 3706HBO/WO all. 2.55 1.05 214 2.55 1.07 354HBO/WO aut. 2.61 1.11 2766 2.62 1.12 3052 79
    • Tabel 7.32 – Scores ‘emotioneel vs. niet-emotioneel’, naar sociaal-etnische achter-grond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.01 1.01 429 2.97 1.02 949LBO aut. 2.84 0.99 741 2.84 0.99 1090MBO all. 3.04 1.01 398 2.97 1.05 718MBO aut. 2.90 1.03 2993 2.90 1.03 3550HBO/WO all. 2.97 0.95 296 2.96 0.99 473HBO/WO aut. 2.97 1.04 2932 2.97 1.03 3269Groep 5LBO all. 2.92 0.98 512 2.98 1.01 1100LBO aut. 2.83 1.02 854 2.83 1.03 1230MBO all. 2.91 0.98 424 2.97 1.04 736MBO aut. 2.86 1.01 3302 2.86 1.02 3846HBO/WO all. 2.96 0.95 264 3.02 0.95 423HBO/WO aut. 2.91 1.03 3198 2.89 1.04 3513Groep 8LBO all. 2.96 0.94 486 2.93 0.99 1090LBO aut. 2.85 1.00 939 2.86 1.02 1334MBO all. 3.13 1.02 360 3.08 1.01 639MBO aut. 2.91 1.00 3198 2.89 1.01 3704HBO/WO all. 3.12 0.92 214 3.06 0.97 354HBO/WO aut. 3.04 1.01 2766 3.04 1.02 305280
    • Tabel 7.33 – Scores ‘autonoom, onafhankelijk vs. niet-autonoom, volgzaam’, naarsociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 2.98 1.03 425 2.96 1.04 945LBO aut. 3.07 1.01 735 3.05 1.02 1085MBO all. 2.90 1.05 397 2.85 1.03 718MBO aut. 2.77 1.02 2968 2.77 1.03 3525HBO/WO all. 2.75 0.97 297 2.72 0.97 474HBO/WO aut. 2.58 0.98 2915 2.57 0.98 3253Groep 5LBO all. 3.00 1.03 506 2.93 1.01 1091LBO aut. 3.03 0.96 851 2.99 0.99 1227MBO all. 2.88 0.94 419 2.82 0.99 728MBO aut. 2.81 0.96 3295 2.79 0.97 3841HBO/WO all. 2.89 0.99 261 2.79 1.02 420HBO/WO aut. 2.57 0.96 3185 2.56 0.96 3500Groep 8LBO all. 2.91 1.11 487 2.89 1.08 1091LBO aut. 2.94 1.02 937 2.90 1.04 1333MBO all. 2.61 1.09 360 2.64 1.06 639MBO aut. 2.72 0.99 3180 2.72 1.00 3690HBO/WO all. 2.54 1.06 212 2.51 1.03 352HBO/WO aut. 2.40 0.98 2759 2.40 0.98 3046 81
    • 8 Het zorgprofiel8.1 Procedure en responsIn deze tweede meting van het COOL5-18-onderzoek is voor het eerst bij de regulieredataverzameling het zogenoemde zorgprofiel opgenomen. Dit instrument is eerdergebruikt bij de laatste meting van het PRIMA-cohortonderzoek, toen in het kader vaneen specifiek thema ‘Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het regulierebasisonderwijs’ (zie Smeets e.a., 2007). Na de eerste meting van COOL5-18 is beslo-ten om een schooljaar later alsnog, in een aanvullende ronde, het zorgprofiel af tenemen op de COOL-scholen (zie Mulder, Van der Hoeven-Van Doornum & Roele-veld, 2009).In de huidige meting is het instrument in de reguliere dataverzameling opgenomen. Inde maand mei kregen alle leerkrachten een brief met het verzoek om, via een specialecode, in te loggen op een webpagina. Daarin stonden de namen van de leerlingen uithun klas. Van elke leerling kon worden aangegeven of de betreffende leerling eenzorgleerling was. Indien dat het geval was moesten een aantal verdere vragen metbetrekking tot de zorgproblematiek van die leerling worden beantwoord (zie verderopvoor details).Er zijn leerkrachten van uiteindelijk 474 scholen benaderd; een aantal scholen hadaangegeven geen extra werk meer voor het onderzoek te willen verrichten. Op 54scholen (11.4%) heeft geen enkele leerkracht gereageerd; op de overige scholen heeftten minste één leerkracht gerespondeerd. Er zijn in totaal 2246 leerkrachten benaderdvoor het zorgprofiel. Daarvan hebben er 1634 (72.8%) gereageerd; in de referen-tiesteekproef is de respons nagenoeg hetzelfde (72.6%). Bij leerkrachten van groep 8is de respons een fractie lager (71.4%) dan bij leerkrachten van de groepen 2 en 5(resp. 72.9% en 73.7%).Of er sprake is van selectieve uitval hebben we gecontroleerd door de feitelijke verde-ling naar sociaal-etnische achtergrond van alle leerlingen af te zetten tegen de achter-grond van de leerlingen, waarvan de leerkracht heeft gerespondeerd. De resultatenstaan in Tabel 8.1, waarbij we een uitsplitsing maken naar de referentie- en totalesteekproef. 83
    • Tabel 8.1 – Respons op de zorgprofielen; verdeling sociaal-etnische achtergrondbinnen het totaalbestand en binnen het zorgprofielbestand (in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal respons profiel totaal respons profielLBO all. 5.8 5.9 10.2 9.7LBO aut. 10.4 11.1 12.0 12.2MBO all. 4.7 4.8 6.8 6.3MBO aut. 39.2 39.5 35.7 36.5HBO/WO all. 3.1 3.0 4.0 3.6HBO/WO aut. 36.8 35.8 31.3 31.7n 26945 18609 35504 22825In de referentiesteekproef is de respons met betrekking tot autochtone leerlingen metlaagopgeleide ouders wat hoger en die met betrekking tot autochtone leerlingen methoogopgeleide ouders wat lager. Binnen de totale steekproef zien we vooral een wathogere respons met betrekking tot autochtone leerlingen met middelbaar opgeleideouders. De genoemde verschillen zijn echter niet erg groot (maximaal 1.0 procent-punt).8.2 Aandeel ZorgleerlingenVoor alle leerlingen is aan hun leerkrachten gevraagd aan te geven of het een zorg-leerling was. Daarbij werd een zorgleerling gedefinieerd als een leerling:• voor wie een individueel handelingsplan bestaat, en/of• voor wie specifieke aanpak of extra hulp nodig is, en/of• die een specifiek probleem of beperking heeft.In de referentiesteekproef gaf 12.0% van de responderende leerkrachten aan dat zijhelemaal geen zorgleerlingen in de klas hebben. In de totale steekproef is dat percen-tage vergelijkbaar (11.9%). De overige leerkrachten hebben één of meer zorgleerlin-gen in de klas.In Tabel 8.2 wordt het aandeel zorgleerlingen in de groepen 2, 5 en 8 weergegeven,onderscheiden naar steekproef. In Tabel 8.3 en 8.4 volgen dan nog nadere uitsplitsin-gen naar sociaal-etnische herkomst en het geslacht van de leerlingen.84
    • Tabel 8.2 – Aandeel zorgleerlingen groep 2 groep 5 groep 8 % aantal n % aantal n % aantal nreferentiesteekproef 19.7 1283 6517 27.1 1889 6974 21.3 1305 6124totale steekproef 21.0 1684 8001 27.3 2296 8396 21.7 1639 7543Tabel 8.3 – Aandeel zorgleerlingen, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef % aantal n % aantal nGroep 2LBO all. 32.7 106 324 33.5 231 689LBO aut. 31.4 199 634 31.5 276 875MBO all. 27.3 83 304 27.4 138 503MBO aut. 19.5 457 2343 19.9 535 2693HBO/WO all. 24.1 53 220 22.9 72 315HBO/WO aut. 14.8 339 2292 15.2 378 2485Groep 5LBO all. 34.3 131 382 32.6 245 751LBO aut. 36.2 251 694 36.1 334 924MBO all. 28.9 92 318 26.6 133 500MBO aut. 27.8 734 2642 27.9 828 2968HBO/WO all. 23.5 47 200 22.5 64 284HBO/WO aut. 23.2 556 2393 23.4 606 2588Groep 8LBO all. 24.3 93 383 24.1 188 780LBO aut. 33.2 242 729 33.9 332 979MBO all. 17.1 46 269 18.8 81 431MBO aut. 21.8 515 2363 21.8 583 2680HBO/WO all. 17.8 26 146 16.8 38 226HBO/WO aut. 16.5 325 1973 16.5 356 2154 85
    • Tabel 8.4 – Aandeel zorgleerlingen, naar geslacht referentiesteekproef totale steekproef % aantal n % aantal nGroep 2jongen 23.4 774 3304 25.2 1007 4002meisje 16.3 497 3052 17.0 637 3758Groep 5jongen 31.3 1078 3442 31.4 1302 4140meisje 23.4 784 3347 23.7 948 3995Groep 8jongen 24.1 708 2939 24.0 862 3587meisje 19.1 588 3084 19.7 741 37698.3 Kenmerken van zorgleerlingenIn deze paragraaf vervolgen we met de beschrijving van alleen de als zodanig door deleerkrachten aangemerkte zorgleerlingen. In totaal gaat het dan om 5619 leerlingen;percentages hebben steeds betrekking op deze groep van leerlingen.Voor elk van deze zorgleerling kon worden aangegeven welk probleem of beperkingdeze leerling heeft. Daartoe kon in een lijst van 38 problemen/beperkingen aangege-ven worden in welke mate de leerling deze had (onderscheiden in lichte mate, behoor-lijke mate of ernstige mate) en ook of er sprake was van een officiële diagnose. InTabel 8.5 wordt een algemeen overzicht gegeven van de voorgelegde proble-men/beperkingen en de aandelen zorgleerlingen, die het betreffende probleem in eenbepaalde mate heeft. In de laatste kolom staat het aandeel, waarvoor een officiëlediagnose van het probleem is gesteld. (Let wel: het gaat hier om percentages van hettotaal aantal zorgleerlingen; niet om percentages van het totaal aantal leerlingen in hetonderzoek.)86
    • Tabel 8.5 – Aandeel leerlingen met probleem/beperking (onderscheiden naar de matewaarin) en aandeel met een officiële diagnose (in %; n = 5619) in welke mate? officiële licht behoorlijk ernstig diagnoseBeperkingen/handicapsVisuele handicap (blind of slechtziend) 2.1 0.3 0.3 0.6Auditieve handicap (doof of slechthorend) 1.6 0.4 0.2 0.4Spraak/taalstoornis (vertraagde/verstoorde taalontwikkeling) 8.4 5.6 2.4 2.7Motorische handicap (belemmering van beweging) 4.5 1.5 0.8 1.2Andere fysieke beperking (bv. chronische ziekte, epilepsie, astma) 1.8 0.8 0.6 1.1(Zeer) moeilijk lerend (verstandelijke beperking, zwakbegaafd,Down) 3.9 2.0 0.6 1.9Dyslexie (specifieke stoornis bij lezen en schrijven) 5.4 6.7 4.9 8.6Dyscalculie (specifieke stoornis bij rekenen) 2.3 1.3 1.1 0.5Andere leerstoornis (bv. NLD, PMD, DCD, dyspraxie) * 0.8 0.5 0.2 0.7ADHD (stoornis in de aandacht; overactief gedrag) 4.1 4.4 2.9 5.2Autisme en verwante stoornissen (zoals PDD-NOS) 3.4 2.6 1.6 3.6Opstandig of antisociaal gedrag (ODD) * 3.6 2.0 0.8 0.4(Andere) psychiatrische stoornis (bv. dissociatieve stoornis, hech-tingsstoornis, angststoornis, dwanghandelingen, Gilles de laTourette) * 1.7 0.9 0.4 0.7Ontwikkeling en lerenAlgehele vertraagde ontwikkeling 17.3 10.5 3.2 3.2Achterstand in taal/lezen (resp. voorbereidend taal/lezen) 29.4 21.6 8.4 5.0Achterstand in rekenen (resp. voorbereidend rekenen) 20.8 16.8 7.0 2.5Achterstand in informatieverwerking * 16.2 12.9 4.5 2.2Hoogbegaafdheid 2.5 1.6 0.6 1.2Werkhouding en taakgedragGebrek aan motivatie, inzet 18.5 10.6 3.2 0.7Gebrek aan concentratie 22.1 20.7 8.0 2.1Laag werktempo 20.0 16.5 5.5 1.1Overactief, impulsief gedrag 9.0 10.1 5.2 1.3Faalangstig 16.8 7.3 2.2 0.4Sociaal-emotionele ontwikkelingAngstig, neerslachtig, depressief 6.8 1.9 0.6 0.3Teruggetrokken, komt niet tot contact met anderen 8.8 3.6 0.8 0.3Gebrek aan zelfvertrouwen, negatief beeld van zichzelf 19.9 8.3 1.8 0.6Gebrek aan weerbaarheid 12.2 6.3 1.3 0.4Gebrek aan sociale vaardigheden 15.3 10.3 3.6 1.0Onzelfstandig * 11.0 7.0 2.1 0.5Gedrag in de groepAgressief tegenover klasgenoten 8.2 3.5 0.9 0.2Bizar gedrag, of gedrag dat niet past bij de leeftijd 5.8 3.9 1.6 0.3Sterk storend voor anderen 10.8 8.1 3.5 0.6Wordt afgewezen en/of gepest door anderen 9.8 3.1 0.9 0.2Is zelf een pester 8.7 3.4 0.8 0.1 87
    • in welke mate? officiële licht behoorlijk ernstig diagnoseCommunicatievaardigheidSlecht taalbegrip * 16.5 12.0 3.7 1.4Slechte uitdrukkingsvaardigheid * 15.2 11.3 3.7 1.3Begrijpt anderen niet goed * 12.0 7.2 2.0 0.9Zwak in auditief geheugen/auditieve verwerking * 14.0 11.0 3.0 1.8* Nieuw toegevoegd t.o.v. zorgprofiel bij Smeets e.a. (2007)Vervolgens is getracht een clustering te maken van alle 38 afzonderlijke problemenen beperkingen uit het zorgprofiel. Daartoe zijn onder meer factoranalyses uitge-voerd, zowel op deze gegevens van zorgleerlingen in het regulier basisonderwijs alsop de gegevens, die in het COOL-speciaal onderzoek zijn verkregen over leerlingen inspeciaal basisonderwijs en in de clusters 3 en 4 van het speciaal onderwijs (Ledouxe.a., i.v.). Daarbij bleek het, net als bij het eerdere onderzoek naar ‘Zorgleerlingen enleerlingenzorg’ (Smeets e.a., 2007) niet mogelijk om louter op basis van factoranalysete komen tot een eenvoudige en eenduidige clustering van de 38 items. Uiteindelijk iser gekozen voor een combinatie van schaling en een indeling van problemen op in-houdelijke gronden. Deze indeling sluit in grote lijnen aan bij de indeling die bijSmeets e.a. (2007) is gemaakt.Overzicht clustering van problemen1. Externaliserend probleemgedrag (schaal; alfa = 0.82) - sterk storend voor anderen - agressief tegenover klasgenoten - overactief, impulsief gedrag - is zelf een pester - bizar gedrag, of gedrag dat niet past bij de leeftijd - ADHD - opstandig of antisociaal gedrag (ODD)2. Internaliserend probleemgedrag (schaal; alfa = 0.76) - gebrek aan weerbaarheid - teruggetrokken, komt niet in contact met anderen - angstig of neerslachtig - gebrek aan zelfvertrouwen, negatief beeld van zichzelf - faalangstig - gebrek aan sociale vaardigheden, - wordt afgewezen en/of gepest88
    • 3. Problematische werkhouding (schaal; alfa = 0.76) - gebrek aan motivatie, inzet - gebrek aan concentratie - laag werktempo4. Lichamelijke beperking (weinig samenhangen; alfa = 0.29) - auditieve handicap - visuele handicap - overige fysieke beperking (bv. chronische ziekte) - motorische handicap5. Communicatieproblemen (schaal; alfa = 0.84) - spraak- of taalstoornis - slecht taalbegrip - slechte uitdrukkingsvaardigheid - begrijpt anderen niet goed - zwak in auditief geheugen/auditieve verwerking6. Leerachterstand (schaal; alfa = 0.71) - achterstand in taal/lezen - achterstand in rekenen - achterstand in informatieverwerking7. Verstandelijke beperking en/of vertraagde ontwikkeling (beperkte samenhangen; alfa = 0.49) - (zeer) moeilijk lerend, vertraagde cognitieve ontwikkeling, Down-syndroom, - algehele vertraagde ontwikkeling - onzelfstandigEn tot slot drie afzonderlijke items:8. Autisme of een verwante stoornis9. Dyslexie10. HoogbegaafdheidEnkele andere problemen/beperkingen worden in de navolgende overzichten verderbuiten beschouwing gelaten:• dyscalculie• andere leerstoornis (bv. NL, PMD, DCD, dyspraxie)• overige psychiatrische stoornissen (zoals dissociatieve stoornis, hechtingsstoornis, angststoornis, dwanghandelingen, Gilles de la Tourette). 89
    • Deze drie items passen niet goed in een cluster bij andere beperkingen en worden ookrelatief weinig genoemd door de leerkrachten.In Tabel 8.6 geven we een overzicht van het aandeel zorgleerlingen dat ten minsteéén probleem of beperking heeft binnen de onderscheiden clusters; Tabel 8.7 geeftaan bij hoeveel procent van de zorgleerlingen er sprake was van tenminste één offici-ële diagnose.Tabel 8.6 – Aandeel zorgleerlingen per type probleem (in %) referentiesteekproef totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 groep 2 groep 5 groep 8externaliserend probleemgedrag 39.7 37.5 34.3 41.2 38.5 36.6internaliserend probleemgedrag 57.4 55.6 58.2 57.7 56.1 58.2problematische werkhouding 65.0 66.0 58.6 65.8 65.8 59.7lichamelijke beperking 17.5 11.3 8.0 17.5 11.1 8.9communcatieprobleem 64.1 45.3 43.5 66.8 46.3 44.1leerachterstand 65.2 76.6 74.9 66.7 75.9 75.5verstandelijke beperking 46.6 36.8 37.3 48.5 37.3 39.0autisme of verwante stoornis 6.5 8.3 9.2 6.0 8.0 8.6dyslexie 4.2 22.9 26.1 3.8 21.8 23.8hoogbegaafdheid 3.6 6.1 4.2 3.6 6.0 3.9n 1283 1889 1305 1684 2296 1639Tabel 8.7 – Aandeel officiële diagnose per type probleem (in %) referentiesteekproef totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 groep 2 groep 5 groep 8externaliserend probleemgedrag 3.7 7.9 7.4 3.3 7.7 6.8internaliserend probleemgedrag 1.8 1.9 2.2 1.8 1.7 1.8problematische werkhouding 2.1 3.0 3.2 1.8 2.7 2.7lichamelijke beperking 4.5 3.1 2.2 4.0 2.7 2.4communcatieprobleem 7.2 3.7 2.9 7.1 3.5 2.7leerachterstand 4.1 6.3 9.0 4.1 5.9 7.9verstandelijke beperking 4.7 4.6 4.5 4.4 4.4 4.0autisme of verwante stoornis 1.9 3.8 6.4 1.6 3.5 5.7dyslexie 0.0 9.9 18.7 0.0 9.3 16.7hoogbegaafdheid 0.4 2.0 1.2 0.4 1.9 1.0n 1283 1889 1305 1684 2296 163990
    • Tabel 8.8 geeft een overzicht van het aandeel zorgleerlingen dat tenminste één pro-bleem of beperking heeft binnen de verschillende clusters, nader onderscheiden naarde sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen.Tabel 8.8 – Aandeel zorgleerlingen, naar sociaal-etnische achtergrond (in %) LBO all. LBO aut. MBO all. MBO aut. HBO/WO HBO/WO all. aut.Referentiesteekproefexternaliserend probleemgedrag 39.4 41.9 37.6 36.0 38.9 35.0internaliserend probleemgedrag 57.6 59.2 52.0 57.7 46.0 57.0problematische werkhouding 65.5 68.2 67.0 63.1 58.7 61.3lichamelijke beperking 9.1 12.7 13.1 13.0 11.9 12.1communicatieprobleem 78.8 57.7 69.7 46.1 63.5 39.8leerachterstand 88.2 77.2 78.3 74.0 73.8 64.5verstandelijke beperking 56.4 48.1 46.6 36.9 40.5 33.9autisme of verwante stoornis 1.8 6.1 2.3 8.7 4.0 11.4dyslexie 5.5 14.5 5.0 21.2 3.2 23.9hoogbegaafdheid 0.3 1.3 1.4 2.9 4.8 11.1n 330 692 221 1706 126 1220Totale steekproefexternaliserend probleemgedrag 42.8 43.6 39.8 37.2 39.7 35.1internaliserend probleemgedrag 56.2 59.7 54.3 58.1 49.4 57.2problematische werkhouding 67.3 67.9 68.2 62.9 61.5 60.9lichamelijke beperking 9.3 12.7 13.9 13.4 14.4 12.5communcatieprobleem 76.1 56.8 69.3 46.5 60.9 39.0leerachterstand 86.7 76.8 77.0 72.7 73.0 64.0verstandelijke beperking 55.4 47.8 48.6 37.3 43.7 33.4autisme of verwante stoornis 2.0 6.1 3.4 8.8 4.0 11.2dyslexie 5.7 13.7 5.7 20.8 5.7 23.1hoogbegaafdheid 0.8 1.7 1.4 3.2 3.4 11.6n 664 942 352 1946 174 1340Bij de zorgleerlingen kan sprake zijn van problemen/beperkingen in meerdere van dedoor ons onderscheiden clusters van problemen. We noemen dit de meervoudigheidvan de problematiek bij een zorgleerling. In Tabel 8.9 geven we een overzicht vandeze meervoudigheid, onderscheiden naar groep en steekproef; Tabel 8.10 geeft demeervoudigheid naar de sociaal-etnische achtergrond van de zorgleerlingen. 91
    • Tabel 8.9 – Meervoudigheid van problematiek (aantal problemen; in %) referentiesteekproef totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 groep 2 groep 5 groep 8hooguit 1 11.1 12.3 12.0 10.3 12.4 12.12 16.6 16.7 17.0 15.6 16.6 16.43 19.5 20.1 21.8 19.2 19.6 21.04 19.3 17.9 19.8 19.4 18.3 19.95 16.5 15.7 15.8 17.1 15.9 16.46 12.0 11.8 9.3 13.6 11.8 9.77 3.4 3.8 3.4 3.6 3.8 3.58 0.9 1.0 0.9 0.8 1.0 1.09 0.2 0.3 0.0 0.1 0.3 0.110 0.5 0.4 0.0 0.4 0.3 0.1n 1283 1889 1305 1684 2296 1639Tabel 8.10 – Meervoudigheid van problematiek, naar sociaal-etnische achtergrond(aantal problemen; in %) LBO all. LBO aut. MBO all. MBO aut. HBO/WO all. HBO/WO aut.Referentiesteekproefhooguit 1 7.3 10.4 7.7 11.9 13.5 14.52 14.2 12.0 16.3 18.1 17.5 17.93 17.0 19.4 23.5 20.2 26.2 20.24 17.9 20.5 20.4 19.1 15.9 18.55 22.4 18.8 12.7 15.5 10.3 14.36 14.8 14.2 17.2 10.3 13.5 8.57 5.5 3.5 2.3 3.2 0.8 4.48 0.9 0.9 0.0 1.1 1.6 1.19 0.0 0.1 0.0 0.1 0.8 0.310 0.0 0.3 0.0 0.5 0.0 0.2n 330 692 221 1706 126 1220Totale steekproefhooguit 1 8.6 10.1 7.7 11.8 13.2 15.02 12.0 11.9 16.2 18.1 15.5 18.13 16.6 19.5 21.0 19.9 23.6 20.14 20.3 21.0 19.3 19.1 19.5 17.75 20.5 19.1 15.3 15.6 10.3 14.76 16.6 13.5 17.3 10.4 14.4 8.47 4.4 3.8 2.8 3.3 1.1 4.48 0.9 0.6 0.3 1.1 1.7 1.19 0.0 0.2 0.0 0.2 0.6 0.310 0.2 0.2 0.0 0.5 0.0 0.1n 664 942 352 1946 174 134092
    • 8.4 Overige vragen zorgprofielSpeciale voorzieningenIn het zorgprofiel werden vervolgens, per zorgleerling, nog een aantal vragen gesteldover speciale voorzieningen met betrekking tot het kind. De leerkracht kon daaropantwoorden met ‘ja’, ‘nee’ of ‘weet niet’. (Het antwoord ‘weet niet’ wordt steeds bijminder dan 2% van de leerlingen ingevuld; alleen bij de vraag naar ontwikkelingsper-spectief zegt 4% ‘weet niet’.) In de Tabel 8.11 laten we de ‘weet niet’ antwoordenbuiten beschouwing en berekenen vervolgens het aandeel dat ‘ja’ heeft geantwoord.In de tabel wordt onderscheid gemaakt naar steekproef en daarbinnen naar groep. 93
    • Tabel 8.11 – Speciale voorzieningen (% ja) referentiesteekproef totale steekproef groep 2 groep 5 groep 8 groep 2 groep 5 groep 8Is voor dit kind een ‘Rugzak’ beschikbaar 5.3 7.2 9.6 4.8 7.1 8.8(eigen budget in kader van LGF-beleid)?Wordt voor dit kind ambulante begeleiding 7.5 8.0 8.7 6.9 7.7 8.1gegeven vanuit het speciaal onderwijs?Wordt dit kind begeleid door externedeskundigen, bv. psycholoog, RIAGG, 18.9 21.7 15.5 18.2 21.1 16.2jeugdzorg?Is bij dit kind sprake van ondertoezichtstel-ling, gezinsvoogd, gezinsbehande- 7.4 3.3 4.7 7.3 3.9 5.4ling/begeleiding?Is voor dit kind een persoonsgebondenbudget beschikbaar dat op school wordt 3.2 4.2 4.5 2.7 4.2 4.3ingezet voor verzorging of begeleiding?Is voor dit kind extra hulp in de klasbeschikbaar, bijvoorbeeld klassenassistent, 28.3 26.5 20.6 31.8 25.8 18.6extra leerkracht, hulpouders?Krijgt het kind remedial teaching? 46.3 49.4 45.5 46.0 49.4 43.0Is er voor het kind een handelingsplan 80.3 87.0 81.3 80.4 86.0 81.6opgesteld?Is voor dit kind een ontwikkelingsperspec- 11.5 15.5 28.3 10.2 15.0 28.0tief opgesteld?Volgt het kind een eigen leerlijn? 11.7 16.3 33.4 10.8 15.7 34.2Krijgt dit kind extra hulp of aangepasteaanwijzingen wanneer het een gestandaar- 13.4 37.0 43.0 13.1 36.5 42.4diseerde toets maakt?Volgt dit kind onderwijs (eventueel eendeel van de week) in een speciale hulpklas 5.5 6.4 6.3 8.7 7.5 7.3binnen de school?Volgt dit kind onderwijs (eventueel eendeel van de week) in een speciale 2.5 6.6 3.9 3.1 6.3 3.8groep/voorziening buiten de school?minimale n 1205 1799 1254 1586 2180 1581maximale n 1270 1884 1293 1666 2285 1625In Tabel 8.12 wordt de aanwezigheid van speciale voorzieningen bij de zorgleerlin-gen verder uitgesplitst naar de sociaal-etnische achtergrond, eerst voor de referen-tiesteekproef en daarna voor de totale steekproef.94
    • Tabel 8.12a – Speciale voorzieningen, naar sociaal-etnische achtergrond; referen-tiesteekproef ( % ja) LBO all. LBO aut. MBO all. MBO aut. HBO/WO HBO/WO all. aut.Is voor dit kind een ‘Rugzak’ beschik-baar (eigen budget in kader van LGF- 4.8 6.1 6.9 7.6 5.7 8.8beleid)?Wordt voor dit kind ambulante begelei-ding gegeven vanuit het speciaal onder- 4.6 7.7 6.8 7.8 5.6 10.2wijs?Wordt dit kind begeleid door externedeskundigen, bv. psycholoog, RIAGG, 14.0 21.7 10.1 19.6 16.8 20.3jeugdzorg?Is bij dit kind sprake van ondertoezicht-stelling, gezinsvoogd, gezinsbehande- 3.4 11.2 3.2 4.2 4.1 2.8ling/begeleiding?Is voor dit kind een persoonsgebondenbudget beschikbaar dat op school wordt 2.8 3.7 2.8 3.9 4.9 4.9ingezet voor verzorging of begeleiding?Is voor dit kind extra hulp in de klasbeschikbaar, bijvoorbeeld klassenassis- 31.1 27.0 35.0 24.3 35.2 22.1tent, extra leerkracht, hulpouders?Krijgt het kind remedial teaching? 57.9 53.1 60.0 45.0 50.4 42.9Is er voor het kind een handelingsplan 84.5 84.9 85.8 83.9 83.2 80.7opgesteld?Is voor dit kind een ontwikkelingsper- 23.4 18.5 22.2 17.5 21.3 16.2spectief opgesteld?Volgt het kind een eigen leerlijn? 24.2 22.3 18.2 19.7 11.3 18.3Krijgt dit kind extra hulp of aangepasteaanwijzingen wanneer het een gestan- 34.6 30.1 26.8 32.5 20.8 33.2daardiseerde toets maakt?Volgt dit kind onderwijs (eventueel eendeel van de week) in een speciale 11.3 4.2 10.5 4.7 13.6 6.0hulpklas binnen de school?Volgt dit kind onderwijs (eventueel eendeel van de week) in een speciale 3.4 3.3 1.8 3.8 4.8 7.0groep/voorziening buiten de school?minimale n 312 660 198 1622 121 1169maximale n 328 691 220 1688 125 1213 95
    • Tabel 8.12b – Speciale voorzieningen, naar sociaal-etnische achtergrond; totalesteekproef (% ja) LBO all. LBO aut. MBO all. MBO aut. HBO/WO HBO/WO all. aut.Is voor dit kind een ‘Rugzak’ beschikbaar 3.1 6.6 5.5 7.3 6.5 9.0(eigen budget in kader van LGF-beleid)?Wordt voor dit kind ambulante begeleiding 3.7 7.5 7.2 7.4 5.8 10.1gegeven vanuit het speciaal onderwijs?Wordt dit kind begeleid door externedeskundigen, bv. psycholoog, RIAGG, 12.0 21.2 13.3 20.3 14.5 20.5jeugdzorg?Is bij dit kind sprake van ondertoezichtstel-ling, gezinsvoogd, gezinsbehande- 4.0 12.0 4.6 4.6 3.6 2.7ling/begeleiding?Is voor dit kind een persoonsgebondenbudget beschikbaar dat op school wordt 2.2 3.7 2.9 3.9 4.7 4.8ingezet voor verzorging of begeleiding?Is voor dit kind extra hulp in de klasbeschikbaar, bijvoorbeeld klassenassistent, 31.1 27.4 31.6 24.2 33.7 21.6extra leerkracht, hulpouders?Krijgt het kind remedial teaching? 50.9 50.8 55.0 44.5 44.8 43.0Is er voor het kind een handelingsplan 82.8 84.7 84.5 83.5 79.7 80.8opgesteld?Is voor dit kind een ontwikkelingsperspec- 18.6 18.7 17.8 16.9 19.2 16.2tief opgesteld?Volgt het kind een eigen leerlijn? 21.4 21.9 17.9 19.2 12.3 18.5Krijgt dit kind extra hulp of aangepasteaanwijzingen wanneer het een gestandaar- 31.9 29.2 26.0 32.0 23.3 32.9diseerde toets maakt?Volgt dit kind onderwijs (eventueel eendeel van de week) in een speciale hulpklas 13.5 8.0 14.0 5.1 12.8 6.5binnen de school?Volgt dit kind onderwijs (eventueel eendeel van de week) in een speciale 3.8 3.5 2.9 3.9 3.5 6.8groep/voorziening buiten de school?minimale n 625 899 325 1852 167 1287maximale n 657 937 351 1927 172 133296
    • Steun door oudersOver dit onderwerp zijn zes items aan de leerkrachten voorgelegd, waarop kon wor-den geantwoord met: (1) beslist onwaar, (2) onwaar, (3) neutraal, (4) waar, (5) beslistwaar. De items luiden:• Met de ouders van dit kind is goed overleg mogelijk over de aanpak op school en thuis• De ouders en ik hebben dezelfde kijk op het probleem van het kind• De communicatie met de ouders over dit kind is goed• De ouders van dit kind bieden het kind thuis een goede begeleiding• De ouders van dit kind helpen waar nodig/ desgevraagd op school bij de opvang van dit kind• De ouders hebben de hulp aan dit kind goed georganiseerd.Op basis hiervan is een schaal steun ouders gemaakt, die staat voor de mate waarin deschool ondersteuning ondervindt van de ouders van het kind, door communicatie,zelfde visie, hulp en begeleiding. Cronbachs alfa van deze schaal is 0.94.ZorgcapaciteitDaarna volgden vijf items over het bieden van zorg aan de leerling. Daarop kon opdezelfde manier worden geantwoord als hiervoor. Deze items luiden:• Ik kan deze leerling in mijn klas voldoende bieden• Ik vind deze leerling een zware belasting voor mijn groep• Ik voel me voor deze leerling voldoende deskundig• Het lukt me om de zorg voor deze leerling in te passen in mijn onderwijs• Deze leerling is in mijn klas goed op zijn/haar plek.Hieruit is een schaal zorgcapaciteit gemaakt. Deze schaal staat voor de mate waarinde leerkracht van oordeel is dat hij/zij de zorgleerling voldoende kan bijstaan (waarbijhet tweede item is omgecodeerd). Cronbachs alfa van deze schaal is 0.88.Tabel 8.13 geeft een overzicht van de gemiddelden op beide schalen, onderscheidennaar steekproef en groep. 97
    • Tabel 8.13 – Schaalscores steun ouders en zorgcapaciteit groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd nReferentiesteekproefsteun ouders 3.70 0.82 1271 3.75 0.79 1881 3.81 0.83 1293zorgcapaciteit 3.82 0.72 1267 3.77 0.74 1878 3.96 0.65 1293Totale steekproefsteun ouders 3.64 0.84 1668 3.71 0.81 2281 3.73 0.89 1626zorgcapaciteit 3.81 0.72 1664 3.76 0.74 2277 3.92 0.67 1626Vervolgens presenteren we hierna in Tabel 8.14 en 8.15 een overzicht van de schaal-scores per groep, nader onderverdeeld naar de steekproef en sociaal-etnische her-komst van de leerlingen.Tabel 8.14 – Schaalscores ‘steun ouders’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.05 0.74 104 3.10 0.77 227LBO aut. 3.49 0.85 198 3.45 0.85 274MBO all. 3.42 0.89 83 3.47 0.89 138MBO aut. 3.82 0.72 452 3.81 0.72 530HBO/WO all. 3.33 0.94 52 3.42 0.97 71HBO/WO aut. 3.99 0.74 336 3.98 0.76 374Groep 5LBO all. 3.00 0.74 131 3.03 0.79 244LBO aut. 3.48 0.88 251 3.45 0.86 332MBO all. 3.49 0.61 91 3.46 0.65 132MBO aut. 3.88 0.73 729 3.87 0.73 822HBO/WO all. 3.52 0.81 47 3.51 0.84 63HBO/WO aut. 3.98 0.71 554 3.99 0.72 603Groep 8LBO all. 3.24 0.91 93 3.08 0.94 187LBO aut. 3.69 0.81 242 3.61 0.87 332MBO all. 3.45 0.89 45 3.43 0.91 80MBO aut. 3.91 0.74 507 3.90 0.77 575HBO/WO all. 3.52 1.03 26 3.56 1.12 38HBO/WO aut. 4.01 0.81 322 4.00 0.81 35398
    • Tabel 8.15 – Schaalscores ‘zorgcapaciteit’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 2LBO all. 3.66 0.80 104 3.71 0.75 227LBO aut. 3.70 0.76 197 3.70 0.74 273MBO all. 3.79 0.65 83 3.76 0.67 138MBO aut. 3.87 0.64 450 3.87 0.66 528HBO/WO all. 3.85 0.78 52 3.79 0.78 71HBO/WO aut. 3.89 0.74 335 3.89 0.75 373Groep 5LBO all. 3.33 0.90 131 3.44 0.83 244LBO aut. 3.75 0.72 251 3.74 0.73 332MBO all. 3.60 0.84 91 3.61 0.81 131MBO aut. 3.83 0.71 727 3.83 0.71 820HBO/WO all. 3.80 0.66 47 3.83 0.62 63HBO/WO aut. 3.85 0.69 554 3.86 0.69 603Groep 8LBO all. 3.75 0.67 93 3.71 0.69 187LBO aut. 3.95 0.67 242 3.90 0.68 332MBO all. 3.61 0.90 45 3.66 0.89 80MBO aut. 4.02 0.60 507 4.01 0.61 575HBO/WO all. 3.93 0.57 26 3.85 0.70 38HBO/WO aut. 4.00 0.63 322 3.99 0.63 353Als laatste is de leerkrachten nog gevraagd waar de zorgleerling, naar hun idee, hetbeste af is:• in het speciaal onderwijs;• in het speciaal basisonderwijs;• in het regulier basisonderwijs.Bij elk van deze drie items waren de antwoordmogelijkheden weer (1) beslist onwaar,(2) onwaar, (3) neutraal, (4) waar, (5) beslist waar. Tabel 8.16 geeft de gemiddeldenvan deze scoring, onderscheiden naar steekproef en daarbinnen naar groep. 99
    • Tabel 8.16 – Scores op Waar is leerling het beste af? groep 2 groep 5 groep 8 gem. sd n gem. sd n gem. sd nReferentiesteekproefspeciaal onderwijs 1.76 0.96 1267 1.58 0.87 1878 1.59 0.90 1293speciaal basisonderwijs 1.90 1.08 1267 1.74 1.02 1878 1.63 0.87 1293regulier basisonderwijs 3.92 1.01 1267 4.08 0.98 1878 4.12 0.94 1293Totale steekproefspeciaal onderwijs 1.78 0.96 1664 1.60 0.88 2277 1.65 0.93 1626speciaal basisonderwijs 1.94 1.07 1664 1.77 1.03 2277 1.68 0.91 1626regulier basisonderwijs 3.90 1.00 1664 4.07 0.98 2277 4.09 0.96 1626100
    • 9 De Leerlingenvragenlijst9.1 Procedure en responsIn de groepen 5 en 8 is de leerlingen gevraagd een vragenlijst in te vullen met betrek-king tot hun motivatie voor school. Aan de groep 8 leerlingen is een langere vragen-lijst voorgelegd dan aan de leerlingen in groep 5. We zullen deze daarom apart be-spreken. Uit de resultaten van een uitgevoerd proefonderzoek op 11 scholen bij ruim500 leerlingen bleek de geschiktheid van de vragen voor jonge leerlingen en voorleerlingen met diverse sociale en etnische achtergronden (Van der Veen, 2007).In de referentiesteekproef is de respons ten opzichte van het totale leerlingenbestandmet achtergrondkenmerken uit de schooladministraties 89.9% (groep 5: 88.6%; groep8: 91.2%). Binnen de totale steekproef is de respons duidelijk lager, namelijk 71.9%(groep 5: 71.7%; groep 8: 72.2%). Of er sprake is van selectieve uitval hebben wegecontroleerd door de verdeling naar sociaal-etnische achtergrond van de leerlingenin het administratiebestand af te zetten tegen de verdeling naar sociaal-etnische ach-tergrond voor de leerlingen die de leerlingenvragenlijst hebben ingevuld. De resulta-ten hiervan zijn weergegeven in Tabel 9.1. We hebben de gegevens in de tabel zowelvoor de referentiesteekproef als voor de totale steekproef weergegeven. De tabelbevat alleen de leerlingen waarvan de sociaal-etnische achtergrond bekend is.Tabel 9.1 – Respons op de Leerlingenvragenlijst; verdeling sociaal-etnische achter-grond binnen het totaalbestand en binnen het leerlingenvragenlijstbestand (in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal leerlingen totaal leerlingenLBO all. 5.9 6.0 10.5 10.2LBO aut. 10.9 10.9 12.4 12.3MBO all. 4.6 4.7 6.6 6.4MBO aut. 39.4 39.5 35.9 36.2HBO/WO all. 2.8 2.9 3.7 3.7HBO/WO aut. 36.5 36.1 30.9 31.4n 18387 16597 24385 20972 101
    • In zowel de referentiesteekproef als de totale steekproef verschilt de verdeling van derespons naar sociaal-etnische herkomst nauwelijks met die in de totale COOL-steekproef: de verschillen zijn hoogstens 0.5%.9.2 Motivatievragen groep 5 én 8In groep 5 en 8 zijn aan de leerlingen vragen gesteld over hun welbevinden in relatiemet de leerkracht en in relatie met medeleerlingen, over hun cognitief zelfvertrouwenen over hun taakmotivatie. Met taakmotivatie wordt bedoeld de mate waarin leerlin-gen gericht zijn op het ontwikkelen van hun vaardigheden, op leren en het begrijpenvan schoolwerk. Leerlingen zijn daarbij gericht op hun eigen prestaties en hoe diezich ontwikkelen en niet op de vergelijking met andere leerlingen.De in totaal 24 items luiden als volgt:Welbevinden in relatie met de leerkrachta. De juf/meester weet meestal wel hoe ik me voelb. Ik kan met de juf/meester over problemen pratenc. Als ik me ongelukkig voel, kan ik daar met de juf/meester over pratend. Ik voel me bij de juf/meester op mijn gemake. De juf/meester begrijpt mijf. Ik heb een goed contact met de juf/meesterg. Ik zou liever een andere juf/meester hebbenWelbevinden in relatie met medeleerlingenh. Ik heb veel contact met mijn klasgenoteni. Ik zou liever in een andere klas zittenj. Wij hebben een leuke klask. Ik kan goed met mijn klasgenoten overwegl. In mijn klas voel ik mij soms alleenm. Ik vind het leuk om met de kinderen in mijn klas om te gaanCognitief zelfvertrouwen (self-efficacy)n. Ik weet zeker dat dit jaar alles op school me wel zal lukkeno. Ik kan op school zelfs de moeilijkste opdrachten maken als ik mijn best doep. Ik kan al mijn werk voor school goed maken als ik maar genoeg tijd hebq. Ik kan bijna alles op school, als ik het maar blijf proberenr. Ik kan ook moeilijke dingen op school wel lerens. Ik weet zeker dat op school zelfs de moeilijkste taken me wel lukken102
    • Taakmotivatiet. Ik ben tevreden als ik op school iets heb geleerd dat ik begrijpu. Ik maak liever moeilijke opdrachten waar ik iets nieuws van leer, dan gemakkelij- ke opdrachtenv. Ik vind het fijn wanneer ik op school iets heb geleerd dat ik belangrijk vindw. Als ik op school iets niet meteen snap, ga ik er juist extra mijn best voor doenx. Ik vind het fijn wanneer ik op school iets nieuws heb geleerdBij cognitief zelfvertrouwen is gebruik gemaakt van de schaal ‘self-efficacy’ dieafkomstig is van de ‘Patterns of Adaptive Learning Survey (PALS)’ (Midgley e.a.,2000). Taakmotivatie is gemeten door gebruik te maken van een schaal door Seegers,Van Putten & De Brabander (2002). De vragen over het welbevinden van de leerlingin relatie met de leerkracht en in relatie met de medeleerlingen zijn ontleend aanPeetsma, Wagenaar & De Kat (2001). Voor de beantwoording konden de leerlingenkiezen uit vijf antwoordcategorieën: (1) klopt helemaal niet, (2) klopt niet, (3) kloptsoms wel/soms niet, (4) klopt, en (5) klopt precies.9.2.1 SchaalconstructieEr is voor de referentiesteekproef een factoranalyse met vier factoren uitgevoerd opalle 24 items. De factoren verklaren samen 48% van de variantie. De resultaten zijnweergegeven in Tabel 9.2. 103
    • Tabel 9.2 – Factorladingen voor de schalen cognitief zelfvertrouwen, welbevindenmet de leerkracht, met medeleerlingen en taakmotivatie (ladingen >0.30) cogn. welb. welb. taak zelfv.* lkr. ll. mot.Ik weet zeker dat op school zelfs de moeilijkste taken me wel lukken 0.81Ik kan op school zelfs de moeilijkste opdrachten maken als ik mijn best doe 0.79Ik kan ook moeilijke dingen op school wel leren 0.67Ik weet zeker dat dit jaar alles op school me wel zal lukken 0.63Ik kan bijna alles op school, als ik het maar blijf proberen 0.62Ik kan al mijn werk voor school goed maken als ik maar genoeg tijd heb 0.40Als ik me ongelukkig voel, kan ik daar met de juf/meester over praten 0.67Ik kan met de juf/meester over problemen praten 0.69Ik heb een goed contact met de juf/meester 0.62De juf/meester begrijpt mij 0.65Ik voel me bij de juf/meester op mijn gemak 0.64De juf/meester weet meestal wel hoe ik me voel 0.64Ik zou liever een andere juf/meester hebben -0.58In mijn klas voel ik mij soms alleen -0.60Ik kan goed met mijn klasgenoten overweg 0.72Ik zou liever in een andere klas zitten -0.63Wij hebben een leuke klas 0.69Ik heb veel contact met mijn klasgenoten 0.68Ik vind het leuk om met de kinderen in mijn klas om te gaan 0.68Ik vind het fijn wanneer ik op school iets nieuws heb geleerd 0.78Ik vind het fijn wanneer ik op school iets heb geleerd dat ik belangrijk vind 0.75Ik ben tevreden als ik op school iets heb geleerd dat ik begrijp 0.69Ik maak liever moeilijke opdrachten waar ik iets nieuws van leer, dangemakkelijke opdrachten 0.47 0.42Als ik op school iets niet meteen snap, ga ik er juist extra mijn bestvoor doen 0.54betrouwbaarheid (alfa) 0.78 0.79 0.76 0.74* cogn. zelfv. = cognitief zelfvertrouwen; welb. lkr. = welbevinden in relatie met de leerkracht; welb. ll. = welbevinden in relatie met medeleerlingen; taakmot. = taakmotivatieEén item heeft een lading op twee factoren. Dit betreft het item ‘Ik maak liever moei-lijke opdrachten waar ik iets nieuws van leer, dan gemakkelijke opdrachten’ dat zoalsbedoeld laadt op taakmotivatie, maar ook een lading heeft op de factor cognitief zelf-vertrouwen.We hebben de vier schalen gevormd door het gemiddelde te berekenen over de scoresop de bij de schaal behorende items voor zover ten minste tweederde bekend was.104
    • Hierbij zijn de scores op negatief geformuleerde items als ‘In mijn klas voel ik mijsoms alleen’ gespiegeld zodat de schaalscores lopen van weinig naar veel welbevin-den/zelfvertrouwen/taakmotivatie.9.2.2 SchaalscoresIn Tabel 9.3 presenteren we eerst de gemiddelde schaalscores op de vier schalen naarsteekproef en groep. In Tabel 9.4 – 9.7 zijn vervolgens de gemiddelde schaalscoresnaar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond weergegeven.Tabel 9.3 – Schaalscores welbevinden in relatie met de leerkracht en in relatie metmedeleerlingen, cognitief zelfvertrouwen en taakmotivatie referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nWelbevinden in relatie met leerkrachtgroep 5 3.81 0.59 8916 3.82 0.59 11170groep 8 3.73 0.65 8609 3.73 0.66 10840Welbevinden in relatie met medeleerlingengroep 5 4.09 0.64 8917 4.09 0.65 11164groep 8 4.19 0.65 8602 4.18 0.66 10836Cognitief zelfvertrouwengroep 5 3.82 0.66 8870 3.84 0.67 11108groep 8 3.69 0.60 8580 3.71 0.62 10811Taakoriëntatiegroep 5 4.16 0.63 8897 4.19 0.63 11140groep 8 3.93 0.61 8582 3.96 0.62 10812 105
    • Tabel 9.4 – Schaalscores ‘welbevinden in relatie met de leerkracht’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 5LBO all. 3.81 0.60 500 3.80 0.62 1052LBO aut. 3.82 0.60 829 3.84 0.60 1199MBO all. 3.76 0.66 408 3.77 0.68 693MBO aut. 3.83 0.58 3275 3.84 0.59 3792HBO/WO all. 3.73 0.64 257 3.75 0.64 412HBO/WO aut. 3.80 0.56 3140 3.81 0.56 3444Groep 8LBO all. 3.68 0.70 494 3.67 0.72 1071LBO aut. 3.72 0.65 970 3.73 0.66 1362MBO all. 3.68 0.73 365 3.68 0.72 639MBO aut. 3.73 0.65 3259 3.73 0.66 3769HBO/WO all. 3.65 0.69 217 3.72 0.71 355HBO/WO aut. 3.76 0.63 2835 3.76 0.63 3124Tabel 9.5 – Schaalscores ‘welbevinden in relatie met medeleerlingen’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 5LBO all. 3.99 0.67 504 4.02 0.68 1054LBO aut. 4.06 0.68 830 4.06 0.68 1201MBO all. 4.01 0.68 408 4.03 0.67 694MBO aut. 4.13 0.62 3271 4.13 0.63 3782HBO/WO all. 4.06 0.67 257 4.07 0.67 412HBO/WO aut. 4.11 0.62 3138 4.11 0.63 3441Groep 8LBO all. 4.24 0.64 495 4.24 0.63 1073LBO aut. 4.14 0.65 970 4.14 0.66 1364MBO all. 4.24 0.66 365 4.20 0.68 639MBO aut. 4.19 0.65 3258 4.18 0.66 3768HBO/WO all. 4.21 0.65 217 4.20 0.66 355HBO/WO aut. 4.19 0.65 2829 4.18 0.66 3118106
    • Tabel 9.6 – Schaalscores ‘cognitief zelfvertrouwen’, naar sociaal-etnische achter-grond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 5LBO all. 3.92 0.62 501 3.96 0.65 1051LBO aut. 3.77 0.70 826 3.80 0.70 1194MBO all. 3.93 0.66 407 3.96 0.68 690MBO aut. 3.79 0.65 3251 3.80 0.65 3760HBO/WO all. 3.90 0.66 257 3.95 0.66 411HBO/WO aut. 3.82 0.66 3121 3.83 0.66 3424Groep 8LBO all. 3.75 0.59 495 3.82 0.63 1073LBO aut. 3.55 0.61 967 3.57 0.63 1360MBO all. 3.80 0.61 363 3.84 0.62 637MBO aut. 3.63 0.60 3252 3.63 0.60 3761HBO/WO all. 3.82 0.63 216 3.90 0.64 354HBO/WO aut. 3.78 0.59 2820 3.78 0.59 3109Tabel 9.7 – Schaalscores ‘taakmotivatie’, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nGroep 5LBO all. 4.30 0.59 504 4.34 0.57 1054LBO aut. 4.17 0.67 827 4.19 0.66 1195MBO all. 4.30 0.65 408 4.33 0.63 693MBO aut. 4.13 0.63 3262 4.15 0.64 3777HBO/WO all. 4.28 0.60 256 4.32 0.60 409HBO/WO aut. 4.14 0.62 3133 4.15 0.62 3434Groep 8LBO all. 4.20 0.54 493 4.20 0.60 1071LBO aut. 3.87 0.64 969 3.88 0.66 1362MBO all. 4.14 0.59 363 4.16 0.60 636MBO aut. 3.87 0.61 3253 3.87 0.62 3761HBO/WO all. 4.12 0.61 216 4.15 0.60 354HBO/WO aut. 3.95 0.59 2822 3.94 0.60 3111 107
    • 9.3 Extra motivatievragen groep 8In groep 8 is een vertaalde versie van de Inventory of School Motivation van Ali &McInerney (2004) opgenomen. Deze vragenlijst bestaat uit 33 items die hieronderzijn weergegeven. De vragenlijst bevat acht schalen en vier dimensies. De dimensieszijn vetgedrukt weergegeven met daaronder steeds de twee bijbehorende schalen.Bekwaming (mastery)Taak (task)1. Ik wil graag dat het nuttig is wat ik op school leer2. Voor interessant werk doe ik beter mijn best3. Ik zie graag dat mijn schoolwerk steeds beter wordt4. Ik krijg graag de kans iets opnieuw te doen om het te verbeterenInzet (effort)1. Als mijn schoolwerk vooruit gaat, doe ik nog beter mijn best2. Ik doe goed mijn best op school omdat ik mijn schoolwerk interessant vind3. Bij moeilijke problemen doe ik juist beter mijn best4. Ik doe goed mijn best om nieuwe dingen op school te begrijpen5. Ik probeer altijd mijn schoolwerk nog beter te doenPrestatie (performance)Sociale macht (social power)1. Ik probeer vaak de leider van een groepje te zijn2. Ik doe mijn best op school zodat ik de leider van een groepje word3. Ik ben op school graag de leider van een groepjeCompetitie (competition)1. Ik wil graag de beste zijn2. Ik ben alleen maar tevreden als ik een van de besten van de klas ben3. Ik werk harder als ik beter dan andere kinderen probeer te zijn4. Ik wil op school beter presteren dan mijn klasgenotenSociaal (social)Sociale betrokkenheid (social concern)1. Ik help graag andere kinderen goede cijfers te halen op school2. Het kan me wat schelen hoe het met andere kinderen op school gaat3. Ik help graag andere kinderen met hun schoolwerk, ook als ik zelf niet zo goed ben4. Ik baal ervan als mijn vrienden/vriendinnen op school slechte cijfers halen5. Ik vind het belangrijk dat kinderen elkaar helpen op school108
    • Verwantschap (affiliation)1. Ik werk op school het liefst zoveel mogelijk samen met andere kinderen2. Ik doe mijn best op school als ik met andere kinderen samen werk3. Ik werk op school liever samen met andere kinderen dan alleenExtrinsiek (extrinsic)Lof (praise)1. Het is voor mij belangrijk om van mijn vrienden/vriendinnen complimentjes te krijgen voor mijn schoolwerk2. Ik werk op school het beste als ik complimentjes krijg3. Ik krijg graag complimentjes voor goed schoolwerk4. Het is voor mij belangrijk om van mijn ouders complimentjes te krijgen voor mijn schoolwerk5. Het is voor mij belangrijk om van de juf of meester complimentjes te krijgen voor mijn schoolwerkBeloning (token)1. Ik doe tijdens de les mijn best om een beloning van de juf of meester te krijgen2. Als je op school ‘bonuspunten’ zou kunnen krijgen, zou ik beter mijn best doen3. Ik vind het belangrijk een beloning te krijgen voor goed schoolwerk4. Als ik op school beloningen zou krijgen zou ik beter mijn best doenBij deze motivatievragen konden de leerlingen voor de beantwoording kiezen uit vijfantwoordcategorieën: (1) klopt helemaal niet, (2) klopt een beetje, (3) klopt matig, (4)klopt vrij goed en (5) klopt precies.9.3.1 SchaalconstructieFactoranalyse levert 7 factoren op die in totaal 56% van de variantie verklaren. Dezeanalyse levert geen duidelijke resultaten op: de meeste van de acht schalen vormengeen aparte factoren. Het item ‘Het kan me wat schelen hoe het met andere kinderenop school gaat’ blijkt ambigu: het is zowel opgevat als positieve als negatieve betrok-kenheid met anderen. Een factoranalyse met vier factoren en 46% verklaarde varian-tie komt in grote lijnen overeen met de vier dimensies. De resultaten van deze analysezijn weergegeven in Tabel 9.8. 109
    • Tabel 9.8 – Factorladingen voor de 33 items van de Inventory of School Motivation(ladingen >0.30) be- extrinsi prestati kwaming ek e sociaalInzetAls mijn schoolwerk vooruit gaat, doe ik nog beter mijn best 0.52Ik doe goed mijn best op school omdat ik mijn schoolwerk interessant vind 0.64Bij moeilijke problemen doe ik juist beter mijn best 0.62Ik doe goed mijn best om nieuwe dingen op school te begrijpen 0.73Ik probeer altijd mijn schoolwerk nog beter te doen 0.67TaakIk wil graag dat het nuttig is wat ik op school leer 0.57Voor interessant werk doe ik beter mijn best (<0.30)Ik zie graag dat mijn schoolwerk steeds beter wordt 0.58Ik krijg graag de kans iets opnieuw te doen om het te verbeteren 0.46LofHet is voor mij belangrijk om van mijn vrienden/vriendinnen compliment-jes te krijgen voor mijn schoolwerk 0.67Ik werk op school het beste als ik complimentjes krijg 0.65Ik krijg graag complimentjes voor goed schoolwerk 0.66Het is voor mij belangrijk om van mijn ouders complimentjes te krijgenvoor mijn schoolwerk 0.64Het is voor mij belangrijk om van de juf of meester complimentjes tekrijgen voor mijn schoolwerk 0.77BeloningIk doe tijdens de les mijn best om een beloning van de juf of meester tekrijgen 0.57Als je op school ‘bonuspunten’ zou kunnen krijgen, zou ik beter mijn bestdoen 0.53Ik vind het belangrijk een beloning te krijgen voor goed schoolwerk 0.70Als ik op school beloningen zou krijgen zou ik beter mijn best doen 0.65 0.30CompetitieIk wil graag de beste zijn 0.68Ik ben alleen maar tevreden als ik een van de besten van de klas ben 0.61Ik werk harder als ik beter dan andere kinderen probeer te zijn 0.33 0.67Ik wil op school beter presteren dan mijn klasgenoten 0.34 0.67Sociale machtIk probeer vaak de leider van een groepje te zijn 0.77Ik doe mijn best op school zodat ik de leider van een groepje word 0.74Ik ben op school graag de leider van een groepje 0.78110
    • be- extrinsi prestati kwaming ek e sociaalVerwantschapIk werk op school het liefst zoveel mogelijk samen met andere kinderen 0.78Ik doe mijn best op school als ik met andere kinderen samen werk 0.55Ik werk op school liever samen met andere kinderen dan alleen 0.79Sociale betrokkenheidIk help graag andere kinderen goede cijfers te halen op school 0.58 0.33Het kan me wat schelen hoe het met andere kinderen op school gaatIk help graag andere kinderen met hun schoolwerk, ook als ik zelf niet zogoed ben 0.52 0.37Ik baal ervan als mijn vrienden/vriendinnen op school slechte cijfers halen 0.40 (<0.30)Ik vind het belangrijk dat kinderen elkaar helpen op school 0.58 0.32betrouwbaarheid (alfa) 0.79 0.86 0.87 0.71Vier items van de factor ‘sociaal’ hebben een hoogste lading op de factor ‘bekwa-ming’. Deze items hebben echter doorgaans ook een voldoende hoge lading op debedoelde factor. Terwille van de vergelijking met de eerste meting van COOL hand-haven we deze vier items in de factor ‘sociaal’. We hebben vervolgens vier schalengevormd voor de vier dimensies door de gemiddelde score te berekenen over de bij debetreffende dimensie behorende items voor zover ten minste twee derde van de scoresbekend was. Het ambigue item ‘Het kan me wat schelen hoe het met andere kinderenop school gaat’ maakt geen deel uit van de schaal ‘sociaal’.9.3.2 SchaalscoresIn Tabel 9.9 presenteren we eerst de gemiddelde schaalscores op de vier schalen naarsteekproef. In Tabel 9.10 zijn vervolgens de gemiddelde schaalscores naar steekproef,jaargroep en sociaal-etnische achtergrond weergegeven.Tabel 9.9 – Schaalscores op de vier dimensies van de Inventory of School Motivation referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nbekwaming 3.74 0.56 8518 3.77 0.57 10721extrinsiek 2.82 0.78 8521 2.84 0.80 10725prestatie 2.03 0.79 8517 2.08 0.81 10718sociaal 3.51 0.60 8519 3.52 0.61 10724 111
    • Tabel 9.10 – Schaalscores op de vier dimensies van de Inventory of School Motivati-on, naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nBekwamingLBO all. 3.94 0.59 489 3.99 0.60 1063LBO aut. 3.67 0.57 955 3.69 0.58 1344MBO all. 3.97 0.58 362 3.98 0.60 635MBO aut. 3.69 0.56 3231 3.70 0.56 3729HBO/WO all. 3.96 0.59 216 4.02 0.57 351HBO/WO aut. 3.74 0.54 2801 3.74 0.54 3085ExtrinsiekLBO all. 2.96 0.89 488 3.04 0.89 1062LBO aut. 2.83 0.74 955 2.85 0.76 1345MBO all. 2.83 0.88 362 2.94 0.87 635MBO aut. 2.81 0.77 3233 2.81 0.78 3731HBO/WO all. 2.78 0.89 216 2.83 0.89 351HBO/WO aut. 2.81 0.76 2804 2.81 0.76 3088PrestatieLBO all. 2.31 0.90 489 2.39 0.89 1063LBO aut. 1.97 0.76 954 2.00 0.77 1343MBO all. 2.22 0.87 362 2.34 0.91 634MBO aut. 1.95 0.76 3231 1.96 0.76 3728HBO/WO all. 2.27 0.89 216 2.35 0.91 351HBO/WO aut. 2.06 0.77 2802 2.07 0.78 3086SociaalLBO all. 3.50 0.66 488 3.57 0.65 1062LBO aut. 3.50 0.62 955 3.51 0.62 1345MBO all. 3.54 0.65 362 3.54 0.65 635MBO aut. 3.51 0.60 3233 3.50 0.60 3732HBO/WO all. 3.51 0.63 216 3.51 0.65 351HBO/WO aut. 3.51 0.58 2802 3.51 0.58 3086112
    • 10 De vragenlijst Burgerschapscompetenties10.1 De vragenlijstIn groep 8 is aan de leerlingen een vragenlijst Burgerschapscompetenties voorgelegd.Deze vragenlijst bevat het leerlingendeel van het meetinstrument voor burgerschaps-competenties voor jongeren van 11 tot 16 jaar. Dit meetinstrument, ontwikkeld doorhet Instituut voor de Lerarenopleiding en het SCO-Kohnstamm Instituut van de Uni-versiteit van Amsterdam, bevat ook een vragenlijst voor docenten. Deze is in COOLechter niet gebruikt. De leerlingenvragenlijst is ook voorgelegd aan een deel van desteekproef in het voortgezet onderwijs, de afname daar heeft plaatsgevonden bij leer-lingen in het derde leerjaar.Het meetinstrument burgerschap is ontwikkeld als antwoord op toenemende aandachtvoor burgerschapsvorming in het onderwijs. De achtergronden daarvan en de over-wegingen bij de keuzes voor aard en inhoud van het instrument worden hier nietbeschreven, zie daarvoor Ten Dam e.a. (2010). Voor de redenen om de leerlingenvra-genlijst op te nemen in het instrumentarium voor COOL verwijzen we naar het on-derzoeksplan (ITS/SCO-Kohnstamm Instituut/GION/Cito, 2007).In het meetinstrument is het begrip competentie uiteengelegd in vier componenten:kennis, reflectie, vaardigheden en attituden. Het begrip burgerschap is geoperationali-seerd aan de hand van vier centrale sociale taken: democratisch handelen, maatschap-pelijke verantwoordelijkheid, omgaan met conflicten en omgaan met verschillen. Elkvan deze taken is nader gedefinieerd, in algemene zin én voor de vier componentenafzonderlijk. Tabel 10.1 bevat alle definities 5.5 Naast de vier onderscheiden componenten kent het meetinstrument ook nog het aspect gedrag. Dit wordt gemeten in de vragenlijsten voor docenten en is daarom hier weggelaten. 113
    • Tabel 10.1 – Conceptuele definities burgerschapscompetenties per component persociale taak Kennis Reflectie Vaardigheden Attituden Een jongere met Een jongere met Een jongere met Een jongere met deze kennis … deze reflectie … deze vaardigheid deze attitude …Democratisch Weet wat democra- Denkt na over Kan het eigen Wil ieders stemhandelen tische principes zijn (on)democratische standpunt naar horen, dialoog en wat het handelen kwesties en kwes- voren brengen en aangaan en eenHet aanvaarden van volgens die princi- ties van (on)macht luisteren naar de actieve, kritischeen bijdragen aan pes inhoudt. en (on)gelijke standpunten van bijdrage leveren.een democratische rechten. anderen.samenlevingMaatschappelijke Kent sociale regels Denkt na over Kan zich sociaal Wil zich sociaalverantwoordelijk- (wettelijke of belangentegenstel- rechtvaardig opstel- rechtvaardig opstel-heid ongeschreven regels lingen, sociale len len (niemand voor het sociaal cohesie, sociale uitsluiten), is bereidMedeverantwoor- verkeer). processen (in- en tot zorg en hulp, wildelijkheid nemen uitsluiting) en eigen de ander en hetvoor de leef- bijdrage aan sociale milieu niet schadengemeenschappen rechtvaardigheid. door eigen gedrag.waartoe menbehoortOmgaan met Kent manieren om Denkt na over hoe Kan naar de ander Wil conflictenconflicten conflicten op te het conflict heeft luisteren, zich in de onderzoeken, is lossen zoals zoeken kunnen ontstaan, ander verplaatsen bereid het standpuntBetreft (lichte) naar win-win over eigen en en win-win oplos- van de ander serieusconflictsituaties of oplossingen, hulp andermans rol singen zoeken. te nemen en samenbelangentegenstel- van anderen inroe- daarin en en over naar een acceptabe-lingen waarbij de pen, ongelijk mogelijkheden om le oplossing zoeken.jongere zelf ‘partij’ bekennen, escalatie conflicten te voor-is voorkomen. komen of op te lossen.Omgaan met Kent verschillen Denkt na over aard Kan zich bewegen Wil andermansverschillen van culturele aard, en gevolgen van in onbekende opvattingen en heeft kennis van verschillen tussen sociale situaties, leefstijl lerenBetreft sociale, gedragsregels in mensen, culturele zich aanpassen aan kennen, staatculturele, religieuze verschillende achtergronden van andermans wensen positief tegenoveren uiterlijke ver- sociale situaties, gedrag en processen of gewoonten. verschillen.schillen weet wanneer er van in- en uitslui- sprake is van ting. vooroordeel en discriminatie.Voor elke cel in Tabel 10.1 zijn vragen voor leerlingen geconstrueerd. Voor de com-ponenten reflectie, vaardigheden en attituden is gebruik gemaakt van Likertschalen(4-puntsschaal). Voor de kenniscomponent zijn multiple-choice items gemaakt (metdrie antwoordmogelijkheden, waarvan één het juiste antwoord). De items zijn gefor-114
    • muleerd op het taalniveau van leerlingen uit groep 7/8 in het basisonderwijs. Op basisvan exploratieve en confirmatieve factoranalyses op verschillende versies van hetinstrument (zie Ten Dam e.a., 2010) is een vragenlijst ontstaan die bestaat uit 94items, te weten:• 27 kennis-items. Deze gaan over weten, begrijpen, inzicht hebben in wat je het beste kunt doen in een specifieke situatie. Bij de kennis-items kiezen leerlingen het beste antwoordal- ternatief uit bij een vraag, bijvoorbeeld: ‘Alle kinderen hebben recht: a) op zakgeld, b) om te kiezen bij wie je woont, c) op onderwijs’. In dit geval is optie c het goede antwoord.• 28 reflectie-items. Deze gaan over reflecteren, nadenken over. De voorgelegde vraag is: ‘hoe vaak denk jij na over…’, bijvoorbeeld ‘…of er naar leerlingen wordt geluisterd op jouw school?’. De antwoordopties zijn: (bijna) nooit, heel af en toe, vrij vaak, vaak.• 15 vaardigheden-items. Dit zijn ‘self-efficacy’ items, de leerling moet aangeven hoe goed hij/zij zichzelf ergens in vindt. De voorgelegde vraag is ‘hoe goed ben jij in…’, bijvoorbeeld ‘…bij een ruzie een oplossing vinden waarmee iedereen tevreden is?’. De ant- woordopties zijn: helemaal niet goed, niet zo goed, best wel goed, heel goed.• 24 attituden-items. Deze gaan over iets vinden (menen), willen, tot iets bereid zijn. De voorgelegde vraag is ‘hoe goed past een uitspraak bij jou?’. Een voorbeelduitspraak is ‘ik vind het leuk om iets te weten van verschillende soorten geloof’. De antwoordopties zijn: past helemaal niet bij mij, past niet erg bij mij, past best wel wat bij mij, past helemaal bij mij.De items zijn overwegend positief geformuleerd. Om antwoordtendentie tegen tegaan, zijn bij de component attitude drie extra negatieve items opgenomen. Bij decomponent reflectie zijn om dezelfde reden vier dummy-items opgenomen. Dit zijnitems die inhoudelijk niet tot het te meten domein horen en die daardoor de respon-dent ‘dwingen’ even opnieuw na te denken over het te geven antwoord. Verder bevatde vragenlijst vijf items voor het meten van sociale wenselijkheid. Deze in totaal 15extra items maken geen deel uit van de bedoelde schalen en zijn dus bij de schaalcon-structie genegeerd.10.2 ResponsVan 10838 leerlingen uit groep 8 beschikken we over een vragenlijst Burgerschaps-competenties. De totale respons bedraagt daarmee 86.4%; in de referentiesteekproefis de respons beduidend hoger: 91.5%. 115
    • Of er sprake is van selectieve uitval hebben we gecontroleerd door de verdeling naarsociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestand af te zettentegen de verdeling naar sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen die de vragen-lijst burgerschapscompetenties hebben ingevuld. De resultaten hiervan zijn weerge-geven in Tabel 10.2.Tabel 10.2 – Respons op de vragenlijst Burgerschapscompetenties; verdeling sociaal-etnische achtergrond binnen het totaalbestand en binnen het burgerschapsbestand (in%) referentiesteekproef totale steekproef totaal burgerschap totaal burgerschapLBO all. 6.0 6.1 10.6 10.5LBO aut. 11.8 11.9 13.4 13.2MBO all. 4.4 4.5 6.5 6.2MBO aut. 39.9 40.0 36.2 36.5HBO/WO all. 2.6 2.7 3.5 3.4HBO/WO aut. 35.2 34.8 29.8 30.2n 8895 8164 11848 10310In de referentiesteekproef komt de verdeling van de respons naar sociaal-etnischeachtergrond vrijwel overeen met die in de totale steekproef: de verschillen zijn hoog-stens 0.4%. Hetzelfde geldt voor de totale steekproef.10.3 SchalenDe items uit de vragenlijst vormen samen vier hoofdschalen en 17 subschalen. Devier hoofdschalen zijn de totaalschalen voor kennis, reflectie, vaardigheden en attitu-den. De subschalen representeren ieder een cel uit Tabel 10.1, met enkele uitzonde-ringen: 6• De vaardigheid democratisch handelen bleek in de factoranalyses te bestaan uit twee factoren; hiervoor zijn dus twee subschalen gevormd: (1) eigen mening naar voren kunnen brengen en (2) naar anderen kunnen luisteren.6 Er zijn exploratieve en confirmatieve factoranalyses uitgevoerd in de fase van de instrumentcon- structie. Voor de technische gegevens hiervan verwijzen we naar Ten Dam e.a. (2010) In COOL zijn de resulterende subschalen gebruikt.116
    • • De attitude democratisch handelen bleek in de factoranalyses eveneens te bestaan uit twee factoren; hiervoor zijn ook twee subschalen gevormd: (1) ieders stem wil- len horen en (2) kritische bijdrage willen leveren.• De vaardigheid maatschappelijk verantwoord handelen en de vaardigheid omgaan met conflicten bleken niet goed onderscheidbaar en zijn samengevoegd tot één sub- schaal.De subschalen hebben in de regel wel, maar niet in alle gevallen, een voldoende be-trouwbaarheid. Voor de subschalen van kennis varieert de betrouwbaarheid van 0.55tot 0.67, voor de subschalen van reflectie van 0.82 tot 0.88, voor de subschalen vanvaardigheid van 0.67 tot 0.78 en voor de subschalen van attitude van 0.57 tot 0.83.We presenteren hier alleen de betrouwbaarheden van de hoofdschalen, die in allegevallen voldoende hoog zijn.In Tabel 10.3 – 10.6 staan de items per hoofdschaal en per subschaal, met de be-trouwbaarheid (Cronbachs alfa) van de hoofdschaal. De items uit de kennistoets zijningekort; met … wordt aangegeven dat tekstdelen zijn weggelaten.Tabel 10.3 – Overzicht items ‘kennis’Kennis totaal: 27 items, alfa 0.80. Vraagvorm: het juiste, respectievelijk beste antwoord kiezenSubschaal kennis democratisch handelen (8 items)Wetten zijn … Wat is het juiste antwoord?Dat er verschillende politieke partijen zijn is belangrijk omdat ...In Nederland bestaan verschillende kranten en televisiezenders. Dat is belangrijk omdat ...Een land wordt ‘ondemocratisch’ genoemd als ...... schoolfeest ... Wat is een democratische manier om die leerlingen te kiezen?Alle kinderen hebben recht op ... Wat is het juiste antwoord?... speelplaats in de straat ... Hoe kunnen ze dat op een democratische manier bereiken?... democratische spelregels ... Waar let je dan op?Subschaal kennis maatschappelijk verantwoord handelen (6 items)Waarom is het verboden om te roken in de bus of de trein?Je merkt dat je fiets is gestolen. Wat kun je nu het beste doen?... foute beslissing scheidsrechter ... Wat hoor je dan te doen?Toen je boos was, heb je de buurman flink uitgescholden. Wat kun je nu het beste doen?... fiets van klasgenoot ... Wat kun je het beste doen?... oude man in bus ... Wat moet je doen?Subschaal kennis omgaan met conflicten (7 items)... alle drie iets anders willen ... Wat is de beste oplossing?... ruzie op het schoolplein ... Wat kun je het beste doen?... zelf fout bij ruzie met klasgenoot ... Wat kun je het beste doen?... vrienden pesten vriendelijke buurvrouw ... Wat kun je het beste doen?... ruzie wordt steeds erger ... Wat kun je het beste doen?... om de beurt afwassen ... Wat kun je het beste doen?... balspel op sportdag ... Wat is de beste oplossing? 117
    • Subschaal kennis omgaan met verschillen (6 items)Het is een vooroordeel als iemand zegt dat ……... Wim even de klas uit ... Waarom doet de lerares dat?... baan in een winkel ... Wanneer is het discriminatie als zij de baan niet krijgt?Welke van de volgende uitspraken is waar?Uitspraken zoals dikke mensen zijn gezellig […] zijn voorbeelden van ……... thuis bij Esra ... Wat kan Anouk het beste zeggen?Tabel 10.4 – Overzicht items ‘reflectie’Reflectie totaal: 28 items, alfa 0.94. Vraagvorm: hoe vaak denk je over….Subschaal reflectie democratisch handelen (6 items)Gelijke rechten van mensen met een verschillende huidskleurOf de regering genoeg luistert naar mensen die veranderingen willenOf er naar leerlingen wordt geluisterd op jouw schoolOf er in je klas genoeg rekening gehouden wordt met wat iedereen wilHoe je kan zorgen dat er wat verandert op schoolOf je meer zou moeten luisteren naar leerlingen die nauwelijks iets durven zeggenSubschaal reflectie maatschappelijke verantwoord handelen (6 items)Hoe het komt dat er rijke en arme landen zijnOf het eerlijk of oneerlijk is dat sommige kinderen meer vrienden hebben dan andereHoe het komt dat sommige leerlingen pestenHoe het komt dat sommige leerlingen graag de baas spelenWat jij kan doen om te zorgen dat er minder gepest wordt op schoolWat jij kan doen voor mensen die het minder goed hebben dan jijSubschaal reflectie omgaan met conflicten (8 items)Of de ander misschien toch gelijk hadHoe de ruzie voorkomen had kunnen wordenWat je zelf fout hebt gedaanWaarom de ander zich zo heeft gedragenOf je in een andere situatie hetzelfde zou doenOf je het beter anders had kunnen aanpakkenOf je het beter anders had kunnen aanpakkenWat jijzelf hebt gedaan waardoor de ruzie ontstondSubschaal reflectie omgaan met verschillen (8 items)Of geloof iets uitmaakt voor hoe je bentWaarom sommige meisjes een hoofddoek willen dragenWaarom sommige ouders hun kinderen verbieden om te gaan met kinderen uit een andere cultuurHoe het komt dat sommige kinderen zichzelf beter vinden dan een anderHoe het komt dat mensen van verschillende afkomst weinig met elkaar omgaan (afkomst is: waar je geborenbent, wie je ouders zijn)Hoe het komt dat je het ene kind eerder als vriend uitkiest dan het andere kindWaarom sommige kinderen niet met andere kinderen willen omgaanHoe het komt dat sommige klassen bestaan uit allemaal groepjes die niet zo veel met elkaar te maken willenhebben118
    • Tabel 10.5 – Overzicht items ‘vaardigheden’Vaardigheden totaal: 15 items, alfa 0.85. Vraagvorm: hoe goed ben jij in…..Subschaal vaardigheid democratisch handelen 1 – eigen mening naar voren kunnen brengen (3 items)In een discussie duidelijk maken wat je vindtVasthouden aan je eigen mening, als je echt gelijk hebtOpkomen voor je opvattingSubschaal vaardigheid democratisch handelen 2 – naar anderen kunnen luisteren (3 items)Anderen uit laten sprekenLuisteren naar de redenen waarom anderen iets anders kiezenSnappen hoe een ander denktSubschaal vaardigheid maatschappelijk verantwoord handelen en omgaan met conflicten (5 items)Indenken hoe een ander zich voelt en daarmee rekening houdenJe voorstellen hoe een ander zich voelt als jij een mening over hem of haar geeftWeer vrienden makenBegrijpen wat de ander voeltEen oplossing verzinnen waarmee iedereen tevreden isSubschaal vaardigheid omgaan met verschillen (4 items)Je aanpassen aan andermans regels en gewoontenJe normaal gedragen in een onbekende omgevingJe taalgebruik aanpassen aan degene met wie je spreektRekening houden met de wensen van anderen als je samen een beslissing moet nemenTabel 10.6 – Overzicht items ‘attituden’Attituden totaal: 24 items, alfa 0.90. Vraagvorm: wat past bij jou?Subschaal attitude democratisch handelen 1 – ieders stem willen horen (3 items)Mensen moeten goed naar elkaar luisteren, ook al verschillen ze van meningAls iemand in de klas het ergens mee oneens is, moet hij/zij de kans krijgen om dat uit te leggenIn een discussie moet iedereen de kans krijgen om iets te zeggenSubschaal attitude democratische handelen 2 – kritische bijdrage willen leveren (3 items)Ik wil graag met anderen praten over wat er in de wereld gebeurtAls we in de klas praten over een onderwerp uit het nieuws, wil ik daar ook wel iets over zeggenIk vind het belangrijk dat kinderen en jongeren zich inzetten voor een rechtvaardige wereldSubschaal attitude maatschappelijk verantwoord handelen (6 items)Als we in de klas praten over een onderwerp uit het nieuws, wil ik daar ook wel iets over zeggenIk vind het belangrijk dat kinderen en jongeren zich inzetten voor een rechtvaardige wereldAls ik met vrienden in het park een picknick heb gehad, is het normaal dat we de rommel opruimenJe moet sorry zeggen als je iets hebt gedaan waar de ander verdriet van heeftHet is normaal dat je meehelpt in het huishouden (bijvoorbeeld met afwassen, tafeldekken, opruimen,schoonmaken)Als een klasgenoot lang ziek is, vind ik dat er iemand uit de klas bij hem op bezoek moet gaan 119
    • Subschaal attitude omgaan met conflicten (6 items)Als ik ruzie heb, dan wil ik rekening houden met de anderAls ik ruzie heb, wil ik met de ander goed blijven omgaan, ook als we het niet eens wordenAls ik ruzie heb, probeer ik de ander serieus te nemenAls ik ruzie heb, wil ik uitzoeken waar we het eens zijn en waar we van mening verschillenAls ik ruzie heb, ben ik bereid een oplossing te zoeken waar we allebei tevreden mee kunnen zijnAls ik ruzie heb, wil ik wel toegeven als ik merk dat ik ongelijk hebSubschaal attitude omgaan met verschillen (6 items)Ik ben er nieuwsgierig naar hoe mensen in andere landen levenIk vind het goed iets te leren over andere culturenIk vind het leuk om iets te weten van verschillende soorten geloofVerschillen in culturen maken het leven leukerIk vind het leuk om mensen te kennen die een ander geloof hebbenIk vind het leuk om te gaan met mensen die andere gewoonten hebben dan ik10.4 SchaalscoresIn Tabel 10.7 en 10.8 presenteren we de gemiddelde schaalscores naar steekproefen vervolgens ook nog naar sociaal-etnische achtergrond, voor groep 8. We be-perken ons hier tot de scores op de vier hoofdschalen (kennis, reflectie, vaardig-heden en attituden).Tabel 10.7 – Schaalscores op de vier componenten van burgerschapscompetentie referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nkennis 0.78 0.16 8617 0.77 0.16 10809reflectie 2.25 0.56 8616 2.27 0.57 10809vaardigheden 3.01 0.39 8615 3.02 0.40 10806attituden 2.95 0.42 8631 2.96 0.43 10821120
    • Tabel 10.8 – Schaalscores op de vier componenten van burgerschapscompetentie,naar sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nKennisLBO all. 0.71 0.16 500 0.70 0.16 1077LBO aut. 0.73 0.17 966 0.72 0.17 1356MBO all. 0.73 0.16 368 0.73 0.16 639MBO aut. 0.78 0.16 3255 0.77 0.16 3750HBO/WO all. 0.78 0.13 219 0.77 0.14 352HBO/WO aut. 0.83 0.14 2835 0.83 0.14 3109ReflectieLBO all. 2.40 0.55 500 2.44 0.56 1077LBO aut. 2.17 0.55 969 2.19 0.56 1359MBO all. 2.47 0.57 370 2.45 0.57 642MBO aut. 2.19 0.56 3251 2.20 0.57 3746HBO/WO all. 2.37 0.61 218 2.40 0.58 352HBO/WO aut. 2.29 0.54 2835 2.28 0.54 3109VaardighedenLBO all. 3.12 0.41 499 3.15 0.42 1075LBO aut. 2.95 0.42 968 2.95 0.43 1356MBO all. 3.13 0.43 365 3.13 0.42 637MBO aut. 2.97 0.39 3255 2.98 0.39 3751HBO/WO all. 3.10 0.41 219 3.13 0.41 353HBO/WO aut. 3.04 0.37 2834 3.04 0.37 3108AttitudenLBO all. 3.09 0.41 499 3.11 0.42 1075LBO aut. 2.86 0.42 970 2.86 0.43 1358MBO all. 3.10 0.45 366 3.09 0.44 638MBO aut. 2.90 0.42 3260 2.90 0.43 3755HBO/WO all. 3.06 0.42 219 3.10 0.42 353HBO/WO aut. 2.99 0.41 2841 2.99 0.41 3115 121
    • 11 Het uitstroomformulier groep 811.1 Het uitstroomformulierHet uitstroomformulier is ontwikkeld om de situatie van de leerling in groep 8 inkaart te brengen. Het bevat vragen over het vervolgadvies basisonderwijs en de resul-taten op de Cito Eindtoets basisonderwijs. Van die toets zijn niet alleen de totaalsco-res, maar ook de scores voor de onderdelen taal, rekenen, studievaardigheden enwereldoriëntatie (facultatief) bij de scholen opgevraagd. De betreffende formulierenzijn in mei 2011, toen het definitieve vervolgadvies bekend was, opgestuurd naar descholen.11.2 ResponsHet COOL-bestand bevat voor groep 8 gegevens van 9444 leerlingen in de referen-tiesteekproef en 12538 in de totale steekproef. In de referentiesteekproef is voor74.7% van de leerlingen het uitstroomformulier ingevuld, de totale steekproef voor68.3% van de leerlingen. Ten opzichte van de leerlingen die ook hebben deelgenomenaan de afname van de taal-, lees- en rekentoetsen bedraagt de respons 75.7%, respec-tievelijk 69.5%.Om op mogelijk selectieve uitval te controleren is in Tabel 11.1 de feitelijke verde-ling van de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestandafgezet tegen de verdeling daarvan in het uitstroombestand. 123
    • Tabel 11.1 – Respons op het uitstroomformulier: verdeling sociaal-etnische achter-grond binnen het totaalbestand en binnen het uitstroombestand (in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal uitstroom totaal uitstroomLBO all. 6.0 6.3 10.6 10.2LBO aut. 11.8 12.7 13.4 13.7MBO all. 4.4 4.4 6.5 5.7MBO aut. 39.9 40.6 36.2 37.6HBO/WO all. 2.6 2.5 3.5 3.1HBO/WO aut. 35.2 33.5 29.8 29.7n 8895 6653 11848 8123De verschillen tussen de verdeling van sociaal-etnische achtergrond binnen het to-taalbestand en het uitstroombestand zijn zeer gering.11.3 De Eindtoets basisonderwijsAan de Cito Eindtoets basisonderwijs (zie www.cito.nl) hebben in het voorjaar van2011 bijna 6000 basisscholen deelgenomen. Dat is ruim 85% van alle Nederlandsebasisscholen. Wanneer een school gekozen heeft voor afname van de Cito-toets die-nen in principe alle leerlingen in groep 8 deze toets te maken. Een uitzondering zijn:(allochtone) leerlingen die aan het begin van groep 8 vier jaar of korter in Nederlandzijn en die het Nederlands onvoldoende beheersen om de opgaven goed te lezen, enleerlingen die naar verwachting naar het (voortgezet) speciaal onderwijs of naar hetpraktijkonderwijs gaan. Van de leerlingen die aan COOL hebben deelgenomen enwaarvan de uitstroomformulieren zijn ingevuld, heeft in de referentiesteekproef76.2% aan de Eindtoets basisonderwijs meegedaan en in de totale steekproef 78.2%.Of er verschillen zijn in deelname tussen de sociaal-etnische categorieën kan wordenafgelezen in Tabel 11.2.124
    • Tabel 11.2 – Deelname aan de Eindtoets basisonderwijs, naar sociaal-etnische ach-tergrond (in %) referentiesteekproef totale steekproefLBO all. 83.8 85.4LBO aut. 74.1 77.5MBO all. 82.0 85.9MBO aut. 73.0 74.5HBO/WO all. 84.3 84.9HBO/WO aut. 77.4 78.1n 6653 8123De tabel maakt duidelijk dat een groter deel van de allochtone leerlingen aan de Eind-toets heeft deelgenomen dan van de autochtone leerlingen en dat de percentages in detotale steekproef bovendien nog veel hoger liggen dan in de referentiesteekproef.De totaalscore op de Cito Eindtoets varieert van 500 tot en met 550. Deze totaalscoreis de (bewerkte) optelsom van de scores op drie onderdelen: taal, rekenen en studie-vaardigheden. Wereldoriëntatie is een facultatief onderdeel dat minder vaak wordtafgenomen en niet in de totaalscore is verwerkt. De taaltoets bestaat uit 100 items, derekentoets uit 60, de toets studievaardigheden 40 en de toets wereldoriëntatie uit 90items. In Tabel 11.3 presenteren we allereerst de scores op de Eindtoets uitgesplitstnaar steekproef. In Tabel 11.4 volgen vervolgens de resultaten van de leerlingen opde onderdelen van de Eindtoets en de totaalscore, uitgesplitst naar steekproef en soci-aal-etnische achtergrond.Tabel 11.3 – Resultaten op de Eindtoets basisonderwijs referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd ntaal 74.6 12.5 5195 73.8 12.7 6494rekenen 42.4 11.0 5157 42.0 11.1 6456studievaardigheden 29.5 6.2 5143 29.1 6.3 6440wereldoriëntatie 65.2 12.5 4103 64.0 12.9 5144totaal 535.3 9.3 5367 534.7 9.5 6672 125
    • Tabel 11.4 – Resultaten op de Eindtoets basisonderwijs, naar sociaal-etnische ach-tergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd nTaalLBO all. 65.7 11.4 337 65.6 12.1 684LBO aut. 68.8 13.4 613 68.6 13.3 851MBO all. 70.7 13.3 231 70.5 12.8 389MBO aut. 73.6 12.0 1905 73.6 12.0 2205HBO/WO all. 75.1 10.6 135 74.9 10.8 208HBO/WO aut. 79.5 10.8 1671 79.5 10.7 1828RekenenLBO all. 37.0 11.2 329 37.7 11.5 677LBO aut. 37.9 11.4 608 37.6 11.3 846MBO all. 39.1 12.3 226 39.5 12.2 384MBO aut. 41.2 10.6 1899 41.1 10.6 2199HBO/WO all. 44.4 11.2 135 44.5 11.2 207HBO/WO aut. 46.5 9.5 1661 46.4 9.5 1818StudievaardighedenLBO all. 25.4 6.3 326 25.5 6.5 674LBO aut. 26.8 6.2 607 26.5 6.4 844MBO all. 27.1 6.8 219 27.0 6.7 377MBO aut. 28.8 6.1 1900 28.8 6.0 2200HBO/WO all. 30.5 6.1 134 30.2 6.4 205HBO/WO aut. 31.9 5.1 1658 31.9 5.2 1815WereldoriëntatieLBO all. 53.0 13.5 212 52.4 12.9 451LBO aut. 60.6 12.4 465 59.2 12.8 671MBO all. 58.2 13.8 147 57.1 13.6 258MBO aut. 64.3 11.7 1623 64.3 11.7 1886HBO/WO all. 62.3 15.2 79 61.9 13.5 134HBO/WO aut. 70.1 10.4 1394 70.1 10.4 1538Eindtoets totaalLBO all. 528.8 9.2 351 528.8 9.3 702LBO aut. 530.7 9.4 623 530.3 9.6 859MBO all. 531.9 10.2 241 531.7 10.1 400MBO aut. 534.2 8.8 1968 534.2 8.9 2269HBO/WO all. 536.7 8.7 140 536.3 8.8 213HBO/WO aut. 539.4 7.7 1721 539.3 7.7 1880126
    • 11.4 Vervolgadvies voortgezet onderwijsAan de leerkrachten van groep 8 is de vraag gesteld ‘Welk advies voor voortgezetonderwijs heeft de betrokken leerling ontvangen? N.B. U kunt meerdere antwoordenaanstrepen als er sprake is van een gecombineerd advies.’ Zij konden kiezen uit achtadviezen en daarnaast nog de opties ‘(nog) geen advies’ en ‘ander advies’. In Tabel11.5 volgt allereerst een overzicht van de adviezen uitgesplitst naar steekproef; ver-volgens volgt in Tabel 11.6 nog een nadere uitsplitsing naar sociaal-etnische achter-grond. De beide opties ‘(nog) geen advies’ en ‘ander advies’ zijn in deze tabellen nietopgenomen.Tabel 11.5 – Advies voortgezet onderwijs (in %) referentiesteekproef totale steekproefVMBO-PRO 0.5 0.7VMBO-PRO/BBL+LWOO 0.1 0.1VMBO-BBL+LWOO 6.2 7.3VMBO-BBL+LWOO/BBL 0.3 0.3VMBO-BBL 2.8 3.0VMBO-BBL/KBL 1.2 1.2VMBO-KBL 10.4 10.8VMBO-KBL/GL 0.6 0.6VMBO-GL 4.7 4.7VMBO-GL/TL 1.7 1.5VMBO-TL 19.2 19.3VMBO-TL/HAVO 7.2 7.7HAVO 19.2 18.4HAVO/VWO 9.6 9.4VWO 16.2 14.9n 6732 8158 127
    • Tabel 11.6 – Advies voortgezet onderwijs, naar sociaal-etnische achtergrond (in %)Referentiesteekproef LBO all. LBO aut. MBO all. MBO aut. HBO/WO HBO/WO all. aut.VMBO-PRO 1.5 1.4 1.5 0.5 0.6 0.0VMBO-PRO/BBL+LWOO 0.3 0.1 0.0 0.1 0.0 0.1VMBO-BBL+LWOO 16.7 14.5 8.4 5.7 5.5 1.7VMBO-BBL+LWOO/BBL 1.0 0.6 0.4 0.3 0.0 0.1VMBO-BBL 6.2 5.6 4.7 3.1 1.8 0.9VMBO-BBL/KBL 3.1 2.4 1.5 1.2 0.6 0.5VMBO-KBL 17.4 17.0 12.4 12.8 8.6 3.9VMBO-KBL/GL 1.3 1.0 0.7 0.6 1.2 0.3VMBO-GL 2.8 8.6 5.1 5.5 1.8 2.3VMBO-GL/TL 4.1 1.7 1.5 1.6 2.5 1.3VMBO-TL 19.5 20.0 23.4 23.1 16.0 14.7VMBO-TL/HAVO 7.9 5.7 6.6 7.2 10.4 7.6HAVO 9.0 12.5 18.2 19.0 21.5 24.2HAVO/VWO 5.1 5.5 8.4 8.2 7.4 13.8VWO 4.1 3.5 7.3 11.1 22.1 28.6n 390 806 274 2596 163 2132Totale steekproef LBO all. LBO aut. MBO all. MBO aut. HBO/WO HBO/WO all. aut.VMBO-PRO 2.0 1.7 1.6 0.4 0.4 0.0VMBO-PRO/BBL+LWOO 0.5 0.2 0.2 0.1 0.0 0.1VMBO-BBL+LWOO 18.5 15.8 9.2 5.8 6.7 1.7VMBO-BBL+LWOO/BBL 0.5 0.7 0.7 0.3 0.0 0.1VMBO-BBL 5.2 5.2 5.5 3.1 1.7 0.9VMBO-BBL/KBL 2.8 2.1 1.4 1.1 0.4 0.5VMBO-KBL 16.0 16.5 12.2 12.7 7.5 4.5VMBO-KBL/GL 1.2 1.1 0.7 0.7 0.8 0.3VMBO-GL 4.2 7.9 6.0 5.3 2.5 2.2VMBO-GL/TL 2.2 1.5 0.9 1.5 1.7 1.3VMBO-TL 18.4 20.0 23.0 23.1 16.7 14.7VMBO-TL/HAVO 9.3 6.5 6.5 7.9 11.3 7.6HAVO 10.4 11.9 15.2 19.0 20.8 24.0HAVO/VWO 5.2 5.5 9.0 8.2 10.8 13.6VWO 3.5 3.3 7.8 10.9 18.8 28.5n 762 1070 434 2941 240 2312128
    • Deel IVDe gezinsgegevens
    • 12 De oudervragenlijst groep 212.1 InleidingDe ouders van de leerlingen in de groep 2 is verzocht een schriftelijke vragenlijst in tevullen. Deze vragenlijst bestond uit drie onderdelen: A. Samenstelling van het gezin;B. Achtergrondgegevens van de ouders of verzorgers; en C. De voor- en vroegschool-se periode. 7De vragenlijst is dezelfde als die van de eerste COOL-meting (vgl. Driessen e.a.,2009). Het algemene doel ervan is om een indruk te krijgen van de situatie waarin hetkind thuis opgroeit. Daarvoor wordt informatie gevraagd over een serie gezins-structurele en gezinsculturele kenmerken. Onder de eerste groep vallen aspecten alsgezinssamenstelling, sociaal milieu, en geboorteland. Onder de tweede groep vallenkenmerken die te maken hebben met de religie en taal. Daarnaast zijn ook vragengesteld over taalstimuleringsactviteiten in het gezin en over het bezoek van een kin-derdagverblijf en peuterspeelzaal en deelname aan voor- en vroegschoolse program-ma’s.12.2 Respons op de oudervragenlijstenHet COOL-bestand bevat voor groep 2 gegevens van 9261 leerlingen in de referen-tiesteekproef en 11995 in de totale steekproef. In de referentiesteekproef heeft 63.5%van de ouders de vragenlijst ingevuld, in de totale steekproef gaat het om 58.5% vande ouders. Ten opzichte van de leerlingen die ook hebben deelgenomen aan de afna-me van de taal- en rekentoets bedraagt de respons 65.2%, respectievelijk 60.3%.De respons op de oudervragenlijst is bepaald vanuit twee perspectieven. Eerst zijn wenagegaan of er zich verschillen voordoen in het beantwoorden van de oudervragen-lijsten die te maken hebben met de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen.Vervolgens hebben we gekeken of er een relatie is met de toetsprestaties van de leer-lingen.7 Deze vragenlijst was bestemd voor alle ouders van kinderen in groep 2. Daarnaast is de vragenlijst ook voorgelegd aan ouders van kinderen in de groepen 5 en 8 die niet hebben deelgenomen aan de eerste meting van COOL. Deze ouders hoefden alleen de delen A en B in te vullen. Deze rapportage richt zich op de gegevens van groep 2. 131
    • In Tabel 12.1 vergelijken we de verdeling van de sociaal-etnische achtergrond in hettotaalbestand met die in het oudervragenlijstbestand.Tabel 12.1 – Respons op de oudervragenlijst: verdeling sociaal-etnische achtergrondbinnen het totaalbestand en binnen het oudervragenlijstbestand (in %) referentiesteekproef totale steekproef totaal oudervragenlijst totaal oudervragenlijstLBO all. 5.5 4.2 9.6 7.0LBO aut. 9.5 9.1 10.9 10.2MBO all. 5.1 3.9 7.2 5.4MBO aut. 38.6 39.0 35.4 37.2HBO/WO all. 3.8 2.8 4.7 3.4HBO/WO aut. 37.5 41.0 32.2 36.9n 8558 5562 11119 6655De tabel laat zien dat alle drie de categorieën met allochtone leerlingen in het ouder-vragenlijstbestand ondervertegenwoordigd zijn. Nadere analyse brengt aan het lichtdat de respons onder allochtone ouders in de referentiesteekproef ongeveer 50%bedraagt en die onder autochtone ouders 70%; in de totale steekproef gaat het om 45,respectievelijk 65%. Dat de respons in de totale steekpoef wat lager ligt, komt omdatdeze steekproef meer kinderen uit achterstandssituaties, en dan met name allochtonen,bevat.Tabel 12.2 geeft een beeld van de relatie tussen respons en toetsprestaties. Het betrefteen overzicht van de toetsscores op de beide in groep 2 afgenomen toetsen van leer-lingen mèt en leerlingen zònder oudergegevens.Tabel 12.2 – Toetsresultaten naar respons oudervragenlijst (gemiddelden en stan-daarddeviaties) referentiesteekproef totale steekproef Taal voor Ordenen Taal voor Ordenen Kleuters Kleutersgeen respons 62.4 57.4 60.9 56.7wel respons 65.1 60.4 64.4 60.1sd 10.8 13.8 10.9 13.8n 7603 7199 9828 9439132
    • Tabel 12.2 laat voor zowel de referentie- als totale steekproef zien dat er een tendensis dat leerlingen waarvan de ouders de vragenlijsten hebben ingevuld op de beidetoetsen hoger scoren dan leerlingen waarvan de ouders die vragenlijst niet hebbeningevuld. De verschillen bedragen tussen de een vijfde en een derde standaarddevia-tie.12.3 Beschrijving van de resultatenBij de presentatie van de resultaten op de vragen wordt de volgorde van de vragenlijstgevolgd. Steeds wordt de vraag letterlijk weergegeven, waarna in tabelvorm de verde-ling van de antwoorden volgt. Het betreft het percentage leerlingen per antwoordcate-gorie en het totaal aantal leerlingen waarvoor die vraag is beantwoord. In verband met‘missings’ variëren deze aantallen per vraag. Er vindt steeds een uitsplitsing plaatsnaar referentiesteekproef en totale steekproef. In de referentiesteekproef zijn er 5877leerlingen met een oudervragenlijst en in de totale steekproef 7016.A. Samenstelling van het gezinToelichting: Het gaat om de situatie zoals die op dit moment is.Tabel 12.3 – V1. Welke ouders of verzorgers zijn er in uw gezin? (in %) referentiesteekproef totale steekproefmoeder (of verzorgster) én vader (of verzorger) 90.4 89.0alleen moeder (of verzorgster) 7.0 7.9alleen vader (of verzorger) 0.3 0.4twee ouders (of verzorgers) van hetzelfde geslacht 1.5 1.8anders 0.8 0.9n 5849 6973Tabel 12.4 – V2. Wie vult deze vragenlijst in? (in %) referentiesteekproef totale steekproefmoeder (of verzorgster) van het kind 85.7 84.7vader (of verzorger) van het kind 14.3 15.3n 5877 7016 133
    • Tabel 12.5 – V3a. Zijn er in uw gezin nog andere thuiswonende kinderen dan het kinddat meedoet aan het onderzoek? (in %) referentiesteekproef totale steekproefja 79.3 78.3n 5858 6990Tabel 12.6 – V3b. Hoeveel van die thuiswonende kinderen zijn ouder of even oud(tweeling) en hoeveel zijn jonger dan het kind dat meedoet aan het onderzoek? (in%) 8 referentiesteekproef totale steekproefAantal oudere of even oude kinderen0 22.2 22.11 55.0 53.72 17.3 17.93 3.9 4.24 1.1 1.35 of meer 0.5 0.8n 3876 4576Aantal jongere kinderen0 30.5 30.21 57.8 57.62 10.5 11.03 1.0 1.04 0.1 0.25 of meer 0.1 0.1n 3298 38548 Sommige ouders gaven bij vraag 3a aan dat er geen andere thuiswonende kinderen waren, maar vulden bij vraag 3b wel in dat er nog een of meer andere thuiswonende kinderen waren. In die ge- vallen is vraag 3a op ‘ja’ gezet. Omgekeerd waren er ook ouders die bij vraag 3a aangaven dat er wel thuiswonende kinderen waren, maar bij vraag 3b invulden dat er geen oudere of even oude kin- deren waren en ook geen jongere kinderen. In die gevallen is vraag 3a op ‘nee’ gezet en vraag 3b op ‘missing’.134
    • Tabel 12.7 – V4. Woont het kind ook nog een deel van de tijd in een ander gezin,bijvoorbeeld in verband met co-ouderschap na scheiding van de ouders? (in %) referentiesteekproef totale steekproefja 4.3 4.3n 5528 6600Tabel 12.8 – V5. Is het kind dat meedoet aan het onderzoek een adoptiekind of pleeg-kind? (in %) referentiesteekproef totale steekproefadoptiekind 0.4 0.5n 5657 6707pleegkind 0.8 0.9n 5598 6622 135
    • B. Achtergrondgegevens van de ouders of verzorgersTabel 12.9 – V6. Waar zijn u en uw partner geboren? En waar het kind? (in %)Toelichting: Bij de volgende vragen wordt vaak iets gevraagd over uzelf en uw part-ner. Met ‘uzelf’ bedoelen we degene die de vragenlijst invult; met ‘uw partner’ be-doelen we de man of vrouw met wie u op dit moment getrouwd bent of samenwoont.Als er geen partner is, hoeft u de vragen daarover niet in te vullen. 9Referentiesteekproef moeder vader kindNederland 86.7 87.3 97.8Suriname 1.1 0.9 0.1Antillen/Aruba 0.5 0.4 0.1Molukken 0.0 0.0 0.0Turkije 2.0 2.6 0.2Marokko 3.2 3.5 0.1voormalig Joegoslavië 0.4 0.4 0.0voormalige Sovjet-Unie 0.3 0.2 0.1Polen 0.5 0.2 0.2China 0.3 0.1 0.3Irak 0.4 0.5 0.1Afghanistan 0.3 0.3 0.0Somalië 0.4 0.3 0.1ander westers land 1.6 1.4 0.6ander niet-westers land 2.2 1.7 0.5n 5710 5455 56389 Voor de rapportage is op basis van wie de vragenlijst heeft ingevuld (Vraag 2), bepaald of ‘uzelf’, respectievelijk ‘uw partner’ de moeder/verzorgster of vader/verzorger is. Ongeveer 2% van de ou- ders heeft echter de vraag over de invuller niet beantwoord, zodat niet kon worden vastgesteld wie ‘uzelf’ en ‘uw partner’ zijn. Omdat verreweg de meeste vragenlijsten (84%) door de moe- ders/verzorgster zijn ingevuld, is voor de ontbrekende gegevens ‘uzelf’ op moeder/verzorgster gezet en ‘uw partner’ op vader/verzorger. Terwille van de leesbaarheid zullen we hierna alleen nog de aanduiding ‘moeder’ en ‘vader’ gebruiken.136
    • Totale steekproef moeder vader kindNederland 82.1 82.3 97.3Suriname 1.3 1.2 0.1Antillen/Aruba 0.6 0.6 0.1Molukken 0.1 0.0 0.0Turkije 3.0 3.9 0.2Marokko 5.2 5.7 0.1voormalig Joegoslavië 0.5 0.5 0.0voormalige Sovjet-Unie 0.3 0.1 0.0Polen 0.5 0.3 0.2China 0.4 0.2 0.3Irak 0.5 0.6 0.1Afghanistan 0.6 0.6 0.0Somalië 0.5 0.4 0.2ander westers land 1.7 1.3 0.6ander niet-westers land 2.8 2.3 0.7n 6761 6430 6698Tabel 12.10 – V7. Waar zijn de grootouders geboren? (in %)Referentiesteekproef van moeders kant van vaders kant oma opa oma opaNederland 82.7 82.5 83.7 83.5Suriname 1.4 1.4 1.3 1.4Antillen/Aruba 0.6 0.6 0.7 0.6Molukken 0.1 0.2 0.1 0.2Turkije 2.7 2.7 3.0 3.0Marokko 3.7 3.7 3.8 3.8voormalig Joegoslavië 0.5 0.4 0.5 0.4voormalige Sovjet-Unie 0.3 0.3 0.2 0.1Polen 0.5 0.5 0.2 0.2China 0.4 0.4 0.3 0.3Irak 0.4 0.4 0.4 0.4Afghanistan 0.3 0.3 0.3 0.3Somalië 0.5 0.4 0.4 0.4ander westers land 2.6 2.6 2.2 2.3ander niet-westers land 3.3 3.5 2.9 3.1n 5715 5707 5628 5621 137
    • Totale steekproef van moeders kant van vaders kant oma opa oma opaNederland 77.2 77.2 78.4 78.1Suriname 1.8 1.8 1.6 1.7Antillen/Aruba 0.7 0.7 0.8 0.8Molukken 0.2 0.3 0.3 0.3Turkije 4.0 4.1 4.4 4.4Marokko 5.8 5.7 5.9 5.8voormalig Joegoslavië 0.6 0.5 0.6 0.6voormalige Sovjet-Unie 0.3 0.3 0.2 0.1Polen 0.5 0.5 0.3 0.3China 0.5 0.5 0.3 0.3Irak 0.5 0.5 0.6 0.6Afghanistan 0.4 0.4 0.5 0.5Somalië 0.6 0.6 0.5 0.5ander westers land 2.6 2.6 2.1 2.2ander niet-westers land 4.3 4.2 3.6 3.8n 6800 6781 6664 6658Tabel 12.11 – V8a. Hoeveel jaar wonen u en uw partner in Nederland? (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vaderminder dan 3 jaar 0.7 0.5 0.9 0.83-5 jaar 0.7 0.4 0.9 0.66-9 jaar 3.2 1.5 4.5 2.310 of meer jaar 10.6 11.8 13.7 15.8altijd al 84.8 85.7 80.1 80.7n 5763 5366 6865 6348Tabel 12.12 – V8b. Hoeveel jaar woont uw kind in Nederland? (in %) referentiesteekproef totale steekproefminder dan 1 jaar 0.2 0.21-3 jaar 1.0 1.34-5 jaar 1.4 1.6meer dan 5 jaar 2.1 2.7altijd al 95.3 94.2n 5771 6875138
    • Tabel 12.13 – V9. Hebben u of uw partner nu of in het verleden in Nederland asielaangevraagd? (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vaderja 1.9 2.4 2.6 3.2n 5721 5449 6817 6446Tabel 12.14 – V10a. Wat is het hoogste opleidingsniveau dat u en uw partner hebbengevolgd? (in %)Toelichting: Als u niet het precieze type weet (bv. omdat het om een avondopleidinggaat of omdat de opleiding in het buitenland is gevolgd), probeer dan een zo goedmogelijke inschatting te geven. Kleuteronderwijs niet meetellen. referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vadergeen onderwijs gevolgd 1.3 0.9 2.0 1.51-3 jaar lager onderwijs / basisonderwijs 0.8 0.8 1.3 1.24-6 jaar lager onderwijs / basisonderwijs 2.8 2.5 3.6 3.11-2 jaar lager beroepsonderwijs (IBO/LBO/VBO) 1.9 2.2 2.5 2.83-4 jaar lager beroepsonderwijs (IBO/LBO/VBO) 8.4 12.4 9.1 12.81-2 jaar MULO/MAVO 1.7 1.4 1.9 1.73-4 jaar MULO/MAVO 8.2 7.2 8.3 7.41-3 jaar HAVO/HBS/MMS/VWO/ atheneum gymnasium 1.8 1.6 1.8 1.84-6 jaar HAVO/HBS/MMS/VWO/ atheneum/ gymnasium 4.3 3.1 4.0 3.1middelbaar beroepsonderwijs ((K)MBO of leerlingwezen) 34.8 32.3 34.1 31.3hoger beroepsonderwijs (HBO) 24.1 23.7 22.4 22.1wetenschappelijk onderwijs (universiteit) 9.9 11.9 9.0 11.2n 5741 5415 6826 6393 139
    • Tabel 12.15 – V10b. Van welk onderwijstype hebben u en uw partner het diplomabehaald? 10 (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vadergeen enkel diploma 6.2 6.6 8.7 8.8lager beroepsonderwijs (IBO/LBO/VBO) 9.4 12.3 10.5 13.3MULO/MAVO 8.3 7.6 8.5 7.8HAVO/HBS/MMS/VWO/atheneum/gymnasium 5.4 4.5 5.1 4.7middelbaar beroepsonderwijs (MBO/KMBO) 39.1 35.6 38.0 34.2of leerlingwezenhoger beroepsonderwijs (HBO) 22.8 22.6 21.0 21.2wetenschappelijk onderwijs (universiteit) 8.8 10.8 8.1 10.0n 5721 5358 6789 6307Tabel 12.16 – V11. Hebben u en uw partner een betaalde baan voor 12 uur of meerper week? (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vaderja 70.8 94.4 68.3 92.6n 5726 5403 6820 639410 In de vragenlijst konden de ouders van elk onderwijstype afzonderlijk aangeven of ze daarvan een diploma hadden behaald. De tabel geeft een overzicht van het hoogste onderwijstype waarvan een diploma is behaald.140
    • Tabel 12.17 – V12. Tot welke kerk of geloof rekenen u en uw partner zich? En totwelke rekent u het kind? (in %)Referentiesteekproef moeder vader kindtot geen enkele kerk of geloof 41.0 43.0 47.4Rooms-Katholieke kerk 27.5 26.4 22.5Protestantse Kerk in Nederland (incl. Nederlandse Hervormde Kerk; 15.0 14.5 13.8Gereformeerde Kerken in Nederland; Evangelisch-Lutherse Kerk)Protestants Orthodoxe kerk (o.a. Gereformeerde Kerken vrijgemaakt; 2.8 2.8 2.8Christelijk Gereformeerde Kerken; Gereformeerde Gemeenten)Pinkster- en Evangeliegemeenten 1.4 1.3 1.4een andere Christelijke kerk 1.5 1.3 1.4Islam 9.0 9.2 9.2een andere 1.8 1.5 1.5n 5761 5426 5585Totale steekproef moeder vader kindtot geen enkele kerk of geloof 38.8 41.0 45.1Rooms-Katholieke kerk 26.6 25.1 21.8Protestantse Kerk in Nederland (incl. Nederlandse Hervormde Kerk; 13.5 13.1 12.4Gereformeerde Kerken in Nederland; Evangelisch-Lutherse Kerk)Protestants Orthodoxe kerk (o.a. Gereformeerde Kerken vrijgemaakt; 2.5 2.4 2.4Christelijk Gereformeerde Kerken; Gereformeerde Gemeenten)Pinkster- en Evangeliegemeenten 1.5 1.3 1.4een andere Christelijke kerk 1.7 1.5 1.6Islam 13.3 13.7 13.5een andere 2.2 1.9 1.8n 6869 6425 6636 141
    • Tabel 12.18 – V13a. Welke taal spreekt het kind het meeste met … (in %)Referentiesteekproef moeder vader broers vriendjes of zussen of vriendinnetjesNederlands 89.5 89.4 93.2 96.2Fries, streektaal, dialect 4.7 5.1 4.3 3.3buitenlandse taal 5.8 5.5 2.5 0.5n 5688 5402 5209 5625Totale steekproef moeder vader broers vriendjes of zussen of vriendinnetjesNederlands 87.9 87.3 92.8 96.1Fries, streektaal, dialect 4.3 4.7 4.0 3.1buitenlandse taal 7.8 8.0 3.2 0.8n 6735 6360 6121 6647Tabel 12.19 – V13b. Welke taal spreken u en uw partner het meeste met elkaar? (in%) referentiesteekproef totale steekproefNederlands 80.7 77.5Fries, streektaal, dialect 10.4 9.4buitenlandse taal 9.0 13.1n 5477 6481142
    • Tabel 12.20 – V14. In welke mate beheersen u en uw partner de Nederlandse taal?(in %)Toelichting: Niet bedoeld worden Fries, streektalen en dialecten. referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vaderVerstaan/begrijpenniet of zeer slecht 0.1 0.3 0.3 0.4slecht 0.7 0.3 0.9 0.6redelijk 4.1 3.4 5.7 5.1goed 20.6 21.7 22.3 23.0zeer goed 74.4 74.3 70.9 71.0n 5791 5469 6909 6481Sprekenniet of zeer slecht 0.2 0.2 0.4 0.3slecht 1.1 0.7 1.4 0.9redelijk 4.7 4.7 6.4 6.6goed 22.9 23.3 23.8 24.3zeer goed 71.1 71.1 67.9 67.8n 5753 5450 6848 6447Lezenniet of zeer slecht 0.4 0.4 0.7 0.6slecht 1.1 1.0 1.4 1.3redelijk 4.1 5.3 5.4 6.9goed 22.1 23.2 23.5 24.2zeer goed 72.3 70.2 69.0 67.0n 5752 5439 6848 6440Schrijvenniet of zeer slecht 0.5 0.5 0.9 0.7slecht 1.7 1.9 2.1 2.5redelijk 6.1 7.8 7.8 9.7goed 25.8 26.3 26.1 26.5zeer goed 66.0 63.4 63.1 60.6n 5743 5436 6834 6434 143
    • C. De voor- en vroegschoolse periodeTabel 12.21 – V15. Hoe vaak komt het voor dat u en/of uw partner... (in %)Referentiesteekproef elke dag paar keer paar keer (bijna) n per week per maand nooitsamen met het kind een (prenten)boek of strip 43.6 41.0 11.7 3.8 5663 lezenhet kind voorlezen 56.5 30.3 8.7 4.5 5469samen met het kind naar de bibliotheek gaan 1.1 2.9 53.3 42.7 5460samen met het kind praten over wat er op 92.6 6.8 0.6 0.1 5615 school gebeurd issamen met het kind naar een kinderprogramma 55.0 35.5 6.4 3.0 5675 op de tv kijkensamen met het kind een spelletje of computer- 21.1 57.5 18.2 3.2 5669 spelletje doenTotale steekproef elke dag paar keer paar keer (bijna) n per week per maand nooitsamen met het kind een (prenten)boek of strip 41.7 41.6 12.4 4.3 6738 lezenhet kind voorlezen 53.3 31.7 9.7 5.2 6497samen met het kind naar de bibliotheek gaan 1.3 3.8 52.4 42.5 6499samen met het kind praten over wat er op 92.1 7.0 0.7 0.1 6688 school gebeurd issamen met het kind naar een kinderprogramma 56.3 35.0 6.0 2.7 6765 op de tv kijkensamen met het kind een spelletje of computer- 22.0 57.1 17.5 3.3 6754 spelletje doenTabel 12.22 – V16a. Is het kind voordat het naar de basisschool ging naar een crè-che/kinderdagverblijf geweest? (in %)Toelichting: Met een crèche/kinderdagverblijf bedoelen we niet de peuterspeelzaal.Naar de peuterspeelzaal vragen we bij vraag 17. referentiesteekproef totale steekproefja 49.2 49.4n 5619 6679144
    • Tabel 12.23 – V16b. Zo ja, gedurende hoeveel jaar? (in %) 11 referentiesteekproef totale steekproef½ of minder 3.1 3.51 6.5 7.01½ 12.0 12.82 15.3 17.02½ 6.2 6.73 6.7 6.63½ 25.0 22.94 of meer 25.1 23.5n 2688 3183Tabel 12.24 – V16c. Hoeveel dagen gemiddeld per week? (in %) referentiesteekproef totale steekproef½ of minder 1.0 1.01 18.6 17.21½ 6.6 6.22 37.7 35.62½ 6.9 6.83 20.0 20.93½ 1.4 1.44 5.1 6.84½ 0.3 0.65 of meer 2.3 3.4n 2670 3156Tabel 12.25 – V17a. Is het kind voordat het naar de basisschool ging naar een peu-terspeelzaal geweest? (in %) referentiesteekproef totale steekproefja 68.1 68.4n 5660 673911 Bij de vragen v16a, v17a en v18a gaven sommige ouders aan dat hun kinderen niet naar een kinder- dagverblijf, respectievelijk peuterspeelzaal waren geweest en/of niet aan een voor- of vroegschools programma hadden deelgenomen, terwijl ze bij de vervolgvragen (b en c) wel specifieke informatie over de duur en intensiteit of het soort programma hadden gegeven. In die gevallen zijn de a-vragen op ‘ja’ gezet. 145
    • Tabel 12.26 – V17b. Zo ja, gedurende hoeveel jaar? (in %) referentiesteekproef totale steekproef½ of minder 4.5 4.71 14.3 14.21½ 51.7 50.12 of meer 29.6 31.0n 3822 4565Tabel 12.27 – V17c. Hoeveel dagen gemiddeld per week? (in %) referentiesteekproef totale steekproef½ of minder 4.1 3.81 41.4 37.61½ 8.7 8.92 of meer 45.7 49.8n 3810 4551Tabel 12.28 – V18a. Heeft het kind deelgenomen of neemt het nog deel aan een voor-of vroegschools programma? (in %) referentiesteekproef totale steekproefja 8.2 10.9n 5689 6776146
    • Tabel 12.29 – V18b. Zo ja, welk programma is of was dat? (in %)Toelichting: Meerdere antwoorden mogelijk 12 referentiesteekproef totale steekproefOpstap 1.1 2.7Boekenpret 1.3 1.3Kaleidoscoop 0.2 0.3Piramide 2.7 3.5Overstap 0.1 0.3Opstapje 0.4 0.6Startblokken/Basisontwikkeling 0.3 0.4Ko-Totaal 0.3 0.3Spel aan Huis 0.3 0.4Spel- en boekenplan 0.7 0.8een ander programma 1.2 1.4n 5877 7016Tabel 12.30 – V18c. Gedurende hoeveel jaar is of was dat in totaal? (in %) referentiesteekproef totale steekproef½ of minder 9.3 10.41 21.1 20.01½ 30.8 26.32 22.7 27.22½ 3.9 3.83 4.2 4.73½ 3.7 3.44 of meer 4.4 4.1n 432 68512 Bij deze zogenoemde multi-responsvraag konden de ouders van elk voorgegeven programma aan- geven of hun kind er aan heeft deelgenomen of er nog deel aan neemt. Omdat de optie ‘nee’ ont- brak, kan geen onderscheid worden gemaakt tussen echt ‘nee’ en ‘missing’. Bij deze vraag is daar- om als percenteringsbasis de gehele steekproef genomen. 147
    • LiteratuurAli, J., & McInerney, D.M. (2004). Multidimensional assessment of school motiva- tion. Paper presented at the 3th SELF Research Conference, Berlin.Batenburg, T. van, & Werf, M. van der (2004). NSCCT: Verantwoording, normering en handleiding. Groningen: GION.Dam, G. ten, Geijsel, F., Reumerman, R., & Ledoux, G. (2010). Burgerschapscompe- tenties: de ontwikkeling van een meetinstrument. Pedagogische Studiën, 87(5) 313-333.Driessen, G., Mulder, L., Ledoux, G., Roeleveld, J., & Veen, I. van der (2009). Co- hortonderzoek COOL5-18. Technisch rapport basisonderwijs, eerste meting 2007/08. Nijmegen: ITS/ Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut.Hendriks, A.A.J. (1997). The construction of the Five-Factor Personality Inventory (FFPI). Groningen: Rijksuniversiteit Groningen (dissertatie).ITS/SCO-Kohnstamm Instituut/GION/Cito (2005). Cohortonderzoek onderwijsloop- banen COOL 5-18. Voorstel voor een geïntegreerd cohortonderzoek in primair, secundair en tertiair onderwijs. Nijmegen/Amsterdam/Groningen/Arnhem: ITS/ SCO-Kohnstamm Instituut/GION/Cito.Jungbluth, P., Roede, E., & Roeleveld, J. (2001). Validering van het PRIMA- leerlingprofiel. Reeks secundaire analyses op de PRIMA-cohort bestanden. Am- sterdam: SCO-Kohnstamm Instituut.Koomen, H.M.Y., Verschueren, K., & Pianta, R.C. (2007). Leerling Leerkracht Rela- tie Vragenlijst. Handleiding. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Ledoux e.a. (i.v.). Technische rapportage COOL-speciaal onderzoek.Midgley, C., Maehr, M.L., Hruda, L.Z., Anderman, E., Anderman, L., Freeman, K.E., Gheen, M., Kaplan, A., Kumar, R., Middleton, M.J., Nelson, J., Roeser, R., & Urdan, T. (2000). Manual for the Patterns of Adaptive Learning Scales (PALS). Ann Arbor, MI: University of Michigan.Mulder, L., Hoeven-Van Doornum, A. van der, & Roeleveld, J. (2009). Aantallen en typen zorgleerlingen in schooljaar 2007/08. Resultaten van de aanvullende data- verzameling COOL 5-18 ten behoeve van het monitoren van zorgleerlingen. Nij- megen/Amsterdam: ITS/Kohnstamm Instituut.Peetsma, T.T.D., Wagenaar, E., & Kat, E. de (2001). School motivation, future time perspective and well-being of high school students in segregated and integrated schools in the Netherlands and the role of ethnic self-description. In J. K. Koppen, I. Lunt & C. Wulf (Eds.), Education in Europe, cultures, values, institutions in transition. Vol. 14 (pp. 54-74). Münster/New York: Waxmann. 149
    • Pianta, R. C. (2001). Student-teacher relationship scale. Lutz, FL: Psychological Assessment Resources, Inc.Seegers, G., Putten, C.M. van, & Brabander, C.J. de (2002). Goal orientation, per- ceived task outcome and task demands in mathematics tasks: Effects on students attitude in actual task settings. British Journal of Educational Psychology, 72(3), 365-384.Smeets, E., Veen, I. van der, Derriks, M., & Roeleveld, J. (2007) Zorgleerlingen en leerlingenzorg op de basisschool. Nijmegen/Amsterdam: ITS/SCO-Kohnstamm Instituut.Veen, I. van der (2007). Resultaten van het COOL proefonderzoek naar leerlingvra- genlijsten op het sociaal-emotionele domein. Intern rapport. Amsterdam: SCO- Kohnstamm Instituut.150
    • Cohortonderzoek COOL5-18 Tweede meting 2010/11 Cohortonderzoek COOL5-18 Technisch rapport basisonderwijs, tweede meting 2010/11 Geert Driessen | Lia Mulder | Jaap Roeleveld Postbus 9048 6500 KJ Nijmegen G. Driessen, L. Mulder & J. Roeleveld c ool Postbus 94208 1090 GE Amsterdam 5-18ISBN 978 90 5554 439 4 ohortonderzoekNUR 840 o n d e r w ij s l o o p b a n e n