Your SlideShare is downloading. ×
Geert Driessen et al. (2006). Basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek. Zesde meting
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×

Introducing the official SlideShare app

Stunning, full-screen experience for iPhone and Android

Text the download link to your phone

Standard text messaging rates apply

Geert Driessen et al. (2006). Basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek. Zesde meting

292
views

Published on

Published in: Education

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
292
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. BASISONDERWIJS: VELDWERKVERSLAG, LEERLINGGEGEVENS EN OUDERVRAGENLIJSTEN
  • 2. ii
  • 3. Basisonderwijs: veldwerkverslag, leerlinggegevens en oudervragenlijsten Basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek Zesde meting 2004/05 G. Driessen A. van Langen H. Vierke ITS – Nijmegen
  • 4. De particuliere prijs van deze uitgave is € 15,-. € Deze uitgave is te bestellen bij het ITS, 024 - 3653500, www.its-nijmegen.nl of receptie@its.ru.nl. CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK DEN HAAG Driessen, G., Langen, A. van, Vierke, H. Basisonderwijs: veldwerkverslag, leerlinggegevens en oudervragenlijsten. Basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek. Zesde meting 2004/05/ G. Driessen, A. van Langen, H. Vierke – Nijmegen: ITS. ISBN 90 5554 294 6 NUGI 840 © 2006 ITS, Radboud Universiteit Nijmegen Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een retrieval systeem worden opgeslagen, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen. No part of this book/publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher. iv
  • 5. Ten geleide In het schooljaar 1994/95 is het cohortonderzoek Primair Onderwijs (PRIMA) van start gegaan. Het onderzoek wordt uitgevoerd door het ITS te Nijmegen en het SCO-Kohnstamm Instituut te Amsterdam, en gefinancierd door NWO-MaG op verzoek van het Ministerie van OC&W. Een kenmerk van cohortonderzoek is dat er verschillende jaargroepen (cohorten) tegelijk worden onderzocht, en bovendien dat zoveel mogelijk dezelfde leerlingen worden gevolgd in hun gang door het onderwijs. In PRIMA worden om de twee jaar de leerlingen getoetst en wordt informatie verzameld over het genoten onderwijs en over de achtergronden van de leerlingen. Telkens wordt een nieuw cohort aan het onderzoek toegevoegd en stroomt een oud cohort door naar het voortgezet onderwijs. In het schooljaar 2004/05 heeft de zesde meting van PRIMA plaatsgevonden. Voor het eerst sinds de start van PRIMA waren daarbij geen scholen voor speciaal basisonderwijs betrokken, maar uitsluitend scholen voor regulier basisonderwijs. Over deze zesde meting handelt dit rapport. Het doel van het PRIMA-cohortonderzoek is een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van het primair onderwijs in Nederland. In plaats van telkens afzonderlijke onderzoeken naar uiteenlopende aspecten van het onderwijsbeleid worden met PRIMA in één onderzoek gegevens verzameld die voor verschillende doeleinden kunnen worden benut. Zo worden de gegevens onder meer gebruikt voor de evaluatie van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB) en Weer Samen Naar School (WSNS). Daarnaast geeft het onderzoek ook in algemene zin inzicht in de ontwikkelingen binnen het Nederlandse onderwijs. Voor de deelnemende scholen biedt het onderzoek een beeld van de relatieve positie van de eigen leerlingen ten opzichte van die van hun jaargenoten in Nederland als geheel. Bij de zesde PRIMA-meting zijn op circa 600 reguliere basisscholen gegevens verzameld bij de leerlingen in de jaargroepen 2, 4, 6 en 8. Behalve bij de leerlingen is ook op uitgebreide wijze informatie verzameld via de leerkrachten, de schooldirecties en de ouders. In totaal zijn bij de metingen in het basisonderwijs ongeveer 60000 leerlingen betrokken. De 600 basisscholen in de steekproef zijn onderverdeeld in een landelijk representatieve steekproef van scholen (de referentiesteekproef) en een aanvullende steekproef van scholen met een hoge concentratie van allochtone en autochtone kinderen uit de lagere sociaal-economische milieus. In groep 2 zijn twee toetsen afgenomen uit het Cito-Leerlingvolgsysteem, namelijk Ordenen en Taal voor kleuters. In de groepen 4, 6 en 8 zijn toetsen afgenomen voor taal, rekenen en begrijpend lezen. Deels zijn deze speciaal ten behoeve van PRIMA geconstrueerd, deels zijn ze afkomstig uit het Cito-Leerlingvolgsysteem. In de groepen 4, 6 en 8 zijn ook twee non-verbale intelligentietests afgenomen. Daarnaast hebben de leerlingen uit de groepen 6 en 8 een schoolwelbevinden-vragenlijst ingevuld. Aan de ouders uit groep 2 is een uitgebreide schriftelijke vragenlijst voorgelegd. Daarin wordt ingegaan op sociale, culturele en etnische achtergronden van het gezin waartoe de leerling behoort, op kenmerken van de leerling zelf en op kenmerken van de ouders. Bij de directies en leerkrachten is met behulp van schriftelijke vragenlijsten in- v
  • 6. formatie verzameld over onder meer het onderwijsaanbod. De groepsleerkrachten hebben met behulp van het zogenaamde leerlingprofiel bovendien hun leerlingen beoordeeld op een aantal psycho-sociale kenmerken en de leerkrachten van groep 8 hebben daarnaast ook een uitstroomformulier ingevuld, waarmee informatie over het schooladvies en de Cito-Eindtoetsscore werd opgevraagd. Bij deze zesde PRIMA-meting stond een thema centraal, namelijk ‘Zorgleerlingen op de basisschool’. In dat kader zijn er eenmalig twee extra instrumenten afgenomen aan de leerkrachten van groep 2, 4, 6 en 8: een Zorgprofiel en een Vignetteninstrument Zorgcapaciteit. Inmiddels is een groot aantal rapporten en (internationale) artikelen verschenen gebaseerd op gegevens uit de eerste vijf PRIMA-metingen. Het voorliggende rapport maakt deel uit van de basisrapportage over de zesde PRIMA-meting. Dit rapport heeft betrekking op de gegevens die in principe liggen op het niveau van de leerlingen. Binnen het rapport kunnen drie delen worden onderscheiden. In het eerste deel wordt een beschrijving gegeven van het verloop en de resultaten van het veldwerk. In het tweede deel staan de leerlinggegevens centraal: de sociaal-etnische achtergronden, de taal-, reken- en leestoetsen, de intelligentietests, het leerlingprofiel, het schoolwelbevinden, en de uitstroomgegevens. Behalve dat er verslag wordt gedaan van de variabelenconstructie, worden ook de eerste resultaten gepresenteerd. Bij dat laatste vindt een uitsplitsing plaats naar jaargroep, sociaal-etnische achtergrond en geslacht van de leerlingen. In het derde deel wordt ingegaan op de oudervragenlijsten die zijn afgenomen in groep 2. Aan de orde komt de variabelenconstructie en er wordt een eerste beschrijving gegeven van de resultaten, met daarbij een uitsplitsing naar referentie- en totale steekproef. De onderhavige rapportage met betrekking tot de resultaten van de zesde PRIMA-meting bouwt voort op de rapportages uit de eerdere metingen. Het doel van deze rapportage is meerledig. Op de eerste plaats willen de onderzoekers een verantwoording geven van het verloop en de resultaten van de complexe gegevensverzameling. Op de tweede plaats willen ze een overzicht presenteren van alle in PRIMA opgenomen instrumenten en variabelen. Daarvoor wordt verslag gedaan van de datacleaning en variabelenconstructie, en worden tevens de belangrijkste karakteristieken van de verzamelde informatie gepresenteerd. Dat laatste gebeurt met name in de vorm van gemiddelden en standaarddeviaties. Bij de presentatie van de gegevens wordt steeds een onderscheid gemaakt tussen de referentie- en de totale steekproef. De referentiesteekproef geeft een landelijk representatief beeld van de situatie op Nederlandse basisscholen; de totale steekproef bevat daarnaast nog een oververtegenwoordiging van scholen met relatief veel leerlingen uit achterstandssituaties. Naast het onderscheid naar steekproef wordt in een deel van de overzichten ook nog een uitsplitsing gemaakt naar de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen. De belangrijkste doelgroep van de rapportage zijn onderzoekers die met de onderzoeksbestanden gaan werken. Voor hen vormt dit rapport een compleet naslagwerk. Maar daarnaast is de rapportage ook van belang voor allen die geïnteresseerd zijn in de situatie op Nederlandse basisscholen. Het rapport geeft namelijk een uitgebreid overzicht van een groot aantal cognitieve en niet-cognitieve kenmerken van de leerlingen en van hun thuissituatie. Zoals al vermeld handelt het onderhavige rapport over de gegevens die bij of over de leerlingen in het basisonderwijs zijn verzameld. Over de school- en klas/leerkrachtkenmerken in het basisonderwijs verschijnen afzonderlijke rapportages. Die zijn te bestellen bij de uitvoerende onderzoeksinstituten. Ook over de resultaten van het thema van PRIMA6, de zorgleerlingen op de basisschool, zal later afzonderlijk worden gerapporteerd. vi
  • 7. Projectleider van het PRIMA-onderzoek op het ITS is L. Mulder en op het SCO-Kohnstamm Instituut G. Ledoux. De auteurs van dit rapport willen H. Versteegen, N. Leenders, H. van der Hoeven en H. van der Wal van het ITS en A. van der Meijden, J. Roeleveld, A. Vestdijk, D. Elshof en J. Aben van het SCO-Kohnstamm Instituut bedanken voor de wijze waarop zij het complexe veldwerk tot een goed einde hebben weten te brengen. vii
  • 8. viii
  • 9. Inhoud Ten geleide v Deel I Veldwerkverslag 1 1. De steekproef van scholen en leerlingen 1.1 Inleiding 1.2 Nagestreefde referentiesteekproef 1.3 Nagestreefde aanvullende steekproef 1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproef 1.5 Aantallen ‘oude’ en nieuwe PRIMA-basisscholen 1.6 Omvang van de leerlingensteekproef 3 3 3 4 5 8 8 2. Dataverzameling 2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanning 2.2 Fase 1: Benadering van scholen en opvragen van administratieve gegevens 2.3 Fase 2: Verzameling van leerlinggegevens 2.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzameling 2.5 Fase 4: Uitstroomformulieren, tussentijdse instroomen uitvalformulieren, instrumenten zorgleerlingen 2.6 Overzicht van de verzamelde data 2.7 Rapportage aan de scholen 2.8 Taakverdeling tussen beide uitvoerende instituten 11 11 11 12 13 Deel II De leerlinggegevens 17 3 Achtergronden van de leerlingen 3.1 Achtergronden van de leerlingen 3.2 Sociaal-etnische achtergrond 19 19 22 4 De taal-, reken- en leestoetsen 4.1 Inleiding 4.2 De taal-, reken- en leestoetsen 4.3 Respons 4.4 De taal-, reken- en leesvaardigheid 25 25 25 27 28 5 De intelligentietests 5.1 De intelligentietests 5.2 Respons 5.3 Intelligentiescores 33 33 33 34 14 15 16 16 ix
  • 10. 6 Leerlingprofielen 6.1 De leerlingprofielen 6.2 Respons 6.3 Schalen 6.4 Schaalscores 6.5 Onderwijskundige bijzonderheden 6.5.1 Aanspreekbaarheid in het Nederlands 6.5.2 Het relatieve prestatieniveau 6.5.3 Prognose voor toekomstig onderwijs 6.5.4 Het AVI-leesniveau 37 37 37 38 39 63 63 65 67 71 7 De vragenlijst Schoolwelbevinden 7.1 De vragenlijst Schoolwelbevinden 7.2 Respons 7.3 Schaalscores 75 75 75 76 8 Uitstroomgegevens groep 8 8.1 Het uitstroomformulier 8.2 Respons 8.3 Vervolgadvies voortgezet onderwijs 8.4 Potentiële voortijdig schoolverlaters 8.5 De Eindtoets basisonderwijs 81 81 81 82 84 85 Deel III De oudervragenlijsten 89 9 De oudervragenlijst voor groep 2 9.1 Constructie 9.2 Afname 9.3 Verwerking 9.4 Respons 9.4.1 Aantallen 9.4.2 Respons, sociaal-etnische achtergrond en toetsprestaties 9.4.3 Respons en steekproeven 9.4.4 Respons op schoolniveau 9.4.5 Samenvatting 9.5 Een beschrijving van de oudergegevens 9.5.1 Inleiding 9.5.2 De oudergegevens 91 91 91 92 92 92 93 94 95 96 96 96 97 Literatuur x 115
  • 11. Deel I Veldwerkverslag
  • 12. 2
  • 13. 1 De steekproef van scholen en leerlingen 1.1 Inleiding Bij de vijfde PRIMA-meting in het basisonderwijs, in schooljaar 2002/03, waren circa 600 scholen betrokken geweest. Bij de start van de zesde PRIMA-meting werd besloten deze steekproefomvang te handhaven. Eveneens in overeenstemming met de vorige meting werd bovendien bepaald dat 420 van de scholen tezamen de referentiesteekproef zouden moeten vormen representatief voor alle Nederlandse basisscholen - terwijl de 180 resterende scholen zodanig moesten worden geselecteerd dat in de totale PRIMA-steekproef voldoende allochtone en autochtone leerlingen zouden voorkomen die behoren tot de doelgroepen van het Onderwijsachterstandenbeleid. Daarnaast was het net als in voorgaande jaren de bedoeling om de scholensteekproef van de vorige PRIMA-meting zo veel mogelijk intact te houden, om zo het longitudinale karakter van het onderzoek te waarborgen. 1.2 Nagestreefde referentiesteekproef Voor het selecteren van de referentiesteekproef werden richting, provincie en urbanisatiegraad van de vestigingsgemeente van de school als belangrijkste kenmerken beschouwd, samen met het kenmerk schoolscore. Dit kenmerk vormt een indicatie voor de sociaal-etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie van een school en wordt door het Ministerie van OCW berekend door het gewogen aantal leerlingen van een school (dus met verdiscontering van hun wegingsfactor) te verminderen met 9% van het ongewogen aantal leerlingen en het resultaat te delen door het ongewogen aantal leerlingen. De uitkomst van deze rekensom wordt met 100 vermenigvuldigd en is door ons vervolgens ingedikt tot zeven categorieën. Met het meest recente scholenbestand van OCW, gebaseerd op de telling van peildatum 1 oktober 2003, kon worden vastgesteld hoe de landelijke verdeling van deze kenmerken er op dat moment uitzag. Door dezelfde percentuele verdeling over te brengen op een referentiesteekproef van 420 scholen werd duidelijk naar welke aantallen diende te worden gestreefd. In Tabel 1.1 geven we de procentuele landelijke verdeling en de nagestreefde aantallen scholen weer. 3
  • 14. Tabel 1.1 – Verhoudingen in de landelijke schoolpopulatie (schooljaar 2003/04, N=7150) met betrekking tot schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad en bijbehorende streefaantallen in de referentiesteekproef landelijk % nagestreefde n schoolscore 100-109 110-119 120-129 130-139 140-149 150-159 >159 78.4 7.8 3.7 2.3 1.9 1.5 4.5 329 33 16 10 8 6 19 richting openbaar protestants-christelijk rooms-katholiek overig bijzonder 33.6 29.7 29.5 7.2 141 125 124 30 provincie Groningen Friesland Drenthe Overijssel Flevoland Gelderland Utrecht Noord-Holland Zuid-Holland Zeeland Noord-Brabant Limburg 4.8 6.9 4.3 7.9 2.5 13.5 6.8 13.2 17.5 3.5 12.9 6.1 20 29 18 33 11 57 29 55 73 15 54 26 urbanisatiegraad niet stedelijk weinig stedelijk matig stedelijk sterk stedelijk zeer sterk stedelijk 21.3 25.4 21.2 20.2 11.9 89 107 89 85 50 totaal 100 ± 420 1.3 Nagestreefde aanvullende steekproef Net als in de vijfde PRIMA-meting werd als criterium voor de aanvullende steekproef uitsluitend de schoolscore-verdeling gebruikt. De omvang van de aanvullende steekproef werd bepaald door de eis dat de totale PRIMA-steekproef per schoolscore-categorie ten minste 45 scholen zou moeten bevatten. Daarmee zouden naar verwachting voldoende achterstandsleerlingen in de steekproef worden opgenomen en konden tevens uitspraken gedaan worden over scholen met een uiteenlopende sociaal-etnische samenstelling. Gegeven de nagestreefde aantallen in de referentiesteekproef (zie ook Tabel 1.1), leidde dat tot de in Tabel 1.2 weergegeven aantallen voor de nagestreefde aanvullende steekproef. 4
  • 15. Tabel 1.2 - Nagestreefde schoolscore-aantallen in de referentiesteekproef en aanvullende steekproef van de zesde PRIMA-meting schoolscore referentiesteekproef aanvullende steekproef totaal 100-109 110-119 120-129 130-139 140-149 150-159 >159 329 33 16 10 8 6 19 0 12 29 35 37 39 26 326 45 45 45 45 45 45 totaal 421 178 599 1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproef De uiteindelijke totale steekproef van PRIMA in schooljaar 2004/05 bestaat uit 600 basisscholen. Kanttekening bij dit aantal is dat verschillende dépendances van één school afzonderlijk in de steekproef kunnen voorkomen. In dat geval is er sprake van meer locaties waarop alle toetsgroepen (2, 4, 6 en 8) aanwezig zijn. Achter deze werkwijze steekt zowel een inhoudelijk als een financieel/organisatorisch motief. Ten eerste blijkt het vaak te gaan om gefuseerde scholen die slechts in beperkte mate samenwerken; ten tweede zou het alternatief (elke administratieve eenheid met al zijn locaties beschouwen als één school) leiden tot een enorme verhoging van het aantal te toetsen leerlingen. Niet alle scholen met meerdere locaties zijn op deze manier opgesplitst: met name scholen die al langere tijd in de PRIMA-steekproef voorkomen, bestaan vaak nog onder één PRIMA-schoolnummer. Het zou erg complex worden, om deze scholen en hun leerlingenpopulatie met terugwerkende kracht ook op te splitsen per locatie. Schooldirecties vragen in verband met de terugrapportage van toetsresultaten soms expliciet om een afzonderlijke benadering van hun locaties of juist om het tegenovergestelde; voor zover dat binnen onze voorwaarden past, komen we hieraan tegemoet. In hoofdstuk 2 wordt beschreven op welke wijze de PRIMA-scholen geselecteerd en benaderd zijn. Hier dient echter alvast enige toelichting gegeven te worden op de wijze waarop omgegaan werd met de selectiecriteria tijdens de werving. Het bleek namelijk vrijwel onmogelijk om deze alle vier (schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad) steeds een even zwaar gewicht te geven. Dat heeft te maken met de relatief beperkte periode waarin de werving diende plaats te vinden, gecombineerd met het forse percentage scholen dat negatief op ons deelnameverzoek bleek te reageren. Daardoor was het onmogelijk om de reactie van een in alle opzichten geschikte school eerst af te wachten alvorens - bij een afwijzing - een even geschikte alternatieve school te benaderen. In plaats daarvan werd een groot aantal scholen tegelijkertijd benaderd, hetgeen consequenties had voor de precisie waarmee geselecteerd kon worden op alle relevante schoolkenmerken. Het uiteindelijke resultaat daarvan is af te lezen in Tabel 1.3; deze tabel laat de schoolscore-verdeling zien van de totale steekproef van de zesde PRIMA-meting. 5
  • 16. Tabel 1.3 – Feitelijke schoolscore-verdeling in de totale steekproef van de zesde PRIMAmeting schoolscore 100-109 110-119 120-129 130-139 140-149 150-159 >159 329 52 46 36 34 36 67 totaal 600 In de totale steekproef is vooral aan scholen met schoolscores in de drie categorieën tussen 130 en 159 een tekort: in de betreffende drie cellen tezamen ligt het aantal op 106 in plaats van de nagestreefde 135. Dat komt onder andere doordat ook het totale aantal scholen in Nederland in deze drie categorieën laag is (n=408); gezien de zeer hoge non-respons (zie hoofdstuk 2) leidt zelfs een wervingspoging onder alle scholen tot te lage deelnemersaantallen. Het zelfde probleem deed zich ook al voor bij de vijfde meting, zij het in iets mindere mate. Het landelijke aantal scholen in deze drie categorieën was toen echter nog iets hoger: 430. In Tabel 1.4 wordt de verdeling van de 420 scholen in de referentiesteekproef over de vier selectiekenmerken (schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad) weergegeven (‘feitelijke n’). Daarbij moet bedacht worden dat de schoolkenmerken afkomstig zijn van het departementale bestand van schooljaar 2003/04, dat naar BRIN-nummer is gerangschikt. Dat betekent dat, waar er in de PRIMA-steekproef sprake is van meer schoollocaties met elk een eigen schoolnummer, aan elk van die locaties dus de kenmerken van de gehele school gekoppeld zijn. Bij richting, provincie en urbanisatiegraad is dat geen punt, maar bij de schoolscore zou er in principe een discrepantie kunnen zitten tussen de schoolscore van de hele school en de ‘virtuele’ schoolscore van de locatie, als de verdeling van leerlingen over locaties niet willekeurig is geweest. De verwachte verdeling van de 420 scholen over de vier schoolkenmerken, gegeven de verhoudingen binnen de totale Nederlandse schoolpopulatie, is ook weergegeven in Tabel 1.4. Over het algemeen is er sprake van tamelijk kleine verschillen. De grootste afwijkingen zien we bij enkele categorieën (weinig stedelijk en sterk stedelijk) van urbanisatiegraad en ook het aantal deelnemende scholen in de provincie Utrecht is nogal wat kleiner dan verwacht. Met de χ2-toets is uitgerekend of er sprake is van significante verschillen (p<0.01) tussen de verwachte en feitelijke n, waarmee de representativiteit van de referentiesteekproef in het geding zou zijn. Dat bleek echter nergens het geval te zijn. De verhoudingen naar schoolscore, richting en urbanisatiegraad zijn in de referentiesteekproef goed in overeenstemming met de landelijke verhoudingen. Dat betekent dat de referentiesteekproef representatief is in alle genoemde opzichten. 6
  • 17. Tabel 1.4 – Feitelijke en verwachte verdeling van de 420 scholen in de referentiesteekproef van de zesde PRIMA-meting, naar schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad feitelijke n verwachte n schoolscore 100-109 110-119 120-129 130-139 140-149 150-159 >159 326 32 17 10 8 6 21 329 33 16 10 8 6 19 richting openbaar protestants-christelijk rooms-katholiek overig bijzonder 137 132 119 32 141 125 124 30 19 27 17 33 12 57 20 59 78 19 50 29 20 29 18 33 11 57 29 55 73 15 54 26 urbanisatiegraad niet stedelijk weinig stedelijk matig stedelijk sterk stedelijk zeer sterk stedelijk 92 123 92 70 43 89 107 89 85 50 totaal 420 ± 420 provincie Groningen Friesland Drenthe Overijssel Flevoland Gelderland Utrecht Noord-Holland Zuid-Holland Zeeland Noord-Brabant Limburg Niet betrokken bij de selectiecriteria is schoolgrootte. Volledigheidshalve is achteraf echter wel nagegaan of de scholen in de referentiesteekproef afwijken van de landelijke populatie qua totale aantal leerlingen. Daartoe hebben we eveneens gebruik gemaakt van het scholenbestand van OCW van schooljaar 2003/04. In de tabel hierna zijn de resultaten opgenomen van de vergelijking tussen populatie en referentiesteekproef. 7
  • 18. Tabel 1.5 – Schoolgrootte in de landelijke schoolpopulatie (schooljaar 2003/04, N=7150) en in de referentiesteekproef van de zesde PRIMA-meting landelijk gem. aantal leerlingen schoolgrootte max. 100 101-150 151-200 201-250 251-300 301-350 351-450 > 450 referentiesteekproef 216.5 215.3 % 17.7 15.0 17.7 17.1 12.0 7.8 8.1 4.7 % 17.4 14.0 16.4 19.3 14.3 8.1 6.4 4.0 De referentiesteekproef lijkt qua gemiddeld aantal leerlingen goed op de landelijke basisscholenpopulatie. De afwijkingen tussen de op basis van de populatie verwachte en feitelijk in de referentiesteekproef geobserveerde aantallen scholen per schoolgrootte-categorie zijn nergens significant bij p<0.01. 1.5 Aantallen ‘oude’ en nieuwe PRIMA-basisscholen Bij de zesde PRIMA-meting bevat de totale steekproef dus 600 basisscholen en valt deze steekproef uiteen in een referentiesteekproef van 420 scholen en een aanvullende steekproef van 180 scholen. Van deze 600 steekproefscholen namen er 438 (73%) ook deel aan de vijfde PRIMAmeting in 2002/03; 326 scholen (54%) namen zowel deel aan de vierde, vijfde als zesde meting. Binnen de referentiesteekproef van 420 scholen zijn er 303 (72%) die ook in 2002/03 deelnamen aan PRIMA en 215 (51%) die zowel in 2000/01 als in 2002/03 en 2004/05 deelnamen. Onder de 162 PRIMA-scholen die in 2004/05 voor het eerst deelnamen, zijn er overigens 25 die eerder wel aan aanverwant onderzoek op verzoek van een lokale opdrachtgever hadden deelgenomen. 1.6 Omvang van de leerlingensteekproef Ten behoeve van de zesde PRIMA-meting hebben de 600 deelnemende basisscholen gegevens verstrekt over hun leerlingen in de groepen 2, 4, 6 en 8. In totaal bleek het te gaan om 58902 leerlingen; een gemiddelde van 98 leerlingen per school in de vier jaargroepen tezamen. In Tabel 1.6 is te zien hoeveel leerlingen per steekproef en jaargroep dit betreft. Ook is in de tabel opgenomen welk deel van hen ook deelnam aan de vijfde PRIMA-meting in 2002/03, uitgesplitst naar steekproef. Per definitie kan dit alleen betrekking hebben op de leerlingen die bij de vijfde meting in groep 4, 6 en 8 zaten. Leerlingen die in 2002/03 aan aanverwant onderzoek op verzoek van een lokale opdrachtgever hebben deelgenomen, zijn niet meegerekend. 8
  • 19. Tabel 1.6 – Totale aantal opgegeven leerlingen per jaargroep, en percentage daarvan dat bekend is uit de vorige PRIMA-meting, naar steekproef referentiesteekproef aanvullende steekproef totale steekproef n % in PRIMA5 n % in PRIMA5 n groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 11380 10698 10076 9886 0.0 62.3 67.7 71.2 4698 4300 3927 3964 0.0 59.7 65.6 69.4 16060 14997 13998 13847 totaal 42040 16889 % in PRIMA5 0.0 61.5 67.2 70.7 58902 Het gemiddeld aantal opgegeven leerlingen in groep 2, 4, 6 en 8 op de scholen uit de referentiesteekproef is 100, terwijl op de scholen in de aanvullende steekproef gemiddeld 94 leerlingen zitten. In Tabel 1.6 valt verder op dat het percentage bekende leerlingen stijgt met de groep; vermoedelijk omdat in de lagere groepen relatief meer leerlingen naar het speciaal onderwijs worden verwezen of van school veranderen. Door ziekte, tussentijdse uitstroom of andere oorzaken hebben overigens niet alle door de scholen opgegeven leerlingen uiteindelijk ook deelgenomen aan de toetsafnames van PRIMA. De verhoudingen tussen het totale aantal opgegeven leerlingen en het aantal leerlingen dat ten minste één toets (taal, rekenen of begrijpend lezen) heeft gemaakt, zijn in Tabel 1.7 weergegeven. Tabel 1.7 – Aantal leerlingen per jaargroep dat ten minste één toets heeft gemaakt en % ten opzichte van het totale aantal opgegeven leerlingen, naar steekproef referentiesteekproef aanvullende steekproef totale steekproef getoetste n % v. totaal getoetste n % v. totaal getoetste n % v. totaal groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 10751 10262 9784 9632 94.5 95.9 97.1 97.4 4259 4027 3697 3715 91.0 93.7 94.3 93.8 15010 14289 13481 13347 93.5 95.3 96.3 96.4 totaal 40429 96.2 15698 93.1 56127 95.3 Het percentage getoetste ten opzichte van opgegeven leerlingen ligt in de aanvullende steekproef wat lager dan in de referentiesteekproef. Dat zou te maken kunnen hebben met een groter tussentijds verloop van leerlingen in eerstgenoemde steekproef, of met een groter aantal leerlingen daar dat op een te laag niveau verkeert om aan de toetsafnames mee te kunnen doen (bijvoorbeeld neven-instromers uit het buitenland). 9
  • 20. 10
  • 21. 2 Dataverzameling 2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanning In de dataverzameling ten behoeve van de zesde meting van het PRIMA-onderzoek is een viertal fasen te onderscheiden: de werving van deelnemende scholen aan het PRIMA-cohort, gecombineerd met het opvragen van enkele administratieve gegevens (fase 1), de verzameling van aantallen, namen en enkele achtergrondgegevens van de leerlingen in de toetsgroepen (fase 2), de toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzamelingen in groep 2, 4, 6 en 8 (fase 3), en ten slotte de verzameling van uitstroomgegevens groep 8 en tussentijdse instroom- en uitvalsgegevens (fase 4). Al deze dataverzamelingen zijn standaard en kwamen ook in voorgaande PRIMAmetingen voor. In het kader van het speciale onderzoeksthema van de zesde PRIMA-meting (‘Zorgleerlingen op de basisschool’) vond er in fase 4 daarnaast een extra dataverzameling plaats bij de leerkrachten van alle toetsgroepen. De bijbehorende kalender staat hieronder vermeld. Elke fase wordt in de paragrafen hierna beschreven. Kalender dataverzameling zesde PRIMA-meting fase 1: mei – oktober 2004 fase 2: september – december 2004 fase 3: januari – maart 2005 fase 4: mei – juni 2005 2.2 Fase 1: Benadering van scholen en opvragen van administratieve gegevens De eerste benadering van scholen was vooral bedoeld om hun bereidheid tot deelname te checken, maar werd gecombineerd met het aanbieden van een kort vragenlijstje over een aantal administratieve zaken. Alle scholen die twee jaar eerder aan PRIMA5 hadden deelgenomen, ontvingen al in mei 2004 deze vragenlijst. Zodoende kon in de zomervakantie op basis van hun respons worden geïnventariseerd hoeveel nieuwe scholen nog nodig waren; dat bleken er 162 te zijn. Nagegaan is wat de kenmerken moesten zijn van deze nieuwe scholen, in eerste instantie qua schoolscore en vervolgens ook zoveel mogelijk naar provincie, richting en urbanisatiegraad (zie ook paragraaf 1.4). Met het oog op de te verwachten hoge non-respons werd uit het departementale bestand vervolgens een veelvoud van deze benodigde scholen geselecteerd en direct bij de start van het nieuwe schooljaar (augustus/september 2004) benaderd met dezelfde vragenlijst als de reeds uit PRIMA5 bekende deelnemers. Zodra de vragenlijstjes ingevuld terugkwamen van de scholen, werden zij ingevoerd in een computerbestand. Geregeld werd de stand van zaken ten aanzien van deelnemers en weigeraars opgemaakt.. Uiteindelijk is op deze manier het benodigde aantal van 600 scholen gehaald. Daartoe zijn in totaal wel circa 2200 scholen benaderd; de 600 deelnemers van de vorige meting en daarnaast ruim 1600 nieuwe scholen. Dat 11
  • 22. betekent dat het responspercentage onder de nieuwe scholen ongeveer 10 procent bedraagt. Onder de bekende scholen ligt de respons veel hoger: 73 procent. 2.3 Fase 2: Verzameling van leerlinggegevens Zodra gebleken was dat een nieuwe school bereid was aan het onderzoek deel te nemen, werd een aantal zogenoemde groepsformulieren verstuurd met het verzoek om hierop in te vullen welke leerlingen in het lopende schooljaar in de even jaargroepen zaten. Per parallelgroep werden behalve de namen van die leerlingen ook enkele achtergrondkenmerken opgevraagd (zie hoofdstuk 3). Het was voor de scholen ook mogelijk deze gegevens geautomatiseerd aan te leveren, mits zij gebruik maakten van het administratieprogramma ESIS-A. Alle scholen ontvingen daartoe behalve bovengenoemde formulieren ook een diskette. Aan de hand van een bijgevoegde gebruiksaanwijzing konden de scholen met een paar eenvoudige handelingen de gevraagde gegevens vanuit hun administratieprogramma op deze diskette zetten. Voor ESIS-A is gekozen, omdat dit programma door circa tweederde van alle basisscholen wordt gebruikt. De scholen die ook aan de vorige PRIMA-meting hadden deelgenomen, ontvingen een vergelijkbaar groepsformulier voor groep 2. De gegevensverzameling per formulier voor de groepen 4, 6 en 8 verliep echter anders: de meeste leerlingen uit deze groepen waren immers al bekend van de vorige meting; toen zaten ze namelijk in groep 2, 4 en 6. Daarom werden op formulieren de namen van die bekende leerlingen al voorgedrukt, met het verzoek aan te geven of deze leerlingen inderdaad normaal waren doorgestroomd. Van deze bekende leerlingen waren veel achtergrondgegevens al bekend, zodat op de nieuwe formulieren nog slechts enkele aanvullingen hoefden te worden gemaakt. Van eventuele nieuwe leerlingen in deze groepen (niet bekend uit eerdere metingen) moesten natuurlijk wel nog alle gegevens worden opgegeven. De diskette die de bekende scholen ook ontvingen, was geheel gelijk aan die van de nieuwe scholen. Alle gegevens van de leerlingen in de even groepen konden daarmee worden ‘afgetapt’ uit het ESIS-administratiebestand van de scholen; ook die van de leerlingen die reeds bekend waren uit voorgaande metingen. Pas naderhand, bij de verwerking van de diskette-gegevens van de bekende scholen, werd de nieuwe informatie vergeleken met de bestanden van PRIMA5. Aldus kon worden nagegaan welke leerlingen ook twee jaar eerder aan het onderzoek hadden deelgenomen en welke leerlingen nieuw waren. Bij de verwerking van de opbrengst van fase 2 werd aan elke leerling die volgens de opgave van de scholen in de toetsgroepen zat, een uniek respondentnummer toegekend. In dit nummer was ook het schoolnummer en de jaargroep verwerkt. De namen en respondentnummers werden vervolgens voorgedrukt op alle instrumenten, toetsen en antwoordbladen die met betrekking tot deze leerlingen in fase 3 en 4 werden ingezet. Ook de directie- en leerkrachtvragenlijsten werden zodanig genummerd dat er geen twijfel kon ontstaan over de identiteit van de respondent. De school- en respondentnummers vormen ook de basis van de opgebouwde school- en leerlingbestanden waarin alle in 2004/05 en eventueel ook in de jaren daarvoor verzamelde gegevens zijn opgenomen. 12
  • 23. Fase 2 was in principe in december 2004 voltooid. Over bepaalde leerlingen bleken echter door de scholen niet alle achtergrondgegevens verstrekt te zijn. Voorzover het de gegevens betrof waarop de in PRIMA veelvuldig gehanteerde indeling naar sociaal-etnische achtergrond is gebaseerd (zie hoofdstuk 3), is in fase 3 nog een poging gedaan deze informatie alsnog te verzamelen. De toetsleider kreeg daartoe een overzicht met de ontbrekende gegevens mee, dat de scholen alsnog konden aanvullen. 2.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzameling Een belangrijk deel van de toetsen in het PRIMA-onderzoek is afkomstig uit het CitoLeerlingvolgsysteem (zie ook hoofdstuk 4). Dat geldt voor de toetsen Taal voor Kleuters en Ordenen voor groep 2, de toetsen Rekenen/Wiskunde versie M4, M6 en M8 voor groep 4, 6 en 8, en de toetsen Begrijpend lezen deel 2 en deel 4 voor groep 6 en 8. Veel scholen gebruiken deze toetsen ook zelf, en dat heeft logischerwijs tot gevolg dat zij uitgesproken wensen hebben ten aanzien van de toetsafname en het toetsmoment. Binnen deze groep gebruikers is er bovendien een groeiend aantal scholen dat de toetsscores van hun leerlingen invoert in het computerprogramma van het Cito-LVS. Feitelijk zijn er dus drie groepen scholen: 1) scholen die de CitoLVS-toetsen gebruiken en ook de scores invoeren in het bijbehorende computerprogramma, 2) scholen die wel de toetsen gebruiken, maar niet het computerprogramma, en 3) scholen die geen van beide gebruiken. Voor alle drie de groepen is een variant ontwikkeld met betrekking tot de afname van de Cito-LVS-toetsen in het kader van PRIMA6. De procedure ten aanzien van groep 1 was nieuw en gold als een experiment. De achterliggende overweging was dat veel dubbelwerk kon worden voorkomen als de Cito-LVS-toetsscores uit de computer van de school konden worden ‘afgetapt’ ten behoeve van het PRIMA-onderzoek.. De aftapprocedure hield in dat de betrokken school alle Cito-LVS-toetsen die in het PRIMAonderzoek worden gebruikt, afnam zonder de aanwezigheid van de testleider. De school deed dat op een zelfgekozen tijdstip in de periode januari-maart, en maakte daarbij gebruik van eigen toetsmateriaal. Na de toetsafnames werden de toetsen nagekeken door de school zelf en de scores werden ingevoerd in het Cito-computerprogramma. Eind maart stuurde het ITS een diskette met behulp waarvan deze scores konden worden afgetapt uit dit systeem en beschikbaar kwamen voor het PRIMA-onderzoek. Scholen in groep 2 namen eveneens zonder aanwezigheid van de toetsleider de Cito-toetsen af, op een zelfgekozen tijdstip in de periode januari-maart. Zij maakten echter gebruik van PRIMAmateriaal waarop de nummers en namen van leerlingen al waren aangebracht. Scholen die kozen voor deze procedure kregen begin januari dit materiaal aangeleverd van de toetsleider, samen met een uitgebreide schriftelijke instructie. Na afloop van de toetsafnames werd het toetsmateriaal opgehaald en nakeken door het ITS. Op de scholen in groep 1 en 2 was de toetsleider uitsluitend aanwezig tijdens de afname van de overige toetsen (d.w.z. de Taaltoetsen voor groep 4, 6 en 8; deze zijn niet afkomstig uit het CitoLVS) en de IQ-testen voor groep 4, 6 en 8. Op de scholen in groep 3 was de toetsleider gedurende een tevoren vastgestelde toetsperiode van enkele dagen aanwezig. In deze periode werden alle Cito- en overige toetsen afgenomen. 13
  • 24. Daarbij werd eveneens gebruik gemaakt van PRIMA-materiaal waarop de nummers en namen van leerlingen al waren aangebracht. Ook op deze scholen werden overigens de meeste toetsen en testen door de groepsleerkrachten afgenomen. De toetsleider diende als vraagbaak op de achtergrond en nam de toetsen en testen alleen af op uitdrukkelijk verzoek van de school (bijvoorbeeld in geval van combinatieklassen). Na afloop van de toetsafnames werd het toetsmateriaal meegenomen door de testleider en nakeken door het ITS. Voorafgaande aan de toetsperiode op alle groepen scholen werden in een voorbereidend gesprek tussen toetsleider en team de procedures doorgenomen, afspraken gemaakt en eventueel materiaal overgedragen. Tevens nam de toetsleider bij dit eerste bezoek de vragenlijsten mee voor de leerkrachten van groep 2, 4, 6 en 8 en de directie, alsmede de zogenaamde leerlingprofielen met vragen voor de leerkrachten over elke leerling in groep 2, 4, 6 en 8. Ten slotte werden ook de oudervragenlijsten voor de ouders van leerlingen in groep 2 bij dit eerste bezoek door de toetsleider achtergelaten, met het verzoek deze lijsten aan de leerlingen mee te geven. Ingevulde vragenlijsten werden aan het einde van de toetsperiode door de toetsleiders weer meegenomen. Vragenlijsten die nog niet waren ingevuld, konden de scholen per post later alsnog retourneren. De meeste toetsleiders die betrokken waren bij fase 3, hadden al eerder ervaring opgedaan met het PRIMA-onderzoek. Desondanks werden zij tevoren uitgebreid mondeling en schriftelijk geïnstrueerd. 2.5 Fase 4: Uitstroomformulieren, tussentijdse instroom- en uitvalformulieren, instrumenten zorgleerlingen De laatste fase in de dataverzameling van de zesde PRIMA-meting bestond uit vier schriftelijke onderdelen. De instrumenten werden in mei per post aan de PRIMA-scholen toegestuurd; ook de retournering door de scholen verliep per post. Het eerste onderdeel betrof de optisch inleesbare uitstroomformulieren groep 8, waarmee bij de leerkracht van groep 8 of eventueel bij de directeur informatie per leerling van groep 8 gevraagd werd over het schooladvies voor voortgezet onderwijs, de Cito-Eindtoetsscore en de vermoedelijke VO-schoolkeuze. Het tweede onderdeel beoogde de oorzaken in kaart te brengen van tussentijds verschenen en verdwenen leerlingen: leerlingen die - bijvoorbeeld door verhuizen of doubleren - tussentijds zijn ingestroomd in de hogere groepen (4, 6 en 8) van de PRIMAsteekproef zonder dat hun voorgeschiedenis bij de PRIMA-administratie bekend is, of leerlingen die - om vergelijkbare redenen - juist zijn verdwenen uit de steekproef zonder dat in de PRIMA-administratie duidelijk is waar deze leerlingen zijn gebleven. Met behulp van deels voorgedrukte formulieren werden over al deze leerlingen de redenen van de tussentijdse instroom of uitval en de ontbrekende loopbaangegevens opgevraagd. De overige twee onderdelen van fase 4 waren in principe eenmalig en hadden betrekking op het speciale onderzoeksthema van PRIMA6, namelijk ‘Zorgleerlingen op de basisschool’. In dat kader zijn twee extra instrumenten ontwikkeld: een Formulier Zorgleerlingen en een Vignetteninstrument Zorgcapaciteit, beide in te vullen door leerkrachten van groep 2, 4, 6 en 8. Beide instrumenten waren optisch inleesbaar. 14
  • 25. 2.6 Overzicht van de verzamelde data In de verschillende fasen van dataverzameling werd via diverse instrumenten en bronnen en op verschillende niveaus informatie verzameld. Zonder in details te treden, laten we in Figuur 2.1 de herkomst en het niveau van de verzamelde informatie zien. Figuur 2.1 – Verzamelde gegevens naar fase, instrument, bron en niveau Fase/Instrument Informatie verstrekt door/verzameld bij Informatie(-niveau) School Fase 1 wervingsvragenlijst Fase 2 groepsformulieren of ESIS-diskette directie Groep Leerling groepsnamen, locaties groep 2, 4, 6 en 8 groep, naam, achtergrondkenmerken deelnamebereidheid, schoolkenmerken directie, administratie of aantal groepen 2, 4, leerkrachten groep 2, 4, 6 en 8 6 en 8 Fase 3 toets (voorbereidend) taal/rekenen leerlingen groep 2, 4, 6, 8 toetsscores toets begrijpend lezen leerlingen groep 6 en 8 toetsscores IQ-testen leerlingen groep 4, 6 en 8 testscores schoolwelbevinden vragenlijst leerlingen groep 6 en 8 welbevinden, zelfvertrouwen en populariteit leerlingprofielen leerkrachten groep 2, 4, 6 en 8 beoordeling, aanpak en bijzonderheden leerling directievragenlijst directie leerkrachtvragenlijst groep 2 en groep 4, 6, 8 leerkrachten groep 2, 4, 6 en 8 oudervragenlijst ouders groep 2 kenmerken ouders, gezin, opvoeding Fase 4 uitstroomformulieren groep 8 directie of leerkracht groep 8 uitstroomgegevens overgang VO formulieren tussentijdse instroom en uitval directie of administratie oorzaken tussentijdse in/uitstroom, schoolloopbaangegevens formulier zorgleerlingen leerkrachten groep 2, 4, 6 en 8 aantal/typering zorgleerlingen, contacten ouders, beschikbare extra hulp vignetteninstrument zorgcapaciteit leerkrachten groep 2, 4, 6 en 8 kenmerken team, schoolpopulatie en onderwijsaanpak kenmerken klas, leerkracht, onderwijs indicatie van de orthopedagogische kwaliteit 15
  • 26. Over alle instrumenten op leerlingniveau wordt in het vervolg van dit rapport gerapporteerd, met uitzondering van de formulieren over tussentijdse instroom en uitval en de eenmalig afgenomen instrumenten met betrekking tot de zorgleerlingen, waarover afzonderlijke rapportages zullen verschijnen. Over de vragenlijsten voor de leerkrachten en directies wordt eveneens een apart rapport gepubliceerd. 2.7 Rapportage aan de scholen De meeste deelnemende scholen hebben tweemaal een terugkoppeling ontvangen over de verzamelde resultaten van hun leerlingen. Een deel van de afgenomen toetsen is afkomstig uit het leerlingvolgsysteem van het Cito. Veel scholen gebruiken deze toetsen ook zelf, om de vorderingen van hun leerlingen te meten. Daarom zijn de scores op deze toetsen binnen enkele weken na afname in de vorm van een zogenaamde ‘versnelde terugrapportage’ teruggekoppeld naar de scholen die dat wensten. Voor zover van toepassing (afhankelijk van de toets) bevatte deze versnelde rapportage behalve ruwe scores ook subtoets-scores en zogenaamde Cito-vaardigheidsscores per leerling. Een totale rapportage van alle toetsresultaten is naar de scholen verzonden vlak vóór de zomervakantie van 2005. In deze rapportage is veel aandacht besteed aan de prestaties van de leerlingen en de school in relatie tot leerlingen en scholen elders in het land met een vergelijkbare sociaal-etnische achtergrond. Ook van de leerlingprofielen en de schoolwelbevindenvragenlijst zijn in het ‘landelijk vergelijkend schoolrapport’ enkele resultaten opgenomen. 2.8 Taakverdeling tussen beide uitvoerende instituten Het PRIMA-onderzoek wordt door twee onderzoeksinstituten tezamen uitgevoerd. Tot nu toe is in dit rapport in het midden gelaten welk onderzoeksinstituut welk gedeelte van de beschreven werkzaamheden in het basisonderwijs nu precies heeft verricht. Tussen ITS en SCOKohnstamm Instituut zijn voorafgaand aan de zesde meting afspraken over de werkverdeling gemaakt. Aan de basis daarvan staat de verdeling van de PRIMA-basisscholen tussen de onderzoeksinstituten naar regio. Deze verdeling komt er op neer dat het SCO-Kohnstamm Instituut verantwoordelijk was voor alle dataverzameling bij de betrokken basisscholen in de provincie NoordHolland en in de stad Den Haag en het ITS overal elders in Nederland. Alle dataverzameling en -verwerking is in alle fasen door beide instituten afzonderlijk uitgevoerd met betrekking tot de eigen scholen. In dit veldwerkverslag is geen aandacht besteed aan de toetsafnames en andere dataverzamelingen die op lokaal niveau hebben plaatsgevonden in opdracht van schoolbesturen of gemeenten. Dat is gebeurd in het kader van de School Prestatie Metingen (SPM) van het ITS en het project PRIMA-plus van het SCO-Kohnstamm Instituut en staat daarmee buiten het PRIMA-cohortonderzoek. 16
  • 27. Deel II De leerlinggegevens
  • 28. 18
  • 29. 3 Achtergronden van de leerlingen 3.1 Achtergronden van de leerlingen In deze paragraaf beschrijven we de samenstelling van de groep leerlingen die in het schooljaar 2004/05 aan het PRIMA-onderzoek heeft deelgenomen. Bij deze beschrijving maken we steeds een onderscheid tussen de totale steekproef en de referentiesteekproef. De achtergrondkenmerken van de leerlingen die in de tabellen worden gepresenteerd, zijn verstrekt door de scholen (c.q. directies, leerkrachten, administratie), die daartoe enkele formulieren hebben ingevuld. In totaal zijn van 58902 leerlingen deze kenmerken bekend. Van deze groep heeft 95.3% ook aan de toetsafnames deelgenomen. In Tabel 3.1 staan allereerst enige kenmerken van de leerlingen zelf; deze zijn dus gebaseerd op de totale groep, inclusief degenen zonder toetsscores. De leeftijd is overigens berekend per 1 januari 2005. Uit Tabel 3.1 is op te maken dat de verschillende kenmerken betrekking hebben op een steeds wisselend aantal leerlingen. De vragen op de formulieren zijn dus niet allemaal even consequent ingevuld, met als gevolg dat we soms belangrijke achtergrondkenmerken moeten missen. Hier komen we later op terug in verband met de indeling van leerlingen naar hun sociaal-etnische achtergrond. Het verschil in de samenstelling van de referentiesteekproef en de totale steekproef wordt vooral zichtbaar bij het kenmerk wegingsfactor. De totale scholensteekproef bevat naast de referentiesteekproef een aanvullende steekproef van scholen met relatief veel leerlingen in achterstandssituaties, zodat het aandeel leerlingen uit de OAB-doelgroepen relatief groot is. 19
  • 30. Tabel 3.1 – Achtergrondkenmerken van de leerlingen, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef 2 maximaal aantal leerlingen leeftijd (gem.) n sekse (%) jongens meisjes n verblijfsduur in Nederland (%) < 1 jaar 1-3 jaar 4-5 jaar > 5 jaar altijd n gezinssamenstelling (%) vader en moeder alleen moeder alleen vader anders/onbekend n OAB-wegingsfactor (%) 0.00 0.25 0.40 0.70 0.90 n 4 6 8 totaal 11380 10698 10076 9886 42040 5.8 7.9 10.0 12.0 8.8 11120 10553 9971 9814 41458 51.0 49.0 49.8 50.2 49.6 50.4 50.5 49.5 50.3 49.7 11123 10532 9964 9812 41431 .1 .7 .9 .3 97.9 .2 .9 .6 1.2 97.1 .1 .7 .7 .9 97.5 .1 .7 .6 1.4 97.2 .1 .8 .7 .9 97.4 10592 10194 9583 9518 39887 89.7 8.5 .4 1.4 91.3 7.0 .6 1.2 91.2 7.0 .6 1.2 91.1 7.1 .8 1.0 90.8 7.4 .6 1.2 11096 10547 9959 9805 41407 72.3 12.5 .1 .2 14.9 72.3 12.6 .1 .2 14.7 71.9 13.7 .1 .3 14.0 70.4 15.7 .1 .3 13.6 71.8 13.6 .1 .2 14.3 10707 10257 9686 9621 40271 2 4 6 8 totaal 16060 14997 13998 13847 58902 5.8 8.0 10.0 12.0 8.8 15731 14796 13881 13750 58158 51.4 48.6 49.5 50.5 49.4 50.6 50.1 49.9 50.1 49.9 15735 14764 13860 13738 58097 .2 1.1 2.3 1.2 95.3 .3 1.2 1.2 3.2 94.1 .2 1.2 1.2 3.0 94.5 .2 .9 1.0 3.9 94.0 .2 1.1 1.4 2.7 94.5 14947 14201 13317 13303 55768 87.2 10.9 .5 1.3 89.1 9.2 .7 1.0 89.2 9.2 .6 1.0 88.7 9.6 .9 .8 88.5 9.8 .7 1.1 15664 14788 13855 13726 58033 59.5 13.7 .1 .3 26.4 59.7 13.3 .1 .3 26.6 59.5 14.9 .1 .3 25.2 57.9 16.9 .0 .3 24.9 59.1 14.7 .1 .3 25.8 15070 14354 13478 13460 56362 Het kenmerk ‘OAB-wegingsfactor’ is gebaseerd op enkele achtergrondgegevens van de ouders van de leerling, met name hun etnische herkomst, opleiding en beroep. De 0.00-leerlingen zijn leerlingen zonder achterstanden die het gevolg zijn van sociaal-economische en culturele factoren, de 0.25-leerlingen zijn de autochtone achterstandsleerlingen, de 0.40-leerlingen zijn schipperskinderen, 0.70-leerlingen zijn kinderen van reizende en trekkende ouders, en 0.90leerlingen zijn allochtone achterstandsleerlingen. Specifieke gegevens hierover zijn weergegeven in de volgende tabellen. Tabel 3.2 bevat informatie omtrent het geboorteland van beide ouders. 20
  • 31. Tabel 3.2 – Geboorteland van de ouders, naar steekproef en jaargroep (in %) referentiesteekproef totale steekproef 2 geboorteland vader Nederland Suriname Antillen Molukken Turkije Marokko Griekenland Spanje Italië Portugal voormalig Joegoslavië China Vietnam overige landen n geboorteland moeder Nederland Suriname Antillen Molukken Turkije Marokko Griekenland Spanje Italië Portugal voormalig Joegoslavië China Vietnam overige landen n 4 6 8 totaal 2 4 6 8 totaal 83.1 1.4 .6 .0 4.8 4.1 .1 .1 .2 .1 .5 .3 .2 4.6 83.1 1.5 .4 .0 4.6 4.2 .1 .1 .2 .0 .5 .3 .2 4.9 83.9 1.6 .4 .1 4.6 3.7 .1 .1 .2 .1 .4 .3 .3 4.5 84.1 1.6 .4 .1 4.7 3.6 .1 .1 .1 .1 .5 .2 .2 4.4 83.5 1.5 .5 .0 4.6 3.9 .1 .1 .2 .1 .5 .3 .2 4.6 71.3 2.0 .8 .1 8.7 8.1 .1 .1 .2 .1 .6 .4 .3 7.2 71.1 2.1 .6 .1 8.9 8.3 .1 .1 .2 .1 .8 .4 .3 7.1 72.7 2.1 .7 .1 8.3 7.6 .1 .1 .2 .1 .6 .4 .3 6.6 72.7 2.2 .6 .2 8.5 7.4 .1 .1 .2 .1 .7 .4 .3 6.5 71.9 2.1 .7 .1 8.6 7.9 .1 .1 .2 .1 .7 .4 .3 6.9 10231 9929 9374 9225 38759 81.7 1.8 .9 .0 4.5 4.2 .0 .1 .1 .0 .5 .3 .2 5.6 82.2 1.9 .8 .0 4.4 4.1 .0 .1 .0 .0 .5 .3 .3 5.3 82.4 2.3 .8 .1 4.2 3.5 .0 .1 .1 .1 .5 .3 .3 5.3 83.3 2.0 .8 .0 4.3 3.5 .0 .1 .1 .1 .5 .2 .2 4.8 82.4 2.0 .8 .0 4.3 3.9 .0 .1 .1 .1 .5 .3 .3 5.3 10885 10358 9783 9609 40635 14158 13631 12793 12630 53212 70.2 2.6 1.1 .1 8.0 8.0 .0 .2 .1 .1 .7 .4 .3 8.2 70.0 2.7 1.1 .1 8.3 8.0 .0 .1 .1 .1 .8 .4 .3 8.0 71.3 2.8 1.2 .1 7.8 7.2 .0 .1 .1 .1 .7 .4 .3 7.8 71.9 2.9 1.0 .2 8.0 7.2 .1 .2 .1 .1 .6 .4 .3 6.9 70.8 2.8 1.1 .1 8.0 7.6 .0 .1 .1 .1 .7 .4 .3 7.8 15335 14502 13623 13448 56908 Ook uit Tabel 3.2 blijkt het verschil tussen de referentiesteekproef en de totale steekproef: in de totale steekproef bevinden zich circa 12% meer leerlingen wier ouders niet in Nederland geboren zijn dan in de referentiesteekproef. Relatief veel allochtone ouders zijn geboren in Turkije, Marokko en Suriname; daarnaast is de categorie ‘overige landen’ redelijk sterk gevuld. De aantallen leerlingen die in de tabel vermeld staan, kunnen worden afgezet tegen het maximale aantal leerlingen in Tabel 3.1. Dan wordt duidelijk dat van ongeveer 96% van alle leerlingen het geboorteland van ten minste een van de ouders bekend is. Behalve naar geboorteland is op de formulieren ook gevraagd naar het opleidingsniveau van de ouders. Het ging daarbij niet om gedetailleerde gegevens, maar om een inschatting van het niveau. Gekozen kon worden uit vier niveaus: maximaal lager onderwijs, maximaal lager beroepsonderwijs, maximaal middelbaar 21
  • 32. beroepsonderwijs (inclusief MAVO, HAVO, VWO), of een HBO/WO-opleiding. In Tabel 3.3 staan de verdelingen. Tabel 3.3 - Opleidingsniveau van de ouders, naar steekproef en jaargroep (in %) referentiesteekproef 2 4 6 8 opleiding vader max. LO max. LBO max. MBO HBO/WO 7.5 28.8 37.2 26.5 7.3 29.5 35.7 27.5 7.2 31.0 35.3 26.5 7.3 32.8 33.9 25.9 n 9629 9313 opleiding moeder max. LO max. LBO max. MBO HBO/WO 9.1 25.0 42.5 23.5 10398 n totale steekproef totaal 2 4 6 8 totaal 7.3 30.5 35.6 26.6 13.5 30.3 33.7 22.5 13.6 30.7 32.3 23.3 13.1 32.5 31.7 22.7 13.4 34.5 30.3 21.9 13.4 32.0 32.0 22.6 8803 8732 36477 13352 12878 12124 12042 50396 8.9 24.9 43.3 22.9 9.0 26.1 42.0 22.9 9.1 28.6 40.1 22.3 9.0 26.1 42.0 22.9 16.5 26.3 37.6 19.6 16.7 26.4 38.0 18.9 16.5 28.0 36.6 19.0 16.9 30.0 34.8 18.3 16.7 27.6 36.8 18.9 9856 9327 9230 38811 14700 13908 13102 13014 54724 Uit Tabel 3.3 wordt duidelijk dat we van bijna 90% van de leerlingen beschikken over het opleidingsniveau van ten minste een van de ouders. Overigens betekent het feit dat er minder ‘vadergegevens’ zijn dan ‘moeder-gegevens’ niet per definitie dat de vader-gegevens niet zijn verstrekt. In veel gevallen heeft dat er mee te maken dat het kind opgroeit in een eenoudergezin, en dat zijn in meerderheid gezinnen zonder vader. 3.2 Sociaal-etnische achtergrond In het PRIMA-onderzoek wordt naast de wegingsfactor nog een andere, gedetailleerdere maat voor sociaal-etnische achtergrond gehanteerd. Aan de basis daarvan staan de in Tabel 3.2 en Tabel 3.3 weergegeven kenmerken herkomstland en opleiding van de ouders. Bij de bepaling van deze variabele wordt in principe gebruik gemaakt van de gegevens van beide ouders. Alleen wanneer het een eenoudergezin betreft, wordt uitgegaan van de gegevens van de ene, wel aanwezige ouder. Bij het herkomstland van de ouders is het herkomstland van de vader als vertrekpunt genomen. De op basis van deze gegevens geconstrueerde variabele ‘sociaal-etnische achtergrond’ kan de volgende waarden aannemen: 1. beide ouders hebben maximaal een LBO-opleiding en zijn van Turkse of Marokkaanse herkomst; 2. beide ouders hebben maximaal een LBO-opleiding en zijn afkomstig uit andere landen dan Nederland, Turkije of Marokko (overig allochtonen); 3. beide ouders hebben maximaal een LBO-opleiding en zijn van Nederlandse herkomst (autochtoon); 4. de hoogst opgeleide ouder heeft maximaal een MBO-opleiding; 22
  • 33. 5. de hoogst opgeleide ouder heeft een opleiding op HBO- of WO-niveau. Bij de eerste drie categorieën speelt de etnische herkomst, i.c. het geboorteland, dus wel een rol, maar bij de twee hoogste categorieën niet meer. De verdeling van de categorieën staat in Tabel 3.4. Tabel 3.4 – Sociaal-etnische achtergrond, naar steekproef en jaargroep (in %) referentiesteekproef 2 max LBO, Tu/Ma max LBO, ov. all. max LBO, aut. max MBO HBO/WO n 4 6 8 5.6 3.8 15.3 41.5 33.9 5.8 3.7 15.0 41.3 34.3 5.5 4.2 15.8 40.7 33.8 5.7 3.9 17.3 39.8 33.2 10513 9971 9446 9360 totale steekproef totaal 2 4 6 8 totaal 5.6 3.9 15.8 40.9 33.8 11.2 6.4 15.6 38.3 28.5 11.9 6.5 15.1 37.8 28.8 11.3 6.6 16.5 37.1 28.5 11.9 6.5 18.0 36.0 27.6 11.6 6.5 16.2 37.3 28.4 39290 14850 14067 13252 13187 55356 Uit vergelijking van de aantallen in Tabel 3.4 met die in Tabel 3.1 wordt duidelijk dat we 2750 (6.5%) leerlingen uit de referentiesteekproef en 2802 (4.8%) leerlingen uit de totale steekproef niet kunnen onderbrengen in een van de sociaal-etnische achtergrondcategorieën. Om na te gaan of er eventueel sprake is van selectieve uitval hebben we deze achtergrondcategorieën afgezet tegen de OAB-wegingsfactor (vgl. Tabel 3.1). Hieruit bleek dat binnen de totale steekproef van 3.6% van de 0.00-leerlingen de achtergrond ontbrak; voor de 0.25- en 0.90-leerlingen ging het om 1.2, respectievelijk 6.6%. Binnen de referentiesteekproef betrof het achtereenvolgens 4.0, 1.2 en 10.3%. In beide steekproeven is de non-respons onder de niet-achterstandsleerlingen (0.00) en de allochtone achterstandsleerlingen (0.90) het hoogst. De non-respons onder de autochtone achterstandskinderen is betrekkelijk laag. 23
  • 34. 24
  • 35. 4 De taal-, reken- en leestoetsen 4.1 Inleiding Sinds de derde meting van het PRIMA-onderzoek zijn voor dit onderzoek hoofdzakelijk toetsen uit Cito-leerlingvolgsysteem (Cito-LVS) afgenomen. Paragraaf 4.2 bevat een beknopte beschrijving van de gehanteerde toetsen. In de paragrafen daarna wordt ingegaan op de respons op deze toetsen en de behaalde scores door diverse groepen en steekproeven in PRIMA6. 4.2 De taal-, reken- en leestoetsen In Figuur 4.1 staat per jaargroep weergegeven welke toetsen in de zesde PRIMA-meting zijn afgenomen en hoeveel items elke toets telt. De cursivering betekent dat de toets afkomstig is uit het Cito-LVS. Figuur 4.1 – Overzicht afgenomen toetsen met tussen [ ] het aantal opgaven per toets taal rekenen lezen groep 2 Taal voor kleuters (56) Ordenen oudste kleuters [42] - groep 4 PRIMA-taal [60] Rekenen / Wiskunde M4 [58] - groep 6 PRIMA-taal [65] Rekenen /Wiskunde M6 [115] Begrijpend lezen 2 (deel 1 en 2 of deel 1 en 3) [50] groep 8 PRIMA-taal [64] Rekenen / Wiskunde M8 [120] Begrijpend lezen 4 (deel 1 en 2 of deel 1 en 3) [50] Al eerder is het via een kalibratie-onderzoek mogelijk gemaakt dat de behaalde ruwe scores op de Begrippentoets worden omgezet naar PRIMA-taalvaardigheidsscores, die op dezelfde schaal liggen als de scores op de PRIMA-taaltoetsen in groep 4, 6 en 8. Wij verwijzen - ook voor deze laatste toetsen - dan ook naar eerdere PRIMA-rapportages en naar de kalibratie-rapportage van Vierke (1995). Om de eenheid van de schaal over de groepen 2, 4, 6 en 8 intact te houden, is de toets Taal voor Kleuters op dezelfde schaal gebracht als de Begrippentoets. Hierdoor blijven de vaardigheidsscores in groep 2 vergelijkbaar met eerdere metingen en met de behaalde taalscores in de groepen 4, 6 en 8. Een verslag van dit kalibratie-onderzoek is in 2004 verschenen (Vierke, 2004). Veel scholen nemen de toetsen uit het Cito-LVS zelf af en slaan de scores in het LVScomputerprogramma op. Het programma kan deze scores op een eenvoudige manier exporteren. Om na te gaan of op deze scholen de afname van de LVS-toetsen kan vervallen en in plaats daarvan de scores uit het computerprogramma kunnen worden gebruikt, is bij wijze van expe- 25
  • 36. riment aan een veertigtal scholen het voorstel gedaan de scores te exporteren en naar de onderzoekers op te sturen. De gegevensexport is zonder noemenswaardige problemen gelukt, en de daarmee verkregen gegevens waren goed bruikbaar. Een probleem deed zich voor bij de toets Taal voor kleuters: in het programma is alleen de Cito-vaardigheidsscore van deze toets opgeslagen. Voor het berekenen van de PRIMA-taalvaardigheidsscores zijn echter de afzonderlijke itemscores nodig. Om toch deze vaardigheidsscore te kunnen berekenen hebben we de ruwe score bepaald en vervolgens middels een regressie-analyse de coëfficiënten berekend om deze ruwe score om te kunnen zetten naar de PRIMA-taalvaardigheidsscore. De formule hiervoor ziet er als volgt uit: PRIMA-taalvaardigheid=(ruwe score * 3.994)+810.1 Voor (voorbereidend) rekenen in groep 2 werd de toets Ordenen voor de oudste kleuters gebruikt. Ook deze toets werd al bij vorige PRIMA-metingen ingezet. De toets is rond drie ordeningsprincipes opgebouwd: - classificeren: bij elkaar horende voorwerpen bij elkaar plaatsen; - seriëren: groepjes voorwerpen op bepaalde kenmerken rangschikken; - vergelijken en tellen: het aantal of de volgorde in een reeks voorwerpen bepalen. Na het reeds aangehaalde kalibratie-onderzoek was het mogelijk de scores op de toets Ordenen om te zetten naar PRIMA-rekenvaardigheidsscores, die op dezelfde schaal lagen als de scores op de PRIMA-rekentoetsen voor groep 4, 6 en 8. Bij de derde PRIMA-meting zijn deze laatste rekentoetsen echter vervangen door andere toetsen. Daarom zijn de ruwe scores op de toets Ordenen vanaf de derde PRIMA-meting omgezet naar vaardigheidsscores via de tabel in de Cito-handleiding. Deze scores worden in het vervolg van dit rapport gehanteerd als het gaat om de rekenscores van groep 2. Er is dus sprake van een schaalbreuk tussen de rekenscores van groep 2 en van de hogere groepen. Als rekentoets voor groep 4, 6 en 8 zijn de zogenaamde medio-versies voor deze leerjaren van de toets Rekenen/Wiskunde uit het Cito-LVS afgenomen. Deze toets is ontwikkeld om de algemene rekenvaardigheid te meten in de groepen 3 tot en met 8. In de lagere groepen is sprake van een ‘geleide’ toets (de opgaven worden dus voorgelezen door de afname-leider) die bestaat uit twee delen van elk circa 45 minuten. De toetsen voor groep 6 en 8 bestaan uit drie delen van elk circa 45 minuten die de leerlingen zelfstandig doorwerken. De toetsen bevatten veel open vragen. Voor het PRIMA-onderzoek moesten de toetsen daarom eerst worden nagekeken, waarna de scores vanaf de opgavenboekjes (groep 4) of antwoordbladen (groep 6 en 8) werden overgebracht naar een databestand. Er bestaat een gekalibreerde schaal voor alle LVS-toetsen Rekenen/Wiskunde van het Cito. Vanaf groep 6 is er in principe sprake van twee subschalen: Getallen & Bewerkingen naast Meten, Tijd & Geld. Het is echter ook mogelijk om vaardigheidsscores voor de totale toets te berekenen. De omzetting van ruwe scores tot deze vaardigheidsscores voor rekenen-totaal - die in dit rapport worden gehanteerd - is gebeurd aan de hand van gegevens die het Cito heeft verstrekt. In groep 6 en 8 zijn ook deel 2 respectievelijk 4 van de toets Begrijpend lezen afgenomen, eveneens afkomstig uit het Cito-LVS. Deze toets bestaat voor beide leerjaren uit een algemeen deel voor alle leerlingen, gevolgd door een optioneel gedeelte: de betere leerlingen maken een moeilijker vervolgdeel dan de zwakkere leerlingen. In PRIMA3 is destijds besloten om bij alle leer26
  • 37. lingen het eerste deel plus het makkelijkste vervolgdeel af te nemen. In PRIMA5 is de toets Begrijpend lezen echter geheel volgens de regels afgenomen: afhankelijk van hun score op het eerste deel werd aan de leerlingen deel 2 òf deel 3 voorgelegd. De leestoetsen bevatten uitsluitend multiple-choice opgaven; de leerlingen van groep 6 en 8 hebben hun antwoorden op optisch inleesbare antwoordbladen ingevuld. De ruwe scores zijn omgezet in vaardigheidsscores volgens de tabellen uit de Cito-handleiding. 4.3 Respons In totaal namen 58902 leerlingen deel aan de vijfde meting van PRIMA; dit zijn de leerlingen waarvan de scholen bij aanvang van het schooljaar hebben gemeld dat de leerlingen in de betreffende klassen zaten. Van al deze leerlingen zijn - in principe - ook de achtergrondkenmerken bekend die door de scholen (directies, administraties) zijn verstrekt en zijn opgeslagen in het administratiebestand. Ten opzichte van deze groep heeft 95.3% (56127) van de leerlingen ook de toetsen gemaakt. Dit betekent dat van 4.7% van de leerlingen geen toetsgegevens bekend zijn. Dit kan onder meer te maken hebben met absentie door ziekte, of door tussentijdse verhuizingen. Om na te gaan of er eventueel sprake is van selectieve uitval hebben we de feitelijke verdeling van de sociaal-etnische achtergrond in het administratiebestand afgezet tegen de verdeling in het toetsbestand. Deze verdelingen geven we in Tabel 4.1, waarbij we een uitsplitsing hebben gemaakt naar totale steekproef en referentiesteekproef. In de tabel staan alleen de leerlingen waarvan de sociaal-etnische achtergrond bekend is. Tabel 4.1 – Respons op de taal-, reken- en leestoetsen, naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond (in %) referentiesteekproef verdeling LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO n totale steekproef respons verdeling respons 5.6 3.9 15.8 40.9 33.8 5.7 3.8 15.7 41.0 33.9 11.6 6.5 16.2 37.3 28.4 11.5 6.2 16.1 37.6 28.6 39290 37820 55356 52812 Zoals uit de hoge deelname aan de toetsen verwacht mag worden, zijn de verschillen tussen feitelijke verdeling en respons uitermate klein. Zowel in de referentiesteekproef als ook in de totale steekproef is het verschil hoogstens .1 à .3 %-punten. Dit komt overeen met de in eerdere metingen gevonden responsverdelingen. 27
  • 38. 4.4 De taal-, reken- en leesvaardigheid In Tabel 4.2 worden eerst de gemiddelde scores op taal, rekenen en begrijpend lezen per jaargroep weergegeven; daarna volgt in Tabel 4.3, 4.4 en 4.5 een uitsplitsing van deze gemiddelden naar sociaal-etnische achtergrond, en in Tabel 4.6, 4.7 en 4.8 een uitsplitsing naar geslacht. De gemiddelden in de eerste tabel zijn gebaseerd op alle leerlingen; de totaalgemiddelden in de laatste vier tabellen zijn gebaseerd op die leerlingen, van wie het betreffende achtergrondgegeven - sociaal-etnische achtergrond, respectievelijk geslacht - bekend is (dus exclusief de ‘missings’ op die variabele). Tabel 4.2 – Vaardigheidsscores taal, rekenen en begrijpend lezen, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n taal groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 986.0 1048.6 1082.1 1118.3 32.8 35.3 33.3 36.6 10604 9929 9451 9300 982.1 1044.0 1078.4 1114.2 33.5 36.4 33.2 36.4 14787 13806 13001 12855 rekenen groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 55.7 67.2 95.0 117.2 13.4 10.1 10.2 9.7 10533 9978 9290 8963 54.7 66.1 94.1 116.6 13.4 10.3 10.4 9.6 14685 13847 12817 12428 lezen groep 6 groep 8 37.1 56.0 15.0 16.6 9364 9068 35.6 54.3 15.0 16.6 12926 12650 28
  • 39. Tabel 4.3 – Vaardigheidsscores taal, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 955.6 961.7 980.3 988.1 995.3 28.0 33.3 29.6 31.7 31.3 542 358 1480 4125 3308 totaal 986.6 32.8 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 1013.3 1024.7 1041.7 1049.1 1058.8 totaal gem. sd n 958.3 962.9 979.3 985.5 993.8 29.3 31.6 30.1 32.6 31.8 1510 822 2115 5345 3911 9813 982.6 33.5 13703 30.8 33.8 32.3 33.3 33.5 535 326 1364 3862 3225 1014.1 1026.0 1041.7 1046.7 1057.2 30.3 33.0 33.2 34.4 34.3 1532 802 1915 4970 3802 1048.4 35.0 9312 1043.9 36.2 13021 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 1049.9 1063.5 1072.9 1082.1 1094.5 25.0 29.1 28.8 30.5 34.0 484 362 1396 3623 3055 1053.8 1063.5 1071.2 1080.4 1093.4 26.3 28.0 28.9 30.6 34.0 1401 784 2004 4605 3583 totaal 1082.4 33.3 8920 1078.6 33.2 12377 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 1085.7 1097.3 1108.2 1118.1 1132.0 28.8 30.9 31.4 34.3 36.9 514 335 1512 3533 2951 1088.5 1096.6 1107.3 1116.7 1130.8 27.5 29.8 31.2 34.7 37.0 1475 772 2174 4458 3422 totaal 1118.4 36.5 8845 1114.3 36.3 12301 29
  • 40. Tabel 4.4 - Vaardigheidsscores rekenen, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 48.1 48.6 52.9 55.8 59.2 10.4 12.3 12.1 13.0 14.1 556 349 1475 4086 3274 48.5 49.5 52.5 55.3 59.0 11.0 12.6 11.9 13.1 14.2 1529 813 2114 5296 3878 totaal 55.8 13.5 9740 54.8 13.5 13630 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 60.8 61.3 64.4 67.2 69.8 9.9 10.0 9.7 10.0 9.5 521 321 1371 3869 3241 60.6 61.4 64.1 66.6 69.5 9.9 9.8 9.8 10.1 9.6 1497 797 1940 4972 3821 totaal 67.1 10.1 9323 66.1 10.3 13027 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 88.3 89.3 92.2 95.0 98.1 9.4 11.2 9.7 9.8 9.6 452 342 1346 3566 3009 89.2 90.4 91.4 94.5 97.8 10.0 11.3 9.7 9.9 9.8 1345 746 1975 4533 3545 totaal 95.0 10.2 8715 94.1 10.4 12144 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 112.3 113.8 113.9 117.0 120.2 8.9 9.4 9.3 9.3 9.6 444 303 1462 3382 2904 113.3 113.6 113.6 116.8 120.1 8.7 9.4 9.1 9.3 9.5 1380 723 2096 4293 3368 totaal 117.2 9.7 8495 116.6 9.6 11860 30
  • 41. Tabel 4.5 – Vaardigheidsscores lezen, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 23.4 29.2 31.9 36.5 43.3 11.4 13.2 13.3 13.8 14.8 449 334 1387 3605 3026 25.4 29.9 31.4 35.9 42.8 11.9 13.2 13.3 13.9 14.9 1365 740 2014 4592 3563 totaal 37.2 15.0 8801 35.6 15.0 12274 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 43.9 48.5 49.2 55.0 63.2 14.5 15.2 14.3 15.5 16.1 452 331 1499 3434 2908 44.9 47.7 48.8 54.5 62.6 14.3 14.8 14.4 15.6 16.4 1399 773 2171 4369 3398 totaal 55.9 16.6 8624 54.2 16.6 12110 Tabel 4.6 – Vaardigheidsscores taal, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef gem. sd groep 2 jongens meisjes 983.6 988.8 32.7 32.7 totaal 986.2 groep 4 jongens meisjes totale steekproef n gem. sd n 5274 5094 979.8 984.6 33.5 33.4 7417 7072 32.8 10368 982.2 33.6 14489 1046.5 1050.5 34.4 35.8 4865 4928 1042.2 1045.7 35.8 36.8 6711 6898 totaal 1048.5 35.2 9793 1044.0 36.4 13609 groep 6 jongens meisjes 1080.1 1084.0 33.0 33.4 4617 4746 1076.6 1080.1 32.8 33.5 6360 6532 totaal 1082.1 33.2 9363 1078.4 33.2 12892 groep 8 jongens meisjes 1118.0 1118.7 36.8 36.3 4668 4573 1113.9 1114.6 36.3 36.5 6411 6359 totaal 1118.4 36.6 9241 1114.3 36.4 12770 31
  • 42. Tabel 4.7 – Vaardigheidsscores rekenen, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 55.2 56.3 13.5 13.3 5232 5064 54.3 55.2 13.4 13.4 7358 7031 totaal 55.8 13.4 10296 54.7 13.4 14389 groep 4 jongens meisjes 68.8 65.5 9.7 10.3 4896 4941 67.8 64.4 10.0 10.4 6729 6919 totaal 67.2 10.1 9837 66.1 10.3 13648 groep 6 jongens meisjes 96.5 93.6 9.9 10.3 4555 4632 95.6 92.5 10.0 10.5 6291 6400 totaal 95.0 10.2 9187 94.1 10.4 12691 groep 8 jongens meisjes 118.4 116.0 9.7 9.5 4540 4359 117.8 115.3 9.6 9.5 6244 6092 totaal 117.2 9.7 8899 116.6 9.6 12336 Tabel 4.8 – Vaardigheidsscores lezen, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 6 jongens meisjes 36.2 38.0 15.2 14.8 4554 4720 34.7 36.4 15.1 14.8 6291 6526 totaal 37.1 15.0 9274 35.6 15.0 12817 groep 8 jongens meisjes 54.6 57.4 16.5 16.5 4544 4467 52.9 55.7 16.5 16.6 6293 6277 totaal 56.0 16.6 9011 54.3 16.6 12570 32
  • 43. 5 De intelligentietests 5.1 De intelligentietests Voor de intelligentietests is gebruik gemaakt van bestaand materiaal dat destijds is ontwikkeld ten behoeve van de Landelijke Evaluatie van het Onderwijsvoorrangsbeleid (LEO; de voorganger van het Onderwijsachterstandenbeleid). De indertijd door het RION ontwikkelde intelligentietests bestaan uit vijf onderdelen: figuren samenstellen, exclusie, getallenreeksen, categorieën en analogieën. Voor het PRIMA-onderzoek is alleen gebruik gemaakt van de non-verbale onderdelen ‘figuren samenstellen’ en ‘exclusie’. Ook deze tests zijn tijdens een vooronderzoek op hun psychometrische eigenschappen onderzocht (Driessen, Van Langen & Oudenhoven, 1994). Op basis hiervan zijn enkele items uit de oorspronkelijke tests verwijderd. De intelligentietests zijn alleen in de groepen 4, 6 en 8 afgenomen. Testafname van een geëigende test is in groep 2 achterwege gebleven teneinde deze leerlingen niet te veel te belasten. 5.2 Respons In totaal namen 42842 leerlingen uit de groepen 4, 6 en 8 deel aan de zesde meting van PRIMA; dit zijn de leerlingen uit het administratiebestand. Ten opzichte van deze groep heeft 86.5% van de leerlingen ook de intelligentietests gemaakt. Om na te gaan of er eventueel sprake is van selectieve uitval hebben we de verdeling van de sociaal-etnische achtergrond in het administratiebestand afgezet tegen de verdeling in het bestand met de testresultaten. Deze verdelingen geven we in Tabel 5.1, met daarbij een uitsplitsing naar totale steekproef en referentiesteekproef. In de tabel staan alleen de leerlingen waarvan de sociaal-etnische achtergrond bekend is. Tabel 5.1 - Respons op de intelligentietests, naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond (in %) referentiesteekproef verdeling LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO n respons totale steekproef verdeling respons 5.6 3.9 16.0 40.6 33.8 6.0 3.9 15.7 40.4 33.8 11.7 6.5 16.5 37.0 28.3 12.2 6.3 16.1 37.0 28.3 28777 25013 40506 35122 De verschillen in sociaal-etnische achtergrond tussen verdeling en respons zijn uitermate klein. In de referentiesteekproef is het verschil maximaal .4 %-punten. In de totale steekproef is het verschil maximaal .5 %-punten. 33
  • 44. Behalve naar de respons ten opzichte van de administratiesteekproef, hebben we ook gekeken naar de respons met betrekking tot het toetsbestand. Uit deze analyses bleek dat 90.0% van de 41117 in groep 4, 6 en 8 getoetste leerlingen ook de intelligentietests heeft gemaakt. Daarnaast zijn er ook nog 51 leerlingen die weliswaar de intelligentietests hebben gemaakt, maar niet aan de toetsafname hebben deelgenomen. Voor de hierna te beschrijven analyses nemen we ook deze laatstgenoemde groep mee; in totaal betreft het 37040 leerlingen. 5.3 Intelligentiescores In Tabel 5.2 presenteren we allereerst per jaargroep de gemiddelde totaalscores op de intelligentietest, apart voor de referentiesteekproef en de totale steekproef. Daarna worden in Tabel 5.3 en 5.4 deze scores verder uitgesplitst naar sociaal-etnische achtergrond, respectievelijk geslacht. Omdat deze tests niet zijn gekalibreerd (zoals dat bij de taal- en rekentoetsen wel is gebeurd), is een vergelijking tussen de jaargroepen niet mogelijk. Ook hier geldt dat de scores in Tabel 5.2 zijn gebaseerd op alle leerlingen, en de totaalscores in de twee daarop volgende tabellen op de leerlingen van wie de sociaal-etnische achtergrond en het geslacht bekend zijn. Tabel 5.2 – Intelligentiescores, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef gem. groep 4 groep 6 groep 8 34 sd 27.9 25.7 25.8 5.2 4.7 4.5 totale steekproef n gem. sd 9271 8725 8576 27.4 25.4 25.5 5.5 4.8 4.5 n 12969 12084 11987
  • 45. Tabel 5.3 – Intelligentiescores, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 24.0 25.4 26.8 27.8 29.4 6.1 5.8 5.2 5.1 4.6 533 319 1254 3584 2970 24.7 25.5 26.7 27.5 29.2 6.1 5.9 5.3 5.3 4.8 1478 763 1784 4647 3517 totaal 27.9 5.2 8660 27.4 5.5 12189 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 23.0 23.9 24.6 25.7 26.9 5.3 5.3 4.8 4.6 4.2 475 347 1287 3317 2790 23.5 23.9 24.3 25.5 26.9 5.1 5.2 4.8 4.7 4.3 1355 730 1867 4252 3279 totaal 25.7 4.7 8216 25.4 4.8 11483 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 23.8 24.0 24.7 25.8 27.0 4.8 5.0 4.5 4.3 4.2 504 320 1397 3216 2700 24.3 24.1 24.6 25.6 26.9 4.5 4.9 4.5 4.3 4.2 1436 730 2019 4109 3156 totaal 25.8 4.5 8137 25.5 4.5 11450 Tabel 5.4 – Intelligentiescores, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 4 jongens meisjes 27.7 28.1 5.3 5.2 4527 4615 27.2 27.6 5.6 5.4 6275 6506 totaal 27.9 5.2 9142 27.4 5.5 12781 groep 6 jongens meisjes 25.6 25.8 4.8 4.6 4237 4411 25.2 25.5 4.9 4.7 5878 6112 totaal 25.7 4.7 8648 25.4 4.8 11990 groep 8 jongens meisjes 25.7 25.9 4.5 4.4 4314 4212 25.4 25.6 4.6 4.4 5964 5948 totaal 25.8 4.5 8526 25.5 4.5 11912 35
  • 46. 36
  • 47. 6 Leerlingprofielen 6.1 De leerlingprofielen Bij alle PRIMA-metingen is aan de leerkrachten in groep 2, 4, 6 en 8 het zogenaamde leerlingprofiel voorgelegd waarop zij hun mening over de leerlingen ten aanzien van een aantal gedrags- en houdingsaspecten, het thuisklimaat en enkele onderwijskundige bijzonderheden konden geven. In de loop van de tijd is dit leerlingprofiel al een aantal keren herzien. Tussen de derde en vierde PRIMA-meting is in schooljaar 1999/2000 een valideringsonderzoek naar de laatste versie van het instrument uitgevoerd (Jungbluth, Roede & Roeleveld, 2000). Naar aanleiding daarvan is het profiel bij de vierde meting opnieuw op enkele punten bijgesteld en uitgebreid. Deze laatste versie van de leerlingprofielen is in de vijfde en zesde PRIMA-meting aan de leerkrachten voorgelegd. 6.2 Respons Bij de eerste drie PRIMA-metingen is aan de leerkrachten gevraagd voor elke leerling in hun klas een leerlingprofiel in te vullen. Omdat het leerlingprofiel met enkele items is uitgebreid en daardoor de belasting voor de leerkrachten (nog) groter is geworden, is met ingang van de vierde meting besloten niet meer voor alle leerlingen een leerlingprofiel te laten invullen. De selectie van de leerlingen voor wie een leerlingprofiel aan de leerkracht werd voorgelegd zag er als volgt uit: in groep 2 moest voor elke leerling een formulier worden ingevuld. In de groepen 4, 6 en 8 werd in elke parallelgroep gekeken naar het aantal leerlingen. In een groep van 15 of minder leerlingen werd voor elke leerling een formulier aangemaakt. Bij groepen met méér dan 15 leerlingen werden at random 15 leerlingen geselecteerd voor wie een leerlingprofiel moest worden ingevuld. De leerlingprofielen zijn door de toetsleiders bij hun bezoek op school achtergelaten, zodat de leerkrachten ze in de periode totdat de feitelijke toetsafname plaatsvond konden invullen. Na de toetsafnames hebben de toetsleiders de formulieren weer mee teruggenomen. Nog niet ingevulde formulieren konden de leerkrachten nazenden. In totaal zijn 56127 leerlingen getoetst. Van 74.4% van deze leerlingen is ook het leerlingprofiel beschikbaar. Daarnaast zijn er ook nog 707 leerlingen die niet zijn getoetst, maar waarvan wel het profiel is ingevuld. In totaal betreft het 42491 leerlingprofielen. Het administratiebestand bevat 58902 leerlingen. Ten opzichte van dat bestand is de respons 72.1%. Of er sprake is van selectieve uitval hebben we gecontroleerd door de feitelijke verdeling naar sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestand af te zetten tegen de respons op de leerlingprofielen. De resultaten hiervan staan vermeld in Tabel 6.1, waarbij we 37
  • 48. een uitsplitsing hebben gemaakt naar totale steekproef en referentiesteekproef. De tabel bevat alleen de leerlingen waarvan de sociaal-etnische achtergrond bekend is. Tabel 6.1 – Respons op de leerlingprofielen, naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond (in %) referentiesteekproef totale steekproef verdeling LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO n respons verdeling respons 5.6 3.9 15.8 40.9 33.8 6.2 4.0 15.7 40.6 33.4 11.6 6.5 16.2 37.3 28.4 12.2 6.4 16.3 37.2 27.9 39290 28296 55356 40195 Evenals bij de vorige metingen vinden we ook hier weinig responsverschillen. Dit geldt zowel voor de referentiesteekproef als ook voor de totale steekproef. Het maximale verschil dat we tegenkomen bedraagt .6 punt. 6.3 Schalen In de volgende paragraaf geven we een overzicht van de schalen die in het leerlingprofiel aan de orde komen. Hoe deze schalen tot stand zijn gekomen staat uitvoerig beschreven in het technische rapport van de vierde meting en kan aldaar worden geraadpleegd. De afzonderlijke items uit het leerlingprofiel zijn samengevat in de volgende schalen: - cognitieve capaciteiten - onderpresteerder - bovenpresteerder - gedrag - zelfvertrouwen - populariteit - werkhouding - schoolwelbevinden - relatie met de leerkracht - etnische breuk - sociaal milieu - remediërende maatregelen - aandacht voor discipline - extra leerstofaanbod voor de slimme leerlingen - gereduceerd leerstofaanbod voor de zwakkere leerlingen. 38
  • 49. 6.4 Schaalscores Om een indruk te geven van de gemiddelde scores op de geconstrueerde schalen presenteren we allereerst in Tabel 6.2 een overzicht van de schaalscores uitgesplitst naar steekproef en jaargroep. De scores zijn berekend door het gemiddelde te nemen van de afzonderlijke items, voor zover ten minste tweederde deel van de items over de betreffende leerling zijn ingevuld. Daarna volgt in Tabel 6.3 tot en met Tabel 6.17 een verdere verbijzondering naar sociaal-etnische achtergrond. Tabel 6.2 – Schaalscores op de leerlingprofielen, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n cognitieve capaciteiten groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 3.67 3.55 3.54 3.52 .94 1.03 1.02 1.08 9415 7035 6629 6575 3.61 3.49 3.49 3.47 .95 1.03 1.03 1.08 13177 10006 9347 9324 onderpresteerder groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 2.50 2.49 2.53 2.49 .74 .78 .77 .81 9317 6991 6611 6543 2.54 2.53 2.56 2.52 .74 .77 .77 .81 13088 9953 9311 9271 bovenpresteerder groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 2.41 2.46 2.47 2.48 .73 .78 .76 .79 9373 7014 6634 6563 2.44 2.51 2.50 2.52 .73 .78 .76 .79 13137 9987 9328 9295 gedrag groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 3.62 3.67 3.62 3.65 .74 .76 .79 .80 9511 7099 6681 6617 3.59 3.64 3.59 3.63 .75 .76 .80 .81 13336 10099 9418 9379 zelfvertrouwen groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 3.76 3.73 3.73 3.81 .80 .81 .79 .77 9384 7004 6616 6564 3.74 3.72 3.73 3.80 .81 .80 .79 .77 13163 9972 9338 9304 populariteit groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 3.75 3.66 3.59 3.61 .71 .75 .79 .81 9382 7003 6626 6567 3.72 3.63 3.57 3.61 .71 .74 .79 .80 13153 9970 9339 9316 39
  • 50. Vervolg Tabel 6.2 – Schaalscores op de leerlingprofielen, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd werkhouding groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 3.38 3.41 3.38 3.41 .88 .90 .88 .90 9371 7001 6626 6563 3.35 3.39 3.37 3.39 .88 .88 .88 .90 13144 9974 9349 9314 schoolwelbevinden groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 4.25 4.13 4.02 3.98 .58 .63 .67 .71 9410 7008 6641 6565 4.24 4.10 4.02 4.00 .58 .62 .66 .71 13183 9988 9360 9298 relatie met de leerkracht groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 4.19 4.13 4.03 4.02 .52 .53 .55 .59 9374 7003 6628 6580 4.18 4.09 4.02 4.02 .53 .54 .56 .59 13146 9971 9338 9321 etnische breuk groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 1.83 1.85 1.86 1.81 1.00 1.02 1.00 .99 9351 6971 6604 6563 2.11 2.16 2.12 2.08 1.16 1.19 1.15 1.17 13101 9899 9278 9285 sociaal milieu groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 3.73 3.68 3.61 3.58 .78 .83 .81 .83 9398 7009 6613 6564 3.62 3.57 3.50 3.47 .83 .86 .87 .88 13157 9948 9305 9307 remediërende maatregelen groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 2.15 2.33 2.33 2.22 1.03 1.12 1.09 1.06 9345 6985 6603 6557 2.23 2.38 2.37 2.24 1.04 1.10 1.09 1.05 13076 9936 9276 9282 discipline groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 2.29 2.41 2.41 2.35 .85 .86 .89 .90 13080 9942 9314 9277 2.25 2.37 2.39 2.32 .85 .86 .89 .90 9343 6978 6617 6550 extra leerstofaanbod voor slimme leerlingen groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 2.75 2.81 2.77 2.79 .92 1.03 1.05 1.14 9013 6960 6567 6541 2.76 2.79 2.75 2.74 .91 1.01 1.04 1.12 12656 9838 9231 9268 gereduceerd leerstofaanbod voor zwakkere leerlingen groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 2.16 2.21 2.23 2.22 .82 .86 .89 .93 9263 6949 6603 6529 2.22 2.27 2.26 2.25 .83 .86 .89 .93 12992 9886 9276 9239 40 n
  • 51. Tabel 6.3 – Schaalscores ‘cognitieve capaciteiten’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.13 3.30 3.32 3.67 3.96 .97 .99 .99 .90 .82 507 318 1317 3682 3035 3.18 3.31 3.32 3.65 3.95 .98 .98 .97 .91 .83 1388 742 1891 4796 3590 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.12 3.30 3.18 3.54 3.86 1.01 1.01 1.08 1.01 .93 429 257 992 2713 2219 3.14 3.30 3.18 3.52 3.85 1.00 1.01 1.05 1.00 .93 1205 593 1456 3556 2661 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.12 3.14 3.20 3.53 3.84 1.03 1.04 1.00 .98 .94 395 283 970 2511 2085 3.17 3.26 3.16 3.52 3.84 1.03 1.07 1.02 .99 .94 1093 588 1441 3282 2492 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.00 3.10 3.06 3.54 3.92 1.07 1.13 1.08 1.01 .96 410 268 1119 2443 2022 3.09 3.21 3.06 3.54 3.91 1.06 1.10 1.08 1.02 .97 1132 611 1669 3144 2382 41
  • 52. Tabel 6.4 – Schaalscores ‘onderpresteerder’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.77 2.71 2.50 2.49 2.46 .66 .74 .68 .72 .78 503 316 1304 3643 2996 2.75 2.72 2.54 2.52 2.47 .69 .74 .70 .73 .78 1393 742 1881 4755 3547 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.62 2.63 2.49 2.49 2.44 .72 .73 .72 .79 .81 423 257 981 2697 2208 2.64 2.65 2.53 2.53 2.47 .70 .71 .74 .78 .81 1193 597 1445 3536 2650 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.65 2.77 2.59 2.52 2.44 .72 .80 .75 .74 .80 393 284 976 2501 2073 2.68 2.73 2.60 2.55 2.46 .72 .78 .75 .74 .80 1085 587 1448 3264 2478 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.66 2.63 2.56 2.51 2.39 .78 .76 .76 .79 .85 408 268 1117 2429 2006 2.64 2.64 2.57 2.53 2.40 .76 .75 .77 .79 .84 1122 607 1670 3124 2358 42
  • 53. Tabel 6.5 – Schaalscores ‘bovenpresteerder’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.81 2.58 2.63 2.44 2.21 .63 .69 .71 .71 .69 506 316 1316 3669 3005 2.74 2.56 2.61 2.43 2.21 .69 .71 .71 .71 .70 1394 741 1891 4774 3559 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.76 2.65 2.68 2.47 2.25 .72 .73 .74 .78 .76 423 257 978 2708 2222 2.81 2.68 2.66 2.50 2.26 .73 .75 .73 .77 .75 1200 597 1441 3554 2661 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.69 2.63 2.64 2.50 2.29 .69 .81 .74 .75 .75 395 284 974 2514 2082 2.72 2.58 2.65 2.50 2.29 .73 .77 .74 .74 .74 1082 588 1447 3275 2486 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.78 2.61 2.68 2.52 2.25 .75 .74 .75 .76 .79 412 270 1116 2438 2012 2.77 2.65 2.67 2.52 2.26 .78 .76 .74 .76 .79 1128 611 1666 3134 2367 43
  • 54. Tabel 6.6 – Schaalscores ‘gedrag’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef gem. sd groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.50 3.56 3.56 3.61 3.67 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO totale steekproef n gem. sd n .75 .81 .78 .72 .71 511 320 1329 3723 3060 3.48 3.54 3.49 3.59 3.67 .76 .78 .79 .74 .72 1413 751 1917 4851 3617 3.45 3.56 3.58 3.67 3.75 .78 .85 .78 .75 .71 431 259 993 2743 2242 3.50 3.57 3.54 3.65 3.74 .75 .84 .78 .75 .71 1215 600 1461 3594 2688 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.39 3.50 3.52 3.64 3.74 .82 .89 .79 .78 .72 398 284 985 2529 2098 3.40 3.53 3.50 3.62 3.73 .82 .92 .80 .80 .73 1101 594 1461 3305 2504 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.41 3.52 3.52 3.64 3.79 .84 .84 .84 .78 .77 414 270 1124 2458 2032 3.43 3.55 3.52 3.64 3.79 .84 .81 .83 .79 .77 1137 613 1682 3163 2390 44
  • 55. Tabel 6.7 – Schaalscores ‘zelfvertrouwen’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.84 3.72 3.75 3.72 3.80 .69 .82 .82 .81 .79 500 316 1312 3676 3023 3.77 3.76 3.67 3.71 3.79 .75 .80 .85 .81 .79 1389 745 1892 4792 3572 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.79 3.76 3.64 3.71 3.77 .79 .78 .80 .81 .82 428 254 982 2702 2214 3.75 3.73 3.61 3.71 3.75 .77 .76 .79 .80 .81 1203 589 1450 3543 2656 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.80 3.72 3.69 3.72 3.76 .70 .80 .78 .79 .80 390 281 977 2503 2079 3.79 3.78 3.66 3.72 3.76 .77 .75 .80 .79 .80 1090 589 1450 3276 2482 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.78 3.77 3.68 3.79 3.90 .76 .77 .77 .77 .76 412 268 1110 2438 2020 3.82 3.79 3.66 3.79 3.90 .74 .75 .80 .76 .76 1131 607 1664 3135 2377 45
  • 56. Tabel 6.8 – Schaalscores ‘populariteit’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.55 3.56 3.65 3.76 3.82 .73 .73 .76 .69 .68 503 319 1310 3670 3018 3.53 3.60 3.64 3.74 3.81 .71 .72 .74 .71 .68 1391 746 1889 4781 3566 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.52 3.53 3.54 3.66 3.75 .73 .80 .75 .74 .74 425 256 975 2711 2213 3.49 3.53 3.53 3.64 3.74 .73 .76 .75 .73 .73 1199 595 1441 3547 2656 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.46 3.44 3.46 3.59 3.70 .74 .80 .82 .77 .77 392 281 975 2509 2085 3.46 3.51 3.44 3.58 3.69 .74 .78 .82 .78 .77 1089 587 1445 3280 2488 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.48 3.58 3.47 3.61 3.72 .71 .80 .83 .80 .80 411 269 1116 2435 2020 3.54 3.62 3.46 3.61 3.73 .73 .73 .83 .80 .79 1132 607 1671 3137 2379 46
  • 57. Tabel 6.9 – Schaalscores ‘werkhouding’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.22 3.26 3.19 3.35 3.51 .84 .92 .90 .86 .85 501 318 1315 3682 3005 3.26 3.28 3.14 3.34 3.51 .85 .90 .89 .87 .85 1391 747 1895 4792 3552 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.26 3.30 3.24 3.40 3.54 .86 .91 .90 .89 .88 427 255 983 2710 2206 3.29 3.31 3.21 3.39 3.54 .84 .90 .88 .87 .87 1200 593 1448 3555 2648 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.14 3.24 3.20 3.36 3.54 .84 .90 .87 .87 .85 392 283 982 2505 2079 3.25 3.34 3.18 3.37 3.53 .86 .93 .87 .86 .85 1093 591 1457 3275 2482 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.22 3.25 3.16 3.41 3.59 .87 .95 .90 .86 .90 408 265 1116 2441 2016 3.28 3.34 3.17 3.41 3.60 .86 .91 .91 .86 .89 1130 607 1670 3144 2372 47
  • 58. Tabel 6.10 – Schaalscores ‘schoolwelbevinden’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 4.25 4.22 4.22 4.22 4.29 .56 .57 .58 .59 .58 505 318 1315 3693 3022 4.23 4.22 4.20 4.22 4.28 .57 .57 .58 .58 .58 1390 746 1897 4803 3573 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 4.12 4.14 4.04 4.10 4.19 .55 .63 .61 .64 .61 422 254 977 2714 2219 4.06 4.09 4.00 4.09 4.18 .59 .62 .63 .63 .61 1202 592 1443 3561 2658 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.98 4.02 3.89 4.02 4.09 .61 .62 .72 .66 .64 391 285 982 2520 2079 4.06 4.02 3.88 4.02 4.10 .63 .64 .71 .66 .64 1092 590 1454 3291 2483 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.99 3.92 3.80 3.97 4.07 .66 .73 .74 .69 .70 410 268 1112 2439 2020 4.06 4.02 3.84 3.98 4.08 .64 .67 .74 .70 .70 1127 603 1667 3139 2372 48 n
  • 59. Tabel 6.11 – Schaalscores ‘relatie met de leerkracht’, naar steekproef, jaargroep en sociaaletnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 4.10 4.10 4.19 4.18 4.22 .51 .52 .52 .52 .52 506 312 1312 3685 3006 4.09 4.13 4.17 4.17 4.22 .54 .52 .52 .52 .52 1396 738 1895 4792 3556 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 4.04 4.09 4.09 4.10 4.18 .52 .51 .52 .53 .53 422 254 982 2706 2213 4.00 4.03 4.07 4.08 4.16 .54 .53 .53 .53 .53 1200 590 1445 3548 2652 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.88 3.98 3.99 4.04 4.08 .57 .53 .56 .55 .54 393 283 981 2511 2077 3.98 3.96 3.98 4.03 4.07 .58 .56 .56 .55 .54 1087 585 1452 3283 2482 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.88 3.92 3.96 4.01 4.09 .59 .61 .58 .58 .57 411 267 1115 2446 2026 3.94 3.96 3.98 4.01 4.10 .58 .59 .59 .58 .57 1132 606 1671 3142 2381 49
  • 60. Tabel 6.12 – Schaalscores ‘etnische breuk’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.94 3.43 1.62 1.68 1.56 .67 1.02 .58 .81 .78 497 313 1309 3672 3015 3.90 3.47 1.67 1.86 1.66 .69 .98 .61 .96 .88 1380 732 1890 4780 3560 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.92 3.43 1.63 1.71 1.54 .65 .96 .57 .83 .77 420 256 974 2696 2203 3.94 3.50 1.65 1.89 1.67 .63 .89 .60 .99 .90 1178 588 1432 3528 2644 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.89 3.39 1.61 1.70 1.57 .64 1.02 .55 .79 .75 392 279 973 2503 2076 3.88 3.39 1.64 1.86 1.67 .65 .99 .57 .94 .87 1070 579 1441 3270 2473 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.84 3.26 1.61 1.65 1.49 .70 1.07 .56 .79 .72 405 264 1118 2439 2021 3.89 3.35 1.61 1.80 1.60 .66 1.03 .57 .93 .85 1114 600 1669 3139 2373 50
  • 61. Tabel 6.13 – Schaalscores ‘sociaal milieu’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.91 3.03 3.43 3.76 4.02 .83 .84 .77 .70 .66 504 314 1319 3684 3017 2.97 3.08 3.37 3.71 4.00 .85 .84 .79 .74 .69 1384 743 1903 4794 3564 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.82 2.94 3.40 3.73 4.01 .86 .83 .81 .73 .69 427 255 985 2702 2215 2.91 3.01 3.37 3.67 3.98 .83 .83 .83 .75 .70 1188 595 1441 3537 2654 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.81 2.90 3.30 3.65 3.96 .84 .89 .81 .72 .66 394 284 973 2509 2072 2.90 2.91 3.25 3.60 3.94 .89 .88 .85 .75 .69 1074 589 1447 3275 2474 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.85 2.94 3.23 3.61 3.97 .79 .86 .80 .74 .69 407 267 1118 2439 2018 2.88 2.91 3.16 3.59 3.95 .85 .84 .84 .77 .71 1124 605 1674 3143 2371 51
  • 62. Tabel 6.14 – Schaalscores ‘remediërende maatregelen’, naar steekproef, jaargroep en sociaaletnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.71 2.65 2.40 2.12 1.90 1.02 1.08 1.10 1.00 .91 501 306 1315 3661 3011 2.74 2.63 2.43 2.16 1.92 1.04 1.07 1.08 1.00 .92 1382 729 1893 4757 3547 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.61 2.55 2.59 2.35 2.10 1.06 1.09 1.17 1.11 1.07 416 254 982 2707 2206 2.62 2.58 2.61 2.37 2.12 1.07 1.09 1.14 1.09 1.05 1184 593 1443 3543 2643 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.63 2.67 2.57 2.31 2.12 1.03 1.07 1.11 1.07 1.03 389 279 973 2505 2073 2.61 2.58 2.61 2.32 2.12 1.05 1.06 1.11 1.07 1.02 1072 584 1445 3257 2469 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.59 2.59 2.55 2.20 1.93 1.01 1.04 1.12 1.03 .96 408 269 1115 2428 2019 2.51 2.48 2.51 2.18 1.93 1.02 1.05 1.11 1.02 .96 1120 607 1664 3124 2374 52
  • 63. Tabel 6.15 – Schaalscores ‘discipline’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.43 2.35 2.38 2.27 2.12 .81 .90 .89 .83 .81 507 310 1305 3663 3005 2.43 2.40 2.44 2.29 2.13 .83 .88 .89 .83 .81 1388 728 1888 4764 3543 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.65 2.54 2.50 2.38 2.21 .87 .92 .88 .85 .83 416 254 990 2679 2216 2.58 2.52 2.53 2.41 2.23 .86 .89 .87 .84 .83 1186 593 1455 3519 2657 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.66 2.60 2.53 2.40 2.23 .88 .91 .91 .89 .84 394 283 982 2501 2074 2.57 2.54 2.55 2.40 2.23 .90 .94 .90 .89 .84 1086 589 1454 3265 2472 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.67 2.54 2.52 2.32 2.12 .91 .87 .91 .87 .86 401 268 1115 2432 2018 2.60 2.49 2.52 2.33 2.11 .91 .87 .91 .88 .85 1116 606 1664 3132 2368 53
  • 64. Tabel 6.16 – Schaalscores ‘extra leerstofaanbod voor slimme leerlingen’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.48 2.55 2.48 2.71 2.99 .87 .93 .88 .87 .93 497 305 1260 3545 2879 2.57 2.67 2.50 2.75 3.00 .85 .93 .87 .88 .93 1354 712 1813 4628 3409 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.54 2.61 2.49 2.76 3.08 .90 .97 .97 1.01 1.03 423 254 983 2676 2206 2.56 2.67 2.53 2.78 3.09 .90 .97 .96 .99 1.02 1175 582 1423 3493 2640 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.38 2.45 2.43 2.74 3.10 .90 1.00 .95 1.01 1.06 396 282 976 2479 2050 2.53 2.59 2.41 2.73 3.10 .95 1.00 .95 1.01 1.06 1079 586 1443 3230 2445 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.41 2.55 2.34 2.74 3.22 1.01 1.08 1.01 1.09 1.14 406 268 1119 2427 2007 2.47 2.53 2.34 2.75 3.21 1.00 1.04 1.01 1.09 1.14 1118 609 1667 3124 2362 54
  • 65. Tabel 6.17 – Schaalscores ‘gereduceerd leerstofaanbod voor zwakkere leerlingen’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.62 2.48 2.37 2.17 1.94 .82 .88 .86 .79 .73 500 307 1306 3619 2977 2.58 2.46 2.39 2.20 1.97 .82 .85 .84 .80 .75 1378 727 1888 4714 3519 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.50 2.39 2.43 2.22 2.00 .85 .84 .89 .85 .81 414 254 981 2689 2190 2.53 2.42 2.45 2.24 2.02 .84 .84 .87 .83 .80 1176 591 1441 3523 2627 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.55 2.50 2.48 2.22 1.99 .90 .92 .93 .87 .81 392 284 977 2496 2072 2.49 2.47 2.50 2.23 2.00 .90 .91 .93 .86 .80 1074 589 1447 3252 2468 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.61 2.58 2.55 2.22 1.92 .91 .91 .98 .89 .83 404 263 1113 2423 2009 2.50 2.49 2.54 2.21 1.93 .90 .91 .96 .89 .83 1109 601 1661 3117 2362 In de voorgaande tabellen zijn de scores op de geconstrueerde schalen naast steekproef en jaargroep afgezet tegen de sociaal-etnische herkomst van de leerlingen. In Tabel 6.18 tot en met Tabel 6.32 geven we de uitsplitsing naar geslacht weer. 55
  • 66. Tabel 6.18 – Schaalscores ‘cognitieve capaciteiten’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef gem. sd groep 2 jongens meisjes 3.58 3.77 .95 .92 groep 4 jongens meisjes 3.52 3.58 groep 6 jongens meisjes groep 8 jongens meisjes totale steekproef n gem. sd n 4779 4569 3.53 3.71 .97 .93 6737 6371 1.04 1.03 3435 3562 3.47 3.52 1.03 1.02 4866 5086 3.56 3.52 1.01 1.02 3204 3381 3.51 3.46 1.02 1.04 4512 4782 3.52 3.52 1.07 1.08 3297 3251 3.48 3.47 1.07 1.09 4631 4651 Tabel 6.19 – Schaalscores ‘onderpresteerder’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 2.60 2.40 .75 .71 4726 4524 2.64 2.45 .75 .72 6692 6327 groep 4 jongens meisjes 2.59 2.39 .82 .72 3418 3534 2.62 2.44 .81 .72 4845 5053 groep 6 jongens meisjes 2.64 2.42 .81 .71 3188 3378 2.68 2.45 .81 .71 4493 4764 groep 8 jongens meisjes 2.64 2.34 .86 .73 3281 3235 2.66 2.38 .85 .73 4602 4627 56
  • 67. Tabel 6.20 – Schaalscores ‘bovenpresteerder’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 2.41 2.41 .70 .75 4751 4555 2.43 2.44 .70 .76 6713 6355 groep 4 jongens meisjes 2.38 2.54 .74 .81 3436 3539 2.42 2.59 .74 .80 4871 5061 groep 6 jongens meisjes 2.35 2.59 .72 .78 3204 3386 2.39 2.61 .72 .78 4506 4769 groep 8 jongens meisjes 2.37 2.60 .74 .81 3288 3248 2.40 2.63 .74 .81 4614 4639 Tabel 6.21 – Schaalscores ‘gedrag’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 3.50 3.75 .76 .70 4831 4613 3.47 3.71 .76 .72 6824 6443 groep 4 jongens meisjes 3.51 3.82 .79 .69 3477 3583 3.48 3.79 .78 .70 4922 5122 groep 6 jongens meisjes 3.46 3.78 .81 .74 3228 3408 3.43 3.75 .83 .75 4553 4810 groep 8 jongens meisjes 3.46 3.84 .84 .72 3320 3270 3.45 3.80 .84 .74 4659 4678 57
  • 68. Tabel 6.22 – Schaalscores ‘zelfvertrouwen’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 3.74 3.78 .81 .79 4759 4561 3.72 3.76 .82 .79 6729 6368 groep 4 jongens meisjes 3.72 3.74 .82 .80 3434 3531 3.72 3.72 .80 .79 4859 5058 groep 6 jongens meisjes 3.72 3.75 .80 .78 3198 3373 3.73 3.73 .80 .79 4516 4767 groep 8 jongens meisjes 3.81 3.80 .78 .76 3287 3250 3.81 3.79 .78 .76 4617 4645 Tabel 6.23 – Schaalscores ‘populariteit’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 3.70 3.80 .72 .69 4757 4558 3.68 3.76 .71 .71 6724 6360 groep 4 jongens meisjes 3.62 3.70 .77 .73 3430 3534 3.59 3.66 .76 .73 4861 5054 groep 6 jongens meisjes 3.53 3.64 .81 .76 3201 3381 3.51 3.62 .81 .77 4511 4774 groep 8 jongens meisjes 3.54 3.69 .83 .78 3297 3243 3.55 3.67 .81 .78 4632 4642 58
  • 69. Tabel 6.24 - Schaalscores ‘werkhouding’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 3.21 3.57 .87 .83 4764 4541 3.17 3.55 .87 .84 6733 6343 groep 4 jongens meisjes 3.21 3.61 .91 .84 3429 3534 3.20 3.58 .89 .84 4860 5060 groep 6 jongens meisjes 3.15 3.59 .89 .81 3200 3381 3.15 3.57 .89 .82 4518 4776 groep 8 jongens meisjes 3.14 3.68 .92 .80 3287 3249 3.14 3.64 .91 .81 4620 4653 Tabel 6.25 – Schaalscores ‘schoolwelbevinden’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 4.19 4.31 .60 .56 4781 4562 4.18 4.29 .60 .56 6744 6370 groep 4 jongens meisjes 4.06 4.20 .65 .60 3429 3539 4.04 4.17 .64 .59 4864 5068 groep 6 jongens meisjes 3.91 4.11 .70 .62 3214 3383 3.93 4.11 .70 .62 4535 4771 groep 8 jongens meisjes 3.87 4.09 .75 .65 3289 3249 3.91 4.09 .74 .66 4620 4636 59
  • 70. Tabel 6.26 – Schaalscores ‘relatie met de leerkracht’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 4.13 4.26 .52 .52 4753 4555 4.11 4.24 .52 .52 6719 6359 groep 4 jongens meisjes 4.06 4.19 .54 .52 3427 3536 4.03 4.15 .54 .52 4856 5059 groep 6 jongens meisjes 3.95 4.11 .56 .53 3206 3377 3.95 4.10 .57 .53 4519 4764 groep 8 jongens meisjes 3.94 4.10 .61 .55 3296 3257 3.94 4.09 .60 .57 4629 4650 Tabel 6.27 – Schaalscores ‘etnische breuk’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 1.84 1.82 1.00 1.00 4747 4537 2.12 2.10 1.16 1.16 6708 6324 groep 4 jongens meisjes 1.87 1.84 1.04 1.01 3421 3512 2.17 2.14 1.20 1.18 4828 5018 groep 6 jongens meisjes 1.88 1.85 1.01 .99 3183 3376 2.13 2.11 1.16 1.15 4473 4750 groep 8 jongens meisjes 1.83 1.78 1.01 .98 3294 3242 2.10 2.07 1.18 1.15 4618 4625 60
  • 71. Tabel 6.28 – Schaalscores ‘sociaal milieu’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 3.70 3.76 .80 .77 4771 4560 3.59 3.65 .84 .82 6730 6358 groep 4 jongens meisjes 3.65 3.71 .83 .82 3432 3540 3.55 3.59 .85 .86 4848 5048 groep 6 jongens meisjes 3.57 3.64 .82 .81 3194 3375 3.47 3.54 .88 .86 4490 4761 groep 8 jongens meisjes 3.54 3.63 .84 .81 3292 3246 3.43 3.50 .88 .87 4626 4640 Tabel 6.29 – Schaalscores ‘remediërende maatregelen’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef gem. sd groep 2 jongens meisjes 2.26 2.02 1.05 .98 groep 4 jongens meisjes 2.39 2.27 groep 6 jongens meisjes groep 8 jongens meisjes totale steekproef n gem. sd n 4738 4540 2.34 2.12 1.06 1.00 6687 6320 1.14 1.09 3409 3537 2.43 2.34 1.13 1.08 4827 5054 2.35 2.32 1.08 1.09 3184 3375 2.37 2.37 1.08 1.10 4473 4749 2.20 2.23 1.06 1.05 3291 3239 2.22 2.25 1.05 1.06 4616 4624 61
  • 72. Tabel 6.30 – Schaalscores ‘discipline’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 2.44 2.05 .90 .73 4739 4537 2.47 2.09 .90 .74 6694 6317 groep 4 jongens meisjes 2.58 2.16 .93 .74 3420 3519 2.61 2.21 .92 .75 4843 5044 groep 6 jongens meisjes 2.63 2.16 .95 .76 3192 3381 2.65 2.19 .96 .77 4495 4765 groep 8 jongens meisjes 2.58 2.05 .98 .72 3282 3241 2.60 2.10 .98 .74 4603 4632 Tabel 6.31 – Schaalscores ‘extra leerstofaanbod voor slimme leerlingen’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 2.66 2.83 .91 .92 4577 4369 2.69 2.83 .91 .90 6471 6116 groep 4 jongens meisjes 2.82 2.79 1.04 1.02 3414 3506 2.81 2.77 1.02 1.00 4800 4985 groep 6 jongens meisjes 2.84 2.71 1.05 1.03 3175 3349 2.81 2.69 1.05 1.03 4463 4716 groep 8 jongens meisjes 2.82 2.76 1.14 1.13 3286 3228 2.78 2.71 1.13 1.11 4615 4611 62
  • 73. Tabel 6.32 – Schaalscores ‘gereduceerd leerstofaanbod voor zwakkere leerlingen’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 2.23 2.09 .83 .79 4690 4507 2.28 2.16 .84 .81 6627 6297 groep 4 jongens meisjes 2.22 2.20 .86 .86 3398 3511 2.27 2.26 .85 .86 4810 5020 groep 6 jongens meisjes 2.20 2.25 .88 .91 3178 3380 2.22 2.30 .87 .91 4471 4750 groep 8 jongens meisjes 2.20 2.24 .91 .95 3276 3226 2.22 2.28 .90 .95 4593 4604 6.5 Onderwijskundige bijzonderheden Het laatste blok vragen in het leerlingprofiel had betrekking op een aantal specifieke onderwijskundige bijzonderheden van de leerlingen volgens de leerkracht: hun aanspreekbaarheid in het Nederlands, hun relatieve prestatieniveau, hun toekomstige onderwijsniveau en hun AVIleesniveau. Hierna beschrijven we in een aantal subparagrafen de opbrengsten hiervan. 6.5.1 Aanspreekbaarheid in het Nederlands Aan de leerkrachten is de vraag gesteld in hoeverre de leerlingen aanspreekbaar zijn in het Nederlands. De antwoordcategorieën zijn: (1) zeer slecht, (2) slecht, (3) matig, (4) goed en (5) zeer goed. In Tabel 6.33 presenteren we de gegevens in de vorm van gemiddelden. In Tabel 6.34 en Tabel 6.35 splitsen we deze gegevens uit naar sociaal-etnische achtergrond, respectievelijk geslacht. Tabel 6.33 – Aanspreekbaarheid in het Nederlands, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef gem. groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 sd n gem. sd 4.40 4.42 4.49 4.53 .64 .58 .57 .54 9428 7085 6649 6596 4.31 4.34 4.43 4.48 .69 .62 .59 .56 n 13208 10055 9361 9349 63
  • 74. Tabel 6.34 – Aanspreekbaarheid in het Nederlands, naar steekproef, jaargroep en sociaaletnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.68 3.90 4.34 4.43 4.56 .77 .75 .57 .59 .55 505 312 1326 3694 3035 3.66 3.89 4.33 4.39 4.54 .77 .74 .57 .63 .57 1394 739 1902 4812 3588 totaal 4.40 .63 8872 4.31 .68 12435 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.79 4.05 4.37 4.43 4.59 .57 .55 .53 .56 .52 427 258 994 2743 2233 3.81 4.01 4.37 4.39 4.56 .61 .60 .53 .59 .54 1203 598 1458 3583 2675 totaal 4.42 .58 6655 4.34 .62 9517 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.88 4.07 4.45 4.52 4.65 .63 .69 .51 .53 .49 392 280 983 2520 2094 3.98 4.10 4.43 4.48 4.63 .61 .65 .52 .55 .50 1088 582 1452 3290 2499 totaal 4.49 .57 6269 4.43 .59 8911 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 4.07 4.14 4.45 4.55 4.69 .51 .60 .52 .53 .47 411 267 1119 2448 2032 4.06 4.19 4.46 4.53 4.67 .56 .59 .52 .53 .48 1130 611 1674 3148 2392 totaal 4.53 .54 6277 4.47 .56 8955 64
  • 75. Tabel 6.35 – Aanspreekbaarheid in het Nederlands, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 4.37 4.43 .65 .62 4785 4575 4.28 4.34 .70 .67 6751 6388 totaal 4.40 .64 9360 4.31 .69 13139 groep 4 jongens meisjes 4.40 4.45 .59 .57 3465 3580 4.31 4.36 .64 .60 4888 5111 totaal 4.42 .58 7045 4.34 .62 9999 groep 6 jongens meisjes 4.46 4.52 .58 .56 3217 3388 4.40 4.46 .60 .58 4527 4780 totaal 4.49 .57 6605 4.43 .59 9307 groep 8 jongens meisjes 4.50 4.56 .56 .53 3311 3258 4.45 4.50 .58 .55 4644 4663 totaal 4.53 .54 6569 4.48 .56 9307 6.5.2 Het relatieve prestatieniveau De leerkrachten kregen op het leerlingprofiel het volgende voorgelegd: ‘In vergelijking tot de klasgenoten zijn de schoolprestaties van deze leerling(e) …’. De antwoordcategorieën waaruit zij vervolgens konden kiezen, luidden (1) zeer slecht, (2) slecht, (3) matig, (4) goed, en (5) zeer goed. In Tabel 6.36 tot en met Tabel 6.38 staan de scores uitgesplitst naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond, respectievelijk geslacht. Tabel 6.36 – Prestaties leerling(e) vergeleken met andere kinderen in groep, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef gem. groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 sd n gem. sd n 3.70 3.66 3.64 3.60 .80 .85 .86 .94 9223 6858 6478 6441 3.66 3.62 3.59 3.55 .83 .86 .87 .95 12942 9776 9121 9159 65
  • 76. Tabel 6.37 – Prestaties leerling(e) vergeleken met andere kinderen in groep, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.25 3.35 3.47 3.71 3.93 .91 .91 .83 .76 .72 496 309 1291 3601 2981 3.28 3.38 3.46 3.70 3.92 .89 .91 .82 .78 .74 1374 736 1852 4697 3528 totaal 3.71 .80 8678 3.66 .82 12187 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.28 3.37 3.39 3.64 3.92 .88 .91 .86 .84 .78 425 257 965 2630 2165 3.32 3.39 3.40 3.63 3.91 .89 .93 .86 .82 .79 1189 589 1412 3457 2606 totaal 3.66 .85 6442 3.62 .86 9253 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.21 3.26 3.37 3.64 3.92 .93 .93 .83 .82 .77 382 278 946 2447 2051 3.26 3.34 3.34 3.63 3.91 .91 .93 .85 .83 .77 1064 574 1398 3195 2449 totaal 3.65 .85 6104 3.60 .87 8680 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.16 3.18 3.20 3.60 3.97 .95 1.07 .95 .86 .83 401 263 1092 2393 1986 3.19 3.28 3.22 3.60 3.96 .95 1.01 .95 .88 .84 1112 610 1634 3083 2341 totaal 3.60 .93 6135 3.55 .95 8780 66 n
  • 77. Tabel 6.38 – Prestaties leerling(e) vergeleken met andere kinderen in groep, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 3.62 3.80 .82 .78 4677 4480 3.58 3.74 .85 .80 6621 6254 totaal 3.71 .80 9157 3.66 .83 12875 groep 4 jongens meisjes 3.62 3.70 .86 .85 3362 3458 3.59 3.65 .87 .85 4758 4965 totaal 3.66 .86 6820 3.62 .86 9723 groep 6 jongens meisjes 3.65 3.64 .85 .86 3132 3303 3.61 3.58 .87 .88 4399 4669 totaal 3.64 .86 6435 3.59 .87 9068 groep 8 jongens meisjes 3.58 3.63 .95 .92 3229 3185 3.54 3.56 .96 .95 4544 4573 totaal 3.60 .94 6414 3.55 .95 9117 6.5.3 Prognose voor toekomstig onderwijs Middels twee vragen is aan de leerkrachten gevraagd een inschatting te geven van de mogelijkheden van de leerling(e) voor toekomstig onderwijs. Ten eerste was dat de vraag: ‘De kans dat deze leerling(e) ooit HBO of universiteit haalt acht ik: …’; hiervoor waren de antwoordcategorieën: (1) zeer klein, (2) klein, (3) twijfel, (4) groot en (5) zeer groot. Tabel 6.39 geeft de gemiddelden weer, uitgesplitst naar steekproef en jaargroep. In de Tabellen 6.40 en 6.41 worden de gemiddelden uitgesplitst naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond, respectievelijk geslacht. Tabel 6.39 – Kans op een HBO- of universitaire opleiding, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef gem. groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 sd n gem. sd 3.07 3.01 2.96 2.91 1.06 1.14 1.19 1.32 8783 6927 6513 6503 3.00 2.91 2.85 2.81 1.07 1.14 1.20 1.32 n 12329 9786 9177 9240 67
  • 78. Tabel 6.40 – Kans op een HBO- of universitaire opleiding, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.30 2.57 2.54 3.03 3.55 .99 1.02 1.02 .99 .93 484 298 1236 3422 2836 2.44 2.61 2.50 3.03 3.54 1.01 1.02 1.01 1.00 .93 1325 710 1746 4478 3359 totaal 3.08 1.05 8276 3.00 1.07 11618 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.36 2.60 2.43 2.96 3.51 1.07 1.06 1.10 1.10 1.02 429 252 977 2676 2184 2.41 2.58 2.39 2.92 3.48 1.02 1.05 1.08 1.09 1.02 1178 580 1413 3492 2606 totaal 3.01 1.15 6518 2.91 1.14 9269 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.30 2.43 2.40 2.92 3.51 1.11 1.15 1.10 1.12 1.07 393 284 965 2452 2042 2.33 2.51 2.34 2.86 3.46 1.11 1.16 1.10 1.13 1.09 1078 582 1431 3203 2437 totaal 2.97 1.19 6136 2.85 1.20 8731 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.10 2.32 2.22 2.87 3.57 1.12 1.27 1.18 1.24 1.19 402 259 1101 2425 2002 2.23 2.41 2.19 2.87 3.55 1.17 1.24 1.18 1.25 1.20 1122 600 1652 3119 2359 totaal 2.91 1.32 6189 2.81 1.32 8852 68
  • 79. Tabel 6.41 – Kans op een HBO- of universitaire opleiding, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 3.00 3.15 1.07 1.04 4467 4250 2.93 3.08 1.08 1.05 6313 5949 totaal 3.08 1.06 8717 3.00 1.07 12262 groep 4 jongens meisjes 2.99 3.03 1.14 1.15 3399 3489 2.90 2.93 1.13 1.14 4778 4955 totaal 3.01 1.14 6888 2.91 1.14 9733 groep 6 jongens meisjes 2.98 2.94 1.20 1.18 3139 3331 2.88 2.82 1.20 1.20 4424 4701 totaal 2.96 1.19 6470 2.85 1.20 9125 groep 8 jongens meisjes 2.89 2.93 1.33 1.32 3269 3209 2.81 2.81 1.32 1.32 4596 4604 totaal 2.91 1.32 6478 2.81 1.32 9200 De tweede vraag luidde: ‘De meest waarschijnlijke V.O.-keuze acht ik: …’. De antwoordcategorieën waren: (1) VMBO-beroepsgericht, (2) VMBO-theoretisch, (3) HAVO en (4) VWO. Bij twijfel konden er twee categorieën worden omcirkeld. Hierdoor komt het uiteindelijke aantal adviezen uit op zeven: 1) VMBO-beroepsgericht 2) VMBO-beroepsgericht/VMBO-theoretisch 3) VMBO-theoretisch 4) VMBO-theoretisch/HAVO 5) HAVO 6) HAVO/VWO 7) VWO. Tabel 6.42 geeft de gemiddelden weer, uitgesplitst naar steekproef en jaargroep. In de Tabel 6.43 en Tabel 6.44 worden de gemiddelden uitgesplitst naar steekproef, jaargroep en sociaaletnische achtergrond, respectievelijk geslacht. 69
  • 80. Tabel 6.42 – Meest waarschijnlijke V.O.-keuze, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef gem. groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 sd 3.75 3.74 3.72 3.57 1.90 1.91 1.91 2.07 totale steekproef n 8715 6965 6573 6566 gem. sd 3.63 3.56 3.53 3.38 1.90 1.90 1.91 2.05 n 12161 9797 9226 9299 Tabel 6.43 – Meest waarschijnlijke V.O.-keuze, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.39 2.76 2.75 3.63 4.66 1.53 1.72 1.68 1.78 1.71 472 291 1233 3400 2813 2.59 2.90 2.73 3.63 4.63 1.61 1.77 1.67 1.80 1.73 1274 692 1728 4431 3328 totaal 3.75 1.89 8209 3.63 1.89 11453 groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.67 3.00 2.76 3.61 4.61 1.68 1.77 1.77 1.84 1.73 424 255 980 2689 2209 2.68 2.93 2.71 3.56 4.56 1.64 1.75 1.74 1.82 1.75 1179 579 1409 3486 2629 totaal 3.74 1.92 6557 3.56 1.90 9282 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.59 2.83 2.79 3.65 4.60 1.57 1.76 1.70 1.81 1.78 393 283 971 2477 2067 2.60 2.87 2.69 3.57 4.53 1.60 1.81 1.69 1.80 1.80 1063 585 1427 3232 2468 totaal 3.73 1.90 6191 3.53 1.91 8775 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 2.24 2.53 2.53 3.50 4.63 1.59 1.90 1.74 1.94 1.94 407 268 1109 2444 2022 2.34 2.64 2.47 3.46 4.56 1.64 1.89 1.74 1.94 1.96 1119 609 1657 3144 2380 totaal 3.57 2.06 6250 3.37 2.05 8909 70
  • 81. Tabel 6.44 – Meest waarschijnlijke V.O.-keuze, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 2 jongens meisjes 3.60 3.91 1.93 1.85 4415 4235 3.50 3.77 1.92 1.86 6208 5887 totaal 3.75 1.89 8650 3.63 1.90 12095 groep 4 jongens meisjes 3.69 3.77 1.92 1.90 3416 3511 3.54 3.58 1.91 1.89 4789 4956 totaal 3.73 1.91 6927 3.56 1.90 9745 groep 6 jongens meisjes 3.77 3.68 1.94 1.88 3169 3360 3.57 3.48 1.93 1.89 4455 4717 totaal 3.72 1.91 6529 3.53 1.91 9172 groep 8 jongens meisjes 3.55 3.60 2.08 2.05 3284 3256 3.38 3.38 2.06 2.05 4603 4655 totaal 3.57 2.07 6540 3.38 2.05 9258 6.5.4 Het AVI-leesniveau Evenals bij de vorige metingen is ook nu weer de vraag gesteld: ‘Op welk AVI-niveau leest deze leerling(e)?’. De antwoordcategorieën waren ‘niet van toepassing’ en vervolgens ‘1’ tot en met ‘9’ (het maximale AVI-niveau). Tabel 6.45 geeft de gemiddelden uitgesplitst naar steekproef en jaargroep, en Tabel 6.46 en Tabel 6.47 vervolgens nog naar sociaal-etnische achtergrond, respectievelijk geslacht. De AVI-niveaus voor groep 2 zijn weggelaten, aangezien die daar meestal nog niet van toepassing zijn. Tabel 6.45 – AVI-niveau, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef gem. groep 4 groep 6 groep 8 sd n gem. sd n 4.67 8.24 8.87 2.00 1.20 .48 6197 5076 4709 4.53 8.19 8.87 1.99 1.22 .50 8925 7296 6721 71
  • 82. Tabel 6.46 – AVI-niveau, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 4 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 4.22 4.34 4.23 4.64 5.03 1.93 2.05 1.88 1.96 2.04 398 229 836 2387 1972 3.96 4.24 4.15 4.57 5.03 1.84 1.98 1.87 1.95 2.03 1117 540 1254 3161 2377 totaal 4.67 2.00 5822 4.54 1.99 8449 groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 7.97 7.87 8.08 8.25 8.42 1.29 1.46 1.33 1.16 1.05 344 209 750 1912 1590 7.96 7.99 8.06 8.23 8.42 1.30 1.38 1.33 1.18 1.05 914 459 1132 2547 1915 totaal 8.24 1.19 4805 8.20 1.21 6967 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 8.83 8.84 8.81 8.88 8.93 .50 .43 .59 .49 .31 274 196 831 1747 1455 8.81 8.87 8.83 8.88 8.92 .60 .44 .56 .49 .34 815 438 1240 2248 1712 totaal 8.88 .46 4503 8.87 .48 6453 72
  • 83. Tabel 6.47 – AVI-niveau, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 4 jongens meisjes 4.47 4.87 1.96 2.01 3065 3096 4.36 4.70 1.96 2.00 4385 4495 totaal 4.67 2.00 6161 4.53 1.98 8880 groep 6 jongens meisjes 8.14 8.33 1.27 1.11 2487 2553 8.12 8.27 1.28 1.16 3555 3696 totaal 8.24 1.20 5040 8.19 1.22 7251 groep 8 jongens meisjes 8.85 8.89 .50 .44 2342 2342 8.84 8.89 .54 .44 3335 3347 totaal 8.87 .47 4684 8.87 .49 6682 73
  • 84. 74
  • 85. 7 De vragenlijst Schoolwelbevinden 7.1 De vragenlijst Schoolwelbevinden In de groepen 6 en 8 is de leerlingen gevraagd een korte vragenlijst in te vullen met betrekking tot hun schoolwelbevinden. Bij de eerste twee PRIMA-metingen bestond deze lijst uit 10 items die het schoolwelbevinden en zelfvertrouwen indiceerde. Vanaf de derde meting in 1998/99 zijn er 7 items toegevoegd die een indicatie geven van de sociale integratie in de klas. De in totaal 17 items luiden als volgt: a. Ik kan goed leren b. Ik kan met de juf/meester goed opschieten c. De meeste kinderen in de klas gaan leuker met elkaar om dan met mij d. Ik ben een van de beste leerlingen van de klas e. Ik heb in deze klas weinig vrienden of vriendinnen f. Ik vind dat ik op school interessante dingen leer g. Ik kan goed met de kinderen in de klas opschieten h. Ik verveel me op school i. Ik voel me thuis op school j. Ik voel me bij de juf/meester op mijn gemak k. Ik word vaak gepest door andere kinderen in mijn klas l. De meeste kinderen in de klas kunnen beter leren dan ik m. De juf/meester vindt dat ik goed kan leren n. Ik vind het leuk om met de kinderen in mijn klas om te gaan o. Ik heb op school weinig hulp nodig p. Als ik kinderen in mijn klas vraag of ze me willen helpen, dan zijn er genoeg die dat doen q. Ik vind dat we met aardige jongens en meisjes in de klas zitten. De antwoordcategorieën zijn: (1) dat is helemaal niet waar, (2) dat is niet waar, (3) dat weet ik niet, (4) dat is waar, en (5) dat is helemaal waar. Factoranalyse op deze items resulteerde in drie schalen, namelijk ‘zelfvertrouwen’, ‘welbevinden’ en ‘sociale integratie’. De constructie van deze schalen is uitgebreid beschreven in het technisch rapport van de vierde meting. 7.2 Respons Het beantwoorden van de lijst maakte deel uit van de toetsafname. Van de getoetste leerlingen heeft 8.9% (n=2398) de vragenlijst niet ingevuld; daarnaast waren er nog 52 leerlingen die niet waren getoetst, maar die wel de schoolwelbevinden-vragenlijst hadden ingevuld. In totaal zijn van 24482 leerlingen de gegevens over het welbevinden bekend. We hebben ook nog gekeken naar de respons ten opzichte van het totale leerlingenbestand met de achtergrondkenmerken uit 75
  • 86. de schooladministraties. Ten opzichte van dit bestand was de respons 87.8%. Of er sprake is van selectieve uitval hebben we gecontroleerd door de feitelijke verdeling naar sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestand af te zetten tegen de respons op het schoolwelbevinden-formulier. De resultaten hiervan staan vermeld in Tabel 7.1, waarbij we een uitsplitsing hebben gemaakt naar totale steekproef en referentiesteekproef. De tabel bevat alleen de leerlingen uit de groepen 6 en 8 waarvan de sociaal-etnische achtergrond bekend is. Tabel 7.1 – Respons op de vragenlijst schoolwelbevinden, naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond (in %) referentiesteekproef verdeling LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO n respons totale steekproef verdeling respons 5.6 4.1 16.6 40.3 33.5 6.0 4.1 16.5 39.9 33.5 11.6 6.6 17.2 36.5 28.1 12.2 6.4 17.0 36.4 28.0 18806 16571 26439 23332 De percentages voor de referentiesteekproef maken duidelijk dat de verschillen in sociaaletnische achtergrond gering zijn, hoogstens .1 à .6 %-punten. In de totale steekproef liggen de verschillen in dezelfde orde van grootte. 7.3 Schaalscores In Tabel 7.2 presenteren we eerst de gemiddelde schaalscores op de drie dimensies naar jaargroep en steekproef. Deze scores zijn berekend door het gemiddelde te nemen van de samenstellende items, voor zover ten minste tweederde bekend was. In Tabel 7.3, 7.4 en 7.5 zijn vervolgens de gemiddelde schaalscores naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond weergegeven. 76
  • 87. Tabel 7.2 – Schaalscores op ‘zelfvertrouwen’, ‘schoolwelbevinden’, en ‘sociale integratie’, naar steekproef en jaargroep referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n zelfvertrouwen groep 6 groep 8 3.21 3.18 .68 .70 8829 8696 3.22 3.19 .67 .69 12296 12174 schoolwelbevinden groep 6 groep 8 3.81 3.79 .70 .66 8825 8696 3.82 3.81 .71 .67 12293 12172 sociale integratie groep 6 groep 8 4.09 4.15 .68 .65 8738 8668 4.07 4.16 .69 .65 12163 12136 Tabel 7.3 – Schaalscores op ‘zelfvertrouwen’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef gem. sd groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.20 3.15 3.07 3.18 3.33 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.17 3.08 2.94 3.14 3.37 totale steekproef n gem. sd n .65 .71 .68 .66 .67 479 353 1305 3341 2831 3.24 3.20 3.07 3.20 3.34 .64 .68 .69 .66 .67 1392 759 1899 4298 3338 .67 .72 .68 .69 .69 512 324 1419 3274 2723 3.19 3.11 2.96 3.17 3.38 .63 .68 .67 .69 .69 1460 739 2061 4183 3191 77
  • 88. Tabel 7.4 – Schaalscores op ‘schoolwelbevinden’, naar steekproef, jaargroep en sociaaletnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.85 3.76 3.77 3.80 3.83 .74 .68 .70 .71 .69 476 352 1305 3342 2833 3.86 3.80 3.79 3.81 3.83 .73 .71 .71 .72 .69 1388 759 1900 4299 3340 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.86 3.80 3.68 3.79 3.83 .68 .68 .70 .66 .64 513 322 1420 3274 2723 3.93 3.80 3.68 3.80 3.84 .65 .68 .70 .67 .64 1461 737 2062 4181 3191 Tabel 7.5 – Schaalscores op ‘sociale integratie’, naar steekproef, jaargroep en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 6 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 3.95 3.93 4.05 4.09 4.15 .76 .74 .71 .68 .64 475 349 1290 3305 2808 4.01 3.97 4.02 4.07 4.13 .73 .74 .73 .69 .64 1375 750 1877 4253 3308 groep 8 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 4.12 4.14 4.12 4.14 4.21 .66 .61 .65 .65 .64 512 320 1414 3264 2715 4.20 4.13 4.11 4.15 4.20 .63 .63 .67 .64 .63 1457 733 2055 4170 3182 78
  • 89. Tabel 7.6, 7.7 en 7.8 laten de schaalgemiddelden zien naar steekproef, jaargroep en geslacht. Tabel 7.6 – Schaalscores op ‘zelfvertrouwen’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef gem. sd groep 6 jongens meisjes 3.30 3.13 .69 .65 groep 8 jongens meisjes 3.25 3.11 .71 .69 totale steekproef n gem. sd n 4281 4471 3.31 3.14 .69 .64 5973 6230 4358 4287 3.26 3.11 .70 .68 6059 6043 Tabel 7.7 – Schaalscores op ‘schoolwelbevinden’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 6 jongens meisjes 3.70 3.91 .75 .64 4280 4469 3.72 3.92 .75 .65 5972 6229 groep 8 jongens meisjes 3.68 3.90 .70 .60 4359 4286 3.70 3.91 .70 .61 6059 6041 Tabel 7.8 – Schaalscores op ‘sociale integratie’, naar steekproef, jaargroep en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n groep 6 jongens meisjes 4.09 4.09 .68 .68 4234 4429 4.07 4.06 .69 .70 5905 6167 groep 8 jongens meisjes 4.14 4.17 .65 .65 4339 4278 4.15 4.17 .65 .65 6037 6027 79
  • 90. 80
  • 91. 8 Uitstroomgegevens groep 8 8.1 Het uitstroomformulier Het uitstroomformulier is ontwikkeld om de situatie van de leerling aan het einde van het basisonderwijs in kaart te brengen. Het bevat vragen over het vervolgadvies basisonderwijs, en de behaalde scores op de Eindtoets basisonderwijs van het Cito. Wat die toets betreft is niet alleen de totaalscore opgevraagd, maar ook de deelscores voor de onderdelen taal, rekenen, studievaardigheden en wereldoriëntatie. Dit laatste onderdeel is overigens op veel scholen niet afgenomen. Ook is aan de leerkrachten gevraagd een prognose te geven of de leerling in het voortgezet onderwijs een potentiële voortijdig schoolverlater is. Het spreekt voor zich dat het uitstroomformulier alleen is afgenomen voor leerlingen in groep 8. Hiervoor zijn de formulieren in mei 2005 opgestuurd naar de scholen. Reden voor deze latere verzending is dat pas dan het vervolgadvies bekend is. 8.2 Respons In totaal zijn 13347 leerlingen uit groep 8 getoetst. Van 84.5% van deze leerlingen is het uitstroomformulier geretourneerd. Daarnaast zijn er ook nog 197 leerlingen die niet zijn getoetst, maar waarvan wel het uitstroomformulier is ingevuld. In totaal betreft het dus 11476 formulieren. Het administratiebestand bevat voor groep 8 13847 leerlingen. Ten opzichte van dat bestand is de respons 82.9%. Of er sprake is van selectieve uitval hebben we gecontroleerd door de feitelijke verdeling naar sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestand af te zetten tegen de respons op de uitstroomformulieren. De resultaten hiervan staan vermeld in Tabel 8.1, waarbij we een uitsplitsing hebben gemaakt naar totale steekproef en referentiesteekproef. Tabel 8.1 – Respons op de uitstroomformulieren, naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond (in %) referentiesteekproef totale steekproef verdeling respons verdeling respons LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 5.7 3.9 17.3 39.8 33.2 5.7 3.6 17.5 39.6 33.5 11.9 6.5 18.0 36.0 27.6 11.5 6.0 18.3 36.1 28.1 n 9360 7960 13187 10981 De verschillen in respons zijn in beide steekproeven zeer gering, maximaal .5 %-punten. 81
  • 92. 8.3 Vervolgadvies voortgezet onderwijs Aan de leerkrachten is de vraag gesteld: ‘Welk advies voor voortgezet onderwijs heeft de betrokken leerling ontvangen?’. Zij konden kiezen uit de volgende acht adviezen: - VWO - HAVO - MAVO/VMBO-theoretische leerweg (TL) - VMBO-gemengde leerweg (GL) - VMBO-kader beroepsgerichte leerweg (KBL) - VMBO-basis beroepsgerichte leerweg (BBL) - VMBO-basis beroepsgerichte leerweg (BBL) met leerweg ondersteunend onderwijs (LWOO) - VMBO-praktijkonderwijs (PRO). Op het formulier was het mogelijk meerdere adviezen aan te strepen. Vooral bij de VMBOadviezen werd daarvan veel gebruik gemaakt. Een aantal van deze ‘meervoudige adviezen’ was van dien aard, dat het niet mogelijk was deze zonder meer in te delen; het kwam bijvoorbeeld voor dat er vier adviezen waren aangestreept. In zulke gevallen is het gemiddelde berekend en naar het eerstvolgende hogere (combinatie-)advies afgerond. De vervolgadviezen zijn uiteindelijk ingedeeld in 15 categorieën, oplopend van VMBOpraktijkonderwijs naar VWO, inclusief gemengde adviezen. Een verdeling van de adviezen in de referentiesteekproef en in de totale steekproef geeft Tabel 8.2. Onder in de tabel staan tevens het gemiddelde en de standaarddeviatie vermeld. Tabel 8.2 – Advies voortgezet onderwijs, naar steekproef (in %) referentiesteekproef VMBO-PRO VMBO-PRO/LWOO VMBO-LWOO VMBO-LWOO/BBL VMBO-BBL VMBO-BBL/KBL VMBO-KBL VMBO-KBL/GL VMBO-GL VMBO-GL/TL VMBO-TL VMBO-TL/HAVO HAVO HAVO/VWO VWO gem. sd n 82 totale steekproef .7 .2 8.2 .3 5.4 2.8 9.3 1.3 4.8 2.2 18.2 8.6 15.1 10.2 12.7 .8 .2 10.2 .4 6.3 2.7 10.4 1.1 4.7 2.3 18.0 8.5 14.2 9.2 11.1 10.44 3.75 8056 10.07 3.87 11057
  • 93. Tabel 8.3 toont de verdeling van de adviezen naar sociaal-etnische achtergrond, uitgesplitst naar referentiesteekproef en totale steekproef. Tabel 8.3 – Advies voortgezet onderwijs, naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond (in %) LBO/TuMa LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO referentiesteekproef VMBO-PRO VMBO-PRO/LWOO VMBO-LWOO VMBO-LWOO/BBL VMBO-BBL VMBO-BBL/KBL VMBO-KBL VMBO-KBL/GL VMBO-GL VMBO-GL/TL VMBO-TL VMBO-TL/HAVO HAVO HAVO/VWO VWO 3.5 .2 22.6 .7 11.3 5.0 13.0 1.4 4.0 2.6 16.5 5.7 7.5 2.4 3.5 1.5 1.5 23.0 1.5 5.7 5.7 13.6 .8 4.5 3.4 14.7 7.5 7.9 3.4 5.3 .8 .3 14.8 .8 10.6 5.5 14.7 1.6 7.4 1.9 17.5 6.4 9.4 5.2 3.2 .5 .1 6.7 .3 5.4 2.6 10.1 1.3 5.0 2.9 21.6 8.8 16.0 9.7 9.0 .2 .0 2.8 1.7 1.2 4.4 1.1 3.5 1.5 14.9 9.3 19.2 15.4 24.8 gem. sd n 7.6 4.0 424 8.0 4.1 265 8.5 3.7 1345 10.4 3.5 3050 12.2 2.9 2581 totale steekproef VMBO-PRO VMBO-PRO/LWOO VMBO-LWOO VMBO-LWOO/BBL VMBO-BBL VMBO-BBL/KBL VMBO-KBL VMBO-KBL/GL VMBO-GL VMBO-GL/TL VMBO-TL VMBO-TL/HAVO HAVO HAVO/VWO VWO 2.4 .2 21.2 .8 10.4 3.3 15.2 .7 3.9 2.2 17.7 7.0 8.5 3.4 3.0 1.9 1.0 20.3 1.0 8.8 5.0 11.9 1.1 5.5 3.5 16.1 6.4 8.7 4.2 4.7 .7 .3 16.5 .8 10.7 4.7 15.0 1.4 6.9 2.3 16.9 6.6 8.9 5.2 3.0 .5 .1 7.5 .2 5.7 2.4 10.6 1.2 5.0 2.9 21.2 8.8 15.6 9.3 9.0 .2 .0 3.1 .0 1.9 1.3 4.8 1.0 3.5 1.5 15.0 9.4 19.2 15.1 23.9 gem. sd n 7.9 3.9 1201 8.1 4.0 622 8.4 3.8 1940 10.3 3.6 3835 12.1 3.0 2988 83
  • 94. In Tabel 8.4 zijn de adviezen voor jongens en meisjes, uitgesplitst naar referentiesteekproef en totale steekproef, weergegeven. Tabel 8.4 – Advies voortgezet onderwijs, naar steekproef en geslacht (in %) referentiesteekproef totale steekproef jongens meisjes jongens meisjes VMBO-PRO VMBO-PRO/LWOO VMBO-LWOO VMBO-LWOO/BBL VMBO-BBL VMBO-BBL/KBL VMBO-KBL VMBO-KBL/GL VMBO-GL VMBO-GL/TL VMBO-TL VMBO-TL/HAVO HAVO HAVO/VWO VWO .7 .2 8.1 .3 5.6 2.7 9.8 1.1 4.9 2.4 17.8 8.3 15.4 9.9 12.7 .6 .1 8.3 .3 5.2 2.9 8.9 1.4 4.6 2.0 18.6 8.9 14.7 10.5 12.8 .8 .2 9.4 .4 6.4 2.6 10.6 1.1 4.9 2.7 17.5 8.5 14.5 9.2 11.2 .8 .1 10.8 .4 6.2 2.7 10.2 1.2 4.6 1.9 18.4 8.5 13.7 9.3 11.0 gem. sd n 10.4 3.8 4027 10.5 3.7 3983 10.1 3.8 5471 10.0 3.9 5513 8.4 Potentiële voortijdig schoolverlaters In het uitstroomformulier is gevraagd: ‘Is deze leerling volgens uw inschatting een potentiële voortijdig schoolverlater (‘drop-out’)?’, met als antwoordcategorieën (1) zeker niet, (2) waarschijnlijk niet, (3) weet ik niet, (4) waarschijnlijk wel, en (5) zeker wel. Tabel 8.5 toont de gemiddelden naar sociaal-etnische achtergrond en geslacht, uitgesplitst naar steekproef. Tabel 8.5 – Scores op ’drop-out-prognose’, naar steekproef, sociaal-etnische achtergrond en geslacht referentiesteekproef gem. sd totaal 1.52 .71 LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 1.83 1.87 1.71 1.51 1.34 jongens meisjes 1.62 1.41 84 totale steekproef n gem. sd n 8078 1.57 .75 11107 .83 .84 .79 .68 .58 439 281 1335 3063 2567 1.82 1.84 1.76 1.53 1.36 .84 .86 .82 .69 .60 1227 640 1937 3849 2977 .76 .63 4041 3993 1.68 1.47 .80 .67 5507 5526
  • 95. 8.5 De Eindtoets basisonderwijs Aan de Eindtoets basisonderwijs van het Cito nemen elk voorjaar ruim 6000 basisscholen deel. Dat is meer dan 80% van alle Nederlandse basisscholen. Van de leerlingen die aan PRIMA hebben deelgenomen en waarvan de uitstroomformulieren zijn ingevuld, heeft 79.2% ook aan de Eindtoets basisonderwijs meegedaan. Binnen de referentiesteekproef ligt de deelname op 76.0%. De vraag is of er verschillen in deelname zijn tussen de sociaal-etnische categorieën. Dit is weergegeven in Tabel 8.6. Tabel 8.6 – Deelname aan de Eindtoets basisonderwijs, naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond (in %) referentiesteekproef totale steekproef LBO Tu/Ma LBO ov. all. LBO aut. MBO HBO/WO 82.7 78.3 78.9 76.1 81.9 88.6 84.7 81.8 79.1 83.0 n 6270 8997 Voor beide steekproeven geldt dat een groter aandeel van de allochtone leerlingen aan de Eindtoets basisonderwijs heeft deelgenomen dan van de autochtone leerlingen. Dit was ook in eerdere metingen het geval. De totaalscore op de Cito-Eindtoets varieert van 500 tot en met 550. Deze totaalscore is de (bewerkte) optelsom van de scores op drie onderdelen: taal, rekenen en studievaardigheden. Wereldoriëntatie is een facultatief onderdeel dat minder vaak wordt afgenomen en niet in de totaalscore is verwerkt. In het verleden bestond elke subtoets uit 60 items. Bij de Eindtoets 2003 is dit veranderd: de taaltoets bestaat uit 100 items, de rekentoets uit 60, de toets studievaardigheden 40 en de toets wereldoriëntatie uit 90 items, dit laatste overigens in 2005 voor het eerst. In Tabel 8.7 presenteren we allereerst de scores op de Eindtoets uitgesplitst naar steekproef. Tabel 8.8 toont vervolgens de resultaten van de leerlingen op de onderdelen van de Eindtoets en de totaalscore, uitgesplitst naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond. Tabel 8.7 – Resultaten op de Eindtoets basisonderwijs, naar steekproef referentiesteekproef totale steekproef gem. taal rekenen studievaardigheden wereldoriëntatie totaalscore sd n gem. sd n 67.6 40.4 28.3 60.7 16.0 11.6 6.9 14.7 6299 6195 6107 5524 66.2 39.6 27.5 59.1 15.9 11.7 7.0 14.8 9042 8932 8821 7671 533.6 10.4 6354 532.4 10.5 9089 85
  • 96. Tabel 8.8 – Resultaten op de Eindtoets basisonderwijs, naar steekproef en sociaal-etnische achtergrond referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n taal LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 56.4 59.8 61.7 67.2 74.5 16.1 15.3 15.1 15.2 13.6 370 223 1060 2291 2070 57.9 59.6 61.5 66.8 74.1 15.2 14.8 14.9 15.2 13.9 1104 544 1602 3004 2434 rekenen LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 34.7 34.9 36.1 40.3 44.7 11.6 12.1 11.7 11.0 10.4 367 216 1049 2244 2010 36.5 35.3 35.9 40.0 44.3 11.7 12.0 11.5 11.1 10.5 1096 542 1584 2960 2371 studievaardigheden LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 22.8 24.4 25.6 28.1 31.3 7.1 7.0 6.8 6.4 5.9 357 214 1036 2209 1979 23.8 24.1 25.4 27.9 31.0 6.8 7.1 6.8 6.5 6.0 1079 535 1569 2918 2338 wereldoriëntatie LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 47.3 52.3 56.0 60.3 67.3 14.1 14.8 13.7 13.9 12.4 286 192 942 2057 1825 48.4 51.4 55.3 59.9 66.7 13.5 14.0 13.6 13.9 12.7 801 445 1390 2638 2115 526.0 527.5 528.9 533.3 538.4 10.1 10.5 10.0 9.7 8.9 365 215 1064 2309 2085 527.0 527.4 528.6 532.9 538.0 10.0 10.3 10.0 9.8 9.1 1093 541 1599 3023 2445 totaal LBO Tu/Ma LBO ov.all. LBO aut. MBO HBO/WO 86
  • 97. Tabel 8.9 toont de resultaten van de leerlingen op de onderdelen van de Eindtoets en de totaalscore, uitgesplitst naar steekproef en geslacht. Tabel 8.9 – Resultaten op de Eindtoets basisonderwijs, naar steekproef en geslacht referentiesteekproef totale steekproef gem. sd n gem. sd n taal jongens meisjes 66.2 69.1 16.3 15.6 3164 3095 64.8 67.6 16.1 15.6 4497 4483 rekenen jongens meisjes 42.3 38.6 11.2 11.7 3093 3062 41.6 37.7 11.2 11.8 4423 4448 studievaardigheden jongens meisjes 28.3 28.2 7.0 6.8 3053 3013 27.7 27.4 7.1 6.9 4373 4385 wereldoriëntatie jongens meisjes 63.2 58.3 14.8 14.2 2774 2719 61.5 56.6 14.9 14.4 3807 3815 533.8 533.4 10.4 10.3 3183 3130 532.7 532.1 10.5 10.5 4517 4508 totaal jongens meisjes 87
  • 98. 88
  • 99. Deel III De oudervragenlijsten
  • 100. 90
  • 101. 9 De oudervragenlijst voor groep 2 9.1 Constructie De ouders van de leerlingen in groep 2 is verzocht een schriftelijke vragenlijst in te vullen. In deze vragenlijst werd geïnformeerd naar een aantal achtergrondkenmerken van de ouders, het kind en de gezinssituatie. In dit deel van de basisrapportage staan deze vragenlijsten centraal. Het doel van de onderhavige rapportage is tweeledig, het functioneert als codeboek voor deze vragenlijst, en is tegelijkertijd ook een naslagwerk waarin een eerste beschrijving van een aantal gezinskenmerken van PRIMA-leerlingen wordt gegeven. De vragenlijst voor groep 2 die in deze zesde PRIMA-meting in 2004/05 is afgenomen, is voor een belangrijk deel dezelfde als die welke bij de eerste vijf metingen is gebruikt. Het algemene doel van deze vragenlijst is om bij de start op de basisschool een indruk te krijgen van de situatie waarin het kind thuis opgroeit. Daartoe wordt informatie gevraagd over een serie gezinsstructurele en gezinsculturele kenmerken. Onder de eerste groep vallen aspecten als gezinssamenstelling, sociaal milieu, en geboorteland. Onder de tweede groep vallen kenmerken die te maken hebben met de religie, taal, cultuur en opvoeding. Bij de vragenlijsten is gebruik gemaakt van optisch inleesbare formulieren, waarbij de respondenten antwoorden via het instrepen van hokjes. Inherent aan deze methode is dat de antwoorden alleen in de vorm van gesloten categorieën kunnen worden gegeven. Voor respondenten is het wellicht aantrekkelijker en gemakkelijker (zeker voor allochtonen met een geringe productieve beheersing van het Nederlands) alleen antwoordhokjes in te hoeven strepen in plaats van het moeten noteren van antwoorden. Een groot voordeel van deze werkwijze is in ieder geval dat het inlezen zeer snel gaat. Een nadeel is dat de respondenten gedwongen worden een bepaalde antwoordkeuze te maken die eigenlijk misschien toch net niet de hunne is. Door alleen met gesloten categorieën te werken wordt bovendien de variatie, en daarmee de variantie, doorgaans beperkter, hetgeen ook gevolgen heeft voor uit te voeren analyses. De vragenlijsten zijn door het ITS in samenspraak met het SCO ontwikkeld. Daarna heeft het ITS de lay-out verzorgd. Het betrof in totaal acht pagina’s (incl. het titelblad met de aanwijzingen voor het invullen) met 29 hoofdvragen. Op het titelblad stond, behalve het school- en leerlingnummer, ook de naam van de betreffende leerling afgedrukt. Bij de vragenlijsten waren aparte toelichtingen in het Nederlands, Turks en Arabisch gevoegd. Hierin werd het doel van het onderzoek uitgelegd en werd tevens aangegeven dat, wanneer men eventueel moeite had met het invullen, men bij anderen om hulp mocht vragen. 9.2 Afname De vragenlijsten zijn enkele weken voordat de toetsafnames zouden plaatsvinden door de ITS/SCO-toetsleiders tijdens een eerste voorbereidend gesprek op de scholen afgegeven met het 91
  • 102. verzoek ze mee te geven aan de leerlingen. De ouders konden ze vervolgens invullen en – in verband met de privacy – in een bijgevoegde, gesloten enveloppe weer mee teruggeven naar school. De toetsleiders hebben ze van daaruit meegenomen naar het ITS of SCO. Vragenlijsten die op een later tijdstip door de ouders aan hun kinderen zijn meegegeven, zijn door de scholen per post naar het ITS of SCO geretourneerd. 9.3 Verwerking Na een eerste controle zijn de vragenlijsten ingelezen en omgezet in SPSS-bestanden. Hoewel dergelijk optisch inleesbare formulieren in principe geen buiten-range waarden toelaten, bevatten de antwoordpatronen van de ouders soms wel inconsistenties. Bijvoorbeeld: de ouders vullen in een bepaalde openingsvraag in dat hun kind niet naar een kinderdagverblijf is geweest, maar geven tegelijkertijd in een vervolgvraag aan dat het kind het kinderdagverblijf drie dagen per week gedurende twee jaar heeft bezocht. Hoe met dit type inconsistenties is omgegaan, zullen we hierna bij de beschrijving van de betreffende vragen zelf aan de orde stellen. 9.4 Respons 9.4.1 Aantallen Binnen PRIMA worden verschillende databestanden onderscheiden. Zo is er een administratiebestand dat de namen en een beperkt aantal achtergrondgegevens van de leerlingen bevat zoals ze door de scholen zijn opgegeven, doorgaans in het begin van het schooljaar. Voor groep 2 telt dit bestand 16079 leerlingen. Daarnaast is er een toetsbestand met de resultaten op de afgenomen toetsen. Niet alle leerlingen zijn echter getoetst. Als gevolg van tussentijdse wijzingen in de leerlingenpopulatie van de scholen (bv. door verhuizingen) en absentie (bv. i.v.m. ziekte) tijdens de toetsafnames is er sprake geweest van uitval. Daarnaast zijn er ook leerlingen geweest die slechts één of enkele toetsopgaven hebben gemaakt; deze leerlingen zijn uit het bestand verwijderd. In het resulterende toetsbestand zitten 14642 leerlingen (ofwel 91.1% t.o.v. het administratiebestand).1 Voor alle leerlingen uit het administratiebestand zijn oudervragenlijsten gedrukt en naar de scholen gestuurd. In hoeverre al deze leerlingen ook daadwerkelijk een vragenlijst hebben meegekregen is niet helemaal duidelijk. Op de eerste plaats zijn er enkele complete scholen geweest die weigerden de vragenlijsten uit te delen. Op de tweede plaats zijn er – zoals hierboven al uitgelegd – als gevolg van absentie van leerlingen vragenlijsten niet uitgedeeld en niet geretourneerd. In totaal zijn er 10657 ingevulde en bruikbare vragenlijsten teruggekomen. De respons ten opzichte van het administratiebestand bedraagt 66.3%. Als we uitgaan van het bestand met alleen de getoetste leerlingen, komen we op een respons van 68.8%. Bij de hierna te bespreken schaalanalyses, variabelen-constructie en de beschrijving van de variabelen is uitgegaan van het 1 92 Nadat de analyses op de oudergegevens waren verricht, hebben nog enkele scholen gegevens nagezonden die alsnog in het administratie- en toetsbestand zijn opgenomen. Daardoor kunnen er geringe verschillen zijn wat betreft de aantallen leerlingen zoals ze hier en elders in deze rapportage worden genoemd.
  • 103. bestand met 10657 leerlingen, dus alle leerlingen die in het administratiebestand zitten en waarvan oudergegevens beschikbaar zijn. In het PRIMA-onderzoek zijn verschillende onderzoeksinstrumenten gehanteerd. Naast de hier besproken oudervragenlijst zijn er bij de leerlingen van groep 2 onder meer twee onderdelen van het Cito-leerlingvolgsysteem afgenomen, te weten de toetsen Taal voor kleuters en Ordenen, die een indicatie geven van respectievelijk het voorbereidend lezen en rekenen. Tevens is er door de directie of schooladministratie een formulier met achtergrond- en administratieve gegevens over elke leerling ingevuld. Daarnaast is van elke school bekend of zij tot het representatieve deel van de PRIMA-steekproef behoort of niet. Met behulp van deze gegevens is de representativiteit van de oudergegevens bepaald. 9.4.2 Respons, sociaal-etnische achtergrond en toetsprestaties Op de eerste plaats is nagegaan of er zich verschillen voordoen in het beantwoorden van de oudervragenlijsten die te maken hebben met de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen, de variabele die eerder in dit rapport al is geïntroduceerd. In Tabel 9.1 geven we een overzicht van de respons op de oudervragenlijst, waarbij we kijken of er een verschil is tussen ouders met uiteenlopende sociaal-etnische achtergronden. De totaalverdeling van deze achtergrond zelf staat (in %) onder in de tabel. Tabel 9.1 – Respons oudervragenlijst naar sociaal-etnische achtergrond (in %) max. LBO Tu/Ma max. LBO ov. all. max. LBO aut. max. MBO HBO/WO onbekend totaal geen respons wel respons 43.1 56.9 49.6 50.4 33.1 66.9 28.4 71.6 27.1 72.9 56.0 44.0 33.7 66.3 n % 1664 10.3 932 5.8 2306 14.3 5666 35.2 4199 26.1 1312 8.2 16079 100.0 De tabel laat zien dat er een duidelijk verband bestaat tussen enerzijds de combinatie opleiding/herkomst en anderzijds de respons op de oudervragenlijst. De nominaal-metrische samenhang, eta, bedraagt .20. Van de Turkse en Marokkaanse laagopgeleide ouders heeft 57% de vragenlijst ingevuld tegen 73% van de ouders met een HBO/WO-opleiding. De respons lijkt vooral af te hangen van de allochtone herkomst: van de Turkse/Marokkaanse en overig allochtone ouders met hooguit een LBO-opleiding heeft 57, respectievelijk 50% de vragenlijst geretourneerd, terwijl de respons van de autochtone ouders uit dezelfde opleidingscategorie op 67% ligt. Met name de respons van de categorie ‘laagopgeleid overig allochtoon’ is laag. De oorzaak voor dit resultaat ligt ongetwijfeld bij het lage beheersingsniveau van de Nederlandse taal van de allochtone groepen. 93
  • 104. Bovenstaande analyse is één manier om zicht te krijgen op de ouderrespons. Omdat bij de respons-analyses ook de toetsresultaten van de leerlingen voorhanden zijn, kan ook daarop worden vergeleken. Tabel 9.2 geeft een overzicht van de scores op Taal voor kleuters en Ordenen van leerlingen mèt en leerlingen zònder oudergegevens. We hebben daarvoor gebruik gemaakt van de ruwe scores op de toetsen, dat wil zeggen het aantal goed gemaakte opgaven. Tabel 9.2 – Toetsresultaten naar respons oudervragenlijst (gemiddelden) Taal voor kleuters geen respons wel respons sd n eta Ordenen 42.0 43.7 29.4 30.5 8.2 14419 .10 6.3 14323 .08 Voor Taal voor kleuters is er een verschil van ruim anderhalve toetspunt, hetgeen overeenkomt met ongeveer eenvijfde standaardafwijking. De samenhang tussen de toetsscore en respons op de vragenlijst is .10, dus vrij zwak. Voor Ordenen is het verschil ongeveer 1 punt. Dit verschil komt overeen met een samenhang van .08, dus ook zeer zwak. Voor beide vergelijkingen geldt dus dat er hooguit zwakke samenhangen zijn tussen de respons op de oudervragenlijst en de toetsprestaties voor (voorbereidend) taal en rekenen. Op basis van hetgeen bekend is over de taal- en rekenprestaties van allochtone kinderen en de taalbeheersing van hun ouders, vormt dit een bevestiging van datgene wat we al in Tabel 9.1 constateerden, namelijk dat de non-respons vooral een allochtone factor betreft en waarschijnlijk voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door het lage taalbeheersingsniveau Nederlands van de ouders. 9.4.3 Respons en steekproeven In Tabel 9.1 en Tabel 9.2 hebben we twee vergelijkingen gemaakt, namelijk qua sociaaletnische achtergrond en qua prestaties. Dat is gebeurd voor de totale steekproef. Omdat we hierna bij de beschrijving van de oudergegevens ook een uitsplitsing maken naar referentiesteekproef, zijn we ook nagegaan hoe het met de representativiteit staat binnen die steekproef. Voor Tabel 9.3 hebben we daarom de analyses herhaald, maar nu alleen voor de referentiesteekproef. 94
  • 105. Tabel 9.3 – Respons oudervragenlijst referentiesteekproef naar sociaal-etnische achtergrond (in %) max. LBO Tu/Ma max. LBO ov. all. max. LBO aut. max. MBO HBO/WO onbekend totaal geen respons wel respons 43.0 57.0 45.7 54.3 29.2 70.8 25.8 74.2 25.1 74.9 54.0 46.0 30.0 70.0 n % 579 5.1 383 3.4 1594 14.0 4331 38.0 3526 31.0 970 8.5 11383 100.0 De tabel maakt duidelijk dat er tussen de referentiesteekproef en de totale steekproef (vgl. Tabel 9.1) enig verschil is in respons. In de referentiesteekproef bedraagt die bijna 70%, terwijl de respons in de totale steekproef ongeveer 4%-punten lager ligt. De door de achtergrond verklaarde variantie bedraagt voor de referentiesteekproef bijna 4% (eta =.20). Dit verschil heeft te maken met het feit dat de aanvullende steekproef (totale steekproef minus referentiesteekproef) uit scholen bestaat die in een achterstandssituatie verkeren, dus met name door leerlingen worden bevolkt die tot een laag sociaal-economisch milieu behoren en/of allochtoon zijn. Aanvullend op Tabel 9.2 hebben we ook hier de analyses met betrekking tot de prestaties op de Taal voor kleuters- en Ordenen-toets herhaald voor de referentiesteekproef. De resultaten daarvan staan in Tabel 9.4. Tabel 9.4 – Toetsprestaties referentiesteekproef, naar respons oudervragenlijst (gemiddelden) Taal voor kleuters geen respons wel respons sd n eta Ordenen 43.2 44.5 30.0 30.9 7.7 10380 .08 6.1 10284 .07 Uit de tabel kan worden afgelezen dat er ook binnen de onderscheiden steekproeven (vgl. Tabel 9.2) verschillen zijn in prestaties tussen leerlingen mèt en leerlingen zònder oudergegevens. Deze verschillen zijn binnen de referentiesteekproef nog kleiner dan binnen de totale steekproef. 9.4.4 Respons op schoolniveau Bij het verzamelen van de oudergegevens nemen de scholen een sleutelpositie in. De oudervragenlijsten worden immers via de scholen verspreid. Tijdens de fase van het veldwerk van het onderzoek bleek een aantal scholen te weigeren aan het verspreiden van de vragenlijsten mee te werken. Dat had onder meer te maken met de privacy-gevoeligheid van de gevraagde informatie, maar ook omdat de scholen het idee hadden dat hun ouders de vragenlijsten toch niet zouden 95
  • 106. willen of kunnen invullen. Om nu na te gaan of er bij de non-respons onder de ouders sprake is van individuele weigering of ‘collectieve’ weigering (d.w.z. door de school vooraf als geheel) en of dat verschilt per steekproef, hebben we de responsgegevens afsluitend ook vanuit dat perspectief bestudeerd. De oorspronkelijke, administratiesteekproef voor groep 2 telt 589 scholen. Dit betekent dat van 11 scholen van de totale PRIMA-steekproef (N=600) geen gegevens over groep 2 beschikbaar zijn. Wat de oudervragenlijsten betreft is de gemiddelde respons op schoolniveau 68.0%. Van 40 (6.8%) van die scholen zijn alle vragenlijsten geretourneerd, terwijl van 55 scholen (9.3%) geen van de vragenlijsten is teruggekomen. We hebben deze gegevens ook voor de referentiesteekproef berekend. In de referentiesteekproef voor groep 2 zitten 410 scholen; van 33 scholen uit die groep (8.0%) hebben we alle oudervragenlijsten terugontvangen, van 36 scholen (8.8%) zijn in het geheel geen oudergegevens beschikbaar. De gemiddelde respons bedraagt 71.7%. 9.4.5 Samenvatting We kunnen concluderen dat er in zijn algemeenheid een redelijk hoge respons is op de oudervragenlijsten — zeker als we rekening houden met de omvang van de vragenlijsten en met de achtergronden van een belangrijk deel van de doelgroep. Wel is duidelijk dat de respons qua sociaal-etnische achtergrond scheef verdeeld is. Met name de respons onder de allochtone laagopgeleide ouders is relatief laag. Uit een vergelijking van de onderscheiden steekproeven blijkt dat de respons in de aanvullende steekproef, die relatief veel allochtonen bevat, lager is dan die in de referentiesteekproef. Vergeleken met de respons op de vorige, vijfde PRIMA-meting ligt de respons bij deze zesde meting duidelijk lager - ten opzichte van het zowel het administratieals toetsbestand circa 5%-punten. Wel is het zo dat de respons minder gerelateerd is aan het prestatieniveau van de kinderen: de verschillen in toetsprestaties van kinderen met en kinderen zonder een ingevulde oudervragenlijst zijn nu zeer klein. 9.5 Een beschrijving van de oudergegevens 9.5.1 Inleiding In deze rapportage richten we ons op die leerlingen die in het administratiebestand voorkomen èn waarvan ingevulde en bruikbare oudervragenlijsten zijn teruggekomen. We houden dus geen rekening met het feit of van deze leerlingen ook toetsgegevens beschikbaar zijn. In totaal gaat het bij groep 2 om 10657 leerlingen. In de tabellen vermelden we waar mogelijk de aantallen leerlingen waarop de analyses betrekking hebben, dat wil zeggen: exclusief mogelijk ‘missing values’. Hierna geven we een beschrijving van de oudergegevens. We doen dat apart voor de referentiesteekproef en de totale steekproef. De referentiesteekproef telt 11383 leerlingen, waarvan er 3415 geen oudervragenlijst hebben geretourneerd. De totale steekproef omvat 16079 leerlingen; bij 5422 van hen ontbreekt de oudervragenlijst. Bij de beschrijving worden deze 3415, respectievelijk 5422 leerlingen — zoals hierboven al aangeduid — dus niet meer apart vermeld. Wat 96
  • 107. in de tabellen komt te staan zijn de percentages, respectievelijk gemiddelden en de aantallen leerlingen waarop die zijn gebaseerd. Voor de referentiesteekproef bedraagt dit maximaal 7968, en voor de totale steekproef 10657 leerlingen. Voor de duidelijkheid: de aantallen die in de tabellen onder ‘n’ staan betreffen dus steeds het aantal valide cases (=100%) waarop het betreffende vermelde percentage of gemiddelde is gebaseerd. De oudervragenlijst voor groep 2 bevat 29 hoofdvragen. Bij de beschrijving van de oudergegevens houden we de volgorde aan van de vragen zoals die in de vragenlijst aan bod zijn gekomen. Op deze manier fungeert dit rapport als een naslagwerk annex codeboek. Om een koppeling te leggen naar de nummering in de vragenlijst, vermelden we steeds in de kop van de subparagraaf het vraagnummer voorafgaand door een ‘v’. 9.5.2 De oudergegevens Samenstelling van het gezin (v1, v2, v3, v4, v5) Het gaat hier om de vraag naar de aanwezigheid van de moeder en vader, het aantal en aantal oudere kinderen, de gezinssamenstelling in termen van burgerlijke staat en de invuller(s) van de vragenlijst. Er zijn daarbij op twee manieren inconsistenties ontstaan. Op de eerste plaats hebben enkele ouders bij vraag v1 aangegeven dat er geen moeder/verzorgster dan wel vader/verzorger aanwezig in het gezin, terwijl ze tegelijkertijd bij vraag v4 melden dat het gezin bestaat uit twee gehuwde of samenwonende ouders of niet-ouders. Op de tweede plaats heeft een aantal ouders aangegeven dat ze deel uitmaakten van een eenoudergezin, terwijl ze bij een reeks van vervolgvragen, die apart voor de in het gezin aanwezige moeder/verzorgster en vader/verzorgster moesten worden beantwoord, toch voor beide ouders deze vragen invulden. Dit, terwijl er bij de instructie voor het invullen van de vragenlijst nadrukkelijk op is gewezen dat, wanneer er op dit moment geen partner is, alleen de gegevens van de aanwezige ouder hoeven te worden ingevuld. Waarschijnlijk heeft een en ander te maken met situaties waarin een van de ouders overleden is of na een scheiding elders is gaan wonen, terwijl de achterblijvende ouder toch nog diens gegevens heeft ingevuld. Het feit dat er in veel van de betreffende gezinnen ook weer een nieuwe partner is gekomen en — in geval van scheiding — de oude partner soms ook nog met een zekere regelmaat aanwezig is, maakt de situatie soms erg gecompliceerd. Omdat het bijzonder lastig en wellicht arbitrair is om al dit type (al-dan-niet vermeende) inconsistenties uit het bestand te halen, is besloten dat helemaal niet te doen. Dit betekent dus dat overal de originele antwoorden zijn blijven staan. Bij dit blok van kenmerken is allereerst onder vraag v1 gevraagd: ‘Welke volwassenen zijn er in uw gezin?’: (a) moeder (of verzorgster), (b) vader (of verzorger). Deze vragen moesten met ‘nee’ of ‘ja’ worden beantwoord. Bij vraag v2 is gevraagd: ‘Hoeveel kinderen zijn er in totaal in uw gezin?’, met als antwoordcategorieën ‘1’ tot ‘5 of meer’, en bij v3 is de vraag gesteld: ‘Hoeveel kinderen in uw gezin zijn ouder dan het kind dat deze vragenlijst heeft meegekregen?’, met als antwoordcategorieën ‘0’ tot ‘5 of meer’. In Tabel 9.5 geven we een overzicht van de aanwezigheid van moeder en vader in het gezin. Genoemd worden de percentages ouders die deze vragen met ‘ja’ hebben beantwoord. Ook staat in de tabel van het totaal aantal kinderen en het aantal oudere kinderen het gemiddelde en de 97
  • 108. bijbehorende standaarddeviatie vermeld. We maken bij deze — en alle overige tabellen — een uitsplitsing naar referentie- ofwel representatieve steekproef en totale steekproef, dat wil zeggen de steekproef met een oververtegenwoordiging van scholen met leerlingen in sociaal-etnische achterstandssituaties. Tabel 9.5 – Aanwezigheid ouders en kinderen in het gezin (gemiddelden en in %) referentiesteekproef totale steekproef % aantal kinderen aantal oudere kinderen % 99.6 94.9 7906 7720 99.5 93.6 gem. moeder/verzorgster aanwezig vader/verzorger aanwezig n sd 2.4 .9 .9 1.0 n 10619 10491 n 10504 10174 gem. sd n 2.4 .8 .9 1.0 7951 7864 Uit de gegevens in Tabel 9.5 blijkt dat in bijna 5, respectievelijk 6.5 procent van de gezinnen geen vader aanwezig is en in een half procent geen moeder. Dit heeft tot consequentie dat bij de vragen die apart voor moeder en vader moesten worden beantwoord, een belangrijk deel van de ‘missings’ voor rekening komt van het feit dat het eenoudergezinnen betreft, en dat het hier dus feitelijk om ‘niet van toepassing’ gaat. Het gemiddelde kindertal is 2.4 en gemiddeld hebben de kinderen uit groep 2 nog 1 oudere broer of zus. In Tabel 9.6 vervolgen we met een overzicht van burgerlijke staat, waarbij de vraag is gesteld: ‘Wat is de huidige samenstelling van uw gezin?’ In de tabel staan de reacties op de antwoordmogelijkheden. Tabel 9.6 – Burgerlijke staat (in %) referentiesteekproef totale steekproef gehuwd of samenwonend met de ouder van het kind gehuwd of samenwonend met de niet-ouder van het kind alleenstaand, gescheiden alleenstaand, partner overleden alleenstaand, niet gehuwd geweest 88.5 1.6 2.6 2.6 4.6 86.0 1.7 3.1 3.5 5.8 n 7931 10581 In Tabel 9.7 wordt een antwoord gegeven op de vraag: ‘Door welke ouder wordt deze vragenlijst ingevuld?’ 98
  • 109. Tabel 9.7 – Invuller(s) vragenlijst (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader beide ouders 79.1 9.0 12.0 75.6 10.8 13.6 n 7933 10599 Etnische herkomst ouders en grootouders (v6, v7) Bij v6 is de vraag gesteld: ‘Waar zijn u en uw partner geboren? En waar het kind?’, met in totaal 12 antwoordcategorieën. In Tabel 9.8 staan de reacties. Wellicht ten overvloede: Bij deze vraag en ook de nog volgende ‘moeder- en vader-vragen’ dient het volgende te worden aangetekend. Omdat een deel van de cases betrekking heeft op eenoudergezinnen ontbreekt daar de moeder, dan wel vader. Dit gegeven leidt er toe dat de n waarop de percentages zijn gebaseerd bij deze vragen bij voorbaat al wat lager zijn. Omdat, zoals uit vraag v1 is gebleken, in eenoudergezinnen doorgaans geen vader aanwezig is, ligt met name het aantal geldige responses van de vaders navenant lager. Tabel 9.8 – Geboorteland ouders en kind (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder Nederland Antillen/Aruba Suriname Turkije Marokko Zuid-Europa Noord- en West-Europa Oost-Europa Azië Afrika Midden-Oosten ander land n vader kind moeder vader kind 85.0 85.1 97.3 75.4 75.1 96.6 .6 1.7 3.4 2.9 .9 1.1 .5 1.3 .8 .6 1.3 .7 1.6 3.8 3.1 1.0 .8 .2 1.1 .9 .8 1.0 .3 .1 .3 .1 .1 .5 .1 .4 .2 .1 .5 .9 2.3 6.8 6.0 1.0 1.1 .5 1.9 1.5 1.0 1.7 1.0 2.1 7.4 6.4 1.0 .8 .2 1.6 1.6 1.2 1.6 .5 .1 .4 .3 .2 .5 .1 .4 .3 .2 .5 7953 7797 7732 10630 10338 10250 Op basis van de gegevens over het herkomstland van de moeder en vader afzonderlijk hebben we een nieuwe variabele geconstrueerd, namelijk de etnische herkomst van het gezin. Deze kent twee categorieën: (1) beiden in Nederland geboren: autochtoon; (2) minimaal één van de ouders in het buitenland geboren: allochtoon. In de referentiesteekproef is 18.9% van de gezinnen (n=7844) allochtoon, en in de totale steekproef 29.7% (n=10459). 99
  • 110. Niet alleen is geïnformeerd naar het geboorteland van de ouders, maar bij vraag v7 ook naar dat van de grootouders: ‘Waar zijn de grootouders van het kind geboren?’ Daarbij zijn dezelfde antwoordcategorieën aangehouden. Met behulp van deze gegevens kan een onderscheid worden gemaakt naar generatie migranten. De resultaten staan in Tabel 9.9. Tabel 9.9 – Geboorteland grootouders (in %) referentiesteekproef moeders kant totale steekproef vaders kant moeders kant vaders kant oma Nederland Antillen/Aruba Suriname Turkije Marokko Zuid-Europa Noord- en West-Europa Oost-Europa Azië Afrika Midden-Oosten ander land n opa oma opa oma opa oma opa 82.9 82.9 83.2 83.1 72.6 72.5 72.7 72.6 .6 1.9 3.8 3.1 1.0 1.3 .6 2.2 .7 .6 1.3 .6 2.0 3.8 3.1 1.2 1.3 .6 2.0 .7 .6 1.3 .6 1.8 4.0 2.9 1.0 1.3 .3 2.0 .9 .8 1.3 .6 1.8 4.0 3.0 1.3 .9 .3 2.0 1.0 .7 1.2 .9 2.6 7.5 6.3 1.1 1.2 .6 2.8 1.4 1.1 1.8 .9 2.7 7.5 6.3 1.4 1.2 .6 2.6 1.3 1.1 1.8 .9 2.4 7.7 6.2 1.1 1.1 .3 2.6 1.6 1.3 1.9 1.0 2.5 7.7 6.3 1.4 .9 .3 2.5 1.6 1.2 1.9 7947 7924 7817 7808 10616 10567 10379 10358 Verblijfsduur ouders (v8) Behalve naar het geboorteland is ook naar de verblijfsduur gevraagd: ‘Hoeveel jaar wonen u en uw partner in Nederland?’. Deze vraag is gesteld aan alle ouders, dus ongeacht hun geboorteland. Deze gegevens staan in Tabel 9.10. Tabel 9.10 – Verblijfsduur ouders (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vader minder dan 5 jaar 5-9 jaar 10-14 jaar 15-19 jaar 20-24 jaar 25 of meer jaar altijd al 1.0 3.9 3.6 2.0 1.5 4.0 84.0 .8 2.4 3.7 2.6 1.5 4.6 84.3 1.6 6.8 5.8 3.9 2.4 5.1 74.4 1.1 3.8 6.0 5.0 2.7 6.7 74.7 n 7859 7498 10554 9898 100
  • 111. Nationaliteit ouders (v9) Behalve naar het geboorteland en verblijfsduur, is ook geïnformeerd naar de nationaliteit van de ouders: ‘Welke nationaliteit(en) hebben u en uw partner?’. De gegevens hierover staan in Tabel 9.11. Tabel 9.11 – Nationaliteit ouders (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vader Nederlandse andere dubbele 91.2 5.1 3.7 91.1 4.4 4.4 84.4 9.3 6.3 84.6 7.2 8.2 n 7933 7701 10589 10183 Asielzoekers (v10) Geïnformeerd is of de ouders asielzoekers zijn/waren: ‘Hebben u of uw partner nu of in het verleden in Nederland asiel aangevraagd?’ De antwoordmogelijkheden waren: nee, ja. In de referentiesteekproef gaf 2.4% van de ouders (n=7761) aan dat ze asielzoekers waren (geweest), in de totale steekproef 3.7% (n=10329). Opleiding ouders (v11, v12) De vraag naar de opleiding van de ouders is op twee manieren gesteld, namelijk naar het hoogste gevolgde type en de behaalde diploma’s. Wat het hoogste gevolgde type betreft luidde de vraag: ‘Deze vraag gaat over het onderwijs dat u en uw partner hebben gevolgd. Hieronder staat een aantal opleidingsniveaus. Wilt u het hoogste niveau aanstrepen dat u en uw partner hebben gevolgd? Als u niet het precieze type weet (bv. omdat het om een avondopleiding gaat of omdat de opleiding in het buitenland is gevolgd), probeer dan een zo goed mogelijke inschatting te geven. Kleuteronderwijs niet meetellen.’ Bij deze vraag waren 12 categorieën voorgegeven; de antwoorden staan in Tabel 9.12. 101
  • 112. Tabel 9.12 – Hoogste gevolgde opleiding ouders (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vader geen onderwijs 1-3 jaar lager onderwijs/basisonderwijs 4-6 jaar lager onderwijs/basisonderwijs 1-2 jaar lager beroepsonderwijs (IBO/LBO/VBO) 3-4 jaar lager beroepsonderwijs (IBO/LBO/VBO) 1-2 jaar MAVO/MULO 3-4 jaar MAVO/MULO 1-3 jaar HAVO/HBS/MMS/VWO/gymnasium 4-6 jaar HAVO/HBS/MMS/VWO/gymnasium middelbaar beroepsonderwijs (MBO/KMBO) of leerlingwezen hoger beroepsonderwijs (HBO) wetenschappelijk onderwijs (universiteit) 1.2 .9 2.2 1.3 12.1 1.7 10.2 2.2 6.1 1.0 .6 2.2 1.8 14.6 1.5 7.0 1.9 4.1 2.5 1.6 4.5 2.1 12.8 2.3 10.2 2.5 5.8 2.0 1.2 3.5 2.7 15.1 2.1 7.7 2.3 4.2 37.7 17.6 6.7 33.8 21.1 10.4 34.1 15.5 5.9 30.8 18.7 9.7 n 7870 7583 10473 9958 De tweede opleidingsvraag luidde: ‘Van welk onderwijstype hebben u en uw partner het diploma behaald? U kunt meerdere antwoorden kiezen.’. Voorgegeven waren zeven antwoordmogelijkheden. Oorspronkelijk ging het dus in feite om zeven deelvragen. Op basis van deze gegevens is in combinatie met de gegevens van de eerste vraag bepaald welk het hoogste diploma is dat de ouders hebben behaald. In Tabel 9.13 staan de reacties. Tabel 9.13 – Hoogste behaalde diploma ouders (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vader geen enkel diploma lager beroepsonderwijs (IBO/LBO/VBO) MAVO/MULO HAVO/HBS/MMS/VWO/gymnasium middelbaar beroepsonderwijs (MBO/KMBO)/ leerlingwezen hoger beroepsonderwijs (HBO) wetenschappelijk onderwijs (universiteit) 9.0 13.5 11.5 6.9 37.2 8.5 15.6 7.8 5.4 34.0 14.4 14.7 11.5 6.7 33.4 13.0 16.3 8.4 5.6 30.9 16.4 5.5 19.7 9.1 14.3 4.9 17.5 8.3 n 7881 7546 10496 9908 Vervolgens hebben we op grond van de gegevens uit de vragen v10 en v11 elk van de ouders ingedeeld in de opleidingscategorieën zoals deze destijds binnen de evaluatie van het Onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) werden gehanteerd (vgl. Mulder, 1996). Deze indeling gaat uit van het hoogst voltooide opleidingsniveau: (1) maximaal LO; (2) LBO; (3) MAVO + leerjaar 1-3 HAVO/VWO; (4) MBO; (5) leerjaar 4-5/6 HAVO/VWO; (6) HBO; (7) WO. Uitgangspunt bij de OVB-evaluatie was of het diploma is behaald. Als dat niet het geval is of niet bekend is, 102
  • 113. daalt de ouder een niveau. Naast het hoogste voltooide niveau van de moeder en vader afzonderlijk is nog het hoogste voltooide opleidingsniveau binnen het gezin bepaald. Voorzover van toepassing, zijn bij de constructie van deze variabelen dezelfde regels gehanteerd als bij de eerdere PRIMA-metingen (vgl. Driessen & Haanstra, 1996; Driessen, Van Langen, Portengen & Vierke, 1998; Driessen, Van Langen & Vierke, 2000, 2002, 2004). In Tabel 9.14 geven we de procentuele verdeling en de gemiddelden weer. Tabel 9.14 – Hoogste voltooide opleiding moeder, vader en gezin (in % en gemiddelden) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader gezin moeder vader gezin maximaal LO LBO MAVO, 1-3 HAVO/VWO MBO 4-5/6 HAVO/VWO HBO WO 8.6 13.7 12.0 36.9 7.0 16.4 5.5 8.2 15.8 8.3 33.5 5.8 19.5 9.0 4.4 8.4 8.6 34.6 8.3 24.6 11.0 13.8 15.0 12.0 33.2 6.9 14.3 4.8 12.4 16.7 8.0 30.3 6.0 17.4 8.2 7.8 10.4 9.5 32.1 8.5 21.7 10.0 gem. sd n 3.9 1.6 7925 4.1 1.8 7646 4.5 1.6 7940 3.7 1.7 10571 3.9 1.8 10076 4.3 1.7 10605 Bezigheden (v13) Een vraag handelde over de bezigheden van de ouders: ‘Wat zijn de belangrijkste bezigheden van u en uw partner? Kies wat het beste van toepassing is. U kunt meerdere antwoorden kiezen.’. In totaal waren acht categorieën voorgegeven. In Tabel 9.15 geven we een overzicht van deze bezigheden. Omdat de ouders meer dan één antwoord konden kiezen, geven we per categorie het percentage ouders dat die heeft gekozen. Een nadeel van deze manier van bevragen (‘multiple respons’) is overigens dat, wanneer geen antwoord is aangestreept, onduidelijk is of de respondent het betreffende item niet relevant acht voor zijn/haar situatie of dat het een gewone missing betreft. Ook is het mogelijk dat het gaat om een ‘niet van toepassing’-situatie omdat er geen moeder dan wel vader is. Bij deze laatste optie zou de percenteringsbasis er ook anders uitzien. De mogelijkheid om hiervoor te corrigeren op basis van de informatie uit de vragen over de gezinssamenstelling (v1 en v4) is hier vooralsnog achterwege gelaten, maar valt wel te overwegen. 103
  • 114. Tabel 9.15 – Belangrijkste bezigheden ouders (meerdere antwoorden mogelijk)(in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader moeder vader verricht op dit moment betaald werk voor 12 uur of meer per week verricht op dit moment betaald werk voor minder dan 12 uur per week is werkloos, op zoek naar werk is arbeidsongeschikt (WAO) doet onbetaald werk/vrijwilligerswerk voor enkele uren of dagen per week doet het huishouden is student(e), volgt een opleiding doet iets anders 48.5 84.5 44.1 78.7 12.4 .8 11.3 1.0 4.3 3.1 7.7 3.1 2.4 2.3 5.8 3.7 6.9 4.9 3.4 2.3 57.8 3.6 4.0 8.2 1.9 5.1 56.9 4.3 4.1 7.5 2.1 5.5 n 7968 7968 10657 10657 Kerk, geloofsgemeenschap, levensbeschouwing (v14) De volgende (eentraps) vraag is voorgelegd: ‘Tot welke kerk, geloofsgemeenschap of levensbeschouwelijke groepering rekent u/uw partner zich? En tot welke rekent u uw kind?’. Tabel 9.16 geeft een overzicht van de antwoorden. Tabel 9.16 – Kerk, geloofsgemeenschap, levensbeschouwing ouders (in %) referentiesteekproef totale steekproef moeder vader kind moeder vader kind geen Rooms-katholiek Nederlands Hervormd Gereformeerd Reformatorisch overig christelijk Islam een andere 35.4 28.2 11.1 6.6 3.5 3.9 8.9 2.6 38.3 26.4 10.6 6.3 3.5 3.4 9.2 2.2 42.8 23.0 9.7 6.2 3.5 3.8 9.0 2.1 32.3 25.7 9.4 5.3 2.6 4.5 17.1 3.1 35.3 23.7 8.9 5.2 2.7 3.8 17.8 2.6 39.0 21.0 8.2 5.0 2.7 4.3 17.3 2.6 n 7915 7591 7676 10566 10044 10194 Spreektaal kind (v15) Aan de ouders is de vraag voorgelegd: ‘Welke taal spreekt het kind meestal?’. Voorgegeven waren vier situaties: (a) met de moeder, (b) met de vader, (c) met broers of zussen, en (d) met vriendjes of vriendinnetjes. Als keuzemogelijkheden waren voorgegeven: (1) Nederlands, (2) Nederlands dialect of Fries, (3) andere taal (bv. Turks of Arabisch). Omdat veel ouders meer dan een taal hebben aangestreept, zijn nieuwe categorieën gevormd met ook combinaties van talen. Tabel 9.17 geeft de reacties. Vooraf willen we er op wijzen dat, zoals we bij de vragen 104
  • 115. naar de gezinssamenstelling al opmerkten, er bij de aantallen moeders en vaders rekening dient te worden gehouden met het feit dat in een deel van de gezinnen geen moeder of vader aanwezig is, en de betreffende vragen naar de spreektaal dus ook niet konden worden beantwoord. Iets soortgelijks geldt voor de aantallen met betrekking tot de siblings: als er geen broers of zusjes zijn (vgl. v2) of heel jong zijn (vgl. v3), is deze vraag niet van toepassing. Tabel 9.17 – Spreektaal kind (in %) referentiesteekproef Nederlands dialect of andere taal Nederlands, Nederlands, dialect, Nederlands, Fries dialect, andere taal Fries, ande- dialect, Fries re taal Fries, andere taal met moeder met vader met siblings met vrienden 85.0 84.6 89.2 91.8 6.1 7.0 6.3 5.2 5.0 4.8 1.9 .5 1.2 1.1 .7 1.3 2.5 2.3 1.7 1.2 .1 .1 .0 .0 .1 .1 .1 .1 n 7932 7694 7147 7703 totale steekproef Nederlands dialect of andere taal Nederlands, Nederlands, dialect, Nederlands, Fries dialect, andere taal Fries, ande- dialect, Fries re taal Fries, andere taal met moeder met vader met siblings met vrienden 79.5 79.1 86.7 90.7 5.4 6.2 5.5 4.6 9.1 8.9 3.4 .9 1.1 1.0 .8 1.2 4.8 4.5 3.4 2.5 .1 1 .1 .0 .1 .1 .1 .0 n 10583 10136 9406 10204 Taalgebruik en -beheersing ouders (v16, v17) Informatie over het taalgebruik in het huishouden is verkregen via de vraag: ‘Welke taal spreken u en uw partner het meeste met elkaar? Maar 1 antwoord kiezen. Als er maar één ouder is, kies dan de taal die in het huishouden het meest wordt gesproken.’. Hier waren 7 antwoordmogelijkheden voorgegeven. Omdat ook hier een aantal ouders meer dan één antwoord heeft gegeven zijn nieuwe combinaties gevormd. In Tabel 9.18 staan de reacties. 105
  • 116. Tabel 9.18 – Spreektaal ouders (in %) referentiesteekproef totale steekproef Nederlands een Nederlands dialect Fries Turks Marokkaans-Arabisch Berber Nederlands, dialect, Fries Nederlands, dialect, Fries, Turks Nederlands, dialect, Fries, Marokkaans Nederlands, dialect, Fries, Berber Marokkaans, Berber Nederlands, dialect, Fries, andere taal andere taal 72.9 12.1 1.9 3.3 1.4 1.0 2.1 .7 .3 .2 .2 .5 3.6 66.6 10.0 1.5 6.6 3.1 1.8 1.9 1.0 .8 .3 .3 .8 5.3 n 7924 10583 De laatste vraag in deze reeks luidde: ‘In welke mate beheersen u en uw partner de Nederlandse taal? Niet bedoeld worden dialecten en Fries.’ Deze vraag is uiteengelegd in de vier modaliteiten: (a) verstaan/begrijpen, (b) spreken, (c) lezen, en (d) schrijven. De ouders konden antwoorden met: (1) niet of zeer slecht, (2) slecht, (3) redelijk, (4) goed, en (5) zeer goed. Tabel 9.19 geeft een overzicht van de kengetallen, eerst uitgesplitst naar de vier afzonderlijke modaliteiten en vervolgens wordt een totaalgemiddelde gegeven. Dat laatste is tot stand gekomen op basis van factor- en betrouwbaarheidsanalyse. Principale factoranalyse met oblimin-rotatie leidde — op inhoudelijke gronden — tot twee dimensies. Het initiële verloop van de Eigen-waarden was: 5.9, 1.3, .3 ..., met als bijbehorende verklaarde variantie: 74.1, 16.1, 3.4, ... Hoewel er dus aanleiding was om tot één dimensie te besluiten, liet de factorstructuur zien dat de ladingen zich scherp verdeelden over twee dimensies, namelijk de taalbeheersing Nederlands door de moeder, en door de vader. De ladingen waren .92, .94, .98, en .92, respectievelijk .86, 91, .98 en .92. De modaliteit ‘lezen’ draagt dus in de sterkste mate bij aan de dimensies. Betrouwbaarheidsanalyses leverde zeer hoge alfa’s op, te weten .97 voor de beheersing door de moeder, en .95 voor de beheersing door de vader. Vervolgens zijn de gemiddelden bepaald door het gemiddelde te nemen van de oorspronkelijke scores — althans, voorzover ten minste de helft van het aantal items valide was. 106
  • 117. Tabel 9.19 – Beheersing Nederlands ouders (gemiddelden) referentiesteekproef moeder totale steekproef vader moeder vader gem. sd gem. sd gem. sd gem. sd verstaan spreken lezen schrijven 4.6 4.5 4.6 4.5 .7 .7 .7 .8 4.6 4.5 4.5 4.4 .6 .7 .7 .8 4.5 4.4 4.4 4.3 .8 .8 .8 .9 4.5 4.4 4.4 4.3 .7 .7 .8 .9 totaal 4.5 .7 4.5 .6 4.4 .8 4.4 .7 minimum n 7761 7498 10278 9863 Voorschoolse opvang, peuterspeelzaalbezoek en kind-ouderprogramma’s (v18, v19, v20) Drie vragen handelden over voorschoolse opvang, peuterspeelzaalbezoek en kind-ouderprogramma’s. Bij die vragen is eerst geïnformeerd of het kind aan de betreffende voorziening heeft deelgenomen, en vervolgens om hoeveel jaren en dagen of dagdelen het daarbij per week ging. Sommige ouders hebben bij de vervolgvragen wel een specifiek antwoord gegeven, bijvoorbeeld 2 jaren of 3 dagdelen, terwijl ze bij de openingsvraag niets invulden of aangaven dat geen gebruik werd gemaakt van de betreffende voorziening. Terwille van de interne consistentie is in die gevallen de openingsvraag gehercodeerd naar ‘ja’. De eerste vraag luidde: ‘Is het kind voordat het naar school ging naar een crèche/kinderdagverblijf geweest?’, met als antwoordmogelijkheden ‘nee’ en ‘ja’. De vervolgvragen luidden: ‘Zo ja, gedurende hoeveel jaar?’ en ‘Hoeveel dagen gemiddeld per week?’. In Tabel 9.20 staat allereerst het percentage ouders dat die vraag met ‘ja’ heeft beantwoord. De antwoordcategorieen met betrekking tot de jaren liepen van ‘½ of minder’ met stappen van telkens een half jaar tot ‘4 of meer’; de categorieën ten aanzien van het aantal dagen liepen van ‘½ of minder’ met stappen van een half jaar tot ‘5 of meer’. In de tabel geven we de modale categorie weer en het percentage leerlingen in die categorie. Tabel 9.20 – Bezoek crèche/kinderdagverblijf (in % en modus) referentiesteekproef totale steekproef % n % 44.5 7876 45.6 modus % n 1.5 2 22.8 35.2 3379 3208 bezoek crèche/kinderdagverblijf aantal jaren aantal dagen per week modus 2 2 n 10497 % n 23.3 34.4 4603 4387 De vraag naar peuterspeelzaalbezoek luidde: ‘Is het kind voordat het naar school ging naar een peuterspeelzaal geweest?’, met als antwoordmogelijkheden ‘nee’ en ‘ja’. De vervolgvragen 107
  • 118. waren: ‘Zo ja, gedurende hoeveel jaar’ en ‘Hoeveel dagdelen (=ongeveer halve dag) was dat gemiddeld per week?’. In Tabel 9.21 staat allereerst het percentage ouders dat die vraag met ‘ja’ heeft beantwoord. Bij de vraag of het kind naar een peuterspeelzaal is geweest, liepen de antwoordcategorieën met betrekking tot de jaren van ‘½ of minder’ met stappen van telkens een half jaar tot ‘2 of meer’; de categorieën ten aanzien van de dagdelen liepen van ‘1’ met stappen van een dagdeel tot ‘5 of meer’. Tabel 9.21 – Bezoek peuterspeelzaal (in % en modus) referentiesteekproef totale steekproef % n % 74.5 7901 73.7 modus % n modus % n 1.5 2 55.7 80.0 5828 5823 1.5 2 52.4 72.6 7647 7638 bezoek peuterspeelzaal aantal jaren aantal dagen per week n 10529 De laatste vraag in deze reeks luidde: ‘Heeft het kind deelgenomen of neemt het nog deel aan een voor- of vroegschools programma voor ouders en kind?’ Hierop konden ze met ‘nee’ of ‘ja’ antwoorden. Vervolgens is gevraagd ‘Zo ja, welk programma is/was dat? Meerdere antwoorden mogelijk.’ Hierbij waren 12 programma’s voorgegeven. Als laatste is gevraagd: ‘Gedurende hoeveel jaren was dat in totaal?’ Bij deze laatste deelvraag varieerden de antwoordcategorieën van ‘½ of minder’ met stappen van ½ naar ‘4 of meer’. Tabel 9.22 geeft de reacties. Dat de n in het bovenste deel van de tabel lager is dan in het onderste deel, heeft te maken met de missings op deze vragen. Tabel 9.22 – Deelname kind-ouderprogramma’s (in % en modus) referentiesteekproef % totale steekproef n % n deelname programma’s 7.6 7881 11.3 10493 opstap boekenpret kaleidoscoop piramide overstap klimrek opstap opnieuw opstapje spel aan de wagen spel aan huis spel- en boekenplan anders 1.8 1.7 .3 2.5 .2 .0 .2 .5 .1 .3 1.0 .7 7968 4.0 1.9 .6 3.4 .3 .1 .3 .9 .2 .7 1.4 .7 10657 modus aantal jaren 108 1 % 28.4 n 511 modus 2 % n 27.0 1020
  • 119. Instroomleeftijd basisonderwijs (v21) Gevraagd is: ‘Hoe oud was het kind toen het voor het eerst naar school ging?’, waarbij het aantal jaren (4, 5 of 6) en maanden (0-11) diende te worden ingevuld. Bij de verwerking van deze gegevens bleek dat een fors deel van de ouders wel de jaren had ingevuld, maar niet de maanden (38.4% niet). We hebben daarom de instroomleeftijd vooralsnog alleen berekend op basis van de gegevens van leerlingen voor wie beide vragen waren beantwoord (hetgeen overigens voor het gemiddelde niets uitmaakt). Tabel 9.23 geeft een antwoord op deze vraag. Tabel 9.23 – Instroomleeftijd basisonderwijs (in % en gemiddelden) referentiesteekproef totale steekproef gem. n 4.1 leeftijd sd gem. .2 sd n 5234 4.1 .2 6475 Leesfrequentie ouders (v22) Drie subvragen handelen over het leesgedrag van de ouders. Ze geven een indicatie van het cultureel — of meer precies: linguïstisch — kapitaal van de ouders. Gevraagd is: ‘Hoeveel uur per week besteden u en uw partner in de vrije tijd ongeveer aan het lezen van boeken, kranten en tijdschriften? S.v.p. afronden op hele uren. Als u iets niet leest, kies dan 0 uur’. De antwoordmogelijkheden waren: 0 uur, 1 uur, 2 uur, 3 uur, 4 uur, 5 uur, 6 of meer uur. Tabel 9.24 bevat de gemiddelden. Ook bij deze tabel moeten we bedenken dat de hoogste categorie (6 uur of meer) eigenlijk breder is dan de andere categorieën, zodat het gemiddelde in principe iets vertekend zou kunnen zijn. Echter, gelet op de geringe aantallen in die categorie is de kans daarop minimaal. Bij het relatief grote aantal ontbrekende waarden bij met name de vaders dient bedacht te worden dat vanwege het aantal eenoudergezinnen een groot deel daarvan inhoudt: niet van toepassing. Tabel 9.24 – Leesfrequentie ouders (gemiddelden) referentiesteekproef moeder totale steekproef vader moeder vader gem. boeken kranten tijdschriften sd n gem. sd n gem. sd n gem. sd n 2.2 2.0 1.6 1.9 1.6 1.3 7680 7558 7510 1.3 2.5 1.5 1.7 1.7 1.4 7164 7299 7090 2.1 1.9 1.6 1.9 1.5 1.3 10226 9881 9812 1.3 2.4 1.5 1.7 1.7 1.4 9341 9475 9129 Cultuurparticipatie (v23) Er zijn vier deelvragen gesteld over cultuurparticipatie; deze vallen ook onder de noemer ‘cultureel kapitaal’. Het betreft de volgende: ‘Gaat u wel eens naar een concert, naar een bios109
  • 120. coop/filmhuis, naar toneel of ballet of naar een museum?’. Tabel 9.25 geeft de relatieve frequenties. Ook hier geldt dat een belangrijk deel van de ontbrekende waarden voor rekening komt van de eenoudergezinnen. Tabel 9.25 – Cultuurparticipatie (in %) referentiesteekproef totale steekproef concert bioscoop toneel museum concert bioscoop toneel museum moeder nooit 1-2 x per jaar 3-6 x per jaar vaker 45.8 47.3 5.9 1.1 27.0 46.8 21.0 5.2 61.8 30.9 6.1 1.1 49.9 40.8 7.6 1.8 50.3 43.1 5.4 1.1 29.8 44.5 20.0 5.8 65.7 27.7 5.5 1.1 52.3 39.2 6.7 1.7 n 7656 7639 7415 7477 10095 10065 9650 9792 vader nooit 1-2 x per jaar 3-6 x per jaar vaker 48.5 43.5 6.4 1.5 30.9 47.0 17.8 4.3 70.5 24.4 4.3 .9 51.7 39.5 7.1 1.7 52.5 39.9 6.0 1.5 33.1 44.7 17.2 5.0 73.4 21.8 3.9 .9 54.1 37.8 6.4 1.7 n 7265 7268 7051 7125 9442 9446 9061 9221 Vrijetijdsbesteding kind (v24) Aan de ouders is gevraagd: ‘Gaat uw kind wel eens naar een club of vereniging?’, met als antwoordmogelijkheden ‘nee’ en ‘ja’. En vervolgens: ‘Zo ja, wat voor club of vereniging? Meerdere antwoorden mogelijk’. Dit zou opgevat kunnen worden als een indicator voor sociale integratie van het kind. In Tabel 9.26 staan de antwoorden vermeld. Tabel 9.26 – Bezoek clubs, verenigingen, e.d. (in %) referentiesteekproef totale steekproef nee 36.7 39.9 ja, sportvereniging ja, muziek-, zangverenging, muziekschool ja, jeugd-, club- of buurthuis, wijkcentrum, creativiteitscentrum ja, club van kerk of moskee ja, dans-, balletschool ja, natuurclub, scouting, padvinderij 51.1 3.1 9.8 6.9 7.7 2.0 46.4 2.7 11.8 7.1 6.9 1.9 n 7968 10657 110
  • 121. Ouder-kindactiviteiten (v25, v26) Gevraagd is: ‘Hoe vaak komt het voor dat u uw kind meeneemt naar...’, waarbij vier mogelijkheden zijn voorgegeven, namelijk (a) dierentuin of kinderboerderij, (b) kermis of pretpark, (c) toneelvoorstelling, (d) museum. De antwoordcategorieën waren: (1) nooit, (2) één keer per jaar, (3) enkele keren per jaar, (4) iedere maand, (5) iedere week. Het betreft indicatoren van socialisatie in het gezin, namelijk het gezamenlijk ondernemen van leerzame uitstapjes. Tabel 9.27 geeft de verdelingen van de activiteiten buitenshuis. Tabel 9.27 – Gezamenlijke activiteiten buitenshuis (in %) referentiesteekproef dierentuin/ kermis/ k.boerderij pretpark totale steekproef toneel museum dierentuin/ kermis/ k.boerderij pretpark toneel museum nooit 1 x per jaar enkele x per jaar iedere maand iedere week 1.5 18.1 66.7 11.2 2.6 5.4 27.0 66.6 .9 .2 52.0 26.5 21.1 .3 .0 51.6 25.7 22.1 .5 .0 2.1 17.5 65.3 11.7 3.4 4.8 26.2 67.6 1.2 .2 55.4 24.7 19.5 .4 .0 54.3 24.5 20.6 .6 .0 n 7888 7889 7554 7591 10508 10483 9883 9965 Ook is gevraagd: ‘Hoe vaak komt het voor dat u met uw kind samen....’, waarna de volgende mogelijkheden volgden: (a) een puzzel maakt, (b) een denk- of geheugenspelletje doet, (c) speelt met constructiemateriaal, zoals blokken of Lego, (d) speelt met poppen, een winkeltje of speelgoedauto’s, (e) tekent of kleurt, (f) tv kijkt, (g) aan de computer speelt of werkt. De antwoordcategorieën waren: (1) nooit, (2) enkele keren per jaar, (3) enkele keren per maand, (4) enkele keren per week, (5) (bijna) iedere dag. Ook deze vraag kan worden opgevat als een indicator van socialisatie in het gezin. In Tabel 9.28 staan de resultaten van de activiteiten binnenshuis. 111
  • 122. Tabel 9.28 – Gezamenlijke activiteiten binnenshuis (in %) puzzel denkspelletje constr.materiaal poppen/ auto’s tekenen/ kleuren tv-kijken computer referentiesteekproef nooit enkele keren per jaar enkele keren per maand enkele keren per week (bijna) iedere dag 3.6 22.5 43.2 26.0 4.7 1.9 8.5 35.9 41.0 12.7 10.0 15.6 32.0 29.2 13.2 9.6 15.0 26.5 28.2 20.6 2.8 6.3 22.5 34.2 34.2 5.1 1.8 7.4 25.8 59.8 9.0 8.2 29.2 37.7 16.0 n 7758 7715 7793 7688 7851 7872 7832 totale steekproef nooit enkele keren per jaar enkele keren per maand enkele keren per week (bijna) iedere dag 4.0 21.1 41.8 27.1 5.9 2.8 8.4 35.2 40.4 13.2 10.8 14.8 31.0 29.4 14.0 9.4 13.7 25.1 28.7 23.1 3.0 5.8 21.3 33.6 36.4 4.3 1.6 6.6 23.9 63.6 10.0 7.4 26.9 37.0 18.6 10306 10186 10324 10202 10462 10488 10392 n TV-programma’s (v27, v28, v2) Afsluitend zijn nog enkele vragen gesteld over speciale programma’s voor jonge kinderen op de tv. ‘Op de tv zijn speciale programma’s voor jonge kinderen. Kunt u aangeven hoe vaak uw kind daar het afgelopen jaar naar heeft gekeken?’ Vervolgens waren vier vijf opties voorgegeven, met als antwoordcategorieën; (1) nooit, (2) soms, (3) vaak, (4) (bijna) altijd en (8) weet ik niet. In Tabel 9.29 staan de scores; de weet-niet optie is bij de missings gevoegd. Tabel 9.29 – TV-programma’s kijken (in %) Sesamstraat Klokhuis Jeugdjournaal Mijnheer Logeer Z@ppflat referentiesteekproef nooit soms vaak (bijna) altijd 12.9 35.9 29.3 21.8 22.8 40.5 23.2 13.5 27.2 41.8 18.3 12.7 71.5 19.7 6.8 2.1 65.6 16.9 9.7 7.8 n 7865 7655 7665 6928 7427 totale steekproef nooit soms vaak (bijna) altijd 12.0 36.4 28.7 22.8 22.4 40.1 23.1 14.4 27.3 41.7 18.0 13.0 70.0 20.7 6.6 2.6 63.5 17.9 9.8 8.8 10472 10125 10094 9026 9700 n 112
  • 123. Vervolgens werd gevraagd: ‘Hebben u of uw partner het afgelopen jaar wel eens samen met uw kind naar deze tv-programma’s gekeken? Als uw kind niet naar het programma kijkt, kiest u ‘n.v.t.’ Hier waren dezelfde mogelijkheden voorgegeven. Tabel 9.30 geeft de reacties; hier is de n.v.t.-categorie bij de missings gevoegd. Tabel 9.30 – Samen TV-programma’s kijken (in %) Sesamstraat Klokhuis Jeugdjournaal Mijnheer Logeer Z@ppflat referentiesteekproef nooit soms vaak (bijna) altijd 9.1 46.9 26.9 17.1 13.2 46.6 24.5 15.8 14.8 44.0 22.0 19.2 67.2 24.5 5.3 2.9 57.4 27.4 8.7 6.6 n 7042 6655 6478 4678 5156 totale steekproef nooit soms vaak (bijna) altijd 9.1 46.5 26.6 17.8 14.1 46.0 24.1 15.9 16.0 43.5 21.7 18.9 66.1 25.1 5.3 3.4 55.5 27.7 9.3 7.5 n 9428 8865 8611 6303 6975 Ten slotte zijn nog enkele vervolgvragen gesteld aan ouders waarvan de kinderen naar Mijnheer Logeer of Z@ppflat kijken. Eerst: ‘Heeft u gebruik gemaakt van de materialen bij Mijnheer Logeer, zoals de logeerkoffer met de voorleestips voor ouders?’ Op deze vraag antwoordde 9.4% van de ouders uit de referentiesteekproef (n=2832) ‘ja’; in de totale steekproef ging het om 11.0% (n=3933). Vervolgens: ‘Heeft u gebruik gemaakt van de materialen bij Z@ppflat, zoals de deurposter of de oudertips voor het voeren gesprekken met uw kind?’ In de referentiesteekproef antwoordde 9.2% van de ouders (n=2935) ‘ja’, in de totale steekproef betrof het 11.7% (n=4084). Als laatste: ‘Heeft u een ouderavond hierover gehad die georganiseerd werd door de peuterspeelzaal of de basisschool?’ In de referentiesteekproef antwoordde 5.7% (n=2986) ‘ja’, in de totale steekproef 9.3% (n=4148). 113
  • 124. 114
  • 125. Literatuur Bergen, J. van (1987). Verantwoording constructie toetsen voor de evaluatie van het Onderwijsvoorrangsbeleid. Arnhem: Cito. Driessen, G., & Haanstra, F. (1996a). De oudervragenlijst basisonderwijs en speciaal onderwijs. Technische rapportage PRIMA-cohortonderzoek 1994/95. Amsterdam/Nijmegen: SCO/ITS. Driessen, G., & Haanstra, F. (1996b). Achtergrondkenmerken van leerlingen in het primair onderwijs. Beschrijvende rapportage op basis van het PRIMA-cohortonderzoek 1994/95. Ubbergen: Tandem Felix. Driessen, G., Langen, A. van, & Oudenhoven, D. (1994). De toetsen voor het cohort primair Onderwijs. Verantwoording. Nijmegen: ITS. Driessen, G., Langen, A. van, Portengen, R., & Vierke, H. (1998). Basisonderwijs: Veldwerkverslag, leerlinggegevens en oudervragenlijsten. Basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek. Tweede meting 1996-1997. Nijmegen: ITS. Driessen, G., Langen, A. van, & Vierke, H. (2000). Basisonderwijs: Veldwerkverslag, leerlinggegevens en oudervragenlijsten. Basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek. Derde meting 1998/99. Nijmegen: ITS. Driessen, G., Langen, A. van, & Vierke, H. (2002). Basisonderwijs: Veldwerkverslag, leerlinggegevens en oudervragenlijsten. Basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek. Vierde meting 2000/01. Nijmegen: ITS. Driessen, G., Langen, A. van, & Vierke, H. (2004). Basisonderwijs: Veldwerkverslag, leerlinggegevens en oudervragenlijsten. Basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek. Vijfde meting 2002/03. Nijmegen: ITS. Jungbluth, P., Langen, A. van, Peetsma, T., & Vierke, H. (1996). Leerlinggegevens basisonderwijs en speciaal onderwijs. Technische rapportage PRIMA-cohortonderzoek 1994/95. Amsterdam/Nijmegen: SCO/ITS. Jungbluth, P., Roede, E., & Roeleveld, J. (2001). Validering van het PRIMA-leerlingprofiel. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut. Kamphuis, F., Mulder, L., Vierke, H., Overmaat, M., & Koopman, P. (1998). De relatie tussen PRIMA-toetsen en toetsen uit het Cito-Leerlingvolgsysteem. Nijmegen: ITS. Kuyk, J. van (1992). Ordenen. Handleiding. Arnhem: Cito. Langen, A. van, Vierke, H., & Robijns, M. (1996). Veldwerkverslag basisonderwijs en speciaal onderwijs. Technische rapportage PRIMA-cohortonderzoek 1994/95. Amsterdam/Nijmegen: SCO/ITS. Verhelst, N. (1992). Het eenparameter logistische model. Een theoretische inleiding en een handleiding bij het computerprogramma. Arnhem: Cito. 115
  • 126. Vierke, H. (1995). De PRIMA-toetsen gekalibreerd. De ontwikkeling van vaardigheidsscores over de leerjaren heen op basis van de jaargroeptoetsen in het cohort primair onderwijs (PRIMA). Nijmegen: ITS. 116