Your SlideShare is downloading. ×
Frederik Smit e.a. (2012). Beter presteren. School en ouders samen. Onderzoek functioneren relatie ouders en school in Rotterdam
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

Frederik Smit e.a. (2012). Beter presteren. School en ouders samen. Onderzoek functioneren relatie ouders en school in Rotterdam

426
views

Published on

Onderzoek functioneren relatie ouders en school in Rotterdam …

Onderzoek functioneren relatie ouders en school in Rotterdam
Op verzoek van Beter Presteren, het samenwerkingsprogramma van Rotterdamse schoolbesturen en de gemeente, heeft het ITS een onderzoek uitgevoerd naar het functioneren van het ouderbeleid op Rotterdamse scholen. Het onderzoek richtte zich onder meer op onderwijsondersteunend gedrag van ouders en educatief partnerschap tussen ouders en school in een multiculturele grootstedelijke context en de ‘landing' van de Rotterdamse aanpak op scholen. Steeds meer scholen in Rotterdam lukt het ouders actief te betrekken bij de schoolcarrière van hun kind. Een derde van de schoolleiders in het primair onderwijs ziet nu al, ruim anderhalf jaar na de start van het programma Beter Presteren, dat het Rotterdams ouderbeleid tot hogere onderwijs-resultaten leidt. Opvallend is dat in Rotterdam verreweg de meeste ouders en schoolleiders aangeven dat er kennismakingsgesprekken zijn. Dit is landelijk niet altijd het geval. Ook springt in het oog dat in het primair onderwijs Rotterdamse ouders vaker wekelijks tot dagelijks op de school van hun kind komen (exclusief halen en brengen) en vaker praten met de leraar over het onderwijs en over de ontwikkeling van hun kind dan in de rest van het land. In Rotterdam is ook vaker een ouderkamer aanwezig en is er vaker een vast (ouder)contactpersoon aangesteld.
Onderzoeksrapport: Smit, F., Wester, M., & Kuijk, J. van (2012). Beter presteren in Rotterdam. School en ouders samen. ITS, Radboud Universiteit Nijmegen. Zie: Beter presteren in Rotterdam. School en ouders samen.

Published in: Education

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
426
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
3
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. Het ITS maakt deel uit van de Radboud Universiteit NijmegenBeter presteren inRotterdamSchool en ouders samenFrederik Smit | Menno Wester | Jos van Kuijk
  • 2. Beter presteren in RotterdamSchool en ouders samenFrederik Smit | Menno Wester | Jos van Kuijknovember 2012ITS, Radboud Universiteit Nijmegen
  • 3. Foto omslag: Nationale Beeldbank.Projectnummer: 34001226Opdrachtgever: Beter Presteren Rotterdam 2012 ITS, Radboud Universiteit NijmegenBehoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uit gaveworden verveelvuldigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, micro film of op welkeandere wijze dan ook, en evenmin in een retrieval systeem worden opgeslagen, zonder de voorafgaandeschriftelijke toestemming van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen.No part of this book/publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any othermeans without written permission from the publisher.ii
  • 4. VoorwoordHet programmabureau Beter Presteren van de gemeente Rotterdam en de Rotterda m-se schoolbesturen heeft het ITS, Radboud Universiteit Nijmegen, opdracht verleendom een literatuurstudie uit te voeren naar ouderbetrokkenheid en ervaringen te inven-tariseren met ouderbetrokkenheid bij directies en ouders in Rotterdam en in de restvan Nederland.Voorliggend rapport is het resultaat hiervan. De literatuurstudie was gefocust op deonderzoeksbevindingen in de afgelopen twee decennia wat betreft de relatie ouders enschool in West-Europa, Canada en de Verenigde Staten. Bij 1.172 personen (579directies en 593 ouders in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs ) is informatieverzameld over hun ervaringen met het stimuleren van de betrokkenheid van oudersbij het onderwijs van hun kinderen, hun oordeel over de kwaliteit van de relatie ou-ders en school, de relatie tussen ouderbetrokkenheid en hogere onderwijsresultaten enwat er verbeterd kan worden in de Rotterdamse aanpak.Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd door Frederik Smit, Menno Wester en Josvan Kuijk van het ITS. Het onderzoek is op constructieve wijze begeleid door Anne t-te Diender en Annemieke van der Kooij (Programmabureau Beter Presteren) en EddieMeijer (Cluster Maatschappelijke Ontwikkeling, gemeente Rotterdam).ITS, Radboud Universiteit NijmegenNijmegen, november 2012dr. J.W. Winkelsdirecteur iii
  • 5. InhoudVoorwoord iii1 Samenvatting en conclusies 1 1.1 Inleiding 1 1.2 Aanleiding, onderzoeksvraag, -opzet en -uitvoering 1 1.3 Resultaten 2 1.4 Conclusies en aanbevelingen 72 Achtergronden 15 2.1 Inleiding 15 2.2 Aanleiding en doel van het onderzoek 15 2.3 Analysekader 18 2.3.1 Begrippen 18 2.3.2 Positie van ouders 21 2.3.3 Strategische begrippen binnen programma Beter Presteren 24 2.3.4 Rotterdamse actieplan optimaliseren ouderbetrokkenheid en verhogen onderwijsresultaten 29 2.4 Samenvattend 303 Onderzoeksopzet 33 3.1 Inleiding 33 3.2 Aanleiding en doel van het onderzoek 33 3.3 Centrale vraagstelling 33 3.4 Onderzoeksopzet en /uitvoering 35 3.4.1 Literatuurstudie 35 3.4.2 Survey onder schoolleiders en ouders 36 3.5 Verdere opbouw van het rapport 414 Succesfactoren optimaliseren relatie ouders -school en verbeteren onderwijsprestaties 43 4.1 Inleiding 43 4.2 Voorwaarden optimaliseren partnerschap relatie ouders-school en verbeteren onderwijsprestaties 43 v
  • 6. 4.3 Kritische succesfactoren optimaliseren relatie ouders-school en verbeteren onderwijsprestaties 46 4.4 Samenvattend 505 Resultaten surveys 53 5.1 Inleiding 53 5.2 Kennismaking bij aanmelding 53 5.3 Frequentie van contacten tussen ouders en school 54 5.4 Opvattingen over ouder-school contacten 59 5.5 Ondersteuning van ouders bij onderwijs van hun kind 64 5.6 Mogelijkheden tot contact 65 5.7 De inhoud van het contact 67 5.8 Invloed ouderbetrokkenheid 68 5.9 Samenvattend 696 Oordeel over relatie ouders en school 71 6.1 Inleiding 71 6.2 Beoordeling contacten tussen ouders en scholen 71 6.3 Leren en geïnspireerd raken 73 6.4 Effecten aanpak programma Beter Presteren 74 6.5 Wat kan verbeterd worden in de Rotterdamse aanpak? 75 6.6 Samenvattend 76Bijlage tabellen 79Bijlage Menukaart Programma Beter Presteren 102Bijlage Geraadpleegde literatuur 105vi
  • 7. 1 Samenvatting en conclusies1.1 InleidingIn dit hoofdstuk worden de belangrijkste resultaten samengevat. We beginnen met deaanleiding, onderzoeksvraag, -opzet en -uitvoering (paragraaf 1.2). In paragraaf 1.3vatten we de resultaten samen. In paragraaf 1.4 worden enkele conclusies getrokken.1.2 Aanleiding, onderzoeksvraag, -opzet en -uitvoeringOp verzoek van Beter Presteren heeft het ITS een onderzoek uitgevoerd naar hetfunctioneren van het Rotterdams beleid wat betreft de relatie ouders en school. Hetonderzoek was gericht op onderwijsondersteunend gedrag van ouders en educatiefpartnerschap tussen ouders en school in een multiculturele grootstedelijke context ,de ‘landing’ van de Rotterdamse aanpak op scholen, de verschillen zijn tussen Rot-terdamse scholen en de rest van de Nederlandse scholen wat betreft het stimulerenvan de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs, de beoordeling van de kwaliteitvan de relatie ouders en school, de relatie met hogere onderwijsresultaten en wense-lijke verbeteringen.Het onderzoek startte eind mei en is eind september 2012 afgesloten.De onderzoeksopzet omvatte een literatuurstudie en een schriftelijke enquête onderdirecties en ouders (bao, vo) over aspecten van het onderwijsbeleid. In totaal hebben1.172 personen de vragenlijst afgemaakt. 1
  • 8. 1.3 ResultatenPer onderzoeksvraag worden de belangrijkste uitkomsten weergegeven.Onderzoeksvraag 1: Wanneer leidt beleid om onderwijsondersteunend gedrag van oudersen educatief partnerschap tussen ouders en school te optimaliseren, in een multiculturelegrootstedelijke context tot aantoonbaar hogere onderwijsresultaten; wat zijn de succesfacto-ren?Ouderbetrokkenheid wordt wel beschouwd als een van de belangrijke componentendan wel kenmerken van effectieve scholen. De resultaten van onderzoeken naar hetverband tussen ouderbetrokkenheid en leerprestaties zijn (veelal) positief in het basis-onderwijs en voortgezet onderwijs in een multiculturele grootstedelijke context. In destrategie van scholen om samen met ouders de onderwijsresultaten te verhogen, spe-len de visie op ouderbetrokkenheid, het creëren van draagvlak voor een geïntegreerdeplanmatige aanpak en maatwerk een belangrijke rol.Kritische succesfactoren voor hogere onderwijsresultaten zijn: onderwijsondersteu-nend gedrag van ouders thuis, de ouder als rolmodel, de communicatie met de school,het kind ondersteunen bij het maken van studiekeuzes en het bediscussiëren van ade-quate leerstrategieën en het versterken van onderlinge oudercontacten bij opvoedingen onderwijs.Naast een partnerschapsstructuur, -cultuur, -bereidheid en -vaardigheid van hetschoolteam zijn een goede voorbereiding, informatievoorziening aan ouders en sup-port van schoolteam en ouders de ´driving forces´ ter verbetering van de partner-schapsrelaties tussen ouders en school.Onderzoeksvraag 2: Landt de Rotterdamse aanpak op scholen?De basisingrediënten van de Rotterdamse aanpak voor het optimaliseren van de ou-derbetrokkenheid en verhogen van onderwijsprestaties in het programma Beter Pres-teren zijn: educatief partnerschap en onderwijsondersteunend gedrag van oudersthuis. In de Rotterdamse aanpak wordt expliciet aandacht besteed aan intakegesprek-ken/startgesprekken en de rol van ouders bij de keuze van een school en wisselmo-menten in de schoolloopbaan van hun kinderen.Ongeveer de helft van de Rotterdamse schoolleiders stelt dat leraren in het bao en hetvo zijn geïnspireerd door de aanpak in het programma Beter Presteren om meer aan-2
  • 9. dacht te besteden aan contacten met ouders. Ongeveer een tiende is niet geïnspireerddoor het programma en een derde heeft er geen mening over. Dit betekent dat onge-veer de helft van de scholen naar aanleiding van Beter Presteren daadwerkelijk aan deslag is gegaan om de oudercontacten te verbeteren.In Rotterdam geven verreweg de meeste ouders en schoolleiders aan dat er kennisma-kingsgesprekken worden gehouden. Drie kwart van de ouders in het bao en de helftvan de ouders in het vo stelt dat leraren hen stimuleren dat ze betrokken zijn bij hetonderwijs van hun kind. Bijna de helft van ouders in het bao en een kwart van deouders in het vo overlegt met de leraren om hun kinderen thuis te ondersteunen. Ruimtwee derde van ouders in het bao helpt hun kinderen met huiswerk en een derde vanouders in het vo. Volgens de schoolleiders geeft bijna twee derde van de leraren in hetbao en ruim de helft van de leraren in het vo vaak leerstof/oefenstof mee. Volgens deRotterdamse schoolleiders ondersteunt ruim twee vijfde van de leraren in het bao eneen derde van de leraren in het vo de ouders hoe zij thuis hun kind kunnen helpen metonderwijs.Onderzoeksvraag 3: In welke mate zijn er verschillen tussen Rotterdamse scholenen de rest van Nederlandse scholen wat betreft het stimuleren van de betrokkenheidvan ouders bij het onderwijs van hun kinderen?Er zijn verschillen in de manieren van communiceren tussen Rotterdamse scholen ende rest van Nederlandse scholen.In Rotterdam geven verreweg de meeste ouders en schoolleiders aan dat er kennisma-kingsgesprekken zijn. Dit is landelijk niet altijd het geval, bijna een tiende van deouders in het bao en ruim een kwart van de ouders met een kind in het voortgezetonderwijs geeft aan dat er geen kennismakingsgesprek plaats vindt.Volgens Rotterdamse schoolleiders gaan leraren in het bao vaker op huisbezoek danhun collega’s in de rest van Nederland. Rotterdamse ouders met kinderen in het baokomen vaker wekelijks tot dagelijks op de school van hun kind (exclusief halen enbrengen) en praten vaker met de leraar over het onderwijs en over de ontwikkelingvan hun kind dan in de rest van het land. Er is ook vaker een ouderkamer aanwezig ener is vaker een vast (ouder) contactpersoon aangesteld.In het vo komen huisbezoeken bijna niet voor. Als de kinderen in het voortgezetonderwijs zitten, bezoeken de Rotterdamse ouders minder frequent de scholen.Ongeveer 79 procent bezoekt de school één keer per half jaar tot drie maanden. 3
  • 10. Landelijk bezoekt bijna een vijfde van de ouders de school maandelijks of vaker. InRotterdam is dit aandeel veel kleiner (rond 4 procent).Rotterdamse ouders met kinderen in het bao hebben vaker overleg met de school omhun kinderen thuis te ondersteunen en met huiswerk te helpen dan in de rest van hetland. Volgens de Rotterdamse schoolleiders in het bao geven leraren vaker leer-stof/oefenstof mee en ondersteunen ouders vaker hoe zij thuis hun kind kunnen he l-pen met onderwijs dan in de rest van het land.Rotterdamse ouders zijn iets positiever over de contacten met school dan ouders uitde rest van het land. Rotterdamse ouders (zowel bao als vo) vinden bovendien vakerdan schoolleiders dat leraren hen stimuleren om bij het onderwijs van hun kind be-trokken te zijn.Onderzoeksvraag 4: Hoe is het oordeel over de kwaliteit van de relatie ouders enschool?Volgens bijna alle schoolleiders in het bao en het vo in Rotterdam en de rest vanNederland zijn ouders welkom op school. In het bao voelen Rotterdamse ouders enouders in de rest van Nederland zich ook geaccepteerd op school. In het vo voelt eenkwart van de ouders in Rotterdam en een kwart van de ouders in de rest van Nede r-land zich echter niet welkom op school.Een meerderheid van de ouders en een ruime meerderheid van de schoolleiders in hetbao in Rotterdam en de rest van Nederland zeggen dat leraren en ouders in de contac-ten rekening houden met elkaars ideeën over de ontwikkeling van de kinderen. Dit is(iets) minder in het vo.Zeer weinig leraren houden volgens schoolleiders in het bao en het vo in Rotterdamen in de rest van Nederland rekening met de ideeën van ouders over onderwijs. Enomgekeerd houden weinig ouders in het bao en het vo in Rotterdam en in de rest vanNederland rekening met de ideeën van de leraren over de opvoeding van hun kind.Over het algemeen geven de Rotterdamse ouders met kinderen in het bao een (iets)hogere beoordeling voor de contacten met de school van hun kind (7,8), de inbrengvan de school in het contact (7,4) en de eigen inbreng in het contact (7,9) dan oudersin de rest van Nederland, respectievelijk: 7,0; 6,3 en 7,4. De Rotterdamse schoollei-ders beoordelen de contacten iets lager dan de Rotterdamse ouders. Over de hele linieworden de contacten tussen ouders en school in het vo door ouders en door schoollei-ders in Rotterdam en in de rest van Nederland (iets) lager beoordeeld.4
  • 11. De overgrote meerderheid van de schoolleiders typeert de contacten van de school ende inbreng van de leraren als voldoende tot goed. Iets meer dan helft van de school-leiders oordeelt ook positief over de inbreng van ouders in het contact. De schoolle i-ders in het bao in Rotterdam beoordelen de inbreng van ouders in het contact lagerdan landelijk. En in het vo liggen de beoordelingen van schoolleiders in Rotterdam enlandelijk dicht bij elkaar.Onderzoeksvraag 5: Leidt het Rotterdamse onderwijsbeleid ten aanzien van ouder-betrokkenheid tot hogere onderwijsresultaten?De schoolbesturen en de gemeente Rotterdam hebben met elkaar besloten dat hetRotterdams Onderwijsbeleid zich in de periode 2011-2014 richt op verhoging van deonderwijsresultaten. De focus ligt op taal en rekenen; vakken die de basis vormenvoor de ontwikkeling van ieder kind. Daarnaast is afgesproken dat op scholen, binnenschoolbesturen, binnen de gemeente én onderling nog resultaatgerichter wordt ge-werkt.Rond een derde (32%) van de Rotterdamse schoolleiders in het bao en 15 procent vande schoolleiders in het vo stelt dat het project Ouderbetrokkenheid van het program-ma Beter Presteren nu al heeft geleid tot aantoonbaar hogere onderwijsresultaten vankinderen. Meer dan de helft (57%) van de schoolleiders in het bao en drie kwart(75%) van de schoolleiders in het vo geeft aan (nog) geen mening te hebben over hetbeleid. Ruim een tiende (13%) van de schoolleiders in het bao en 10 procent van deschoolleiders in het vo gelooft niet in de effectiviteit van het progamma.Onderzoeksvraag 6: Wat kan verbeterd worden in de Rotterdamse aanpak ?De doelstelling van het project Ouderbetrokkenheid van het programma Beter Preste-ren is dat elke Rotterdamse school een aantoonbare vooruitgang boekt op het gebiedvan de ondersteuning van het leerproces door ouders: meer ouders effectief onder-wijsondersteunend gedrag vertonen; meer ouders zijn actief betrokken bij de school-loopbaankeuzes van hun kinderen en er is (een effectievere) afstemming tussen deouders en de school om de onderwijsresultaten van de kinderen te bevorderen.Een belangrijke voorwaarde voor partnerschap ouders-school is goede communicatie.Volgens ouders met kinderen op Rotterdamse scholen in het bao verloopt de commu-nicatie met het schoolteam niet altijd vlekkeloos. Men ervaart als knelpunten datdirecties en leerkrachten telefonisch en via de mail niet altijd bereikbaar zijn. Daa r-naast noemt men de slechte kwaliteit van de communicatie (onduidelijke brieven, 5
  • 12. geen of late reacties op mails; geen terugkoppeling na ‘incidenten’, geen initiatievennemen om contact te zoeken).Ouders zien als oplossingen voor de communicatieproblemen: een d irectiespreekuur,alle leerkrachten een e-mailadres, dat de school meer rekening houdt met werkendeouders en meer huisbezoeken aflegt om contact te houden.Volgens de directies van Rotterdamse scholen in het bao beseffen ouders niet altijddat hun onderwijsondersteunend gedrag van invloed is op de leerprestaties. Daarbijbeschikken ouders niet altijd over de juiste attitude (geen gedeelde verantwoordelijk-heid voor onderwijs, niet nakomen van afspraken) en vaardigheden (analfabetisme,niet beheersen van de Nederlandse taal, ouders begrijpen vaak de opdrachten voor deleerlingondersteuning thuis niet, geen overwicht op het kind) en hebben geen tijd omzich thuis met school bezig te houden (eenoudergezinnen). Directies zien als oplos-singen voor de gesignaleerde problemen: meer ruimte op scholen voor ouderconsu-lenten, meer groepsbijeenkomsten met ouders over dit thema, meer samenwerkingmet andere onderwijsinstellingen en ouders meer betrekken bij het schoolbeleid.Klachten va n directies van Rotterdamse scholen over het functioneren van het educa-tief partnerschap met ouders zijn: de lage opkomst bij ouderavonden, de communica-tie hierover verloopt moeizaam en ouders voelen zich niet medeverantwoordelijkvoor het inleveren van het huiswerk, het is lastig om met hen afspraken te maken enze houden zich er niet altijd aan. Directies zien als oplossingen voor het matig functi-oneren van educatief partnerschap: bij de intake beter aangeven wat de verwachtingenzijn, ouders beter informeren (via ouderavonden, de ouderka mer), ouders in de klaslaten kijken, vaker samen met ouders over dit onderwerp van gedachten wisselen, deontwikkeling van de ouderbetrokkenheid jaarlijks op de agenda zetten en doelenstellen waaraan de school moet werken.De bevindingen uit de literatuurstudie ondersteunen de Rotterdamse aanpak, metfocus op individuele contacten, het creëren van partnerschapsrelaties tussen ouders enschool en het stimuleren van onderwijsondersteunend gedrag van ouders. Op basisvan de resultaten van de literatuursearch zou voor het verkrijgen van meer draagvlakvoor de Rotterdamse aanpak onder ouders (meer) aandacht kunnen worden besteedaan het belang van de ouder als rolmodel, de ouder als lid van ‘ouder-ouderverbanden’, de vrijwilligershulp van ouders op school/de buurt en het betrekkenvan ouders bij de besluitvorming op school over de Rotterdamse aanpak. Kortommeer aandacht voor ouder-ouder contacten. In samenspraak met de ouders zou kun-nen worden bekeken hoe in een breder verband op een eigen manier inhoud en bete-kenis te geven aan principes als wederkerigheid, gedeelde verantwoordelijkheid,vertrouwen, sociale binding en sociale controle bij de opvoeding en het onderwijs aande kinderen.6
  • 13. 1.4 Conclusies en aanbevelingenConclusies Rotterdamse aanpak partnerschap ouders en schoolPartnerschapsstructuur1. De literatuurstudie laat zien dat ouders en school een belangrijk onderdeel van een netwerk vormen, een pedagogische infrastructuur, dat rond de leerlingen is gesponnen. De Onderwijsraad (2010) onderscheidt drie posities van ouders: de individuele rechthebbende positie, de positie als schoolpartner en de positie als lid van ouder-ouderverbanden.2. Het Rotterdamse perspectief op partnerschap van ouders en school is gericht op de positie van de ouder als schoolpartner ten behoeve van het onderwijsonder- steunend gedrag thuis.3. Bij het onderwijsondersteunend gedrag van ouders gaat het volgens het Projec t- plan van het project Ouderbetrokkenheid in essentie om het steunen, sturen, sti- muleren van het kind; communiceren met het kind over schoolgerelateerde zaken; hoge maar ook reële verwachtingen uitdragen ten aanzien van de onderwijsresu l- taten van het kind; een rijke leeromgeving creëren in de vrije tijd (ten behoeve van informeel leren); overleggen en afstemmen met de leerkracht/mentor over de ontwikkeling en onderwijsresultaten van het kind.4. De individuele rechthebbende positie van ouders, de positie van ouders als lid van ‘ouder-ouderverbanden’, de vrijwilligershulp van ouders op school, het betrekken van ouders bij de besluitvorming (over de boogde innovaties bij ouderbetrokken- heid) op school en de participatie van ouders in de samenwerking met de buurt als belangrijk onderdeel van een pedagogische infrastructuur vallen buiten het beeld van het project Ouderbetrokkenheid in het programma Beter Presteren.5. De producten van het Rotterdamse project Ouderbetrokkenheid zijn: discussies, informatie en adviezen over ouderbetrokkenheid, aanzet tot de aanpak van moe i- lijk bereikbare ouders en resultaatmeting van de verhoging van onderwijsresulta- ten.6. Uit de schriftelijke enquêtes onder directies en ouders (bao, vo) blijkt dat Rotter- damse scholen via het programma Beter Presteren nadrukkelijk hebben geïnves- teerd in het verbeteren van contacten tussen ouders en school en het vergroten van de ouderbetrokkenheid. Ouders zijn daardoor gestimuleerd zich in te zetten voor de schoolloopbaan van hun kind én de verantwoordelijkheid te nemen voor de ontwikkeling en opvoeding van hun kinderen. 7
  • 14. Partnerschapscultuur7. Volgens de literatuur is partnerscha p tussen ouders en school geen doel op zich, maar een middel om het gezamenlijke belang te dienen: optimale omstandigheden scheppen voor de ontwikkeling en het leren van kinderen. Onderlinge oudercon- tacten kunnen een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van de relatie tussen ouders en school.8. De invoering van een project als Ouderbetrokkenheid van het programma Beter Presteren vraagt om het doorbreken van traditionele structuren en vraagt ook vooral om te werken aan een andere schoolcultuur waarin accenten komen te lig- gen op een ‘veranderingsgerichte cultuur’ en ‘resultaatgerichte cultuur’.9. Volgens schoolleiders vertonen ouders niet altijd het verwachte en gewenste onderwijsondersteunend gedrag thuis door onwil en soms ook omdat men geen tijd heeft (eenoudergezinnen). Klachten van directies van Rotterdamse scholen (bao en vo) over het functioneren van het educatief partnerschap met ouders zijn: de lage opkomst bij ouderavonden, de communicatie over de leerlingonderste u- ning thuis moeizaam verloopt, ouders zich niet altijd medeverantwoordelijk voe- len voor het inleveren van het huiswerk en de verantwoordelijkheid voor het leren exclusief bij de school leggen. Het is volgens directeuren bovendien soms lastig om met ouders afspraken te maken en ouders houden zich niet altijd aan de ge- maakte afspraken.Partnerschapsbereidheid10. De literatuurstudie geeft aanwijzingen dat de contacten tussen school en ouders niet altijd verbeteren als leerkrachten hun verwachtingen in positieve zin bijstel- len in de mate waarin ouders bijdragen kunnen leveren aan de onderwijsresultaten van hun kinderen.11. Uit de schriftelijke enquêtes onder directies en ouders blijkt dat schoolleiders in het vo vaker dan ouders van mening zijn dat de leraren de ouderbetrokkenheid stimuleren. Ouders in het vo ervaren minder vaak dan schoolleiders dat leraren hen willen betrekken bij het onderwijs van hun kind.12. Bijna alle schoolleiders stellen dat ouders welkom zijn op school. In het bao voe- len Rotterdamse ouders en ouders in de rest van Nederland zic h ook geaccepteerd op school. In het vo zegt echter een kwart van de ouders in Rotterdam en een kwart van de ouders in de rest van Nederland zich niet welkom te voelen op school.8
  • 15. Partnerschapsvaardigheid13. De literatuurstudie toont aan dat voor een succesvolle relatie tussen ouders en school het belangrijk is dat schoolteams over diverse strategieën beschikken om met uiteenlopende soorten en groepen ouders om te gaan. Investeren in intercultu- rele vaardigheden van leerkrachten en in het openstaan voor een diversiteit aan vormen van ouderbetrokkenheid zijn essentieel voor het optimaliseren van de ou- derbetrokkenheid en het verhogen van onderwijsprestaties in het programma Be- ter Presteren.14. Uit de schriftelijke enquêtes onder directies en ouders blijkt dat volgens school- leiders ouders soms door onvermogen (zoals ongeletterdheid) het gewenste on- derwijsondersteunend gedrag thuis niet kunnen vertonen, omdat ze de opdrachten niet kunnen lezen.15. Een belangrijke voorwaarde voor (educatief) partnerschap van ouders en school is een goede communicatie. Ouders vinden het doorgaans belangrijk dat ze goed kunnen communiceren met de leerkrachten en dat scholen naar hen luisteren en hen serieus nemen. Zowel ouders en volgens schoolleider ook leraren ervaren bar- rières in hun contacten. Schoolteams bieden vaak een one size fits all-aanpak, omdat ze niet altijd over de vereiste vaardigheden beschikken om maatwerk te le- veren voor ouders met verschillende achtergronden.16. Meer dan 80 procent van de schoolleiders onderschrijft de stelling dat scholen van elkaar kunnen leren hoe ze een visie kunnen ontwikkelen op partnerschap van ou- ders en school, hoe ze afspraken met ouders kunnen maken en hoe ze de bereid- heid van het schoolteam kunnen vergroten om de samenwerking met ouders aan te gaan.Onderwijsresultaten17. De gemeente Rotterdam stimuleert scholen om hun onderwijsresultaten te opti- maliseren en de talenten van leerlingen maximaal te ontwikkelen. Uit de literatuur kunnen we opmaken dat ouderbetrokkenheid wel wordt beschouwd als een van de belangrijke componenten dan wel kenmerken van effectieve scholen. De resulta- ten van onderzoeken naar het verband tussen ouderbetrokkenheid en leerprestaties zijn (veelal) positief in het bao en het vo.18. Uit de schriftelijke enquêtes onder directies en ouders blijkt dat volgens een derde van de Rotterdamse schoolleiders in het bao en 15 procent van de schoolleiders in het vo het project Ouderbetrokkenheid van het programma Beter Presteren (nu al) heeft geleid tot aantoonbaar hogere onderwijsresultaten van leerlingen. Rond een tiende van de schoolleiders in het bao en het vo ziet geen effecten. Meer dan de 9
  • 16. helft van de schoolleiders in het bao en drie kwart van de schoolleiders in het vo heeft nog geen mening over de effecten van het gevoerde Rotterdamse beleid.Conclusies wat verbeterd kan worden in de Rotterdamse aanpakPartnerschapsstructuur1. Uit de literatuur weten we dat geïsoleerde, ad hoc activiteiten met betrekking tot de stimulering van samenwerkingsrelaties en verbeteren van leerprestaties door- gaans weinig succes opleveren. Het bevorderen van ouderbetrokkenheid gaat de hele schoolgemeenschap aan en kan daarom het beste uitgewerkt worden in een geïntegreerde planmatige aanpak, op basis van een behoefteanalyse en het vast- stellen van wederzijdse prioriteiten, waarbij aandacht is voor het creëren van draagvlak binnen het schoolteam..2. De literatuurstudie laat zien dat scholen waar een groot vertrouwen is tussen schoolteams en ouders (onderling), beter in staat zijn om de kwaliteit van hun on- derwijs te verbeteren en daarmee de leerprestaties van kinderen te verhogen. Het functioneren van educatief partnerschap kan op scholen worden geoptimaliseerd door bij de intake duidelijker aan te geven wat de verwachtingen zijn van de school, ouders beter te informeren (via ouderavonden, de ouderkamer), ouders in de klas te laten kijken, vaker samen met ouders over onderwijsondersteunend ge- drag van gedachten te wisselen, de ontwikkeling van de ouderbetrokkenheid jaar- lijks op de agenda te zetten en doelen te stellen waaraan de school samen met ou- ders moet werken.3. Er zou in het project Ouderbetrokkenheid van het programma Beter Presteren meer aandacht kunnen komen voor de individuele rechthebbende positie van ou- ders, omdat daar in de praktijk onduidelijkheden over zijn. Bij de kennismakings- en voortgangsgesprekken zouden schoolteams de belangrijkste rechten en plich- ten van ouders (zoals informatierecht, hoorrecht, recht op participatie in school- aangelegenheden, opvoedplicht, plicht zich te gedragen naar de normen van goed ouderschap) en de resultaatgerichte cultuur van de school (nadrukkelijker) aan de orde kunnen stellen in verband met het gewenste onderwijsondersteunend gedrag van ouders thuis.4. De literatuurstudie laat zien dat het versterken van onderlinge oudercontacten (‘ouder-ouderverbanden’), de sociale controle en het aanboren van sociaal kapi- taal (kennis, ervaring en netwerken) bij ouders positieve effecten heeft op de op- voeding en de onderwijsresultaten van kinderen. Er zou in het project Ouderbe- trokkenheid van het programma Beter Presteren meer aandacht kunnen worden besteed aan ‘ouder-ouderverbanden’ om de onderwijsresultaten te optimaliseren.10
  • 17. 5. Er zou in het project Ouderbetrokkenheid van het programma Beter Presteren (meer) aandacht kunnen komen voor de vrijwilligershulp van ouders op school, het betrekken van ouders bij de besluitvorming (over de boogde innovaties bij ou- derbetrokkenheid) op school en de participatie van ouders in de samenwerking met de buurt als belangrijk onderdeel van een pedagogische infrastructuur, om meer draagvlak te krijgen voor het optimaliseren van de ouderbetrokkenheid.6. De focus in het project Ouderbetrokkenheid van Beter Presteren zou op scholen waar ouders (na scholing) over de benodigde kennis en vaardigheden beschikken, kunnen worden verbreed naar inspraak en medezeggenschap van ouders. De Wet medezeggenschap op scholen biedt hiervoor genoeg mogelijkheden om maatwerk te leveren.7. Er is meer diepgang te geven aan de samenwerking tussen scholen en ouders door de ouders ook écht serieus te nemen en te laten zien dat zij, als rolmodel met hun ‘ouderkracht’ een bijdrage kunnen leveren aan de gewenste resultaatgerichte cu l- tuur van de school én de school als gemeenschap via onder andere het ‘partne r- schapsteam’, de ouderraad en de (g) mr.8. Oudercontactpersonen, -consulenten, ouderraden en ouders in inspraakorganen op schoolniveau en stedelijk niveau zouden met een zekere frequentie en met een minimum aan inspanning op een eigentijdse wijze via een digitaal ouderpanel uit- genodigd kunnen worden mee te denken over het programma Beter Presteren.Partnerschapscultuur9. De literatuurstudie laat zien dat ouders het doorgaans belangrijk vinden dat ze goed kunnen communiceren met de leraren en dat scholen naar hen luisteren en serieus nemen. Scholen die een ‘open-deur-beleid’ voeren en actief contact zoe- ken met ouders, kunnen helpen de drempel voor lager opgeleide ouders te verla- gen om te participeren.10. Schoolteams zouden eerst op schoolniveau dienen te onderzoeken hoe de ouders de contacten met de school ervaren alvorens beleid te ontwikkelen.11. Uit de literatuur blijkt een aanpak waarbij de school actief met lager opgeleide ouders contact zoekt en luistert naar hun specifieke vragen en behoeften waar- schijnlijk het meest succesvol is om hen bij het onderwijs te betrekken.12. Bij het ontwikkelen van beleid zouden scholen specifiek aandacht kunnen beste- den aan het vergroten van de contactmogelijkheden door eventueel op huisbezoek te gaan en vooral te luisteren naar signalen van ouders wat betreft specifieke vra- gen en behoeften om het contact te verbeteren, daar serieus op in te gaan en pro- beren maatwerk te leveren. 11
  • 18. 13. Leraren in het vo zouden naar ouders duidelijker moeten zijn dat zij welkom zijn op school en hen betrekken bij het onderwijs van hun kind, omdat ouders de sig- nalen van leraren niet altijd als zodanig opvatten.14. Leraren in het bao zouden naar ouders duidelijker kunnen zijn dat hun onderwijs- ondersteunend gedrag van invloed is op de leerprestaties van de kinderen , omdat dit voor ouders niet altijd helder is.15. Leraren zouden samen met ouders kunnen nagaan hoe op een eigen manier in- houd en betekenis te geven aan principes als wederkerigheid, gedeelde verant- woordelijkheid, vertrouwen, sociale binding en sociale controle bij de opvoeding en het onderwijs aan de kinderen.Partnerschapsbereidheid16. Uit de literatuurstudie blijkt dat een effectieve aanpak om de relatie ouders en school te optimaliseren bestaat uit het instellen van een actieteam (‘partnerschaps- team’) waarin leerkrachten, ouders en lid van de schoolleiding zitting hebben en dat de verantwoordelijkheid neemt voor de organisatie, implementatie en evalua- tie van vormen van ouderbetrokkenheid17. Voor een goede communicatie tussen ouders en school is het van belang om een directiespreekuur te hebben en telefoonnummers en e-mailadressen van teamle- den (met toestemming!) en van het partnerschapsteam op de website van de school, in de schoolkrant en/of op het prikbord te zetten. Daarnaast zou de school (meer) rekening kunnen houden met werkende ouders en (meer) huisbezoeken af- leggen om contact te houden.18. Schoolteams zouden kunnen investeren in het verbeteren van de kwaliteit van de communicatie met ouders door duidelijke brieven te versturen, te reageren op mails van ouders, terug te koppelen na ‘incidenten’ en initiatieven nemen om con- tact te zoeken.19. Bij het opstellen van schoolplannen om met lastig bereikbare groepen ouders (ongeletterde ouders en eenoudergezinnen) te communiceren, is maatwerk ge- wenst bij het inschakelen van ouderconsulenten, het organiseren van groepsbij- eenkomsten met ouders over onderwijsondersteunend gedrag, de samenwerking met andere onderwijs- en welzijnsinstellingen en het betrekken van ouders bij het schoolbeleid.Partnerschapsvaardigheid20. De literatuurstudie geeft aanwijzingen dat vooral een autoritatieve opvoedstijl van ouders (warmte bieden, grenzen stellen, gezaghebbend, maar niet autoritair optre- den) en het bekrachtigen van goed gedrag, bemoediging, voorbeeldgedrag en in-12
  • 19. structie bijdraagt aan schoolsucces. Scholen kunnen ouders die een autoritaire op- voedingsstijl hanteren en van hun kinderen strikte gehoorzaamheid en respect verwachten, in plaats van dat de opvoeding gericht is het ontwikkelen van auto- nomie en zelfvertrouwen wijzen op het volgen van een opvoedcursus.21. Uit de literatuurstudie weten we dat een professionele school een professionele leergemeenschap is die voortdurend de eigen praktijk onderzoekt om zo het on- derwijs aan de leerlingen te verbeteren. Werken aan verhoging van onderwijsre- sultaten vergt een professioneel klimaat op school. De professionalisering van le- raren is een belangrijke randvoorwaarde voor succesvolle onderwijsverbetering en past binnen een lerende organisatie.22. De literatuurstudie laat ook zien dat volgens een vijfde van de schoolleiders in het bao leerkrachten niet capabel zijn om ouders uit lagere sociale milieus te betrek- ken bij het onderwijs. Verschillen in opvattingen over professioneel onderwijs en de rol van de ‘ideale’ ouder liggen hieraan ten grondslag. Aanvullende training voor Rotterdamse schoolleiders en leraren ligt in de rede om hen toe te rusten met vaardigheden om de communicatie met lastig bereikbare ouders (eenoudergezin- nen en ongeletterde ouders) te optimaliseren.Onderwijsresultaten23. De focus in het project Ouderbetrokkenheid van het programma Beter Presteren zou er nadrukkelijker op gericht dienen te zijn om de schoolleiders in het bao en het vo, die nog geen mening hebben over de effecten van het beleid op de onder- wijsresultaten van leerlingen, van informatie te voorzien over welke rol educatief partnerschap en onderwijsondersteunend gedrag van ouders kan hebben voor de leerprestaties en hoe ze dat proces kunnen monitoren om te werken aan een schoolcultuur waarin accenten komen te liggen op een ‘veranderingsgerichte cul- tuur’ en ‘resultaatgerichte cultuur’. 13
  • 20. 2 Achtergronden2.1 InleidingIn dit rapport wordt het onderzoek beschreven naar het functioneren van het Rotte r-dams beleid wat betreft relatie ouders en school. Paragraaf 2.2 geeft een beschrijvingvan de aanleiding en het doel van het onderzoek. In paragraaf 2.3 wordt een globaalanalysekader geschetst. In paragraaf 2.4 vatten we het hoofdstuk beknopt samen.2.2 Aanleiding en doel van het onderzoekIn Nederland is het politieke streven om de kwaliteit van het bao en het vo te verbe-teren en tot de internationale top vijf te gaan behoren. In het overheidsbeleid is eentoenemende aandacht voor ouders als ‘educatieve partners’ van leraren om de bijdra-gen zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. Doelen zijn de leerprestaties en hetwelbevinden van de leerlingen te verbeteren en de leerlingen beter toe te rusten methet oog op hun schoolloopbaan. Mede om deze reden is de positie van ouders deafgelopen jaren versterkt door de introductie van de schoolgids, het klachtrecht, deaanpassing van de medezeggenschapsregelingen en het recht op opvang.Minister Van Bijsterveldt heeft op 29 november 2011 in een brief aan de voorzittervan de Tweede Kamer in navolging van de Onderwijsraad geadviseerd vooral teinvesteren in partnerschap tussen ouders en school. Het thema ouderbetrokkenheidgaat voor haar echter over meer dan dat. Het gaat ook over de ouders als opvoeder, deschool als gemeenschap en het gezag van de leraar.De Rotterdamse visie op onderwijs sluit nauw aan op die van het kabinet. In het Rot-terdams onderwijsbeleid 2011-2014 is in het programma ‘Beter Presteren’ doorschoolbesturen en gemeente Rotterdam de ambitie uitgesproken de onderwijsresulta-ten in Rotterdam dichterbij het landelijk gemiddelde te brengen. Met het programmaBeter Presteren investeert Rotterdam in meer leertijd, in de professionele school en in 15
  • 21. ouderbetrokkenheid om de talenten van kinderen en jongeren ten volle te kunnenbenutten (Diender, 2012). 1Multiculturele, grootstedelijk contextIn Rotterdam wonen 600.000 inwoners. Rotterdam kent een waaier aan bijna 180nationaliteiten; twee derde van de jeugd groeit op in families die oorspronkelijk nietuit Nederland komen. Hoewel in Rotterdam veel tweede- en derde generatie immi-granten wonen, wordt vaak thuis niet of nauwelijks Nederlands gesproken. Eén op dedrie leerlingen groeit op in een gezin met laagopgeleide ouders. Deze jongeren str o-men beperkt door naar hogere vormen van onderwijs en lang niet allemaal halen zijeen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. (Ee n startkwalificatie is een havo of vwo-diploma of een mbo-diploma vanaf niveau 2). Zo blijven talenten onbenut. Dat heeftconsequenties voor jongeren en voor de stad als geheel. De bevolkingssamenstellingvan de stad vormt een bijzondere uitdaging voor het onderwijs. 2Verhoging onderwijsresultatenDe schoolbesturen en de gemeente hebben met elkaar besloten dat het RotterdamsOnderwijsbeleid zich in de periode 2011-2014 richt op verhoging van de onderwijsre-sultaten. De focus ligt op taal en rekenen; vakken die de basis vormen voor de ont-wikkeling van ieder kind. Daarnaast is afgesproken dat op scholen, binnen schoolbe-sturen, binnen de gemeente én onderling nog resultaatgerichter wordt gewerkt.Uitgangspunten Rotterdams OnderwijsbeleidHet Rotterdams Onderwijsbeleid 2011-2014 is gebaseerd op de volgende uitgangs-punten: Goed onderwijs is cruciaal voor talentontwikkeling. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen en tegelijk wordt focus aangebracht op de basisvaardigheden taal en rekenen. De school is de eenheid van verandering. Verhoging van de onderwijsresultaten gebeurt op school, binnen de vier muren van het klaslokaal. Het schoolbestuur en de school zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. De gemeente faciliteert en ondersteunt waar nodig om de resultaten te verhogen.1 De gemeente stelt, onder voorwaarden subsidie beschikbaar voor schoolbesturen, welzijnsinstellin- gen en onderwijsondersteunende instellingen, die het onderwijs moeten steunen in het realiseren van deze ambitie. Subsidie wordt verstrekt voor het behalen van resultaten van schoolbesturen, welzijn s- instellingen en onderwijs ondersteunende instellingen voor zover de aanvraag betrekking heeft op een school of instelling binnen de grenzen van de gemeente Rotterdam. Beleidsregel Onderwijs Rot- terdam 2011-2012 Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op 8 februari 2011.2 Programma Beter Presteren, Rotterdams Onderwijsbeleid 2011/2014, deel 1.16
  • 22. Het resultaat telt. Schoolbesturen, scholen, leraren en de gemeente werken resul-taatgericht. Er worden concrete doelen afgesproken met zeggingskracht op schoo l-niveau. Alle scholen zetten de komende jaren een stap omhoog.Het Rotterdamse programma Beter Presteren werkt als een lerende organisatie enwordt ondersteund door een klein programmabureau.Rijksbeleid en gemeentelijk beleid versterken elkaar . 17
  • 23. Doelstelling project OuderbetrokkenheidOuderbetrokkenheid is één van de projecten die deel uitmaken van het programmaBeter Presteren. De doelstelling van het project is dat elke Rotterdamse school eenaantoonbare vooruitgang boekt op het gebied van de ondersteuning van het leerprocesdoor ouders:3 meer ouders vertonen effectief onderwijsondersteunend gedrag; meer ouders zijn actief betrokken bij de schoolloopbaankeuzes van hun kinderen; er is (een effectievere) afstemming tussen de ouders en de school om de onderwijs- resultaten van de kinderen te bevorderen.Om inzichtelijk te maken hoe scholen kunnen werken aan ouderbetrokkenheid vol-gens de Rotterdamse koers is in het programma Beter Presteren voor ouderbetrok-kenheid een menukaart opgesteld met handvatten en concrete voorbeelden. Zie Bijla-ge 1 voor de menukaart.2.3 Analysekader2.3.1 BegrippenSchoolbesturen en de gemeente Rotterdam leggen de lat de komende jaren hoog alshet gaat om het verhogen van de resultaten in het Rotterdamse onderwijs. Met BeterPresteren investeert Rotterdam in meer leertijd, in de professionele school en in ou-derbetrokkenheid om de talenten van kinderen en jongeren ten volle te kunnen benut-ten (Diender, 2012).De leertijd is in schooleffectiviteitsonderzoek een van de factoren waarover de mees-te consensus bestaat als het gaat om de bijdrage aan de effectiviteit van het leerproces(Hattie, 2007). Het gaat daarbij niet alleen om de tijd die op school wordt doorge-bracht, maar ook de tijd buiten school, bijvoorbeeld thuis (huiswerk) of in clubver-band. 4 Rotterdam biedt op drie momenten meer leertijd aan in de schoolloopbaan. Inde voor- en vroegschoolse educatie komen kinderen eerder in aanraking met de (Ne-derlandse) taal. Leerlingen in het bao en het vo krijgen daarnaast extra leertijd. Ookworden meer vakantiescholen opgezet, die zich richten op verbetering van de over-3 Projectplan Ouderbetrokkenheid. Programma Beter Presteren. Oktober 2011.4 In de VS is uitbreiding van de leertijd een speerpunt van het beleid van president Obama om onder- wijsachterstanden te bestrijden. Dit omvat het verlengen van de schooldag en het schooljaar en het aanbieden van naschoolse en zomerprogramma’s (Obama & Biden, 2008).18
  • 24. gangen tussen bao, vo en middelbaar beroepsonderwijs (mbo). De vakantieschoolbiedt ook talentvolle leerlingen extra uitdaging en ontplooiingskansen. 5De professionele school is een professionele leergemeenschap die voortdurend deeigen praktijk onderzoekt om zo het onderwijs aan de leerlingen te verbeteren. Wer-ken aan verhoging van onderwijsresultaten vergt een professioneel klimaat op school.Leraren hebben hoge verwachtingen van hun leerlingen. Schoolleiding en leraren zijngemotiveerd. Zij worden in de professionele school door de schoolleiding toegerustop een resultaatgerichte manier van werken (gesprek, apparatuur, opleiding). Goedtoegeruste leraren bereiken betere resultaten én staan met meer plezier voor de klas,spreken elkaar aan en leggen rekenschap af over resultaten (Verbiest, 2004).Goed toegeruste leraren zijn vakinhoudelijk deskundigen, bepalen het tempo in degroepen, maken resultaatgerichte afspraken met ouders en beslissen welke leerlingenovergaan naar de volgende klas en verantwoorden dit aan de ouders. De professiona-lisering van leraren is een belangrijke randvoorwaarde voor succesvolle onderwijs-verbetering en past binnen een lerende organisatie , Scholen kunnen daarnaast debekwaamheidseisen verder aanpassen aan het eigen beleid en de eigen visie (Fullan &Levin, 2009; Van Kuijk, Van Gennip & Vrieze, 2009). De gemeente Rotterdam sti-muleert scholen om hun onderwijsresultaten te optimaliseren en het talent van deleerlingen maximaal te ontwikkelen. Het Topklassenteam, een team onderwijsspecia-listen, biedt scholen support bij het bevorderen van resultaatgericht werken in scho-len. De school bepaalt zelf wanneer de behoefte aan deze ondersteuning nodig is enoverlegt hiertoe met het schoolbestuur voor het doen van een subsidieaanvraag bij degemeente. 6Ouderbetrokkenheid is de betrokkenheid van ouders (ouders, voogden en verzorgersvan leerlingen die aan de school zijn ingeschreven) bij de opvoeding en het onderwijsvan hun eigen kind, thuis (bv. voorlezen) en op school (bv. rapportbesprekingenvoeren met de leerkracht). Ouderparticipatie definiëren we als actieve deelname vanouders aan activiteiten op school. We onderscheiden niet-geïnstitutionaliseerde vor-men van ouderparticipatie (bv. leveren van hand- en spandiensten) en geïnstitutionali-seerde vormen van ouderparticipatie (bv. zitting hebben in de ouderraad of de (ge-meenschappelijke) medezeggenschapsraad.5 Het uitbreiden van de leertijd, door bijvoorbeeld de schooldag te verlengen, hoeft niet noodzakelij- kerwijs te leiden tot betere leeropbrengsten. Veel belangrijker is het hoe effectief de tijd wordt ing e- vuld en benut; de kwaliteit van de leraar en het curriculum zijn doorslaggevend (Baker, Fabrega, Galindo & Mishook, 2004).6 Programma Beter Presteren, Rotterdams Onderwijsbeleid 2011/2014, deel 1. 19
  • 25. De invoering van het programma Beter Presteren vraagt om het doorbreken van tradi-tionele structuren en vraagt ook vooral om te werken aan een andere schoolcultuurwaarin accenten komen te liggen op een ‘veranderingsgerichte cultuur’ en ‘resultaat-gerichte cultuur’ (vgl. Klaassen & Leeferink, 1998; Leeferink, Sleegers & Geijsel,2003). Scholen kunnen in navolging van Quinn (1988) in vier typen worden onder-scheiden, die elkaar niet uitsluiten, maar aanvullen: Resultaatgerichte cultuur. Deze wordt gekarakteriseerd door de gerichtheid op de taken die moeten worde n vervuld. Er heerst een competitieve sfeer. Beheergerichte cultuur. Essentieel voor de ze cultuur zijn coördinatie en een ge- structureerde wijze van omgaan met informatie. Mensgerichte cultuur. Kenmerkend voor deze cultuur zijn teambuilding en coa- ching. Veranderingsgerichte cultuur. Essentieel zijn vernieuwing en onderhandeling.In Figuur 2.1 worden de kenmerken van de vier typen school culturen vanuit verschil-lende invalshoeken naast elkaar gezet.Figuur 2.1 – Aspecten van schoolculturen CulturenAspecten Resultaatgericht Beheergericht Mensgericht Veranderings- gerichtCultuurwaarden Koersbepaling/pro- Coördinatie, structu- Participatie, inzet, Vernieuwing, duceren reel omgaan met moraal, openheid aanpassing informatiePrestaties Succes heb- Precisie van de leden Ontwikkeling, Initiatief, vooruit- ben/scoren vooruitstreven van streven de ledenBeoordeling Realisatie van Procedures volgen in Kwaliteit van de Bijdrage aan veran- taken en doelen de uitvoering samenwerking deringM achtsbron Kennis van zaken Kennen van de regels Geaccepteerd zijn Persoonlijk over- wichtBesluitvorming Inhoud Procedures Consensus IntuïtieM otivatie De klus klaren Voldoen aan de regels Waardering en Creativiteit, ontwik- respect kelingBron: Quinn (1988)De invoering van een veranderingsgerichte en resultaatgerichte cultuur zal waa r-schijnlijk gevolgen hebben voor de positie van ouders.20
  • 26. 2.3.2 Positie van oudersOuders zijn de eerst verantwoordelijken voor het levensonderhoud en de opvoedingvan het kind. Het belang van een goede aansluiting van het onderwijs (en de opvoe-ding) in de school op de opvoeding die ouders thuis geven, vormt de grondgedachtewaarop de onderwijsvrijheid is gebaseerd (Laemers, 1999; Zoontjens, 2003).De belangrijkste rechten en plichten van ouders ten opzichte van het bevoegd gezagvan de school kunnen als volgt worden samengevat (zie o.m. Laemers, 2002; Lae-mers, 2011; Cluitmans-Souren, 2008; Noorlander, 2005; Onderwijsraad 2010; Ver-meulen & Smit, 1998): Ouders zijn verantwoordelijk, dat wil zeggen; in rechte aanspreekbaar, voor de opvoeding van hun kind. Krachtens artikel 245 van het Burgerlijk Wetboek zijn ouders verplicht hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Ouders zijn verplicht zich te gedragen naar de normen van goed ouderschap . Zij moeten ervoor zorgen dat hun leerplichtige zoon of dochter op een school of on- derwijsinstelling staat ingeschreven en erop toezien dat hun kind de school gere- geld bezoekt. Vanaf 12 jaar is de jongere hier zelf medeverantwoordelijk voor. De ouders hebben de verplichting om relevante informatie over het kind aan het bevoegd gezag van de school te verstrekken. Als ouders hieraan geen gehoor ge- ven, staat het bevoegd gezag echter weinig middelen ter beschikking om hier iets aan te doen. Ouders hebben het recht op informatie over het kind door het bevoegd gezag van de school. Als het bevoegd gezag deze rechten niet respecteert, kan de ouder een klacht indienen bij de klachtencommissie of bij de rechter. De ouders hebben ec h- ter geen ongelimiteerd recht op informatie. Wanneer omstandigheden hiertoe aan- leiding geven, kan het bevoegd gezag/de schoolleiding beslissen de directe com- municatie tussen de ouders van een leerling en de groepsleerkracht (tijdelijk) te verbreken en eventueel een afkoelingsperiode in te voeren. Onder omstandigheden kan het recht op informatie van de wettelijk vertegenwoordiger in conflict komen met het recht op privacy van het kind. De wettelijk vertegenwoordiger is echter a l- leen in beeld, wanneer er een ontheffing uit de ouderlijke macht heeft plaatsgevo n- den. Wanneer recht op informatie in strijd is met de privacy van het kind is moe i- lijk te bepalen. Ouders hebben het recht te worden gehoord (hoorrecht), in ieder geval wanneer het bevoegd gezag voornemens is ingrijpende maatregelen te nemen ten aanzien van het kind, wanneer zij van oordeel zijn dat dit in het belang is van het welbevinden van hun kind op school en buiten school. Het mag de goede werking van de school echter niet schaden. 21
  • 27. Ouders hebben het recht op het verrichten van ondersteunende werkzaamheden voor de school. Het bevoegd gezag moet deze gelegenheid bieden. De ouders die- nen hierbij de aanwijzingen van de schoolleider en het onderwijzend personeel op te volgen (art. 44 Wpo). Ouders hebben het recht op participatie in schoolaangelegenheden. Dit recht vloeit voort uit de positie van de ouder als uitoefenaar van het ouderlijk gezag over hun kinderen en het democratiebeginsel (democratische legitimatie/draagvlak als voor- waarde). Ouders hebben veelal inspraakmogelijkheden bij het beleid van de school van hun keuze via medebestuur. In het bijzonder onderwijs zijn vele varianten mo- gelijk, van zelfbestuur door ouders (via een vereniging of coöperatie) tot bestuur geheel buiten het gezichtsveld van de ouders (stichting). Ouders van leerlingen op openbare scholen kunnen via het gemeentebestuur, of een openbare rechtspersoon, voor hun belangen opkomen. 7 Als het gaat om medezeggenschap kunnen ouders zitting nemen in de (G)MR. Ouders in de (G)MR hebben mogelijkheden om mede sturing te geven aan het beleid van de instelling op basis van de algemene be- voegdheden (WMS artikel 6), instemmingbevoegdheden (WMS artikel 10) en ad- viesbevoegdheden (WMS artikel 11). Ouders kunnen een rol spelen in het onderwijs bij onderwijsinnovaties als mede- vormgevers via het bestuur, de (G)MR en als kritische consumenten/rechthebbende cliënten, eisen stellen aan de producten van scholen.Ouders en school vormen een belangrijk onderdeel van een netwerk, een pedagogi-sche infrastructuur, dat rond de leerlingen is gesponnen (Putman, 2000). Omdat tradi-tionele sociale verbanden waarin mensen leven en waarin de jeugd wordt grootge-bracht, zoals netwerken van school, gezin, kerk, jeugd- en jongerenwerk, aan hetvervagen zijn of in het geheel niet meer bestaan, zou volgens de Raad voor Maat-schappelijke Ontwikkeling (RMO) het van oorsprong Afrikaanse gezegde ‘It takes avillage to raise a child’ een nieuwe, moderne, inhoud dienen te krijgen. Alle betrok-kenen bij onderwijs en opvoeding zouden op een eigentijdse manier inhoud en bete-kenis dienen te geven aan ‘village’ principes, zoals wederkerigheid, gedeelde verant-woordelijkheid, vertrouwen, sociale binding en sociale controle (RMO, 2001).7 Het openbaar onderwijs wordt van ‘overheidswege’ (vorm)gegeven door regels die gelden voor de overheid. Het is mogelijk om het bestuur van het openbaar onderwijs privaatrechtelijk vorm te g e- ven. Er moet in dat bestuur dat wel sprake zijn van een overwegende overheidsinvloed’ dat wil zeg- gen dat de gemeenteraad een overheersende invloed heeft op de werkwijze en samenstelling van het bestuur.22
  • 28. De Onderwijsraad (2010) onderscheidt drie posities van ouders: de individuele recht-hebbende positie, de positie van de ouder als schoolpartner en de positie als lid vanouder-ouderverbanden.1. Individuele rechthebbende positieDe ouders dragen bij de toelating van het kind tot de school deels hun opvoedkundigetaak over aan de school. De relatie ouders en bevoegd gezag valt in deze context teverdelen in de sfeer waarbinnen alleen ouders of de school tot opvoeding bevoegdzijn en de sfeer waarbinnen de opvoedingsverantwoordelijkheden van de school en deouders elkaar overlappen. Juist binnen deze laatste sfeer is coöperatie wezenlijk(Noorlander, 2005).2. Positie als schoolpartnerInternationaal wordt het begrip ‘partnership’ gehanteerd, met rechten en plichten, metonderscheiden eindverantwoordelijkheden en met gemeenschappelijke doelen vanscholen en ouders (Epstein, 2001; Ho Sui Chu, 2007; Montandon, 1997; Ravn, 2003).Gemeenschappelijke doel van scholen en ouders is het creëren van optimale omstan-digheden voor de schoolloopbaan van de leerlingen door het sociaal kapitaal vanouders aan te boren dat in een schoolgemeenschap aanwezig is om de partnerschapvorm te geven.Sociaal kapitaal heeft betrekking op de kwaliteit van sociale relaties, groepslidmaat-schappen, formele en informele netwerken, gedeelde normen, vertrouwen, wederke-righeid en bereidheid zich in te zetten voor de gemeenschap (Coleman, 1988). Bevor-derlijke factoren zijn: wederzijdse verwachtingen en verplichtingen, beschikbareinformatie, normen van wederkerigheid, doelgerichte samenwerking, burgerlijkeinzet, en sociaal vertrouwen. Participatie in sociale netwerken en vertrouwen zijnbelangrijke, beslissende factoren voor maatschappelijk engagement, c.q. vrijwilli-gerswerk (Coleman, 1988; De Winter, 2011; Mendel, 2001; Perna & Titus, 2005;Smit, Driessen, Sluiter & Meijvogel, 2007).Een barrière voor partnerschap is dat ouders vaak worden gezien als één homogenegroep, waarbij een ‘one-size-fits-all’-aanpak in de communicatie en de samenwer-king, gedefinieerd vanuit een middenklasse-perspectief, volstaat (Grozier, 2001;Sikkes, 2009). Vragen van ouders over de opvoeding worden vaak vertaald in eenbehoefte aan professionele hulp van beproefde interventies. Maar deze zijn vaak nietnodig, omdat veel gezinnen over eigen hulpbronnen en ideeën beschikken om pr o-blemen aan te pakken (Van der Wolf, 2011).3. De positie als lid van ouder-ouderverbandenOnder ‘ouder-ouderverbanden’ worden de onderlinge oudercontacten verstaan welkekunnen bijdragen aan het versterken van de relatie tussen ouders en school. Het st i- 23
  • 29. muleren van onderlinge oudercontacten samen met het bieden van mogelijkhedenvoor ouders om eigen vaardigheden te ontwikkelen biedt ouders meer mogelijkhedenom een actieve rol te vervullen binnen de samenwerking met de school. Het verste r-ken van onderlinge oudercontacten, de sociale controle en het sociaal kapitaal (hulp-bronnen en ideeën) heeft positieve effecten op de opvoeding en de onderwijsresulta-ten van kinderen (Ainsworth, 2002; Lewis, Kim & Bay, 2010; Moritsugu, Wong &Duffy, 2010; Putnam, 2000; Warren, Rubin, & Sychitkokhong, 2009). Scholen diehogere niveaus van relationeel vertrouwen tussen schoolteams en ouders (onderling)hebben, zijn beter in staat om de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren en daar-mee de leerprestaties van kinderen te verhogen (Warren, Hong, Rubin, & Sychitko k-hong, 2009).Een belangrijke voorwaarde voor partnerschap ouders-school is goede communicatie.Ouders vinden het doorgaans belangrijk dat ze goed kunnen communiceren met deleraren en dat scholen naar hen luisteren en serieus nemen (Smit e.a. 2007, 2008; VanGennip, 2009). Een aanpak waarbij de school actief met lager opgeleide ouders con-tact zoekt en luistert naar hun specifieke vragen en behoeften is waarschijnlijk hetmeest succesvol om hen bij het onderwijs te betrekken (Lopez, G., Scribner, J. &Mahitivanichcha, K. (2001). Er is internationaal een trend dat ouders en onderwijsin-stellingen bij de inschrijving van de leerling hun wederzijdse verwachtingen op pa-pier zetten in een ‘home school contract’, dat zij vervolgens op gezette tijden bijste l-len, afhankelijk van de ontwikkeling die de leerling doormaa kt (Smit, Driessen,,Sluiter & Brus, 2008).2.3.3 Strategische begrippen binnen programma Beter PresterenIn paragraaf 2.3.1 zijn we al kort ingegaan op de betekenis van de begrippen rond hetprogramma Beter Presteren. In deze paragraaf leggen we een relatie tussen strategi-sche begrippen binnen het programma Beter Presteren en ouderbetrokkenheid.Schoolbesturen en gemeente Rotterdam hebben als collectieve ambitie dat het Rotter-dams Onderwijsbeleid in de periode 2011-2014 is gericht op verhoging van de on-derwijsresultaten. Scholen, schoolbesturen en de gemeente gaan resultaatgerichterwerken. De focus ligt op taal en rekenen. 88 De noodzaak van gezamenlijke betrokkenheid van ouders en school bij de ontwikkeling van een kind wordt breed gedeeld door scholen, beleidsmakers, onderzoekers en onderwijsondersteunende instellingen in Rotterdam. Zie Programma Beter Presteren, Rotterdams Onderwijsbeleid 2011/2014, deel 1.24
  • 30. De speerpunten in het beleid van het programma Beter Presteren zijn meer leertijd, deprofessionele school en ouderbetrokkenheid en is gericht op het realiseren van betereonderwijsresultaten van leerlingen door ouders meer te betrekken bij de schoolont-wikkeling van hun kinderen. Bij ouderbetrokkenheid gaat het in het programma BeterPresteren om het stimuleren van ‘onderwijsondersteunend gedrag’ van ouders thuisen het stimuleren van ´educatief partnerschap´ van school en ouders.Onderwijsondersteunend gedrag van ouders thuis heeft betrekking op betrokkenheidbij de ontwikkeling van het kind, betrokkenheid bij de school, het communiceren methun kind over zaken die op school gebeuren, zorg dragen voor een rijke leeromgevingvoor hun kinderen thuis en in de vrije tijd, een goede plek om huiswerk te maken endat er iemand is die ze ondersteunt bij het maken en plannen van dat huiswerk. He tachterliggende idee is dat alle ouders door hun onderwijsondersteunend gedrag kun-nen bijdragen aan de onderwijsresultaten van hun kinderen (Desforges & Abouchaar,2003; Sheldon, 2002; Deslanders & Rousseau, 2007).Ouders kunnen als rolmodel een groot aantal rollen vervullen in verband met de af-fectieve en cognitieve ontwikkeling van kinderen in verband met de voorbereiding ophet onderwijs, het informeren van de school en elkaar support verlenen (Lueder,1998). Zie Figuur 2.2.Figuur 2.2 – Rollen van ouders bij de affectieve en cognitieve ontwikkeling van hunkind en in relatie tot de schoolRollen DoelenOpvoeder Het creëren van een omgeving waarin het kind zich fysiek, psychisch en emotioneel kan ontwikkelen.Communicator’ Het in gang zetten en onderhouden van positieve contacten tussen school en gezin.Leraar Het kind helpen in zijn morele, intellectuele, emotionele en sociale ontwikkeling.Ondersteuner Het actief ondersteunen van leeractiviteiten van het kind thuis en binnen het onderwijs- programma van de school.Lerende Het verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden die de cognitieve en sociale ontwikkeling van het kind direct en indirect bevorderen.Adviseur Het kind met wijze raad bijstaan, zowel in persoonlijke als in schoolse kwesties.Beschermer Voor het kind opkomen en zijn belangen verdedigen.Samenwerken Effectief met de school en de gemeenschap samenwerken in het oplossen van problemen, het nemen van beslissingen en het vormgeven aan het ontwikkelen van het schoolbeleid. 25
  • 31. Het project Ouderbetrokkenheid richt zich op de inzet van scholen om het onderwijs-ondersteunend gedrag van ouders ten aanzien van hun eigen kinderen te bevorderenmet het oog op betere onderwijsresultaten. Speciale aandacht wordt besteed aan deintensieve betrokkenheid van ouders bij hun kinderen tijdens de keuze- en schakel-momenten door het ontwikkelingsperspectief en de toekomstwensen en -mogelijk-heden van leerlingen structureel onderwerp van gesprek te maken met ouders enleerlingen.Onderwijsondersteune nd gedrag van ouders gaat in essentie om het volgende 9: steunen, sturen, stimuleren; communiceren met het kind over schoolgerelateerde zaken; hoge maar ook reële verwachtingen uitdragen ten aanzien van de onderwijsresulta- ten van het kind; een rijke leeromgeving creëren in de vrije tijd (ten behoeve van informeel leren) ; overleggen en afstemmen met de leerkracht/mentor over de ontwikkeling en o n- derwijsresultaten van het kind.Bij oudere kinderen thuis mogelijkheden creëren om te studeren en dat kinderenondersteuning krijgen bij het maken en plannen van huiswerk (van ouders of vananderen). Niet alle ouders hebben het brede scala aan mogelijkheden en vaardighedenom hun kind te stimuleren. Het uitgangspunt is dat alle ouders door hun onderwijson-dersteunend gedrag kunnen bijdragen aan de onderwijsresultaten van hun kinderen. 109 Projectplan Ouderbetrokkenheid. Programma Beter Presteren. Oktober 2011.10 Het is volgens De Ruiter e.a. (2006) onjuist te veronderstellen dat de contacten zullen verbeteren tussen school en ouders door de verwachtingen van leerkrachten te verhogen dat alle ouders kunnen bijdragen aan de onderwijsresultaten van hun kinderen. Binnen de schoolorganisatie hebben ver- wachtingen van leerkrachten over ouders een bepaalde functie en inbedding; er vormen zich gro e- pen van leerkrachten met eenzelfde beeld. Het niet-bespreken van de normativiteit die gepaard gaat met het toeschrijven van kenmerken aan ouders en leerkrachten leidt tot de instandhouding van de problematische contacten met ouders.26
  • 32. Partnerschap tussen ouders en school is geen doel op zich, maar een middel om hetgezamenlijke belang te dienen: optimale omstandigheden scheppen voor de ontwik-keling en het leren van kinderen. Epstein (2001) onderscheidt met betrekking totpartnerschap zes typen van ouderbetrokkenheid: helpen opvoeden, communicerenmet de instelling, vrijwilligershulp op de instelling, leren thuis, betrekken bij besluit-vorming op de instelling, en samenwerking met de gemeenschap. 11 De laatste jaren iser meer dan voorheen aandacht voor de rol van ouders als competente burgers binneneen sociale gemeenschap (‘actief burgerschap’) en de scholen te verbinden met deomringende samenleving, omdat scholen dan effectiever functioneren (De Winter,2011; Vogels, 2002; Herweijer & Vogels, 2004; Noguera 2008; Smit & Doesborgh,2001; Smit, Driessen & Doesborgh, 2002, 2004).De realisering van de doelen van partnerschap vraagt om een wederzijdse betrokke n-heid van ouders en school, van meet af aan een zorgvuldige communicatie én eenwederzijdse investering. Scholen hebben de taak om te zorgen dat ouders goed geïn-formeerd worden, dat ze ervaren dat ze welkom zijn op school, dat ze als gelijkwaa r-dige partners worden beschouwd, dat hun inzet ertoe doet om de opvoeding/lerenthuis en school op elkaar af te stemmen, de onderwijsresultaten te verbeteren en deschoolloopbaan te optimaliseren. Zo doen de scholen de eerste aanzet tot een pedago-gisch, educatief en onderwijskundig partnerschap met ouders ( Epstein 2001, Epstein.e.a., 2002; Lusse, 2011; Hoover-Dempsey e.a., 2005; Onderwijsraad, 2010; Smit,2011, 2012; Van der Schaaf & Van den Berg 2008; Warren e.a., 2009).Voor doelen, inhoud en beoogde effecten van partnerschap ouders en school, zieFiguur 2.3.11 Een kritiek op Epsteins theorie is dat ze is geformuleerd vanuit het perspectief van de school (school-geïnitieerde betrokkenheid), en minder vanuit de ouders (gezinsgeïnitieerde betrokkenheid) (Driessen, Smit & Sleegers, 2005). Bovendien leunt ze sterk op het deficiet-model (vgl. McCollum, 1996). Vanuit dat perspectief zijn ze dan sterk prescriptief: die middenklasse is dan de norm en de programma’s zijn er op gericht ook lager milieu en allochtone gezinnen die ‘culturally-appropriate’ norm te laten bereiken. Maar niet alleen wordt het doel vanuit dat perspectief gedefinieerd, ook geldt dat voor de werkwijze (Jordan, Orozco & Averett, 2001). Een probleem hierbij is dat ouders van uiteenlopende etnische en culturele groepen verschillende vormen van ouderbetrokkenheid praktiseren, die niet altijd als zodanig herkend worden door ‘mainstream’ scholen. De leerkrachten van deze scholen vinden dan dat deze ouders niet betrokken zijn bij het onderwijs aan hun kinderen. Maar in feite komt het er op neer dat de ouders niet voldoen aan de verwachtingen van de leerkrach- ten, i.c. het beeld dat de leerkrachten hebben van wat ouderbetro kkenheid zou moeten inhouden (Martinez & Velazquez, 2000; Boijink, 2007). 27
  • 33. Figuur 2.3 – Doelen, inhoud en beoogde effecten van partnerschap ouders en school Doelen Inhoud Beoogde effecten Ouderbetrokkenheid: opvoeding en leren thuis, communicatie met school Educatieve School en ouders stemmen hun visie op Opvoeding/leren thuis en school op doelen de opvoeding en sturing van kinderen elkaar afstemmen, beter inspelen op op elkaar af en beiden nemen daarin hun motivatie- en leerproblemen. aandeel: pedagogisch partnerschap. Ouders zijn beter in staat om opvoed- Ouders (onderling) en school hebben vraagstukken (in het eigen, informele regelmatig contact met de school over netwerk) op te lossen of te voorkomen. de ontwikkeling van de kinderen die ze thuis ondersteunen: educatief partner- schap. Onderwijskundige Ouders (onderling) ondersteunen de Verbeteren onderwijsresultaten van de doelen leerontwikkeling van hun kind thuis en leerling. spelen een rol bij het maken van keuzes Optimalisering van de schoolloopbaan van een school, profiel, sector en ver- van de leerling. volgopleiding: ondersteunend gedrag van ouders; onderwijskundig partner- schap. Ouderparticipatie: vrijwilligerswerk*, deelname besluitvorming, samenwerking met gemeenschap Organisatorische Ouders leveren een bijdrage aan het Bijdrage leveren aan taakuitvoering en onderwijskun- reilen en zeilen van de school. Ze schoolteam. dige doelen voeren activiteiten onder verantwoorde- Verbeteren onderwijsresultaten van de lijkheid van leraren op school uit: leerling. organisatorisch partnerschap. Democratische Ouders denken en beslissen informeel Mede richting geven aan beleids- en doelen en formeel mee met het schoolteam uitvoeringsbeslissingen. over het beleid op diverse niveaus De school legt verantwoording af over binnen de schoolorganisatie via bij- haar werk aan de ouders. voorbeeld een ouderpanel, de ouder- raad, de medezeggenschapsraad: demo- cratisch partnerschap. Maatschappelijke Ouders (onderling) en schoolteam Verankeren van de school binnen de doelen leveren een bijdrage aan activiteiten wijk, de buurt, het dorp, of het stads- binnen de school, de wijk, de buurt, het deel. dorp, of het stadsdeel als onderdeel van een pedagogische infrastructuur: maat- schappelijk partnerschap.* Vrijwilligerswerk is: werk waarvoor niet betaald wordt, dat niet beroepshalve wordt verricht, dat geen vaste arbeidsplaats inneemt, dat niet concurrerend is met betaald werk en dat niet meer dan 20 uur per week inneemt.28
  • 34. 2.3.4 Rotterdamse actieplan optimaliseren ouderbetrokkenheid en verhogen onderwijsresultatenHet Rotterdamse project Ouderbetrokkenheid beoogt een aanjaagfunctie te hebben:het agendeert het onderwerp ouderbetrokkenheid, het motiveert en inspireert tot actie,het faciliteert uitwisseling, verspreidt succeservaringen en draagt zorg voor de be-schikbaarhe id en/of ontwikkeling van concrete instrumenten. Ook zorgt het projectvoor de verbinding met andere projecten, programma’s en lijnactiviteiten. 12De basisingrediënten van het project Ouderbetrokkenheid voor het optimaliseren vande ouderbetrokkenheid en verhogen van onderwijsprestaties zijn educatief partner-schap en onderwijsondersteunend gedrag van ouders thuis (onderwijskundig partner-schap).Daarbij besteedt de gemeente Rotterdam in het project Ouderbetrokkenheid explicietaandacht aan intakegesprekken/startgesprekken en de rol van ouders bij de keuze enwisselmomenten in de schoolloopbaan van hun kinderen: hun betrokkenheid bij dekeuze van een school, profiel, sector en vervolgopleiding.Wanneer een leerling op een school wordt ingeschreven vindt een gesprek plaatstussen ouders, school en eventueel de leerling. Er worden afspraken gemaakt over watschool, ouders en leerling van elkaar mogen verwachten en waarop ze aanspreekbaarzijn. 13 Belangrijk is dat tussen ouders en school een open relatie ontstaat die bijdraagtaan de ontwikkeling van het kind.School-oudercontracten kunnen helpen om de ouderbetrokkenheid te vergroten. Deafspraken uit het startgesprek kunnen worden vastgelegd in een contract. De schoolbepaalt of zij ouders een dergelijk contract laat ondertekenen. Ouders kunnen daarook zelf om vragen.School-oudercontactpersonen en ouderconsulenten kunnen een rol spelen om derelatie tussen school en ouders te verstevigen op scholen met leerlingen uit wijken12 Projectplan Ouderbetrokkenheid. Programma Beter Presteren. Oktober 2011.13 Uitgangspunten voor partnerschap ouders en school zijn gebaseerd op de resultaten van opvoedd e- batten die in Rotterdam zijn georganiseerd in het kader van het Rotterdams Onderwijsbeleid 2006- 2010. Ouders zorgen er bijvoorbeeld voor dat hun kind voldoende Nederlands spreekt, voordat het naar de basisschool gaat en dat zij regelmatig met de school bespreken hoe het met hun kind gaat. Scholen informeren ouders over de school en de schoolresultaten van hun kind. Zij betrekken ou- ders bij keuzemomenten in de schoolloopbaan: de overgang aar een andere school, profielkeuze, b e- roepsrichting of bij een doorverwijzing naar het speciaal onderwijs. 29
  • 35. met een sociale achterstand. Schoolbesturen ondersteunen deze functionarissen metopleiding en begeleiding.ResultatenConcreet levert het Rotterdamse project Ouderbetrokkenheid de volgende resultatenop: 14 ‘mindset’ ouderbetrokkenheid Rotterdam (informatie naar alle scholen, menu-kaart van interventies), maatwerk op scholen (advies op maat voor scholen, kwali-teitskaders), themarondes ouderbetrokkenheid Rotterdam (inhoudelijke verdieping,ambassadeurs, speciale aandacht MBO), versterking bestaande initiatieven ouderbe-trokkenheid (o.a. topklasse, groep nul, kwaliteitssprong op zuid, initiatieven deelge-meente Hoogvliet e.a.), aanzet voor aanpak moeilijk bereikbare ouders (samenwer-king met zorg, diversiteit in aanpak), advies ten aanzien van subsidieverlening(ouderbetrokkenheid, ouderconsulenten en schooloudercontactpersonen), resultaatme-ting over het project gericht op verhoging onderwijsresultaten.2.4 SamenvattendOuders en school hebben een gezamenlijk belang: zo gunstig mogelijke voorwaardenscheppen voor de ontwikkeling en het leren van kinderen. Ouders beschikken overkennis van hun kinderen en kennen meestal het beste de kansen en bedreigingen voorhun kind. Scholen zouden gebruik moeten maken van de kennis van ouders om deonderwijsresultaten te verbeteren. Dit betekent op basis van vertrouwen en hogeverwachtingen intensief samen te werken bij de opvoeding en het realiseren van ho-ge(re) onderwijsprestaties van de kinderen.De gemeente Rotterdam heeft er voor gekozen om een kwaliteitssprong in het onder-wijs te maken met de ouders als educatieve ‘schoolpartners’ van de scholen en deonderwijsondersteuning van ouders thuis te stimuleren. Dit vereist een cultuurveran-dering. Het Rotterdamse perspectief op partnerschap van ouders en school is gericht op depositie van de ouder als ‘schoolpartner’. De individuele rechthebbende positie vanouders, de positie van ouders als lid van ‘ouder-ouderverbanden’, de vrijwilligershulpvan ouders op school, het betrekken van ouders bij de besluitvorming (over de boo g-de innovaties bij ouderbetrokkenheid) op school en de participatie van ouders in desamenwerking met de buurt als belangrijk onderdeel van een pedagogische infrastruc-14 Projectplan Ouderbetrokkenheid. Programma Beter Presteren. Oktober 2011.30
  • 36. tuur vallen buiten het beeld van het project ouderbetrokkenheid in het programmaBeter Presteren.De producten van het Rotterdamse project ouderbetrokkenheid zijn: discussies, in-formatie en adviezen over ouderbetrokkenheid, aanzet tot de aanpak van moeilijkbereikbare ouders en van de resultaatmeting verhoging van onderwijsresultaten. 31
  • 37. 3 Onderzoeksopzet3.1 InleidingParagraaf 3.2 geeft een beschrijving van de aanleiding en het doel van het onderzoek.In paragraaf 3.3 komt de centrale vraagstelling aan de orde. De onderzoeksopzet en-uitvoering wordt besproken in paragraaf 3. 4. In paragraaf 3.5 ten slotte, wordt deverdere opbouw van het rapport beschreven.3.2 Aanleiding en doel van het onderzoekAanleidingHet Rotterdamse beleid is er op gericht om scholen in samenwerking met de oudersde talenten van kinderen optimaal te laten ontwikkelen. Er is op dit gebied veel o n-derzoek verric ht dat laat zien dat ouderbetrokkenheid positieve effecten heeft, maarhet ontbreekt aan een analyse wat onderwijsondersteunend gedrag van ouders thuis eneducatief partnerschap voor de leerprestaties kan betekenen in een multiculturele,grootstedelijke context.DoelDoel van het onderhavige onderzoek vast te stellen welke beleidsaanpak wat betreftouderbetrokkenheid leidt tot hogere onderwijsprestaties, of de Rotterdamse aanpak opscholen en bij ouders is ‘geland’, wat de ervaringen zijn in vergelijking met de ouder-betrokkenheid met andere scholen in Nederland.3.3 Centrale vraagstellingVoortvloeiend uit het voorafgaande kan de centrale vraagstelling van het onderzoekals volgt worden geformuleerd:1. Wanneer leidt beleid om onderwijsondersteunend gedrag van ouders en educatief partnerschap tussen ouders en school te optimaliseren, in een multiculturele groot- stedelijke context, tot aantoonbaar hogere onderwijsresultaten; wat zijn de succes- factoren?2. Landt de Rotterdamse aanpak op scholen? Herkennen ouders de Rotterdamse aanpak en wat zijn hun ervaringen? 33
  • 38. 3. In welke mate zij er verschillen tussen Rotterdamse scholen en de rest van Nede r- landse scholen wat betreft het stimuleren van de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van hun kinderen?4. Hoe is het oordeel over de kwaliteit van de relatie ouders en school?5. Leidt het Rotterdamse beleid ten aanzien van ouderbetrokkenheid tot hogere on- derwijsresultaten?6. Wat kan verbeterd worden in de Rotterdamse aanpak?De onderzoeksvragen worden uitgesplitst naar schoolsoort (bao en vo). Zie Schema 3.1.Schema 3.1 – Overzicht specificatie onderzoeksvragen Rotterdams beleid wat betreftde relatie ouders en school naar bao en vo Ouderbetrokkenheid (Rotterdam en landelijk) Deel Onderdeel po vo Literatuuronderzoek Deel A Wanneer leidt beleid om onderwijsondersteunend gedrag van x x ouders en educatief partnerschap tussen ouders en school te optimaliseren in een multiculturele, grootstedelijk context tot aantoonbaar hogere onderwijsresultaten? Wat zijn de succes- factoren? Surveyonderzoek Deel B Landt de Rotterdamse aanpak op scholen? x x In welke mate zijn er verschillen tussen Rotterdamse scholen en de rest van Nederlandse scholen wat betreft het stimuleren van de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van hun kinderen? Herkennen ouders de Rotterdamse aanpak en wat zijn hun ervaringen? Deel C Hoe is het oordeel over de kwaliteit van de relatie ouders en x x school? Deel D Leidt het Rotterdamse onderwijsbeleid ten aanzien van ouder- betrokkenheid tot hogere onderwijsresultaten? Wat kan verbe- terd worden aan de |Rotterdamse aanpak? Deel E Achtergrondgegevens x x34
  • 39. 3.4 Onderzoeksopzet en /uitvoering3.4.1 LiteratuurstudieOm een antwoord te geven op de vraag wanneer het beleid om onderwijsondersteu-nend gedrag van ouders e n educatief partnerschap tussen ouders en school te optima-liseren in een multiculturele, grootstedelijk context leidt tot aantoonbaar hogere on-derwijsresultaten én wat de succesfactoren zijn, is een internationale literatuurstudieuitgevoerd.De literatuurstudie borduurde voort op ITS-onderzoeken naar het functioneren vanouderbetrokkenheid in Rotterdam (Smit & Driessen, 2002; Smit, Driessen & Doe s-borgh 2004) en de bevindingen van de Kenniswerkplaats (Lusse, 2011, 2012). 15 Deonderhavige studie richt zich op de basisschoolfase en voortgezet onderwijs. Hetonderzoek is gefocust op de ervaringen in de afgelopen twee decennia, waarbij devolgende werkwijze wordt gehanteerd: Er is in de literatuur gezocht rond de thema’s ‘onderwijsondersteunend gedrag’ en ‘educatief partnerschap in een multiculturele, grootstedelijke context’ en de ‘leer- prestaties van leerlingen’. Deze zoektermen, combinaties daarvan en hun Engelsta- lige equivalenten vormden de input voor de searches. De literatuurstudie was gericht op Nederland, België (Vlaanderen), Engeland, Zweden, Denemarken, Finland, Noorwegen, Canada en de Verenigde Staten. Voor deze landen is gekozen, omdat met name in de VS veel onderzoek is verricht en anderzijds omdat de situatie in deze landen op bepaalde aspecten vergelijkbaar, dan wel juist interessant is vanwege een lange traditie.Voor de selectie van de op te nemen studies zijn de volgende criteria aangehouden: het moet om wetenschappelijk onderzoek gaan; het onderzoek moet voldoen aan gangbare methodologische criteria, met duidelijk omschreven begrippen van ouderbetrokkenheid, ouderparticipatie, onderwijsonde r- steunend gedrag van ouders en educatief partnerschap tussen ouders en school.15 De Kenniswerkplaats Rotterdams Talent is in 2010 is opgericht door de Erasmus Universiteit en de gemeente Rotterdam en bestaat verder uit de Hogeschool Rotterdam, Hogeschool INHolland, de CED-groep, Zadkine, Albeda en de dienst Jeugd, Onderwijs en Samenleving van de gemeente Rot- terdam. 35
  • 40. Analyse en beschrijvingBij de analyse en beschrijving van de literatuursearch naar de effecten van het stimu-leren van onderwijsondersteunend gedrag en educatief partnerschap van ouders enschool in een multiculturele, grootstedelijke context is gebruik gemaakt van eerdergepubliceerde overzichtsstudies, omdat op deze wijze resultaten van (zeer) veel af-zonderlijk studies op een efficiënte wijze kunnen worden samengebracht. De litera-tuurstudie biedt een interpretatiekader voor de resultaten van het onderzoek onderschoolleiders en ouders.3.4.2 Survey onder schoolleiders en oudersOm een antwoord te geven op de vraag of het Rotterdamse beleid om onderwijso n-dersteunend gedrag van ouders en educatief partnerschap tussen ouders en school testimuleren landt op scholen en wat de ervaringen van directies en ouders zijn, zijnwebsurveys gehouden onder schoolleiders in het bao en het vo én ouders van kinde-ren die de basisschool en het voortgezet onderwijs bezoeken.OnderzoeksgroepHet ITS heeft alle directies van scholen bao (190) en vo (75) in Rotterdam via hetscholenbestand van JOS, Gemeente Rotterdam aangeschreven en benaderde daarnaastdirecties van scholen in de rest van Nederland (1.500) via het ITS – Scholenpanel.Ouders met kinderen in basisonderwijs en voortgezet onderwijs zijn benaderd via hetITS-Ouderradenpanel (2.500) en de LinkedIn-groepen Ouders, school en buurt enActief Ouderschap (circa 1.000).OnderzoeksinstrumentVoor het verkrijgen van de gegevens is gebruik gemaakt van een korte vragenlijstenmet gesloten vragen en een enkele vraag met een open antwoordcategorie.Te verzamelen informatieDe te verzamelen informatie bij directies en ouders had betrekking op:De mate waarin het Rotterdamse beleid is ‘geland’ op scholen. De mate waarin erverschillen zijn tussen Rotterdamse scholen en de rest van Nederlandse scholen watbetreft het stimuleren van de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van hunkinderen (Schema 1, deel B) Hoe houden scholen/leraren rekening met de verschillende achterliggende opva t- tingen van ouders over de betekenis van de school voor hun kinderen en v oor zich- zelf?36
  • 41. Welke verschillende strategieën hanteren leraren richting ouders om afstemming, communicatie en wederzijdse steun te realiseren? Hoe stimuleren scholen/leraren onderwijsondersteunend gedrag van ouders en educatief partnerschap tussen ouders en school? Wat is de perceptie van de gerealiseerde effecten?Het oordeel over de kwaliteit van de relatie ouders en school (Schema 1, deel C)Wat is het oordeel wat betreft: Onderwijsondersteunend gedrag van ouders? Educatief partnerschap tussen ouders en school?De mate waarin het Rotterdamse beleid leidt tot hogere onderwijsresultaten. Watverbeterd kan worden aan de|Rotterdamse aanpak (Schema 1, deel D) Cultuur: visie op met elkaar omgaan in kader van ouderbetrokkenheid. Structuur: afspraken, procedures, overlegstructuren en verantwoordelijkheden. Bereidheid: bereidheid om gezamenlijk het samenwerkingsproces aan te gaan. Vaardigheid: de vaardigheid waarmee betrokkenen omgaan in kader van ouderbe- trokkenheid.Achtergrondgegevens (Schema 1, deel E)Scholen: schoolsoort, schooltype, aantal leerlingen en denominatie, BRIN-nummer.Ouders: geslacht, leeftijd, hoogst genoten afgeronde opleiding van de ouder.Respons en verloop van het veldwerkIn de periode van 28 mei tot en met 1 augustus hadden ouders en schoolleiders demogelijkheid om de online vragenlijst in te vullen. Om de respons te verhogen is inoverleg met de opdrachtgever besloten om op 11 juni een iPad te verloten onder derespondenten en is een verzoek gestuurd naar onderwijsconsulenten en contact perso-nen van scholen in Rotterdam om ouders te stimuleren mee te werken aan het onde r-zoek. Op 18 juni is een rappel naar de scholen in Rotterdam uitgegaan. Vanaf 22 junizijn directies van scholen in Rotterdam gebeld met het verzoek om mee te werken aanhet onderzoek.In Tabel 3.1 en Tabel 3.2 staat de opbouw van de respons onder ouders en de school-leiders weergegeven.In totaal zijn er 691 ouders aan de vragenlijst begonnen. Hiervan heeft in totaal 593ouders (86 procent) de vragenlijst volledig afgerond. De vragen over de achtergrond-gegevens van de respondenten zijn achteraan de vragenlijst geplaatst. Omdat niet allerespondenten de vragenlijst volledig hebben ingevuld, sommigen zijn voortijdig ge- 37
  • 42. stopt, is het mogelijk dat de vragen aan het begin van de vragenlijst door meer res-pondenten zijn beantwoord dan de vragen aan het eind van de vragenlijst.Tabel 3.1 – Opbouwen achtergrondgegevens respons ouders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam LandelijkAfgerond totaal begonnen 77 383 48 183 vragenlijst volledig afgerond 88% 85% 81% 89%Geslacht M an 12% 23% 41% 23% Vrouw 88% 77% 59% 77% totaal (n=100%) 69 331 39 163Opleiding ouders lager onderwijs 7% 1% 5% 0% Praktijkonderwijs 1% 0% 3% 0% Vmbo 7% 0% 0% 4% Havo 7% 2% 5% 5% vwo/ gymnasium 0% 0% 0% 1% M bo 35% 9% 31% 9% Hbo 23% 47% 28% 47% Universiteit 19% 40% 28% 35% totaal (n=100%) 69 331 39 163Leeftijd ouders 30 jaar of jonger 15% 1% 0% 0% 31 - 35 jaar 21% 12% 0% 1% 36 - 40 jaar 35% 33% 16% 2% 41 - 45 jaar 16% 34% 26% 29% 46 - 50 jaar 10% 16% 32% 41% 51 - 55 jaar 3% 5% 16% 23% 56 jaar of ouder 0% 1% 11% 4% totaal (n=100%) 68 329 38 161Leeftijd kind 4 - 6 jaar 34% 30% 7 - 9 jaar 42% 39% 10 - 12 jaar 25% 30% 4% 9% 13 - 14 jaar 1% 25% 41% 15 - 16 jaar 54% 32% 17 – 19 jaar 17% 18% totaal (n=100%) 77 383 48 18338
  • 43. Het merendeel van de respondenten is vrouw en heeft een hbo- of universitaire ople i-ding afgerond, landelijk is dit in beide onderwijssectoren meer dan 80 procent. Tervergelijking: in 2009 had 27 procent van de 15- tot 65-jarigen in Nederland een hbo-of wo-diploma. Daarnaast had 68% een startkwalificatie, dat wil zeggen minimaaleen diploma van mbo-niveau 2 of een havo-, vwo-diploma. Dit betekent dat de dee l-nemende ouders aan het onderzoek hoger opgeleid zijn dan de gemiddelde ouder endaardoor niet helemaal representatief zijn voor alle ouders in Nederland. 16 In Rotter-dam is het aandeel mbo-opgeleide respondenten groter, ruim een derde heeft eenmbo-diploma.Van de ouders met kinderen in het basisonderwijs is de grootste groep (twee derde)tussen de 36 en 45 jaar, in Rotterdam is de grootste groep (de helft) tussen de 31 en41 jaar. De groep met kinderen in het voortgezet onderwijs is landelijk en in Rotter-dam het grootst (ruim twee derde) tussen de 41 en 50 jaar.Het onderzoek onder ouders in Rotterdam en de rest van Nederland is niet (helemaal)representatief en geeft daarmee een indicatie voor het functioneren van de ouderbe-trokkenheid in Rotterdam en in de rest van Nederland.In Tabel 3.2 staan de achtergrondkenmerken van de deelnemende schoolleiders. Intotaal zijn 715 schoolleiders aan de vragenlijst begonnen en hebben 579 deze vragen-lijst voltooid (81 procent).16 Centraal Bureau voor de Statistiek (2010). Jaarboek onderwijs in cijfers 2010. Den Haag. 39
  • 44. Tabel 3.2 – Opbouwen achtergrondgegevens respons schoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam LandelijkAfgerond totaal begonnen 63 538 21 93 vragenlijst volledig afgerond 98% 81% 90% 66%Denominatie: openbaar 44% 34% 14% 31% rooms-katholiek 21% 28% 5% 23% protestants-christelijk 24% 24% 48% 22% overig bijzonder 11% 13% 33% 25% totaal (n=100%) 63 538 21 93Aantal leerlingen 150 leerlingen of minder 17% 29% 14% 4% 151 - 300 leerlingen 48% 48% 19% 16% 301 - 450 leerlingen 25% 14% 29% 12% 451 - 600 leerlingen 10% 6% 10% 8% 601 - 1.000 leerlingen 0% 1% 5% 16% 1.000 leerlingen of meer 0% 2% 24% 44% totaal (n=100%) 63 538 21 93In Rotterdam hebben van de 190 po-scholen en 75 vo-scholen respectievelijk 63 en21 schoolleiders deelgenomen. Dit is een responspercentage van ongeveer 33 ( po) en28 (vo) procent. Dit responspercentage is een benadering, het is mogelijk dat meerde-re mensen per school de vragenlijst hebben ingevuld. Het was niet mogelijk om meerdan drie keer per IP-adres in te vullen. De respons is niet helemaal representatief engeeft een indicatie voor de visie van directies op ouderbetrokkenheid.De meeste respondenten van scholen in het basisonderwijs hebben een omvang van151 tot 300 leerlingen. Respondenten uit het voortgezet onderwijs zijn over het alge-meen werkzaam op scholen met meer leerlingen. Landelijk is bijna de helft van derespondenten werkzaam op een school met 1.000 leerlingen of meer, in Rotterdam isdit bijna een kwart.40
  • 45. 3.5 Verdere opbouw van het rapportIn de volgende hoofdstukken van deze rapportage worden vanuit de literatuurstudieeerst de succesfactoren voor het optimaliseren van de relatie ouders-school en hetverbeteren van de onderwijsprestaties besproken. Vervolgens passeren de resultatenvan de surveys de revue. 41
  • 46. 4 Succesfactoren optimaliseren relatie ouders-school en verbeteren onderwijsprestaties4.1 InleidingWe schetsen in paragraaf 4.2 de voorwaarden voor het optimaliseren van het partner-schap ouders en school in een multiculturele, grootstedelijk context. In paragraaf 4.3beschrijven we de succesfactoren voor het optimaliseren van de relatie ouders-schoolen verbeteren van onderwijsprestaties. In paragraaf 4.4 beschrijven we de inzet vaninstrumenten. In paragraaf 4.5 vatten we het hoofdstuk samen.4.2 Voorwaarden optimaliseren partnerschap relatie ouders -school en verbete- ren onderwijsprestatiesDe volgende vier voorwaarden kunnen worden onderscheiden voor het optimaliserenvan het partnerschap ouders-school in een multiculturele, grootstedelijk context (Ep-stein e.a. 2002; Epstein e.a. 2009; Hill & Tyson, 2009; Van der Hoek & Pels, 2006;Wissema, Bouts & Rutgers, 1996; Smit e.a., 2008) :1. De wijze waarop betrokkenen met elkaar omgaan in het kader van he t partner- schap (partnerschapscultuur)Lager opgeleide ouders voelen zich doorgaans minder op hun gemak op school enhebben meer moeite om hun betrokkenheid te tonen en een partnerschapsrelatie metde school aan te gaan dan hoger opgeleide ouders. Leerlingen van lager opgeleideouders kunnen daardoor doorgaans weinig voordelen putten uit de beperkte contactentussen hun ouders en de school (Lareau, 2003; Booijink, 2007). Het versterken vanonderlinge oudercontacten, het intensiveren van sociale controle en het gebruik ma-ken van sociaal kapitaal rond kinderen van lager opgeleide ouders heeft veelal posi-tieve effecten op de opvoeding en de onderwijsresultaten (Ainsworth 2002; Warren etal., 2009). Scholen die een ‘open-deur-beleid’ voeren en actief contact zoe ken metouders, kunnen helpen de drempel voor lager opgeleide ouders te verlagen om teparticiperen (Epstein e.a., 2009). 43
  • 47. 2. De mate waarin afspraken, procedures, overlegstructuren en verantwoordelijkh e- den duidelijk zijn (partnerschapsstructuur)Effectieve inzet op ouderbetrokkenheid vraagt om partnerschap met ouders en inte-gratie van ouderbetrokkenheid in het schoolbeleid. Dit verreist van scholen dat zijhelder zijn in hun verwachtingen en een ‘oudervriendelijk’ klimaat weten te creëren.Intakegesprekken en inloopochtenden bieden leerkrachten mogelijkheden ouders alspartners aan te spreken, een vertrouwensband te ontwikkelen (vgl. De Wit, 2006) enouders te informeren over onderwijsondersteunend gedrag thuis en het belang als‘rolmodel’ voor het verhogen van leerresultaten van hun kinderen (Desforges &Abouchaar, 2003; Hoover‐Dempsey e.a., 2005; Epstein e.a. 2009).3. De mate waarin betrokkenen bereid zijn het samenwerkingsproces gezamenlijk aan te gaan (partnerschapsbereidheid)Internationale literatuur met betrekking tot ouderbetrokkenheid en ouderparticipatiegeeft aanwijzingen dat het vergroten van ouderbetrokkenheid bij het onderwijs in hetalgemeen, en in het bijzonder voor moeilijk bereikbare ouders, wordt vergroot doorals schoolteam: 1. Nadrukkelijk rekening te houden met de achtergronden, wensen en(wederzijdse) verwachtingen van de ouders. 2. Ouders minder als leveranciers vanleerlingen en meer als serieuze partners te beschouwen met een eigenstandige inbrengbij de opvoeding in het omgaan met waardenoverdracht en waardenstimulering. 3.Duidelijk aan te geven wat men van ouders verwacht wat betreft opvoeding en waar-denoverdracht. 4. Open te staan voor elkaars culturele en religieuze achtergronden. 5.Onderwijs en opvoeding als gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid te zien. 6.Moeilijk bereikbare ouders nadrukkelijk uit te dagen om een bijdrage te leveren aande ontwikkeling van de kwaliteit van de school en daarmee hun verantwoordelijkvoor de school en de samenleving tot uitdrukking brengen (Smit e,.a., 2007; Epsteine.a., 2009). In het basisonderwijs zijn de contacten tussen ouders en school intensie-ver dan in het voortgezet onderwijs. Meer dan de helft van de leerlingen in het voort-gezet onderwijs vindt het belangrijk dat hun ouders worden betrokken bij hun vorde-ringen en bijna de helft van de leerlingen vindt het belangrijk dat hun ouders wel eensop school komen. De helft van de leraren in het voortgezet onderwijs vindt dat oudersvoldoende tijd maken voor de school. Ouders (ook in het voortgezet onderwijs) gevenaan het belangrijk te vinden om op de hoogte te zijn van wat er gebeurt op school.Voor lager opgeleide ouders is de drempel om de school in voortgezet onderwijs tebezoeken hoger. Deze ouders reageren doorgaans positief als leraren het initiatiefnemen voor contact (Smit e.a., 2011).44
  • 48. De mate waarin de ouders ervaren dat hun kind hun bemoeienis waardeert is vanbelang voor hun betrokkenheid thuis. Leerlingen in het voort gezet onderwijs zullenhun ouders eerder toelaten in het schoolwereld als zij een positieve reactie verwach-ten (Epstein e.a. 2009; Lusse, 2011).De vaardigheid waarmee de betrokkenen met elkaar omgaan in het kader van departnerschap (partnerschapsvaardigheid).Ouders die een autoritaire opvoedingsstijl hanteren verwachten van hun kinderenstrikte gehoorzaamheid en respect, in plaats van dat de opvoeding gericht is het ont-wikkelen van autonomie en zelfvertrouwen (Elderling, 2003). Vooral een autoritatie-ve opvoedstijl van ouders (warmte bieden, grenzen stellen, gezaghebbend, maar nietautoritair optreden) en het bekrachtigen van goed gedrag, bemoediging, voorbeeldge-drag en instructie draagt bij aan schoolsucces. Het is belangrijk dat ouders laten mer-ken dat zij de schoolloopbaan van het kind belangrijk vinden en daarover thuis pratenen meedenken. Dat heeft niet alleen een positief effect op de schoolresultaten, maarleidt ook tot minder spijbelen en minder schooluitval (Driessen, G., & Smit, F., 2007;Desforges & Abouchaar, 2003).De mate en vorm van betrokkenheid worden volgens Desforges sterk beïnvloed doorhet sociale herkomstmilieu, de opleiding van de moeder, materiële deprivatie, depsycho-sociale gezondheid van de moeder, het opgroeien in een eenoudergezin, en –maar minder – etniciteit (Smit e.a., 2007; Driessen, G., & Smit, F. , 2007; Desforges& Abouchaar, 2003; Lee & Bowen, 2006).Volgens een vijfde van de schoolleiders in het basisonderwijs zijn leerkrachten nietcapabel om ouders uit lagere sociale milieus te betrekken bij het onderwijs (Smit e.a.,2007). Verschillen in opvattingen over professioneel onderwijs en de rol van de ‘idea-le’ ouder liggen hieraan ten grondslag (Booijink 2007; Crozier 2001). Niet alleenouders, maar ook leraren en andere medewerkers in de school zullen toegerust moe-ten worden om een dergelijk partnerschap aan te gaan (Epstein e.a. 2002, 2009; Ho-over‐ Dempsey e.a., 2005; Smit e.a., 2008).De relaties tussen deze factoren staan afgebeeld in Figuur 4.1. De vraag óf deze vierelementen elkaar stimuleren dan wel tegenwerken, wordt mede be paald door omge-vingsfactoren, c.q. de gemeenschap (Smit & Driessen, 2005). 45
  • 49. Figuur 4.1 – Sleutelbegrippen in verband met de realisatie van ouderbetrokkenheid partnerschaps- vaardigheid in structuur partnerschap realisatie ouder- betrokkenheid partnerschaps- bereidheid tot cultuur partnerschapAan deze vier aspecten liggen attitudes, kennis en vaardigheden van de individuelepartners ten grondslag. Relevant is ook dat partnerschap functioneert in een bepaaldeinstitutionele en maatschappelijke context.4.3 Kritische succesfactoren optimaliseren relatie ouders -school en verbeteren onderwijsprestatiesPartnerschap in de relatie ouders en school impliceert samenwerking tussen verschil-lende partijen met uiteenlopende perspectieven. Aan de ene kant het perspectief vande betrokken scholen met verschillen in functie van de onderwijsinstelling (onder-wijs, opvang, ontwikkelingsstimulering, opvoedingsondersteuning) , waarbij er ookverschillen kunnen bestaan tussen de betrokkenen van de schoolteams. Aan de anderekant de ouders, met ook hier mogelijk verschillen qua leeftijd en qua sociaal-etnischeachtergrond.Draagvlak creëren voor geïntegreerde planmatige aanpakHet bevorderen van ouderbetrokkenheid gaat de hele schoolgemeenschap aan en zoudaarom uitgewerkt dienen te worden in interventieplannen op basis van een behoefte-analyse en het vaststellen van wederzijdse prioriteiten, waarbij schoolbrede bronnenworden benut en waarbij aandacht is voor het creëren van draagvlak binnen hetschoolteam (Epstein e.a., 2002, 2009). Geïsoleerde, ad hoc activiteiten met betrekkingtot de stimulering van samenwerkingsrelaties en verbeteren van leerprestaties leverendoorgaans weinig succes open. Het gaat met andere woorden om een geïntegreerde46
  • 50. planmatige aanpak (Bronfenbrenner, 1986; Henderson & Mapp, 2002; Desforges,2003; Epstein e.a., 2002, 2012; Ho Sui Chu, 2007; Epstein, 1995).MaatwerkHet is van belang dat de school rekening houdt met de diversiteit onder ouders en hunpositie binnen de samenleving. Een effectieve aanpak bestaat concreet uit de volge n-de vijf stappen: 1 creëer een actieteam waarin leerkrachten, ouders en lid van deschoolleiding zitting hebben en dat verantwoordelijk is voor de organisatie, imple-mentatie en evaluatie van allerlei vormen van ouderbetrokkenheid; 2. verzamel enverwerf voldoende financiële en sociale ondersteuning; 3. identificeer duidelijkestartmomenten waarbij de huidige en de gewenste praktijken alsook de doelen vanpartnerschap worden geëxpliciteerd; 4. ontwikkel een drie jarenplan waarin de doelenen een samenhangend programma van partnerschap staan beschreven en werk dit uitin een plan voor het eerste jaar; maak een gezamenlijke planning waarbij het nietalleen gaat om het product van het planningsproces, maar tevens de aandacht uitgaatnaar planning als gezamenlijke activiteit. 5. Er dienen evaluatiemomenten ingebouwdte worden : afspraken over de borging van de kwaliteit van de uitvoering, wie deresultaten beoordeelt, welke criteria worden gehanteerd en wie verantwoordelijk zijnvoor bijstelling. Support vanuit de directie voor het functioneren van de ouder- ofouderbetrokkenheidscoördinator, als waakhond van ouderbetrokkenheid, is zeer be-langrijk voor het realiseren van de gestelde doelen. De impact van ouderparticipatiewordt ook beschouwd als een van de belangrijke componenten dan wel kenmerkenvan effectieve scholen (Desforges, 2003; Goodall & Vorhaus, 2011; Epstein, 2009;Smit et al. 2007).Kritische succesfactorenOuderbetrokkenheid wordt wel beschouwd als een van de belangrijke componentendan wel kenmerken van effectieve scholen (Epstein, 2001). De resultaten van onder-zoeken naar het verband tussen ouderbetrokkenheid en leerprestaties zijn (veelal)positief in het basisonderwijs (Epstein e.a. 2002) en het voortgezet onderwijs (Hill &Tyson, 2009). Zo vonden Sacker e.a. (2002) sterke effecten van ouderbetrokkenheidop de leerprestaties van kinderen in het basisonderwijs. Ook Izzo e.a. (1999) vondenverschillen in leerprestaties, vooral het gebied van lezen. Met name zijn belang hetonderwijsondersteunend gedrag van ouders thuis, de ouder als rolmodel en de com-municatie met de school (Desforges & Abouchaar, 2003; Hoover‐Dempsey & Sand-ler, 2005; Epstein e.a., 2009), het kind ondersteunen bij het maken van studiekeuzesen bediscussiëren van adequate leerstrategieën (Hill & Tyson, 2009) én het versterkenvan onderlinge oudercontacten bij de opvoeding en onderwijs van hun kinderen(Ainsworth, 2002, Lewis, Kim & Bay, 2010; Warren et al, 2009). 47
  • 51. StrategieënHet schoolteam kan uit verschillende soorten strategieën kiezen: wegen waarlangsdoelstellingen met ouderbetrokkenheid te bereiken. Strategieën die schoolteams ha n-teren om ouders te laten participeren bij het onderwijs veronderstellen een visie vanhet team op de school als gemeenschap, waarbij ouders een rol kunnen spelen: een‘grondhouding’ dat onderwijs op school en opvoeding thuis in elkaars verlengdeliggen, dat ouders en leerkrachten gezamenlijke waar den onderschrijven, dat er eengevoel heerst van saamhorigheid, van een bondgenootschap, c.q. partnerschap metgemeenschappelijke doelen (Klaassen & Smit, 2001; Harris & Goodall, 2008).Scholen staan voor de keuze het accent te leggen op:een individualistische, schoolgeconcentreerde en activiteitgerichte benadering , varië-rend van ouders informeren over de schoolresultaten tot het uitnodigen van oudersom mee te beslissen over de beleidsvorming (Epstein, e.a. 2009): oog te hebben voor specifieke groepen ouders (bijvoorbeeld anderstalige ouders, moeilijk bereikbare ouders en/of ouders van zorgleerlingen) of juist ook op de al actieve ouders (Onderwijsraad, 2010); 17 nadruk te leggen op de wederzijdsheid in de relatie tusse n ouders (onderling) en school. Bijvoorbeeld om voor ouders in ‘praathuiscafés’, ‘koffiekamers’ en ‘ou- derkamers’ (opvoed)cursussen, opvoeddebatten, opvoedparty’s te organiseren, ruimte te bieden voor het uitwisselen van ervaringen waarbij onderlinge steun wordt gestimuleerd. Ook wordt gekeken hoe het opvoeden van kinderen in de buurt tot een gedeelde verantwoordelijkheid is te maken (http://www.nji.nl/eCache/DEF/1/32/338.html).Succesfactoren voor vergroten van ouderbetrokkenheid thuis: ouders weten wat e rvan hen verwacht wordt en hebben het gevoel dat hun kind de bemoeienis op prijsstelt. Succesfactoren en aanbevelingen om ouders vanuit school beter te bereiken:ouders voelen zich welkom op school, kennen en vertrouwen de leerkracht/mentorvan hun kind, ervaren de relatie met school als wederkerig, ouders zijn trots op hunkind en zien perspectief voor de schoolloopbaan van hun kind (Epstein e.a. 2009;Lusse, 2011).Naast een partnerschapsstructuur, -cultuur, - bereidheid en – vaardigheid (zie paragraaf4.2.) zijn een goede voorbereiding, informatievoorziening en support de ´driving forces´ter verbetering van de partnerschapsrelaties tussen ouders en school (Desforges, 2003;17 De Onderwijsraad is trouwens van mening dat er te veel tijd, geld en energie gaat naar moeilijk bereikbare ouders, wat ten koste gaat van het investeren in de al actieve ouders.48
  • 52. Goodall & Vorhaus, 2011; Epstein, 2002; 2009; Lusse, 2011, 2012; Smit et al. 2008). ZieSchema 4.3.VoorbereidingDe bereidheid tot partnerschap van leerkrachten en ouders zal groter zijn, als directiesvan scholen zich inzetten om elkaar beter te leren kennen. Leerkrachten en ouders(onderling) zullen (vooral in het begin van het schooljaar) de tijd kunnen nemen omelkaar wat beter te leren kennen en te praten over welke ideeën er leven over samen-werking. Informele ouder- en schoolavonden, jaaropeningen en –afsluitingen verster-ken sociale netwerken van (laag opgeleide) ouders en brengen hen op een uitnodigen-de wijze in contact met elkaar. De grotere cohesie tussen de ouders versterkt hetsociaal vertrouwen en verhoogt het engagement van met name laag opgeleide ouders(Fasang, Mangino & Brückner, 2010).InformerenHet is van belang dat leerkrachten relevante informatie krijgen over de thuissituatievan ouders. En ouders op hun beurt de beschikking krijgen over informatie over deschoolorganisatie: de besluitvormingsstructuur, de spelregels waaraan ouders zichmoeten houden en wat er van hen verwacht wordt als partners van de leerkrachten(begeleiding van kinderen thuis, belangrijke informatie doorspelen naar school, etc.).Nieuwe leerkrachten zouden goed geïnformeerd en ingewerkt kunnen worden doorervaren collega’s. Het is wenselijk dat ouders bij hun entree op school geïnformeerdworden over de aanpak, de informatie-uitwisseling, de afstemming van opvattingen,wensen en verantwoordelijkheden die leerkrachten en ouders hebben.SupportNiet alleen ouders, maar ook leraren en andere medewerkers in de school zullen toe-gerust moeten worden om een partnerschapsrelatie aan te gaan. 49
  • 53. Schema 4.3 – Voorwaarden samenwerkingsrelaties allochtone ouders en school schoolbeleid draagvlak creëren voor partnerschapsrelatie - visie op ouderbetrokkenheid - planmatige aanpak voorbereiding - maatwerk support - kritische succesfactoren informerenNadat het beleid is ingevoerd en uitgevoerd zal het schoolteam uiteraard periodiekmoeten nagaan of de doelstellingen bereikt zijn, er belemmeringen moeten wordenopgeruimd en of bijstellingen nodig zijn.4.4 SamenvattendIn dit hoofdstuk zijn de succesfactoren voor het optimaliseren van de relatie ouder-school en het verhogen van de onderwijsprestaties besproken.Ouderbetrokkenheid wordt wel beschouwd als een van de belangrijke componentendan wel kenmerken van effectieve scholen. De resultaten van onderzoeken naar hetverband tussen ouderbetrokkenheid en leerprestaties zijn (veelal) positief in het baoen het vo. In de strategie van scholen om samen met ouders de onderwijsresultaten teverhogen, spelen de visie op ouderbetrokkenheid, het creëren van draagvlak voor eengeïntegreerde planmatige aanpak en maatwerk een belangrijke rol. Kritische succes-factoren zijn: onderwijsondersteunend gedrag van ouders thuis, de ouder als rolmo-del, de communicatie met de school, het kind ondersteunen bij het maken van studie-50
  • 54. keuzes en bediscussiëren van adequate leerstrategieën en het versterken van onderlin-ge oudercontacten bij opvoeding en onderwijs.Naast een partnerschapsstructuur, -cultuur, - bereidheid en – vaardigheid zijn een goedevoorbereiding, informatievoorziening en support de ´driving forces´ ter verbetering vande partnerschapsrelaties tussen ouders en school.In het volgende hoofdstuk beschrijven de resultaten van de surveys. 51
  • 55. 5 Resultaten surveys5.1 InleidingIn dit hoofdstuk doen we verslag van het vragenlijstonderzoek dat bij ouders enschoolleiders is uitgevoerd. We gaan in op de kennismaking en de frequentie vancontacten tussen ouders en school. Hoe verlopen deze contacten en welke contactm o-gelijkheden zijn er? Wat zijn de opvattingen hierover? Welke invloed heeft ouderbe-trokkenheid en hoe wordt het contact tussen ouders en scholen beoordeeld?5.2 Kennismaking bij aanmeldingGoed contact begint met een kennismaking. Wanneer ouders hun kind aanmelden opde school, hoe vindt deze kennismaking dan plaats? Dit is in Tabel 5.1 weergegeven.Kennismaking vindt volgens zowel de ouders als de schoolleiders nagenoeg altijd opschool plaats. Circa een op de zeven schoolleiders geeft aan dat gesprekken ook bij deouders thuis plaatsvinden. In Rotterdam geven verreweg de meeste ouders en school-leiders aan dat er kennismakingsgesprekken zijn. 18 Dit is landelijk niet altijd het ge-val, ongeveer 8 procent van de ouders met een kind in het basisonderwijs en ruim eenkwart van de ouders met een kind in het voortgezet onderwijs geeft aan dat er geenkennismakingsgesprek plaats vindt. Het aandeel schoolleiders dat aangeeft dat ergeen kennismakingsgesprekken plaatsvinden ligt lager. Het is dus mogelijk dat nietalle ouders van een kennismakingsgesprek op de hoogte zijn.18 Met het begrip ‘kennismaking’ worden veelal zowel de intakegesprekken als de collectieve kennis- making als de individuele gesprekken met leerkracht of mentor bedoeld. In Rotterdam is het streven om met name individuele kennismakingsgesprekken te voeren. 53
  • 56. Tabel 5.1 – Kennismakingsgesprekken als kind wordt aangemeld op school basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam LandelijkOudersKennismakings gesprek op school 95% 90% 98% 72%Kennismakings gesprek thuis 5% 7% 2% 3%Geen kennismakingsgesprek 5% 8% 2% 28%Ouders (N=100%) 77 383 48 183S cholenBij de aanmelding een kennismakings gesprek op de 98% 99% 95% 86% schoolBij de aanmelding een kennismakings gesprek thuis 11% 19% 10% 14%Geen kennismakingsgesprek 2% 0% 5% 12%Scholen (N=100%) 63 526 21 90Kennismakingsgesprekken kunnen zowel thuis als op school plaatsvinden. De percen-tages tellen daarom niet op tot 100 procent.5.3 Frequentie van contacten tussen ouders en schoolAan de ouders en de scholen is gevraagd hoe vaak ze contact hebben. In de volgendefiguren is dit steeds weergegeven.In Tabel 5.1 zagen we dat er weinig kennismakingsgesprekken bij de ouders thuisplaatsvinden. Aan de ouders hebben we gevraagd of leraren ook op huis bezoek ko-men. Figuur 5.1 laat zien dat reguliere huisbezoeken ook niet veel voorkomen.54
  • 57. Figuur 5.1 – Hoe vaak komen leraren volgens de deelnemende ouders op huisbezoek?primair onderwijs Rotterdam (n=77) 70% 23% 3% 3% Landelijk (n=383) 87% 11%voortgezet onderwijs Rotterdam (n=48) 96% 4% Landelijk (n=183) 97% 3% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Nooit 1 x per jaar 1 x per half jaar tot 1 x per 3 maanden Maandelijks Wekelijks tot dagelijksVolgens een meerderheid van de deelnemende ouders komt huisbezoek van de leraarzelden voor. In Rotterdam gaan leraren in het basisonderwijs vaker op huisbezoekdan in de rest van Nederland. In Rotterdam geeft bijna een kwart van de ouders metkinderen in het basisonderwijs aan dat leraren eenmaal per jaar op bezoek komen,landelijk is dit 11 procent. Een enkeling in Rotterdam geeft aan dat leraren een keerper half jaar of per drie maanden op bezoek komen. In het voortgezet onderwijs komtdit nagenoeg niet voor.Huisbezoeken van leraren komen dus weinig voor. Hoe vaak gaan ouders dan opschoolbezoek? In de volgende figuur staat de frequentie van het aantal keer dat ou-ders de school zeggen te bezoeken (exclusief halen en brengen). 55
  • 58. Figuur 5.2 – Hoe vaak komen ouders op de school van hun kind (exclusief brengen enhalen)?primair onderwijs Rotterdam (n=77) 22% 8% 70% Landelijk (n=383) 36% 27% 36%voortgezet onderwijs Rotterdam (n=48) 6% 10% 79% 4% Landelijk (n=183) 3%5% 70% 19% 2% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Nooit 1 x per jaar 1 x per half jaar tot 1 x per 3 maanden Maandelijks Wekelijks tot dagelijksIn Figuur 5.2 zien we dat voor het basisonderwijs 70 procent van de Rotterdamseouders aangeeft we kelijks tot dagelijks op de school van hun kind te komen, tegen 36procent van de ouders in de rest van het land.Als de kinderen in het voortgezet onderwijs zitten, bezoeken de ouders minderfrequent de scholen. Ongeveer 79 procent bezoekt de school één keer per half jaar totdrie maanden. Landelijk bezoekt bijna een vijfde van de ouders de schoolmaandelijks of vaker. In Rotterdam is dit aandeel kleiner.In de vorige figuren lieten we de contactfrequentie volgens de ouders zien. De vraaghoe vaak ouders op school komen, exclusief halen en brengen, hebben we ook aan dedeelnemende schoolleiders voorgelegd. Zie Figuur 5.3.56
  • 59. Figuur 5.3 – Hoe vaak komen ouders volgens de deelnemende schoolleiders, gemid-deld bij op school (exclusief brengen en halen)?primair onderwijs Rotterdam (n=63) 62% 16% 22% Landelijk (n=519) 60% 20% 20%voortgezet onderwijs Rotterdam (n=21) 5% 81% 14% Landelijk (n=86) 92% 5% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Nooit 1 x per jaar 1 x per half jaar tot 1 x per 3 maanden Maandelijks Wekelijks tot dagelijksVolgens circa 60 procent van de schoolleiders in het basisonderwijs komen de meesteouders ongeveer een keer per half jaar of per drie maanden op school. Ongeveer 20procent geeft aan dat ouders wekelijks tot dagelijks langs komen. Dit is voor schoo l-leiders uit Rotterdam en uit de rest van Nederland nagenoeg gelijk.In het voortgezet onderwijs geeft het grootste deel van de schoolleiders aan dat demeeste ouders halfjaarlijks tot een keer per drie maanden op school komen. In Rotte r-dam geeft 14 procent aan dat ouders maandelijks langskomen. In verband met de lagerespons van Rotterdamse schoolleiders in het voortgezet onderwijs, is het de vraag inhoeverre dit een representatief beeld geeft.Bij een vergelijking van de frequentie van schoolbezoeken volgens de ouders (Figuur5.2) en volgens de schoolleiders ( Figuur 5.3) zien we dat ouders hun schoolbezoekeniets frequenter inschatten dan de schoolleiders. Maar voor het voortgezet onderwijs inRotterdam geven de ouders aan minder vaak naar school te komen dan dat ze ditvolgens de schoolleiders doen. 57
  • 60. Is dit verschil opmerkelijk te noemen? De deelnemende ouders hoeven niet perse vandezelfde scholen te zijn als de deelnemende schoolleiders. Mogelijkerwijs hebben deouders toch hun schoolbezoek inclusief halen en brengen ingeschat en mogelijk pra-ten ouders bij een schoolbezoek sneller met de leraar van hun kind, dan met deschoolleider. De schoolleider ziet mogelijkerwijs niet elk spontaan ouderbezoek.Er zijn enkele onderwerpen aan de ouders voorgelegd waar ze tijdens een schoolbe-zoek met de leraar over praten (zie Tabel 5.2). Bijna twee derde van de Rotterdamseouders spreekt met de leraar over het onderwijs van het kind. Landelijk is dit onge-veer 44 procent. Ruim de helft wisselt van gedachten over de ontwikkeling van hetkind. Op deze onderwerpen is er weinig verschil tussen het bao en het vo.Minder ouders geven aan dat ze met de leraar over de opvoeding van het kind praten.In Rotterdam is dit voor het bao en het vo 17 en 13 procent. Voor ouders in de restvan het land is dit respectievelijk 8 en 3 procent, bijna 10 procent lager. Er is eensignificant verschil in het praten over het onderwijs en over de opvoeding van hetkind tussen ouders uit Rotterdam en uit de rest van het land 19.Tabel 5.2 – Onderwerpen waar in de contacten met de leraar volgens de ouders vaakover wordt gesproken basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=377) (n=47) (n=181)Onderwijs van mijn kind 60% 44% 62% 44%Ontwikkeling van mijn kind 58% 56% 51% 44%Opvoeding van mijn kind 17% 8% 13% 3%De percentages in de tabel tellen niet op tot honderd. In deze tabel over onderwerpen waarover gespro-ken wordt, is alleen de categorie ‘vaak’ weergegeven.Kortom: In het basisonderwijs komen Rotterdamse ouders vaker wekelijks totdagelijks op de school van hun kind en praten ze vaker met de leraar over het onder-wijs en over de ontwikkeling van hun kind.19 Variantie-analyse tussen de Rotterdam – Landelijk en onderwerpen waar in contacten met de leraar over gesproken wordt: onderwijs van mijn kind F=10.9; p<.01; E²=0.02; opvoeding van mijn kind F=13.3; p<.01; E²=0.02.58
  • 61. 5.4 Opvattingen over ouder-school contactenHoe staan ouders en schoolleiders ten opzichte van ouder-school contacten? Er zijnvragen gesteld of leraren welkom zijn bij ouders thuis en ouders welkom zijn opschool (Tabel 5.3 en 3.4) en of ouders en leraren rekening met elkaar houden ( Tabel5.5 en 5.6).In Tabel 5.3 staan de opvattingen van ouders over de contacten met de school. Overhet algemeen voelen ouders zich welkom op de school van hun kind (in Rotterdamiets vaker dan in de rest van het land). Leraren in het basisonderwijs zijn volgens deouders over het algemeen eveneens welkom bij ouders thuis, in het voortgezet on-derwijs is men hier terughoudender over.Nagenoeg alle ouders vinden het belangrijk om tijd te besteden aan het onderwijs vanhun kind. De meeste ouders geven aan dat de contacten met school goed zijn. Dit issterker in het bao en het vo en ouders uit Rotterdam zijn iets positiever over de con-tacten met school dan ouders uit de rest van het land.Het aandeel ouders uit Rotterdam dat vindt dat leraren hen stimuleren om bij hetonderwijs van hun kind betrokken te zijn, is groter dan bij ouders uit de rest van hetland. Dit geldt voor zowel bao (75 versus 43 procent) als voor het voortgezet onder-wijs (50 versus 25 procent).Tabel 5.3 – Opvattingen van ouders over de contacten met de school basisonderwijs voortgezet onderwijsOuders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=373) (n=46) (n=177)Ik voel me welkom op de school van mijn kind 92% 82% 76% 74%Leraren zijn bij mij thuis welkom 83% 85% 54% 73%Ik vind het belangrijk om tijd te besteden aan het 99% 98% 96% 98%onderwijs van mijn kindContact met school van mijn kind is goed 92% 77% 72% 61%Leraren stimuleren dat ik betrokken ben bij het 75% 43% 50% 25%onderwijs van mijn kindHoe kijken de schoolleiders hier tegen aan? Bijna alle schoolleiders geven aan datouders welkom zijn op school (zie Tabel 5.4). Meer dan de helft van de schoolleidersdenkt dat leraren welkom zijn bij ouders thuis. Zo goed als alle schoolleiders gevenaan dat het belangrijk is als ouders tijd besteden aan het onderwijs van het kind en 59
  • 62. vinden het contact met de ouders goed. De meeste schoolleiders vinden dat leraren deouderbetrokkenheid stimuleren.Tabel 5.4 – Opvattingen van schoolleiders over de contacten met ouders basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=510) (n=21) (n=78)Ouders zijn welkom op school 98% 99% 100% 97%Leraren zijn welkom bij de ouders thuis 62% 60% 62% 45%Leraren vinden het belangrijk dat ouders tijd 98% 96% 100% 97%besteden aan het onderwijs van hun kindContact met de ouders van de kinderen is goed 97% 94% 86% 91%Leraren stimuleren de ouderbetrokkenheid 78% 83% 76% 65%Als we de opvattingen van de ouders (Tabel 5.3) en de schoolleiders (Tabel 5.4) metelkaar vergelijken, dan zien we dat ouders en schoolleiders positiever over zichzelfoordelen dan over de ander. Het aandeel ouders dat vindt dat leraren bij ouders thuiswelkom zijn, is hoger dan het aandeel schoolleiders die dat vindt. En het aandeelschoolleiders dat vindt dat leraren ouderbetrokkenheid stimuleren is hoger dan hetaandeel ouders die dat vindt.Houden ouders en leraren in hun contacten rekening met elkaar? In Tabel 5.5 enTabel 5.6 staat of de ouders en de schoolleiders (dat wil zeggen, diens leraren) zelfrekening houden met de ander. In Tabel 5.7 en 5.8 is weergegeven of ze vinden of deander rekening houdt met hen.In het bao vindt bijna drie kwart van de Rotterdamse ouders dat ze vaak rekeninghouden met de ideeën van de leraar over het onderwijs, in de rest van het land is ditongeveer twee derde. Iets meer dan de helft van de ouders houdt vaak rekening metde ideeën van de leraar over de ontwikkeling van het kind.Ouders zijn minder geneigd rekening te houden met de ideeën van leraren over deopvoeding. Het aandeel dat hier vaak rekening mee houdt is het hoogst bij Rotter-damse ouders in het bao (29 procent).60
  • 63. Tabel 5.5 – Aandeel ouders dat aangeeft zelf vaak rekening te houden met ideeën vanleraren basisonderwijs voortgezet onderwijsOuders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)Ik houd vaak rekening met ideeën van leraren 71% 66% 55% 51%over onderwijsIk houd vaak rekening met ideeën van leraren 61% 56% 48% 46%over ontwikkeling van mijn kindIk houd vaak rekening met ideeën van leraren 29% 21% 14% 14%over opvoeding van mijn kindVinden de schoolleiders dat hun leraren vaak rekening houden met de ouders?Schoolleiders geven aan (zie Tabel 5.6) dat leraren open staan voor de wensen vanouders, in het bao vindt de 63 procent van de Rotterdamse schoolleiders dat lerarendit vaak doen, tegenover drie kwart in de rest van het land. In het vo is dit net omge-keerd: respectievelijk ruim drie kwart en de helft van de schoolleiders is die meningtoegedaan.Volgens schoolleiders houden leraren beperkt reke ning met de ideeën van de oudersover het onderwijs. Tussen een vijfde en een derde geeft aan dat leraren hierin vaakrekening houden met ouders. Ruim 70 procent van de schoolleiders uit het bao geeftaan dat leraren vaak rekening houden met de ideeën van ouders over de ontwikkelingvan het kind, in het vo geeft twee derde van de Rotterdamse en de helft van de oudersuit de rest van het land dit aan. Als het gaat om de opvoeding van het kind, geeftongeveer de helft van de schoolleiders aan dat leraren vaak rekening houden metouders. In het basisonderwijs verschilt dit nauwelijks tussen Rotterdam en de rest vanhet land. 61
  • 64. Tabel 5.6 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat de leraren van de school vaakrekening houden met ideeën van ouders basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)Leraren staan vaak open voor wensen van 63% 75% 76% 51%oudersLeraren houden vaak rekening met ideeën van 24% 36% 29% 26%ouders over onderwijsLeraren houden vaak rekening met ideeën van 71% 72% 67% 47%ouders over de ontwikkeling van hun kindLeraren houden vaak rekening met de ideeën 52% 49% 52% 30%van ouders over de opvoeding van hun kindIn Tabellen 5.7 en 5.8 is weergegeven in hoeverre de ouders en de schoolleiders vin-den dat de school/de leraren rekening houden met de wensen van ouders. Het aandeelouders dat aangeeft dat leraren vaak rekening met de ouders houdt, staat in Tabel 5.7.Ouders uit Rotterdam hebben vaker het idee dat leraren reke ning houden met hunwensen 20, dit blijkt ook uit de percentages in Tabel 5.7 voor zowel het bao (57 versus41 procent) als voor het vo (40 versus 24 procent).Een derde van de Rotterdamse ouders met een kind in het basisonderwijs vindt datleraren vaak rekening houden met hun wensen over het onderwijs. In de rest van hetland en in het vo is dit aandeel iets lager.In het bao vindt de helft van de Rotterdamse ouders dat leraren vaak rekening houdenmet hun ideeën over de ontwikkeling van hun kind, in de rest van het land is dit bijnatwee vijfde. In het vo is hiertussen nauwelijks verschil, daar is het percentage onge-veer 26 procent. In het bao heeft 44 procent van de Rotterdamse ouders het idee datleraren rekening houden met hun ideeën over de opvoeding, landelijk is dit een ruimkwart en in het vo is dit respectievelijk een 17 (Rotterdam) versus een 9 procent (lan-delijk).Voelen de ouders zich vaak serieus genomen door de leraren? In het bao is drie kwartvan de Rotterdamse ouders en bijna twee derde van de ouders uit de rest van het landdeze mening toegedaan. In het vo is dit voor Rotterdam en de rest van het land circade helft.20 Variantie-analyse tussen de Rotterdam – Landelijk. Er is niet getoetst op het verschil binnen de onderwijssectoren. Leraren staan vaak open voor wensen ouders F=12.2; p<.01; E²=0.03.62
  • 65. Tabel 5.7 – Aandeel ouders dat aangeeft dat leraren vaak rekening met de oudershouden. basisonderwijs voortgezet onderwijs Ouders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170) Leraren staan vaak open voor mijn wensen 57% 41% 40% 24% Leraren houden vaak rekening met mijn ideeën over 35% 19% 19% 12% onderwijs Leraren houden vaak rekening met mijn ideeën over 51% 40% 26% 26% de ontwikkeling van mijn kind Leraren houden vaak rekening met mijn ideeën over 44% 27% 17% 9% de opvoeding van mijn kind Ik voel me vaak serieus genomen door de leraren 76% 62% 48% 50%In Tabel 5.8 is weergegeven in hoeverre sc hoolleiders het idee hebben dat oudersrekening houden met de leraren van de school. Over het algemeen is het aandeelschoolleiders dat denkt dat ouders vaak rekening houden met de leraren in het baogroter dan in het vo. Tussen Rotterdam en de rest van la nd is hierin weinig verschil.Volgens circa twee derde van de schoolleiders in het bao staan ouders vaak open voorde wensen van leraren, in het vo is dit ruim de helft. Van de schoolleiders vindt circa70 procent uit het bao en circa de helft uit het vo, dat ouders vaak rekening houdenmet de ideeën van de leraar over het onderwijs en over de ontwikkeling van het kind.Het aandeel schoolleiders dat denkt dat ouders vaak rekening houden met de ideeënvan leraren over de opvoeding is kleiner, in het bao en het vo schommelt dit rondtweevijfde tot een derde. 63
  • 66. Tabel 5.8 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat ouders vaak rekening houden metde leraren van de school basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)Ouders staan vaak open voor de wensen van de 65% 69% 57% 50%lerarenOuders houden vaak rekening met de ideeën 75% 70% 62% 57%van de leraren over onderwijsOuders houden vaak rekening met de ideeën 67% 72% 52% 55%van de leraren over de ontwikkeling van hunkindOuders houden vaak rekening met de ideeën 38% 43% 38% 32%van de leraren over de opvoeding van hun kindKortom. Ouders houden doorgaans rekening met de ideeën van de leraar over hetonderwijs, in mindere mate met de visie van de leraar over de ontwikkeling van hunkind en veel mindere mate met het oordeel van de leraar over de opvoeding.Omgekeerd nemen leraren de mening van ouders serieus over de ontwikkeling vanhun kind, in mindere mate staan ze open voor hun visie over de opvoeding en in nogmindere mate voor hun zienswijze over het onderwijs.5.5 Ondersteuning van ouders bij onderwijs van hun kindDe tabellen 5.9 en 5.10 tonen de activiteiten die ouders vaak ondernemen om het kindte ondersteunen met het onderwijs.64
  • 67. Tabel 5.9 – Activiteiten die ouders vaak ondernemen om kind met onderwijs te onder-steunen basisonderwijs voortgezet onderwijsOuders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=74) (n=353) (n=42) (n=168)M et kind praten over wat er op school gebeurt 89% 95% 95% 90%Voorlezen * 72% 72%M et mijn kind naar bibliotheek gaan 46% 58% 12% 20%M et huiswerk helpen 69% 51% 31% 40%Overleggen met leraren om mijn kind thuis teondersteunen 46% 30% 26% 20%* Deze vraag is niet gesteld aan ouders met kinderen in het voortgezet onderwijsVolgens de overgrote meerderheid van de ouders praten zij met hun kind over wat erop school gebeurt. Bijna drie kwart van de ouders leest voor. In het bao gaat circa dehelft van de ouders met hun kind naar de bibliotheek en helpen ze met huiswerk (tweederde in Rotterdam versus de helft in de rest van het land). In het vo is dit aandeelkleiner. Rond de helft van de Rotterdamse ouders overlegt met leraren om hun kindthuis te ondersteunen.Is er contact tussen school en ouders over onderwijsondersteunend gedrag thuis?Op iets meer dan de helft van de scholen in Rotterdam en landelijk in het bao is ercontact met de ouders over onderwijsondersteunend gedrag thuis. In het vo is hetlandelijk minder (28%).Kortom: er zijn verschillen tussen activiteiten die Rotterdamse ouders vaak onderne-men om kind met onderwijs te ondersteunen dan in de rest van Nederland. Ouders opRotterdamse scholen gaan minder vaak met hun kind maar de bibliotheek dan oudersin de rest van het land, er is vaker overleg tussen ouders en school om hun kinderenthuis te ondersteunen en ouders helpen vaker met huiswerk.5.6 Mogelijkheden tot contactTabel 5.11 laat zien van welke contactmogelijkheden ouders op de hoogte van zijn.Ongeveer een derde van de ouders met kinderen in het bao is op de hoogte van hetdagelijks inloopkwartier. Twee derde van de Rotterdamse ouders geeft aan dat er eenouderkamer aanwezig is, tegen een op de tien ouders in de rest van het land. 65
  • 68. Een minderheid van de ouders geeft aan dat er een vast spreekuur is met de groepsle-raar/mentor of directie, maar ouders kunnen doorgaans altijd contact met hen opne-men. Rotterdamse ouders zeggen vaker dat er vaste (ouder)contactpersonen in het baoaanwezig zijn.Tabel 5.11 – Contactmogelijkheden waar ouders van op de hoogte zijn basisonderwijs voortgezet onderwijsOuders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=73) (n=349) (n=41) (n=166)Dagelijks inloopkwartier voordat school begint * 38% 31%Ouderkamer * 66% 11%Vast spreekuur met groepsleraar / mentor 21% 7% 20% 22%Ouders kunnen altijd contact opnemen met 71% 80% 85% 91%groepsleraar / mentorVast (ouder) contactpersoon 71% 42% 56% 61%Vast spreekuur met de directie 14% 10% 7% 5%Ouders kunnen altijd contact opnemen met de 74% 86% 80% 78%directie* Deze vragen zijn niet gesteld aan ouders met kinderen in het voortgezet onderwijsWelke contactmogelijkheden bieden schoolleiders aan? Dit staat in tabel 5.12. Dehelft van de schoolleiders geeft aan dat er dagelijks een inloopkwartier is. Ongeveereen vijfde tot een derde heeft een vast spreekuur met de groepsleraar/mentor en circaeen tiende met de directie. Nagenoeg alle schoolleiders geven aan dat ouders altijdcontact kunnen opnemen. Dit wisselt nauwelijks tussen Rotterdam en de rest vanNederland.66
  • 69. Tabel 5.12 – Contactmogelijkheden die schoolleiders aanbieden basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=484) (n=21) (n=70)Dagelijks een inloopkwartier voordat school begint * 51% 52%Ouderkamer * 56% 13%Vast spreekuur met groepsleraar / mentor 25% 21% 33% 20%Ouders kunnen altijd contact opnemen met groepsle- 90% 88% 86% 97%raar / mentorVast (ouder) contactpersoon 70% 46% 90% 71%Vast spreekuur met directie 13% 10% 10% 7%Ouders kunnen altijd contact opnemen met 95% 98% 100% 93%directie* Deze vragen zijn niet gesteld aan schoolleiders in het voortgezet onderwijsKortom. Er zijn een paar verschillen tussen Rotterdamse scholen en de rest van Ne-derlandse scholen wat betreft de contactmogelijkheden: er is vaker een ouderkameraanwezig en er is vaker een vast (ouder) contactpersoon aangesteld.5.7 De inhoud van het contactHoe ziet de inhoud van het contact met leraren eruit volgens de ouders en de dire c-ties? Rotterda mse ouders in het basisonderwijs stellen vaker dan de ouders in de restvan Nederland dat leraren hen ondersteunen hoe zij thuis hun kind kunnen helpen methet onderwijs en ook vaker leerstof/oefenstof meegeven.Tabel 5.13 – De inhoud van het contact met leraren volgens de ouders basisonderwijs voortgezet onderwijsOuders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=344) (n=41) (n=167)Leraren ondersteunen vaak ouders hoe zij thuiskind kunnen helpen met onderwijs 46% 15% 10% 8%Ouders voorzien leraren vaak van adviezen overaanpak van hun kinderen 28% 20% 15% 16%Leraren maken vaak gebruik van adviezen oudersover aanpak van hun kinderen 22% 19% 7% 8%Leraren geven vaak leerstof/oefenstof mee 49% 24% 39% 31% 67
  • 70. Schoolleiders in het bao stellen vaker dan hun collega’s in het vo dat leraren de ou-ders ondersteunen met hoe zij thuis hun kinderen kunnen helpen met onderwijs. On-geveer één op de vijf geeft aan dat ouders de leraren vaak voorzien met adviezen overde aanpak van hun kinderen. Circa een der de geeft aan dat leraren hier ook gebruikvan maken. Dit verschilt nauwelijks tussen Rotterdam en de rest van het land.Leraren in het basisonderwijs in Rotterdam geven volgens schoolleiders (iets) vakerleer- en oefenstof mee dan hun collega’s in de rest van het land.Tabel 5.14 – De inhoud van het contact met ouders volgens de schoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=483) (n=21) (n=69)Leraren ondersteunen vaak ouders hoe zij thuishun kind kunnen helpen met onderwijs 43% 46% 33% 17%Ouders voorzien leraren vaak van adviezen overaanpak van hun kinderen 21% 24% 24% 19%Leraren maken vaak gebruik van adviezen oudersover aanpak van hun kinderen 35% 37% 19% 32%Leraren geven vaak leerstof/oefenstof mee 63% 45% 52% 58%Kortom. Er zijn een paar verschillen tussen Rotterdamse en de rest van Nederlandsescholen in het basisonderwijs wat betreft de contactmogelijkheden. Rotterdamseouders met kinderen in het basisonderwijs stellen vaker dan de ouders in de rest vanNederland dat leraren hen ondersteunen hoe zij thuis hun kind kunnen helpen metonderwijs. Leraren in het basisonderwijs in Rotterdam geven volgens schoolleiders(iets) vaker leer- en oefenstof mee dan hun collega’s in de rest van het land.5.8 Invloed ouderbetrokkenheidWelke invloed kan ouderbetrokkenheid hebben op het onderwijs? Voor de oudersstaat dit in Tabel 5.15, voor de schoolleiders in Tabel 5.16.Nagenoeg alle respondenten (ouders en schoolleiders in het bao en het vo, landelijken in Rotterdam) zijn het er (geheel) over eens dat ouderbetrokkenheid van invloed isop de ontwikkelingskansen, het welbevinden en de schoolprestaties van het kind.68
  • 71. Of het van invloed is op de taakuitvoering van leraren en op het onderwijs va n deleraar aan het kind, daarover zijn de respondenten minder eenduidig. Een kwart totongeveer 80 procent van de schoolleiders in het bao en het vo denkt van wel.Van de Rotterdamse ouders met kinderen in het bao is ruim drie kwart het hier meeeens, in de rest van het land is dit meer dan de helft. Van de ouders met kinderen inhet vo vindt ongeveer de helft dat ouderbetrokkenheid van invloed is op de taakuit-voering en het onderwijs van de leraar.Tabel 5.15 – Aandeel ouders dat (geheel) eens is met stellingen over de invloed vanouderbetrokkenheid op het onderwijs van hun kind basisonderwijs voortgezet onderwijsOuders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=337) (n=41) (n=166)Ontwikkelingskansen van kind 94% 91% 83% 88%Welbevinden van kind 96% 92% 78% 89%Schoolprestaties van kind 94% 85% 80% 81%Taakuitvoering van leraren 76% 57% 46% 48%Onderwijs van de leraar aan kind 79% 60% 56% 49%Tabel 5.16 – Aandeel schoolleiders dat (geheel) eens is met stellingen over de invloedvan ouderbetrokkenheid op het onderwijs basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=477) (n=21) (n=69)Ontwikkelingskansen van leerlingen 92% 94% 100% 87%Welbevinden van leerlingen 92% 95% 100% 90%Schoolprestaties van leerlingen 86% 93% 100% 90%Taakuitvoering van leraren 78% 79% 76% 71%Onderwijs van de leraren aan leerlingen 73% 77% 81% 80%5.9 SamenvattendEr zijn verschillen in de manieren van communiceren tussen Rotterdamse scholen ende rest van Nederlandse scholen. Rotterdamse leraren in het basisonderwijs gaanvaker op huisbezoek dan hun collega’s in de rest van Nederland. Rotterdamse oudershebben vaker kennismakingsgesprekken, voelen zich vaker welkom, komen vaker 69
  • 72. wekelijks tot dagelijks op de school van hun kind en praten vaker met de leraar overhet onderwijs en over de ontwikkeling van hun kind. Er is ook een ouderkamer aan-wezig en een vast (ouder) contactpersoon aangesteld.Rotterdamse ouders met kinderen in het basisonderwijs stellen vaker dan de ouders inde rest van Nederland dat leraren hen ondersteunen hoe zij thuis hun kind kunnenhelpen met onderwijs. Rotterdamse leraren geven vaker leer- en oefenstof mee danhun collega’s in de rest van het land.Nagenoeg alle ouders vinden het belangrijk om tijd te besteden aan het onderwijs vanhun kind. De meeste ouders geven aan dat de contacten met school goed zijn. Dit issterker in het bao en in het vo. Rotterdamse ouders zijn iets positiever over de contac-ten met school dan ouders uit de rest van het land. Rotterdamse ouders (zowel bao alsvo) vinden vaker dat leraren hen stimuleren om bij het onderwijs van hun kind be-trokken te zijn.Een belangrijk element in de afstemming tussen activiteiten van de school en oudersis hoe leerkrachten, ouders en leerlingen aankijken tegen de opvoedende en onderwij-zende taken van ouders en leerkrachten. Ouders houden doorgaans rekening met deideeën van de leraar over het onderwijs, in mindere mate met de visie van de leraarover de ontwikkeling van hun kind en veel mindere mate met het oordeel van deleraar over de opvoeding.Omgekeerd nemen leraren de mening van ouders serieus over de ontwikkeling vanhun kind, in mindere mate staan ze open voor de visie van ouders over de opvoedingen in nog mindere mate voor hun zienswijze over het onderwijs.In het volgende hoofdstuk gaan we in op de resultaten van de surveys over oordelenover de relatie ouders-school.70
  • 73. 6 Oordeel over relatie ouders en school6.1 InleidingIn dit afsluitende hoofdstuk beschrijven we het oordeel van ouders en schoolleidersover de kwaliteit van de relatie ouders en school, over wat scholen van elkaar kunnenleren, wat de effecten zijn van het programma Beter Presteren wat betreft de ouderbe-trokkenheid.6.2 Beoordeling contacten tussen ouders en scholenHoe beoordelen ouders de contacten tussen ouder en school? In tabel 6.1 staat hetgemiddelde rapportcijfer dat de ouders het contact met de school geven. In de tabel iste zien dat Rotterdamse ouders met kinderen in het bao de contacten een hoger ge-middeld rapportcijfer geven dan ouders in de rest van het land. De rapportcijfers vanouders met kinderen in het vo binnen of buiten Rotterdam zijn nagenoeg aan elkaargelijk.Tabel 6.1 – Gemiddelde rapportcijfers van ouders over contacten met de school basisonderwijs voortgezet onderwijsOuders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=71) (n=336) (n=40) (n=166)Contacten met school van het kind 7,8 7,0 6,7 6,6Inbreng school in contact 7,4 6,3 6,1 6,0Eigen inbreng in contact 7,9 7,4 7,2 7,2Een gemiddeld rapportcijfer kan vertekend worden door extreem hoge en lage rap-portcijfers. Hoeveel beoordelen het contact als voldoende? In tabel 6.1 staat het aan-deel ouders dat de contacten met de school als voldoende beoordeelt. Deze groep gafeen rapportcijfer tussen 6,5 en 10. 71
  • 74. Tabel 6.2 – Aandeel ouders dat contacten tussen ouder en school beoordeelt met eenrapportcijfer tussen 6,5 en 10 basisonderwijs voortgezet onderwijsOuders Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=71) (n=336) (n=40) (n=166)Contacten met school van het kind 89% 73% 65% 58%Inbreng school in contact 79% 55% 53% 43%Eigen inbreng in contact 93% 85% 75% 80%Tabel 6.2 toont dat een ruime meerderheid van de ouders in het bao en het vo decontacten tussen ouders en school als ruim voldoende tot goed beoordeelt. Over dehele linie geven de Rotterdamse ouders een iets hogere beoordeling wat betreft decontacten met de school van het kind, de inbreng van de school in het contact en deeigen inbreng in het contact. Ouders (met uitzondering van Rotterdamse ouders metkinderen in het po) zijn iets minder positief over de inbreng van de school in hetcontact, de helft geeft hiervoor een voldoende.De beoordeling van de contacten tussen ouder en school door de schoolleiders staat intabel 6.3 en 6.4. In 6.3 staat het gemiddelde rapportcijfer dat de schoolleiders aan deoudercontacten geeft. Over het algemeen geven ze een iets lager gemiddeld rapport-cijfer dan de ouders. De beoordeling van de oudercontacten door de Rotterdamseschoolleiders is nagenoeg gelijk aan hun collega’s in de rest van het land.Tabel 6.3 – Gemiddelde rapportcijfers van schoolleider over contacten met ouders basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=475) (n=21) (n=69)Contacten van uw school met ouders 7,3 7,4 7,0 7,2Inbreng van ouders in het contact 6,7 6,9 6,3 6,4Inbreng van leraren in het contact 7,4 7,4 6,6 6,9In tabel 6.4 staat het aandeel schoolleiders dat de oudercontacten een voldoende geeft.Deze tabel toont dat de ruime meerderheid van de schoolleiders de contacten van deschool en de inbreng van de leraren als voldoende tot goed typeert. Over de inbrengvan ouders in het contact zijn schoolleiders wat voorzichtiger, ruim de helft geeft72
  • 75. voor de inbreng van ouders een voldoende. Schoolleiders in het bao in de rest van hetland zijn iets enthousiaster, bijna drie kwart geeft de inbreng van ouders een voldoen-de.Tabel 6.4 – Aandeel schoolleiders dat contacten tussen ouder en school beoordeeltmet een rapportcijfer tussen 6,5 en 10 basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=475) (n=21) (n=69)Contacten van uw school met ouders 86% 88% 81% 84%Inbreng van ouders in het contact 56% 73% 57% 51%Inbreng van leraren in het contact 86% 88% 62% 70%En ruime meerderheid van de schoolleiders uit het bao en het vo beoordeelt de con-tacten tussen ouders en school als ruim voldoende tot goed.Over de hele linie geven de Rotterdamse schoolleiders een hogere beoordeling watbetreft de inbreng van de leraren in het contact dan ouders in de rest van het land.6.3 Leren en geïnspireerd rakenWe hebben de schoolleiders een aantal stellingen voorgelegd over wat scholen vanelkaar kunnen leren. Deze stellingen staan in Tabel 6.5.De meeste schoolleiders zijn het (geheel) met de stellingen eens. Alleen voor deschoolleiders in het vo in de rest van het land is het aandeel iets kleiner, hier ligt hetaandeel dat het met de stellingen eens is tussen 70 en 80 procent.Van de overige schoolleiders denkt meer dan 80 procent dat scholen van elkaar kun-nen leren hoe ze een visie op het omgaan met ouders kunnen ontwikkelen, hoe zeafspraken met ouders kunnen maken, hoe ze de bereidheid van het schoolteam kun-nen vergroten om de samenwerking met ouders aan te gaan en over de vaardighedenin het omgaan met ouders. 73
  • 76. Tabel 6.5 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft het (geheel) eens te zijn met stellingenover wat scholen van elkaar kunnen leren basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=471) (n=21) (n=69)Hoe een visie te ontwikkelen om met ouders omte gaan 86% 84% 86% 80%Hoe afspraken te maken met ouders 90% 83% 86% 70%Vergroten bereidheid van schoolteam om sa-menwerking met ouders aan te gaan 86% 85% 76% 71%Vaardigheid in omgaan met ouders 86% 90% 86% 78%6.4 Effecten aanpak programma Beter PresterenOver de effecten van de aanpak van het programma Beter Presteren wat betreft ou-derbetrokkenheid hebben we aan de Rotterdamse schoolleiders drie stellingen voor-gelegd. Zijn zij door de aanpak geïnspireerd geraakt? En levert het iets op? Dit staatin Tabel 6.6.Tabel 6.6 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft het (geheel) eens te zijn met stellingenover effecten aanpak Beter Presteren wat betreft ouderbetrokkenheid* basisonderwijs voortgezet onderwijsS cholen Rotterdam (n=63) Rotterdam (n=20)Geïnspireerd bij de keuze van de contacten metouders 38% 50%Geïnspireerd om meer aandacht te besteden aancontacten met ouders 52% 50%Aantoonbaar hogere onderwijsresultaten 32% 15%* Deze stellingen zijn alleen voorgelegd aan respondenten uit RotterdamVan de schoolleiders uit het bao en het vo geeft respectievelijk ongeveer 38 en 50procent aan dat ze door de aanpak van Beter Presteren wat betreft ouderbetrokkenheidgeïnspireerd zijn bij de keuze van de contacten met ouders. In beide onderwijssecto-ren geeft ongeveer de helft aan dat de aanpak hen inspireerde om meer aandacht tebesteden aan contacten met ouders.74
  • 77. In Tabel 5.15 zagen we dat de meeste schoolleiders van mening zijn dat ouderbetro k-kenheid kan leiden tot betere onderwijsprestaties. In hoeverre heeft de Rotterdamseaanpak om ouderbetrokkenheid te vergroten dan daadwerkelijk geleid tot betere pres-taties?In Tabel 6.4 is te zien dat van de schoolleiders in het bao en het vo respectievelijk 32en 15 procent het er (geheel) mee eens zijn dat de aanpak van Beter Presteren om deouderbetrokkenheid te optimaliseren heeft geleid tot aantoonbaar hogere onderwijsre-sultaten. Het is jammer genoeg lastig om deze gegevens te duiden, omdat er nauwe-lijks Nederlands effectenonderzoek beschikbaar is.6.5 Wat kan verbeterd worden in de Rotterdamse aanpak?We hebben aan directies en ouders de vraag voorgelegd wat de ervaren knelpunten engewenste oplossingen zijn voor de contacten tussen ouders en school, het ondersteu-nend gedrag van ouders en het educatief partnerschap.Een belangrijke voorwaarde voor partnerschap ouders-school is goede communicatie.In een samenleving waarin de burger steeds mondiger wordt, is de manier waarop metouders gecommuniceerd wordt van groot belang.Volgens ouders met kinderen op Rotterdamse scholen in het basisonderwijs verlooptde communicatie met het schoolteam niet altijd vlekkeloos. Men ervaart als knelpun-ten dat directies en leerkrachten telefonisch en via de mail niet altijd bereikbaar zijn.Daarnaast noemt men de slechte kwaliteit van de communicatie (onduidelijke brie-ven, geen of late reacties op mails; geen terugkoppeling na ‘incidenten’, geen initia-tieven nemen om contact te zoeken).Ouders hebben het idee dat ze niet serieus worden genomen. Ouders zien als oplos-singen voor de communicatieproblemen: een directiespreekuur, alle leerkrachten eene-mailadres, de school meer rekening houdt met werke nde ouders en meer huisbezoe-ken aflegt om contact te houden.Volgens de directies van Rotterdamse scholen in het basisonderwijs beseffen oudersniet altijd dat hun onderwijsondersteunend gedrag van invloed is op de leerprestaties.Daarbij beschikken ouders niet altijd over de juiste attitude (geen gedeelde verant-woordelijkheid voor onderwijs, niet nakomen van afspraken) en vaardigheden (anal-fabetisme, niet beheersen van de Nederlandse taal, ouders begrijpen vaak de opdrach-ten voor de leerlingondersteuning thuis niet) en hebben geen tijd om zich thuis metschool bezig te houden (eenoudergezinnen) , gaan soms een machtsstrijd met de leer- 75
  • 78. kracht aan over de aanpak en gebruiken soms een didactiek die ze van hun schooltijdkennen.Directies zien als oplossingen voor de gesignaleerde problemen: meer ruimte opscholen voor ouderconsulenten, meer groepsbijeenkomsten met ouders over onder-wijsondersteunend gedrag, meer samenwerking met andere onderwijsinstellingen enouders meer betrekken bij het schoolbeleid.Klachten van directies van Rotterdamse scholen over het functioneren van het educa-tief partnerschap met ouders zijn: de lage opkomst bij ouderavonden, de communica-tie hierover verloopt moeizaam en ouders voelen zich niet medeverantwoordelijkvoor het inleveren va n het huiswerk, leggen de verantwoordelijkheid voor het lerenexclusief bij de school. het is lastig om met hen afspraken te maken en ze houden zicher niet altijd aan. Directies zien als oplossingen voor het matig functioneren van edu-catief partnerschap: bij de intake duidelijker aangeven wat de verwachtingen zijn,ouders beter informeren (via ouderavonden, de ouderkamer), ouders in de klas latenkijken, vaker samen met ouders over onderwijsondersteunend gedrag van gedachtenwisselen, de ontwikkeling van de ouderbetrokkenheid jaarlijks op de agenda zetten endoelen stellen waaraan de school samen met ouders moet werken.6.6 SamenvattendEn ruime meerderheid van de ouders met schoolgaande kinderen in het bao en het vobeoordeelt de contacten tussen ouders en school als ruim voldoende tot goed. Over dehele linie geven de Rotterdamse ouders een iets hogere beoordeling voor de contactenmet de school van het kind, de inbreng van de school in het contact en de eigen in-breng in het contact dan ouders in de rest van het land. De beoordeling van de ouder-contacten door de Rotterdamse schoolleiders is nagenoeg gelijk aan hun collega ’s inde rest van het land.Schoolleiders zijn van mening dat scholen van elkaar kunnen leren hoe ze een visiekunnen ontwikkelen voor op het omgaan met ouders, hoe ze afspraken met ouderskunnen maken, hoe ze de bereidheid van het schoolteam kunnen vergroten om desamenwerking met ouders aan te gaan en in de vaardigheid in het omgaan met ouders.Volgens een derde van de schoolleiders in het bao heeft de aanpak voor het vergrotenvan de ouderbetrokkenheid bij Beter Presteren geleid tot aantoonbaar hogere onder-wijsresultaten.Volgens Rotterdamse ouders in het basisonderwijs is de bereikbaarheid van hetschoolteam en de communicatie met het schoolteam niet altijd optimaal. Ouders zien76
  • 79. als oplossingen voor de communicatieproblemen: een directiespreekuur, alle lee r-krachten een e-mailadres, de school meer rekening houdt met werkende ouders enmeer huisbezoeken aflegt om contact te houden.Directies van Rotterdamse scholen in het basisonderwijs ervaren het onderwijsonder-steunend gedrag van de ouders soms als een knelpunt. Ouders beschikken niet altijdover de juiste attitude (voelen zich niet mede verantwoordelijk voor het onderwijs,komen afspraken niet na) en vaardigheden (analfabetisme, niet beheersen van deNederlandse taal, snappen de opdrachten niet) en hebben niet altijd tijd om zich thuismet school bezig te houden (eenoudergezinnen). Directies zien als oplossingen voorde gesignaleerde problemen: meer ruimte op scholen voor ouderconsulenten, meergroepsbijeenkomsten met ouders over dit thema, meer samenwerking met andereonderwijsinstellingen en ouders meer betrekken bij het schoolbeleid.Klachten van directies van Rotterdamse scholen over het functioneren van het educa-tief partnerschap met ouders zijn: de lage opkomst bij ouderavonden, ouders de op-drachten voor de leerlingondersteuning thuis niet begrijpen, de communicatie hier-over moeizaam verloopt, ouders zich niet medeverantwoordelijk voelen voor hetinleveren van het huiswerk, het is lastig om met hen afspraken te maken en ouderszich niet altijd aan de genaakte afspraken.Directies zien als oplossingen voor de matig functioneren van educatief partnerschap:bij de intake duidelijker aangeven wat de verwachtingen zijn, ouders beter informeren(via ouderavonden, de ouderkamer), ouders in de klas laten kijken, vaker samen metouders over dit onderwerp van gedachten wisselen, de ontwikkeling van de ouderbe-trokkenheid jaarlijks op de agenda zetten en doelen stellen waaraan de school moetwerken. 77
  • 80. Bijlage tabellenFrequentie van contacten tussen ouders en schoolTabel B5.1 – Hoe vaak komen leraren volgens de deelnemende ouders op huisb e-zoek?Ouders nooit eén keer eén keer eén keer maande- wekelijks dagelijks per jaar per half per 3 lijks jaar maandenbasis- Rotterdam 70,1% 23,4% 1,3% 1,3% 1,3% 1,3% 1,3%onderwijs (n=77) Landelijk 87,2% 11,0% 0,5% 0,0% 0,3% 0,3% 0,8% (n=383)voortgezet Rotterdam 95,8% 0,0% 0,0% 4,2% 0,0% 0,0% 0,0%onderwijs (n=48) Landelijk 96,7% 3,3% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% (n=183)Tabel B5.2 – Hoe vaak komen ouders op de school van hun kind (exclusief brengenen halen)?Ouders nooit 1x per jaar 1x per half 1x per 3 maande- wekelijks dagelijks jaar maanden lijksbasisonder- Rotterdam 0,0% 0,0% 3,9% 18,2% 7,8% 32,5% 37,7%wijs (n=77) Landelijk 0,5% 0,5% 7,8% 28,2% 26,9% 23,8% 12,3% (n=383)voortgezet Rotterdam 6,3% 10,4% 25,0% 54,2% 4,2% 0,0% 0,0%onderwijs (n=48) Landelijk 3,3% 4,9% 21,9% 48,6% 19,1% 2,2% 0,0% (n=183) 79
  • 81. Tabel B5.3 – Hoe vaak komen ouders volgens de deelnemende schoolleiders, gemid-deld bij op school (exclusief brengen en halen)?Schoolleiders nooit eén keer eén keer eén keer maande- wekelijks dagelijks per jaar per half per 3 lijks jaar maandenbasisonder- Rotterdam 0,0% 0,0% 7,9% 54,0% 15,9% 15,9% 6,3%wijs (n=63) Landelijk 0,0% 0,2% 7,9% 51,8% 20,0% 11,6% 8,5% (n=519)voortgezet Rotterdam 0,0% 4,8% 0,0% 81,0% 14,3% 0,0% 0,0%onderwijs (n=21) Landelijk 1,2% 1,2% 25,6% 66,3% 4,7% 0,0% 1,2% (n=86)Tabel B5.4 – Onderwerpen waar in de contacten met de leraar volgens de oudersover wordt gesproken: onderwijs van mijn kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=377) (n=47) (n=181)(bijna) nooit 3% 6% 6% 7%soms 35% 49% 32% 49%vaak 60% 44% 62% 44%niet van toepassing 3% 1% 0% 1%Tabel B5.5 – Onderwerpen waar in de contacten met de leraar volgens de oudersover wordt gesproken: ontwikkeling van mijn kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=377) (n=47) (n=181)(bijna) nooit 3% 2% 13% 12%soms 36% 41% 30% 44%vaak 58% 56% 51% 44%niet van toepassing 3% 1% 6% 1%80
  • 82. Tabel B5.6– Onderwerpen waar in de contacten met de leraar volgens de ouders overwordt gesproken: opvoeding van mijn kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=377) (n=47) (n=181)(bijna) nooit 35% 55% 53% 65%soms 44% 35% 23% 28%vaak 17% 8% 13% 3%niet van toepassing 4% 2% 11% 4%Opvattingen over ouder – school contactenTabel B5.7 – Opvattingen van ouders over de contacten met de school: Ik voel mewelkom op de school van mijn kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=373) (n=46) (n=177)geheel oneens 0% 4% 0% 1%oneens 3% 5% 4% 8%neutraal / geen mening 5% 9% 20% 17%eens 48% 46% 52% 52%geheel eens 44% 36% 24% 22%Tabel B5.8 – Opvattingen van ouders over de contacten met de school: Lera ren zijnbij mij thuis welkomOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=373) (n=46) (n=177)geheel oneens 3% 1% 7% 2%oneens 5% 2% 13% 6%neutraal / geen mening 9% 12% 26% 19%eens 44% 49% 43% 50%geheel eens 39% 36% 11% 23% 81
  • 83. Tabel B5.9 – Opvattingen van ouders over de contacten met de school: belangrijk omtijd te besteden aan het onderwijs van mijn kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=373) (n=46) (n=177)geheel oneens 0% 1% 0% 1%oneens 0% 0% 0% 0%neutraal / geen mening 1% 1% 4% 1%eens 35% 41% 37% 41%geheel eens 64% 57% 59% 58%Tabel B5.10 – Opvattingen van ouders over de contacten met de school: goed contactmet school van mijn kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=373) (n=46) (n=177)geheel oneens 0% 3% 0% 4%oneens 3% 9% 11% 13%neutraal / geen mening 5% 11% 17% 22%eens 44% 46% 52% 46%geheel eens 48% 32% 20% 15%Tabel B5.11 – Opvattingen van ouders over de contacten met de school: Lerarenstimuleren dat ik betrokken ben bij het onderwijs van mijn kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=77) (n=373) (n=46) (n=177)geheel oneens 1% 6% 4% 13%oneens 14% 27% 24% 35%neutraal / geen mening 9% 24% 22% 27%eens 49% 30% 37% 17%geheel eens 26% 13% 13% 8%82
  • 84. Tabel B5.12 – Opvattingen van schoolleiders over de contacten met ouders: Ouderszijn welkom op schoolSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=510) (n=21) (n=78)geheel oneens 2% 1% 0% 1%oneens 0% 0% 0% 1%neutraal / geen mening 0% 0% 0% 0%eens 19% 17% 33% 38%geheel eens 79% 82% 67% 59%Tabel B5.13 – Opvattingen van schoolleiders over de contacten met ouders: Lerarenzijn welkom bij de ouders thuisSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=510) (n=21) (n=78)geheel oneens 3% 1% 0% 3%oneens 3% 3% 5% 6%neutraal / geen mening 32% 36% 33% 46%eens 49% 45% 29% 33%geheel eens 13% 16% 33% 12%Tabel B5.14 – Opvattingen van schoolleiders over de contacten met ouders: Lerarenvinden het belangrijk dat ouders tijd besteden aan het onderwijs van hun kindSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=510) (n=21) (n=78)geheel oneens 2% 0% 0% 1%oneens 0% 0% 0% 0%neutraal / geen mening 0% 3% 0% 1%eens 37% 41% 38% 36%geheel eens 62% 55% 62% 62% 83
  • 85. Tabel B5.15 – Opvattingen van schoolleiders over de contacten met ouders: Er is eengoed contact met de ouders van de kinderenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=510) (n=21) (n=78)geheel oneens 0% 0% 5% 1%oneens 0% 2% 10% 0%neutraal / geen mening 3% 4% 0% 8%eens 70% 57% 52% 68%geheel eens 27% 36% 33% 23%Tabel B5.16 – Opvattingen van schoolleiders over de contacten met ouders: Lerarenstimuleren de ouderbetrokkenheidSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=510) (n=21) (n=78)geheel oneens 2% 1% 0% 1%oneens 0% 4% 0% 13%neutraal / geen mening 21% 13% 24% 21%eens 56% 56% 67% 46%geheel eens 22% 26% 10% 19%Rekening houden met elkaars opvattingenTabel B5.17 – Aandeel ouders dat aangeeft zelf rekening te houden met ideeën vanleraren over onderwijsOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)(bijna) nooit 3% 3% 2% 5%soms 19% 26% 33% 34%vaak 71% 66% 55% 51%niet van toepassing 8% 5% 10% 10%84
  • 86. Tabel B5.18 – Aandeel ouders dat aangeeft zelf rekening te houden met ideeën vanleraren over de ontwikkeling van hun kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)(bijna) nooit 5% 3% 10% 5%soms 29% 38% 29% 42%vaak 61% 56% 48% 46%niet van toepassing 4% 3% 14% 7%Tabel B5.19 – Aandeel ouders dat aangeeft zelf rekening te houden met ideeën vanleraren over de opvoeding van hun kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)(bijna) nooit 15% 22% 24% 27%soms 39% 38% 40% 39%vaak 29% 21% 14% 14%niet van toepassing 17% 18% 21% 20%Tabel B5.20 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat de leraren open staan voorwensen van oudersSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)(bijna) nooit 2% 0% 0% 3%soms 35% 25% 24% 45%vaak 63% 75% 76% 51%niet van toepassing 0% 0% 0% 1% 85
  • 87. Tabel B5.21 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat de leraren van de school rek e-ning houden met ideeën van ouders over onderwijsSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)(bijna) nooit 2% 3% 5% 14%soms 75% 61% 62% 57%vaak 24% 36% 29% 26%niet van toepassing 0% 0% 5% 4%Tabel B5.22 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat de leraren van de school rek e-ning houden met ideeën van ouders over de ontwikkeling van hun kindSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)(bijna) nooit 2% 0% 0% 1%soms 25% 28% 29% 49%vaak 71% 72% 67% 47%niet van toepassing 2% 0% 5% 3%Tabel B5.23 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat de leraren van de school rek e-ning houden met ideeën van ouders over de opvoeding van hu n kindSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)(bijna) nooit 5% 1% 0% 11%soms 41% 49% 43% 55%vaak 52% 49% 52% 30%niet van toepassing 2% 0% 5% 4%86
  • 88. Tabel B5.24 – Aandeel ouders dat aangeeft dat leraren open staan voor hun wensenOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)(bijna) nooit 1% 7% 12% 12%soms 32% 49% 33% 54%vaak 57% 41% 40% 24%niet van toepassing 9% 3% 14% 10%Tabel B5.25 – Aandeel ouders dat aangeeft dat de leraren van de school rekeninghouden met ideeën van ouders over onderwijsOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)(bijna) nooit 9% 24% 29% 31%soms 35% 45% 33% 36%vaak 35% 19% 19% 12%niet van toepassing 21% 12% 19% 21%Tabel B5.26 – Aandeel ouders dat aangeeft dat de leraren van de school rekeninghouden met ideeën van ouders over de ontwikkeling van hun kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)(bijna) nooit 4% 10% 19% 16%soms 35% 45% 31% 46%vaak 51% 40% 26% 26%niet van toepassing 11% 5% 24% 11% 87
  • 89. Tabel B5.27 – Aandeel ouders dat aangeeft dat de leraren van de school rekeninghouden met ideeën van ouders over de opvoeding van hun kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)(bijna) nooit 7% 16% 29% 25%soms 32% 37% 19% 32%vaak 44% 27% 17% 9%niet van toepassing 17% 21% 36% 33%Tabel B5.28 – Aandeel ouders dat aangeeft dat ze zich door de leraren serieus voelengenomenOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=75) (n=356) (n=42) (n=170)(bijna) nooit 3% 6% 5% 10%soms 17% 30% 40% 38%vaak 76% 62% 48% 50%niet van toepassing 4% 2% 7% 2%Tabel B5.29 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat ouders open staan voor dewensen van lerarenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)(bijna) nooit 2% 1% 5% 4%soms 33% 30% 38% 46%vaak 65% 69% 57% 50%niet van toepassing 0% 0% 0% 0%88
  • 90. Tabel B5.30 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat ouders rekening houden met deideeën van leraren over onderwijsSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)(bijna) nooit 2% 1% 5% 3%soms 22% 28% 33% 38%vaak 75% 70% 62% 57%niet van toepassing 2% 1% 0% 3%Tabel B5.31 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat ouders rekening houden met deideeën van de leraren over de ontwikkeling van hun kindSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)(bijna) nooit 2% 0% 5% 5%soms 30% 27% 43% 36%vaak 67% 72% 52% 55%niet van toepassing 2% 0% 0% 3%Tabel B5.32 – Aandeel schoolleiders dat aangeeft dat ouders rekening houden met deideeën van de leraren over de opvoeding van hun kindSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=490) (n=21) (n=74)(bijna) nooit 6% 4% 10% 12%soms 56% 52% 52% 51%vaak 38% 43% 38% 32%niet van toepassing 0% 1% 0% 4% 89
  • 91. Ondersteuning van ouders bij onderwijs van hun kindTabel B5.33 – Activiteiten die ouders ondernemen om kind met onderwijs te onde r-steunen: met kind praten over wat er op school gebeurtOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=74) (n=353) (n=42) (n=168)(bijna) nooit 0% 1% 2% 1%soms 9% 4% 2% 8%vaak 89% 95% 95% 90%niet van toepassing 1% 0% 0% 1%Tabel B5.34 – Activiteiten die ouders ondernemen om kind met onderwijs te onder-steunen: voorlezenOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=74) (n=353) (n=42) (n=168)(bijna) nooit 5% 6%soms 20% 21%vaak 72% 72%niet van toepassing 3% 1%Tabel B5.35 – Activiteiten die ouders ondernemen om kind met onderwijs te onder-steunen: met kind naar de bibliotheek gaanOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=74) (n=353) (n=42) (n=168)(bijna) nooit 14% 10% 24% 35%soms 38% 30% 48% 40%vaak 46% 58% 12% 20%niet van toepassing 3% 2% 17% 6%90
  • 92. Tabel B5.36 – Activiteiten die ouders ondernemen om kind met onderwijs te onde r-steunen: kind helpen met huiswerkOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=74) (n=353) (n=42) (n=168)(bijna) nooit 7% 2% 7% 11%soms 14% 19% 55% 48%vaak 69% 51% 31% 40%niet van toepassing 11% 28% 7% 2%Tabel B5.37 – Activiteiten die ouders ondernemen om kind met onderwijs te onde r-steunen: overleggen met leraren om hun kind thuis te ondersteunenOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=74) (n=353) (n=42) (n=168)(bijna) nooit 11% 14% 26% 25%soms 35% 45% 33% 52%vaak 46% 30% 26% 20%niet van toepassing 8% 11% 14% 4%Tabel B5.38 –Leraren overleggen met ouders hoe zij hun kind thuis kunnen onde r-steunenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=489) (n=21) (n=72)(bijna) nooit 0% 1% 5% 6%soms 44% 45% 38% 67%vaak 54% 53% 57% 28%niet van toepassing 2% 0% 0% 0% 91
  • 93. De inhoud van het contactTabel B5.39 – De inhoud van het contact met leraren volgens de ouders: Lerarenondersteunen ouders hoe zij thuis kind kunnen helpen met onderwijsOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=344) (n=41) (n=167)(bijna) nooit 13% 29% 44% 51%soms 31% 41% 37% 32%vaak 46% 15% 10% 8%niet van toepassing 11% 15% 10% 9%Tabel B5.40 – De inhoud van het contact met leraren volgens de ouders: Oudersvoorzien leraren van adviezen over aanpak van hun kinderenOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=344) (n=41) (n=167)(bijna) nooit 11% 14% 24% 30%soms 47% 54% 37% 43%vaak 28% 20% 15% 16%niet van toepassing 14% 12% 24% 11%Tabel B5.41 – De inhoud van het contact met leraren volgens de ouders: Lerarenmaken gebruik van adviezen van ouders over aanpak van hun kinderenOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=344) (n=41) (n=167)(bijna) nooit 14% 17% 34% 31%soms 47% 53% 32% 47%vaak 22% 19% 7% 8%niet van toepassing 17% 10% 27% 14%92
  • 94. Tabel B5.42 – De inhoud van het contact met leraren volgens de ouders: Lerarengeven leerstof/oefenstof meeOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=344) (n=41) (n=167)(bijna) nooit 14% 20% 15% 25%soms 29% 43% 41% 37%vaak 49% 24% 39% 31%niet van toepassing 8% 13% 5% 7%Tabel B5.43 – De inhoud van het contact met ouders volgens de schoolleiders: Lera-ren ondersteunen ouders hoe zij thuis hun kind kunnen helpen met het onderwijsSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=483) (n=21) (n=69)(bijna) nooit 2% 1% 0% 6%soms 54% 52% 62% 74%vaak 43% 46% 33% 17%niet van toepassing 2% 0% 5% 3%Tabel B5.44 – De inhoud van het contact met ouders volgens de schoolleiders: Ou-ders voorzien de leraren van adviezen over de aanpak van hun kinderenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=483) (n=21) (n=69)(bijna) nooit 19% 4% 0% 10%soms 59% 71% 71% 70%vaak 21% 24% 24% 19%niet van toepassing 2% 0% 5% 1% 93
  • 95. Tabel B5.45 – De inhoud van het contact met ouders volgens de schoolleiders: Lera-ren maken gebruik van de adviezen van ouders over de aanpak van hun kinderenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=483) (n=21) (n=69)(bijna) nooit 8% 2% 0% 9%soms 56% 60% 76% 55%vaak 35% 37% 19% 32%niet van toepassing 2% 0% 5% 4%Tabel B5.46 – De inhoud van het contact met ouders volgens de schoolleiders: Lera-ren geven leerstof/oefenstof meeSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=483) (n=21) (n=69)(bijna) nooit 3% 4% 0% 3%soms 32% 51% 43% 39%vaak 63% 45% 52% 58%niet van toepassing 2% 0% 5% 0%Invloed ouderbetrokkenheidTabel B5.47 – Mening ouders over stellingen over de positieve invloed van ouderb e-trokkenheid op ontwikkelingskansen van hun kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=337) (n=41) (n=166)geheel oneens 3% 1% 2% 1%oneens 0% 1% 2% 2%neutraal / geen mening 3% 7% 12% 9%eens 50% 54% 51% 55%geheel eens 44% 37% 32% 33%94
  • 96. Tabel B5.48 – Mening ouders over stellingen over de positieve invloed van ouderb e-trokkenheid op welbevinden van hun kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=337) (n=41) (n=166)geheel oneens 0% 1% 2% 1%oneens 0% 0% 2% 1%neutraal / geen mening 4% 6% 17% 9%eens 53% 50% 46% 51%geheel eens 43% 42% 32% 39%Tabel B5.49 – Mening ouders over stellingen over de positieve invloed van ouderb e-trokkenheid op schoolprestaties van hun kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=337) (n=41) (n=166)geheel oneens 1% 2% 5% 1%oneens 1% 2% 2% 1%neutraal / geen mening 3% 11% 12% 17%eens 56% 54% 46% 51%geheel eens 39% 31% 34% 31%Tabel B5.50 – Mening ouders over stellingen over de positieve invloed van ouderb e-trokkenheid op taakuitvoering van lerarenOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=337) (n=41) (n=166)geheel oneens 3% 2% 7% 7%oneens 7% 11% 12% 15%neutraal / geen mening 14% 29% 34% 30%eens 53% 41% 37% 37%geheel eens 24% 16% 10% 10% 95
  • 97. Tabel B5.51 – Mening ouders over stellingen over de positieve invloed van ouderb e-trokkenheid op onderwijs van de leraar aan hun kindOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=72) (n=337) (n=41) (n=166)geheel oneens 3% 4% 5% 8%oneens 7% 9% 10% 16%neutraal / geen mening 11% 28% 29% 27%eens 54% 42% 44% 39%geheel eens 25% 18% 12% 11%Tabel B5.52 – Mening schoolleiders over stellingen over de positieve invloed vanouderbetrokkenheid op ontwikkelingskansen van leerlingenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=477) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 3%oneens 0% 1% 0% 4%neutraal / geen mening 6% 5% 0% 6%eens 46% 56% 48% 65%geheel eens 46% 38% 52% 22%Tabel B5.53 – Mening schoolleiders over stellingen over de positieve invloed vanouderbetrokkenheid op welbevinden van de leerlingenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=477) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 1%oneens 0% 1% 0% 6%neutraal / geen mening 6% 4% 0% 3%eens 43% 51% 52% 65%geheel eens 49% 44% 48% 25%96
  • 98. Tabel B5.54 – Mening schoolleiders over stellingen over de positieve invloed vanouderbetrokkenheid op schoolprestaties van leerlingenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=477) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 3%oneens 0% 1% 0% 3%neutraal / geen mening 13% 6% 0% 4%eens 48% 56% 52% 64%geheel eens 38% 37% 48% 26%Tabel B5.55 – Mening schoolleiders over stellingen over de positieve invloed vanouderbetrokkenheid op taakuitvoering van lerarenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=477) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 4%oneens 5% 4% 0% 4%neutraal / geen mening 16% 17% 24% 20%eens 57% 57% 38% 58%geheel eens 21% 22% 38% 13%Tabel B5.56 – Mening schoolleiders over stellingen over de positieve invloed vanouderbetrokkenheid op onderwijs van de leraren aan de leerlingenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=477) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 3%oneens 3% 4% 0% 9%neutraal / geen mening 22% 18% 19% 9%eens 49% 54% 43% 68%geheel eens 24% 23% 38% 12% 97
  • 99. Beoordeling contacten tussen ouders en scholenTabel B6.57 – Beoordeling ouders van contacten met de schoolOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=71) (n=336) (n=40) (n=166)onvoldoende 2% 0% 0% 3%matig voldoende 3% 4% 0% 9%voldoende tot goed 24% 23% 38% 12%Tabel B6.58 – Beoordeling ouders van inbreng school in het contactOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=71) (n=336) (n=40) (n=166)onvoldoende 6% 24% 33% 31%matig voldoende 15% 22% 15% 25%voldoende tot goed 79% 55% 53% 43%Tabel B6.59 – Beoordeling ouders van eigen inbreng in het contact met de schoolOuders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=71) (n=336) (n=40) (n=166)onvoldoende 1% 4% 13% 7%matig voldoende 6% 11% 13% 13%voldoende tot goed 93% 85% 75% 80%Tabel B6.60 – Beoordeling schoolleiders van contacten van de school met ou dersSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=475) (n=21) (n=69)onvoldoende 3% 2% 10% 6%matig voldoende 11% 11% 10% 10%voldoende tot goed 86% 88% 81% 84%98
  • 100. Tabel B6.61 – Beoordeling schoolleiders van inbreng van ouders in het contactSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=475) (n=21) (n=69)onvoldoende 13% 8% 24% 25%matig voldoende 32% 19% 19% 25%voldoende tot goed 56% 73% 57% 51%Tabel B6.62 – Beoordeling schoolleiders van inbreng van leraren in het contact metoudersSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=475) (n=21) (n=69)onvoldoende 2% 3% 10% 10%matig voldoende 13% 9% 29% 20%voldoende tot goed 86% 88% 62% 70%Leren en geïnspireerd rakenTabel B6.63 – Mening schoolleiders of scholen van elkaar kunnen leren hoe een visiete ontwikkelen om met ouders om te gaanSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=471) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 3%oneens 3% 2% 0% 0%neutraal / geen mening 10% 14% 14% 17%eens 73% 69% 71% 68%geheel eens 13% 15% 14% 12% 99
  • 101. Tabel B6.64 – Mening schoolleiders of scholen van elkaar kunnen leren hoe afspra-ken te maken met oudersSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=471) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 1%oneens 3% 2% 0% 1%neutraal / geen mening 5% 15% 14% 28%eens 79% 68% 71% 57%geheel eens 11% 15% 14% 13%Tabel B6.65 – Mening schoolleiders of scholen van elkaar kunnen leren hoe de b e-reidheid van schoolteam te vergroten om samenwerking met ouders aan te gaanSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=471) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 1%oneens 0% 2% 0% 7%neutraal / geen mening 13% 13% 24% 20%eens 73% 62% 52% 55%geheel eens 13% 23% 24% 16%Tabel B6.66 – Mening schoolleiders of scholen vaardigheden in omgaan met oudersvan elkaar kunnen lerenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=471) (n=21) (n=69)geheel oneens 2% 0% 0% 1%oneens 0% 2% 0% 1%neutraal / geen mening 13% 8% 14% 19%eens 75% 66% 71% 62%geheel eens 11% 23% 14% 16%100
  • 102. Effecten project Ouderbetrokkenheid en Beter PresterenTabel B6.67 – Mening schoolleiders over effect project Ouderbetrokkenheid/BeterPresteren: door project geïnspireerd bij de keuze van de contacten met oudersSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=0) (n=20) (n=0)geheel oneens 5% 5%oneens 6% 5%neutraal / geen mening 51% 40%eens 33% 40%geheel eens 5% 10%Tabel B6.68 – Mening schoolleiders over effect project Ouderbetrokkenheid/BeterPresteren: door project geïnspireerd om meer aandacht te besteden aan contactenmet oudersSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=0) (n=20) (n=0)geheel oneens 3% 5%oneens 10% 5%neutraal / geen mening 35% 40%eens 44% 40%geheel eens 8% 10%Tabel B6.69 – Mening schoolleiders over effect project Ouderbetrokkenheid/BeterPresteren: door project aantoonbaar hogere onderwijsresultatenSchoolleiders basisonderwijs voortgezet onderwijs Rotterdam Landelijk Rotterdam Landelijk (n=63) (n=0) (n=20) (n=0)geheel oneens 5% 5%oneens 6% 5%neutraal / geen mening 57% 75%eens 29% 15%geheel eens 3% 0% 101
  • 103. Bijlage Menukaart Programma Beter PresterenMenukaart Programma Beter Presteren bestaat uit volgende onderdelen:1 Ambities formuleren wat betreft educatief partnerschapMaak duidelijk wat school en ouders van elkaar kunnen verwachten. Ga een opengesprek aangaan met ouders over deze verwachtingen en hun mogelijkheden om aandeze verwachtingen te voldoen. Stimuleer ouders om op hun beurt hun verwachtingenten aanzien van de school onder woorden te brengen. Wederzijdse verwachtingenkunnen in de vorm van een overeenkomst of intentieverklaring worden geformali-seerd.2. Informatievertrekken aan ouders over de school, de groep en over hun kindDe wijze van gespreksvoering met ouders. In een gelijkwaardige relatie worden be-slissingen ten aanzien van het kind gezamenlijk genomen, uiteraard met inachtnemingvan de verschillende eindverantwoorde lijkheden van ouders en school. De wijze vangespreksvoering bepaalt mede in hoeverre ouders de relatie als gelijkwaard ig ervarenen zich uitgenodigd voelen om hun inbreng te leveren en samen te werken metschool. Scholingsmogelijkheden: investeren in leerkrachtvaardigheden. Hoe creëer jeeen echt gelijkwaardige relatie met ouders? Bijvoorbeeld communicatietrainingen(waaronder interculturele communicatie), (zelf)reflectie, intervisie, coaching, obser-vatie.Huisbezoeken of kennismakingsgesprekken. Een kennismakingsgesprek aan het beginvan het schooljaar blijkt een zeer effectief instrument te zijn om een goede, positievestart te maken in het contact tussen school en ouders. Nog effectiever is het om ditgesprek bij de ouders en leerling thuis te houden. Een behoorlijke tijdsinvestering,maar één die veel inzicht voor de leerkracht en goodwill bij de ouders oplevert.Instrumenten: voeren van startgesprekken kennismakingsgesprek en afleggen vanhuisbezoeken, informatiewaarden.3. Functioneren team en stimuleren effectief onderwijsondersteunend gedrag vanoudersScholen kunnen het voortouw nemen in het stimuleren van onderwijsondersteunendgedrag van ouders. Hoe kunnen scholen dit stimuleren? En hoe kunnen scholen deonderwijsondersteuning van ouders proberen af te stemmen op de werkwijze van deschool? Hier volgen enkele handreikingen.102
  • 104. Duidelijkheid creëren binnen het team. Schep als team met elkaar duidelijkheid overwelk onderwijsondersteunend gedrag van ouders de school wenst. Dit sluit aan op deschoolvisie op leren en ontwikkelen van kinderen en op de rol van ouders hierbij.In gesprek gaan met ouders. In gesprek met ouders kan de leerkracht duidelijkheidkrijgen over wat ouders (thuis) al doen om het leerproces van hun kinderen te onder-steunen, in hoeverre het gewenste onderwijsondersteunend gedrag aansluit bij hunopvattingen en mogelijkheden en hier afspraken over maken. Ook kan de leerkrachtinventariseren welke behoefte ouders hebben aan ondersteuning en advies. Het ve r-dient de voorkeur dat de leerlingen bij deze gesprekken aanwezig zijn. Zij kunnenook meepraten over de ondersteuning en aansporing die ze nodig hebben. Het gaathierbij dan met name kinderen in de VO-leeftijd, maar ook op de basisschool kunnenkinderen hier actief bij betrokken worden.Huisbezoeken afleggen. Een bezoek van de leerkracht of mentor aan de leerling enzijn/haar ouders thuis biedt het beste zicht op de thuissituatie en hoe de ondersteuningthuis vorm krijgt. Daarnaast schept het een goede vertrouwensbasis voor verder con-tact.Ouders inzicht bieden in de lessen. Hoe beter ouders op de hoogte zijn van wat hunkinderen meemaken op school en wat er van hen gevraagd wordt, hoe beter ze hunkinderen kunnen begeleiden. Door ouders gelegenheid te bieden een kijkje in de klaste nemen of een les voor ouders te organiseren, door hen inzicht te bieden in de le s-stof en het huiswerk kunnen scholen hier invulling aan geven.Scholing: Er zijn cursussen en workshops beschikbaar waarmee ouders inzicht krij-gen in hun rol in de ontwikkeling van hun kind. Ook uitwisseling tussen ouders o n-derling kan stimulerend werken. Tijdens deze bijeenkomsten kunnen ouders ookelkaar stimuleren en adviseren.Inzet van ouderconsulenten / schooloudercontactpersonen . Deze functionarissenkunnen ouders informeren en adviseren over onderwijsondersteunend gedrag. Zekunnen ouders stimuleren om in gesprek met de leerkracht uiting te geven aan wat zijverwachten en nodig hebben om hun rol goed te kunnen vervullen. Taken van deMedewerker Ouderbetrokkenheid: de eerste contactpersoon zijn voor de ouders, bijde inschrijving contact leggen met de ouders en een school-oudersovereenkomst metde school afspreken, (mede)organiseren van activiteiten met ouders, ouders inzichtgeven in wat hun kind leert en doet. De Medewerker Ouderbetrokkenheid adviseertouders hoe zij hun kind thuis kunnen begeleiden/coachen bij het leren op school en opde voorschool en geeft themabijeenkomsten aan ouders. Gesprekken stimuleren tus-sen ouders over opvoeding en verwijzen naar andere professionals, gastvrouw zijnvan de ouderkamer, verwijzen naar andere professionals. De school adviseren overhet ouderbeleid en de leerkrachten helpen in het contacten onderhouden met ouders. 103
  • 105. De ouders stimuleren om mee te doen met allerlei ouderactiviteiten van de school enin de wijk. 21Het streven naar meer ouderbetrokkenheid en draagvlak van ouders op scholen metallochtone ouders wordt vooral vertaald in groepsactiviteiten voor ouders in de o u-derkamer (vgl. Booijink, 2008). Best Practices : Ouderkamer en tentoonstellingsavondvoor ouders4. Verhogen van ouderbetrokkenheid bij overgangsmomenten en beroepsoriëntatieEr zijn veel keuzemomenten in de schoolloopbaan van kinderen. Hoe ouder kinderenworden, hoe meer zijzelf hun keuzes maken. In alle gevallen is het van belang dat dekeuze bewust en doordacht wordt gemaakt, en dat ouders daarbij betrokken zijn. Hoekan je de betrokkenheid van ouders bij keuze- en schakelmomenten vergroten?Toekomstperspectief aan de orde stellen. Toekomstperspectief als rode draad in ge-sprekken met ouders en leerlingen. Het is van belang dat het toekomstperspectief vande leerling in gesprekken op een open manier wordt besproken. Wat zijn de verwach-tingen en wensen? Zijn ze realistisch? Is de leerling nog op koers (bijvoorbeeld ge-zien de cijfers), en zo nee, wat is er nodig om bij te sturen of moeten de verwachtin-gen worden bijgesteld? Het toekomstperspectief als rode draad in de gesprekken helptbij het bewerkstelligen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid, vo orkomt datouders voor verrassingen komen te staan.Gesprek thuis over toekomst stimuleren. In lang niet alle gezinnen is het vanzelfspre-kend dat er thuis gesproken wordt over de studiekeuzes en toekomstwensen van hetkind. De school kan dit stimuleren bijvoorbeeld door opdrachten mee te geven aan hetkind om met ouders thuis uit te voeren.Voorlichting aan ouders over school-, studie-, sector- en profielkeuzes. Een goedevoorlichting voor leerlingen en ouders over de keuzes binnen de schoolloopbaan isessentieel. Dit is een taak voor de scholen, zij hebben de inhoudelijke kennis. Vaakkunnen andere organisaties in de wijk en (migranten-) zelforganisaties een rol spelendoor ouders te wijzen op het belang van een goede schoolkeuze en in het werven vanouders en leerlingen voor informatiebijeenkomsten.Ouders actief betrekken bij beroepenoriëntatie. Ouders hebben vaak een grote in-vloed op de beroepskeuze van hun kinderen.Aanbevelingen: Het is aan te bevelen vroegtijdig met leerlingen èn ouders aan de slagte gaan met beroepenoriëntatie, hen inzicht te verschaffen in de kansen op de ar-beidsmarkt en de aansluiting op de talenten en interesses van het kind.Instrumententen VO - voortgangsgesprek VO - Ouders en sector en MBO-keuzeZe: www.onderwijsbeleid010.nl/ouderbetrokkenheid/menukaart21 Ouderbeleidsplan 2012/2015. OBS De Globe, 13/03/2012.104
  • 106. Bijlage Geraadpleegde literatuurAinsworth, J. W. (2002). Why does it take a village? The mediation of neighborhood effects on educational attainment. Social Forces, 8, 117-152.Berg, T, van den. & Schaaf, N. van der (2008). Ouderbetrokkenheid in de brede school. Een literatuuronderzoek naar effectieve manieren om het ontwikkeling s- ondersteunend gedrag van ouders te stimuleren. Groningen: Lectoraat Integraal Jeugdbeleid.Booijink, M. (2007). Terug naar de basis, communicatie tussen leerkrachten en al- lochtone ouders in het basisonderwijs. Leiden: RUL.Bronfenbrenner, U. (1979). The ecology of human development. Cambridge, MA: Harvard University Press.Bronfenbrenner, U. (1986). Ecology of the family as a context for human develo p- ment: Research perspectives. Developmental Psychology, 22, (6), 723-742.Cluitmans-Souren, A. (2008). Juridisering relatie tussen ouders en scho ol. In F. Smit (Ed.), Modernisering relatie ouders en school (pp. 13-16). Den Haag: Sdu Uit- gevers.Coleman, J. (1988). Social Capital in the Creation of Human Capital. American Jour- nal of Sociology, 94, 95-120.Grozier, G. (2001). Excluding parents: The decentralisation of parental involvement. Race, Ethnicity and Education, 4, (4), 329-341.Desforges, C. (2003). The Impact of Parental Involvement, Parental Support and Family Education on Pupil Achievements and Adjustment: A Literature Review, Research Report 433 London: DfES.Desforges, C., & Abouchaar, A. (2003). The impact of parental involvement, parental support and family education on pupil achievement and adjustment: a literature review. Washington, DC: Department for Education and Skills.Deslandes, R., & Bertrand, R. (2005). Motivation of parent involvement in seco n- dary-level schooling. Journal of Educational Research, 98, (3), 164-175.Deslanders, R., & Rousseau, N. (2007). Congruence between teachers’ and parents’ role construction and expectations about their involvement in homework. Interna- tional Journal about Parents in Education, 1, (0), 108-116.Diender, A. (2012). De Rotterdamse koers voor ouderbetrokkenheid. In F. Smit (Ed.) Lessen van successen in Rotterdam (pp. 1-3). Nijmegen: ITS, Radboud Universi- teit Nijmegen.Dillen, A. (2006). Die ouders toch! Ethische reflecties over omgaan met gezinnen binnen een schoolcontext. In C. Hermans (Red.). Partnerschap als waardege- meenschap (pp. 39-51). Budel: Damon. 105
  • 107. Driessen, G. (2001). Ethnicity, forms of capital, and educational achievement. Inter- national Review of Education, 47, (6), 513-538.Driessen, G., & Smit, F. (2007). Effects of immigrant parents’ participation in society on their children’s school performance. Acta Sociologica, 50, (1), 39-56.Driessen, G., Smit, F., & Sleegers. P. (2005). Parental involvement and educational achievement. British Educational Research Journal, 31, (4), 519-532.Elderling. L. (2003). Cultuur en opvoeding. Interculturele pedagogiek vanuit ecolo- gisch perspectief. Rotterdam: Lemniscaat.Epstein, J. (1987). Toward a theory of family-school connections: Teacher practices and parent involvement. In K. Hurrelmann, F. Kaufman & F. Losel (Eds.), Social intervention: Potential and constraints (pp. 121-136). New York: Walter de Gruyter.Epstein, J. (1995). School/family/community partnerships: Caring for the children we share. Phi Delta Kappan, 76, 701-712.Epstein, J. (2001). School and family partnerships: Preparing educators and impro v- ing schools. Boulder, CO: Westview.Epstein, J., Sanders, M., Simon, B., Salinas, K., Jansorn, N., & Van Voorhis, F. (2002). School, family, and community partnerships: Your handbook for action. Thousand Oaks: Corwin Press.Epstein, J. L., Sanders, M. G., Sheldon, S. B., et al. (2009). School, family, and com- munity partnerships: Your handbook for action (3rd edition). Thousand Oaks, CA: Corwin Press.Fasang, A., Mangino, W & Brückner, H. (2010). Parental Social Capital and Educa- tional Attainment. Working paper 2010-01. CIQLE: Yale University, New Haven Hofstra University, Long Island.Fullan, M. & Levin, B. 2009. The fundamentals of whole-system reform. Gepubli- ceerd op 12 juni 2009. Geraadpleegd via http://websspacwe.oise.utoronto.ca/- levinben/fullan-levin-ed% 20week.pdf, juni 2010.Grozier, G. (2001). Excluding parents: The decentralisation of parental involvement. Race, Ethnicity and Education, 4, (4), 329-341.Harris, A, & Goodall, J., (2008). Do parents know they matter? Engaging all parents in learning. Educational Research 50 (3), 277 - 289.Hattie, J. (2007). Developing potentials for learning: Evidence, assessment and progress. Paper 12th Biennial Conference EARLI 2007, Boedapest, 28 augustus – 1 september 2007.Henderson, A., & Mapp, K. (2002). A new wave of evidence: The impact of school, family, and community connections on student achievement. Austin, TX: National Center for Family & Community Connections with Schools/Southwest Educa- tional Development Laboratory.106
  • 108. Herweijer L., & Vogels R. (2004). Ouders over opvoeding en onderwijs. Den Haag: SCP.Hill, N., and Tyson, D., (2009). Parental Involvement in Middle School: A Meta- Analytic Assessment of the Strategies That Promote Achievement. Develop- mental Psychology American Psychological Association, Vol. 45, No. 3, 740– 763.Ho Sui Chu, E. (2007). Building trust in elementary schools: the impact of home school community collaboration. International Journal about Parents in Educa- tion, 1, (0), 8-20.Hoover-Dempsey, K., & Sandler, H. (1995). Parental involvement in childrens edu- cation: why does it make a difference. Teachers College Record, 97, 310-332.Hoover-Dempsey, K., Walker, J., Sandler, H., Whetsel, D., Green, C., Wilkins, A. & Closson, K. (2005). Why Do Parents Become Involved? Research Findings and Implications. The Elementary School Journal,106(2),105-130.Hoek, J. van der, & Pels, T. (2006). Pedagogisch partner van migrantenouders: geen recepten. In: A. van Keulen (Ed.), Partnerschap tussen ouders en beroepskrach- ten (pp. 33-44). Amsterdam: SWP.Izzo, C., Weissberg, R., Kasprow, W., & Fendrich, M. (1999). A longitudinal assess- ment of teacher perceptions of parent involvement in children’s education and school performance, American Journal of Community Psychology, 27, (6), 817- 839.Jordan, C., Orozco, E., & Averett, A. (2001). Emerging issues in school, family & community connections. Annual Synthesis 2001. Austin, TX: National Center for Family & Community Connections with Schools/Southwest Educational Deve l- opment Laboratory.Joshi, A., Eberly, J., & Konzal, J. (2005). Dialogue across cultures: Teachers’ percep- tions about communication with diverse families. Multicultural Education, 13, (2), 11-15.Kuijk, J., van, Gennip, H. van & Vrieze, G. (2009). De werking van bekwaamheidsei- sen. Casestudies in drie onderwijssectoren. Nijmegen: ITS.Klaassen, C., & Leeferink, H. (1998). Partners in opvoeding in het basisonderwijs. Ouders en docenten over de pedagogische opdracht en de afstemming tussen g e- zin en school. Assen: Van Gorcum.Klaassen, C., & Smit, F. (2001). Tussen gezin en school. Verschuivingen in opvoe- dingsdenken en opvoedingspraktijken. In Raad voor Maatschappelijke Ontwikke- ling, Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht (pp. 179-258). Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.Klaassen, C., & Leeferink, H. (1998). Partners in opvoeding in het basisonderwijs. Ouders en docenten over de pedagogische opdracht en de afstemming tussen g e- zin en school. Assen: Van Gorcum. 107
  • 109. Klaassen, C., Smit, F., Driessen, G., & Vroom, X. de (2005). Minority parents, inte- gration and education in a changing society. In R.-A. Martínez-Gonzáles, Ma del Henar Pérez-Herrero & B. Rodríguez-Ruiz (Eds.), Family-school-community partnerships merging into social development (pp. 373-389). Oviedo: Grubao SM.Krumm, V. (1994). Expectations about parents in education in Austria, Germany and Switzerland. In A. Macbeth & B. Ravn (Eds.), Expectations about parents in edu- cation. European perspectives (pp. 14-24). Glasgow: University of Glasgow.Krumm, V., & Weiss, S. (2000). Ungerechte Lehrer: Zu einem Defizit in der For- schung über Gewalt und Schulen. Psychsozial, 23, (1), 57-73.Kuijk, J., van, Gennip, H. van & Vrieze, G. (2009). De werking van bekwaamheidsei- sen. Casestudies in drie onderwijssectoren. Nijmegen: ITS.Laemers, M. (1999). Schoolkeuzevrijheid. Veranderingen in betekenis en reikwijdte. Ubbergen: Tandem Felix.Lasky, S. (2001). The cultural and emotional politics of teacher-parent interactions. Teaching and Teacher Education, 17, (4), 403-415.Lueder, D. (1998). Creating partnerships with parents, An educator’s guide. Lan- castar: Technomic Publishing Company.Laemers, M. (2002). Ontwikkelingen in de positie van ouders in het primair en voort- gezet onderwijs. In D. Mentink (Ed.), Jaarboek onderwijsrecht 1997-2001 (pp. 51-63). Den Haag: Uitgave van het Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid.Laemers, M. (2011). Betrokken ouders. In F. Smit (red.). De Wet van de oogst. Part- nerschap ouders, school en buurt. Meesterklasbijdragen (pp. 7- 14). Nijmegen: Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Lareau, A. (2003). Unequal Childhoods: Class, Race, and Family Life. Berkeley, CA: University of California Press.Leefering, H., Sleegers, P. & Geijsel, F. (2003). Het leren van docenten in de context van de school: de spanning tussen teamontwikkeling en schoolontwikkeling. Een werkdocument ten behoeve van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming . Nijme- gen: Expertisecentrum Schoolleiding en Onderwijsvernieuwing, Katholieke Un i- versiteit Nijmegen.Lee, J., & Bowen, N. K. (2006). Parent involvement, cultural capital, and the achievement gap among elementary school children. American Educational Re- search Journal, 43, 193-215.Lewis, L. , Kim, Y. & Bey, J. (2011). Teaching practices and strategies to involve inner-city parents at home and in the school. Teaching and Teacher Education: An International Journal of Research and Studies, 27(1), 221-234.108
  • 110. Lopez, G. (2001). On whose terms? Understanding involvement through the eyes of migrant parents. Paper Annual meeting American Educational Research Associa- tion (AERA), Seattle, WA, 9-14 April 2001.Lopez, G. R., Scribner, J. D., & Mahitivanichcha, K. (2001). Redefining parental involvement: Lessons from high-performing migrant-impacted schools. American Educational Research Journal 38(2), 253-88.Lusse, M. (2011). Thema ouderbetrokkenheid Literatuurverkenning children’s zone. Rotterdam. Hogeschool Rotterdam.Lusse, M. (2012). Handreiking oudercontract in het VO. In F. Smit (Ed.) (2012). Lessen van successen in Rotterdam (pp. 67-82). Nijmegen: ITS, Radboud Univer- siteit Nijmegen.Martinez, Y., & Velazquez, J. (2000). Involving migrant families in education. ERIC Digest. Charleston, WV: ERIC Clearinghouse.McCartney, K. (2003). Child care and behavior. Findings from the National Institute of Child Health and Human Development’s study of child care and youth deve l- opment. Cambridge, MA: Harvard Graduate School of Education.McCollum, P. (1996). Obstacles to immigrant parent participation in schools. IDRA Newsletter, XXIII, (10). Accessed at www.idra.org/newslttr/1996/nov/pam.htm, 04/11/05.Mendel, M. (2001). Increasing social capital: teachers about school-family- community partnerships. Results of a study on the orientations of American and Polish teachers. In F. Smit, K. van der Wolf & P. Sleegers (Eds.). A Bridge to the Future. Collaboration between Parents, Schools and Communities (pp. 125 – 136). Nijmegen/Amsterdam: ITS, Radboud Universite it Nijmegen/Kohnstamm In- stituut. http://www.its.kun.nl/web/publikaties/pdf-files/rapporten/aBridgetothefuture.pdfMenheere, A. & Hooge, E. (2011). Ouderbetrokkenheid in het onderwijs. Een litera- tuurstudie naar de betekenis van Ouderbetrokkenheid voor de schoolse ontwikk e- ling van kinderen. Kenniscentrumreeks No. 5. Amsterdam: Kenniscentrum O n- derwijs en Opvoeding, Hogeschool van Amsterdam.Ministerie OCW (2001). Grenzeloos leren: Een verkenning naar onderwijs en onder- zoek in 2010. Den Haag: Sdu Uitgevers.Ministerie OCW (2006). Besluit van houdende vaststelling van het Besluit doelstel- ling en bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2006-2010. Den Haag: Minis- terie OCW.Montandon, C. (1997). Les familles et l’ecole ou panacee? Genève: Université de Genève. 109
  • 111. Mooij, T. (2009). Hoe kinderen opvoeding en ontwikkeling in eigen beheer kunnen krijgen. In F. Smit (red.). Ouders en school. Ouderbetrokkenheid en ouderpartici- patie in de praktijk (pp 102 – 104). Den Haag/Nijmegen: Sdu Uitgevers/ Experti- secentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Moritsugu, J., Wong, F. , & Duffy, K. (2010). Community Psychology, Boston: Allyn & Bacon.Noorlander, C. (2005). Recht doen aan leerlingen en ouders. De rechtspositie van leerlingen en ouders in het primair en voortgezet onderwijs. Nijmegen: Wolf Le- gal Publishers.Obama, B., & Bidden, J. (2008). Barack Obama en Joe Biden’s plan for lifetime success through education. http://www.barackobama. com/pdf/issues/PreK- 12EducationFactSheet.pdf.Onderwijsraad (2003). Tel uit je zorgen. Onderwijszorgen van leerlingen, ouders, leraren en het bredere publiek . Den Haag: Onderwijsraad.Onderwijsraad (2010). Ouders als partners. Den Haag: Onderwijsraad.Peetsma, T., & Blok, H. (Eds.) (2007). Onderwijs op maat en ouderbetrokkenheid; het integrale eindrapport. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut.Pels T. (2000). Opvoeding en integratie, een vergelijkende studie van recente onder- zoeken naar gezinsopvoeding en pedagogische afstemming tussen gezin en school. Assen: Van Gorcum.Perna, L. & Titus, M. (2005). The relationship between parental involvement as so- cial capital and college enrollment: An examination of racial/ethnic group differ- ences. Journal of Higher Education, 76(5), 485-518.Prott, R & Hautumm, A. (2005). Twaalf principes voor een succesvolle samenwerking tussen ouders en beroepskrachten. Amsterdam: Uitgeverij SWP.Putman, R. (2000). Bowling alone: The collapse and revival of American community. New York: Simon & Schuster.Quinn, R. (1988). Beyond Rational Management. San Francisco/London: Jossy-Bass.Ranson, S., Martin, J., & Vincent, C. (2004). Storming parents, schools and commu- nicative inaction. British Journal of Sociology of Education, 25, (3), 259-274.RMO (2001). Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht. Den Haag: Raad voor Maarschappelijke Ontwikkeling.Ravn, B. (2003). Cultural and political divergences in approaches to cooperation between home, school and local society in Europe. In S. Castelli, M. Mendel & B. Ravn (Eds.), School, family, and community partnership in a world of differences and changes (pp. 9-18) Gdansk: University of Gdansk.Ruiter, D. de, Graaf, W. de, & Maier, R. (2006). Contacten met allochtone ouders op zwarte basisscholen: de invloed van beeldvorming. Migrantenstudies, 22, (3), 116-132.110
  • 112. Sacker, A., Schoon, I., & Bartley, M. (2002). Social inequality in educational achievement and psychological adjustment throughout childhood: magnitude and mechanisms. Social Science and Medicine, 55, 863-880.Sanders, M. (2001). The role of ‘community’ in comprehensive school, family, and community partnership programs. The Elementary School Journal, 102, (1), 19- 34.SEDL (2000). Building support for better schools. Seven steps to engaging hard -to- reach communities. Austin TX: SEDL.Shartrand, A., Weiss, H., Kreider, H., & Lopez, M. (1997). New skills for new schools: Preparing teacher in family involvement. Cambridge, MA: Harvard Graduate School of Education.Sheldon, S. (2002). Parents’ social networks and beliefs as predictors of parent in- volvement. The Elementary School Journal, 102, (4), 301-316.Sikkes, R. (2009). Hypocrisie en opportunisme rondom de ouderbijdrage. In F. Smit (red.). Ouders en school. Ouderbetrokkenheid en ouderparticipatie in de praktijk (pp. 82 – 89). Den Haag/ Nijme gen: Sdu Uitgevers/ Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Sleegers, P., & Smit, F. (2003). Samenwerking tussen leraren en ouders: Variatie, opbrengsten en knelpunten. In Handboek Schoolorganisatie en Onderwijsmana- gement (pp. 4300-1 - 4300-20). Alphen aan den Rijn: Samsom/H.D. Tjeenk Wil- link.Smeets, E. (2009). Aanpak voor betere samenwerking tussen school en ouders. Het optimaliseren van de relatie met ouders van leerlingen met specifieke onderwijs- behoeften. In F. Smit (red.). Ouders en school. Ouderbetrokkenheid en ouderpar- ticipatie in de praktijk (pp. 82 – 89). Den Haag/Nijmegen: Sdu Uitgevers/ Experti- secentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F. (2011). Educatief partnerschap en de zeven eigenschappen van optimale ouderbetrokkenheid. In F. Smit (red.). De Wet van de oogst. Partnerschap ouders, school en buurt. Meesterklasbijdragen (pp. 27-29). Nijmegen: Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen. http://www.ru.nl/its/expertisecentrum/meesterklas/Smit, F. (1991). De rol van ouderparticipatie in het basisonderwijs: een onderzoek naar vorm, inhoud en effecten van ouderparticipatie in het basisonderwijs. ITS: Nijmegen.Smit, F., & Doesborgh, J. (2001). De onderhandelmores in opvoedend Nederland. Nijmegen: ITS.Smit, F., Driessen, G., & Doesborgh, J. (2002). Ouders en educatieve voorzieningen. Nijmegen: ITS.Smit, F., Driessen, G., & Doesborgh, J. (2004). Opvattingen van allochtone ouders over onderwijs: tussen wens en realiteit. Een inventarisatie van de verwachtingen 111
  • 113. en wensen van allochtone en autochtone ouders ten aanzien van de basisschool en educatieve activiteiten in Rotterdam. Nijmegen: ITS.Smit, F., Wolf, K. van der & Sleegers, P. (Eds.) (2001), A Bridge to the Future. Col- laboration between Parents, Schools and Communities. Nijmegen/Amsterdam: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen/Kohnstamm Instituut. http://www.its.kun.nl/web/publikaties/pdf-files/rapporten/aBridgetothefuture.pdfSmit, F., Doesborgh, J, Felling, B. & Kuijk, J. van (2009). Medezeggenschap: de wind in de zeilen. Tweede evaluatieve studie Wet medezeggenschap onderwijs. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R. & Brus, M. (2008). Ouders en innovatief onderwijs. Ouderbetrokkenheid en -participatie op scholen met vormen van ‘nieuw leren. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R. & Brus, M. (2007). Ouders, scholen en diversiteit. Ouderbetrokkenheid en -participatie op scholen met veel en weinig achterstands- leerlingen. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R. & Meijvogel, R. (2007). Brood en spelen. Condities voor een optimale tussenschoolse opvang. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F. (1991). De rol van ouderparticipatie in het onderwijs. Een onderzoek naar vorm, inhoud en effecten van ouderparticipatie in het basisonderwijs. Nijmegen: ITS.Smit, F. (2007). Inspraak en school. Modernisering inspraak primair en voortgezet onderwijs. Den Haag: Sdu Uitgevers.Smit, F. (red.) (2011). De Wet van de oogst. Partnerschap ouders, school en buurt. Meesterklasbijdragen. Nijmegen: Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F. (red.) (2012). Brug naar de toekomst. Meesterklasbundel Partnerschap Ou- ders, school en buurt . ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F. & Driessen, G. (2002). Allochtone ouders en de pedagogische functie van de basisschool. Nijmegen: ITS.112
  • 114. Smit, F. & Driessen, G. (2005). Parent-school-community relations in a changing society: Bottlenecks, pitfalls and solutions. In R.-A. Martínez-Gonzáles, Ma. del Henar Pérez-Herrero & B. Rodríguez-Ruiz (Eds.), Family-school-community partnerships merging into social development (pp. 171-190). Oviedo: Grubao SM.Smit, F., & Driessen, G. (2006). Ouders en scholen als partners in een multiculturele en multireligieuze samenleving. In C. Hermans (Ed.), Partnerschap als waarde- gemeenschap (pp. 103-122). Budel: Uitgeverij Damon.Smit, F., Doesborgh, J., & Kessel, N. van (2001). Ouderparticipatie: een nieuw mis- sie-statement? Onderzoek naar het functioneren van de relatie ouders en basis- school. Nijmegen: ITS.Smit, F., Moerel, H., & Sleegers, P. (1999). Experiments with parent participation in the Netherlands. In F. Smit, H. Moerel, K. van der Wolf & P . Sleegers (Eds.), Building bridges between home and school (pp. 37-42). Nijmegen/Amsterdam: ITS/SCOSmit, F., Driessen, G., & Doesborgh, J. (2004). Opvattingen van allochtone ouders over onderwijs: tussen wens en realiteit. Een inventarisatie van de verwachtingen en wensen van allochtone en autochtone ouders ten aanzien van de basisschool en educatieve activiteiten in Rotterdam. Nijmegen: ITS.Smit, F., Driessen, G., Sleegers, P., & Teelken, C. (2008). Scrutinizing the balance: Parental care versus educational responsibilities in a changing society. Early Child Development and Care, 178, (1), 65-80.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R., & Brus, M. (2007). Ouders, scholen en diversiteit. Ouderbetrokkenheid en -participatie op scholen met veel en weinig achterstands- leerlingen. Nijmegen: ITS.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R., & Brus, M. (2008). Ouders en innovatief onder- wijs. Ouderbetrokkenheid en ouderparticipatie op scholen met vormen van ‘nieuw leren’. Nijmegen: ITS.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R., & Meijvogel, R. (2007). Brood en spelen. Condi- ties voor optimale tussenschoolse opvang. Nijmegen: ITS.Smit, F., Driessen, G., Sleegers, P., & Hoop, P. (2003). Ethnic minority parents and schools: Strategies to improve parental involvement and participation. In S. Cas- telli, M. Mendel & B. Ravn (Eds.), School, family, and community partnership in a world of differences and changes (pp. 105-118). Gdansk: University of Gdansk.Smit, F., Driessen, G., Vrieze, G., Kuijk, J. van, & Sleegers, P. (2005). Opvoedings - en opvangactiviteiten van scholen in het primair en voortgezet onderwijs. Een in- ventarisatie van de stand van zaken met betrekking tot de relatie onderwijs- opvoeding-opvang in het Nederlandse onderwijs. In Onderwijsraad (Ed.), Onder- wijs in thema’s (pp. 159-228). Den Haag: Onderwijsraad. 113
  • 115. Smit, F., Wolf, K. van der, & Sleegers, P. (Eds.) (2001). A bridge to the future. Col- laboration between parents, schools and communities. Nijmegen: ITS.Smylie, M., & Hart, A. (1999). School leadership for teaching learning and change: A human and social capital development perspective. In J. Murphy & K.S. Louis (Eds.), Handbook of research on educational administration, 2nd ed. (pp. 421- 443). San Francisco: Jossey-Bass Inc. Publishers.Souto-Manning, M., & Swick, K. (2006). Teachers’ beliefs about parent and family involvement: Rethinking our family involvement paradigm. Early Childhood Education Journal, 34, (2), 187-193.Tett, L. (2004). Parents and school communities in Japan and Scotland: Contrasts in policy and practice in primary schools. International Journal of Lifelong Educa- tion, 23, (3), 259-273.U.S. Department of Education (1998). Parent involvement in children’s Education: Efforts by public elementary schools. Washington, DC: National Center for Edu- cation Statistics.Veen, A., Boogaard, M., & Fukkink, R., & Valkestijn, M. (2008). Wat heb je gedaan vandaag? Een onderzoek naar opvang en educatie rond de basisschool: Amster- dam: SCO-Kohnstamm Instituut.Verbiest, E. (2004). Samen wijs. Bouwstenen voor professionele leergemeenschappen in scholen. Antwerpen-Apledoorn: Garant.Vermeulen, B., & Smit, F. (1998). De veranderende positie van ouders in het primair en voortgezet onderwijs. Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onder- wijsbeleid, mei, 27-37.Vogels R. (2002). Ouders bij de les. Betrokkenheid van ouders bij de school van hun kind. Den Haag: SCP.Goodall, J, & Vorhaus, J., 2011. Review of best practice in parental engagement. London: Department for Education.Warren, M., Hong, S., Rubin, C. & Sychitkokhong, U. (2009). Beyond the bake sale: A community-based relational approach to parent engagement in schools. Teachers College Record, 111, 2209-2254.Weikart, D. (2004). How High/Scope grew. A memoir. Ypsilanti, MI: High/Scope Press.Weiss, H., Caspe, M., & Lopez, M. (2006). Family involvement in early childhood education. Cambridge, MA: Harvard Family Research Project.Winter, M. de (2011). Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding. Vanachter de voordeur naar democratie en verbinding. Amsterdam: Uitgeverij SWP.Wissema, J., W. Bouts & B. Rutgers, Medezeggenschap op maat, van toetsende naar interactieve medezeggenschap, Assen: Van Gorcum & Comb 1996.Wit, C. de (2005). Ouders als educatieve partner. Een handreiking voor scholen . Den Haag: Q*Primair (www.kpcgroep.nl/oudersenschool).114
  • 116. Wit, C. de (2006). Partnerschap tussen school en ouders als vruchtbare inbedding voor medezeggenschap. In F. Smit (Ed.) Surfen op de golven van de medezeggen- schap in het onderwijs (pp. 74-78). Alphen aan den Rijn: Kluwer.Wit, C. de (Ed.) (2007). Maatschappelijk en pedagogisch bij de tijd. De school voor voortgezet onderwijs en haar maatschappelijke en pedagogische opdracht. ‘s- Hertogenbosch: KPC Groep.Wolf, K., van der (2011). Over (dis)empowerment van ouders. In F. Smit (red.). De Wet van de oogst. Partnerschap, ouders, school en buurt. Meesterklasbijdragen (pp. 37-42). Nijmegen: Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen. http://www.ru.nl/its/expertisecentrum/meesterklas/Zoontjens, P. (2003). Het beweeglijke recht op onderwijs. Op zoek naar ankerpunten in een permanente ontwikkeling. Inaugurale rede UvT. Den Haag: Boom Juridi- sche Uitgevers. 115

×