Frederik smit e.a. (2011). De visie van leraren, ouders en leerlingen op de kwaliteit van het onderwijs
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Frederik smit e.a. (2011). De visie van leraren, ouders en leerlingen op de kwaliteit van het onderwijs

on

  • 1,016 views

Onderzoek naar de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs ...

Onderzoek naar de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs
In opdracht van de NTR - in samenwerking met de Volkskrant en het Ruud de Moor Centrum - hebben het ITS, Radboud Universiteit Nijmegen en de Onderwijs Innovatie Groep (OIG) een onderzoek uitgevoerd naar kwaliteitsaspecten van het onderwijs onder leraren, ouders en leerlingen. Meer dan de helft van de leerlingen vindt het belangrijk dat hun ouders worden betrokken bij hun vorderingen en bijna de helft van de leerlingen vindt het belangrijk dat hun ouders wel eens op school komen. Een ruime meerderheid van de leraren vindt dat ouders hun kinderen goed opvoeden en de helft van de leraren vindt dat ouders voldoende tijd maken voor de school (en een kwart vindt dat niet). Volgens leraren zijn ouders altijd welkom op school. Ouders geven aan het belangrijk te vinden om op de hoogte te zijn van wat er gebeurt op school. In het basisonderwijs zijn de contacten tussen ouders en school intensiever dan in het voortgezet onderwijs.
Bijna alle leraren vinden dat zij prima orde kunnen houden in de klas. Dit contrasteert met het beeld dat bij ouders leeft: 16 procent van de ouders in het po, een derde van de ouders in het vo en bijna de helft van de ouders in het mbo stelt dat leraren de klas niet de baas kunnen. Meer dan een derde van de leerlingen stelt dat leraren moeite hebben met orde houden. De helft hiervan ziet als mogelijke oorzaak van de ordeproblemen dat veel medeleerlingen individuele hulp nodig hebben.
Ruim de helft van de leraren is van mening dat zij niet voldoende aandacht kunnen geven aan elk kind apart. Met name binnen het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs vinden veel leraren dat zij niet goed genoeg zijn opgeleid om probleemleerlingen te begeleiden. Dit verklaart wellicht waarom tweederde van de leraren vindt dat er een orthopedagoog en/of psycholoog binnen de school aanwezig hoort te zijn. Bijna de helft van de ouders in het po en 60 procent van de ouders in het vo, en 68 procent van de ouders in mbo is hier voorstander van.

Onderzoeksrapport: Smit, F., Wester, M., Craenen, O. & Schut, K. (2011). De visie van leraren, ouders en leerlingen op de kwaliteit van het onderwijs. Onderzoek naar kwaliteitsaspecten van het onderwijs onder leraren, ouders en leerlingen. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen en OIG. Zie: De visie van leraren, ouders en leerlingen op de kwaliteit van het onderwijs.

Check: http://www.ru.nl/its/expertisecentrum/expertisecentrum/lopend-onderzoek/

Statistics

Views

Total Views
1,016
Views on SlideShare
811
Embed Views
205

Actions

Likes
0
Downloads
6
Comments
0

1 Embed 205

http://www.yurls.net 205

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Frederik smit e.a. (2011). De visie van leraren, ouders en leerlingen op de kwaliteit van het onderwijs Frederik smit e.a. (2011). De visie van leraren, ouders en leerlingen op de kwaliteit van het onderwijs Document Transcript

  • 4Q` 5@? YMMW` PQQX aU` bMZ PQ >MPN[aP AZUbQ^_U`QU` :UVYQSQZ1R cV`VR cN[ YR_N_R[ bQR_` R[ YRR_YV[TR[ ] QR XdNYVaRVa cN[ URa [QR_dVW` ;ZPQ^f[QW ZMM^ WcMXU`QU`_M_QO`QZ bMZ TQ` [ZPQ^cUV_ [ZPQ^ XQ^M^QZ [aPQ^_ QZ XQQ^XUZSQZ 2^QPQ^UW ?YU` h 9QZZ[ CQ_`Q^ h ;X[R /^MQZQZ h 7UY ?OTa`
  • DE VISIE VAN LERAREN, OUDERS EN LEERLINGEN OP DE KWALITEIT VAN HET ONDERWIJS
  • De visie van leraren, ouders en leerlingen op dekwaliteit van het onderwijsOnderzoek naar kwaliteitsaspecten van het onderwijsonder leraren, ouders en leerlingenFrederik SmitMenno WesterOlof CraenenKim SchutITS, Radboud Universiteit Nijmegen
  • Projectnummer: 34000983Opdrachtgever: NTR/Ruud de Moor Centrum 2011 ITS, Radboud Universiteit Nijmegen / OIG, UtrechtBehoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgaveworden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welkeandere wijze dan ook, en evenmin in een retrieval systeem worden opgeslagen, zonder de voorafgaandeschriftelijke toestemming van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen.No part of this book/publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any othermeans without written permission from the publisher.iv Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Inhoud1 Samenvatting en conclusies 1 1.1 Inleiding 1 1.2 Aanleiding, onderzoeksvraag, -opzet en -uitvoering 1 1.3 Resultaten 2 1.4 Conclusies 62 Achtergronden 9 2.1 Inleiding 9 2.2 Leraren 9 2.3 Ouders 10 2.4 Leerlingen 11 2.5 Probleemstelling 123 Onderzoeksopzet 15 3.1 Inleiding 15 3.2 Aanleiding en doel van het onderzoek 15 3.3 Onderzoeksopzet en -uitvoering 15 3.4 Opbouw van het rapport 214 Rol sociale en nieuwe media in het onderwijs 23 4.1 Inleiding 23 4.2 Gewenst en feitelijk gebruik sociale media in lessen 23 4.3 Gebruik nieuwe media en effecten kwaliteit onderwijs 27 4.4 Gebruik nieuwe media, vaardigheden van leraren en leeropbrengsten 30 4.5 Samenvattend 335 Contacten ouders - school 35 5.1 Inleiding 35 5.2 Belang van contact tussen ouders - school en rol leraar als opvoeder 35 5.3 Belang contact ouders - school en de bewegingsvrijheid van leerlingen 37 5.4 Intensiteit van de contacten tussen ouders - school 40 5.5 Openheid school, overleg over ouderbetrokkenheid en informatie- overdracht 43 5.6 Wijze waarop ouders ongenoegen uiten over gang van zaken op school 46 5.7 Omgang met klachten van ouders over het onderwijs 47 5.8 Samenvattend 48Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs v
  • 6 Omgang leraren met individuele leerlingen 51 6.1 Inleiding 51 6.2 Aanpak leraren op functioneren van leerlingen 51 6.3 Samenvattend 577 Oordeel over kwaliteit onderwijs 59 7.1 Inleiding 59 7.2 Oordeel kwaliteit onderwijs 59 7.3 Oordeel kwaliteit basisonderwijs 61 7.4 Oordeel kwaliteit voortgezet onderwijs 62 7.5 Oordeel kwaliteit middelbaar beroepsonderwijs 64 7.6 Samenvattend 66Literatuur 67vi Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • VoorwoordDe NTR en het Ruud de Moor Centrum hebben het ITS van de Radboud UniversiteitNijmegen en de Onderwijs Innovatie Groep (OIG) opdracht verleend om bij leraren,ouders en leerlingen de ervaren kwaliteit van het onderwijs te inventariseren.Voorliggend rapport is het resultaat hiervan. Bij 2.072 leraren en 2.372 ouders in hetprimair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs en 740leerlingen/studenten in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs isinformatie verzameld over hun visie op het functioneren van sociale en nieuwe mediain het onderwijs, de contacten tussen ouders en school, de omgang van de leraar metindividuele leerlingen. Hierdoor is een beeld verkregen van het functioneren van dekwaliteit van het onderwijs zoals leraren, ouders en leerlingen dit percipiëren.Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd door dr. Frederik Smit en drs. Menno Wes-ter van het ITS, drs. Olof Craenen en drs. Kim Schut van OIG. Het onderzoek is bijhet ITS intern begeleid door drs. Jos van Kuijk en drs. Nico van Kessel. Prof. dr. RobMartens en drs. Simon Telderman waren meelezers bij OIG.Het onderzoek is op zeer constructieve wijze begeleid door Jeanny Duijf en Eef Cuij-pers van de NTR, respectievelijk eindredacteur en redacteur van het tv-programma deAvond van het Onderwijs.Het onderzoeksteam wil hen allen danken voor hun bijdrage aan de totstandkomingvan het rapport.Op deze plaats willen we ook de duizenden informanten bedanken voor hun mede-werking en openhartigheid. Zonder hen was de uitvoering van het onderzoek nietmogelijk geweest.Het onderzoek is gefinancierd door het Ruud de Moor Centrum en de NTR.ITS, Radboud Universiteit NijmegenNijmegen, oktober 2011dr. J.W. WinkelsdirecteurVisie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs vii
  • viii Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 1 Samenvatting en conclusies1.1 InleidingIn dit hoofdstuk worden de belangrijkste resultaten samengevat. We beginnen met deaanleiding, onderzoeksvraag, -opzet en -uitvoering (paragraaf 1.2). In paragraaf 1.3vatten we de resultaten samen. In paragraaf 1.4 worden enkele conclusies getrokken.1.2 Aanleiding, onderzoeksvraag, -opzet en -uitvoeringOp verzoek van de NTR en het Ruud de Moor Centrum heeft het ITS en OIG eenonderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van het onderwijs voor tv uitzending DeAvond van het Onderwijs op 3 oktober 2011. Het onderzoek was gericht op de rolvan sociale en nieuwe media in het onderwijs, essentiële onderdelen van communica-tie tussen leraren, ouders en leerlingen en de (gewenste) omgang van de leraar metindividuele leerlingen1.Het onderzoek startte begin juni 2011 en is eind september 2011 afgesloten.De onderzoeksopzet omvatte een schriftelijke enquête onder leraren en ouders (po,vo, mbo) en leerlingen (vo, mbo) over kwaliteitsaspecten van het onderwijs. In totaalwerden 5.184 personen ondervraagd.1 We gebruiken in dit rapport de term leerlingen voor leerlingen in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 1
  • 1.3 ResultatenPer onderzoeksvraag worden de belangrijkste uitkomsten weergegeven.Onderzoeksvraag 1: Wat is de rol van sociale en nieuwe media in het onderwijs?Een ruime meerderheid van de leraren, ouders en leerlingen vindt het (bijna) nooitwenselijk om sociale media als Twitter, Linkedin, Hyves en Facebook in te zettentijdens de les. Twitter wordt het vaakst (15%) door de leraren genoemd als sociaalmedium dat soms gebruikt zou kunnen worden tijdens de les. De overgrote meerder-heid van de leraren gebruikt geen sociale media in lessituaties. Rond een tiende vande leerlingen zegt sociale media (bijna) altijd te gebruiken in lessituaties.Meer dan de helft van de leraren staat positief tegenover de inzet van nieuwe media,zoals de computer en internet in de les. De helft van de leraren gebruikt (bijna) altijdcomputers in de les. Het gebruik van mobieltjes wijst tweederde van de leraren van dehand. Iets meer dan een tiende van de leraren is voorstander.Onderzoeksvraag 2: Wat is de visie op gebruik van sociale en nieuwe media in hetonderwijs?Als het gaat om het effect van het leren met de computer, dan zijn de meningen ver-deeld onder de leraren; ruim een kwart vindt dat leren met de computer niet meeroplevert dan leren met boeken en ruim een kwart vindt van wel. Rond de helft van deleraren stelt dat klassikaal lesgeven belangrijker blijft dan zelfstandig werken met decomputer. Volgens rond de helft van de leraren en ouders wordt de kwaliteit van hetonderwijs verhoogd door de inzet van nieuwe media.Meer leraren in het po vinden dat de inzet van nieuwe media bijdraagt aan de kwali-teit van de les dan in het vo en in het mbo2.Als het gaat om het gebruik van mobieltjes zijn leraren in het po daarentegen negatie-ver dan de leraren in het vo en in het mbo. Ruim driekwart van de leraren in het povindt dit een slecht idee, tegen bijna tweederde van de leraren in het vo en een ruimemeerderheid van de leraren in het mbo.Bijna tweevijfde van de leerlingen vindt dat leraren niet goed overweg kunnen metnieuwe media tijdens de lessen. Ruim tweederde van de leraren geeft aan dat zij juist2 We gebruiken in het rapport de termen po voor het primair onderwijs, vo voor het voortgezet onderwijs en mbo voor het middelbaar beroepsonderwijs.2 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • wel vaardig zijn om nieuwe media te gebruiken in de les. Dit is in lijn met eerderonderzoek naar de inzet van internet, het digitale schoolbord en sociale media in deles: leraren zijn van mening dat zij over de benodigde vaardigheden beschikken omoptimaal gebruik te maken van de moderne snufjes, maar zij blijken in de praktijkslechts een klein deel van de beschikbare mogelijkheden te gebruiken (Schut & Crae-nen, 2010). Mogelijk komt het onjuist inschatten van de eigen professionaliteit vanleraren door hun geïsoleerde professionele positie binnen de schoolorganisatie: degesloten deur van het klaslokaal laat relatief minder ruimte voor dialoog en zelfreflec-tie (McDaniel, 2009; Martens & Hooijer, 2011). Leraren zien zelf ook andere oorza-ken: men heeft slechts een paar computers in de klas, geen tijd voor bijscholing; geenlesmateriaal beschikbaar om te gebruiken (Wester & Smeets, 2011). Onderzoeksvraag 3: Hoe verlopen de contacten tussen ouders en school?Meer dan de helft van de leerlingen vindt het belangrijk dat hun ouders worden be-trokken bij hun vorderingen en bijna de helft van de leerlingen vindt het belangrijkdat hun ouders wel eens op school komen. Een ruime meerderheid van de lerarenvindt dat ouders hun kinderen goed opvoeden en de helft van de leraren vindt datouders voldoende tijd maken voor de school (en een kwart vindt dat niet). Volgensleraren zijn ouders altijd welkom op school. Ouders geven aan het belangrijk te vin-den om op de hoogte te zijn van wat er gebeurt op school. In het basisonderwijs zijnde contacten tussen ouders en school intensiever dan in het voortgezet onderwijs.Ouders stellen zich aan de ene kant als klanten op, maar wensen ook een ‘partner-schapsrelatie’ met als ingrediënten: gedeelde verantwoordelijkheid en sociale controleom aan de behoeften van hun kinderen te kunnen voldoen. De helft van de oudersvindt dat leraren de leerlingen ook moet opvoeden en een vijfde is het daarmee on-eens. Van de leerlingen is een kwart hier een voorstander van en de helft is tegen.Iets minder dan de helft van de leraren en ouders pleiten er voor dat de school eenruimte moet hebben waar de ouders en de leraren elkaar kunnen ontmoeten om in eeninformele sfeer met leraren van gedachten te wisselen zonder de ‘professionele af-stand’ van een tienminutengesprek3. Leerlingen zijn over het algemeen een stuk min-der enthousiast dan de ouders om de ‘eigen’ schoolwereld open te stellen voor hunouders. Scholen staan voor de opgave om aan de ene kant oog te hebben voor decontext van de leerlingen (de thuissituatie) en om tegelijk het vertrouwen van die3 Door het opzetten van een ‘ouderkamer’ kan een school de drempel voor ouders verlagen, het contact met ouders intensiveren en de communicatie verbeteren. Een bijkomend voordeel is dat ouders in een ouder- kamer ook met elkaar in contact kunnen komen. Ouderkamers kunnen fungeren als ontmoetingspunt, voor ouders onderling, voor ouders, leraren en voor de hele buurt.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 3
  • leerlingen niet te schenden. Bedachtzaamheid is hier het sleutelwoord (vgl. Smit,1991; Dillen, 2006).Een huisbezoek afleggen biedt leraren mogelijkheden dieper inzicht te krijgen in dethuis- en opvoedingssituatie van het kind. Slechts een zeer klein deel van de lerarenlegt huisbezoeken af. De leraren die wel huisbezoeken afleggen, laten daarmee ziendat zij het belangrijk vinden om ouders binnen hun vertrouwde setting te ontmoeten(en daarbinnen te communiceren). Schoolteams geven hiermee ook het signaal af datmen ouders serieus neemt en de relatie tussen ouders en school van belang vindt.Huisbezoeken kunnen een gunstig alternatief zijn voor ouders die – alle toenade-ringspogingen ten spijt – de weg naar de school niet vinden.Beduidend meer leraren in het po vinden huisbezoek nodig dan in het vo en mbo.Meer dan driekwart van de leerlingen in het vo en mbo vindt het echter niet prettig alsleraren bij hen thuis komen. Circa een derde van de leerlingen is van mening dat zijzelf wel kunnen bepalen hoe zij leven en niet hun ouders.Uit het onderzoek blijkt dat de helft van de ouders graag ziet dat de wijze waarop zijhun kinderen opvoeden en de opvoedingswaarden die zij hebben een vervolg krijgenop school (een vijfde van de ouders vindt het niet nodig). Ruim tweevijfde van deouders heeft wel eens contact met de school opgenomen, omdat men het oneens wasmet de onderwijskundige gang van zaken. Ruim een kwart van de ouders geeft aandat zij wel eens contact met de school heeft gezocht, omdat zij het oneens waren overopvoedkundige kwesties. Het is verontrustend dat bijna een kwart van de ouders erwel eens over heeft gedacht hun kind van school te halen. Dit kan betekenen dat dewensen en verwachtingen van ouders en school soms behoorlijk van elkaar verschil-len en ouders zich mogelijk niet serieus genomen voelen.Opmerkelijk is verder dat 6 procent van de ouders nooit de school bezoekt om overde vorderingen van hun kinderen te praten.Onderzoeksvraag 4: Hoe is de omgang van de leraar met individuele leerlingen?Een ruime meerderheid van de leerlingen vindt dat zij voldoende aandacht krijgenvan de leraar. Ouders zijn minder vaak dan leerlingen van mening dat leerlingen deaandacht krijgen die ze nodig hebben: 40 procent van de ouders vindt dat leraren deleerlingen voldoende aandacht geven.Bijna alle leraren vinden dat zij prima orde kunnen houden in de klas. Dit contrasteertmet het beeld dat bij ouders leeft: 16 procent van de ouders in het po, een derde vande ouders in het vo en bijna de helft van de ouders in het mbo stelt dat leraren de klasniet de baas kunnen. Meer dan een derde van de leerlingen stelt dat leraren moeite4 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • hebben met orde houden. De helft hiervan ziet als mogelijke oorzaak van de ordepro-blemen dat veel medeleerlingen individuele hulp nodig hebben.Ruim de helft van de leraren is van mening dat zij niet voldoende aandacht kunnengeven aan elk kind apart. Met name binnen het voortgezet onderwijs en middelbaarberoepsonderwijs vinden veel leraren dat zij niet goed genoeg zijn opgeleid om pro-bleemleerlingen te begeleiden. Dit verklaart wellicht waarom tweederde van de lera-ren vindt dat er een orthopedagoog en/of psycholoog binnen de school aanwezighoort te zijn. Bijna de helft van de ouders in het po en 60 procent van de ouders in hetvo, en 68 procent van de ouders in mbo is hier voorstander van.Een ruime meerderheid van de leerlingen is van mening voldoende aandacht te krij-gen van de leraar. De helft van de leerlingen vindt dat mede-leerlingen met proble-men goed worden geholpen. Ouders zijn minder vaak dan leerlingen van mening datleerlingen de aandacht krijgen die ze nodig hebben.Meer dan de helft van de leraren vindt dan men in het onderwijs is doorgeslagen metleerlingen de maat nemen met testen en toetsen. Onderzoeksvraag 5: Hoe is het oordeel over de kwaliteit van het onderwijs?Een ruime meerderheid van de leraren beoordeelt de kwaliteit van het onderwijsgemiddeld met 7,0, hulp aan individuele leerlingen gemiddeld met 7,0 en contactentussen ouders en de school 7,1. De inzet van nieuwe media in de les wordt door lera-ren uit alle onderwijssectoren gemiddeld het laagste beoordeeld (gemiddeld 5,7). Deleraren uit het middelbaar beroepsonderwijs geven gemiddeld de laagste scores en deleraren in het basisonderwijs de hoogste.Een ruime meerderheid van de ouders en leerlingen beoordeelt de kwaliteit van hetonderwijs voldoende tot goed. Gemiddeld beoordelen de ouders de kwaliteit met een7,1 en de leerlingen met 6,9. Dit beeld komt overeen met het rapportcijfers dat deNederlandse bevolking geeft aan leraren. Sinds 1999 zijn de waarderingscijfers ge-daald, dit komt, omdat het aanzien van het beroep van leraar is verminderd, mededoordat veel ouders tegenwoordig hoger opgeleid zijn dan de leraren (Vrieze & VanKuijk, 2011). Het hoogst scoort de omgang met leerlingen en het laagst de omgangmet nieuwe media.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 5
  • 1.4 Conclusies1. Een ruime meerderheid van leraren, ouders en leerlingen ziet geen toegevoegde waarde in het gebruik van sociale media (Twitter, Linkedin, Hyves en Facebook) tijdens de lessen. De rol van sociale media is nu nog marginaal in het onderwijs. Toch ziet meer dan een tiende van de leraren, ouders en leerlingen perspectieven om de sociale media een plaats te geven binnen het onderwijsaanbod. Er is een wereld te winnen.2. De helft van de leraren en ouders staat positief tegenover het gebruik van nieuwe media, zoals computers en internet, omdat de kwaliteit van het onderwijs er door wordt vergroot. Leerlingen zijn er niet van overtuigd dat alle leraren vaardig ge- noeg zijn om de nieuwe media tijdens de lessen in te zetten.3. Een derde van de leerlingen en meer dan een tiende van de leraren vindt het van belang om bij kennisverwerving mobieltjes een functie te geven. De meerderheid van leraren, ouders en leerlingen is er op tegen om mobieltjes in te zetten tijdens de lessen. Het merendeel van de ouders en leerlingen is van mening dat de traditi- onele manier van kennisoverdracht in het onderwijs nog steeds belangrijker is dan het leren van vaardigheden om zelf via sociale en nieuwe media kennis te ver- werven.4. Ouders zien de school als een verlengstuk van thuis: de helft van de ouders vindt dat leraren de leerlingen ook moet opvoeden. Maar ouders vertrouwen hun kind niet zo maar toe aan de school, zoals dat decennia terug gebeurde. Op de meeste scholen in het primair onderwijs zijn er intensieve contacten tussen ouders en school. Maar de afstand van ouders tot middelbaar en beroepsonderwijs is onver- minderd groot.5. Leraren communiceren niet altijd op een professionele met ouders over de vor- ming en opleiding van de leerlingen. Zowel ouders en leraren ervaren barrières in hun contacten. Men wil gemakkelijker met elkaar kunnen overleggen. Er is be- hoefte aan een diversiteit aan contactvormen. Iets minder dan de helft van de lera- ren en ouders wenst daarom een aparte ruimte in de school om elkaar informeel te kunnen spreken.6. Leerlingen zijn minder enthousiast dan ouders en leraren om de ouders toe te laten binnen hun ‘eigen’ schoolwereld en meer dan driekwart van de leerlingen in het vo en mbo vindt het niet prettig als leraren bij hen thuis komen.6 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 7. Ouders verwachten een gelijkwaardiger en volwassener samenwerking met de leraren. Ouders willen veel meer als bondgenoten en als ´partners in education´ met de leraren communiceren in plaats van dat men een ‘professionele’ afstand tot ouders bewaart (vgl. Smit, 2011).8. Leraren zijn in hun opleiding niet altijd toegerust om ‘probleemleerlingen’ te helpen. Ruim de helft van de leraren heeft het idee niet voldoende aandacht te kunnen schenken aan individuele kinderen, omdat de aandacht die gaat naar ‘pro- bleemkinderen’ ten koste gaat van de ‘doorsnee’ leerlingen. Een meerderheid van de leraren en de ouders heeft behoefte aan een psycholoog en/of een pedagoog binnen de school.9. Bijna alle leraren vinden dat ze orde kunnen houden in de klas. Volgens meer dan een derde van de leerlingen en een derde van de ouders in het voortgezet onder- wijs en middelbaar beroepsonderwijs is de leraar niet de baas in de klas.10. Bijna de helft van de ouders heeft de school weleens aangesproken uit onvrede over het onderwijs. Ruim een kwart deed hetzelfde vanwege onvrede over de op- voedkundige gang van zaken. En bijna een kwart van de ouders heeft wel eens overwogen hun kind van school te halen.11. Een ruime meerderheid van de leraren, ouders en leerlingen is positief over de kwaliteit van het onderwijs.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 7
  • 8 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 2 Achtergronden2.1 InleidingDe NTR zendt op 3 oktober in het kader van de Nationale week van het Onderwijs (3- 7 oktober 2011) een thema-avond over de kwaliteit van het onderwijs in Nederland.In het beleid wordt onderwijskwaliteit eerst en vooral gemeten aan de prestaties ophet gebied van taal, rekenen/wiskunde – de basisvaardigheden -, en aan de positie dieNederland daarmee inneemt in de internationale rangorde (Turkenburg, 2011). Dekwaliteit van het Nederlandse basis- en voortgezet onderwijs daalt volgens critici aljaren, ook ten opzichte van andere landen. Nederland staat op geen enkel terrein meerin de top tien. Vooral het niveau van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen blijftachter. Bij wiskunde in het voortgezet onderwijs is de achteruitgang volgens hetCentraal Planbureau (CPB) het grootst (Centraal Planbureau, 2011).Volgens het CPB moeten om het tij te keren, bestaande middelen effectiever wordeningezet en is de kwaliteit van docenten cruciaal. Docenten zouden volgens het CPBbeter geschoold moeten worden. Ook een uitbreiding van het aantal lesuren leidt totbetere onderwijsprestaties.2.2 LerarenLeraren zijn enerzijds werknemers en gebonden aan de missie van de school en deinstructies van hun werkgever. Anderzijds zijn leraren vakinhoudelijk deskundigen,bepalen het tempo in de groepen, maken resultaatgerichte afspraken met ouders enbeslissen welke leerlingen overgaan naar de volgende klas en verantwoorden dit aande ouders. Leraren zijn veelal intrinsiek gemotiveerd en willen hun leerlingen helpenontwikkelen (Choi & Tang, 2009).Welke (minimale) bekwaamheidseisen gelden voorleraren als specialisten in het aansturen van het leren van leerlingen (Van Kuijk, VanGennip & Vrieze, 2009; Van Gennip, 2009)? Een goede leraar is interpersoonlijk competent. Hij kan op een professionele ma- nier met leerlingen omgaan; Een goede leraar is pedagogisch competent. Hij kan de leerlingen in een veilige werkomgeving houvast en structuur bieden om zich sociaal-emotioneel en moreel te kunnen ontwikkelen;Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 9
  • Een goede leraar is vakinhoudelijk en didactisch competent. Hij kan de leerlingen helpen zich de culturele bagage eigen te maken die iedereen nodig heeft in de he- dendaagse samenleving; Een goede leraar is organisatorisch competent. Hij kan zorgen voor een overzichte- lijke, ordelijke en taakgerichte sfeer in zijn groep of klas; Een goede leraar is competent in het samenwerken met collega’s. Hij kan een pro- fessionele bijdrage leveren aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat op de school, aan een goede onderlinge samenwerking en aan een goede schoolorganisa- tie; Een goede leraar is competent in het samenwerken met de omgeving van de school. Hij kan op een professionele manier communiceren met ouders en andere betrok- kenen bij de vorming en opleiding van zijn leerlingen; Een goede leraar is competent in reflectie en ontwikkeling. Hij kan op een professi- onele manier over zijn bekwaamheid en beroepsopvattingen nadenken. Hij kan zijn professionaliteit ontwikkelen en bij de tijd houden.Het gaat hier om basisvaardigheden. Dus vaardigheden die er moeten zijn na de op-leiding. Bovendien zijn ze vertrekpunt voor verdere professionalisering. De professi-onalisering van docenten is een belangrijke randvoorwaarde voor succesvolle onder-wijsverbetering en past binnen een lerende organisatie (Fullan & Levin, 2009).Scholen kunnen daarnaast de bekwaamheidseisen verder aanpassen aan het eigenbeleid en de eigen visie.2.3 OudersOuders kunnen in verschillende hoedanigheden een rol spelen op school: als mede-vormgevers, constituenten, van het onderwijs (stichters van scholen, bestuurders,leden van inspraakorganen) en als afnemers van het onderwijs (kritische consumen-ten, rechthebbende cliënten) die eisen kunnen stellen aan de producten van scholen.De positie van ouders is de afgelopen jaren versterkt door de introductie van deschoolgids, het klachtrecht, aanpassing van de medezeggenschapsregelingen, rechtenop opvang (Sperling e.a. 2009; Laemers, 2011).In het overheidbeleid is een toenemende aandacht voor ouders als ‘educatieve part-ners’ van leraren. Partnerschap is op te vatten als een proces waarin de betrokkenenelkaar wederzijds ondersteunen en waarin ze proberen de eigen bijdrages zo veelmogelijk op elkaar af te stemmen, met als doelstellingen: leerprestaties en welbevin-den van de leerlingen optimaliseren, leerlingen (en soms ook ouders) beter toerustenmet het oog op de schoolloopbaan van de leerlingen, het optimaliseren van de schoolals organisatie als deel van de buurt en meebeslissen over het beleid van de school10 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • (Smit, Van der Wolf & Sleegers, 2001; Smit, 2011). Ouderbetrokkenheid vindt metname plaats in het primair onderwijs en in mindere mate in het voortgezet onderwijs.In het middelbaar beroepsonderwijs staat het nog in de kinderschoenen (Onderwijs-raad, 2010).Ouders en leraren hebben als educatieve partners een gezamenlijk belang, namelijkhet zorgen voor optimale omstandigheden voor de schoolloopbaan van de leerlingen(De Winter, 2011). Het is van belang om de hulpmiddelen, het sociaal kapitaal, aan teboren die in een schoolgemeenschap aanwezig zijn om de partnerschap vorm te ge-ven, zoals: de kwaliteit van sociale relaties, (in)formele netwerken, gedeelde normen,vertrouwen, wederkerigheid en de bereidheid zich in te zetten voor de gemeenschap(Coleman, 1988; Mendel, 2001; Smit, Driessen, Sluiter & Meijvogel, 2007). Eenbelangrijke voorwaarde voor dat partnerschap is goede communicatie. Ouders vindenhet doorgaans belangrijk dat ze goed kunnen communiceren met de leraren en datscholen naar hen luisteren en serieus nemen (Smit e.a. 2007, 2008; Van Gennip,2009).Een barrière voor partnerschap is dat ouders vaak worden gezien als één homogenegroep, waarbij een ‘one-size-fits-all’-aanpak in de communicatie en de samenwer-king, gedefinieerd vanuit een middenklasse-perspectief, volstaat (Grozier, 2001;Sikkes, 2009).Vragen van ouders over de opvoeding worden vaak vertaald in een behoefte aanprofessionele hulp van beproefde interventies. Maar deze zijn vaak niet nodig, omdatveel gezinnen over eigen hulpbronnen en ideeën beschikken om problemen aan tepakken (Van der Wolf, 2011). Bij het signaleren, analyseren en oplossen van proble-men van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften is de samenwerking tussenschool en ouders van groot belang (Mooij, 2009; Smeets, 2009; Tavecchio, 2011).2.4 LeerlingenLeerlingen4 hebben belang bij goed onderwijs, persoonlijke aandacht, veel contactmet hun docenten en medeleerlingen, goede begeleiding door professionele rolmodel-len en een duidelijke structuur. Ze zijn aan de ene kant op zoek naar avontuur ennieuwe ervaringen opdoen (‘born to be wild’) en aan de andere kant zoeken ze hou-vast en een veilige hechting aan anderen (‘home sweet home’).Dat is een paradox die gemanaged moet worden. De ideale school voor leerlingen isde zogenaamde ‘balansschool’ met balans tussen klassikale les en individuele les-4 We gebruiken in dit rapport de term leerlingen voor leerlingen in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 11
  • vormen, achter de computer zitten en sociale contacten kunnen hebben, vrijheid enbegeleiding, structuur en flexibiliteit, collectieve en individuele beoordeling en tussendoen wat er gezegd wordt en meebeslissen over het beleid. De ideale lessen zijnvooral ook mediasmart: geen saaie kant-en-klare boodschappen, maar lessen waar deleerlingen worden uitgedaagd tot tweerichtingscommunicatie, waarin ze even gemak-kelijk zowel ontvanger als zender zijn over onderwerpen die gebaseerd zijn op hunbelevingswereld. Zulke lessen zetten aan tot participatie (Free, 2009; Smit, 2009).Van leerlingen wordt op scholen in toenemende mate verwacht dat zij actief en zelf-standig leren en een bijdrage leveren aan de school als gemeenschap. Leerlingen inhet voortgezet onderwijs zijn geen burgers in de formeel politieke bekentenis van hetwoord. Ze hebben pas op achttienjarige leeftijd stemrecht. Scholen voor voortgezetonderwijs hebben in de regel een leerlingenstatuut opgesteld om de rechtspositie vanleerlingen binnen de organisatie te verduidelijken (Smit, 2010). Hier in staan bijvoor-beeld hoe het recht op behoorlijk onderwijs er op school uitziet en welke verplichtin-gen leerlingen hebben zich in te spannen om een goed onderwijsproces mogelijk temaken. Ook omgangsregels met betrekking tot te laat komen en afwezigheid, devrijheid van meningsuiting, vrijheid van uiterlijk, ongewenste intimiteiten en discipli-naire maatregelen staan er in (Smit, Doesborgh, Felling & Van Kuijk, 2009).2.5 ProbleemstellingZoals we hierboven hebben laten zien, zijn de verhoudingen tussen leerlingen, oudersen leraren in beweging. Er is echter nog niet zoveel bekend over de visies van leraren,ouders en leerlingen op het gebruik van sociale en nieuwe media, omgangsvormen ende kwaliteit van het onderwijs. Om die reden is er behoefte aan onderzoek om nieuwbeleid vorm te geven.DoelHet doel van het onderhavige onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de visies vanleraren, ouders en leerlingen op de rol van sociale en nieuwe media in het onderwijs,de wijze waarop leraren, ouders, leerlingen met elkaar omgaan en hoe men de kwali-teit van het onderwijs ervaart in het primair en voortgezet onderwijs en het middel-baar beroepsonderwijs. Zie Schema 2.1.12 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Schema 2.1 – Overzicht specificatie onderzoeksvragen kwaliteit en de sfeer van delessen en kwaliteit van de leraren, naar po, vo en mboDeel Onderdeel po vo mboDeel I rol sociale en nieuwe media x x xDeel II contacten ouders en school x x xDeel III omgang leraar en leerlingen* x x xDeel IV oordeel kwaliteit onderwijs x x xDeel V achtergrondgegevens x x x* Studenten in MBOVisie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 13
  • 14 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 3 Onderzoeksopzet3.1 InleidingParagraaf 3.2 geeft een beschrijving van de aanleiding en het doel van het onderzoek.De onderzoeksopzet en -uitvoering wordt besproken in paragraaf 3.3. In paragraaf 3.4ten slotte, wordt de verdere opbouw van het rapport beschreven.3.2 Aanleiding en doel van het onderzoekDe NTR zendt op 3 oktober in het kader van de Nationale Onderwijsweek (3 - 7oktober 2011) een thema-avond over de kwaliteit van het onderwijs in Nederland: DeAvond van het Onderwijs. De NTR / Ruud de Moor Centrum hebben het ITS van deRadboud Universiteit Nijmegen en het OIG verzocht een onderzoek te verrichten naarkwaliteitsaspecten van het onderwijs. Meer specifiek luidden de onderzoeksvragen:1. Wat is de rol van sociale en nieuwe media gebruikt in het onderwijs?2. Wat is de visie op gebruik van sociale en nieuwe media in het onderwijs?3. Hoe verlopen de contacten tussen ouders en school?4. Hoe is de omgang van de leraar met individuele leerlingen?5. Hoe is het oordeel van ouders en leerlingen over de kwaliteit van het onderwijs?3.3 Onderzoeksopzet en -uitvoeringDoelDoel van het onderzoek is een zo representatief mogelijk beeld te geven hoe leraren,ouders en leerlingen de kwaliteit van het onderwijs ervaren.OnderzoeksopzetEr zijn websurveys gehouden onder leraren, ouders en leerlingen in het basisonder-wijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.OnderzoeksgroepenEr is bij dit onderzoek gebruik gemaakt van vijf steekproeven. Er zijn leraren, oudersen leerlingen uit de bovenstaande drie onderwijssectoren aangeschreven.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 15
  • OnderzoeksinstrumentenVoor het verkrijgen van de gegevens is gebruik gemaakt van vragenlijsten met geslo-ten antwoordcategorieën. De instrumenten zijn in overleg met prof. dr. Micha deWinter, prof. dr. Kees van der Wolf en prof. dr. Rob Martens opgesteld. Vervolgensis het instrument op bruikbaarheid getest en in concept voorgelegd aan de opdracht-gever voordat deze online is gegaan. Dit leidde tot bijstellingen en aanvullingen vande vragenlijsten.Te verzamelen informatie:De te verzamelen informatie bij leraren, ouders en leerlingen had betrekking op:I Gebruik van ‘sociale’ en ‘nieuwe’ media tijdens de lessenOf leerlingen en personeel sociale media zoals Hyves, Facebook, Twitter en Linkedin en nieuwe media,zoals computers, internet en mobiele telefonie (smartphones) gebruiken tijdens de lessen én of het wense-lijk is dat ze ingezet zouden moeten worden.II Mening over het gebruik van ‘sociale’ en ‘’nieuwe’ media op schoolOf ouders, leerlingen en personeelsleden van mening zijn dat als leraren computers inzetten, leerlingenbeter werken, de kwaliteit van het onderwijs omhoog gaat door gebruik van nieuwe media (internet, hyves,twitter), het leren met computers meer oplevert dan leren uit boeken, of leren via de computer beter is danles van een leraar, leraren goed kunnen les geven met nieuwe media (internet, hyves, twitter) tijdens delessen mobieltjes moeten worden ingezet om bijvoorbeeld informatie op internet op te zoeken in de lessen,weten hoe google maps werkt, belangrijker is dan topografie leren.III Contacten tussen ouders en schoolOf leerlingen zelf kunnen bepalen hoe ze leven en niet hun ouders, of ze het belangrijk vinden dat hunouders tijd besteden aan de school, of het belangrijk is dat de ouders van leerlingen wel eens op schoolkomen, of de school open staat open voor contact met ouders, of leerlingen het belangrijk vinden dat oudersworden betrokken bij de vorderingen, of leraren leerlingen ook moeten opvoeden, of de school een ruimtemoet hebben waar ouders en leraren elkaar kunnen ontmoeten, of het nodig is dat leraren bij leerlingenthuis komen, of men het fijn vindt als leraren bij leerlingen thuis komen. Hoe vaak ouders op school komenom over de vorderingen van leerlingen te praten. Hoe de contacten van ouders met de school en de leraarverlopen, of de leerlingen met hun ouders praten over hun contacten met de leraar, of de ouders welkomzijn op school, of de ouders weten wat er op school gebeurt, of de ouders met leraren praten over opvoe-ding, of de school een ruimte heeft waar ouders en leraren elkaar altijd kunnen ontmoeten, of leraren weleens bij leerlingen thuis komen.Of leerlingen kritiek hebben op leraren/de school, men kritiek krijgt van leraren/school, of ouders kritiekhebben op leraren/de school, of ouders kritiek krijgen, of ouders wel eens contact met de school hebbenopgenomen om te klagen over het onderwijs en hoe de leraar/leraren met de leerling omgaan, of ouders weleens een advocaat ingeschakeld hebben over een probleem op school, of de ouders wel eens gedacht heb-ben om hun kind van school te halen.IV Omgang leraar met individuele leerlingenOf leerlingen voldoende aandacht krijgen van de leraar, of men vindt dat leraren leerlingen die problemenhebben goed helpen, of de leerling te weinig aandacht krijgt, omdat de leraar zoveel tijd besteedt aanleerlingen met problemen, of de leraren moeite hebben met orde houden, of door alle testen en toetsen deleerling/student beter presteert.16 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • V Oordeel over kwaliteit van het onderwijs Welk rapportcijfer men geeft voor gebruik van nieuwe en sociale media in de lessen, contacten tussen ouders en school, omgang van leraren met ieder kind apart en wat is het totaal oordeel over de kwaliteit van het onderwijs. VI Achtergrondgegevens Ouders/leerlingen: geslacht, leeftijd, schoolsoort leerling, hoogst genoten afgeronde opleiding van de ouder, aantal kinderen in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, geslacht en leeftijd van kinderen. Leraren: onderwijssector, leeftijd en werkervaring.Steekproef en respons lerarenVoor de steekproef van leraren is aan 13.689 leraren uit het primair onderwijs, 27.821leraren in het voortgezet onderwijs en 4.202 leraren in het middelbaar beroepsonder-wijs per e-mail een uitnodiging gestuurd met een link naar de online vragenlijst waaranoniem werd deelgenomen aan het onderzoek. In Tabel 3.1 is de respons van deleraren weergegeven naar geslacht, onderwijssector, leeftijd en werkervaring.Tabel 3.1 – Respons van leraren naar geslacht, onderwijssector, leeftijd en werkerva-ringLeraren Onderzoek LandelijkGeslachtman 46% 33%vrouw 54% 67%totaal (n=100%) 2.072Onderwijssectorpo 29% 52%vo 60% 33%mbo 11% 15%totaal (n=100%) 2.072Leeftijdjonger dan 35 13% 37%36 -45 jaar 18% 20%46 - 55 jaar 35% 25%56 jaar of ouder 34% 17%totaal (n=100%) 2.072Werkervaring in het onderwijsminder dan 1 jaar 1% nb.1 tot 5 jaar 4% nb.5 tot 10 jaar 13% nb.10 jaar of meer 82% nb.totaal (n=100%) 2.072Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 17
  • In totaal hebben 2.072 leraren deelgenomen aan het onderzoek. De gewenste responswas voor de leraren per onderwijssector 384 volledig ingevulde vragenlijsten. Metrespectievelijk 603 en 1243 ingevulde vragenlijsten zijn deze doelstellingen ruim-schoots behaald voor het primair en voortgezet onderwijs. Hier kunnen aan de handvan de verzamelde gegevens uitspraken worden gedaan op populatieniveau met eenbetrouwbaarheid van boven de 95%.Voor het middelbaar beroepsonderwijs is met 226 respondenten deze doelstelling nietbehaald. Aan de hand van de verzamelde gegevens komt, bij een standaard foutmargevan 5%, het betrouwbaarheidniveau onder de 90% te liggen. Dit betekent dat wevoorzichtig dienen om te gaan met de onderzoeksresultaten voor het mbo.Wat zijn de kenmerken van de deelnemende leraren? Iets meer dan de helft van dedeelnemende leraren is vrouw. Ruim tweederde is 46 jaar en ouder. De overgrotemeerderheid van de leraren werkt langer dan 10 jaar in het onderwijs. In vergelijkingmet landelijke cijfers zijn mannen en met name (oudere) leraren in het voortgezetonderwijs oververtegenwoordigd. Jonge (vrouwelijke) leraren in het po en vo zijnondervertegenwoordigd. Dit betekent dat de deelnemende leraren aan het onderzoekrelatief meer ervaring hebben dan de doorsnee leraar en niet helemaal representatiefzijn voor alle leraren in Nederland.Steekproef en respons ouders en leerlingenVoor een steekproef van ouders en leerlingen in het primair onderwijs, voortgezetonderwijs en middelbaar beroepsonderwijs zijn ouders benaderd via het ITS – Ouder-radenpanel. Daarnaast is het LAKS, JOB5, de MBO Raad en een aantal RegionaleOpleidingen Centra gevraagd om mee te werken aan het onderzoek om leerlingen testimuleren om mee te participeren in het onderzoek. Via Linkedin, Twitter en Face-book en in een Nieuwsbrief voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en mbo is deaandacht gevestigd op het onderzoek.Voor de uitvoering van deze onderzoeksfase zijn 6.520 ouderraden (po, vo, mbo) en707 leerlingenraden (vo en mbo) benaderd via een e-mail om deel te nemen aan hetonderzoek. Opbrengst: netto gegevens over de kwaliteit van het onderwijs van intotaal 2.372 ouders en 667 leerlingen. Zie Tabel 3.2.5 LAKS: Landelijk Aktie Komitee Scholieren; JOB: Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs.18 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Tabel 3.2 – Verstuurde aantallen verzoeken tot deelname, netto respons, in aantallen,naar onderwijssector Ouderraden Leerlingenraden Netto respons Netto responsOnderwijssector* N Verstuurd Respons* N Verstuurd Respons** primair onderwijs 6.421 6.000 1295 - - - voortgezet onderwijs 943 500 1020 943 574 577 mbo 573 20 57 573 133 163Totaal 7.937 6.520 2.372 1.516 707 740* ITS Ouderraden-panel* Individuele ouders; ** individuele leerlingenIn Tabel 3.3 is de respons van de ouders en de leerlingen weergegeven naar geslacht,het onderwijs van de kinderen, leeftijd en opleiding van de ouders.In totaal hebben 2.372 ouders en 740 leerlingen deelgenomen aan het onderzoek.Gedurende het veldwerk zijn, nadat er ruim 1.000 ouders de vragenlijst hadden inge-vuld - in overleg met de opdrachtgever - de vragen over de rol van nieuwe en socialemedia uit de vragenlijst van ouders verwijderd, omdat veel respondenten afhaaktenbij dit ‘lastige’ onderwerp (met uitleg van de gehanteerde begrippen). Dit betekent datde antwoorden van ouders voorzichtig geïnterpreteerd dienen te worden.Een mogelijke oorzaak voor de lagere respons van de leerlingen zou kunnen zijn dathet lastig is om (via een websurvey) hen te bereiken. Dit is in lijn met de bevindingenvan landelijke onderzoeken naar de positie van de leerlingen bij medezeggenschap enbij onderzoeken naar de rol van leerlingen/studenten in het mbo. De deelname vanleerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen/studenten in het mbo is, mededoor de inspanningen van de MBO Raad. het LAKS en JOB gestimuleerd.Wat zijn kenmerken van de deelnemende ouders en leerlingen? Van de deelnemendeouders is meer dan driekwart vrouw. Ruim helft heeft kinderen in het primair onder-wijs, gevolgd door het voortgezet onderwijs. De grootste groep ouders is in de veer-tig. Over het algemeen zijn de deelnemende ouders redelijk hoog opgeleid, ruim 40procent heeft hbo en een vijfde is universitair opgeleid. Ter vergelijking: in 2009 had27 procent van de 15- tot 65-jarigen in Nederland een hbo- of wo-diploma. Daarnaasthad 68% een startkwalificatie, dat wil zeggen minimaal een diploma van mbo-niveau2 of een havo-, vwo-diploma. Dit betekent dat de deelnemende ouders aan het onder-zoek hoger opgeleid zijn dan de gemiddelde ouder en daardoor niet helemaal repre-sentatief zijn voor alle ouders in Nederland6.6 Centraal Bureau voor de Statistiek (2010). Jaarboek onderwijs in cijfers 2010. Den Haag.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 19
  • Tabel 3.3 – Respons van ouders en leerlingen naar geslacht, onderwijs kinderen,leeftijd en opleiding oudersOuders Leerlingenman 21,4% man 43,8%vrouw 78,6% vrouw 56,2%Totaal (n=100%) 2.372 totaal (n=100%) 740onderwijs kinderen onderwijs leerlingenprimair onderwijs 54,6% primair onderwijs -voortgezet onderwijs 43,0% voortgezet onderwijs 76,3% vwo/gymnasium 47,0% havo 15,8% vmbo 13,5%mbo 2,4% mbo 22,0% speciaal onderwijs 1,7%totaal (n=100%) 2.372 totaal (n=100%) 740leeftijd leeftijd30 jaar of jonger 2,2% jonger dan 13 jaar 12,9%31 - 35 jaar 7,9% 14 - 15 jaar 33,1%36 - 40 jaar 22,3% 16 - 18 jaar 45,0%41 - 45 jaar 32,5% 19 jaar of ouder 9,0%46 - 50 jaar 22,0%51 - 55 jaar 10,0%56 jaar of ouder 3,0%totaal (n=100%) 2.372 totaal (n=100%) 740ouders leerlingenhoogst afgeronde opleidinguniversiteit 20,4%hbo 42,5%mbo 23,5%voortgezet onderwijs 12,9%primair onderwijs 0,6%totaal (n=100%) 2.372De deelnemende leerlingen zijn qua geslacht bijna evenredig verdeeld, iets meer dande helft is vrouw. Het primair onderwijs behoorde niet tot de doelgroep, het gros zitop het voortgezet onderwijs, waarvan het merendeel vwo. Een vijfde van de deelne-mende leerlingen zit op het mbo. Ruim tweederde van de deelnemende leerlingen is14 of 15 jaar, tweevijfde is 16 tot en met 18 jaar.20 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • AnalysesDe analyses van de surveys waren er op gericht om een beeld te krijgen van de me-ning van leraren, ouders en leerlingen over het gebruik van sociale en nieuwe mediatijdens de lessen en essentiële onderdelen van communicatie tussen ouders, leerlingenen personeel, zoals de aard en intensiteit van de communicatie en de (gewenste) om-gang van de leraar met individuele leerlingen.Vrijwel alle getallen in de tabellen zijn percentages (afgerond op een heel procent),tenzij het gemiddelden of rapportcijfers betreft (afgerond op 1 decimaal).3.4 Opbouw van het rapportIn de hoofdstukken 4 tot en met 7 wordt op basis van de surveys onder leraren, oudersen leerlingen beschreven hoe zij aankijken tegen de kwaliteit van het onderwijs.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 21
  • 22 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 4 Rol sociale en nieuwe media in het onderwijs4.1 InleidingIn dit hoofdstuk beschrijven we op basis van websurveys onder leraren, ouders enleerlingen de rol van sociale media (Facebook, Hyves, Twitter, Linkedin)7 en nieuwemedia (computer, internet) in het onderwijs en effecten op de kwaliteit van het on-derwijs. Indien er geen verschillen zijn in de antwoorden tussen leraren, ouders enleerlingen van de verschillende onderwijssectoren (po, vo, mbo) zullen ze niet apartworden gerapporteerd.In paragraaf 4.2 schetsen we de gegevens over de gewenste en feitelijk gebruik vansociale media in het onderwijs. In paragraaf 4.3 beschrijven we de inschakeling vannieuwe media bij de lessen en de gepercipieerde effecten op de kwaliteit van hetonderwijs. In paragraaf 4.4 komen de vaardigheden van leraren in het werken metnieuwe media en de leeropbrengsten aan de orde. In paragraaf 4.5 vatten we de be-vindingen kort samen.4.2 Gewenst en feitelijk gebruik sociale media in lessenLeerlingen in het voortgezet onderwijs zijn doorgaans permanent online. De Black-berry of iPhone lijkt een onmisbaar attribuut geworden8. Sociale media als Twitter,Linkedin, Hyves en Facebook kunnen in het onderwijs worden geïntegreerd om leer-lingen bij de les te houden9.7 De antwoorden van ouders op de vragen over de rol van sociale en nieuwe media dienen voorzichtig geïnterpreteerd te worden. De vragen over de sociale media zijn gedurende het veldwerk uit de vragenlijst gehaald, omdat veel respondenten afhaakten.8 Lois Fritzsche (2011). Voor maatschappijleer kan Twitter heel nuttig zijn. Scholen hanteren zeer divers beleid ten aanzien van gebruik smartphones door leerlingen. NRC Handelsblad, 14 september 2011.9 Eveline Domevscek (2011). Een klas met dertig Appletjes. Dagblad De Pers, 13 september 2011.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 23
  • Gewenst gebruikLerarenAan leraren is de vraag voorgelegd wat het gewenst gebruik van sociale media istijdens de lessen. Zie Figuur 4.1.Figuur 4.1 – Gewenst gebruik van sociale media tijdens de lessen, volgens leraren(n=2.040) LinkedIn Twitter Facebook Hyves 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Hyves Facebook Twitter LinkedIn (bijna) nooit 75% 74% 70% 71% soms 11% 12% 15% 12% (bijna) altijd 0% 0% 1% 1% weet ik niet/nvt 14% 14% 14% 16%Figuur 4.1 laat zien dat ruim 70 procent van de leraren aangeeft dat sociale media(bijna) nooit moeten worden ingezet tijdens de les. Een klein deel van de leraren vindtdat sociale media soms zou moeten worden ingezet tijdens de les (gemiddeld 13%).Ook heeft een vrij groot gedeelte geantwoord nog geen mening gevormd te hebben ofdat het niet van toepassing is (gemiddeld 14%). Twitter wordt het vaakst (15%) doorde leraren aangegeven als sociaal medium dat soms gebruikt zou moeten wordentijdens de les.Ouders en leerlingenWat vinden ouders en leerlingen hoe sociale media gebruikt moeten worden tijdensde lessen? Zie Figuur 4.2.24 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 4.2 – Gewenst gebruik van sociale media tijdens de lessen, volgens ouders(n=1.074) en leerlingen (n=740) ouders 63% 17% 18% Twitter leerlingen 63% 17% 12% 8% Linkedin ouders 64% 13% 20% leerlingen 78% 7% 4% 11% ouders 67% 14% 18% Hyves leerlingen 73% 11% 8% 8% Facebook ouders 66% 14% 18% leerlingen 67% 15% 10% 8% 0% 20% 40% 60% 80% 100% (bijna) nooit soms (bijna) altijd weet niet / n.v.t.Figuur 4.2 laat zien een ruime meerderheid van ouders en leerlingen aangeeft dat zehet (bijna) nooit wenselijk vinden om sociale media als Twitter, Linkedin, Hyves enFacebook te gebruiken tijdens de lessen. Twitter zou volgens 17 procent van de ou-ders en leerlingen soms gewenst zijn om te gebruiken. Iets minder positief oordeeltmen over de mogelijke inzet van Facebook, Hyves en Lindkedin. Rond een tiendevan de leerlingen stelt dat sociale media (bijna) altijd gebruikt zou moeten worden inlessituaties.Feitelijk gebruikLerarenWat is volgens leraren het feitelijk gebruik van sociale media tijdens de lessen? ZieFiguur 4.3.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 25
  • Figuur 4.3 – Feitelijk gebruik van sociale media tijdens de lessen, volgens leraren(n=2.040) LinkedIn Twitter Facebook Hyves 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Hyves Facebook Twitter LinkedIn (bijna) nooit 96% 96% 96% 97% soms 3% 3% 2% 2% (bijna) altijd 0% 0% 0% 0% weet ik niet/nvt 1% 1% 1% 1%Uit Figuur 4.3 blijkt dat de overgrote meerderheid, ongeveer 96 procent, van de lera-ren (bijna) nooit sociale media als Hyves, Facebook, Twitter of Linkedin gebruikttijdens de les. Een fractie van de leraren stelt dat er soms gebruik van wordt gemaakt.Ouders en leerlingenWat is het daadwerkelijk gebruik van sociale media tijdens de lessen, volgens oudersen leerlingen?Figuur 4.4 – Daadwerkelijk gebruik van sociale media tijdens de lessen, volgensouders (n=1.074) en leerlingen (n= 740) ouders 68% 2% 30% Twitter leerlingen 79% 9% 9% 4% Linkedin ouders 68% 31% leerlingen 92% 5% ouders 67% 3% 29% Hyves leerlingen 79% 12% 6% Facebook ouders 68% 30% leerlingen 76% 12% 9% 0% 20% 40% 60% 80% 100% (bijna) nooit soms (bijna) altijd weet niet / n.v.t.26 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • In Figuur 4.4 is te zien dat volgens ruim tweederde van de ouders sociale media (bij-na) nooit wordt ingezet tijdens de les, bijna een derde weet dit niet. Meer dan drie-kwart van de leerlingen geeft aan dat sociale media (bijna) nooit in de les wordt inge-zet. Bijna een op de tien leerlingen geeft aan dat Twitter of Facebook (bijna) altijd tegebruiken tijdens de lessen.4.3 Gebruik nieuwe media en effecten kwaliteit onderwijsGebruikLerarenIn welke mate gebruiken leraren computers tijdens de lessen. Zie Figuur 4.5.Figuur 4.5 – Gebruik van computers tijdens de lessen, volgens leraren (n=2.040) 100% 0% 80% 50% 60% 40% 41% 20% 9% 0% ik gebruik computers in mijn lessen .. weet ik niet/nvt (bijna) altijd soms (bijna) nooitUit Figuur 4.5 blijkt dat de helft van de leraren (bijna) altijd computers gebruiken inde les. Twee vijfde (41%) geeft aan soms computers te gebruiken en iets minder daneen tiende (9%) gebruikt (bijna) nooit. Leraren gebruiken in het vo (41%) mindervaak computers dat in het po (63%) en mbo (62%).Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 27
  • EffectenLerarenWat vinden leraren van het gebruik van nieuwe media (computers, mobieltjes) vooronderwijsdoeleinden tijdens de lessen en de effecten op de kwaliteit van het onder-wijs? Zie Figuur 4.6.Figuur 4.6 – De effecten van het gebruik van nieuwe media voor onderwijsdoelein-den, volgens leraren (n=1.993) 100% 2% 2% 5% 4% 13% 10% 80% 39% 17% 21% 52% 60% 40% 41% 68% 65% 26% 20% 18% 17% 0% met inzet van computers kwaliteit onderwijs gaat mobieltjes moeten weten hoe google maps tijdens les, wordt er beter omhoog door gebruik worden worden ingezet werkt is belangrijker dan gewerkt nieuwe media tijdens les topografie leren (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet ik niet /nvtFiguur 4.6 toont dat bijna tweevijfde (39%) van de leraren vindt dat door de inzet vancomputers er beter wordt gewerkt. Minder dan een vijfde van de leraren is het (ge-heel) oneens met deze stelling.Volgens iets meer dan de helft (52%) van de leraren wordt de kwaliteit van het on-derwijs verhoogd door de inzet van nieuwe media; 17 procent van de leraren is het erniet mee eens.Ruim tweederde (68%) van de leraren is het (geheel) oneens om mobieltjes in tezetten in lessituaties; iets meer dan een tiende (13%) van de leraren is voorstander.Bijna tweederde (65%) van de leraren is het (geheel) oneens met de stelling dat hetbelangrijker is om te weten hoe Google Maps werkt dan topgrafie te leren. Een tiende28 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • van de leraren is voorstander van het aanleren van vaardigheden om met nieuwemedia om te gaan in plaats van kennisoverdracht.Meer leraren in het po (53%) zijn positief over het effect van werken met computersin de klas dan leraren het vo (34%) en leraren in het mbo (29%). Hetzelfde geldt voorde inzet van nieuwe media. Meer leraren in het po (67%) vinden dat de inzet vannieuwe media bijdragen aan de kwaliteit van de les dan in het vo (46%) en in het mbo(42%). Als het gaat om het gebruik van mobieltjes tijdens de lessen zijn leraren in hetpo daarentegen negatiever dan het vo en mbo. Ruim driekwart van de leraren (78%)in het po vindt dit een slecht idee tegen bijna tweederde (65%) van de leraren in hetvo en 61 procent van de leraren in het mbo.Ouders en leerlingenWat vinden ouders en leerlingen van het gebruik van nieuwe media (computers, mo-bieltjes) voor onderwijsdoeleinden tijdens de lessen en de effecten op de kwaliteit vanhet onderwijs? Zie Figuur 4.7.Figuur 4.7 – De effecten van het gebruik van nieuwe media voor onderwijsdoelein-den, volgens leerlingen (n = 740) en ouders (n = 1.074) 100% 4% 4% 8% 8% 10% 21% 9% 30% 13% 80% 38% 37% 40% 50% 19% 60% 13% 24% 40% 36% 79% 77% 38% 26% 55% 58% 20% 35% 24% 19% 13% 0% ouders leerlingen ouders leerlingen ouders leerlingen ouders leerlingen met inzet computers kwaliteit onderwijs gaat mobieltjes moeten worden weten hoe googlemaps tijdens les, wordt beter omhoog door gebruik ingezet tijdens les werkt, belangrijker dan gewerkt nieuwe media topografie leren weet niet / n.v.t. (geheel) eens neutraal (geheel) oneensVisie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 29
  • Uit Figuur 4.7 blijkt dat ouders (40%) en leerlingen (37%) van mening zijn dat met deinzet van computers tijdens de les beter wordt geleerd. Een kwart van de leerlingenvindt dit niet. De kwaliteit van het onderwijs wordt volgens de helft van de oudersvergroot door het gebruik van nieuwe media. Hierin worden ze gesteund door 37procent van de leerlingen, hoewel een derde van de leerlingen hier niet in gelooft.Ouders en leerlingen zijn geen voorstanders van de inzet van mobieltjes in lessitua-ties. Meer dan de helft van de leerlingen en meer dan driekwart van de ouders zijn het(geheel) oneens met de stelling dat mobieltjes moeten worden ingezet tijdens de les10.Het merendeel van de ouders en leerlingen lijkt de traditionele manier van kennisoverdracht belangrijker te vinden dan om vaardigheden te leren om die kennis zelf opte zoeken. Ruim driekwart van de ouders en ruim de helft van de leerlingen zijn hetnamelijk (geheel) oneens met de stelling dat het belangrijker is om te weten hoeGoogle Maps11 werkt, dan om topografie te leren.4.4 Gebruik nieuwe media, vaardigheden van leraren en leeropbrengstenHet is van belang dat leraren vakinhoudelijk en didactisch competent zijn. Dat bete-kent dat zij de leerlingen kunnen helpen zich de culturele bagage eigen te maken dieze nodig hebben in de hedendaagse samenleving (zie paragraaf 2.3).LerarenHoe kijken de leraren aan tegen hun vaardigheden om met nieuwe media om te gaanen de effecten van het gebruik van nieuwe media bij de kennisoverdracht tijdens delessen? Zie Tabel 4.8.10 Steeds meer leerlingen hebben als mobieltje een smartphone: een toestel waarmee je naast bellen en sms’en goed kunt internetten, e-mailen en apps downloaden. De meeste smartphones hebben een touch- screen of een volledig toetsenbord zoals ook op de computer.11 Google Maps is een dienst van Google Inc. Google Maps biedt onder andere kaartinformatie aan over de Verenigde Staten, Canada, Japan en het grootste gedeelte van Europa. Het doel van Google Maps is om gebruikers te helpen met het vinden van instellingen of bedrijven. Google Maps geeft dan ook aanvullen- de informatie zoals adres, telefoonnummer en website.30 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Tabel 4.8 – De vaardigheden van leraren om met nieuwe media om te gaan en deeffecten van het gebruik van nieuwe media bij de kennisoverdracht tijdens de lessen,volgens leraren (n=1.993) ik heb de vaardigheid om nieuwe media/computers 10% 18% 72% 1% te gebruiken tijdens lessen zelfstandig werken met behulp van de computer is 59% 26% 14% belangijker dan klassikaal lesgeven leren met computers levert meer op dan leren uit 30% 42% 25% boeken 0% 20% 40% 60% 80% 100% (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet ik niet /nvtUit Tabel 4.8 blijkt dat bijna driekwart (72%) van de leraren stelt dat zij de vaardig-heid hebben om nieuwe media/computers te gebruiken tijdens lessen. Een tiende(10%) van de leraren vindt dat zij deze vaardigheid niet hebben. Bijna drievijfde(59%) van de leraren vindt dat zelfstandig werken met behulp van de computer nietbelangrijker is dan klassikaal lesgeven. Een klein deel (14%) van de leraren vindt datwel. Een kwart (25%) van de leraren is van mening is dat het leren met computersmeer oplevert dan het leren uit boeken; 30% van de leraren vindt niet dat leren uitboeken meer oplevert dan leren uit boeken.In het vo (35%) en mbo (36%) vinden meer leraren dan leraren in het po (19%) datleren met computers niet meer oplevert dan leren uit een boek.LeerlingenHoe kijken de leerlingen aan tegen de vaardigheden van leraren om met nieuwe me-dia om te gaan en de effecten van het gebruik van nieuwe media bij de kennisover-dracht tijdens de lessen? Zie Tabel 4.9.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 31
  • Tabel 4.9 – De vaardigheden van leraren om met nieuwe media om te gaan en deeffecten van het gebruik van nieuwe media bij de kennisoverdracht tijdens de lessen,volgens leerlingen (n = 740)leraren kunnen goed les geven met nieuwe media 39% 28% 25% 8% tijdens de lessen leren via de computer is beter dan les van een 56% 22% 20% 2% leraar leren met computers levert meer op dan leren uit 33% 30% 35% 3% boeken 0% 20% 40% 60% 80% 100% (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet niet / n.v.t.Uit Tabel 4.9 kunnen we opmaken dat bijna tweevijfde (39%) van de leerlingen vindtdat leraren niet goed overweg kunnen met nieuwe media tijdens de lessen.Een kwart van de leerlingen is van mening dat leraren goed les geven met behulp vannieuwe media. Een ruime meerderheid (56%) van de leerlingen is van mening datleren via de computer niet beter is dan les krijgen van een leraar. Hoewel een op devijf (20%) van de leerlingen les met de computer prefereert.OudersWat is de mening van ouders over de vaardigheden van leraren in het werken metnieuwe media, het belang van vaardigheden via de computer ontwikkelen en de leer-opbrengsten? Zie Figuur 4.10.32 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 4.10 – Mening over de vaardigheden van leraren in het werken met nieuwemedia, het belang van vaardigheden via de computer ontwikkelen en wat de leerop-brengsten hiervan zijn, volgens ouders (n = 1.074) leraren zijn vaardig om nieuwe media in te zetten 25% 27% 36% 12% tijdens les vaardigheden via computer ontwikkelen, is 74% 18% 7% belangijker dan kennisoverdracht door leraar leren met computers levert meer op dan leren uit 38% 35% 22% 4% boeken als leraren computers inzetten, wordt er beter 23% 35% 35% 7% geleerd 0% 20% 40% 60% 80% 100% (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet niet / n.v.t.Figuur 4.10 laat zien dat ouders verdeeld zijn of leraren competent zijn om nieuwemedia in te zetten tijdens de lessen. Ruim een derde (36%) van de ouders denkt datleraren hier vaardig in zijn, ruim een kwart (27%) vindt van niet. Bijna driekwart(74%) van de ouders is niet van mening dat het ontwikkelen van vaardigheden via decomputer ontwikkelen belangrijker is dan de kennisoverdracht door de leraar. Oudershebben niet een eenduidige mening of leren met computers meer oplevert dan lerenuit boeken; ruim een derde van de ouders veronderstelt dat met de inzet van compu-ters er beter wordt geleerd.4.5 SamenvattendIn dit hoofdstuk is de visie van leraren, ouders en leerlingen op de rol van sociale ennieuwe media op school besproken.Een ruime meerderheid van de leraren, ouders en leerlingen vindt het (bijna) nooitwenselijk om sociale media als Twitter, Linkedin, Hyves en Facebook in te zettentijdens de les. Twitter wordt het vaakst (15%) door de leraren genoemd als sociaalmedium dat soms gebruikt zou kunnen worden tijdens de les. De overgrote meerder-heid van de leraren gebruikt geen sociale media in lessituaties. Rond een tiende vande leerlingen zegt sociale media (bijna) altijd te gebruiken in lessituaties.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 33
  • Meer dan de helft van de leraren staat positief tegenover de inzet van nieuwe media,zoals de computer en internet in de les. De helft van de leraren gebruikt (bijna) altijdcomputers in de les. Het gebruik van mobieltjes wijst tweederde van de leraren van dehand. Iets meer dan een tiende van de leraren is voorstander.Als het gaat om het effect van het leren met de computer, dan zijn de meningen ver-deeld onder de leraren; ruim een kwart vindt dat leren met de computer niet meeroplevert dan leren met boeken en ruim een kwart vindt van wel. Rond de helft van deleraren stelt dat klassikaal lesgeven belangrijker blijft dan zelfstandig werken met decomputer. Volgens rond de helft van de leraren en ouders wordt de kwaliteit van hetonderwijs verhoogd door de inzet van nieuwe media.Meer leraren in het po vinden dat de inzet van nieuwe media bijdraagt aan de kwali-teit van de les dan in het vo en in het mbo. Als het gaat om het gebruik van mobieltjeszijn leraren in het po daarentegen negatiever dan de leraren in het vo en in het mbo.Ruim driekwart van de leraren in het po vindt dit een slecht idee, tegen bijna twee-derde van de leraren in het vo en een ruime meerderheid van de leraren in het mbo.Bijna tweevijfde van de leerlingen vindt dat leraren niet goed overweg kunnen metnieuwe media tijdens de lessen. Ruim tweederde van de leraren geeft aan dat zij juistwel vaardig zijn om nieuwe media te gebruiken in de les. Dit is in lijn met eerderonderzoek naar de inzet van internet, het digitale schoolbord en sociale media in deles: leraren zijn van mening dat zij over de benodigde vaardigheden beschikken omoptimaal gebruik te maken van de moderne snufjes, maar zij blijken in de praktijkslechts een klein deel van de beschikbare mogelijkheden te gebruiken (Schut & Crae-nen, 2010). Mogelijk komt het onjuist inschatten van de eigen professionaliteit vanleraren door hun geïsoleerde professionele positie binnen de schoolorganisatie: degesloten deur van het klaslokaal laat relatief minder ruimte voor dialoog en zelfreflec-tie (McDaniel, 2009; Martens & Hooijer, 2011). Leraren zien zelf ook andere oorza-ken: men heeft slechts een paar computers in de klas, geen tijd voor bijscholing; geenlesmateriaal beschikbaar om te gebruiken (Wester & Smeets, 2011).In het volgende hoofdstuk bespreken we de contacten tussen ouders en school.34 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 5 Contacten ouders - school5.1 InleidingIn dit hoofdstuk beschrijven we op basis van de websurveys onder leraren, ouders enleerlingen de contacten tussen ouders en school. Indien er geen verschillen zijn in deantwoorden tussen leraren, ouders en leerlingen van de verschillende onderwijssecto-ren (po, vo, mbo) zullen ze niet apart worden gerapporteerd.We schetsen in paragraaf 5.2 het belang van het contact tussen ouders en school enrol van de leraar als opvoeder. In paragraaf 5.3 geven leerlingen hun mening over decontacten tussen ouders en de school en de vrijheid zelf te bepalen hoe zij inhoudkunnen geven aan hun leven. Paragraaf 5.4 beschrijft de intensiteit van de contactentussen ouders en school. In paragraaf 5.5 wordt een beeld gegeven van het overlegtussen ouders en kinderen over de contacten met de leraar en of ouders op de hoogtezijn van wat er gebeurt op school. In paragraaf 5.6 presenteren we de bevindingenover de omgang met verschillen van mening tussen ouders en school over opvoed-kundige of onderwijskundige. In paragraaf 5.7 beschrijven we de omgang met klach-ten. We sluiten af met een korte samenvatting in paragraaf 5.8.5.2 Belang van contact tussen ouders - school en rol leraar als opvoederDe kwaliteit van sociale relaties, gedeelde normen en bereidheid zich in te zetten voorde schoolgemeenschap, zijn van grote invloed op het functioneren van de schoolorga-nisatie (vgl. Coleman, 1988). Leraren dienen op een professionele manier te commu-niceren met ouders en andere betrokkenen bij de vorming en opleiding van de leerlin-gen (competent in het samenwerken met de omgeving van de school) en kunnen deleerlingen in een veilige werkomgeving houvast en structuur bieden om zich sociaal-emotioneel en moreel te kunnen ontwikkelen (pedagogisch competent). Zie paragraaf2.3.LerarenHoe kijken leraren aan tegen het belang van het contact tussen ouders en school en derol van leraren als opvoeders? Zie Figuur 5.1.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 35
  • Figuur 5.1 – Het belang van contacten tussen ouders en school en de rol van lerarenals opvoeder, volgens leraren (n=1.984) 100% 2% 2% 1% 2% 90% 21% 80% 41% 47% 70% 55% 60% 31% 50% 29% 40% 27% 30% 30% 20% 46% 23% 29% 10% 14% 0% de meeste ouders de meeste ouders huisbezoek bij ouders is school moet ruimte voeden hun kinderen maken tijd voor de nodig hebben waar ouders en goed op school van hun kind leerkrachten elkaar kunnen ontmoeten (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet ik niet /nvtFiguur 5.1 toont dat een ruime meerderheid (55%) van de leraren vindt dat oudershun kinderen goed opvoeden; 15 procent van de leraren stelt dat ouders tekort schie-ten in hun opvoedende taken.Bijna de (47%) van de leraren zegt dat ouders tijd maken voor de school van hunkind; bijna kwart (23%) is het hiermee oneens. Een vijfde (21%) van de leraren vindtdat huisbezoek bij ouders nodig is. Ruim tweevijfde (41%) van de leraren is voor-stander van een ruimte in de school waar ouders en leraren elkaar kunnen ontmoeten.Beduidend meer leraren in het po (32%) vinden huisbezoek nodig dan in het vo(18%) en mbo (12%).Ouders en leerlingenHoe kijken ouders en leerlingen aan tegen het belang van het contact tussen ouders enschool en de rol van leraren als opvoeders? Zie Figuur 5.2.36 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 5.2 – Het belang van contacten tussen ouders en school en de rol van lerarenals opvoeder, volgens ouders (n=2.372) en leerlingen (n=740) 100% 22% 10% 26% 80% 28% 48% 53% 53% 60% 31% 22% 92% 34% 40% 83% 32% 24% 28% 46% 50% 20% 34% 17% 19% 22% 7% 0% ouder leerling ouder leerling ouder leerling ouder leerling belangrijk dat ouders tijd school moet ruimte huisbezoek van leraren is leraren moeten kinderen besteden aan de school hebben waar ouders en nodig ook opvoeden leraren elkaar kunnen ontmoeten weet niet / n.v.t. (geheel) eens neutraal (geheel) oneensFiguur 5.2 toont dat bijna alle ouders het belangrijk vinden om tijd te besteden aan deschool van hun kinderen, terwijl iets meer de helft van de leerlingen hier een voor-stander van is. Bijna de helft van de ouders is van mening dat de school een ruimtemoet hebben waar de ouders en de leraren elkaar kunnen ontmoeten. Ruin een derdevan de leerlingen is het hiermee oneens. Waar een op de vijf ouders nog een voor-stander is van huisbezoeken door de leraar, heeft een ruime meerderheid van de leer-lingen hier geen behoefte aan. Wat betreft de rol van leraren als opvoeders: de helftvan de ouders vindt dat leraren de leerlingen ook moet opvoeden en een vijfde is hetdaarmee oneens. Van de leerlingen is een kwart hier een voorstander van, de helft istegen.5.3 Belang contact ouders - school en de bewegingsvrijheid van leerlingenLerarenWat is de mening van leraren over het belang van het contact tussen ouders en schoolen de rol van leraren als opvoeders? Zie Figuur 5.3.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 37
  • Figuur 5.3 – Het belang van contacten tussen ouders en school en de rol van lerarenals opvoeder, volgens leraren (n=2.072)Figuur 5.3 toont dat circa 60 procent van de leraren vindt dat ouders hun kinderengoed opvoeden; bijna 15 procent van de leraren heeft zijn bedenkingen.De helft van de leraren zegt dat ouders tijd maken voor de school van hun kind. On-geveer een kwart van de leraren is van mening dat huisbezoek bij ouders nodig is‘meer dan 40 procent vindt dit niet nodig. Ruim 40 procent van de leraren is voor-stander van een ruimte in de school waar ouders en leraren elkaar kunnen ontmoeten.De school heeft een ruimte waar leraren elkaar kunnen ontmoetenHebben scholen in het po, vo en mbo een ruimte waar leraren en ouders elkaar kun-nen ontmoeren? Zie Figuur 5.4.38 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 5.4 – De school heeft een ruimte waar leraren elkaar kunnen ontmoeten vol-gens leraren in het primair onderwijs (n=573), het voortgezet onderwijs (n=1.181),het mbo (n=219) en in het totaal (n= 1.973) 100% 30% 27% 35% 36% 80% 60% 40% 70% 73% 65% 64% 20% 0% totaal (n=1.973) po (n=573) vo (n=1.181) mbo (n=219) De school heeft een ruimte waar ouders en leraren elkaar kunnen ontmoeten .. nee jaFiguur 5.4 laat zien dat volgens bijna tweederde (65%) van de leraren in het po, bijnadriekwart (73%) van de leraren in het vo en bijna tweederde (64%) van de leraren inhet mbo de school een ruimte heeft waar leraren en ouders elkaar kunnen ontmoeten.LeerlingenWat is de mening van leerlingen over het belang van het contact tussen ouders en deschool en de wens zelf te bepalen hoe zij inhoud geven aan hun leven? Zie Figuur 5.5.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 39
  • Figuur 5.5 – Visie op de contacten tussen ouders en de school en de bewegingsvrij-heid van de leerlingen, volgens de leerlingen (n=740)100% 5% 7% 90% 14% 16% 14% 80% 36% 32% 34% 49% 46% 48% 70% 64% 57% 61% 60% 77% 67% 73% 50% 35% 39% 36% 40% 79% 76% 77% 28% 30% 28% 30% 24% 31% 26% 20% 21% 17% 27% 26% 28% 10% 23% 21% 22% 16% 11% 10% 11% 0% 5% 5% vo mbo totaal vo mbo totaal vo mbo totaal vo mbo totaal vo mbo totaal fijn als leraren bij ons belangrijk dat mijn belangrijk dat mijn school staat open voor Ik bepaal zelf hoe ik thuis komen ouders worden ouders wel eens op contact met mijn leef en niet mijn ouders betrokken bij mijn school komen ouders vorderingen weet niet / n.v.t. (geheel) eens neutraal (geheel) oneensFiguur 5.5 laat zien dat meer dan driekwart van de leerlingen in het vo en mbo hetniet prettig vindt als leraren bij hen thuis komen. Meer dan de helft (61%) van deleerlingen uit het vo (64%) en het mbo (57%) vindt het wel belangrijk dat hun oudersworden betrokken bij hun vorderingen en bijna de helft vindt het belangrijk dat ou-ders wel eens op school komen. Circa een derde van de leerlingen is van mening datzij zelf wel kunnen bepalen hoe zij leven en niet hun ouders.5.4 Intensiteit van de contacten tussen ouders - schoolLerarenHoe frequent zijn volgens de leraren de contacten tussen hen en de school? Zie Figuur5.6.40 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 5.6 – De intensiteit van de contacten tussen ouders en school volgens lerarenin het primair onderwijs (n=575), voortgezet onderwijs (n=1.188), in het mbo(n=221) en totaal (n=1.984) 100% 1% 1% 6% 4% 1% 1% 4% 7% 15% 12% 17% 5% 28% 80% 37% 32% 18% 34% 60% 14% 95% 86% 40% 46% 50% 81% 38% 70% 33% 20% 14% 14% 15% 14% 0% 2% 1% 1% totaal po vo mbo totaal po vo mbo ouders komen op school ik kom op huisbezoek Nooit 1 keer per jaar 1 keer per half jaar 1 keer per drie maanden Maandelijks Wekelijks DagelijksFiguur 5.6 toont dat een derde van de leraren aangeeft dat ouders één keer per driemaanden of één keer per half jaar op school komen. In het primair onderwijs ligt defrequentie van schoolbezoeken van ouders hoger (38% één keer per drie maanden) enin het middelbaar beroepsonderwijs lager (50% één keer per jaar).De overgrote meerderheid van de leraren gaat niet op huisbezoek en wanneer ze ditwel doen is dit één keer per jaar (17%). Slechts 3 procent gaat vaker op huisbezoek.In het basisonderwijs gaan meer leraren op huisbezoek dan in het voortgezet onder-wijs; in het middelbaar beroepsonderwijs leggen leraren het minst een bezoekje af(4%).OudersHoe frequent zijn volgens ouders de contacten tussen hen en de school? Zie Figuur5.7.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 41
  • Figuur 5.7 – De intensiteit van de contacten tussen ouders en school volgens oudersmet kinderen in het primair onderwijs (n=1.295), voortgezet onderwijs (n=1.020), inhet mbo (n=57) en volgens de ouders in totaal (n=2.372)100% 5% 5% 7% 8% 6% 8% 12% 11% 16% 29% 15% 80% 32% 15% 17% 38% 16% 23% 42% 60% 18% 20% 97% 97% 92% 92% 40% 58% 52% 66% 47% 58% 44% 49% 20% 42% 10% 13% 5% 0% totaal po vo mbo totaal po vo mbo totaal po vo mbo Ik kom op school om over de Ik praat met leraren over opvoeding Leraren komen op huisbezoek vorderingen te praten dagelijks wekelijks maandelijks 1 x per 3 maanden 1 x per half jaar 1x per jaar nooitFiguur 5.7 toont dat ouders met kinderen in het po regelmatig op school komen omover de vorderingen van hun kinderen te praten. De helft van de ouders komt een keerper drie maanden of vaker langs. In het vo en mbo is dit meestal een keer per half jaarof minder. Bijna de helft van de ouders praat nooit over de opvoeding met leraren. Ditverschilt per onderwijssector. Ouders met kinderen in het po praten vaker met deleraren over de ontwikkeling van hun kind dan in het voortgezet onderwijs. In het vopraten meer ouders (66%) nooit met leraren over opvoeding dan in het po (42%).Volgens ouders gaan leraren bijna niet op huisbezoek. Maar 8 procent van de oudersin het primair onderwijs stelt dat de leraar jaarlijks een huisbezoek aflegt. In de vo enmbo komt het (bijna) niet voor. Opmerkelijk is dat 6 procent van de ouders nooit deschool bezoekt om over de vorderingen van hun kind te praten.42 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 5.5 Openheid school, overleg over ouderbetrokkenheid en informatieoverdrachtLerarenStaat de school open voor de ouders en zijn ouders op de hoogte zijn van wat er ge-beurt op school? Zie Figuur 5.8.Figuur 5.8 – Mening leraren over de openheid van de school en geïnformeerd zijnvan ouders over wat er gebeurt op school (n=1.984) 100% 0% 2% 90% 80% 41% 70% 60% 90% 50% 40% 30% 30% 20% 27% 10% 7% 0% 3% ouders zijn altijd welkom op school de meeste ouders weten wat er op school gebeurt (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet ik niet /nvtFiguur 5.8 laat zien dat 90 procent van de leraren aangeeft dat ouders altijd welkomzijn op school. Slecht een kleine groep leraren (3%) houdt ouders buiten de deur. Vande leraren geeft tweevijfde (41%) aan dat de meeste ouders weten wat er op de schoolgebeurt. Ruim een kwart (27%) van de leraren denkt van niet.Meer leraren (58%) in het po dan leraren in het vo (37%) en in het mbo (20%) zijnvan mening dat ouders weten wat er op school gebeurt.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 43
  • Overleg over ouderbetrokkenheidIs er overleg tussen ouders en leraren over opvoeding en worden leerlingen hierbijbetrokken? Zie Figuur 5.9.Figuur 5.9 – Overleg tussen ouders en leraren over opvoeding en het betrekken vanleerlingen hierbij (n=1.973) 100% 90% 15% 80% 50% 70% 60% 52% 50% 40% 28% 30% 20% 32% 10% 19% 0% op school praten ouders en leraren met elkaar ik nodig leerlingen uit aanwezig te zijn bij de over opvoeding contacten met ouders (bijna) nooit soms (zeer) vaakFiguur 5.9 laat zien dat iets meer dan de helft (52%) van de leraren op school metouders praten over de opvoeding. De helft van de leraren nodigt leerlingen hierbij uitom aanwezig te zijn. Ruim een kwart (28%) vraagt leerlingen er soms bij aanwezig tezijn; een vijfde van de leraren (19%) doet dit niet.Ouders en leerlingenIs er overleg tussen ouders en kinderen over contacten met de leraar? Voelen ouderszich welkom op school en zijn ouders op de hoogte van wat er gebeurt op school? ZieFiguur 5.10.44 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 5.10 – Overleg tussen ouders en kinderen over contacten met de leraar, ou-ders zich welkom voelen en ouders op de hoogte zijn van wat er gebeurt op school(ouders: n=2.372) en leerlingen (n=740) 1% 2% 1%100% 5% 4% 9% 22% 80% 61% 60% 71% 60% 29% 88% 70% 40% 31% 44% 28% 20% 24% 17% 8% 6% 8% 0% ouders leerling ouders leerling ouders leerling ouders en kinderen overleggen ouders voelen zich welkom op ouders weten wat er op school over contacten met leraar school gebeurt weet niet / n.v.t. (bijna) altijd neutraal (bijna) nooitUit Figuur 5.10 kunnen we opmaken dat een ruime meerderheid (61%) van de ouders(bijna) altijd met hun kinderen overlegt over de contacten met de leraar. De leerlingendenken hier echter anders over; minder dan een kwart (22%) van de leerlingen steltdat er (bijna) altijd overleg is. Leerlingen zeggen veel vaker (44%) dan ouders (6%)dat het (bijna) nooit gebeurt. Het merendeel van de ouders (88%) en leerlingen (70%)geeft aan dat ouders zich (bijna) altijd welkom voelen. Een ruime meerderheid van deouders (71%) en de leerlingen (60%) geeft aan dat de school geen geheimen heeft endat de ouders weten wat er op school gebeurt.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 45
  • 5.6 Wijze waarop ouders ongenoegen uiten over gang van zaken op schoolLerarenHoe wordt volgens de leraren omgegaan met verschillen van mening over opvoed-kundige of onderwijskundige kwesties op school? Zie Figuur 5.11.Figuur 5.11 – De wijze waarop wordt omgegaan met verschillen van mening overopvoedkundige of onderwijskundige kwesties op school, volgens de leraren (n=1.973)ouders halen hun kind wel eens van school, omdat 74% 21% ze niet tevreden zijn ouders hebben wel eens een klacht over mij 93% 4% ingediend bij de schoolleiding ouders klagen over mij bij de schoolleiding 84% 11% ik geef ouders kritiek 59% 39% ik krijg kritiek van ouders 63% 34% 0% 20% 40% 60% 80% 100% (bijna) nooit soms (bijna) altijd weet ik niet/nvtUit Figuur 5.11 blijkt dat volgens een vijfde (21%) van de leraren ouders soms hunkind van school halen, omdat ze niet tevreden zijn. De overgrote meerderheid (93%)van de leraren geeft aan dat ouders (bijna) nooit een klacht over hen hebben inge-diend bij de schoolleiding; 4 procent van de leraren geeft aan dat dit soms gebeurt.Volgens overgrote meerderheid (84%) van de leraren hebben ouders (bijna) nooitgeklaagd bij de schoolleiding. Bijna de helft van de leraren geeft ouders soms kritiek(43%), terwijl iets meer dan de helft (55%) dit (bijna) nooit doet. Andersom geefttweevijfde (40%) ven de leraren aan dat zij ook soms kritiek krijgen van ouders. Demeerderheid (57%) van de leraren krijgt geen onvertogen woord van de ouders tehoren.Meer leraren (90%) in po stellen dat er nooit bij de schoolleiding wordt geklaagd danleraren in het mbo (77 procent).46 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • OudersHoe uiten ouders hun ongenoegen over de gang van zaken op school wat betreft op-voedkundige of onderwijskundige kwesties? Zie Figuur 5.12.Figuur 5.12 – De wijze waarop wordt omgegaan met verschillen van mening overopvoedkundige of onderwijskundige kwesties op school, volgens de ouders (n=2.372) contact met school omdat ik oneens was met opvoedkundige gang van zaken 72% 26% 2% contact met school omdat ik oneens was met 2% 56% 42% onderwijskundige gang van zaken Ik heb wel eens gedacht aan juridische hulp ivm 91% 7% 2% school Ik heb wel eens gedacht mijn kind van school te halen 75% 24% 1% 0% 20% 40% 60% 80% 100% nee ja weet niet / n.v.t.Uit Figuur 5.12 blijkt dat een ruim tweevijfde (43%) van de ouders wel eens contactmet de school heeft opgenomen, omdat men het oneens was met de onderwijskundigegang van zaken. Ruim een kwart (26%) van de ouders heeft wel eens contact met deschool gezocht, omdat men het oneens was met de opvoedkundige gang van zaken.Bijna een kwart (24%) van de ouders heeft er wel eens over gedacht hun kind vanschool te halen. Een klein deel (7%) van de ouders heeft wel eens overwogen omjuridische hulp te zoeken naar aanleiding van een verschil van mening met de school.5.7 Omgang met klachten van ouders over het onderwijsLeerlingenHoe wordt volgens de leerlingen omgegaan met klachten van hun ouders over hetonderwijs? Zie Figuur 5.13.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 47
  • Figuur 5.13 - De wijze waarop wordt omgegaan met klachten over het onderwijs,volgens de leerlingen (n=740) Mijn ouders hebben welcontact met school opgenomen om te klagen over 63% 23% 14% onderwijscontact met school opgenomen om te klagen over 66% 24% 11% hoe leraren met mij omgaan advocaat ingeschakeld over probleem op school 92% 6% gedacht om mij van school te halen 81% 10% 9% 0% 20% 40% 60% 80% 100% nee ja weet nietFiguur 5.13 laat zien dat bijna een kwart van de leerlingen stelt dat hun ouders weleens contact heeft opgenomen met de school om te klagen over het onderwijs of omte klagen hoe leraren met hen omgaan. Bijna geen van de ouders heeft een advocaatingeschakeld. Een tiende van de leerlingen stelt dat hun ouders er wel eens over ge-dacht hebben hen van school te halen.5.8 SamenvattendIn dit hoofdstuk zijn de contacten tussen ouders en school onder de loep genomen.Meer dan de helft van de leerlingen vindt het belangrijk dat hun ouders worden be-trokken bij hun vorderingen en bijna de helft van de leerlingen vindt het belangrijkdat hun ouders wel eens op school komen. Een ruime meerderheid van de lerarenvindt dat ouders hun kinderen goed opvoeden en de helft van de leraren vindt datouders voldoende tijd maken voor de school (en een kwart vindt dat niet). Volgensleraren zijn ouders altijd welkom op school. Ouders geven aan het belangrijk te vin-den om op de hoogte te zijn van wat er gebeurt op school. In het basisonderwijs zijnde contacten tussen ouders en school intensiever dan in het voortgezet onderwijs.Ouders stellen zich aan de ene kant als klanten op, maar wensen ook een ‘partner-schapsrelatie’ met als ingrediënten: gedeelde verantwoordelijkheid en sociale controleom aan de behoeften van hun kinderen te kunnen voldoen. De helft van de oudersvindt dat leraren de leerlingen ook moet opvoeden en een vijfde is het daarmee on-eens. Van de leerlingen is een kwart hier een voorstander van en de helft is tegen.48 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Iets minder dan de helft van de leraren en ouders pleiten er voor dat de school eenruimte moet hebben waar de ouders en de leraren elkaar kunnen ontmoeten om in eeninformele sfeer met leraren van gedachten te wisselen, zonder de ‘professionele af-stand’ van een tienminutengesprek12. Leerlingen zijn over het algemeen een stukminder enthousiast dan de ouders om de ‘eigen’ schoolwereld open te stellen voorhun ouders. Scholen staan voor de opgave om aan de ene kant oog te hebben voor decontext van de leerlingen (de thuissituatie) en om tegelijk het vertrouwen van dieleerlingen niet te schenden. Bedachtzaamheid is hier het sleutelwoord (vgl. Smit,1991; Dillen, 2006).Een huisbezoek afleggen biedt leraren mogelijkheden dieper inzicht te krijgen in dethuis- en opvoedingssituatie van het kind. Slechts een zeer klein deel van de lerarenlegt huisbezoeken af. De leraren die wel huisbezoeken afleggen, laten daarmee ziendat zij het belangrijk vinden om ouders binnen hun vertrouwde setting te ontmoeten(en daarbinnen te communiceren). Schoolteams geven hiermee ook het signaal af datmen ouders serieus neemt en de relatie tussen ouders en school van belang vindt.Huisbezoeken kunnen een gunstig alternatief zijn voor ouders die – alle toenade-ringspogingen ten spijt – de weg naar de school niet vinden.Beduidend meer leraren in het po vinden huisbezoek nodig dan in het vo en mbo.Meer dan driekwart van de leerlingen in het vo en mbo vindt het echter niet prettig alsleraren bij hen thuis komen. Circa een derde van de leerlingen is van mening dat zijzelf wel kunnen bepalen hoe zij leven en niet hun ouders.Uit het onderzoek blijkt dat de helft van de ouders graag ziet dat de wijze waarop zijhun kinderen opvoeden en de opvoedingswaarden die zij hebben een vervolg krijgenop school (een vijfde van de ouders vindt het niet nodig). Ruim tweevijfde van deouders heeft wel eens contact met de school opgenomen, omdat men het oneens wasmet de onderwijskundige gang van zaken. Ruim een kwart van de ouders geeft aandat zij wel eens contact met de school heeft gezocht, omdat zij het oneens waren overopvoedkundige kwesties. Het is verontrustend dat bijna een kwart van de ouders erwel eens over heeft gedacht hun kind van school te halen. Dit kan betekenen dat dewensen en verwachtingen van ouders en school soms behoorlijk van elkaar verschil-len en ouders zich mogelijk niet serieus genomen voelen.Opmerkelijk is verder dat 6 procent van de ouders nooit de school bezoekt om overde vorderingen van hun kinderen te praten.12 Door het opzetten van een ‘ouderkamer’ kan een school de drempel voor ouders verlagen, het contact met ouders intensiveren en de communicatie verbeteren. Een bijkomend voordeel is dat ouders in een ouder- kamer ook met elkaar in contact kunnen komen. Ouderkamers kunnen fungeren als ontmoetingspunt, voor ouders onderling, voor ouders, leraren en voor de hele buurt.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 49
  • In het volgende hoofdstuk staat de omgang tussen leraren en individuele leerlingencentraal.50 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 6 Omgang leraren met individuele leerlingen6.1 InleidingIn dit hoofdstuk beschrijven we hoe de omgang van leraren met individuele leerlingenvorm krijgt. Indien er geen verschillen zijn in de antwoorden tussen leraren, ouders enleerlingen van de verschillende onderwijssectoren (po, vo, mbo) zullen ze niet apartworden gerapporteerd.In paragraaf 6.2 beschrijven we de effecten van de aanpak van leraren op het functio-neren van leerlingen. In paragraaf 6.3 vatten we de bevindingen kort samen.6.2 Aanpak leraren op functioneren van leerlingenVoor leraren gelden als (minimale) bekwaamheidseisen dat zij op een professionelemanier met leerlingen kunnen omgaan (interpersoonlijk competent), de leerlingen ineen veilige werkomgeving houvast en structuur kunnen bieden om zich sociaal-emotioneel en moreel te kunnen ontwikkelen (pedagogisch competent), de leerlingenkunnen helpen zich de culturele bagage eigen te maken die iedereen nodig heeft in dehedendaagse samenleving (vakinhoudelijk en didactisch competent) en kunnen zorgenvoor een overzichtelijke, ordelijke en taakgerichte sfeer in de groep of klas (organisa-torisch competent). Zie paragraaf 2.3.LerarenWat is de mening van de leraren over de wijze waarop ze met leerlingen omgaan ende effecten op het welbevinden en prestaties van de leerlingen? Zie Figuur 6.1 enFiguur 6.2.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 51
  • Figuur 6.1 – Mening over de aanpak van de leraren en effecten op het welbevindenen de prestaties van leerlingen, volgens leraren in het primair onderwijs (n=565), hetvoortgezet onderwijs (n=1.163), het mbo (n=214) en in het totaal (n=1.942) 1% 1% 0% 1% 1% 1% 1% 3% 1% 1% 1% 3% 4% 1% 4% 2% 1% 2% 6% 5% 2% 5% 10% 8% 11% 24% 25% 23% 23% 12% 13% 34% 41% 36% 23% 18% 48% 47% 43% 52% 47% 53% 57% 16% 12% 17% 64% 31% 67% 22% 35% 74% 80% 74% 58% 24% 32% 22% 28% 29% 28% 16% 27% 67% 33% 32% 59% 62% 59% 29% 53% 52% 22% 47% 18% 41% 22% 39% 36% 34% 27% 14% 9% 15% 20% 23% 22% 14% 16% 14% 17% 19% 8% 10% 7% 9% mbo mbo mbo mbo mbo mbo totaal po totaal po totaal po totaal po totaal po totaal po vo vo vo vo vo vo ik kan voldoende ik ben voldoende ik moet veel tijd steeds meer door alle testen en in het onderwijs is aandacht geven opgeleid om besteden aan leerlingen krijgen toetsen presteren men doorgeslagen aan elk kind apart probleemkinderen probleemkinderen een individueel leerlingen beter met testen en te helpen ten koste van de handelingsplan toetsen groep (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet ik niet/nvtFiguur 6.1. toont dat een ruime meerderheid (59%) van de leraren in alle onderwijs-sectoren van mening is dat zij onvoldoende aandacht kunnen geven aan elk kindapart. Iets meer dan de helft (52%) van de leraren is van mening dat ze veel aandachtmoeten besteden aan probleemkinderen ten koste van de groep; bijna driekwart (74%)van de leerlingen krijgt een individueel handelingsplan.Ruim een derde (36%) van de leraren vindt zichzelf niet goed opgeleid om probleem-leerlingen te helpen. Binnen het voortgezet onderwijs acht tweevijfde (41%) van deleraren zich niet voldoende opgeleid om probleemkinderen te helpen. De meerderheid(52%) van de leraren vindt niet dat door testen en toetsen leerlingen beter presteren.De meerderheid (53%) van de leraren is van mening dat men in het onderwijs isdoorgeslagen met testen en toetsen.52 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Visie op het les gevenWat is de visie van leraren op het les geven? Zie Figuur 6.2.Figuur 6.2 – Mening van leraren op het les geven in het primair onderwijs (n=601),het voortgezet onderwijs (n=1.163), het mbo (n=214) en in het totaal (n= 1.978) 1% 1% 1% 4% 1% 1% 1% 1% 2% 2% 1% 2% 3% 5% 5% 13% 20% 27% 17% 42% 18% 49% 53% 58% 61% 63% 23% 64% 22% 69% 64% 73% 74% 75% 18% 26% 21% 19% 16% 26% 18% 53% 54% 55% 22% 20% 21% 9% 43% 17% 13% 13% 36% 31% 26% 16% 18% 19% 13% 11% 13% 15% 13% 12% totaal po vo mbo totaal po vo mbo totaal po vo mbo totaal po vo mbo ik richt me vooral op het ik heb steeds minder tijd om ik ben in staat om alle ik vind dat een psycholoog onderwijs aan een groep gewoon les te geven individuele en/of een orthopedagoog kinderen handelingsplannen uit te thuis horen/hoort op elke voeren school (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet ik niet/nvtFiguur 6.2 laat zien dat bijna driekwart (74%) van de leraren zich vooral richt op hetlesgeven aan een groep kinderen. Bijna de helft (49%) van de leraren stelt echtersteeds minder tijd te hebben om gewoon les te geven. Meer dan de helft (53%) van deleraren is niet in staat alle individuele handelingsplannen uit te voeren. Bijna twee-derde (64%) van de leraren vindt dat er een psycholoog en/of pedagoog thuis hoort opelke school (po: 53%; vo: 69% en mbo 64%).Visie op orde houdenWat is de visie van leraren op orde houden in de klas? Zie Figuur 6.3.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 53
  • Figuur 6.3 – De visie van leraren op orde houden in de klas (n=1.942) 0% 0% 2% 79% 99% 98% 15% 1% 1% 3% ik kan orde houden ik kan de hele klas goed onder op onze school kijken we zo vroeg controle houden mogelijk naar ieder individueel kind om vast te stellen of we problemen kunnen verwachten (bijna) nooit soms (bijna) altijd weet ik niet/nvtFiguur 6.3 toont dat bijna alle leraren vinden dat ze orde kunnen houden. Volgens eenruime meerderheid (79%) van de leraren wordt op hun school zo vroeg mogelijk naarieder individueel kind gekeken om vast te stellen of er problemen zijn te verwachten.Dit zeggen meer leraren in het po (89%) dan leraren in het mbo (71%).LeerlingenWat is de mening van de leerlingen over de aanpak van de leraren en de effecten ophun welbevinden en hun prestaties? Zie Figuur 6.4.54 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 6.4 – Mening over de aanpak van de leraren en effecten op het welbevindenen de prestaties van leerlingen, volgens leerlingen in het voortgezet onderwijs (n =502), mbo (n=145) en in totaal (n=647)100% 6 5 6 5 6 10 10 10 11 15 16 15 80% 33 28 40 37 33 28 25 26 25 62 58 60 50 50 22 23 22 53 60% 38 36 36 34 40% 37 37 29 27 62 61 61 59 57 58 28 27 19 27 20% 28 30 28 29 22 23 13 17 17 17 11 12 0% vo mbo totaal vo mbo totaal vo mbo totaal vo mbo totaal vo mbo totaal vo mbo totaal leraar geeft leraar helpt goed Leraar geeft te Leraren hebben Leraren hebben Door alle testen voldoende kinderen met weinig aandacht, moeite met orde moeite met orde en toetsen aandacht problemen omdat hij zoveel houden houden, omdat zij presteer ik beter tijd besteedt aan zoveel kinderen kinderen met apart moeten poblemen helpen (geheel) oneens neutraal (geheel) eens weet niet/nvtFiguur 6.4 toont dat een meerderheid (circa 60%) van de leerlingen van mening is datzij voldoende aandacht krijgen van de leraar. De helft van de leerlingen vindt datkinderen met problemen goed worden geholpen.Meer dan een derde (37%) van de leerlingen stelt dat leraren moeite hebben met ordehouden; slechts 15% van de leerlingen veronderstelt dat dit komt omdat leraren zo-veel kinderen apart moeten helpen. Ruim een kwart van de leerlingen denkt dat zijdoor het maken van testen en het afleggen van toetsen beter presteren.OudersWat is de mening van de ouders over de aanpak van de leraren en de effecten op hetwelbevinden en de prestaties van leerlingen? Zie Figuur 6.5.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 55
  • Figuur 6.5 – De aanpak van leraren en de effecten op het welbevinden en de presta-ties van leerlingen, volgens ouders met kinderen in het primair onderwijs (n = 1.295),voortgezet onderwijs (n=1.020) en mbo (n=57)100% 3 3 0 8 10 7 6 6 8 5 6 14 15 12 13 17 12 13 22 23 28 16 80% 38 35 13 28 10 29 35 22 25 39 10 32 41 48 45 9 21 60 58 40 68 70 48 60% 38 10 9 26 38 42 27 31 36 37 35 40% 32 32 30 35 35 28 25 35 31 22 57 19 19 21 20% 42 26 17 36 32 34 32 26 31 29 26 23 23 24 19 16 16 18 19 20 19 16 10 11 6 0% po vo mbo po vo mbo po vo mbo po vo mbo po vo mbo po vo mbo po vo mbo po vo mbo leraar geeft Leraren voldoende Steeds meer Leraren besteden Leraren hebben Door alle testen en In het onderwijs is psycholoog en/of voldoende aandacht opgeleid om kind leerlingen krijgen veel tijd aan moeite met orde toetsen presteert men doorgeslagen orthopedagoog met problemen te apart hulp van leraar probleemkinderen houden mijn kind beter met testen en hoort op elke school helpen ten koste van mijn toetsen kind weet niet/nvt (geheel) eens neutraal (geheel) oneensFiguur 6.5 laat zien dat 40 procent van de ouders van mening is dat leraren de leerlin-gen voldoende aandacht geven. Een op de tien vindt dat dit te wensen over laat. Ruimeen derde van de ouders denkt dat leraren voldoende opgeleid zijn om leerlingen metproblemen te helpen en een kwart vindt dit niet. Ruim een derde van de ouders (38%)in het primair onderwijs is van mening dat steeds meer leerlingen in de klas individu-ele hulp nodig hebben van de leraar. Ruim een vijfde van de ouders in het primaironderwijs vindt dat dit koste gaat van de aandacht voor de andere leerlingen.Een derde van de ouders in het vo en bijna de helft van de ouders in het mbo stelt datleraren moeite hebben met orde te houden in de klas. Volgens 16 procent van deouders in po kan de leraar de klas niet in toom houden. Een klein deel van de oudersgaat er vanuit dat door het testen en toetsen hun kind beter presteert. Ruim een derdevan de ouders in het po en een kwart van de ouders in het vo denkt dat niet.Bijna de helft (48%) van de ouders in het po, 60 procent van de ouders in het vo en 68procent van de ouders in het mbo is voorstander dat op iedere school een psycholoogen/ of orthopedagoog is.56 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 6.3 SamenvattendIn dit hoofdstuk is beschreven hoe leraren omgaan met individuele leerlingen.Een ruime meerderheid van de leerlingen vindt dat zij voldoende aandacht krijgenvan de leraar. Ouders zijn minder vaak dan leerlingen van mening dat leerlingen deaandacht krijgen die ze nodig hebben: 40 procent van de ouders vindt dat leraren deleerlingen voldoende aandacht geven.Bijna alle leraren vinden dat zij prima orde kunnen houden in de klas. Dit contrasteertmet het beeld dat bij ouders leeft: 16 procent van de ouders in het po, een derde vande ouders in het vo en bijna de helft van de ouders in het mbo stelt dat leraren de klasniet de baas kunnen. Meer dan een derde van de leerlingen stelt dat leraren moeitehebben met orde houden. De helft hiervan ziet als mogelijke oorzaak van de ordepro-blemen dat veel medeleerlingen individuele hulp nodig hebben.Ruim de helft van de leraren is van mening dat zij niet voldoende aandacht kunnengeven aan elk kind apart. Met name binnen het voortgezet onderwijs en middelbaarberoepsonderwijs vinden veel leraren dat zij niet goed genoeg zijn opgeleid om pro-bleemleerlingen te begeleiden. Dit verklaart wellicht waarom tweederde van de lera-ren vindt dat er een orthopedagoog en/of psycholoog binnen de school aanwezighoort te zijn. Bijna de helft van de ouders in het po en 60 procent van de ouders in hetvo, en 68 procent van de ouders in mbo is hier voorstander van.Een ruime meerderheid van de leerlingen is van mening voldoende aandacht te krij-gen van de leraar. De helft van de leerlingen vindt dat mede-leerlingen met proble-men goed worden geholpen. Ouders zijn minder vaak dan leerlingen van mening datleerlingen de aandacht krijgen die ze nodig hebben.Meer dan de helft van de leraren vindt dan men in het onderwijs is doorgeslagen metleerlingen de maat nemen met testen en toetsen.In het laatste hoofdstuk komt het oordeel van leraren, leerlingen en ouders over dekwaliteit van het onderwijs aan de orde.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 57
  • 58 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • 7 Oordeel over kwaliteit onderwijs7.1 InleidingIn dit afsluitende hoofdstuk beschrijven we het oordeel van leraren, leerlingen enouders over de kwaliteit van het onderwijs. Indien er geen verschillen zijn in de ant-woorden tussen leraren, ouders en leerlingen van de verschillende onderwijssectoren(po, vo, mbo) zullen ze niet apart worden gerapporteerd.In paragraaf 7.2 geven we algemeen beeld hoe ouders en leerlingen de kwaliteit be-oordelen. In paragraaf 7.3 bespreken de beoordeling van ouders van de kwaliteit vanhet basisonderwijs. In paragraaf 7.4 en paragraaf 7.5 geven leerlingen en ouders eenoordeel over de kwaliteit van het voortgezet onderwijs en het mbo. In paragraaf 7.6maken we de balans op en geven een samenvatting van de bevindingen.7.2 Oordeel kwaliteit onderwijsLerarenHoe beoordelen leraren de kwaliteit van het onderwijs? Zie Figuur 7.1.Figuur 7.1 – Beoordeling onderwijs door leraren (n = 1.932) uw lessen school leerlingen onderwijs nieuwe contacten hulp aan kwaliteit media en ouders en individuele van het totaal (gemiddeld 7,0) 11% 14% 76% totaal (gemiddeld 7,0) 10% 17% 72% totaal (gemiddeld 7,1) 8% 15% 77% totaal (gemiddeld 5,7) 36% 22% 42% 0% 20% 40% 60% 80% 100% onvoldoende (1 tot 5,5) voldoende (5,5 tot 6,5) ruim voldoende tot goed (6,5 tot 10)Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 59
  • Figuur 7.1 laat zien dat leraren over het algemeen tevreden zijn over de kwaliteit vanhet onderwijs. Ruim driekwart (76%) van de leraren geeft een ruime voldoende totgoed; gemiddeld 7,0. Ook leraren zien ruimte voor verbetering, ruim één op de tiengeeft de kwaliteit van onderwijs een onvoldoende. Leraren geven zelf in bijna drie-kwart van de gevallen een voldoende voor de hulp die zij aan individuele leerlingengeven. Over de contacten tussen ouders en de school zijn de leraren zelf over hetalgemeen tevreden, ruim driekwart geeft een ruime voldoende tot goed. Iets minderdan tien procent geeft een onvoldoende. Het gebruik van nieuwe media op schoolkrijgt van tweevijfde (42%) van de leraren gemiddeld net een voldoende (5,7); 36procent geeft een onvoldoende.Leerlingen en oudersHoe beoordelen leerlingen en ouders de kwaliteit van het onderwijs? Zie Figuur 7.2.Figuur 7.2 – Beoordeling onderwijs door leerlingen (n = 740) en ouders (n = 2.372) school leerlingen onderwijs kwaliteit leerlingen (gemiddeld 7,1) 11% 17% 72% ouders (gemiddeld 6,9) 10% 16% 73% omgang leerlingen (gemiddeld 6,7) 20% 17% 63% contacten leraren met ouders (gemiddeld 6,7) 14% 19% 66% ouders & leerlingen (gemiddeld 6,6) 21% 20% 60% ouders (gemiddeld 6,6) 17% 19% 64% leerlingen (gemiddeld 5,6) 39% 20% 41% nieuwe media ouders (gemiddeld 5,3) 46% 18% 36% 0% 20% 40% 60% 80% 100% onvoldoende (1 tot 5) matig tot voldoende ( 5 tot 6,5) voldoende tot goed (6,5 tot 10)Figuur 7.2 laat zien dat leerlingen en ouders over het algemeen tevreden zijn over dekwaliteit van het onderwijs. Circa driekwart van hen geeft een voldoende; oudersgeven gemiddeld een 7,1 en leerlingen een 6,9. Overigens blijft er ruimte voor verbe-tering, een op de tien geeft de onderwijskwaliteit een onvoldoende. Ouders en leerlin-gen zijn over het algemeen ook positief over de omgang tussen leraren en leerlingen.Leerlingen zijn wel iets kritischer, één op de vijf vindt dit onvoldoende.Bijna driekwart van de ouders en de helft van de leerlingen geeft als oordeel over decontacten tussen ouders en school: voldoende tot goed. Een kwart van de leerlingen60 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • geeft een onvoldoende, eveneens 14 procent van de ouders. Het gebruik van nieuwemedia op school wordt door leerlingen en ouders minder goed beoordeeld. Het ge-middelde rapportcijfer is net voldoende.7.3 Oordeel kwaliteit basisonderwijsLerarenHoe beoordelen leraren in het primair onderwijs de kwaliteit van het onderwijs? ZieFiguur 7.3.Figuur 7.3 – Beoordeling onderwijs door leraren uit het primair onderwijs (n = 565) hulp aan kwaliteit van leerlingen onderwijs het po (gemiddeld 7,4) 6% 7% 87% media en ouders en individuele po (gemiddeld 7,3) 6% 13% 81% contacten school po (gemiddeld 7,6) 2% 9% 88% uw lessen nieuwe po (gemiddeld 6,1) 27% 22% 52% 0% 20% 40% 60% 80% 100% onvoldoende (1 tot 5,5) voldoende (5,5 tot 6,5) ruim voldoende tot goed (6,5 tot 10)Figuur 7.3 toont dat een ruime meerderheid van de leraren uit het primair onderwijsde kwaliteit van het onderwijs als ruim voldoende tot goed beoordeelt. Het hoogstscoren de contacten tussen ouders en school (7,6) en het laagst scoort de inzet vannieuwe media in de les (6,1).Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 61
  • OudersHoe beoordelen ouders de kwaliteit van het basisonderwijs? Zie Figuur 7.4.Figuur 7.4 – Beoordeling basisonderwijs door ouders met leerlingen in basisonder-wijs (n = 1.295) school leerlingen onderwijs kwaliteit ouders (gemiddeld 7,2) 7% 12% 81% omgangcontacten leraren met ouders (gemiddeld 7,3) 7% 13% 81%ouders & ouders (gemiddeld 7,1) 10% 13% 76% nieuwe media ouders (gemiddeld 5,4) 44% 18% 38% 0% 20% 40% 60% 80% 100% onvoldoende (1 tot 5) matig tot voldoende ( 5 tot 6,5) voldoende tot goed (6,5 tot 10)Figuur 7.4 toont een ruime meerderheid van de ouders de kwaliteit van het onderwijsals voldoende tot goed beoordeelt. Het hoogst scoort de omgang met leerlingen (7,3)en het laagst scoort de omgang met nieuwe media (5,4). Het gemiddelde rapportcijferis net voldoende; 44 procent van de ouders geeft een onvoldoende.7.4 Oordeel kwaliteit voortgezet onderwijsLerarenHoe beoordelen leraren uit het voortgezet onderwijs de kwaliteit van het onderwijs?Zie Figuur 7.5.62 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 7.5 – Beoordeling onderwijs door leraren uit het voortgezet onderwijs (n =1.155) hulp aan kwaliteit van leerlingen onderwijs het vo (gemiddeld 6,9) 11% 16% 72% individuele vo (gemiddeld 6,9) 12% 19% 69% media en ouders en contacten school vo (gemiddeld 7,1) 7% 17% 76% uw lessen nieuwe vo (gemiddeld 5,5) 41% 22% 38% 0% 20% 40% 60% 80% 100% onvoldoende (1 tot 5,5) voldoende (5,5 tot 6,5) ruim voldoende tot goed (6,5 tot 10)Figuur 7.5 laat zien dat circa driekwart van de leraren uit het voortgezet onderwijs dekwaliteit van het onderwijs, hulp aan individuele leerlingen en contacten tussen ou-ders en de school als ruim voldoende tot goed typeert. De uitzondering is de inzet vannieuwe media in de les, hier geeft circa 40 procent een ruim voldoende tot goed.Eenzelfde beeld ontstaat wanneer men kijkt naar de onvoldoendes. Ook hier is hetgebruik van nieuwe media in de les de uitzondering. Bij de kwaliteit van het onder-wijs, hulp aan individuele leerlingen en contacten tussen ouders en de school geeftéén op de tien leraren een onvoldoende, bij de inzet van nieuwe media in de les is ditaantal vier keer zo hoog.Leerlingen en oudersHoe beoordelen leerlingen en ouders de kwaliteit van het voortgezet onderwijs? ZieFiguur 7.6.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 63
  • Figuur 7.6 – Beoordeling voortgezet onderwijs door leerlingen (n = 577) en ouders(n = 1.020) school leerlingen onderwijs kwaliteit leerlingen (gemiddeld 7,1) 11% 17% 72% ouders (gemiddeld 6,9) 10% 16% 73% omgang leerlingen (gemiddeld 6,7) 20% 17% 63% contacten leraren met ouders (gemiddeld 6,7) 14% 19% 66% ouders & leerlingen (gemiddeld 6,6) 21% 20% 60% ouders (gemiddeld 6,6) 17% 19% 64% leerlingen (gemiddeld 5,6) 39% 20% 41% nieuwe media ouders (gemiddeld 5,3) 46% 18% 36% 0% 20% 40% 60% 80% 100% onvoldoende (1 tot 5) matig tot voldoende ( 5 tot 6,5) voldoende tot goed (6,5 tot 10)Figuur 7.6 toont dat bijna driekwart van de ouders en leerlingen in het voortgezetonderwijs de kwaliteit als voldoende tot goed typeert. Zo’n tweederde van de oudersen de leerlingen oordeelt ook positief over de omgang van de leraren met leerlingenen de contacten met ouders. Een vijfde van de leerlingen geeft de contacten tussenleraren en leerlingen en de contacten tussen ouders en school een onvoldoende.Het gebruik van nieuwe media wordt door leerlingen en ouders minder goed beoor-deeld. Het gemiddelde rapportcijfer is net voldoende. Respectievelijk geeft tussen de36 en 39 procent een onvoldoende.7.5 Oordeel kwaliteit middelbaar beroepsonderwijsLerarenHoe beoordelen leraren uit het mbo de kwaliteit van het onderwijs? Zie Figuur 7.7.64 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Figuur 7.7 – Beoordeling onderwijs door leraren uit het middelbaar beroepsonder-wijs (n = 212) contacten hulp aan kwaliteit van leerlingen onderwijs het mbo (gemiddeld 6,6) 19% 17% 63% ouders en individuele mbo (gemiddeld 6,8) 13% 20% 67% school mbo (gemiddeld 6,2) 27% 24% 49% uw lessen media en nieuwe mbo (gemiddeld 5,6) 38% 25% 37% 0% 20% 40% 60% 80% 100% onvoldoende (1 tot 5,5) voldoende (5,5 tot 6,5) ruim voldoende tot goed (6,5 tot 10)Figuur 7.7 laat zien dat leraren uit het mbo de kwaliteit van het onderwijs als ruimvoldoende tot goed beoordelen Het hoogst scoort de hulp aan individuele leerlingen(6,9) en het laagst scoort de inzet van nieuwe media in de les (5,6).Opmerkelijk is dat de leraren uit het mbo ten opzichte van hun collega’s in het pri-mair onderwijs en voortgezet onderwijs gemiddeld minder positief zijn over de kwali-teit van het onderwijs, hulp aan individuele leerlingen, contact tussen ouders en deschool en de inzet van nieuwe media. Een belangrijke kanttekening is de betrouw-baarheid van de uitspraken. Deze is beperkt, omdat er relatief weinig respondentenhebben meegedaan uit het middelbaar beroepsonderwijs.LeerlingenHoe beoordelen leerlingen de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs? ZieFiguur 7.8.Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 65
  • Figuur 7.8 – Beoordeling kwaliteit mbo door leerlingen (n = 163) en ouders (n = 57) leerlingen onderwijs ouders & leraren met kwaliteit leerlingen (gemiddeld 6,4) 21% 27% 52% ouders (gemiddeld 6,4) 23% 19% 58% contacten omgang leerlingen (gemiddeld 6,3) 21% 26% 53% ouders (gemiddeld 6,2) 28% 28% 45% leerlingen (gemiddeld 5,5) 43% 22% 35% school ouders (gemiddeld 6,2) 29% 16% 55% leerlingen (gemiddeld 5,8) 34% 21% 45% nieuwe media ouders (gemiddeld 5,2) 45% 14% 41% 0% 20% 40% 60% 80% 100% onvoldoende (1 tot 5) matig tot voldoende ( 5 tot 6,5) voldoende tot goed (6,5 tot 10)Figuur 7.8 laat zien dat leerlingen/studenten en ouders over de hele linie de kwaliteitvan het onderwijs als matig tot voldoende beoordelen. Er zijn echter te weinig res-pondenten om hierover (harde) uitspraken te kunnen doen.7.6 SamenvattendEen ruime meerderheid van de leraren beoordeelt de kwaliteit van het onderwijsgemiddeld met 7,0, hulp aan individuele leerlingen gemiddeld met 7,0 en contactentussen ouders en de school 7,1. De inzet van nieuwe media in de les wordt door lera-ren uit alle onderwijssectoren gemiddeld het laagste beoordeeld (gemiddeld 5,7). Deleraren uit het middelbaar beroepsonderwijs geven gemiddeld de laagste scores en deleraren in het basisonderwijs de hoogste.Een ruime meerderheid van de ouders en leerlingen beoordeelt de kwaliteit van hetonderwijs voldoende tot goed. Gemiddeld beoordelen de ouders de kwaliteit met een7,1 en de leerlingen met 6,9. Dit beeld komt overeen met het rapportcijfers dat deNederlandse bevolking geeft aan leraren. Sinds 1999 zijn de waarderingscijfers ge-daald, dit komt, omdat het aanzien van het beroep van leraar is verminderd, mededoordat veel ouders tegenwoordig hoger opgeleid zijn dan de leraren (Vrieze & VanKuijk, 2011). Het hoogst scoort de omgang met leerlingen en het laagst de omgangmet nieuwe media.66 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • LiteratuurChoi, P. & Tang, S. (2009). Teacher commitment trends: Cases of Hong Kong teach- ers from 1997 to 2007. Teaching and Teacher Education, 25(5), 767-777.Coleman, J. (1988). Social Capital in the Creation of Human Capital. American Jour- nal of Sociology, 94, 95-120.Centraal Planbureau (2011). Economische beleidsanalyse. Nederlandse onderwijs- prestaties in perspectief.http://www.cpb.nl/publicatie/nederlandse-onderwijspres- taties-in-perspectiefDillen, A. (2006). Die ouders toch! Ethische reflecties over omgaan met gezinnen binnen een schoolcontext. In C. Hermans (Red.). Partnerschap als waardege- meenschap (pp. 39-51). Budel: Damon.Free, C. (2009) Op de koffie bij Obama. Marketing, Communicatie en het Beroepson- derwijs. Den Bosch: School voor de toekomst/Consortium voor innovatie.Fullan, M. & Levin, B. 2009. The fundamentals of whole-system reform. Gepubli- ceerd op 12 juni 2009. Geraadpleegd via http://websspacwe.oise.utoronto.ca/- levinben/fullan-levin-ed%20week.pdf, juni 2010.Gennip, H. van (2009). Competenties adequaat kunnen omgaan met gedragsproble- men van kinderen. Rollen van leraren en ouders bij gedragsproblemen. In F. Smit (red.). Ouders en school. Ouderbetrokkenheid en ouderparticipatie in de praktijk (pp 89 – 100). Den Haag/Nijmegen: Sdu Uitgevers/Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Grozier, G. (2001). Excluding parents: The decentralisation of parental involvement. Race, Ethnicity and Education, 4, (4), 329-341.Kuijk, J., van, Gennip, H. van & Vrieze, G. (2009). De werking van bekwaamheidsei- sen. Casestudies in drie onderwijssectoren. Nijmegen: ITS.Laemers, M. (2011). Betrokken ouders. In F. Smit (red.). De Wet van de oogst. Part- nerschap ouders, school en buurt. Meesterklasbijdragen (pp. 7- 14). Nijmegen: Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen. http://www.ru.nl/its/expertisecentrum/meesterklas/Lortie, Dan C. (1975). Schoolteacher: A sociological study. Chicago: University Press.Martens, R. & Hooijer, J. (2011). De leervitale leraar: een paradox ver- klaard. Onderwijsinnovatie, 13, (1), 12-16).McDaniel, O., Immers, R., Neeleman, A. & Schmidt, G. (2010). Op de grens van individuele verantwoordelijkheid en bestuurlijk verlangen. Onderzoek bij 12 mbo-Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 67
  • instellingen naar de professionaliteit van de docent. www.mboraad.nl, CBE Neder- land.Mendel, M. (2001). Increasing social capital: teachers about school-family- community partnerships. Results of a study on the orientations of American and Polish teachers. In F. Smit, K. van der Wolf & P. Sleegers (Eds.). A Bridge to the Future. Collaboration between Parents, Schools and Communities (pp. 125 – 136). Nijmegen/Amsterdam: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen/Kohnstamm In- stituut. http://www.its.kun.nl/web/publikaties/pdf-files/rapporten/aBridgetothefuture.pdfMooij, T. (2009). Hoe kinderen opvoeding en ontwikkeling in eigen beheer kunnen krijgen. In F. Smit (red.). Ouders en school. Ouderbetrokkenheid en ouderpartici- patie in de praktijk (pp 102 – 104). Den Haag/Nijmegen: Sdu Uitgevers/ Experti- secentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Onderwijsraad (2010). Ouders als partners. Den Haag: Onderwijsraad.Schut, K. & Craenen, O. (2010). Nationale Onderwijs Monitor Informatie & Media. www.oig.nl, (December 2010).Sikkes, R. (2009). Weg met de ouderbijdrage. In F. Smit (red.). Ouders en school. Ouderbetrokkenheid en ouderparticipatie in de praktijk (pp. 82 – 89). Den Haag/ Nijmegen: Sdu Uitgevers/ Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Rad- boud Universiteit Nijmegen.Smeets, E. (2009). Aanpak voor betere samenwerking tussen school en ouders. Het optimaliseren van de relatie met ouders van leerlingen met specifieke onderwijs- behoeften. In F. Smit (red.). Ouders en school. Ouderbetrokkenheid en ouderpar- ticipatie in de praktijk (pp. 82 – 89). Den Haag/Nijmegen: Sdu Uitgevers/ Experti- secentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F. (2011). Educatief partnerschap en de zeven eigenschappen van optimale ouderbetrokkenheid. In F. Smit (red.). De Wet van de oogst. Partnerschap ouders, school en buurt. Meesterklasbijdragen (pp. 27-29). Nijmegen: Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen. http://www.ru.nl/its/expertisecentrum/meesterklas/Smit, F. (2010). Inspraak en school. Moderne inspraak in het primair en voortgezet onderwijs. Den Haag: Sdu Uitgevers.Smit, F. (2009). Hoe bereik je de leerling? Maak medezeggenschap ‘cool’. MR maga- zine, 5, 7-9.Smit, F. (1991). De rol van ouderparticipatie in het basisonderwijs: een onderzoek naar vorm, inhoud en effecten van ouderparticipatie in het basisonderwijs. ITS: Nijmegen.Smit, F., Wolf, K. van der & Sleegers, P. (Eds.) (2001), A Bridge to the Future. Col- laboration between Parents, Schools and Communities. Nijmegen/Amsterdam: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen/Kohnstamm Instituut. http://www.its.kun.nl/web/publikaties/pdf-files/rapporten/aBridgetothefuture.pdf68 Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs
  • Smit, F., Doesborgh, J, Felling, B. & Kuijk, J. van (2009). Medezeggenschap: de wind in de zeilen. Tweede evaluatieve studie Wet medezeggenschap onderwijs. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R. & Brus, M. (2008). Ouders en innovatief onderwijs. Ouderbetrokkenheid en -participatie op scholen met vormen van ‘nieuw leren. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R. & Brus, M. (2007). Ouders, scholen en diversiteit. Ouderbetrokkenheid en -participatie op scholen met veel en weinig achterstands- leerlingen. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Smit, F., Driessen, G., Sluiter, R. & Meijvogel, R. (2007). Brood en spelen. Condities voor een optimale tussenschoolse opvang. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Sperling, J, Slump, K. & Koppel, M. van de Koppel (2009). De juridische positie van de ouders in het onderwijs. Symposiumbundel Nederlandse Vernietiging voor On- derwijsrecht 2009. Den Haag: Sdu Uitgevers.Tavecchio, L. (2011). Ouders en school. In F. Smit (red.). De Wet van de oogst. Part- nerschap ouders, school en buurt. Meesterklasbijdragen (pp. 25-26). Nijmegen: Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen. http://www.ru.nl/its/expertisecentrum/meesterklas/Turkenburg, M. (2011). De basis meester. Onderwijskwaliteit en basisvaardigheden. Den Haag: SCP.Veugelers, W. & Kat, E., de (1998). Opvoeden in het voortgezet onderwijs. Leerlin- gen, ouders en docenten over de pedagogische opdracht en de afstemming tussen gezin en school. Assen: Van Gorcum.Vrieze, G. & J. van Kuijk (2011). Organiseer je beroepstrots. In: B. van Beurden & C. Dietvorst (red.). Het komt op de leraar aan (pp. 17- 42). Den Haag: Boom Lemma uitgevers.Wester, M. & Smeets, E. (2011). Mediawijsheid in het onderwijs in 2010. Verslag van onderzoek bij leraren in het primair en voortgezet onderwijs. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.Winter, M. de (2011). Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding. Vanachter de voordeur naar democratie en verbinding. Amsterdam: Uitgeverij SWP.Wolf, K., van der (2011). Over (dis)empowerment van ouders. In F. Smit (red.). De Wet van de oogst. Partnerschap, ouders, school en buurt. Meesterklasbijdragen (pp. 37-42). Nijmegen: Expertisecentrum Ouders, school en buurt, ITS, Radboud Universiteit Nijmegen. http://www.ru.nl/its/expertisecentrum/meesterklas/Visie leraren, ouders en leerlingen op kwaliteit onderwijs 69
  • 1R cV`VR cN[ YR_N_R[ bQR_` R[ YRR_YV[TR[ ] QR XdNYVaRVa cN[ URa [QR_dVW`5Z PQ :M`U[ZMXQ ;ZPQ^cUV_cQQW fQZP` PQ :@> [  [W`[NQ^ ! aa^ :QP  PQ -b[ZP bMZTQ` ;ZPQ^cUV_ aU`5_ Q^ _^MWQ bMZ QQZ SQfMS_O^U_U_ UZ TQ` [ZPQ^cUV_+ 0UQ b^MMS _`MM` OQZ`^MMX `UVPQZ_ PQ-b[ZP bMZ TQ` ;ZPQ^cUV_ 0Q WcMXU`QU` bMZ [Z_ [ZPQ^cUV_ Y[Q` [YT[[S 9MM^ cM`U_ WcMXU`QU`+ 0MM^[bQ^ fUVZ PQ YQZUZSQZ »UZW bQ^PQQXP ;aPQ^_ XQQ^XUZSQZ P[OQZ`QZQZ cQ`QZ_OTMQ^_ SMMZ TUQ^[bQ^ UZ PQNM` ;[W YUZU_`Q^ bMZ ;ZPQ^cUV_ 9M^VM bMZ.UV_`Q^bQXP` c[^P` MMZ PQ `MZP SQb[QXPFUQ& T``&^[S^MYYMZ`^ZX%!Mb[ZPbMZTQ`[ZPQ^cUV_5Z [P^MOT` bMZ PQ :@>  UZ _MYQZcQ^WUZS YQ` PQ B[XW_W^MZ` QZ TQ` >aaP PQ 9[[^/QZ`^aY  TQNNQZ TQ` 5@? bMZ PQ >MPN[aP AZUbQ^_U`QU` :UVYQSQZ QZ PQ ;ZPQ^cUV_5ZZ[bM`UQ 3^[Q ;53 QQZ [ZPQ^f[QW aU`SQb[Q^P ZMM^ WcMXU`QU`_M_QO`QZ bMZ TQ`[ZPQ^cUV_ [ZPQ^ XQ^M^QZ [aPQ^_ QZ XQQ^XUZSQZ@TQYM³_ PUQ UZ TQ` [ZPQ^f[QW_^M[^` MMZ PQ [^PQ W[YQZ fUVZ& CM` U_ PQ ^[X bMZ _[OUMXQ QZ ZUQacQ YQPUM UZ TQ` [ZPQ^cUV_+ CM` U_ PQ bU_UQ [ TQ` SQN^aUW bMZ _[OUMXQ QZ ZUQacQ YQPUM UZ TQ` [ZPQ^cUV_+ 4[Q bQ^X[QZ PQ O[Z`MO`QZ `a__QZ [aPQ^_ QZ _OT[[X+ 4[Q U_ PQ [YSMZS bMZ PQ XQ^MM^ YQ` UZPUbUPaQXQ XQQ^XUZSQZ+! 4[Q U_ TQ` [[^PQQX bMZ [aPQ^_ QZ XQQ^XUZSQZ [bQ^ PQ WcMXU`QU` bMZ TQ` [ZPQ^cUV_0Q aU`W[Y_`QZ bMZ TQ` [ZPQ^f[QW c[^PQZ `UVPQZ_ PQ aU`fQZPUZS SQ^Q_QZ`QQ^P -MZ PQTMZP bMZ ^UWWQXQZPQ _`QXXUZSQZ c[^P` Q^ _`QbUS SQPQNM``QQ^P7UVWQ^_ WaZZQZ YQQ^M`QZ QZ _`QYYQZ bUM QYMUX QZ @cU``Q^ BQ^PQ^ U_ Q^ MMZPMOT` b[[^NUVf[ZPQ^Q ^Q_`M`UQ_ bMZ XQQ^XUZSQZ yZ b[[^ PQ WQ^_bQ^_Q 8Q^M^QZ bMZ TQ` 6MM^ 1Z Q^ U_YafUQW bMZ QQZ _aOOQ_b[XXQ _OT[[XNMZP5?.: %#$ % !!! ":A> $