Rapport open en online onderwijs en de toekomst van het nederlandse hoger onderwijs

1,840 views
1,726 views

Published on

Timo Kos en Remco van der Dussen deden in opdracht van SURF een verkennende studie naar de meest recente ontwikkelingen in open onderwijs. Zij formuleren daar in een aantal scenario’s voor de toekomst van het hoger onderwijs en bieden handvatten aan onderwijsinstellingen om zo goed mogelijk daarop in te springen en in te leren spelen op de veranderingen.

“Hoger onderwijsinstellingen dienen een eigen visie en strategie op open en online onderwijs te ontwikkelen of de bestaande te herijken in het licht van recente ontwikkelingen,” stelt het rapport dat daarbij direct aanmerkt dat instellingen zich nadrukkelijk af moeten vragen welke rol de instelling in het hoger onderwijs landschap wil spelen.

Bron: scienceguide.nl

Published in: Education
0 Comments
1 Like
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total views
1,840
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2
Actions
Shares
0
Downloads
13
Comments
0
Likes
1
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Rapport open en online onderwijs en de toekomst van het nederlandse hoger onderwijs

  1. 1.           Open  en  online  onderwijs  en  de  toekomst   van  het  Nederlandse  hoger  onderwijs.   Verkenning  van  de  mogelijke  impact  van  open  en   online  onderwijs  in  vier  scenario’s.
  2. 2.       Open  en  online  onderwijs  en  de  toekomst  van   het  Nederlandse  hoger  onderwijs   Verkenning  van  de  mogelijke  impact  van  open  en  online  onderwijs   in  vier  scenario’s.           Opdrachtgever:     SURF     Auteurs:   drs.  R.V.  van  der  Dussen,  Capgemini  Consulting   drs.  T.  Kos,  TU  Delft     Disclaimer:  De  analyses,  conclusies  en  aanbevelingen  in  deze  verkenning  zijn  die  van  de  auteurs.   Deze  worden  niet  noodzakelijkerwijs  door  de  leden  van  de  SIG  OER  of  SURF  gedeeld  of   onderschreven.         Versie:  1.0   Datum:  November  2013     Copyright  license:  Attribution  3.0  Unported  (CC  BY  3.0)                     2  
  3. 3. Inhoud   MANAGEMENTSAMENVATTING  .......................................................................................................  4   1   INLEIDING  ............................................................................................................................  6   1.1   Afbakening  en  begripsbepaling  .............................................................................................  6   1.2   Methodiek  .............................................................................................................................  9   1.3   Leeswijzer  ............................................................................................................................  11   2   OPEN  &  ONLINE  EDUCATION  (02E)  –  STATE  OF  PLAY   ...................................................................  12   2.1   2.2   2.3   2.4   2.5   2.6   Open  &  Distance  Learning  (ODL)  .........................................................................................  12   Online  Education  (OE)  .........................................................................................................  13   Open  Educational  Resources  (OER)  en  Open  Course  Ware  (OCW)  .....................................  16   Massive  Open  Online  Courses  (MOOC’s)  ............................................................................  17   De  ontwikkelingen  in  Nederland  .........................................................................................  21   Samenhang  tussen  ODL,  OE,  OER/OCW  en  MOOC’s  ...........................................................  22   3   IMPACT  ANALYSE  .................................................................................................................  24   3.1   Digitale  revolutie  of  media  hype?   ........................................................................................  24   3.2   Verdienmodellen  .................................................................................................................  26   3.3   Business  modellen  ...............................................................................................................  27   4   TOEKOMSTSCENARIO’S   ..........................................................................................................  34   4.1   Nulscenario  (business-­‐as-­‐usual  en/of  marginalisering)  .......................................................  37   4.2   Evolutie  scenario  .................................................................................................................  38   4.3   Revolutie  scenario  ...............................................................................................................  41   5   AANBEVELINGEN   ..................................................................................................................  44   6   BRONNEN  ..........................................................................................................................  46   BIJLAGE  1–  TOELICHTING  ‘UNBUNDELING’  EN  ‘DISRUPTIVE  INNOVATION’  ..............................................  49   1.   Unbundling  ............................................................................................................................  49   2.   Disruptive  innovation  ............................................................................................................  51   BIJLAGE  2  –  ONTSTAANSGESCHIEDENIS  XMOOC’S  ............................................................................  54         3  
  4. 4. Managementsamenvatting   De  laatste  twee  jaar  zijn  er  op  het  gebied  van  open  en  online  onderwijs  spectaculaire   ontwikkelingen  gaande.  Dit  is  met  name  het  gevolg  van  de  opkomst  van  zogenoemde  Massive   Open  Online  Courses  (MOOC).  De  doorbraak  van  deze  MOOC’s  wordt  door  bestuurders  en   gezaghebbende  vertegenwoordigers  van  vooraanstaande  universiteiten  als  Stanford,  Harvard  en   MIT,  als  ook  door  veel  experts  en  analisten  van  gerenommeerde  media,  gekwalificeerd  als  een   mogelijk  ontwrichtende  (“disruptive”)  ontwikkeling  voor  het  hoger  onderwijs.     Deze  ontwikkelingen  roepen  allerlei  strategische  vragen  op  over  de  kansen  en  bedreigingen   hiervan  voor  Nederlandse  hoger  onderwijsinstellingen  en  het  Nederlandse  onderwijsbestel.  Om   een  antwoord  op  deze  vragen  te  kunnen  geven,  zullen  bestuurders  en  beleidsmakers  van   onderwijsinstellingen  op  korte  termijn  een  goed  geïnformeerde  eigen  inschatting  moeten   maken  wat  deze  ontwikkelingen  voor  hun  instelling  betekenen,  en  welke  strategie  zij  kiezen  om   zich  op  mogelijke  veranderingen  voor  te  bereiden  of  in  mee  te  gaan.     State  of  play,  impactanalyse  en  scenario’s   Om  de  beantwoording  van  de  strategische  uitdagingen  te  ondersteunen  is  in  deze  verkenning   een  beknopte  beschrijving  gegeven  de  recente  ontwikkelingen  en  zijn  deze  geplaatst  in  een   historisch  perspectief  van  de  opkomst  van  open  distance  learning,  online  eduction  en  open   course  ware.  Vervolgens  is  een  analyse  gemaakt  van  de  mogelijke  impact  van  MOOCs  aan  de   hand  van  het  concept  unbundling  en  de  theorie  van  disruptive  innovation.  Tot  slot  zijn  een   aantal  toekomstscenario’s  uitgewerkt.  Deze  zijn  gebeaseerd  op  de  mate  van  impact  van  deze   ontwikkelingen  op  de  internationale  concurrentiekracht  en  het  verdienmodel  van  een  instelling   (‘mate  van  ontwrichting’)  en  de  impact  op  de  openheid  van  programmering  en  het  business   model  van  een  instelling  (‘mate  van  ontbundeling’):     Internatonale!concurren'e! Impact$op$verdienmodel$ (mate$van$‘disrup6on’)$ Hoog$ Laag$ ! ! ! Evolu'e! ! ! ! ! ! ! ‘Business!as! usual’! ! ! ! Revolu'e! ! ! ! Marginaal! Openheid!van!programmering! Impact$op$business$model$ (mate$van$‘unbundling’)$ Hoog$   4  
  5. 5. Aanbevelingen   Op  basis  van  een  schets  van  deze  toekomstscenario’s  en  de  politieke,  sociale,  economische  en   technologische  ontwikkelingen  die  een  ‘driver  for  change’  zouden  kunnen  zijn  om  deze   scenario’s  werkelijkheid  te  laten  worden  zijn  een  groot  aantal  strategische  vragen   geidentificeerd.  Op  basis  hiervan  zijn  tot  slot  de  volgende  vier  adviezen  geformuleerd:     Advies  1:  Ontwikkel  een  instellingsbrede  visie  en  strategie  ten  aanzien  van  open  en  online   onderwijs   Gegeven  de  potentiele  impact  van  toekomstige  marktontwikkelingen  op  het  verdienmodel   en/of  businessmodel  van  de  instelling  dienen  hoger  onderwijsinstellingen  een  eigen  visie  en   strategie  op  open  en  online  onderwijs  te  ontwikkelen  of  de  bestaande  te  herijken  in  het  licht  van   recente  ontwikkelingen.  Maak  daarbij  een  bewuste  keuze  voor  een  voorlopersstrategie  of  een   volgersstrategie.     Advies  2:  Verbind  deze  met  een  internationaliseringsstrategie  voor  online  onderwijs   Gegeven  de  wereldwijde  dimensie  van  open  en  online  onderwijs,  en  de  kansen  en  bedreigingen   die  veranderingen  in  het  keuzegedrag  van  toekomstige  studenten  met  zich  meebrengen,  is  het   aan  te  bevelen  zowel  op  instellingsniveau,  sectorniveau  als  op  nationaal  niveau  de  visie  op  open   en  online  onderwijs  te  verbinden  met  een  meerjarige  internationaliseringsstrategie  op  het   gebied  van  onderwijs.     Advies  3:  Stimuleer  innovatie   Creëer  innovatieruimte,  zowel  binnen  instellingen  als  op  stelselniveau,  om  ervaring  en  kennis  op   te  doen  met  de  (on)mogelijkheden  die  de  nieuwe  ontwikkelingen  voor  blended  learning.  Neem   belemmeringen  in  regelgeving  weg  en  creëer  financiële  ruimte  voor  deze  experimenteren.     Advies  4:  Zoek  de  juiste  samenwerkingspartners   Het  ontwikkelen  van  open  en  online  onderwijs  kan  hoge  kosten  met  zich  meebrengen.  Bij  een   ambiteuze  voorlopersstrategie  op  open  &  online  onderwijs  is  het  raadsaam  om  waar  mogelijk   co-­‐financiering  te  zoeken  bij  het  bedrijfsleven  en  de  overheid.  Ook  is  het  raadzaam  om  voor   instellingen  die  voor  een  volgersstrategie  kiezen  en  vooral  geinteresseerd  zijn  in  het  gebruik  van   online  onderwijs  voor  blended  learning  op  hun  eigen  campus,  innovatieruimte  te  creeren.  In  het   kader  daarvan  is  het  een  optie  om  te  verkennen  of  het  mogelijk  is  om  als  HO  sector  collectief,   bijvoorbeeld  in  SURF  verband,  aan  te  sluiten  bij  een  van  de  MOOC-­‐platforms  en,  in  navolging   van  bijvoorbeeld  Frankrijk  en  China,  een  nationaal  Nederlandstalig  open  online   onderwijsplatform  te  creeren.             5  
  6. 6. 1 Inleiding   De  laatste  twee  jaar  zijn  er  op  het  gebied  van  open  en  online  onderwijs  spectaculaire   ontwikkelingen  gaande.  Dit  is  met  name  het  gevolg  van  de  opkomst  van  zogenoemde  Massive   Open  Online  Courses  (MOOC).  De  doorbraak  van  deze  MOOC’s  wordt  door  bestuurders  en   gezaghebbende  vertegenwoordigers  van  vooraanstaande  universiteiten  als  Stanford,  Harvard  en   het  Massechussets  Institute  of  Technology  (MIT),  als  ook  door  veel  experts  en  analisten  van   gerenommeerde  media,  gekwalificeerd  als  een  mogelijk  ontwrichtende  (“disruptive”)   ontwikkeling  voor  het  hoger  onderwijs.  Hoewel  belangrijke  vragen  vooralsnog  onbeantwoord   zijn,  bijvoorbeeld  ten  aanzien  van  het  verdienmodel  voor  hoger  onderwijsinstellingen  en  de   kwaliteit  van  dit  type  onderwijs,  hebben  een  groot  aantal  zeer  gerenommeerde  internationale   universiteiten  zich  in  2012  en  2013  bij  één  van  de  leidende  MOOC-­‐platforms  aangesloten  en   bieden  nu  ‘gratis’  -­‐  of  zeer  goedkope  -­‐  online  cursussen  en  opleidingen  aan  voor  ongekend  grote   aantallen  studenten  (van  10.000  tot  wel  150.000  of  meer  per  cursus  tegelijkertijd).     Een  veel  gehoord  argument  van  bestuurders  van  universiteiten  die  hiertoe  besloten  hebben  is   dat  zij  ‘de  boot  niet  willen  missen’.  Illustratief  voor  dit  sentiment  zijn  de  woorden  die  John   Hennessy,  president  van  Stanford  University,  in  2012  in  de  Wall  Street  Journal  uitsprak:     “There  is  a  tsunami  coming.  I  can't  tell  you  exactly  how  it’s  going  to  break,  but  my  goal  is   to  try  to  surf  it,  not  to  just  stand  there.”1     Gegeven  deze  onverwachte  versnelling  in  de  ontwikkeling  van  open  en  online  onderwijs  en  de   mogelijke  ontwrichtende  impact  ervan  op  het  hoger  onderwijs  staan  ook  Nederlandse   universiteiten  en  hogescholen  voor  de  strategische  vraag  wat  dit  voor  hun  organisatie  en  hun   studenten  zal  betekenen.  Om  deze  reden  heeft  SURF  Capgemini  Consulting  verzocht  om  in  een   verkenning  de  mogelijke  impact  van  deze  ontwikkelingen  op  het  Nederlandse  hoger   onderwijsbestel  te  duiden  en  een  aantal  toekomstscenario’s  uit  te  werken.  Deze  impactanalyse   en  toekomstscenario’s  zijn  primair  bedoeld  als  hulpmiddel  voor  hogescholen  en  universiteiten   om  een  scherper  beeld  te  kunnen  vormen  van  deze  ontwikkelingen,  de  mogelijke  impact  ervan   en  de  strategische  kansen  en  uitdagingen  die  dit  voor  de  eigen  instelling  met  zich  mee  brengt.   Op  basis  van  dit  scherpere  beeld  en  een  inschatting  van  de  impact  voor  hun  eigen  organisatie   kunnen  zij  vervolgens  hun  eigen  open  en  online  onderwijs  strategie  herijken.2   1.1 Afbakening  en  begripsbepaling   Op  verzoek  van  SURF  is  bij  deze  verkenning  een  brede  scope  gehanteerd.  In  de  beschrijving  van   de  recente  ontwikkelingen  (hoofdstuk  2)  en  de  impactanalyse  (hoofdstuk  3)  zijn  daarom  niet   alleen  de  in  het  oog  springende  ontwikkelingen  op  het  gebied  van  MOOC’s  meegenomen.  De   mogelijke  impact  van  de  doorbraak  en  groei  van  MOOC’s  duiden  wij  in  de  context  van  de  al  veel   langer  lopende  ontwikkelingen  op  het  gebied  van  Open  Distance  Learning  (ODL),                                                                                                                               1  Wall  Street  Journal,  ‘Changing  the  Economics  of  Education.  John  Hennessy  and  Salman  Khan  on  how  technology  can   make  the  college  numbers  add  up’  (juni,  2012)   2  Daarnaast  is  deze  verkenning  bedoeld  als  positioning  paper  voor  een  door  SURF  georganiseerde  reis  naar  de     Verenigde  Staten  in  het  najaar  van  2013  met  een  groep  bestuurders  van  Nederlandse  universiteiten  en  hogescholen.     6  
  7. 7. OpenCourseWare  (OCW)  en  Open  Educational  Resources  (OER),  en  de  opkomst  en  gestage  groei   in  de  laatste  twee  decennia  van  allerlei  vormen  van  online  onderwijs.  Dit  laatste  betreft  zowel   online  opleidingen  en  cursussen  in  gesloten  vorm,  bijvoorbeeld  commerciële  bachelor,  master   of  post-­‐master  opleidingen  van  private  aanbieders,  als  allerlei  meer  of  minder  open  varianten   van  online  opleidingen  en  cursussen,  zoals  de  op  ‘klassieke’  open  didactiek  gebaseerde   opleidingen  van  de  Open  Universiteiten  tot  de  op  ‘innovatieve  digitale’  didactiek  gebaseerde   cursussen  als  de  connectivistische  MOOC’s.  Onder  online  onderwijs  scharen  wij  tevens  vormen   van  Blended  Learning  (BL)  waarin  contactonderwijs  op  een  campus  wordt  gecombineerd  of   aangevuld  met  online  modules.       Het  geheel  van  deze  ontwikkelingen  vatten  wij  onder  het  containerbegrip  open  en  online   onderwijs.  Gegeven  een  toenemende  internationale  dimensie  van  open  en  online  onderwijs   hanteren  wij  in  deze  verkenning  de  Engelstalige  afkortingen  (ODL,  OCW,  OER,  MOOC).  De  term   Open  en  Online  Education  korten  wij  in  deze  verkenning  af  als  O2E  .       Wij  hechten  er  aan  om  in  deze  verkenning  de  begrippen  ‘open’  en  ‘online’  in  het   containerbegrip  O2E  separaat  van  elkaar  te  benoemen.  Dit  omdat  het  adjectief  ‘open’  in  de   klassieke  betekenis  met  name  een  connotatie  heeft  met  de  wereld  van  ODL  of  de  modernere   benaming  Lifelong  Open  and  Flexible  Learning  (LOF).  In  deze  klassieke  betekenis  is  het  adjectief   ‘open’,  met  name  in  de  Europese  context,  sterk  geworteld  in  de  publieke  waarden  en  functies   van  hoger  onderwijs:  als  instrument  voor  sociale  verheffing  en  ‘Bildung’.  Vanuit  deze  connotatie   bij  het  begrip  ‘open’  ligt  de  focus  in  de  discussies  over  de  impact  van  de  recente  ontwikkelingen   in  O2E  veelal  op  aspecten  als  het  vergroten  van  de  toegankelijkheid,  flexibiliteit,  (didactische)   kwaliteit  en  innovatie  van  het  hoger  onderwijs.3     Het  begrip  ‘online’  heeft  eveneens  een  sterke  connotatie  met  een  aantal  van  de  klassieke   aspecten  van  het  adjectief  ‘open’.  Vooral  als  het  de  mogelijkheden  betreft  die  ‘online’  biedt  voor   het  vergroten  van  de  toegankelijkheid  en  flexibiliteit  van  het  onderwijs.  Daarnaast  is  het,  met   name  in  de  Amerikaanse  context,  sterk  gerelateerd  aan  de  economische  waarden  en  functies   van  hoger  onderwijs:  onderwijs  als  selectiemechanisme,  als  economische  activiteit  en  als  markt.   Vanuit  deze  connotaties  met  het  begrip  ‘online’  ligt  de  focus  in  de  discussie  over  de  impact  van   de  recente  ontwikkelingen  veelal  op  aspecten  als  excellentie,  concurrentie,  commercie,  prijs-­‐ kwaliteit  verhoudingen  en  kostenreductie.     Doordat  het  begrip  ‘open’  meervoudige  betekenissen  heeft  én  in  verschillende  combinaties  met   het  begrip  ‘online’  gebruikt  wordt,  en  geworteld  kan  zijn  verschillende  waardensystemen,  is  er   momenteel  veel  begripsverwarring.  Met  name  over  het  gebruik  van  het  begrip  ‘open’  in  het   acroniem  MOOC  wordt  stevig  gediscussieerd  waarbij  de  publieke  en  economische  waarden  van   open  onderwijs  door  elkaar  lopen  en  soms  lijnrecht  tegenover  elkaar  lijken  te  staan.  Volgens   sommigen  is  elke  letter  inmiddels  onderhandelbaar:                                                                                                                                     3  Zie  voor  een  bespreking  verschillende  definities  van  het  begrip  ‘open’  het  artikel  ‘Open  (het)  onderwijs’  (Mulder  en   Janssen,  2013)  en  het  lemma  hierover  op  Wikipedia.   7  
  8. 8. Figuur  1,  MOOC  poster  d.d.  4  april  2013  door  Mathieu  Plourde  (licensed  CC-­‐BY  on  Flickr)       Andere  experts  en  commentatoren  pleiten  er  voor  om  de  O  van  Open  in  het  begrip  MOOC   daarom  uitsluitend  te  interpreteren  als  een  verwijzing  naar  open  toegankelijkheid  (Open   Access).  Dit  is  met  name  van  toepassing  op  de  eerste  xMOOC’s  die  op  didactisch  vlak  zeer   traditioneel  van  aard  zijn  (hoorcollegemodel  met  vaste  cohorten,  tijdschema’s  en  toets   momenten)  en  dus  geheel  niet  voldoen  aan  de  meeste  andere  betekenissen  van  het  begrip   ‘open’  zoals  in  ODL  en  de  cMOOC’s  die  meer  in  de  ‘klassieke’  en  innovatieve  traditie  van  ‘open’   staan.4     Om  de  mogelijke  impact  van  O2E  op  het  Nederlandse  Hoger  Onderwijs  te  duiden  belichten  wij   de  recente  ontwikkelingen  vooral  vanuit  een  economisch  en  bedrijfskundig  perspectief.  Vanuit   dit  perspectief  zullen  wij  met  name  ingaan  op  de  mogelijke  impact  op  de  internationale   concurrentieverhoudingen  tussen  universiteiten  en  hogescholen.  Wat  betekent  het  gratis   beschikbare  komen  van  open  en  online  onderwijs  van  Amerikaanse  topuniversiteiten   bijvoorbeeld  voor  de  internationale  positie  van  de  Nederlandse  universiteiten?  Tevens  dient  dit   perspectief  om  scherp  te  krijgen  wat  de  mogelijke  consequenties  zijn  voor  de  business  modellen   van  individuele  hoger  onderwijs  instellingen.       Met  de  hierboven  geschetste  economische  en  bedrijfskundige  invalshoek  ten  aanzien  van  O2E   richten  wij  ons  in  deze  verkenning  vooral  op  de  mogelijke  impact  van  wat  Mulder  en  Janssen  de   innovatieve/opkomende  of  ‘digitale’  wereld  van  Open  Education  noemen.5  Wij  kiezen  voor  deze   afbakening  omdat  de  recente  ontwikkelingen  in  O2E  ons  inziens  overeenkomsten  vertonen  met   de  ontwikkeling  in  andere  sectoren  die  door  de  voortschrijdende  digitalisering  in  een   stroomversnelling  zijn  geraakt.  In  veel  van  deze  sectoren  zijn  bestaande  organisaties                                                                                                                               4  Zie  voor  een  beschrijving  van  het  verschil  tussen  xMOOC’s  en  andere  MOOC’s  paragraaf  2.4     5  ‘Open  (het)  onderwijs’  (Mulder  en  Janssen,  2013)   8  
  9. 9. geconfronteerd  met  nieuwe  spelers  die  met  nieuwe  online  verdienmodellen  de  verhoudingen  in   de  betreffende  sector  hebben  opgeschud.  De  meer  ‘klassieke’  aspecten  van  Open  Education   (zoals  openheid  in  tijd,  plaats,  tempo,  programmering)  zullen  in  deze  verkenning  daardoor   minder  aandacht  krijgen.  Daarvoor  verwijzen  wij  naar  eerdere  publicaties  van  de  Special  Interest   Group  Open  Educational  Resources  waarin  deze  aspecten  uitgebreid  worden  toegelicht.6     De  bedrijfskundige  en  economische  invalshoek  maakt  het  ons  ons  inziens  mogelijk  om  te   bepalen  of,  en  zo  ja  op  welke  wijze  en  in  welke  mate,  de  recente  ontwikkelingen  op  het  gebeid   van  O2E  in  Amerika,  die  sterk  gedreven  zijn  door  economische  motieven,  van  invloed  zouden   kunnen  zijn  op  het  Nederlandse  hoger  onderwijsbestel  en  de  Nederlandse  instellingen.  Onze   analyse  en  scenario’s  zullen  voor  sommige  lezers  schuren  met  met  een  aantal  publieke  waarden   waarop  ons  Nederlandse  en  de  meeste  West-­‐Europese  hoger  onderwijssystemen  zijn   gebaseerd.  Dit  doen  wij  met  opzet,  zodat  lezers  van  deze  verkenning  geprikkeld  worden  om   voor  zichzelf  te  beantwoorden  wat  de  economische  of  bedrijfskundige  impact  van  deze   ontwikkelingen  op  ons  publieke  hoger  onderwijsbestel  en  hun  instelling  zou  kunnen  zijn.   Afhankelijk  van  het  antwoord  op  deze  vraag  komen  vanzelf  ook  allerlei  meer  onderwijskundige   vraagstukken  naar  voren,  bijvoorbeeld  ten  aanzien  van  kwaliteit(zorg)  en  examinering.  Deze   zullen  wij  eveneens  aanstippen,  hoewel  het  gegeven  de  huidige  stand  van  ontwikkelingen  en  de   grote  onzekerheid  ten  aanzien  van  de  toekomstige  ontwikkelingen  nog  niet  mogelijk  is  hier  al   eenduidige  antwoorden  op  te  geven.     1.2 Methodiek   Om  de  bedrijfskundige  en  economische  impact  van  de  recente  groei  van  O2E  te  kunnen  duiden   maken  wij  in  de  analyse  gebruik  van  twee  theoretische  concepten:  ‘unbundling’  en  ‘disruptive   innovation’.  Het  concept  ‘unbundling’  komt  voort  uit  de  bedrijfswetenschappen  en  duidt   oorspronkelijk  op  het  ontbinden  van  grootschalige  bedrijven  met  meerdere  divisies  in  hun   afzonderlijke  onderdelen  (‘organisational  unbundling’).  Ook  wordt  de  term  gebruikt  voor  het  los   aanbieden  of  kopen  van  voorheen  gecombineerde  producten  of  diensten  (‘product   unbundling’).  In  toenemende  mate  wordt  het  concept  ‘unbundling’  ook  gebruikt  om  te   beschrijven  hoe  de  voortschrijdende  digitalisering  en  alomtegenwoordige  aanwezigheid  van   internetverbindingen,  mobiele  apparaten  en  sociale  media  leidt  tot  een  herschikking  van   bestaande  productie-­‐  en  distributieketens  (‘value  chains’)  voor  producten  en  diensten.  Bekende   voorbeelden  van  industrieën  waar  dit  heeft  plaatsgevonden  zijn  de  postbezorging  en  de  media   en  entertainment  industrie  (foto,  film,  muziek,  nieuws,  …).  Door  digitale  distributie  zijn  de   verhoudingen  tussen  de  oude  en  nieuwe  actoren  in  deze  productie-­‐  en  distributieketens   drastisch  veranderd.7     Het  concept  ‘unbundling’  gebruiken  wij  in  deze  verkenning  met  name  om  mogelijke   verschuivingen  in  de  rollen  van  -­‐  en  samenwerking  tussen  -­‐  diverse  actoren  en  partijen  in  het   productieproces  van  hoger  onderwijs,  te  belichten.  Denk  bijvoorbeeld  aan  de  rol  van  docenten,   publieke  en  private  onderwijsinstellingen,  educatieve  uitgevers  en  traditionele  en  nieuwe  ICT   aanbieders  bij  de  productie  en  distributie  van  leermiddelen  en  cursussen,  of  het  aanbieden  van                                                                                                                               6  Special  Interest  Group  Open  Educational  Resources,  SURF     7  ‘Unbundling  the  corporation’,  2000,  John  Hagel  III  &  Marc  Singer.  Zie  voor  de  laatste  variant  van  unbundling:   ‘Unbundling  the  supply  chain  for  the  international  music  Industry’,  Stanislas  Renard,  doctoral  thesis,  2010.     9  
  10. 10. losse  diensten  als  begeleiding  of  bijvoorbeeld  examinering.  De  kernvraag  hierbij  is  of  de  recente   ontwikkelingen  zullen  leiden  tot  het  open  en  ongebundeld  aanbieden  van  onderwijsmodules  en   ondersteunende  diensten.  En  zo  ja,  of  dat  leidt  tot  herschikking  van  de  rollen  van,  en   verhoudingen  tussen,  actoren  in  de  productieketens  van  leermaterialen,  studiebegeleiding  en   examinering.  Een  goede  beschrijving  van  het  concept  unbundling  en  de  mogelijke  impact   daarvan  op  de  toekomst  van  het  onderwijs  is  te  vinden  in  het  rapport  ‘Institute-­‐wide  Task  Force   on  the  Future  of  MIT  Education.  Prelimenary  report’.8     Om  de  mogelijke  economische  impact  van  de  recente  ontwikkelingen  op  het  gebied  van  online   onderwijs  te  kunnen  duiden  maken  wij  in  de  impactanalyse  gebruik  van  de  ‘Disruptive   Innovation’  theorie  van  professor  Clayton  Christensen  van  de  Harvard  Business  School.9   Christensen  heeft  in  zijn  boeken  Disrupting  Class  (2008)  en  The  Innovative  University  (2011)   reeds  vóór  de  recente  doorbraak  van  MOOC’s  gesteld  dat  online  education  (zowel  volledig   online  als  blended)  een  klassiek  voorbeeld  is  van  ‘disruptive  innovation’.  Traditionele   universiteiten  en  hogescholen  richten  zich  op  duurzame,  en  daardoor  kostbare,  innovaties  van   het  bestaande  business  model  voor  het  leveren  van  contactonderwijs  op  de  campus  aan   bestaande  doelgroepen  (hoofdzakelijk  initiële  studenten  van  ca.  17  tot  ca.  25  jaar).  Nieuwe   toetreders,  zowel  private  universiteiten  die  zich  specialiseren  in  online  onderwijs  als  meer   recent  de  internet  start-­‐ups  die  MOOC-­‐platforms  ontwikkelen,  bieden  in  eerste  instantie  een   kwalitatief  minder  hoogwaardig  onderwijsaanbod  aan  nieuwe  doelgroepen  die  voorheen  geen   toegang  hadden  tot  het  hoogwaardige  onderwijsaanbod  van  traditionele  universiteiten.  Zij   maken  daarbij  gebruik  van  goedkope  en  alom  ingeburgerde  (internet)technologie.  Bij  het   voortschrijden  van  de  tijd  ontwikkelt  deze  technologie  zich  echter  zodanig  dat  het  nieuwe   aanbod  kwalitatief  concurrerend  wordt  voor  –  delen  van  –  het  onderwijsaanbod  van  traditionele   universiteiten.       Met  behulp  van  de  theorie  van  Christensen  focussen  wij  in  de  impactanalyse  vooral  op  de   verschillen  in  waarde  proposities  van  klassiek  contactonderwijs  enerzijds  en  open  en  (massaal)   online  onderwijs  anderzijds,  en  de  verschillende  doelgroepen  die  daarmee  worden  bediend.   Deze  meer  economische  invalshoek  geeft  inzicht  in  de  verschillende  motieven  van  universiteiten   en  nieuwe  aanbieders  voor  het  aanbieden  van  open  en  online  onderwijs.  Daarnaast  belichten   wij  vanuit  dit  perspectief  de  opkomst  van  nieuwe  verdienmodellen  en  business  modellen  voor   OE  en  de  impact  daarvan  op  prijs-­‐kwaliteit  verhoudingen  en  de  internationale   concurrentieverhoudingen  tussen  onderwijsinstellingen  onderling  en  ten  opzichte  van  nieuwe   toetreders  op  de  hoger  onderwijsmarkt,  zoals  bijvoorbeeld  Coursera,  edX  en  Udacity.10     Tot  slot  gebruiken  wij  de  strategische  vragen  die  voortkomen  uit  de  impactanalyse  om  een   aantal  toekomstscenario’s  te  schetsen.  Deze  scenariostudie  is  gebaseerd  op  de  methodiek  van   scenarioplanning.11  Om  tot  de  formulering  van  deze  toekomstscenario’s  te  komen  hebben  wij   dankbaar  gebruik  gemaakt  van  eerdere  scenariostudies  ten  aanzien  van  de  toekomst  van  het                                                                                                                               8  ‘Institute-­‐wide  Task  Force  on  the  Future  of  MIT  Education.  Prelimenary  report’  (21  november  2013)     9  Zie  voor  een  beknopte  uitleg  van  deze  theorie:  http://www.claytonchristensen.com/key-­‐concepts/   10  Een  uitgebreidere  toelichting  op  de  concepten  ‘  unbundling’  en  ‘disruptive  innovation’    is  te  vinden  in  bijlage  1.     11  Zie  voor  een  beknopte  uitleg  van  scenarioplanning  Wikipedia.   10  
  11. 11. hoger  onderwijsbestel.12  De  geschetste  scenario’s  in  deze  verkenning  dienen  als  input  voor  een   strategische  discussie  over  de  vraag  hoe  waarschijnlijk  en  hoe  (on)wenselijk  individuele   instellingen  deze  toekomstscenario’s  vinden,  welke  kansen  en  uitdagingen  een  dergelijk   toekomstscenario  voor  de  instelling  oplevert,  en  wat  dat  betekent  voor  de  eigen  strategie  en  het   beleid  op  het  terrein  van  open  en  online  onderwijs.   1.3 Leeswijzer   Deze  verkenning  start  met  een  beknopte  beschrijving  van  de  ontwikkelingen  op  het  gebied  van   O2E.  Gegeven  de  snelheid  van  de  recente  ontwikkelingen  en  de  enorme  hoeveelheid  publicaties   die  hierover  wekelijks  het  licht  zien,  is  het  niet  mogelijk  om  daar  een  uitputtende  beschrijving   van  te  geven.  Voor  de  geïnteresseerde  lezers  is  een  addendum  opgenomen  met  interessante   links  naar  een  aantal  relevante  websites,  blogs  en  andere  online  bronnen  waar  meer  informatie   over  actuele  ontwikkelingen  te  vinden  is.       Vervolgens  worden  in  de  paragraaf  met  de  impactanalyse  een  aantal  mogelijke  consequenties   van  de  ontwikkelingen  op  het  gebied  van  O2E  voor  het  Nederlandse  hoger  onderwijsbestel   belicht  en  de  strategische  vragen  die  deze  ontwikkelingen  oproepen  voor  de  verdienmodellen   van  individuele  instellingen  indien  zij  zich  daadwerkelijk  voor  zouden  doen.  In  de  paragraaf   daarna  worden  een  viertal  toekomstscenario’s  geschetst  en  aangegeven  welke  kansen  en   uitdagingen  deze  scenario’s  opleveren  voor  het  Nederlandse  hoger  onderwijs.       Tot  slot  eindigen  we  met  een  aantal  aanbevelingen  voor  de  strategievorming  ten  aanzien  van   open  en  online  onderwijs  individuele  instellingen  en  de  gehele  sector.                                                                                                                               12  ‘The  Future  of  the  Tertiary  Education  Sector:  Scenarios  for  a  Learning  Society’  (2003).  Zie  voor  meer  artikelen  over     scenario’s  en  trends  en  ontwikkelingen  de  website  van  het  Centre  for  Educational  Research  and  Innovation  (CERI)  van   de  OECD;  ‘MOOC’s  and  implications  for  Higher  Education.  A  Whitepaper’,  (JISC,  CETIS;  Maart  2013);  Dave  Cormier,   where  do  you  see  online  education  in  20  years?  (maart,  2013)   11  
  12. 12. 2 Open  &  online  education  (02E)  –  State  of  Play   In  dit  hoofdstuk  worden  beknopt  de  ontwikkelingen  beschreven  op  het  gebied  van  open  en   online  onderwijs.  ‘Open  en  Online  Education’  (O2E)  is  als  gezegd  een  verzamelnaam  voor  diverse   ontwikkelingen  op  het  gebied  van  Open  Education  (ODL,  OER,  OCW)  en  Online  Education   (Online  Degree  Programs,  Blended  Learning  en  MOOC’s).  Deze  beknopte  weergave  van  de   ontwikkelingen  beschrijft  daarmee  in  vogelvlucht  het  gehele  ecosysteem  van  O2E,  waarbinnen   wij  vier  domeinen  onderscheiden:     1. Open  &  Distance  Learning  (ODL);     2. Online  Education  (OE);     3. Open  Educational  Resources  (OER)  en  Open  CourseWare  (OCW);     4. Massive  Open  Online  Courses  (MOOC),  waarbinnen  inmiddels  diverse  varianten  worden   onderkend  (cMOOC,  xMOOC,  mMOOC).     Deze  vier  domeinen  hebben  ieder  een  eigen  ontstaansgeschiedenis,  overlappen  elkaar  voor  een   deel,  beïnvloeden  elkaar  over  en  weer,  en  groeien  met  het  voortschrijden  van  de  tijd  en  de   toenemende  digitalisering  op  onderdelen  naar  elkaar  toe.     Figuur  2   Vier  interacterende  en  deels  overlappende  domeinen  van  open  en  online  onderwijs  (Capgemini  Consulting)       In  de  volgende  paragrafen  bespreken  wij  achtereenvolgens  per  deelgebied  de   ontstaansgeschiedenis,  de  belangrijkste  actuele  ontwikkelingen,  de  onderlinge  verschillen  en   waar  mogelijk  de  verbanden  en  relaties  tussen  de  domeinen.     2.1 Open  &  Distance  Learning  (ODL)   Open  &  Distance  Learning  (ODL,  ook  wel  open-­‐  en  afstandsonderwijs  genoemd)  combineert   open  leren  met  afstandsonderwijs.  In  heel  algemene  termen  gaat  het  er  bij  open  leren  om  dat  er   zo  weinig  mogelijk  beperkingen  zijn  wat  betreft  de  toegankelijkheid,  het  studietempo  en  de   studiemethode.  Omdat  de  fysieke  toegankelijkheid  van  contactonderwijs  voor  sommige   groepen  studenten,  zoals  werkenden,  een  probleem  vormt,  is  het  meteen  duidelijk  waarom   ‘open  leren’  en  ‘afstandsleren’  vaak  innig  met  elkaar  verbonden  zijn.  Veel  ODL  aanbieders   richten  zich  op  studenten  die  werk  en  gezinstaken  met  educatie  willen  combineren.       12  
  13. 13. De  term  ‘afstandsleren’  verwijst  naar  het  gebruik  van  een  reeks  technieken  die  het  leren   mogelijk  maken  door  een  afstand  en  soms  ook  een  tijdsverschil  te  overbruggen  tussen  docent   en  student.  Het  afstandsleren  startte  ruim  100  jaar  geleden  via  postcorrespondentie  (wat  in  zeer   rudimentaire  vorm  zelfs  teruggaat  tot  de  18e  en  19e  eeuw)  en  heeft  in  de  20e  eeuw  de   mogelijkheden  benut  die  nieuwe  communicatiemiddelen  boden  zoals  radio,  televisie,  video  en   computergestuurde  lesprogramma’s  (e-­‐learning).  De  United  States  Distance  Learning   Association  hanteert  de  volgende  formele  definitie  van  ODL:       “The  acquisition  of  knowledge  and  skills  through  mediated  information  and  instruction,   encompassing  all  technologies  and  other  forms  of  learning  at  a  distance.”  13     Tegenwoordig  wordt  ODL  echter  hoofdzakelijk  via  internet  verzorgd.       Op  conceptueel  niveau  verwijst  de  afstandscomponent  in  de  definitie  van  ODL  niet  enkel  naar   een  fysieke  afstand  of  een  asynchrone  leersituatie,  maar  ook  naar  de  metaforische  afstand   tussen  het  leerproces  en  het  onderwijsproces,  waarbij  de  student  in  ODL  veel  meer  controle   heeft  over  zijn  eigen  leerproces,  en  zelfs  over  de  leerresultaten.  Bij  ODL  geniet  de  student  veel   vrijheid  als  het  gaat  om  het  ‘wat’  en  ‘wanneer’  er  onderwijsactiviteit  gepland  worden.  Er  is   sprake  van  een  open  programmering.       In  de  jaren  ‘70  en  ’80  van  de  vorige  eeuw  kwam  het  open  en  afstandsleren  in  een   stroomversnelling  met  de  oprichting  van  de  volledig  op  ODL  gerichte  Open  Universiteit  (OU).  In   Nederland  werd  de  OU  in  1984  opgericht  om  wetenschappelijk  afstandsonderwijs  te  verzorgen   voor  tweede  kans  onderwijs  met  een  open  en  toegankelijk  karakter.  De  OU  hanteert  geen   formele  toelatingseisen  (behalve  een  minimumleeftijd  van  18  jaar)  en  biedt  een  grote  mate  van   vrijheid  wat  betreft  plaats,  tijd  en  tempo  van  de  (begeleide  zelf-­‐)studie.  De  opleidingen  van  de   OU  leiden  op  tot  geaccrediteerde  certificaten  danwel  diploma’s.  De  OU  heeft  na  een  succesvolle   start  de  afgelopen  jaren  het  studentenaantal  geleidelijk  zien  dalen.  In  1991  waren  er  36.100   studenten  actief  aan  de  OU,  in  2012  waren  dat  er  13.300.  De  OU  in  het  Verenigd  Koninkrijk  kent   een  groot  (stijgend)  aantal  nationale  én  internationale  studenten  (240.000  in  2012),  mede   doordat  de  voertaal  Engels  is  en  diverse  partnerships  met  maar  liefst  23  landen.14   2.2 Online  Education  (OE)   Online  Education  (OE)  is  een  specifieke  vorm  van  afstandsleren  (ODL).  Het  onderwijs  kan   worden  gevolgd  zonder  fysieke  aanwezigheid  op  de  plek  waar  de  onderwijsinstelling  gevestigd   is.  In  plaats  daarvan  is  er  sprake  van  interactie  via  het  internet.  Vandaag  de  dag  is  ODL  als   gezegd  praktisch  synoniem  aan  OE.  Omgekeerd  geld  dit  echter  niet.  Er  zijn  vele  vormen  van  OE   die  niet  open  zijn,  bijvoorbeeld  het  aanbod  van  commerciële  instellingen  die  zich  in  Nederland   richten  op  het  afstandsonderwijs  in  het  hbo,  zoals  de  LOI,  NTI  en  NHA.  Ook  sommige  publiek   bekostigde  instellingen  bieden  een  groot  aanbod  aan  afstandsonderwijs,  soms  in  meer  blended   vormen,  aan  zoals  bijvoorbeeld  de  DigiPabo  van  INHolland.  Er  zijn  veel  andere  termen  in  gebruik                                                                                                                               13  United  States  Distance  Learning  Association  (USDLA)     14  Website  Open  University:  http://www.open.ac.uk/about/main/the-­‐ou-­‐explained/facts-­‐and-­‐figures     13  
  14. 14. voor  OE,  zoals  virtueel  leren,  web-­‐based  onderwijs  of  e-­‐learning.  Volgens  Desmond  Keegan   (1988)15  heeft  OE  de  volgende  eigenschappen:     ! Het  op  afstand  zitten  van  docenten  en  studenten,  waarmee  geen  sprake  is  van  ‘face-­‐to-­‐face’   contact.   ! Er  is  sprake  van  sturing  vanuit  een  onderwijsinstelling,  waardoor  er  geen  sprake  is  van   zelfstudie  of  privé-­‐tutoring.   ! Het  gebruik  van  een  computernetwerk  waarmee  het  leermateriaal  wordt  gedistribueerd.   ! Er  is  sprake  van  tweerichtingsverkeer  communicatie  via  een  computernetwerk,  zodat   studenten  met  elkaar  en  docenten  kunnen  communiceren.       De  wereldwijde  markt  voor  OE  is  aanzienlijk  en  groeit  al  meer  dan  twee  decennia.  De  meest   ontwikkelde  markt  voor  online  hoger  onderwijs  is  die  in  de  Verenigde  Staten  (VS).  In  de  VS   hebben  in  2011  in  totaal  meer  dan  6,7  miljoen  studenten  ten  minste  één  online  cursus  gevolgd   als  onderdeel  van  een  geaccrediteerd  programma  van  een  ho-­‐instelling;  een  stijging  van  570.000   studenten  ten  opzichte  van  2010.  Dit  aantal  komt  overeen  met  32%  van  het  totaal  aantal   studenten,  een  percentage  dat  naar  verwachting  zal  blijven  groeien  in  de  komende  jaren.  In  de   VS  hebben  met  name  private  en  commerciële  universiteiten  met  succes  een  groot  marktaandeel   weten  te  verwerven  ten  opzichte  van  non-­‐profit  (en  meer  selectieve  academische)   universiteiten  die  hun  focus  voornamelijk  hebben  gehouden  op  contactonderwijs  op  de  campus   voor  studenten  van  ca.  17  tot  25  jaar.  16     De  meeste  studenten  die  een  (volledige)  online  opleiding  volgen  wonen  in  de  VS  en  staan   ingeschreven  bij  een  Amerikaanse  universiteit.  Er  zijn  aanwijzingen  van  een  groeiend  aantal   studenten  afkomstig  uit  landen  buiten  de  VS,  met  name  vanuit  opkomende  economieën  zoals   India  en  Brazilie.  Nauwkeurige  statistieken  over  de  markt  voor  online  onderwijs  buiten  de  VS  zijn   helaas  moeilijk  verkrijgbaar  of  niet  erg  betrouwbaar.  Wat  uit  studies  over  de  OE  markt  in  de  VS   en  UK  bekend  is,  is  dat  de  markt  voor  online  onderwijs  overwegend  volwassenenonderwijs   betreft  (tweede  kans  en  leven  lang  leren).  Het  primaire  motief  voor  studenten  om  zich  in  te   schrijven  voor  ‘online-­‐only’  programma’s  in  het  hoger  onderwijs  is  het  behalen  van  een   certificaat  of  diploma  om  hun  kansen  op  de  arbeidsmarkt  te  vergroten.17                                                                                                                                 15  ‘On  defining  distance  education’.  In  Distance  Education:  International  Perspectives  (eds  Sewart,  Keegan  and   Holmberg,  1988),  6-­‐33.   16  ‘Changing  Course:  Ten  Years  of  Tracking  Online  Education  in  the  United  States’,  I.  Elaine  Allan  &  Jeff  Seaman,  Sloan-­‐   C,  2011   17  ;  ‘Study  of  UK  online  learning  final  report’,  David  White,  University  of  Oxford,  2010   14  
  15. 15.   Figuur  2   Aantal  studenten  in  de  VS  dat  online  onderwijs  volgt.18 De  kwaliteit  van  OE  is  nog  altijd  een  veel  bediscussieerd  thema.  Uit  een  onderzoek  van  2008  van   het  Amerikaanse  ministerie  van  Onderwijs  is  gebleken  dat  de  effectiviteit  van  OE  vergelijkbaar  is   met  traditioneel  ‘face-­‐to-­‐face’  onderwijs  en  dat  Blended  Learning  –  een  combinatie  van   contactonderwijs  en  online  onderwijs  –  een  hogere  effectiviteit  kan  opleveren.  Sinds  een  aantal   jaar  investeren  ook  sommige  hoog  aangeschreven  en  non-­‐profit  universiteiten,  zoals  de  Arizona   State  University,  fors  in  OE.  Zij  zijn  sindsdien  sterk  gegroeid  en  hebben  een  aanzienlijk  deel  van   de  markt  voor  online  onderwijs  terugveroverd  op  de  commerciële  universiteiten  met  een   mindere  academische  reputatie.  Deze  non-­‐profit  universiteiten  richten  zich  daarbij  niet  alleen   op  de  markt  voor  initiële  studenten  van  17  tot  25  jaar,  maar  ook  op  de  markt  voor   volwasseneneducatie  en  leven  lang  leren.  Eén  van  de  consequenties  van  deze  ontwikkeling  is   dat  de  concurrentie  op  de  markt  voor  geaccrediteerde  online  degree  programs  is  toegenomen,   wat  naar  verwachting  een  drukkend  effect  zal  hebben  op  de  prijsontwikkeling  in  de  bredere  OE   markt.19     In  de  laatste  tien  jaar  hebben  diverse  Amerikaanse  universiteiten  een  spectaculaire  toename   van  het  aantal  online  studenten  jaar  gezien.  Voorbeelden  hiervan  zijn  de  University  of  Phoenix   (380.000+  studenten),  DeVry  University  (90.000+  studenten),  Kaplan  University  (66.000+   studenten).  Deze  universiteiten  hebben  ook  aanzienlijke  vooruitgang  geboekt  op  het  vlak  van                                                                                                                               18  ‘Change  Course:  Ten  Years  of  Tracking  Online  Education  in  the  United  States’  (2013).  Infographic  door  Pearson  Learning  Solutions.   Copyright  ©2013  by  Babson  Survey  Research  Group,  Pearson  and  Quahog  Research  Group,  LLC.  Non-­‐commercial  use  permitted   with  notification  to  brsg@babson.edu       19  ‘Are  the  sleeping  giants  awake,  Non-­‐profit  universities  enter  online  education  at  scale’,  Parthenon  Perspectives,  October  2012   15  
  16. 16. technologische,  pedagogische  en  organisatorische  effectiviteit.  De  meeste  hebben  dit  gedaan   door  samen  te  werken  met  een  of  meer  ‘enablers’:  commerciële  aanbieders  van  specifieke   diensten  of  zelfs  een  volledige  ‘value  chain’  voor  online  onderwijs  (marketing,  lead-­‐ generation/recruitment,  registratie,  cursus-­‐ontwikkeling,  IT-­‐ondersteuning,  student  begeleiding,   etc).  Een  aantal  van  deze  succesvolle  online  universiteiten  heeft  overigens  een  dubieuze   reputatie  en  te  kampen  met  serieuze  kwaliteits-­‐  en  rendementsproblemen.  Mede  hierdoor  is  de   trend  van  snelle  groei  recentelijk  gestagneerd.  Door  toenemende  concurrentie  van  non-­‐profit   universiteiten  en  MOOC’s  met  kampen  sommige  aanbieders  van  online  onderwijs  op  dit   moment  met  fors  teruglopende  inschrijvingen.20   2.3 Open  Educational  Resources  (OER)  en  Open  Course  Ware  (OCW)   OER  en  OCW  zijn  onderdeel  van  de  Open  Content  beweging.  Deze  beweging  streeft  ernaar  om   (creatief)  werk,  zoals  teksten,  afbeeldingen,  geluid  en  video,  te  publiceren  onder  een  open   licentie  (zoals  Creative  Commons)21.  Met  deze  open  licentie  is  het  (online)  kopiëren  en  vaak  ook   het  bewerken  en  verspreiden  ervan  door  de  maker  expliciet  toegestaan.  Een  bekend  voorbeeld   van  Open  Content  is  de  website  Wikipedia.  Hier  kunnen  gebruikers  zelf  informatie  plaatsen,   maar  kan  informatie  ook  aangepast  of  verwijderd  worden.  Open  Content  is  gelieerd  aan  de   Open  Source  en  Open  Data  beweging  die  streeft  naar  de  vrije  toegang  tot  de  bronmaterialen  (de   source)  van  digitale  eindproducten.     Open  educational  resources  (OER)  zijn  leermaterialen  die  online  vrij  beschikbaar  zijn  voor   (her)gebruik.  Het  kopiëren,  bewerken  en  verspreiden  van  het  materiaal  is  onder  voorwaarden   toegestaan  door  het  gebruik  van  een  open  licentie.  OER  kunnen  bestaan  uit  losse  leer-­‐ materialen,  zoals  weblectures  of  artikelen,  maar  ook  uit  samengestelde  leermaterialen  zoals   Open  Course  Ware  (OCW).  OCW  betreft  een  complete  cursus  met  open  leermaterialen,  die   online  vrij  beschikbaar  is  voor  (her)gebruik.  Bij  OCW  staat  het  bieden  van  gestructureerde   toegang  tot  het  leermateriaal  centraal.  Als  deelnemer  kun  je  geen  studiepunten  halen  en  krijg  je   geen  begeleiding.  OCW  wordt  gedeeld  via  websites  van  onderwijsinstellingen  zelf  of   verschillende  andere  online  distributiekanalen  als  iTunesU,  YouTube,  en  WikiWijs.     In  2001  is  het  Massachusetts  Institute  of  Technology  (MIT)  voor  het  eerst  begonnen  met  het   verspreiden  van  OER  /  OCW.  Sindsdien  delen  steeds  meer  onderwijsinstellingen  in  binnen-­‐  en   buitenland  hun  leermaterialen  via  internet.  Wereldwijd  betreft  dit  inmiddels  honderden   instellingen  voor  hoger  onderwijs,  waarvan  een  kleine  300  zich  verenigd  hebben  in  het   OpenCourseWare  Consortium.22  In  Nederland  zijn  de  ontwikkelingen  op  het  gebied  van  OER  en   OCW  zo’n  zes  jaar  geleden  begonnen.  De  Open  Universiteit  is  in  2006  en  TU  Delft  is  in  2007   gestart  met  het  online  publiceren  van  onderwijsmaterialen  en  zijn  actief  lid  van  OCW   Consortium.  Ook  het  Radboud  UMC  en  de  Universiteit  Leiden  zijn  actief  op  het  gebied  van  OER.   Andere  instellingen,  zoals  Avans,  HAN  Hogeschool  en  de  Universiteit  van  Amsterdam  zijn   voornemens  te  beginnen  met  OER.23                                                                                                                                 20  ‘For-­‐Profit  Higher  Education  Scandals  in  the  United  States:  International  Lessons’  (Philip  G.  Altbach,  Inside  Higher     Ed,  30  august  2010),  ‘Possible  probation  for  Phoenis’  (Paul  Fain,  Inside  Higher  Ed,  26  february  2013)   21  Presentatie  ‘Open  content  in  het  onderwijs’  van  B.  Knubben  en  R.  Schuwer  (OUNL)     22  http://www.ocwconsortium.org/en/members   23  ‘Trend  Report:  Open  Educational  Resources  2012’,  Surf  (2012)   16  
  17. 17. Figuur  4   Aantal  originele  (blauw)  en  vertaalde  cursussen  (rood)  volgens  leden  van  het  OCW  Consortium  (oktober  2011).  Graphic  by   Willem  Valkenburg  (TU  Delft).  CC-­‐BY-­‐NC.   2.4 Massive  Open  Online  Courses  (MOOC’s)   De  term  ‘MOOC’  werd  in  2008  bedacht  door  David   Cormier  voor  grootschalige  online  cursussen  die  werden   verzorgd  door  George  Siemens  en  Steven  Downes.  Zij   ontwikkelden  vrij  toegankelijke  online  cursussen  waarbij   gebruik  gemaakt  werd  van  nieuwe  internettechnologieën   zoals  blogs,  RSS-­‐feeds  en  later  social  media.  De  term   ‘open’  in  deze  oorspronkelijke  definitie  van  een  MOOC   verwijst  naar  de  open  toegankelijkheid  (geen   ingangseisen)  en  de  open  licenties  voor  verspreiding  en   hergebruik  van  leermateriaal  dat  gedurende  de  cursus   Figuur  5  José  Bogado  CC-­‐BY-­‐NC   wordt  gecreëerd  door  zowel  de  docenten  als  de   deelnemers.  Deze  vroege  MOOC’s  zijn  gebaseerd  op  het  ‘connectivisme’,  een  leertheorie  die   raakvlakken  heeft  met  de  ideologie  achter  OCW  en  kan  worden  gerelateerd  aan  de  Open  Data   en  Open  Content  beweging  en  in  andere  branches,  zoals  ‘open  source’  beweging  in  de  ICT.24     Sinds  de  zomer  van  2011,  toen  Sebastian  Thrun  en  zijn  Stanford  collega’s  geïnspireerd  door  het   succes  van  de  Khan  academy  van  Salman  Khan  een  experiment  startten  met  gratis  toegankelijke   cursussen  en  meer  dan  100.000  studenten  zich  hiervoor  inschreven,  zijn  de  ontwikkelingen  rond   MOOC’s  in  een  stroomversnelling  geraakt.  In  2012  zijn  er  een  groot  aantal  nieuwe  MOOC   platforms  opgericht  waar  zich  binnen  een  jaar  tijd  ruim  100  universiteiten  bij  hebben   aangesloten.  De  internationaal  meest  succesvolle  hiervan  zijn  op  dit  moment  Udacity,  Coursera   en  Edx.  Binnen  een  jaar  tijd  hebben  zich  op  elk  van  de  drie  platforms  een  zeer  groot  aantal                                                                                                                                 24  Wikipedia,  ‘Connectivism’;  ‘Connectivism  and  Connective  Knowledge.  Essays  on  meaning  and  learning  networks’   (Stephen  Downes,  mei  2012)   17    
  18. 18. studenten  ingeschreven  (tussen  de  1  en  5,4  miljoen)  voor  een  online  cursus.  Er  zijn  een  aantal   overeenkomsten,  maar  ook  een  aantal  belangrijke  verschillen  tussen  de  drie  initiatieven,  die   hieronder  kort  in  een  tabel  zijn  weergegeven.                                                     Opgericht: Oprichter(s): Profiel: Budget: Open Source: Januari 2012 S. Thrun (Stanford)   Commercieel $ 15 miljoen Nee (licenties) # Universiteiten: # Cursussen: # Studenten: Disciplines: geen 35 ca. 1,5 miljoen Business, ICT, Math, Science Gecertificeerde diploma’s: Ja Examens onder toezicht: Ja (4000 locaties in 170 landen via   partnership met Pearson VUE)       Opgericht: Oprichter(s):            April 2012 Profiel: Budget: Open Source: Koller & Nge (Stanford) Commercieel $ 65 miljoen Nee (licenties) Opgericht: Oprichter(s): Profiel: Budget: Open Source: Mei 2012 MIT en Harvard Not-for-profit $ 60 miljoen Gedeeltelijk (platform, enkele cursussen) # Universiteiten: # Cursussen: # Studenten: Disciplines: 107 500+ 5,4 miljoen Alle # Universiteiten: # Cursussen: # Studenten: Disciplines: 39 (+ 3 landen)   90 ca. 1,5 miljoen Alle Gecertificeerde diploma’s: Examens onder toezicht: (5 geaccrediteerde cursussen en partnership met ProctorU)       Figuur  6   Vergelijking  aanbieders  xMOOC-­‐platforms  (Capgemini  Consulting)   Ja Ja   Gecertificeerde diploma’s: Ja Examens onder toezicht: Ja (1 geaccrediteerde cursus & enkele identity verified tracks)     Belangrijk  om  hier  te  benadrukken  is  dat  de  platforms  van  Udacity,  Coursera  en  edX  in  opzet   niet  –  of  slechts  voor  een  klein  deel  (edX)  -­‐  ‘open’  zijn  in  de  klassieke  betekenissen  van  dit   begrip.  De  drie  platforms  claimen  de  exclusieve  rechten  op  het  gebruik  van  de  cursussen  die  ze   aan  studenten  aanbieden  op  hun  online  platform.  Het  hergebruik  van  de  content  door  andere   universiteiten  is  alleen  met  licentie  –  en  vaak  tegen  betaling  –  mogelijk.  Udacity  en  Coursera  zijn   bovendien  organisaties  met  winstoogmerk,  hoewel  zij  zich  als  ‘social  entreprises’  profileren  die   beogen  hoger  onderwijs  toegankelijk  te  maken  door  het  gratis  of  zeer  goedkoop  voor  iedereen   beschikbaar  te  stellen.  De  mogelijk  toekomstige  winsten  die  gemaakt  worden  door  Coursera   worden  verdeeld  over  het  platform  en  de  partner-­‐universiteiten  die  de  content  hebben   gemaakt.  Het  platform  edX  is  een  non-­‐profit  initiatief  van  MIT  en  Harvard.  Het  platform  zelf  is   open  source.  EdX  heeft  de  intentie  uitgesproken  om  ook  zoveel  mogelijk  van  de  content  ‘open’   aan  te  bieden  zodat  het  kan  worden  hergebruikt  door  andere  non-­‐profit  universiteiten.  De   eerste  partner  van  edX  die  heeft  aangekondigd  dit  te  doen  is  de  TU  Delft.     Het  enorme  succes  van  xMOOC’s  heeft  andere  partijen  en  universiteiten  in  landen  buiten  de  VS   gestimuleerd  om  hun  eigen  MOOC-­‐platforms  te  lanceren.  Voorbeelden  hiervan  zijn  FutureLean   van  de  Britse  Open  University  en  14  andere  Britse  universiteiten  (met  uitzondering  van   Cambridge  en  Oxford),  Open2Study  van  de  Australische  Open  Universiteit,  Iversity  (een  privaat   initiatief  uit  Duitsland)  en  Unedcoma  (Spanje).  Deze  initiatieven  benoemen  gelijkwaardige   ambities  en  doelen  als  edX,  Coursera  en  Udacity.  Verder  heeft  het  succes  van  deze  drie  leidende   xMOOC-­‐platforms  een  sterke  impuls  gegeven  aan  andere  innovatieve  open  en  online   onderwijsexperimenten  zoals  P2PU  (Peer  to  Peer  University),  OpenStudy  en  wordt  er  qua     18  
  19. 19. didactiek  en  vormgeving  gekeken  naar  andere  innovatieve  en  succesvolle  online   onderwijsconcepten  van  internet  start-­‐ups  als  de  Khanacademy  en  Codecademy.  Ook  veel   commerciële  aanbieders  proberen  op  deze  ontwikkeling  mee  te  liften,  bijvoorbeeld  Canvas.net   en  Blackboard.     Hoewel  er  veel  gesproken  en  geschreven  is  over  deze  nieuwe  MOOC’s  en  de  partijen  die  ze   aanbieden,  zijn  nog  veel  aspecten  van  het  begrip  MOOC  multi-­‐interpretabel.  Wanneer  is  een   cursus  nu  ‘massive’?  En  hoe  ‘open’  zijn  MOOC’s?  Wat  is  de  waarde  van  een  MOOC-­‐certificaat?   Wat  zijn  de  verschillen  in  didactiek  en  doelstellingen  tussen  de  eerste  MOOC’s  en  de  recente   MOOC’s?  25       Op  dit  moment  worden  er  vier  typen  MOOC’s  onderscheiden26:     ! cMOOC  (netwerkgebaseerd):  een  MOOC  met  als  didactisch  model  het  connectivistisch   leren.  Docenten  treden  op  als  coach.  Deelnemers  formuleren  hun  eigen  leerdoelen  en   proberen  die  samen  met  medestudenten  te  behalen.  Voorbeeld:  MOOC’s  van  Siemens  en   Downes.27   ! xMOOC  (contentgebaseerd):  een  MOOC  met  als  didactisch  model  het  hoorcollegemodel.  De   docent  biedt  leerstof  aan  via  –series  van  korte-­‐  instructievideo’s.  Deelnemers  bekijken  die   en  maken  opgaven  en  een  eindtoets.  Voorbeelden:  MOOC’s  van  Udacity,  Coursera,  en  EdX.   ! Taakgebaseerde  MOOC:  een  MOOC  waarbij  de  nadruk  op  vaardigheden  ligt,  en  deelnemers   taken  uitvoeren.  De  docent  heeft  een  begeleidende  rol.  Voorbeeld:  MOOC  over  Digital   Storytelling  van  de  University  of  Mary  Washington  (DS106)28.   ! mMOOC  (mechanical  MOOC):  een  tussenvorm  van  een  cMOOC  en  xMOOC.  Het  platform   wordt  gevormd  door  bestaande  open  platforms,  zoals  Open  Study  voor  vorming  van   studiegroepen,  OpenCourseware  voor  de  leermaterialen  en  een  P2P  University-­‐mailinglist.     Critici  van  de  nieuwe  xMOOC’s  wijzen  er  op  dat  de  online  cursussen  vanuit  een  pedagogisch   oogpunt  niet  veel  nieuws  en  kwaliteit  bieden.  Ze  lijken  in  opzet  op  traditionele  hoorcolleges  en   zijn  in  de  praktijk  ook  gebaseerd  op  oudere  video-­‐opnames  van  dergelijke  colleges.   Wetenschappelijk  onderzoek  naar  dergelijke  didactiek  heeft  aangetoond  dat  grootschalige   hoorcolleges  niet  bepaald  effectief  zijn  zonder  frequente  feedback  mechanismen,  interactie  en   activerende  werkopdrachten.  Daarnaast  wijzen  critici  erop  dat  met  de  opkomst  van   commerciële  xMOOC’s  het  neo-­‐liberale  marktdenken  de  overhand  dreigt  te  krijgen  in  het  hoger   onderwijs:  massaal  online  onderwijs  gericht  winstmaximalisatie  en  niet  meer  op  het  creëren  en   delen  van  publieke  kennis  en  waarden.29                                                                                                                                   25  ‘Trendrapport  Open  Educational  Resources  2013’,  Surf  (2013),  p.23   26  ‘MOOC's:  Trends  en  kansen  voor  het  hoger  onderwijs’,  Surf  Trendrapport  OER  2013  (Robert  Schuwer,  Ben  Janssen,   Willem  Valkenburg) 27  TEKRI/Plenk,  Siemens  (2010)   28  DS106  is  een  online  cursus  waarbij  gebruik  wordt  gemaakt  van  ‘digital  storytelling’.  Met  behulp  van  ‘digital   storytelling’  wordt  gepoogd  de  theorie  te  koppelen  aan  de  praktijk.  Zie  ook:  http://ds106.us/about/     29  George  Siemens       :  Neoliberalism  and  MOOC’s:  Amplifying  Nonsense  (juli,  2013)   19  
  20. 20. De  initiatiefnemers  van  de  nieuwe  MOOC-­‐platforms  zelf  geven  aan  dat  ze  met  MOOC’s  nobelere   doelen  nastreven:  het  toegankelijk  maken  van  kwalitatief  hoogwaardige  kennis,  o.a.  door  de   kosten  drastisch  te  verlagen,  en  het  experimenteren  met  het  aanbieden  van  nieuwe  vormen  van   online  onderwijs  om  daarmee  kennis  op  te  doen  over  nieuwe  vormen  van  leren.  Ten  aanzien   van  het  laatste  verwachten  ze  dat  door  de  grote  hoeveelheid  data  die  verzameld  kan  worden   met  behulp  van  ‘learning  analytics’  inzichtelijk  wordt  wat  online  werkt  en  wat  niet  werkt,  zowel   voor  nieuwe  doelgroepen  online  studenten  als  voor  campus  studenten  die  ook  gebruik  maken   van  dit  online  aanbod.  Door  te  experimenteren  met  concepten  zoals  ‘flipping  the  classroom’   hoopt  men  dat  MOOC’s  bijdragen  aan  het  vrijmaken  van  lestijd  in  de  traditionele  colleges  op  de   campus  voor  meer  persoonlijke  en  activerende  activiteiten  werkvormen.30     In  het  voorjaar  van  2013  zijn  de  eerste  wetenschappelijke  analyses  van  de  effectiviteit  en   doelgroepen  van  xMOOC’s  verschenen.  Een  goed  rapport  betreft  dat  van  de  Edinburg  University   waarin  de  auteurs  de  data  van  zes  MOOC’s  die  Edinburg  via  het  platform  van  Coursera  heeft   aangeboden  onder  de  loep  hebben  genomen.  Voor  deze  cursussen  hebben  zich  in  totaal   309.000  deelnemers  uit  maar  liefst  203  landen  ingeschreven.  Hiervan  werd  gemiddeld  slechts   40%  ook  daadwerkelijk  actief  in  de  cursussen.  Ook  blijkt  dat  meer  dan  70%  van  de  45.000   deelnemers  die  de  enquete  voor  de  start  van  de  MOOC  hebben  ingevuld  al  eerder  een   academische  opleiding  had  gevolgd.  Zo’n  12%  van  de  totale  populatie  (21%  van  de  actieve   deelnemers)  heeft  na  het  afsluitende  examen  een  certificaat  weten  te  bemachtigen.   Opmerkelijk  is  wel  dat  ruim  98%  van  de  personen  die  de  afsluitende  enquete  invulden  aangaven   uit  de  cursus  te  hebben  gehaald  wat  ze  er  uit  wilden  halen.31  Ook  onderzoekers  van  Stanford,   Harvard  en  MIT  hebben  inmiddels  interessante  analyses  gepubliceerd  van  de  eerste  MOOC’s  op   de  platforms  van  Coursera  en  edX.  Ook  hierin  wordt  geconstateerd  dat  MOOC’s  een  zeer  diverse   publiek  aantrekken,  zowel  wat  betreft  spreding  van  land  van  herkomst,  leeftijd  en   vooropleiding,  en  dat  de  interesses  en  doelstellingen  niet  altijd  overeenkomen  met  die  van   initiële  campus  studenten.32     Inmiddels  worden  de  eerste  pogingen  gedaan  om  tot  een  typologie  van  typen  studenten  en  hun   leergedrag  in  een  xMOOC  te  komen.  Onderstaande  grafiek  geeft,  hoewel  de  definitie  van  de   diverse  typen  nog  voor  discussie  vatbaar  is,  een  mooie  visualisatie  van  verschillende  soorten   studenten  en  de  intensiteit  waarmee  zij  deelnemen  aan  xMOOC’s:                                                                                                                                 30  Zie  voor  een  uitleg  en  overzicht  van  links  over  Flipping  the  Classroom:  http://cit.duke.edu/flipping-­‐the-­‐classroom/.   De  Khanacademy  is  een  van  de  initiatieven  die  dit  concept  recentelijk  weer  in  het  centrum  van  de  belangstelling   hebben  gebracht:  zie  o.a.  Lets  use  video  to  reinvent  education   31  ‘MOOC’s  @Edinburg  2013  –  report  #1’,  University  of  Edinburg  (10  mei  2013)   32  ‘Studying  Learning  in  the  Worldwide  Classroom  Research  into  edX’s  First  MOOC.’,  Breslow,  Pritchard,  DeBoer  e.a.,     Research  and  Practice  in  Assessment  (Summer  2013);  ‘Deconstructing  Disengagement:  Analyzing  Learner   Subpopulations  in  Massive  Open  Online  Courses.’  Kizilcec,  Piech  &  Schneider  (2013);   20  
  21. 21. Figuur  8:  ‘Emerging  Student  Patterns  in  MOOCs:  A  (Revised)  Graphical  View’,  Michael  Feldstein  (maart  2013,  CC-­‐BY-­‐NC)   2.5   De  ontwikkelingen  in  Nederland   De  snelle  ontwikkelingen  op  het  gebied  van  O2E  hebben  in  2013  ook  in  Nederland  navolging   gekregen.  Steeds  meer  instellingen  in  het  HO  beginnen  belangstelling  te  tonen  voor  de   verschillende  initiatieven,  mede  gestimuleerd  door  de  mediahype  die  in  2013  ook  de   Nederlandse  media  heeft  bereikt.33       Zowel  de  Open  Unversiteit,  TU  Delft,  Universiteit  Leiden  en  Universiteit  van  Amsterdam  en  de   TU  Eindhoven  hebben  initiatieven  op  dit  vlak  ontplooid  of  aangekondigd.  Een  aantal  instellingen   was  al  langer  actief  op  het  gebied  OCW/OER  (OU,  TU  Delft,  Leiden,  UvA),  en  hebben  reeds  een   aantal  MOOC’s  geproduceerd  en  afgerond.  Deze  eerste  MOOC’s  bereikten  een  voor   Nederlandse  begrippen  ongekende  schaalgrootte.  De  MOOC  van  de  UvA,  Introduction  into   communication  science  en  aangeboden  op  een  eigen  platform,  trok  ruim  6.000   belangstellenden,  waarvan  een  opvallend  groot  aantal  studenten  uit  Nederland  zelf  afkomstig   was.  Leiden  was  de  eerste  Nederlandse  universiteit  die  een  partnership  afsloot  met  Coursera.   Voor  hun  eerste  MOOC,  The  Law  of  the  European  Union:  An  Introduction,  schreven  maar  liefst   46.000  studenten  zich  in.  De  TU  Delft  behoort  bij  eerste  12  partners  van  edX,  en  heeft  twee   MOOC’s  in  ontwikkeling,  waarvan  die  over  Solar  Energy  ca.  57.500  inschrijvingen  heeft  en  die   over  Water  Treatment  ruim  27.500.  Daarnaast  biedt  de  TU  Delft  sinds  2013  een  aantal   geaccrediteerde  online  master  tracks  aan.  De  OU  is  van  oudsher  zeer  actief  op  het  gebied  van   ODL,  OCW  &  OER  en  trekker  van  een  aantal  nieuwe  OE  en  MOOC  initiatieven  als  OpenU  (delen   van  opleidingen  en  open  online  masterclasses)  en  de  realisatie  van  het  eerste  Europese  MOOC-­‐ platform  OpenUpEd,  gesponsord  door  EADTU,  een  door  de  EU  geïnitieerd  netwerk  voor  open  en                                                                                                                                 33  Volkskrant,  ‘  Uva  lanceert  als  eerste  in  Nederland  een  “MOOC”:  Massive  Open  Online  Course’,  februari  2013.   21  
  22. 22. flexibel  leren.  Tot  slot  zijn  er  voornemens  om  ook  voor  Wikiwijs  een  specifieke  benadering  voor   het  H(B)O  te  ontwikkelen  op  het  gebied  van  OCW/OER.     MOOCs in NL EdX Delft X •  Solar Energy 57.500 •  Water Treatment 27.500 {Next Generation Infrastructures & Introduction to aerospace engineering} n.a. Coursera Leiden •  The law of the EU 46,000 •  Terrorism and Counterterrorism 26,000 Universiteit van Amsterdam •  Communication Science (before on Sakai) 6,000 TU Eindhoven {Sports & Building Aearodynamics} n.a. OpenUpEd Open Universiteit •  E-learning (in Nederlands) Figuur  9  MOOCs  in  Nederland  (Capgemini  Consulting)   600     Het  Trendrapport  OER  2013  van  de  special  interest  Group  OER  en  SURF  signaleert  in  Nederland   een  verschuiving  in  de  doelgroepen  waar  O2E  zich  op  richt.  Binnen  de  OER-­‐beweging  bestond  de   primaire  doelgroep  lange  tijd  uit  docenten,  en  lag  de  nadruk  op  het  hergebruik  van  open   leermateriaal.  Met  de  opkomst  van  de  MOOC’s  en  het  snel  groeiende  gebruik  van  OCW  door   studenten  in  plaats  van  docenten  en  het  wereldwijde  aanbod  van  online  onderwijs  komt  de   focus  steeds  meer  te  liggen  op  studenten  als  primaire  doelgroep.  Hierbij  gaat  het  niet  alleen  om   de  ingeschreven  studenten  bij  universiteiten  en  hogescholen,  maar  ook  om  de  zogenaamde  self-­‐ learners:  van  scholieren  via  professionals  tot  ouderen  die  zich  om  uiteenlopende  redenen  willen   verrijken  met  kennis  zonder  een  reguliere  opleiding  te  volgen  en  deze  met  een  diploma  of   academische  graad  af  te  ronden.34   2.6 Samenhang  tussen  ODL,  OE,  OER/OCW  en  MOOC’s   Uit  de  beknopte  beschrijving  van  bovenstaande  ontwikkelingen  op  de  vier  domeinen  blijkt   duidelijk  dat  er  de  afgelopen  twee  jaar  sprake  is  van  een  versnelling  en  intensivering  van  de   ontwikkelingen  op  het  gebied  van  O2E.  Ook  is  er,  ondanks  de  soms  grote  verschillen  in  doelen  en   ideologie  achter  de  meest  in  het  oog  springende  initiatieven,  sprake  van  toenemende   wederzijdse  beïnvloeding.                                                                                                                                     34  ‘Trendrapport  Open  Educational  Resources  2012’  en  ‘Trendrapport  Open  Educational  Resources  2013’,  SURF   22  
  23. 23. Aanleiding  voor  deze  versnelling  was  het  onverwacht  grote  succes  van  het  initiatief  van  Salman   Khan,  een  alumnus  van  MIT  en  zelfverklaard  grootgebruiker  van  OCW,  om  gratis  online   onderwijs  voor  de  hele  wereld  te  ontwikkelen.  Het  enorme  succes  van  de  Khan  academy,  waar   momenteel  ruim  4000  online  instructievideo’s  en  een  complete  online  oefenomgeving  zijn  te   vinden  die  door  ruim  8  miljoen  unieke  mensen  ter  wereld  worden  gebruikt,  inspireerde  op  zijn   beurt  weer  Sebastian  Thrun  (oprichter  Udacity)  en  zijn  collega’s  Koller  en  Ng  (oprichters   Coursera)  om  hun  Stanford  colleges  gratis  online  ter  beschikking  te  stellen  en  hiervoor   certificaten  uit  te  geven  (xMOOC).  Het  succes  van,  en  de  media  aandacht  voor,  de  MOOC’S  heeft   vervolgens  de  discussie  over  OER  en  OCW  weer  in  een  stroomversnelling  gebracht  en  tot  een   groot  aantal  nieuwe  initiatieven  geleid,  zowel  van  bestaande  spelers  in  het  O2E  domein  als   allerlei  nieuwe  toetreders,  waaronder  vele  internet  start-­‐ups.   Figuur  9:  ‘MOOC’s  and  implications  for  Higher  Education.  A  Whitepaper’,  (JISC,  CETIS;  March  2013).  Relaties   e tussen  ODL,  OE,  OER/OCW  &  MOOC’s,  aangevuld  met  relatie  tussen  MIT  OCW,  Khanacademy  en  de  1  Stanford   MOOC  (Capgemini  Consulting).  Zie  bijlage  2  met  een  uitgebreidere  beschrijving  van  de  ontstaansgeschiedenis  van   de  eerste  xMOOC’s.       23  
  24. 24. 3 Impact  Analyse   In  dit  hoofdstuk  beschrijven  wij  de  mogelijke  impact  van  O2E  op  het  hoger  onderwijs  en  de   strategische  vragen  die  deze  ontwikkelingen  oproepen  voor  individuele  Nederlandse  hoger   onderwijs  instellingen  en  het  Nederlandse  hoger  onderwijsbestel  in  zijn  geheel.   3.1 Digitale  revolutie  of  media  hype?   Het  debat  over  de  mogelijkheden  en  eventuele  impact  van  open  en  online  onderwijs  is  na  de   plotselinge  doorbraak  en  snelle  opkomst  van  de  xMOOC’s  in  2012  sterk  van  toon  veranderd.   Vanaf  het  begin  van  deze  eeuw  werd  het  thema  vooral  omarmd  door  onderwijskundige   vernieuwers  die,  op  een  paar  uitzonderingen  na,  gericht  waren  op  het  verbeteren  van  het   bestaande  onderwijssysteem.  Dit  debat  werd  zowel  internationaal  als  nationaal  aangejaagd   door  bevlogen  docenten,  onderwijskundigen,  onderwijsmanagers  en  enkele  enthousiaste   bestuurders,  en  speelde  zich  hoofdzakelijk  binnen  de  sector  zelf  af.    Sinds  de  doorbraak  van  de   xMOOC’s  heeft  het  debat  zich  verplaatst  naar  de  algemene  media  waar  ook  buitenstaanders   zich  uitspreken  over  de  aanstaande,  en  vaak  vurig  door  hen  gewenste,  digitale  revolutie  in  het   Hoger  Onderwijs.  Mede  hierdoor  is  het  thema  wereldwijd  (opnieuw)  terechtgekomen  op   strategische  agenda  van  de  bestuurders  van  veel  hoger  onderwijsinstellingen.     In  de  paragrafen  hieronder  geven  wij  een  korte  impressie  van  uitspraken  van  andere  analisten   met  betrekking  tot  de  mogelijke  impact  van  deze  ontwikkelingen,  waarna  wij  met  behulp  van  de   concepten  ‘unbundling’  en  ‘disruptive  innovation’  de  twee  belangrijkste  strategische  vragen  uit   deze  discussies  destilleren.35     Reeds  vanaf  het  prille  begin  van  de  ontwikkeling  van  OER,  OCW,  OE  en  MOOC’s  waren  er   geluiden  van  voorstanders  die  hoopten  dat  deze  ontwikkelingen  de  huidige  inrichting  van  het   hoger  onderwijs  fundamenteel  zouden  veranderen:     “[c]MOOC’s  were  not  designed  to  serve  the  missions  of  the  elite  colleges  and  universities.   They  were  designed  to  undermine  them,  and  make  those  missions  obsolete.”36     Hoewel  dit  standpunt  van  Stephen  Downes,  een  van  de  geestelijke  vaders  van  de  open   onderwijs  beweging  en  de  initator  van  de  eerste  cMOOC,  vrij  extreem  is,  is  het  ook  hoorbaar  in   de  ambities  van  Sebastian  Thrun,  de  initiator  van  de  eerste  xMOOC  van  Stanford.  Hij  sprak  kort   na  de  oprichting  van  Udacity  in  2012  in  een  interview  uit  dat  hij  het  voor  mogelijk  hield  dat  de   doorbraak  van  massaal  online  onderwijs  het  bestaande  hoger  onderwijsbestel  volledig  op  zijn   kop  zou  zetten,  hoewel  hij  daar  wel  een  zeer  lange  doorlooptijd  bij  voor  ogen  had:     “In  50  years,  he  [Thun]  says,  there  will  be  only  10  institutions  in  the  world  delivering   higher  education  and  Udacity  has  a  shot  at  being  one  of  them.”  37                                                                                                                                 35  Zie  bijlage  1  voor  een  nadere  toelichting  van  deze  twee  concepten.   36  ‘The  great  rebranding’  (Stephen  Downes,  April  2013)     37  http://www.wired.com/wiredscience/2012/03/ff_aiclass/3/,  march  20,  2012   24  

×