• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Rapport ministerie van vws knaw actief ouder worden in nederland
 

Rapport ministerie van vws knaw actief ouder worden in nederland

on

  • 2,640 views

ergrijzing is een feit. En het is een kans. Een KNAW-studie kijkt naar Nederland en de rest van de wereld tot 2040. “Meer vitale ouderen krijgen de mogelijkheid actief te blijven. De uitdaging is ...

ergrijzing is een feit. En het is een kans. Een KNAW-studie kijkt naar Nederland en de rest van de wereld tot 2040. “Meer vitale ouderen krijgen de mogelijkheid actief te blijven. De uitdaging is dit rijke potentieel tot ontwikkeling te brengen.”
Het rapport 'Actief ouder worden in Nederland' schetst de demografische ontwikkelingen in binnen- en buitenland. Tot het jaar 2040 stijgt in Nederland het aantal vijfenzestigplussers met ruim twee miljoen, zo blijkt. De auteurs signaleren een andere kijk op vergrijzing, waarbij naast de kosten ook de kansen worden gezien. De rol van ouderen is bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet langer uitgespeeld.

Statistics

Views

Total Views
2,640
Views on SlideShare
2,640
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

CC Attribution License

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Rapport ministerie van vws knaw actief ouder worden in nederland Rapport ministerie van vws knaw actief ouder worden in nederland Presentation Transcript

    • EM Zantinge | EA van der Wilk | S van Wieren | CG Schoemaker (redactie) RIVM Rapport 270462001/2011 Gezond ouderGezond ouder worden in Nederland Dit is een uitgave van: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Postbus 1 | 3720 BA Bilthoven worden in www.rivm.nl april 2011002206
    • Gezond ouder wordenin Nederland
    • ColofonRIVM Rapport 270462001/2011Redactie:E.M. ZantingeE.A. van der WilkS. van WierenC.G. SchoemakerContact:Else ZantingeCentrum voor Volksgezondheid Toekomst Verkenningenelse.zantinge@rivm.nlDit rapport is gemaakt door het centrum voor Volksgezondheid Toekomst Verkenningen van het RIVM, inopdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, directie Publieke Gezondheid, in het kadervan een additionele opdracht bij kennisvraag 1.1 van programma 1.© RIVM 2011Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding: Auteursnamen,de titel van de publicatie, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het jaar van uitgave.
    • InhoudRapport in het kort 5Abstract 6Voorwoord 7Kernboodschappen 91 Inleiding 11 1.1 Aanleiding en achtergrond 11 1.2 Uitgangspunten van dit rapport 12 1.3 Leeswijzer per hoofdstuk 132 Ouderen nu en in de toekomst 15 2.1 Inleiding 15 2.2 Ontwikkeling van het aantal ouderen in Nederland 15 2.3 Levensverwachting 16 2.4 Gezonde levensverwachting 18 2.5 Van zelfstandig tot hulpbehoevend 19 2.6 Cijfers over ouderen in perspectief 193 Maatschappelijke participatie en kwaliteit van leven 21 3.1 Inleiding 21 3.2 Maatschappelijke participatie 21 3.3 Kwaliteit van leven 244 Beperkingen en ziekten 27 4.1 Inleiding 27 4.2 Beperkingen 27 4.3 Ziekten en aandoeningen 29 4.4 Oorzaken van ziekte en beperkingen bij ouderen 355 Determinanten van gezondheid 37 5.1 Inleiding 37 5.2 Sociale omgeving 37 5.3 Fysieke omgeving 40 5.4 Leefstijl 41 5.5 Persoonsgebonden determinanten 446 Zorg 49 6.1 Inleiding 49 6.2 Zorg gericht op ziekten en aandoeningen 50 6.3 Zorg gericht op beperkingen 51 6.4 Zorg gericht op complexe problematiek 547 Preventie gericht op ouderen 57 7.1 Inleiding 57 7.2 Preventieaanbod gericht op ouderen in Nederland 59 7.3 Bereik en effectiviteit van het aanbod gericht op ouderen 62 Gezond ouder worden in Nederland | 3
    • 8 Conclusies, discussie en aanbevelingen 69 8.1 Reikwijdte van dit rapport 69 8.2 Conclusies en beschouwing 70 8.3 Aanknopingspunten voor gemeentelijk beleid 73Literatuur en bronnen 75Lijst van tabellen en figuren 85Bijlagen 87Bijlage 1  Projectteam, auteurs en referenten 87Bijlage 2  Afkortingen 88Bijlage 3  Epidemiologische cijfers 904 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Rapport in het kortOuderen die ziek zijn, hoeven niet per se beperkt te zijn in hun functioneren. De helft van de zelfstandig wonendeNederlandse ouderen leeft met één of meer chronische ziekten. Ondanks dat gegeven ervaart twee derde van dezelfstandig wonende ouderen geen lichamelijke beper­ ingen, en voelt meer dan de helft zich gezond. Dit blijkt uit k‘Gezond ouder worden in Nederland’, een overzicht van het RIVM van de gezondheid en preventie bij zelfstandigwonende ouderen.Vanaf 75 jaar neemt de kans op ziekten en beperkingen duidelijk toe en neemt de ervaren gezondheid en de lichamelijkekwaliteit van leven af. De ziekten die op oudere leeftijd het meest voor­ omen en het grootste verlies aan gezonde klevensjaren met zich meebrengen zijn coronaire hartziekten, beroerte, artrose en diabetes.Het rapport ‘Gezond ouder worden in Nederland’ is geschreven in opdracht van het ministerie van VWS. De landelijkegegevens kunnen gemeenten ondersteunen bij de uitvoering van de preventieve gezondheidszorg voor ouderen. In 2010heeft het ministerie van VWS deze taak van gemeenten nader uitgewerkt. Tussen 2010 en 2050 zal het aantal 65-plussersin Nederland oplopen van 2,6 miljoen naar 4,5 miljoen. Een kwart van de Nederlandse bevolking is dan 65 jaar of ouder;van de ouderen is 40 procent dan 80 jaar of ouder. De vergrijzing brengt zowel kansen als problemen met zich mee. Denadruk ligt vaak op de problemen, bijvoorbeeld door de hoge kosten voor de gezond­ eidszorg. Daartegenover staat h‘verzilvering’: ouderen brengen vaak waardevolle kennis en ervaring in en zetten zich vrijwillig in voor maat­ chappelijke sdoelen. Zo verleent bijvoorbeeld ruim een kwart van de ouderen informele hulp aan bekenden en een derde is actief ingeorganiseerd vrijwilligerswerk.Een andere bevinding uit het rapport is dat het aandeel ouderen dat zich matig tot sterk eenzaam voelt (bijna een derde)nauwelijks verschilt van dat van jongere mensen. Dat komt waarschijnlijk doordat wensen en verwachtingen over socialecontacten met de leeftijd veranderen. Binnen de groep ouderen neemt eenzaamheid wel toe met de leeftijd: ongeveerde helft van de 85-plussers, vooral de vrouwen, voelt zich eenzaam.In het rapport wordt benadrukt dat de preventieve maatregelen voor ouderen meerdere doelen hebben. Enerzijds is deinsteek ziekten en aandoeningen te voorkomen en sterfte uit te stellen. Daarnaast is het bij het ouder worden steedsmeer van belang het functioneren te optimaliseren, bijvoorbeeld door ouderen daarin te begeleiden of dooraanpassingen van de leefomgeving. Belangrijke doelgroepen voor preventieve interventies zijn ouderen vanaf 75 jaar,(alleenstaande) oudere vrouwen, ouderen met een laag opleidingsniveau, allochtone ouderen en oudere mantelzorgers. Gezond ouder worden in Nederland | 5
    • AbstractHealthy ageing in the NetherlandsOlder people who are ill do not necessarily experience limitations in their daily functioning. One-half of the Dutch elderlywho live independently suffer from one or more chronic diseases; however, two thirds of this group are not limitedphysically, and more than half of these feel healthy. These are the results reported in ‘Healthy ageing in the Netherlands’,an overview of the health status and prevention of disease and disability among the Dutch elderly population.From the age of 75 years onwards, the risk of morbidity and disability clearly increases, while perceived health status andphysical well-being decrease. The most common diseases in old age are coronary heart disease, stroke, arthritis anddiabetes, which also cause the greatest loss of healthy life years.The report ‘Healthy ageing in the Netherlands’ was commissioned by the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sport.The data included in this report may provide useful informational support for municipalities in the implementation ofpreventive health care services for the elderly. In 2010 the Ministry made this municipal task more explicit. Between 2010and 2050 the number of people aged 65 years and older in the Netherlands will increase from 2.6 million to 4.5 million.At this time, this age group will comprise one quarter of the Dutch population, with 40 percent being over 80 years ofage. The focus is often on the problems that accompany increasing numbers of elderly, such as high healthcare costs.However, the term ‘silvering’ is coming into vogue (as opposed to ‘greying’, the Dutch word for ageing), with theacknowledgement that older people possess knowledge and experience that can be of valuable to society and that theyvoluntarily provide services in various social sectors. For example, more than one quarter of elderly people provideinformal help to friends and one third are active in organised volunteer work.Another finding is that the proportion of older people feeling moderately to very lonely (almost one third) scarcely deviatesfrom that of younger people. The likely reason for this is that desires and expectations regarding social relations and contactschange with age. In elderly people, loneliness increases as people age: about half of those aged 85 years and older, especiallywomen, report feeling lonely.The report emphasises that effective preventive measures aimed at maintaining the health and autonomy of elderlypeople have multiple goals. The first of these is to prevent illness and disease and to postpone death. A second goal is tooptimise the functioning of the elderly as they age, such as by providing guidance and support in how to do this or bychanging elements in the environment. Important target groups for preventive interventions are the elderly aged 75years and over, (single) older women, those with a low educational level, ethnic minority elderly and elderly caregivers.6 | Gezond ouder worden in Nederland
    • VoorwoordGemeenten staan dichter bij de burger dan ministeries. Daarom kunnen gemeenten ook vaak beter maatwerk leveren.Gemeenten kijken ook breder dan zorg en ondersteuning en zorgen dat de omgeving toegankelijk is en dat er geschiktewoningen zijn voor mensen met beperkingen. Ik vind het essentieel dat de eigen kracht van mensen optimaal wordtbenut bij het vinden van oplossingen voor hun beperkingen. Dit betekent dat ouderen bij het vormgeven van hetpreventieve gezondheidsbeleid worden betrokken.Zoals de huisartsenpraktijk de poortwachter is tot de zorg voor mensen die ziek zijn, zo zie ik de gemeente als depoortwachter voor de ondersteuning die mensen nodig hebben om te parti­ iperen. Het spreekt voor zich dat een oudere cniet per se in de ene of de andere categorie valt maar dat het belangrijk is een brug te slaan tussen de gemeente en dezorgverlening, tussen de preventie en de curatie.Met ‘Gezond ouder worden in Nederland’ geeft het RIVM inzicht in de gezondheidstoestand van ouderen in ons land.Het rapport gaat in op determinanten en indicatoren voor de gezondheids­ ituatie van ouderen en biedt aangrijpings- spunten voor lokaal gezondheidsbeleid.Het gaat bij gezond ouder worden niet alleen om het voorkómen en uitstellen van ziekten en sterfte, maar met nameook om het voorkómen en terugdringen van beperkingen in het functioneren en het bevorderen van zelfredzaamheid,participatie en een goede kwaliteit van leven.Het RIVM heeft met ‘Gezond ouder worden in Nederland’ een schat aan informatie bij elkaar gebracht.Het rapport is niet alleen voor mij of het ministerie. Het is vooral bedoeld voor diegenen die het lokale gezondheids­beleid handen en voeten geven. Voor de bestuurder, de gemeenteambtenaren, de GGD-adviseur, de huisarts, dewelzijnswerker, de wijkverpleeg­ undige en voor iedereen die zich bekommert om het gezond ouder worden in ons land. kIk zie er naar uit dat we gezamenlijk kunnen bouwen aan gezond oud zijn in Nederland.Mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-HyllnerStaatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gezond ouder worden in Nederland | 7
    • KernboodschappenGezondheid heeft bij ouderen een andere betekenis dan groep ouderen neemt eenzaamheid wel toe met de leeftijd.bij jongeren Ongeveer de helft van de 85-plussers, vooral de vrouwen,Bij gezond ouder worden gaat het niet alleen om het voelt zich eenzaam.voorkómen, uitstellen en behandelen van ziekten enaandoeningen, maar vooral om het voorkómen en Van vergrijzing naar verzilveringterugdringen van beperkingen in het functioneren en het De vergrijzing leidt enerzijds tot problemen, zoalsbevorderen van de zelfredzaamheid, participatie en een ongezond­ eid, kosten en lasten en de zorgen hierover voor hgoede kwaliteit van leven. Terwijl preventie en zorg bij de toekomst. Daar tegenover staat een positieve kant, ookjongere leeftijdsgroepen vooral gericht zijn op ziekten, zijn wel ‘verzilvering’ genoemd. Ouderen brengen vaakbij ouderen interventies gericht op het functioneren en de waardevolle kennis en ervaring in en zetten zich in voorkwaliteit van leven steeds belangrijker. maatschappelijke doelen, ook wel maatschappelijke participatie genoemd. Ruim een kwart van de ouderenVeel ouderen die ziek zijn, functioneren nog goed verleent bijvoorbeeld informele hulp aan bekenden en eenOuderen die ziek zijn, hoeven niet per se beperkt te zijn in derde is actief in georganiseerd vrijwilligerswerk. Naarhun functioneren. De helft van de zelfstandig wonende verwachting zullen ouderen in de toekomst nog meer gaanNederlandse ouderen (65-plussers) leeft met één of meer participeren.chronische ziekten, maar toch ervaart twee derde van dezegroep ouderen geen lichamelijke beperkingen, en voelt Beperkingen zijn vooral bepalend voor maatschappe-meer dan de helft zich gezond. Ongeveer de helft van de lijke participatiezelfstandig wonende ouderen ervaart een goede Niet de ziekten, maar vooral de beperkingen die daarmeelichamelijke kwaliteit van leven en 90% ervaart een goede samenhangen, vormen voor ouderen de belangrijkstepsychische kwaliteit van leven. Naarmate men ouder obstakels om te participeren. Ook spelen maatschappelijkewordt, neemt de kans op ziekten en beperkingen toe en ontwikkelingen en persoonlijke wensen en belemmeringenneemt de ervaren gezond­ eid en de lichamelijke kwaliteit h een rol bij participatie. Gezondheid is een belangrijkevan leven af. Opvallend is dat de psychische kwaliteit van voorwaarde voor participatie, maar participatie kan ook deleven niet slechter wordt met het ouder worden. Zo heeft gezondheid van ouderen bevorderen, bijvoorbeeld door dede jongste groep ouderen zelfs een betere psychische sociale contacten die het oplevert.kwaliteit van leven dan mensen van middelbare leeftijd. Diverse manieren om de gezondheid van ouderen teVeel voorkomende ziekten leiden tot het meeste verlies beïnvloedenaan gezonde levensjaren De gezondheid van ouderen is te beïnvloeden via aspectenDe ziekten die bij ouderen het grootste verlies aan gezonde uit hun sociale en fysieke omgeving, door hun eigenlevensjaren veroorzaken zijn coronaire hartziekten, leefstijl en door persoonsgebonden factoren, zoals deberoerte, artrose en diabetes. Dit zijn tevens veel­ manier waarop zij omgaan met ziekten en beperkingen.voorkomende ziekten bij ouderen. De meest voorkomende Het aanbod van interventies voor Nederlandse ouderen ispsychische aandoeningen bij ouderen zijn dementie, zeer divers. Interventies zijn enerzijds gericht op hetdepressie en angststoornissen. Veel ouderen hebben meer voorkómen van ziekten en aandoeningen, zoals dedan één ziekte. Van de 65-74-jarigen heeft één op de vijf landelijke screenings­ rogramma’s en leefstijlinterventies. pmensen meer dan één chronische ziekte; onder de Anderzijds zijn er interventies gericht op het functioneren75-plussers is dat één op de drie. Opvallend is dat ouderen van ouderen, zoals interventies gericht op gezond oudervanaf 75 jaar duidelijk meer gezondheidsproblemen worden in het algemeen, en interventies die gericht zijn opkrijgen. het ‘age-friendly’ maken van de omgeving. Van de interventies die in Nederland worden aangeboden aanEen derde van de ouderen voelt zich eenzaam ouderen, ontbreekt het overzicht welke interventies hetNaarmate mensen ouder worden, neemt de grootte van beste bereik hebben en het meest effectief zijn.hun sociale netwerk af, door bijvoorbeeld het overlijdenvan geliefden of door het wegvallen van werk of andere Leefstijlverandering leidt ook bij ouderen totbezigheden. In theorie hebben ouderen daardoor een gezondheidswinstgrotere kans om eenzaam te worden. Toch zijn ouderen Ook bij ouderen leidt leefstijlverandering nog totniet vaker (sterk) eenzaam dan jongere mensen, gezondheidswinst, al zijn de positieve effecten vanwaarschijnlijk door een verandering van wensen en leefstijlverandering het grootst als dat op jonge leeftijdverwachtingen over sociale contacten. Bijna een derde van gebeurt. Daarbij is leefstijlverandering bij ouderen lastig;de ouderen voelt zich matig of sterk eenzaam. Binnen de het gaat immers om langdurig ingesleten gewoonten. Het Gezond ouder worden in Nederland | 9
    • is de vraag of de moeite die het ouderen kost om hun verwachting voor een 65-jarige zal de komende tijd blijvenleefstijl te veranderen in alle gevallen opweegt tegen de stijgen. In 2050 zal 40% van de ouderen 80 jaar of ouderverbetering van hun kwaliteit van leven. Er zijn geen zijn, ten opzichte van ruim een kwart in 2010. Het bereikenNederlandse interventies bekend die specifiek gericht zijn van de leeftijd van 65 jaar zal in de toekomst een andereop roken, alcoholgebruik of gezonde voeding bij ouderen. betekenis krijgen, omdat er gemiddeld steeds meer jarenLeefstijl­nterventies voor ouderen zijn vooral gericht op i gaan volgen.bewegen. Interventies gericht op matige lichamelijkeactiviteit in groepsverband blijken het meest effectief te Gemeenten hebben een belangrijke rol inzijn bij ouderen. ouderengezondheidszorg Medio 2010 is een specifiek artikel over de ouderen­Preventie richten op risicogroepen gezondheidszorg toegevoegd aan de Wet publiekeOuderen vanaf 75 jaar, (alleenstaande) oudere vrouwen, gezondheid (artikel 5a). Hierin is beschreven datouderen met een laag opleidingsniveau en allochtone gemeenten zorg dragen voor het monitoren, signaleren enouderen zijn groepen ouderen die extra kwetsbaar zijn en voorkómen van gezondheidsproblemen bij ouderen. In ditdaarmee doelgroepen zijn voor preventieactiviteiten. rapport is landelijke informatie opgenomen die onder­Behalve voor deze groepen is specifieke aandacht voor steunend kan zijn bij deze taken. Naast landelijkeoudere mantelzorgers essentieel. De mantelzorger speelt informatie hebben gemeenten regionale en lokale cijferseen cruciale rol in de ouderengezondheidszorg en deze rol nodig om hun gezondheidsbeleid vorm te geven. Ook kanzal in de toekomst alleen maar toenemen. Een vijfde van een gemeente ervoor zorgen dat de oudere inwonersde oudere mantelzorgers ervaart zelf gezondheids­ betrokken worden in de beleidsplannen, om te peilen watproblemen en is dus extra kwetsbaar. er echt toe doet voor ouderen.Bijna 95% van de ouderen woont zelfstandigHet aandeel ouderen dat in een verzorgings- ofverpleeghuis woont, is sinds 1995 gehalveerd. In 2008woonde bijna 95% van de ouderen zelfstandig. In ditrapport ligt de nadruk op deze grote groep zelfstandigwonende ouderen. Ontwikkelingen in onder anderewoonzorgconcepten en technologie zorgen voor eenvervaging van de scheidslijn tussen zelfstandig wonendeouderen en ouderen in een instelling. Deze trend zal zichvoortzetten in de toekomst.Zorg zonder verblijf wordt intensieverHet merendeel van de ouderen maakt gebruik vancuratieve zorg, zoals huisartsenzorg, medisch-specialistische zorg of farmaceutische zorg. Een veel kleinerdeel van de ouderen ontvangt zorg gericht op onder­steuning bij beperkingen. Zo ontvangt een vijfde van deouderen zorg zonder verblijf in de vorm van huishoudelijkehulp, verpleging en/of verzorging, en 6% ontvangtmantel­ org. De hoeveelheid zorg die een oudere krijgt, is in zde periode 2000-2007 sterker gestegen bij zelfstandigwonende ouderen met zorg zonder verblijf dan bij ouderenin verplegings- en verzorgingshuizen. Dit komt door eencombinatie van een verminderd gebruik van zorg metverblijf, technologische ontwikkelingen, verkorting van deligduren in ziekenhuizen en een stijgend aantalziekenhuis­behandelingen.Grote stijging aantal ouderen in de toekomstHet aantal 65-plussers in Nederland zal oplopen van 2,6miljoen in 2010 tot 4,5 miljoen in 2050. Het aandeelouderen in de Nederlandse bevolking zal daarmeetoenemen van 16% in 2010 tot 25% in 2050. De levens­10 | Gezond ouder worden in Nederland
    • 1Inleiding1.1 Aanleiding en achtergrond gezondheidsbeleid van gemeenten. Niet alleen binnen andere bepalingen van de Wpg, maar ook in het kader vanPreventieve gezondheidszorg voor ouderen sinds medio de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De2010 in de Wpg activiteiten onder c en d zijn direct gericht op individueleDe Wet publieke gezondheid (Wpg) is sinds juli 2010 ouderen. Deze activiteiten kunnen ook vallen onder deuitgebreid met een artikel over publieke gezondheidszorg Wmo, maar ook onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en devoor ouderen (artikel 5a). Aanleiding voor deze wets­ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), die gerichtwijziging was een amendement van de Tweede Kamer: het zijn op respectievelijk de curatieve en langdurende zorg.Amendement-Kant. Hierin werd voorgesteld om ouderen Gemeenten hebben vanuit de Wpg de wettelijke taak deals specifieke doelgroep te benoemen in de Wpg. Hierbij is afstemming tussen de publieke gezondheidszorg en deeen belangrijke rol voor gemeenten weggelegd. In het curatieve gezondheidszorg te bevorderen. Het ministerietoegevoegde wetsartikel staat beschreven welke taken van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) benadrukt degemeenten hebben op het gebied van de preventieve raakvlakken met andere wetgeving en de mogelijkhedengezondheidszorg voor ouderen (VWS, 2009a): om verschillende wetten en regelingen met elkaar tea. het systematisch volgen en signaleren van de gezond- combineren om tot een samenhangende preventieve heid van ouderen en gezondheidsbevorderende en – gezondheidszorg voor ouderen te komen (VWS, 2009a). bedreigende factoren;b. het ramen van de behoeften aan zorg; Preventieve gezondheidszorg voor ouderen in dec. vroegtijdige opsporing en preventie van zowel preventiecyclus specifieke stoornissen als co-morbiditeit; In de Wpg is de verdeling van verantwoordelijkhedend. het geven van voorlichting, advies, instructie en tussen Rijk en gemeenten vastgelegd. In de uitwerking begeleiding; hiervan wordt in de praktijk gewerkt volgens de zoge­e. het formuleren van maatregelen om gezondheids­ naamde ‘preventiecyclus’ (zie figuur 1.1). Met de toevoeging bedreiging te voorkomen. van de preventieve gezondheidszorg voor ouderen aan de Wpg kan deze cyclus nu ook worden toegepast op ditOnder a, b en e wordt gemeenten gevraagd om de beleidsterrein. De vierjaarlijkse preventiecyclus begint altijdgezondheid van ouderen te monitoren, behoefteramingen met de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) vante maken en lokaal beleid voor ouderen te formuleren. het RIVM, waarin de cijfers over de Nederlandse volks­Deze activiteiten maakten al langer deel uit van het gezondheid worden geïntegreerd en geanalyseerd. Op Gezond ouder worden in Nederland | 11
    • Figuur 1.1 De preventiecyclus. VTV Stand van zaken en ontwikkelingen volksgezondheid Preventiecyclus IGZ RijksnotaStaat van de openbare gezondheidszorg Prioriteiten voor collectieve preventie Wet publieke gezondheid Gemeentelijke nota’s Lokaal gezondheidsbeleidbasis van de VTV stelt de minister van VWS vervolgens in kan de Handreiking Gezonde Gemeente van het Centrumeen landelijke nota Gezondheidsbeleid de landelijke Gezond Leven (CGL) van het RIVM gebruikt worden om debeleidsprioriteiten vast. Deze nota biedt weer aangrijpings­ vertaalslag van de landelijke nota naar lokale nota’s tepunten voor de lokale nota’s Gemeentelijk gezondheids­ ondersteunen. Deze Handreiking wordt in 2011beleid. De Inspectie voor de Volksgezondheid (IGZ) geactualiseerd.evalueert vervolgens dit gemeentelijke beleid, waarop eennieuwe landelijke VTV de volgende cyclus inluidt. Gezond ouder worden ook hoog op de agenda van de Europese UnieDe plaats van dit rapport in de preventiecyclus De aandacht voor ouderen in het Nederlandse volks­Eind 2009 vroeg het ministerie van VWS aan het RIVM om gezondheidsbeleid is niet los te zien van Europesein de VTV 2010 afzonderlijk aandacht te besteden aan de ontwikkelingen. Zo wordt 2012 het Europese jaar voorgezondheidstoestand van ouderen. Omdat het grootste actief ouder worden en solidariteit tussen generaties.deel van de VTV op dat moment al klaar was, kon dat niet Daarop vooruitlopend lanceert de EU begin 2011 een proefalsnog worden ingevoegd. In overleg met het ministerie is met een Europees innovatiepartnerschap rond actief entoen afgesproken om tegelijkertijd met het verschijnen van gezond ouder worden. Doel is ervoor te zorgen datde VTV een factsheet over de gezondheid van ouderen op EU-burgers tegen 2020 twee jaar langer zullen leven inte leveren en een aparte rubriek over ouderen op het goede gezondheid. De Europese Commissie hecht veelNationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaal­ belang aan het promoten van gezond ouder worden.kompas.nl) te realiseren. Daarnaast heeft het ministerie het Het bevorderen van een goede gezondheid gedurende deRIVM verzocht een rapport over de gezondheid van loopbaan van werknemers en het realiseren van effectieveouderen te schrijven. Bij het verschijnen van dit rapport is en efficiënte gezondheidszorg zijn essentieel om tede nieuwe preventiecyclus net begonnen; in 2010 voorkomen dat werknemers door een slechte gezondheidverscheen de VTV 2010 en medio 2011 zal de nota Gezond­ vervroegd met pensioen gaan. Volgens de Europeseheidsbeleid van het ministerie van VWS verschijnen. De Commissie heeft dit een direct effect op de participatie eninformatie uit dit rapport, die wordt gepresenteerd op productiviteit van ouderen.landelijk niveau, kan daarbij op hoofdlijnen ondersteunendzijn. In de lokale nota’s Gemeentelijk gezondheidsbeleiddie vervolgens zullen verschijnen, worden de landelijke 1.2 Uitgangspunten van dit rapportspeerpunten vertaald naar de lokale wensen, behoeften enmogelijkheden. Voor het vertalen van cijfers en feiten naar Zelfstandig wonende ouderen onderwerp van ditde lokale situatie kan ook gebruik worden gemaakt van rapportinstrumenten die specifiek voor regionale of lokale Dit rapport geeft een landelijk beeld van de gezondheidinformatie zijn ontwikkeld, zoals de regionale VTV’s, van zelfstandig wonende ouderen van 65 jaar en ouder.gezondheidsenquêtes of ouderenmonitors van GGD’en Ongeveer 5% van de ouderen verbleef op 1 januari 2008 inen de Vraag Aanbod Analyse Monitor (VAAM). Daarnaast een verzorgings- of verpleeghuis (Verweij et al., 2009).12 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Zij vallen buiten het bereik van dit rapport, omdat de schappelijke participatie beperken we ons tot het doen vanpreventieve gezondheidszorg voor ouderen zoals vrijwilligerswerk in georganiseerd verband en het onbetaaldbeschreven in de Wpg zich in eerste instantie niet richt op verlenen van zorg aan bekenden. Andere vormen vande groep ouderen in instellingen. Onder zelfstandig maatschappelijke participatie vallen, hoe belangrijk ook,wonende ouderen vallen gezonde en vitale ouderen, buiten het bereik van dit rapport. Bij kwaliteit van levenmaar ook ouderen met gezondheidsproblemen en/of richten we ons op gezondheidsgerelateerde kwaliteit vanbeperkingen die nog zelfstandig wonen. Begin 2011 is ook leven: ‘het functioneren van personen op fysiek, psychischeen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en sociaal gebied en de subjectieve evaluatie daarvan’verschenen, dat specifiek gericht is op kwetsbare ouderen (Sprangers, 2009a). Andere begrippen die samenhangenin Nederland, inclusief ouderen die in instellingen wonen met gezond ouder worden, zijn zelfstandigheid en zelfred­(Van Campen, 2011). zaamheid. Dit zijn lastig meetbare begrippen waar we ons niet expliciet op richten in dit rapport.Gezond ouder worden als centraal themaIn dit rapport is ‘gezond ouder worden’ de leidraad om de Gezondheidstoestand speelt een belangrijke rol bijgezondheid van ouderen te beschrijven. Het ministerie van kwaliteit van leven en participatieVWS onderstreept het maatschappelijk belang van gezond De kwaliteit van leven en maatschappelijke participatieouder worden en de Gezondheidsraad onderbouwt het van ouderen worden beïnvloed door hun gezondheids­begrip (VWS, 2009a; Gezondheidsraad, 2009). De term toestand. Door ziekten en beperkingen kunnen degezond ouder worden (‘healthy ageing’) staat voor het participatie en kwaliteit van leven afnemen (Sadiraj et al.,proces waarin de kansen op lichamelijke, sociale en 2009; Hoeymans et al., 2005). Voor participatie geldt datgeestelijke gezondheid worden geoptimaliseerd, zodat niet zozeer de ziekten, alswel de beperkingen als gevolgouderen actief aan de samenleving kunnen deelnemen en van ziekten de belangrijkste obstakels vormen (Hoeymanseen onafhankelijk leven kunnen leiden met een goede et al., 2005). Ziekten en beperkingen worden weerkwaliteit van leven (SNIPH, 2006). Het gaat bij gezond beïnvloed door determinanten, zoals leefstijl en deouder worden niet alleen om het voorkómen en uitstellen omgeving, en door zorg en preventie. Daarnaast zijn ervan ziekten en sterfte, maar vooral ook om het voorkómen (onafhankelijk van ziekten) ook rechtstreekse relatiesen terugdringen van beperkingen in het functioneren en tussen determinanten van gezondheid en kwaliteit vanhet bevorderen van de zelfredzaamheid, participatie en leven en participatie. In dit rapport beschrijven we beideeen goede kwaliteit van leven. soorten determinanten, die dus direct dan wel indirect van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van leven en deOud en ziek, maar niet ongezond participatie van ouderen.Nederlanders leven steeds langer en ook in de toekomstzal de levensverwachting blijven toenemen (Van der Lucht Dé oudere bestaat niet& Polder, 2010). Wel blijken mensen steeds vaker één of In dit rapport maken we zo veel mogelijk onderscheidmeer ziekten te hebben. Toch gaat het hebben van tussen verschillende groepen ouderen. Dé oudere bestaat(chronische) ziekten lang niet altijd samen met meer immers niet. In hoofdstuk 2 besteden we explicietbeperkingen en voelen mensen zich ook niet per se aandacht aan de diversiteit onder ouderen. In de daaropongezond. Dit is een belangrijk onderscheid, vooral bij volgende hoofdstukken maken we waar mogelijkouderen. Naarmate mensen ouder worden, hebben zij onderscheid naar leeftijd (65-74, 75-84, 85+), geslachtsteeds vaker te maken met ziekten. Bij ouderen wordt (indien relevant), sociaaleconomische status en regiovooral ingezet op het beperken van de gevolgen van binnen Nederland. In sommige hoofdstukken besprekenziekten en het behoud van een goede kwaliteit van leven we internationale verschillen en verwachte toekomstigeóndanks een ziekte. Dit betekent dat de gezondheids­ ontwikkelingen.doelen bij ouderen, met name bij de oudste ouderen,anders liggen dan bij de rest van de bevolking, waarbijziektepreventie vaak de boventoon voert. Dit heeft 1.3 Leeswijzer per hoofdstukconsequenties voor de keuzes die moeten wordengemaakt binnen de ouderengezondheidszorg. Cijfers en feiten in perspectief in hoofdstuk 2 In hoofdstuk 2 geven we een beschrijving van NederlandseExpliciete aandacht voor maatschappelijke participatie ouderen aan de hand van een aantal sociaaldemografischeen kwaliteit van leven kenmerken en schetsen we verwachte toekomstigeIn dit rapport richten we ons op twee belangrijke indicatoren ontwikkelingen in de vergrijzing en de levensverwachting.van gezond ouder worden: maatschappelijke participatie en Vervolgens plaatsen we deze cijfers over de hele groepkwaliteit van leven. Dit zijn brede begrippen die op veel ouderen in perspectief.manieren in te vullen zijn. Bij de uitwerking van maat­ Gezond ouder worden in Nederland | 13
    • Participatie en kwaliteit van leven in hoofdstuk 3 Conclusie, discussie en aanbevelingen in hoofdstuk 8In hoofdstuk 3 geven we de stand van zaken van de door In het slothoofdstuk worden de bevindingen in deNederlandse ouderen ervaren kwaliteit van leven. Ook voorgaande hoofdstukken samengevat en met elkaar ingaan we in op hun maatschappelijke participatie, zoals het verband gebracht. Dit leidt tot een discussie metverlenen van mantelzorg en informele zorg. Vervolgens aanknopingspunten voor gemeentelijk beleid.geven we een overzicht van wat er bekend is overdeterminanten van participatie en kwaliteit van leven. Inde rest van het rapport richten we ons op gezondheids­gerelateerde determinanten van kwaliteit van leven enparticipatie.Ziekten, aandoeningen en beperkingen in hoofdstuk 4In hoofdstuk 4 geven we een beeld van de beperkingen ende belangrijkste ziekten en aandoeningen bij ouderen enhoe deze zich ontwikkelen. We gaan onder andere in oplichamelijke en cognitieve beperkingen, lichamelijke enpsychische ziekten en aandoeningen, chronischeaandoeningen, multimorbiditeit en verlies aan gezondelevensjaren bij verschillende ziekten.Determinanten van gezondheid in hoofdstuk 5In hoofdstuk 5 beschrijven we de belangrijkstedeterminanten van ziekten, aandoeningen en beperkingenbij ouderen. We bespreken eerst in welke mate aspectenvan de sociale en fysieke omgeving van invloed zijn op degezondheid van ouderen. Hierbij gaan we onder andere inop sociale contacten, sociale steun en eenzaamheid.Vervolgens beschrijven we aspecten van de leefstijl vanouderen: bewegen, voeding, alcoholgebruik en roken. Totslot gaan we in op persoonsgebonden factoren, zoalszelf­ anagement, en beschrijven we het vóórkomen van movergewicht, hoge bloeddruk en een ongunstig cholesterolbij ouderen.Zorg in hoofdstuk 6In hoofdstuk 6 geven we een globaal overzicht van de zorgdie zelfstandig wonende ouderen krijgen. Daarbijbespreken we eerst het zorggebruik dat tot doel heeft omeen aandoening te genezen, dan wel te voorkomen dat deaandoening verslechtert of tot complicaties leidt.Vervolgens besteden we aandacht aan het zorggebruik datgericht is op het omgaan met beperkingen. Hier komt ookhet gebruik van voorzieningen uit de Wmo aan bod. Tenslotte staan we stil bij het zorggebruik van ouderen metcomplexe problematiek.Preventie en interventies in hoofdstuk 7In dit hoofdstuk geven we een overzicht van het huidigeaanbod van interventies in Nederland die specifiek gerichtzijn op ouderen. Vervolgens gaan we in op het bereik en deeffectiviteit van dit aanbod van interventies. Bij vierproblemen gaan we in detail in op de (kosten)effectiviteitvan verschillende soorten interventies bij ouderen. Hetgaat om de thema’s vallen, inactiviteit, depressie eneenzaamheid.14 | Gezond ouder worden in Nederland
    • 2Ouderen nu enin de toekomstCasper Schoemaker en Eveline van der Wilk Vergrijzing: in 2050 ongeveer 4,5 miljoen ouderen In 2011 worden de eerste leden van de zogenaamde babyboomgeneratie (de generatie geboren na de Tweede Wereldoorlog) 65 jaar. Mede door deze geboortegolf zal het2.1 Inleiding aantal ouderen in Nederland de komende decennia sterk toenemen. Rond 2040 zal het grootste aantal ouderenCijfers over ouderen in perspectief worden bereikt. Volgens de meest actuele CBS-prognoseDit rapport gaat over een grote groep inwoners van (december 2010) groeit hun aantal in dertig jaar tijd vanNederland die maar één ding gemeen hebben: ze zijn ten bijna 2,6 miljoen naar 4,6 miljoen. Dat is iets meer dan eenminste 65 jaar geleden geboren. Het is een grote groep die kwart van de totale bevolking. Na 2040 zet een daling inde komende decennia nog verder zal groeien. In dit (Van Duin & Garssen, 2010). In 2050 zullen er 4,5 miljoenhoofdstuk geven we eerst een overzicht van de getals­ ouderen zijn; 25% van de Nederlandse bevolking is danmatige ontwikkeling van het aantal ouderen. Hierbij is ouder dan 65 jaar. Niet alleen worden we gemiddeld ouder,vooral gebruikgemaakt van de bevolkingsprognoses van ook de groep oudste ouderen groeit gestaag. Het aandeelhet Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Vervolgens 80-plussers binnen de groep 65-plussers zal vanaf ongeveerplaatsen we deze cijfers in perspectief. 2025 sterk stijgen, van een kwart tot ruim 40% in 2050. Steeds meer mensen worden ouder dan honderd2.2 Ontwikkeling van het aantal Ook het aantal 100-plussers zal de komende jaren verder toenemen (zie tekstblok 4.2 in hoofdstuk 4). Begin 2010 ouderen in Nederland telde Nederland 1.743 inwoners van 100 jaar of ouderBijna 2,6 miljoen ouderen in 2010 (Garssen & Harmsen, 2010). Dat waren er 115 meer dan eenOp 1 januari 2010 telde Nederland bijna 2,6 miljoen jaar eerder. Voor het eerst in lange tijd groeide het aantalouderen. Bijna 16% van de bevolking was op dat moment mannelijke 100-plussers, al is van alle 100-plussers nogouder dan 65 jaar. Van alle 65-plussers is meer dan een steeds slechts één op de zeven man. De oudste vrouw vankwart 80 jaar of ouder, wat neerkomt op 4% van de Nederland is geboren in 1901, de oudste man in 1902.bevolking. Van alle ouderen is 43% man en 57% vrouw. Vanaf 2046, als de eerste babyboomers 100 jaar worden,Hoe hoger de leeftijd, hoe groter het aandeel vrouwen in zal het aantal 100-plussers snel toenemen.de bevolking. Gezond ouder worden in Nederland | 15
    • Figuur 2.1 Regionale prognoses van percentage ouderen per gemeente in 2010 en 2040 (Bron: CBS StatLine; www.zorgatlas.nl). 2010 2040Percentage van de bevolking Percentage van de bevolking 8 - 16 <16 16 - 21 16 - 21 21 - 26 21 - 26 >=26 26 - 33 provincies provinciesNederland minder vergrijsd dan veel andere EU-landen vergrijzing in regio’s als Zeeland en Groningen veel harderNederland is minder vergrijsd dan veel andere landen in de gaat (zie figuur 2.1).EU-27. Dit heeft voor een deel te maken met het echo-effect van de babyboomgeneratie. Een gestegen levens-verwachting, gecombineerd met een hoog vruchtbaar- 2.3 Levensverwachtingheidscijfer tijdens de afgelopen decennia, heeft ervoorgezorgd dat Nederland minder snel vergrijst dan landen Gemiddeld leven 65-jarigen in Nederland nog bijnawaar het vruchtbaarheidscijfer daalde en tegelijkertijd de twintig jaarlevensverwachting steeg, zoals Italië. In 2009 is in de De resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd is inEU-27 als geheel 17% van de bevolking 65 jaar of ouder 2010 voor mannen nog 17,6 jaar en voor vrouwen 20,8 jaar.(vergeleken met 9% in 1960). Landen met het grootste Vrouwen van 65 jaar leven dus gemiddeld 3,2 jaar langerpercentage ouderen zijn Duitsland en Italië (rond de 20%). dan mannen. Gemiddeld hebben 65-jarigen nog 19,3 jaarDe kleinste percentages zijn te vinden in Ierland en te leven (Van Duin & Garssen, 2010).Slowakije (Eurostat, 2011; WHO-HFA, 2011). De levensverwachting stijgtAanzienlijke regionale verschillen in vergrijzing Tussen 2010 en 2050 neemt de levensverwachting vanDe bovenstaande cijfers geven een landelijk beeld van het 65-jarige mannen met 3,5 jaar toe, van 17,6 naar 21,1 jaar.aantal ouderen nu en in de toekomst. Voor veel regio’s Bij vrouwen bedraagt deze toename 2,8 jaar, van 20,8 naargeldt een afwijkende situatie. Zo tellen nieuwe gemeenten 23,6 jaar. De levensverwachting op 80-jarige leeftijdals Almere in verhouding weinig ouderen, terwijl de bedraagt in 2050 9,5 jaar voor mannen en 11,1 jaar voor16 | Gezond ouder worden in Nederland
    • vrouwen (Van Duin & Garssen, 2010). De levensfase na het Figuur 2.2 Trend in levensverwachting bij 65 jaar, voor Nederland en de EU-27, 1980-2009 (Bron: WHO-HFA, 2011). 65e jaar beslaat daarmee een steeds groter deel van hetleven; van slechts een tiende in 1970 tot een kwart in 2050. jarenDe getalsverhouding tussen de werkzame bevolking en de 21ouderen, dit wordt ook wel ‘grijze druk’ genoemd,verschuift daarmee ook. Op dit moment is de grijze drukongeveer 25%: per 100 mensen tussen de 20 en 64 jaar zijn 19er 25 mensen 65 jaar of ouder. De grijze druk zal oplopentot 47% in 2050 (Van Duin & Garssen, 2010). Op maat­schappelijk niveau heeft dat belangrijke sociaal­ 17economische consequenties, bijvoorbeeld voor de drukop de arbeidsmarkt, de bemensing van de zorg en debetaalbaarheid van de pensioenen. 15De resterende levensverwachting bij 65 jaar ligtongeveer op Europees gemiddelde 13De levensverwachting voor een 65-jarige in Nederland ligt 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2009voor zowel mannen als vrouwen net iets boven het Nederlandse mannen EU-mannengemiddelde in de EU-27 (zie figuur 2.2). De resterende Nederlandse vrouwen EU-vrouwenlevensverwachting bij 65 jaar is de afgelopen decennia bijNederlandse vrouwen verslechterd ten opzichte vanandere EU-landen. Tekstblok 2.1: Gevolgen vergrijzing overdreven door manier van berekenen In de politiek en in het maatschappelijk debat wordt de ADDR, komt een getal uit de bus dat bijna vier vijfde de vergrijzing veelal als een last voor de samenleving lager is dan bij berekeningen met de OADR (0,12 in gezien. De zorg en de pensioenen dreigen door de plaats van 0,53 in de voorspelling voor 2045-2050). vergrijzing onbetaalbaar te worden. Ouderen zijn hiervan de dupe, maar vooral ook de oorzaak. De waarde van ouderen voor de maatschappij wordt steeds vaker erkend. Uit het World Alzheimer Report Onlangs verscheen in Science het artikel ’Remeasuring 2010 blijkt bijvoorbeeld dat mantelzorg onmisbaar is Aging’, waaruit een heel ander geluid klinkt (Sanderson om de dementiezorg betaalbaar te houden, zeker met & Scherbov, 2010). De auteurs menen dat de huidige het oog op een kostenstijging van 70% voor de voorspellingen van maatschappelijke kosten door de komende 20 jaar die het RIVM becijferde (Wimo & vergrijzing op misleidende informatie worden Prince, 2010). Een vijfde van de mantelzorgers in gebaseerd. Bij de huidige berekeningen wordt de Nederland is ouder dan 65 jaar (zie hoofstuk 3). Het Old-Age Dependency Ratio (OADR) gebruikt. Deze rapport beschrijft de wereldwijde economische impact maat impliceert dat mensen vanaf hun 65e afhankelijk van dementie. Voor het eerst is hierbij de financiële zijn van de werkende bevolking. Er wordt dus waarde van mantelzorg in de berekeningen meegeno- voorbijgegaan aan het feit dat veel mensen ook na hun men. Hieruit blijkt dat, als we mantelzorgers zouden 65e fit en gezond zijn en sterker nog: dat zij zich juist betalen voor zorg, de dementiezorg in rijke landen nog zeer verdienstelijk maken voor de maatschappij, 67% duurder zou zijn. Nederland bespaart hierdoor bijvoorbeeld in de vorm van mantelzorg. zo’n drie miljard euro per jaar op de dementiezorg. Alzheimer Nederland vindt dat de overheid de enorme De auteurs pleiten daarom voor een nieuwe maat, de waarde van mantelzorgers veel meer moet koesteren. Adult Disability Dependency Ratio (ADDR). Dit getal Uit onderzoek blijkt namelijk dat bijna zes op de tien drukt de verhouding uit tussen het aantal mensen dat mantelzorgers van dementerenden aanvullende hulp nodig heeft en het aantal mensen dat hulp kan ondersteuning wil. Van deze mantelzorgers is 18% geven. Deze maat houdt ook rekening met het feit dat dusdanig overbelast, dat het risico’s oplevert voor de ouderen in toenemende mate gezond kunnen zijn op gezondheid van zowel de mantelzorger als de patiënt latere leeftijd en met een langere levensduur. Als de (Zwaanswijk et al., 2009). gevolgen van het ouder worden gebaseerd worden op Gezond ouder worden in Nederland | 17
    • Figuur 2.3 Levensverwachting bij 65 jaar per gemeente, Figuur 2.4 Levensverwachting en gezonde levensverwachting2005-2008 (Bron: CBS, gegevens bewerkt door het RIVM; voor mannen en vrouwen van 65 jaar in 2008 (Bron: CBSwww.zorgatlas.nl). StatLine, 2010). jaren 25 20 15 10 Jaren (gemiddelde is 19,3) < 18,5 18,5 - 19,5 5 19,5 - 20,5 20,5 - 21,5 >= 21,5 0 GGD-regios mannen vrouwen totale levensverwachting (lv) lv in als goed ervaren gezondheidGeen grote regionale verschillen in resterende lv zonder lichamelijke beperkingenlevensverwachting op 65-jarige leeftijd lv zonder chronische ziekten lv in goede geestelijke gezondheidEr zijn in Nederland niet al te grote regionale verschillen inlevensverwachting op 65-jarige leeftijd. Gemeenten meteen boven- danwel ondergemiddelde levensverwachtingliggen redelijk verspreid over het land (zie figuur 2.3). Vier soorten gezonde levensverwachting De gezonde levensverwachting kan op verschillendeGemiddelde levensduur is niet zomaar te vertalen naar manieren worden geoperationaliseerd (Robine & Romieu,individuele personen 1998). Het CBS gebruikt vier maten:In dit rapport doen we uitspraken over de gemiddelde • De levensverwachting in goede ervaren gezondheid oplevensduur van bepaalde groepen ouderen. De spreiding een bepaalde leeftijd is het aantal jaren dat een persoonbinnen die groepen is echter groot: er zijn grote individuele van die leeftijd naar verwachting (nog) zal leven inverschillen. Vooraf is nooit precies te voorspellen wanneer goede ervaren gezondheid.iemand zal overlijden. Wanneer het bijvoorbeeld bij • De levensverwachting zonder chronische ziekten opkwetsbare ouderen op één terrein mis gaat, gaat het vaak een bepaalde leeftijd is het aantal jaren dat een persoonsnel verder bergafwaarts (Van Campen, 2011). Door achteraf van die leeftijd naar verwachting (nog) zal leven zondernaar de periode vlak vóór het sterven te kijken, kunnen de chronische ziekten.mensen in de omgeving vaak wel zien waar en hoe het • De levensverwachting zonder lichamelijke beperkingenmisging. Maar op het moment zelf is dat vaak niet goed te op een bepaalde leeftijd is het aantal jaren dat eenzeggen; ook niet op grond van gemiddelden uit onderzoek. persoon van die leeftijd naar verwachting (nog) zal leven zonder lichamelijke beperkingen (Bruggink et al., 2009). • De levensverwachting in goede geestelijke gezondheid2.4 Gezonde levensverwachting (LGGG) op een bepaalde leeftijd is het aantal jaren dat een persoon van die leeftijd naar verwachting (nog) zalGezonde levensverwachting geeft nauwkeuriger beeld leven in goede geestelijke gezondheid. Voor devan volksgezondheid berekening van de LGGG worden gegevens gebruikt uitDe levensverwachting is een goede algemene indicator van de MHI-5 (Mental Health Inventory-5), die de algemenede volksgezondheid van een land, maar geeft geen psychische gezondheidstoestand in een bevolking meet.informatie over de gezondheidstoestand waarin delevensjaren worden doorgebracht. Om in de huidige tijd van Ruim de helft van de jaren na 65e jaar in goede ervaren‘uitgestelde sterfte’ toch een goed beeld te geven van de gezondheidvolksgezondheid, is daarom de gezonde levensverwachting Vanaf hun 65e jaar leven mensen gemiddeld nog ruimals aanvullende maat ontwikkeld (Bruggink et al., 2009). 19 jaar (zie paragraaf 2.2). Daarvan brengen ouderen18 | Gezond ouder worden in Nederland
    • gemiddeld 11 jaar door in goede ervaren gezondheid, ontvangt huishoudelijke hulp in combinatie met12 jaar zonder lichamelijke beperkingen, 4 jaar zonder verpleging en/of verzorging. Een kwart van de ouderen diechronische ziekten en 17 jaar in goede geestelijke gezond- gebruik maakt van zorg zonder verblijf ontvangt alleenheid (zie figuur 2.4). verpleging en/of verzorging (zie ook hoofdstuk 6).2.5 Van zelfstandig tot hulpbehoevend Verschuiving van zorg met verblijf naar zorg zonder verblijfEen kleine groep ouderen woont niet zelfstandig Er is een duidelijke verschuiving van zorg met verblijf naarOp 1 januari 2008 woonden 113.000 personen van 65 jaar en zorg zonder verblijf bij ouderen (zie ook hoofdstuk 6).ouder in een verzorgings- of verpleeghuis (Verweij et al., Ondanks de vergrijzing is tussen 1995 en 2010 het aantal2009). Dit betreft bijna 5% van alle 65-plussers en bijna 15% ouderen dat in een verpleeg- of verzorgingshuis woontvan de 80-plussers. Vrouwen vormen de ruime meerderheid, gedaald. Het aantal ouderen dat zorg zonder verblijfvooral in de hoogste leeftijdscategorieën. Een klein aandeel ontvangt is in deze periode gestegen. Het wordt overigensvan de ouderen woonde in een andere instelling, zoals een steeds lastiger om een strikt onderscheid aan te brengenpsychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor verstandelijke tussen zorg zonder verblijf en zorg met verblijf, ondergehandicapten. In totaal woonde het overgrote deel van de andere door ontwikkelingen in woonzorgconcepten enouderen (bijna 95%) zelfstandig. In dit rapport gaat zoals technologie.gezegd de meeste aandacht uit naar deze groep.Het grootste deel van de ouderen is redelijk zelfstandig 2.6 Cijfers over ouderen in perspectiefEr zijn enkele ongemakken die bij grote groepen ouderenvoorkomen, zoals achteruitgaande ogen. Maar dat is vaak Dé oudere bestaat nietmet hulpmiddelen eenvoudig op te lossen. Zo dragen Zoals dé Nederlander niet bestaat, bestaat ook débijna alle ouderen een bril of contactlenzen (zie hoofdstuk Nederlandse oudere niet. Er zijn grote onderlinge6). Fysieke hulpmiddelen, zoals een stok of rollator, verschillen. Denk aan sportieve echtparen die de ene na dekunnen ook zo worden gezien. Ongeveer 80% van de andere reis maken, mensen die dag en nacht voor hunouderen slikt voorgeschreven medicijnen. In veel gevallen zieke partner zorgen en hulpbehoevende dementerendeniet voor een specifieke ziekte, maar vooral ter voor­ bewoners van een verpleeghuis. Dat betekent datkoming of vermindering van klachten als hoge bloeddruk algemeen geldende uitspraken over dé oudere nietof slapeloosheid. Het grootste deel van de ouderen is, mogelijk zijn. Die zult u in dit rapport dan ook vrijwel nieteventueel met medicijnen of hulpmiddelen, in staat voor aantreffen. In deze paragraaf bekijken we het diffusezichzelf te zorgen. Over die groep ouderen gaat dit rapport begrip ‘ouderen’ van verschillende kanten en plaatsen wevooral. de voorgaande cijfers in perspectief. We laten een genuanceerder beeld zien van deze groep, hoe dit beeld inTussen gezond en ziek: kwetsbare ouderen het verleden veranderde en hoe het in de toekomstMidden in die glijdende schaal tussen die twee uitersten – opnieuw zal veranderen.de zelfstandige gezonden en de zorgbehoevende zieken– is er een tussengroep. Er zijn verschillende benamingen Generatie ouderen verandertvoor, zoals ‘kwetsbare ouderen’ (Van Campen, 2011), of Ouderen vormen, net als jongeren of andere leeftijds­frail elderly. Het gaat dan om een groep die zelfredzaam is, groepen, een zich steeds vernieuwende doelgroep voormaar die wel een vergrote kans loopt om binnen beleid. En in die zich vernieuwende doelgroep zijnafzienbare tijd zorgafhankelijk te worden. Oorzaken zijn generatiewisselingen te zien. Dat geldt bijvoorbeeld voorvan verschillende aard: beginnende dementie, een zieke het aandeel mensen dat actief is binnen een kerk. Demantelzorger, een val van de trap, verhuizing van ontkerkelijking onder jongeren en jongvolwassenen in dekinderen, et cetera. Deze kwetsbare ouderen vormen, laatste decennia leidde tot vergrijzing van de kerkelijkenaast de gezonde ouderen, een belangrijke doelgroep in groeperingen. Op termijn zal de ontkerkelijking ook bijdit rapport. Een deel van hen ontvangt een vorm van ouderen veel zichtbaarder worden. Datzelfde geldt ookextramurale zorg, ook wel ‘zorg zonder verblijf’ genoemd. voor de genoten opleiding; nieuwe generaties ouderen zijn gemiddeld hoger opgeleid en in veel gevallen beterEen vijfde van de ouderen ontvangt zorg zonder verblijf bekend met de nieuwe (sociale) media.In 2007 ontving een half miljoen ouderen zorg zonderverblijf (CBS StatLine, 2010). Dit is circa 20% van alle Wij zijn zelf de ouderen van 2050ouderen. Bijna drie kwart van de ouderen met zorg zonder In dit rapport gaan we niet alleen in op de ouderen vanverblijf ontvangt huishoudelijke hulp. De helft hiervan 2011, maar ook op de ouderen in de toekomst, zeg 2020 ofontvangt alleen huishoudelijke hulp, de andere helft 2050. Bij het kijken in de toekomst treedt bij ons als Gezond ouder worden in Nederland | 19
    • schrijvers, en bij u als professionele lezer, een interessante niet zomaar te halen. Niet alleen ouders en grootoudersperspectiefwisseling op. Als we het hebben over de sterven, of zijn gestorven, maar nu zijn het ook steedsouderen van 2011, maken wij daar als schrijvers en vaker vrienden en leeftijdsgenoten die overlijden. Door deprofessionele lezers geen deel van uit. Het gaat over naderende dood is dit ook een levensfase van terugkijkenanderen, waarvan sommigen dichtbij, zoals ouders en en de balans opmaken. Het is een fase waarin mensen metgrootouders. Maar dat verschuift in de toekomst­ zingevingsvragen worstelen en op zoek gaan naarscenario’s. Hoe verder we de toekomst in kijken, hoe antwoorden (zie tekstblok 5.2). Ook gaan mensengroter de kans dat we het (ook) over ons zelf hebben. Van nadenken over wensen rondom hun eigen levenseinde. Ditde huidige beroepsbevolking van 2011 zal in 2050 vrijwel zijn de onderwerpen die er voor ouderen echt toe doen.iedereen deel uitmaken van de doelgroep van dit rapport,of zijn overleden. En dat geldt dus ook voor u en voor ons. Tot slot: de oudere als zorgverlenerDaarmee komen we ook op de vraag of de oudere van In dit rapport zullen we uitgebreid ingaan op ziekten,2050 nog dezelfde zal zijn als die van 2011. We verwachten beperkingen en zorggebruik van ouderen. Maar dat beeldvan niet. Net zoals degenen die op dit moment 65 worden, moet wel wat genuanceerd worden. Immers: met veel vanook wel aangeduid als de babyboomgeneratie, waar­ de mensen boven de 65 jaar gaat het gewoon goed. Eenschijnlijk anders ouder worden dan de ouderen die zijn groot deel van hen speelt een belangrijke maatschap­ elijke pgeboren vlak vóór de Tweede Wereldoorlog, of nog eerder. rol. Zo verleent een kwart van de ouderen informele zorg. Anders gezegd: er zijn onder ouderen minstens zo veelDe pensionering als start van een tweede jeugd? ouderen die informele zorg verlenen als ouderen dieDe stijgende levensverwachting heeft ook op individueel AWBZ- of Wmo-zorg ontvangen. En met de verdereniveau consequenties. Iemand die 65 werd in 1970, had vergrijzing zal het aantal en aandeel maatschappelijkgemiddeld nog 15 jaar voor de boeg. Inmiddels is dat actieve ouderen nog verder stijgen. Dat is misschien wel deopgelopen tot 19 jaar en dat stijgt nog verder tot 22 jaar in belangrijkste uitdaging voor beleid: die verborgen2050. Dat is een zeer lange periode. En omdat tot op heden maatschappelijke rol van ouderen zichtbaar maken enhet werkzame leven na het bereiken van de 65-jarige ouderen daarin praktisch ondersteunen.leeftijd voor de meesten voorbij is, en doorgaans ook deeventuele kinderen het huis uit zijn, is het een periode metminder verantwoordelijkheden en – mits de gezondheid dattoelaat – dus ook veel vrijheid. Voor veel mensen die dit jaar65 worden in een goede gezondheid, geldt niet dat ze hetrustig aan gaan doen. Integendeel: voor een deel van henbegint een soort tweede jeugd. Ze benutten de mogelijk­heden om (alsnog) te gaan reizen, te gaan studeren of eenhobby te ontwikkelen. Deze ouderen zijn te vergelijken metde jongere generatie van deze tijd; ze hebben geenverplichtingen en zijn financieel in staat om te consumeren(Vollebergh, 2008). Het is daarom ook commercieel eenzeer interessante doelgroep. Het gaat vooral over dezegroep als er in rapporten wordt geschreven overmaatschappelijk actief of succesvol ouder worden.Is een 65-jarige in 2050 nog een oudere?Zoals gezegd, zijn ouderen in dit rapport gedefinieerd alsmensen van 65 jaar en ouder. Dit is geen vaststaandedefinitie. Deze leeftijdsgrens is gekoppeld aan depensioengerechtigde leeftijd. Het is de vraag of dezedefinitie ook in 2050 nog gehanteerd wordt. De pensioen­gerechtigde leeftijd zal de komende jaren immers gaanstijgen. Als dit rapport in 2050 zou zijn geschreven,behoorden mensen waarschijnlijk pas tot de groepouderen als ze 70 worden.Een levenfase van terugblikken en betekenis gevenIn de levensfase na het 65e jaar komt de eindigheid vanhet leven ineens veel dichterbij, al is dat uit de kille cijfers20 | Gezond ouder worden in Nederland
    • 3Maatschap­pelijkeparticipatie enkwaliteit van levenNikkie Post variërend van deelname aan arbeid tot lidmaatschap van een kerk. In de literatuur wordt onderscheid gemaakt in verschillende vormen van participatie (Hoeymans, 2009;3.1 Inleiding Broese van Groenou & Deeg, 2006). Deze zijn grofweg in te delen in participatievormen die zich richten op zelf­In dit hoofdstuk staan maatschappelijke participatie en ontplooiing en vormen die expliciet gericht zijn op hetkwaliteit van leven van zelfstandig wonende ouderen leveren van een bijdrage aan de maatschappij. Bij vormencentraal. Zoals in de inleiding is geschetst, zijn dit van participatie gericht op zelfontplooiing kan gedachtbelangrijke doelen van het ouderenbeleid dat gericht is op worden aan het bezoeken van een theater of hethet bevorderen van gezond ouder worden. onderhouden van sociale contacten. Een voorbeeld vanParagraaf 3.2 gaat in op de deelname van ouderen in twee een participatievorm die gericht is op het leveren van eenvormen van maatschappelijke participatie: vrijwilligerswerk bijdrage aan de maatschappij, is het doen vanen het verlenen van hulp aan familie en bekenden. We vrijwilligerswerk.besteden aandacht aan de toekomstige ontwikkelingen opdeze terreinen en gaan in op factoren die bepalend zijn voor Onder maatschappelijke participatie wordt in dit rapportparticipatie. In paragraaf 3.3 beschrijven we hoe ouderen verstaan: het doen van vrijwilligerswerk en het verlenenhun kwaliteit van leven ervaren en wat hierop van invloed is. van hulp aan familie en bekenden. Betaald werk is hierbij uitgesloten. Voor zowel vrijwilligerswerk als zorg aan familie en3.2 Maatschappelijke participatie bekenden zijn verschillende definities in omloop. Deze gaan van breed naar smal en hebben grote invloed op deMaatschappelijke participatie is een containerbegrip. hoogte van deelnamepercentages. Voor vrijwilligerswerkHieronder kan een veelheid aan activiteiten vallen, hanteren we hier een smalle definitie, waarbij we Gezond ouder worden in Nederland | 21
    • hoofdzakelijk kijken naar vrijwilligerswerk in georganiseerd Figuur 3.1 Percentage ouderen dat maatschappelijk participeert per leeftijdsgroep in 2008 (Bron: CBS StatLine).verband. Voor hulp aan familie en bekenden brengen weeen tweedeling aan in: percentage• mantelzorg: hulp aan huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren die een hulpbehoefte 60 hebben als gevolg van ziekte of handicap. Het gaat hierbij om zorg die voortkomt uit onderlinge relaties 50 (Oudijk et al., 2010). Zorg in het kader van een beroep en vrijwilligerswerk zijn uitgesloten. Bij mantelzorg gaat het 40 vaak om huishoudelijke hulp, maar persoonlijke verzorging en psychosociale begeleiding vallen ook 30 onder de definitie. We leggen hier de nadruk op de groep mantelzorgers die lang en/of intensief hulp geven. Veel van het beleid gericht op mantelzorgondersteuning 20 richt zich op deze groep.• informele hulp: onbetaalde hulp aan familie en 10 bekenden buiten het eigen huishouden in de afgelopen vier weken voorafgaand aan het onderzoek in niet- 0 georganiseerd verband (Van Herten, 2008). Het gaat bij 18-24 25-34 35-44 45-54 55-64 65-74 75+ deze definitie dus niet alleen om hulp aan mensen met gezondheidsproblemen en de zorg voor deze groep. georganiseerd vrijwilligerswerk informele hulpZowel qua doelgroep als qua type hulp verschillenmantelzorg en informele zorg dus van elkaar. Er zit echter 65-74 jaar die relatief vaak mantelzorg verlenen (Oudijk etook overlap in de gehanteerde definities. Vandaar dat al., 2010). Dit doen zij twee keer zo vaak als de 75-plussers.cijfers over mantelzorg en informele hulp niet automatisch Oudere mantelzorgers verlenen vaak hulp aan hunbij elkaar opgeteld mogen worden. (chronisch) zieke partners of hun zeer oude ouders (De Boer et al., 2008). Dit type hulp is vaak langdurig van aard3.2.1 Omvang participatie en intensief, waardoor oudere mantelzorgers een verhoogde kans lopen op overbelasting.Een derde van de ouderen actief in vrijwilligerswerkIn 2008 was ongeveer een derde van de ouderen (bijna Vrouwen verlenen vaker mantelzorg aan familie en800.000 ouderen) actief in enige vorm van georganiseerd bekenden dan mannenvrijwilligerswerk (CBS StatLine, 2010). Binnen de groep Vrouwen verlenen vaker mantelzorg aan familie enouderen zijn het vooral de jongste ouderen die relatief veel bekenden buiten het huishouden dan mannen (Sadiraj etvrijwilligerswerk verrichten (zie figuur 3.1). Met 41% wijkt al., 2009). Dit verschil tussen mannen en vrouwen hangthet percentage ouderen dat vrijwilligerswerk verleent, samen met de omvang van het sociale netwerk. Vrouwennauwelijks af van de percentages in de leeftijdsgroepen hebben vaker wat grotere netwerken dan mannen,onder de 65 jaar. Na het 75e levensjaar neemt het waardoor de kans toeneemt dat er een hulpbehoevendepercentage vrijwilligers relatief sterk af. buiten het eigen huishouden in het netwerk aanwezig is. Mannen (van 60 jaar en ouder) besteden echter wel meerKwart van de ouderen verleent informele hulp tijd aan het verlenen van mantelzorg binnen het huis­Ruim een kwart van de ouderen (bijna 650.000 ouderen) houden, al is het verschil met vrouwen klein (De Boer & Deverleende in 2008 informele hulp aan vrienden, kennissen Klerk, 2006). Gemiddeld geven mannelijke mantel­ orgers zof buren (CBS StatLine, 2010). Het percentage ouderen dat bijna negen uur per week zorg tegenover zeven uur doorhulp verleent, ligt hiermee iets onder dat van de vrouwelijke mantelzorgers in dezelfde leeftijd. Mannen18-64-jarigen. Ook hier geven de jongste ouderen vaker van 55 jaar en ouder verrichten ook vaker vrijwilligerswerkinformele hulp dan de oudste ouderen. dan vrouwen in dezelfde leeftijd (Hoeymans et al., 2005; Broese van Groenou, 2007).Een vijfde van de volwassen mantelzorgers die lang ofintensief hulp geeft, is 65-plusser Hoogopgeleiden participeren vaker dan laagopgeleidenEen vijfde van de 2,6 miljoen volwassen mantelzorgers die in vrijwilligerswerkin 2008 meer dan drie maanden, dan wel meer dan acht Hoogopgeleide ouderen participeren vaker in enige vormuur per week hulp geeft, is 65 jaar of ouder. Binnen de van vrijwilligerswerk dan laagopgeleide ouderen (Penninxgroep ouderen zijn het vooral de ouderen in de leeftijd et al., 2008; Dekker et al., 2007). Eenzelfde patroon zien22 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Figuur 3.2 Percentage ouderen dat informele hulp geeft naar Figuur 3.3 Percentage mantelzorgers die langdurig en/ofleeftijd, 1997-2004 (Bron: CBS StatLine). intensief hulp geven verdeeld over leeftijdsgroepen in 2001 en 2008 (Bron: Oudijk et al., 2010). percentage percentage40 3535 3030 252520 2015 1510 10 5 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 0 18-34 35-44 45-54 55-64 65-74 75+ 65-74 75+ 2001 2008we ook terug bij volwassenen tot 65 jaar. Bij mantelzorg gaan spelen in de tijdsbesteding van deze groep (Dekker etzijn de resultaten minder eenduidig. Zo zijn er studies die al., 2007). Dit kan zijn weerslag hebben op de tijd dieerop wijzen dat hoogopgeleide mantelzorgers vaker zorg ouderen besteden aan vrijwilligerswerk. Daarom dient deverlenen, terwijl andere onderzoeken deze relatie niet verwachte stijging met enige voorzichtigheidaantonen (Sadiraj et al., 2009; De Boer et al., 2009; geïnterpreteerd te worden.Hoeymans et al., 2005). Ook burgerlijke staat speelt eenrol bij maatschappelijke participatie. Alleenstaande Licht stijgende trend in informele hulp door ouderenouderen (55-plus) zijn minder vaak actief in vrijwilligers- Het percentage ouderen dat in de periode 1997-2004werk dan degenen met een partner (Hoeymans et al., informele hulp verleende, neemt licht toe (niet in figuur).2005; Broese van Groenou, 2007). Het geven van mantel- Dit komt vooral doordat ouderen in de leeftijd van 65-74zorg is daarentegen niet afhankelijk van de burgerlijke jaar meer informele hulp zijn gaan verlenen. Het percen-staat (Hoeymans et al., 2005). tage 75-plussers dat hulp geeft aan bekenden buiten het huishouden, is vrij constant gebleven (zie figuur 3.2).3.2.2 Trends in participatie Aandeel oudere mantelzorgers neemt tussen 2001 enTrend in vrijwilligerswerk is niet eenduidig 2008 licht toeHet is onduidelijk of er de laatste jaren meer of minder Uit een onderzoek van het SCP blijkt dat ouderen tenouderen vrijwilligerswerk zijn gaan verrichten. Sommige opzichte van jongere leeftijdsgroepen tussen 2001 en 2008onderzoeken laten hoofdzakelijk een stijgende trend zien, vaker mantelzorg zijn gaan verlenen die intensief en/ofandere vooral een dalende trend (CBS StatLine, 2010; Van langdurig van aard is (zie figuur 3.3). Dit aandeel isCampen, 2008). De variatie is deels te verklaren door toegenomen van 13% in 2001 naar 20% in 2008. Vooral bijverschillende onderzoeksperioden, waardoor het complex 65-74-jarigen is het aandeel mantelzorgers dat intensieveis om studies met elkaar te vergelijken. en/of langdurige zorg verleent, vrij sterk gestegen.Percentage ouderen in vrijwilligerswerk stijgt naar Verschillende verklaringen voor leeftijdsverschillen inverwachting tot 2015 licht participatieHet Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verwacht op Bij zowel mantelzorg als informele zorg kan het verschil inbasis van demografische ontwikkelingen dat het participatie tussen de leeftijdsgroepen mogelijk verklaardpercentage 65-74-jarigen dat tot en met 2015 enige vorm worden door het feit dat ouders van de oudste ouderenvan vrijwilligerswerk verricht, licht zal stijgen. Hierbij meestal zijn overleden. Maar mogelijk ook doordat deplaatst het SCP de kanttekening dat betaalde arbeid en oudste ouderen vaker last hebben van ernstige beper­mantelzorg naar verwachting een steeds grotere rol zullen kingen die hen hinderen bij het verlenen van hulp. Al Gezond ouder worden in Nederland | 23
    • betekent dit niet dat mensen met beperkingen geen hulp Ziekten en beperkingen belangrijke obstakels voorkunnen geven. Zo is bekend dat een vijfde deel van de participatieoudere mantelzorgers gezondheidsproblemen ervaart Bepaalde ziekten doen de kans op participatie sterk(De Boer et al., 2009). afnemen, blijkt uit onderzoek onder 55-plussers. Van beroerte, kanker, hart- en vaatziekten en psychischeVerwachting toename mantelzorgers onder ouderen stoornissen is dit aangetoond. Deze laatste groep,Ouderen zullen in de toekomst een grotere rol gaan spelen waaronder depressie, angststoornissen en cognitievebij mantelzorg. Het percentage ouderen dat mantelzorg stoornissen vallen, hebben een relatief groot belem­verleent, neemt volgens schattingen van het SCP tot 2030 merend effect (Hoeymans et al., 2005).toe, terwijl dit bij de volwassenen onder de 65 jaar afneemt Niet zozeer ziekten, als wel de gevolgen van ziekten blijken(Sadiraj et al., 2009). De stijging hangt samen met de de voornaamste obstakels voor participatie. Het gaattoename van de omvang van het aantal ouderen in de daarbij vooral om lichamelijke beperkingen.totale bevolking. Ook is er een verschuiving in het type zorg Maar het hebben van een beperking wil niet automatischte zien. Ouderen gaan vaker huisgenoten helpen en minder zeggen dat men niet participeert. Het al dan niet deel­vaak familie en bekenden buiten het huishouden. Uit nemen lijkt samen te hangen met de aard en ernst van deeerder onderzoek van het SCP voor de periode 2005 tot beperking, de toegankelijkheid van de samenleving en hoe2020 blijkt dat binnen de groep ouderen vooral het aandeel men de ziekte of beperking ervaart (ziekteperceptie)mantelzorgers onder 75-plussers stijgt (De Boer, 2007). (Sadiraj et al., 2009; Cardol et al., 2008; De Klerk, 2007).Binnen de groep ouderen zijn het echter de 65-74-jarigen Voor het bevorderen van participatie zijn er dus meerderedie qua omvang de grootste groep mantelzorgers vormen. aangrijpingspunten, waaronder de preventie van ziektenIn 2020 wordt de omvang van deze groep geschat op en het verminderen van of leren omgaan met300.000 personen. Vergeleken met andere leeftijdsgroepen beperkingen. Daarnaast kan het bevorderen van deis dit één van de grootste groepen mantelzorgers in de toegankelijkheid van de samenleving een stimulans zijnbevolking. De grootste groep mantelzorgers is die van de voor participatie. Het ondersteunen van mensen met een45-54-jarigen. In 2020 zijn er naar schatting ruim 400.000 beperking is een belangrijk doel van de Wet maatschap­mantelzorgers in deze leeftijdsgroep. pelijke ondersteuning (Wmo) en komt in het hoofdstuk over zorg aan bod. De Wmo speelt ook een belangrijke rol3.2.3 Factoren die van invloed zijn op bij het ondersteunen van mantelzorgers. In hoofdstuk 4 participatie wordt ingegaan op veelvoorkomende ziekten en beperkingen bij ouderen.Participatie hangt af van behoefte en mogelijkhedenOf iemand deelneemt aan vrijwilligerswerk of mantelzorg, Tussen participatie en gezondheid bestaat eenhangt af van meerdere aspecten. Allereerst moet men in wederkerig verbandstaat zijn om deel te nemen. Dit ‘in staat zijn om te In deze paragraaf is primair gekeken naar de invloed vanparticiperen’ omvat zowel gezondheid als persoonlijke gezondheid op participatie. Hieruit blijkt dat meerderecapaciteiten (waaronder de manier waarop iemand factoren van invloed zijn op de keuze om deel te nemen. Eromgaat met stress) en omgevingsaspecten. Tevens is het zijn ook mensen met gezondheidsproblemen, bijvoorbeeldvan belang dat de verhouding tussen vrije tijd en mensen met lichamelijke beperkingen, die mantelzorgverplichtingen voldoende ruimte laat om tijd aan verlenen en vrijwilligerswerk doen (Van den Brink-Muinenvrijwilligerswerk of mantelzorg te kunnen besteden. et al., 2009). Een goede gezondheid is geen garantie opDaarnaast moet men een behoefte hebben om deel te participatie; het vergroot alleen de kans. Bovendien is ernemen. Religie wordt bijvoorbeeld gezien als een sprake van een wisselwerking. Participatie kan ook vanbelangrijke factor in dit kader, omdat het indicatief zou zijn invloed zijn op gezondheid en geluk (Ruijsbroek &voor de bereidheid om te participeren (Suanet et al., Droomers, 2008; De Boer et al., 2009).2009). Specifiek voor mantelzorg geldt dat de behoefteom mantelzorg te verlenen sterk samenhangt met de 3.3 Kwaliteit van levenaanwezigheid van een hulpbehoevende in het socialenetwerk (Sadiraj et al., 2009; De Boer et al., 2009). Een Kwaliteit van leven kan heel breed worden opgevat, zodatervaren participatieprobleem ontstaat als de wens om te vrijwel alles wat van invloed is op de levensstandaard en departiciperen afwijkt van de mogelijkheid die men hiertoe beleving daarvan onder de definitie valt (Bijl et al., 2009).heeft (Terwee et al., 2010). Juist voor ouderen, die vaak te Te denken valt bijvoorbeeld aan de beleving van geluk. Inmaken krijgen met gezondheidsproblemen, zijn de dit rapport hanteren wij een nauwere definitie die demogelijkheden om te participeren over het algemeen nadruk legt op de rol van gezondheid bij het functioneren.beperkter dan voor andere leeftijdsgroepen. Zij lopen dus Dit wordt ook wel gezondheidsgerelateerde kwaliteit vaneen groter risico op participatieproblemen. leven genoemd. Onder kwaliteit van leven verstaan we in24 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Figuur 3.4 Percentage personen met een goede lichamelijke Figuur 3.5 Percentage personen met een goede psychischekwaliteit van leven naar leeftijd in 2007 (Bron: POLS gezondheid kwaliteit van leven naar leeftijd in 2007 (Bron: POLS gezondheiden welzijn). en welzijn). percentage percentage100 100 80 80 60 60 40 40 20 20 0 0 15-24 25-34 35-44 45-54 55-64 65-74 75+ 15-24 25-34 35-44 45-54 55-64 65-74 75+dit rapport: ‘het functioneren van personen op fysiek, aangaven een goede lichamelijke kwaliteit van leven tepsychisch en sociaal gebied en de subjectieve evaluatie hebben (POLS gezondheid en welzijn, 2007; CBS StatLine,daarvan’ (Sprangers, 2009a). Naast het feitelijke en 2010). Dat is bijna de helft van de totale groep ouderen dieobjectief vast te stellen functioneren, gaat het ook om de zelfstandig woont. Met het stijgen van de leeftijd neemtervaring van het functioneren. het percentage mensen dat een goede lichamelijke kwaliteit van leven rapporteert af. Zo rapporteerde 54%Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven kan met van de 65-74-jarigen een goede kwaliteit van leven enverschillende vragenlijsten gemeten worden. De keuze minder dan 30% van de 75-plussers (zie figuur 3.4). Na hetvoor de vragenlijst is afhankelijk van het doel van het 75e levensjaar neemt het aantal mensen dat een goedeonderzoek. In dit rapport kiezen wij voor de Medical lichamelijke kwaliteit van leven ervaart substantieel af. TerOutcomes Study 12-Item Short Form Health Survey (SF-12), vergelijking: onder twintigers en dertigers ervaartomdat dit een veelgebruikt en gevalideerd instrument is ongeveer vier op de vijf mensen een goede lichamelijkedat een algemeen beeld geeft van een totale populatie kwaliteit van leven.(ziek en niet ziek). Dit instrument kent twee domeinen, teweten lichamelijke en psychische kwaliteit van leven. Bij Circa 90% van de ouderen ervaart een goede psychischelichamelijke kwaliteit van leven ligt de nadruk op fysiek kwaliteit van levenfunctioneren en pijn, terwijl bij psychische kwaliteit van Ongeveer 90% van de ouderen rapporteerde in 2007 eenleven de focus ligt op mentale gezondheid en welbevinden. goede psychische kwaliteit van leven. Binnen de groepVoor beide domeinen gelden afkappunten die aangeven ouderen zijn het vooral de 65-74-jarigen die relatief vaakbij welke score er gesproken kan worden van een minder een goede psychische kwaliteit van leven ervaren (zie figuurgoede kwaliteit van leven. Voor lichamelijke kwaliteit van 3.5). Al zijn de verschillen tussen deze leeftijdsgroep en deleven is dat een score van 50 of minder en bij psychische 75-plussers minimaal. Opvallend is dat ouderen ten opzichtekwaliteit van leven is dat een score van 42 of minder (Ware van jongere leeftijdsgroepen geen sterke achteruitganget al., 1995). Een score boven 42 betekent dat men laten zien in psychische kwaliteit van leven, in tegenstellingtevreden is over de kwaliteit van leven. In de rest van dit tot lichamelijke kwaliteit van leven. Het percentagestuk wordt dit goede kwaliteit van leven van genoemd. 75-plussers met een goede psychische kwaliteit van leven ligt op vrijwel hetzelfde niveau als dat van de mensen onder3.3.1 Stand van zaken kwaliteit van leven de 65 jaar. Mannen van 65 jaar en ouder ervaren op zowel psychisch als lichamelijk terrein vaker een betere kwaliteitRuim de helft van de ouderen ervaart een goede van leven dan vrouwen van dezelfde leeftijd (CBS StatLine,lichamelijke kwaliteit van leven 2010). De groep ouderen wijkt hiermee niet af van de geheleIn 2007 waren er in Nederland ruim 1 miljoen ouderen die bevolking (Sprangers et al., 2009b). Gezond ouder worden in Nederland | 25
    • Tabel 3.1 Overzicht van factoren die van invloed zijn op kwaliteit van leven (Bronnen: Vilans, 2010; Puts et al., 2007; Hoeymans et al.,2010; Sprangers et al., 2009c)a.Kenmerken van gezondheid en Persoonsgebonden Persoonsgebonden Kenmerken sociale Kenmerken vanzorg kenmerken stressoren relaties omgevingErvaren gezondheid Sociaaleconomische Verlies van partner Sociale steun Voorzieningen inLichamelijke en psychische status Verlies van baan Sociale netwerken woning en aandoeningen Persoonlijkheids- leefomgevingBeperkingen kenmerken Perceptie vanParticipatieproblemen als gevolg Vaardigheden leefomgeving van beperkingen AttitudenZorggebruik CopingLeefstijlMedicijn- en hulpmiddelengebruikErnst en aard van chronische ziektea Niet alle bronnen hebben specifiek betrekking op ouderen.Hoogopgeleiden ervaren vaker een goede lichamelijke aspecten. Maar het gaat bij kwaliteit van leven ook om dekwaliteit van leven subjectieve beleving van het functioneren en die kan bijOuderen met een hoge opleiding ervaren vaker een goede mensen met eenzelfde ziekte verschillen. Ingrijpendelichamelijke kwaliteit van leven dan leeftijdsgenoten met levensgebeurtenissen, maar bijvoorbeeld ook deeen lage opleiding. Van de ouderen met een hbo- of aanwezigheid van sociale steun, kunnen van invloed zijnuniversitair opleidingsniveau heeft 57% een goede lichame­ op de beleving. Tabel 3.1 geeft een overzicht van vijflijke kwaliteit van leven, terwijl dit voor mensen met alleen groepen factoren waarvan bekend is dat deze de kwaliteitbasisonderwijs ruim 34% is (Van Gool et al., 2009a). Dit van leven kunnen beïnvloeden. De factoren zijnpatroon is ook terug te zien bij volwassenen tussen de 25 en onderverdeeld in: kenmerken van gezondheid en zorg,65 jaar. Voor de psychische kwaliteit van leven bij ouderen persoonsgebonden kenmerken, persoonsgebondenzijn er geen (significante) verschillen naar opleidingsniveau. stressoren, kenmerken van sociale relaties en kenmerkenBij volwassenen van 25-64 jaar is er meer variatie te zien. van de omgeving. Daarnaast zijn er nog demografischeVolwassenen met alleen basis­onderwijs hebben vaker een kenmerken als leeftijd en geslacht die een rol kunnenminder goede psychische kwaliteit van leven dan volwas­ spelen. We stippen deze factoren hier slechts kort aan. Insenen die hbo- of universitair onderwijs hebben gevolgd. de rest van het rapport werken we een groot deel van deze factoren verder uit. In hoofdstuk 4 gaan we dieper in op de3.3.2 Trend in kwaliteit van leven impact van (ouderdoms)ziekten op de levensjaren die in gezondheid worden doorgebracht. In latere hoofdstukkenTrend goede kwaliteit van leven is stabiel in periode komen ook determinanten van gezondheid aan bod, zoals2001-2007 sociale steun en kenmerken van de fysieke omgeving.In de periode 2001-2007 is het percentage ouderen dateen goede kwaliteit van leven ervaart, vrijwel stabiel Kwaliteit van leven is moeilijk te voorspellengebleven. Dit geldt zowel voor de lichamelijke als voor de Over het relatieve belang van factoren die van invloed zijnpsychische kwaliteit van leven. Het percentage ouderen op de kwaliteit van leven van ouderen is nog vrij weinigdat een goede psychische kwaliteit van leven ervaart, ligt bekend. Wat voor de ene oudere geldt, hoeft voor andererond de 90%. Het percentage ouderen met een goede ouderen niet te gelden. Zoals we gezien hebben inlichamelijke kwaliteit van leven ligt lager en schommelt hoofdstuk 2, is de groep ouderen zeer gevarieerd. Er zijnlicht tussen de 40 en 45% (POLS gezondheid en welzijn, echter aanwijzingen dat voor sommige groepen ouderen2007). bepaalde factoren belangrijker zijn dan voor andere. Zo blijkt uit meerdere onderzoeken dat ouderen die kwetsbaar3.3.3 Factoren die van invloed zijn op de zijn, de grootste waarde hechten aan sociale contacten voor kwaliteit van leven hun kwaliteit van leven (Puts et al., 2007; Van Campen, 2011). Niet-kwetsbare ouderen noemen juist een goede gezond­Vijf groepen factoren van invloed op kwaliteit van leven heid als belangrijkste determinant voor kwaliteit van leven.De aanwezigheid van ziekten en beperkingen speelt eenbelangrijke rol bij kwaliteit van leven. Wanneer men temaken krijgt met gezondheidsproblemen, neemt de kansop een verminderde kwaliteit van leven toe. De aard enernst van een ziekte of beperking zijn daarbij belangrijke26 | Gezond ouder worden in Nederland
    • 4Beperkingen enziektenMartin Gommer en Eveline van der Wilk stige ontwikkelingen op het gebied van ziekten en aandoeningen. De epidemiologische cijfers die ten grondslag liggen aan de informatie in deze paragraaf, staan4.1 Inleiding in bijlage 3. In paragraaf 4.4 gaan we kort in op de oorzaken van ziekten en beperkingen. Deze worden verder uitge-Naarmate men ouder wordt, neemt zowel de kans op het werkt in hoofdstuk 5: determinanten van gezondheid.hebben van een chronische ziekte als de kans op het krijgenvan een – in beginsel – niet-chronische ziekte, zoalsbepaalde infectieziekten, toe. Ziekte gaat vaak gepaard met 4.2 Beperkingenhet hebben van één of meer beperkingen. In dit hoofdstukbeschrijven we de gezondheid van ouderen aan de hand Onderscheid lichamelijke en cognitieve beperkingenvan beperkingen en ziekten. Ondanks de verhoogde kans Beperkingen kunnen zowel lichamelijk als cognitief vanop ziekte voelt een groot deel van de zelfstandig wonende aard zijn. Lichamelijke beperkingen zijn beperkingen inNederlandse ouderen zich gezond. Van de 65-74-jarigen horen, zien, mobiliteit en zogenaamde Activiteiten van hetvoelt 70% van de mannen en 63% van de vrouwen zich Dagelijkse Leven (ADL): traplopen, gaan zitten en opstaangezond of zeer gezond. Bij de 75-plussers is dat 63% van de uit een stoel, in en uit het bed komen. Cognitieve beper-mannen en 50% van de vrouwen (Deeg, 2009). kingen zijn beperkingen in waarneming (perceptie), taal, geheugen en/of denken.In paragraaf 4.2 geven we een overzicht van het aandeelouderen dat een lichamelijke beperking ervaart of een 4.2.1 Lichamelijke beperkingencognitieve beperking heeft. Vervolgens presenteren we inparagraaf 4.3 de ziekten en aandoeningen die het meest Een derde van de ouderen heeft één of meervoorkomen onder ouderen. Ook wordt een verband gelegd lichamelijke beperkingentussen beperkingen en ziekten, en tussen ziekten en het In 2008 gaf 34% van de ouderen aan (met of zonderverlies van jaren in gezondheid dat aan afzonderlijke gebruik van hulpmiddel) één of meer beperkingen inziekten is toe te schrijven. Verder geven we een overzicht horen, zien, mobiliteit of ADL te ervaren. Dit gold voorvan de ziekten die bij ouderen het grootste verlies van 26% van de mannen en 46% van de vrouwen. Metlevensjaren in gezondheid veroorzaken. We sluiten af met uitzondering van beperkingen in horen geldt dat eende belangrijkste doodsoorzaken bij ouderen en toekom- groter percentage vrouwen dan mannen een lichamelijke Gezond ouder worden in Nederland | 27
    • Figuur 4.1 Prevalentie van lichamelijke beperkingen onder Figuur 4.2 Prevalentie van lichamelijke beperkingen onderouderen, naar geslacht in 2008 (Bron: POLS gezondheid en ouderen, naar leeftijd in 2008 (Bron: POLS gezondheid enwelzijn). welzijn). prevalentie prevalentie45 1004035 8030 602520 401510 20 5 0 0 man vrouw 65-74 75-84 85+ horen zien horen zien mobiliteit ADL mobiliteit ADL ten minste één van de vier ten minste één van de vierbeperking ervaarde (zie figuur 4.1). Het grootste verschiltussen mannen en vrouwen deed zich voor bij beperkingen Tekstblok 4.1: Mini-Mental State Examinationin mobiliteit. Van de mannen ervaarde bijna 14% (Folstein et al., 1975)beperkingen in mobiliteit en van de vrouwen ruim 32%. De Mini-Mental State Examination (MMSE) is eenHet aandeel ouderen met een beperking neemt toe screeningsinstrument waarmee een globale indruk vannaarmate men ouder wordt (zie figuur 4.2). Van de het cognitief functioneren van ouderen kan worden80-plussers zijn er meer ouderen met één of meer verkregen aan de hand van een aantal vragen. Debeperkingen dan zonder beperkingen (Van Gool et al., MMSE bevat twintig items en de te behalen scores2009b). variëren van nul tot dertig punten, waarbij een hogere score staat voor een beter cognitief functioneren. DeHet aandeel ouderen met een beperking verschilt ook per vragen zijn gegroepeerd in zeven categorieën, waarvanopleidingsniveau. Voor vrijwel elke lichamelijke beperking elke categorie een verschillend domein van cognitiefgeldt dat het percentage ouderen met een beperking functioneren representeert: oriëntatie in de tijd (vijfafneemt naarmate het opleidingsniveau stijgt (zie figuur punten), ruimtelijke oriëntatie (vijf punten), het4.3). Beperkingen in horen vormen hierop een uitzondering. registreren van drie woorden (drie punten), concen­ tratie en rekenen (vijf punten), het herinneren van drieGeen relatieve stijging lichamelijke beperkingen, wel woorden (drie punten), taal (acht punten) en visueelabsolute stijging inzicht (een punt) (Tombaugh & McIntyre, 1992).Voor de meeste lichamelijke beperkingen geldt dat hetaandeel ouderen met een lichamelijke beperking gelijk isgebleven in de periode 1990-2007. In combinatie met eentoenemende levensverwachting leidt een dergelijke functioneren vast te stellen, is de Mini-Mental Statestabiele prevalentie wel tot een toename in het absolute Examination (MMSE, zie tekstblok 4.1 voor een toelichting).aantal ouderen met een beperking (Van Gool et al., 2011) Op basis van de MMSE-score had 4,5% van de ouderen in4.2.2 Cognitieve beperkingen 2008/2009 een cognitieve beperking (zie tabel 4.1). Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen. Het percentageBijna één op de twintig ouderen is cognitief beperkt ouderen met een cognitieve beperking verschilt welEen methode die veel gebruikt wordt om cognitief significant tussen leeftijdsgroepen en opleidingsniveaus.28 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Figuur 4.3 Prevalentie van lichamelijke beperkingen onder ouderen, naar opleiding in 2008 (POLS gezondheid en welzijn).prevalentie5040302010 0 lo lbo/mavo/vmbo mbo/havo/vwo hbo/wo horen zien mobiliteit ADL ten minste één van de vierTabel 4.1 Percentage ouderen met en zonder cognitieve beperkinga in 2008/2009 (Bron: LASA). Percentage mensen zonder Percentage mensen met een p cognitieve beperking cognitieve beperkingLeeftijd < 0,00165-74 97,8 2,275-84 94,1 5,985+ 86,6 13,4Geslacht 0,89vrouw 95,4 4,6man 95,6 4,4Opleidingsniveau 0,001laag 91,5 8,5midden 96,6 3,4hoog 98,1 1,9a MMSE-scores zijn aangepast aan opleiding binnen 5-jaarsleeftijdsgroepen; cognitieve beperkingen zijn gedefinieerd als een MMSE-score van meer dan 1,5 standaarddeviatie onder het gemiddelde; n=1.126.Van de 65-74-jarigen heeft 2% een cognitieve beperking, waarin het cognitief functioneren verslechtert, hangtvan de 85-plussers is dat 13%. Van de ouderen met een samen met leeftijd en opleidingsniveau.laag opleidingsniveau heeft 8,5% een cognitieve Van de 65-74-jarigen heeft 3% een meer dan gemiddeldebeperking, terwijl 2% van de hoogopgeleide ouderen achteruitgang in cognitief functioneren. Voor 85-plusserscognitief beperkt is. Hierbij is de MMSE-score gecorrigeerd is dat 14%. Het verschil tussen mannen vrouwen is nietvoor leeftijd en opleidingsniveau (Kempen et al., 1995). significant. Het percentage mensen met een meer dan gemiddelde cognitieve achteruitgang is hoger onderVerslechtering cognitief functioneren hangt samen met mensen met een laag opleidingsniveau dan onder mensenleeftijd en opleiding met een hoog opleidingsniveau.Om vast te stellen in hoeverre het cognitief functionerenachteruitgaat bij ouderen, zijn gegevens over cognitief 4.3 Ziekten en aandoeningenfunctioneren uit 2005/2006 vergeleken met gegevens uit2008/2009 (zie tabel 4.2). Hierna gaan we in op de ziekten en aandoeningen die hetBij ongeveer 6% van de ouderen gaat het cognitief meest voorkomen bij ouderen en geven we een overzichtfunctioneren meer dan gemiddeld achteruit. De mate van de ziekten en aandoeningen die het grootste verlies Gezond ouder worden in Nederland | 29
    • Tabel 4.2 Percentage ouderen met en zonder bovengemiddelde cognitieve achteruitganga tussen 2005/2006 en 2008/2009 (Bron: LASA). Geen of normale Bovengemiddelde p achteruitgang achteruitgangLeeftijd < 0,00165-74 96,9 3,175-84 92,1 7,985+ 86,2 13,8Geslacht 0,72vrouw 93,6 6,4man 94,2 5,8Opleidingsniveau 0,05laag 91,3 8,7midden 94,4 5,6hoog 96,0 4,0a Cognitieve achteruitgang is gebaseerd op de verschilscores op de MMSE. Bovengemiddelde cognitieve achteruitgang is gedefinieerd als een verschilscore van meer dan 1,5 standaarddeviatie van de gemiddelde achteruitgang; n=1.243.van jaren in gezondheid met zich meebrengen. Hierbij is ouderen met twee of meer aandoeningen geschat opuitgegaan van de groep van ziekten die voor het rapport ongeveer 60% (Schram et al., 2008). Hypertensie enVolksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) 2010 zijn hypercholesterolemie komen veel voor, vooral ondergeselecteerd (Hoeymans et al., 2010). ouderen, en worden in dit rapport vooral beschouwd als determinant (zie hoofdstuk 5).4.3.1 Chronisch zieken 4.3.2 Chronische ziekten en aandoeningenOngeveer de helft van de ouderen is chronisch ziekChronische ziekten komen op alle leeftijden voor, maar Gezichtsstoornissen komen het meest voor bij ouderenvooral onder ouderen zijn relatief veel chronisch zieken. Op basis van huisartsenregistraties zijn schattingenVan alle ouderen heeft ongeveer de helft een chronische gemaakt van het aantal mensen met een bepaaldeziekte (Hoeymans et al., 2008). Oudere vrouwen hebben chronische ziekte of aandoening (zie bijlage 3). Hieruitgemiddeld vaker een chronische aandoening dan oudere bleek dat gezichtsstoornissen het meest voorkomen bijmannen. ouderen. In 2007 hadden ongeveer 450.000 ouderen een gezichtsstoornis; in ruim drie kwart van de gevallen betrofEén op de vijf ouderen heeft meer dan één chronische dit staar. Het zijn vooral vrouwen die lijden aan gezichts-ziekte stoornissen (63%). Dit is in overeenstemming met deTot de leeftijd van ongeveer 55 jaar heeft minder dan 5% eerdere constatering dat meer vrouwen dan mannenvan de mensen meerdere chronische ziekten tegelijkertijd beperkingen ervaren in het zien.(multimorbiditeit), maar onder 65-plussers komt Andere veel voorkomende ziekten bij ouderen zijn coronairemultimorbiditeit veelvuldig voor. Van 65-74-jarigen heeft hartziekten, artrose, diabetes mellitus en slechthorendheid.één op de vijf meer dan één chronische ziekte, onder de Ruim de helft (57%) van alle ouderen met een coronaire75-plussers is dat één op de drie. Er zijn meer vrouwen met hartziekte is man. Artrose en diabetes komen daarentegenmultimorbiditeit dan mannen. Daarnaast is een lage meer voor bij vrouwen. Respectie­velijk 71 en 58% van allesociaaleconomische status geassocieerd met een hogere ouderen met deze ziekten is vrouw. Slechthorendheid komtprevalentie van multimorbiditeit (Uijen & Van de Lisdonk, ongeveer even vaak voor bij mannen en vrouwen. Dit is in2008). Chronische ziekten die het vaakst voorkomen onder overeenstemming met de eerdere constatering dat erouderen, komen ook het vaakst terug in combinatie met nagenoeg geen verschillen tussen mannen en vrouwen zijnandere chronische ziekten (Marengoni et al., 2008; Van ten aanzien van beperkingen in horen.den Akker et al., 1998; Gezondheidsraad, 2008). Artrose en gewrichtsontstekingen belangrijksteSchattingen hangen af van selectie chronische ziekten oorzaken lichamelijke beperkingenHet geschatte aantal chronisch zieken en het geschatte Van de chronische ziekten zijn artrose en gewrichts­aantal mensen met multimorbiditeit hangt vanzelf­ ontsteking veruit de belangrijkste oorzaken voor ADL-sprekend af van de selectie van chronische ziekten die in de beperkingen, gevolgd door rugaandoeningen. Ook hetschatting worden meegenomen. Op basis van onderzoek grootste deel van beperkingen in mobiliteit is toe tewaarin ook hypertensie en hypercholesterolemie als schrijven aan rugaandoeningen, artrose en gewrichts­chronische ziekte zijn meegenomen, is het percentage ontsteking (Van Gool et al., 2009c). Evenals beperkingen in30 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Figuur 4.4 Trend in prevalentiea van diabetes mellitus onder onder mannen (ongeveer 22.000). Voor een deel is dit ouderen, 1985-2007 (Bron: CMR-Nijmegen e.o.). verschil toe te schrijven aan het feit dat dementie vooral index (1985 = 100) op hoge leeftijd voorkomt en vrouwen gemiddeld ouder worden dan mannen. 300 Angststoornissen komen veel voor bij ouderen 250 In huisartsenregistraties is sprake van een forse onder­ rapportage van het aantal ouderen met een angststoornis. 200 Reden is dat het grootste deel van de ouderen met angststoornissen niet door de huisarts wordt gezien of als zodanig wordt herkend en geregistreerd. Uit bevolkings­ 150 onderzoek (LASA) blijkt echter dat van alle psychische stoornissen angststoornissen het meest voorkomen onder 100 ouderen. Schattingen op basis van dit bevolkings­ nderzoek o komen uit op ruim 250.000 ouderen met een angst­ toornis s 50 in 2007. Het aantal vrouwen met een angststoornis is ongeveer twee keer zo groot als het aantal mannen met een 0 angststoornis. Vanwege de onderrapportage door huis­ 1985 1990 1995 2000 2005 artsen is voor het berekenen van verlies van gezondheid als gevolg van angst­ toornissen (zie paragraaf 4.3.5) niet s mannen vrouwen uitgegaan van gegevens afkomstig van huisartsen, maara Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en van gegevens afkomstig van bevolkingsonderzoek. geïndexeerd (de gestandaardiseerde prevalentie in 1985 is gesteld op 100). Percentage ouderen met dementie sterk toegenomen In de periode 1985-2007 is het aandeel ouderen met dementie sterk toegenomen (zie figuur 4.5). De stijging wasmobiliteit komen artrose en nek- en rugklachten veel het grootst onder vrouwen. In figuur 4.5 zijn de trendsvaker voor bij vrouwen dan bij mannen (zie paragraaf gecorrigeerd voor de effecten van de vergrijzing, waardoor4.3.4.). Hetzelfde geldt voor osteoporose en heupfracturen de stijging niet is toe te schrijven aan het toegenomen aantaldie eveneens de mobiliteit beperken. ouderen. De belangrijkste verklaring voor de stijging is dat de ziekte steeds beter herkend wordt. TNO verwacht dat er opPercentage ouderen met diabetes sterk toegenomen dit moment niet veel ruimte bestaat voor verdere verbete-Vanaf het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw ring van de herkenning van dementie (Perenboom, 2009).is het aantal ouderen met diabetes sterk toegenomen (ziefiguur 4.4). De stijging was het grootst onder mannen. In 4.3.4 Acute aandoeningenfiguur 4.4 zijn de trends gecorrigeerd voor de effecten vande vergrijzing, waardoor de stijging niet is toe te schrijven Naast de hiervoor genoemde ziekten met een chronischaan het toegenomen aantal ouderen. Andere verklaringen karakter, zijn er ziekten van meer acute, tijdelijke ofvan de trends staan beschreven in paragraaf 4.3.7. episodische aard (zoals letsels en infecties) die veel voorkomen bij ouderen.4.3.3 Psychische stoornissen Jaarlijks ongeveer 224.000 nieuwe gevallen van nek- enCognitieve en stemmingsstoornissen zijn veel rugklachtenvoorkomende psychische stoornissen Per jaar doen zich bij ouderen veel nieuwe gevallen vanOp basis van huisartsenregistraties blijken cognitieve nek- en rugklachten voor. Geschat op basis vanstoornissen (dementie) en stemmingsstoornissen huisartsenregistraties waren dit er ongeveer 224.000 in(depressie) de meest voorkomende psychische stoornissen 2007. Ook het aantal letsels als gevolg van privé-onder ouderen. Dementie is veruit de belangrijkste ongevallen is groot. In de periode 1997-2007 waren eroorzaak van cognitieve beperkingen. Het aantal ouderen gemiddeld ongeveer 130.000 letselgevallen per jaar. Ditmet dementie neemt sterk toe met de leeftijd. Onder aantal is geschat op basis van behandelingen op65-74-jarigen waren er in 2007 naar schatting 10.000 spoedeisende hulpafdelingen, ziekenhuisopnamen enmensen met dementie (8,1 per 1.000; inclusief bewoners huisartsenregistraties (zie bijlage 3). Voor zowel nek- enverpleeghuizen). Onder 75-plussers waren dat er 66.000 rugklachten als letsels door privé-ongevallen geldt dat het(61,0 per 1.000). Het absolute aantal ouderen met absoluut èn relatief (aantal gevallen per 1.000 personen)dementie is groter onder vrouwen (ongeveer 55.000) dan meer vrouwen dan mannen betreft. Gezond ouder worden in Nederland | 31
    • Figuur 4.5 Trend in prevalentiea van dementie onder ouderen, Infecties aan de bovenste en onderste luchtwegen komen 1985-2007 (Bron: CMR-Nijmegen e.o.). ook veel voor bij ouderen. Ook voor deze infecties geldt index (1985 = 100) dat zij vaker voorkomen bij vrouwen dan bij mannen. Infecties van de onderste luchtwegen, in het bijzonder 400 longontsteking, komen niet alleen véél voor bij ouderen, maar ze komen ook ten opzichte van jongere leeftijds­ 350 groepen váker voor bij ouderen. Het aantal nieuwe 300 gevallen neemt sterk toe vanaf 65-jarige leeftijd. Infecties van de bovenste luchtwegen komen veel voor bij ouderen, 250 maar niet vaker dan in jongere leeftijdsgroepen. Bovenste luchtweginfecties treffen vooral kinderen in de leeftijd van 200 0-4 jaar. 150 Ouderen hebben verhoogde kans op infecties, met vaak 100 grote gevolgen Ouderen hebben een verhoogde kans op infectieziekten. 50 Ook zijn de gevolgen voor de gezondheid vaak groter voor 0 ouderen dan voor jongeren. Zo is de kans op overlijden 1985 1990 1995 2000 2005 voor de meeste infecties ten minste drie keer groter voor ouderen dan voor jongeren (Bijkerk et al., 2010). Belang- mannen vrouwen rijke oorzaken zijn: Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 ena • Een natuurlijke veroudering van het immuunsysteem en geïndexeerd (de gestandaardiseerde prevalentie in 1985 is anatomische en fysiologische veranderingen van het gesteld op 100). lichaam bij het ouder worden. • Doordat multimorbiditeit bij ouderen relatief vaak voorkomt, is de afweer verminderd.Vallen is meest voorkomende privé-ongeval • Infecties verlopen bij ouderen vaak atypisch. Vaak treedtVoor mensen van alle leeftijden is vallen een belangrijke er geen koorts op en gaat een infectie gepaard metoorzaak van letsel als gevolg van een privé-ongeval. Ruim verwardheid. Multimorbiditeit bemoeilijkt vaak dede helft van alle letsels door privé-ongevallen die op de diagnostiek. Hierdoor wordt de diagnose vaker pas inspoedeisende hulpafdeling behandeld worden, is het een later stadium van de infectie gesteld.gevolg van vallen. Het aantal valongevallen neemt toe met • Doordat ouderen vaak veel verschillende medicijnende leeftijd. gebruiken en, al dan niet als gevolg daarvan, vaak eenFracturen zijn de meest voorkomende letsels waarmee verminderde nierfunctie hebben, is de keuze inouderen na een valongeval worden opgenomen in een medicatie beperkt.ziekenhuis. Bij 55-plussers ontstaat na een val vaak eenheupfractuur (Lanting & Hoeymans, 2008). 4.3.5 Verlies van gezondheidVan de dodelijke slachtoffers van privé-ongevallen in degehele bevolking overlijdt 80% als gevolg van een val. Dit Hart- en vaatziekten zorgen bij ouderen voor grootsteaandeel neemt toe met de leeftijd. Bij 75-plussers is meer verlies van jaren in gezondheiddan 90% van de dodelijke slachtoffers na een privé- Naast het vóórkomen (prevalentie en incidentie) van eenongeval overleden als gevolg van een val. ziekte kunnen we ook kijken naar de gevolgen van de ziekte voor het verlies van gezondheid. De ene ziekte isInfecties van urinewegen en luchtwegen treffen veel veel ernstiger of leidt tot veel meer verlies van gezondheidouderen dan de andere ziekte. Een maat die hier rekening meeOp basis van huisartsenregistraties blijken acute urineweg­ houdt, is het aantal ‘ziektejaarequivalenten’. Het aantalinfecties de meest voorkomende infecties (ongeveer ziektejaarequivalenten komt overeen met het aantal jaren380.000 gevallen per jaar). Hierbij gaat het in bijna alle dat in de bevolking wordt doorgebracht met ziekte,gevallen (97%) om blaasontstekingen, waarvan de meeste gewogen naar de ernst van de ziekte. Op deze manier(79%) bij vrouwen. Blaasontstekingen en nierinfecties stellen we op bevolkingsniveau vast hoeveel jaren inkomen in de volwassen bevolking weliswaar relatief vaak gezondheid verloren gaan aan een ziekte. Hart- envoor bij ouderen, maar ze worden ook in enkele jongere vaatziekten leiden bij ouderen tot het grootste verlies vanleeftijdsgroepen relatief vaak gezien. Zo komt blaas­ jaren in gezondheid (zie tabel 4.3).ontsteking veel voor bij meisjes van 0-4 jaar en vrouwenvan 15-29 jaar.32 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Tekstblok 4.2: 100-plussers: bijzonder, maar steeds gewoner Begin 2010 telde Nederland 1.743 inwoners van 100 ouderdomsziekten en ‘langzamer’ oud worden. Een jaar of ouder (Garssen & Harmsen, 2010). Dat waren er complexe combinatie van factoren is hiervan de 115 meer dan een jaar eerder. Voor het eerst in lange oorzaak. Wetenschappers van het UMC Groningen tijd groeide het aantal mannelijke 100-plussers, al is hebben recentelijk een gen ontdekt dat betrokken is nog steeds slechts één op de zeven 100-plussers man. bij biologische veroudering in mensen (Codd et al., De oudste vrouw van Nederland is geboren in 1901, de 2010). Genetische variatie zou dus deels kunnen oudste man in 1902. Vanaf 2046, als de eerste verklaren waarom mensen in sommige families babyboomers 100 jaar worden, zal er een versnelde allemaal veel ouder worden dan in andere families. toename optreden van het aantal 100-plussers. Maar naast genen spelen omgeving, leefstijl en geluk allemaal een rol bij het bereiken van de meer dan Enkele decennia geleden behoorde Nederland binnen respectabele leeftijd van 100 jaar. Europa tot de koplopers wat betreft het aandeel 100-plussers in de bevolking, maar de rangorde is Figuur 4.6 Trend in aantal 100-plussers naar geslacht, 1960-2010 (Garssen & Harmsen, 2010). veranderd. Vooral in enkele Zuid-Europese landen (Italië en Griekenland) en in Zweden is zowel de aantal levensverwachting als het aantal 100-plussers sterker toegenomen dan in ons land (Garssen & Harmsen, 2.000 2009). Meer dan de helft van alle baby’s die vandaag 1.750 de dag in rijke landen geboren worden, zal minstens 100 jaar oud worden, mits de huidige stijging van de 1.500 levensverwachting doorgaat. 1.250 Een enigszins pessimistische, maar voor de hand 1.000 liggende gedachte is: hoe ouder hoe zieker. Maar is dat ook zo? Als het waar zou zijn, zouden de meeste, zo 750 niet alle 100-jarigen serieuze beperkingen hebben. Uit 500 studies blijkt echter dat 90% van de 100-jarigen functioneel onafhankelijk was op het moment dat zij 250 92 jaar waren (Perls, 2006). Daar gaat dus een veel 0 positievere boodschap vanuit: hoe ouder een individu 1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2010 wordt, hoe gezonder hij of zij was. Het lijkt erop dat 100-plussers relatief ongevoelig zijn voor allerlei mannen vrouwenVerlies van jaren in gezondheid door kanker treft vooral dementie (zie tekstblok 4.3), longkanker, COPD enouderen longontsteking (CBS Doodsoorzakenstatistiek, 2007).Hoewel de afzonderlijke vormen van kanker niet voor­komen in de top tien van ziekten met grootste verlies van Relatief veel verkeersongevallen bij oudere mannenjaren in gezondheid bij ouderen, geldt voor de meeste Oudere mannen (75+) zijn relatief vaak slachtoffer van eenkankersoorten dat meer van de helft van het verlies in de dodelijk verkeersongeval, naast mannen van 15-24 jaar. Degehele bevolking de bevolking van 65 jaar en ouder treft. meeste dodelijke verkeersslachtoffers onder 75-plussersDit is ook het geval voor de ziekte van Parkinson. zijn fietsers (Lanting & Hoeymans, 2008). Het aandeel ouderen in het verkeer zal in de toekomst toenemen.4.3.6 Sterfte en doodsoorzaken Dit komt doordat het aantal ouderen in het algemeen toeneemt, maar ook doordat de huidige en toekomstigeCoronaire hartziekten meest voorkomende generaties ouderen vergeleken met vorige generatiesdoodsoorzaak ouderen steeds vaker een rijbewijs hebben. Met dezeCoronaire hartziekten vormen de meest voorkomende toename van ouderen in het verkeer zal het aantal ouderedoodsoorzaak onder ouderen (èn in de gehele bevolking). verkeersgewonden en -doden ook toenemen (SWOV,Andere belangrijke doodsoorzaken onder ouderen zijn 2010a). Gezond ouder worden in Nederland | 33
    • Tabel 4.3 Top tien van ziekten die zorgen voor het grootste verlies van gezonde jaren (ziektejaarequivalenten) bij ouderen.Rangorde Mannen Vrouwen Totaal1 coronaire hartziekten artrose coronaire hartziekten2 beroerte coronaire hartziekten beroerte3 diabetes mellitus beroerte artrose4 COPD diabetes mellitus diabetes mellitus5 artrose gezichtsstoornissen gezichtsstoornissen6 gezichtsstoornissen dementie dementie7 lawaai- en ouderdomsslechthorendheid angststoornissen COPD8 dementie COPD angststoornissen9 angststoornissen depressie lawaai- en ouderdomsslechthorendheid10 prostaatkanker reumatoïde artritis reumatoïde artritisSterfte door coronaire hartziekten en beroerte gunstig Naast ontwikkelingen in de demografie zijn echter ookvergeleken met rest van Europa ontwikkelingen in determinanten van de ziekten inIn tabel 4.3 zagen we dat coronaire hartziekten en beroerte verleden, heden en toekomst van invloed op dein Nederland in de top drie van aandoeningen staan die toekomstige trend.zorgen voor het grootste verlies van gezonde jaren bijouderen. Coronaire hartziekten zijn daarbij ook nog eens Verwacht aantal diabetespatiënten in 2025 varieert vande belangrijkste doodsoorzaak voor ouderen in Nederland. 800.000 tot 1,3 miljoenDe sterfte door coronaire hartziekten en beroerte in Op basis van alleen demografische ontwikkelingen (groeiNederland is echter zeer gunstig in vergelijking met andere en vergrijzing van de Nederlandse bevolking) zullen er inEuropese landen. Ook ten aanzien van dodelijke verkeers- 2025 in de gehele Nederlandse bevolking naar verwachtingongevallen bij ouderen springt Nederland er gunstig uit. 803.000 mensen met diabetes mellitus zijn. Als er, naastDaarentegen is de sterfte aan kanker onder ouderen in de demografie, rekening gehouden wordt metNederland hoog in vergelijking met het gemiddelde in de ontwikkelingen in het verleden (zoals toename vanEU-27. Dit geldt met name voor de sterfte aan longkanker overgewicht, verbeterde overleving en verbeterdeen borstkanker (WHO-HFA). vroegtijdige opsporing), dan stijgt het aantal mensen met diabetes tot 1,22 miljoen in 2025. Als we dan ook nog4.3.7 Toekomst aannemen dat het aantal mensen met overgewicht in de toekomst in hetzelfde tempo zal blijven stijgen, zal hetToekomstige trend van ziekten hangt af van diverse verwachte aantal mensen met gediagnosticeerde diabetesfactoren in 2025 toenemen tot 1,32 miljoen. De demografischeMet de vergrijzing zal naar verwachting het absolute ontwikkelingen zijn verantwoordelijk voor 26% van deaantal mensen met een ‘ouderdomsziekte’ toenemen. totale verwachte toename van het aantal diabetes­ Tekstblok 4.3: Dementie leidt vaak via andere oorzaken tot de dood Bij doodsoorzaken wordt onderscheid gemaakt tussen • vasculaire dementie, die het gevolg is van primaire en secundaire doodsoorzaken. Onder een herseninfarct op basis van vaatlijden; primaire doodsoorzaak wordt verstaan de ziekte of de • dementie ten gevolge van de ziekte van Alzheimer; gebeurtenis waarmee het proces van gebeurtenissen • niet-gespecificeerde dementie. die tot de dood leidde, in gang is gezet. De gevolgen of complicaties hiervan worden als secundaire doods­ Bij dementie als primaire doodsoorzaak is het oorzaak beschouwd, evenals andere ziekten die tijdens overlijden meestal het gevolg van andere oorzaken, het overlijden aanwezig waren en soms aan de dood zoals longontsteking, cachexie (lichamelijke uittering hebben bijgedragen. De gegevens in dit hoofdstuk door ziekte of ondervoeding) en decubitus (doorlig- betreffen uitsluitend primaire doodsoorzaken. ging) die gepaard gaat met infectie. Ook overlijden Dementie kan in drie vormen als primaire doods­ dementiepatiënten vaak aan hart- en vaatziekten. oorzaak voorkomen: Bron: Van der Meulen & Keij-Deerenberg, 200334 | Gezond ouder worden in Nederland
    • patiënten in de periode 2005-2025 (Baan et al., 2009). De Ook leefstijlfactoren spelen een rol in het ontwikkelen vanprognoses hebben betrekking op de gehele Nederlandse veel ouderdomsziekten (zie hoofdstuk 5). Zo hebbenbevolking. Specifieke prognoses voor het aantal ouderen rokers niet alleen een verhoogde kans op longkanker,met diabetes zijn niet beschikbaar. maar ook op het krijgen van de gezichtsstoornissen staar, maculadegeneratie en glaucoom, coronaire hartziekten enSterke stijging van het aantal ouderen met dementie diabetes mellitus. Voldoende lichamelijke activiteitverwacht verkleint de kans op het krijgen van onder meer coronaireOp basis van demografie voorspelde de Gezondheidsraad hartziekten, diabetes mellitus, beroerte en osteoporosein 2002 dat het aantal ouderen met dementie zal ver­ (Wendel-Vos, 2010). Daarnaast spelen genen een rol bijdubbelen in de periode 2002-2050 (Gezondheidsraad, het ontstaan van ouderdomsziekten.2002).Ook TNO verwacht dat het totaal aantal dementerenden in Tot slotheel Nederland in die mate zal toenemen (Perenboom, In dit hoofdstuk is ingegaan op beperkingen, ziekten en2009). Deze verwachting is ook uitsluitend op aandoeningen bij ouderen. In het volgende hoofdstukdemografische ontwikkelingen gebaseerd. gaan we in op de factoren die van invloed zijn op de gezondheid van ouderen en op beperkingen. In hoofdstukToekomstige trend infectieziekten onzeker 6 beschrijven we de zorg die ouderen gebruiken voor dezeDe toekomstige trend van infectieziekten is moeilijk te ziekten, aandoeningen en beperkingen.voorspellen. Deze is afhankelijk van diverse factoren,zoals:• het ontstaan van nieuwe ziekten of het opnieuw opduiken van oude ziekten;• de import van infectieziekten door reizigers of migranten;• het beschikbaar komen van nieuwe vaccins en behandelmethoden;• een toename in antibioticaresistentie.Naast bovengenoemde factoren spelen de toenemendevergrijzing en levensverwachting een rol in deepidemiologie van infectieziekten. Een aantal chronischeinfectieziekten die complicaties op de lange termijnveroorzaken, zal in de toekomst vaker voorkomen, vooralonder ouderen. Dit komt doordat mensen die op jongereleeftijd zijn besmet met hiv, hepatitis B of hepatitis C, doorsteeds betere behandelmethoden steeds ouder zullenworden. Verder zal door een toename van het absoluteaantal luchtweginfecties, urineweginfecties en sepsisonder ouderen vaker behandeling met antibiotica nodigzijn. Dit zal bijdragen aan een toename van antibiotica­resistentie (Bijkerk et al., 2010).4.4 Oorzaken van ziekte en beperkingen bij ouderenNaast veroudering zijn leefstijl-, omgevingsfactoren engenen van invloed op gezondheid ouderenBelangrijke oorzaken van het ontstaan van een ziekte ofaandoening op latere leeftijd zijn veroudering en langdurigeblootstelling aan factoren die leiden tot een afname vanlichaamsfuncties of slijtage (degeneratie).Ouderdomsslechthorendheid is hiervan een goed voorbeeld.Het is onder meer het gevolg van degeneratie van hetbinnenoor en van de gehoorzenuw. Blootstelling aan hogegeluidsniveaus kan het degeneratieproces versnellen. Gezond ouder worden in Nederland | 35
    • 5Determinantenvan gezondheidElse Zantinge en persoonsgebonden factoren (zelfmanagement, lichaams­ gewicht, bloeddruk en cholesterol). Deze factoren hangen onderling ook vaak samen. De omgeving beïnvloedt5.1 Inleiding bijvoorbeeld het gedrag van mensen. Het is aannemelijk dat ook bij ouderen het ene risicogedrag vaak samen gaat metIn dit hoofdstuk geven we de stand van zaken van de ander risicogedrag (Hoeymans et al., 2010).belangrijkste determinanten van gezondheid bij ouderen.We gaan in op factoren die van invloed zijn op hetontstaan van ziekten, aandoeningen en beperkingen bij 5.2 Sociale omgevingouderen (zie hoofdstuk 4), en daarmee ook indirect ofdirect van invloed zijn op de kwaliteit van leven en de Sociale omgeving beïnvloedt gezondheid opmogelijkheid om te participeren in de maatschappij (zie verschillende manierenhoofdstuk 3). Per determinant bespreken we op welke De sociale omgeving bestaat uit sociale aspecten van demanier deze factor de gezondheid van ouderen beïn- leefomgeving, zoals de buurt, sport- of hobbyclub, familievloedt. Vervolgens geven we – voor zover er gegevens en vrienden. Er zijn verschillende manieren waarop debeschikbaar zijn – een beschrijving van het vóórkomen van sociale omgeving de gezondheid van ouderen beïnvloedt.deze factoren bij ouderen. Inzicht in deze factoren geeft De sociale omgeving heeft een positieve invloed op deaan waar de mogelijkheden liggen om de gezondheid van gezondheid als de omgeving sociale steun oplevert. Maarouderen te beïnvloeden. In hoofdstuk 7 gaan we in op de omgeving kan ook een negatieve invloed hebben alspreventie en interventies voor ouderen die aansluiten bij het stress oplevert, bijvoorbeeld als een geliefde overlijdtdeze determinanten. of als er zorgen zijn over de mensen om je heen. Ook mishandeling of geweld zijn voorbeelden van negatieveIn dit hoofdstuk bespreken we determinanten van gezond­ effecten van de sociale omgeving. Naast steun en stress,heid volgens de indeling van het VTV-model (Hoeymans et beïnvloeden de heersende waarden en normen in deal., 2010). Determinanten zijn ingedeeld in omgevings­ sociale omgeving het gedrag en de gezondheid vanfactoren, gedrag en persoonsgebonden factoren. mensen (Hoeymans et al., 2010). In dit hoofdstuk gaan weAchtereenvolgens bespreken we factoren uit de sociale en alleen in op een positieve invloed van de sociale omgevingfysieke omgeving bij ouderen, leefstijlfactoren die voor van ouderen, namelijk de steun die de omgeving kanouderen relevant zijn (bewegen, voeding, alcohol en roken) opleveren. Gezond ouder worden in Nederland | 37
    • Tabel 5.1 Ontvangen sociale steuna naar leeftijd en geslacht op een schaal van 0 (geen steun) tot en met 36 (maximale steunontvangen) in 2008/2009 (Bron: LASA).Leeftijdsgroep Totaal emotionele steun (sd) Totaal instrumentele steun (sd)Totaal 65+ 22,4 (7,5) 15,7 (6,4)65-74 22,7 (7,5) 15,3 (6,2)75-84 22,4 (7,3) 16,3 (6,4)85+ 21,0 (8,5) 16,2 (7,0)Mannen 20,5 (7,5) 15,4 (6,4)Vrouwen 24,0 (7,2) 16,0 (6,3)Niet samenwonend 23,0 (7,6) 16,3 (6,7)Samenwonend 22,1 (7,5) 15,4 (6,1)a Het gaat hier om de som van de ontvangen steun van de belangrijkste negen persoonlijke relaties, exclusief de partner, per relatie aangegeven op een schaal van 0 (nooit steun) tot 4 (vaak steun); n=1.150; sd= standaarddeviatie.5.2.1 Sociale steun na het verlies van de partner. Naarmate het overlijden van de partner langer geleden is, neemt de kans op gezond-Sociale steun van invloed op lichamelijke en psychische heidsproblemen weer af (Wingen & Otten, 2009a). Zie ookgezondheid tekstblok 5.1 voor landelijke en regionale informatie overHet ontvangen van sociale steun bevordert de lichamelijke alleenstaanden in Nederland.en psychische gezondheid van ouderen. Er wordt vaakonderscheid gemaakt tussen emotionele steun en Ouderen ervaren minder steun dan jongere menseninstrumentele steun. Bij emotionele steun gaat het om het De hoeveelheid steun die mensen naar eigen zeggen vanbespreken van persoonlijke problemen of belevenissen. hun omgeving krijgen, neemt af met het ouder wordenInstrumentele steun betreft praktische hulp, zoals klusjes (Savelkoul, 2008). Uit tabel 5.1 blijkt dat binnen de groepof boodschappen doen. ouderen de ervaren emotionele steun licht afneemtSociale steun beïnvloedt de gezondheid van ouderen naarmate mensen ouder worden. Bij instrumentele steunomdat het bijvoorbeeld hun emotionele welzijn bevordert is dit niet het geval. Ook valt op dat mannen minderof omdat gezondheidsinformatie wordt uitgewisseld. Ook emotionele steun ervaren dan vrouwen. Dit geldt nietkan sociale steun als buffer werken in stresssituaties. voor instrumentele steun. Ouderen die samenwonen metSociale steun heeft een gunstig effect op de hartslag, een partner ontvangen minder instrumentele steun (vanbloeddruk, het cholesterol en op stressreacties en heeft iemand anders dan hun partner) dan ouderen zondereen beschermende werking bij hart- en vaatziekten. Ook is partner. Hoogopgeleide ouderen ervaren iets meersociale steun bevorderlijk voor de psychische gezondheid emotionele steun dan laagopgeleide ouderen (niet in tabel).van mensen met chronische aandoeningen (Savelkoul etal., 2008). Daarnaast hangt sociale steun samen met de Netwerkgrootte en frequentie van het contact bepalendmate waarin iemand zich eenzaam voelt (zie paragraaf voor hoeveelheid steun5.2.3). Eenzaamheid wordt vooral bepaald door te weinig Hoe groter het sociale netwerk is, hoe meer sociale steunemotionele steun; instrumentele steun is minder bepalend mensen ontvangen uit de omgeving. Een groot netwerkvoor eenzaamheid. Uiteindelijk leven mensen die veel kan dus door de steun die het oplevert, de gezondheid vansociale steun ervaren zelfs langer dan mensen die weinig ouderen bevorderen. Ook verkleint een groot netwerk desteun krijgen (Croezen, 2010). kans op eenzaamheid (Dykstra & Fokkema, 2007; Broese van Groenou & Van Tilburg, 2007). Naast de grootte vanPartner is een belangrijke bron van steun het netwerk is ook de frequentie van het contact metEen partner is vaak een belangrijke bron van steun bij sociale relaties van invloed op de gezondheid van ouderen(gezondheids)problemen. Dit is één van de verklaringen (Croezen, 2010). Uit ditzelfde onderzoek blijkt datvoor de bevinding dat ouderen (50-79-jarigen) die contacten met mensen uit de buurt meer invloed op degescheiden, verweduwd of nooit gehuwd zijn, een gezondheid van ouderen hebben dan contacten metslechtere lichamelijke en psychische gezondheid hebben familie en vrienden.dan gehuwde ouderen (Wingen & Otten, 2009a). Ouderendie recentelijk hun partner hebben verloren (minder dan Netwerkgrootte neemt af bij ouder wordendrie jaar weduwe of weduwnaar), hebben bijna drie keer Naarmate mensen ouder worden, neemt de grootte vanzo vaak een slechte psychische gezondheid als ouderen hun sociale netwerk af. Oorzaken zijn onder andere hetmet een partner, waarschijnlijk door de stress die ontstaat overlijden van geliefden en het wegvallen van werk of38 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Tabel 5.2 Netwerkgrootte naar leeftijd en geslacht in 2008/2009a (Bron: LASA).Leeftijdsgroep Gemiddelde Gemiddelde netwerkgrootte netwerkgrootte (sd) minstens wekelijks contact (sd)Totaal 65+ 16,2 (9,6) 8,0 (4,9)65-74 17,4 (10,2) 8,6 (5,2)75-84 15,2 (9,0) 7,7 (4,6)85+ 12,4 (7,2) 6,2 (3,6)Mannen 15,5 (9,7) 7,7 (4,8)Vrouwen 16,7 (9,5) 8,3 (4,9)a n=1.150; sd=standaarddeviatie.andere bezigheden. Ook heeft ouderdom invloed op de Ouderen hogere kans op eenzaamheid, maar niet per semogelijkheden om activiteiten te ondernemen, doordat eenzamermen bijvoorbeeld beperkt wordt door een ziekte of In theorie hebben ouderen een grotere kans om eenzaamaandoening. In tabel 5.2 is te zien dat ook binnen de groep te worden dan jongere mensen, doordat hun netwerk­ouderen het sociale netwerk steeds kleiner wordt grootte afneemt. Vooral na de leeftijd van ongeveer 75 jaarnaarmate mensen ouder worden. Gemiddeld geven is de kans op eenzaamheid groter. Dit komt doordatouderen aan zestien sociale relaties te hebben, inclusief verschillende gebeurtenissen zich vaak opstapelen, zoalshun eventuele partner. Met acht van deze relaties is het overlijden van een partner en van andere leeftijds­minstens wekelijks contact. Uit eerder onderzoek blijkt dat genoten en het verlies van mobiliteit en zelfstandigheidouderen uit één op de zes relaties instrumentele steun door afnemend fysiek, cognitief en sensorischontvangen en uit één op de drie relaties emotionele steun functioneren. Toch zijn ouderen niet vaker (sterk) eenzaam(Broese van Groenou & Van Tilburg, 2007). dan jongere mensen (Van Tilburg, 2007), waarschijnlijkBehalve verschillen naar leeftijd valt op dat oudere omdat de wensen ten aanzien van sociale relaties met demannen iets minder persoonlijke relaties hebben dan leeftijd veranderen (Dykstra et al., 2005). Met het ouderoudere vrouwen (zie tabel 5.2). Lager opgeleide ouderen worden trekt men zich vaker terug uit sociale verbandenhebben een kleiner netwerk dan hoger opgeleide ouderen, en is men meer op zichzelf. Het idee is dat de afname vanmaar deze verschillen gelden niet voor het aantal sociale contacten samengaat met minder verwachtingenwekelijkse contacten (niet in tabel). Ook blijken ouderen en wensen over deze sociale contacten, waardoor ouderendie samenwonen met een partner meer persoonlijke niet vaker aangeven eenzaam te zijn dan jongere mensen.relaties te hebben dan ouderen die niet samenwonen. Bijna een derde van de ouderen is eenzaam5.2.2 Eenzaamheid Van alle ouderen is 28% matig eenzaam en 3% sterk eenzaam (zie tabel 5.3). Dit is vergelijkbaar met hetEenzaamheid bepaald door aantal en kwaliteit van percentage eenzamen in de hele volwassen bevolkingsociale relaties (ongeveer 30% eenzamen) (Van Tilburg, 2007). Binnen deEr is sprake van eenzaamheid als er een discrepantie groep ouderen neemt het percentage eenzamen wel toeontstaat tussen gewenste en gerealiseerde sociale relaties naarmate zij ouder worden. Van de 85-plussers is(De Jong Gierveld & Van Tilburg, 2007). Het aantal sociale ongeveer de helft van de mannen en vrouwen matig ofcontacten en de ervaren kwaliteit van de sociale contacten sterk eenzaam. Er zijn niet veel verschillen in eenzaamheidkunnen beiden bepalend zijn voor gevoelens van een- tussen mannen en vrouwen; alleen bij 85-plussers zijn erzaamheid. Mensen kunnen zich bijvoorbeeld eenzaam relatief meer eenzamen onder vrouwen dan mannen. Eenvoelen met veel mensen om zich heen, of helemaal niet verklaring daarvoor is dat oudere vrouwen vaker alleen­eenzaam zijn met een klein sociaal netwerk. Dit hangt af staand zijn dan oudere mannen. Er zijn minder eenzamenvan hun eigen beoordeling van de kwaliteit van de onder ouderen die samenwonen dan onder ouderen diecontacten. Daarbij is ook van belang hoeveel steun zij niet samenwonen met een partner (niet in tabel). Hetervaren uit hun netwerk. Langdurige eenzaamheid heeft percentage eenzamen is hoger bij laagopgeleide ouderendirecte gevolgen voor de kwaliteit van leven en heeft een dan bij hoogopgeleide ouderen. In hoofdstuk 7 wordtnegatieve invloed op de gezondheid (Fokkema & Dykstra, specifiek ingegaan op de effectiviteit van interventies2009; Savelkoul & Van Tilburg, 2010). gericht op het terugdringen van eenzaamheid bij ouderen. Gezond ouder worden in Nederland | 39
    • Tabel 5.3 Matige en ernstige eenzaamheida naar leeftijd, geslacht en opleidingsniveau in 2008/2009 (Bron: LASA).Leeftijdsgroep Matig eenzaam (%) Sterk eenzaam (%)Totaal 65+ 28,1 3,4Man 65-74 22,4 3,2Man 75-84 30,6 2,8Man 85+ 44,2 3,8Vrouw 65-74 23,8 3,5Vrouw 75-84 29,4 4,3Vrouw 85+ 48,1 2,5Lage opleiding 33,2 4,4Gemiddelde opleiding 27,8 3,7Hoge opleiding 21,7 1,3a Eenzaamheid is gemeten met de 11-item eenzaamheidsschaal van De Jong-Gierveld (Van Tilburg & De Jong-Gierveld, 2007); n=1.150. Tekstblok 5.1: Alleenstaande ouderen in Nederland Relatief veel ouderen zijn alleenstaand. Binnen de groep Figuur 5.1 Percentage eenpersoonshuishoudens per gemeente ouderen was op 1 januari 2009 het merendeel van de onder ouderen in 2010 (Bron: CBS StatLine; www.zorgatlas.nl). mannen (75%) gehuwd. Het aandeel gehuwden onder vrouwen was een stuk kleiner (45%). Bij vrouwen neemt vanaf 65 jaar het aandeel alleenstaanden sterk toe. Bij mannen is dat vanaf 75 jaar, maar in mindere mate. Bijna de helft van de 80-85-jarigen is alleenstaand. Bij ouderen is het overlijden van de partner de belangrijkste oorzaak van het alleen staan. Voor vrouwen speelt dit aanzienlijk meer dan voor mannen, omdat mannen op jongere leeftijd overlijden dan vrouwen en omdat mannen bovendien meestal een paar jaar ouder zijn dan hun partner. Er zijn bijna drie keer zoveel alleenstaande vrouwen als mannen van 65 jaar en ouder (respectievelijk Percentage van totaal aantal huishoudens 613.000 en 210.000). In onderstaand kaartje is te zien dat van 65 jaar en ouder alleenstaande ouderen vooral in grote steden wonen. 32,4 - 41,1 41,1 - 44,9 44,9 - 50,0 50,0 - 63,65.3 Fysieke omgeving heid. Hierin wordt uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de leefomgeving van ouderen (VROM, 2008). In dezeDe fysieke omgeving van mensen, zowel binnens- als paragraaf bespreken we achtereenvolgens: veiligheid metbuitenshuis, beïnvloedt de gezondheid. Bij ouderen zijn er betrekking tot vallen, verkeer, weersomstandigheden enspecifieke aandachtspunten vergeleken met de algemene binnenmilieu.bevolking. Ouderen hebben vaak een kleiner actieradius enzijn daarom meer op hun directe woonomgeving aange­ 5.3.1 Veiligheid met betrekking tot vallenwezen. Ook brengen ze meer tijd in hun eigen woning door.De kwaliteit en de inrichting van de woning en de directe Veel gezondheidsschade bij ouderen door vallenleefomgeving zijn dan ook extra van belang bij ouderen. Letsels als gevolg van vallen komen bij ouderen veel voorEen gezonde inrichting van de leefomgeving is één van de (zie hoofdstuk 4). Verwondingen zoals botbreuken leidenspeerpunten van de Nationale Aanpak Milieu en Gezond- tot pijn, functionele beperkingen en een verminderde40 | Gezond ouder worden in Nederland
    • kwaliteit van leven en mogelijkheid om te participeren. dementie en influenza. Bij ouderen is het risico opEén van de manieren om het aantal valincidenten bij valongevallen groter, ook binnenshuis, onder andere doorouderen terug te dringen, is het realiseren van aanpas­ spierstijfheid, afgenomen coördinatie en een verminderdsingen in de omgeving, zowel binnenshuis als buitenshuis. inschattingsvermogen (Noorda, 2009).Consument en Veiligheid heeft deze aanpassingen Ouderen hebben meer last van de hitte, omdat zijsystematisch op een rij gezet (Consument en Veiligheid, moeilijker transpireren, een minder sterk dorstgevoel2011). Het gaat hier niet alleen om vallen, maar ook om hebben en als gevolg van sommige ziekten of medicijnenonveilige situaties in het algemeen. Voorbeelden zijn: het vatbaarder zijn voor de gevolgen van hitte, zoalsweghalen van snoeren en matjes, het zorgen voor goede uitdroging, hittestress en een verminderd welbevinden. Inverlichting, het verlagen van stoepranden of andere de richtlijnen bij kou en hitte zijn specifieke adviezen voorbarrières en het repareren van losse stoeptegels. ouderen en hun directe omgeving opgenomen omIn hoofdstuk 7 is uitgewerkt welke interventies voor ouderen gezondheidsproblemen te voorkomen (VWS, 2007;effectief zijn in het reduceren van de kans op valincidenten. Noorda, 2009). Zo is het tijdens perioden van aanhoudendeHet gaat niet alleen om de fysieke omgeving, maar ook om hitte belangrijk om ouderen die alleen wonen en niet meergedrag, vaardigheden en medicatieaanpassing. zo mobiel zijn goed in de gaten te houden.5.3.2 Verkeersveiligheid 5.3.4 BinnenmilieuOuderen hebben verhoogde kans op verkeersongeval Ouderen kwetsbare groep bij een ongezondmet ernstige afloop binnenmilieuOuderen hebben in het verkeer een verhoogd ongevals- en Mensen brengen gemiddeld 85% van hun tijd binnenshuisoverlijdensrisico (SWOV, 2010a). Ze zijn relatief vaak door, waarvan 70% in hun eigen woning (Milieuportaal,betrokken bij ongevallen en als er een ongeval plaatsvindt, 2011). Ouderen zijn een kwetsbare groep als het binnen­hebben zij een hogere kans op letsels of overlijden verge­ milieu ongezond is. Zij brengen meer tijd binnenshuis doorleken met jongere verkeersdeelnemers. De belangrijkste en hebben een minder goed afweersysteem dan jongeren.oorzaken voor de verhoogde kans op ongevallen met Allerlei stoffen die in het binnenmilieu vrijkomen, zoalsernstige afloop bij ouderen zijn hun grotere fysieke kwets­ vocht bij koken en wassen, tabaksrook en vluchtige stoffenbaarheid en de aanwezigheid van functiestoornissen. Bij het uit meubels, kunnen zich bij onvoldoende ventilatieouder worden gaat vaak het zicht achteruit, is het lastiger om ophopen. De concentraties stoffen zijn binnen vaak hogerde aandacht te verdelen, vermindert het reactievermogen en dan buiten en kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken,neemt de flexibiliteit van nek en romp en de spierkracht af. zoals vermoeidheid, hoofdpijn, luchtwegklachten en hart- en vaatziekten.Verkeersveiligheid voor ouderen vergroten dooraanpassingen infrastructuur Weinig bekend over kwaliteit binnenmilieu bij ouderenDoor in de verkeersinfrastructuur rekening te houden met Er is weinig bekend over de kwaliteit van het binnenmilieude functiestoornissen van ouderen, kan de verkeers­ in seniorenwoningen. Het verbeteren van het binnen­veiligheid van ouderen vergroot worden. Ditzelfde geldt milieu van woningen, scholen en kindercentra is één vanook voor aanpassingen in de beveiliging en onder­ de speerpunten uit de Nationale Aanpak Milieu ensteunende technische systemen. De SWOV doet een aantal Gezondheid van de overheid. Op lokaal niveau zijn vooralaanbevelingen, die zijn gebaseerd op gegevens over de GGD’en actief op het gebied van een gezond binnen­ongevallen en op aanpassingen die ouderen zelf noemen milieu. Tot nu toe is vooral ingezet op het verbeteren van(SWOV, 2010b). Voorbeelden daarvan zijn goede het binnenmilieu op scholen en kinderdagverblijven.verlichting op kruispunten, duidelijke belijning en een Ouderen zijn nog niet vaak een aparte doelgroep bij hetvroegtijdige informatievoorziening. verbeteren van het binnenmilieu.5.3.3 Weersomstandigheden 5.4 LeefstijlOuderen gevoelig voor hitte en kouOuderen hebben meer last van kou en hitte bij extreme Gedragsverandering levert ook bij ouderenweersomstandigheden door een verminderde gezondheidswinst optemperatuurregulatie en temperatuurwaarneming. Naast Met een gezonde leefstijl is veel winst te behalen. Positievegevoelens van onbehagen nemen de sterfte en gezond­ effecten van gedragsverandering zijn het grootst als hetheidsproblemen bij ouderen toe bij kou en bij hitte. In gedrag op jonge leeftijd wordt aangepast. Gezondheid opkoude omstandigheden sterven meer ouderen aan hart- oudere leeftijd is immers de resultante van de levenslangeen vaatziekten, respiratoire aandoeningen, gevolgen van invloed van leefstijl, genen en omgeving. Maar ook op Gezond ouder worden in Nederland | 41
    • oudere leeftijd heeft leefstijlverandering nog zin en levert het was dat de helft van de ouderen in 2010 zou voldoen aangezondheidswinst voor ouderen op (zie voor een overzicht: de NNGB (VWS, 2005).Isken & Harbers, 2009). Zo is bekend dat aanpassingen inbewegen, voeding, alcoholgebruik en roken de kans op Meer dan de helft van de ouderen voldoet aansterfte aan verschillende aandoeningen verkleinen. Het is de beweegnormvraag of deze gezondheidswinst in termen van een langer Van de Nederlandse zelfstandig wonende ouderen voldoetleven zich ook vertaalt in een substantiële verbetering van de 58% in 2009 aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegenkwaliteit van leven. En of dit opweegt tegen de moeite die voor ouderen, mannen iets vaker dan vrouwen (zie tabelhet kost om een verandering teweeg te brengen. Het 5.4). Het percentage van 58% van het CBS is vergelijkbaarantwoord op deze vraag zal per persoon verschillen. met het percentage normactieven in de hele volwassen populatie (56%). TNO noemt een iets lager percentage van5.4.1 Bewegen 53%, maar dat is te verklaren doordat in hun monitor ook geïnstitutionaliseerde ouderen zijn meegenomenRegelmatig bewegen bevordert gezondheid en kwaliteit (Wijlhuizen & Chorus, 2010). In beide gevallen is hetvan leven aandeel normactieve ouderen in 2009 hoger dan deRegelmatig bewegen bevordert de gezondheid van ouderen streefwaarde van het ministerie van VWS van 50% in 2010.en kan achteruitgang in het functioneren, zelfredzaamheid Volgens TNO voldoet 10% van de ouderen in 2009 aan deen participatie in de maatschappij voorkomen (Wijlhuizen & fitnorm en 58% voldoet aan de combinorm.Chorus, 2010). Regelmatig bewegen verkleint het risico opchronische aandoeningen, zoals diabetes, coronaire 65-74-jarigen voldoen relatief vaak aan beweegnormhartziekten, osteoporose, depressie en verschillende Meer 65-74-jarigen voldoen aan de beweegnorm danvormen van kanker. Ook bij ouderen leidt regelmatig 75-84-jarigen. Dit geldt zowel voor mannen als voorbewegen nog tot lagere sterftekansen aan diverse aan­ vrouwen (zie tabel 5.4). Vergeleken met andere volwassendoeningen, zoals hart- en vaat­ iekten en kanker (voor een z leeftijdsgroepen, voldoen 65-74-jarigen relatief vaak aanoverzicht, zie Wendel-Vos, 2010). Als ouderen pas op de de beweegnorm. Zij moeten alleen 55-64-jarigen voorleeftijd van 75 jaar en ouder regelmatig gaan bewegen, lijkt laten gaan.er nog steeds een toename in de levensverwachting te zijn(Nied & Franklin, 2002). Ook beïnvloedt bewegen het Oudere mannen voldoen vaker aan de beweegnorm danbeloop van chronische aandoeningen en verkleint regel­ oudere vrouwenmatig bewegen het risico op valincidenten bij ouderen. Oudere mannen voldoen vaker aan de beweegnorm danBelangrijke voorspellers voor weinig of niet bewegen zijn oudere vrouwen (zie tabel 5.4). Dit verschil tussen mannenhet aantal chronische aandoeningen, pijn, lichamelijke en vrouwen zie je niet terug bij jongere leeftijdsgroepenbeperkingen, de psychische gezondheid en motivatie. Bij (CBS StatLine, 2009). Mogelijk komt dit omdat oudereouderen staan lichamelijke aandoeningen en beperkingen vrouwen vaker mobiliteitsbeperkingen hebben dan ouderehet bewegen vaker in de weg vergeleken met jongeren. mannen (zie hoofdstuk 4). Hoogopgeleide ouderen voldoen vaker aan de fitnorm danVerschillende normen voor voldoende bewegen voor laagopgeleide ouderen (Wijlhuizen & Chorus, 2010). Ditouderen komt overeen met CBS-cijfers uit 2007, waaruit blijkt datEr zijn verschillende normen opgesteld om te bepalen of hoogopgeleide ouderen vaker sporten dan laagopgeleideiemand voldoende beweegt, namelijk de Nederlandse ouderen (Uiters, 2009). Er zijn geen opleidingsverschillenNorm Gezond Bewegen (NNGB), de fitnorm en de in het voldoen aan de NNGB.combi­ orm. Om te voldoen aan de NNGB, ook wel nbeweegnorm genoemd, moeten 55-plussers minimaal vijf Trends in bewegen bij ouderen niet eenduidigdagen in de week, maar bij voorkeur alle dagen van de De trends in voldoende bewegen bij ouderen zijn nietweek, ten minste een half uur matig intensief lichamelijk eenduidig. Op basis van CBS-gegevens is sinds 2001 geenactief te zijn (Kemper et al., 2000; Ooijendijk et al., 2007). toe- of afname te zien in het percentage zelfstandigVoorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteiten wonende ouderen dat aan de NNGB voldoet (zie figuurzijn rustig wandelen en fietsen. Ouderen voldoen aan de 5.2). Wel lijkt het percentage normactieven onderfitnorm als zij ten minste drie keer per week gedurende 65-74-jarigen licht toe te nemen, terwijl het percentageminimaal 20 minuten zwaar intensief lichamelijk actief zijn normactieven bij 75-plussers afneemt. TNO-onderzoek(Haskell et al., 2007). Ouderen voldoen aan de combinorm laat wel een toename van bewegen bij ouderen zienals zij aan ten minste één van de twee normen voldoen. (Wijlhuizen & Chorus, 2010). Dit geldt zowel voor hetIn de nota Ouderenbeleid van 2005 is het aantal ouderen percentage ouderen dat aan de NNGB voldoet, als voor dedat aan de beweegnorm voldoet als indicator voor de fitnorm en de combinorm. Het TNO-onderzoek betreft allegezondheid van ouderen opgenomen. Een doelstelling ouderen, dus ook geïnstitutionaliseerde ouderen.42 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Tabel 5.4 Percentage ouderen dat in 2009 aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen voldoet (Bron: CBS StatLine). Totaal (%) Mannen (%) Vrouwen (%)Totaal 65+ 58 61 5565-74 70 71 6975-84 40 44 38Figuur 5.2 Trend in percentage ouderen dat voldoet aan de essentiële voedingsstoffen worden opgenomen door hetNederlandse Norm Gezond Bewegen naar leeftijd, 2000-2009 lichaam. Oorzaken zijn onder andere een verminderde(Bron: CBS StatLine, 2009; Wijlhuizen & Chorus, 2010). eetlust en dorstgevoel bij ouderen, een verminderdepercentage opname door het lichaam (bijvoorbeeld door overmatig medicijngebruik) en veranderde sociale omstandigheden.8070 Gezonde voeding is vastgelegd in richtlijnen De ‘Richtlijnen Gezonde Voeding 2006’ van de Gezondheids- 60 raad geven de gemiddeld wenselijke voeding weer die qua samenstelling en hoeveelheid optimaal is voor de gezond- 50 heid van de bevolking (Gezondheidsraad, 2006). Bij ouderen verschillen de richtlijnen niet van de richtlijnen voor andere 40 volwassenen, behalve dat aan ouderen een extra inname 30 van vitamine D wordt aanbevolen (VWS, 2010). De Voedselconsumptiepeilingen (VCP) van het RIVM 20 brengen de voedingspatronen en voedselstoffeninname van de Nederlandse bevolking in beeld. In de VCP wordt de 10 voedselconsumptie vergeleken met de richtlijnen voor 0 goede voeding. De laatste VCP die zich ook op ouderen 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 richtte, dateert uit 1997/1998. Uit deze peiling bleek dat het voedingspatroon van ouderen niet optimaal is en 65+ 65-74 75+ TNO 65+ ouderen bijvoorbeeld relatief veel verzadigd vet gebruiken en weinig groente en fruit eten (Van den Berg Jeths et al., 2004). Omdat deze gegevens verouderd zijn en al in andere publicaties beschreven zijn, gaan we er in dit5.4.2 Voeding rapport niet verder op in. Op dit moment worden gegevens verzameld voor een nieuwe VCP voor ouderen.Voedingspatroon van invloed op gezondheid ouderen De Gezondheidsraad werkt aan een advies over deEen gezond voedingspatroon vermindert het risico op kwaliteit, productie en consumptie van voedingsmiddelen,chronische ziekten, zoals kanker, hart- en vaatziekten, waarbij de voedingstoestand van ouderen een specifiekdiabetes en osteoporose. Ook kan gezonde voeding aandachtspunt is.positief bijdragen aan het ziekteproces als iemand al ziekis. Een ongezond voedingspatroon kan ook leiden tot 5.4.3 Alcoholrisicofactoren, zoals een hoge bloeddruk, een verhoogdcholesterol en overgewicht of ondergewicht. Ook voor Ouderen kunnen minder goed tegen alcohol dan andereouderen zijn er aanwijzingen dat een gezond voedings­ volwassenenpatroon nog gezondheidswinst oplevert. Een gezond dieet De Gezondheidsraad adviseert gezonde volwassenleidt ertoe dat de sterftekans aan diverse aandoeningen, mannen niet meer dan twee standaardglazen alcohol enzoals hart- en vaatziekten en kanker, kleiner wordt gezonde volwassen vrouwen niet meer dan één(Knoops et al., 2004). standaardglas alcohol per dag te drinken (Gezondheids­Bij ouderen is gezonde voeding extra relevant, omdat zij raad, 2006). Voor ouderen zijn er geen aparte richtlijnen, alrelatief vaak ziekten of aandoeningen hebben. Bovendien is bekend dat oudere mensen alcohol slechter verdragenzijn zij vatbaarder voor tekorten aan voedingsstoffen en dan jongere volwassen leeftijdsgroepen. Dit komt doorvoor voedselinfecties. Daarnaast is ondervoeding een veranderingen in het lichaam die ontstaan bij het ouderbelangrijk probleem bij ouderen, vooral bij ouderen in worden, zoals een verminderde werking van lever eninstellingen. Ondervoeding ontstaat als het lichaams­ nieren en een vermindering van het lichaamsvocht,gewicht te sterk afneemt of als er niet voldoende waardoor de alcoholconcentratie in het bloed sneller Gezond ouder worden in Nederland | 43
    • Tabel 5.5 Percentage rokers bij ouderen naar leeftijd en geslacht in 2009 (Bron: CBS StatLine). Totaal (%) Mannen (%) Vrouwen (%)Totaal 65+ 15 18 1365-74 17 19 1475+ 13 16 11omhoog gaat (Alcoholinfo.nl, 2010). Ook kan overmatig kwaliteit van leven en levert het in de totale bevolkingalcoholgebruik een extra gevaar betekenen voor (val) vergeleken met andere risicofactoren de hoogste bijdrageongelukken en kan een combinatie met medicijnen aan de ziektelast (Hoeymans et al., 2010). Ouderen dierisicovol zijn. In het algemeen is overmatig alcoholgebruik op hun 65e stoppen met roken, winnen daarmee nogvan invloed op het krijgen of het verloop van ruim zestig 1,9 gezonde levensjaren en overlijden gemiddeld 1,5 jaarchronische of acute aandoeningen, verwondingen en later (CZM, 2010). In de totale volwassen bevolking winnensociale problemen (zie voor een overzicht Kuunders & Van niet-rokers 4,6 gezonde levensjaren en 4,0 levensjaren tenLaar, 2010). Voor de meeste aandoeningen geldt: hoe meer opzichte van rokers (Hoeymans et al., 2010).alcohol gedronken wordt, hoe groter het risico op dieaandoening. Voor een aantal aandoeningen geldt dat Percentage rokers lager bij ouderen dan bij anderevooral langdurig hoog alcoholgebruik bijdraagt aan een leeftijdsgroepenhoger risico. Het percentage rokers onder ouderen is lager dan in andere volwassen leeftijdsgroepen. In 2009 rookt 15% vanPercentage overmatige drinkers 12-15% bij de zelfstandig wonende ouderen, ten opzichte van 27% in65-74-jarigen de hele bevolking (zie tabel 5.5). Ook binnen de groepOver overmatig alcoholgebruik bij ouderen is beperkte ouderen zien we dat het percentage rokers bij de oudsteinformatie beschikbaar. Cijfers uit de Doetinchem Cohort ouderen lager is dan bij de jongste ouderen. Een verklaringStudie laten zien dat 15% van de mannen van 65 tot 75 jaar voor de afname van het percentage rokers naarmate menovermatig drinkt (drie of meer glazen per dag) en 12% van ouder wordt, is dat weinig ouderen nog beginnen metvrouwen (twee of meer glazen per dag) (Doetinchem roken, terwijl er meer ouderen stoppen met roken.Cohort Studie, 2003-2007). Bij 35-74-jarigen is het aandeel Bovendien speelt vroegtijdige sterfte onder rokers een rol:overmatige drinkers bij mannen het grootst bij rokers worden gemiddeld minder oud.45-54-jarigen en bij vrouwen het grootst bij 55-64-jarigen(beiden 17%). Oudere mannen roken meer dan oudere vrouwen Net als in andere volwassen leeftijdsgroepen is hetToename hulpvraag ouderen in de verslavingszorg percentage rokers hoger bij oudere mannen dan bij oudereTussen 1998 en 2007 is het aantal hulpvragen voor vrouwen (zie tabel 5.5). In de hele volwassen populatie isalcoholproblematiek door 55-plussers sterk toegenomen het aandeel rokers hoger bij laagopgeleiden dan bij(Trimbos-instituut, 2009). Ook bij jongere leeftijdsgroepen hoogopgeleiden, maar deze opleidingsverschillen zien weis er een toename in de hulpvraag, maar vanaf 55 jaar is niet (significant) terug bij ouderen (De Korte et al., 2010;deze toename duidelijk groter. Dat wil niet zeggen dat de Feenstra et al., 2009).alcoholproblematiek ook het grootst is bij ouderen. Sinds 2001 is het percentage rokers bij ouderenBovendien is de hulpvraag een afgeleide maat van het afgenomen van 18 naar 15% (CBS StatLine, 2009). Dezeechte aantal probleemdrinkers. Slechts een fractie van de dalende trend zien we ook bij andere volwassenprobleemdrinkers zoekt hulp, dus het feitelijke aantal leeftijdsgroepen terug.probleemdrinkers zal veel groter zijn.5.4.4 Roken 5.5 Persoonsgebonden determinantenRoken van invloed op ziekten, sterfte en kwaliteit Zelfmanagement bepalend voor kwaliteit van levenvan leven Zelfmanagement krijgt steeds meer nadruk bij ouderen.Roken verhoogt de kans op verschillende vormen van Het gaat om ‘het vermogen en de vaardigheid van eenkanker, COPD, coronaire hartziekten en tal van andere persoon om ook op oudere leeftijd een zekere mate vanziekten en aandoeningen. Ook typische ouderdoms­ balans en welbevinden te ervaren ondanks aan de leeftijdaandoeningen, zoals gezichtsstoornissen en heup­ gerelateerde verliezen, met als doel een zo optimalefracturen, hangen samen met roken. Roken hangt samen kwaliteit van bestaan te behouden of te bereiken’ (Vilans,met een verminderd cognitief functioneren (Nooyens et 2007). Juist ouderen krijgen vaak te maken met vaakal., 2008). Ook gaat roken gepaard met een lagere negatieve veranderingen in hun leven, zoals toenemende44 | Gezond ouder worden in Nederland
    • gezondheidsproblemen, het verlies van geliefden of een voor een overzicht Visscher et al., 2010). Zo kan ernstignoodgedwongen verhuizing. De manier waarop zij overgewicht bijvoorbeeld leiden tot diabetes, hart- endaarmee omgaan is mede bepalend voor hun kwaliteit van vaatziekten, verschillende soorten kanker en artrose. Ookleven (zie ook tekstblok 5.2). depressie en angststoornissen hangen samen met overgewicht. Ondergewicht is een belangrijke risicofactor5.5.1 Lichaamsgewicht voor osteoporose, maar ook voor vermoeidheid, een lage lichaamstemperatuur, maag- en darmklachten enOvergewicht vergroot risico op lichamelijke en problemen met hart- en bloedvaten.psychische aandoeningen De Body Mass Index (BMI) is een gangbare maat om(Ernstig) overgewicht vergroot in het algemeen de kans op overgewicht of ondergewicht vast te stellen. De BMI geeftverschillende lichamelijke en psychische aandoeningen (zie de verhouding aan tussen lengte en gewicht. Bij ouderen is Tekstblok 5.2: Van zingeving tot zelfmanagement In onze huidige maatschappij, waar de collectief Het Expertisenetwerk Levensvragen en Ouderen beleefde vormen van zingeving, zoals het christelijk (www.netwerklevensvragen.nl) geloof, een steeds kleinere rol spelen en het individu Het Expertisenetwerk wil ervoor zorgen dat ouderen hoogtij viert, zijn veel mensen op zoek naar zingeving kunnen rekenen op aandacht voor en ondersteuning en inspiratie. Zingeving wordt steeds meer gezien en bij hun levensvragen. En dat vrijwilligers en beroeps- beleefd als de individuele zoektocht naar zin en krachten kunnen rekenen op training en ondersteu- vormgeving van het eigen leven (Unie KBO, 2008). ning bij het omgaan met deze vragen. Het netwerk Levensvragen zijn actueel in alle leeftijdsfases, maar draagt eraan bij dat aandacht voor levensvragen bij vooral 75-plussers kunnen moeite hebben met het ouderen als vanzelfsprekend wordt opgenomen in het vinden van een antwoord op vragen als: Wat heb ik beleid van zorg- en welzijnsinstellingen. Het bereikt in mijn leven en hoe ga ik verder? Wat heb ik Expertisenetwerk verzamelt bestaande kennis en betekend voor mijn omgeving en wat kan ik nog ervaring in zorg en welzijn en maakt deze landelijk betekenen (Vilans, 2007)? Of, zoals de Vrije beschikbaar. Daarnaast ondersteunt en stimuleert het Levensloopacademie (SVLA) het formuleert: ‘75-plus- netwerk innovatieve projecten gericht op geestelijke sers moeten vaak extra energie opbrengen om de ondersteuning van zelfstandig wonende ouderen. kwaliteit van het leven op peil te houden en moeten daarbij zoeken naar evenwicht tussen onafhankelijk- De Vrije Levensloopacademie (www.levensloopacademie.net) heid en afhankelijkheid, naar de kwaliteit van de De SVLA is een kennis- en adviescentrum voor sociale contacten, het voorkómen van eenzaamheid, ontwikkeling en groei van mensen in hun tweede het zelfstandig wonen of in een instelling, het zelf levenshelft (vanaf 45 jaar). De werkterreinen van de doen en zo min mogelijk betutteld worden, het SVLA richten zich op arbeid, wonen, welzijn, zorg en ervaren van het heden, verleden en toekomst’ (SVLA, zingeving. De SVLA stelt dat mensen zich voortdurend 2010). en tot op hoge leeftijd kunnen ontwikkelen en sturing kunnen geven aan hun leven. Voorwaarde daarvoor is Vilans geeft in de factsheet ‘Zelfmanagement bij wel dat zij blijvend in zichzelf investeren en de dialoog ouderen’ (2007) een overzicht van initiatieven en met hun omgeving niet uit de weg gaan. interventies die de kwaliteit van het leven van ouderen positief kunnen beïnvloeden door middel van Bij het Expertisenetwerk Levensvragen en Ouderen zelfmanagement van het welbevinden. Zingeving wordt vooral een beroep gedaan op hulpverleners en wordt beschouwd als een kernelement van dit andere beroepskrachten. De SVLA doet, weliswaar via zelfmanagement. Vilans stelt dat het voor het het trainen van ‘opdrachtgevers’ vooral een beroep welbevinden belangrijk is het verleden op een op de oudere zelf. Zelfsturing en zelfmanagement in positieve manier in het huidige leven in te passen en dialoog met de omgeving moeten ervoor zorgen dat van daaruit naar de toekomst te kijken. Ouderen ouderen hun tweede adolescentie op een positieve hebben namelijk vaak moeite zich op de toekomst te manier invullen. Neem van het altaar van het verleden richten en plannen te maken (Vilans, 2007). Daarnaast de vlammen mee, niet de as! bestaan nog vele initiatieven die zich bezighouden met zingeving en ouderen. We bespreken er hier twee: Gezond ouder worden in Nederland | 45
    • Tabel 5.6 Percentage ouderen met (ernstig) overgewicht naar leeftijd en geslacht in 2009 (Bron: CBS StatLine). Overgewicht (%) Ernstig overgewicht (%) 25≤BMI<30 BMI≥30Totaal 65+ 57 1565-74 60 1675+ 52 14Mannen 58 13Vrouwen 55 17de BMI niet makkelijk te interpreteren, vanwege verande- Figuur 5.3 Trends in het percentage ouderen met (ernstig)ring van lichaamslengte, lichaamssamenstelling en overgewicht, 2000-2009 (Bron: CBS StatLine).vetverdeling over het lichaam. Bij 70-plussers heeft het percentagemeten van de buikomvang de voorkeur boven de BMI omovergewicht vast te stellen. Landelijke cijfers over de 70buikomvang bij ouderen ontbreken echter. Ook zijn erbeperkt gemeten BMI-cijfers beschikbaar. Daarom 60presenteren we hier vooral het zelfgerapporteerde BMIvan ouderen, aangevuld met gemeten cijfers. 50Overgewicht vaker bij ouderen dan bij jongeren 40Van de ouderen heeft 57% overgewicht en 15% ernstigovergewicht (zie tabel 5.6). Dit is gebaseerd op zelf­ 30gerapporteerde cijfers (CBS StatLine, 2009). Vergelekenmet andere volwassen leeftijdsgroepen komt (ernstig) 20overgewicht het vaakst voor bij ouderen. (Ernstig) 10overgewicht komt steeds vaker voor naarmate men ouderwordt, maar boven de 75 jaar is dat niet meer het geval. Bij 0de oudste ouderen komt (ernstig) overgewicht minder 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009voor dan bij de jongste ouderen.De gemeten BMI-cijfers uit de Doetinchem Cohort Studie overgewicht mannen ernstig overgewicht mannenlaten hogere percentages zien voor 65-74-jarigen: 73% van overgewicht vrouwen ernstig overgewicht vrouwende mannen heeft overgewicht, tegenover 69% van devrouwen in die leeftijdsgroep (Doetinchem Cohort Studie,2003-2007). Bij ernstig overgewicht gaat het om 18% van trend is dat we hier zelfgerapporteerde cijfers laten zien,mannen en 28% van de vrouwen. De hogere percentages waarbij de eigen inschatting van lengte en gewichtzijn grotendeels te verklaren doordat mensen vaak zelf vertekend kan zijn. Vooral bij een toename van hethun lengte overschatten en hun gewicht onderschatten gewicht kan het een onderschatting zijn. Hoogopgeleide(Van Bakel & Zantinge, 2010). Zelfrapportage geeft dus een ouderen hebben minder vaak (ernstig) overgewicht danonderschatting van het percentage mensen met (ernstig) laagopgeleide ouderen, net zoals bij andere leeftijds­overgewicht. groepen (Uiters & Verweij, 2010).Oudere mannen vaker overgewicht dan oudere vrouwen Ondergewicht komt weinig voor bij zelfstandigOudere mannen hebben vaker overgewicht dan oudere wonende ouderenvrouwen, maar oudere vrouwen hebben vaker ernstig Zelfgerapporteerde cijfers laten zien dat het percentageovergewicht (zie tabel 5.6). De gemeten cijfers uit de zelfstandig wonende ouderen met ondergewicht klein is,Doetinchem Cohort Studie geven datzelfde beeld. Bij zo rond de 1% (CBS StatLine, 2009). Bij de mannen is ditjongere volwassen leeftijdsgroepen zien we het verschil in percentage iets lager, bij vrouwen iets hoger. Er is sindsovergewicht tussen mannen en vrouwen terug, maar de 2000 geen duidelijke toe- of afname in ondergewicht teverschillen in ernstig overgewicht zijn minder duidelijk. zien. Ondergewicht is een bekend probleem bij ouderen,Sinds 2000 laten de trends weinig veranderingen zien in de maar dit zal vooral een rol spelen bij ouderen die in eenontwikkeling van (ernstig) overgewicht bij ouderen (zie instelling wonen.figuur 5.3). Bij mannen lijkt er sprake te zijn van een lichtestijging in (ernstig) overgewicht. Een kanttekening bij deze46 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Tabel 5.7 Vóórkomen van hypertensie en een ongunstig cholesterolgehalte bij 35-64-jarigen en 65-75-jarigen, 2003-2007(Bron: Doetinchem Cohort Studie). Prevalentie (%) Totaal Totaal Mannen Vrouwen 35-64 65-75 65-75 65-75Determinant Definitie n=3.615 n=894 n=445 n=449Hypertensie Systole ≥ 140 mmHg en/of diastole 47 74 75 74 ≥ 90 mmHg en/of medicatieTe hoog totaal- Totaalcholesterol ≥ 6,5 mmHg 17 20 11 29cholesterol Totaalcholesterol ≥ 6,5 mmHg 24 39 31 46 en/of medicatieTe laag HDL- HDL cholesterol ≤ 0,9 mmHg 7 8 12 5cholesterol5.5.2 Hypertensie en cholesterol een stand van zaken gegeven. In hoofdstuk 6 beschrijven we het zorggebruik van zelfstandig wonende ouderen. InHypertensie en ongunstig cholesterol vaker bij ouderen hoofdstuk 7 gaan we in op preventie bij ouderen. Wedan bij jongeren beschrijven welke preventieve activiteiten specifiek gerichtEen te hoge bloeddruk (hypertensie) of een ongunstig zijn op ouderen en of dit aansluit bij de belangrijkstecholesterol (te hoog totaalcholesterol- of te laag HDL- gezondheidsproblemen en determinanten van gezondheidcholesterolgehalte in het bloed) zijn belangrijke risico­ bij ouderen. Bij vier problemen (vallen, inactiviteit,factoren voor hart- en vaatziekten, zoals hartfalen, depressie en eenzaamheid) gaan we in op de effectiviteitberoerte en coronaire hartziekten. Vergeleken met de van verschillende soorten interventies.totale volwassen bevolking hebben ouderen vaker een tehoge bloeddruk of een ongunstig cholesterol (zie tabel5.7). Drie kwart van de 65-75-jarigen heeft hypertensie ofslikt daar medicijnen voor (zie ook hoofdstuk 6). Van de65-75-jarige mannen heeft 31% een verhoogdtotaalcholesterol of slikt daar medicatie voor. Bij devrouwen is dat 46%. Een verlaagd HDL-cholesterol komtminder vaak voor: bij 12% van de mannen van 65 tot 75jaar en bij 5% van de vrouwen van die leeftijd. De cijfers uitde Doetinchem Cohort Studie hebben betrekking opgemeten bloeddruk- en cholesterolwaarden.Verschillen in hypertensie tussen mannen en vrouwenonduidelijkDe cijfers uit de Doetinchem Cohort Studie laten geengemeten verschillen in hypertensie tussen mannen envrouwen zien. Uit gemeten hypertensiecijfers van LASAblijken er wel verschillen tussen mannen en vrouwen tezijn: 55% bij mannen tegenover 47% bij vrouwen, waarbijhet gebruik van medicatie niet is meegeteld (LASA,2008/2009). Bij cholesterol zijn er wel duidelijke ver­schillen. Een te hoog totaalcholesterol komt vaker voor bijoudere vrouwen dan bij oudere mannen (zie tabel 5.7).Oudere mannen hebben vaker een te laag HDL-cholesterol.LASA-cijfers laten ook zien dat hypertensie vaker voor-komt bij laagopgeleide ouderen dan bij hoogopgeleideouderen. Dit komt overeen met het beeld bij volwassenenvan 35-70 jaar (Hoeymans et al., 2010).Tot slotIn dit hoofdstuk zijn de determinanten die de gezondheidvan ouderen beïnvloeden besproken en is per determinant Gezond ouder worden in Nederland | 47
    • 6ZorgMonique van Wieren en Mirjam Busch het hoofdstuk over preventie. Ook komt het gebruik van informele zorg (mantelzorg en vrijwillige hulpverlening) door ouderen in dit hoofdstuk aan bod. Het gebruik van6.1 Inleiding particuliere zorg (bijvoorbeeld particuliere huishoudelijke hulp) door ouderen blijft buiten beschouwing.De zorg die ouderen gebruiken is afhankelijk van de aarden de ernst van de aandoeningen en/of beperkingen, We geven in dit hoofdstuk inzicht in de percentagesmaar ook van hun persoonlijke context. Bij de uitvoering ouderen die van de verschillende vormen van zorgvan de zorg voor ouderen zijn veel verschillende sectoren gebruikmaken. Hiermee wordt nog niet inzichtelijk waaruiten actoren betrokken. Denk hierbij aan huisartsen en het totale individuele zorggebruik van ouderen vanaf hunpraktijkondersteuners, medisch specialisten zoals 65e jaar tot hun levenseinde bestaat. Hier is nog weiniggeriaters, apotheken, paramedici, verzorgend en over bekend. Voor ziekenhuis- en ouderenzorg is dit deelsverplegend personeel van thuiszorgorganisaties en in beeld gebracht (Wong et al., 2007). Hiervoor geldt datmantelzorgers. de meeste zorg in het laatste levensjaar wordt gebruikt.In dit hoofdstuk wordt een beeld van het zorggebruik door Leeswijzerzelfstandig wonende ouderen gegeven. Het gaat hierbij Zoals gezegd beschrijft dit hoofdstuk de zorg die zelf­om het zorggebruik door de totale groep zelfstandig standig wonende ouderen gebruiken. We maken hierbijwonende ouderen, waar mogelijk uitgesplitst naar een onderscheid naar de gerichtheid van de zorg. Indemografische kenmerken, zoals geslacht en leeftijd. De paragraaf 6.2 gaan we in op de zorg gericht op defocus ligt op het gebruik van zorg die door de overheid diagnose, genezing of stabilisatie van ziekten engefinancierd wordt vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw), aandoeningen (cure). Deze zorg wordt vooral vanuit deAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en Wet Zorgverzekeringswet gefinancierd. In paragraaf 6.3 staatmaatschappelijke ondersteuning (Wmo). De zorg die de zorg die gericht is op beperkingen (care) centraal. Wevanuit de AWBZ wordt gefinancierd betreft zowel zorg met gaan hier in op de zorg die vanuit de AWBZ en Wmo wordtverblijf als zorg zonder verblijf. In dit rapport gaan we gefinancierd. In paragraaf 6.4 besteden we aandacht aanalleen in op zorg zonder verblijf, vanwege de focus op zorg gericht op complexe problematiek. We zijn ons ervanzelfstandig wonende ouderen. Bij de zorg die vanuit de bewust dat er in de praktijk vaak geen sprake zal zijn vanWmo gefinancierd wordt, beperken we ons in dit een duidelijke scheiding en dat het gebruik van dezehoofdstuk tot het gebruik van huishoudelijke verzorging verschillende vormen van zorg regelmatig door elkaar zalgefinancierd vanuit de Wmo en het gebruik van vervoers- lopen. Ook vervaagt de grens tussen zelfstandige wonendeen woningvoorzieningen. Dit betreft de individuele ouderen en ouderen die in een instelling verblijven, doorondersteuning vanuit de Wmo. Deze wet is vooral in het onder andere nieuwe (woon)zorgconcepten enleven geroepen om te zorgen voor collectieve onder­ technologische ontwikkelingen. Hier gaan we in ditsteuning vanuit gemeenten. Dit zal aan de orde komen bij hoofdstuk niet nader op in. Er is een scheiding Gezond ouder worden in Nederland | 49
    • aangebracht tussen zorg (dit hoofdstuk) en preventie aggregatieremmers en plaspillen. Ook cholesterolverlagers(hoofdstuk 7). Ook deze scheiding is in werkelijkheid niet en maagzuurremmers staan in de top vijf (SFK, 2009a).zo scherp. Medicijngebruik en gebruik van ziekenhuiszorg is relatief hoog bij ouderen6.2 Zorg gericht op ziekten en Vergeleken met de volwassen bevolking van 18-64 jaar maken ouderen veel gebruik van zorg gericht op ziekten en aandoeningen aandoeningen (zie figuur 6.1). Vooral het relatief hogeOuderen bij wie sprake is van een ziekte of aandoening, gebruik van medicijnen en het gebruik van ziekenhuiszorgmaken hiervoor net als de rest van de bevolking gebruik vallen op. Voor deze zorgvoorzieningen geldt dat hetvan de curatieve zorg. Het betreft (Zvw-gefinancierde) aandeel ouderen dat hiervan gebruikmaakt ongeveereerstelijnszorg, medisch-specialistische en ziekenhuiszorg anderhalf tot twee keer zo groot is in vergelijking met heten geneesmiddelenzorg. aandeel van de volwassen bevolking van 18-64 jaar. Dit betreft overigens zelfgerapporteerd zorggebruik (CBSContacten met huisarts vooral voor hoge bloeddruk en StatLine, 2009).diabetes Van de ouderen maakt ongeveer 85% jaarlijks gebruik vanAandoeningen en klachten die de huisarts het vaakst ziet de huisartsenzorg en gebruikt ruim 80% voorgeschrevenin het contact met ouderen zijn een hoge bloeddruk, medicijnen. Van de totale bevolking nemen ouderen 44%diabetes mellitus, urineweginfectie en COPD. Ook van het geneesmiddelengebruik voor hun rekening (SFK,slapeloosheid komt vaak voor vergeleken met andere 2009a). Verder heeft bijna 70% van de ouderen poliklinischziekten en aandoeningen waarvoor ouderen contact contact met een medisch specialist. Bijna 15% van dehebben met de huisarts. Van de ziekten waarvoor ouderen ouderen wordt jaarlijks voor een meerdaagse opname innaar de praktijkondersteuner gaan, verricht de praktijk­ het ziekenhuis opgenomen. Als ook de dagopnamenondersteuner verreweg de meeste handelingen voor worden meegenomen, komt dit percentage op een kwartdiabetes. Daarnaast behandelt de praktijkondersteuner van de ouderen uit (LMR, 2008). Over het algemeen is hetveel ouderen voor een hoge bloeddruk en COPD (LINH, zorggebruik onder oudere vrouwen hoger dan onder2007). mannen, behalve voor ziekenhuisopnamen. Voor alle voorzieningen geldt dat het zorggebruik toeneemt met deZiekenhuisopnamen vooral vanwege gezichtsstoornissen, leeftijd.hart- en vaatziekten en klachten aan bewegingsapparaatBovenaan de top tien van ziekten en aandoeningen Ouderen maken ook intensiever gebruik van de zorgwaarvoor ouderen in het ziekenhuis worden opgenomen, Er maken niet alleen relatief méér ouderen gebruik van destaan gezichtsstoornissen. Dit betreft vaak staar (LMR, bovenstaande voorzieningen in vergelijking met jongere2008). Daarnaast komen hart- en vaatziekten als hart­ leeftijdsgroepen, maar er is ook sprake van een intensieverritme­ toornissen, coronaire hartziekten en beroerte vaak s zorggebruik. Ouderen hebben intensiever contact metvoor. Vergeleken met alle aandoeningen en ziekten zowel de huisarts, specialist als fysiotherapeut. Voorwaarvoor ouderen in het ziekenhuis worden opgenomen, ziekenhuiszorg geldt dat oudere patiënten gemiddeldkomen relatief veel ouderen in het ziekenhuis terecht minder verrichtingen ondergaan dan jongere patiënten.vanwege een complicatie van een behandeling, een Daarentegen liggen ouderen wel langer in het ziekenhuis.accidentele val en klachten aan het bewegingsapparaat. Het aantal contacten met huisartsen, specialisten enDe top tien van ziekten en aandoeningen waarvoor fysiotherapeuten is het hoogst voor ouderen van 75 jaarouderen het meest in het ziekenhuis worden opgenomen, en ouder. Ten aanzien van het medicijngebruik valt verderkomt redelijk overeen tussen mannen en vrouwen. Er zijn het chronische gebruik van geneesmiddelen bij ouderenwel verschillen in de volgorde. Zo staan bij mannen de op. In 2008 is van alle recepten die ouderen ontvangen,verschillende hart- en vaatziekten hoger in de top tien en 86% een herhalingsrecept (SFK, 2009b). Ook gebruikenbij vrouwen klachten aan het bewegingsapparaat en een ouderen meestal meerdere geneesmiddelen tegelijk. Vanaccidentele val. De ziekenhuisopnamen betreffen zowel de ouderen krijgt 45% in 2007 vijf of meer verschillendeklinische als dagopnamen. geneesmiddelen voorgeschreven. Van de 75-plussers gebruikt bijna 20% tien of meer geneesmiddelen in eenGeneesmiddelengebruik vooral voor hoge bloeddruk jaar (Van Dijk et al., 2009).Ouderen gebruiken geneesmiddelen vooral voorzogenaamde ouderdomskwalen. Het meest gebruikte Ggz-gebruik onder ouderen is relatief laaggeneesmiddel door ouderen in 2008 was een genees­ Weinig ouderen vinden de weg naar de geestelijkemiddel dat onder meer wordt gebruikt bij hoge bloeddruk gezondheidszorg (ggz) (Bierman et al., 2007). Ouderen meten angina pectoris, gevolgd door bloedplaatjes­ psychische problemen maken veelvuldig gebruik van50 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Figuur 6.1 Zelfgerapporteerd gebruik van medische voorzieningen naar leeftijdsgroep in 2009 (Bron: CBS StatLine).percentage100 80 60 40 20 0 huisarts medisch specialist ziekenhuisopname fysiotherapeut medicijngebruik 18-64 65-74 75+huisartsenzorg (Depla et al., 2005). De aanleiding van hun bevolking het geval is. De toename kan maar voor eenbezoek aan de huisarts is echter meestal niet de psychische deel worden toegeschreven aan de veroudering van deproblematiek, maar bestaande lichamelijke problemen. bevolking en de daarmee gepaard gaande verslechterdeHoewel de huisarts in principe de psychische of psycho­ gezondheidstoestand (Swinkels, 2006).sociale problemen bij hun oudere patiënten vroegtijdig zoukunnen opsporen, en hen zonodig kan doorverwijzen naar degespecialiseerde ggz, gebeurt dat niet altijd. De huisarts 6.3 Zorg gericht op beperkingenregistreert bij 18% van zijn oudere patiënten één of meerpsychische problemen (Ten Have et al., 2007), terwijl bij Zelfstandig wonende ouderen maken niet alleen gebruik vanongeveer een kwart van de ouderen met een lichamelijke zorg vanwege hun ziekten en aandoeningen, maar vaak ookaandoening depressie en/of angstklachten voorkomen. Er is vanwege hun beperkingen. De zorg gericht op beperkingendus, net als bij de rest van de bevolking, bij ouderen sprake bestaat naast verzorging, verpleging, begeleiding envan onderdiagnostiek en onderbehandeling voor depressie huishoudelijke hulp (zorg zonder verblijf) uit een aanbod vanen psychische stoornissen. Dit komt onder andere doordat hulpmiddelen en vervoers- en woningvoorzieningen. Dezedeze aandoeningen bij ouderen niet voldoende herkend zorg is erop gericht dat ouderen zo goed en lang mogelijkworden, zowel door de hulpverlener als door ouderen zelf. zelfstandig kunnen blijven wonen. Het bevorderen van deZo voldoen de klachten vaak niet aan de bestaande criteria zelfredzaamheid speelt hierbij een belangrijke rol. Hieraanvoor het stellen van een diagnose. Daarnaast hebben zijn echter grenzen verbonden. Bij een deel van de ouderenouderen ook vaak lichamelijke klachten, waar zowel ouderen zal de gezondheidstoestand zo verslechteren dat dezelf als hulpverleners zich vooral op richten (De Boer, 2006). zelfredzaamheid afneemt en de behoefte aan extramurale danwel intramurale verzorging en verpleging of eenToename zorggebruik onder ouderen, deels als gevolg combinatie hiervan toeneemt. Uiteindelijk kan dit voor eenvan veroudering deel van de ouderen betekenen dat er een moment komtSinds 1981 laten de trends in zorggebruik aanzienlijke waarbij de zorg vooral gericht zal zijn op een zo goedverschillen zien tussen de verschillende zorgverleners. mogelijke begeleiding naar het levenseinde. Deze zoge­Deze trends geven wel een vergelijkbaar beeld met de naamde palliatieve zorg blijft hier buiten beschouwing. Intrends in de algemene bevolking. Het percentage ouderen deze paragraaf gaan we vooral in op zorg die gericht is opdat contact heeft met de huisarts is redelijk stabiel bevordering van de zelfredzaamheid bij zelfstandiggebleven, evenals het percentage ouderen dat in een wonende ouderen.ziekenhuis wordt opgenomen voor een klinische opname.Daarentegen is het percentage ouderen dat gebruikmaakt Een vijfde van de ouderen ontvangt zorg zonder verblijfvan de specialist, fysiotherapeut en voorgeschreven In 2007 ontving circa 20% van de ouderen (496.560geneesmiddelen sterk gestegen, meer dan in de totale ouderen) zorg zonder verblijf (CBS StatLine, 2010). Dit Gezond ouder worden in Nederland | 51
    • Figuur 6.2 Aandeel ouderen dat in 2007 gebruikmaakt van zorg aandeel vrouwen dat in een verzorgings- of verpleeghuis zonder verblijfa en zorg met verblijf naar geslacht en leeftijd in verblijft, groter dan het aandeel vrouwen dat zorg aan huis 2007 (Bron: CBS StatLine). ontvangt. Verder is het aantal vrouwen dat zorg met verblijf percentage en zorg zonder verblijf ontvangt, duidelijk groter dan het aantal mannen. Dit heeft vooral te maken met het feit dat zij 60 vaker met beperkingen te maken hebben en op jongere leeftijd en langduriger alleenstaand zijn (CBS, 2008). 50 Meer dan helft van de ouderen met lichamelijke 40 beperking maakt geen gebruik van Wmo Mensen met een beperking, waaronder relatief veel ouderen, kunnen gebruikmaken van individuele Wmo- 30 voorzieningen. Niet alle ouderen met een lichamelijke beperking maken hier echter gebruik van. Zo maakte in 20 2009 56% van de ouderen met een lichte, matige of ernstige lichamelijke beperking geen gebruik van 10 individuele Wmo-voorzieningen, zoals huishoudelijke hulp, vervoers- en woningvoorzieningen. Zij hebben dit 0 naar eigen zeggen ook niet nodig (Van Campen, 2011). 65-69 70-74 75-79 80-84 85-89 90-94 95+ Ruim een derde van de ouderen met beperkingen ontvangt wel ondersteuning en vindt deze voldoende. vrouwen met zorg zonder verblijf mannen met zorg zonder verblijf Bijna 10% geeft aan (meer) ondersteuning nodig te vrouwen met zorg met verblijf hebben. Van de individuele Wmo-voorzieningen vragen mannen met zorg met verblijf ouderen het meest hulp aan in het huishouden, gevolgda Dit betreft ouderen die niet in een instelling verblijven en zorg door vervoers- en woonvoorzieningen. De helft van de ontvangen, waarvoor een eigen bijdrage is betaald, waarvan de aanvragers geeft aan dat het zonder de ondersteuning van kosten voor rekening van de AWBZ of de Wmo komen. de gemeente niet mogelijk zou zijn om zelfstandig te blijven wonen (De Klerk et al., 2010).betreft AWBZ- en/of Wmo-zorg waarvoor een eigenbijdrage is berekend en geïnd door het Centraal Bijna 10% van de ouderen met een lichamelijkeAdministratie Kantoor (CAK). Bijna drie kwart van de beperking ontvangt een persoonsgebonden budgetouderen die zorg zonder verblijf ontvangt, ontvangt die Mensen met een beperking kunnen ervoor kiezen hunzorg in de vorm van huishoudelijke hulp. Deze wordt aanspraak voor Wmo- en/of AWBZ-voorzieningen tevanuit de Wmo gefinancierd. De helft hiervan ontvangt ontvangen in de vorm van zorg in natura, een persoons­alleen huishoudelijke hulp, de andere helft ontvangt gebonden budget (pgb) of een combinatie hiervan. Met eenhuishoudelijke hulp in combinatie met verpleging en/of pgb krijgen ouderen met een beperking een budgetverzorging. Verpleging en verzorging worden vanuit de toegekend dat zij kunnen gebruiken om zelf formele dan welAWBZ of Zorgverzekeringwet gefinancierd. Een kwart van informele zorgverleners in te huren voor de zorg die zij nodigde ouderen die gebruikmaakt van zorg zonder verblijf hebben. Ook kunnen ze hiermee zelf voorzieningen regelenontvangt alleen verpleging en/of verzorging. of hulpmiddelen aanschaffen. Bijna een tiende van de ouderen met een matige of ernstige lichamelijke beperkingMeer zorg zonder verblijf naarmate men ouder wordt maakte in 2007 gebruik van een pgb, een verdubbeling vanHet gebruik van zorg zonder verblijf neemt toe naarmate het percentage in 2004 (Marangos et al., 2009).men ouder wordt (zie figuur 6.2). Van de 65-69-jarigenmaakt ongeveer 6% van de zelfstandig wonende ouderen Ongeveer 150.000 ouderen maken gebruik vangebruik van zorg zonder verblijf, van de 85-89-jarigen is dit mantelzorgongeveer de helft. Als we uitgaan van absolute aantallen De zorg voor ouderen bestaat niet alleen uit professionelezelfstandig wonende ouderen die huishoudelijke hulp, zorg. Ruim 150.000 ouderen ontvingen in 2005 alleenverpleging en/of verzorging ontvangen, is de groep mantelzorg of mantelzorg in combinatie met professionele80-84-jarigen het grootst. Naarmate ze ouder worden, gaan zorg (De Boer et al., 2008). Er kan nog een onderscheidouderen niet alleen meer gebruik van zorg zonder verblijf gemaakt worden naar mantelzorg die ‘belangeloos’ wordtmaken, er zal ook sprake zijn van substitutie door zorg in verleend en mantelzorg die vanuit een pgb wordt vergoed.verpleeg- en verzorgingshuizen. Als ouderen in een instelling Het is niet bekend hoeveel ouderen een pgb voorworden opgenomen, maken ze geen gebruik van zorg mantelzorg ontvangen. Ook ondersteuning aanzonder verblijf. Zo is bij vrouwen van 90 jaar en ouder het mantelzorgers behoort tot de Wmo.52 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Figuur 6.3 Percentage ouderen dat hulpmiddelen gebruikt bij ouderen. Het aandeel ouderen dat in een verpleeg- ofnaar leeftijd en type hulpmiddelen in 2008 (Bron: CBS StatLine). verzorgingshuis woont, is gehalveerd tussen 1995 en 2010percentage (CBS StatLine). Maar ook absoluut gezien is het aantal ouderen dat gebruikmaakt van zorg met verblijf ondanks100 de vergrijzing gedaald. Het aantal mensen dat zorg zonder verblijf ontvangt, is in de periode 1995-2010 gestegen. De laatste jaren daalt het aandeel ouderen met zorg zonder 80 verblijf echter licht bij ouderen jonger dan 80 jaar en is stabiel bij ouderen van 80 jaar en ouder. De hoeveelheid 60 zorg die een oudere krijgt, is in de periode 2000-2007 sterker gestegen bij zelfstandig wonende ouderen dan bij ouderen in verplegings- en verzorgingshuizen. Dit 40 betekent dat er op persoonsniveau intensiever gebruik wordt gemaakt van zorg zonder verblijf. Dit komt door een combinatie van een verminderd gebruik van zorg met 20 verblijf, technologische ontwikkelingen, verkorting van de ligduren in ziekenhuizen en een stijgend aantal 0 ziekenhuisbehandelingen. auditieve visuele hulp- anatomische hulp- hulp- hulp- middelen hulp- middelen Toename kleinschalig wonen middelen middelen voor het middelen voor bewegen incontinentie Niet alle ouderen die thuis zorg ontvangen, wonen zelfstandig. Er is sprake van een toename van ouderen die 65-74 75+ kiezen voor kleinschalige woonvormen. Gestimuleerd door de overheid groeit het aantal kleinschalige woonvormen voor mensen met dementie bijvoorbeeld sterk. Het gaat om kleinschalige zorg die gefinancierd wordt vanuit deVeel ouderen, vooral 75-plussers, maken gebruik van AWBZ. In 2010 woont een kwart van de ouderen methulpmiddelen dementie in een kleinschalige woonvorm (Vilans, 2010).Hulpmiddelen hebben als doel om functionerings­problemen te beperken of te compenseren. Hierna gaan Wonen op maat ter bevordering van zelfstandig wonenwe alleen in op hulpmiddelen ter ondersteuning van door ouderen met beperkingenbeperkingen. Deze worden vanuit de Wmo en/of AWBZ Om zelfstandig wonen van ouderen met beperkingenverstrekt. We gaan hier niet in op hulpmiddelen die nodig mogelijk te maken is aanpassing van het woonaanbodzijn bij de behandeling van een aandoening, zoals essentieel. Gemeenten, woningcorporaties en zorg­insulinespuiten voor diabetespatiënten. Deze worden aanbieders moeten zorgen voor voldoende geschiktevanuit de Zvw verstrekt. woningen en een toegankelijke woonomgeving voorBijna alle ouderen gebruiken een hulpmiddel om beter te ouderen (en anderen) met beperkingen. Met een tweejarigkunnen zien (zie figuur 6.3). Daarnaast gaf één op de vijf in ondersteuningsprogramma kunnen gemeenten en andere2008 aan een hulpmiddel te gebruiken bij het bewegen, zoals organisaties aan de slag om wijken generatiebestendig teeen rolstoel, looprek of stok en één op de zes een hulpmid- maken (Actieplan ‘Beter (t)huis in de buurt’). Het versnel­del bij het horen. Van de 75-plussers gebruikt bijna 40% len van het aanbod aan kleinschalige woonvormen, hethulpmiddelen voor het bewegen en bijna 30% hulpmiddelen stimuleren van toepassing van ICT en domotica en hetbij het horen. Oudere vrouwen hadden twee keer zo vaak een ondersteunen van informele zorgverleners zijn belangrijkehulpmiddel bij het bewegen als oudere mannen. Oudere onderdelen van het Actieplan.mannen hadden juist vaker een gehoorapparaat of eenapparaat voor geluidsversterking (Wingen, 2009). Met de leeftijd verandert de aard van de zorg Uit het voorgaande komt naar voren dat de aard van hetVerschuiving van zorg met verblijf naar zorg zonder zorggebruik verandert met het ouder worden. Eenverblijf behoorlijk deel van de 65-74-jarigen is nog vitaal. ZeHet overheidsbeleid is erop gericht om ouderen zo lang maken ten opzichte van de gehele bevolking weliswaarmogelijk zelfstandig te laten wonen. Dit is conform de meer gebruik van zorg, maar het gaat vooral om hetwens van de meeste ouderen om zolang mogelijk actief, gebruik van de curatieve zorg, gericht op genezing ofautonoom en onafhankelijk te blijven. Het overheidsbeleid stabilisatie van ziekten en aandoeningen. Met het ouderis zichtbaar in het zorggebruik. Er is een duidelijke worden verslechtert de gezondheid: er is een toename vanverschuiving van zorg met verblijf naar zorg zonder verblijf (chronische) ziekten en van beperkingen waarbij structurele Gezond ouder worden in Nederland | 53
    • zorg en ondersteuning nodig is. Het bevorderen en behoud Zorg gericht op ouderen met complexe problematiekvan functionaliteit, zelfredzaamheid en ervaren kwaliteit vergt goede regievan leven komen dan voorop te staan. De aandacht is niet Bij de zorg gericht op zelfstandig wonende ouderen metlanger meer primair gericht op het genezen van ziekte of complexe problematiek zijn veel verschillende zorg- enaandoening (NHG, 2007). De zorg voor de chronisch zieke hulpverleners betrokken. Hierbij loopt zorg gericht opouderen met beperkingen kenmerkt zich door veel aandoeningen en zorg gericht op beperkingen door elkaar.preventieve activiteiten ter voorkoming van ergere Dit vergt de nodige regie op de samenwerking enproblemen of van complicaties. Dit komt ook in het afstemming tussen bijvoorbeeld de huisarts, medisch-volgende hoofdstuk over preventie aan bod. specialist, gemeente, huishoudelijke hulp, wijkverpleeg- kundige en/of mantelzorger. Bovendien doet deze diversiteit aan zorgverleners een sterk beroep op de6.4 Zorg gericht op complexe communicatie tussen de zorgverlener en de patiënt. Zowel zorgverleners als patiënten ervaren onvoldoende problematiek coördinatie van de zorg of het ontbreken daarvan enPersoonlijke context ouderen bepalend voor ontstaan onderlinge communicatie tussen zorgverleners alscomplexe problematiek belangrijke knelpunten (Luijben & Kommer, 2010).Naast aandoeningen en beperkingen is de persoonlijkecontext een belangrijke bepalende factor bij de zorg­behoefte Verschillende initiatieven ter verbetering kwaliteitvan ouderen. De ervaren gezondheid van ouderen wordt ook van zorgbeïnvloed door de kwetsbare levens­fase waarin zij zich Zowel vanuit de overheid als vanuit de zorgaanbieders zijnbevinden. In deze levensfase komen ziekte, beperkingen en/ initiatieven gestart om de zorg voor ouderen metof verlies van de partner en andere naasten meer voor dan complexe problematiek te verbeteren. Het Nationaalbij de jongere bevolking. Hierdoor wordt de sociale en Programma Ouderenzorg beoogt de kwaliteit van de zorgemotionele steun dikwijls minder en is er soms sprake van gericht op ouderen met complexe problematiek teeen teruggang in economische omstandigheden. Vaak bevorderen. In het kader van dit ZonMw-programmaspreekt men dan van ouderen met complexe problematiek vinden momenteel regionale experimenten plaats met(NHG, 2007). Maar ook de term kwetsbare ouderen is op nieuwe zorgvormen voor ouderen met complexedeze groep van toepassing (Van Campen, 2011). problematiek. Het doel hiervan is het realiseren van een meerwaarde voor deze groep ouderen, via een integraalOuderen met complexe problematiek maken structureel zorg- en ondersteuningsaanbod op maat dat leidt toten intensief gebruik van zorg betere zelfredzaamheid, meer functiebehoud, minderZelfstandig wonende ouderen met complexe problematiek zorggebruik en minder zorg- en behandelbelasting. Hierbijmaken structureel en intensief gebruik van zorg. Het gaat zijn universitaire medische centra, zorgaanbieders,hierbij doorgaans om een combinatie van voorzieningen, verzekeraars, gemeenten, woningcorporaties en deom zowel AWBZ- als Wmo-gefinancierde zorg en onder­ kwetsbare ouderen zelf betrokken. Het programmasteuning, als ook om Zvw-gefinancierde zorg gericht op bestaat uit onderzoek, implementatie en transitie-behandeling van (complicaties van) ziekten en aan­ experimenten. De transitie-experimenten zijn ambitieuzedoeningen. Naast deze formele zorg maken ouderen met projecten, waarin de zorg voor kwetsbare ouderen metcomplexe problematiek vaak ook intensief gebruik van complexe problematiek tijdelijk op een alternatieveinformele zorg door partners, familieleden of vrijwilligers. manier wordt georganiseerd en aangeboden (Luijben & Kommer, 2010). Het ZonMw-programma loopt af in 2012.Ook bij zorg gericht op complexe problematiek staat Ook binnen de medische beroepsorganisaties is veelbehoud van zelfredzaamheid en functies centraal aandacht voor ouderen met complexe problematiek. DeHet bevorderen dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig, artsenorganisaties Koninklijke Nederlandsche Maat­in de eigen vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen, schappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en hetis ook een belangrijk doel bij de zorg gericht op ouderen Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) hebbenmet complexe problematiek. De zorg beoogt de zelfred­ toekomstvisies uitgebracht die gewijd zijn aan dezaamheid van de oudere patiënten te bevorderen en huisartsen- en ziekenhuiszorg voor ouderen. Daarnaastfuncties zo lang mogelijk te behouden. Met verzorging en lopen er bij zorginstellingen en op regionaal enverpleging en de inzet van technologie en hulpmiddelen gemeentelijk niveau nog tal van initiatieven om dewordt geprobeerd om ouderen met een verzorgings- of kwaliteit van zorg voor ouderen te verbeteren.verpleeghuisindicatie, indien gewenst, zo lang mogelijk Voorbeelden hiervan zijn onder andere te vinden op dezelfstandig te laten wonen. Hiertoe bestaat de mogelijk­ website Zorg voor Beter (www.zorgvoorbeter.nl). Verderheid van extramurale ouderenzorg, dagopvang en schuift de overheid de wijkverpleegkundige naar voren alsintensieve thuiszorg. de spil in de zorg gericht op complexe problematiek (VWS,54 | Gezond ouder worden in Nederland
    • 2009b). Het ZonMw-programma ‘De zichtbare schakel’moet duidelijk maken wat de wijkverpleegkundige in depraktijk bijdraagt aan het bevorderen van de kwaliteit ende samenhang van de zorg bij complexe problematiek. Inhet kader van dit programma zijn 180 fte-wijkverpleeg­kundigen aan de slag gegaan, veelal in achterstandswijken.Tot slotIn dit hoofdstuk zijn we ingegaan op het gebruik van zorgdoor zelfstandig wonende ouderen, waarbij een kunstmatigonderscheid is gemaakt naar zorg gericht op aandoeningen,zorg gericht op beperkingen en zorg gericht op complexeproblematiek. Hierbij lag de nadruk op het gebruik van deverschillende door de overheid gefinancierde voor­zieningen, zoals ziekenhuiszorg, eerstelijnszorg, verzorgingen verpleging zonder verblijf en hulpmiddelen door detotale groep ouderen. In dit hoofdstuk is amper ingegaanop de reden en de inhoud of aard van het zorggebruik doorouderen.In de zorg voor ouderen is het vaak lastig een striktescheiding aan te geven tussen preventie en zorg. Zo maaktin de zorg gericht op aandoeningen (cure) preventieintegraal onderdeel uit van de zorg. Bij de zorg gericht opbeperkingen en complexe problematiek is sprake vanactiviteiten die kunnen worden opgevat als functionerings­gerichte preventie. In het volgende hoofdstuk overpreventie bij ouderen komen deze aspecten onder andereaan bod. Gezond ouder worden in Nederland | 55
    • 7Preventie gerichtop ouderenMirjam Busch en Manon Savelkoul interventies liggen op het terrein van zowel de zorg- als de sociale sector. Het gaat vooral om lokale activiteiten op basis van de Wet publieke gezondheid (Wpg) en de Wet7.1 Inleiding maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Maar ook sommige interventies voor individuele ouderen die vanuitBij preventie gericht op ouderen gaat het erom belem­ de AWBZ en Zvw worden gefinancierd, vallen binnen demeringen in het gezond ouder worden vroegtijdig op te brede definitie van preventie.sporen en op te lossen. Gezond ouder worden gaat nietalleen om het voorkómen en uitstellen van ziekte en Leeswijzersterfte, maar zeker ook om de preventie van beperkingen In dit hoofdstuk staat de preventie gericht op zelfstandigin het functioneren, het voorkómen van verlies van wonende ouderen centraal. De focus ligt hierbij opzelfredzaamheid en het terugdringen van afhankelijkheid preventie op lokaal niveau, die plaatsvindt ondervan de zorg. ‘Het concrete doel van preventieve acties gemeentelijke verantwoordelijkheid of regie. In paragraafverschilt per situatie, maar is in algemene zin steeds om 7.2 schetsen we een beeld van het huidige aanbod aanopschuiven in de cascade van kwetsbaarheid en functie­ preventieve activiteiten in Nederland. Hierbij komt zowelverlies te voorkomen’ (Gezondheidsraad, 2009). Hoewel de aanbod- als de vraagzijde aan bod: op welke thema’sleeftijd geen absoluut criterium is, neemt over het (ziekten, aandoeningen, risico’s en beperkingen) is hetalgemeen de gezondheid af met het vorderen van de aanbod gericht, wat wordt er aan wie aangeboden, hoe isleeftijd. Bij het ouder worden verschuift de doelstelling van het aanbod georganiseerd en wie zijn belangrijke spelerspreventie. Tot een leeftijd van ongeveer 75 jaar is de in de organisatie en uitvoering ervan. In paragraaf 7.3 staatdoelstelling ‘langer leven in goede gezondheid’ haalbaar. het bereik en de effectiviteit van het huidige preventie­Bij ouderen boven de 75 jaar is de gezondheidsgerelateerde aanbod gericht op ouderen centraal. Eerst beschrijven wekwaliteit van leven belangrijker. Veel ouderen hebben dan wat er bekend is uit evaluatiestudies naar specifiekeimmers al met (meerdere) ziekten en aandoeningen en/of preventieve interventies voor ouderen in Nederland.beperkingen te kampen. Hiermee ontstaat een beeld van welke Nederlandse interventies effectief zijn. Vervolgens gaan we in op dePreventie voor ouderen maakt deel uit van de zorgketen, is resultaten van internationale reviews naar de (kosten)verbonden met cure en care, maar hangt ook samen met effectiviteit van preventie bij vier belangrijke problemenwonen en welzijn. De preventieve maatregelen en voor ouderen: vallen, inactiviteit, eenzaamheid en Gezond ouder worden in Nederland | 57
    • Tabel 7.1 Preventieaanbod voor zelfstandig wonende ouderen in Nederland (Bron: o.a. I-database RIVM; Gezondheidsraad, 2009).Thema Voorbeelden landelijkea en lokale interventiesZiektegerichte preventieInfluenza Influenzavaccinatie: jaarlijks krijgen alle 60-plussers een griepprik aangeboden door de huisarts.Borstkanker Borstkankerscreening: elke twee jaar worden vrouwen van 50 tot en met 75 jaar uitgenodigd voor een onderzoek naar borstkanker.Lichamelijke activiteit Landelijke interventies: ‘GALM’, ‘NiB-tv’, ‘Meer bewegen voor ouderen’ en ‘Bewegen en Gezondheid voor 50+’. Lokale variant van deze laatste interventie is ‘Thuis in beweging’.Gezonde voeding Landelijke interventies ontbreken. Wel zijn er (voor professionals) normen opgesteld waaraan een gezond dieet voor ouderen dient te voldoen (Gezondheidsraad, 2000). Lokaal worden vooral voorlichtings­ bijeenkomsten aangeboden aan ouderen. Voorbeelden: ‘Goede voeding voor ouderen’, ‘Gezonde voeding, gezond ouder worden’, ‘Gezonde voeding als u ouder wordt’ en ‘Grijze haren, andere etenswaren’.Psychische stoornissen Landelijke interventies: ‘In de put, uit de put 55+’, ‘Verhalen die we leven’, ‘Kleur je leven 55+’, ‘Op zoek naar(depressie en angst) zin’ en ‘Activerend huisbezoek’. Voor verweduwde ouderen is er ‘Verlies en dan verder’ en ‘Bezoekdienst’, en voor oudere Turken en Marokkanen is er ‘De kracht van je leven’. Daarnaast is er een handleiding ‘Integrale aanpak depressiepreventie ouderen’ voor gemeenten, om een integrale wijkgerichte aanpak te ontwikkelen (Bohlmeijer et al., 2005). Voorbeelden van lokale interventies: ‘Zingeving voor ouderen’ en ‘Gezondheid in Balans’. Het aanbod gericht op preventie van angst bij ouderen beperkt zich tot enkele aangepaste interventies voor volwassenen (‘Angst de baas 55+’ en ‘Angst in de hand 55+’).Eenzaamheid Het aanbod bestaat vooral uit het stimuleren van contacten in de omgeving door sociaal-culturele of persoonlijke activering. Naast het aanbieden van allerlei sociale activiteiten, zoals koffie-inloopochtenden, gymclubjes en dergelijke, gaat het hierbij om interventies als: ‘Samen is wijs’, ‘Vriend actief’, ‘Vriendschapscursus’, ‘Zin in vriendschap’, ‘Esc@pe…als je wereld kleiner wordt’ en ‘50plusnet’. Er zijn ook interventies voor specifieke risicogroepen zoals weduwen (‘Alleen verder’) en homoseksuelen (‘Buddyzorg voor oudere homoseksuelen’). Daarnaast maakt (vroeg)signalering door hulp- en zorgverleners ook deel uit van het preventieaanbod. De ‘Handreiking Signaleringsnetwerken voor sociaal geïsoleerde ouderen’ (Van Doorn, 2006) is hiertoe ontwikkeld.Dementie (Alzheimer) Het aanbod bestaat uit vroegsignalering van dementie en ondersteuning van patiënten en verzorgers. Het gaat om interventies als: ‘‘Geheugenspreekuur’, ‘Vergeetachtigheid of dementie?’, ‘Alzheimer café’ en ‘Ontmoetingscentra voor mensen met dementie en hun verzorgers’.Functioneringsgerichte preventieGezond of succesvol Dit betreft een gevarieerd aanbod. Het gaat zowel om voorlichting over ouder worden (zoals ‘Senioren­ouder worden voorlichting’, ‘Gezondheidsvoorlichting 50+’ en ‘De kunst van het ouder worden’) als om het aanleren van vaardigheden hoe (proactief) om te gaan met bijbehorende emoties en problemen (zoals ‘Op weg naar Gouden jaren’, ‘Grip op je leven’ en het zelfhulpboek ‘Succesvol ouder worden’). Ook gaat het om inter­ venties gericht op zingeving in de laatste levensfase (zoals ‘Levenskunstspel’ en ‘Geef je leven een beetje meer glans’) en op het behoud van eigen regie, ondanks toenemende afhankelijkheid (zoals ‘50+-vrouwen de zorg in eigen hand’, en ‘Grip op eigen lijf en Leven’). Voorbeelden van interventies voor allochtone ouderen zijn: ‘Ouder worden in Nederland in de 21e eeuw’, ‘Zin in gezond leven’ en ‘Gezond ouder worden’.Zelfredzaamheid Er is sprake van een zeer divers aanbod van zowel functie- als competentiegerichte interventies (zoals incontinentietraining, cognitieve training en valpreventie, zie hierna), programma’s gericht op het leren omgaan met chronische ziekten en/of multimorbiditeit (zoals ‘Zelfmanagement bij ouderen met chronisch hartfalen’), integrale individuele interventies (zoals huisbezoeken en activeringsprogramma’s), zorggerelateerde preventie van aspecifieke gevolgen van ziekte of aandoening (zoals decubitus, slaapgebrek, vochttekort, slechte voedingstoestand en verwarring) en programma’s die zich op fysieke en sociale omgeving richten (zoals buddy’s, Consultatiebureaus voor Ouderen, mantelzorgondersteuning, veilige woonomgeving en levensloopbestendig bouwen).Vallen Landelijke interventies: ‘Halt! U valt’, ‘ Zicht op evenwicht’, ‘Vallen verleden tijd’, ‘In Balans’, ‘Gezond en Vitaal’ en ‘Bewegen valt goed!’ (voor allochtone ouderen). Voorbeelden van lokale valpreventieprojecten zijn ‘Woon wijs, voorkom vallen’, ‘Gezond verder’, ‘Veilig Thuis’ en ‘Lekker en veilig slapen’.a Landelijke interventies zijn door een landelijke organisatie ontwikkeld en op lokaal niveau geïmplementeerd.58 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Tekstblok 7.1: Age-friendly Cities project: iets voor Nederland? De vergrijzing in Europa (en de rest van de wereld) gaat 1. omgeving buitenshuis en gebouwen; hand in hand met de verstedelijking. Sinds 2007 woont 2. vervoer; meer dan de helft van de wereldbevolking in de stad 3. huisvesting; (UNFPA, 2007). Ook steeds meer ouderen wonen in 4. sociale participatie; stedelijk gebied, een omgeving die niet altijd even 5. respect en sociale inclusie; vriendelijk is voor mensen die slecht ter been worden 6. deelname aan de maatschappij en arbeidsmarkt; en soms hulp nodig hebben bij alle­ aagse dingen. d 7. communicatie en informatie; 8. gemeenschapssteun en gezondheidsdiensten. Het Age-friendly Cities project van de WHO biedt steden overal ter wereld een raamwerk om de Hoewel Nederland bij uitstek te maken heeft met leefbaarheid voor ouderen te verbeteren (WHO, 2007). ouderen die in stedelijk gebied wonen, komt er in Het doel is op een lokaal niveau ouderen zo lang de lijst van 35 huidige age-friendly steden nog geen mogelijk te kunnen laten deelnemen aan de enkele Nederlandse gemeente voor. Wellicht zijn er samenleving. mogelijkheden nu steeds meer verantwoordelijkheden voor welzijn van en zorg voor ouderen worden Een age-friendly city moedigt actief ouder worden aan overgeheveld naar de gemeenten. Veel inspiratie biedt door het optimaliseren van kansen voor gezondheid, de age-friendly aanpak in New York City, waar men in deelname en veiligheid om de kwaliteit van leven te 2007 enthousiast aan de slag is gegaan (Bloomberg & bevorderen van ouder wordende burgers. In prak­ Quinn, 2009). De burgemeester van New York, tische zin past de age-friendly city zijn bestaande Bloomberg, is één van de meest actieve deelnemers en structuren en diensten op zodanige wijze aan dat ze zet zich in om zijn stad te verbeteren voor de ouder toegankelijk en uitnodigend worden voor mensen met wordende bevolking. Een grote hoe­ eelheid concrete v verschillende behoeften en capaciteiten (WHO, 2007). plannen en acties is in te zien op de website De domeinen waarop wordt ingegrepen door middel (www.agefriendlynyc.org/suggestions.html). van verschillende typen interventies zijn:depressie. Deze informatie is niet direct toepasbaar voor Ziektegericht preventieaanbod vooral gericht opgemeenten, maar geeft wel een beeld van welke soorten gezondheidsbevorderinginterventies voor de toekomst het meest kansrijk zijn. Ziektegerichte preventie omvat maatregelen om ziekte te voorkomen en vroeg op te sporen, gezondheid te bevorderen en gezondheid te beschermen. Zoals zichtbaar7.2 Preventieaanbod gericht op in tabel 7.1, zijn er in Nederland twee landelijke programma’s gericht op het voorkómen of vroegsignaleren van ziekte bij ouderen in Nederland ouderen: influenzavaccinatie en borstkankerscreening. HetAanbod gericht op fysiek, psychisch en sociaal ziektegerichte preventieaanbod bestaat verder vooral uitfunctioneren leefstijlinterventies gericht op gezondheidsbevordering. DeHet preventieaanbod richt zich op het bevorderen van het nadruk ligt hierbij op het bevorderen van bewegen. Er zijnfysieke, psychische en sociale functioneren van ouderen. nagenoeg geen interventies gericht op genotsmiddelenIn tabel 7.1 staat het preventieaanbod dat specifiek gericht (roken, alcohol en drugs) die specifiek op ouderen gerichtis op ouderen weergegeven. Het aanbod voor de totale zijn. Ook interventies gericht op geneesmiddelengebruikgroep volwassenen, waar ouderen ook onder vallen, is (slaapmiddelen en polyfarmacie) zijn niet specifiek voorhier niet in meegenomen. Er is een onderverdeling ouderen ontwikkeld, terwijl dit wel relevant is bij ouderen.gemaakt naar ziektegerichte preventie, gericht op hetvoorkómen van ziekten en aandoeningen, en naar Aanzienlijk aanbod voor depressiepreventiefunctionerings­ erichte preventie, gericht op het g Er is een aanzienlijk preventieaanbod dat zich richt opvoorkómen van beperkingen en functionele tekorten bij psychische stoornissen bij ouderen. Hierbij gaat hetouderen. Meer informatie over de leefstijlinterventies in voornamelijk om interventies gericht op vroegsignaleringdeze tabel is onder andere te vinden in de Interventie of het voorkómen van depressie. Het aanbod richt zichdatabase van het Centrum Gezond Leven van het RIVM vooral op ouderen met depressieve klachten en op(www.loketgezondleven.nl/interventies/i-database). specifieke risicogroepen, zoals ouderen die net hun Gezond ouder worden in Nederland | 59
    • partner hebben verloren. Specifiek voor de doelgroep of aandoening die naar verwachting baat zullen hebben bijouderen is een handleiding ‘Integrale aanpak depressie- dergelijke activiteiten.preventie ouderen’ ontwikkeld (Bohlmeijer et al., 2005).Daarmee kunnen gemeenten een wijkgerichte aanpak Preventie vaak lokaal, kleinschalig en niet structureelvoor depressiepreventie ontwikkelen, waarbij GGD’en en De meeste preventieve activiteiten voor ouderen vindenoverige relevante partijen met elkaar samenwerken. plaats op lokaal niveau, vaak in de eigen wijk of buurt of bijHet aantal interventies dat zich richt op preventie van de ouderen thuis. Het gaat meestal om een kleinschalig enangst bij ouderen is zeer beperkt, terwijl een angststoornis niet-structureel aanbod. Op lokaal niveau zijn er grotede meest voorkomende psychische aandoening bij verschillen. Alleen de influenzavaccinatie en de screening opouderen is. Het Landelijk Platform Preventie Ouderen borstkanker zijn structurele landelijke programma’s(LPPO) zet zich in om het thema angst bij ouderen op de die aan (een deelpopulatie van) alle ouderen wordenlandelijke politieke agenda te krijgen. aangeboden. Bij het meeste aanbod is sprake van face-to- face contact tussen de oudere(n) en een hulp­ erlener of vFunctioneringsgericht preventieaanbod divers begeleider, in de vorm van een cursus, vaardigheids­ raining, tUit tabel 7.1 blijkt dat het functioneringsgericht aanbod van workshop, voorlichtingsbijeenkomst, huisbezoek, hulp inpreventie zeer divers is. Het bestaat enerzijds uit specifieke de huishouding of andere onder­ teuning. Er is echter ook sfunctie- of competentiegerichte interventies, zoals sprake van online aanbod. Hierbij gaat het bijvoorbeeld omvalpreventie of het gebruik van hulpmiddelen. Anderzijds een zelfhulpcursus of een online community voor ouderen.omvat dit aanbod ook integrale interventies, die zich richtenop gezond of succesvol ouder worden en op de zelfred- Preventie gericht op ouderen betreft zowel collectief alszaamheid van ouderen. Hierbij gaat het om huisbezoek en individueel aanbodactiveringsprogramma’s, consultatie­bureaus, mantelzorg­ Veel preventief aanbod richt zich op alle oudere inwonersondersteuning, activiteiten gericht op zelfmanagement, van een gemeente, wijk of buurt. Hierbij gaat het omzingeving en maatschappelijke participatie. algemeen Wmo-beleid, zoals goed openbaar vervoer,Bij functioneringsgerichte preventie gaat het ook om levensloopbestendig bouwen en oudervriendelijk inrichteninspanningen gericht op het meer ‘age-friendly’ maken van de woonomgeving. Maar ook vanuit de Wpg is ervan de fysieke omgeving (zie tekstblok 7.1). Dit zijn sprake van een collectief aanbod ter bevordering engemeentelijke initiatieven op de terreinen wonen (zoals bescherming van de gezondheid van oudere inwoners. Ditlevensloopbestendig bouwen, toepassen robotica/ betreffen vaak leefstijlinterventies die zich richten op alledomotica), ruimtelijke ordening (zoals aanbrengen ouderen.rustplekken, openbare toiletten, wegnemen drempels) en Naast het collectieve aanbod is er ook een individueelverkeer (zoals toegankelijk openbaar vervoer en preventief aanbod. Dit betreft de eerdergenoemdeaanpassen verkeerssituatie). Dergelijke maatregelen vallen geïndiceerde en zorggerelateerde preventie binnen debinnen de wettelijke verantwoordelijkheid van gemeenten zorg, evenals leefstijlinterventies die gericht zijn opom maatschappelijke participatie voor mensen met een ouderen met een verhoogd risico op een ziekte,beperking, waaronder veel ouderen, mogelijk te maken. aandoening of beperking. Ook de Wmo-voorzieningen waarvoor een indicatie nodig is, vallen onder hetPreventie maakt ook deel uit van reguliere zorg individuele aanbod (zie ook hoofdstuk 6). Hierbij gaat hetEen deel van de ziektegerichte en functioneringsgerichte om hulpmiddelen, huishoudelijke hulp en woning­preventie gericht op ouderen vindt plaats binnen de zorg. aanpassingen voor ouderen die vanwege een fysiekeDit aanbod is niet opgenomen in tabel 7.1. Naast de beperking of psychische of sociale problemen,programmatische preventie voor groepen ouderen (de ondersteuning nodig hebben. Deze ondersteuning isinfluenzavaccinatie en de borstkankerscreening) betreft dit gericht op het behoud van zelfredzaamheid en daarmeevooral zogenaamde casuïstische preventie. Hierbij gaat het op te vatten als functioneringsgerichte preventie.om vroegsignalering van gezondheidsproblemen en-risico’s of om een leefstijladvies tijdens een consult van Deel preventief aanbod is gericht op mensen jongereen oudere patiënt door de (huis)arts. Deze preventie valt dan 65 jaarbinnen de reguliere zorg. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld Preventie gericht op de doelgroep ouderen is lang nietdecubituspreventie en revalidatieprogramma’s. Voor­ altijd gericht op 65-plussers. Zo richten veel gezondheids­beelden van ander preventief aanbod in de zorg zijn: bevorderende interventies zich op 55-plussers, of zelfscursussen en trainingen gericht op meer bewegen en 50-plussers. Met interventies gericht op deze ‘jongerevalpreventie door fysio- en ergotherapeuten, voor­ ouderen’, die over het algemeen nog gezond en vitaal zijn,lichtingsbijeenkomsten door praktijkverpleegkundigen en beoogt men, via het bevorderen van gezond gedrag,voedingsvoorlichting door diëtisten. Het gaat hier vooral gezondheidsschade en/of functionele beperkingen opom preventie gericht op ouderen met een bepaalde ziekte latere leeftijd te voorkomen. Het aanbod voor preventie60 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Tabel 7.2 Organisaties betrokken bij ontwikkeling en uitvoering van preventie gericht op ouderen.Organisatie ActiviteitenLandelijkThema-instituten, zoals Ontwikkelen van projecten en interventies gericht op respectievelijk (onge)valpreventie, preventie enStichting Consument en vroegsignalering van psychische stoornissen en verslavingsproblematiek, bevorderen van lichamelijkeVeiligheid, Trimbos-instituut, activiteit en gezondheidsbevordering in het algemeen.NISB en NIGZVilans Gericht op het welzijn met specifieke aandacht voor onderwerpen als eenzaamheid en dementie. Vilans werkt zowel nationaal als lokaal.Kenniscentrum Lokaal Ondersteunen van organisaties bij het ontwikkelen van lokaal sociaal beleid. Gericht opOuderenbeleid maatschappelijke activering, sociale preventie en persoonsgerichte ondersteuning.Ouderenbonden en Belangenbehartiging gericht op volwaardige deelname aan de samenleving. Aandacht voor welzijn,seniorenraden gezondheid en (financieel) toegankelijke voorzieningen. Lokale afdelingen verzorgen onder meer sociale en beweegactiviteiten.Vrijwilligersorganisaties Ontwikkelen van ondersteuningsprojecten. Lokale vrijwilligers voeren de ondersteunende activiteitenzoals Humanitas en uit, vooral gericht op eenzaamheid, rouwverwerking en actief ouder worden.ZonnebloemRegionaal/lokaalGGD’en Geven van cursussen en voorlichting gericht op vroegsignalering en preventie van depressie, dementie en angststoornissen.Ggz-instellingen Er is sprake van een zeer divers aanbod van zowel functie- als competentiegerichte interventies (zoals incontinentietraining, cognitieve training en valpreventie, zie hierna), programma’s gericht op het leren omgaan met chronische ziekten en/of multimorbiditeit (zoals ‘Zelfmanagement bij ouderen met chronisch hartfalen’), integrale individuele interventies (zoals huisbezoeken en activeringsprogramma’s), zorggerelateerde preventie van aspecifieke gevolgen van ziekte of aandoening (zoals decubitus, slaapgebrek, vochttekort, slechte voedingstoestand en verwarring) en programma’s die zich op fysieke en sociale omgeving richten (zoals buddy’s, Consultatiebureaus voor Ouderen, mantelzorgondersteuning, veilige woonomgeving en levensloopbestendig bouwen).Thuiszorgorganisaties Uitvoeren van (voorlichtings)activiteiten, vooral gericht op bewegen, gezonde voeding, maar ook (vroeg)signalering van psychische problemen en dementie.Huisartsen Verrichten van gezondheidsonderzoeken en vroegsignalering, waaronder de jaarlijkse influenzavaccinatie.Fysio- en ergotherapeuten Geven van trainingen ter voorkoming van vallen en ter bevordering van zelfredzaamheid.Samenwerkingsverbanden Verrichten van preventieactiviteiten vooral op gebied van verslaving (stoppen met roken), maar ookeerste lijn of ROS’en veiligheid (valpreventie en polyfarmacie), psychische problemen en sociale steun.Consultatiebureaus voor Bieden van laagdrempelige, integrale en periodieke preventieve zorg. Een CbO behandelt niet, maarouderen (CbO) signaleert risico’s, informeert over gezond en actief ouder worden en wijst de weg in het voorzieningenaanbod. Overigens is er veel variatie in de invulling van een CbO; er is niet sprake van één concept.Instellingen voor welzijn of Uitvoeren van preventieve activiteiten op diverse thema’s zoals succesvol ouder worden,ouderenzorg (waaronder maatschappelijke participatie, eenzaamheid, veiligheid en bewegen.Stichting Welzijn Ouderen)Sportorganisaties Organiseren en uitvoeren van sport- en beweegactiviteiten.Buurt- en andere Bieden van sociale activiteiten.gemeenschapscentravan depressie is ook gericht op 55-plussers. Ook hierbij zowel om landelijke als om regionale en lokaleConsultatiebureaus voor Ouderen (CbO’s) richten zich vaak organisaties. Een overzicht van deze organisaties en hunop een jongere doelgroep. De helft van de consultatie­ activiteiten is opgenomen in tabel 7.2. De meestebureaus richt zich zelfs op mensen vanaf 50 jaar (Schippers organisaties richten zich niet specifiek op ouderen.et al., 2009). Het doel van een CbO is dan ook om Landelijke organisaties, zoals Vilans, Ouderenbonden engezondheidsrisico’s te signaleren, te adviseren over een verschillende thema-instituten, houden zich bezig met degezonde leefstijl, en zo nodig door te verwijzen. agendering, ontwikkeling en organisatie van preventie voor ouderen. De regionale en lokale organisaties zijnVeel organisaties betrokken bij ontwikkelen en verantwoordelijk voor de uitvoering ervan. Veleuitvoeren preventie professionals uit de zorg- en de welzijnssector, (vrijwillige)Er zijn in Nederland veel verschillende organisaties medewerkers van kerkelijke en particuliere instanties,betrokken bij preventie gericht op ouderen. Het gaat zoals het Leger des Heils en het Rode Kruis, en vrijwilligers Gezond ouder worden in Nederland | 61
    • van organisaties als Humanitas en Zonnebloem, voeren Kennis over effectiviteit preventie beperktpreventieve activiteiten uit. Daarnaast zijn ouderen zelf Naast het bereik is het ook van groot belang zicht teook een belangrijke aanbieder van preventieve activiteiten hebben op de resultaten van preventie bij de doelgroep.voor de doelgroep ouderen. Dit doen zij als vrijwilligers Het is immers belangrijk te weten of een interventie dievanuit ouderenbonden of in samenwerking met ouderen krijgen aangeboden daadwerkelijk bijdraagt aanwelzijnsorganisaties als vrijwillige ouderenadviseur. het oplossen van het probleem waarvoor die interventie is ontwikkeld. De kennis over de effectiviteit van preventie gericht op ouderen in Nederland is echter fragmentarisch7.3 Bereik en effectiviteit van het en heterogeen en ontbreekt vaak nog. De interventies waarvan de effectiviteit is onderzocht, zijn vaak klein­ aanbod gericht op ouderen schalige, lokale interventies (Gezondheidsraad, 2009).Preventie bereikt maar deel van de ouderen Momenteel voert de Academische Werkplaats PublicVanzelfsprekend is het belangrijk dat het preventieaanbod Health Noordelijk Zuid-Holland een onderzoek uit naar dede ouderen voor wie het bedoeld is weet te bereiken. Er zijn haalbaarheid en doelmatigheid van het Consultatiebureauechter niet voor alle preventieve interventies cijfers over het voor Ouderen.bereik beschikbaar. Hoewel het exacte bereik van veel Tabel 7.3 geeft de beschikbare informatie over de effecteninterventies niet bekend is, is wel duidelijk dat het aanbod van specifieke (leefstijl)interventies voor ouderen inniet alle ouderen bereikt die men beoogt te bereiken. Het Nederland weer. De effecten zijn verkregen uit evaluatie-bereik van de landelijke preventie­ rogramma’s (borst­ p studies. De tabel toont naast de gemeten effecten ook ofkankerscreening en influenza­ accinatie) is aanzienlijk: vier v een interventie door de onafhankelijke Erkennings­van de vijf ouderen die men met het aanbod wil bereiken, commissie Interventies is erkend als bewezen effectief,maakt gebruik van dit aanbod. Dit betreft jaarlijks waarschijnlijk effectief of theoretisch goed onderbouwdhonderdduizenden (borstkankerscreening) tot enkele (zie www.loketgezondleven.nl/interventies/beoordeling).miljoenen (influenzavaccinatie) ouderen. Het bereik van het Indien er sprake was van een studie met controlegroep, isgezondheidsbevorderende aanbod, hoewel niet exact de naam van de interventie vetgedrukt. Tussen haakjesbekend, valt hierbij in het niet. Het betreft vooral staat de doelgroep van de interventie aangegeven.kleinschalige, lokaal uitgevoerde leefstijlinterventies, meteen tiental deelnemers per training, cursus of workshop. Tot op heden twee interventies erkend als bewezenLandelijk gezien bereiken de interventies gericht op effectiefbewegen de meeste ouderen, omdat de uitvoering ervan in Momenteel heeft de Erkenningscommisie Interventies zesvele gemeenten plaatsvindt. Zo nemen naar schatting meer interventies uit tabel 7.3 beoordeeld. Hiervan heeft dedan 300.000 ouderen wekelijks deel aan de diverse vormen commissie twee depressie-interventies erkend alsvan ‘Meer Bewegen voor Ouderen’ (MbvO). MbvO bestaat ‘bewezen effectief’ in het verminderen van depressieveal sinds 1966 en is daarna breed geïmplementeerd klachten bij 55-plussers, namelijk ‘In de put, uit de put’ en(Stiggelbout, 2008). Met de GALM-methode waren in 2008 ‘Kleur je leven’ (zie www.loketgezondleven.nl/interventies/al 750.000 ouderen in 225 gemeenten benaderd, waarvan beoordeelde-interventies).57.000 ouderen aan het beweegprogramma hebben De interventie ‘Zicht op evenwicht’ is erkend als waar­deelgenomen (GALM, 2010). schijnlijk effectief in het verminderen van vallen. Drie andere valpreventie-interventies zijn erkend alsBereik van preventie onder risicogroepen ouderen ‘theoretisch goed onderbouwd’. Dit betekent dat de opzetonvoldoende duidelijk van de interventie zodanig is onderbouwd dat hetNaast de hoeveelheid ouderen die wordt bereikt, is het aannemelijk is dat de interventie positieve effecten bij devooral van belang te weten welke ouderen worden bereikt. doelgroep bewerkstelligt. De overige interventies zijn nogBinnen de doelgroep ouderen zijn groepen aan te wijzen, niet beoordeeld door de Erkenningscommissie. Dat wilzoals ouderen met een laag inkomen, eenzame ouderen niet zeggen dat die interventies niet effectief zijn. Er zijnen allochtone ouderen, die een verhoogde kans hebben op wel diverse interventies met positieve resultaten, zowel bijfysieke, sociale of psychische problemen. Deze risico­ ziektegerichte als bij functioneringsgerichte preventie.groepen hebben vooral belang bij preventie. Over hetalgemeen is echter onvoldoende duidelijk of het Initiatieven om kennis over preventie bij ouderen tepreventieaanbod deze groepen weet te bereiken (VWS, verbeteren en te verspreiden2009a). Van CbO’s is bekend dat zij vooral de redelijk vitale Er zijn in Nederland verschillende initiatieven gestart omouderen bereiken. De meer kwetsbare ouderen en de de kennis over het bereik en de effectiviteit van preventiemeest vitale ouderen blijken minder naar een CbO te gericht op de doelgroep ouderen te verbeteren en beter tekomen (Schippers et al., 2009). CbO’s richten zich op zowel verspreiden. Zo actualiseert het Centrum Gezond Levenvitale als kwetsbare ouderen. (CGL) van het RIVM in opdracht van het ministerie van62 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Tabel 7.3 Beschikbare effectgegevens van preventieve interventies bij ouderen.Thema Interventie en doelgroep EffectenZiektegerichte preventieLichamelijke activiteit GALM (55-65, inactieve Toename sportieve activiteiten en fitheid na 12 maanden. Toename ouderen) uithoudingsvermogen na 18 maanden (De Jong, 2009). NiB-tv (55+) Positieve effecten op bewegen (Borghouts & Hopman-Rock, 2001; Hopman-Rock et al., 2005). Meer bewegen voor ouderen Beperkte effecten op fysieke fitheid en zelfredzaamheid bij 1 x per week (MbvO, 55+) MbvO. Kleine positieve effecten op drie fitheidsmaten en kwaliteit van leven bij 2x per week MbvO bij de minst actieve deelnemers. Relatief meer individuele fitheidswinst bij 75+ en bij deelnemers met chronische aandoeningen (Hopman-Rock & De Greef, 2002).Depressie In de put, uit de put Erkend als ‘bewezen effectief’. Afname van depressieve klachten zowel kort (55+, depressieve klachten) na de interventie als na follow-up (Haringsma et al., 2005). Kleur je leven 55+ Erkend als ‘bewezen effectief’. Verschuiving van gemiddelde tot serieuze (depressieve klachten) depressieve klachten naar lichte tot minimale depressieve klachten (Spek et al., 2007). Verhalen die we leven Vermindering depressieve klachten (Bohlmeijer et al., 2005). (55+, depressieve klachten) Op zoek naar zin Afname van depressieve klachten, vooral bij vrouwen en ouderen met (55+, depressieve klachten) klinisch relevante depressieve symptomen (Pot et al., 2010). Verlies en dan verder Positieve effecten op sociale vaardigheden (Lammeren & Van Geelen, 1995). (60+, weduwen) Bezoekdienst voor weduwen Afname depressieve klachten bij deelnemers met een lage sociaal­ en weduwnaars (55+) economische status, chronische ziekte en klein sociaal netwerk (Onrust, 2008).Angst Angst de baas 55+ Vermindering van angst (Helsdingen, 2004).Eenzaamheid/ Esc@pe Afname van eenzaamheid bij een deel van de deelnemers (Fokkema & Vansociaal isolement (50+, eenzame ouderen) Tilburg, 2005). Buddyzorg voor oudere Geen duidelijke effecten (Fokkema & Van Tilburg, 2005). homoseksuelen (55+) Signalerend huisbezoek Kleine, tijdelijke vermindering van sociale eenzaamheid. Effect is na een jaar (75+) verdwenen (Fokkema & Van Tilburg, 2005). Vriendschapscursus voor Vermindering eenzaamheidsgevoelens (Stevens & Van Tilburg, 2000; oudere vrouwen (55+) Stevens, 2001).Functioneringsgerichte preventieGezond/succesvol Op weg naar gouden jaren Beter in staat proactief invloed uit te oefenen op hun eigen toekomst (Bodeouder worden (50-75) & De Ridde, 2006). GRIP op je leven Positieve effecten op welbevinden en zelfmanagement (Schuurmans, 2004; (60+, kwetsbare ouderen) Frieswijk et al., 2005). Grip op Lijf en Leven Positief effect op de regievoering op de korte termijn en op de (60+, chronische levenswaardering op korte en langere termijn (Jonker et al., 2009). aandoeningen)Zelfredzaamheid CbO (50+) Geen wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit en doelmatigheid van het CbO in de huidige vorm (Gezondheidsraad, 2009).Vallen (zie ook: Zicht op evenwicht Erkend als ‘waarschijnlijk positief’. Positieve effecten op valangst,database van het (55+ met valangst) vermijdingsgedrag, dagelijkse activiteit, valgerelateerde eigeneffectiviteit,Kennisnetwerk ervaren controle over vallen, beperkingen in ADL, angstgevoelens,valpreventie depressieve symptomen, ervaren sociale steun en valincidenten (Zijlstra,(www.kennisnet- 2007; Zijlstra et al., 2009).werkvalpreventie.nl). Halt! U valt Erkend als ‘theoretisch goed onderbouwd’. Afname aantal valongevallen van (65+, kwetsbare ouderen) ouderen buitenshuis (Wijlhuizen et al., 2003). In Balans Erkend als ‘theoretisch goed onderbouwd’. Een gerandomiseerde (65+) effectstudie toont een valreductie van 61% bij niet-fragiele deelnemers van het oefenprogramma. Er was geen effect zichtbaar bij fragiele deelnemers (Faber et al., 2006). Gezond ouder worden in Nederland | 63
    • Tabel 7.3 Beschikbare effectgegevens van preventieve interventies bij ouderen.Thema Interventie en doelgroep Effecten Bewegen valt goed! Erkend als ‘theoretisch goed onderbouwd’. Toename positieve attitude, (45+ niet westerse kennis en eigen effectiviteit op het gebied van bewegen en valpreventie. allochtonen) Deelnemers zijn beter gaan bewegen en hebben een beter oordeel over hun gezondheid. Sterke indicatie voor meer bewegen, voorzichtige indicatie voor afname vallen (Wijlhuizen & Nauta, 2007). Vallen verleden tijd (65+) Afname valincidenten bij deelnemers (Weerdesteyn et al., 2006). Gezond en Vitaal (55+) Toename bewustwording van veiligheid van eigen huis (Savelkoul, 2008).Vet gedrukt = onderzocht met een studie met controlegroep.VWS het aanbod van leefstijlinterventies voor ouderen. beschikbaar. Daardoor is er voldoende materiaal voorBegin 2011 wordt dit overzicht van interventies voor beschouwend onderzoek op dit gebied (CBO, 2004;ouderen afgerond (zie www.loketgezondleven.nl/ Gillespie et al., 2009).interventies/i-database). Daarnaast zijn er verschillendeinitiatieven gericht op de ontwikkeling en bundeling van Multifactoriële interventieprogramma’s zinvol omkennis over gezondheid, zorg en preventie bij (kwetsbare) vallen te voorkomenouderen (zie tabel 7.4). Tot slot is er het EU-project ‘Health Multifactoriële interventieprogramma’s zijn zinvol omPromotion for Older People’ (niet in tabel). Het hoofddoel vallen bij ouderen te voorkomen (CBO, 2004). Dezevan dit project is om bij te dragen aan de gezondheids­ programma’s beginnen met het vaststellen van eenbevordering van ouderen door het opstellen van evidence- valgeschiedenis en risicoprofiel van elke deelnemer. Opbased richtlijnen. Een belangrijk onderdeel van dit project is basis daarvan vinden vervolgens individuele interventieseen databank van goede praktijkvoorbeelden in de en behandelingen plaats (Karinkanta et al., 2010). Dezebetrokken landen (zie www.healthproelderly.com). bevatten onder andere een instructie en bewustwordings- programma, een analyse van omgevingsgevaren,In de volgende subparagrafen staat de (kosten)effectiviteit oefentherapie en een beoordeling van medicatie envan vier belangrijke thema’s waarop preventie bij ouderen gezichtsstoornissen. Multifactoriële interventies die eengericht is centraal. Het gaat daarbij niet om Nederlandse individuele beoordeling met een daarop afgestemdeinterventies, maar om de resultaten van internationale interventie combineren, zijn effectief in het verlagen vanreviews waarin is onderzocht welke soort interventies bij het aantal valincidenten (Gillespie et al., 2009). Het risicoouderen het meest effectief zijn. Ook ontstaat zo een om te vallen vermindert niet. Multifactoriële interventie-beeld van wat er bekend is over de effectiviteit van programma’s waarin oefentherapie gebruikt wordt, lijkenverschillende soorten interventies en waar nog kennis effectiever dan interventies waarin geen oefentherapieontbreekt. wordt ingezet. Ook interventieprogramma’s met alleenDit onderdeel is uitgewerkt voor vier problemen die een eenmalige individuele beoordeling zonder enigrelatief veel voorkomen bij ouderen, zowel vergeleken met vervolg, zijn niet of in beperkte mate effectief (CBO, 2004).de totale bevolking als vergeleken met andere gezond-heidsproblemen bij ouderen. Deze problemen zijn vallen, Onvoldoende aanwijzingen voor effecten aanpassinginactiviteit, depressie en eenzaamheid. Met preventie woonomgevinggericht op deze problemen valt potentieel veel gezond- Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat interventies die zichheidswinst te behalen. richten op het verminderen van het risico op vallen door het aanpassen van de woning effectief zijn. In multi­7.3.1 Effectiviteit van valpreventie factoriële interventieprogramma’s is de afzonderlijke bijdrage van maatregelen voor het verkleinen van hetVariëteit aan interventies gericht op vallen risico op vallen in huis niet aangetoond (CBO, 2004). OokEr zijn steeds meer interventies die gericht zijn op interventies die zich alleen richten op het veiliger makenpreventie van vallen en valincidenten bij ouderen. van de woonomgeving, verminderen het aantal val­Voorbeelden van dergelijke interventies zijn het aanpassen incidenten en het risico op vallen niet (Gillespie et al.,van de woonomgeving waardoor deze veiliger wordt, 2009). Er zijn wel aanwijzingen dat interventies die zichveranderingen in medicatie die het reactievermogen richten op het verkleinen van het risico op vallen in huisvermindert, oefenprogramma’s voor spierkracht­ zinvol zijn voor ouderen met een verhoogd risico opversterking en evenwichtsverbetering en ‘multifactoriële vallen. Dit betreft bijvoorbeeld ouderen die problemeninterventies’. Multifactoriële interventies zijn interventies hebben met lopen. Specifiek bij deze groep ouderendie zich op meerdere aandachtsgebieden tegelijk richten. blijken de interventies wél het aantal valincidenten en hetEr zijn inmiddels veel effectstudies van deze interventies risico op vallen te verlagen (Gillespie et al., 2009).64 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Tabel 7.4 Landelijke initiatieven ter bevordering van kennis over gezondheid, zorg en preventie bij ouderen. Initiatief Activiteit Kenniscentrum Ouderen (KCO), onderdeel van Vilans Brengt informatie over ouderen en ouderenzorg bijeen, waaronder informatie over preventief huisbezoek en consultatiebureaus voor ouderen. Kennisnetwerk Valpreventie Senioren Stimuleert de uitwisseling van wetenschappelijke kennis, ervaring (samenwerkingsverband tussen ZonMw, VU Medisch Centrum en en good practice tussen onderzoekers en praktijkmensen bij de Stichting Consument en Veiligheid) valpreventie van ouderen (www.kennisnetwerkvalpreventie.nl). TopInstituut Gezond en Succesvol Ouder Worden (Ti-GO) Bevordert het actief en zelfstandig functioneren van ouderen. (een publiek-private samenwerking tussen kennisinstellingen, Kerntaken zijn kennis genereren en vertalen in innovatieve bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties) toepassingen in de maatschappij. Het Expertisenetwerk Levensvragen en Ouderen Verzamelt kennis en ervaring over omgaan met levensvragen en maakt deze landelijk beschikbaar (www.netwerklevensvragen.nl).Beperkt bewijs voor minder vallen door aanpassingen in gevonden over de effecten van maatregelen die gerichtmedicatie zijn op gedragsverandering en het reduceren van valangst.Er is enig bewijs dat een verminderd medicatiegebruik welhet aantal valincidenten, maar niet het risico op vallen Weinig onderzoek naar kosteneffectiviteitverlaagt (Gillespie et al., 2009). Aanpassing van de preventiestrategieën bij vallenmedicatie is een potentiële preventieve maatregel, omdat Er is weinig informatie over de verschillen in kosten­genees­ iddelen die het reactievermogen verminderen, m effectiviteit tussen de preventiestrategieën om vallen ofeen risicofactor van vallen zijn (Van den Berg Jeths et al., valincidenten bij ouderen te voorkomen. In één recente2004). In onderzoeken naar multifactoriële interventie­ studie is de kosteneffectiviteit beschreven van multi­programma’s is echter niet aangetoond dat maatregelen factoriële interventies, het aanpassen van de woon­gericht op medicatieonttrekking of -aanpassing leiden tot omgeving, medicatieonttrekking of -aanpassing enminder vallen (CBO, 2004). oefenprogramma’s (Frick et al., 2010). Alle interventies blijken kostenbesparend1, en kosteneffectief2 te zijn.Minder valincidenten door oefenprogramma’s Medicatie-onttrekking of -aanpassing en Tai Chi blijken deInterventies met evenwichts- en spierkrachtversterkende minst kostbare en meest effectieve interventies voor deoefeningen die specifiek zijn aangepast aan het individuele preventie van vallen te zijn. Maar beide interventies zijnniveau van ouderen, leiden tot een absolute afname in het het minst op effectiviteit onderzocht, waardoor dezeaantal valincidenten en het aantal valincidenten met letsel conclusie voorzichtig geïnterpreteerd moet worden.(CBO, 2004). Oefenprogramma’s die uit verschillendecomponenten bestaan (zoals evenwichtstraining, 7.3.2 Effectiviteit van bevorderen vankracht­training, flexibiliteitstraining, Tai Chi) zijn effectief in lichamelijke activiteithet reduceren van vallen en het risico om te vallen(Gillespie et al., 2009). Oefenprogramma’s met even- Veel interventies gericht op lichamelijke activiteitwichtstraining lijken een groter effect te hebben op Er bestaan veel initiatieven om de lichamelijke activiteitvermindering van het aantal valincidenten dan program- van ouderen te bevorderen. Het doel is om de gezondheidma’s zonder evenwichtstraining (Sherrington et al., 2008; van ouderen te bevorderen, ziekte te voorkomen, deProvince et al., 1995). functionele status of mobiliteit te bevorderen en daarmee zelfredzaamheid te behouden. Het aanbod aanMaatregelen voor gedragsverandering en verminderen interventies is zeer divers. Het varieert van één-op-éénvalangst leiden niet tot minder vallen counseling in de eerste lijn en cursussen voor groepjesMaatregelen gericht op het verminderen van angst en op ouderen tot landelijke campagnes of programma’s. Hetgedragsverandering, zoals het verbeteren van het kan gaan om het bevorderen van meer bewegen in hetactiviteitenpatroon, leiden bij ouderen niet tot minder algemeen, maar ook om het bevorderen van deelnamevallen. Dit blijkt uit onderzoek naar multifactoriële aan speciale beweeg- of oefenprogramma’s gericht opinterventieprogramma’s, waarin het afzonderlijke effect kracht, balans, uithoudingsvermogen of flexibiliteit of eenvan deze maatregelen is onderzocht (CBO, 2004). Er zijn combinatie van deze functionaliteiten. Interventies zijnverder geen systematische reviews of meta-analyses individu- of groepsgericht en variëren verder qua Kosten zijn lager en de effecten in QALY’s (Quality Adjusted Life Years) zijn hoger dan in de gangbare zorg12 Hogere kosten wegen op tegen de winst in QALY’s, vergeleken met de gangbare zorg Gezond ouder worden in Nederland | 65
    • intensiteit, frequentie, duur en locatie van de aangeboden Richtlijnen en aanbevelingen voor lichamelijkeactiviteiten (thuis, buiten of in een locatie buitenshuis). activiteiten programma’s Een coalitie van organisaties, onder leiding van deEffectstudies kennen beperkingen American College of Sports Medicine (ACSM) heeft bestEr zijn veel studies uitgevoerd naar de effecten van bewegen practices van programma’s voor lichamelijke activiteitop de gezondheid van ouderen. Ook is onderzoek uitgevoerd voor ouderen in kaart gebracht en richtlijnen ennaar de effectiviteit van interventies op de participatie en aanbevelingen opgesteld (Cress et al., 2005). Volgens dezeverandering in het activiteitenniveau, waaronder tientallen coalitie is een multidimensionaal programma dat zowelonderzoeken met een gerandomiseerde controlegroep. uithoudingsvermogen, kracht, balans als flexibiliteit traintDeelnemers aan deze effectiviteitsonderzoeken zijn meestal het meest optimaal voor ouderen. Het moet gaan omgezonde, blanke, hoogopgeleide en relatief jonge ouderen. activiteiten op maat, rekening houdend met de specifiekeVaak ontbreekt een follow-up en is het activiteitenniveau behoefte en mogelijkheden van ouderen. Activiteiten metgebaseerd op zelfrapportage. een middelmatige intensiteit verdienen de voorkeur. Voor de meest inactieve ouderen moet gestart worden metInterventies effectief op korte termijn activiteiten met een lage intensiteit. Voor het bereiken vanZowel groepsgerichte interventies (waarbij sprake is van langdurige gedragsverandering is het van belang omeen gesuperviseerd groepsgericht oefenprogramma) als lichamelijke activiteit onderdeel te maken van iemandshome-based interventies (waarbij sprake is van expliciete leefstijl. Vooral groepsprogramma’s zijn geschikt voorinstructie voor oefeningen thuis) bewerkstellingen over ouderen die meer actief willen worden. Door de socialehet algemeen een (zeer) hoge participatie van ouderen interactie houden ouderen het programma langer vol en het(Taylor et al., 2004). De participatie neemt echter biedt mogelijkheden voor goede technische instructie enmettertijd af. Deze afname blijkt iets minder te zijn bij de supervisie. Verschillende gedragsveranderingsprincipesgroepsinterventies dan bij de home-based interventies blijken relevant te zijn, zoals sociale steun, eigen-(Van der Bij et al., 2002). De meeste groeps- en home- effectiviteit, actieve keuzes, gezondheidscontracten,based interventies zijn in staat het activiteitenniveau van veiligheidsgaranties en positieve prikkels (Cress et al., 2005).deelnemende ouderen op de korte termijn (< 1 jaar) te Een warming-up en cooling-down hoort standaard deelverhogen (Conn et al., 2003; Taylor et al., 2004; Van der Bij uit te maken van de activiteiten- en oefenprogramma’set al., 2002; King et al., 1998; Cyarto et al., 2004). Bewijs voor ouderen. Het is van belang eenzijdige oefeningen tevoor langetermijneffecten ontbreekt, deels doordat vermijden en erop te letten dat de programma’s rekeningfollow-up ontbreekt. Uit studies mèt follow-up blijkt dat houden met het risico op vallen en overbelasting van deveel ouderen na afloop van het programma weer vervallen spieren. Aanbevolen wordt dat alle chronisch ziekein hun inactieve gewoonten (Taylor et al., 2004). ouderen of ouderen met een beperking samen met hun arts een op maat gesneden lichamelijk activiteitenplanLengte programma belangrijkste voorspeller voor opstellen, want een fysiek actieve leefstijl is ook voor henopkomst en voltooiing programma bij sedentaire een uitstekende manier om hun algemene gezondheid teouderen verbeteren (Cress et al., 2005).Voor ouderen die een zittend leven leiden, blijkt de lengtevan het programma het meest bepalend te zijn voor de Conclusies kosteneffectiviteit verschillende soortenopkomst en voltooiing van dit programma (Hong et al., interventies2008). Hoe langer het programma, hoe lager het aantal Er is weinig informatie beschikbaar over de kosten­sedentaire ouderen dat komt en tot het einde blijft komen. effectiviteit van interventies gericht op het vergroten vanAndere belangrijke voorspellers voor een hoge opkomst de lichamelijke activiteit bij ouderen. Er is één reviewwaren het format (groeps- of individugericht) en type bekend naar de kosteneffectiviteit van interventies in deoefeningen (aerobic of weerstand). Zo bleek een hoge gezondheidszorg met als doel om de lichamelijke activiteitopkomst samen te hangen met groepsgerichte te vergroten (Hagberg & Lindholm, 2006). Zeven van dezeprogramma’s en weerstandstrainingsprogramma’s. Bij interventiestudies waren gericht op ouderen. De reviewprogramma’s met oefeningen op een bepaalde locatie, toont dat er voorbeelden zijn van kosteneffectievezoals een buurthuis of sportzaal, voltooien meer ouderen interventies. De onderzoekers concluderen dat voorhet programma dan bij programma’s met oefeningen ouderen en mensen met hartfalen het meeste bewijs voorthuis (Hong et al., 2008). Op basis van deze bevindingen kosteneffectiviteit is. Vier van de zeven interventies voorbevelen de auteurs aan bij langdurende programma’s ouderen zijn kosteneffectief en van één interventie is degebruik te maken van een groepsformat en een locatie kosteneffectiviteit onzeker. Bij de overige twee inter­buitenshuis. venties worden geen uitspraken over de kosteneffectiviteit gedaan, maar worden de kosten per voorkómen val of de besparingen in de zorg weergegeven. De zeven inter­66 | Gezond ouder worden in Nederland
    • venties voor ouderen verschilden sterk qua opzet, setting, Groepsinterventies verminderen mogelijk eenzaamheiddoelgroep (woonsituatie, gezondheidstoestand en leeftijd) onder ouderenen onderzoeksdesign. Educatieve of sociale groepsinterventies verminderen mogelijk eenzaamheid onder ouderen (Cattan et al., 2005).7.3.3 Effectiviteit van depressiepreventie Meer specifiek zijn er aanwijzingen dat groepsinterventies als gespreksgroepen (bijvoorbeeld voor mantelzorgers),Weinig onderzoek naar interventies om depressie te zelfhulpgroepen (voor rouwverwerking of het aanpakkenvoorkomen van psychische problemen) of samen sporten, wandelen ofInterventies om een depressie bij ouderen te voorkomen, dansen eenzaamheid bij ouderen kunnen verminderen.richten zich enerzijds op ouderen met subklinischesymptomen van een depressie, en anderzijds op ouderen Individuele eenzaamheidsinterventies lijken niet effectiefmet alleen een risico op depressie en zonder subklinische Individuele interventies lijken niet effectief om eenzaam­symptomen. Tot nu toe is er bijna geen wetenschappelijk heid bij ouderen te voorkomen of te verminderen. Het gaatbewijs over welke soorten interventies het meest effectief hierbij om interventies zoals huisbezoeken en het biedenzijn om depressie bij ouderen te voorkomen (Cole, 2008; van sociale steun via telefonisch contact. Kant­tekening bijForsman et al., 2010). Dat wil niet zeggen dat er in deze resultaten is dat de onderbouwing beperkt is, omdatNederland geen effectieve interventies voor ouderen er maar weinig evaluaties van de betreffende soortenbestaan (zie tabel 7.3). Een uitgebreid systematisch interventies beschikbaar zijn (Cattan et al., 2005).onderzoek naar resultaten van effectstudies vanverschillende soorten interventies om depressie bij Effectieve interventies: specifieke doelgroepen,ouderen te voorkomen, is in ontwikkeling (Forsman et al. participatie en langere duur2010). Kenmerkend voor effectieve eenzaamheidsinterventies bij ouderen is dat zij zich richten op specifieke groepenTherapie en voorlichting chronisch zieken kan mogelijk ouderen, zoals verweduwden of mantelzorgers, dat dedepressie voorkomen ouderen zelf participeren in de ontwikkeling en uitvoeringEr zijn aanwijzingen dat individuele therapie voor ervan en dat zij van langere duur zijn (Cattan et al., 2005;verweduwden, voorlichting aan ouderen met een chronische Stevens & Martina, 2006). Voor het verminderen vanziekte, cognitieve gedragstherapie en life review (speciaal eenzaamheid onder ouderen is het daarnaast van belangvoor ouderen ontwikkelde therapievorm die gebruikmaakt dat interventies gebaseerd zijn op de behoeften envan het terugblikken op het leven) positief werkt in het mogelijkheden van ouderen zelf (Stevens & Martina,voorkómen van een depressie bij ouderen (Cole, 2008). Met 2006). De basis moet dus een goede diagnose zijn van deuitzondering van de interventie voor verweduwden hebben soort eenzaamheid en van de sociale vaardigheden endeze interventievormen gemeenschappelijk dat zij zich hulpbronnen die al aanwezig zijn.richten op het leren opkomen voor jezelf en het doorbrekenvan negatieve denkpatronen. Omdat de review zowel voor 7.3.5 Conclusies effectiviteit verschillendetherapie voor verweduwden als voor life review slechts één soorten interventiesstudie omvatte, moeten de resultaten voorzichtiggeïnterpreteerd worden. Bij interventies op het gebied van vallen en bewegen is voldoende wetenschappelijke informatie om uitspraken te7.3.4 Effectiviteit van preventie van doen over welke soort interventies het meest effectief zijn. eenzaamheid Oefenprogramma’s en multifactoriële interventies met oefenprogramma’s blijken vooral te werken om vallen enWeinig onderzoek naar effecten van valincidenten bij ouderen te voorkomen en teeenzaamheidsinterventies verminderen. Wat betreft lichamelijke activiteit lijken opIn Nederland bestaat een ruim aanbod aan interventies maat gesneden programma’s, die uit matig intensieveom eenzaamheid onder ouderen aan te pakken. Deze activiteiten in groepsverband bestaan en gebaseerd zijn opinterventies zijn vooral gericht op het stimuleren van verschillende gedragsveranderingsprincipes, het meestcontacten in de omgeving. Zowel in Nederland als in het optimaal om lichamelijke activiteit bij ouderen tebuitenland geldt dat van een grote meerderheid van de vergroten. Groepsgerichte activiteiten op een locatieeenzaamheidsinterventies voor ouderen de effectiviteit buitenshuis blijken vooral de minst lichamelijk actieveniet wetenschappelijk is vastgesteld (Fokkema & Van ouderen in beweging te krijgen en te houden.Tilburg, 2007; Luanaigh & Lawlor, 2008). Voor zover Wetenschappelijk goed onderbouwde informatie overbekend is er maar één systematisch uitgevoerde review welke soort interventies effectief zijn in het voorkómennaar de effectiviteit van verschillende typen eenzaam- van depressie en eenzaamheid ontbreekt vooralsnog.heidsinterventies voor ouderen (Cattan et al., 2005). Mogelijk zijn cognitieve gedragstherapie, voorlichting aan Gezond ouder worden in Nederland | 67
    • ouderen met een chronische ziekte, individuele therapievoor verweduwden en life review veelbelovendeinterventies. Bij eenzaamheid zijn er aanwijzingen dateducatieve of sociale groepsinterventies eenzaamheidonder ouderen kunnen voorkomen of verminderen, terwijlindividuele interventies niet effectief lijken te zijn.Vooral bij depressie en eenzaamheid is meer kennis nodigover welke soort interventies het meest effectief zijn, omte voorkomen dat te veel wordt ingezet op interventies die(op de lange termijn) niet effectief zijn. Bij alle thema’s iser een gebrek aan informatie over kosteneffectiviteit bijverschillende soorten interventies.Conclusies effectiviteit Nederlandse interventiesHet gebrek aan wetenschappelijke kennis over de soortinterventies die effectief zijn, betekent niet dat er inNederland geen effectieve interventies bestaan. Er zijn inNederland twee interventies bewezen effectief in hetvoorkómen van depressie bij ouderen. Er zijn geenbewezen effectieve interventies in Nederland omeenzaamheid te voorkomen, maar er zijn wel interventiesmet positieve resultaten (zie tabel 7.3). Ook op het gebiedvan vallen en bewegen zijn er interventies die goederesultaten geven bij ouderen.68 | Gezond ouder worden in Nederland
    • 8Conclusies,discussie enaanbevelingenIn dit rapport is informatie over de gezondheid van situatie die afwijkt van het landelijke beeld. Zo tellenouderen in Nederland gebundeld en geïntegreerd. nieuwe gemeenten als Almere in verhouding weinigDuidelijk wordt dat er veel informatie beschikbaar is over ouderen, terwijl de vergrijzing in regio’s als Zeeland ende gezondheid van ouderen en dat er veel onderzoek Groningen veel harder gaat. Het vormgeven van lokaalwordt gedaan. Dit rapport biedt focus voor toekomstige beleid is niet mogelijk zonder regionale informatie. Eenaandachtspunten in landelijk beleid en onderzoek, regionale VTV kan daarbij behulpzaam zijn. In eenwaaronder de volgende Volksgezondheid Toekomst regionale VTV wordt lokale, regionale en landelijkeVerkenning (VTV). In de VTV van 2014 zal apart aandacht informatie over volksgezondheid en zorg verzameld,worden besteed aan ouderen en zal worden voort­ geanalyseerd en geïntegreerd. Op basis van een regionalegebouwd op informatie uit dit rapport. In dit hoofdstuk VTV kunnen gemeenten prioriteiten stellen in het lokalegaan we in paragraaf 8.1 in op de reikwijdte van het gezondheidsbeleid. Ook gegevens uit gezondheids­rapport en de consequenties van gemaakte keuzes en enquêtes of ouderenmonitors van GGD‘en kunneninperkingen. Daarna bespreken en bediscussiëren we in gebruikt worden voor het invullen van lokaal gezondheids­paragraaf 8.2 inhoudelijke conclusies die voortkomen uit beleid. De Handreiking Gezonde Gemeente van het RIVMde voorgaande hoofdstukken. Tot slot formuleren we in kan ondersteunen bij het vertalen van de landelijke notaparagraaf 8.3 aanknopingspunten voor gemeentelijk Gezondheidsbeleid naar lokale nota’s.beleid. Dit rapport gaat over zelfstandig wonende ouderen Dé oudere bestaat niet. Het enige wat ouderen als groep8.1 Reikwijdte van dit rapport gemeen hebben, is dat ze 65 jaar of ouder zijn. Net als in de jongere bevolking zijn de verschillen binnen de groepRegionale cijfers noodzakelijk voor gemeentelijk beleid ouderen groot. In dit rapport richten we ons op deDit rapport geeft een landelijk beeld en is niet integraal zelfstandig wonende ouderen in Nederland, omdat detoepasbaar op gemeenten. Voor veel gemeenten geldt een verantwoordelijkheden en taken van gemeenten voor Gezond ouder worden in Nederland | 69
    • deze groep ouderen vanuit de Wet publieke gezondheid zoals sociale of culturele activiteiten, blijft hier buiten(Wpg) en vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning beschouwing. Hiervoor verwijzen we naar bijvoorbeeld de(Wmo) groter zijn dan voor de ouderen die in een instelling Rapportage Ouderen van het SCP (De Boer, 2006). In ditverblijven. Van alle ouderen woont in 2008 bijna 95% rapport is vrijwilligerswerk in georganiseerd verbandzelfstandig. De ouderen die in een instelling wonen en bekeken, een actieve vorm van participatie. Daarbij is hetover het geheel genomen een slechtere gezondheid goed te realiseren dat we hiermee maar een relatief kleinhebben dan zelfstandig wonende ouderen, blijven in dit deel van de maatschappelijke inzet van ouderen in beeldrapport grotendeels buiten beschouwing. Hierdoor geeft brengen. Veel ouderen zullen zich in niet-georganiseerddit rapport geen volledig beeld van de gezondheid van verband inzetten voor anderen.Nederlandse ouderen. Om een compleet beeld te krijgen, Ook ‘kwaliteit van leven’ is een containerbegrip. In ditis informatie over ouderen die in instellingen wonen een rapport hebben we ons toegespitst op gezondheids­essentiële aanvulling. Zeker als in de toekomst de gerelateerde kwaliteit van leven: het functioneren vanscheidslijnen tussen zelfstandig wonende ouderen en ouderen op fysiek, psychisch en sociaal gebied en deouderen in instellingen vervagen. subjectieve evaluatie daarvan.Aandacht voor verschillende risicogroepenIn dit rapport is aandacht besteed aan groepen ouderen 8.2 Conclusies en beschouwingdie een verhoogd risico op gezondheidsproblemenhebben. Hierin zijn keuzes gemaakt en het streven is niet 8.2.1 Ouderen in het licht van de vergrijzingom compleet te zijn. Zo is in dit rapport bijvoorbeeld welaandacht besteed aan sociaaleconomische gezondheids- Aantal ouderen zal sterk stijgenverschillen, maar is niet ingegaan op allochtone ouderen. Het aantal en het aandeel ouderen zal de komendeSociaaleconomische verschillen zijn in dit rapport decennia enorm toenemen in de Nederlandse bevolking.gebaseerd op opleidingsverschillen. Bij ouderen is In 2010 was bijna 16% van de bevolking (bijna 2,6 miljoeninkomen een betere indicator om sociaaleconomische mensen) ouder dan 65 jaar. Ruim een kwart daarvan wasverschillen te omschrijven, maar deze informatie was niet ouder dan 80 jaar. In 2020 zullen er naar verwachting 3,4beschikbaar (Wingen & Otten, 2009b). miljoen ouderen zijn, waarvan 0,8 miljoen 80-plussers (24% van de ouderen). In 2050 zullen er 4,5 miljoenGezond ouder worden: actief meedoen met een goede ouderen zijn; 25% van de Nederlandse bevolking is dankwaliteit van leven ouder dan 65 jaar. Het aandeel 80-plussers binnen deIn dit rapport richten we ons op gezond ouder worden: het groep ouderen is dan gestegen tot ruim 40%.proces waarbij de kansen op lichamelijke, geestelijke ensociale gezondheid worden geoptimaliseerd, zodat Ouderen van nu verschillen van de ouderen van deouderen actief aan de samenleving kunnen deelnemen en toekomsteen onafhankelijk leven kunnen leiden met een goede De groep ouderen verandert niet alleen in kwantitatieve,kwaliteit van leven (SNIPH, 2006). Bij ouderen gaat het maar ook in kwalitatieve zin. De ouderen van de toekomstniet meer alleen om het voorkómen van ziekten, maar zullen verschillen van de ouderen van nu, en van devooral om – ondanks het hebben van één of meerdere ouderen van vroeger. De grens wanneer iemand tot deziekten – een zo goed mogelijke kwaliteit van leven te groep ouderen gaat behoren, ligt nu bij 65 jaar, de huidigebehouden, met zo min mogelijk beperkingen en met de pensioengerechtigde leeftijd. De resterende levens­mogelijkheid om zelfstandig te blijven participeren. In dit verwachting op 65-jarige leeftijd was in 2010 nog 17,6 jaarrapport hebben we specifiek aandacht besteed aan voor mannen en 20,8 jaar voor vrouwen. Deze levens­beperkingen, participatie en gezondheidsgerelateerde verwachting voor een 65-jarige zal de komende tijd blijvenkwaliteit van leven bij ouderen. Deze aspecten spelen een toenemen. Het bereiken van de leeftijd van 65 jaar krijgt inbelangrijke rol bij gezond ouder worden, maar uiteraard de toekomst een andere betekenis als er nog zoveel jarengeven we hiermee geen compleet beeld van alle aspecten gaan volgen.die belangrijk zijn bij gezond ouder worden. Gevolgen van de vergrijzing: positief en negatiefParticipatie en kwaliteit van leven: twee brede Ouderen krijgen een steeds prominentere plaats in debegrippen samenleving. Deze ontwikkeling brengt zowel kansen alsParticipatie is een breed begrip; er kunnen veel ver­ problemen met zich mee. De nadruk ligt vaak op deschillende activiteiten onder vallen. In dit rapport richten problemen van de vergrijzing: ongezondheid, kosten enwe ons op maatschappelijke participatie: het doen van lasten en de zorgen hierover voor de toekomst, vooralvrijwilligerswerk en het verlenen van informele en mantel­ over de toenemende zorgvraag. Veel ouderen zijn echterzorg aan bekenden. Participatie gericht op zelfontplooiing, gezond en redden zichzelf. Ook brengen ouderen vaak70 | Gezond ouder worden in Nederland
    • waardevolle kennis en ervaring in en zetten ze zich in voor Leeftijd belangrijk voor kwaliteit van levenmaatschappelijke doeleinden. Ruim een kwart van de Ongeveer de helft van de ouderen ervaart een goedeouderen verleent bijvoorbeeld informele hulp aan lichamelijke kwaliteit van leven. Ter vergelijking: bijbekenden en een derde is actief in georganiseerd vrij­ twintigers en dertigers is dit percentage 80%. Het aandeelwilligerswerk. Deze positieve tegenhanger van vergrijzing mensen met een goede lichamelijke kwaliteit van levenwordt ook wel ‘verzilvering’ genoemd. neemt af met de leeftijd. Bij de psychische kwaliteit van leven zijn er weinig verschillen tussen ouderen en jongereParticipatie is niet alleen afhankelijk van gezondheid leeftijdsgroepen, behalve bij de jongste groep ouderen.Gezondheid is een belangrijke voorwaarde voor ouderen Opvallend is dat zij een betere psychische kwaliteit vanom te kunnen participeren in de maatschappij. Psychische leven ervaren dan volwassenen van 45-64 jaar oud. Ditstoornissen, zoals depressie, angststoornissen en cognitieve zou te maken kunnen hebben met de overgang naarstoornissen, hebben een relatief groot belemmerend effect pensionering.op participatie. Overigens vormen niet ziekten, maar vooralbeperkingen als gevolg van ziekten de belangrijkste Een derde van de ouderen voelt zich eenzaamobstakels voor participatie. Een vijfde van de oudere Naarmate mensen ouder worden, neemt de grootte vanmantelzorgers is ondanks de eigen gezondheidsproblemen hun sociale netwerk af, door bijvoorbeeld het overlijden vanin staat voor een ander te zorgen. Naast gezondheid zijn geliefden of door het wegvallen van werk of andereook andere factoren van invloed op participatie. bezigheden. In theorie hebben ouderen daardoor eenMaatschappelijke ontwikkelingen, zoals ontkerkelijking en grotere kans om eenzaam te worden. Toch zijn ouderen nieteen toenemend opleidingsniveau, spelen hierin ook een rol. vaker (sterk) eenzaam dan jongere mensen, waarschijnlijkOver de persoonlijke wensen en belemmeringen van door een verandering van wensen en verwachtingen overouderen om te participeren is nog weinig bekend. Meer sociale relaties. Bijna een derde van de ouderen voelt zichinzicht in deze factoren kan aanknopingspunten bieden matig of sterk eenzaam. Binnen de groep ouderen neemtvoor toekomstig beleid. Overigens kan participatie op eenzaamheid wel toe met de leeftijd. Ongeveer de helft vanzichzelf ook de gezondheid van ouderen bevorderen, de 85-plussers, vooral de vrouwen, voelt zich eenzaam.bijvoorbeeld door de sociale contacten die het oplevert. Gezondheidsproblemen en beperkingen vooral na het8.2.2 Hoe gezond zijn Nederlandse ouderen? 75e jaar Opvallend is dat veel gezondheidsproblemen bij ouderenOuderen zijn gezonder dan men (soms) denkt vanaf 75 jaar duidelijk beginnen toe te nemen. Dit is ookRuim de helft van de ouderen voelt zich gezond. Van alle zichtbaar in een toename van multimorbiditeit en vanouderen heeft ongeveer de helft een chronische aan­ beperkingen. Als gevolg daarvan neemt ook het zorg­doening. Eén op de drie ouderen heeft een lichamelijke gebruik toe, vooral het ziekenhuis- en medicijngebruik enbeperking en niet meer dan één op de twintig heeft een zorg zonder verblijf, zoals huishoudelijke hulp, verplegingcognitieve beperking. Evenals bij de hele bevolking geldt en verzorging. Boven de 75 jaar ervaren meer ouderen hunbij ouderen dat ziekten en beperkingen niet altijd kwaliteit van leven als minder goed en zijn mindersamengaan. Ouderen die ziek zijn, hoeven niet per se ouderen actief in vrijwilligerswerk of informele zorg.beperkt te zijn in hun functioneren. Ziekten die het meesttot beperkingen in activiteiten in het dagelijks leven leiden, Verschillende risicogroepen bij gezond ouder wordenzijn artrose en gewrichtsontsteking, gevolgd door Binnen de groep 75-plussers zijn vooral vrouwen eenrugaandoeningen. Over het algemeen neemt de gezond- kwetsbare groep. Vrouwen worden gemiddeld ouder danheid af met het vorderen van de leeftijd. mannen en mede door hun hogere leeftijd hebben zij vaker last van beperkingen, vooral op het gebied vanVeel voorkomende ziekten veroorzaken veel verlies aan mobiliteit. Ook zijn er relatief meer vrouwen dan mannengezonde levensjaren alleenstaand, doordat hun partner vaak eerder overlijdt.De ziekten met het grootste verlies aan gezonde levens­ Oudere vrouwen zijn onder andere daardoor een kwets-jaren bij ouderen zijn coronaire hartziekten, beroerte, bare groep voor eenzaamheid. Ook ouderen met een laagartrose en diabetes. Ook gezichtsstoornissen en dementie opleidingsniveau hebben meer kans op gezondheids­staan in de top tien van ziekten met het meeste verlies aan problemen, net zoals in de gehele populatie (Van der Luchtgezonde levensjaren. Deze ziekten behoren ook tot de & Polder, 2010). Voor vrijwel elke lichamelijke beperkingmeest voorkomende ziekten bij ouderen. Veel ouderen geldt dat het percentage mensen met een beperkinghebben meer dan één ziekte (multimorbiditeit). Bij toeneemt bij een lager opleidingsniveau. Ook ervaren75-plussers is dat bij één op de drie ouderen het geval. ouderen met een lager opleidingsniveau een minderDe meest voorkomende psychische aandoeningen bij goede lichamelijke kwaliteit van leven en participeren zijouderen zijn dementie, depressie en angststoornissen. minder vaak in vrijwilligerswerk of informele zorg. Gezond ouder worden in Nederland | 71
    • Allochtone ouderen zijn geen specifieke doelgroep in dit 8.2.4 En wat betekenen de gezondheids­rapport. Uit ander onderzoek weten we dat dit ook een problemen voor de preventie en zorg?kwetsbare groep ouderen is. Zij krijgen vaak op jongereleeftijd gezondheidsproblemen, hebben meer last van Preventieaanbod voor ouderen is diversbeperkingen en zijn moeilijk te bereiken voor hulp- en Het preventieaanbod voor ouderen is heel divers. Naastzorgverleners (Schippers et al., 2009; Gezondheidsraad, preventie gericht op het voorkómen of uitstellen van2009). ziekten, zijn veel interventies gericht op het functioneren van ouderen. Ook zijn er integrale interventies die zich8.2.3 Waar is gezondheidswinst bij ouderen te richten op gezond of succesvol ouder worden, op de behalen? zelfredzaamheid en op de kwaliteit van leven en het geestelijke welbevinden van ouderen. Daarnaast zijn erDiverse manieren om de gezondheid van ouderen te inspanningen om de fysieke omgeving meer ‘age-friendly’beïnvloeden te maken, zoals levensloopbestendig bouwen, hetDe gezondheid van ouderen wordt beïnvloed door veel toepassen van robotica en domotica en het verbeterenverschillende factoren uit hun sociale en fysieke omgeving, van de toegankelijkheid van openbaar vervoer. Tot slot isdoor hun eigen gedrag en leefstijl en door persoons­ er een consultatiebureau voor ouderen, dat zich zowel opgebonden factoren, zoals de manier waarop je omgaat met vitale ouderen als op meer kwetsbare ouderen metziekten en beperkingen. Deze factoren hangen onderling beperkingen richt. Bij de verschillende preventie­vaak samen. Zo kan een veilige omgeving ouderen activiteiten zijn veel verschillende organisaties betrokken,bijvoorbeeld stimuleren om meer te bewegen. Het is niet die niet allemaal ouderen als specifieke doelgroep hebben.bekend wat de relatieve invloed is van de verschillende Het Centrum Gezond Leven van het RIVM biedt sindsdeterminanten op de gezondheid van ouderen. In dit begin 2011 in opdracht van het ministerie van VWS eenrapport laten we wel zien welke determinanten direct of actueel overzicht van het aanbod van leefstijlinterventiesindirect te beïnvloeden zijn. voor ouderen.Leidt leefstijlverandering ook bij ouderen tot Nog weinig bekend over bereik en effecten vangezondheidswinst? preventieve interventiesLeefstijlverandering bij ouderen is lastig; het gaat immers Er is weinig bekend over het bereik van preventieveom ingesleten gewoonten. De vraag is ook: wat levert het interventies die in Nederland zijn ontwikkeld voornog aan gezondheidswinst op? Het is bekend dat leefstijl- ouderen. Ook over de effecten ontbreekt nog veelverandering bij ouderen nog zinvol is in de zin dat het informatie. Dit maakt het lastig om te bepalen welkelevensjaren oplevert en ziekten kan voorkómen. Ook is het interventies het beste kunnen worden ingezet. Dit geldtaannemelijk dat een verandering in leefstijl invloed heeft ook voor de afweging van keuzes tussen bijvoorbeeldop de kwaliteit van leven van ouderen en hun mogelijk­ landelijke programma’s met een hoog bereik en lokaleheden om te participeren. Maar bevordert het de kwaliteit programma’s met een kleine doelgroep.van leven ook substantieel? En wat moeten ouderen Van twee interventies gericht op het voorkómen vandaarvoor inleveren? Er is geen eenduidig antwoord op depressie is bekend dat ze bewezen effectief zijn. Bijdeze vraag; dit zal per persoon verschillen. meerdere andere interventies zijn ook goede resultaten geboekt. Als interventies niet bewezen effectief zijn, wilZelfmanagement bepalend bij gezond ouder worden dat niet zeggen dat deze interventies niet effectief zijn.Zelfmanagement krijgt steeds meer nadruk bij ouderen. Vaak is de effectiviteit dan niet onderzocht.Zelfmanagement bij ouderen is hier gedefinieerd als ‘hetvermogen en de vaardigheid van een persoon om ook op Ook weinig bekend over welke soort interventiesoudere leeftijd een zekere mate van balans en wel­ effectief zijn voor ouderenbevinden te ervaren ondanks aan de leeftijd gerelateerde Voor vier veelvoorkomende problemen bij ouderen isverliezen, met als doel een zo optimale kwaliteit van onderzocht welke soort interventies effectief zijn voorbestaan te behouden of te bereiken’ (Vilans, 2007). ouderen. Het gaat om vallen, inactiviteit, depressie enOndersteuning bij zelfmanagement kan gebruikt worden eenzaamheid. Deze informatie op metaniveau geeft nietom de gevolgen van ziekten en beperkingen te ver­ direct bruikbare informatie voor de praktijk, maar geeftminderen. Bovendien is het een manier om zorggebruik uit wel een beeld van welke soort interventies kansrijk zijnte stellen of te voorkomen. Steeds meer interventies voor de toekomst en waar dus het best op ingezet kanrichten zich op het begeleiden bij gezond ouder worden of worden. Vooral bij depressie en eenzaamheid ontbreekthet verbeteren van de zelfredzaamheid. Het past bij de veel informatie en is dus nog weinig wetenschappelijkhuidige samenleving, waarin eigen verantwoordelijkheid bewijs voor welke soort interventies het meest effectiefen zelfstandigheid steeds belangrijker worden. zijn. Bij vallen en bewegen is hier meer over bekend.72 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Oefenprogramma’s en multifactoriële interventies met diversiteit in gezondheid en ondersteuningsbehoeften vanoefenprogramma’s blijken vooral te werken om vallen en ouderen en het ondersteuningsaanbod goed te latenvalincidenten bij ouderen te voorkomen en te vermin­ aansluiten op de behoeften. Ouderen vanaf 75 jaar, ouderederen. Bij het bevorderen van lichamelijke activiteit blijken (alleenstaande) vrouwen, ouderen met een lage sociaal­interventies gericht op matige lichamelijke activiteit in economische status en allochtone ouderen zijn groepengroepsverband het meest effectief bij ouderen. ouderen die kwetsbaar kunnen zijn. Daarnaast is specifieke aandacht voor de mantelzorgers essentieel. DeDiversiteit in zorggebruik bij verschillende zorgverleners mantelzorger speelt een cruciale rol in de ouderen­Naast het preventieaanbod is ook het aanbod aan gezondheidszorg en deze rol zal in de toekomst alleenzorgvoorzieningen voor ouderen divers. Van alle ouderen maar toenemen. Een vijfde van de oudere mantelzorgersmaken relatief veel ouderen gebruik van de zorg gericht op ervaart zelf gezondheidsproblemen en is dus extraziekten en aandoeningen, zoals de huisarts of specialist. kwetsbaar.Veel minder ouderen maken gebruik van de zorg gericht Kennis over wie tot een risicogroep behoort, is relevantop beperkingen, zoals huishoudelijke hulp, verzorging en voor het detecteren van een doelgroep voor preventievehet gebruik van bepaalde hulpmiddelen. Vooral bij activiteiten. Daarnaast kan de overgang naar het momentouderen met complexe problematiek komen deze vormen waarop iemand tot een risicogroep gaat behoren, benutvan zorg samen. Aangezien deze zorg vanuit verschillende worden als moment om preventie aan te bieden. Ouderenwetten gefinancierd wordt, kan dit tot problemen leiden die alleen komen te staan, gaan bijvoorbeeld vanaf datbij het vinden van tijdige en adequate zorg en onder­ moment tot een risicogroep behoren. Hier zou metsteuning. Een toenemend aantal ouderen met preventie op ingespeeld kunnen worden. Op dit momentbeperkingen kiest ervoor om zelf een deel van de zorg te is er nog niet zo veel bekend over welke soort overgangenorganiseren met behulp van een persoonsgebonden in de levensfase (ook wel transities genoemd) extrabudget (pgb). gezondheidsrisico met zich meebrengen, maar voor de toekomst zou deze benadering kansrijk kunnen zijn.Ouderen zijn steeds vaker zorg zonder verblijf gaanontvangen Doelgroep ziektepreventie afhankelijk van ziekteDe helft van de ouderen met een beperking die onder­ waarop preventie zich richtsteuning vanuit de Wmo ontvangt, geeft hierbij aan dat Het voorkómen van ziekten bij ouderen is een taak vanhet anders niet mogelijk was geweest om zelfstandig te gemeenten. Hoewel ouderen nu als specifieke doelgroepblijven wonen. Het aantal ouderen dat zorg zonder verblijf zijn omschreven in de Wet publieke gezondheid, betekentontvangt, is in de periode 1995-2010 aanzienlijk gestegen, dit niet dat ziektepreventie bij ouderen alleen op demaar stabiliseert nu. Bij ouderen boven de 80 jaar neemt doelgroep ouderen gericht moet zijn. Dit hangt af van dehet nog iets toe, bij de jongste ouderen lijkt het af te soort ziekte waar de preventie zich op richt. Voor bijvoor-nemen. De hoeveelheid zorg die ouderen per persoon beeld typische ouderdomsziekten als hart- en vaatziekten,krijgen, is daarentegen in de periode 2000-2007 sterker diabetes en longkanker geldt dat de ziektepreventie vaakgestegen bij zelfstandig wonende ouderen dan bij ouderen al op jonge leeftijd ingezet wordt vanwege de langein verplegings- en verzorgingshuizen. Dit betekent dat er aanloopperiode waarmee dergelijke ziekten zich manifes-op persoonsniveau intensiever gebruik wordt gemaakt van teren. Bij sommige andere ziekten, vooral infectieziekten,zorg zonder verblijf. Deze zorg zonder verblijf houdt zijn ouderen wel een specifieke doelgroep voor preventie.overigens ook in dat zelfstandig wonende ouderen vaak Deze ziekten komen in de hele bevolking voor, maardagarrangementen in een instelling ontvangen. Daarnaast kunnen vooral bij kwetsbare ouderen ernstige gevolgenzorgen onder andere ontwikkelingen in woonzorg­ hebben. Daarnaast zijn er ziekten die vooral bij ouderenconcepten en technologie voor een vervaging van de voorkomen, maar waarbij ziektepreventie nog vrij weinigscheidslijn tussen zelfstandig wonende ouderen en kan betekenen. Dit is bijvoorbeeld bij dementie het geval.ouderen in een instelling. Deze trend zal zich voortzettenin de toekomst. Interventies ook richten op de oudste ouderen Het is opvallend dat het aanbod aan interventies zich vooral richt op de jongste ouderen, terwijl de oudste8.3 Aanknopingspunten voor ouderen de meeste gezondheidsproblemen ervaren. Enerzijds lijkt dat de juiste keuze, omdat op jonge leeftijd gemeentelijk beleid nog veel gezondheidsverlies te voorkomen is, anderzijdsPreventie richten op risicogroepen zou een aanbod gericht op de oudste ouderen ertoe bijKennis over risicogroepen geeft gemeenten aanknopings­ kunnen dragen dat de negatieve gevolgen van gezond-punten voor het uitvoeren van passende preventie­ heidsproblemen kunnen worden ingeperkt. Dit betreft danactiviteiten. Het is belangrijk om in te spelen op de vooral functioneringsgerichte preventie. Gezond ouder worden in Nederland | 73
    • Samenwerking nodig met andere beleidsterreinen Gemeentelijk beleid afstemmen op wensen van deOm zelfstandig wonende ouderen te ondersteunen, zijn er oudere inwonerstal van maatregelen mogelijk in zowel de (publieke) Op lokaal niveau kan een gemeente ervoor zorgen dat degezondheidszorg, als ook op andere beleidsterreinen, oudere inwoners betrokken worden in de beleidsplannen.zoals infrastructuur, wonen en welzijn. Dit vergt een Die wensen zouden dan wel op lokaal niveau moetenintegrale aanpak en samenwerking met beleidsterreinen worden geïnventariseerd. Het is immers goed voorstelbaarbinnen en buiten het domein van de volksgezondheid. dat ouderen in Rotterdam iets heel anders van hunHet ligt voor de hand om de mogelijkheden vanuit de gemeente verwachten dan ouderen in Bladel of Wester­Wmo en de Wpg te combineren. Dit wordt door het veld. Door verschillende vormen van inspraak teministerie van VWS gestimuleerd en toegelicht in een brief organiseren kan een gemeente peilen wat er echt toe doetaan gemeenten (VWS, 2009a). Juist bij ouderen, die vaak voor de ouderen in de eigen gemeente. Dat leidt totmet verschillende zorgverleners te maken hebben en doelstellingen van lokaal beleid die worden gedeeld doorverschillende soorten problemen hebben, is hier winst te de betrokkenen zelf. Daarnaast zal het in de uitvoering ookbehalen. In het Nationaal Programma Ouderenzorg van bijdragen aan een beter bereik van interventies.ZonMw worden stappen gezet om de zorg voor ouderenmet complexe hulpvragen te verbeteren. In dit programmawerken partijen uit zorg, welzijn, wetenschap, onderwijsen bestuur samen, zowel op landelijk als op regionaalniveau.Zorgvoorzieningen bieden aangrijpingspunten voorpreventie en begeleidingOuderen maken veel gebruik van de huisarts, specialist enapotheek. Dit zijn binnen de zorg belangrijke ingangen diebenut kunnen worden om ouderen te begeleiden bij hetgezond ouder worden. Onder andere biedt dit mogelijk­heden voor het vroegtijdig opsporen of voorkómen vanproblemen en voor het geven van voorlichting, advies enbegeleiding.Wensen ouderen landelijk in kaart brengenOuderen hebben zelf vaak een ander perspectief danprofessionals. Zo spreken onderzoekers en professionalsover ‘kwetsbaarheid’ terwijl dat begrip bij ouderen zelfniet leeft (Van Campen, 2011). Bij het inschatten van dehulpvraag en wensen voor begeleiding zijn hun eigenideeën essentieel. Wat vinden ouderen in Nederland zelfbelangrijk? Wat zijn hun gezondheidsopvattingen enparticipatiewensen? Welke zingevingsvragen zijn voor henvan belang? Voor de wensen en de visie van ouderen isbijvoorbeeld aandacht in het Nationaal ProgrammaOuderenzorg van ZonMw.74 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Literatuur enbronnenLiteratuur geriatrie 2006;37(4):8.Alcoholinfo.nl. Negatieve effecten van alcoholgebruik op Bohlmeijer E, Smit F, Smits C. Preventie van depressie bij ouderen. In: Alcoholinfo.nl. 2010. Zie: www.alcohol- ouderen. Introductie en onderbouwing. Utrecht: info.nl/index.cfm?act=esite.tonen&pagina=285. Trimbos-instituut, 2005.Baan CA, Van Baal PH, Jacobs-van der Bruggen MA, Borghouts JAJ, Hopman-Rock M. Evaluatie ‘Nederland in Verkleij H, Poos MJ, Hoogenveen RT, et al. Diabetes Beweging! Televisie’. Een effectevaluatie. Leiden: TNO, mellitus in Nederland: schatting van de huidige 2001. ziektelast en prognose voor 2025. [Diabetes mellitus in Bremmer MA, Beekman ATF, Deeg DJH, Van Balkom AJLM, the Netherlands: estimate of the current disease Van Dyck R, Van Tilburg W. Angststoornissen bij burden and prognosis for 2025]. Ned Tijdschr ouderen: prevalentie en risicofactoren. Tijdschrift voor Geneeskd 2009;153A580. Psychiatrie 1997;39(8).Bierman E, Comijs H, Depla M, Ten Have M, Pot AM. Broese van Groenou M. Deelname aan activiteiten. In: Van Psychische problemen en GGZ-gebruik bij ouderen Tilburg T, De Jong Gierveld J (redactie). Zicht op met lichamelijke aandoeningen. Deelstudie 2 van de eenzaamheid. Achtergronden, oorzaken en aanpak. Monitor Geestelijke Gezondheidszorg Ouderen (MGO). Assen: Van Gorcum, 2007. Utrecht/Amsterdam: Trimbos-instituut/LASA, 2007. Broese van Groenou M, Deeg D. Veranderingen in socialeBijkerk P, Van Lier EA, Van Vliet JA, Kretzschmar ME. participatie. In: De Boer A (redactie). Rapportage Effecten van vergrijzing op infectieziekten [Effects of ouderen 2006. Den Haag: Sociaal en Cultureel ageing on infectious disease]. Ned Tijdschr Geneeskd Planbureau (SCP), 2006. 2010;154A1613. Broese van Groenou M, Van Tilburg T. Andere persoonlijkeBijl R, Boelhouwer J, Pommer E, Schyns P (redactie). De relaties. In: Van Tilburg T, De Jong Gierveld J (redactie). sociale staat van Nederland 2009. Den Haag: Sociaal Zicht op eenzaamheid. Achtergronden, oorzaken en en Cultureel Planbureau (SCP), 2009. aanpak. Assen: Van Gorcum, 2007.Bloomberg MR, Quinn CC. Age Friendly NYC Enhancing Our Bruggink JW, Garssen J, Lodder B, Kardal M. Trends in City’s Livability for Older New Yorkers. New York: The gezonde levensverwachting. Bevolkingstrends, 1e city of New York office of the mayor New York, 2009. kwartaal 2009. Den Haag/Heerlen: CBS, 2009.Bode C, De Ridde D. “Op weg naar de gouden jaren” - De Cardol M, Emmen M, Rijken M, Van Campen C. Werk en effecten van een cursus ter voorbereiding op het tevredenheid onder chronisch zieken met een ouder worden. Tijdschrift voor gerontologie en langdurige lichamelijke beperking: de rol van Gezond ouder worden in Nederland | 75
    • individuele competenties. Den Haag/Utrecht: Sociaal van het begrip eenzaamheid. In: Van Tilburg T, De Jong en Cultureel Planbureau/NIVEL, 2008. Gierveld J (redactie). Zicht op eenzaamheid: achter-Cattan M, White M, Bond J, Learmouth A. Preventing social gronden, oorzaken en aanpak. Assen: Van Gorcum, isolation and loneliness among older people: a 2007. systematic review of health promotion interventions. De Jong J. The GALM effect study. Changes in physical Ageing & Society 2005;25(1):41-67. activity, health and fitness of sedentary older adultsCBO. Richtlijn preventie van valincidenten bij ouderen. aged 55-65. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, Utrecht: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg 2009. CBO, 2004. De Klerk M (redactie). Meedoen met beperkingen.CBS. Gezondheid en zorg in cijfers 2008. Den Haag/ Rapportage gehandicapten 2007. Den Haag: Sociaal en Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek, 2008. Cultureel Planbureau (SCP), 2007.Codd V, Mangino M, Van der Harst P, Braund PS, Kaiser M, De Klerk M, Gilsing R, Timmermans J. Op weg met de Beveridge AJ, et al. Common variants near TERC are Wmo. Evaluatie van de Wet maatschappelijke associated with mean telomere length. Nat Genet ondersteuning 2007-2009. Den Haag: Sociaal en 2010;42(3):197-9. Cultureel Planbureau (SCP), 2010.Cole MG. Brief interventions to prevent depression in older De Korte JD, Nagelhout GE, Van der Meer RM, Van Gelder subjects: a systematic review of feasibility and BM, Feenstra D, Willemsen MC. Themapublicatie: effectiveness. American Journal of Geriatric Psychiatry Sociaaleconomische verschillen in roken in Nederland 2008;16(6):435-43. 1988-2008. Den Haag: STIVORO, 2010.Conn VS, Isaramalai SA, Banks-Wallace J, Ulbrich S, Deeg DJ. Hoeveel mensen voelen zich niet gezond? In: Cochran J. Evidence-based Interventions to Increase Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Physical Activity Among Older Adults. Activities, Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut Adaptation & Aging 2003;27(2):39-52. voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2009. Zie:Consument en Veiligheid. Advies: Ouderen. In: Website www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ Consument en Veiligheid. Amsterdam: Consument en functioneren-en-kwaliteit-van-leven/ervaren-gezond- Veiligheid, 2011. Zie: www.veiligheid.nl/ouderen/ heid/hoeveel-mensen-voelen-zich-niet-gezond. ouderen. Dekker P, De Hart P, Faulk L. ToekomstverkenningCress ME, Buchner DM, Prohaska T, Rimmer J, Brown M, vrijwillige inzet 2015. Den Haag: Sociaal en Cultureel Macera C, et al. Best practices for physical activity Planbureau (SCP), 2007. programs and behavior counseling in older adult Depla M, Pot AM, De Graaf R, Van Dorsselaer S, Sonnen- populations. J Aging Phys Act 2005;13(1):61-74. berg CM, Deeg DJH. Ontwikkeling in het gebruik vanCroezen S. Social relationships and healthy ageing. geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg door Epidemiological evidence for the development of a ouderen tot 2020. Utrecht: Trimbos-instituut, 2005. local intervention programme. Wageningen: Dykstra PA, Fokkema T. Social and emotional loneliness Universiteit Wageningen, 2010. among divorced and married men and women:Cyarto EV, Moorhead GE, Brown WJ. Updating the comparing the deficit and cognitive perspectives. Basic evidence relating to physical activity intervention Appl Soc Psych 2007;29(1):1-12. studies in older people. J Sci Med Sport 2004;7(1 Dykstra PA, Van Tilburg TG, De Jong Gierveld J. Changes in Suppl):30-8. older adult loneliness. Results from a seven-yearDe Boer A. Toekomstverkenning informele zorg. Den Haag: longitudinal study. Research on ageing Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), 2007. 2005;27(6):725-47.De Boer A, Broese van Groenou M, Timmermans JM, Faber MJ, Bosscher RJ, Chin A, Paw MJ, Van Wieringen PC. (redactie). Mantelzorg. Een overzicht van de steun van Effects of Exercise Programs on Falls and Mobility in en aan mantelzorgers in 2007. Den Haag: Sociaal en Frail and Pre-Frail Older Adults: A Multicenter Cultureel Planbureau (SCP), 2009. Randomized Controlled Trial. Arch Phys Med RehabilDe Boer A, De Klerk M. Wat doen oudere mannen en 2006(87):885-96. vrouwen aan informele zorg. In: Altijd een antwoord. Feenstra T, Blokstra A, Zantinge EM. Roken. Zijn er SCP-nieuwjaarsuitgave 2006. Den Haag: Sociaal en verschillen naar sociaaleconomische status en Cultureel Planbureau, 2006. etniciteit? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning,De Boer A, Timmermans J, Sadiraj K. Balanceren in de Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: informele zorg. Geron Tijdschrift over ouder worden & Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), maatschappij 2008;10e jaargang(2):42-5. 2009. Zie: www.nationaalkompas.nl/gezondheids­De Boer AH (redactie). Rapportage ouderen 2006. Den determinanten/leefstijl/roken/verschillen- Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), 2006. sociaal­­ economisch-en-etniciteit.De Jong Gierveld J, Van Tilburg T. Uitwerking en definitie Fokkema CM, Dykstra PA. De aanpak van eenzaamheid.76 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Feiten en misverstanden. Demos 2009(3):5-8. ness of the coping with depression course for olderFokkema T, Van Tilburg TG. Eenzaam en dan? De (on) adults provided by the community-based mental mogelijkheden van interventies bij ouderen. Den health care system in the Netherlands: a randomized Haag/Amsterdam: Nederlands Interdisciplinair controlled field trial. International Psychogeriatrics Demografisch Instituut/Vrije Universiteit, 2005. 2005;171-19.Fokkema T, Van Tilburg TG. Zin en onzin van eenzaam- Haskell WL, Lee IM, Pate RR, Powell KE, Blair SN, Franklin heidsinterventies bij ouderen. Tijdschrift voor BA, et al. Physical activity and public health: updated Gerontologie en Geriatrie 2007;38(4):185-203. recommendation for adults from the American CollegeFolstein MF, Folstein SE, McHugh PR. “Mini-mental state”. of Sports Medicine and the American Heart A practical method for grading the cognitive state of Association. Medical Science in Sports and Exercise patients for the clinician. J Psychiatr Res 2007;39(8):1423-34. 1975;12(3):189-98. Helsdingen Y. Angst de baas. Effectmeting van eenForsman AK, Schierenbeck I, Wahlbeck K. Psychosocial preventieve cursus voor ouderen vanaf 55 jaar met Interventions for the Prevention of Depression in lichte angstklachten. Nijmegen: Katholieke Universiteit Older Adults: Systematic Review and Meta-Analysis. J Nijmegen, 2004. Aging Health 2010. Hoeymans N. Maatschappelijke participatie bij ouderen.Frick KD, Kung JY, Parrish JM, Narrett MJ. Evaluating the TPEdigitaal 3: 53-66, 2009. cost-effectiveness of fall prevention programs that Hoeymans N, Melse JM, Schoemaker CG (redactie). reduce fall-related hip fractures in older adults. J Am Gezondheid en determinanten. Deelrapport van de Geriatr Soc 2010;58(1):136-41. Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 VanFrieswijk N, Buunk BP, Steverink N, Slaets JPJ. Het effect gezond naar beter. Bilthoven: Rijksinstituut voor van sociale vergelijkingsinformatie op de levens­ Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 270061006, 2010. satisfactie van fragiele ouderen. Tijdschrift voor Hoeymans N, Schellevis FC, Wolters I. Chronische ziekten en Gerontologie en Geriatrie 2005(36):100-108. multimorbiditeit. Hoeveel mensen hebben één of meerGALM. Resultaten GALM. In: Website GALM. Groningen: chronische ziekten? In: Bilthoven: Rijksinstituut voor Rijksuniversiteit Groningen, NISB, Koninklijke Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2008. Zie: www. Nederlandse Gymnastieke Unie, 2010. Zie: www.galm. nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en- nl/cat/785/Resultaten. aandoeningen/chronische-ziekten-en-multimorbiditeit/Garssen J, Harmsen C. Nog drie negentiende-eeuwers. In: hoeveel-mensen-hebben-een-of-­meer-­chronische- CBS Webmagazine. Den Haag/Heerlen: Centraal ziekten. Bureau voor de Statistiek, 23-03-2009. Hoeymans N, Timmermans JM, De Klerk MMY, De BoerGarssen J, Harmsen C. Meer mannen worden 100. In: CBS AH, Deeg DJH, Poppelaars JJ, et al. Gezond actief: de Webmagazine. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau relatie tussen ziekten, beperkingen en maatschappe- voor de Statistiek, 15-09-2010. lijke participatie onder Nederlandse ouderen.Gezondheidsraad. Voedingsnormen: calcium, vitamine D, Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en thiamine, riboflavine, niacine, pantotheenzuur en Milieu (RIVM); 270054001, 2005. biotine. Den Haag: Gezondheidsraad, 2000. Hong SY, Hughes S, Prohaska T. Factors affecting exerciseGezondheidsraad. Dementie: advies van een commissie attendance and completion in sedentary older adults: van de Gezondheidsraad aan de Minister van Volks­ a meta-analytic approach. J Phys Act Health gezondheid, Welzijn en Sport. 2002. 2008;5(3):385-97.Gezondheidsraad. Richtlijnen Gezonde Voeding. Den Hopman-Rock M, Borghouts JA, Leurs MT. Determinants Haag: Gezondheidsraad, 2006. of participation in a health education and exerciseGezondheidsraad. Ouderdom komt met gebreken. program on television. Prev Med 2005;41(1):232-9. Geneeskunde en zorg bij ouderen met multi­ Hopman-Rock M, De Greef M. Effectevaluatie van nieuwe morbiditeit. Den Haag: Gezondheidsraad, 2008. groepen Meer Bewegen voor Ouderen-Gymnastiek.Gezondheidsraad. Preventie bij ouderen: focus op Leiden: TNO-PG, 2002. zelfredzaamheid. Den Haag: Gezondheidsraad, 2009. Isken LD, Harbers MM. Gedragsverandering levert ook bijGillespie LD, Robertson MC, Gillespie WJ, Lamb SE, Gates ouderen gezondheidswinst op. In: Volksgezondheid S, Cumming RG, et al. Interventions for preventing falls Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volks­ in older people living in the community. Cochrane gezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksge- Database Syst Rev 2009(2):CD007146. zondheid en Milieu (RIVM), 2009. Zie: www.nationaal-Hagberg LA, Lindholm L. Cost-effectiveness of health-care kompas.nl/preventie/gericht-op-doelgroepen/ouderen interventions aimed at improving physical activity. gedragsverandering-levert-ook-bij-ouderen-gezond- Scandinavian Journal of Public Health 2006(34):641-53. heidswinst-op/.Haringsma R, Engels GI, Cuijpers P, Spinhoven P. Effective- Jonker AA, Comijs HC, Knipscheer KC, Deeg DJ. The role of Gezond ouder worden in Nederland | 77
    • coping resources on change in well-being during Planbureau (SCP), 2009. persistent health decline. J Aging Health Marengoni A, Winblad B, Karp A, Fratiglioni L. Prevalence 2009;21(8):1063-82. of chronic diseases and multimorbidity among theKarinkanta S, Piirtola M, Sievanen H, Uusi-Rasi K, Kannus elderly population in Sweden. Am J Public Health P. Physical therapy approaches to reduce fall and 2008;98(7):1198-200. fracture risk among older adults. Nat Rev Endocrinol. Milieuportaal. Binnenmilieu. In: Milieuportaal RIVM. 2010;6(7):396-407. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid enKempen GI, Brilman EI, Ormel J. De Mini-Mental State Milieu, januari 2011. Zie: www.rivm.nl/milieuportaal/ Examination. Normeringsgegevens en en vergelijking onderwerpen/binnenmilieu. van een 12- en 20- item versie in een steekproef NHG. NHG-Standpunt Toekomstvisie Huisartsenzorg ouderen uit de bevolking. [The Mini Mental Status Huisartsgeneeskunde voor ouderen. Utrecht: Neder- Examination. Normative data and a comparison of a lands Huisartsen Genootschap, 2007. 12-item and 20-item version in a sample survey of Nied RJ, Franklin B. Promoting and prescribing exercise for community-based elderly]. Tijdschr Gerontol Geriatr the elderly. East Lansing: Am Fam Physician 2002;65 1995;26(4):163-72. (3):419-26.Kemper HGC, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus Noorda J. GGD-richtlijn medische milieukunde. Gezond- over de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen. heidsrisico’s van winterse omstandigheden. Bilthoven: Tijdschr Soc Gezondheidsz 2000(78):180-3. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM);King A, Rejeski W, Buchner D. Physical activity inter­ 609330009, 2009. ventions targeting older adults. A critical review and Nooyens AC, Van Gelder BM, Verschuren WM. Smoking recommendations. Am J Prev Med 1998;15(4):316-33. and cognitive decline among middle-aged men andKnoops KTB, De Groot LCPGM, Kromhout D, Perrin A, women: the Doetinchem Cohort Study. Am J Public Moreiras-Varela O, Menotti A. Mediterranean diet, Health 2008;98(12):2244-50. lifestyle factors, and 10-year mortality in elderly Onrust S. Intervening after the loss of a spouse: is it (cost-) European men and women: the HALE project. JAMA effective and for whom. Amsterdam/Utrecht: Vrije 2004;29(12):1433-9. Universiteit/Trimbos-instituut, 2008.Kuunders MMAP, Van Laar MW. Wat zijn de mogelijke Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M. gezondheidsgevolgen van alcoholgebruik? In: Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Ooijendijk Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M (redactie). Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005. voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2010. Zie: Hoofddorp/Leiden: TNO, 2007. www.nationaalkompas.nl/gezondheidsdeterminan- Oudijk D, De Boer A, Woittiez I, Timmermans J, De Klerk ten/leefstijl/alcoholgebruik/ M. Mantelzorg uit de doeken. Een actueel beeld van wat-zijn-de-moge­ijke-gezond­ eidsgevolgen-van- l h het aantal mantelzorgers. Den Haag: Sociaal en alcoholgebruik. Cultureel Planbureau (SCP), 2010.Lammeren P, Van Geelen K. Verbitteren of verbeteren; Penninx K, De Klerk M, De Boer A, Dekker P. De zilveren evaluatie van een programma ter voorkoming van kracht in cijfers. Factsheet maatschappelijke inzet door eenzaamheid en depressie bij oudere weduwen. ouderen. Utrecht: MOVISIE, 2008. Utrecht: Nederlands Centrum Geestelijke Volks­ Perenboom RJM. Enige prognose betreffende dementie in gezondheid (NcGv), 1995. de jaren 2007 tot 2030 in Amsterdam. Leiden: TNO,Lanting LC, Hoeymans N (redactie). Let op letsels. 2009. Preventie van ongevallen, geweld en suïcide. Biltho- Perls TT. The different paths to 100. Am J Clin Nutr ven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu 2006;83(2):484S-487S. (RIVM); 270102001, 2008. Pot A, Bohlmeijer E, Onrust S, Melenhorst A, Veerbeek M,Luanaigh CO, Lawlor BA. Loneliness and the health of De Vries W. The impact of life review on depression in older people. International Journal of Geriatric older adults: a randomized controlled trial. Internatio- Psychiatry 2008(23):1213-21. nal Psychogeriatrics 2010;22(4):572-81.Luijben AHP, Kommer GJ (redactie). Tijd en toekomst. Province MA, Hadley EC, Hornbrook MC, Lipsitz LA, Miller Deelrapport van de VTV 2010 Van gezond naar beter. JP, Mulrow CD, et al. The effects of exercise on falls in Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en elderly patients. A preplanned meta-analysis of the Milieu (RIVM); 270061008, 2010. FICSIT Trials. Frailty and Injuries: Cooperative StudiesMarangos A, Cardol M, De Klerk M. Ondersteuning en of Intervention Techniques. JAMA 1995;273(17):1341-7. participatie van mensen met een lichamelijke Puts MTE, Shekary N, Widdershoven G, Heldens J, Lips P, beperking. Tweede tussenrapportage; een jaar na de Deeg D. What does quality of life mean to older frail invoering van de Wmo. Den Haag: Sociaal en Cultureel and non-frail community-dwelling adults in the78 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Netherlands. Quality of Life Research people: theory and intervention. Groningen: 2007(16):263-277. Rijksuniversiteit Groningen, 2004.Robine JM, Romieu I. Healthy active ageing: Health SFK. Bijna één op de twee uitgiftes voor oudere patiënt. In: expectancies at age 65 in the different parts of the Pharmaceutisch Weekblad. Den Haag: Stichting world. REVES paper nr. 318. Montpellier: REVES/ Farmaceutische Kengetallen, 2009a. INSERM, 1998. SFK. Data en feiten 2009. Den Haag: StichtingRuijsbroek JMH, Droomers M. Sociale omgeving en Farmaceutische Kengetallen, 2009b. gezondheid. In: Volksgezondheid Toekomst Verken- Sherrington C, Whitney JC, Lord SR, Herbert RD, Cumming ning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RG, Close JC. Effective exercise for the prevention of Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), falls: a systematic review and meta-analysis. J Am 2008. Zie: www.nationaalkompas.nl/thema-s/ Geriatr Soc 2008;56(12):2234-43. gezondheidsachterstanden/thema-s/ SNIPH. Healthy Ageing. A challenge for Europe. Östersund: sociale-omgeving-en-gezondheid. Swedish National Institute of Public Health, 2006.Sadiraj K, Timmermans J, Ras M, De Boer A. De toekomst Spek V, Nyklicek I, Smits N, Cuijpers P, Riper H, Keyzer J, et van de mantelzorg. Den Haag: Sociaal en Cultureel al. Internet-based cognitive behavioural therapy for Planbureau (SCP), 2009. subthreshold depression in people over 50 years old: aSanderson WC, Scherbov S. Demography. Remeasuring randomized controlled clinical trial. Psychol Med aging. Science 2010;329(5997):1287-8. 2007;37(12):1797-806.Savelkoul M. Preventie van vallen bij senioren (55 jaar en Sprangers MAG. Wat is kwaliteit van leven en hoe wordt ouder). In: Lanting LC, Hoeymans N (redactie). Let op het gemeten? In: Volksgezondheid Toekomst Verken- letsels. Preventie van ongevallen, geweld en suïcide. ning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Milieu (RIVM), 2008. 2009a. Zie: www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-Savelkoul M. Sociale steun. Zijn er verschillen naar geslacht ziekte/functioneren-en-kwaliteit-van-leven/kwaliteit- en leeftijd? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, van-leven/wat-is-kwaliteit-van-leven-en-hoe-wordt- Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: het-gemeten. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Sprangers MAG, Snijders BE, Van Gool CH. Wat is de 2008. Zie: www.nationaalkompas.nl/gezondheids­ kwaliteit van leven van mensen in Nederland? In: determinanten/omgeving/leefomgeving/sociale- Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal steun/verschillen-sociaaleconomisch-en-etniciteit. Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RijksinstituutSavelkoul M, Hagedoorn M, Sanderman R. Wat zijn voor Voksgezondheid en Milieu (RIVM), 2009b. Zie: mogelijke gezondheidsgevolgen van sociale steun? In: www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal functioneren-en-kwaliteit-van-leven/kwaliteit-van- Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut leven/wat-is-de-kwaliteit-van-leven-van-mensen- voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2008. Zie: in-nederland. www.nationaalkompas.nl/gezondheidsdeterminan- Sprangers MAG, Snijders BE, Van Gool CH. Wat is de relatie ten/omgeving/leefomgeving/sociale-steun/wat-zijn- met ziekten en determinanten? In: Volksgezondheid mogelijke-gezondheidsgevolgen-van-­ ociale-steun. s Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volks­Savelkoul M, Van Tilburg TG. Wat zijn mogelijke gezond- gezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezond- heidsgevolgen van eenzaamheid? In: Volksgezondheid heid en Milieu (RIVM), 2009c. Zie: www.nationaalkom- Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksge- pas.nl/gezondheid-en-ziekte/functioneren-en-kwaliteit- zondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezond- van-leven/kwaliteit-van-leven/wat-is-de-relatie-met- heid en Milieu (RIVM), 2010. Zie: www.nationaalkom- ziekten-en-determinanten. pas.nl/gezondheidsdeterminanten/omgeving/ Stevens NL. A friendship enrichment programme for older leefomgeving/eenzaamheid/wat-zijn-mogelijke- women. Ageing & Society 2001(21):183-202. gezond­ eidsgevolgen-van-eenzaamheid. h Stevens NL, Martina CM. Eenzaamheidsinterventies bijSchippers A, Albers B, Kuiper M, Marx T, Van Overbeek R, ouderen: ordening en effectiviteit. Tijdschrift voor Spreeuwenberg M, et al. Zorg voor morgen. Schets van Gerontologie en Geriatrie 2006;37(2):44-50. preventieve zorg voor ouderen. Utrecht: Vilans, 2009. Stevens NL, Van Tilburg TG. Stimulating friendship in laterSchram MT, Frijters D, Van de Lisdonk EH, Ploemacher J, life: A strategy for reducing loneliness among older De Craen AJ, De Waal MW, et al. Setting and registry women. Educational Gerontology 2000(26):15-35. characteristics affect the prevalence and nature of Stiggelbout M. More exercise for seniors: opportunities multimorbidity in the elderly. J Clin Epidemiol and challenges. Amsterdam: Vrije Universiteit, 2008. 2008;61(11):1104-12. Suanet B, Broese van Groenou M, Braam AW. Changes inSchuurmans H. Promoting well-being in frail elderly volunteering among young old in the Netherlands Gezond ouder worden in Nederland | 79
    • between 1992 and 2002: the impact of religion, Population Fund, 2007. age-norms, and intergenerational transmission. Unie KBO. Verslag van de expertmeeting ‘Zingeving en European Journal of Ageing 2009(6):157–165. ouderen’. ‘s-Hertogenbosch: Unie KBO, 2008.SVLA. Stichting Vrije Levensloop Academie. In: Website Van Bakel AM, Zantinge EM. Lichaamsgewicht. Achter- SVLA. Den Haag: SVLA, 2010. Zie: www.levensloop­ grondinformatie bij de gegevensbronnen. In: Volks­ academie.net. gezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal KompasSwinkels H. Veroudering maar beperkt debet aan hoger Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor zorggebruik. In: CBS-webmagazine. Den Haag/ Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2010. Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek, Zie: www.nationaalkompas.nl/gezondheids­ 06-06-2006. determinanten/persoonsgebonden/lichaamsgewicht/SWOV. Factsheet: Ouderen in het verkeer. Leidschendam: achtergrondinformatie-bij-de-gegevensbronnen. Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeers­ Van Campen C. (redactie). Grijswaarden. Monitor ouderen- veiligheid, 2010a. beleid 2008. Den Haag: Sociaal en Cultureel Plan­SWOV. Factsheet: Ouderen en infrastructuur. Leidschen- bureau (SCP), 2008. dam: Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeers- Van Campen C. (redactie). Kwetsbare ouderen. Den Haag: veiligheid, 2010b. Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), 2011.Taylor AH, Cable NT, Faulkner G, Hillsdon M, Narici M, Van Van den Akker M, Buntinx F, Metsemakers JF, Roos S, Der Bij AK. Physical activity and older adults: a review Knottnerus JA. Multimorbidity in general practice: of health benefits and the effectiveness of inter­ prevalence, incidence, and determinants of ventions. J Sports Sci 2004;22(8):703-25. co-occurring chronic and recurrent diseases. J ClinTen Have M, Depla M, Pot AM. Deelstudie 3b: welke rol Epidemiol 1998;51(5):367-75. speelt de huisarts voor ouderen met psychische Van den Berg Jeths A, Timmermans JM, Hoeymans N, problemen? Rapportage 2006. In: Pot AM, Depla M, Woittiez IB. Ouderen nu en in de toekomst: Gezond- Ten Have M (redactie). Monitor Geestelijke Gezond- heid, verpleging en verzorging 2000-2020. Bilthoven: heidszorg Ouderen. Utrecht: Trimbos-instituut, 2007. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM);Terwee C, Eijssen I, Steultjes M, Dekker M. Uitdagingen in 270502001, 2004. het definiëren van het begrip participatie (niet Van den Brink-Muinen A, Rijken PM, Spreeuwenberg P, gepubliceerd). Amsterdam: Kenniscentrum meet­ Heijmans MWJM. Kerngegevens maatschappelijke instrumenten VUmc, 2010. situatie 2008, Nationaal Panel Chronisch Zieken enTombaugh TN, McIntyre NJ. The mini-mental state Gehandicapten. Utrecht: NIVEL, 2009. examination: a comprehensive review. J Am Geriatr Van der Bij A, Laurant M, Wensing M. Effectiveness of Soc 1992;40(9):922-35. physical activity interventions for older adults: aTrimbos-instituut. Alcohol en ouderen in de verslavings- review. Am J Prev Med 2002;22(2):120-33. zorg in Nederland (1998-2007). Utrecht: Trimbos-­ Van der Lucht F, Polder JJ. Van gezond naar beter. Kern­ instituut, 2009. rapport van de Volksgezondheid Toekomst VerkenningUijen AA, Van de Lisdonk EH. Multimorbidity in primary 2010. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid care: prevalence and trend over the last 20 years. Eur J en Milieu (RIVM); 270061005, 2010. Gen Pract 2008;14 (Suppl 1):28-32. Van der Meulen A, Keij-Deerenberg I. Sterfte aanUiters E. Lichamelijke activiteit. Sociaaleconomische Dementie. Voorburg/Heerlen: Centraal Bureau voor de verschillen naar geslacht en leeftijd. In: Volksgezond- Statistiek (CBS), 2003. heid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Van Dijk C, Verheij R, Schellevis F. Huisartsenzorg in cijfers. Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Polyfarmacie bij ouderen. Huisarts en Wetenschap Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2009. 2009;53(7):315. Zie: www.nationaalkompas.nl/gezondheids­ Van Doorn L. Handreiking Signaleringsnetwerken voor determinanten/leefstijl/lichamelijke-activiteit/ sociaal geïsoleerde ouderen. Utrecht: NIZW sociaal sociaal­ conomische-verschillen-in-geslacht-en-leeftijd. e beleid, 2006.Uiters E, Verweij A. Lichaamsgewicht. Zijn er verschillen naar Van Duin C, Garssen J. Bevolkingsprognose 2010–2060: sociaaleconomische status? In: Volksgezondheid sterkere vergrijzing, langere levensduur. Den Haag/ Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezond- Heerlen: CBS, 2010. heid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Van Gool CH, Harbers MM, Sprangers MAG. Gezondheids- Milieu (RIVM), 2010. Zie: www.nationaalkompas.nl/ gerelateerde kwaliteit van leven: Sociaaleconomische gezondheidsdeterminanten/persoons­gebonden/ verschillen naar geslacht en leeftijd. In: Volksgezond- lichaamsgewicht/verschillen-sociaaleconomisch. heid Toekomst Verkenning, Nationaal KompasUNFPA. State of world population 2007. Unleashing the Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Potential of Urban Growth. New York: United Nations Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2009a. Zie: www.80 | Gezond ouder worden in Nederland
    • nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/functio­ nationaalkompas.nl/gezondheidsdeterminanten/ neren-en-kwaliteit-van-leven/kwaliteit-van-leven/ persoonsgebonden/lichaamsgewicht/wat-zijn-de- sociaaleconomische-verschillen-naar-geslacht-en- mogelijke-gezondheidsgevolgen-van-overgewicht- leeftijd. en-ondergewicht.Van Gool CH, Hoeymans N, Picavet HSJ. Hoeveel mensen Vollebergh W. De tijd van je leven. Jeugd in veranderende hebben beperkingen? In: Volksgezondheid Toekomst culturele contexten. Utrecht: Journey Press The Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Netherlands, 2008. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en VROM. Nationale aanpak milieu en gezondheid 2008- Milieu (RIVM), 2009b. Zie: www.nationaalkompas.nl/ 2012. Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting, gezondheid-en-ziekte/functioneren-en-kwaliteit-van- Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 2008. leven/lichamelijk-functioneren/ VWS. Ouderenbeleid in het perspectief van de vergrijzing. hoeveel-mensen-hebben-beperkingen. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn enVan Gool CH, Hoeymans N, Picavet HSJ. Lichamelijk Sport, 2005. functioneren: Wat is de relatie met ziekten en VWS. Nationaal Hitteplan 2007. Den Haag: RIVM, GGD determinanten? In: Volksgezondheid Toekomst Nederland, GHOR Nederland, Actiz, Nederlandse Rode Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Kruis, 2007. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en VWS. Versterking preventieve gezondheidszorg voor Milieu (RIVM), 2009c. Zie: www.nationaalkompas.nl/ ouderen. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, gezondheid-en-ziekte/functioneren-en-kwaliteit-van- Welzijn en Sport, 2009a. leven/lichamelijk-functioneren/ VWS. Wijkverpleegkundigen en de AWBZ-functie wat-is-de-relatie-met-ziekten-en-determinanten. verpleging. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid,Van Gool CH, Picavet HSJ, Deeg DJH, Klerk Md, Nusselder Welzijn en Sport, 2009b. W, Boxtel Mv, et al. Trends in activity limitations: The VWS. Brief: Standpunt op adviezen Gezondheidsraad over Duth older population between 1990 and 2007. 2011, vitamines en mineralen. Den Haag: Ministerie van ingediend. Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2010.Van Herten M. Plausibiliteit POLS-module Vrijwillige inzet Ware JE, Kosinski M, Keller SD. SF-12: How to score the 2007. Voorburg/Heerlen: Centraal Bureau voor de SF-12 Physical and Mental Health Summary Scales. Statistiek (CBS), 2008. Boston: The Health Institute, New England MedicalVan Tilburg T. Prevalentie. In: Van Tilburg T, De Jong Center, 1995. Gierveld J (redactie). Zicht op eenzaamheid. Achter- Weerdesteyn V, Rijken H, Geurts ACH, Smits-Engelsman gronden, oorzaken en aanpak. Assen: Van Gorcum, BCM, Mulder T, Duysens A. Five-week exercise 2007. program can reduce falls and improve obstacleVan Tilburg T & De Jong Gierveld J. Het vaststellen van avoidance in the elderly. Gerontology 2006(52):131-41. eenzaamheid. In: Van Tilburg T, De Jong Gierveld J Wendel-Vos GCW. Wat zijn de mogelijke gezondheidsge- (redactie). Zicht op eenzaamheid. Achtergronden, volgen van lichamelijke activiteit? In: Volksgezondheid oorzaken en aanpak. Assen: Van Gorcum, 2007. Toekomst Verkenning, Nationaal KompasVerweij A, Sanderse C, De Beer J. Vergrijzing: Wat is de Volksgezond­ eid. Bilthoven: Rijksinstituut voor h huidige situatie? In: Volksgezondheid Toekomst Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2010. Zie: www. Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. nationaalkompas.nl/gezondheidsdeterminanten/ Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en leefstijl/lichamelijke-activiteit/wat-zijn-de-mogelijke- Milieu (RIVM), 2009. Zie: www.nationaalkompas.nl/ gezondheidsgevolgen-van-lichamelijke-activiteit. bevolking/vergrijzing/huidig. WHO. Global Age-friendly Cities: A Guide. Geneva: WorldVilans. Factsheet Zelfmanagement bij ouderen. Utrecht: Health Organization, 2007. Vilans, 2007. Wijlhuizen GJ, Chorus AMJ. Bewegen in Nederland:Vilans. Een kleinschalige woonvorm opzetten. In: Vilans- ouderen. In: Hildebrandt VH, Chorus AMJ, Stubbe JHR website. Utrecht: Vilans, 2010. Zie: www.vilans.nl/Pub/ (redactie). Trendrapport Bewegen en Gezondheid Informatiecentrum/Informatiecentrum-wonen/ 2008-2009. Leiden: TNO, 2010. (2810)-Participatie,-Zelfredzaamheid-en-Technologie- Wijlhuizen GJ, Nauta S. Evaluatie bewegingsstimulering en Hoe-Een-kleinschalige-woonvorm-opzetten.html. valpreventie bij allochtone ouderen: een pilotstudie.Visscher TLS, Van Son G, Van Bakel AM, Zantinge EM. Wat Leiden: TNO, 2007. zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van Wijlhuizen GJ, Radder JJ, Graafmans WC. Effectevaluatie overgewicht en ondergewicht? In: Volksgezondheid grip op eigen veiligheid; resultaten van een onderzoek Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volks­ naar het effect van een multimethode interventie gezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volks­ gericht op reductie van ongevallen bij ouderen (65+) in gezond­ eid en Milieu (RIVM), 2010. Zie: www. h Sneek. Leiden: TNO, 2003. Gezond ouder worden in Nederland | 81
    • Wimo A, Prince M. World Alzheimer Report 2010. The Global Economic Impact of Dementia. London: Alzheimer’s Disease International, 2010.Wingen M. Geen verdere toename in bezit medische hulpmiddelen. In: CBS Webmagazine. Den Haag/ Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek, 27-07-2009.Wingen M, Otten F. Burgerlijke staat, recente verweduwing en gezondheidsindicatoren van ouderen. Den Haag/ Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), 2009a.Wingen M, Otten F. Sociaaleconomische status en verschillende gezondheidsaspecten bij ouderen. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 2009b(3):109-17.Wong A, Kommer GJ, Polder JJ. Levensloop en zorgkosten. Zorg voor euro’s-7. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 270082001, 2007.Zijlstra G. Managing concerns about falls. Maastricht: Universiteit van Maastricht, 2007.Zijlstra G, Van Haastregt J, Ambergen T, Van Rossum E, Van Eijk J, Tennstedt S, et al. Effects of a Multicomponent Cognitive Behavioral Group Intervention on Fear of Falling and Activity Avoidance in Community-Dwelling Older Adults: Results of a Randomized Controlled Trial. Journal of the American Geriatrics Society 2009;57(11):2020-8.Zwaanswijk M, Van Beek S, Peeters J, Spreeuwenberg P, Francke A. Advies en informatie direct vanaf beginfase belangrijk voor mantelzorgers van mensen met dementie. Resultaten van de laatste peiling met de monitor van het Landelijk Dementieprogramma. Utrecht/Bunnik, 2009.82 | Gezond ouder worden in Nederland
    • BronnenCBS Doodsoorzakenstatistiek. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek. Zie: www.cbs.nl/nl-NL/menu/ methoden/dataverzameling/doodsoorzakenstatistiek.htm.CBS StatLine. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek. Zie: http://statline.cbs.nl/statweb.CMR Nijmegen e.o., Continue Morbiditeitsregistratie (CMR) Nijmegen en omstreken. Nijmegen: UMC St Radboud. Zie: www.zorggegevens.nl/gezondheid-en-ziekte/cmr-nijmegen.CZM, Chronisch Ziekten Model. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zie: www.nationaalkompas.nl/algemeen/meta-informatie/modellen/czm.Doetinchem Cohort Studie. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volks­ ezondheid en Milieu (RIVM). g Zie: www.rivm.nl/gezondheid/gezondheid/doetinchem-cohort-studie.Eurostat. Statisch bureau van de Europese Unie. Luxemburg: Europese Unie. Zie: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/eurostat/home.I-database, Interventie-database. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zie: www.loketgezondleven.nl/interventies/i-database.LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. Amsterdam: VU. Zie: www.lasa-vu.nl.LINH, Landelijk Informatienetwerk Huisartsenzorg. Utrecht/Nijmegen: NIVEL/IQhealthcare. Zie: www.linh.nl.LMR, Landelijke Medische Registratie. Utrecht: Dutch Hospital Data. Zie: www.zorggegevens.nl/zorg/ziekenhuiszorg/lmr.Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zie: www.nationaalkompas.nl.Nationale Atlas Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zie: www.zorgatlas.nl.POLS gezondheid en welzijn, Permanent Onderzoek LeefSituatie gezondheid en welzijn. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Zie: www.cbs.nl/nl-NL/menu/methoden/dataverzameling/permanent-onderzoek- leefsituatie-pols-basisvragenlijst1.htm.WHO-HFA database, World Health Organization-Health for all database. Kopenhagen: WHO. Zie: www.euro.who.int/en/what-we-do/data-and-evidence/databases. Gezond ouder worden in Nederland | 83
    • Lijst van tabellenen figurenTabellenTabel 3.1 Overzicht van factoren die van invloed zijn op kwaliteit van levenTabel 4.1 Percentage ouderen met en zonder cognitieve beperking in 2008/2009Tabel 4.2 Percentage ouderen met en zonder boven­ emiddelde cognitieve achteruitgang tussen 2005/2006 en g 2008/2009 Tabel 4.3 Top tien van ziekten die zorgen voor het grootste verlies van gezonde jaren (ziektejaarequivalenten) bij ouderen Tabel 5.1 Ontvangen sociale steun naar leeftijd en geslacht op een schaal van 0 (geen steun) tot en met 36 (maximale steun ontvangen) in 2008/2009 Tabel 5.2 Netwerkgrootte naar leeftijd en geslacht in 2008/2009 Tabel 5.3 Matige en ernstige eenzaamheid naar leeftijd, geslacht en opleidingsniveau in 2008/2009 Tabel 5.4 Percentage ouderen dat in 2009 aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen voldoet Tabel 5.5 Percentage rokers bij ouderen naar leeftijd en geslacht in 2009Tabel 5.6 Percentage ouderen met (ernstig) overgewicht in 2009 Tabel 5.7 Vóórkomen van hypertensie en een ongunstig cholesterolgehalte bij 35-64-jarigen en 65-74-jarigen, 2003-2007 Tabel 7.1 Preventieaanbod voor zelfstandig wonende ouderen in Nederland Tabel 7.2 Organisaties betrokken bij ontwikkeling en uitvoering van preventie gericht op ouderen Tabel 7.3 Beschikbare effectgegevens van preventieve interventies bij ouderen Tabel 7.4 Landelijke initiatieven ter bevordering van kennis over gezondheid, zorg en preventie bij ouderenFigurenFiguur 1.1 De preventiecyclus Figuur 2.1 Regionale prognoses van percentage ouderen per gemeente in 2010 en 2040Figuur 2.2 Trend in levensverwachting bij 65 jaar, voor Nederland en de EU-27, 1980-2009Figuur 2.3 Levensverwachting bij 65 jaar per gemeente, 2005-2008Figuur 2.4 Levensverwachting en gezonde levens­ erwachting voor mannen en vrouwen van 65 jaar in 2008 vFiguur 3.1 Percentage ouderen dat maatschappelijk participeert per leeftijdsgroep in 2008 Gezond ouder worden in Nederland | 85
    • Figuur 3.2 Percentage ouderen dat informele hulp geeft naar leeftijd, 1997-2004Figuur 3.3 Percentage mantelzorgers die langdurig en/of intensief hulp geven verdeeld over leeftijdsgroepen in 2001 en 2008 Figuur 3.4 Percentage personen met een goede lichamelijke kwaliteit van leven naar leeftijd in 2007Figuur 3.5 Percentage personen met een goede psychische kwaliteit van leven naar leeftijd in 2007Figuur 4.1 Prevalentie van lichamelijke beperkingen onder ouderen, naar geslacht in 2008Figuur 4.2 Prevalentie van lichamelijke beperkingen onder ouderen, naar leeftijd, in 2008Figuur 4.3 Prevalentie van lichamelijke beperkingen onder ouderen, naar opleiding in 2008Figuur 4.4 Trend in prevalentie van diabetes mellitus onder ouderen, 1985-2007Figuur 4.5 Trend in prevalentie van dementie onder ouderen, 1985-2007Figuur 4.6 Trend in aantal 100-plussers naar geslacht, 1960-2010Figuur 5.1 Percentage eenpersoonshuishoudens per gemeente onder ouderen in 2010Figuur 5.2 Trend in percentage ouderen dat voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen naar leeftijd, 2000-2009Figuur 5.3 Trends in het percentage ouderen met (ernstig) overgewicht, 2000-2009Figuur 6.1 Zelfgerapporteerd gebruik van medische voorzieningen naar leeftijdsgroep in 2009Figuur 6.2 Aandeel ouderen dat in 2007 gebruikmaakt van zorg zonder verblijf en zorg met verblijf naar geslacht en leeftijdFiguur 6.3 Percentage ouderen dat hulpmiddelen gebruikt naar leeftijd en type hulpmiddelen in 200886 | Gezond ouder worden in Nederland
    • BijlagenBijlage 1  Redactie, auteurs en referentenRedactie cVTV Dr. H.S.J. PicavetDr. E.M. Zantinge Drs. M.J.J.C. PoosDrs. E.A. van der Wilk, MPH Ir. L.C.J. SlobbeDrs. S. van Wieren Drs. A. VerweijDr. C.G. Schoemaker Ir. K.E. WitteAuteurs cVTV Bijdragen buiten het RIVMDrs. M.C.M. Busch Dr. ir. A. de Boer, SCPDrs. A.M. Gommer Dr. C. van Campen, SCPDrs. N.A.M. Post Dr. H.C. Comijs, GGZ inGeest partner van VUmcDr. M. Savelkoul Prof. dr. D.J.H. Deeg, EMGO Instituut voorDr. C.G. Schoemaker onderzoek naar gezondheid en zorg (VUmc)Drs. S. van Wieren Prof. dr. T.G. van Tilburg, VUDrs. E.A. van der Wilk, MPH Drs. H. Toet, Consument en VeiligheidDr. E.M. Zantinge KlankbordgroepReferenten cVTV R. Bellekom, VNGDr. N. Hoeymans J. ten Berge, Gemeente Rijssen-HoltenProf. dr. J.J. Polder A. Duenk, GGD NederlandDr. M. Verschuuren Drs. C.M. Harmsen, Gemeente Losser Drs. H. J. van Overbeek, VilansBijdragen vanuit het RIVM Drs. H.B.H. Sibbel-Meijer, GGD Regio TwenteDr. P.H.M. van Baal Ir. J.E. Visser, GGD Regio TwenteIng. P. Bijkerk Dr. N. van der Zouwe, GGD Hollands MiddenIr. A. BlokstraDr. ir. J.M.A. Boer Begeleidingscommissie VWSDr. D. van Dale Drs. E.A.M.J. van Eijk, Directie Curatieve ZorgDr. P.E.D. Eysink Dr. P.T.F.M. Hovens, Directie maatschappelijkeDrs. ing. H. Giesbers ondersteuningDr. C.H. van Gool Dr. J.B.F. Hutten, Directie Publieke GezondheidDr. H.H. Hamberg-van Reenen Drs. W. Slingerland, Directie PubliekeDr. ir. N. de Jong GezondheidD.M. de Jongh Drs. I.A. Rasser, Directie Langdurige ZorgDr. ing. H.J. van Kranen Drs. P. Roelfsema, Directie Langdurige ZorgDr. ir. A.J.M. van Loon Drs. W.J. den Ouden, Directie maatschappelijkeIr. A.H.P. Luijben ondersteuningDr. M.T.W. LeursDr. F. van der LuchtProf. dr. J.A.M. van OersA.J.P. van Overveld Gezond ouder worden in Nederland | 87
    • Bijlage 2  AfkortingenACSM American College of Sports MedicineADDR Adult Disability Dependency RatioADL Activiteiten van het Dagelijkse LevenAMC Academisch Medisch Centrum (Universiteit Amsterdam)AWBZ Algemene Wet Bijzondere ZiektekostenBMI Body Mass IndexCAK Centraal Administratie KantoorCbO Consultatiebureau voor OuderenCBO Kwaliteitsinstituut voor de GezondheidszorgCBS Centraal Bureau voor de StatistiekCGL Centrum Gezond LevenCMR-Nijmegen e.o. Continue Morbiditeitsregistratie Nijmegen en omstrekenCOPD Chronic Obstructive Pulmonary DiseasecVTV Centrum voor Volksgezondheid Toekomst VerkenningenCZM Chronische Ziekten ModelC&V Consument en VeiligheidEU-27 De 27 landen die deel uitmaken van de Europese UnieGALM Groninger Actief Leven ModelGGD Gemeentelijke GezondheidsdienstGgz Geestelijke gezondheidszorgHbo Hoger beroepsonderwijsHDL-cholesterol High-density lipoproteïne cholesterolHiv Human immunodeficiency virusICT Informatie- en communicatietechnologieI-database Interventie-databaseIGZ Inspectie voor de GezondheidszorgIKA Kankerregistratie regio Noord-Holland en FlevolandKCO Kenniscentrum OuderenKNMG Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der GeneeskunstLASA Longitudinal Aging Study AmsterdamLGGG Levensverwachting in goede geestelijke gezondheidLINH Landelijk Informatie Netwerk HuisartsenzorgLIS Letsel Informatie SysteemLMR Landelijke Medische RegistratieLbo Lager beroepsonderwijsLo Lager onderwijsLPPO Landelijk Platform Preventie OuderenLUMC Leids Universitair Medisch CentrumLZV Landelijke Zorgregistratie VerpleeghuizenMbvO Meer Bewegen voor ouderenMHI Mental Health InventoryMMSE Mini Mental State ExaminationNHG Nederlands Huisartsen GenootschapNiB Nederland in BewegingNIGZ Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en ZiektepreventieNISB Nederlands Instituut voor Sport en BewegenNIVEL Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorgNKR Nederlandse Kanker RegistratieNNGB Nederlandse Norm Gezond BewegenNTR Nederlands Tuberculose RegisterOADR Old-Age Dependency RatioPgb Persoonsgebonden budgetPOLS Permanent Onderzoek Leefsituatie88 | Gezond ouder worden in Nederland
    • RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en MilieuROS Regionale OndersteuningsstructuurRNH Registratienet HuisartsenpraktijkenRNUH-LEO Registratie Netwerk Universitaire Huisartspraktijken Leiden en OmstrekenSd StandaarddeviatieSEH Spoedeisende hulpSCP Sociaal en Cultureel PlanbureauSFK Stichting Farmaceutische KengetallenSF-12 Medical Outcomes Study 12-Item Short Form Health SurveySNIPH Swedish National Institute of Public HealthSVLA Stichting Vrije LevensloopacademieSWOV Stichting Wetenschappelijk Onderzoek VerkeersveiligheidTi-GO Topinstituut Gezond en Succesvol Ouder wordenTNO Toegepast Natuurwetenschappelijk OnderzoekUMC Universitair Medisch CentrumUNFPA United Nations Population FundVAAM Vraag Aanbod Analyse MonitorVCP VoedselconsumptiepeilingVIKC Vereniging van Integrale KankercentraVmbo Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijsVNG Vereniging van Nederlandse GemeentenVROM (Ministerie van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerVTV Volksgezondheid Toekomst VerkenningVU Vrije Universiteit (Amsterdam)VUmc Vrije Universiteit medisch centrumVwo Voorbereidend wetenschappelijk onderwijsVWS (Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en SportWHO-HFA Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization)Wmo Wet maatschappelijke ondersteuningWo Wetenschappelijk onderwijsWpg Wet publieke gezondheidZonMw Zorgonderzoek Nederland Medische WetenschappenZorgis Zorginformatiesysteem van GGZ-NederlandZvw Zorgverzekeringswet Gezond ouder worden in Nederland | 89
    • Bijlage 3  Epidemiologische cijfersIn de volgende tabel is de geschatte incidentie en Voor de aandoeningen in de tabel wordt, voor zoverpuntprevalentie in 2007 weergegeven van een selectie van mogelijk, de meest geschikte maat voor het vóórkomenaandoeningen. De gegevens betreffen de Nederlandse gepresenteerd. Puntprevalentie is vooral geschikt voorbevolking van 65 jaar en ouder. De selectie van ziekten chronische ziekten. Voor kortdurende ziekten is incidentiekomt grotendeels overeen met de selectie van ziekten (het aantal nieuwe ziektegevallen in een jaar) een meervoor de VTV 2010 (Hoeymans et al., 2010). Enkele VTV- geschikte maat.ziekten ontbreken in de tabel: aids, soa, afhankelijkheidvan alcohol of drugs, verstandelijke handicap en Naast de geschatte incidentie en prevalentie is de sterfteaandoeningen ontstaan in de perinatale periode. De naar doodsoorzaak in de tabel weergegeven. De bron voorgegevens waarop de schattingen zijn gebaseerd, zijn sterfte door verkeers-, arbeids-, en privé-ongevallen enafkomstig van zorgregistraties. Waar mogelijk is gebruik­ door zelftoegebracht letsel (zelfdoding) en geweld isgemaakt van gegevens uit 2007 of het gemiddelde van afkomstig uit de Statistiek voor niet-natuurlijke doods­meerdere jaren. Indien geen gegevens voor 2007 oorzaken van het CBS. Voor alle overige doodsoorzaken isbeschikbaar waren, zijn minder recente cijfers gebruikt (zie de bron de CBS Doodsoorzakenstatistiek.bronnen en noten onder de tabel). De incidentie is geschatmet de gemiddelde bevolking van 65 jaar en ouder in In de tabel zijn ten slotte de ziektejaarequivalenten van deNederland in 2007. De puntprevalentie is geschat met de ziekten weergegeven. Voor de meeste ziekten zijn debevolking van 65 jaar en ouder in Nederland op 1 januari ziekte­jaarequivalenten berekend op basis van de2007. prevalentie- of incidentiecijfers zoals opgenomen in de tabel. Alleen de prevalentie die gebruikt is voor het berekenen vanDe incidentie van acute ziekten betreft gevallen (één de ziektelast van depressie en angststoornissen is geschat oppersoon kan in één jaar een ziekte meerdere keren basis van het epidemiologisch bevolkingsonderzoek LASAkrijgen). De incidentie van subacute en chronische ziekten (zie bronnen onder de tabel). Reden is dat de cijfers uit dezebetreft personen. Prevalentie- en incidentiecijfers groter bron het best aansluiten op de wegingsfactoren vandan 2.500 zijn afgerond op honderdtallen, cijfers kleiner genoemde ziekten.dan 2.500 op tientallen.De schattingen op basis van huisartsenregistraties zijn hetresultaat van het fitten van een functie op de cijfers uitregistraties die een ziekte op een vergelijkbare manierregistreren.90 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Incidentie, prevalentie, sterfte en ziektejaarequivalenten van een selectie van ziekten, voor de Nederlandse bevolking van 65 jaar enouder (incidentie, prevalentie en sterfte gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2007).Ziekte/aandoening geslacht incidentie puntprevalentie sterfte ziektejaar-(volgorde ICD-9/ICD-10) equivalenten absoluut per 1.000 absoluut per 1.000 absoluut per 100.000InfectieziektenInfectieziekten van het mannen 23.900 23,30 a a 52 5,1 720 maagdarmkanaal1 vrouwen 36.000 26,32 a a 68 5,0 1.080Tuberculose2 mannen 100 0,10 a a 23 2,2 10 vrouwen 90 0,06 a a 26 1,9 10Hersenvlies­ontsteking3 mannen 40 0,04 a a 19 1,9 10 vrouwen 50 0,04 a a 25 1,8 20Sepsis4 mannen 1.110 1,08 a a 378 36,9 f vrouwen 980 0,72 a a 429 31,4 fNieuwvormingen5Slokdarmkanker mannen 640 0,63 1.070 1,06 629 61,3 560 vrouwen 300 0,22 560 0,41 292 21,4 290Maagkanker mannen 880 0,86 1.760 1,74 639 62,3 1.040 vrouwen 510 0,37 1.010 0,74 449 32,9 600Dikkedarmkanker mannen 4.000 3,92 17.600 17,41 1.874 182,7 5.300 vrouwen 3.700 2,73 17.200 12,71 1.893 138,6 5.200Longkanker mannen 4.600 4,47 7.300 7,23 4.732 461,4 4.000 vrouwen 1.890 1,38 4.000 2,95 1.961 143,5 2.170Huidkanker mannen 3.000 2,88 15.900 15,73 200 19,5 850 vrouwen 2.470 1,81 14.500 10,71 175 12,8 920 melanoom mannen 490 0,48 4.200 4,18 164 16,0 530 vrouwen 610 0,45 5.300 3,91 150 11,0 670 overige huidkanker mannen 2.460 2,40 11.700 11,55 36 3,5 320 vrouwen 1.860 1,36 9.200 6,80 25 1,8 250Borstkanker mannen 50 0,05 200 0,20 12 1,2 f vrouwen 4.700 3,48 40.600 29,90 1.875 137,3 10.400Baarmoederhalskanker mannen d d d d d d d vrouwen 170 0,12 1.150 0,85 105 7,7 140Prostaatkanker mannen 6.800 6,61 45.500 44,94 2.224 216,9 11.700 vrouwen d d d d d d dNon-Hodgkin lymfomen mannen 790 0,77 5.100 5,04 415 40,5 1.230 vrouwen 730 0,53 4.900 3,60 378 27,7 1.170Endocriene, voedings- enstofwisselingsziektenDiabetes mellitus mannen 15.300 14,92 154.600 152,75 1.141 111,3 30.600 vrouwen 16.700 12,21 211.100 155,64 1.686 123,4 41.700Ziekten van bloed enbloedvormende organenPsychische stoornissenDementie mannen 6.000 5,82 14.200 14,05 1.940 189,2 15.000 vrouwen 12.100 8,87 33.800 24,91 5.265 385,4 38.900Dementie mannen 6.900 6,87 (verpleeghuizen)6 vrouwen 21.100 24,91Schizofrenie mannen 140 0,14 1.690 1,67 6 0,6 1.290 vrouwen 100 0,07 3.000 2,21 6 0,4 2.210Schizofrenie mannen 270 0,27 (psychiatrische vrouwen 360 0,27 ziekenhuizen)7Depressie mannen 6.800 6,66 17.200 16,95 2 0,2 2.800 vrouwen 15.800 11,60 47.400 34,97 4 0,3 22.100Angststoornissen mannen 2.100 2,05 5.800 5,74 0 0,0 14.000 vrouwen 4.600 3,33 14.100 10,38 2 0,1 30.400 Gezond ouder worden in Nederland | 91
    • Ziekte/aandoening geslacht incidentie puntprevalentie sterfte ziektejaar-(volgorde ICD-9/ICD-10) equivalenten absoluut per 1.000 absoluut per 1.000 absoluut per 100.000Zenuwstelsel enzintuigenZiekte van Parkinson8 mannen 1.820 1,78 9.100 8,95 533 52,0 6.700 vrouwen 1.560 1,14 8.900 6,53 460 33,7 6.700Ziekte van Parkinson mannen 930 0,92 (verpleeghuizen)6 vrouwen 1.040 0,76Multiple sclerose mannen 20 0,02 470 0,47 28 2,7 300 vrouwen 110 0,08 1.350 1,00 48 3,5 780Multiple sclerose mannen 90 0,09 (verpleeghuizen)6 vrouwen 110 0,08Epilepsie mannen 780 0,76 9.700 9,58 49 4,8 1.070 vrouwen 960 0,71 12.600 9,26 76 5,6 1.380Gezichtsstoornissen mannen 29.200 28,50 164.900 162,94 c c 22.600 vrouwen 48.300 35,39 284.200 209,53 c c 39.000 leeftijdsgebonden mannen 2.800 2,73 12.200 12,03 c c g maculadegeneratie vrouwen 5.700 4,19 25.600 18,87 c c g glaucoom mannen 2.290 2,23 29.600 29,24 c c g vrouwen 4.100 3,02 38.200 28,14 c c g staar mannen 24.100 23,54 123.100 121,67 c c g vrouwen 38.500 28,18 220.400 162,53 c c gLawaai- en ouderdoms­ mannen 18.800 18,32 183.600 181,43 c c 20.000 slechthorendheid vrouwen 20.300 14,88 180.000 132,71 c c 19.600Hart- en vaatziektenCoronaire hartziekten9 mannen 25.900 25,29 252.900 249,87 5.259 512,8 72.800 vrouwen 22.100 16,17 187.400 138,16 4.697 343,8 54.000Hartfalen mannen 14.700 14,35 39.800 39,32 2.280 222,3 6.100 vrouwen 19.000 13,92 63.000 46,48 4.031 295,1 9.700Beroerte mannen 11.100 10,82 63.200 62,47 3.251 317,0 40.700 vrouwen 13.800 10,07 71.200 52,49 5.347 391,4 47.500Beroerte (verpleeghuizen) mannen 3.700 3,62 vrouwen 6.700 4,98Aneurysma van de mannen 3.000 2,97 b b 536 52,3 f buikaorta4,10 vrouwen 600 0,44 b b 199 14,6 fZiekten van deademhalingswegenInfecties van de bovenste mannen 61.500 59,92 a a c c 390 luchtwegen1 vrouwen 112.400 82,29 a a c c 660Infecties van de onderste mannen 67.500 65,82 a a 2.542 247,9 3.900 luchtwegen1 vrouwen 94.900 69,49 a a 3.009 220,3 5.000 longontsteking mannen 30.000 29,23 a a 2.405 234,5 3.000 vrouwen 34.600 25,30 a a 2.759 202,0 3.500 acute bronchi(oli)tis mannen 37.500 36,59 a a 5 0,5 940 vrouwen 60.400 44,19 a a 24 1,8 1.510Influenza1,11,12 mannen 14.700 14,31 a a 20 2,0 490 vrouwen 20.500 15,01 a a 54 4,0 680Astma mannen 3.200 3,11 21.000 20,71 8 0,8 1.670 vrouwen 6.200 4,52 37.900 27,96 26 1,9 3.000COPD mannen 11.700 11,38 90.900 89,82 3.396 331,2 28.500 vrouwen 11.100 8,15 72.800 53,67 2.384 174,5 22.900Ziekten van hetspijsverteringsstelselZweren van maag en mannen 91 8,9 30 twaalfvingerige darm1 vrouwen 110 8,1 30 zweren van de maag mannen 610 0,59 2.700 2,67 58 5,7 g vrouwen 1.120 0,82 2.420 1,78 82 6,0 g zweren van de mannen 710 0,69 2.500 2,49 27 2,6 g twaalfvingerige darm vrouwen 520 0,38 3.100 2,25 24 1,8 gInflammatoire mannen 500 0,49 4.500 4,47 24 2,3 910 darmziekten13 vrouwen 650 0,47 5.900 4,35 42 3,1 1.19092 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Ziekte/aandoening geslacht incidentie puntprevalentie sterfte ziektejaar-(volgorde ICD-9/ICD-10) equivalenten absoluut per 1.000 absoluut per 1.000 absoluut per 100.000Ziekten van deurinewegen engeslachtsorganenAcute urineweginfecties1 mannen 80.700 78,68 a a 4 0,4 1.200 vrouwen 298.800 218,76 a a 27 2,0 4.400 blaasontsteking mannen 76.200 74,31 a a g vrouwen 293.600 214,96 a a g nierinfectie mannen 3.700 3,62 a a g vrouwen 4.900 3,60 a a g urinebuisontsteking mannen 770 0,76 a a g vrouwen 270 0,20 a a gZiekten van huid ensubcutisConstitutioneel eczeem mannen 3.200 3,15 4.900 4,85 c c 340 vrouwen 3.800 2,76 8.200 6,03 c c 570Contacteczeem14,15 mannen 38.200 37,28 28.500 28,12 c c 1.990 vrouwen 56.000 41,01 41.100 30,28 c c 2.900Decubitus mannen b b b b 41 4,0 f vrouwen b b b b 171 12,5 fZiekten vanbewegingsstelsel enbindweefselReumatoïde artritis mannen 1.670 1,63 18.100 17,84 30 2,9 9.500 vrouwen 3.300 2,44 41.200 30,41 73 5,3 21.700Artrose mannen 17.300 16,85 124.600 123,13 25 2,4 23.300 vrouwen 39.800 29,11 299.700 221,00 87 6,4 56.000Nek- en rugklachten mannen 83.800 81,72 50.300 49,72 22 2,1 3.000 vrouwen 139.800 102,31 93.800 69,13 20 1,5 5.600Osteoporose mannen 2.030 1,98 8.600 8,53 14 1,4 f vrouwen 14.600 10,66 102.500 75,60 80 5,9 fHeupfractuur4 mannen 3.900 3,76 a a e e g vrouwen 11.700 8,54 a a e e gAangeboren afwijkingenAangeboren afwijkingen mannen d d 1.360 1,35 0 0,0 680 van het centrale vrouwen d d 1.480 1,09 2 0,1 730 zenuwstelselAangeboren afwijkingen mannen d d 1.970 1,95 7 0,7 260 van het hartvaatstelsel vrouwen d d 2.230 1,64 5 0,4 290Downsyndroom mannen d d b b 8 0,8 f vrouwen d d b b 3 0,2 fOngevalsletselsLetsels door: verkeersongevallen16 mannen 8.400 8,22 a a 149 14,5 2.460 vrouwen 12.200 8,95 a a 75 5,5 3.100 arbeidsongevallen16 mannen 1.120 1,09 a a 6 0,6 160 vrouwen 190 0,14 a a 0 0,0 30 privé-ongevallen16 mannen 37.300 36,34 a a 747 72,8 6.800 vrouwen 93.100 68,15 a a 1.204 88,1 20.700 sportblessures16 mannen 2.450 2,39 a a c c 300 vrouwen 2.100 1,53 a a c c 240 zelftoegebracht letsel17 mannen 160 0,16 a a 159 15,5 1.080 vrouwen 310 0,23 a a 83 6,1 1.710 geweld17 mannen 240 0,24 a a 7 0,7 f vrouwen 220 0,16 a a 4 0,3 f Gezond ouder worden in Nederland | 93
    • Notena Kortdurende aandoening of acuut letsel waarvoor geen prevalentiecijfer wordt gegeven.b Geen (eenduidig) cijfer beschikbaar.c Sterftecijfer zeer laag of nul.d Cijfer niet relevant.e Sterftecijfer onbetrouwbaar.f Geen wegingsfactor beschikbaar en daarom geen ziektejaarequivalenten berekend.g Niet berekend.1 Voor het vaststellen van de wegingsfactor in de berekening van de ziektejaarequivalenten is rekening gehouden met de duur van de ziekte (bijv. twee weken ziekte in een verder gezond jaar).2 Prevalentie voor berekening ziektejaarequivalenten is geschat op basis van incidentie, duur en sterfte.3 De incidentie betreft uitsluitend de bacteriële vorm.4 De incidentie betreft het aantal ziekenhuisopnamen met de betreffende aandoening als hoofdontslagdiagnose.5 De geschatte prevalentie op basis van de gegevens van het IKA is de 10-jaarsprevalentie en heeft betrekking op alle personen die nog in leven zijn op 1 januari 2008 en waarbij in de tien jaar daaraan voorafgaand de diagnose is gesteld. Dus ook personen die genezen zijn en niet meer onder controle staan van een arts worden in de prevalentie meegeteld.6 Aandoeningen waarbij een relatief groot aantal patiënten langdurig is opgenomen in een verpleeghuis. Naast de schatting van het aantal patiënten op basis van huisartsenregistraties is ook het aantal mensen geschat dat in een verpleeghuis is opgenomen (Bronnen: LZV en CAK).7 Naast de schatting van het aantal patiënten op basis van huisartsenregistraties is ook het aantal mensen geschat dat in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen (Bron: ZORGIS).8 De cijfers betreffen de ziekte van Parkinson en ander parkinsonisme.9 De prevalentie betreft personen die onder behandeling zijn voor angina pectoris of (de gevolgen van) een acuut hartinfarct.10 De incidentie betreft het aantal ziekenhuisopnamen. Dit is vooral een afspiegeling van het aantal aneurysma’s dat voor operatie in aanmerking komt. Het daadwerkelijk aantal nieuw ontdekte gevallen van aneurysma’s is niet bekend.11 Het betreft de gemiddelde jaarincidentie in de periode van week 27 van 2006 tot en met week 26 van 2008 (twee seizoenen).12 Voor het berekenen van de ziektejaarequivalenten is de incidentie gecorrigeerd voor de geschatte fractie van de grieppatiënten die met griep de huisarts bezoekt (ongeveer 30%).13 Het betreft colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn.14 Het betreft irritatie eczeem en contact-allergisch eczeem.15 Voor het berekenen van de ziektejaarequivalenten is de wegingsfactor van constitutioneel eczeem gebruikt.16 Gemiddelde jaarincidentie van SEH-behandelingen en ziekenhuisopnamen over de periode 2003-2007; gemiddelde jaarincidentie in de huisartsenregistratie over de periode 2002-2008.17 Gemiddelde jaarincidentie van SEH-behandelingen over de periode 2003-2007.94 | Gezond ouder worden in Nederland
    • Bronnen incidentie en prevalentie• Tuberculose: NTR van het KNCV Tuberculosefonds.• Hersenvliesontsteking: Nederlands Referentie Laboratorium voor Bacteriële Meningitis van het AMC en het RIVM.• Sepsis, aneurysma van de buikaorta en heupfractuur: LMR van Prismant.• Nieuwvormingen: incidentie in 2006 van de NKR van de Vereniging Integrale Kankercentra en de 10-jaarsprevalentie op 1 januari 2008 van het IKA.• Influenza: CMR Peilstations Nederland van het NIVEL.• Letsels als gevolg van verkeers-, arbeids-, privé- en sportblessures: incidentie is het aantal behandelingen op spoedeisende hulpafdelingen en ziekenhuisopnamen uit het LIS van C&V, aangevuld met cijfers uit de huisartsenregistratie LINH van het NIVEL.• Zelftoegebracht letsel en geweld: incidentie is het aantal behandelingen op spoedeisende hulpafdelingen en ziekenhuisopnamen uit het LIS van C&V.• Geweld: incidentie is het aantal behandelingen op spoedeisende hulpafdelingen uit het LIS van C&V.• Overige aandoeningen: huisartsenregistraties. Gebruikt zijn het LINH van het NIVEL, de CMR-Nijmegen van het UMC St. Radboud, het Transitieproject van de Stichting Transitieproject, het RNH van de Universiteit Maastricht en het RNUH-LEO van het LUMC. Per ziekte zijn alleen registraties meegenomen die een ziekte vergelijkbaar registreren.Bronnen sterfte• Sterftecijfers en verloren levensjaren: de bron voor sterfte door verkeers-, arbeids-, en privé-ongevallen en door zelftoegebracht letsel (zelfdoding) en geweld is de Statistiek voor niet-natuurlijke doodsoorzaken van het CBS; voor alle overige doodsoorzaken is de bron de Doodsoorzakenstatistiek van het CBS.Bronnen incidentie en prevalentie gebruikt voor berekening ziektejaarequivalenten• Depressie: de prevalentie is geschat op basis van gegevens uit LASA (2005-2006).• Angststoornissen: de prevalentie is geschat op basis van gegevens uit LASA (Bremmer et al., 1997).Voor de bronnen van de prevalentie- en incidentiecijfers van de overige ziekten zie ‘Bronnen incidentie en prevalentie’. Gezond ouder worden in Nederland | 95
    • EM Zantinge | EA van der Wilk | S van Wieren | CG Schoemaker (redactie) RIVM Rapport 270462001/2011 Gezond ouderGezond ouder worden in Nederland Dit is een uitgave van: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Postbus 1 | 3720 BA Bilthoven worden in www.rivm.nl april 2011002206