• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Rabobank fun of functie verschuivingen in ruimtelijk koopgedrag
 

Rabobank fun of functie verschuivingen in ruimtelijk koopgedrag

on

  • 516 views

Fun of functie’. Dat is de titel van het recente Rabobank-rapport over de verschuiving in ruimtelijk koopgedrag. Als u het nog niet gelezen heeft, snel downloaden. De Rabobank legt in dit rapport de ...

Fun of functie’. Dat is de titel van het recente Rabobank-rapport over de verschuiving in ruimtelijk koopgedrag. Als u het nog niet gelezen heeft, snel downloaden. De Rabobank legt in dit rapport de vinger op de zere plek.

Ze hebben van alle niet-dagelijkse detailhandel in kernwinkelgebieden de omzet geanalyseerd en vastgesteld of deze gegenereerd wordt door consumenten uit het directe verzorgingsgebied (eigen gemeente) of dat het omzet van elders is (lees consumenten die van buiten de gemeente komen). En wat blijkt?

Lees alles op http://www.retailactueel.com/index.php/2013/05/15/de-teloorgang-van-middelgrote-winkelgebieden/

Statistics

Views

Total Views
516
Views on SlideShare
516
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
2
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

CC Attribution License

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Rabobank fun of functie verschuivingen in ruimtelijk koopgedrag Rabobank fun of functie verschuivingen in ruimtelijk koopgedrag Document Transcript

    • Kennis en Economisch OnderzoekFun of functieVerschuivingen in ruimtelijk koopgedragMei 2013
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 2InhoudsopgaveInleiding 3Detailhandel in zwaar weer 4Grote regionale verschillen 6Lokale verschillen verklaard 8Ter illustratie: Boxtel 11Fun of functie 13Conclusie 16Bijlage: KoopstromenMonitor 17Literatuur 18Colofon 19Kennis en Economisch Onderzoek staat ook op internet.Het adres is www.rabobank.com/economieAfsluitdatum: 8 mei 2013Auteur:Rogier AaldersR.Aalders@rn.rabobank.nl030 - 213 1393
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 3InleidingDe marktomstandigheden voor de gevestigde detailhandel zijn er de afgelopenjaren niet beter op geworden. Als gevolg van de economische tegenwind, bezui-nigingen en het lage consumentenvertrouwen houden consumenten steedsvaker de hand op de knip. Daarbij komt dat steeds meer mensen hun productenonline kopen, wat ten koste gaat van de bestedingen bij de gevestigde detail-handel. Daarnaast hebben veel regio’s te maken met een veranderende bevol-kingssamenstelling. Nederland vergrijst en in een aantal perifere regio’s is alsprake van een krimpende bevolking. Dit resulteert in dalende verkoopcijfersvoor de gevestigde detailhandel en een toenemend aantal winkels dat zijndeuren moet sluiten. Door deze ontwikkelingen is het voor retailers, de vast-goedwereld en overheden nu extra belangrijk om te weten hoe consumentenzich bewegen, waar ze hun geld besteden en welke voorkeuren ze hebben.Rabobank is marktleider in het betalingsverkeer van bedrijven en particulieren.Dat biedt de mogelijkheid om met eigen, uniek datamateriaal inzicht te geven ineconomische relaties. Op basis van miljoenen pintransacties ontwikkeldeRabobank Nederland de KoopstromenMonitor1. Een uniek instrument dat inzichtbiedt in het ruimtelijk koopgedrag van Nederlandse consumenten. Uit de Koop-stromenMonitor blijkt dat de omzet van de detailhandel in veel winkelgebieden isgestegen, hoewel de detailhandel in Nederland als geheel te maken heeft meteen dalende omzet. Er zijn dus winnaars en verliezers. Deze special geeft verkla-ringen voor deze verschillen, veroorzaakt door veranderend ruimtelijk koop-gedrag van consumenten.1Privacy is hierbij gegarandeerd. Onder geen enkele voorwaarde zijn individueleklantgegevens herkenbaar of herleidbaar.
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 4Detailhandel in zwaar weerAls gevolg van veranderende marktomstandigheden verkeert de Nederlandsedetailhandel in zwaar weer. Figuur 1 illustreert dit aan de hand van de ont-wikkeling van de detailhandelsomzet sinds2000. De ontwikkeling loopt parallel aan deconjunctuur. De economische stagnatie aanhet begin van deze eeuw en de hoogcon-junctuur in de periode daarna zijn duidelijkzichtbaar. De keldering van de omzet sindshet uitbreken van de Grote Recessie springtechter het meest in het oog. Tussen 2008 en2012 is de totale omzet met maar liefst9 procent gedaald. De veranderende markt-omstandigheden zijn dan ook voor eenbelangrijk deel conjunctureel van aard. Alsgevolg van bezuinigingen, oplopende werk-loosheid, dalende huizenprijzen en het lageconsumentenvertrouwen dalen de binnen-landse bestedingen jaar op jaar, met alsgevolg dat veel winkels hun omzetvolume zien teruglopen (Legierse, Smid,2013). Dat de conjunctuur hierbij een grote rol speelt, verklaart ook dat dedalende omzet volledig voor rekening komt van de non-foodsector. Voedsel isimmers een eerste levensbehoefte en daardoor niet tot nauwelijks conjunc-tuurgevoelig. In de non-foodsector daalde het omzetvolume tussen 2008 en2012 zelfs met 15 procent.Naast de genoemde conjuncturele oorzaken speelt de groei van internet alsverkoopkanaal een grote rol bij de dalende omzet in de fysieke detailhandel. In2011 werd maar liefst 31 procent van alle aankopen via internet gedaan. In2009 was dit nog 23 procent (Blauw Research, 2011). De opmars van internetals verkoop-/aankoopkanaal geldt voor vrijwel alle producten, waardoor het degehele detailhandel raakt. Hoewel een deel van de internetaankopen gebeurt bijwinkels die hun producten zowel via een fysieke locatie als via internet verko-pen, betekent dit dat de behoefte aan fysieke winkelruimte afneemt. Deze ont-wikkeling is structureel van aard en zet de komende jaren naar verwachtingdoor.In delen van Nederland (Zeeland, Noordoost-Groningen en Zuid-Limburg) daaltde bevolkingsomvang, met een dalende detailhandelsomzet als gevolg. De totaleNederlandse bevolking groeit naar verwachting echter nog tot eind jaren dertig,dus op landelijke schaal heeft dit (nog) geen invloed op de totale detailhandels-omzet. De gemiddeld ouder wordende bevolking zorgt echter wel voor eenverandering in de consumentenvraag.Figuur 1: Ontwikkeling omzet detailhandel(volume, index: gemiddelde 2008=100)Bron: CBS808590951001058085909510010500 01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 12*Totaal Food Non-Food* Voorlopige cijfersindex indexSeizoensgecorrigeerd
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 5Detailhandel in zwaar weerDe conjuncturele en structurele ontwikkelingen in de markt zijn de oorzaak vande dalende omzet in de fysieke detailhandel. Veel detaillisten kunnen daardoorhet hoofd niet boven water houden, metfaillissementen en oplopende leegstand totgevolg. Sinds 2003 is de totale leegstaandeoppervlakte in de detailhandel gestegen van1,7 naar 3 miljoen vierkante meter in 2012,een groei van 75 procent. Hierdoor stond in2012 bijna 6,6 procent van de totale opper-vlakte leeg. In 2003 was dit nog 4,5 procent.De verschillen binnen Nederland zijn overi-gens groot. In Utrecht en Noord-Holland valtde leegstand mee, terwijl de provincies diekampen met bevolkingskrimp (Groningen,Zeeland en Limburg) een zeer hoge leegstandkennen. Wel zien we, op Drenthe na, in elkeprovincie een groei van de leegstand sinds2008.Figuur 2: Ontwikkeling leegstand als percentagevan de totale oppervlakteBron: CBS24681024681003 04 05 06 07 08 09 10 11 12Nederland Groningen ZeelandLimburg Utrecht Noord-Holland% %
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 6Grote regionale verschillenZoals blijkt uit figuur 2 zijn de verschillen tussen regio’s groot voor wat betreftde (ontwikkeling van de) leegstand. Dat geldt ook voor de ontwikkeling van deomzet. De KoopstromenMonitor2maakt hetmogelijk om de omzet van de detailhandel in2009 en 2011 met elkaar te vergelijken.Daaruit blijkt dat de omzet in de niet-dage-lijkse detailhandel in Nederland in die periodemet 3 procent is gedaald. Maar, zoals gezegd,de regionale verschillen zijn groot. In Zeelanddaalde de omzet met maar liefst 10 procent,terwijl de krimp in Overijssel, Flevoland enNoord-Brabant onder de 1 procent bleef.Opvallend is de groei van de omzet inGroningen. Deze steeg hier met 3 procent.Figuur 3 toont de ontwikkeling van de omzetvoor alle provincies in combinatie met degemiddelde vloerproductiviteit in de niet-dagelijkse detailhandel in 2011. De vloerproductiviteit is gelijk aan de omzet pervierkante meter en geeft een goede indruk van de ‘prestatie’ van de detail-handel, in dit geval van de niet-dagelijkse sector. Voor beleidsmakers is devloerproductiviteit een belangrijke maatstaf, aangezien op basis daarvan ondermeer wordt besloten of uitbreiding van het aanbod wenselijk is. De omvang vande bollen in de figuur staat voor de totale winkelvloeroppervlakte van het niet-dagelijkse aanbod (de bol van Nederland staat voor het gemiddelde van alleprovincies).De combinatie tussen omzetontwikkeling en vloerproductiviteit is belangrijkomdat de vloerproductiviteit de omzetontwikkeling in perspectief zet. Zo zien weweliswaar een daling van de omzet in de drie Randstedelijke provincies, maargezien de relatief hoge vloerproductiviteit zijn de gevolgen daarvan te overzien.De detailhandel in Groningen zag haar omzet weliswaar stijgen, maar kent nogsteeds een relatief lage vloerproductiviteit. De situatie in de provincies met eendalende omzet en een lage vloerproductiviteit is zorgelijk. Dat verklaart ook dezeer hoge leegstand in Zeeland en Limburg. In Gelderland, Friesland en Drenthevalt de leegstand in landelijk perspectief nog mee, maar gegeven het beeld vanfiguur 3 kunnen die provincies een stijging van de leegstand verwachten.2Zie de bijlage voor een uitleg over de KoopstromenMonitor.Figuur 3: Omzetontwikkeling en vloerproductivi-teit niet-dagelijksBron: Rabobank120014001600180020002200-15 -10 -5 0 5Vloerproductiviteitniet-dagelijks2011Omzetontwikkeling niet-dagelijks 2009-2011NederlandLimburgOverijsselNoord-BrabantGroningenFrieslandDrentheZeelandGelderlandFlevolandUtrechtNoord-HollandZuid-HollandEuro%
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 7Grote regionale verschillenHoewel de detailhandel in Nederland als geheel het zwaar heeft, toon figuur 3dat de verschillen tussen provincies groot zijn. Ook op regionaal niveau zien wegrote verschillen als het gaat om de vloerproductiviteit (zie kaart 1). De lande-lijke vloerproductiviteit in de niet-dagelijkse branches ligt op € 1.681 per vier-kante meter (Rabobank, 2013). De blauwe regio’s in de kaart hebben eenbovengemiddelde, de oranje een ondergemiddelde vloerproductiviteit. Zoalseerder bleek, is de vloerproductiviteit relatief hoog in de Randstad, vooral in deregio’s rondom Den Haag, Amsterdam en Haarlem. Delfzijl en omgeving vormteen positieve uitschieter in de periferie, waar de bevolking en de winkelvloer-oppervlakte sinds 2003 zijn gekrompen, maar de zittende detailhandel blijkbaargoed presteert.Op lokaal niveau zijn die verschillen in vloerproductiviteit nog veel groter. Ook deontwikkeling van de omzet tussen 2009 en 2011 varieert sterk per gemeente.Ondanks de veranderende (lees: verslechterende) marktomstandigheden kun-nen we spreken van winnaars en verliezers. Het lokale niveau is een belangrijkegeografische schaal voor analyse. Beleidsbeslissingen ten aanzien van uitbrei-ding van het detailhandelsaanbod worden namelijk vooral op lokaal niveaugenomen. Bovendien maken consumenten hun keuze om ergens te winkelen opzeer lokaal niveau. Men gaat niet winkelen in Noord-Holland, men gaat winkelenin Amsterdam of, sterker nog, in de Kalverstraat.De grote verschillen in omzetontwikkeling tussen gemeenten blijken uit figuur 4,waarin het aantal gemeenten per klasse van de omzetontwikkeling is weerge-geven3. In 252 van de weergegeven gemeenten is de omzet gedaald, maar 135zagen de omzet tussen 2009 en 2011 juist toenemen.3Vanwege het aantal waarnemingen is het niet mogelijk om de omzetontwikkeling vooralle gemeenten weer te geven.Kaart 1: Regionale verschillen invloerproductiviteit (2011)Figuur 4: Aantal gemeenten per klasse omzet-ontwikkelingBron: Rabobank Bron: Rabobank2683143873711020406080100120140160020406080100120140160-20% tot-30%-10% tot-20%0% tot -10%0% tot10%10% tot20%20% tot30%Omzetontwikkeling 2009-2011-20% -10% 0% 10% 20%aantal aantal
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 8Lokale verschillen verklaardHet zware weer in de Nederlandse detailhandel kan goed worden verklaard doorde veranderende marktomstandigheden. Op lokaal niveau vormen de markt-omstandigheden echter geen verklaring voor de verschillen in de ontwikkelingvan de omzet. We zien namelijk ook winnaars in regio’s met sterk dalendehuizenprijzen, hoge werkloosheid en/of demografische krimp. Ter illustratie toontfiguur 5 de relatie tussen de omzetontwikkeling en de bevolkingsontwikkeling inde Nederlandse gemeenten. De figuur laat zien dat gemeenten ondanks eenkrimpende bevolking een stijgende omzet in de niet-dagelijkse detailhandelkennen (rechtsonder). Het omgekeerde geldt ook (linksboven).Ook het online koopgedrag blijkt geen verklaring te zijn voor deomzetontwikkeling van de niet-dagelijkse detailhandel op lokaal niveau. Onlinewinkelen neemt niet toe met de afstand tot fysieke winkelvoorzieningen, zoalsmen wellicht wel zou verwachten. Sterker nog, het omgekeerde is het geval. Inlandelijke gemeenten wordt minder via internet gekocht dan in stedelijkegemeenten. De reden hiervoor is dat online koopgedrag vooral afhangt van hettype consument. Vooral jongeren, en daarbinnen vooral alleenstaanden, kopenveel online en het aandeel van jonge alleenstaanden is het grootst in destedelijke gebieden. De meest perifere gebieden in Nederland, zoals deWaddeneilanden, vormen hierop een uitzondering. In die gebieden is het belangvan het online verkoopkanaal relatief groot, waarvan we mogen veronderstellendat de afstand tot de fysieke detailhandel wel degelijk een rol speelt (Smeltink,2012).De mate waarin consumenten hun aankopen via internet doen, is dus nietbepalend voor de omzetontwikkeling in gemeenten. Hiervoor vergelijken we hetbelang van IDeal-betalingen in de totale bestedingen met de ontwikkeling vande omzet in de niet-dagelijkse detailhandel (figuur 6). Talloze gemeentenkennen een relatief groot belang van IDeal-betalingen, gepaard met een stijgingvan de detailhandelsomzet (en vice versa).Figuur 5: Relatie omzetontwikkeling en bevol-kingsontwikkeling Nederlandse gemeentenFiguur 6: Relatie omzetontwikkeling en belang vanIDeal-betalingen Nederlandse gemeentenBron: RabobankBron: Rabobank-20246810-30 -20 -10 0 10 20 30Bevolkingsgroei2009-2011Omzetontwikkeling niet-dagelijks 2009-2011%%1,01,52,02,53,03,5-30 -20 -10 0 10 20 30AandeelIDealintotalebestedingenOmzetontwikkeling niet-dagelijks 2009-2011%%
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 9Lokale verschillen verklaardDe genoemde landelijke en regionale marktontwikkelingen vormen dus geenverklaring voor de grote verschillen in lokale omzetontwikkelingen in de detail-handel. Om erachter te komen wat dezeverschillen wél verklaart, analyseren we deontwikkeling van de omzet in de niet-dage-lijkse detailhandel in de kernwinkelgebiedenvan alle gemeenten. De kernwinkelgebiedenzijn de postcodegebieden met de grootstewinkelvloeroppervlakte in de branchegroepmode en luxe per gemeente. Door dezegebieden te selecteren, elimineren we bijvoor-beeld meubelboulevards en losstaande tuin-centra of bouwmarkten. Dergelijke winkel-gebieden of winkels hebben doorgaans eenandere, in geografisch opzicht ruimere functie.Vervolgens is de omzetontwikkeling van deniet-dagelijkse detailhandel in deze kern-winkelgebieden geanalyseerd. Daaruit blijkteen duidelijk verschil te bestaan tussen gebieden van een bepaalde omvang.Figuur 7 toont de ontwikkeling van de omzet in de periode 2009-2011 voor zesgroottecategorieën. De gezamenlijke omzet is gestegen in de kleine kernwinkel-gebieden (tot 10.000 vierkante meter, 136 gemeenten) en vooral in de grotewinkelgebieden (vanaf 60.000 vierkante meter, 29 gemeenten). De middelgrotekernwinkelgebieden (tussen 10.000 en 40.000 vierkante meter, 205 gemeenten)vallen tussen wal en schip en zagen hun omzet behoorlijk afnemen.Naast de omzetontwikkeling toont de figuur de ontwikkeling van het aanbod ende vloerproductiviteit. De vloerproductiviteit is de omzet per vierkante meter.Een dalende omzet betekent bij een gelijkblijvend winkelaanbod dus een dalingvan de vloerproductiviteit. De groei van het winkelaanbod in de middelgrotekernwinkelgebieden is dus extra problematisch, wat te zien is aan de sterkedaling van de vloerproductiviteit.Figuur 7: Ontwikkeling omzet en vloerproductivi-teit (2009-2011)Bron: Rabobank-10 -5 0 5 10 15> 60000 m²40000 - 60000 m²20000 - 40000 m²10000 - 20000 m²5000 - 10000 m²< 5000 m²Omzet Vloerproductiviteit Aanbod%
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 10Lokale verschillen verklaardDe verklaring voor de genoemde verschillen in omzetontwikkeling moetgrotendeels worden gezocht in de verandering van het ruimtelijke koopgedrag.De voorkeur van consumenten is veranderdwaardoor hij bepaalde typen winkelgebiedenminder bezoekt ten gunste van andere typenwinkelgebieden. Figuur 8 laat dit zien. Hierinis de ontwikkeling van de omzet afkomstigvan de eigen bevolking en van de bevolkingvan elders (koopkrachttoevloeiing) weergege-ven. De figuur toont een aantal zeer spre-kende ontwikkelingen. De winkelgebieden meteen niet-dagelijks winkelvloeroppervlak (wvo)van 5.000 tot 10.000 vierkante meter hebbenhun stijgende omzet geheel te danken aaneen toename van de bestedingen van huneigen inwoners. Consumenten uit gemeentenmet een klein kernwinkelgebied doen hunniet-dagelijkse aankopen dus vaker dichtbijhuis. De grote kernwinkelgebieden (met meer dan 60.000 vierkante meter niet-dagelijks wvo) danken hun omzetstijging zowel aan een groei van de beste-dingen van de eigen bevolking als aan de koopkrachttoevloeiing. De omzetgroeiin de kleine en grote kernwinkelgebieden gaat ten koste van de omzet in demiddelgrote kernwinkelgebieden. Daar nam de omzet uit de eigen gemeente,maar vooral de koopkrachttoevloeiing per saldo behoorlijk af tussen 2009 en2011.Figuur 8: Ontwikkeling omzet naar herkomst(2009-2011)Bron: Rabobank-10 -5 0 5 10 15> 60000 m²40000 - 60000 m²20000 - 40000 m²10000 - 20000 m²5000 - 10000 m²< 5000 m²Omzet uit eigen gemeente Omzet van elders (toevloeiing)%
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 11Ter illustratie: BoxtelFiguur 7 en 8 tonen de gezamenlijke omzetontwikkeling van kernwinkelgebiedenvan een bepaalde omvang. Dit geldt niet voor alle individuele kernwinkelgebie-den, maar geeft wel het algemene beeld weer.Ter illustratie werken we hier een sprekendvoorbeeld uit: Boxtel (en het nabijgelegen DenBosch). Boxtel is een gemeente met eenkernwinkelgebied dat in de middengroep valt.Het kernwinkelgebied heeft te maken met eendalende omzet in de detailhandel en eenoplopende leegstand.Boxtel ligt tussen drie steden met een grootwinkelaanbod, te weten Tilburg, Eindhoven enDen Bosch, met daartussen een aantal kleine-re gemeenten. Als het gaat om de bestedingenvan de inwoners van deze kleinere gemeenten,moet de detailhandel in Boxtel concurrerenmet de detailhandel in de grotere omliggendesteden. Als we de belangrijkste herkomstgemeenten van de detailhandel inBoxtel op een rij zetten, blijken er vier gemeenten bovenuit te steken: Haaren,Vught, Sint-Michielsgestel en Schijndel. De omzet die de detailhandel in Boxtelvan buiten de gemeente weet te halen, komt dus vooral uit deze viergemeenten. Het opvallende is dat ze alle vier ten noorden van Boxtel liggen (ziekaart 2). Vanzelfsprekend ondervindt Boxtel, voor wat betreft de bestedingen uitdeze kleinere gemeenten, concurrentie van de binnenstad van Den Bosch.Kaart 2: Ligging Boxtel en omliggende gemeenten
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 12Ter illustratie: BoxtelFiguur 9 illustreert deze concurrentieverhoudingen. Daarin wordt de koop-oriëntatie van consumenten uit de vier gemeenten op Boxtel en Den Boschweergegeven. In 2009 besteedden consu-menten uit Sint-Michielsgestel bijvoorbeeld 7procent in Boxtel en 19 procent in Den Bosch.Ook Vught is sterk op Den Bosch gericht. VoorHaaren en Schijndel geldt dit in mindere mate.Tussen 2009 en 2011 heeft een duidelijkeverschuiving van koopstromen plaatsgevon-den. Consumenten uit Haaren besteedden in2011 een fractie meer in Boxtel dan in 2009,maar consumenten uit de overige drie ge-meenten waren in 2011 minder op Boxtelgeoriënteerd dan twee jaar daarvoor.Opvallend is dat het deel dat zij besteden inDen Bosch juist is toegenomen. Vooral consu-menten uit Sint-Michielsgestel en Vught warenin 2011 veel sterker op Den Bosch gericht danin 2009. Ook de inwoners van Boxtel zelf (niet weergegeven in de figuur) zijn numinder op hun eigen gemeente georiënteerd (van 73 naar 69 procent) en juiststerker op Den Bosch (van 22 naar 25 procent).De ontwikkeling in Boxtel is illustratief voor de ontwikkeling die in het voor-gaande is beschreven: een afnemende omzet van de detailhandel in middelgrotewinkelgebieden, deels veroorzaakt door veranderende marktontwikkelingen,maar vooral het gevolg van verschuivingen in het ruimtelijke koopgedrag vanconsumenten.Figuur 9: Ontwikkeling oriëntatie op Boxtel enDen BoschBron: Rabobank4377327578910192519240 5 10 15 20 25 3020092011200920112009201120092011SchijndelHaarenVughtSint-M.Boxtel Den Bosch%
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 13Fun of functieDe volgende vraag is natuurlijk waarom het ruimtelijke koopgedrag van consu-menten dusdanig is veranderd dat dit leidt tot dergelijke verschillen in omzet-ontwikkeling. Hier liggen verschillende factoren aan ten grondslag. Verreweg debelangrijkste factoren voor een locatiekeuze van consumenten om hun aankopente doen, zijn aanbod en afstand (I&O Research, 2011). Dit klinkt logisch.Waarom zouden we onze boodschappen niet bij de supermarkt om de hoekdoen? Dit komt ook tegemoet aan een van de belangrijkste theorieën in deeconomische geografie: de centrale-plaatsentheorie van de Duitse geograafWalter Christaller (1893 – 1969). Christaller publiceerde in 1933 zijn theorieover de ruimtelijke spreiding, grootte en ontwikkeling van plaatsen, gebaseerdop onderzoek in Zuid-Duitsland. De theorie stelt dat elke plaats een eigenverzorgingsgebied heeft, waarbij de omvang van dat verzorgingsgebied afhangtvan het voorzieningenaanbod. Kleine plaatsen met enkel een supermarkt hebbeneen kleiner verzorgingsgebied dan grote plaatsen met bijvoorbeeld eenbioscoop4. Consumenten kiezen voor de dichtstbijzijnde voorziening die voorzietin hun behoefte, aldus de theorie.De centrale-plaatsentheorie impliceert aannames die niet samengaan met dewerkelijkheid. Een belangrijke aanname is bijvoorbeeld dat aanbieders geenconcurrentievoordeel hebben. Dat wil zeggen dat de producten van aanbiedersin verschillende plaatsen homogeen zijn (geen verschil in prijs, kwaliteit enservice). De theorie gaat er ook vanuit dat de consument rationeel is (homooeconomicus). Door deze aannames zijn aanbod en afstand de enige factoren inde theorie die de locatiekeuze van consumenten bepalen bij hun ruimtelijkekoopgedrag. Hoewel dit ook in de praktijk essentiële factoren blijken te zijn,vertellen ze niet het hele verhaal. Andere factoren leiden ertoe dat consumentenandere keuzes maken dan op basis van de centrale-plaatsentheorie zou wordenverwacht. Deze omvatten onder meer de variatie aan producten in een bepaaldewinkel, prijsverschillen, de mate van reclame en verschillen in service (Hubbard,2013). Ook allerlei kenmerken van winkelgebieden spelen een rol, zoals bereik-baarheid, parkeermogelijkheden en de sfeer en uitstraling van het winkelgebied(I&O Research, 2011). Tot slot speelt ook de combinatie met andere doeleindeneen rol. Een consument doet bijvoorbeeld boodschappen waar hij werkt en gaatergens winkelen na een familiebezoek of voor een uitgaansavond. Om terug tekomen op de hiervoor gestelde vraag: er zijn dus wel degelijk redenen te beden-ken waarom een consument zijn boodschappen niet doet bij de dichtstbijzijndesupermarkt.4De centrale-plaatsentheorie van Christaller heeft een rol gespeeld bij de ruimtelijkeinrichting van de Noordoostpolder, waar Emmeloord de centrale plaats is, met een ruimervoorzieningenaanbod dan de kleinere kernen daaromheen.
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 14Fun of functieWelke factoren doorslaggevend zijn voor de locatiekeuze van de consument, isafhankelijk van zijn winkeldoel. Daarbij kunnen we onderscheid maken tussenrecreatief winkelen en functioneel winkelen,oftewel fun of functie. Recreatief winkelen iseen bezigheid waar consumenten bewust voorkiezen. De laatste jaren is onze vrije tijdgemiddeld afgenomen, waardoor we hogeeisen stellen aan de invulling van onzebeschikbare vrije tijd. De consument is daarbijop zoek naar ‘beleving’ en dat uit zich in dewijze waarop hij (recreatief) winkelt. Het gaatal lang niet meer alleen om consumeren al-leen. De consument is op zoek naar eenprettige, gezellige omgeving die meer tebieden heeft dan enkel een passend winkel-aanbod. Daarbij spelen ook het cultureleaanbod, het horeca-aanbod en een aantrekke-lijk en schoon winkelgebied een rol (NRWTaskforce Consumentenbeleving, 2011).Het totaalproduct waar de recreatieve consument naar op zoek is, de ‘beleving’,is niet gemakkelijk te operationaliseren. Of een winkelgebied voorziet in debelevingsbehoefte van de consument is immers afhankelijk van een combinatievan (vele) factoren. Aangezien het aanbod van cultuur en horeca relevantefactoren zijn voor de recreatieve consument, is de relatie onderzocht tussen hetculturele en horeca-aanbod en de omzetontwikkeling in winkelgebieden.Omzetontwikkeling en het culturele aanbod tonen geen zichtbare relatie. Eenanalyse van de omzetontwikkeling van de detailhandel naar omvang van hethoreca-aanbod toont wél een interessante uitkomst (figuur 10). Er een duidelijkverschil zichtbaar tussen winkelgebieden met een groot en een klein aanbod aanhorecavoorzieningen. Dit aanbod is groter in de stedelijke gebieden met grotekernwinkelgebieden en biedt een verklaring voor de omzetgroei in de detail-handel in die gebieden.Figuur 10: Ontwikkeling omzet (2009-2011) naaraanbod horeca (cafés en restaurants)Bron: Rabobank-10-505101520-10-505101520Minder dan2525 tot 50 50 tot 100 100 tot 200 200 ofmeerAantal restaurants en cafésTotaal Eigen gemeente Toevloeiing%%
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 15Fun of functieFunctioneel winkelen stelt andere eisen aan een winkelgebied. Als de consumentweet waar hij naar op zoek is en dus met een helder doel winkelt (functioneelwinkelen), staan gemak en snelheid voorop.Dit werkt bijvoorbeeld online winkelen in dehand wat, zoals gezegd, ten koste gaat vanbestedingen bij de fysieke detailhandel. Maarook als de consument kiest voor de fysiekedetailhandel, oriënteert hij zich steeds vakeronline. Meer dan 9 van de 10 consumentendoet online onderzoek voordat hij overgaat toteen aankoop (Blauw Research, 2011). Als dekeuze is gemaakt, zijn gemak en snelheidleidend. Naast een geschikt winkelaanbod zijnzaken als bereikbaarheid, parkeermogelijk-heden en de prijs van parkeren belangrijkefactoren (I&O Research, 2011). Ook hier ishet moeilijk om ‘gemak’ te operationaliseren.Het is onmogelijk om alle factoren die hierbijeen rol spelen in één variabele te vatten. Om te illustreren hoe één factor vaninvloed is, toont figuur 11 de ontwikkeling van de omzet in de kleine winkel-gebieden (tot 10.000 vierkante meter niet-dagelijks wvo), waarbij onderscheid isgemaakt tussen gebieden met en gebieden zonder betaald parkeren.Zoals al bleek uit figuur 8 heeft de detailhandel in kleine winkelgebieden de om-zetstijging te danken aan een groei van de bestedingen van de eigen bevolking(de oranje balken in figuur 11). Veel opvallender is echter dat de groei van deomzet voor verreweg het grootste deel voor rekening komt van kernwinkel-gebieden zonder betaald parkeren. Niet voor niets wordt door brancheorganisa-ties en winkeliersverenigingen geprotesteerd tegen de invoering, de verhoging ofzelfs het bestaan van betaald parkeren in veel gebieden. Juist de kleinerewinkelgebieden moeten het hebben van een goede bereikbaarheid en gemak.Betaald parkeren vormt een drempel voor consumenten, zo blijkt ook uit dezegegevens.Figuur 11: Ontwikkeling omzet in kleine winkel-gebieden (2009-2011)Bron: Rabobank-2024681012-2024681012Totale omzet Eigen koopkracht ToevloeiingTotaal Wel betaald parkeren Geen betaald parkeren%%
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 16ConclusieVooral door de groei van internet als aankoopkanaal en de tegenzittende con-junctuur verandert de markt voor de detailhandel. De sector verkeert in zwaarweer, wat zich uit in een dalende omzet en een hoge en stijgende leegstand. Oplokaal niveau zien we echter ook veel winkelgebieden met een stijgende omzeten een lage leegstand. De genoemde landelijke ontwikkelingen bieden dus geenvolledige verklaring voor de ontwikkelingen in de detailhandel op lokaal niveau.Uit deze special blijkt dat de oorzaak van de lokale verschillen in omzetontwikke-ling moet worden gezocht in een verschuiving van het ruimtelijke koopgedragvan consumenten. Veranderende behoeften van consumenten liggen hieraan tengrondslag. De ‘nieuwe’ consument heeft weinig tijd en gaat daarom zeer bewustmet die tijd om. Zijn behoeften veranderen en hij kiest bewuster voor bepaaldewinkelgebieden, afhankelijk van het specifieke winkeldoel: recreatief en op zoeknaar beleving of functioneel en op zoek naar snelheid en gemak, oftewel fun offunctie.Veranderend consumentengedrag uit zich dus in ander winkelgedrag, waarbij deconsument bewust kiest voor bepaalde winkelgebieden ten koste van andere. Dewinnaars zijn de kleine winkelgebieden die voorzien in de behoefte van consu-menten die op zoek zijn naar snelheid en gemak en de grote winkelgebieden dievoorzien in de behoefte aan beleving. De middengroep, die tussen wal en schipvalt, kenmerkt zich vaak door een beperkte bereikbaarheid, betaald parkeren enmist in veel gevallen de gezelligheid en het horeca- en culturele aanbod vanbijvoorbeeld een historisch centrum.De vele factoren die een rol spelen bij het ruimtelijke koopgedrag van consu-menten maken het moeilijk om sluitende verklaringen te geven voor het succesof falen van individuele winkelgebieden. Vrijwel alle winkelgebieden combinerensucces- met faalfactoren en sluiten daarmee goed aan op de wensen van de eneconsument en slecht op die van de andere. De belangrijkste boodschap van dezespecial is dan ook dat het succes van een winkel of winkelgebied afhangt vanfactoren die verder gaan dan de algemene factoren die ervoor zorgen dat dedetailhandel door de bank genomen in zwaar weer verkeert. Gemeenten enwinkeliers kunnen zich niet verschuilen achter de tegenzittende conjunctuur ofhet toenemende belang van online winkelen. Zij zullen moeten beseffen datwinnen of verliezen vooral afhangt van de mate waarin zij inspelen op de(veranderende) behoeften van consumenten en het daaruit voortvloeiendegedrag. Zowel individuele winkeliers als winkelgebieden of gemeenten moetenzich afvragen voor wie ze er zijn, wie hun doelgroep is, en op basis daarvan hunproduct bepalen. Dat gold voorheen ook, maar is des te belangrijker als de teverdelen koek kleiner wordt.
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 17Bijlage: KoopstromenMonitorKoopstromen brengen in beeld waar consumenten hun aankopen doen. Vooral inde detailhandel wordt veel gebruik gemaakt van koopstromen om het draagvlakvan winkelvoorzieningen te onderzoeken. Koopstromen worden vaak geschataan de hand van enquêtes onder een steekproef van consumenten. Voor deKoopstromenMonitor vormen de gemeten pintransacties van Rabobank-klanten5de basis. Miljoenen pintransacties liggen aan het model ten grondslag. De pin-transacties worden aangevuld met de incassotransacties, waarmee consumenteneen omvangrijk deel van de aankopen van vooral duurzame goederen betalen.Tevens maken we op basis van metingen van geldopnames bij geldautomaten enafstortingen van contant geld door bedrijven een schatting van de chartalekoopstromen.Omdat de klantenkring van de Rabobank breed is vertegenwoordigd onder allelagen van de bevolking en in alle delen van Nederland, is sturen op represen-tativiteit en dekking niet nodig. Om toch een eventueel optredende vertekeningten opzichte van de Nederlandse populatie huishoudens en bedrijven tegen tegaan, zijn de uitkomsten gecorrigeerd aan de hand van aanvullende databron-nen, zoals het Landelijk Informatiesysteem van Arbeidsplaatsen en Vestigingen(LISA), de statistiek besteedbaar inkomen van Nederlandse huishoudens en deproductiestatistieken van het CBS.Belangrijk is om te benadrukken dat het alleen om bestedingen van Nederlandseconsumenten gaat. Bestedingen van buitenlandse bezoekers blijven dus buitenbeschouwing. Online bestedingen komen ook niet aan de orde omdat de Koop-stromenMonitor zich richt op de fysieke detailhandel en niet op webwinkels.5Privacy is hierbij gegarandeerd. Onder geen enkele voorwaarde zijn individueleklantgegevens herkenbaar of herleidbaar.
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 18LiteratuurBlauw Research (2011), Multichannel Monitor 2011.Hubbard, R. (2013), A Review of Selected Factors Conditioning Consumer TravelBehavior, Journal of Consumer Research Vol. 5 No. 1, April.I&O Research (2011), Randstad Koopstromenonderzoek 2011.Legierse, T. & T. Smid (2013), Nederland: Op weg naar zeven magere jaren.NRW Taskforce Consumentenbeleving (2011), Consumentenbeleving inWinkelgebieden.Smeltink (2012), Stadsbewoners kopen vaker online.
    • mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 19ColofonDeze Special is een uitgave van het Directoraat Kennis en Economisch Onderzoekvan Rabobank.De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit doorons betrouwbaar geachte bronnen. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onzeanalyses verwerkt.Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Het Directoraat aan-vaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatieneergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar‘economie@rn.rabobank.nl’ onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordtu op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis enEconomisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbriefzijn links te vinden naar een diversiteit aan KEO-studies zoals het Economisch Kwar-taalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.Deze studies zijn tevens te vinden op onze website: www.rabobank.com/economieen op www.rabotransact.com.Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel.030 - 2162666.U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: ‘economie@rn.rabobank.nl’.Auteur:Rogier Aalders, onderzoeker Nationaal OnderzoekEindredactie:Hans Stegeman, hoofd Nationaal OnderzoekRedactie:Enrico VersteeghProductiecoördinatie:Christel FrentzGraphics:Reinier Meijer© 2013 - Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A., Nederland
    • KEO op internetwww.rabobank.com/economiePostadresRabobank Nederland,KEO (UC.T.04.11)Postbus 171003500 HG UtrechtBezoekadresRabobank NederlandCroeselaan 183521 CB Utrecht