ZICHT OP INTERNATIONALISERING                            Signaleringsrapportage“As the world becomes more thoroughly inter...
4
Inhoud     1     Inleiding                                                                        7     2     Politieonder...
6
1 ● Inleiding    In het najaar van 2009 zijn belangrijke besluiten genomen. Naast de ratificatie van het Verdrag    van Li...
8
2 ● Politieonderwijsraad         De Politieonderwijsraad is het adviesorgaan van de beide politieministers met betrekking ...
In de panelbespreking kwamen de volgende thema’s aan bod:                    1.   Visie op internationalisering           ...
3 ● Internationalisering en globalisering    Dit hoofdstuk bevat een summiere inleiding op veelomvattende vraagstukken van...
3.1 ● Internationalisering als modernisering          Het Sociaal Cultureel Planbureau karakteriseert internationalisering...
Normalisering en diversiteit                    Een vitaal aspect van modernisering dat minder goed tot uitdrukking komt i...
hebben hun eigen sociaal-culturele achtergrond en eigen verwachtingen ten aanzien                    van relaties en gedra...
3.2 ● Globalisering         Het begrip globalisering gaat over het ontstaan en de werking van wereldomvattende         rel...
en nutsvoorzieningen (elektriciteit, riolering, etc.). Voor wie daar niet op wil wachten,is het een kwestie van verhuizen:...
De wereld in 3-DDe Wereldbank tekent vanuit een economisch geografisch gezichtspunt eenwereldkaart op basis van drie dimen...
Europa, de Verenigde Staten en Noordoost-Azië (Japan, Zuid-Korea).10 Hoe dichter                   hierbij in de buurt, ho...
te lijden van slecht bestuur. Vaak gaat het om kleine landen met een beperkte    binnenlandse markt.Het rapport van de Wer...
door een zeer sterke onderlinge verbondenheid en onvoorspelbaarheid, mogelijk                             gemaakt door ste...
Een beknopte Nederlandstalige inleiding op het                                          globaliseringdebat is te vinden in...
Box 3De wereld: allesbehalve plat!De van oorsprong Nederlandse geograaf Harm de Blij (nu hoogleraar aan de MichiganState U...
Anti- en anders globalisten                   Tal van non-gouvernementele organisaties (NGO’s), maar ook allerlei losser  ...
Box 4                     Commotie                     Soms is er een publicatie over de wereldsamenleving die sterk de aa...
3.2.3 ● Een derde van de wereldhandel onwettig                                                               Zeker een der...
brancheorganisaties speciale voorzieningen opgezet ter bestrijding van bijv. de handel                    in imitatieprodu...
3.3 ● Inzoomen, uitzoomen en vice versa          Internationalisering en globalisering zijn veelomvattende begrippen die s...
28
4 ● Europa         De Wereldbank noemt Europa een toonbeeld van succesvolle economische integratie         (Reshaping Econ...
4.1 ● Raad van Europa         Het vreedzaam samenleven van natiestaten die onderlinge verschillen in inzicht en belangen  ...
belangrijke prioriteit gevormd van de Raad van Europa en zijn er belangrijke                     verdragen gesloten op dit...
4.2 ● Europese Unie         In de EU zijn stap voor stap diverse overheidstaken en -verantwoordelijkheden verschoven      ...
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Zichtopinternationalisering
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Zichtopinternationalisering

2,320

Published on

Published in: Business, News & Politics
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
2,320
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Zichtopinternationalisering

  1. 1. ZICHT OP INTERNATIONALISERING Signaleringsrapportage“As the world becomes more thoroughly interconnected economically and politically, as people move about in unforeseen, only partially controllable, and increasingly massive, ways, and as new lines are drawn and old ones erased, the catalogue of available identifications expands, contracts, changes shape, ramifies, involutes, and develops.” Clifford Geertz, in his Available Light (2000). Chapter XI, p. 225. 3
  2. 2. 4
  3. 3. Inhoud 1 Inleiding 7 2 Politieonderwijsraad 9 3 Internationalisering en globalisering 11 3.1 ● Internationalisering als modernisering 3.2 ● Globalisering 3.2.1 ● Economie 3.2.2 ● Meer dan economie alleen 3.2.3 ● Een derde van de wereldhandel onwettig 3.3 ● Inzoomen, uitzoomen en vice versa 4 Europa 29 4.1 ● Raad van Europa 4.2 ● Europese Unie 4.3 ● Verdrag van Lissabon 5 Internationale politiesamenwerking 41 5.1 ● Een mondiale veiligheidsagenda 5.1.1 ● Multilateraal en multidisciplinair 5.1.2 ● Contouren van een agenda 5.2 ● Samenwerking in grensstreken 5.2.1 ● Politiesamenwerking in Nederlandse grensstreken 5.3 ● Samenwerking in de EU 5.3.1 ● Ruimte voor Vrijheid, Veiligheid en Rechtvaardigheid 5.3.2 ● Het Stockholm Programma 2010-2014 5.3.3 ● Uitvoeringsorganisaties 5.3.4 ● EU veiligheidsagenda: prioriteiten 5.4 ● Kracht, bereik en integriteit 5.4.1 ● Sterke en zwakke staten 5.4.2 ● Politietaken OVSE en VN 5.5 ● Over ‘nabij’ en ‘veraf’: een model 6 Internationalisering en de Nederlandse politieprofessie 73 6.1 ● De normaalste zaak van de wereld? 6.1.1 ● Samenwerking in het kader van de Europese Unie 6.1.2 ● Rechtshulp en informatie-uitwisseling 6.1.3 ● Landenbeleid 6.1.4 ● Onderwijs en ontwikkeling 6.2 ● Nationaal dreigingsbeeld en programma’s aanpak georganiseerde criminaliteit 6.3 ● Competenties gevraagd 6.3.1 ● Een rollenmodel 6.3.2 ● Competenties: generiek en specifiek 6.4 ● Opleiding en loopbaan 6.4.1 ● Rollen en beroepsprofielen 6.4.2 ● Internationalisering van het loopbaanbeleid 6.5 ● Wetenschap, technologie en de kennisfunctie van de Politieacademie 6.6 ● Een internationale community of practice? 7 Bijdrage aan de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs 99Bijlagen 103 1 Gesignaleerde adviezen en rapporten van Nederlandse adviesorganen en onderzoeksinstellingen, 2007-2009 2 Geraadpleegde literatuur en websites 3 Overzicht kaarten en tekstboxen 5
  4. 4. 6
  5. 5. 1 ● Inleiding In het najaar van 2009 zijn belangrijke besluiten genomen. Naast de ratificatie van het Verdrag van Lissabon (incl. de bepalingen over politie en justitie) zijn er onder Zweeds voorzitterschap nieuwe doelen en activiteiten bepaald voor politie en justitie in de periode 2010-2014 (het Stockholm Programma). Bovendien is duidelijk dat internationale werk- en leercontacten op het terrein van veiligheid gaandeweg verder intensiveren. In het voorjaar van 2005 stelde de Politieonderwijsraad voor het eerst een nota vast over internationalisering en politieonderwijs. Deze nota werd eind 2006 geactualiseerd ter voorbereiding van een panelbespreking over dit thema in februari 2007. Eind dat jaar volgde ‘Rollen van betekenis. Over de internationale oriëntatie van het politieonderwijs en het opleiden voor een rol in of in directe relatie met het buitenland’. Inmiddels zijn we twee jaar verder en blijkt een nieuwe verkenning nuttig, waarbij gekeken is naar zowel recente wetenschappelijke publicaties als praktijkontwikkelingen van de laatste jaren. De opbouw van Zicht op Internationalisering is als volgt. De Politieonderwijsraad heeft als adviesorgaan en afstemmingsplatform de taak bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van het politieonderwijs en daarbij rekening te houden met ontwikkelingen in internationaal verband. Hoe de Raad dat doet, is te lezen in hoofdstuk 2 van deze rapportage. Een global mindset is van belang om adequaat te kunnen schakelen tussen ‘wijk en wereld’. Hoofdstuk 3 bevat een korte inleiding op relevante basisbegrippen. Onder andere een recent rapport van de Wereldbank biedt hiervoor een kapstok. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de multilaterale samenwerking tussen staten in Europa. Specifieke aandacht wordt geschonken aan het Verdrag van Lissabon. Hoofdstuk 5 gaat over internationale samenwerking op het terrein van veiligheid. Er toont zich een mondiale safety and security agenda. Deze sluit vrijwel naadloos aan op die van ons eigen land en die van de EU. Wat betreft internationale samenwerking wordt in dit hoofdstuk een onderscheid gemaakt tussen landen die politiek- bestuurlijk en juridisch sterk verwant zijn met Nederland en landen waarvoor dat niet of in veel mindere mate geldt. Hoofdstuk 6 gaat in op de doorwerking van het voorgaande in de politieprofessie. Welke agenda is hier aan de orde? Wat vraagt dit van de competenties van politiemedewerkers? Wat betekent dit voor de politieopleidingen? Is er een internationale community of practice in ontwikkeling? Actueel is de vraag naar de doorwerking van internationalisering bij de herijking van de beroeps- en kwalificatieprofielen politieonderwijs. In hoofdstuk 7 worden tenslotte de voornaamste thema’s op een rij gezet met het oog op de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs. In de bijlagen is een overzicht opgenomen van recente adviezen en rapporten van Nederlandse adviesorganen en onderzoeksinstellingen (2007-2009). 7
  6. 6. 8
  7. 7. 2 ● Politieonderwijsraad De Politieonderwijsraad is het adviesorgaan van de beide politieministers met betrekking tot de verdere ontwikkeling van het politieonderwijs. In de wettelijke taakopdracht van de Raad is aandacht voor internationale ontwikkelingen specifiek benoemd (art. 20 wet politieonderwijs). De Politieonderwijsraad heeft zijn taken in een reeks van functies uitgelegd: signaleren  attenderen  agenderen  onderzoeken  monitoren  afwegen  adviseren. Zicht op Internationalisering staat vooral in het teken van de signalerings- en attenderingsfunctie. Hoofdstuk 7 heeft echter een agenderend karakter. Een zeker overzicht van de impact van internationalisering op de politieorganisatie en de politieprofessie is vanzelfsprekend van groot belang voor de actualisering van het politieonderwijs en de ontwikkelingsagenda die daartoe wordt gehanteerd. Dit vindt bij voortduring plaats waar het gaat om leeractiviteiten en leermiddelen. Zodra actualisering een meer structurele aanpassing vergt, raakt dit de ‘architectuur’ van het samenhangend stelsel van politieonderwijs: (initiële en postinitiële) beroepsprofielen, diploma’s (kwalificaties) en kernopgaven. Panelbespreking Begin 2007 organiseerde de Politieonderwijsraad een panelbespreking over internationale politiesamenwerking. Hieronder volgen de hoofdpunten uit deze bespreking.1 De bespreking begint met een stand van zaken. Het proces van internationalisering van het politieonderwijs loopt. Er zijn nuttige bouwstenen gemaakt en er worden relevante activiteiten uitgevoerd, onder andere door de School voor Politieleiderschap. Of Nederland hiermee ook een voorhoedepositie bekleedt, moet worden betwijfeld. Er moet nog veel verbeterd en geïntensiveerd worden, zowel qua beleid als de feitelijke onderwijspraktijk. Nog teveel staat internationalisering apart van het reguliere politiewerk en politieonderwijs. Het belang wordt nog teveel met de mond beleden en de doorwerking is te beperkt. Internationalisering wordt eerder als probleem gezien, dan als uitdaging en nog te vaak wordt Europa geassocieerd met ‘meer werk, politiek en juridisch gezeur’. Hoe kan een meer proactieve, enthousiaste en coöperatieve houding gevormd worden? Internationale competenties moeten vroeg in het (initiële) opleidingsprogramma aangeleerd worden en voor een ieder gelden. Elke nieuw opgeleide politiemedewerker zou een ‘internationale ambassadeur voor de Nederlandse politie’ moeten zijn. Internationale kennis en competenties zouden benoemd en erkend moeten worden. Binnen opleidingen zou gedifferentieerd moeten kunnen worden richting een internationaal / Europees competentieprofiel. De internationale component moet op elk kennisdomein worden verankerd, beter dan internationalisering als apart onderwerp te beschouwen. Docenten moeten zich meer bewust worden van hun rol bij internationalisering (‘teach the teacher’). De Politieacademie zou een soort canon kunnen maken met betrekking tot internationalisering. Het Politie Kennisnet bevat wel relevante informatie, maar is nog te encyclopedisch ingericht. Leerboeken die de kennis op het gebied van internationalisering bundelen, zijn hard nodig.1 De inleiding werd verzorgd door Monica den Boer (VU/ Politieacademie). Voor een uitgebreider verslag zie: Bijdrage aan deontwikkelingsagenda. Politieonderwijsraad, september 2007. In deze rapportage is de directe relatie gelegd met het herijken vande beroepsprofielen dat plaatsvindt in de jaren 2008-2010 (pg. 81-85). 9
  8. 8. In de panelbespreking kwamen de volgende thema’s aan bod: 1. Visie op internationalisering Er ontwikkelt zich wel een visie van de Nederlandse politie op internationalisering; wat ontbreekt is een bijpassend actieplan (doelen, activiteiten, mensen, middelen;  paragraaf 6.1). Internationale kennis en ervaring zou meer gewaardeerd moeten worden, dan nu het geval is. 2. Kennis Elke agent hoort over internationale basiskennis te beschikken (normen, waarden; internationale uitvoeringsorganisaties, relevante verdragen en regelgeving). Diepgaande thematische kennis, bijvoorbeeld over mensenhandel, is relevant voor specialisten; niet elke agent hoeft alles te weten. De gemiddelde diender moet zo opgeleid worden dat hij ‘bewust onbekwaam’ is. Hij moet weten waar en wanneer hij vragen moet stellen, alvorens tot actie over te gaan. De transfer van buitenlandse inzichten en praktijken moet structureel gebeuren, waarbij goed opgelet wordt dat deze niet altijd één op één overdraagbaar zijn. Omgekeerd moet Nederland zich meer inspannen om Nederlandse expertise over te dragen aan het buitenland. 3. Politieonderwijs Het politieonderwijs moet zich proactief opstellen. Als het politieonderwijs zich alleen oriënteert op het bestaande takenpakket van politieambtenaren, loopt de opleiding automatisch achter. De omgeving verandert sterker en sneller, dan de politieorganisatie. Proactief politieonderwijs vereist dat men een beeld heeft wat onder internationalisering verstaan wordt. Bij het bepalen van de koers moet niet alleen naar buitenlandse politie gekeken worden, maar ook naar andere partners in veiligheid. Bij het opleiden voor internationale competenties moeten local and global geïntegreerd worden; het gaat om een internationale manier van denken. Daarbij moet de beheersing van de moderne vreemde talen niet vergeten worden. Bijscholing is continu nodig, regels veranderen snel. Ook CEPOL kan hieraan bijdragen. Een belangrijke verankering moet plaatsvinden in de beroepsprofielen die binnenkort worden herijkt. De panelbespreking van februari 2007 is te beschouwen als het begin van een meerjarig traject van bezinning op de internationaliseringsagenda van het politieonderwijs. Deels vindt dit plaats binnen de boezem van de Politieacademie, deels in het kader van de Politieonderwijsraad.2 Zicht op internationalisering beoogt hieraan een bijdrage te leveren. In hoofdstuk 7 is deze bijdrage samengevat.2 Wat betreft de Politieonderwijsraad, zie o.a. het project Herijking beroepsprofielen waarover in september 2009 isgerapporteerd door de Raad. Wat betreft de Politieacademie, zie o.a. het recente rapport Burgers Eisen Beter Blauw (juni 2009).Ook onderdelen van de visienota De normaalste zaak van de wereld hebben hierop betrekking ( paragraaf 6.1). 10
  9. 9. 3 ● Internationalisering en globalisering Dit hoofdstuk bevat een summiere inleiding op veelomvattende vraagstukken van internationalisering en globalisering. Waar staan deze begrippen voor? Wordt de wereld steeds ‘platter’, zoals sommigen beweren, of worden de verschillen juist groter? Onmiskenbaar is dat er licht- én schaduwzijden zijn te noemen. Geografisch gesproken staat het begrip internationalisering voor het (vanzelfsprekende) gegeven dat er natiestaten zijn met onderlinge relaties. Deze vanzelfsprekendheid wordt versterkt doordat allerlei data verzameld worden door en op basis van administratieve eenheden (landen, provincies, steden, etc.). De misleidende gedachte kan ontstaan dat staten daarmee ook in alle gevallen de meest logische insteek vormen bij onderzoek en onderwijs, ook waar deze zich richten op de internationale politiesamenwerking. In het begrip ‘globalisering’ wordt de aandacht verlegd naar relatiepatronen die zich niet veel aantrekken van staatsgrenzen, of het nu gaat om economische, sociale, culturele of ecologische aspecten. Economisch gesproken is Nederland als handelsnatie al eeuwenlang sterk op het buitenland georiënteerd. De invloed van het buitenland op de Nederlandse samenleving bleef echter lang beperkt. Pas in de tweede helft van de 20e eeuw raakt de Nederlandse samenleving doordrenkt met internationale aspecten (immigratie, media, toerisme). Inmiddels werken tal van Nederlanders gedurende korte of langere tijd in het buitenland of volgen daar (onderdelen van) een studie. Omdat het bedrijfsleven meer dan ooit vervlochten is geraakt met economieën in het buitenland, is internationale uitwisseling van geld, goederen, informatie én menselijk kapitaal nog nooit zo groot geweest als nu het geval is. De toenemende vervlechting met andere delen van de wereld roept ook tegenreacties op. Zo neemt in Nederland de waardering voor de eigen (lokale) geschiedenis, cultuur en streektaal toe. Sedert enkele jaren kent ons land een historische canon en ook komt er een nationaal historisch museum. Anderzijds hebben migranten in ons land, dankzij de informatisering, meer dan vroeger de mogelijkheid de eigen cultuur en het eigen land van herkomst in ere te houden. De complexe situatie die hieruit volgt, wordt geduid met het begrip ‘glocalisering’, een samentrekking van globalisering en lokalisering. In paragraaf 3.1 wordt internationalisering besproken als een vorm van modernisering, naast andere aspecten als individualisering, informatisering, informalisering en intensivering. Het Sociaal Cultureel Planbureau introduceerde in 2004 de inmiddels populair geworden noemer van de ‘5 i’s’. Daarnaast zijn andere aspecten van modernisering van belang, zoals normalisering en professionalisering. Paragraaf 3.2 gaat over globalisering. Dit wordt hier opgevat als een verzameling van gevarieerde en deels onvoorspelbare processen van transformatie. Deze processen zijn al eeuwenlang werkzaam en worden door zowel de geschiedenis als de geografie in kaart gebracht. In paragraaf 3.3 wordt het belang van dit hoofdstuk samengevat als het vermogen om afwisselend te kunnen inzoomen en uitzoomen: Think global, act local. 11
  10. 10. 3.1 ● Internationalisering als modernisering Het Sociaal Cultureel Planbureau karakteriseert internationalisering als een vorm van modernisering. Tezamen met aspecten als individualisering, informalisering, informatisering en intensivering spreekt het SCP van de 5 i’s. De vijf genoemde aspecten hangen onderling nauw samen, in ieder geval in de ‘westerse wereld’. De 5 i’s werken niet voor iedereen en op elke plaats in dezelfde mate door. Er zijn verschillen naar onderscheiden categorieën burgers (leeftijd, opleiding, werk, etniciteit) en er zijn grote geografische verschillen. Landen en regio’s verschillen van elkaar, omdat de betreffende processen later op gang kwamen of voor een deel nog moeten komen en omdat het tempo van de modernisering verschilt. Dit, gevoegd bij de (soms zeer grote) verschillen in uitgangssituatie, (belemmerende) structuren en instituties en tegenbewegingen, maakt internationale samenwerking tot een complexe aangelegenheid. Box 1 Modernisering: 5 i’s Individualisering Veroorzaakt door gestegen opleidingsniveaus, toegenomen welvaart, emancipatie en afgenomen sociale controle  meer behoefte aan ‘maatwerk’ (sociale zekerheid, zorg, onderwijs, arbeidsvoorwaarden). Minder hiërarchie in sociale relaties, meer nadruk op ‘ketens en netwerken’ en ‘relationele voorwaarden voor succes’. Paradoxaal: grotere roep om meer formele controle en strengere sancties. Informalisering Meer egalitaire omgangsvormen (aanspreektitels bijv.), informele kleding (‘casual’). Privatisering en verpersoonlijking van formele functies. Maatschappelijke organisaties verlenen steeds meer op ‘professionele basis’ diensten en opereren in relatief losse netwerken met een geringe gelaagdheid  nieuwe problemen voor de overheid  teveel formalisering = ‘bureaucratie’; te veel informalisering = ‘gedogen’ (en maatschappelijke risico’s). Informatisering ICT leidt tot enorme beschikbaarheid van ‘informatie’, ongeacht tijd en plaats en tot nieuwe problemen m.b.t. weging van de kwaliteit ervan en nieuwe zorgen m.b.t. toegenomen kwetsbaarheid (sabotage, stroomuitval, terrorisme en informatiebederf; nieuwe vormen van ‘cybercriminaliteit’). En: nieuwe mogelijkheden m.b.t. beveiliging en opsporing. Bedrijven: e - commerce; overheden e -government. Intensivering Nieuw hedonisme: toegenomen behoeften aan ontspanning, belevenis, beleving, emotie en gevoel. Heeft ‘normatieve werking’. Paradoxaal is het instrumentele karakter van de collectieve beleving (popconcerten, Koninginnedag, voetbalwedstrijden, etc.). Overgevoeligheid voor persoonlijke krenkingen, psychologisering van de onderlinge verhoudingen. Staat haaks op doelen van algemeen belang en het nemen van verantwoordelijkheid. Internationalisering Meer invloed vanuit buitenland op de eigen samenleving. Tegelijk nemen verschillen tussen samenlevingen af door media, toerisme, wereldwijde verspreiding van producten en diensten van multinationals, activiteiten van NGO’s als Greenpeace en het gebruik van de Engelse taal als wereldomvattende lingua franca. Intensivering wereldhandel gaat gepaard met verspreiding en acceptatie van democratische grondbeginselen (stemrecht, mensenrechten). Welvaartstoename in bepaalde delen van de wereld en goedkopere communicatie - en vervoerstechnieken stimuleren internationalisering. Internationalisering gaat veelal gepaard met migratie en groeiende diversiteit.33 Zie: Multiculturaliteit en politieonderwijs, Politieonderwijsraad, februari 2008 en Aspecten van multiculturaliteit, bijdrage aande ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs, Politieonderwijsraad juni 2008. 12
  11. 11. Normalisering en diversiteit Een vitaal aspect van modernisering dat minder goed tot uitdrukking komt in de 5 i’s staat bekend als normalisering. Modernisering gaat al eeuwenlang hand in hand met een grote mate van normalisering op technologisch en economisch gebied.4 Deze kracht is nog steeds zeer actueel. De digitale revolutie die vanaf de jaren ’80 de wereld ingrijpend veranderde, kon alleen plaatsvinden door standaardisatie en protocollisering. Bij de Nederlandse politie toont zich dit in de ordening van bedrijfsprocessen en op het terrein van de informatievoorziening. Paradoxaal is dat ten gevolge van migratie en individualisering er in ons land grotere verschillen op sociaal-cultureel, religieus en politiek gebied bestaan dan ooit. Bovendien is deze diversiteit ten gevolge van de moderne verbindingsmiddelen (mobiliteit, ICT) veel minder dan vroeger territoriaal gebonden. Normalisatie en toenemende diversiteit gaan daarmee hand in hand. Internationale netwerken Verder wordt er steeds meer in termen van netwerken gedacht en gehandeld. Dit geldt voor staten, bedrijven, beroepsgroepen en voor individuele burgers. Dit gaat gepaard met een toenemende gebruik van ICT, vervlechting van de publieke en private sector (PPS) en toenemende professionalisering. Economische, sociale en deels ook politieke relaties krijgen daarmee een meer horizontaal karakter, waarmee ook het karakter van besluitvorming verandert. Autonome besluitvorming (DAD: Decide, Announce, Defend) maakt plaats voor onderhandelen (DDD: Dialogue, Decide, Deliver).5 PPS De grenzen tussen de publieke en private sector verschuiven. Op tal van terreinen die vroeger tot het monopolie van de staat behoorden, is tegenwoordig sprake van een vermenging van publieke en private sector, zoals in het openbaar vervoer en de energiesector. De overheid trekt zich daarbij terug in de rol van toezichthouder die de vorming van monopolies belemmert en de kwaliteit van dienstverlening bewaakt. Ook op het terrein van het terrein van veiligheid is dit het geval, zeker in Noordwest- Europa. Verder naar het zuiden en oosten ligt dit minder voor de hand vanwege het risico van corruptie van overheidsinstellingen.6 Professionalisering Het begrip professional is niet meer beperkt tot de hoogwaardige, relatief autonome specialist (advocaat, arts, notaris, architect, etc.), maar wordt tegenwoordig ook gebruikt voor specialisten, zoals deze voorkomen in veel moderne organisaties van enige omvang. Dit brengt het risico van fragmentatie met zich mee, in en tussen organisaties. Anderzijds zijn er kansen in termen van variëteit en creativiteit. Meer en meer moet ervan uitgegaan (kunnen) worden, dat beroepsbeoefenaren als goedopgeleide, weldenkende mensen de hen toegestane handelingsruimte op een deskundige, integere wijze benutten. Niettemin is ook in de wereld van professionals een doorlopende ’normaliseringsdruk’ zichtbaar, in de betekenis van (internationale) standaarden, protocollen, kwaliteitsmethodieken, wet- en regelgeving. Internationale communities of practice kunnen hierbij een belangrijke rol spelen ( paragraaf 6.6). Wel ervaren transnationale bedrijven en instellingen dat, hoeveel er ook wordt gestandaardiseerd (genormaliseerd), steeds de historische dimensie van de landen waarin gewerkt wordt, blijft doorklinken. De mensen met wie wordt samengewerkt4 Zie bijv. Auke van der Woud (2006).5 Zie bijv. De Bruijn en Ten Heuvelhof (1999). Zie ook: box 2).6 Mogelijk is dit risico ook in Nederland groter dan verondersteld. Zie N. Kop e.a., 2007. Zie ook: Nationaal Dreigingsbeeld,KLPD 2008. 13
  12. 12. hebben hun eigen sociaal-culturele achtergrond en eigen verwachtingen ten aanzien van relaties en gedrag.7 Box 2 The rise of the network society (1996, 2000) Het begrip ‘netwerksamenleving’ is inmiddels ingeburgerd, niet in de laatste plaats door het werk van Manuel Castells. Castells schreef in de jaren negentig het driedelige werk The Information Age. Economy, Society and Culture. Deel 1 van deze trilogie, The Rise of the Network Society, is gebruikt bij de formulering van de visie op de Nederlandse politie in Politie in Ontwikkeling. Castells legt uit dat de geografie van de wereld niet alleen begrepen kan worden in termen van een ‘space of places’ en vraagt aandacht voor de kenmerken en effecten van (wereldomvattende) stromen van goederen, kapitaal, mensen, ideeën en informatie (de ‘space of flows’ ). Van oudsher is bekend dat de ontwikkeling van plaatsen alleen begrepen kan worden vanuit de functie die de plaats heeft in een wijdere omgeving. Plaatsen ontstonden op de kruising van handelswegen, langs kusten of bij de oversteekplaatsen van rivieren. Meer dan ooit geldt dat bij de verklaring of voorspelling van verschijnselen rekening gehouden moet worden met de ‘space of flows’. In Politie in Ontwikkeling is dit geagendeerd onder de noemer ‘nodale oriëntatie’. Erkend wordt dat Nederland een centrale functie heeft in de wereld en dat er intensieve verkeersknooppunten zijn waarlangs mensen, goederen, informatie, kapitaal en ideeën passeren, over wegen, waterwegen, via luchtverbindingen, maar steeds meer ook via ICT- verbindingen. In termen van communicatie en mobiliteit zijn er weinig plaatsen op Aarde, waar zo’n intensief verkeer te zien is als in Nederland. Dit stelt eisen aan de Nederlandse politie, in termen van beleidsvoerend vermogen, vakbekwaamheid en het vermogen tot internationale samenwerking. De mogelijk minder bekende vervolgdelen van The Information Age zijn: - The Power of Identity (1997, 2004) - End of Millennium (1998, 2000).7 Zie bijv. Hofstede, 2005. En: Atlas of European Values, Halman, Luijkx en Van Zundert, 2005. Voorts vindt in het kader van hetzevende raamwerkprogramma van de EU momenteel een interessant onderzoek plaats naar ‘security ethics’ bij politie, defensieen inlichtingendiensten onder de naam In:ex ( hoofdstuk 6, box 24). 14
  13. 13. 3.2 ● Globalisering Het begrip globalisering gaat over het ontstaan en de werking van wereldomvattende relatienetwerken. Daarbij gaat het ten eerste over economische aspecten, zoals internationale handel en investeringen, het bevorderen van vrijhandel en het tegengaan van protectionisme. Belangrijke organisaties op dit terrein zijn de Wereldbank en de Wereld Handelsorganisatie (WTO). In paragraaf 3.2.1 wordt dit toegelicht. Critici wijzen op de negatieve effecten van economische globalisering, zoals armoede, milieueffecten en de schending van mensenrechten. Benadrukt wordt dat globalisering evenzeer gaat over technologie (infrastructuur, mobiliteit, communicatie), politieke aspecten (machtsverhoudingen), sociaal-culturele, demografische en ecologische aspecten. Over deze aspecten van globalisering gaat het in paragraaf 3.2.2. 3.2.1 ● Economie Ter introductie op het globaliseringsdenken wordt het recente rapport Reshaping economic geography van de Wereldbank gebruikt.8 World development Report 2009, nr. 31. Een toegankelijk rapport met tal van verhelderende illustraties. Het rapport is sterk gericht op de voorwaarden voor economische groei. Andere aspecten van globalisering (sociaal, ecologisch) krijgen relatief weinig aandacht. Gratis te downloaden op www.worldbank.org. Lange tijd werd de wereldeconomie gedomineerd door de economieën van West- Europa en Noord-Amerika. Momenteel zijn er verschuivingen aan de gang en zijn er belangrijke, opkomende economieën in Azië en Zuid-Amerika.9 In het algemeen blijkt dat het welvaartspeil behoorlijk toeneemt en dat verschillen tussen werelddelen afnemen. Binnen werelddelen zijn de verschillen echter onverminderd groot en binnen landen worden verschillen dikwijls groter. De Wereldbank ziet dit als een onvermijdbaar gevolg van ontwikkeling. Economische groei gaat nu eenmaal gepaard met concentratie van bedrijven en mensen, migratie en verstedelijking. In de steden vinden consumenten, producenten en toeleveranciers elkaar. Een verstandige overheid grijpt hierin niet te snel en niet sterk in, zo meent de Wereldbank. Pas na verloop van tijd kunnen onvermijdelijke inkomensverschillen worden afgevlakt, met het oog op basisvoorzieningen, zoals wegen, onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid8 De Wereldbank is opgericht in 1944 en gericht op het verminderen van de armoede in de wereld door duurzameontwikkeling. Dit streven is geconcretiseerd in de zgn. Millenniumdoelen (Millennium Development Goals) die per 2015 bereiktzouden moeten zijn. De Wereldbank ondersteunt landen bij het opbouwen van hun besturend vermogen, wet- en regelgevinggericht op economische ontwikkeling, financiële systemen en het tegengaan van corruptie. De organisatie is opgezet als eencoöperatie en telt 186 landen als lid.9 Recent toont dit zich in de G20 bijeenkomsten. In dit platform komen de grote (westerse) industrielanden bij elkaar(oorspronkelijk G7), tezamen met Rusland en 12 andere opkomende economieën, zoals Brazilië, India en China. Nederlandbehoort officieel niet tot de G20, maar omdat Nederland in financieel en economisch opzicht een belangrijke mondiale rol speelt(16e economie in de wereld, 9e qua financiële sector), wordt ons land wel uitgenodigd. 15
  14. 14. en nutsvoorzieningen (elektriciteit, riolering, etc.). Voor wie daar niet op wil wachten,is het een kwestie van verhuizen: naar de grote steden of naar een ander land.Natuurlijk is niet elke migrant die zich vestigt in een (grote) stad onmiddellijksuccesvol. De uitgestrekte krottenwijken in de megasteden van Azië, Afrika enLatijns-Amerika getuigen hiervan. Maar, zo stelt de Wereldbank, ook grote steden inWest-Europa en Noord-Amerika kenden ooit uitgestrekte sloppenwijken metlevensomstandigheden die slechter waren dan nu in de steden in de anderewerelddelen.Het grootste probleem, vindt de Wereldbank, is dat bepaalde delen van de wereldmoeilijk toegang hebben tot de wereldmarkt en dat de wereldhandel zich steeds meervoltrekt binnen en tussen bepaalde regio’s. Dit hangt samen met wat men ‘dikke’ en‘dunne grenzen’ noemt. Hoe dikker de grens, hoe moeilijker deze te passeren is. InWest-Europa is sprake een sterke mate van integratie. Ruim een derde deel van wathier verdiend wordt, wordt verdiend met de handel, waarvan tweederde deel binnenWest-Europa zelf. In deze regio heeft zich een enorme mate van specialisatie quaproductie en soorten dienstverlening voorgedaan, geholpen door dalende kosten vantransport en communicatie. Europa laat hiermee een opvallende paradox zien vanglobalisering: bestond tot enkele decennia geleden de wereldhandel nog voornamelijkuit vervoer over grote afstanden (grondstoffen verhandelen tegenoverindustrieproducten), tegenwoordig voltrekt het leeuwendeel van de handel zichbinnen Europa zelf. In Afrika bijvoorbeeld toont zich een totaal ander beeld. Degrenzen zijn er ‘dik’ en niet gemakkelijk te passeren. Zelfs binnen landen is sprake vantal van belemmeringen, waardoor verkeer en vervoer veel tijd en geld vergen. Dit gaatten koste van economische groei.Kaart 1. ‘Dunne’ grenzen in Europa, ‘dikke’ grenzen in Afrika. Reshaping EconomicGeography: xx, 98Wie staatkundige wereldkaarten vergelijkt, pakweg vanaf 1960, ziet bovendien dat hetaantal grenzen in de wereld fors is toegenomen. De Wereldbank berekent eenverdrievoudiging. Enerzijds door het uiteenvallen van grote koloniale rijken vanEuropese landen, zoals in Afrika, anderzijds door het uiteenvallen van de Sovjet-Unieeind jaren ’80 en kort daarop Joegoslavië. 16
  15. 15. De wereld in 3-DDe Wereldbank tekent vanuit een economisch geografisch gezichtspunt eenwereldkaart op basis van drie dimensies:- density: de mate van concentratie van bedrijven en bevolking en de mate van productiviteit, koopkracht, werkgelegenheid en welvaart die daarmee samenhangt;- distance: het gemak waarmee markten kunnen worden bereikt; de toegankelijkheid, de relatieve afstand (km/ tijd /kosten) ten opzichte van het werk, afzetgebieden, toeleveringsgebieden (grondstoffen, halffabricaten), etc.- division: de barrières die economische interactie belemmeren, veroorzaakt door verschillen in valuta, in- en uitvoerregelingen, sociaal-culturele en politieke verschillen (taal, religie, etniciteit); de mate waarin grenzen meer of minder gemakkelijk kunnen worden overschreden.De betekenis van deze drie dimensies varieert met de schaal van gebieden:- op lokale schaal is de dimensie dichtheid (density) de belangrijkste. Afstanden (distance) zijn kort en onderlinge verdeeldheid (division) doorgaans beperkt;- op de schaal van een land zal de belangrijkste dimensie veelal de afstand zijn, dat wil zeggen de afstand tot de economische kerngebieden. Het gaat dan vooral om twee punten: arbeidsmobiliteit (bereidheid tot verhuizen) en transportkosten (kwaliteit van de infrastructuur, de verbindingen). Onderlinge verdeeldheid binnen landen is meestal beperkt, maar in sommige landen is deze groot (taal, religie, etniciteit);- mondiaal gezien is de voornaamste dimensie division, hoewel dichtheid en afstand ook invloed hebben. Het meest geïntegreerd zijn de economische kerngebieden van West-Europa, Noord-Amerika en Noordoost-Azië. Daarbuiten speelt internationale verdeeldheid een grote rol.De drie dimensies leveren gecombineerd nieuwe wereldkaarten op.Kaart 2. Density, distance en division bepalen de toegang tot de wereldmarkt. ReshapingEconomic Geography: 271.De Wereldbank gebruikt de drie dimensies om economische relaties tussen landen tebeschrijven. Zo wordt de wereldmarkt in belangrijke mate bepaald door drie markten: 17
  16. 16. Europa, de Verenigde Staten en Noordoost-Azië (Japan, Zuid-Korea).10 Hoe dichter hierbij in de buurt, hoe gunstiger het is, tenzij er sprake is van moeilijk over te steken grenzen. Rijke landen bieden een gunstige markt, mits de afstand niet te groot is en er geen politieke belemmeringen zijn. Waar landen erin slagen hun grenzen ‘af te breken’, ontstaat een grotere markt wat gunstig uitwerkt voor de economische groei. Hét voorbeeld bij uitstek is de Europese Unie ( hoofdstuk 4). Sommige landen hebben een zeer eenzijdige relatie met de wereldmarkt, bijv. de olieproducerende landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Sommige landen zijn omsloten door andere landen (landlocked) en hebben om die reden een erg lastige toegang tot de wereldmarkt (Centraal-Azië, Bolivia, bepaalde landen in Afrika). Het rapport gebruikt de drie dimensies vervolgens om een eenvoudige typologie te maken van ‘vier werelden’ De kerngebieden van de wereldmarkt vormen tezamen de High Income Countries (HIC), te vinden in West-Europa, Noord-Amerika, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland en Noordoost-Azië. Kaart 3. Vier werelden op basis van ‘density, distance and division’. Reshaping Economic Geography: 272. Naast de HIC’s worden drie typen ontwikkelingsgebieden onderscheiden: - type 1: de landen die zich het dichtst bij de wereldmarkt bevinden, er relatief gemakkelijk toegang toe hebben en ook wat te bieden hebben. De wederzijdse relaties kunnen worden versterkt door handelsverdragen, arbeidsmobiliteit of natuurlijke hulpbronnen, de harmonisatie van standaarden en regelingen; - type 2: de landen die relatief ver af gelegen zijn van de kerngebieden van de wereldmarkt, maar waar wel sprake is van grote regionale afzetmarkten. De economische groei is hier relatief groot en de vooruitzichten op verdere groei gunstig, mits een aantrekkelijk investeringsklimaat voor bedrijven uit de HIC’s kan wordt geborgd en er verder gewerkt wordt aan de infrastructuur; - type 3: de landen die zich het verst van de wereldmarkt bevinden, zonder dat er sprake is van gunstige, regionale afzetmarkten. Dit zijn de arme landen met weinig perspectief: the bottom billion. Het zijn landen met weinig vooruitzichten, weinig natuurlijke hulpbronnen en die veelal geplaagd worden door conflicten. Sommige van deze landen zijn omringd door vijandige buurlanden of hebben zelf10 Het ijkpunt op kaart 2 kaart wordt gevormd door de Verenigde Staten. Hoe dichter bij de VS en hoe gemakkelijker de toegangtot de markt van de VS, hoe hoger de score (hoe groener de kleur). 18
  17. 17. te lijden van slecht bestuur. Vaak gaat het om kleine landen met een beperkte binnenlandse markt.Het rapport van de Wereldbank is gefocust op de wereldeconomie en gaat amper inop andere aspecten van globalisering. Problemen die samenhangen met ofvoortvloeien uit globalisering worden weliswaar niet ontkend, maar het rapport isvooral vanuit een positief gezichtspunt geschreven, een perspectief waarin de‘marktwerking’ uiteindelijk voor een ieder het beste is.Weinig aandacht wordt geschonken aan sociale of ecologische gevolgen. De trek naarde steden wordt bijv. vooral gezien als een kans op creativiteit, ondernemerschap eneconomische groei. Dit neemt niet weg dat er ook keerzijden zijn, zoals de socialeontwrichting, het geweld en de criminaliteit die ermee gepaard gaan. Hierondervolgen enkele andere aspecten van globalisering.3.2.2 ● Meer dan economie alleenNederland is van oudsher beïnvloed vanuit andere delen van de wereld (religie,migratie, politieke en militaire allianties, gewassen, ziekten, technologie, etc.).Ondanks deze voorbeelden (en tal van andere), leefden verreweg de meeste mensenin een ‘kleine kring’ en vond beïnvloeding overwegend indirect plaats. Vanaf de jarenzestig van de vorige eeuw veranderde dit ingrijpend. Inmiddels ervaart Nederland deinvloed van de wereldsamenleving in de meest uiteenlopende aspecten. Economischblijkt dit bijvoorbeeld uit het gemiddelde boodschappenlijstje. Zeker zo zichtbaar isdit in de media, waardoor we elke dag beelden en berichten ontvangen vanuit allerleidelen van de wereld. Ook entertainment is in hoge mate internationaal bepaald,hoewel tegelijk sterk Angelsaksisch georiënteerd. Niettemin weten we dat het geenenkel probleem is om af te stemmen op zenders vanuit Zuid-Europa, de ArabischeWereld of India.De literatuur over globalisering is zeer uitgebreid en het is niet gemakkelijk door debomen het bos te zien. Het werk van David Held et al. biedt toegankelijke enevenwichtige inleidingen op de complexe discussie over globalisering. David Held, Anthony McGrew, David Goldblatt en Jonathan Perraton benadrukken al geruime tijd het meervoudige karakter van globalisering. In 1999 verscheen hun boek Global Transformations, in de jaren erna volgden boeken met titels als Global Governance (2002), The Global Transformations Reader (2003) en Globalization Theory (2007). Zie verder een speciale site met aanverwante artikelen: www.polity.co.uk/global.De auteurs laten in hun boeken diverse wetenschappers aan het woord, geordend opdrie posities:- de hyperglobalisten: auteurs die stellen dat de wereldsamenleving vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw terecht gekomen is in een nieuw tijdperk, gekenmerkt 19
  18. 18. door een zeer sterke onderlinge verbondenheid en onvoorspelbaarheid, mogelijk gemaakt door sterk toegenomen mobiliteit en door ICT. Hiermee is een wereld ontstaan die grenzeloos is en real time functioneert. Castells ( box 2) wordt als voorbeeld genoemd. Een andere bekend voorbeeld is Thomas Friedman die stelt dat ‘afstand er niet meer toe doet’.11 De positie van natiestaten brokkelt af, volgens deze auteurs, en hun functies worden uitgehold. Nieuwe transnationale instituties zijn dan ook hard nodig. Op dit moment is de slagkracht van instituties als de Verenigde Naties echter nog te beperkt. - De sceptici: auteurs die stellen dat globalisering sterk overdreven wordt, dat de positie van natiestaten helemaal niet afbrokkelt en dat er eigenlijk niet meer aan de hand is dan dat er naast West-Europa en Noord- Amerika (‘het Westen’) nog twee andere economische kerngebieden opkomen (Oost- Azië en Zuid- Amerika). De politieke invloed van natiestaten op de wereldsamenleving is onverminderd groot, ook al wordt er meer dan vroeger samengewerkt. Sceptici zien globalisering overwegend als een politiek en economisch verschijnsel. - Tussen beide posities in worden auteurs geplaatst die oog hebben voor transformatie: economisch, politiek, sociaal, cultureel, technologisch en ecologisch en die dit bovendien plaatsen in een breder perspectief van verandering: historisch en geografisch. Hoewel David Held en zijn collega auteurs zichzelf rekenen tot de derde categorie, stimuleren zij het debat over globalisering door de drie onderscheiden posities gelijkelijk aan bod te laten komen in hun boeken en zoveel mogelijk de feiten te laten spreken. In tegenstelling tot de hyperglobalisten plaatsen Held et. al. de werkelijke breuk met het verleden (en het begin van een nieuw tijdperk) halverwege de 19e eeuw in plaats van een ruime eeuw later. En zelfs voor 1850 was er al sprake van globalisering (‘thin globalization’). Door de sterke verbetering van de infrastructuur en transportmiddelen breekt hierna de periode van het imperialisme aan, door Held et. al. aangeduid als ‘thick globalization’. David Held et. al. definiëren globalisering als volgt: Globalization can be thought of as a process (or set of processes) which embodies a transformation in the spatial organization of social relations and transactions – assessed in terms of their extensity, intensity, velocity and impact – generating transcontinental or interregional flows and networks of activity, interaction, and the exercise of power. De vier genoemde centrale variabelen zijn daarmee: - het geografische bereik van mondiale netwerken - de intensiteit van de relaties en transacties - de snelheid waarmee ideeën, informatie, personen, goederen en kapitaal zich verplaatsen over de wereld - de effecten van mondiale relaties en transacties op meer lokale omstandigheden. Deze vier variabelen zijn van belang bij vergelijkend onderzoek, in tijd en ruimte. De aandacht kan daarbij uitgaan naar zeer uiteenlopende verschijnselen als: lange afstandshandel, kapitaalstromen, politieke en militaire allianties, migratie, culturele beïnvloeding via de taal, religie, technieken, infrastructuur, media, maar ook invloeden in termen van gezondheid, ziekten, gewassen, het milieu, klimaatverandering, en natuurlijk ook thema’s waar de politie beroepshalve mee te maken heeft, zoals drugs, mensenhandel, wapenhandel, e.d. ( paragraaf 3.2.3).11 Onder andere schreef hij het boek “The World is Flat: A Brief History of the twentieth century (2005)”. Zie ook box 3. 20
  19. 19. Een beknopte Nederlandstalige inleiding op het globaliseringdebat is te vinden in het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis (TESG, 2007-3; vrijelijk te downloaden www.tseg.nl/2007-3 ). In dit themanummer wordt het werk van Held et. al. als uitgangspunt genomen en toegepast op onderwerpen als: globalisering, geschiedenis en ruimte; transcontinentale migratie in de loop van de wereldgeschiedenis; Amerikanisering (door velen gezien als hetzelfde als globalisering) en de betekenis van infrastructuur (als voorziening en in het gebruik ervan).Een auteur die globalisering op een historische en geografische wijze analyseert, is desociologe Saskia Sassen. Deze Amerikaanse auteur publiceerde in 2006 hetindrukwekkende boek Territory, Authority and Rights. Sassen slaagt erin om met eensober begrippenapparaat de enorme complexiteit van de globalisering te analyseren.Op overtuigende wijze laat ze zien hoe de natiestaat weliswaar van karakterverandert, maar dat deze zeker niet inboet aan belang. Wel bestaat volgens Sassen hetrisico dat de rechten van burgers (en in bredere zin: mensenrechten) van minderbelang worden en dat de invloed van nationale parlementen achteruit gaat. Het is nietzo dat natiestaten te kampen hebben met een verbrokkelde positie en uitholling vanfuncties, uitzonderingen daargelaten (failed states,  paragraaf 5.4). Soms is dit inbepaalde opzichten het geval, maar staten zijn niet passief en slagen er ook in hetinitiatief terug te pakken, al dan niet met de hulp van andere staten ( paragraaf5.4.2, security system reform). Overheden zijn zeer belangrijke spelers op hetwereldtoneel en hebben unieke mogelijkheden die anderen niet hebben (wet- enregelgeving, territorium, geweldsmonopolie, belasting). Naast staten dragenvanzelfsprekend ook bedrijven, steden, sociale bewegingen en individuen bij aanglobalisering. Princeton University Press, 2006. Een beknopte uitleg van het begrippenkader van Sassen en de mogelijke relatie met de taken van de staat op het terrein van de handhaving van de openbare orde, de opsporing en de noodhulp is te lezen in ‘Rollen van betekenis’, 2007: 21-27; 45-48. 21
  20. 20. Box 3De wereld: allesbehalve plat!De van oorsprong Nederlandse geograaf Harm de Blij (nu hoogleraar aan de MichiganState University) zet zich af tegen ‘hyperglobalisten’, zoals Thomas Friedman die in 2005het boek The World is Flat: A brief history of the twentieth century’ publiceerde. In dit boekbeweert Friedman dat de toenemende globalisering ertoe leidt dat ‘geografie er steedsminder toe doet’. Vooral het toenemend gebruik van ICT zou leiden tot ‘een plattere wereld’,in economische termen een ‘level play field’.Dit mag volgens De Blij in zekere zin waar zijn voor de ‘globals’ van de wereld, maar ditbetreft maar een zeer klein van de wereldbevolking. Deze ‘nieuwe nomaden’ bezien dewereld vanuit dure hotels in Singapore, Mumbai of Dubai, dan wel onderweg vanuit debusinessclass van American Airlines. Met ‘The Power of Place. Geography, Destiny andGlobalization’s Rough Landscape’ (2009) laat De Blij zien hoe misleidend dit wereldbeeld is.In zijn ogen worden aspecten van globalisering sterk overdreven. Zo spreekt hij van de‘mythe van de massamigratie’. Hij becijfert dat slechts 3% van de wereldbevolking woont ineen land waar men niet is geboren. Van deze 3% is bovendien slechts een zeer klein deelte beschouwen als wereldburger, de rest heeft zich als migrant (‘mobal’) elders gevestigd inde hoop op een beter leven, maar participeert in geen enkele globale activiteit. Alleen de‘globals’ bewegen zich in de ‘nodes and channels of globalization’.De plek waar iemand wordt geboren, bepaalt in hoge mate de kwaliteit van leven van dezepersoon: ‘The overwhelming majority of us die under the governmental, linguistic, religious,medical, environmental, and other circumstances into which we were born. The constrainton transnational and intercultural migration remain powerful and, in some respects, areincreasing rather than softening, roughening rather than flattening the global playing field.Place, most emphatically place of birth but also the constricted space in which the majorityof lives are lived, remains the most potent factor shaping the destinies of billions’ (id.: 136).In de ogen van De Blij gaat de moderne globaliseringsliteratuur mank aan het eenzijdigeperspectief van een kleine, welvarende en kosmopolitisch ingestelde klasse. Het overgrotedeel van de wereldbevolking heeft te maken met gigantisch veel beperkingen en heeft maarzeer weinig kansen om er aan te ontstappen (‘the power of place’). Bovendien staatglobalisering zeker niet alleen voor convergentie en integratie. In tal van gevallen is ook hetomgekeerde aan de orde. Overal ter wereld (tussen landen, binnen landen en binnensteden) zijn er voorbeelden dat de meer welgestelden hoge muren om hun bezit enprivileges bouwen. Dit brengt nieuwe risico’s met zich mee: ‘Globalization may hold the promise its proponents proclaim, but it also inevitably creates inequities that can bring out the worst in human nature. When a group of disadvantaged and disaffected rebels can converge in mountain caves and have a realistic chance of securing destructive means once monopolized by superpowers, it is time to assess the prospects’ (2009: xi). 22
  21. 21. Anti- en anders globalisten Tal van non-gouvernementele organisaties (NGO’s), maar ook allerlei losser georganiseerde bewegingen van burgers, studenten, wetenschappers, journalisten, e.d. tekenen bezwaar aan tegen een systeem van ‘ongebreidelde vrijhandel’. Zij wijzen op de schending van mensenrechten, het gebrek aan democratie, de kosten voor het milieu en het wereldklimaat en de groeiende ongelijkheid in de wereld. De eerste keer dat de wereld kennismaakte met een grootschalige protest tegen de ‘uitwassen van de wereldhandel’ was op de top van de Wereldhandelsconferentie in Seattle in 1999. Delen van het protesterend publiek richtten vernielingen aan, waarna de politie moest ingrijpen (“The battle of Seattle”). Nadien volgden tal van andere topconferenties waar demonstranten zich in grote getale lieten horen. Velen namen afstand van het gebruik van geweld. Momenteel wordt gesproken van twee stromingen: een (meer radicale, soms gewelddadige) stroming onder de noemer ‘antiglobalisten’ en een meer op dialoog gerichte stroming onder de noemer ‘anders globalisten’. Het protest van de ‘anders globalisten’ richt zich niet op globalisering op zich, maar op de manier waarop dit wordt ingevuld: de eenzijdige nadruk op economische aspecten en het negeren van andere aspecten. De ‘anders’ beweging strijdt via informatie, dialoog en vreedzaam protest naar aandacht voor de schaduwzijden van de globalisering. Daaronder bevinden zich respectabele bewegingen als Greenpeace, Oxfam (Novib) en het Wereldnatuurfonds. Steeds wordt geprobeerd met acties en via de media een tegengeluid te laten horen. Naast het Wereld Economisch Forum waar wereldleiders elkaar periodiek treffen (in Davos) is er sinds enkele jaren het Wereld Sociaal Forum van de ‘anders globalisten’. ‘Anders globalisten’ hanteren als motto: “Think Global, Act Local”. De ‘anti-‘, maar ook de ‘anders’ globaliseringsbeweging zijn typische netwerkorganisaties. Sommige deelnemers behoren tot een van de ‘harde kernen’, die ideologisch flink uit elkaar kunnen liggen; anderen doen mee als ze daarvoor de tijd hebben. Via internet- en e-mailcampagnes, maar ook via kanalen als Facebook, Myspace, Bebo en Twitter worden sympathisanten opgeroepen zich te weer te stellen tegen ongewenste aspecten van de globalisering.12 Tal van onderwerpen die de reguliere media ‘niet halen’ worden op deze manier onder de aandacht gebracht (Sassen, 2006: 369-375). Een bekende auteur die pleit voor een anders georganiseerde wereldeconomie is Naomi Klein. Naast De Shock Doctrine (2007) over de effecten van het neoliberalisme vanaf de jaren ’90, is ook het boek No Logo (2000) bekend, dat zich keert tegen de ‘merkeneconomie’.12Voorbeelden: www.aseed.net (Action for Solidarity, Environment, Equality and Diversity); http://www.avaaz.org/nl/,opgericht door Res Publica, een internationale organisatie voor burgerbelangen en door MoveOn.org, de online community enpionier op het gebied van internet campaigning in de Verenigde Staten. 23
  22. 22. Box 4 Commotie Soms is er een publicatie over de wereldsamenleving die sterk de aandacht krijgt en tot veel commotie leidt. Dit overkwam Samuel Huntington die in 1993 een geruchtmakend artikel schreef in Foreign Affairs: ‘The Clash of Civilizations?’ Later werkte hij dit artikel uit in een gelijknamig boek (1996, maar nu zonder vraagteken). Huntington reageerde op het idee van Francis Fukuyama die meende dat met de ondergang van het marxisme (en het uiteenvallen van de Sovjet Unie) het tijdperk van de grote ideologische tegenstellingen voorbij was (Fukuyama sprak van ‘het einde van de geschiedenis’). De ‘liberale democratie’ (anderen zeggen: het kapitalisme) zou voor altijd hebben gezegevierd. Voor Huntington was dit bepaald niet vanzelfsprekend. Hij stelde dat mensen wel eens zouden kunnen terugvallen op oudere, culturele verschillen waarmee de grenzen tussen ‘wij’ en ‘zij’ opnieuw gedefinieerd worden, maar nu in termen van ‘beschavingen’. De kritiek op zijn these was soms ronduit furieus. Dit was zeker het geval na de terroristische aanvallen op Amerika in september 2001. Had hij soms het anti -Westerse sentiment in de Arabische Wereld aangewakkerd of bood hij zelfs een rechtvaardiging voor dit geweld? Sloot hij mensen (individuen) hiermee niet op in een identiteit? Wat betekende dit dan voor de multiculturele samenleving? Volgens Hans Achterhuis (2008) is deze kritiek onterecht.13 Huntington heeft volgens Achterhuis juist gewezen op risico’s en tal van aanbevelingen gedaan om geweldpotentieel in te tomen. Ook onderstreept Achterhuis dat Huntington zich van meet af aan keerde tegen de invasie in Irak. Achterhuis stelt dat critici van Huntington een idee hanteren dat de ‘moderne, westerse samenleving’ universeel aan het worden is, een wereldwijde beschaving. Maar, zo stelt Achterhuis in navolging van Huntington, de westerse samenleving is slechts één specifieke beschaving met eigen kernmerken en belangen. Wie zich niet met deze beschaving identificeert of geïdentificeerd wordt, ziet zichzelf als ‘anders’ of wordt zo bezien. Daarmee is de ander niet noodzakelijk een ‘vijand’, hij kan heel wel een ‘partner’ of een ‘zakenvriend’ zijn, maar in de notie van het ‘anders zijn’ zit altijd de mogelijkheid besloten dat het toch ontaardt in vijandschap. Bovendien, wie steeds maar benadrukt dat ‘alle mensen broeders zijn’, dat er maar één mensheid is, dekt de realiteit toe en de enorme verschillen die er zijn in termen van macht, belangen, rijk en arm, etc. (zie ook het commentaar van De Blij  box 3).13Hans Achterhuis. “Met alle geweld”, 2008. Zie met name de pagina’s 315-317; 383-384; 388-391; 397 en 471. Huntington dachtzelf overigens vooral in termen van geopolitieke verhoudingen, en sprak niet of nauwelijks over spanningen in multiculturelesamenlevingen of over religieus geïnspireerd terrorisme, zoals zich dat ontwikkelde in latere jaren. Hij voorzag met nameconflicthaarden in gebieden waar ‘oude beschavingen’ aan elkaar grenzen. 24
  23. 23. 3.2.3 ● Een derde van de wereldhandel onwettig Zeker een derde van de wereldhandel moet als onwettig beschouwd worden. Deze stelling betrekt Moisés Naím in het boek: Illicit. How smugglers, traffickers and copycats are hijacking the global economy (2005), dat een jaar later vertaald werd in het Nederlands onder de titel ‘Crimineel maar winstgevend’. Volgens Naím is de wereld sedert de jaren ’90 van de vorige eeuw in politiek, economisch en technologisch opzicht ingrijpend veranderd. Opvattingen over vrijhandel werden dominant en overheden trokken zich terug op hun kerntaken. De consequentie is dat niet alleen de legale wereldeconomie floreert, maar ook de illegale. Er wordt gehandeld in wapens, drugs, mensen, intellectueel eigendom en zwart geld (de vijf grote bedrijfstakken), maar daarnaast ook in dieren, menselijke organen, afval, kunst en antiek, en wat al niet meer.14 Illegale handel is lucratief omdat er vraag is naar bepaalde goederen en diensten en het aanbod door (internationale) wet- en regelgeving tot op zekere hoogte aan banden is gelegd. Handhaving is doorgaans relatief beperkt en de mazen van het net zijn groot. Hoe moreel verwerpelijk bepaalde vormen van handel ook mogen zijn, Naím meent dat hier dezelfde economische inzichten van toepassing zijn, als bij legale handelspraktijken. Pas als je er zo naar kijkt, is effectieve bestrijding mogelijk. Daarbij moeten volgens Naím drie punten in het oog worden gehouden: - illegale handel mag dan van alle tijden zijn, door globalisering en nieuwe technologie is de omvang ervan enorm toegenomen. - de internationale politiek en economie worden meer dan ooit beïnvloed door mensen en organisaties die hun macht te danken hebben aan illegale handel; handel die zich meer en meer, net als de legale economie, in (onnavolgbare) netwerken voltrekt. - de grens tussen legaal en illegaal is vaag (moreel, politiek) en moeilijk te trekken, laat staan te handhaven. Meer en meer dringt de onderwereld door in de bovenwereld. Dat bestrijding van illegale handel niet gemakkelijk is, is overduidelijk, zeker niet in internationaal verband. Een belangrijk aspect is dat het bestrijdingsapparaat van overheden gefragmenteerd is, tussen landen onderling, maar ook qua thematiek. Daar komt bij dat er ook buiten de overheid om organisaties zijn ontstaan die bepaalde vormen van illegale handel bestrijden. Zo zijn er onderzoeksjournalisten actief en niet- gouvernementele organisaties (NGO ’s) die bijv. kinderprostitutie, mensenhandel of illegaal dumpen van afval aan de kaak stellen. Daarnaast hebben bedrijven en14 In het Tijdschrift voor de Politie van oktober 2007 gaat William Bratton, de politiechef van Los Angelos, ook in op dezethematiek. Voor een belangrijk deel baseert hij zich op het werk van Naím, maar verbindt hieraan ook een programma voor depolitie: meer samenwerking met andere law enforcement organisaties in binnen- en buitenland (‘we must break our habit ofindependence’). Met name de relatie tussen Illicit Trade en terrorisme baart hem zorgen. In de Verenigde Staten krijgt deze zorgvorm in de oprichting van het International Organized Crime Policy Coordinating Committee (IOCPCC). 25
  24. 24. brancheorganisaties speciale voorzieningen opgezet ter bestrijding van bijv. de handel in imitatieproducten. Criminelen blijken meer en meer van vele markten thuis. Ze bewegen mee met de vraag, het aanbod en de te verwachten winstmarges en bedrijfsrisico’s. Ten onrechte denken mensen nog steeds dat het gaat om het oprollen van grote, hiërarchisch geleide criminele organisaties. Feitelijk is de illegale handel net zo in netwerken georganiseerd als de legale handel. Naím erkent dat de grens tussen illegaal en legaal een kwestie van definitie is en dat landen daarin onderling aanzienlijk verschillen. Dit maakt een internationale aanpak ook niet gemakkelijker. Bovendien hebben afnemers van illegale producten en diensten er soms ook helemaal geen moreel bezwaar tegen (bijv. illegaal downloaden). Soms zijn er activiteiten die jarenlang worden gedoogd, en dan weer worden vervolgd. Internationale besluitvorming over wat er feitelijk zal worden aangepakt, vergt jaren van agendasetting en bestuurlijk overleg. Bij agendasetting, maar ook bij de aanpak van schandalige praktijken spelen in toenemende mate NGO ’s en journalisten een rol (bijv. met betrekking mensenhandel of milieucriminaliteit). Soms is er een gebeurtenis met zeer verstrekkende gevolgen, zoals de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001. Al met al lijkt het volgens Naím op dweilen met de kraan open. Als er al enige hoop gloort, dan is dat gelegen in de versterking van overheidsfuncties in de ‘geopolitieke zwarte gaten’ van de wereldsamenleving, plaatsen waar overheden zwak of corrupt zijn en die eerder participeren in criminele activiteiten, dan deze bestrijden.1515 Naím sluit hier aan op de redenering van Francis Fukuyama in zijn: State-building: Governance and World Order in de Twenty-first Century, 2004. Voor een korte bespreking hiervan zie: Rollen van betekenis, 2007: 14-18. Internationaal beleid onder denoemer Security System Reform sluit hier op aan ( paragraaf 5.4.2). 26
  25. 25. 3.3 ● Inzoomen, uitzoomen en vice versa Internationalisering en globalisering zijn veelomvattende begrippen die staan voor algemene processen die hun invloed in grote delen van de wereld laten gelden. Deze processen worden beschreven en tot op zekere hoogte ook verklaard vanuit sociale wetenschappen, zoals de economie, politieke wetenschappen of international relations. Gegeven de aard van deze disciplines is daarbij ook een bepaald focus aan de orde (economische ontwikkeling, machtsverhoudingen, diplomatie, e.d.). Daarnaast zijn geografische en historische referentiekaders en benaderingen van belang. Er wordt verschillend gedacht over de betekenis en impact van internationalisering en globalisering. Dit blijkt uit het werk van Held et. al. en De Blij ( box 3). De beide begrippen roepen een besef op dat er een veelomvattende samenhang aan de orde is. Om verschijnselen hier en nu op een adequate manier te begrijpen (en aan te pakken), is begrip van de ruimere context van belang. Als blijkt dat een gebeurtenis niet op zichzelf staat, maar onderdeel uitmaakt van een patroon van gebeurtenissen, kan op een andere, mogelijk meer adequate manier gereageerd worden. Om samenhang op het spoor te komen, is het van belang om te kunnen ‘uitzoomen en inzoomen’, zoals bij: - het gebruik van begrippen (algemene concepten / theorieën versus specifieke, contextgebonden begrippen); - interpretatie in termen van algemene principes versus specifieke belangen; - een ruimtelijke, geografische benadering (lokaal, globaal en alles wat er tussen zit; ‘losse gebeurtenissen’ en ruimtelijke patronen) en - een historische benadering (‘losse gebeurtenissen’ in het licht van historische patronen, doorlopende processen en ‘breuken met het verleden’16). Hoe verder er wordt uitgezoomd, hoe generieker het verhaal. Hoe meer er wordt ingezoomd, hoe specifieker het verhaal. De geografie en de geschiedenis dragen in belangrijke mate bij aan de vergelijkende studie van aspecten van globalisering. Beide wetenschappen hebben qua studieobject te maken met eenzelfde complexiteit van thema’s als nu begrepen wordt onder de noemer globalisering. Door specifieke vragen te stellen over het ‘waar’ en ‘wanneer’ wordt de geldigheid van uitspraken bezien. Om te kunnen voldoen aan het motto ‘Think global, act local’17, dient het vermogen te kunnen inzoomen op een bepaalde plek of een specifieke casus, hand in hand te gaan met het vermogen uit te kunnen zoomen naar kenmerken van grotere gebieden, patronen en generieke thema’s. In de volgende hoofdstukken wordt een aanzet gegeven tot dit afwisselend inzoomen en uitzoomen. In hoofdstuk 5 wordt gekeken naar de betekenis van internationalisering en globalisering voor het overheidsbeleid met betrekking tot safety and security en in hoofdstuk 6 gaat het over de doorwerking in de politieprofessie, wat dit vraagt aan competenties en hoe het politieonderwijs daaraan bijdraagt. Daarna worden in hoofdstuk 7 lessen getrokken met het oog op de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs. Eerst wordt echter in hoofdstuk 4 stilgestaan bij de stapsgewijze eenwording van Europa.16 Historische perioden worden onderscheiden op basis van breukvlakken. Sassen spreekt over ‘tipping points’: omslagpunten inde geschiedenis, waardoor en waarna een transformatie definitief doorzet. Zie: Rollen van betekenis, 2007: 22-23.17 Bij de Nederlandse politie geagendeerd als: ‘Tussen wijk en wereld’. Zie ook: Nederland is klein, denk groot. Blauwe denkersover internationale politiesamenwerking. School voor politieleiderschap, april 2008. 27
  26. 26. 28
  27. 27. 4 ● Europa De Wereldbank noemt Europa een toonbeeld van succesvolle economische integratie (Reshaping Economic Geography: 122 e.v.). Een bijzondere constatering, gegeven de geschiedenis van vele onderlinge twisten en oorlogen. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd een koers ingeslagen van dialoog en economische samenwerking vanuit de overtuiging dat er geen betere garantie is voor vrede dan gedeelde welvaart. Weliswaar heeft Europa geen krachtig machtspolitiek imago; economisch en sociaal gesproken is het een succesvol model gebleken.18 Om de aandacht voor Europa beter te borgen in het onderwijs, zijn er voorstellen om te komen tot een ‘canon’. Na de Eerste Wereldoorlog werd een poging ondernomen om te komen tot een wereldomvattend platform voor dialoog en vrede in de vorm van de Volkenbond (League of Nations). Helaas lukte het niet om veel slagkracht te ontwikkelen in dit verband en een Tweede Wereldoorlog kon er niet mee worden voorkomen. In 1946 werd de Volkenbond ontbonden en een nieuwe organisatie opgericht: de Verenigde Naties ( paragraaf 5.4). In 1949 werd de Raad van Europa opgericht en in 1952 de voorloper van de huidige Europese Unie: de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), o.a. door Nederland. In 1954 volgde de West-Europese Unie ( box 6) en in 1958, dichter bij huis, de Benelux.19 In dit hoofdstuk gaat de aandacht overwegend uit naar de ontwikkelingen die leidden tot de huidige Europese Unie en de stand van zaken op dit moment ( paragraaf 4.2). Daarna volgt in paragraaf 4.3 het Verdrag van Lissabon waarmee een belangrijke stap gezet is richting verdere integratie. Ontwikkelingen op het gebied van safety and security en de gezamenlijke aanpak op het terrein van Justitie en Binnenlandse Zaken komen in hoofdstuk 5 aan de orde. Om te beginnen wordt in paragraaf 4.1 kort ingegaan op enkele aspecten van de Raad van Europa waarmee het integratieproces inzette.18 In andere delen van de wereld wordt hier ook een voorbeeld aan genomen, zoals bij de samenwerking tussen landen in Azië(ASEAN), Noord-Amerika (NAFTA) en Latijns Amerika (MERCOSUR).19 Zie hoofdstuk 5, box 11. Ook diverse andere internationale verbanden, zoals de Verenigde Naties, de NAVO en de OVSEkomen aan de orde in dit hoofdstuk. 29
  28. 28. 4.1 ● Raad van Europa Het vreedzaam samenleven van natiestaten die onderlinge verschillen in inzicht en belangen via dialoog oplossen, is na de Eerste Wereldoorlog nagestreefd met de League of Nations (Volkenbond). Zoals bekend, is dit niet gelukt en volgde er een Tweede Wereldoorlog. Hierna werden nieuwe pogingen ondernomen met onder andere de oprichting van de Raad van Europa (1949). Momenteel telt de Raad van Europa 47 lidstaten, waarvan 22 lidstaten in Centraal- en Oost-Europa. Daarnaast is er een lidmaatschapsaanvraag van Wit-Rusland. De Raad van Europa is gevestigd in Straatsburg. In het kader van de Raad zijn ongeveer 200 bindende Europese verdragen gesloten op uiteenlopende terreinen als mensenrechten, de strijd tegen de georganiseerde misdaad (bijv. cybercrime), voorkoming van foltering, gegevensbescherming, maar ook culturele samenwerking. Na het uiteenvallen van het Oostblok en de Sovjet-Unie heeft de Raad van Europa een nieuw politiek mandaat gekregen, dat geformaliseerd is op de Top van Wenen (1993). Overeengekomen is dat de Raad de rol vervult van ‘hoeder van de democratische veiligheid, gebaseerd op de rechten van de mens, de democratie en de rechtsstaat’. De Raad van Europa ondersteunt de landen in Centraal- en Oost-Europa bij het parallel uitvoeren van economische hervormingen en versterken van politieke, wettelijke en grondwettelijke hervormingen. Via de Raad stellen andere landen expertise beschikbaar op het gebied van mensenrechten, lokale democratie, politie en justitie, onderwijs, cultuur en milieu. Vanaf 1997 is het werk van de Raad van Europa geordend in vier gebieden: democratie en mensenrechten, sociale cohesie, veiligheid van de burgers en democratische kernwaarden en culturele verscheidenheid. Vanaf 1999 heeft de Raad van Europa de Group of States against Corruption ingesteld (GRECO). Via monitoring en peer pressure bevordert de GRECO de toepassing van anticorruptie- standaarden die de lidstaten van de Raad van Europa zijn overeengekomen. De ervaring leert dat evaluatierapporten en aanbevelingen een belangrijk effect hebben.20 Op dit moment participeren 45 Europese staten in GRECO, alsmede de Verenigde Staten. Recent heeft de Raad actie ondernomen met betrekking de zgn. ‘war on terror’ die volgde op de aanslagen in de Verenigde Staten in september 2001. Naar het oordeel van de Raad hebben de Europese landen zich veel te gemakkelijk laten meeslepen en zijn er maatregelen genomen die fundamentele waarden en mensenrechten schaden. Het is tijd dat de landen hun eigen gedrag onder de loep nemen en zichzelf gaan corrigeren op deze punten, zo stelt Thomas Hammarberg, de mensenrechten- commissaris van de Raad van Europa.21 Op 19 oktober 2009 sprak de recent gekozen secretaris generaal van de Raad, Thorbjørn Jagland, op de EU-conferentie “Towards Global EU Action against Trafficking in Human Beings”. Van meet af aan heeft de bestrijding van mensenhandel een20 In oktober 2005 leidde een GRECO- rapport over Nederland tot aanbevelingen met betrekking tot het politieonderwijs, opverzoek van het ministerie van BZK opgesteld door de Politieonderwijsraad.21 http://www.coe.int/t/commissioner/Viewpoints/090316_en.asp. 30
  29. 29. belangrijke prioriteit gevormd van de Raad van Europa en zijn er belangrijke verdragen gesloten op dit punt ( paragraaf 5.3.4). Afgelopen jaar trok de Raad van Europa samen op met de Verenigde Naties bij een onderzoek naar de internationale handel in organen. Het afstaan van organen en ander menselijk weefsel gebeurt niet altijd vrijwillig. Vooral buiten Europa komt het voor dat mensen onder dwang of tegen forse betaling weefsel of organen afstaan voor medische doeleinden. Zo is vijf tot tien procent van de jaarlijks 68.000 nierdonoren wereldwijd uitgebuit, volgens het rapport. Onder andere Europese patiënten profiteren hiervan. Tussenhandelaren en artsen blijken er grof geld mee te verdienen, terwijl de donoren het moeten doen met bedragen van enkele honderden tot duizenden dollars. Zelfs komt het voor dat artsen ‘oogsten’ bij ter doodveroordeelden (China). Ook laat het rapport zien, dat er veel verschil van mening blijkt te bestaan over waar nu de grens precies getrokken zou moeten worden.22 Qua taakopdracht neemt het onderscheid tussen de EU en de Raad van Europa af, hoewel het geografisch bereik aanzienlijk blijft verschillen. Volgens secretaris generaal Jagland is de EU de belangrijkste partner van de Raad en is het van belang dat de onderlinge samenwerking verder wordt versterkt.23 Een recent voorbeeld van intensieve samenwerking betreft de oprichting van een Europees bureau voor de grondrechten (EU Grondrechtenagentschap) door de EU. Dit agentschap dat de fundamentele grondrechten van het individu dient te propageren, is aangehaakt aan het al langer bestaande Europees Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat van de Raad van Europa. In eerste instantie was hiertegen verzet aangetekend, o.a. vanuit Nederland. De kritiek spitste zich toe op de onafhankelijkheid van het agentschap, maar ook op de mogelijk overlap met de Raad van Europa, dat meer lidstaten telt, dan de EU. De oplossing is gevonden door de Raad van Europa een plek te geven in het bestuur van het agentschap. Afgesproken is dat het agentschap zich beperkt tot de EU zelf en gebruik maakt van de beschikbare informatie van NGO’s via het Fundamental Rights Forum. Waar de Raad van Europa Europese mensenrechtenstandaarden ontwikkelt, zal het EU Grondrechtenagentschap zich richten op de verankering van standaarden in het Europese gemeenschapsrecht.24 Nederland heeft als relatief klein land belang bij multilaterale samenwerking en effectieve internationale structuren. Hoewel de EU aan gewicht toeneemt ( paragraaf 4.2), blijft de Raad van Europa een belangrijk platform. Hetzelfde geldt voor andere samenwerkingsverbanden, zoals de Benelux ( hoofdstuk 5). De laatste jaren kan een meer kritische houding jegens het buitenland worden waargenomen en lijkt de Nederlandse overheid zich bewuster van (niet-democratische) ‘directoria in de wereld’.25 Ook wordt ingezien dat lang niet alle vraagstukken via de weg van formele besluitvorming zinvol zijn aan te pakken. Het belang van ‘transnationale netwerken van organisaties in de publieke sector, het bedrijfsleven en het maatschappelijke middenveld’ is groot.2622 Trouw, 16 oktober 2009. Zie ook de site van het Global Observatory on Donation and Transplantation, onderdeel van de WorldHealth Organization, WHO ( paragraaf 5.3.4).23 Ontmoeting met Jose Manuel Durao Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie op 19 oktober 2009. “The EuropeanUnion is the Council of Europe’s most important institutional partner at both political and technical levels. We are working together inorder to strengthen the European common legal space, and to build a coherent system of fundamental rights’ protection, focusing on ourbenchmarks for human rights, the rule of law, and democracy in the entire European continent”, stelde Jagland bij deze ontmoeting.24 In 2011 zal in Nederland het Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens (NIRM) van start gaan. Hierin zal deCommissie gelijke behandeling zijn opgenomen. De ministerraad heeft dit in juni 2009 besloten.25 Zoals de VS of de onderonsjes tussen de grote EU -lidstaten. Zie: Bot, 2006. Zie ook: Staat van de Europese Unie 2009-2010: 7.26 Zie: Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN. Adviesraad Internationale Vraagstukken, 2005 (www.aiv-advies.nl).Zie ook: Den Boer, 2004. 31
  30. 30. 4.2 ● Europese Unie In de EU zijn stap voor stap diverse overheidstaken en -verantwoordelijkheden verschoven van de nationale staten naar de Europese Commissie. De invloed van de Europese Unie op Nederland wordt steeds duidelijker, zoals blijkt uit het verdwijnen van de grenscontroles, het vrije verkeer van goederen en mensen, het toenemende belang van de besluitvorming in ‘Brussel’ en de invoering van de euro. De autonomie van de Nederlandse staat neemt navenant af. Wat overigens niet wil zeggen, zo stelt Sassen (2006), dat daarmee ook de invloed van de Nederlandse overheid afneemt. Door een proactieve houding en een duidelijke wil het gemeenschappelijke beleid vorm en inhoud te geven, kan de invloed van Nederland vele malen groter zijn, dan de relatieve omvang van ons land suggereert. Echter, ook het omgekeerde kan het geval zijn als nationale overheden zich weinig inspannen op het Europese toneel.27 In de komende jaren staat de EU voor de taak om op bepaalde terreinen het beleidsvoerend vermogen te verdiepen en tegelijkertijd scherp te letten op mogelijkheden tot decentralisatie. Wat overgelaten kan worden aan de lidstaten, lagere overheden of aan ‘de markt’, moet daar worden aangepakt. Waar mogelijk, zal gezocht worden naar het terugleggen van verantwoordelijkheden van de EU naar de lidstaten zelf. Een terrein dat hiervoor in aanmerking komt is de landbouw. Terreinen waar daarentegen een verdere verdieping noodzakelijk is, zijn veiligheid, het vermogen tot effectief optreden in relatie tot landen buiten de Unie en de concurrentiepositie van Europa in de wereld.28 Desmond Dinan, Palgrave Macmillan. London, 2004. Een veel gebruikt boek in binnen- en buitenlandse universitaire opleidingen over de geschiedenis van de Europese integratie. Een citaat: “Because it lacks conventional heroics, the history of the EU often seems dull and dry (…) Yet, as this book shows, the making of the EU combines idealism and ideological struggles , the initiative and political entrepreneurship of strong individuals, national interests and international relations, and institutional design and bureaucratic intrigue. (…) As a result, the European Union is a regional integration unlike any other, with unprecedented economic and political authority. Understanding the EU is fundamental to understanding Europe today, and understanding EU history is fundamental to understanding the EU.” (p. 10-11).27 Tal van bedrijven en instellingen hebben dit goed in de gaten en investeren in netwerken ter beïnvloeding van debesluitvorming en om er vervolgens weer zo adequaat mogelijk op te reageren. De EU erkent dit ook. De Europese Commissiehoudt een vrijwillig register bij van belangenvertegenwoordigers. Zij wil daarmee het publiek informeren over dezebelangengroepen en hoeveel deze hierin investeren. Ook het Europees parlement houdt een dergelijke lijst bij.Vertegenwoordigers van organisaties die het Parlement regelmatig bezoeken moeten om accreditatie verzoeken en beloven degedragscode van het Parlement na te leven. Zie: www.europa.eu/lobbyists/interest_representative_registers/index_nl.html.De Nederlandse politie streeft een eigen vertegenwoordiger in Brussel na, maar ontbeert tot op heden instemming vanuit debeide politiedepartementen ( hoofdstuk 5).28 In het algemeen zijn bij het bepalen van de verhouding tussen centraal en decentraal twee begrippen aan de orde: (1)subsidiariteit: hogere instanties moeten niet iets doen wat ook door lagere instanties kan worden afgehandeld; (2)proportionaliteit: initiatieven, regels en wetten moeten in overeenstemming zijn (evenredig zijn) met de benodigde actie. Nietminder, maar ook niet meer. 32

×