Zichtopinternationalisering
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Like this? Share it with your network

Share
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
2,571
On Slideshare
2,571
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
1
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. ZICHT OP INTERNATIONALISERING Signaleringsrapportage“As the world becomes more thoroughly interconnected economically and politically, as people move about in unforeseen, only partially controllable, and increasingly massive, ways, and as new lines are drawn and old ones erased, the catalogue of available identifications expands, contracts, changes shape, ramifies, involutes, and develops.” Clifford Geertz, in his Available Light (2000). Chapter XI, p. 225. 3
  • 2. 4
  • 3. Inhoud 1 Inleiding 7 2 Politieonderwijsraad 9 3 Internationalisering en globalisering 11 3.1 ● Internationalisering als modernisering 3.2 ● Globalisering 3.2.1 ● Economie 3.2.2 ● Meer dan economie alleen 3.2.3 ● Een derde van de wereldhandel onwettig 3.3 ● Inzoomen, uitzoomen en vice versa 4 Europa 29 4.1 ● Raad van Europa 4.2 ● Europese Unie 4.3 ● Verdrag van Lissabon 5 Internationale politiesamenwerking 41 5.1 ● Een mondiale veiligheidsagenda 5.1.1 ● Multilateraal en multidisciplinair 5.1.2 ● Contouren van een agenda 5.2 ● Samenwerking in grensstreken 5.2.1 ● Politiesamenwerking in Nederlandse grensstreken 5.3 ● Samenwerking in de EU 5.3.1 ● Ruimte voor Vrijheid, Veiligheid en Rechtvaardigheid 5.3.2 ● Het Stockholm Programma 2010-2014 5.3.3 ● Uitvoeringsorganisaties 5.3.4 ● EU veiligheidsagenda: prioriteiten 5.4 ● Kracht, bereik en integriteit 5.4.1 ● Sterke en zwakke staten 5.4.2 ● Politietaken OVSE en VN 5.5 ● Over ‘nabij’ en ‘veraf’: een model 6 Internationalisering en de Nederlandse politieprofessie 73 6.1 ● De normaalste zaak van de wereld? 6.1.1 ● Samenwerking in het kader van de Europese Unie 6.1.2 ● Rechtshulp en informatie-uitwisseling 6.1.3 ● Landenbeleid 6.1.4 ● Onderwijs en ontwikkeling 6.2 ● Nationaal dreigingsbeeld en programma’s aanpak georganiseerde criminaliteit 6.3 ● Competenties gevraagd 6.3.1 ● Een rollenmodel 6.3.2 ● Competenties: generiek en specifiek 6.4 ● Opleiding en loopbaan 6.4.1 ● Rollen en beroepsprofielen 6.4.2 ● Internationalisering van het loopbaanbeleid 6.5 ● Wetenschap, technologie en de kennisfunctie van de Politieacademie 6.6 ● Een internationale community of practice? 7 Bijdrage aan de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs 99Bijlagen 103 1 Gesignaleerde adviezen en rapporten van Nederlandse adviesorganen en onderzoeksinstellingen, 2007-2009 2 Geraadpleegde literatuur en websites 3 Overzicht kaarten en tekstboxen 5
  • 4. 6
  • 5. 1 ● Inleiding In het najaar van 2009 zijn belangrijke besluiten genomen. Naast de ratificatie van het Verdrag van Lissabon (incl. de bepalingen over politie en justitie) zijn er onder Zweeds voorzitterschap nieuwe doelen en activiteiten bepaald voor politie en justitie in de periode 2010-2014 (het Stockholm Programma). Bovendien is duidelijk dat internationale werk- en leercontacten op het terrein van veiligheid gaandeweg verder intensiveren. In het voorjaar van 2005 stelde de Politieonderwijsraad voor het eerst een nota vast over internationalisering en politieonderwijs. Deze nota werd eind 2006 geactualiseerd ter voorbereiding van een panelbespreking over dit thema in februari 2007. Eind dat jaar volgde ‘Rollen van betekenis. Over de internationale oriëntatie van het politieonderwijs en het opleiden voor een rol in of in directe relatie met het buitenland’. Inmiddels zijn we twee jaar verder en blijkt een nieuwe verkenning nuttig, waarbij gekeken is naar zowel recente wetenschappelijke publicaties als praktijkontwikkelingen van de laatste jaren. De opbouw van Zicht op Internationalisering is als volgt. De Politieonderwijsraad heeft als adviesorgaan en afstemmingsplatform de taak bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van het politieonderwijs en daarbij rekening te houden met ontwikkelingen in internationaal verband. Hoe de Raad dat doet, is te lezen in hoofdstuk 2 van deze rapportage. Een global mindset is van belang om adequaat te kunnen schakelen tussen ‘wijk en wereld’. Hoofdstuk 3 bevat een korte inleiding op relevante basisbegrippen. Onder andere een recent rapport van de Wereldbank biedt hiervoor een kapstok. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de multilaterale samenwerking tussen staten in Europa. Specifieke aandacht wordt geschonken aan het Verdrag van Lissabon. Hoofdstuk 5 gaat over internationale samenwerking op het terrein van veiligheid. Er toont zich een mondiale safety and security agenda. Deze sluit vrijwel naadloos aan op die van ons eigen land en die van de EU. Wat betreft internationale samenwerking wordt in dit hoofdstuk een onderscheid gemaakt tussen landen die politiek- bestuurlijk en juridisch sterk verwant zijn met Nederland en landen waarvoor dat niet of in veel mindere mate geldt. Hoofdstuk 6 gaat in op de doorwerking van het voorgaande in de politieprofessie. Welke agenda is hier aan de orde? Wat vraagt dit van de competenties van politiemedewerkers? Wat betekent dit voor de politieopleidingen? Is er een internationale community of practice in ontwikkeling? Actueel is de vraag naar de doorwerking van internationalisering bij de herijking van de beroeps- en kwalificatieprofielen politieonderwijs. In hoofdstuk 7 worden tenslotte de voornaamste thema’s op een rij gezet met het oog op de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs. In de bijlagen is een overzicht opgenomen van recente adviezen en rapporten van Nederlandse adviesorganen en onderzoeksinstellingen (2007-2009). 7
  • 6. 8
  • 7. 2 ● Politieonderwijsraad De Politieonderwijsraad is het adviesorgaan van de beide politieministers met betrekking tot de verdere ontwikkeling van het politieonderwijs. In de wettelijke taakopdracht van de Raad is aandacht voor internationale ontwikkelingen specifiek benoemd (art. 20 wet politieonderwijs). De Politieonderwijsraad heeft zijn taken in een reeks van functies uitgelegd: signaleren  attenderen  agenderen  onderzoeken  monitoren  afwegen  adviseren. Zicht op Internationalisering staat vooral in het teken van de signalerings- en attenderingsfunctie. Hoofdstuk 7 heeft echter een agenderend karakter. Een zeker overzicht van de impact van internationalisering op de politieorganisatie en de politieprofessie is vanzelfsprekend van groot belang voor de actualisering van het politieonderwijs en de ontwikkelingsagenda die daartoe wordt gehanteerd. Dit vindt bij voortduring plaats waar het gaat om leeractiviteiten en leermiddelen. Zodra actualisering een meer structurele aanpassing vergt, raakt dit de ‘architectuur’ van het samenhangend stelsel van politieonderwijs: (initiële en postinitiële) beroepsprofielen, diploma’s (kwalificaties) en kernopgaven. Panelbespreking Begin 2007 organiseerde de Politieonderwijsraad een panelbespreking over internationale politiesamenwerking. Hieronder volgen de hoofdpunten uit deze bespreking.1 De bespreking begint met een stand van zaken. Het proces van internationalisering van het politieonderwijs loopt. Er zijn nuttige bouwstenen gemaakt en er worden relevante activiteiten uitgevoerd, onder andere door de School voor Politieleiderschap. Of Nederland hiermee ook een voorhoedepositie bekleedt, moet worden betwijfeld. Er moet nog veel verbeterd en geïntensiveerd worden, zowel qua beleid als de feitelijke onderwijspraktijk. Nog teveel staat internationalisering apart van het reguliere politiewerk en politieonderwijs. Het belang wordt nog teveel met de mond beleden en de doorwerking is te beperkt. Internationalisering wordt eerder als probleem gezien, dan als uitdaging en nog te vaak wordt Europa geassocieerd met ‘meer werk, politiek en juridisch gezeur’. Hoe kan een meer proactieve, enthousiaste en coöperatieve houding gevormd worden? Internationale competenties moeten vroeg in het (initiële) opleidingsprogramma aangeleerd worden en voor een ieder gelden. Elke nieuw opgeleide politiemedewerker zou een ‘internationale ambassadeur voor de Nederlandse politie’ moeten zijn. Internationale kennis en competenties zouden benoemd en erkend moeten worden. Binnen opleidingen zou gedifferentieerd moeten kunnen worden richting een internationaal / Europees competentieprofiel. De internationale component moet op elk kennisdomein worden verankerd, beter dan internationalisering als apart onderwerp te beschouwen. Docenten moeten zich meer bewust worden van hun rol bij internationalisering (‘teach the teacher’). De Politieacademie zou een soort canon kunnen maken met betrekking tot internationalisering. Het Politie Kennisnet bevat wel relevante informatie, maar is nog te encyclopedisch ingericht. Leerboeken die de kennis op het gebied van internationalisering bundelen, zijn hard nodig.1 De inleiding werd verzorgd door Monica den Boer (VU/ Politieacademie). Voor een uitgebreider verslag zie: Bijdrage aan deontwikkelingsagenda. Politieonderwijsraad, september 2007. In deze rapportage is de directe relatie gelegd met het herijken vande beroepsprofielen dat plaatsvindt in de jaren 2008-2010 (pg. 81-85). 9
  • 8. In de panelbespreking kwamen de volgende thema’s aan bod: 1. Visie op internationalisering Er ontwikkelt zich wel een visie van de Nederlandse politie op internationalisering; wat ontbreekt is een bijpassend actieplan (doelen, activiteiten, mensen, middelen;  paragraaf 6.1). Internationale kennis en ervaring zou meer gewaardeerd moeten worden, dan nu het geval is. 2. Kennis Elke agent hoort over internationale basiskennis te beschikken (normen, waarden; internationale uitvoeringsorganisaties, relevante verdragen en regelgeving). Diepgaande thematische kennis, bijvoorbeeld over mensenhandel, is relevant voor specialisten; niet elke agent hoeft alles te weten. De gemiddelde diender moet zo opgeleid worden dat hij ‘bewust onbekwaam’ is. Hij moet weten waar en wanneer hij vragen moet stellen, alvorens tot actie over te gaan. De transfer van buitenlandse inzichten en praktijken moet structureel gebeuren, waarbij goed opgelet wordt dat deze niet altijd één op één overdraagbaar zijn. Omgekeerd moet Nederland zich meer inspannen om Nederlandse expertise over te dragen aan het buitenland. 3. Politieonderwijs Het politieonderwijs moet zich proactief opstellen. Als het politieonderwijs zich alleen oriënteert op het bestaande takenpakket van politieambtenaren, loopt de opleiding automatisch achter. De omgeving verandert sterker en sneller, dan de politieorganisatie. Proactief politieonderwijs vereist dat men een beeld heeft wat onder internationalisering verstaan wordt. Bij het bepalen van de koers moet niet alleen naar buitenlandse politie gekeken worden, maar ook naar andere partners in veiligheid. Bij het opleiden voor internationale competenties moeten local and global geïntegreerd worden; het gaat om een internationale manier van denken. Daarbij moet de beheersing van de moderne vreemde talen niet vergeten worden. Bijscholing is continu nodig, regels veranderen snel. Ook CEPOL kan hieraan bijdragen. Een belangrijke verankering moet plaatsvinden in de beroepsprofielen die binnenkort worden herijkt. De panelbespreking van februari 2007 is te beschouwen als het begin van een meerjarig traject van bezinning op de internationaliseringsagenda van het politieonderwijs. Deels vindt dit plaats binnen de boezem van de Politieacademie, deels in het kader van de Politieonderwijsraad.2 Zicht op internationalisering beoogt hieraan een bijdrage te leveren. In hoofdstuk 7 is deze bijdrage samengevat.2 Wat betreft de Politieonderwijsraad, zie o.a. het project Herijking beroepsprofielen waarover in september 2009 isgerapporteerd door de Raad. Wat betreft de Politieacademie, zie o.a. het recente rapport Burgers Eisen Beter Blauw (juni 2009).Ook onderdelen van de visienota De normaalste zaak van de wereld hebben hierop betrekking ( paragraaf 6.1). 10
  • 9. 3 ● Internationalisering en globalisering Dit hoofdstuk bevat een summiere inleiding op veelomvattende vraagstukken van internationalisering en globalisering. Waar staan deze begrippen voor? Wordt de wereld steeds ‘platter’, zoals sommigen beweren, of worden de verschillen juist groter? Onmiskenbaar is dat er licht- én schaduwzijden zijn te noemen. Geografisch gesproken staat het begrip internationalisering voor het (vanzelfsprekende) gegeven dat er natiestaten zijn met onderlinge relaties. Deze vanzelfsprekendheid wordt versterkt doordat allerlei data verzameld worden door en op basis van administratieve eenheden (landen, provincies, steden, etc.). De misleidende gedachte kan ontstaan dat staten daarmee ook in alle gevallen de meest logische insteek vormen bij onderzoek en onderwijs, ook waar deze zich richten op de internationale politiesamenwerking. In het begrip ‘globalisering’ wordt de aandacht verlegd naar relatiepatronen die zich niet veel aantrekken van staatsgrenzen, of het nu gaat om economische, sociale, culturele of ecologische aspecten. Economisch gesproken is Nederland als handelsnatie al eeuwenlang sterk op het buitenland georiënteerd. De invloed van het buitenland op de Nederlandse samenleving bleef echter lang beperkt. Pas in de tweede helft van de 20e eeuw raakt de Nederlandse samenleving doordrenkt met internationale aspecten (immigratie, media, toerisme). Inmiddels werken tal van Nederlanders gedurende korte of langere tijd in het buitenland of volgen daar (onderdelen van) een studie. Omdat het bedrijfsleven meer dan ooit vervlochten is geraakt met economieën in het buitenland, is internationale uitwisseling van geld, goederen, informatie én menselijk kapitaal nog nooit zo groot geweest als nu het geval is. De toenemende vervlechting met andere delen van de wereld roept ook tegenreacties op. Zo neemt in Nederland de waardering voor de eigen (lokale) geschiedenis, cultuur en streektaal toe. Sedert enkele jaren kent ons land een historische canon en ook komt er een nationaal historisch museum. Anderzijds hebben migranten in ons land, dankzij de informatisering, meer dan vroeger de mogelijkheid de eigen cultuur en het eigen land van herkomst in ere te houden. De complexe situatie die hieruit volgt, wordt geduid met het begrip ‘glocalisering’, een samentrekking van globalisering en lokalisering. In paragraaf 3.1 wordt internationalisering besproken als een vorm van modernisering, naast andere aspecten als individualisering, informatisering, informalisering en intensivering. Het Sociaal Cultureel Planbureau introduceerde in 2004 de inmiddels populair geworden noemer van de ‘5 i’s’. Daarnaast zijn andere aspecten van modernisering van belang, zoals normalisering en professionalisering. Paragraaf 3.2 gaat over globalisering. Dit wordt hier opgevat als een verzameling van gevarieerde en deels onvoorspelbare processen van transformatie. Deze processen zijn al eeuwenlang werkzaam en worden door zowel de geschiedenis als de geografie in kaart gebracht. In paragraaf 3.3 wordt het belang van dit hoofdstuk samengevat als het vermogen om afwisselend te kunnen inzoomen en uitzoomen: Think global, act local. 11
  • 10. 3.1 ● Internationalisering als modernisering Het Sociaal Cultureel Planbureau karakteriseert internationalisering als een vorm van modernisering. Tezamen met aspecten als individualisering, informalisering, informatisering en intensivering spreekt het SCP van de 5 i’s. De vijf genoemde aspecten hangen onderling nauw samen, in ieder geval in de ‘westerse wereld’. De 5 i’s werken niet voor iedereen en op elke plaats in dezelfde mate door. Er zijn verschillen naar onderscheiden categorieën burgers (leeftijd, opleiding, werk, etniciteit) en er zijn grote geografische verschillen. Landen en regio’s verschillen van elkaar, omdat de betreffende processen later op gang kwamen of voor een deel nog moeten komen en omdat het tempo van de modernisering verschilt. Dit, gevoegd bij de (soms zeer grote) verschillen in uitgangssituatie, (belemmerende) structuren en instituties en tegenbewegingen, maakt internationale samenwerking tot een complexe aangelegenheid. Box 1 Modernisering: 5 i’s Individualisering Veroorzaakt door gestegen opleidingsniveaus, toegenomen welvaart, emancipatie en afgenomen sociale controle  meer behoefte aan ‘maatwerk’ (sociale zekerheid, zorg, onderwijs, arbeidsvoorwaarden). Minder hiërarchie in sociale relaties, meer nadruk op ‘ketens en netwerken’ en ‘relationele voorwaarden voor succes’. Paradoxaal: grotere roep om meer formele controle en strengere sancties. Informalisering Meer egalitaire omgangsvormen (aanspreektitels bijv.), informele kleding (‘casual’). Privatisering en verpersoonlijking van formele functies. Maatschappelijke organisaties verlenen steeds meer op ‘professionele basis’ diensten en opereren in relatief losse netwerken met een geringe gelaagdheid  nieuwe problemen voor de overheid  teveel formalisering = ‘bureaucratie’; te veel informalisering = ‘gedogen’ (en maatschappelijke risico’s). Informatisering ICT leidt tot enorme beschikbaarheid van ‘informatie’, ongeacht tijd en plaats en tot nieuwe problemen m.b.t. weging van de kwaliteit ervan en nieuwe zorgen m.b.t. toegenomen kwetsbaarheid (sabotage, stroomuitval, terrorisme en informatiebederf; nieuwe vormen van ‘cybercriminaliteit’). En: nieuwe mogelijkheden m.b.t. beveiliging en opsporing. Bedrijven: e - commerce; overheden e -government. Intensivering Nieuw hedonisme: toegenomen behoeften aan ontspanning, belevenis, beleving, emotie en gevoel. Heeft ‘normatieve werking’. Paradoxaal is het instrumentele karakter van de collectieve beleving (popconcerten, Koninginnedag, voetbalwedstrijden, etc.). Overgevoeligheid voor persoonlijke krenkingen, psychologisering van de onderlinge verhoudingen. Staat haaks op doelen van algemeen belang en het nemen van verantwoordelijkheid. Internationalisering Meer invloed vanuit buitenland op de eigen samenleving. Tegelijk nemen verschillen tussen samenlevingen af door media, toerisme, wereldwijde verspreiding van producten en diensten van multinationals, activiteiten van NGO’s als Greenpeace en het gebruik van de Engelse taal als wereldomvattende lingua franca. Intensivering wereldhandel gaat gepaard met verspreiding en acceptatie van democratische grondbeginselen (stemrecht, mensenrechten). Welvaartstoename in bepaalde delen van de wereld en goedkopere communicatie - en vervoerstechnieken stimuleren internationalisering. Internationalisering gaat veelal gepaard met migratie en groeiende diversiteit.33 Zie: Multiculturaliteit en politieonderwijs, Politieonderwijsraad, februari 2008 en Aspecten van multiculturaliteit, bijdrage aande ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs, Politieonderwijsraad juni 2008. 12
  • 11. Normalisering en diversiteit Een vitaal aspect van modernisering dat minder goed tot uitdrukking komt in de 5 i’s staat bekend als normalisering. Modernisering gaat al eeuwenlang hand in hand met een grote mate van normalisering op technologisch en economisch gebied.4 Deze kracht is nog steeds zeer actueel. De digitale revolutie die vanaf de jaren ’80 de wereld ingrijpend veranderde, kon alleen plaatsvinden door standaardisatie en protocollisering. Bij de Nederlandse politie toont zich dit in de ordening van bedrijfsprocessen en op het terrein van de informatievoorziening. Paradoxaal is dat ten gevolge van migratie en individualisering er in ons land grotere verschillen op sociaal-cultureel, religieus en politiek gebied bestaan dan ooit. Bovendien is deze diversiteit ten gevolge van de moderne verbindingsmiddelen (mobiliteit, ICT) veel minder dan vroeger territoriaal gebonden. Normalisatie en toenemende diversiteit gaan daarmee hand in hand. Internationale netwerken Verder wordt er steeds meer in termen van netwerken gedacht en gehandeld. Dit geldt voor staten, bedrijven, beroepsgroepen en voor individuele burgers. Dit gaat gepaard met een toenemende gebruik van ICT, vervlechting van de publieke en private sector (PPS) en toenemende professionalisering. Economische, sociale en deels ook politieke relaties krijgen daarmee een meer horizontaal karakter, waarmee ook het karakter van besluitvorming verandert. Autonome besluitvorming (DAD: Decide, Announce, Defend) maakt plaats voor onderhandelen (DDD: Dialogue, Decide, Deliver).5 PPS De grenzen tussen de publieke en private sector verschuiven. Op tal van terreinen die vroeger tot het monopolie van de staat behoorden, is tegenwoordig sprake van een vermenging van publieke en private sector, zoals in het openbaar vervoer en de energiesector. De overheid trekt zich daarbij terug in de rol van toezichthouder die de vorming van monopolies belemmert en de kwaliteit van dienstverlening bewaakt. Ook op het terrein van het terrein van veiligheid is dit het geval, zeker in Noordwest- Europa. Verder naar het zuiden en oosten ligt dit minder voor de hand vanwege het risico van corruptie van overheidsinstellingen.6 Professionalisering Het begrip professional is niet meer beperkt tot de hoogwaardige, relatief autonome specialist (advocaat, arts, notaris, architect, etc.), maar wordt tegenwoordig ook gebruikt voor specialisten, zoals deze voorkomen in veel moderne organisaties van enige omvang. Dit brengt het risico van fragmentatie met zich mee, in en tussen organisaties. Anderzijds zijn er kansen in termen van variëteit en creativiteit. Meer en meer moet ervan uitgegaan (kunnen) worden, dat beroepsbeoefenaren als goedopgeleide, weldenkende mensen de hen toegestane handelingsruimte op een deskundige, integere wijze benutten. Niettemin is ook in de wereld van professionals een doorlopende ’normaliseringsdruk’ zichtbaar, in de betekenis van (internationale) standaarden, protocollen, kwaliteitsmethodieken, wet- en regelgeving. Internationale communities of practice kunnen hierbij een belangrijke rol spelen ( paragraaf 6.6). Wel ervaren transnationale bedrijven en instellingen dat, hoeveel er ook wordt gestandaardiseerd (genormaliseerd), steeds de historische dimensie van de landen waarin gewerkt wordt, blijft doorklinken. De mensen met wie wordt samengewerkt4 Zie bijv. Auke van der Woud (2006).5 Zie bijv. De Bruijn en Ten Heuvelhof (1999). Zie ook: box 2).6 Mogelijk is dit risico ook in Nederland groter dan verondersteld. Zie N. Kop e.a., 2007. Zie ook: Nationaal Dreigingsbeeld,KLPD 2008. 13
  • 12. hebben hun eigen sociaal-culturele achtergrond en eigen verwachtingen ten aanzien van relaties en gedrag.7 Box 2 The rise of the network society (1996, 2000) Het begrip ‘netwerksamenleving’ is inmiddels ingeburgerd, niet in de laatste plaats door het werk van Manuel Castells. Castells schreef in de jaren negentig het driedelige werk The Information Age. Economy, Society and Culture. Deel 1 van deze trilogie, The Rise of the Network Society, is gebruikt bij de formulering van de visie op de Nederlandse politie in Politie in Ontwikkeling. Castells legt uit dat de geografie van de wereld niet alleen begrepen kan worden in termen van een ‘space of places’ en vraagt aandacht voor de kenmerken en effecten van (wereldomvattende) stromen van goederen, kapitaal, mensen, ideeën en informatie (de ‘space of flows’ ). Van oudsher is bekend dat de ontwikkeling van plaatsen alleen begrepen kan worden vanuit de functie die de plaats heeft in een wijdere omgeving. Plaatsen ontstonden op de kruising van handelswegen, langs kusten of bij de oversteekplaatsen van rivieren. Meer dan ooit geldt dat bij de verklaring of voorspelling van verschijnselen rekening gehouden moet worden met de ‘space of flows’. In Politie in Ontwikkeling is dit geagendeerd onder de noemer ‘nodale oriëntatie’. Erkend wordt dat Nederland een centrale functie heeft in de wereld en dat er intensieve verkeersknooppunten zijn waarlangs mensen, goederen, informatie, kapitaal en ideeën passeren, over wegen, waterwegen, via luchtverbindingen, maar steeds meer ook via ICT- verbindingen. In termen van communicatie en mobiliteit zijn er weinig plaatsen op Aarde, waar zo’n intensief verkeer te zien is als in Nederland. Dit stelt eisen aan de Nederlandse politie, in termen van beleidsvoerend vermogen, vakbekwaamheid en het vermogen tot internationale samenwerking. De mogelijk minder bekende vervolgdelen van The Information Age zijn: - The Power of Identity (1997, 2004) - End of Millennium (1998, 2000).7 Zie bijv. Hofstede, 2005. En: Atlas of European Values, Halman, Luijkx en Van Zundert, 2005. Voorts vindt in het kader van hetzevende raamwerkprogramma van de EU momenteel een interessant onderzoek plaats naar ‘security ethics’ bij politie, defensieen inlichtingendiensten onder de naam In:ex ( hoofdstuk 6, box 24). 14
  • 13. 3.2 ● Globalisering Het begrip globalisering gaat over het ontstaan en de werking van wereldomvattende relatienetwerken. Daarbij gaat het ten eerste over economische aspecten, zoals internationale handel en investeringen, het bevorderen van vrijhandel en het tegengaan van protectionisme. Belangrijke organisaties op dit terrein zijn de Wereldbank en de Wereld Handelsorganisatie (WTO). In paragraaf 3.2.1 wordt dit toegelicht. Critici wijzen op de negatieve effecten van economische globalisering, zoals armoede, milieueffecten en de schending van mensenrechten. Benadrukt wordt dat globalisering evenzeer gaat over technologie (infrastructuur, mobiliteit, communicatie), politieke aspecten (machtsverhoudingen), sociaal-culturele, demografische en ecologische aspecten. Over deze aspecten van globalisering gaat het in paragraaf 3.2.2. 3.2.1 ● Economie Ter introductie op het globaliseringsdenken wordt het recente rapport Reshaping economic geography van de Wereldbank gebruikt.8 World development Report 2009, nr. 31. Een toegankelijk rapport met tal van verhelderende illustraties. Het rapport is sterk gericht op de voorwaarden voor economische groei. Andere aspecten van globalisering (sociaal, ecologisch) krijgen relatief weinig aandacht. Gratis te downloaden op www.worldbank.org. Lange tijd werd de wereldeconomie gedomineerd door de economieën van West- Europa en Noord-Amerika. Momenteel zijn er verschuivingen aan de gang en zijn er belangrijke, opkomende economieën in Azië en Zuid-Amerika.9 In het algemeen blijkt dat het welvaartspeil behoorlijk toeneemt en dat verschillen tussen werelddelen afnemen. Binnen werelddelen zijn de verschillen echter onverminderd groot en binnen landen worden verschillen dikwijls groter. De Wereldbank ziet dit als een onvermijdbaar gevolg van ontwikkeling. Economische groei gaat nu eenmaal gepaard met concentratie van bedrijven en mensen, migratie en verstedelijking. In de steden vinden consumenten, producenten en toeleveranciers elkaar. Een verstandige overheid grijpt hierin niet te snel en niet sterk in, zo meent de Wereldbank. Pas na verloop van tijd kunnen onvermijdelijke inkomensverschillen worden afgevlakt, met het oog op basisvoorzieningen, zoals wegen, onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid8 De Wereldbank is opgericht in 1944 en gericht op het verminderen van de armoede in de wereld door duurzameontwikkeling. Dit streven is geconcretiseerd in de zgn. Millenniumdoelen (Millennium Development Goals) die per 2015 bereiktzouden moeten zijn. De Wereldbank ondersteunt landen bij het opbouwen van hun besturend vermogen, wet- en regelgevinggericht op economische ontwikkeling, financiële systemen en het tegengaan van corruptie. De organisatie is opgezet als eencoöperatie en telt 186 landen als lid.9 Recent toont dit zich in de G20 bijeenkomsten. In dit platform komen de grote (westerse) industrielanden bij elkaar(oorspronkelijk G7), tezamen met Rusland en 12 andere opkomende economieën, zoals Brazilië, India en China. Nederlandbehoort officieel niet tot de G20, maar omdat Nederland in financieel en economisch opzicht een belangrijke mondiale rol speelt(16e economie in de wereld, 9e qua financiële sector), wordt ons land wel uitgenodigd. 15
  • 14. en nutsvoorzieningen (elektriciteit, riolering, etc.). Voor wie daar niet op wil wachten,is het een kwestie van verhuizen: naar de grote steden of naar een ander land.Natuurlijk is niet elke migrant die zich vestigt in een (grote) stad onmiddellijksuccesvol. De uitgestrekte krottenwijken in de megasteden van Azië, Afrika enLatijns-Amerika getuigen hiervan. Maar, zo stelt de Wereldbank, ook grote steden inWest-Europa en Noord-Amerika kenden ooit uitgestrekte sloppenwijken metlevensomstandigheden die slechter waren dan nu in de steden in de anderewerelddelen.Het grootste probleem, vindt de Wereldbank, is dat bepaalde delen van de wereldmoeilijk toegang hebben tot de wereldmarkt en dat de wereldhandel zich steeds meervoltrekt binnen en tussen bepaalde regio’s. Dit hangt samen met wat men ‘dikke’ en‘dunne grenzen’ noemt. Hoe dikker de grens, hoe moeilijker deze te passeren is. InWest-Europa is sprake een sterke mate van integratie. Ruim een derde deel van wathier verdiend wordt, wordt verdiend met de handel, waarvan tweederde deel binnenWest-Europa zelf. In deze regio heeft zich een enorme mate van specialisatie quaproductie en soorten dienstverlening voorgedaan, geholpen door dalende kosten vantransport en communicatie. Europa laat hiermee een opvallende paradox zien vanglobalisering: bestond tot enkele decennia geleden de wereldhandel nog voornamelijkuit vervoer over grote afstanden (grondstoffen verhandelen tegenoverindustrieproducten), tegenwoordig voltrekt het leeuwendeel van de handel zichbinnen Europa zelf. In Afrika bijvoorbeeld toont zich een totaal ander beeld. Degrenzen zijn er ‘dik’ en niet gemakkelijk te passeren. Zelfs binnen landen is sprake vantal van belemmeringen, waardoor verkeer en vervoer veel tijd en geld vergen. Dit gaatten koste van economische groei.Kaart 1. ‘Dunne’ grenzen in Europa, ‘dikke’ grenzen in Afrika. Reshaping EconomicGeography: xx, 98Wie staatkundige wereldkaarten vergelijkt, pakweg vanaf 1960, ziet bovendien dat hetaantal grenzen in de wereld fors is toegenomen. De Wereldbank berekent eenverdrievoudiging. Enerzijds door het uiteenvallen van grote koloniale rijken vanEuropese landen, zoals in Afrika, anderzijds door het uiteenvallen van de Sovjet-Unieeind jaren ’80 en kort daarop Joegoslavië. 16
  • 15. De wereld in 3-DDe Wereldbank tekent vanuit een economisch geografisch gezichtspunt eenwereldkaart op basis van drie dimensies:- density: de mate van concentratie van bedrijven en bevolking en de mate van productiviteit, koopkracht, werkgelegenheid en welvaart die daarmee samenhangt;- distance: het gemak waarmee markten kunnen worden bereikt; de toegankelijkheid, de relatieve afstand (km/ tijd /kosten) ten opzichte van het werk, afzetgebieden, toeleveringsgebieden (grondstoffen, halffabricaten), etc.- division: de barrières die economische interactie belemmeren, veroorzaakt door verschillen in valuta, in- en uitvoerregelingen, sociaal-culturele en politieke verschillen (taal, religie, etniciteit); de mate waarin grenzen meer of minder gemakkelijk kunnen worden overschreden.De betekenis van deze drie dimensies varieert met de schaal van gebieden:- op lokale schaal is de dimensie dichtheid (density) de belangrijkste. Afstanden (distance) zijn kort en onderlinge verdeeldheid (division) doorgaans beperkt;- op de schaal van een land zal de belangrijkste dimensie veelal de afstand zijn, dat wil zeggen de afstand tot de economische kerngebieden. Het gaat dan vooral om twee punten: arbeidsmobiliteit (bereidheid tot verhuizen) en transportkosten (kwaliteit van de infrastructuur, de verbindingen). Onderlinge verdeeldheid binnen landen is meestal beperkt, maar in sommige landen is deze groot (taal, religie, etniciteit);- mondiaal gezien is de voornaamste dimensie division, hoewel dichtheid en afstand ook invloed hebben. Het meest geïntegreerd zijn de economische kerngebieden van West-Europa, Noord-Amerika en Noordoost-Azië. Daarbuiten speelt internationale verdeeldheid een grote rol.De drie dimensies leveren gecombineerd nieuwe wereldkaarten op.Kaart 2. Density, distance en division bepalen de toegang tot de wereldmarkt. ReshapingEconomic Geography: 271.De Wereldbank gebruikt de drie dimensies om economische relaties tussen landen tebeschrijven. Zo wordt de wereldmarkt in belangrijke mate bepaald door drie markten: 17
  • 16. Europa, de Verenigde Staten en Noordoost-Azië (Japan, Zuid-Korea).10 Hoe dichter hierbij in de buurt, hoe gunstiger het is, tenzij er sprake is van moeilijk over te steken grenzen. Rijke landen bieden een gunstige markt, mits de afstand niet te groot is en er geen politieke belemmeringen zijn. Waar landen erin slagen hun grenzen ‘af te breken’, ontstaat een grotere markt wat gunstig uitwerkt voor de economische groei. Hét voorbeeld bij uitstek is de Europese Unie ( hoofdstuk 4). Sommige landen hebben een zeer eenzijdige relatie met de wereldmarkt, bijv. de olieproducerende landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Sommige landen zijn omsloten door andere landen (landlocked) en hebben om die reden een erg lastige toegang tot de wereldmarkt (Centraal-Azië, Bolivia, bepaalde landen in Afrika). Het rapport gebruikt de drie dimensies vervolgens om een eenvoudige typologie te maken van ‘vier werelden’ De kerngebieden van de wereldmarkt vormen tezamen de High Income Countries (HIC), te vinden in West-Europa, Noord-Amerika, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland en Noordoost-Azië. Kaart 3. Vier werelden op basis van ‘density, distance and division’. Reshaping Economic Geography: 272. Naast de HIC’s worden drie typen ontwikkelingsgebieden onderscheiden: - type 1: de landen die zich het dichtst bij de wereldmarkt bevinden, er relatief gemakkelijk toegang toe hebben en ook wat te bieden hebben. De wederzijdse relaties kunnen worden versterkt door handelsverdragen, arbeidsmobiliteit of natuurlijke hulpbronnen, de harmonisatie van standaarden en regelingen; - type 2: de landen die relatief ver af gelegen zijn van de kerngebieden van de wereldmarkt, maar waar wel sprake is van grote regionale afzetmarkten. De economische groei is hier relatief groot en de vooruitzichten op verdere groei gunstig, mits een aantrekkelijk investeringsklimaat voor bedrijven uit de HIC’s kan wordt geborgd en er verder gewerkt wordt aan de infrastructuur; - type 3: de landen die zich het verst van de wereldmarkt bevinden, zonder dat er sprake is van gunstige, regionale afzetmarkten. Dit zijn de arme landen met weinig perspectief: the bottom billion. Het zijn landen met weinig vooruitzichten, weinig natuurlijke hulpbronnen en die veelal geplaagd worden door conflicten. Sommige van deze landen zijn omringd door vijandige buurlanden of hebben zelf10 Het ijkpunt op kaart 2 kaart wordt gevormd door de Verenigde Staten. Hoe dichter bij de VS en hoe gemakkelijker de toegangtot de markt van de VS, hoe hoger de score (hoe groener de kleur). 18
  • 17. te lijden van slecht bestuur. Vaak gaat het om kleine landen met een beperkte binnenlandse markt.Het rapport van de Wereldbank is gefocust op de wereldeconomie en gaat amper inop andere aspecten van globalisering. Problemen die samenhangen met ofvoortvloeien uit globalisering worden weliswaar niet ontkend, maar het rapport isvooral vanuit een positief gezichtspunt geschreven, een perspectief waarin de‘marktwerking’ uiteindelijk voor een ieder het beste is.Weinig aandacht wordt geschonken aan sociale of ecologische gevolgen. De trek naarde steden wordt bijv. vooral gezien als een kans op creativiteit, ondernemerschap eneconomische groei. Dit neemt niet weg dat er ook keerzijden zijn, zoals de socialeontwrichting, het geweld en de criminaliteit die ermee gepaard gaan. Hierondervolgen enkele andere aspecten van globalisering.3.2.2 ● Meer dan economie alleenNederland is van oudsher beïnvloed vanuit andere delen van de wereld (religie,migratie, politieke en militaire allianties, gewassen, ziekten, technologie, etc.).Ondanks deze voorbeelden (en tal van andere), leefden verreweg de meeste mensenin een ‘kleine kring’ en vond beïnvloeding overwegend indirect plaats. Vanaf de jarenzestig van de vorige eeuw veranderde dit ingrijpend. Inmiddels ervaart Nederland deinvloed van de wereldsamenleving in de meest uiteenlopende aspecten. Economischblijkt dit bijvoorbeeld uit het gemiddelde boodschappenlijstje. Zeker zo zichtbaar isdit in de media, waardoor we elke dag beelden en berichten ontvangen vanuit allerleidelen van de wereld. Ook entertainment is in hoge mate internationaal bepaald,hoewel tegelijk sterk Angelsaksisch georiënteerd. Niettemin weten we dat het geenenkel probleem is om af te stemmen op zenders vanuit Zuid-Europa, de ArabischeWereld of India.De literatuur over globalisering is zeer uitgebreid en het is niet gemakkelijk door debomen het bos te zien. Het werk van David Held et al. biedt toegankelijke enevenwichtige inleidingen op de complexe discussie over globalisering. David Held, Anthony McGrew, David Goldblatt en Jonathan Perraton benadrukken al geruime tijd het meervoudige karakter van globalisering. In 1999 verscheen hun boek Global Transformations, in de jaren erna volgden boeken met titels als Global Governance (2002), The Global Transformations Reader (2003) en Globalization Theory (2007). Zie verder een speciale site met aanverwante artikelen: www.polity.co.uk/global.De auteurs laten in hun boeken diverse wetenschappers aan het woord, geordend opdrie posities:- de hyperglobalisten: auteurs die stellen dat de wereldsamenleving vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw terecht gekomen is in een nieuw tijdperk, gekenmerkt 19
  • 18. door een zeer sterke onderlinge verbondenheid en onvoorspelbaarheid, mogelijk gemaakt door sterk toegenomen mobiliteit en door ICT. Hiermee is een wereld ontstaan die grenzeloos is en real time functioneert. Castells ( box 2) wordt als voorbeeld genoemd. Een andere bekend voorbeeld is Thomas Friedman die stelt dat ‘afstand er niet meer toe doet’.11 De positie van natiestaten brokkelt af, volgens deze auteurs, en hun functies worden uitgehold. Nieuwe transnationale instituties zijn dan ook hard nodig. Op dit moment is de slagkracht van instituties als de Verenigde Naties echter nog te beperkt. - De sceptici: auteurs die stellen dat globalisering sterk overdreven wordt, dat de positie van natiestaten helemaal niet afbrokkelt en dat er eigenlijk niet meer aan de hand is dan dat er naast West-Europa en Noord- Amerika (‘het Westen’) nog twee andere economische kerngebieden opkomen (Oost- Azië en Zuid- Amerika). De politieke invloed van natiestaten op de wereldsamenleving is onverminderd groot, ook al wordt er meer dan vroeger samengewerkt. Sceptici zien globalisering overwegend als een politiek en economisch verschijnsel. - Tussen beide posities in worden auteurs geplaatst die oog hebben voor transformatie: economisch, politiek, sociaal, cultureel, technologisch en ecologisch en die dit bovendien plaatsen in een breder perspectief van verandering: historisch en geografisch. Hoewel David Held en zijn collega auteurs zichzelf rekenen tot de derde categorie, stimuleren zij het debat over globalisering door de drie onderscheiden posities gelijkelijk aan bod te laten komen in hun boeken en zoveel mogelijk de feiten te laten spreken. In tegenstelling tot de hyperglobalisten plaatsen Held et. al. de werkelijke breuk met het verleden (en het begin van een nieuw tijdperk) halverwege de 19e eeuw in plaats van een ruime eeuw later. En zelfs voor 1850 was er al sprake van globalisering (‘thin globalization’). Door de sterke verbetering van de infrastructuur en transportmiddelen breekt hierna de periode van het imperialisme aan, door Held et. al. aangeduid als ‘thick globalization’. David Held et. al. definiëren globalisering als volgt: Globalization can be thought of as a process (or set of processes) which embodies a transformation in the spatial organization of social relations and transactions – assessed in terms of their extensity, intensity, velocity and impact – generating transcontinental or interregional flows and networks of activity, interaction, and the exercise of power. De vier genoemde centrale variabelen zijn daarmee: - het geografische bereik van mondiale netwerken - de intensiteit van de relaties en transacties - de snelheid waarmee ideeën, informatie, personen, goederen en kapitaal zich verplaatsen over de wereld - de effecten van mondiale relaties en transacties op meer lokale omstandigheden. Deze vier variabelen zijn van belang bij vergelijkend onderzoek, in tijd en ruimte. De aandacht kan daarbij uitgaan naar zeer uiteenlopende verschijnselen als: lange afstandshandel, kapitaalstromen, politieke en militaire allianties, migratie, culturele beïnvloeding via de taal, religie, technieken, infrastructuur, media, maar ook invloeden in termen van gezondheid, ziekten, gewassen, het milieu, klimaatverandering, en natuurlijk ook thema’s waar de politie beroepshalve mee te maken heeft, zoals drugs, mensenhandel, wapenhandel, e.d. ( paragraaf 3.2.3).11 Onder andere schreef hij het boek “The World is Flat: A Brief History of the twentieth century (2005)”. Zie ook box 3. 20
  • 19. Een beknopte Nederlandstalige inleiding op het globaliseringdebat is te vinden in het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis (TESG, 2007-3; vrijelijk te downloaden www.tseg.nl/2007-3 ). In dit themanummer wordt het werk van Held et. al. als uitgangspunt genomen en toegepast op onderwerpen als: globalisering, geschiedenis en ruimte; transcontinentale migratie in de loop van de wereldgeschiedenis; Amerikanisering (door velen gezien als hetzelfde als globalisering) en de betekenis van infrastructuur (als voorziening en in het gebruik ervan).Een auteur die globalisering op een historische en geografische wijze analyseert, is desociologe Saskia Sassen. Deze Amerikaanse auteur publiceerde in 2006 hetindrukwekkende boek Territory, Authority and Rights. Sassen slaagt erin om met eensober begrippenapparaat de enorme complexiteit van de globalisering te analyseren.Op overtuigende wijze laat ze zien hoe de natiestaat weliswaar van karakterverandert, maar dat deze zeker niet inboet aan belang. Wel bestaat volgens Sassen hetrisico dat de rechten van burgers (en in bredere zin: mensenrechten) van minderbelang worden en dat de invloed van nationale parlementen achteruit gaat. Het is nietzo dat natiestaten te kampen hebben met een verbrokkelde positie en uitholling vanfuncties, uitzonderingen daargelaten (failed states,  paragraaf 5.4). Soms is dit inbepaalde opzichten het geval, maar staten zijn niet passief en slagen er ook in hetinitiatief terug te pakken, al dan niet met de hulp van andere staten ( paragraaf5.4.2, security system reform). Overheden zijn zeer belangrijke spelers op hetwereldtoneel en hebben unieke mogelijkheden die anderen niet hebben (wet- enregelgeving, territorium, geweldsmonopolie, belasting). Naast staten dragenvanzelfsprekend ook bedrijven, steden, sociale bewegingen en individuen bij aanglobalisering. Princeton University Press, 2006. Een beknopte uitleg van het begrippenkader van Sassen en de mogelijke relatie met de taken van de staat op het terrein van de handhaving van de openbare orde, de opsporing en de noodhulp is te lezen in ‘Rollen van betekenis’, 2007: 21-27; 45-48. 21
  • 20. Box 3De wereld: allesbehalve plat!De van oorsprong Nederlandse geograaf Harm de Blij (nu hoogleraar aan de MichiganState University) zet zich af tegen ‘hyperglobalisten’, zoals Thomas Friedman die in 2005het boek The World is Flat: A brief history of the twentieth century’ publiceerde. In dit boekbeweert Friedman dat de toenemende globalisering ertoe leidt dat ‘geografie er steedsminder toe doet’. Vooral het toenemend gebruik van ICT zou leiden tot ‘een plattere wereld’,in economische termen een ‘level play field’.Dit mag volgens De Blij in zekere zin waar zijn voor de ‘globals’ van de wereld, maar ditbetreft maar een zeer klein van de wereldbevolking. Deze ‘nieuwe nomaden’ bezien dewereld vanuit dure hotels in Singapore, Mumbai of Dubai, dan wel onderweg vanuit debusinessclass van American Airlines. Met ‘The Power of Place. Geography, Destiny andGlobalization’s Rough Landscape’ (2009) laat De Blij zien hoe misleidend dit wereldbeeld is.In zijn ogen worden aspecten van globalisering sterk overdreven. Zo spreekt hij van de‘mythe van de massamigratie’. Hij becijfert dat slechts 3% van de wereldbevolking woont ineen land waar men niet is geboren. Van deze 3% is bovendien slechts een zeer klein deelte beschouwen als wereldburger, de rest heeft zich als migrant (‘mobal’) elders gevestigd inde hoop op een beter leven, maar participeert in geen enkele globale activiteit. Alleen de‘globals’ bewegen zich in de ‘nodes and channels of globalization’.De plek waar iemand wordt geboren, bepaalt in hoge mate de kwaliteit van leven van dezepersoon: ‘The overwhelming majority of us die under the governmental, linguistic, religious,medical, environmental, and other circumstances into which we were born. The constrainton transnational and intercultural migration remain powerful and, in some respects, areincreasing rather than softening, roughening rather than flattening the global playing field.Place, most emphatically place of birth but also the constricted space in which the majorityof lives are lived, remains the most potent factor shaping the destinies of billions’ (id.: 136).In de ogen van De Blij gaat de moderne globaliseringsliteratuur mank aan het eenzijdigeperspectief van een kleine, welvarende en kosmopolitisch ingestelde klasse. Het overgrotedeel van de wereldbevolking heeft te maken met gigantisch veel beperkingen en heeft maarzeer weinig kansen om er aan te ontstappen (‘the power of place’). Bovendien staatglobalisering zeker niet alleen voor convergentie en integratie. In tal van gevallen is ook hetomgekeerde aan de orde. Overal ter wereld (tussen landen, binnen landen en binnensteden) zijn er voorbeelden dat de meer welgestelden hoge muren om hun bezit enprivileges bouwen. Dit brengt nieuwe risico’s met zich mee: ‘Globalization may hold the promise its proponents proclaim, but it also inevitably creates inequities that can bring out the worst in human nature. When a group of disadvantaged and disaffected rebels can converge in mountain caves and have a realistic chance of securing destructive means once monopolized by superpowers, it is time to assess the prospects’ (2009: xi). 22
  • 21. Anti- en anders globalisten Tal van non-gouvernementele organisaties (NGO’s), maar ook allerlei losser georganiseerde bewegingen van burgers, studenten, wetenschappers, journalisten, e.d. tekenen bezwaar aan tegen een systeem van ‘ongebreidelde vrijhandel’. Zij wijzen op de schending van mensenrechten, het gebrek aan democratie, de kosten voor het milieu en het wereldklimaat en de groeiende ongelijkheid in de wereld. De eerste keer dat de wereld kennismaakte met een grootschalige protest tegen de ‘uitwassen van de wereldhandel’ was op de top van de Wereldhandelsconferentie in Seattle in 1999. Delen van het protesterend publiek richtten vernielingen aan, waarna de politie moest ingrijpen (“The battle of Seattle”). Nadien volgden tal van andere topconferenties waar demonstranten zich in grote getale lieten horen. Velen namen afstand van het gebruik van geweld. Momenteel wordt gesproken van twee stromingen: een (meer radicale, soms gewelddadige) stroming onder de noemer ‘antiglobalisten’ en een meer op dialoog gerichte stroming onder de noemer ‘anders globalisten’. Het protest van de ‘anders globalisten’ richt zich niet op globalisering op zich, maar op de manier waarop dit wordt ingevuld: de eenzijdige nadruk op economische aspecten en het negeren van andere aspecten. De ‘anders’ beweging strijdt via informatie, dialoog en vreedzaam protest naar aandacht voor de schaduwzijden van de globalisering. Daaronder bevinden zich respectabele bewegingen als Greenpeace, Oxfam (Novib) en het Wereldnatuurfonds. Steeds wordt geprobeerd met acties en via de media een tegengeluid te laten horen. Naast het Wereld Economisch Forum waar wereldleiders elkaar periodiek treffen (in Davos) is er sinds enkele jaren het Wereld Sociaal Forum van de ‘anders globalisten’. ‘Anders globalisten’ hanteren als motto: “Think Global, Act Local”. De ‘anti-‘, maar ook de ‘anders’ globaliseringsbeweging zijn typische netwerkorganisaties. Sommige deelnemers behoren tot een van de ‘harde kernen’, die ideologisch flink uit elkaar kunnen liggen; anderen doen mee als ze daarvoor de tijd hebben. Via internet- en e-mailcampagnes, maar ook via kanalen als Facebook, Myspace, Bebo en Twitter worden sympathisanten opgeroepen zich te weer te stellen tegen ongewenste aspecten van de globalisering.12 Tal van onderwerpen die de reguliere media ‘niet halen’ worden op deze manier onder de aandacht gebracht (Sassen, 2006: 369-375). Een bekende auteur die pleit voor een anders georganiseerde wereldeconomie is Naomi Klein. Naast De Shock Doctrine (2007) over de effecten van het neoliberalisme vanaf de jaren ’90, is ook het boek No Logo (2000) bekend, dat zich keert tegen de ‘merkeneconomie’.12Voorbeelden: www.aseed.net (Action for Solidarity, Environment, Equality and Diversity); http://www.avaaz.org/nl/,opgericht door Res Publica, een internationale organisatie voor burgerbelangen en door MoveOn.org, de online community enpionier op het gebied van internet campaigning in de Verenigde Staten. 23
  • 22. Box 4 Commotie Soms is er een publicatie over de wereldsamenleving die sterk de aandacht krijgt en tot veel commotie leidt. Dit overkwam Samuel Huntington die in 1993 een geruchtmakend artikel schreef in Foreign Affairs: ‘The Clash of Civilizations?’ Later werkte hij dit artikel uit in een gelijknamig boek (1996, maar nu zonder vraagteken). Huntington reageerde op het idee van Francis Fukuyama die meende dat met de ondergang van het marxisme (en het uiteenvallen van de Sovjet Unie) het tijdperk van de grote ideologische tegenstellingen voorbij was (Fukuyama sprak van ‘het einde van de geschiedenis’). De ‘liberale democratie’ (anderen zeggen: het kapitalisme) zou voor altijd hebben gezegevierd. Voor Huntington was dit bepaald niet vanzelfsprekend. Hij stelde dat mensen wel eens zouden kunnen terugvallen op oudere, culturele verschillen waarmee de grenzen tussen ‘wij’ en ‘zij’ opnieuw gedefinieerd worden, maar nu in termen van ‘beschavingen’. De kritiek op zijn these was soms ronduit furieus. Dit was zeker het geval na de terroristische aanvallen op Amerika in september 2001. Had hij soms het anti -Westerse sentiment in de Arabische Wereld aangewakkerd of bood hij zelfs een rechtvaardiging voor dit geweld? Sloot hij mensen (individuen) hiermee niet op in een identiteit? Wat betekende dit dan voor de multiculturele samenleving? Volgens Hans Achterhuis (2008) is deze kritiek onterecht.13 Huntington heeft volgens Achterhuis juist gewezen op risico’s en tal van aanbevelingen gedaan om geweldpotentieel in te tomen. Ook onderstreept Achterhuis dat Huntington zich van meet af aan keerde tegen de invasie in Irak. Achterhuis stelt dat critici van Huntington een idee hanteren dat de ‘moderne, westerse samenleving’ universeel aan het worden is, een wereldwijde beschaving. Maar, zo stelt Achterhuis in navolging van Huntington, de westerse samenleving is slechts één specifieke beschaving met eigen kernmerken en belangen. Wie zich niet met deze beschaving identificeert of geïdentificeerd wordt, ziet zichzelf als ‘anders’ of wordt zo bezien. Daarmee is de ander niet noodzakelijk een ‘vijand’, hij kan heel wel een ‘partner’ of een ‘zakenvriend’ zijn, maar in de notie van het ‘anders zijn’ zit altijd de mogelijkheid besloten dat het toch ontaardt in vijandschap. Bovendien, wie steeds maar benadrukt dat ‘alle mensen broeders zijn’, dat er maar één mensheid is, dekt de realiteit toe en de enorme verschillen die er zijn in termen van macht, belangen, rijk en arm, etc. (zie ook het commentaar van De Blij  box 3).13Hans Achterhuis. “Met alle geweld”, 2008. Zie met name de pagina’s 315-317; 383-384; 388-391; 397 en 471. Huntington dachtzelf overigens vooral in termen van geopolitieke verhoudingen, en sprak niet of nauwelijks over spanningen in multiculturelesamenlevingen of over religieus geïnspireerd terrorisme, zoals zich dat ontwikkelde in latere jaren. Hij voorzag met nameconflicthaarden in gebieden waar ‘oude beschavingen’ aan elkaar grenzen. 24
  • 23. 3.2.3 ● Een derde van de wereldhandel onwettig Zeker een derde van de wereldhandel moet als onwettig beschouwd worden. Deze stelling betrekt Moisés Naím in het boek: Illicit. How smugglers, traffickers and copycats are hijacking the global economy (2005), dat een jaar later vertaald werd in het Nederlands onder de titel ‘Crimineel maar winstgevend’. Volgens Naím is de wereld sedert de jaren ’90 van de vorige eeuw in politiek, economisch en technologisch opzicht ingrijpend veranderd. Opvattingen over vrijhandel werden dominant en overheden trokken zich terug op hun kerntaken. De consequentie is dat niet alleen de legale wereldeconomie floreert, maar ook de illegale. Er wordt gehandeld in wapens, drugs, mensen, intellectueel eigendom en zwart geld (de vijf grote bedrijfstakken), maar daarnaast ook in dieren, menselijke organen, afval, kunst en antiek, en wat al niet meer.14 Illegale handel is lucratief omdat er vraag is naar bepaalde goederen en diensten en het aanbod door (internationale) wet- en regelgeving tot op zekere hoogte aan banden is gelegd. Handhaving is doorgaans relatief beperkt en de mazen van het net zijn groot. Hoe moreel verwerpelijk bepaalde vormen van handel ook mogen zijn, Naím meent dat hier dezelfde economische inzichten van toepassing zijn, als bij legale handelspraktijken. Pas als je er zo naar kijkt, is effectieve bestrijding mogelijk. Daarbij moeten volgens Naím drie punten in het oog worden gehouden: - illegale handel mag dan van alle tijden zijn, door globalisering en nieuwe technologie is de omvang ervan enorm toegenomen. - de internationale politiek en economie worden meer dan ooit beïnvloed door mensen en organisaties die hun macht te danken hebben aan illegale handel; handel die zich meer en meer, net als de legale economie, in (onnavolgbare) netwerken voltrekt. - de grens tussen legaal en illegaal is vaag (moreel, politiek) en moeilijk te trekken, laat staan te handhaven. Meer en meer dringt de onderwereld door in de bovenwereld. Dat bestrijding van illegale handel niet gemakkelijk is, is overduidelijk, zeker niet in internationaal verband. Een belangrijk aspect is dat het bestrijdingsapparaat van overheden gefragmenteerd is, tussen landen onderling, maar ook qua thematiek. Daar komt bij dat er ook buiten de overheid om organisaties zijn ontstaan die bepaalde vormen van illegale handel bestrijden. Zo zijn er onderzoeksjournalisten actief en niet- gouvernementele organisaties (NGO ’s) die bijv. kinderprostitutie, mensenhandel of illegaal dumpen van afval aan de kaak stellen. Daarnaast hebben bedrijven en14 In het Tijdschrift voor de Politie van oktober 2007 gaat William Bratton, de politiechef van Los Angelos, ook in op dezethematiek. Voor een belangrijk deel baseert hij zich op het werk van Naím, maar verbindt hieraan ook een programma voor depolitie: meer samenwerking met andere law enforcement organisaties in binnen- en buitenland (‘we must break our habit ofindependence’). Met name de relatie tussen Illicit Trade en terrorisme baart hem zorgen. In de Verenigde Staten krijgt deze zorgvorm in de oprichting van het International Organized Crime Policy Coordinating Committee (IOCPCC). 25
  • 24. brancheorganisaties speciale voorzieningen opgezet ter bestrijding van bijv. de handel in imitatieproducten. Criminelen blijken meer en meer van vele markten thuis. Ze bewegen mee met de vraag, het aanbod en de te verwachten winstmarges en bedrijfsrisico’s. Ten onrechte denken mensen nog steeds dat het gaat om het oprollen van grote, hiërarchisch geleide criminele organisaties. Feitelijk is de illegale handel net zo in netwerken georganiseerd als de legale handel. Naím erkent dat de grens tussen illegaal en legaal een kwestie van definitie is en dat landen daarin onderling aanzienlijk verschillen. Dit maakt een internationale aanpak ook niet gemakkelijker. Bovendien hebben afnemers van illegale producten en diensten er soms ook helemaal geen moreel bezwaar tegen (bijv. illegaal downloaden). Soms zijn er activiteiten die jarenlang worden gedoogd, en dan weer worden vervolgd. Internationale besluitvorming over wat er feitelijk zal worden aangepakt, vergt jaren van agendasetting en bestuurlijk overleg. Bij agendasetting, maar ook bij de aanpak van schandalige praktijken spelen in toenemende mate NGO ’s en journalisten een rol (bijv. met betrekking mensenhandel of milieucriminaliteit). Soms is er een gebeurtenis met zeer verstrekkende gevolgen, zoals de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001. Al met al lijkt het volgens Naím op dweilen met de kraan open. Als er al enige hoop gloort, dan is dat gelegen in de versterking van overheidsfuncties in de ‘geopolitieke zwarte gaten’ van de wereldsamenleving, plaatsen waar overheden zwak of corrupt zijn en die eerder participeren in criminele activiteiten, dan deze bestrijden.1515 Naím sluit hier aan op de redenering van Francis Fukuyama in zijn: State-building: Governance and World Order in de Twenty-first Century, 2004. Voor een korte bespreking hiervan zie: Rollen van betekenis, 2007: 14-18. Internationaal beleid onder denoemer Security System Reform sluit hier op aan ( paragraaf 5.4.2). 26
  • 25. 3.3 ● Inzoomen, uitzoomen en vice versa Internationalisering en globalisering zijn veelomvattende begrippen die staan voor algemene processen die hun invloed in grote delen van de wereld laten gelden. Deze processen worden beschreven en tot op zekere hoogte ook verklaard vanuit sociale wetenschappen, zoals de economie, politieke wetenschappen of international relations. Gegeven de aard van deze disciplines is daarbij ook een bepaald focus aan de orde (economische ontwikkeling, machtsverhoudingen, diplomatie, e.d.). Daarnaast zijn geografische en historische referentiekaders en benaderingen van belang. Er wordt verschillend gedacht over de betekenis en impact van internationalisering en globalisering. Dit blijkt uit het werk van Held et. al. en De Blij ( box 3). De beide begrippen roepen een besef op dat er een veelomvattende samenhang aan de orde is. Om verschijnselen hier en nu op een adequate manier te begrijpen (en aan te pakken), is begrip van de ruimere context van belang. Als blijkt dat een gebeurtenis niet op zichzelf staat, maar onderdeel uitmaakt van een patroon van gebeurtenissen, kan op een andere, mogelijk meer adequate manier gereageerd worden. Om samenhang op het spoor te komen, is het van belang om te kunnen ‘uitzoomen en inzoomen’, zoals bij: - het gebruik van begrippen (algemene concepten / theorieën versus specifieke, contextgebonden begrippen); - interpretatie in termen van algemene principes versus specifieke belangen; - een ruimtelijke, geografische benadering (lokaal, globaal en alles wat er tussen zit; ‘losse gebeurtenissen’ en ruimtelijke patronen) en - een historische benadering (‘losse gebeurtenissen’ in het licht van historische patronen, doorlopende processen en ‘breuken met het verleden’16). Hoe verder er wordt uitgezoomd, hoe generieker het verhaal. Hoe meer er wordt ingezoomd, hoe specifieker het verhaal. De geografie en de geschiedenis dragen in belangrijke mate bij aan de vergelijkende studie van aspecten van globalisering. Beide wetenschappen hebben qua studieobject te maken met eenzelfde complexiteit van thema’s als nu begrepen wordt onder de noemer globalisering. Door specifieke vragen te stellen over het ‘waar’ en ‘wanneer’ wordt de geldigheid van uitspraken bezien. Om te kunnen voldoen aan het motto ‘Think global, act local’17, dient het vermogen te kunnen inzoomen op een bepaalde plek of een specifieke casus, hand in hand te gaan met het vermogen uit te kunnen zoomen naar kenmerken van grotere gebieden, patronen en generieke thema’s. In de volgende hoofdstukken wordt een aanzet gegeven tot dit afwisselend inzoomen en uitzoomen. In hoofdstuk 5 wordt gekeken naar de betekenis van internationalisering en globalisering voor het overheidsbeleid met betrekking tot safety and security en in hoofdstuk 6 gaat het over de doorwerking in de politieprofessie, wat dit vraagt aan competenties en hoe het politieonderwijs daaraan bijdraagt. Daarna worden in hoofdstuk 7 lessen getrokken met het oog op de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs. Eerst wordt echter in hoofdstuk 4 stilgestaan bij de stapsgewijze eenwording van Europa.16 Historische perioden worden onderscheiden op basis van breukvlakken. Sassen spreekt over ‘tipping points’: omslagpunten inde geschiedenis, waardoor en waarna een transformatie definitief doorzet. Zie: Rollen van betekenis, 2007: 22-23.17 Bij de Nederlandse politie geagendeerd als: ‘Tussen wijk en wereld’. Zie ook: Nederland is klein, denk groot. Blauwe denkersover internationale politiesamenwerking. School voor politieleiderschap, april 2008. 27
  • 26. 28
  • 27. 4 ● Europa De Wereldbank noemt Europa een toonbeeld van succesvolle economische integratie (Reshaping Economic Geography: 122 e.v.). Een bijzondere constatering, gegeven de geschiedenis van vele onderlinge twisten en oorlogen. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd een koers ingeslagen van dialoog en economische samenwerking vanuit de overtuiging dat er geen betere garantie is voor vrede dan gedeelde welvaart. Weliswaar heeft Europa geen krachtig machtspolitiek imago; economisch en sociaal gesproken is het een succesvol model gebleken.18 Om de aandacht voor Europa beter te borgen in het onderwijs, zijn er voorstellen om te komen tot een ‘canon’. Na de Eerste Wereldoorlog werd een poging ondernomen om te komen tot een wereldomvattend platform voor dialoog en vrede in de vorm van de Volkenbond (League of Nations). Helaas lukte het niet om veel slagkracht te ontwikkelen in dit verband en een Tweede Wereldoorlog kon er niet mee worden voorkomen. In 1946 werd de Volkenbond ontbonden en een nieuwe organisatie opgericht: de Verenigde Naties ( paragraaf 5.4). In 1949 werd de Raad van Europa opgericht en in 1952 de voorloper van de huidige Europese Unie: de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), o.a. door Nederland. In 1954 volgde de West-Europese Unie ( box 6) en in 1958, dichter bij huis, de Benelux.19 In dit hoofdstuk gaat de aandacht overwegend uit naar de ontwikkelingen die leidden tot de huidige Europese Unie en de stand van zaken op dit moment ( paragraaf 4.2). Daarna volgt in paragraaf 4.3 het Verdrag van Lissabon waarmee een belangrijke stap gezet is richting verdere integratie. Ontwikkelingen op het gebied van safety and security en de gezamenlijke aanpak op het terrein van Justitie en Binnenlandse Zaken komen in hoofdstuk 5 aan de orde. Om te beginnen wordt in paragraaf 4.1 kort ingegaan op enkele aspecten van de Raad van Europa waarmee het integratieproces inzette.18 In andere delen van de wereld wordt hier ook een voorbeeld aan genomen, zoals bij de samenwerking tussen landen in Azië(ASEAN), Noord-Amerika (NAFTA) en Latijns Amerika (MERCOSUR).19 Zie hoofdstuk 5, box 11. Ook diverse andere internationale verbanden, zoals de Verenigde Naties, de NAVO en de OVSEkomen aan de orde in dit hoofdstuk. 29
  • 28. 4.1 ● Raad van Europa Het vreedzaam samenleven van natiestaten die onderlinge verschillen in inzicht en belangen via dialoog oplossen, is na de Eerste Wereldoorlog nagestreefd met de League of Nations (Volkenbond). Zoals bekend, is dit niet gelukt en volgde er een Tweede Wereldoorlog. Hierna werden nieuwe pogingen ondernomen met onder andere de oprichting van de Raad van Europa (1949). Momenteel telt de Raad van Europa 47 lidstaten, waarvan 22 lidstaten in Centraal- en Oost-Europa. Daarnaast is er een lidmaatschapsaanvraag van Wit-Rusland. De Raad van Europa is gevestigd in Straatsburg. In het kader van de Raad zijn ongeveer 200 bindende Europese verdragen gesloten op uiteenlopende terreinen als mensenrechten, de strijd tegen de georganiseerde misdaad (bijv. cybercrime), voorkoming van foltering, gegevensbescherming, maar ook culturele samenwerking. Na het uiteenvallen van het Oostblok en de Sovjet-Unie heeft de Raad van Europa een nieuw politiek mandaat gekregen, dat geformaliseerd is op de Top van Wenen (1993). Overeengekomen is dat de Raad de rol vervult van ‘hoeder van de democratische veiligheid, gebaseerd op de rechten van de mens, de democratie en de rechtsstaat’. De Raad van Europa ondersteunt de landen in Centraal- en Oost-Europa bij het parallel uitvoeren van economische hervormingen en versterken van politieke, wettelijke en grondwettelijke hervormingen. Via de Raad stellen andere landen expertise beschikbaar op het gebied van mensenrechten, lokale democratie, politie en justitie, onderwijs, cultuur en milieu. Vanaf 1997 is het werk van de Raad van Europa geordend in vier gebieden: democratie en mensenrechten, sociale cohesie, veiligheid van de burgers en democratische kernwaarden en culturele verscheidenheid. Vanaf 1999 heeft de Raad van Europa de Group of States against Corruption ingesteld (GRECO). Via monitoring en peer pressure bevordert de GRECO de toepassing van anticorruptie- standaarden die de lidstaten van de Raad van Europa zijn overeengekomen. De ervaring leert dat evaluatierapporten en aanbevelingen een belangrijk effect hebben.20 Op dit moment participeren 45 Europese staten in GRECO, alsmede de Verenigde Staten. Recent heeft de Raad actie ondernomen met betrekking de zgn. ‘war on terror’ die volgde op de aanslagen in de Verenigde Staten in september 2001. Naar het oordeel van de Raad hebben de Europese landen zich veel te gemakkelijk laten meeslepen en zijn er maatregelen genomen die fundamentele waarden en mensenrechten schaden. Het is tijd dat de landen hun eigen gedrag onder de loep nemen en zichzelf gaan corrigeren op deze punten, zo stelt Thomas Hammarberg, de mensenrechten- commissaris van de Raad van Europa.21 Op 19 oktober 2009 sprak de recent gekozen secretaris generaal van de Raad, Thorbjørn Jagland, op de EU-conferentie “Towards Global EU Action against Trafficking in Human Beings”. Van meet af aan heeft de bestrijding van mensenhandel een20 In oktober 2005 leidde een GRECO- rapport over Nederland tot aanbevelingen met betrekking tot het politieonderwijs, opverzoek van het ministerie van BZK opgesteld door de Politieonderwijsraad.21 http://www.coe.int/t/commissioner/Viewpoints/090316_en.asp. 30
  • 29. belangrijke prioriteit gevormd van de Raad van Europa en zijn er belangrijke verdragen gesloten op dit punt ( paragraaf 5.3.4). Afgelopen jaar trok de Raad van Europa samen op met de Verenigde Naties bij een onderzoek naar de internationale handel in organen. Het afstaan van organen en ander menselijk weefsel gebeurt niet altijd vrijwillig. Vooral buiten Europa komt het voor dat mensen onder dwang of tegen forse betaling weefsel of organen afstaan voor medische doeleinden. Zo is vijf tot tien procent van de jaarlijks 68.000 nierdonoren wereldwijd uitgebuit, volgens het rapport. Onder andere Europese patiënten profiteren hiervan. Tussenhandelaren en artsen blijken er grof geld mee te verdienen, terwijl de donoren het moeten doen met bedragen van enkele honderden tot duizenden dollars. Zelfs komt het voor dat artsen ‘oogsten’ bij ter doodveroordeelden (China). Ook laat het rapport zien, dat er veel verschil van mening blijkt te bestaan over waar nu de grens precies getrokken zou moeten worden.22 Qua taakopdracht neemt het onderscheid tussen de EU en de Raad van Europa af, hoewel het geografisch bereik aanzienlijk blijft verschillen. Volgens secretaris generaal Jagland is de EU de belangrijkste partner van de Raad en is het van belang dat de onderlinge samenwerking verder wordt versterkt.23 Een recent voorbeeld van intensieve samenwerking betreft de oprichting van een Europees bureau voor de grondrechten (EU Grondrechtenagentschap) door de EU. Dit agentschap dat de fundamentele grondrechten van het individu dient te propageren, is aangehaakt aan het al langer bestaande Europees Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat van de Raad van Europa. In eerste instantie was hiertegen verzet aangetekend, o.a. vanuit Nederland. De kritiek spitste zich toe op de onafhankelijkheid van het agentschap, maar ook op de mogelijk overlap met de Raad van Europa, dat meer lidstaten telt, dan de EU. De oplossing is gevonden door de Raad van Europa een plek te geven in het bestuur van het agentschap. Afgesproken is dat het agentschap zich beperkt tot de EU zelf en gebruik maakt van de beschikbare informatie van NGO’s via het Fundamental Rights Forum. Waar de Raad van Europa Europese mensenrechtenstandaarden ontwikkelt, zal het EU Grondrechtenagentschap zich richten op de verankering van standaarden in het Europese gemeenschapsrecht.24 Nederland heeft als relatief klein land belang bij multilaterale samenwerking en effectieve internationale structuren. Hoewel de EU aan gewicht toeneemt ( paragraaf 4.2), blijft de Raad van Europa een belangrijk platform. Hetzelfde geldt voor andere samenwerkingsverbanden, zoals de Benelux ( hoofdstuk 5). De laatste jaren kan een meer kritische houding jegens het buitenland worden waargenomen en lijkt de Nederlandse overheid zich bewuster van (niet-democratische) ‘directoria in de wereld’.25 Ook wordt ingezien dat lang niet alle vraagstukken via de weg van formele besluitvorming zinvol zijn aan te pakken. Het belang van ‘transnationale netwerken van organisaties in de publieke sector, het bedrijfsleven en het maatschappelijke middenveld’ is groot.2622 Trouw, 16 oktober 2009. Zie ook de site van het Global Observatory on Donation and Transplantation, onderdeel van de WorldHealth Organization, WHO ( paragraaf 5.3.4).23 Ontmoeting met Jose Manuel Durao Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie op 19 oktober 2009. “The EuropeanUnion is the Council of Europe’s most important institutional partner at both political and technical levels. We are working together inorder to strengthen the European common legal space, and to build a coherent system of fundamental rights’ protection, focusing on ourbenchmarks for human rights, the rule of law, and democracy in the entire European continent”, stelde Jagland bij deze ontmoeting.24 In 2011 zal in Nederland het Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens (NIRM) van start gaan. Hierin zal deCommissie gelijke behandeling zijn opgenomen. De ministerraad heeft dit in juni 2009 besloten.25 Zoals de VS of de onderonsjes tussen de grote EU -lidstaten. Zie: Bot, 2006. Zie ook: Staat van de Europese Unie 2009-2010: 7.26 Zie: Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN. Adviesraad Internationale Vraagstukken, 2005 (www.aiv-advies.nl).Zie ook: Den Boer, 2004. 31
  • 30. 4.2 ● Europese Unie In de EU zijn stap voor stap diverse overheidstaken en -verantwoordelijkheden verschoven van de nationale staten naar de Europese Commissie. De invloed van de Europese Unie op Nederland wordt steeds duidelijker, zoals blijkt uit het verdwijnen van de grenscontroles, het vrije verkeer van goederen en mensen, het toenemende belang van de besluitvorming in ‘Brussel’ en de invoering van de euro. De autonomie van de Nederlandse staat neemt navenant af. Wat overigens niet wil zeggen, zo stelt Sassen (2006), dat daarmee ook de invloed van de Nederlandse overheid afneemt. Door een proactieve houding en een duidelijke wil het gemeenschappelijke beleid vorm en inhoud te geven, kan de invloed van Nederland vele malen groter zijn, dan de relatieve omvang van ons land suggereert. Echter, ook het omgekeerde kan het geval zijn als nationale overheden zich weinig inspannen op het Europese toneel.27 In de komende jaren staat de EU voor de taak om op bepaalde terreinen het beleidsvoerend vermogen te verdiepen en tegelijkertijd scherp te letten op mogelijkheden tot decentralisatie. Wat overgelaten kan worden aan de lidstaten, lagere overheden of aan ‘de markt’, moet daar worden aangepakt. Waar mogelijk, zal gezocht worden naar het terugleggen van verantwoordelijkheden van de EU naar de lidstaten zelf. Een terrein dat hiervoor in aanmerking komt is de landbouw. Terreinen waar daarentegen een verdere verdieping noodzakelijk is, zijn veiligheid, het vermogen tot effectief optreden in relatie tot landen buiten de Unie en de concurrentiepositie van Europa in de wereld.28 Desmond Dinan, Palgrave Macmillan. London, 2004. Een veel gebruikt boek in binnen- en buitenlandse universitaire opleidingen over de geschiedenis van de Europese integratie. Een citaat: “Because it lacks conventional heroics, the history of the EU often seems dull and dry (…) Yet, as this book shows, the making of the EU combines idealism and ideological struggles , the initiative and political entrepreneurship of strong individuals, national interests and international relations, and institutional design and bureaucratic intrigue. (…) As a result, the European Union is a regional integration unlike any other, with unprecedented economic and political authority. Understanding the EU is fundamental to understanding Europe today, and understanding EU history is fundamental to understanding the EU.” (p. 10-11).27 Tal van bedrijven en instellingen hebben dit goed in de gaten en investeren in netwerken ter beïnvloeding van debesluitvorming en om er vervolgens weer zo adequaat mogelijk op te reageren. De EU erkent dit ook. De Europese Commissiehoudt een vrijwillig register bij van belangenvertegenwoordigers. Zij wil daarmee het publiek informeren over dezebelangengroepen en hoeveel deze hierin investeren. Ook het Europees parlement houdt een dergelijke lijst bij.Vertegenwoordigers van organisaties die het Parlement regelmatig bezoeken moeten om accreditatie verzoeken en beloven degedragscode van het Parlement na te leven. Zie: www.europa.eu/lobbyists/interest_representative_registers/index_nl.html.De Nederlandse politie streeft een eigen vertegenwoordiger in Brussel na, maar ontbeert tot op heden instemming vanuit debeide politiedepartementen ( hoofdstuk 5).28 In het algemeen zijn bij het bepalen van de verhouding tussen centraal en decentraal twee begrippen aan de orde: (1)subsidiariteit: hogere instanties moeten niet iets doen wat ook door lagere instanties kan worden afgehandeld; (2)proportionaliteit: initiatieven, regels en wetten moeten in overeenstemming zijn (evenredig zijn) met de benodigde actie. Nietminder, maar ook niet meer. 32
  • 31. Box 5Van EGKS naar EUIn 1952 richtten zes landen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op, vooralvanwege veiligheidspolitieke redenen. Door samen een supranationale autoriteit op terichten zou oorlog tussen de lidstaten moeten worden voorkomen. Deze eerste vorm vaneconomische integratie vond haar vervolg in het EEG-verdrag en het Euratomverdrag(Verdragen van Rome), beide in 1957.Vlaggen van de EU-lidstaten in Brussel. De blauwevlag met de sterren is de vlag van de Raad vanEuropa. Formeel heeft de EU geen vlag.Foto: Maarten Hartman / HH.In 1992 werd het Verdrag van Maastricht gesloten, waarmee de Europese Unie werdgevormd (in werking per 1 november 1993). Hiermee gaven de lidstaten aan dat het ommeer zou moeten gaan, dan louter economische samenwerking. Binnen de EU werdenvoortaan drie pijlers onderscheiden.Onder de eerste pijler (pijler van de Europese Gemeenschappen) vallen de interne markt(vrij verkeer van goederen, diensten, arbeid en kapitaal), het landbouwbeleid,handelspolitiek en de Economische en Monetaire Unie. Ook zaken die raken aan degemeenschappelijke markt vallen onder de eerste pijler, zoals consumentenbescherming,milieu, sociaal beleid, asiel- en immigratiebeleid. Het beleid draagt een supranationaalkarakter (communautair) karakter. De Europese commissie heeft hier het voortouw.Bij de tweede pijler, het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB), gaathet om het beleid ten opzichte van niet - EU gebieden en het gezamenlijke defensiebeleid.Kenmerkend hier is dat besluitvorming dient te geschieden op basis van unanimiteit. HetEuropese parlement heeft hier veel minder in te brengen dan bij de eerste pijler. Het GBVBkomt hoofdzakelijk tot uiting in het geven van verklaringen over bijvoorbeeldmensenrechtensituaties en verkiezingsprocessen. De laatste jaren krijgt het beleid tenaanzien van defensiemissies meer handen en voeten ( box 6).De derde pijler betreft de samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken( hoofdstuk 5). Het gaat bijvoorbeeld om bestrijding van criminaliteit en drugshandel, maarook om terrorismebestrijding. Ook hier draagt het beleid een intergouvernementeel karakter.Asiel- en migratiebeleid zijn echter overgeheveld van de derde naar de eerste pijler. Als hetVerdrag van Lissabon in werking treedt, vervalt mettertijd de pijlerstructuur ( paragraaf4.3).Het aantal lidstaten van de EU nam per 1 mei 2004 toe van 15 tot 25. Roemenië enBulgarije traden per 1 januari 2007 toe, waarbij specifieke afspraken gemaakt werden metbetrekking tot de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de positie vanminderheden. Onderhandelingen worden gevoerd met Kroatië, Macedonië en met Turkije.Op langere termijn zullen, naar verwachting, onderhandelingen volgen met andere landen inde westelijke Balkan. De nieuwe lidstaten en de lidstaten die nog gaan volgenfunctioneerden langdurig in een geheel andere maatschappelijke en economische context,dan de West-Europese staten. Dit brengt nieuwe uitdagingen met zich mee voor de EU (paragraaf 5.4.1).Ten gevolge van de kredietcrisis heeft zich een nieuwe kandidaat aangediend voor het EU-lidmaatschap, te weten IJsland (juli 2009). Honorering van de aanvraag lijkt snel te kunnenplaatsvinden. IJsland neemt al deel aan het Verdrag van Schengen en is in economischopzicht nauw verbonden met de EU. Ook behoort IJsland van meet af aan tot de NAVO ende Organisatie voor Vrede en Veiligheid in Europa ( hoofdstuk 5). De IJslandse bevolkingzal zich echter eerst nog via een referendum positief moeten uitspreken over toetreding. 33
  • 32. Kaart 4. Landen van de Europese Unie (in het grijs de huidige aspirant lidstaten; IJsland moet hieraan worden toegevoegd) Uit de kaartjes rechtsboven blijkt dat de grenzen van de Europese Unie minder vanzelfsprekend zijn, dan mogelijk wordt gedacht. Zowel voor Nederland, als bijvoorbeeld Frankrijk, geldt dat sprake is van een aantal overzeese rijksdelen. Zo dient Nederland in het kader van de bescherming van de EU - buitengrenzen ook borg te staan voor de kwaliteit van de grensbewaking op Aruba en de Nederlandse Antillen en de georganiseerde criminaliteit aldaar te bestrijden ( box 12). Canon van de Europese Integratie? In de Internationale Spectator is een voorstel gedaan voor een canon van de Europese integratie.29 Natuurlijk zijn er bezwaren te maken tegen een dergelijke codificatie van de geschiedenis. Het zou bijvoorbeeld tot een statisch en eenzijdig beeld kunnen leiden en ten koste kunnen gaan van nieuwsgierigheid en creativiteit. Bovendien zou het een ongewenste tegenstelling kunnen creëren tussen ‘wij Europeanen’ en ‘de rest’. Anderzijds kan het opstellen van een canon bijdragen aan overeenstemming over de vraag wat iedereen zou moeten weten van (in dit geval) de Europese integratie. Belangrijke aspecten daarbij zijn: ‘Wat bindt ons als Europeanen? Hoe verhoudt het idee van Europees burgerschap zich tot een nationale identiteit’. En ‘wat voegt Europa toe aan de lidstaten?’ Bij het opstellen van deze canon zou er aandacht moeten zijn voor betekenisvolle verschillen tussen de 27 lidstaten die de ‘geografie van het verleden’ heeft samengebracht, zo stellen de auteurs. Het Europa -gevoel ligt bijv. anders bij de29 Oktober 2009. Marko Bos, Mendeltje van Keulen. De canon die wordt voorgesteld bestaat uit drie perioden en drie ‘vertogen’.De drie perioden zijn: voor 1950, 1950-1989 en 1989 – heden. De drie vertogen betreffen ‘het Europa van de burgers’, ‘hetEuropa van de staten’ en ‘het Europa van de kantoren’ (instituties). 34
  • 33. oorspronkelijke zes lidstaten die aan de wieg stonden van de EU, dan bij de lidstaten in Midden- en Oost –Europa die lang een geheel ander geopolitieke realiteit kenden.30 In aansluiting op Luuk van Middelaar die begin 2009 zijn veelgeprezen dissertatie over de Europese integratie publiceerde, stellen Bos en Van Keulen een canon van de Europese integratie voor. 31 Van Middelaar maakt deel uit van het pas gevormde team van de eerste vaste EU voorzitter, Van Rompuy. Verdrag van Schengen Het akkoord van Schengen dateert van 1985 en regelt het vrije verkeer van personen tussen landen. In eerste instantie betrof dit het personenverkeer tussen de Benelux, Frankrijk en Duitsland. De betrokken landen oefenende op deze wijze druk uit op andere landen binnen de Europese Gemeenschap om hun grenzen open te stellen voor personenverkeer. Later sloten andere landen zich hierbij aan: Italië (1990), Spanje en Portugal (1991), Griekenland (1992), Oostenrijk (1995), Denemarken, Finland en Zweden (1996). In 1997 is het verdrag opgenomen in het Verdrag van Amsterdam, waarmee het onderdeel werd van de EU. Daarbij werd echter een voorbehoud gemaakt voor Groot-Brittannië en Ierland die niet meedoen. Noorwegen, IJsland en Zwitserland die geen lid zijn van de EU, doen echter wel mee.32 Roemenië en Bulgarije bevinden zich nog in de wachtkamer. Na het vervallen van de controles aan de binnengrenzen tussen de deelnemende landen is er één enkele buitengrens gekomen waar controles bij binnenkomst in de Schengen -ruimte volgens identieke procedures uitgevoerd worden. Dat leidde bijv. tot de scheiding van reizigers op luchthavens afkomstig uit de Schengenlanden van reizigers van daarbuiten. Ook zijn er gemeenschappelijke voorschriften vastgesteld inzake visa en asielrecht. Het doel is dat het vrije verkeer van personen binnen de Schengenlanden niet ten koste gaat van de veiligheid. Daartoe moet echter ook de coördinatie tussen politie, douane en justitie verbeteren. Ter ondersteuning van deze samenwerking is het Schengen Informatie systeem ontwikkeld (SIS). Dit is een register met opsporingsinformatie dat ten dienste staat van de partners binnen het verdrag. Dit register is operationeel sinds 1995 en bevat informatie over bijv. vermiste personen, personen tegen wie een aanhoudingsbevel loopt, maar ook over gestolen voertuigen en identiteitsbewijzen.30 Een verkenning van verschillen binnen Europa is goed mogelijk aan de hand van de Atlas of European Values, samengestelddoor Loek Halman, Ruud Luijkx en Marga van Zundert (2005). De atlas laat in bijna tweehonderd kaarten en grafieken deopvattingen en ideeën zien van Europeanen. Door middel van uigebreide vragenlijsten worden sinds 1980 elke tien jaar deopvattingen van Europeanen geïnventariseerd over zaken als Europa, politiek, religie, gezin en werk.31 Luuk van Middelaar. De passage naar Europa – Geschiedenis van een begin. Proefschrift. Historische Uitgeverij, Groningen2009.32 Noorwegen en IJsland maakten namelijk deel uit van de zgn. Noordse Paspoortunie, waar ook Finland, Zweden enDenemarken deel van uitmaakten. Daardoor zijn deze landen als het ware ‘meegelift’. Daarnaast doen ook de ministatenMonaco, San Marino, Vaticaanstad en Andorra mee. Liechtenstein staat op de nominatie om aan te sluiten. Hiermee zijnbelangrijke financiële belangen gemoeid, omdat Liechtenstein tot op heden een strikt bankgeheim hanteert. 35
  • 34. Kaart 5. EU en Schengenlanden ██ Schengenlanden ██ Ingevoerd, partnerschap met getekende land ██ EU lidstaten, Schengen nog niet ingevoerd ██ Interesse getoond in toetreding tot Schengen Inmiddels wordt gewerkt aan de tweede, verbeterde versie (SIS II) met meer capaciteit en functionaliteiten.33 In 2006 ging een aantal landen, waaronder Nederland, nog een flinke stap verder op de weg van de politiële en justitiële samenwerking door het sluiten van het Verdrag van Prüm; daarnaast sloot Nederland verdragen over politiële en justitiële samenwerking met de directe buurlanden ( box 10 en 11). Algemene stand van zaken De stand van zaken in de EU kan goed bijgehouden worden door kennis te nemen van de agenda’s van het voorzitterschap. Tot en met 2009 rouleerde het voorzitterschap halfjaarlijks onder de EU lidstaten. In de tweede helft van 2009 was Zweden aan de beurt34; voor politie en justitie een extra interessante periode, omdat er een nieuw vijfjaren programma is vastgesteld ( par. 5.3.2). Daarnaast brengt de Nederlandse overheid jaarlijks rapport uit aan het parlement over de stand van zaken en hoe Nederland dit ervaart (‘de Staat van de Europese33 Verdere achtergronden en actuele ontwikkelingen over dit onderwerp (en tal van andere) zijn te vinden op de site van hetMontesquieu Instituut, een multidisciplinair onderzoeks- en onderwijsinstituut voor vergelijkende parlementaire geschiedenisen constitutionele ontwikkeling in de Europese Unie. Het instituut is opgezet door de universiteiten van Groningen, Leiden, deRadboud Universiteit (Nijmegen) en de universiteit van Maastricht (www.montesquieu-instituut.nl).34 Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon kent de EU voortaan een vaste voorzitter, telkens voor de periodevan 2,5 jaar ( paragraaf 4.3). 36
  • 35. Unie’).35 Naast de grote thema’s van het klimaat- en energiebeleid (w.o. de strategische aspecten van de energievoorziening in Europa) en de aanpak van de economische crisis, ligt er veel nadruk op veiligheid en stabiliteit en op de betrekkingen tussen de EU en de wereld. Het is duidelijk dat de EU niet alleen in economisch opzicht een wereldspeler wil zijn, maar in toenemende mate ook op politiek gebied. Daartoe worden alle beschikbare instrumenten in samenhang ingezet: ‘van pre-accessie en uitbreiding tot nabuurschap, ontwikkelingssamenwerking en het totstandbrengen van internationale handelsarrangementen.36 De uitbreiding van de EU in de afgelopen jaren moet vooral begrepen worden als een manier om de stabiliteit en de veiligheid in Europa te bevorderen. Ook de mogelijke toetreding van landen in de Balkan en van Turkije moet zo gezien worden. In de gordel van landen die om de EU heen ligt, heeft de Unie belang bij buurlanden die welvarend, democratisch en stabiel zijn en zoveel mogelijk de waarden en normen van de EU delen. Dit vergt intensieve economische en politieke samenwerking en dialoog op terreinen als migratie en mensenrechten. De EU heeft hiervoor het ‘Europees Nabuurschapsbeleid’ ontwikkeld. In 2009 is daartoe het zgn. Oostelijk Partnerschap opgericht. Onder andere gaat het dan om de relatie tussen de EU en de Russische federatie waar belangrijke economische belangen mee verbonden zijn (energie, investeringen), maar ook aanzienlijke politieke verschillen van inzicht (bijv. met betrekking tot de zuidelijke buurstaten van Rusland). Ondanks deze verschillen groeit de bereidheid tot onderlinge samenwerking. In 2008 is op initiatief van Frankrijk op de zuidflank van de EU de Unie voor de Mediterrane Regio opgericht. In politiek en militair opzicht is de slagkracht van de EU gegroeid. Meer dan in het verleden draagt de Unie bij aan de bevordering van stabiliteit in conflictgebieden. Het ontwikkelde Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) bevat een combinatie van veiligheids- en ontwikkelingsinstrumenten. Daarbij staan de eerbiediging van het internationale recht en mensenrechten hoog in het vaandel. De EU draagt bij aan 11 vredesprocessen in Afrika, Azië en het Midden-Oosten en daarnaast in de Westelijke Balkan. Dit gebeurt met militaire en civiele missies. Steeds is de EU hierbij een partner van de Verenigde Naties en de NAVO. De verwachting is dat er in komende jaren een toenemend beroep op de EU gedaan zal worden voor bijdragen aan crisisbeheersingsoperaties. Er zullen mensen gevraagd worden voor zowel civiele als militaire crisisbeheersing, zowel in organisatorische zin als getrainde experts. In de jaarlijkse rapportages aan het parlement is er ook uitvoerige aandacht voor de EU - samenwerking op het terrein van Justitie en Binnenlandse Zaken. Deze samenwerking is verbeterd, mede dankzij het Haags programma (2005-2009). Na ratificatie van het Verdrag van Lissabon gaan hier dezelfde communautaire spelregels Deze schets van zaken is gebaseerd op de Staat van de EU 2008-2009 en de Staat 2009-2010.35 Staat van de Europese Unie, 2008-2009: 12. Vergelijk in dit verband advies nr. 64 van de Adviesraad Internationale36Vraagstukken, maart 2009 (zie bijlage 1). 37
  • 36. gelden als voor beleidsterreinen, die vallen onder de eerste pijler ( box 7). Per december 2007 is de Schengenruimte zonder onderlinge grenscontroles verruimd tot 22 van de in totaal 27 lidstaten (zie boven). Dit heeft het besef versterkt dat het effectief bestrijden van georganiseerde criminaliteit en terrorisme niet stopt bij de landsgrenzen. Ook leidde dit tot meer operationele samenwerking tussen de EU en de Verenigde Staten. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is de borging van geldende privacyregels.37 De EU- lidstaten beseffen dat het vertrouwen in elkaars rechtsstelsels en handhavings- en opsporingsdiensten nog verder moet groeien. Het vergroten van de kennis over elkaars werkwijzen en stelsels (incl. de rechterlijke macht) kan hieraan bijdragen. Europol en Eurojust zijn hiervoor belangrijke organisaties. Wat betreft het migratiebeleid is het van belang om richtlijnen aan te scherpen die legale migratie (bepaalde beroepsgroepen) onderscheiden van illegale migratie. De fysieke bewaking van de buitengrenzen vormt daarbij een belangrijk aandachtspunt ( hoofdstuk 5). Box 6 WEU Het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) is niet los te zien van een al langer bestaande vorm van samenwerking, te weten de West-Europese Unie (WEU) die al in 1954 werd opgericht om de dreiging van de zijde van de Sovjet Unie het hoofd te kunnen bieden. De nauwe relatie met de huidige EU toont zich in het gegeven dat vanaf 1999 de hoge vertegenwoordiger van het GBVB dezelfde persoon is als de secretaris generaal van de WEU (Javier Solana) en dat deze tevens fungeert als de secretaris -generaal van de Europese Raad. De WEU telt in totaal tien leden (rood op de kaart). Daarnaast zijn er zes geassocieerde leden die tevens lid zijn van de NAVO (groen op de kaart), vijf waarnemende landen die tevens EU-lid zijn (blauw op de kaart) en zeven geassocieerde partners die ook lid zijn van de EU (paars op de kaart). Het voornemen bestaat om de WEU om te vormen tot de militaire arm van de EU en tot een Europese pijler binnen de NAVO. Solana is tevens de directeur van het Europees Defensie Agentschap dat in 2004 is opgericht. Het agentschap heeft een coördinerende rol en is ervoor om de effectiviteit en de efficiëntie van de Europese defensie-inspanningen te vergroten.37 Naast het privacy aspect zijn er diverse andere aspecten te noemen. Het blijkt dat de EU lidstaten in hun relatie ten opzichtevan de VS bepaald niet op een lijn zitten. Sommige landen proberen meer dan andere ‘goede vrienden’ te zijn met de VS. Hetgevolg: verdeeldheid. Daar zijn de VS ook niet mee blij mee. Waar het de EU lukt eenheid te tonen als het gaat omhandelsrelaties, lukt dat op andere terreinen niet of veel minder. Deze constatering is te lezen in een recent rapport van deEuropean Council in Foreign Relations: Towards a post-American Europe: A Power Audit of EU-US Relations. Jeremy Shapiro, NickWitney, oktober 2009. Deze raad is een zgn. think tank, gesponsord door de Soros Foundation. 38
  • 37. 4.3 ● Verdrag van Lissabon In het najaar van 2004 strandde het proces om te komen tot een nieuw Grondwettelijk Verdrag van de Unie. Beoogd werd alle bestaande verdragen in een nieuw kader te vatten. De term ‘grondwet’ bleek niet gelukkig gekozen en voedde de angst voor een superstaat. In Frankrijk en Nederland stemde de bevolking in grote meerderheid tegen ratificatie van dit verdrag. Na een periode van afkoeling en bezinning werd onder Duits voorzitterschap alsnog consensus bereikt over de toekomst van de EU. Op 13 december 2007 hebben de EU- leiders het Verdrag van Lissabon ondertekend38. Het Verdrag is een aanpassing, geen vervanging van de huidige EU- en EG-verdragen. De ratificatie verliep niet gemakkelijk. In Ierland wees de bevolking het verdrag medio 2008 af. Op de top van juni 2009 zijn de EU-leiders Ierland tegemoet gekomen en zijn er juridische garanties gegeven over de nationale soevereiniteit, om het sein op groen te krijgen bij de Ieren. Zo zal het Verdrag van Lissabon geen afbreuk doen aan de militaire neutraliteit van het land, aan belastingwetgeving of aan gevoelige kwesties, zoals abortus. Op 2 oktober 2009 sprak de Ierse bevolking zich in een ruime meerderheid uit voor het Verdrag. Op 10 oktober ondertekende Polen het verdrag, waarna enkele weken later tenslotte ook Tsjechië volgde.39 Het verdrag is in werking getreden per 1 december 2009. Hiermee is een grote stap gezet richting verdere integratie. Box 7 Hoofdpunten Verdrag van Lissabon40 De pijlerstructuur daterend uit 1992 gaat verdwijnen. De samenwerking op het JBZ -terrein gaat deel uitmaken van het communautaire beleid; een uitzondering blijft bestaan voor het GBVB, waar unanimiteit de regel zal blijven. Europa wordt democratischer. Het Europees parlement en de nationale parlementen krijgen meer zeggenschap. Burgers krijgen meer inspraak. Er komt een initiatiefrecht: als tenminste één miljoen mensen uit een aantal lidstaten daarom vraagt, moet de Commissie een voorstel over de betrokken kwestie indienen. Ook kan een land het lidmaatschap opzeggen. Europa gaat efficiënter werken. Werkmethodes en stemprocedures worden vereenvoudigd. In de Europese Raad zal op meer beleidsterreinen worden gestemd "bij gekwalificeerde meerderheid". Dit betekent vanaf 2014 dat een "dubbele meerderheid" nodig is: een besluit wordt goedgekeurd als het wordt gedragen door minstens 55% van de lidstaten die tenminste 65% van de EU-bevolking vertegenwoordigen. De Europese Raad krijgt telkens voor tweeënhalf jaar een vaste voorzitter. Vanaf 1 december 2009 is dat de Belg Herman van Rompuy. De EU kan meer actie ondernemen op terreinen als terreur- en criminaliteitsbestrijding, energie, volksgezondheid, civiele bescherming, klimaatverandering, diensten van algemeen belang, onderzoek, ruimtevaart, territoriale samenhang, handel, humanitaire hulp, toerisme en bestuurlijke samenwerking. De EU verduidelijkt en versterkt de kernwaarden: vrijheid, solidariteit en veiligheid. Burgerrechten, politieke en economische rechten worden versterkt. Het Verdrag bepaalt ook dat de EU en de EU-landen samenwerken in een geest van solidariteit, bijvoorbeeld wanneer een lidstaat het slachtoffer wordt van een terroristische aanslag, natuurramp of andere calamiteit. De rol van de EU op het wereldtoneel wordt verder versterkt. De EU zal zich krachtiger opstellen in zijn betrekkingen met de rest van de wereld. De Britse Catherine Ashton is voor een periode van vijf jaar aangesteld als Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Zij is tevens vicevoorzitter van de Commissie, zodat de EU naar buiten toe meer gewicht, samenhang en zichtbaarheid krijgt. Een nieuwe dienst ondersteunt hierbij: de European External Action Service.38 Dit verdrag bestaat in feite uit twee verdragen, in het Engels: The Treaty on the European Union (TEU) en deTreaty on the Functioning of the European Union (TFEU). Hiermee is een nieuw kader ontstaan voor beleidsontwikkeling op hetterrein van politie en justitie ( paragraaf 5.3.2, het Stockholm Programma).39 De Tsjechische instemming had als voorwaarde dat er geen claims kunnen volgen op voormalig Duits landbezit in hetnoordwestelijk deel van het land (Sudetenland). Naast Tsjechië en Ierland hebben ook andere lidstaten op specifieke puntenuitzonderingsbepalingen bedongen.40 Zie ook: http://www.europa.eu/lisbon_treaty/glance/index_nl.htm). 39
  • 38. Het bovenstaande laat onverlet, dat het beleid naar verwachting ook in de komende jaren nog steeds een grotendeels ‘zacht’ karakter zal hebben. Naast de bestuurs- en staatsrechtelijke bepalingen aangaande de EU (het ‘harde beleid’)41, zijn er talloze niet- bindende instrumenten ontwikkeld, zoals projecten, aanbevelingen, adviezen en beleidscoördinatie. De mate waarin hieraan juridische consequenties zijn verbonden, verschilt per terrein. Dit betekent dat er een groot appel wordt gedaan op het vermogen en de bereidheid van landen als Nederland om te investeren in contacten met vertegenwoordigers van andere lidstaten, om zo de besluitvorming in de EU op adequate wijze te beïnvloeden.41 Het gemeenschapsrecht vloeit rechtstreeks voort uit EU -verdragen. Bepalingen die voortvloeien uit de verdragen hebbenvoorrang op de nationale rechtsorde. Bovendien kunnen lidstaten vigerende EU -rechtsregels niet eenzijdig ongedaan maken,tenzij de landen daaromtrent gezamenlijk één lijn zouden trekken (ook een nieuwe afspraak in het Verdrag van Lissabon). 40
  • 39. 5 ● Internationale samenwerking met betrekking tot politie en justitie Internationale politiesamenwerking staat traditioneel in het teken van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en van politiek extremisme zoals blijkt uit de oprichting van Interpol in 1923 ( box 8). De internationale politiesamenwerking van tegenwoordig is veel breder van karakter en heeft een achtergrond van toenemende economische vervlechting, mobiliteit en migratie, milieuvraagstukken en geopolitieke conflicten en instabiliteit. Overheden proberen na een periode van liberalisering en deregulering hun kerntaken op het gebied van veiligheid scherper te definiëren en beter uit te voeren. Na een eerste paragraaf over het multilaterale en multidisciplinaire karakter van de huidige politiefunctie en van de internationale veiligheidsagenda, is het vervolg van dit hoofdstuk concentrisch opgebouwd. In paragraaf 5.2 wordt gekeken naar de samenwerking in grensstreken. Daarna volgt in paragraaf 5.3 de samenwerking binnen de EU. Hierbij wordt ingezoomd op het nieuwe Stockholm Programma (2010- 2014) en op de kansen die de samenwerking in de Benelux biedt, nu er een nieuw Benelux-verdrag gesloten is (2008). Vervolgens wordt in par. 5.4 ingegaan op de samenwerking met landen buiten de EU. Afzonderlijke aandacht wordt geschonken aan de samenwerking met en ten behoeve van ‘fragiele staten’. De laatste paragraaf betreft een beschouwing over de verwantschap tussen de Nederlandse rechtshandhaving en die in andere landen. Bepaalde landen lijken sterk op Nederland, andere veel minder. Dit heeft consequenties voor de aard van de samenwerking en de rol die Nederlandse politiefunctionarissen hierin kunnen spelen. In hoofdstuk 6 wordt vervolgens ingegaan op wat een en ander betekent voor de Nederlandse politieprofessie en het Nederlandse politieonderwijs. Box 8 Interpol is een internationale organisatie die politieorganisaties ondersteunt bij het voorkomen en bestrijden van criminaliteit. Interpol werd in 1923 opgericht te Wenen als de International Criminal Police Commission. Na de Tweede Wereldoorlog werd de instelling gevestigd in Frankrijk, nu onder de naam Interpol. De organisatie telt momenteel 188 lidstaten. Formeel is Interpol geen intergouvernementele organisatie, maar wordt wel als zodanig erkend door de Verenigde Naties. De kerntaken van Interpol zijn het faciliteren van informatie-uitwisseling tussen de politiediensten van de aangesloten landen, het bijhouden van databases met opsporingsinformatie en het leveren van analyseproducten. Elke lidstaat levert en vraagt informatie via een Nationaal Centraal Bureau. Voor Nederland gebeurt dit door de dienst IPOL van het KLPD. Daarnaast biedt Interpol operationele ondersteuning bij grootschalige incidenten en rampen en worden er trainingsfaciliteiten aangeboden opdat lidstaten beter in staat zijn transnationale criminaliteit en terrorisme te bestrijden. Sedert 2005 werkt Interpol direct samen met de Verenigde Naties. Aanleiding daartoe waren VN- sancties tegen Al Qaïda en de Taliban. In oktober 2009 werd deze samenwerking versterkt omdat de VN de rol van de politie van cruciaal belang acht bij het creëren van duurzame vrede en veiligheid en aanstuurt op een bredere inzet van politiefunctionarissen in postconflict situaties ( paragraaf 5.4). Het hoofdkantoor van Interpol is gevestigd in Lyon. 41
  • 40. 5.1 ● Een mondiale veiligheidsagenda Voorafgaand aan de concentrische bespreking van de internationale samenwerking op het terrein van politie en justitie, worden hieronder enkele algemene punten naar voren gebracht. Daarbij worden de contouren van een mondiale veiligheidsagenda zichtbaar. 5.1.1 ● Multilateraal en multidisciplinair De mondiale veiligheidsagenda is zowel multilateraal als multidisciplinair: meerdere landen werken samen en er zijn meerdere disciplines bij betrokken met elk een eigen taakopdracht. Wie een kaart probeert te maken van het aantal en de aard van betrokken actoren, staat voor een ingewikkelde opdracht. Met enkele algemene constateringen wordt het karakter van het netwerk van veiligheidsactoren geschetst: - Veiligheid gaat zowel over safety als security. Hoewel politiewerk meer betrekking heeft op security, dan op safety, zijn beide begrippen van toepassing op het politiewerk;42 - veiligheid is niet alleen een zaak van overheden; ook bedrijven en burgers dragen er aan bij; - de Nederlandse politie maakt deel uit van een uitgestrekt netwerk van regionale, nationale en internationale partnerorganisaties op het gebied van veiligheid, deels strafrechtelijk gepositioneerd, deels bestuursrechtelijk en deels privaatrechtelijk; - overheden hebben een fors coördinatievraagstuk met betrekking tot veiligheid; in Nederland heeft de minister van BZK deze taak; - veiligheid is niet nationaal te garanderen, daarvoor spelen internationale relaties en transacties een te grote rol; - de wijze waarop overheden, justitieapparaten en de politiefunctie zijn georganiseerd, verschilt van land tot land. Daarbij gaat het om verschillen in wet- en regelgeving, verschillen in uitvoeringsorganisaties, in bedrijfsprocessen, om verschillen in organisatiecultuur en opvattingen over de eigen professionaliteit en om verschillen in de wijze waarop het politiewerk wordt afgebakend. Soms zijn de verschillen met Nederland klein, soms groot; - verdragen zijn onmisbaar voor adequate, internationale politiesamenwerking, maar vormen geen garantie voor het succes ervan; - aangegane verplichtingen met betrekking tot internationale informatie- uitwisseling worden niet zonder meer nagekomen, deels door technische beperkingen, deels door het nog beperkte vertrouwen in de integriteit en professionaliteit van de stelsels in andere landen; - internationale politiesamenwerking blijkt nog steeds in belangrijke mate te bestaan uit het opbouwen en onderhouden van goed functionerende relatienetwerken. Dit staat enigszins op gespannen voet met bestuurlijke verantwoordelijkheden. Waar processen van afstemming en samenwerking weinig zichtbaar zijn voor wie politiek verantwoordelijk is, kan zich een praktijksituatie ontwikkelen die pas op langere termijn als ongewenst kan worden beoordeeld (Den Boer, 2004). 5.1.2 ● Contouren van een agenda Op wereldschaal is sprake van complexe processen van afstemming tussen landen over uiteenlopende onderwerpen, zoals economie, financieel beleid, klimaat en natuurbeheer, migratie, e.d. Dit komt tot uitdrukking in verklaringen, beleidsagenda’s, protocollen en soms in verdragen. De mate waarin partijen (landen) zich hiermee verplichten, varieert. Soms is sprake van juridische verplichtingen, soms42 BZK hanteert de volgende definities: bij safety gaat om natuurlijke anomalieën, rampen, systeem- of procesfouten of menselijkfalen; bij security om opzettelijk menselijk handelen (van vandalisme tot criminele handelingen en terrorisme). Veiligheid is desom van safety en security. Rapport Bescherming Vitale Infrastructuur. BZK, 1 september 2005. 42
  • 41. voelen landen zich politiek gebonden, soms zijn het slechts vrijblijvende uitspraken die niettemin een zekere richting geven.43 Dit geldt ook voor het brede veld van veiligheid. Na de terroristische aanslagen op de Verenigde Staten op 11 september 2001, is de discussie over veiligheid sterk geïntensiveerd en halen overheden de regie meer naar zich toe. Vergelijken we de veiligheidsagenda’s van internationale organisaties, dan worden de contouren van een mondiale veiligheidsagenda zichtbaar ( box 9). Achter de thema’s staan ter illustratie steeds enkele trefwoorden vermeld. Uitvoeringsorganisaties die met de vermelde veiligheidsthema’s aan de slag zijn, behoren overwegend tot het apparaat van natiestaten. Hoe staten dit regelen, bepalen ze in principe zelf. Ook blijkt dat intergouvernementele en supragouvernementele organisaties operationele taken vervullen ( paragraaf 5.3). Naast overheidsinstanties spelen ook private partijen in toenemende mate een rol. Qua aanpak in intergouvernementeel verband gaat het veelal als volgt. Eerst gaat het erom landen (mensen, organisaties) bij elkaar te brengen via conferenties, e.d. Hiermee kan een gezamenlijk gevoel van urgentie en commitment gevormd worden. Dit kan resulteren in projecten, de oprichting van expertgroepen, de productie van handboeken, analyseproducten, trainingsprogramma’s en andere ondersteuningsactiviteiten. Hieruit blijkt of de politieke wil tot samenwerking sterk genoeg is en dat samenwerking in de praktijk ook werkt. Dit kan de basis vormen voor een meer formeel kader voor samenwerking en voor internationale, bindende instrumenten. Samenwerking is dan niet langer vrijblijvend, maar geborgd en waar nodig afdwingbaar. Deze fase is momenteel aan de orde in de EU ( paragraaf 5.3). In sommige gevallen is de urgentie zo groot, dat gekozen wordt voor een meer top down en unilateraal proces, zoals het geval was direct na de terroristische aanvallen op de Verenigde Staten (2001), Madrid (2004) en Londen (2005). Veel veiligheidsthema’s kunnen begrepen worden tegen een achtergrond van globalisering of het nu gaat om het illegale migratiebewegingen, illegale handel, investeringen met zwart geld en het witwassen ervan of de verspreiding van ‘foute idealen’.44 De kracht van de staat en de integriteit van staatsfunctionarissen zijn daarbij essentieel ( paragraaf 5.4). Er zijn ook thema’s die minder met opsporing van doen hebben, maar meer met het bieden van noodhulp, met handhaving of preventie of de bescherming van vitale belangen (w.o. infrastructuur). Doorgaans gaat het hier om thema’s die meer regionaal, dan mondiaal georiënteerd zijn45, hoewel er ook voorbeelden te noemen zijn dat er bijstand geboden wordt op mondiaal niveau, zoals bij missies ( paragraaf 5.5).46 De doorwerking van mondiale veiligheidsthema’s ( box 9) verschilt van land tot land. Elk van de thema’s heeft een eigen specifieke betekenis in bijv. Nederland, Frankrijk, Nigeria of Afghanistan (als het over drugs gaat, bijvoorbeeld). Daarbij moet, indachtig Naím ( paragraaf 3.2.3), beseft worden dat de thema’s qua organisatie achter de schermen dikwijls nauw verbonden zijn. Ook moet bedacht worden dat waar de levensomstandigheden precair zijn, iedere kans tot lotsverbetering43 Dit wil niet zeggen dat ‘vrijblijvende afspraken’ per definitie minder gewicht in de schaal leggen. Een bekend voorbeeld is de‘Verklaring van Bologna’ die ertoe leidde dat binnen enkele jaren in grote delen van de Europese Unie het (Angelsaksische)bachelor- master- stelsel werd ingevoerd in het hoger onderwijs. In Nederland is de Bolognaverklaring vrijwel onmiddellijktoegepast binnen het politieonderwijs. In Groot- Brittannië was dit al het geval. Duitsland volgde eveneens, maar andere landen(met name de Zuid-Europese landen) aarzelen nog.44 Critici van de globalisering bekijken diverse veiligheidsthema’s vanuit een perspectief van gevestigde belangen in de werelden menen dat deze primair bedoeld is om het ‘Westen’ te vrijwaren van verstorende invloeden van elders ( paragraaf 3.2.2).45 ‘Regionaal ‘wordt in de globaliseringsliteratuur gebruikt voor de schaal van bijv. West-Europa of Oost-Azië, d.w.z. natiestaat-overstijgend.46 Zoals de inzet van het rampenidentificatieteam van het KLPD na de tsunami in Zuidoost-Azië (december 2004). 43
  • 42. aangegrepen zal worden, wat op zichzelf al een voedingsbodem kan vormen voor criminalisering. Box 9 Mondiale veiligheidsthema’s Bestrijding illegale productie en handel Drugs, wapens, namaakproducten en schending intellectueel eigendom Financieel-economische criminaliteit Witwassen, fraude, valsemunterij, gestolen voertuigen, gestolen cultuurvoorwerpen, etc. Tegengaan illegale migratie en bestrijding handel in en misbruik van mensen Migratiecriminaliteit, mensensmokkel / -handel, gedwongen prostitutie, kinderporno, illegale handel in organen en ander menselijk weefsel, adoptiefraude. Bestrijding milieucriminaliteit Illegale handel in dieren en planten, Illegale handel in afvalproducten Grensoverschrijdende handhaving Personenverkeer, w.o. vreemdelingen (asiel, visa), wegverkeer, beveiliging transporten, kapitaal-/geldverkeer, informatie, ideeën, openbare orde en gevaarsbeheersing bij grote internationale publieksevenementen en conferenties. Tegengaan van terrorisme, extremisme Traceren van tendensen tot polarisering, radicalisering. Voorkomen en bestrijden van terroristische activiteiten. Risico’s van de inzet van nucleaire, chemische, biologische of radioactieve middelen. Informatie-uitwisseling politie, justitie en andere ‘partners’ Intelligence, informatie-uitwisseling, dataretentie Bescherming vitale belangen Bescherming vitale infrastructuur, bescherming burgers (bijv. infectieziekten), rampenbestrijding, crisisbeheersing, noodhulp en bijstand. Vrede, veiligheid en stabiliteit Mensenrechten, privacy waarborging. Security system reform, bevordering internationale rechtsorde, bestrijding corruptie. Vredesmissies, post- conflictmissies, conflictpreventie. Wederopbouw. Technologie ICT voorzieningen (informatiebeheer). Forensische technologie: DNA, biometrie, e.d. Surveillance- en waarnemingstechnieken. Cybercrime, high tech crime. Een eigenstandige ‘drive’ binnen de mondiale veiligheidsagenda wordt gevormd door ontwikkelingen op het gebied van de technologie. Wetenschappelijke instellingen en bedrijven ontwikkelen nieuwe technologieën waarmee nieuwe methoden in termen van opsporing, handhaving, noodhulp of bescherming mogelijk worden. Uitwisseling tussen verschillende takken van sport op het brede veld van veiligheid leidt ook tot nieuwe toepassingen. Zo kan technologie die ontwikkeld is voor militaire doeleinden ook toegepast worden door de politie of de brandweer.47 Zoals in hoofdstuk 3 al besproken hebben ‘dunne grenzen’ grote voordelen, zoals de EU laat zien. Maar, er zijn ook nadelen. Openheid en vrijheid gaan gepaard met kwetsbaarheid, een permanent dilemma. Steeds opnieuw moet een goede balans gevonden worden. Hoe geringer toezicht en controle, hoe verleidelijker het kan zijn zich niet te houden aan wet- en regelgeving; hoe sterker het toezicht, hoe groter het risico dat fundamentele vrijheden in het gedrang komen.47 Zie bijvoorbeeld: Blauw, 10 oktober 2009 over het gebruik van infrarood camera’s. Zie ook box 23. 44
  • 43. 5.2 ● Samenwerking in grensstreken De meest nabije vorm van internationale samenwerking is te vinden in de grensstreken. De kansen die ontstonden met het grotendeels wegvallen van de nationale grenzen, zijn door burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven met beide handen aangegrepen. Samenwerking is aan de orde op nagenoeg alle maatschappelijke terreinen: wonen, werken, onderwijs, zorg, cultuur, infrastructuur, natuurbescherming, sport, toerisme, innovatie en tegenwoordig ook steeds meer het terrein van veiligheid. Hieruit blijkt dat ook overheidsorganisaties elkaar steeds meer vinden, hoewel grensoverschrijdende samenwerking hier minder vanzelfsprekend is.48 Wat voor Nederland geldt, geldt voor nagenoeg alle binnengrenzen in de EU. Er zijn inmiddels tal van bilaterale of multilaterale overeenkomsten gesloten tussen aangrenzende staten, soms met een breed, soms met een heel specifiek karakter. Een veel gebruikte vorm van grensoverschrijdende samenwerking is de Euregio. In totaal hebben zich maar liefst 160 grensregio’s aangesloten bij de Werkgemeenschap van Europese Grensgebieden. Grensregio’s kunnen hier van eerdere samenwerkingsverbanden leren en zo een gemeenschappelijke aanpak ontwikkelen.49 Langs de Nederlandse grens zijn er in totaal acht (zie onder, kaart 6). Kaart 6. Samenwerkingsverbanden in grensgebieden (www.aebr.net) Grensregio’s kunnen onderling samenwerken op basis van zowel publiek- als privaatrechtelijke overeenkomsten. Sedert 2006 bestaat de mogelijkheid dat landen een zgn. Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking vormen (EGTS). De48 Hierbij speelt de vraag welke overheidslaag het voortouw moet nemen (rijk, provincie, gemeente) en welke speelruimtelagere overheden hebben. In 2008 werd de discussie hierover gevoed door een advies van de Raad voor het Openbaar Bestuuruit mei 2008,  bijlage 1.49 Formeel: Association of European Border Regions (AEBR), opgericht in 1971 in Anholt (daarmee doorgaans aangeduid als deAnholt Overeenkomst). 45
  • 44. Europese Unie heeft daartoe een besluit genomen, dat per land moet worden geïmplementeerd. Hiermee is een verdere stap gezet richting een gelaagd, internationaal bestuursmodel (multi level governance). Voordat er op het gebied van politie en justitie sprake kan zijn van een dergelijke EGTS, dienen er internationale verdragen gesloten te zijn, omdat dit type samenwerking rechtstreeks raakt aan territoriale bevoegdheden. 5.2.1 ● Politiesamenwerking in Nederlandse grensstreken De EU heeft tot een ‘vrije ruimte’ geleid waar ook criminelen graag gebruik van maken. Politie en justitie aan weerskanten van landsgrenzen zijn echter nog sterk nationaal bepaald, waardoor samenwerking zeker niet vanzelf gaat. Dit vraagstuk speelt bij elke binnengrens van de Europese Unie. Bij wijze van voorbeeld wordt hier ingegaan op de Nederlandse grensstreken. Dankzij verdragen met België, Luxemburg en Duitsland is het mogelijk dat de politie tot op zekere hoogte grensoverschrijdend opereert ( box 10 en 11). Politie- functionarissen hebben de bevoegdheid om in bepaalde gevallen in de buurlanden actief te zijn, bijv. bij een achtervolging. Ook kunnen korpsen uit deze landen elkaar rechtstreeks vertrouwelijke politie-informatie toespelen en kan men elkaar desgevraagd bijstand verlenen bij verkeerscontroles of bij evenementen. Zodra men in een ander land opereert, geldt daarbij de wet- en regelgeving van dat land en staat men onder gezag van de autoriteiten ter plekke. Hiermee houdt de politie min of meer gelijke tred met economisch- en sociaal- geografische ontwikkelingen in de grensstreken. Enkele voorbeelden zijn: - het korps Drenthe heeft operationele afspraken gemaakt met Duitse collega’s over het toezicht op het internationale bedrijventerrein Europark Coevorden Emlichheim; - het korps Noordoost-Gelderland werkt nauw samen met de collega’s uit het nabij gelegen Süderwick en deelt daarbij een politiebureau in Dinxperlo; - het korps Midden- en West-Brabant werkt samen met Belgische en Franse collega’s in het tegengaan van het drugstoerisme op en rondom de A16. - in Zuid-Limburg werkt de Nederlandse politie al sedert 1969 op informele basis samen met de Belgische en Duitse politie in de “Niederländisch-belgisch-deutsche Arbeitsgemeinschaft der Polizeien”, afgekort NeBeDeAgPol. In dit gebied werken de provincies Limburg en Luik en de Duitstalige Gemeenschap (B), Limburg-Zuid (N) en de regio Aken (D) samen in de Euregio Maas Rijn, een sterk verstedelijkt gebied met ruim 4 miljoen inwoners. In toenemende mate werken politie, maar ook de openbare ministeries samen in dit gebied. In 2005 werd in Heerlen een gezamenlijk centrum voor politiesamenwerking opgericht: het Euregionaal Politie Informatie en Coördinatiecentrum (EPICC), gefinancierd met behulp van het EU Interregionaal fonds.50 Politiemedewerkers uit de drie landen beschikken over hun eigen, nationale informatievoorziening en kunnen waar relevant informatie onderling delen.51 Een nieuw thema dat zich bij grensoverschrijdende politiesamenwerking aandient, betreft de rol van het openbaar bestuur en (nieuwe) mogelijkheden tot bestuurlijke handhaving van georganiseerde criminaliteit, zoals de Nederlandse Wet integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (BIBOB). Nederland heeft hiermee enige jaren ervaring. Hoewel duidelijk is dat de drie landen in de Euregio Maas Rijn50Dit project is geplaatst binnen het kader van de Euregio Maas Rijn: www.euregio-mr.org .51Tijdens het 40- jarige jubileum van NeBeDeAgPol pleitte de korpschef van Limburg-Zuid ervoor dat politiecollega’s uitDuitsland de Nederlandse politie-informatiesystemen ook zelf zouden moeten kunnen raadplegen. Ook zouden Duitserechercheurs in Nederland verdachten moeten kunnen verhoren zonder de medeaanwezigheid van Nederlandse agenten. 46
  • 45. zich niet op een lijn bevinden, wordt er al wel op gestudeerd en is men bereid van elkaar ’s regelgeving, aanpakken en resultaten te leren.52 Bestrijding criminaliteit in grensstreken kan beter De universiteit van Tilburg heeft in opdracht van de minister BZK een onderzoek gedaan naar de samenwerking van politie en justitie in de grensgebieden en de aard van de criminaliteit. Het onderzoek laat zien hoe de samenwerking tot op heden gestalte krijgt, waar zich de knelpunten voordoen en welke mogelijke oplossingen er zijn. België, Nederland en Duitsland blijken het regelmatig oneens te zijn over prioriteiten in het opsporingsonderzoek. Daar komt bij dat de Nederlandse politie als gevolg van planning en administratieve procedures weinig flexibiliteit aan de dag zou leggen. Een adequate respons op onverwachte zaken is daarmee een probleem. Als er eenmaal afspraken zijn gemaakt, loopt de samenwerking over het algemeen goed, omdat professionals uit de verschillende landen dan de ruimte hebben om samen te werken. Georganiseerde criminaliteit en strafrechtelijke samenwerking in de Nederlandse grensgebieden. Toine Spapens, 2008. Opvallend is dat verschillen in strafwetgeving, opsporingsbevoegdheden en taalproblemen een minder groot probleem vormen, dan verwacht. Wat betreft de aard van criminaliteit blijken er misdaadgroepen actief te zijn die aan beide kanten van de landsgrens misdaden plegen. De handel in verdovende middelen neemt hierin een belangrijke plaats in. Box 10 Het Verdrag van Enschede Vergelijkbaar met het Verdrag van Senningen ( box 11) is per 1 september 2006 het Verdrag van Enschede (Nederland – Duitsland) in werking getreden. Ook hier gaat het om de versterking van mogelijkheden tot het verlenen van onderlinge bijstand met het oog op opsporing, strafvervolging of berechting. Verdrag van Prüm Dit verdrag is op 27 mei 2006 ondertekend door België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Spanje, Frankrijk en Oostenrijk en betreft de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, grensoverschrijdende criminaliteit en illegale migratie. Dit verdrag verruimt de mogelijkheden tot rechtstreekse informatie-uitwisseling. Zo wordt voorzien in de rechtstreekse bevraging van bepaalde categorieën van gegevens op basis van hit / no hit (vingerafdrukken, DNA). Opvallend gegeven is dat diverse andere landen een grote belangstelling tonen om aan te sluiten, waarmee integratie van Prüm in de EU waarschijnlijk snel zal verlopen. Zie verder: www.minbuza.nl/onderwerpen/verdragen.52 Conferentie Bestuurlijke Aanpak van (georganiseerde) criminaliteit, 28 november 2008 te Hasselt. 47
  • 46. Box 11Benelux Unie, proeftuin in de EUOp 17 juni 2008 is een vernieuwd Beneluxverdrag gesloten tussen de drie landen die elkaarreeds 50 jaar daarvoor vonden in een economische unie. In de loop van de jaren was desamenwerking, mede door de komst van de EU, van karakter veranderd en groeide hetaantal beleidsterreinen waarop de Unie actief is. Het thema veiligheid werd daarbij steedsnadrukkelijker geagendeerd. In 2004 werd het Verdrag van Senningen gesloten datoperationele politiesamenwerking mogelijk maakt tussen de drie landen.De drie landen hebben elkaar nodig om in een uitgebreide EU van 27 landen op een breedterrein één stem te kunnen laten horen. De Benelux gaat nieuwe taken vervullen, eennieuwe strategie ontwikkelen en een nieuwe politieke sturing krijgen. Waar de verdereintegratie in EU-verband door de grote verschillen op problemen stuit, is het zaak desamenwerking in kleiner verband te versterken.Er zijn twee hoofddoelstellingen:(1) de Benelux als ‘proeftuin voor Europa’ en(2) uitbreiding van de grensoverschrijdende samenwerking. Daarbij staan drie thema’scentraal: de interne markt en economische unie, duurzaamheid en veiligheid.Deze drie thema’s worden uitgewerkt in een vierjarig gemeenschappelijk werkprogrammadat nadere invulling krijgt in jaarlijkse werkplannen van het Secretariaat -Generaal van deBenelux in Brussel. De Benelux nieuwe stijl telt vijf instellingen: het Benelux Comité vanMinisters, de Benelux Raad, het Benelux- Parlement, het Benelux- Gerechtshof en hetBenelux Secretariaat- Generaal.De uitbreiding van de samenwerking naar meer terreinen dan louter het economischebrengt met zich mee dat de officiële benaming van de Benelux verandert van BeneluxEconomische Unie in Benelux Unie. Het verdrag is voor onbepaalde tijd gesloten. Desamenwerking in de Benelux geldt als een voorbeeld voor andere regionale coalities, zoalsdie in het Oostzee- gebied en de samenwerking tussen de zgn. Visegradlanden (Polen,Slowakije, Tsjechië en Hongarije).In het gemeenschappelijk werkprogramma van de nieuwe Unie wordt op het terrein vanjustitiële en politiële samenwerking gemeld dat, in aansluiting op het Verdrag vanSenningen, gewerkt gaat worden aan:- de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit (bijv. drugsbestrijding);- samenwerking bij crisisbeheersing en rampenbestrijding;- beleid ten aanzien van immigratie en visumaangelegenheden en de bestrijding van illegaleimmigratie;- verkeer en vervoer, Euro Controle Route (ECR); deze operationeel gerichte samenwerkingwordt op een strategisch/tactisch niveau gebracht en verzelfstandigd (grensoverschrijdendehandhaving van de verkeersveiligheid en vervoer van gevaarlijke stoffen);- de bestrijding van fiscale fraude, uitbreiding naar o.a. de vastgoed- en bouwsector. 48
  • 47. Box 12Nieuwe staatkundige verhoudingenHet Koninkrijksstatuut dat de relatie tussen Nederland, Aruba en de Nederlandse Antillenregelt, zal binnenkort plaats maken voor nieuwe afspraken. Curaçao en St. Maarten zullen,net als nu al het geval is voor wat betreft Aruba, verder gaan als zelfstandige landen binnenhet koninkrijk. Bonaire, St. Eustatius en Saba krijgen de positie van bijzondere gemeenten.Op 15 december 2008 is hierover een akkoord getekend op de Ronde Tafel Conferentie inWillemstad te Curaçao. Het akkoord bevat onder meer afspraken over politie enrechtshandhaving. Ook wordt gezorgd voor een gezonde startpositie van de eilanden, doorafspraken over goed begrotingsbeleid, financieel beheer en toezicht. In ruil voor toezicht oprechtshandhaving en overheidsfinanciën, saneert Nederland 70% van de Antilliaansestaatsschuld. Momenteel wordt er gewerkt aan de verdere invulling van de akkoorden en denieuwe staatkundige structuur.In juni 2009 is door het kabinet een wetsvoorstel vastgesteld dat er op gericht is om opBonaire, Sint Eustatius en Saba te komen tot één politieorganisatie en éénbrandweerorganisatie. De minister van BZK zal in beide gevallen fungeren als debeheerder. De drie gezaghebbers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba blijvenverantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en houden het bevel over debrandweer. Ook komt er één meldkamer voor politie, brandweer en ambulancezorg voor dedrie eilanden samen. De eilanden bereiden zich momenteel voor op de beoogdeveranderingen. De Nederlandse politie en de brandweerregio Haaglanden ondersteunen deplaatselijke politie en brandweer met een verbetertraject. Ook de Koninklijke marechaussee(Kmar) is betrokken bij het veiligheidsbeleid en zal dat ook in de toekomst blijven doen. Zoregelt het voorstel ook dat de Kmar permanent politietaken gaat uitvoeren op Saba en SintEustatius.De samenwerking van Nederland, Curaçao en St. Maarten op het terrein vancriminaliteitsbestrijding wordt versterkt. In het jaarlijks overleg tussen de ministers vanJustitie van de nieuwe landen Curaçao, Sint Maarten en Nederland voor de BES eilanden,zal het beleid voor opsporing en vervolging voor zwaardere misdrijven wordengecoördineerd. Verder zijn er afspraken gemaakt over samenwerking op het terrein van hetvreemdelingenbeleid, ondermeer om illegale immigratie, mensenhandel en mensensmokkeltegen te gaan.Het ministerie van BZK kondigde in oktober 2009 aan dat op 10 oktober 2010 (10-10-10)het land de Nederlandse Antillen wordt opgeheven. 49
  • 48. 5.3 ● Samenwerking in de EU Sedert het Verdrag van Maastricht (1992) komt het EU-beleid op JBZ-terrein stap voor stap van de grond. De EU beoogt een ‘Ruimte voor Vrijheid, Veiligheid en Rechtvaardigheid’ te zijn. De contouren hiervan staan vermeld in paragraaf 5.3.1. In het najaar van 2009 is het derde vijfjaren programma ontwikkeld onder voorzitterschap van Zweden. Dit krijgt de aandacht in paragraaf 5.3.2. Stap voor stap komen er ook gedeelde uitvoeringsorganisaties tot stand op terreinen als politie, grensbewaking, justitie, fraudebestrijding en onderwijs. In paragraaf 5.3.3 worden de meest in het oog springende voorbeelden vermeld. De prioriteiten op de JBZ -agenda zijn vermeld in paragraaf 5.3.4. 5.3.1 ● Ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid In de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ- Raad) komen de ministers van deze beleidsterreinen bij elkaar. In eerste instantie had de samenwerking een strikt intergouvernementeel karakter, vanwege de soevereiniteit van lidstaten. Na verloop van tijd zijn diverse onderwerpen alsnog verschoven naar de eerste pijler. In het Verdrag van Amsterdam (1997; in werking per 1 mei 1999) is vastgelegd dat de EU ernaar streeft een “Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid” te worden. Alleen de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken bleef vallen onder de derde pijler. Het voorkomen en bestrijden van racisme en vreemdelingenhaat werd als nieuw onderwerp toegevoegd aan de derde pijler. In 2009 liep het tweede vijfjaren programma op het JBZ- terrein af (het Haags Programma). Sedert 2006 heeft de Europese Commissie de uitvoering van het Haags Programma gevolgd, zowel op EU-niveau als op het niveau van de lidstaten (‘scoreboard’). In juni 2009 publiceerde de Commissie hiervan een verslag.53 Daarbij is ook gerapporteerd over latere aanvullingen op het programma, w.o. het drugsactieplan en het actieplan ter bestrijding van terrorisme. Uit het verslag blijkt dat fundamentele waarden met betrekking tot justitie, vrijheid en veiligheid soms op gespannen voet staan met onverwachte en tragische gebeurtenissen, zoals terroristische aanslagen (Londen, Madrid) en de dood van duizenden immigranten die proberen het grondgebied van EU te bereiken via de Middellandse Zee ( paragraaf 5.3.4). Ook had de toetreding van een reeks van landen in Oost- Europa vergaande consequenties voor de uitvoering van het programma. Vertraging in de uitvoering is verder veroorzaakt doordat het Grondwettelijk Verdrag werd afgewezen en pas zeer recent het Verdrag van Lissabon door de lidstaten werd geratificeerd ( paragraaf 4.2). In het rapport wordt ingegaan op de volgende hoofdonderwerpen: - vrijheid  bescherming grondrechten, burgerschap, het gemeenschappelijk asielstelsel, migratie en integratie, grensbeheer, visumbeleid; - veiligheid  terrorisme, politiële samenwerking, georganiseerde criminaliteit, de Europese drugsstrategie; - rechtsbedeling  justitiële samenwerking in strafzaken, vergemakkelijken grensoverschrijdende burgerlijke procesvoering, wederzijdse erkenning; - buitenlandse betrekkingen  mensenrechten, aanpak falende overheden, terrorisme. Ter voorbereiding van de periode 2010-2014 heeft de Europese Commissie rekening willen houden met de belangen van burgers, de toenemende gevolgen van globalisering en de voortdurende technologische ontwikkeling. De Commissie heeft daartoe o.a. een brede openbare raadpleging gehouden. Burgers zijn hierin bevraagd53 Het rapport en bijlagen zijn te downloaden op http://ec.europa.eu/prelex/detail_dossier_real.cfm?CL=nl&DosId=198332. 50
  • 49. op hun opvattingen omtrent burgerrechten en burgerschap, het immigratiebeleid voor Europa, het asielstelsel, de bescherming van de buitengrenzen, de komst van een samenhangende justitiële ruimte in burgerlijke zaken en in strafzaken, politiële samenwerking, de bestrijding van terrorisme en specifieke vormen van criminaliteit en drugsbestrijding en nieuwe technologieën. Daarnaast werden twee zgn. future- groepen ingesteld: Home Affairs en Justice. Deze twee groepen werkten los van elkaar. De eerste groep leverde medio 2008 een rapport op met de titel ‘Freedom, Security and privacy, European Home Affairs in an open World’. De tweede een rapport met de titel: ’Proposed solutions for the Future EU Justice Programme’ ( box 13). 5.3.2 ● Het Stockholm Programma In de tweede helft van 2009 verzorgde Zweden het voorzitterschap van de EU. Eén van de prioriteiten betrof de opstelling van een nieuw vijfjaren programma voor politie en justitie.54 Het nieuwe Stockholm Programma is de opvolger van twee eerdere vijfjaren programma ’s, te weten het Tampere programma en het Haags Programma. In het nieuwe Stockholm Programma staat de burger centraal. In de woorden van Commissaris Barrot op 10 juni 2009: ‘Nu moeten we de burger centraal stellen en bewijzen dat de EU meerwaarde biedt op gebieden die van groot belang zijn voor het dagelijks leven van de burger. Burgers willen leven in een welvarende en vreedzame EU waarin hun rechten worden geëerbiedigd en hun veiligheid wordt beschermd. Zij willen vrij kunnen reizen en kunnen besluiten om zich tijdelijk of permanent in een ander land te vestigen om daar te studeren, te werken, een gezin te stichten, een onderneming op te richten of van hun pensioen te genieten. Zij willen gemakkelijk toegang tot de rechter, rechterlijke beslissingen van de ene lidstaat laten uitvoeren in de andere, en beschermd worden tegen allerlei bedreigingen (georganiseerde criminaliteit, terrorisme). Daarom moeten politie en justitie van de lidstaten beter samenwerken. Een nieuwe strategie voor politie en justitie Op voorstel van Zweden is een integraal pakket van beleidsmaatregelen vastgesteld met betrekking tot het brede terrein van politie en justitie. Dit pakket is geaccordeerd op de JBZ-Raad van 30 november en 1 december 2009 onder de titel “The Stockholm Programme. An open and secure Europe serving and protecting the citizens” en vervolgens vastgesteld op de Europese Raad van 10 en 11 december 2009. De verdere uitwerking volgt uiterlijk in juni 2010. Daarin zal o.a. specifieke aandacht geschonken worden aan opleiding en training. Uit het programma blijkt dat de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon ( paragraaf 4.3) diverse nieuwe mogelijkheden voor beleidsontwikkeling biedt. Hieronder volgen de politieke hoofdpunten van het programma: - voorop staat het belang van een goede balans tussen de bescherming van de staat (de lidstaten, de Unie) en zijn belangen en de fundamentele rechten van54 Andere prioriteiten betroffen de aanpak van de financiële crisis, het wereldklimaat (vermindering van de uitstoot vanbroeikasgassen in verband met de opwarming van het wereldklimaat en de bijdrage van de EU hierin), de ontwikkeling vaneen nieuwe strategie voor het Oostzee-gebied en nieuwe stappen met betrekking tot verdere uitbreiding van de EU en hetaangaan van partnerships met naburige gebieden, zowel ten oosten, als ten zuiden van de EU ( paragraaf 4.1). 51
  • 50. individuen. Er moet meer uitgegaan worden van het individu, niet alleen van burgers, maar ook van andere personen voor wie de EU een verantwoordelijkheid draagt (promoting citizenship and fundamental rights). Dataprotectie en het recht op privacy zijn daarmee belangrijk aandachtspunten, als ook de bescherming van kwetsbare groepen in de samenleving. Naast rechten van slachtoffers, moeten ook rechten van verdachten ten volle meewegen; - de EU moet zich ontwikkelen tot ‘a Europe of law and justice’ en voorbij de huidige fragmentatie zien te geraken. Met respect voor de tradities van lidstaten wordt er ingezet op de verdere ontwikkeling van een Europese justitiële cultuur, een grotere bekendheid van burgers met verschillen en overeenkomsten, een betere toegankelijkheid van procedures en een meer efficiënte samenwerking tussen justitiële instanties. De verwachting bestaat dat nieuwe ICT- voorzieningen (e- Justice) hierbij behulpzaam zullen zijn. Waar nodig zullen initiatieven genomen worden om te komen tot een ‘kern van gemeenschappelijke minimum regels’; - de vergrijzing van de Europese bevolking maakt arbeidsimmigratie noodzakelijk, ook al is er nu tijdelijk ten gevolge van de economische crisis sprake van werkloosheid (‘Access to Europe in a globalized world’). De EU staat op het standpunt dat op wereldschaal bezien migratie positief samenhangt met ontwikkeling ( paragraaf 3.2.1); - niet-geregelde migratie moet echter worden tegengegaan, zonder dit het ten koste gaat van het asielrecht. Er wordt een gezamenlijk vluchtelingenbeleid beoogd (procesgang en criteria); dit vindt plaats onder de noemer ‘a Common European Asylum System (CEAS). Om het beleid verder handen en voeten te geven komt er in Valetta (Malta) het European Asylum Support Office (EASO) dat ook aandacht zal schenken aan het opleiden van verantwoordelijke ambtenaren; - de EU gaat een interne veiligheidsstrategie ontwikkelen gericht op het verder versterken van de samenwerking in ‘law enforcement, border management, civil protection, disaster management as well as judicial cooperation in criminal matters’. Deze strategie staat niet op zichzelf, maar wordt in een direct verband gezien met het extern georiënteerde veiligheidsbeleid en het beleid gericht op de interne markt ( paragraaf 4.2). Enkele meer specifieke punten betreffen: - de internationale samenwerking in de strijd tegen georganiseerde misdaad moet effectiever qua uitwisseling van informatie en kennis van zaken bij betrokken functionarissen en organisaties. Eurojust, Europol, Frontex hebben hierin een belangrijkere rol ( paragraaf 5.3.3), alsook het EU Grondrechten Agentschap ( paragraaf 4.1); - er wordt grotere prioriteit gegeven aan opleidingen en training; er komen European Training Schemes en ook de uitwisseling van politiefunctionarissen tussen lidstaten wordt bevorderd55; daarnaast moet er in de bestaande nationale curricula structurele aandacht komen voor de EU en voor aspecten van internationale samenwerking; CEPOL heeft een sleutelrol bij de training van politiepersoneel; - er komt een verplichte EU- brede accreditatie van forensische laboratoria voor DNA en vingerafdrukken; - de controle aan de buitengrenzen wordt versterkt (‘integrated border management’); er wordt extra prioriteit gegeven aan het nieuwe Schengen Informatie Systeem (SIS II) en het Visa Informatie Systeem (VIS);55 Er wordt gewerkt aan de opzet van een Erasmus- programma voor politie en justitie, naar analogie van het gelijknamigeuitwisselingsprogramma met betrekking tot het reguliere onderwijs dat al vanaf 1987 bestaat. Zie:http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-programme/doc80_en.htm. Een dergelijk programma kan bijdragen aan hetonderlinge begrip van de onderscheiden systemen in de lidstaten, het onderlinge vertrouwen en aan de effectiviteit vansamenwerking. Aan CEPOL is het verzoek gedaan om een voorstel te ontwikkelen voor een tweejarige pilot ‘Erasmus Police2011-2012’. 52
  • 51. - er komt betere regelgeving gericht op de bestrijding van mensenhandel en het seksueel misbruik van kinderen; - voortdurende alertheid blijft geboden in de strijd tegen radicalisering en terrorisme; de EU heeft in dit verband afspraken gemaakt met de Verenigde Staten over het delen van financiële verkeersgegevens; 56 - de capaciteit van de EU bij het managen van crises en rampen is de afgelopen jaren toegenomen, maar verdergaande samenwerking is nodig, zowel in termen van preventie en voorbereiding, als van aanpak. Daarbij is speciale aandacht geboden voor chemische, biologische, radiologische of nucleaire risico’s. Bij de opstelling van het nieuwe programma is rekening gehouden met kritische contrabeschouwingen van de zijde van bijv. Statewatch (  box 13) en van Amnesty International. De kern van deze kritiek is dat de roep om steeds meer informatie van burgers, reizigers en migranten onder de noemer van de strijd tegen criminaliteit, terrorisme en illegale migratie, leidt tot een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de Europese burgers en tot grote risico’s voor migranten en asielzoekers. In Nederland is vergelijkbare zorg uitgesproken door de Commissie Meijers, een permanente commissie van deskundigen in het internationaal vreemdelingen -, vluchtelingen- en strafrecht. Box 13 Statewatch (www.statewatch.org) is een non-profit organisatie van vrijwilligers opgericht in 1991, waaraan actief wordt bijgedragen vanuit 17 landen. Statewatch bevordert onderzoeksjournalistiek en kritisch onderzoek op de terreinen van de staat, justitie en binnenlandse zaken, burgerrechten, accountability en transparantie. Uitvoerige aandacht is er voor aspecten van politie en justitie. In een kritische bespreking van de Future reports door Statewatch wordt de vinger gelegd bij de voortgaande ondermijning van privacy, ten dienste van de bevoegdheden van veiligheidsorganisaties, waaronder de politie, en het grote gebrek aan democratische controle. Het beleid gericht op de uitwisseling van relevante data tussen landen, laat zien dat de EU niet zozeer uit is op harmonisatie van wet- en regelgeving, maar meer verwacht van het faciliteren van diensten in heel Europa in termen van training, middelen en ICT. 5.3.3 ● Uitvoeringsorganisaties In de loop van de jaren zijn er op EU-niveau diverse uitvoeringsorganisaties ontstaan op het gebied van politie en justitie. De taken en bevoegdheden zijn voortdurend onderwerp van bespreking. Waar het accent aanvankelijk lag bij het verzamelen van relevante informatie, visievorming en het bevorderen van de onderlinge communicatie, ontwikkelt zich mettertijd een meer operationeel takenpakket. Het accent ligt daarbij ten eerste op het ondersteunen van nationale uitvoeringsorganisaties, mettertijd zullen ook meer zelfstandig initiatieven worden genomen. Steeds is daarbij de vraag aan de orde of een activiteit op EU-niveau moet worden aangepakt of dat dit beter op een nationaal niveau kan plaatsvinden. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zullen met name de organisaties die onder de derde pijler staan geordend (Europol, Eurojust, EPCtf, CEPOL) herijkt worden qua positionering, aansturing en taakopdracht. Vooralsnog is de situatie zoals deze hieronder is geschetst.56 Het kader hiervoor, de zgn. SWIFT- overeenkomst, is omstreden. Op 11 februari 2010 werd een verlenging van de bestaande,tijdelijke overeenkomst verworpen door het Europees parlement. 53
  • 52. Op de top van Maastricht (1992) is besloten tot de oprichting van Europol, een gezamenlijke dienst ter bestrijding van zware internationale criminaliteit. De hoofdvestiging van Europol bevindt zich in Den Haag.In eerste instantie lag de nadruk op drugscriminaliteit; de laatste jaren is Europolechter actief op vele terreinen, inclusief de bestrijding van het internationaleterrorisme. Onder de paraplu van Europol wordt het Europees Informatie Systeem(EIS) opgebouwd. De eerste fase voor wat betreft de aansluiting van Nederland isafgerond. Het KLPD kan nu via Europol geautomatiseerd gegevens uitwisselen metandere Europese politiediensten. Bepaalde informatie is geprioriteerd, zoals DNA,vingerafdrukken, IP-adressen, kentekens, e.d. De juridische kaders in Nederland zijnmet de nieuwe Wet Politiegegevens in lijn met de technische mogelijkheden.Niettemin worden er ook vragen gesteld over de mogelijke risico’s die gepaard gaanmet het ongehinderd delen van informatie, zeker als dit ook in het wijdere verbandvan Interpol zou gaan gebeuren ( box 8). Europol ondersteunt de beleidsvorming opJBZ-terrein met specifieke producten ( par. 5.3.4).De behoefte aan meer samenwerking op justitieel gebied leidde in 1998 tot deoprichting van het Europees Judicieel Netwerk (EJN). Dit netwerk van nationalecontactpunten ondersteunt de justitiële samenwerking in strafzaken, in het bijzondermet betrekking tot de georganiseerde misdaad. Inmiddels is dit ondergebracht inEurojust, de justitiële pendant van Europol. In 2002 werd Eurojust opgericht om de coördinatie tussen de bevoegde justitiële instanties van de EU-landen te verbeteren bij onderzoek en vervolging van ernstige internationale en georganiseerde criminaliteit. Evenals Europol is Eurojust gevestigd in Den Haag.Ook beoogt Eurojust de samenwerking tussen bevoegde instanties te verbeteren, inhet bijzonder door het vergemakkelijken van de internationale rechtshulpverlening enhet uitvoeren van Europese aanhoudingsbevelen. Het is de bedoeling dat doorEurojust de nationale opsporings- en vervolgingsinstanties doeltreffender gaanoptreden tegen ernstige internationale en georganiseerde criminaliteit zoalsterrorisme, mensenhandel, drugshandel, fraude en witwaspraktijken. In Eurojustwerkt een team van rechters en officieren van justitie samen uit alle EU –lidstaten,inmiddels ook inclusief Bulgarije en Roemenië. Daarnaast hebben een aantal landenverbindingsofficieren gestationeerd, te weten de VS en Noorwegen. Voorts zijn ookandere landen betrokken als specifieke zaken dat vergen. Eurojust moet desamenwerking met andere EU-organen zoals EJN, Europol, OLAF (zie onder)verbeteren en hun inbreng bij strafrechtelijk onderzoek coördineren.In 1999 werd tijdens de top van Tampere besloten tot de oprichting van een taskforcevan Europese politiechefs: de European Police Chiefs Task Force (EPC tf). Dooronderlinge afstemming en samenwerking zouden de politieorganisaties van deverschillende EU-lidstaten grensoverschrijdende, operationele activiteiten kunnengaan oppakken, zoals grootschalige verkeerscontroles. Daarnaast vormt de taskforce 54
  • 53. een platform van waaruit de politiek verantwoordelijke instanties geadviseerd kunnen worden. Onder Nederlandse voorzitterschap (2004) is het initiatief genomen de positie van de EPC tf verder te versterken. Enerzijds door de samenwerking met Europol te versterken en anderzijds door de taskforce een meer formele, strategische adviesbevoegdheid te geven, in relatie tot de JBZ-raad.57 Een belangrijk middel daartoe is COSPOL: Comprehensive Operational Strategic Planning for the Police dat geïntroduceerd werd in het Haags Programma. Eveneens opgericht in 1999 is het Europees Bureau voor Fraudebestrijding, OLAF (Office Européen de Lutte Antifraude, pijler 1). Dit bureau werkt nauw samen met allerlei partners, zoals Europol en Eurojust, ministeries van financiën in de lidstaten (belastingen, douane), bijzondere opsporingsdiensten, nationale politieorganisaties, openbare ministeries, e.d. Speciale aandacht gaat uit naar landen in Oost- Europa, in het bijzonder Roemenië en Bulgarije. Belastingfraude, fraude met subsidiegelden en EU-fondsen, smokkel (bijv. sigaretten), valsemunterij, vormen belangrijke aandachtsgebieden. Deels voert Olaf eigen onderzoek uit, deels wordt coördinatie en bijstand geboden. Met het oog op het bewaken van de buitengrenzen van de Europese Unie is in mei 2005 onder pijler 1 het Europees Agentschap voor Beheer van de Buitengrenzen (FRONTEX) opgezet met als hoofdvestiging Warschau ( paragraaf 5.3.4). De Europese Politieacademie werd in 2005 opgericht. CEPOL staat voor "Collège européen de police". Formeel betreft het een agentschap van de Europese Unie, maar feitelijk fungeert het als een netwerkorganisatie. Het bureau van CEPOL is gevestigd in Bramshil in het Verenigd Koninkrijk. Jaarlijks organiseert CEPOL tientallen opleidingen, seminars en conferenties, met name voor hogere leidinggevende politiefunctionarissen De activiteiten worden verzorgd door de nationale politiescholen van de lidstaten. CEPOL brengt politiemensen met elkaar in contact ter bevordering van grensoverschrijdende politiesamenwerking.57 Hiermee is de formele lijn getekend. Nederland wordt hierin vertegenwoordigd door de portefeuillehouder internationaalvan de RHC, tevens korpschef van het KLPD. Daarnaast is er een informeel netwerk van chiefs of police of capital cities of Europe.Hieraan neemt de korpschef Amsterdam Amstelland deel ( paragraaf 6.1) . 55
  • 54. Box 14 Invloed versus speelruimte CEPOL is een formeel orgaan van de EU en heeft daarmee enerzijds meer invloed, maar anderzijds minder eigen speelruimte. Om nieuwe initiatieven door te kunnen zetten, is een soms langdurige besluitvormingsprocedure noodzakelijk. Meer speelruimte is er binnen het al oudere samenwerkingsverband van de AEPC. Meer op Amerikaanse leest geschoeid is het verband van de IACP, waarbij ook de belangen van bedrijven veel ruimte krijgen. In 1996 werd de AEPC (Association of European Police Colleges) opgericht, op initiatief hiertoe van de Police Staff College te Bramshil (GB), het LSOP (NL) en de Polizei Führungsakademie in Munster. Lange tijd voerde de Politieacademie in Nederland het secretariaat van de AEPC; sinds kort is het secretariaat in Oostenrijkse handen. De AEPC telt 45 leden (colleges) uit 37 staten en heeft hiermee een groter geografisch bereik dan CEPOL. De AEPC fungeert momenteel als partner (en onderaannemer) van CEPOL. Opgericht in 1893, is de International Association of Chiefs of Police erop gericht de arts and science van het politiewerk te ontwikkelen en inzichten, methodieken en technieken wereldwijd te verspreiden door middel van opleiden en training. Het IACP streeft hierin global leadership’ na. In 2007 werd het jaarlijkse congres gehouden in Amsterdam. De minister van BZK hield hier een toespraak ( box 22).58 5.3.4 ● EU Veiligheidsagenda: prioriteiten Kijken we naar het overzicht van mondiale veiligheidsthema’s ( box 9), dan blijkt dat niet alle thema’s even prominent in beeld komen in het EU-beleid. Opvallende zaken betreffen de migratie die zich richt op de EU en hoe de Unie daarmee omgaat, de strijd tegen de internationale, georganiseerde criminaliteit en de keuzes die daarbij worden gemaakt, als ook het belang van een goede informatie- en intelligence- voorziening, mede met het oog op dreigingen van radicalisme en terrorisme. FRONTEX, poortwachter van Fort Europa? In 2005 startte Frontex met zijn werkzaamheden (Frontex is afgeleid van Frontières extérieures oftewel buitengrenzen). Dit agentschap van de EU dient in samenwerking met nationale partners de buitengrenzen van de EU, alsmede die van de overige ondertekenaars van het Schengen –akkoord te bewaken.59 De EU is een populaire bestemming van migranten vanuit de gehele wereld. Hoewel de Unie streeft naar een belangrijke mate van openheid voor migranten van buitenaf, is niet iedereen even welkom. Welkom zijn migranten van buiten de EU indien zij een bijdrage kunnen leveren aan de economie of een huwelijkspartner hebben gevonden58 In 2008 ontvingen het korps Groningen en de vts PN een prijs op het IACP- congres voor het project Attenderingsservice, ookwel bekend als PDA -Alert. Deze zakcomputer voorziet de politiemedewerker op straat van actuele informatie over panden enpersonen. De grote kracht van het systeem is dat het de agent op straat helpt om informatiegestuurd te werken. JaarverslagNederlandse Politie 2008. Voor een impressie van het IACP 2009 congres zie: Tijdschrift voor de Politie, november 2009: 29.59 Dat wil zeggen: Noorwegen en IJsland. Gegeven de ligging van Zwitserland is dat daar niet aan de orde. 56
  • 55. binnen de EU. Daarnaast kunnen ook politiek vluchtelingen onder bepaaldevoorwaarden een formele status verkrijgen. Andere migranten heten ‘illegaal’.Speciale aandacht gaat daarbij uit naar mensensmokkel en mensenhandel.Frontex heeft een belangrijke taak bij het reguleren van het personenverkeer en hettegengaan van illegale immigratie. In 2008 nam het aantal illegalegrensoverschrijdingen verder toe. Vooral de instroom van over zee is niet gemakkelijktegen te gaan. Deze richtte zich de afgelopen jaren bijv. op het Italiaanse eilandLampedusa, de Griekse eilanden voor de kust van Turkije en de Canarische Eilanden.De onderstaande kaart toont een aantal belangrijke operaties die door Frontex werdengecoördineerd.Kaart 7. Belangrijke operaties FrontexDe illegale migratie over land is groot bij Albanië en bij Ceuta en Melilla (Spaanseenclaves aan de Afrikaanse noordkust). Dit geldt minder voor de oostgrens van deEU. Frontex coördineert de operationele samenwerking tussen lidstaten op het gebiedvan het beheer van de buitengrenzen, helpt bij het opleiden van grenswachten, voertrisicoanalyses uit en staat de lidstaten bij als er extra technische en operationelebijstand nodig is. Ook ondersteunt Frontex bij gemeenschappelijketerugkeeroperaties.Organisaties in Nederland die nauw samenwerken met Frontex zijn de KoninklijkeMarechaussee, de Zeehavenpolitie (onderdeel korps Rotterdam Rijnmond), de douaneen bijzondere opsporingsdiensten zoals de Algemene Inspectiedienst (onderdeelministerie van LNV). Met deze samenwerking beoogt Frontex bij te dragen aan dealgehele samenhang in het beheer van de buitengrenzen van de EU (‘geïntegreerdgrensbeheer’).Vanuit diverse NGO ’s, zoals Amnesty International wordt aanhoudende kritiek geuitop Frontex en het EU migratiebeleid en wordt gewezen op menselijke drama’s bijovertochten over zee, maar ook in de opvangkampen die met behulp van Frontex zijn 57
  • 56. opgezet in landen als de Oekraïne.60 In een recent bericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) komt naar voren dat er op kleine schaal radicalisering is waar te nemen in kringen van actievoerders, wat gepaard gaat met geweld en vernielingen.61 Illegale migratie, mensensmokkel en mensenhandel Gegeven de enorme verschillen in welvaart en toekomstperspectieven in de Wereld, heeft Europa zich ontwikkeld tot een aantrekkelijk vestigingsgebied voor legale, maar ook voor illegale migranten.62 Hetzelfde geldt voor landen als de Verenigde Staten en Australië. Waar deze High Income Countries ( paragraaf 3.2 en kaart 3) tot op zekere hoogte open staan voor goed opgeleide migranten en voor politieke vluchtelingen, zijn ‘economische vluchtelingen’ of ‘gelukszoekers’ niet zonder meer welkom. Tegelijk blijft de migratiedruk groot. Zorgen over de beperkte integratie- mogelijkheden van deze migranten en de geringe economische inzetbaarheid leiden tot een strenger asiel- en visumbeleid. Een vergelijkend, historisch besef is hier op zijn plaats. In ‘Het land van aankomst’ (2007) laat Paul Scheffer zien hoe migratiegeschiedenissen algemene patronen tonen, die een beter begrip mogelijk maken van wat er nu aan de hand is in Europa en meer specifiek Nederland.63 Sommige illegale migranten bereiken hun doel op eigen kracht en weten op ingenieuze wijze een bestaan op te bouwen. Zolang men beschikt over een min of meer geregeld eigen inkomen, geen criminele activiteiten ontplooit, is er weliswaar sprake van een niet-geregelde situatie, maar tot veel problemen hoeft dit niet te leiden, niet voor de migrant in kwestie en ook niet voor het land van aankomst. Menig land heeft via zgn. pardonregelingen bepaalde categorieën illegale migranten alsnog een legale positie gegeven. Niet zelden verkeren illegale migranten echter in een afhankelijkheidspositie doordat men gebruik gemaakt heeft van tussenpersonen en handelaren. Wie daarvoor de middelen heeft, kan zich tegen betaling laten smokkelen naar een EU-land. Soms gaat dit met grote sommen geld gepaard en ontstaat hierdoor een afhankelijkheidsrelatie, waar misbruik van gemaakt kan worden. Hierdoor kunnen mensen terechtkomen in de gedwongen prostitutie of wordt men anderszins uitgebuit, bijv. in de tuinbouw, in kledingateliers, de horeca of in huishoudelijke dienstverlening. Het onderscheid tussen mensensmokkel en mensenhandel is niet gemakkelijk te maken. Mensenhandel is aan de orde, als mensen onder valse voorwendselen of onder dwang terechtkomen in een afhankelijkheidssituatie waarin ze worden uitgebuit. Feitelijk is dan sprake van een positie van slavernij. Vanzelfsprekend is de gang naar de politie niet gemakkelijk. De bewegingsvrijheid is veelal beperkt, maar men is ook beducht voor het risico van uitzetting en gedwongen terugkeer naar het land van herkomst. Mensenhandel, mensensmokkel, maar ook illegale migratie in het algemeen wordt samengevat onder de noemer migratiecriminaliteit. Specifieke aandacht gaat daarbij uit naar identiteitsfraude. De grote aandacht hiervoor, alsmede het verder optrekken van de buitengrenzen van de EU, kan gezien worden als de logische consequentie van het verdrag van Schengen.60 Andere actiegroepen en NGO’s die de toestand aan de grenzen van ‘Fort Europa’ aan de kaak stellen:http://www.migreurop.org; http://www.noborder.org; http://www.transitmigration.org/migmaphttp://sanspapier.eu.ouvaton.org; http://www.united.non-profit.nl/pages/fatalrealitycamp.htm;http://fortresseurope.blogspot.com.61 Het vuur van het verzet. Groeiende weerstand tegen het Nederlandse asiel- en vreemdelingenbeleid. AIVD, oktober 2009.62 Op 18 oktober 2009, de Europese Dag tegen de mensenhandel, meldt VN organisatie UNODC (de organisatie tegen misdaaden drugs) dat er jaarlijks ongeveer 270.000 mensen worden verhandeld in de EU, waarvan 10% minderjarig ( paragraaf 5.4.2).63 Een samenvatting van dit boek is opgenomen in: Aspecten van Multiculturaliteit. Politieonderwijsraad, juni 2008. 58
  • 57. In het OCTA 2008 ( zie onder) is vermeld dat migratiecriminaliteit een grootprobleem vormt. Nederland zou daarbij ten gevolge van de geografische ligging hetrisico lopen het ‘distributiecentrum’ van Noordwest Europa te worden. Diverseinstanties houden zich met deze problematiek bezig, zoals:- het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel, waarin de nationale recherche, de immigratie- en naturalisatiedienst, de Koninklijke marechaussee en de Sociale Informatie- en Opsporingsdienst samenwerken;- de Taskforce Aanpak Mensenhandel, die op hoog niveau beleidscoördinatie nastreeft onder voorzitterschap van het OM;- de Nationaal Rapporteur Mensenhandel;- nieuwe (project) afdelingen binnen de politiekorpsen waarin doorgaans medewerkers vreemdelingenpolitie en zedenpolitie samenwerken. Er zijn drie proeftuinen gestart binnen het kader van het Programma Aanpak Versterking Georganiseerde Misdaad ( paragraaf 6.2);- via Misdaad Anoniem worden burgers opgeroepen verdachte situaties te melden.Het Coördinatiecentrum Mensenhandel (tot 2008: Stichting tegen vrouwenhandel) probeert zoveelmogelijk informatie te verzamelen over de landen waar de slachtoffers vandaan komen. CoMenshaverzamelt informatie over wet- en regelgeving ten aanzien van prostitutie en mensenhandel in landenvan herkomst, maar ook over betrouwbare NGO’s en de mogelijkheden voor cliënten die terugkeren omeen nieuw leven op te bouwen. Zie verder: www.comensha.nl.Georganiseerde criminaliteit in de EU (OCTA 2008) Jaarlijks produceert Europol het Organised Crime Threat Assessment (OCTA). In Nederland vindt dit vierjaarlijks plaats onder regie van het KLPD ( hoofdstuk 6).Het OCTA benoemt de voornaamste risico’s voor de EU en maakt daarbij eenonderscheid in vijf geografische gebieden in Europa. In elk van deze gebieden 59
  • 58. bevinden zich zwaartepunten van criminele activiteiten en organisaties: criminal hubsgenoemd.De noordwestelijke hub heeft als zwaartepunt Nederland en België en kenmerkt zichdoor de aanwezigheid van grootschalige transport infrastructuur, een bloeiendeeconomie, multi-etniciteit, verschillende belastingregiems en een centrale liggingbinnen de EU. In deze hub gaat het overwegend om de handel in en productie van soften hard drugs. Nederland vormt een belangrijk distributiecentrum voor zowel cocaïne(afkomstig uit Zuid-Amerika) en heroïne (uit Turkije) en is samen met België’s werelds grootste XTC producent. Daarnaast geldt Nederland als een belangrijkknooppunt voor illegale immigratie gericht op Groot-Brittannië en Ierland. Bepaaldeetnische groeperingen bieden goede mogelijkheden voor criminele netwerken en ookde contacten met voormalige koloniale gebieden blijken nog steeds vitaal.De noordoostelijke hub betreft globaal gesproken het Oostzeegebied met eenzwaartepunt in de Baltische staten (meer in het bijzonder Litouwen). Van hieruitwordt de brug geslagen tussen de EU en criminele organisaties in landen als Rusland,Wit-Rusland, Moldavië en de Oekraïne. Enerzijds gaat het om de handel in heroïne,grondstoffen voor synthetische drugs en sigaretten, anderzijds om mensenhandel en –smokkel. Tegelijkertijd fungeert de hub als een exportkanaal voor XTC, cocaïne encannabisproducten.De zuidoostelijke hub betreft de Balkan en de gebieden die daaromheen gelegen zijn.Een belangrijk verschil met de andere hubs is dat diverse landen hier geen lid zijn vande EU en voor zover men dat wel is, dateert dat van recente datum (met uitzonderingvan Griekenland). Dit gebied speelt een centrale rol op het terrein vanmensensmokkel en – handel, de handel in drugs en gestolen voertuigen en heeftrelaties binnen de gehele EU. In het gebied is sprake van bloeiende zwarte handel,vooral vanwege de grote schaarste aan soms de meest elementaire goederen. Metname de Albanese georganiseerde criminaliteit blijkt zich gemakkelijk van de ene naarde andere vorm van illegale handel te bewegen ( paragraaf 3.2.3). Ook Roemeenseorganisaties blijken flexibel en EU- wijd te opereren. De haven van Constanza aan deZwarte Zee is een belangrijke internationale hub voor allerlei vormen van illegalehandel en is bovendien moeilijk te controleren.De zuidwestelijke hub betreft het Iberisch schiereiland, grote delen van Frankrijk enNoord- Italië. Deze hub onderhoudt nauwe banden met Latijns-Amerika enNoordwest-Afrika. West-Afrika lijkt steeds meer te gaan fungeren als eentussenstation tussen Latijns-Amerika en Europa. Oude banden uit de Franse kolonialetijd spelen hierbij een rol. Het Iberisch schiereiland onderhoudt nauwe banden metMarokkaanse criminele organisaties (cannabis, cocaïne). Ook is sprake van een sterkemigratiedruk vanuit Afrika, deels afkomstig vanuit Azië. Naar het zich laat aanzien,wordt de positie van West-Afrika in de komende tijd belangrijker.Naast de vier voornaamste hubs onderscheidt OCTA in Italië nog een zuidelijke hub.Het gaat hier om zeer goed georganiseerde criminele organisaties die wijdvertakteinvloed uitoefenen in de Italiaanse samenleving en economie. Daarbij wordtaangesloten op illegale markten in de Balkan, het Midden-Oosten en Afrika.EU terrorism situation and trend report 2008 (TE-SAT)Behalve het OCTA rapport, stelt Europol ook jaarlijks een rapport op over risico’s vanterrorisme in de EU. Europol is ook hier sterk afhankelijk van de informatie die vanuitde lidstaten wordt aangeleverd. Het initiatief tot deze rapportages door Europol isgenomen na de grote terroristische aanslagen in 2001 in de Verenigde Staten. Derapporten zijn openbaar en hebben een algemeen, beschrijvend karakter vanuit eenstrafrechtelijk gezichtspunt. Mogelijk achterliggende oorzaken worden niet 60
  • 59. beschreven. Typen terrorisme zijn volgens het rapport: islamitisch terrorisme, etnisch- nationalistische en separatistische groeperingen, links radicale groeperingen, rechts radicale groeperingen en single issue groeperingen (bijv. radicale dieren- of milieu activisten). 64 Het rapport maakt meldingen van gelukte en verhinderde aanslagen (Duitsland, Londen), activiteiten en arrestaties in de EU, alsmede aanslagen buiten de EU waarbij belangen van de EU in het geding waren. Naast politiële informatie, wordt gebruik gemaakt van open bronnen. Enkele algemene trends die worden gesignaleerd, zijn: - het aantal terroristische aanslagen in de EU neemt toe, het aantal gearresteerde verdachten eveneens; - in toenemende mate wordt gebruik gemaakt van zelfgemaakte explosieven - de hoeveelheid propaganda op het Internet is groter dan ooit , incl. handleidingen hoe zelf explosieven te maken en de oproep tot grote aanslagen; - vooral groeperingen vanuit Pakistan tonen zich bijzonder actief, waarbij de conflicten in Afghanistan en Irak een belangrijk argument vormen; - opvallend is het aantal jongeren in het Baskische terrorisme; Frankrijk blijft hiervoor een belangrijke uitvalsbasis; - het Turks-Koerdische conflict heeft invloed op de veiligheid in Duitsland; - Spanje en Italië hebben meer te lijden van links-radicale terroristen, dan andere landen; - EU -breed groeit het aantal rechts radicalen.64Er is een Police Working Group on Terrorism (PWGOT) opgezet, waarin ook Noorwegen participeert. Voorts is ereen Financial Action Task Force (FTAF) opgezet, gericht tegen witwaspraktijken, mede in relatie metterrorismebestrijding. 61
  • 60. 5.4 ● Kracht, bereik en integriteit De EU hanteert sedert december 2003 een gezamenlijke veiligheidsstrategie. Hierdoor is de samenwerking met andere internationale organisaties zoals de VN, de NAVO, de OVSE en de Raad van Europa versterkt. De verdere ontwikkeling van Europa tot een ‘ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid’ vergt ook acties naar de buitenwereld. Hieronder wordt ten eerste een onderscheid gemaakt tussen ‘sterke en zwakke staten’. Sterke staten kennen een rechtssysteem dat lijkt op dat van de (meeste) Europese landen. Zwakke staten vormen niet alleen een risico voor de eigen burgers (schending mensenrechten), maar ook voor andere landen. Door een gebrek aan bestuur en stabiliteit ontstaan er vluchtelingenstromen en vrijplaatsen voor organisaties en groeperingen die de EU schade kunnen berokkenen. Vanuit de EU, maar ook vanuit andere gebieden, zoals de Verenigde Staten, Canada of Australië, wordt hulp geboden onder de noemer Security System Reform. Via de EU, de OVSE en de Verenigde Naties wordt ook bijgedragen aan het opzetten van de politiefunctie. 5.4.1 ● Sterke en zwakke staten Staten zijn belangrijke actoren in processen van internationalisering. Staten hebben afspraken gemaakt om de relaties tussen hun economieën en het onderlinge geldverkeer beter op orde te brengen, vrede en veiligheid te bevorderen, mensenrechten te beschermen en afspraken te maken over beleid inzake de ongelijke verdeling van welvaart in de wereld en milieuvraagstukken ( hoofdstuk 3.2). Staten die niet goed functioneren, vormen een risico voor anderen (‘zwakke staten’).65 Van staten wordt verwacht dat ze een zeker minimum aan doelmatig georganiseerde staatsfuncties realiseren. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen twee dimensies: - het bereik van staten: hoeveel taken worden opgepakt door de staat - de kracht van staten: in welke mate zijn de instellingen van een staat als doeltreffend te beschouwen. Staten kunnen onderling vergeleken worden op beide dimensies. Staten die erin slagen in ieder geval hun minimale functies (zoals orde en veiligheid, eigendomsrechten, volksgezondheid) adequaat uit te voeren, kunnen als relatief ‘sterk’ worden gezien. Sterke staten slagen er bovendien in om adequaat beleid te maken en uit te voeren met een minimum aan bureaucratie, corruptie, e.d. Zwakke staten slagen daar juist niet of niet goed in. In 2009 publiceerde The Fund for Peace voor de vijfde maal een failed state index met bijbehorende kaart. In totaal 177 staten zijn opgenomen in deze index. Nederland behoort tot de sterkste staten ter wereld.66 De meest zwakke staat in de index blijkt Somalië te zijn, gevolgd door Zimbabwe, Soedan, Tsjaad, de Democratische Republiek Kongo, Irak en Afghanistan. Het voorbeeld van de Verenigde Staten is veelzeggend (plaats 159). Gekeken naar onderwerpen als gezondheidszorg of sociale zekerheid lijkt sprake te zijn van een vrij zwakke staat. In andere opzichten zijn de V.S. buitengewoon sterk. Op het niveau van de federatie en de afzonderlijke staten en op plaatselijk niveau is sprake van tal van instanties die iets kunnen afdwingen, van verkeersregels tot handelsrecht en fundamentele bepalingen in de Bill of Rights . De V.S. kenmerken zich door een relatief beperkt bereik, maar de staatsfuncties die er zijn, zijn krachtig en doelmatig.65 Ook wordt gesproken van ‘fragiele staten’ en, in het ergste geval, van ‘falende staten’. Zie ook: Falende staten. Eenwereldwijde verantwoordelijkheid. AIV -advies, nr. 35. Mei 2004. Zie verder paragraaf 4.1 over de functie van de Raad vanEuropa.66 Noorwegen staat op nr. 177 en geldt daarmee als sterke staat ter wereld. Nederland staat op plaats 169. 62
  • 61. Kaart 8. Vier werelden op basis van criteria voor sterke en zwakke staten (Fund for Peace, 2008).67 Ook opvallend is de status van een aantal landen in Oost en Zuidoost- Europa. Deels zijn deze landen reeds toegetreden tot de EU, deels staan ze op de nominatie om lid te worden. Box 15 Failed States Index: www.fundforpeace.org. De index is gemaakt op basis van 12 indicatoren. Social 1. Mounting Demographic Pressures Indicators 2. Massive Movement of Refugees or Internally Displaced Persons creating Complex Humanitarian Emergencies 3. Legacy of Vengeance-Seeking Group Grievance or Group Paranoia 4. Chronic and Sustained Human Flight Economic 5. Uneven Economic Development along Group Lines Indicators 6. Sharp and/or Severe Economic Decline Political 7. Criminalization and/or Delegitimization of the State Indicators 8. Progressive Deterioration of Public Services 9. Suspension or Arbitrary Application of the Rule of Law and Widespread Violation of Human Rights 10. Security Apparatus Operates as a "State Within a State" 11. Rise of Factionalized Elites 12. Intervention of Other States or External Political Actors Het onderscheid in sterke en zwakke staten is relevant voor de politie en het politieonderwijs. Hoe kunnen staten van elkaar worden onderscheiden waar het gaat om de rol van het openbaar bestuur en het bereik en de kracht op het gebied van de openbare orde en veiligheid? Hoe beïnvloedbaar en maakbaar is de wereldorde waar het gaat om veiligheid en wat heeft dat voor consequenties voor werkrelaties met “partners” in andere landen? Zijn werkrelaties beïnvloedbaar, maakbaar, te normeren? Zo ja, in welke mate en waar liggen de grenzen van de maakbaarheid?67 Zie http://www.fundforpeace.org/ voor een interactieve kaart van 2009. 63
  • 62. Francis Fukuyama schrijft in State Building (2004) over het grote belang dat staten tenminste hun kerntaken adequaat organiseren. Hij toont aan dat (goed bedoeld) westers ontwikkelingsbeleid leidde tot een afbraak van overheidsvoorzieningen in ontwikkelingslanden. Het eenzijdig inzetten op ‘marktwerking’ en een zo zo klein mogelijke overheid had als onbedoeld effect dat de meest elementaire overheidsfuncties wegvielen en de macht in tal van landen in handen kwam van kleine, autocratische elites. Deze falende staten blijken een groot effect te hebben op de mondiale veiligheidssituatie. Zie ook: ‘Rollen van betekenis’ voor een samenvatting (p. 14-18).68 Security System Reform Zwakke, fragiele of falende staten schenden mensenrechten, veroorzaken humanitaire rampen, brengen enorme migraties op gang en bieden uitvalsbases voor terroristen. Andere staten hebben hier veel last van en zijn bereid te investeren in de versterking van het veiligheidssysteem (security system reform). Ook Nederland draagt hier aan bij, onder regio van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De versterking van het bestuur en de democratische legitimiteit van zwakke staten kan in drie fasen worden gezien: - post -conflict reconstructie gericht op herstel van de stabiliteit op het gebied van veiligheidstroepen, politie, humanitaire hulp en technische hulp; - opbouwen van zelfstandig functionerende staatsinstellingen die het zonder de hulp vanuit het buitenland redden; - uitbreiding van het bereik van staatsfuncties (bijv. rechtsorde, eigendomsrechten, onderwijs). Aan deze fasering gaat soms een fase vooraf, een fase waarin een intergouvernementele organisatie (bijv. de Verenigde Naties) ingrijpt in een gewelddadige, uitzichtloze situatie. Soms gaat het om een gelegenheidscoalitie. De vraag die hierbij gesteld moet worden is wie het recht heeft om ‘namens de internationale gemeenschap’ in te grijpen in zwakke staten als de toestand er buitensporig uit de hand loopt. In de fasen zoals hier boven genoemd, kunnen er naast staten (of inter- of supergouvernementele verbanden), ook andere internationale organisaties actief zijn. Het overzicht van wie waarvoor verantwoordelijk is in zwakke staten, is mede hierdoor veelal beperkt.68 Voluit: State Building. Governance and world order in the 21st century, 2004. Dit boek is in 2005 in het Nederlands vertaald onderde titel: “Het bouwen van een staat”. Fukuyama geniet wereldfaam vanwege een reeks succesvolle boeken over de wereld ná1989 (waaronder The end of history). 64
  • 63. Box 16 ILEA Op verzoek van de Amerikaanse overheid stemde de regering van Hongarije in 1994 in met de komst van International Law Enforcement Academy (ILEA) in Boedapest. Deze ging van start in 1995 en stond onder de leiding van de FBI (Federal Bureau of Investigation). Nederland droeg in beperkte mate bij aan de uitvoering van het trainingsprogramma.69 In 1999 startte er een tweede ILEA in Bangkok, Thailand. Ditmaal onder de leiding van het U.S. Drug Enforcement Administration (DEA). Van hieruit wordt nauw samengewerkt met ASEAN (Association of South East Asian Nations). Eveneens is er samenwerking met het in Jakarta gevestigde Joint Centre for Law Enforcement Co-operation, waar Nederland zijdelings mee verbonden is ( paragraaf 6.1.3). Inmiddels is er in een derde ILEA gestart in het zuiden van Afrika, in de hoofdstad van Botswana, Gaborone (2001). De leiding van deze ILEA- vestiging is in handen van het U.S. Federal Law Enforcement Center (FLETC), dat onder het Department of Homeland Security valt. In 2005 volgde een vierde ILEA in San Salvador in El Salvador (2005). Van hieruit is een dependance gesticht in Lima in Peru. De programmadirecties van de ILEA’s worden aangesteld en betaald door de V.S. Overige stafleden door het land van vestiging. Daarnaast is er sedert 2001 binnen de V.S. een ILEA opgezet in Nieuw Mexico, bedoeld om voortgezette opleidingen te bieden voor gediplomeerden van de ILEA’s in het buitenland. Het ILEA programma bestaat uit diverse cursussen, variërend van enkele dagen tot een periode van acht weken. De ILEA’s mikken op een groot verzorgingsgebied, respectievelijk Oost-Europa, Zuidoost-Azië, Afrika ten zuiden van de Sahara en Latijns-Amerika. Het programma richt zich de hogere kaders, zowel leidinggevenden bij politie en justitie als beleidsverantwoordelijken. Op deze manier wil ILEA bijdragen aan de opbouw van politieorganisaties en biedt deze academie naast trainingen een platform voor dialoog en samenwerking tussen landen van waaruit de deelnemers afkomstig zijn. Het kerncurriculum van de ILEA’s buiten de VS bevat onderwerpen als counter-terrorism, forensics, basic case management, fighting organized crime, supervisory police training, police strategy, narcotics identification and evidence handling, customs interdiction, document fraud, illegal immigration, and public corruption. De accenten per land verschillen, afhankelijk van het soort criminaliteit dat veel voorkomt in de betreffende regio. Bij de uitvoering van de programma’s zijn tal van andere law enforcement organisaties betrokken, uit de eigen regio maar ook vanuit de V.S. Landen die deelnemers sturen naar een ILEA zijn allen lid van ILEA.70 Het bestuur van de ILEA’s berust bij de United States Department of State.69Mededeling Rob Luyten, korps Midden West Brabant.70Law enforcement is een term die in de Angelsaksische wereld wordt gehanteerd en globaal hetzelfde betekent als ‘politie’.Echter ook organisaties zoals de bijzondere opsporingsdiensten in Nederland worden ertoe gerekend. Zie bijv. de EngelseWikipedia. 65
  • 64. 5.4.2 ● Politietaken OVSE en Verenigde NatiesOVSE en politietakenIn het begin van de jaren zeventig leidde de ontdooiing van de Oost-West-betrekkingen tot de oprichting van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerkingin Europa (1975), met als hoofdvestiging Wenen (Den Haag heeft een bijkantoor). Dezgn. Helsinki Final Act die in 1975 ondertekend werd, bevatte gezamenlijke uitsprakenover politiek-militaire, economische en ecologische onderwerpen en overmensenrechten. Na het uiteenvallen van het Oostblok werd ook de samenwerking indit verband geïntensiveerd (1990, top van Parijs). In tegenstelling tot bijv. de Raad vanEuropa, de NAVO of de VN, heeft de OVSE primair een politiek karakter. Afsprakenzijn politiek bindend en niet juridisch. In 1994 werd de nieuwe naam Organisatie voorVeiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) gekozen. De functie van de OVSE isprimair gericht op vroeg- signalering van potentiële conflicten, conflictpreventie,crisismanagement en wederopbouw. De OVSE probeert vooral preventievediplomatie te gebruiken om conflicten te voorkomen of te beperken. Na een conflictbiedt de organisatie bijstand bij de (weder)opbouw van democratie en rechtsorde.Voor het beheersen en oplossen van conflicten vestigt de OVSE kantoren in degebieden ter plekke. De OVSE stelt zich ten doel staten die lid zijn van de OVSE demogelijkheid te bieden andere lidstaten aan te spreken op (mogelijke) schendingenvan mensenrechten in die lidstaat.Kaart 8. OVSE. Niet alleen Europese staten participeren in de OVSE. Ook landen in Centraal -Azië enNoord-Amerika zijn lid. Momenteel telt de organisatie 56 lidstaten (groen). Voorts zijn in totaal 11landen rondom de Middellandse Zee en het Verre Oosten geassocieerd lid (oranje).Sedert 1991 heeft de OVSE de mogelijkheid om mensenrechtenexperts naar eenlidstaat van de OVSE te sturen. Staten kunnen hier vrijwillig om verzoeken, maar ookkan deze missie tegen de zin van een staat naar diens grondgebied worden gestuurd.Ook stuurt de OVSE indien nodig verkiezingswaarnemers, die erop toezien dat deverkiezingen in een land vrij en eerlijk verlopen. In sommige gevallen is de OVSE zelfverantwoordelijk voor de organisatie van de verkiezingen. Daarnaast helpt de OVSEbij de terugkeer van vluchtelingen of de (weder)opbouw van de politie of derechterlijke macht in een voormalig crisisgebied.Binnen de OVSE is er een aparte eenheid op het gebied van politiezaken: de StrategicPolice Mattters Unit (SPMU). Momenteel zijn er veldmissies in Oost- en Zuidoost-Europa, de Zuidelijke Kaukasus en Centraal-Azië. Ook is de OVSE betrokken bijmissies in Afghanistan. Inhoudelijk gaat het bij de veldmissies voornamelijk omopleiding en advies. Daarbij zijn accenten te noemen als het bestrijden vangeorganiseerde misdaad (drugs, mensenhandel), grenspolitie/ douane, openbare orde 66
  • 65. handhaving, terrorisme, intelligence, politiële accountability, mensenrechten, welke al met al een bijdrage dienen te leveren aan de versterking van de rechtsstaat.71 Verenigde Naties en politietaken In 1945 opgericht als opvolger van de Volkenbond. Begonnen met 51 lidstaten, tellen de VN momenteel 192 leden. De vijf voornaamste werkterreinen zijn: vrede en veiligheid, economische en sociale ontwikkeling, mensenrechten, humanitaire zaken en internationaal recht. Er waren perioden in de geschiedenis dat de zeggingskracht van de VN werd ingeperkt door grote onderlinge verdeeldheid tussen landen en machtsblokken en ook in de huidige tijd lukt het de VN niet altijd om te geraken tot de gewenste overeenstemming. Niettemin blijft de VN een zeer belangrijk instituut waar vraagstukken die een mondiale aanpak vergen, kunnen worden geagendeerd en aangepakt. De Verenigde Naties monitoren belangrijke maatschappelijke thema’s die een directe relatie hebben met de mondiale veiligheidsagenda en op onderdelen ook met het werk van de politie. Zo bevindt zich in Wenen het Office on Drugs and Crime (UNODC), opgericht in 1997. Het bureau voert monitorwerkzaamheden uit en adviseert op basis hiervan. Naast drugsgerelateerde criminaliteit gaat het om het verwerven van zicht op terrorisme en corruptie. Vanuit het bureau worden overheden geadviseerd en praktisch ondersteund. Waar het gaat om vrede en veiligheid monitoren en beoordelen de VN de politieke kaart van de wereld, niet alleen bij interstatelijke spanningen, maar ook bij burgeroorlogen, afscheidingsbewegingen, etc. Om de onderlinge verhoudingen binnen landen te de-escaleren kan ondersteuning relevant zijn bij het organiseren van verkiezingen. Daarnaast worden er preventieve missies uitgerust (bemiddeling, advisering), en zodra conflicten zich voordoen, vredesoperaties en post -conflict vredesoperaties (wederopbouw). Momenteel zijn er 18 vredesoperaties aan de orde waarbij in meer of mindere mate politiefunctionarissen zijn betrokken. In totaal nemen 120 lidstaten van de VN deel aan vredesoperaties. Van de in totaal bijna 114.000 geüniformeerde medewerkers, is ongeveer 10% actief als geüniformeerde politieambtenaar. Begin 2009 heeft Nederland besloten om 30 Nederlanders voor de periode van een jaar uit te zenden naar Zuid-Soedan (UNMIS, United Nations Missions in Sudan). Nederland levert al sinds 2006 een bijdrage aan deze missie, die in 2005 van start ging. Aangezien de vrede en stabiliteit in Noord- en Zuid-Soedan van cruciaal belang zijn voor de stabiliteit in de overige regio’s van het land en de buurlanden, vindt de Nederlandse regering het belangrijk om UNMIS te blijven steunen. De Nederlandse waarnemers en politiefunctionarissen dragen door hun fysieke aanwezigheid en advisering bij aan de stabiliteit in het gebied. Zij vervullen hiermee een randvoorwaarde voor het slagen van het vredesproces. De VN heeft Nederland71 Over diverse thema’s zijn rapporten verschenen die laten zien hoe landen samenwerken en op basis waarvan. Zo is op hetgebied van mensenhandel recent een rapport verschenen, waarin is te lezen hoe de lidstaten zijn georganiseerd in termen vandrie elementen: coördinatiemechanismen, nationale actieplannen en nationale rapporteurs of vergelijkbare mechanismen. Ziewww.osce.org/item/36298.html. Ook brengt de OVSE vanaf 2001 jaarlijks een rapport uit over politiegerelateerde activiteiten.Het meest recente rapport dateert van medio 2008: http://www.osce.org/documents/spmu/2009/04/37076_en.pdf .Hieruit blijkt o.a. dat de OVSE deels onder de paraplu van de VN vaart (bijv. als het gaat om het tegengaan van terrorisme). 67
  • 66. verzocht om blijvend betrokken te blijven bij VN -operaties in Afrika. Nederland staatpositief ten opzichte van dit verzoek, mits dit past binnen de Nederlandserandvoorwaarden en mogelijkheden ( paragraaf 6.1).Indien staten onder elkaar juridische geschillenhebben, kunnen ze zich wenden tot hetInternationaal Gerechtshof (ook wel InternationaalHof van Justitie). Dit is het belangrijkste juridischeorgaan van de Verenigde Naties en is gevestigd inhet Vredespaleis in Den Haag. Verder fungeert hetals een adviesorgaan voor de AlgemeneVergadering, de Veiligheidsraad en voorinternationale organisaties die gerelateerd zijn aande VN. De oprichting dateert uit 1945; ten tijde vande Volkenbond was er een voorloper van ditgerechtshof.Het Internationaal Strafhof (International Criminal Court) is een permanent gerechtshofvoor het vervolgen van personen die verdacht worden van misdaden tegen demenselijkheid, volkerenmoord (genocide) en oorlogsmisdaden. Momenteel betreft ditlanden als Oeganda, Kongo-Kinsjasa, de Centraal Afrikaanse Republiek en Darfoer(Soedan). Hoewel het strafhof een initiatief is van de Verenigde Naties, is het instituutonafhankelijk. De juridische grondslag is gegeven met het Statuut van Rome (1998),dat inmiddels door ruim 100 landen is geratificeerd. De oprichting van het strafhof dateert uit 2002 en is gevestigd in Den Haag. De Verenigde Staten hebben nog niet geratificeerd, hoewel de houding onder het nieuwe bewind van president Obama een stuk positiever geworden is. 68
  • 67. 5.5 ● Over ‘nabij’ en ‘veraf’: een model In dit hoofdstuk is gesproken over politiële en justitiële samenwerking in de grensstreken, de Benelux, de EU, en met landen buiten de EU. De gedachte, hoe geringer de afstand hoe gemakkelijker de samenwerking, blijkt niet helemaal op te gaan. Er zijn landen die geografisch gesproken ver weg liggen waarmee toch op een relatief gemakkelijke manier kan worden samengewerkt. Andersom is het ook niet zo dat samenwerking binnen de EU gemakkelijk is. Er zijn landen in Oost- Europa die qua samenleving en geschiedenis zo zeer verschillen, dat dit nog veel tijd gaat kosten. Zo bezien is een land als Canada ‘nabijer’ dan een land als Roemenie. En, zo is gebleken, zelfs in de grensstreken is samenwerking niet altijd vanzelfsprekend. Er bestaan politiek-bestuurlijke en juridische verschillen tussen landen en dit heeft consequenties in termen van meer of minder gekend, geregeld, voorspelbaar, risicovol. Kortom: het ene land is het andere niet. De mate van verschil is bepalend voor het gemak waarmee kan worden samengewerkt (systeemovereenkomst, vertrouwen) en wordt samengewerkt (intensiteit). Hoe groter het verschil, hoe lastiger de samenwerking. Echter, zoals de wereldeconomie niet kan zonder mondiale afspraken en spelregels, kan ook veiligheid, of het nu gaat om safety of security , niet zonder. Bovendien, zoals blijkt uit de vergelijking van de kaarten 3 en 8, is veiligheid ook zonder meer een voorwaarde voor economische ontwikkeling te noemen (hoewel geen garantie). Deze laatste paragraaf betreft een beschouwing over de mate van verwantschap tussen de Nederlandse rechtshandhaving en die in andere landen. Sommige landen lijken sterk op Nederland, andere veel minder. Dit heeft consequenties voor de aard van de samenwerking en de rol die Nederlandse politiefunctionarissen hierin kunnen spelen. De complexiteit is groot. Met een eenvoudig model wordt hieronder een eerste ordening aangebracht.72 Hieraan voorafgaand is het nuttig onderscheid te maken in verschillende schaalniveaus: - de Nederlandse politie (inclusief de Politieacademie), als onderdeel van het apparaat van de Nederlandse staat, die een bepaalde rol toebedeeld krijgt (kan krijgen) binnen het geheel van het buitenlands en veiligheidsbeleid en als gevolg daarvan bepaalde activiteiten uitvoert; - het concern Nederlandse politie (inclusief de Politieacademie) dat op eigen initiatief of door initiatieven van buitenaf in contact staat met actoren in het buitenland en als gevolg daarvan activiteiten uitvoert; - individuele politiekorpsen die relaties hebben met collega- organisaties in het buitenland en in dat kader activiteiten uitvoeren, al dan niet in overleg met collega-korpsen in eigen land; - de Politieacademie die relaties onderhoudt met collega- organisaties in het buitenland en in dat kader activiteiten uitvoert, al dan niet in overleg met korpsen in eigen land; - politieambtenaren die in het kader van bovengenoemde betrekkingen individueel of in teamverband activiteiten uitvoeren in het buitenland. In deze paragraaf en in hoofdstuk 6 gaat het om de eerste twee niveaus. In hoofdstuk 6 wordt bovendien ingezoomd op het laatstgenoemde niveau, dat van de politieambtenaar die in of in directe relatie met het buitenland activiteiten uitvoert.72 Deze paragraaf is gebaseerd op ‘Rollen van betekenis’, hoofdstuk 5. 69
  • 68. Kijken we naar de organisatie van de Nederlandse politie als geheel, dan kunnen er twee dimensies onderscheiden worden, waar het de gerichtheid op het buitenland betreft: - een onderscheid binnen de Nederlandse politieprofessie (het ‘vak’) in ‘operationeel’ en ‘niet-operationeel’; - een onderscheid in het type buitenland in termen van ‘nabij’ en ‘veraf’ (niet zozeer geografisch, maar qua ‘systeem’). Hiermee kan een ordeningsschema worden gemaakt. In hoofdstuk 6 wordt dit schema verder ingevuld met rollen. Box 17 Nabij Veraf Politieprofessie: De (her-)ordening van eigen Uitvoeren van verkenningen, operationeel bedrijfsprocessen in relatie tot bieden van operationele andere staten of supranationaal: ondersteuning bij noodhulp, informatie ontsluiten (routinematig, handhaving en opsporing op basis eenduidige procedures), van Memoranda of Understanding, organiseren wederzijdse hulp bij verdragen of missies in bijv. VN- of opsporing en vervolging, EU- verband. handhaving en noodhulp. Politieprofessie: Zoeken naar nieuwe mogelijkheden Uitvoeren verkenningen, bieden niet- van samenwerking, innovatie en van niet-operationele operationeel verdieping van eigen ondersteuning: training en advies, professionaliteit. Opbouwen institution building, security system ‘warme betrekkingen’. Investeren in reform, ontwikkelingshulp. In VN- de versterking van afstemming en OVSE- of EU –verband, maar ook samenhang, verdergaande in kader Nederlands convergentie en harmonisatie en buitenlandbeleid (buitenlandse opbouwen van een community of zaken, defensie, EZ). practice. Politieprofessie: Operationeel en Niet-operationeel Voor de uitvoering van het operationele politiewerk geldt in toenemende mate dat samenwerking met operationele collega’s in het buitenland aan de orde is. Ten eerste waar het de opsporing van strafbare feiten betreft en het daarop volgende proces van vervolging. Steeds meer gaat het ook om activiteiten in termen van handhaving en noodhulp. Veiligheidsregio’s aan de grens ontwikkelen werkrelaties met partners over de grens. Op de verbindingsassen (weg-, water-, luchtverbindingen73, maar ook in de virtuele wereld) wordt in toenemende mate operationeel samengewerkt. Daarnaast worden politieambtenaren ook meer ingezet in verder weggelegen gebieden ten behoeve van bijzondere evenementen, bij rampen of in crisissituaties. ‘Niet –operationeel’ gaat over activiteiten die direct ten dienste staan van de operationele uitoefening: informatie, training, advies, opleiding en onderzoek. Ze zijn ondersteunend aan de uitoefening van het vak, de ontwikkeling en standaardisatie ervan en de reflectie daarop (bijv. via communities of practice  paragraaf 6.5).7473Zie hiervoor www.tispol.org, het European Traffic Police Network.74Beheersmatige en organisatorische processen (inkoop, gebouwenbeheer, financieel beleid, e.d.) blijven hier buiten het begrip‘politieprofessie’. 70
  • 69. Het type buitenland: Nabij versus VerafBij dit onderscheid gaat het niet zozeer om de geografische afstand (hoewel dat eenfactor is), maar om de mate van overeenkomst en verschil qua systeem: werkt depolitie elders vanuit min of meer eenzelfde positie, volgens een zelfde soort principe?Is de omgeving waarin dat gebeurt min of meer vergelijkbaar met Nederland inpolitiek, sociaal en cultureel opzicht? Wat zijn heersende governance opvattingen, deinrichting van het staatsbestel en het politiebestel, de positie van de politie in hetgehele ‘veiligheidscomplex’ (w.o. defensie, noodhulp, veiligheidsdiensten, bijzondereopsporingsdiensten, etc.).Met het oog op samenwerking speelt steeds de vraag hoe de eigen organisatie isgericht en ingericht. In hoeverre is dit verenigbaar met de situatie in een ander land enkan er sprake zijn van stabiliteit in de betrekkingen, gemeenschappelijke procedures,standaarden, resultaatafspraken? Is de samenwerking incidenteel of structureel vankarakter; zijn er routines, wordt er gewerkt via projecten of vooral via informelerelaties? En: wordt er van elkaar geleerd?Met dit model is een begin gemaakt om de complexiteit in de internationalepolitiesamenwerking te ordenen. Zodra er nagedacht wordt over competenties diegevraagd worden van mensen, over het soort werk dat er moet gebeuren, deopleiding en loopbaanontwikkeling, wordt dit model verder ingevuld met rollen. 71
  • 70. 72
  • 71. 6 ● Internationalisering en de Nederlandse politieprofessie In dit hoofdstuk wordt ingezoomd op de Nederlandse politie, in het bijzonder het politievak, de professie. In paragraaf 6.1 gaat het over de uitwerking van de visienota De normaalste zaak van de wereld. Hierna wordt gekeken naar het beleidsinstrument Nationaal Dreigingsbeeld en de programma’s met betrekking tot de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit ( paragraaf 6.2). Paragraaf 6.3 gaat over de benodigde competenties van politiemensen die in of in directe relatie werken met het buitenland. In paragraaf 6.4 volgt de internationalisering van politieopleidingen en het loopbaanbeleid van de Nederlandse politie, waarna in paragraaf 6.5 kort ingegaan wordt op bijdragen vanuit de wetenschap en technologie. Tot slot komen in paragraaf 6.6 enkele aspecten aan de orde van de Nederlandse politie als onderdeel van een internationale community of practice. Er kan geconstateerd worden dat Nederland een flinke slag maakt wat betreft de internationale politiesamenwerking. Weliswaar was er al van oudsher sprake van grensoverschrijdende politiesamenwerking, maar tot voor kort had dit geen wettelijke basis en had het een overwegend ad hoc en informeel karakter. In de jaren negentig nam de internationale gerichtheid van de Nederlandse politie toe. Dit had te maken met het uiteenvallen van het Oostblok en de Sovjet-Unie. Diverse landen in Oost-Europa kregen de status van pre-accessie land. Politiekorpsen werden door het ministerie van Buitenlandse Zaken betrokken bij projecten die deze landen dienden voor te bereiden op toetreding tot de EU. Tezelfdertijd nam ten gevolge van het Verdrag van Schengen het grensoverschrijdend verkeer en vervoer sterk toe, terwijl het toezicht op de binnengrenzen sterk afnam ( paragraaf 4.1). Met de verdere integratie in EU-verband en de toename van grensoverschrijdende criminaliteit ( hoofdstuk 4 en 5) ontstond de behoefte om intensiever en meer gestructureerd te gaan samenwerken. Zowel de regiokorpsen, als het KLPD en de Politieacademie onderhouden internationale betrekkingen. Dit beperkt zich niet tot de EU, hoewel hier wel het zwaartepunt ligt. Slechts een beperkt deel hiervan heeft een operationeel karakter. In 2000 werd het Nederlands Centrum Internationale Politiesamenwerking (NCIPS) opgericht. Dit centrum vertegenwoordigde een samenwerkingsverband van de beide politieministeries, de korpsen en de Politieacademie, met het oog op een betere coördinatie van hun meer operationeel getinte internationale betrekkingen. De bestuurlijke verantwoordelijkheid van het NCIPS berustte bij een Stuurgroep Internationale Politiesamenwerking (STIPS). Onder de paraplu van de Raad van Hoofdcommissarissen werd een Board Internationale Betrekkingen (Board IB) ingericht, dat een platform bood voor overleg en beleidsontwikkeling. Ondertussen versterkte de rijksoverheid de internationale beleidscoördinatie over de vakministeries heen, onder regie van het ministerie van Buitenlandse Zaken. 75 Vier thema’s zijn in dit verband relevant om te noemen: - versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging mensenrechten; - grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur; - versterkte Europese samenwerking en - regulering personenverkeer, w.o. asielbeleid en visumbeleid en het tegengaan mensensmokkel, e.d. Na verloop van tijd bleek dat het NCIPS en de Board IB te weinig in de lijn verankerd waren en daarmee toch vooral beperkt bleven tot de meer niet -operationele activiteiten, zoals het geven van voorlichting, communicatie, bemiddeling en75 Het instrument hiertoe heet: Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). 73
  • 72. beleidsvoorbereiding. De inzet van operationele politiefunctionarissen kon alleen vanuit de korpsen plaatsvinden. Om een toename van de operationele gerichtheid en betrokkenheid te bewerkstellingen, werd een structuurwijziging noodzakelijk geacht. Zo fuseerde medio 2006 het NCIPS met de al langer bestaande Dienst Internationale Netwerken (onderdeel van het KLPD) tot de Dienst Internationale Politiesamenwerking (DINPOL). Al snel daarna, in april 2008, fuseerde deze dienst door met de Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) tot de dienst IPOL, waarbij de “I” staat voor zowel ‘internationaal’ als ‘informatie’. Dit besluit vloeit logisch voort uit de toenemende, operationele politiesamenwerking, de toename van de inzet van Nederlandse politiemedewerkers in het buitenland en de sterke intensivering van de internationale informatie-uitwisseling, zowel in het kader van de rechtshulpverlening als in termen van intelligence. In 2007 is de Board IB opgeheven en is de portefeuille internationale betrekkingen belegd bij de korpschef van het KLPD. Hiermee is het thema ‘internationaal ‘in de lijn geplaatst. Over operationele en beheersmatige zaken wordt voortaan besloten in de driehoek KLPD/BZK/Justitie. Ook de STIPS kreeg een andere positie; de nadruk is hier verlegd naar thema’s met een meer strategisch, dan tactisch karakter. Om voldoende gezaghebbend te kunnen optreden richting het veld zijn het ministerie van Defensie en de Politieacademie formeel gaan deelnemen aan de STIPS.76 Eveneens in 2007 stelde de RHC een visie op internationalisering vast, onder de veelzeggende noemer ‘De normaalste zaak van de wereld’. In de volgende paragraaf wordt hier verder op ingegaan. De Adviesraad Internationale Vraagstukken adviseert de Nederlandse overheid sedert 1998, onder andere over veiligheidsvraagstukken. Zie www.aiv-advies.nl en bijlage 1 voor een overzicht van adviezen in de periode 2007-2009.76 De stuurgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de ministeries van BZK, Defensie en Justitie, de RHC (ondersteund doorde VtS PN), het korpsbeheerdersberaad, het KLPD, de Koninklijke Marechaussee, het Openbaar Ministerie en dePolitieacademie. Uit deze samenstelling blijkt al wel dat internationale politiesamenwerking niet beperkt blijft tot de politie sec,maar dat het gaat om multidisciplinaire samenwerking op het brede terrein van veiligheid. 74
  • 73. 6.1 ● De normaalste zaak van de wereld? In 2005 verscheen de visienota Politie in Ontwikkeling. Deze nota schetst een beeld van de toekomst, waarin de politie niet alleen een territoriale taakopdracht heeft (‘the space of places’), maar zich ook gaat bewegen in ‘the space of flows’ ( box 2). Naast het territoriaal gebonden politiewerk, wordt een beeld geschetst van een nodale politie die zich in een internationale en digitale wereld zal positioneren op de knooppunten van stromen van mensen, goederen, kapitaal, ideeën en informatie.77 In 2007 volgt De normaalste zaak van de wereld, een visie op de internationalisering van de Nederlandse politie, een uitwerking van en vervolg op Politie in Ontwikkeling. Zoals de titel al aangeeft, is de insteek erop gericht het internationale perspectief te organiseren als een normaal (vanzelfsprekend) onderdeel van het politiewerk. Omwille van een effectieve samenwerking met (buitenlandse) partners vergt dit tevens een normalisering (standaardisering) van de informatievoorziening en van verantwoordelijkheden en werkrelaties. In de visienota zijn drie uitgangspunten vermeld: - verbinding maken tussen Nederlandse en internationale ontwikkelingen - sturen op operationele en professionele resultaten - lijnverantwoordelijken zijn aan zet. Deze drie uitgangspunten zijn verbonden met vier ‘windrichtingen’: - investeren in samenwerking in het kader van de EU; - verbeteren informatie-uitwisseling en rechtshulp; - landenbeleid nieuwe stijl; - onderwijs en ontwikkeling. In de deelparagrafen hieronder wordt een schets gegeven van de stand van zaken op de vier genoemde invalshoeken.78 Vooraf enkele opmerkingen: - De normaalste zaak maakt een onderscheid tussen ‘operationeel’ en ‘professioneel’. Daarbij wordt het begrip ‘professioneel’ op één lijn geplaatst met beleidsmatige activiteiten, gezien vanuit de politieorganisatie en het politiebelang. Doorgaans wordt het begrip professional echter in beroepsmatige termen gehanteerd. Zo bezien kan onder de noemer professioneel een onderscheid gemaakt worden tussen operationele en niet-operationele activiteiten, welke echter beide door politieprofessionals (vakmensen) kunnen worden uitgevoerd; - De normaalste zaak gaat niet in op de vraag in welke mate de Nederlandse politie qua taakopvatting en werkwijze beïnvloed kan / zal gaan worden door andere landen. Een beïnvloeding die zich niet hoeft te beperken tot de lidstaten van de EU, ook de invloed vanuit andere werelddelen kunnen zich doen gelden. Een relatief klein land als Nederland heeft er baat bij dat internationale verdragen en organisaties zo sterk mogelijk gemaakt worden, zo transparant mogelijk en zo een zekere bescherming inhouden voor het behoud van de eigen waarden en belangen; - IPOL is een specifieke dienst binnen het KLPD die bepaalde taken uitvoert (informatieknooppunt, monitoring, advisering, ondersteuning korpsen). De normaalste zaak betreft echter een visie die van toepassing is op de gehele Nederlandse politie. Hieronder volgt een stand van zaken die niet zozeer gaat over IPOL, maar over de Nederlandse politie als geheel.77 Het begrip nodaal is afgeleid van het Engelse woord node, dat knooppunt betekent en zowel in de medische sector gebruiktwordt (een zenuwknoop bijv.) als in de wereld van verkeer en vervoer (een verkeersknooppunt).78 Mede op basis van een recent artikel van M. van den Bosch en P. Zorko in Het Tijdschrift voor de Politie, november 2008. 75
  • 74. 6.1.1 ● Samenwerking in het kader van de Europese Unie Politiesamenwerking in de EU veronderstelt convergentie. Er moet meer operationeel worden samengewerkt. Dit vergt vertrouwen in elkaar ’s rechtshandhaving, justitiële autoriteiten en politiediensten. Dit impliceert volgens minister Hirsch Ballin een Europese gemeenschappelijke juridische cultuur, gedeelde maatstaven en gemeenschappelijke kwaliteitsniveaus (convergentie).79 Zover is het echter nog lang niet. Uit evaluaties in Europol- verband blijkt dat de lidstaten elkaar nog onvoldoende voeden met informatie. Zo zijn er twijfels over de volledigheid en diepgang van de OCTA- rapportages ( paragraaf 5.3.4); bovendien wordt er nog te weinig mee gedaan. Wel is op basis van OCTA het initiatief genomen om in Noordwest Europa meer gericht informatie uit te gaan wisselen op het gebied van mensenhandel. Het Nationaal Dreigingsbeeld is de Nederlandse pendant van OCTA. Hier is een doorvertaling van bevindingen beter gelukt. De strijd tegen de internationale, georganiseerde misdaad vindt plaats middels een programmatische aanpak ( paragraaf 6.2). Wat betreft het onderlinge vertrouwen hebben niet alleen politiemedewerkers, maar ook rechters twijfels over bijv. de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel. Zal een ander land wel in dezelfde mate als Nederland de rechten van de persoon in kwestie respecteren? Een zekere mate van harmonisering van juridische regelgeving lijkt onontkoombaar. Ook moeten er meer zekerheden komen over de kwaliteit van forensisch onderzoek en van zgn. gerechtelijke deskundigen. Een belangrijke voorwaarde voor een groeiend vertrouwen is het investeren in het delen van kennis en inzicht en in het leren kennen van elkaar. Hiervoor zijn diverse platformen beschikbaar ( hoofdstuk 5). Nederland wil door een proactieve houding duidelijk maken wat de eigen positie is en hoe ons land wenst bij te dragen aan de samenwerking in de EU. Om de invloed van de Nederlandse politie te versterken, heeft de RHC medio 2008 andermaal aangegeven te streven naar een in Brussel te stationeren politievertegenwoordiger. Box 18 Detachering politieagenten in Frankrijk In 2008 heeft de politie tweemaal Nederlandse agenten gedetacheerd in Frankrijk. Dit gebeurde op basis van een verzoek van de Franse politie. In de zomer zijn vier personen gedetacheerd in Parijs, Versailles en Lourdes (bezoek van de Paus). Vervolgens gingen aan het einde van het jaar twee personen naar Parijs waar de festiviteiten rond het einde van het jaar plaatsvonden. Ook drie andere landen (Duitsland, Spanje en België) detacheerden agenten in Frankrijk in kader van de zogenaamde European Police Stations. De detacheringen stonden in het teken van kennis- en expertise-uitwisseling. Het takenpakket bestond ook uit assistentie van de Franse politie bij met name de omgang met Nederlandstaligen. Nederlandse politieagenten kwamen voor deze detacheringen in aanmerking als ze vuurwapendragend waren en over goede kennis van de Franse taal beschikten. De gedetacheerde agenten kregen een goede kijk in de keuken van de Franse politiepraktijk waardoor ze hun werkzaamheden in eigen land in een ander perspectief konden plaatsen. De detachering leverde bovendien meer begrip voor de Franse aanpak. Zo ondervonden de gedetacheerden dat de zelfstandigheid van Franse politieagenten beperkter is. Ook werd duidelijk dat er in Frankrijk vaak met meer agenten gepatrouilleerd wordt dan in Nederland gangbaar is. De Franse collega’s stelden andersom veelvuldig vragen over met name het Nederlandse drugsbeleid maar ook over de wijkaanpak. Bron: Jaarverslag Nederlandse Politie 2008 (ingekort).79Toespraak op het Gemengd Platform over de toekomst van politiële en justitiële samenwerking in de EU, Universiteit vanTilburg, 7 november 2008. 76
  • 75. 6.1.2 ● Rechtshulp en informatie-uitwisseling In Nederland zijn zes regionale Internationale rechtshulpcentra ingericht met een landelijk knooppunt bij IPOL (het L-IRC). Via IPOL wordt ook Europol gevoed met informatie. Dit gebeurt via het Europol Informatiesysteem (EIS). Vanaf 2009 is het EIS rechtstreeks benaderbaar voor alle korpsen voor informatie over zware criminaliteit (op basis van hit no hit). Daarnaast is er Interpol, dat een mondiale functie heeft en sinds enkele jaren politieorganisaties toegang tot haar databases biedt ( box 8). Al met al neemt de effectiviteit van de internationale rechtshulp en informatie- uitwisseling toe. Relevante verdragen die uitwisseling mogelijk maken, zijn er inmiddels (Prüm, Senningen, Enschede  hoofdstuk 5, box 10 en 11) en ook zijn er relevante aanwijzingen van het Openbaar Ministerie.80 Stap voor stap groeit het vermogen van de gezamenlijke EU-landen op het gebied van de opsporing. Waar het dus soms nog aan schort is het vertrouwen. In de grensgebieden gaat dit gemakkelijker omdat hier transnationale voorzieningen zijn ontstaan ( paragraaf 5.2.1, voorbeeld EPICC). 6.1.3 ● Landenbeleid De Nederlandse politie maakt collectieve afspraken over de landen waarmee wordt samengewerkt. Afspraken worden gemaakt in de STIPS. Ook stemt de STIPS het beleid af met betrekking tot de inzet van de Nederlandse politie in EU-, OVSE- en VN- missies. Relevante informatie over internationale, politiegerelateerde activiteiten wordt binnen deze stuurgroep gedeeld. De landen waarmee in collectief verband structureel wordt samengewerkt kunnen in de vier categorieën verdeeld worden die de Wereldbank heeft onderscheiden  kaart 3, paragraaf 3.2.81 - De High Income Countries (kerngebieden wereldmarkt): België en Luxemburg (Benelux), Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk.82 - Type 1 (dichtst bij de wereldmarkt): Bulgarije, Kroatië, Macedonië, Roemenië, Slowakije, Turkije. Verkennende besprekingen lopen met Servië, Montenegro en Oekraïne. Naar verwachting zal binnenkort een werkprogramma met Marokko kunnen worden vastgesteld. - Type 2 (veraf van de kerngebieden, maar met grote regionale markt): Afghanistan, China en Hong Kong, Colombia, Indonesië, Pakistan, Suriname, Venezuela, Zuid -Afrika. - Type 3 (verst van de kerngebieden, zonder grote regionale markt): Nigeria83, Soedan. Er zijn afspraken gemaakt over wie het voortouw neemt bij specifieke landenprogramma’s. Zo is het korps Amsterdam-Amstelland driver in de relatie met Suriname; Rotterdam-Rijnmond is driver van het Antillen-overleg, Duitsland komt80 Begin 2008 publiceerde het OM een aanwijzing over internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams, die ingegaan is per1 maart van dat jaar. De aanwijzing betreft regels over de vorming, reikwijdte, samenstelling en bevoegdheden vaninternationale gemeenschappelijke onderzoeksteams. Deze aanwijzing is gekoppeld aan de EU-rechtshulpovereenkomst. Per 1januari 2009 is een andere aanwijzing in werking getreden, gericht op de informatie-uitwisseling in het kader van dewederzijdse rechtshulp in strafzaken. Een belangrijke achtergrond hierbij is het zgn. Zweeds Kaderbesluit, dat zich richt op devereenvoudiging van de uitwisseling en inlichtingen tussen wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de EU met nameten aanzien van zware misdrijven, zoals terroristische daden. Met uitzondering van informatie van de inlichtingen- enveiligheidsdiensten dient alle relevante informatie over en weer beschikbaar te worden gesteld, in beginsel binnen 12 uur naaanvraag. Bij de verbetering van de rechtshulp en de informatie-uitwisseling tekent zich een dimensie af, waarbij metbetrekking tot ‘nabije’ landen informatie-uitwisseling meer en meer horizontaal gaat plaatsvinden en rechtshulpverzoeken eenachteraf, formaliserend karakter krijgen ( paragraaf 5.5).81 Zie ter vergelijking ook kaart 8 waarin vier ‘werelden’ worden onderscheiden op basis van criteria van sterke en zwakkestaten.82 Naast deze buitenlandbetrekkingen is er een Antillen-overleg.83 Eind 2008 werd een verkennende fact-finding mission afgerond. 77
  • 76. voor rekening van het korps Noordoost-Gelderland, de Westelijke Balkan voor het korps Groningen en IJsselland is driver van Turkije. Naast deze meer formele programma’s zijn er ook lossere contacten met landen, zoals Argentinië, Cambodja, Costa Rica, Cuba, Guatemala, Mexico, Peru en Oeganda. Het gaat hier met name om trainingen en opleidingen die deels vanuit de Politieacademie worden verzorgd, deels ook vanuit bijv. het KLPD of de KMAR. De STIPS houdt hiervan een overzicht bij. Niet met elk van de boven genoemde landen is de samenwerking dus even sterk. In het algemeen geldt, hoe ‘nabijer’ hoe intensiever en meer operationeel de samenwerking ( box 19, paragraaf 5.5). Samenwerking met landen ‘ver af’ hebben doorgaans een niet-operationeel karakter. De achterliggende redenen voor samenwerking zijn eerder beschreven in hoofdstuk 4 en 5.84 Daarnaast spelen historische verbanden een rol (Suriname, Indonesië, Zuid-Afrika) en zijn er contacten die samenhangen met bepaalde belangrijke opsporingsthema’s, zoals drugs of mensenhandel of met het belangrijke thema van de grensbewaking aan de buitengrenzen van de EU.85 In het landenbeleid wordt zichtbaar dat de Nederlandse politie betrokken is in het buitenlands veiligheidsbeleid waar traditioneel de ministeries van BZ en Defensie voor verantwoordelijk zijn. Inmiddels is duidelijk dat ook de ministeries van BZK en Justitie hierin een eigen verantwoordelijkheid hebben. De Nederlandse politie als uitvoeringsorganisatie is daarmee niet meer uitsluitend binnenlands georiënteerd. In de STIPS worden, naast de ministeriële perspectieven, ook die van de politie zelf meegewogen. Daarbij gaat het enerzijds om politieprofessionele opvattingen, maar ook om de belangen van politiemedewerkers die korter of langer in het buitenland gaan werken. Liaison officers hebben een belangrijke functie in het verzamelen en verstrekken van operationele opsporingsinformatie. Daarnaast besteden zij aandacht aan aspecten van beleid en vertegenwoordiging (diplomatie). Liaisons verzorgen doorgaans vrij uitgestrekte gebieden vanuit een bepaalde standplaats. Een nieuw fenomeen is de reizende liaison officer voor West-Afrika. In toenemende mate werkt de Nederlandse politie op dit punt samen met de Koninklijke Marechaussee. Internationale missies Nederland levert al sinds 2000 politiefunctionarissen voor de inzet in zgn. ‘postconflictgebieden’. In enkele gevallen is daar de situatie zo dramatisch, dat gesproken wordt van ‘falende staten’ ( paragraaf 5.4.1). In verreweg de meeste gevallen gaat het om training en advies bij bijv. het versterken van de verkeershandhaving, opsporingsmethodieken, community policing, e.d. In november 2008 informeerde de minister van BZK, mede namens haar collega’s van BZ en Defensie, de Tweede Kamer over de inzet van de Nederlandse politie bij internationale vredesmissies. De brief bevat een bijlage waaruit de deelname vanaf 2000 blijkt. Enkele hoofdpunten van het kabinetsbeleid zijn: - de bijdrage aan de missie in Cyprus wordt afgebouwd;84 Politiesamenwerking in grensstreken ( paragraaf 5.2); politiesamenwerking in de EU ( paragraaf 5.3); pre-accessiebeleidvan de EU ( paragraaf 4.2; paragraaf 5.3.4); nabuurlandenbeleid van de EU ( paragraaf 4.2; paragraaf 5.3.4); security systemreform ( paragraaf 5.4).85 Zo heeft Nederland eind 2005 met Indonesië afgesproken om samen te werken op het terrein van de bestrijding vanterrorisme, transnationale criminaliteit en het verkeersonderwijs. Wat betreft de terrorismebestrijding houdt dit ook eensamenwerking met Australië in. Dit land heeft samen met Indonesië een antiterreur organisatie opgezet (Jakarta Centre for LawEnforcement Co-operation), dat geplaatst is binnen het kader van de Indonesische nationale politieacademie. Nederland draagtfinancieel bij aan de uitvoering van activiteiten door het JCLEC, dat overigens ook gerelateerd is aan het Amerikaanse ILEA inZuidoost-Azië ( box 16). 78
  • 77. - de inzet wordt verruimd, waarbij ook executieve inzet mogelijk wordt gemaakt (tot op heden beperkt de inzet zich veelal tot waarnemende en adviserende activiteiten); - de inzet strekt zich ook uit tot relatief meer risicovolle gebieden (bijv. EUPOL missie in Afghanistan); Nederland verhoogt de bijdrage aan de missie in Afghanistan tot 19 politiefunctionarissen; - er zal nadrukkelijk worden aangesloten bij het ministerie van Defensie, o.a. waar het gaat om opleidingen en trainingen, medische faciliteiten en huisvesting. Binnenkort zullen de ministeries van BZK en Defensie een convenant sluiten om de samenwerking op het gebied van vredesmissies vast te leggen86; - Begin 2009 heeft Nederland besloten om 30 Nederlanders voor de periode van een jaar uit te zenden naar Zuid-Soedan (UNMIS, United Mission in Sudan,  paragraaf 5.4.2). 6.1.4 ● Onderwijs en ontwikkeling Zonder een global mindset is adequaat functioneren in een internationale omgeving niet goed mogelijk. Opleiding en ontwikkeling spelen dan ook een belangrijke rol in het beleid met betrekking tot de internationale politiesamenwerking. In eerste instantie gaat het om de initiële opleidingen politiekunde (MBO, hoger onderwijs). Ook is het aan de orde bij de verschillende opleidingen in het postinitieel onderwijs. In het kader van een loopbaan bij de politie dan wel het bredere veld van veiligheid zijn internationale stages en werkervaring belangrijke aandachtspunten. De dienst IPOL speelt een actieve rol in de werving en bemiddeling van politiefunctionarissen richting vacatures bij Interpol, Europol en andere EU-instanties. Vergelijkbare activiteiten vinden plaats in het kader van het landelijk MD-beleid, daarbij ondersteund door de School van Politieleiderschap van de Politieacademie.86 Minbzk.nl, 16 november 2009. 79
  • 78. 6.2 ● Nationaal Dreigingsbeeld 2008 en programma’s aanpak georganiseerde criminaliteit Het KLPD (Dienst IPOL) heeft een nieuw Nationaal Dreigingsbeeld Georganiseerde Criminaliteit opgesteld, in nauwe samenwerking met de korpsen, het functioneel parket en de Politieacademie. Na eerdere ‘proeven’ is nu sprake van een volwassen rapportage. Daarbij is gebruik gemaakt van het recent vastgestelde Nationaal Intelligence Model (NIM). Het NDB 2008 bestrijkt nagenoeg alle vormen van georganiseerde criminaliteit. Ten grondslag aan het rapport lagen criminaliteitsbeeldanalyses van de regiokorpsen, rapporten van de nationale recherche en de dienst IPOL van het KLPD. In de voorbereidingsfase is door de Politieacademie een studie uitgevoerd naar criminaliteitsrelevante factoren (Klerks, Koppen, 2007). Bij het beoordelen van de beschikbare informatie is een onderscheid gemaakt tussen vier kwalificaties: dreiging, voorwaardelijke dreiging, geen concrete dreiging en witte vlek. Naast het integrale eindrapport zijn er 8 deelrapporten gemaakt die elk een specifiek thema belichten. Het eindrapport besteedt aandacht aan: - illegale markten: drugs; mensenhandel; mensensmokkel; vuurwapens en explosieven; kinderpornografie; vals geld; - fraude en witwassen: BTW-, accijns – en douanefraude, voorschot- en beleggingsfraude; bodemsanering; internationale afvalstromen; witwassen; - bovenregionale vermogenscriminaliteit: inbraken, winkeldiefstal, ladingdiefstal, autodiefstal, overvallen en ramkraken, skimming, heling; - criminele werkwijzen: corruptie, geweldsgebruik, ICT- piraterij, phishing, misbruik van ondernemingen, contrastrategieën, valse en vervalste identiteitsdocumenten. Daarnaast bevat het rapport signaleringen over criminele woonwagenbewoners, West-Afrikaanse criminele netwerken, criminele tussenpersonen, cocaïnewasserijen, crimineel gebruik van het Internet en smokkel via regionale en kleine luchthavens. In de nabeschouwing besteedt het rapport aandacht aan de verweving van onder- en bovenwereld, technologische ontwikkelingen, globalisering en internationalisering. De globalisering van de economie en mondiale migratiestromen bieden nieuwe kansen voor criminelen. Overheidstoezicht op verkeer en transport is lastig, kostbaar en staat op gespannen voet met economische belangen. De (verdere) uitbreiding van de EU brengt uitdagingen met zich mee voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, corruptie, uitbuiting en vrouwenhandel. Het ontbreken van effectief toezicht in deze landen, kan ertoe leiden dat Nederlandse ondernemers zich ‘aanpassen’ aan de omstandigheden ter plekke wat een integriteitsrisico voor de Nederlandse samenleving met zich meebrengt. Daar staat tegenover dat de EU zware eisen stelt aan het lidmaatschap in economische en 80
  • 79. financiële termen en in termen van veiligheid en de bestrijding van criminaliteit en corruptie. Buiten EU-verband wijst het rapport op het risico van ‘failed states’ waar criminele organisaties vrijplaatsen vinden. Deze vrijplaatsen zijn te vinden in Afrika, het Midden-Oosten, maar ook op de Balkan. Zo blijken Colombiaanse samenwerkingsverbanden zich gevestigd te hebben in West-Afrika om van hieruit Europa te voorzien van cocaïne. Ook beroepsmatige wetsovertreders uit Nederland maken gebruik van deze vrijplaatsen. Zwakke overheden blijken mee te werken aan corruptie, misbruik van staatsvoorzieningen bij het vervaardigen van vervalste documenten, smokkel per diplomatieke dienst en wapenhandel. Van oudsher draagt de Nederlandse economie een transito karakter, dat geldt ook voor de illegale markten. Oude handelspatronen met voormalige koloniën blijken nog steeds actueel. Daarnaast blijken Nederlandse, illegale ondernemers hun werkzaamheden te verplaatsen naar andere landen binnen de EU, maar ook naar bijv. Canada. Het NDB 2008 beperkt zich tot criminele activiteiten die gericht zijn op financieel of materieel gewin. Ideologisch gemotiveerde criminaliteit valt buiten de onderzoeksopdracht. Het leeuwendeel van de beschreven vormen van criminaliteit hebben een internationale achtergrond. De uitspraken over de (mogelijke) gevolgen voor de samenleving beperken zich tot het eigen land. Operatie Opsporing Het Nationaal Dreigingsbeeld loopt niet helemaal parallel met de beleidscyclus van het kabinet, maar qua inhoud is er een grote mate van samenhang. Zo heeft het eerste NDB (2004) een rol gespeeld bij de opstelling van het Versterkingsprogramma Aanpak Georganiseerde Criminaliteit (2007). Hierin zijn drie pijlers onderscheiden. Naast een preventieve en bestuurlijke aanpak en een strafrechtelijke aanpak, is de derde pijler de internationale samenwerking. De programmatische werkwijze behelst een gezamenlijke inzet van politie, Openbaar Ministerie en andere relevante handhavingsdiensten en -organisaties en bestuurlijke instanties. De bedoeling: een aanpak van problemen in de volle breedte en op alle niveaus (lokaal – landelijk – internationaal). Het kabinetsstreven heeft er inmiddels toe geleid dat er naast het Programma Versterking Opsporing en Vervolging, programma’s gekomen zijn voor Versterking Aanpak Georganiseerde Criminaliteit (speerpunten: hennepteelt, mensenhandel), Cybercrime (waaronder kinderporno), Intelligence (waaronder terrorisme) en Financieel-economische Criminaliteit (waaronder de dreigende vermenging van boven- en onderwereld). Qua organisatie zijn deze programma’s samengebracht onder de noemer ‘Operatie Opsporing’. De voortgang van de programma’s wordt breed gecommuniceerd via nieuwsbrieven.8787 Operatieopsporing@vtspn.nl. 81
  • 80. 6.3 ● Competenties gevraagd In De normaalste zaak van de wereld en op andere plaatsen zijn opvattingen verwoord over de competentiebehoefte die internationalisering met zich meebrengt. Wat moeten politiefunctionarissen kunnen, welk inzicht is van belang, wat moeten ze daarvoor kennen, welke houding mag van hen verwacht worden en welke leer- en werkervaringen zijn daarbij belangrijk? Omdat steeds meer politieambtenaren min of meer frequent in een directe relatie staan met niet- Nederlanders (burgers, beroepsbeoefenaren, bedrijven), collega’s in het buitenland en soms ook zelf een rol vervullen in het buitenland, is het van belang hieraan aandacht te besteden. Wat vergt dit van politiefunctionarissen? In eerste instantie zal gedacht worden aan de moderne vreemde talen. Naast algemene ontwikkeling zijn echter ook andere aspecten relevant, zoals kennis van het internationaal recht en relevante verdragen. Wie in of in directe relatie met het buitenland functioneert, zal bovendien ervaren dat de politie in andere landen niet op dezelfde leest geschoeid is, als in eigen land. Er zijn verschillen in politiek- bestuurlijke ophanging, de organisaties zijn anders gestructureerd en ook opvattingen over de eigen politieprofessie kunnen verschillen. Niettemin is er de noodzaak om te komen tot meer afstemming, samenwerking en samenhang.88 Een competente taakuitoefening vraagt vanzelfsprekend om meer dan kennis van verdragen. Daar staat tegenover dat niet alles wat relevant is, van tevoren gekend kan worden; eerder geldt het tegendeel. De werkelijkheid is dat er adequaat gehandeld moet worden in omstandigheden waarbij de ‘spelregels van de ander’ meer of minder verborgen zijn. Gegeven deze ‘ongekendheid’ kenmerken processen zich als een voortdurend spel van netwerken, relaties ontwikkelen en zoeken naar afstemming en samenhang, waarbij het succes van de ander minstens zo belangrijk gevonden moet worden als het eigen succes. In paragraaf 5.5 is een model gepresenteerd waarmee de complexiteit van internationale politiesamenwerking vereenvoudigd wordt tot twee dimensies: (1) operationeel / niet-operationeel binnen de politieprofessie en (2) het onderscheid tussen landen die qua systeem van rechtshandhaving lijken op Nederland en landen waar dat veel minder voor geldt (‘nabij versus veraf’). Dit model kan ingevuld worden met rollen. Vanuit een dergelijk rollenoverzicht kan nagedacht worden over de vraag welke competentie-eisen dit met zich meebrengt. In paragraaf 6.3.1 wordt een voorstel gedaan voor een rollenmodel. In paragraaf 6.3.2 wordt verkend wat dit aan generieke of specifieke competentie-eisen met zich mee kan brengen. 6.3.1 ● Een rollenmodel In box 19 is het model uit box 17 ingevuld met acht ideaaltypische rollen. Onder de vier kwadranten is een negende rol vermeld, die in elk van deze acht rollen is inbegrepen: de netwerker. Een competentie waarover elke politieambtenaar moet beschikken, in welke rol dan ook, is de ‘kunst van het netwerken’.89 Wat in Nederland vanzelfsprekend is, kan in of in relatie met een ander land contraproductief werken. Zo kan ook het karakter van werkrelaties aanmerkelijk verschillen van die in eigen land. Wie als uitvoerend politieambtenaar in de grensstreek operationeel samenwerkt met collega’s in het buitenland, speelt de rol van netwerker op een andere manier, dan degene die als ondersteunend handhaver wordt uitgezonden naar een postconflict-88 Zie ook: Het betwiste politiebestel. Een vergelijkend onderzoek naar de ontwikkeling van het politiebestel in Nedeland,België, Denemarken, Duitsland, Engeland & Wales. Politie en Wetenschap, nr. 49. Zie ook bijlage 1.89 In ‘Rollen van betekenis’ (p. 55 e.v.) is op dit punt een verbinding gelegd met het werk van Mastenbroek (1996) diesamenwerken vooral opvat als een kwestie van meer of minder expliciet onderhandelen. Zie ook noot 3 waarin verwezen wordtnaar publicaties van de Politieonderwijsraad over politie en multiculturaliteit. 82
  • 81. land in Azië. In beide gevallen is echter ‘de kunst van het netwerken’ eenbasisvoorwaarde voor succes. De acht andere rollen zijn hieronder beschreven. Box 19 Nabij Veraf Politieprofessie: Uitvoerder Operationeel ondersteuner operationeel In alle opzichten: noodhulp, Voert verkenningen uit en biedt handhaving, opsporing. In (gespecialiseerde) bijstand binnen basispolitiezorg, als specialist of het kader van EU- of VN- missies, leidinggevende. Gericht op overwegend noodhulp (rampen) en prestaties en draagt zorg voor handhaving (crises, postconflict- verslaglegging en verantwoording. omstandigheden). Implementeerder Operationeel contactfunctionaris Draagt zorg voor toepassing van Bouwt aan operationele overeengekomen werkwijzen, ketenrelaties, formeel en informeel, plant, organiseert en coördineert. bruggenhoofd, bemiddelt bij Let op logistieke (bijv. informatie) onenigheid tussen organisaties en en relationele kwesties. Zowel in de functionarissen. Dicht op de lijn als projectmatig. operationele praktijk, met goed gevoel voor diplomatie en wat er juridisch wel of niet mogelijk is. Verbindingsofficier, bemiddelaar. Politieprofessie: Ontwikkelaar Opbouwwerker niet- Ontwikkelaar van nieuwe ideeën, Draagt bij aan verkenningen en het operationeel methoden en technieken, werkt in opbouwen van staatsinstituties, internationale projectorganisaties. politie- hervorming, security sector Is creatief, toegankelijk en zet zich reform. Kan de brug slaan tussen in voor de ontwikkelingsagenda de situatie ter plekke en het van de politie. Innovator, streefdoel (moderne rechtstaat, consultant, lobbyist, moderne politieprofessie). Trainer, onderhandelaar. adviseur, coach, bemiddelaar. Niet-operationeel Ideoloog, missionaris contactfunctionaris Verkondigt de boodschap van de Bouwt aan niet-operationele moderne politieprofessie en de ketenrelaties, formeel en informeel. moderne rechtsstaat ; heeft scherp Dicht op de bestaande oog haalbaarheid, politiek- beleidsmatige kaders, met een bestuurlijke verhoudingen, goed gevoel voor diplomatie en wat processen van convergentie en er politiek-bestuurlijk wel of niet divergentie. Maakt strategische mogelijk is. keuzen. Boegbeeld. Gemeenschappelijke basisrol: de netwerkerDe onderscheiden rollen leveren samen een matrix op waarin feitelijk voorkomendefuncties kunnen worden geplaatst. Enkele voorbeelden zijn:- grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden past bij de rol uitvoerder (operationeel, nabij);- deelnemen aan een expertnetwerk binnen EU- verband past bij de rol ontwikkelaar (niet-operationeel, nabij), tenzij men (deels) ook operationele taken uitvoert, dan verschuift de rol naar uitvoerder; 83
  • 82. - de functie van liaison past bij twee rollen: de niet-operationele contactfunctionaris (niet-operationeel, nabij) en de operationele contactfunctionaris (operationeel, veraf)90; - bij de operationeel ondersteuner (operationeel, op afstand) kan gedacht worden aan civiele politiemissies in Afghanistan of aan de inzet van het rampen- identificatieteam. Dit model kan ook toegepast worden op de veiligheidssector in bredere zin, waarin politiefunctionarissen internationale rollen vervullen samen met functionarissen van defensie, brandweerorganisaties, noodhulp bij ongevallen en rampen, of functionarissen die werkzaam zijn bij bijzondere opsporingsdiensten, inlichtingendiensten of in private veiligheidsorganisaties (handhaving, opsporing). Hiermee wordt het perspectief van de multidisciplinaire samenwerking toegevoegd. Aan het gepresenteerde model ligt een typologie ten grondslag die ontleend is aan Quinn (1989). Centraal hierin staan twee dimensies: (1) interne versus een externe oriëntatie en (2) oriëntatie op flexibiliteit versus een oriëntatie op beheersing. Samen staan ze voor twee manier van denken: een convergente denkwijze (intern, beheersing) en een divergente manier van denken (extern, flexibel). 6.3.2 ● Competenties, generiek en specifiek Het programma HRM van de RHC heeft een competentietaal ontwikkeld voor de Nederlandse politie, bestaande uit een set van 36 generieke competenties. Deze zijn niet aan een specifieke functie verbonden en hebben ook geen betrekking op specifieke taken. Een dergelijk raamwerk is van toepassing bij werving, selectie en loopbaanbeslissingen. Om te kunnen opleiden, biedt een dergelijk competentieraamwerk weinig houvast. Dan zal steeds de vraag gesteld moeten worden waartoe opgeleid wordt, welke verwachtingen er zijn ten aanzien van de vaardigheden en het inzicht van politiefunctionarissen en welke kennis, houding en werkervaring daarvoor voorwaardelijk zijn. Waar het gaat om een eerste politieopleiding (een initiële opleiding) liggen de verwachtingen vanzelfsprekend anders, dan voor opleidingen voor specialisten of leidinggevenden (postinitiële opleidingen). Ook verwachtingen die er zijn voor wat betreft de vervulling van bepaalde rollen, in of in directe relatie met het buitenland, maken een specificatie noodzakelijk om niet te blijven steken in algemeenheden. Qua relevante leerinhouden is het bovendien van belang dat er goed gekeken wordt naar de kennis en vaardigheden waarmee studenten beginnen aan een politieopleiding en waar de opleiding op kan bouwen. Voor wat betreft de internationalisering van het politieonderwijs spreekt het vanzelf dat er bepaalde90Het blijkt dat de taken van de liaison met de toename van de horizontale informatie-uitwisseling binnen de EU verschuivenvan meer operationeel naar meer niet-operationeel. In De normaalste zaak van de wereld krijgt de liaison ook nadrukkelijk eenbeleidsmatige en lobbytaak toebedeeld, ter voorbereiding of het monitoren van bepaalde politiek-bestuurlijke afspraken (bijv.het drugsbeleid). 84
  • 83. vakken in het voorgezet onderwijs zijn die een basis bieden waarop het politieonderwijs kan voortbouwen. Naast moderne vreemde talen als Engels, Duits of Frans, moet gedacht worden aan vakken als aardrijkskunde, economie, geschiedenis, en maatschappijleer. Waar deze schoolvakken niet gevolgd zijn of niet op een adequaat niveau, kunnen deficiënties worden geconstateerd waar gedurende de politieopleiding zelf aandacht aan gegeven zou moeten worden. Daarbij moet worden bedacht dat het algemeen vormend onderwijs evenzeer met zijn tijd meegaat als het politieonderwijs. De veranderende mondiale verhoudingen sedert de jaren ’90 hebben grote invloed op de genoemde ‘gammavakken’. Wat betreft de opleidingen binnen het politieonderwijs geldt dat deze uitgaan van een beroepsprofiel dat herkenbaar is voor de politieorganisatie en voor medewerkers. Daarbij zijn de meest voorkomende werkzaamheden benoemd, alsook de reikwijdte van verantwoordelijkheden. Momenteel worden deze beroepsprofielen herijkt ( paragraaf 6.4).91 In het kader van deze herijking en daarop volgende heroverweging van de curricula biedt een combinatie van beroepsprofielen met de onderscheiden rollen een aanknopingspunt om generiek gestelde competenties en algemene kennis en vaardigheden verder te specificeren ( box 20 en 21).91 Binnen de politie is sprake van een grote variëteit aan werkzaamheden. Vanuit een onderwijsperspectief wordt hier andersmee omgegaan, dan vanuit een werkgeversperspectief. Binnen het politieonderwijs is de voorkomende variatie in hetpolitiewerk geordend in beroepsprofielen, kwalificaties (diploma’s) en opleidingen (onderverdeeld in kernopgaven). Binnen de(gemeenschappelijke) korpsen vindt een ordening plaats via een (nieuw) functiebouwwerk en functieprofielen. De doelen vandeze ordeningen verschillen. Niettemin is er ook het belang om beide te verbinden. 85
  • 84. 6.4 ● Opleidingen en loopbaanontwikkeling De Nederlandse politie en het Nederlandse politieonderwijs zijn interessante partners voor vergelijkbare organisaties in andere (nieuwe) lidstaten in de EU, maar ook ver daarbuiten. Het competentiegerichte opleidingsmodel vormt voor velen een aanlokkelijk perspectief, mede door de directe aansluiting op de bedrijfsprocessen van de politie. Ook de wijze waarop het loopbaanbeleid handen en voeten krijgt en aansluit op het politieonderwijs biedt aantrekkelijke aanknopingspunten. De Politieacademie is actief in verschillende landen in Oost- en Zuidoost- Europa, Indonesië, maar ook in Latijns-Amerika en Afrika. In het recente verleden voerde de Politieacademie bijv. succesvolle opleidingen uit voor Irakese gevangenisdirecteuren en rechters. Dit illustreert dat het Nederlandse politieonderwijs ook in kringen van Buitenlandse Zaken als een nuttige partner wordt gezien in de diplomatieke betrekkingen. Een belangrijk hulpmiddel bij de internationalisering van de opleidingen binnen het politieonderwijs zijn de internationale activiteiten van de Academie zelf. Een belangrijk gegeven is de reorganisatie van de Politieacademie en de vorming van ‘schools’ onder een directie onderwijs.92 De al langer bestaande stafafdeling Internationaal Politieonderwijs (IPO) heeft daarbij een nieuwe rol gekregen. IPO wordt geacht de scholen te ondersteunen door middel van internationale betrekkingen die vanuit deze afdeling worden opgebouwd en onderhouden. Voor de scholen is dit van groot belang om buitenlandse leeractiviteiten te kunnen aanbieden. Het internationale netwerk van IPO is in de loop der jaren opgebouwd. Zo voerde IPO tot voor kort het secretariaat van de Association of European Police Colleges (AEPC,  paragraaf 5.1.3), dat recent is overgenomen door Oostenrijk. IPO coördineert de internationale contacten binnen de Politieacademie (w.o. die met CEPOL) en levert bijdragen aan de realisatie van internationale opleidings- en trainingsprogramma’s. 6.4.1 ● Rollen en beroepsprofielen Recent is afgesproken dat de beroepsprofielen van het Nederlandse politieonderwijs zullen worden herijkt. Deze zijn in de jaren 1999-2001 opgesteld en inmiddels toe aan een herijking. Niet alleen om ontwikkelingen van de afgelopen jaren erin te verdisconteren, maar ook om opnieuw te bezien wat het perspectief is op de komende tijd. De Politieonderwijsraad heeft geadviseerd daarbij in ieder geval de volgende invalshoeken te betrekken: - taakafbakening en samenwerkingsrelaties, gegeven de ketens en netwerken waarin de politie werkzaam is; - internationalisering van de Nederlandse samenleving en het toenemende belang van internationale politiesamenwerking; - samenhangend met vorige punt: de diversiteit van de Nederlandse samenleving in sociaal-cultureel opzicht en de consequenties daarvan voor het politiewerk.93 Het politieonderwijs telt momenteel 5 beroepsprofielen in het initiële onderwijs (mbo, hbo, universitair niveau) en 12 in het postinitiële onderwijs (specialisten en leidinggevenden op post- mbo en post -hbo niveau). Hieronder zijn deze profielen gecombineerd met de rollen die in paragraaf 6.3.1 zijn besproken ( box 20 en 21). Dit is niet meer dan een eerste schatting. Gegeven het lopende project Herijking beroepsprofielen is het pas in een volgende fase relevant om hieraan een verdere uitwerking te geven. Na een check op relevantie (de kruisjes in het schema), is er de92Zie: Burgers eisen beter blauw. Politieacademie, 2009.93Bijdrage aan de ontwikkelingsagenda, oktober 2007. Zie ook: Advies Multiculturaliteit en politieonderwijs, februari 2008 enhet bijbehorende rapport Aspecten van multiculturaliteit, juni 2008; Rapport fase 1 project herijking beroepsprofielen,september 2009. 86
  • 85. uitdaging is om op alle plaatsen in het schema met een kruisje na te denken over relevante competenties en onderliggende kennis, vaardigheden en houdingsaspecten. Kijken we naar de wijzigingen die in de afgelopen jaren zijn aangebracht in de kwalificatiestructuur van het politieonderwijs, dan valt op dat deze in het MBO- deel zeer beperkt waren en niet gerelateerd aan internationalisering. Dat wil niet zeggen dat er helemaal geen internationalisering heeft plaatsgevonden. Vooral op het gebied van internationale stages is er veel verbeterd. In termen van kwalificatiestructuur en curricula is er in het MBO -deel nog een flinke verheldering noodzakelijk: wat zijn de feitelijke nagestreefde competenties en daarvoor voorwaardelijk te achten kennis, vaardigheden en houdingsaspecten? Voor wat betreft het hoger onderwijsdeel (bachelor, master) is wel sprake van een meer zichtbare doorwerking van internationalisering.94 In de postinitiële leergangen krijgt het internationale aspect stap voor stap meer aandacht. Dit geldt voor zowel de recherchekundige leergangen, als voor de leergangen op het gebied van het vreemdelingentoezicht, de politiële milieutaak, het verkeerstoezicht en de opleidingen op het terrein van de openbare orde en gevaarsbeheersing. De internationale component vloeit hier voort uit inhoudelijke overwegingen. De thema’s van het politiële handelen zijn nu eenmaal niet beperkt tot het Nederlandse grondgebied.94 Handbook Master of Science in Policing 2009-2010. De opleiding wordt in het Engels verzorgd. Eén van deafstudeerrichtingen betreft de politiesamenwerking in Europa. Zie ook: Politiekundige bachelor 2010, notitiePolitieonderwijsraad 27 november 2009. 87
  • 86. Beroepsprofielen, initieel Box 20politieonderwijs Rollen in of in directe relatie met het buitenland 0 1 2 3 4 5 6 7 8Basis beroepsprofiel xAssistent politiemedewerker x xPolitiemedewerker x xAllround politiemedewerker) x x xPolitiekundige (bachelor) x x x x x xPolitiekundige (master) x x x x x x x xBeroepsprofielen, postinitieel Box 21politieonderwijs Rollen in of in directe relatie met het buitenland 0 1 2 3 4 5 6 7 8Tactisch rechercheur x xTechnisch rechercheur x x xRecherchekundige master x x x x x x x xPolitieel verkeersspecialist x x xPolitiekundig verkeersspecialist x x x x x x xPolitieel milieuspecialist x x xPolitiekundig milieuspecialist x x x x x x xPolitiespecialist geweldsbeheersing x x xPolitiespecialist vreemdelingentoezicht x x xOperationeel leidinggevende x x x xTactisch leidinggevende x x x x x x xStrategisch leidinggevende x x x x x x x xLegenda, rollen0. Netwerker.1. Uitvoerder.2. Implementeerder.3. Ontwikkelaar.4. Niet-operationele contactfunctionaris.5. Operationeel ondersteuner.6. Operationele contactfunctionaris.7. Opbouwwerker.8. Ideoloog, missionaris. 88
  • 87. 6.4.2 ● Internationalisering van het loopbaanbeleid Een adequate oriëntatie van politiefunctionarissen vergt ook dat het loopbaanbeleid hiermee rekening houdt. Eenmaal verworven competenties kunnen tot wasdom komen als er ook sprake is van meerjarige, relevante werkervaring. Dit geldt in het algemeen en voor internationale politiesamenwerking in het bijzonder. Tot op heden lijkt het erop dat internationale werkervaring nog maar weinig bijdraagt aan het succes van een loopbaan bij de politie. Wel zijn er tekenen dat dit aan het veranderen is ( paragraaf 6.1, De normaalste zaak van de wereld). Diverse activiteiten van de School voor Politieleiderschap staan in het teken van internationalisering. Zo werd tot voor kort het Leerprogramma Internationale Politie Oriëntatie (LIPO) aangeboden, dat inmiddels is geëvolueerd tot het programma Columbus. Voorts is er sedert enkele jaren het programma Pearls in Policing dat zich richt op het versterken van de banden van de Nederlandse politietop met counterparts in andere landen. Het achterliggende doel is om door het gericht te werken aan internationale betrekkingen de positie van de Nederlandse politie te versterken in het ‘internationale professionele debat over mondiale criminele ontwikkelingen en de daarbij passende politiële strategieën en leiderschap’.95 ( paragraaf 6.6)95 Opdrachtgevers hiervan zijn: de Politieacademie, het KLPD, de Koninklijke Marechaussee, het LMD -bureau, het OM en deministeries van BZK en Justitie. 89
  • 88. 6.5 ● Wetenschap, technologie en de kennisfunctie van de Politieacademie De thema’s waar de politie zich beroepshalve op richt, de methoden waarmee dat gebeurt en de technische middelen die daar bij worden ingezet, worden gevoed en geëvalueerd vanuit de wereld van de wetenschap en de technologie. Innovaties worden mogelijk als zich hier nieuwe inzichten of technieken hebben ontwikkeld. De politiekorpsen en de Politieacademie stellen zich hierin proactief op. Er worden gericht vragen gesteld, soms bijgedragen aan de kosten en relevante projecten mogen rekenen op een kritische begeleiding vanuit de politieprofessie. Zo werd in 2009 een onderzoek gepubliceerd over de zgn. Nigeriaanse 419-fraude, gefinancierd door Politie & Wetenschap.96 De titel van het onderzoek, ‘Gouden Bergen’, duidt erop dat Nigeriaanse oplichters hun slachtoffers grote prijzen en erfenissen in het vooruitzicht stelden, mits deze bereid waren bij te dragen in de kosten van de verwerving ervan. Recent zijn in Nederland enkele van deze fraudeurs tot meerjarige straffen veroordeeld. Een ander sprekend voorbeeld betreft een 2008 gepubliceerd rapport over politie en grootschalige voetbalevenementen.97 In 2004 werd een bijzondere leerstoel ‘Vergelijkende bestuurskunde, in het bijzonder de internationalisering van de politiefunctie’ ingesteld aan het Centrum voor Politiewetenschappen aan de Vrije Universiteit. Het initiatief hiertoe werd genomen door de Politieacademie.98 Ook bij andere universiteiten hebben zich specialisaties op politiewetenschappelijk gebied ontwikkeld, binnen disciplines als recht, bestuurskunde, criminologie en andere sociale wetenschappen.99 Ook relevant zijn diverse (sub)disciplines die zich niet zozeer richten op de politie, maar op bredere kwesties van veiligheid, stabiliteit en grensvraagstukken.100 Relevante studies worden daarnaast verricht in het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie (WODC) en door adviesorganen van de regering ( bijlage 1). De ambitie van de Politieacademie om zowel politieonderwijs te verzorgen, als een kenniscentrum van en voor de politiebranche te zijn, is van grote betekenis voor de verdere internationalisering van het politieonderwijs. Ook moet het belang onderstreept worden dat onderwijs een veel gehanteerd middel is om processen van afstemming en samenwerking op gang te brengen die mettertijd kunnen resulteren in convergentieprocessen die vervolgens in een later stadium politiek en juridisch worden afgehecht. Het spreekt voor zich dat de lectoraten van de Politieacademie een belangrijke functie vervullen. Vraagstukken van internationalisering en globalisering raken elk van de lectoraten en kunnen benut worden om de onderlinge samenhang in de kennisfunctie van de Politieacademie te versterken.101 Ook aan hogescholen die vallen onder het ministerie van OCW zijn lectoraten ingericht op het terrein van veiligheid, waarvan een zelfde internationale oriëntatie verwacht mag worden. Daarnaast zijn er opleidingsinstituten die niet vanwege OCW maar vanuit de departementen van BZK (Nederlands Instituut voor Fysieke Veiligheid) en Defensie (Instituut Defensieleergangen) worden bekostigd. Onlangs werd een multidisciplinaire Master of Crisis and Public Order Management opgenomen in het samenhangend stelsel van politieonderwijs, die ontwikkeld werd door de Politieacademie en het NIFV.96Yvette M.M. Schoenmakers, Edo de Vries Robbé en Anton Ph. Van Wijk, 2009. Zie ook bijlage 1.97 Adang, Otto. Elaine Brown. Policing Football in Europe. Experiences from peer review evaluation teams. Politieacademie, 2008.98 Deze leerstoel wordt bekleed door Monica den Boer, tevens verbonden aan de Politieacademie.99 Een indicatie van de betrokkenheid van de universiteiten biedt de publicatielijst op www.politieenwetenschap.nl.100 Bijvoorbeeld Radboud Universiteit, Centre for Conflict Analysis and Management en Universiteit van Amsterdamonderzoeksschool AMIDst.101 Het meest recente overzicht van de lectoraten aan de Politieacademie staat vermeld in Politie Magazine nr. 13, 02-2010. 90
  • 89. Technologie Veiligheid heeft in toenemende mate te maken met technologie. Nieuwe technische middelen leiden tot nieuwe methodieken. Ook de samenwerking tussen politie en andere branches in de veiligheidssector, leidt tot nieuwe toepassingen. De overheid stuurt gericht op een verdere ontwikkeling en toepassing van veiligheidstechnologie ( box 22).102 Het is van belang dat de Nederlandse politie daarbij adequaat gebruik maakt van subsidiemogelijkheden die er zijn. De stuurgroep internationale politiesamenwerking (STIPS,  paragraaf 6.1) streeft ernaar om een specifieke subsidiefunctionaris aan te stellen die moet zorgen voor een adequate coördinatie van lobbyactiviteiten en subsidieaanvragen in Nederland en EU-verband (niet te verwarren met de beoogde permanente politievertegenwoordiger in Brussel). Box 22 Toespraak minister Ter Horst bij opening IACP- congres ‘Future challenges in policing’, 23 april 2007 Dames en heren, u gaat zich de komende dagen oriënteren op future challenges in policing. U wilt antwoorden op alledaagse problemen in het politiewerk, u wilt het politiewerk beter en slimmer maken. Dát is wat uw regering van u - als experts - mag verwachten. Dát is wat de burgers van u mogen verwachten. Wat u van uw regering mag verwachten is dat ze geen onnodige belemmeringen opwerpt. Dat ze internationale samenwerking makkelijker maakt, en niet moeilijker. Laten we zoveel mogelijk profiteren van die internationale samenwerking. Profiteren van elkaars kennis en ervaring. Slecht nieuws voor de criminaliteit: daar streven we naar. Voordat ik hier verder op in ga neem ik u mee naar een dierentuin in Emmen. Dat is een kleine stad in het oosten van ons land. Een paar weken geleden gebeurde er iets in de bavianenkolonie. Van het ene op het andere moment schrokken de apen ergens van. Ze klommen massaal op een rots en kwamen er dagenlang niet meer af. Angstig zaten ze tegen elkaar aan. Niemand begreep wat er aan de hand was. Het was dagenlang in het nieuws. Ongetwijfeld voelden ze zich bedreigd. Hun instinct gaf aan dat ze zich moesten isoleren. Wat ik duidelijk wil maken is dit: wij kunnen ons als afzonderlijke landen niet terugtrekken op een rots.102Een veelzeggend rapport dat recent opgesteld werd door Senter Novem is te downloaden ophttp://www.senternovem.nl/mmfiles/Verkenning%20Veiligheid-DEF_tcm24-255249.pdf. Vanaf 2010 is Senter Novemopgegaan in Agentschap NL. 91
  • 90. Wij kunnen ons niet isoleren en tegen elkaar aan kruipen. Integendeel: wij zijn juist steeds meer afhankelijk van elkaar. We moeten eigenlijk het tegenovergestelde doen als de bavianenkolonie. Open oog en oor hebben voor de buitenlandse partners. Internationale samenwerkingsverbanden aangaan. Waarom? Een aantal redenen. Ten eerste houdt de criminaliteit niet op bij de grens. Criminaliteitsbestrijding dus ook niet. Ten tweede: we kunnen het niet betalen als afzonderlijke landen. De ontwikkeling van nieuwe technologie is duur. Te duur voor één land. Hoe meer we profiteren van elkaars investeringen, hoe beter dat is. Ten derde: we kunnen het niet allemaal bedenken als land afzonderlijk. Hoe meer we profiteren van elkaars kennis en ervaring, hoe beter. De Nederlandse regering heeft in het nieuwe regeerprogramma veel aandacht voor veiligheid. Het is een van de pijlers van ons beleid. We hebben onszelf een concrete doelstelling voor ogen gesteld. We willen dat de criminaliteit in 2008 met 25% is gedaald ten opzichte van 2002. We zijn op de goede weg. De criminaliteit daalt. Maar willen we dat die trend doorzet, dan is extra inzet nodig. Technologie neemt hierin een belangrijke plaats. Ons regeerprogramma zet hier stevig op in en trekt extra geld uit voor een research and development program voor security, safety and technology. Verschillende ministeries werken hierbij samen, waaronder het ministerie van Defensie. Daarnaast is ook het kennisinstituut TNO betrokken en verschillende lokale overheden en het bedrijfsleven. Uitgangspunt hierbij: profiteren van elkaars kennis. Het leidt tot veelbelovende ontwikkelingen. Denk bijvoorbeeld aan het ‘looking through the wall radar’. Een techniek waarmee je kunt zien wat er zich achter de muren afspeelt. De politie kan het gebruiken bij de inzet van arrestatieteams: hoeveel mensen zijn er binnen? Waar bevinden zich eventuele explosieven? De brandweer kan het ook gebruiken om te zien hoeveel levende mensen aanwezig zijn in een brandend gebouw. Bijzonder is aan deze techniek dat die vooral voor militaire doeleinden werd ingezet. U weet het: militaire techniek gebruiken voor civiele doelen was tot voor kort not done. Door gerichte samenwerking is deze grens doorbroken. Dat vind ik een goed voorbeeld van kruisbestuiving. Militaire technologie is hoog ontwikkeld en kostbaar. Hoe meer de samenleving hiervan kan profiteren, hoe beter. U ziet de komende dagen meer voorbeelden van innovatieve technologie. Innovaties die bijvoorbeeld antwoord bieden op de vraag: hoe spelen we in op de informatiemaatschappij? Een veelbelovend voorbeeld vind ik in dat opzicht de zogeheten ‘digitale wasstraat’. Ontwikkeld omdat iedere burger tegenwoordig een enorme hoeveelheid datadragers bij zich heeft. Denk aan gsm’s, organisers, MP3- spelers, navigatiesystemen. Op al die apparaten kan relevante informatie staan. Maar het kost enorm veel tijd om dit na te zoeken en te analyseren. De digitale wasstraat bespaart heel veel van deze zoektijd. Ongetwijfeld wilt u meer weten, maar ik laat het graag aan de deskundige over, later tijdens de conferentie. Het zijn voorbeelden van technologie waar ú in de praktijk iets aan kan hebben. Datzelfde geldt voor internationale verdragen. Een goed en recent voorbeeld van zo’n internationaal verdrag is het verdrag van Prüm over politiesamenwerking. Binnenkort wellicht een EU-verdrag. Veertien Europese lidstaten doen hier nu aan mee. Het verdrag maakt het bijvoorbeeld mogelijk om geautomatiseerde gegevens uit te wisselen. Zoals DNA -gegevens, vingerafdrukken en kentekens van voertuigen. In het verdrag staan ook afspraken over grensoverschrijdend politieoptreden en samenwerking bij illegale migratie. We hopen dat het verdrag in juli dit jaar in werking treedt. Dames en heren, tot slot. Ik kom nog even terug op de bavianenkolonie in de dierentuin in Emmen. Hoe liep het af met de bavianen? Het gaat een stuk beter met ze. Ze komen al veel meer van de rots af, en ze verkennen meer en meer hun omgeving. Misschien is de bron van hun angst weg. Misschien hebben ze een andere strategie. In ieder geval maakt isolement nu plaats voor oriëntatie. Dat lijkt me een mooi beeld. Een mooi beeld voor de opening van uw conferentie. Ik wens u veel inspiratie. Verder spreekt het voor zich dat ook het politieonderwijs zelf veel te winnen heeft met een adequate toepassing van technologie. De ontwikkeling van het Politie Kennisnet is daarvan een voorbeeld. Recent is daar het initiatief bijgekomen om te komen tot een International Police Expertise Platform (IPEP).103103 Zie voor een artikel hierover: Grenzeloos kennisnetwerk. Wim Broer. Het Tijdschrift voor de Politie, 2009-9. 92
  • 91. 6.6 ● Een internationale community of practice? Zoals aangegeven in paragraaf 3.1 (‘internationalisering als modernisering’) kenmerkt de huidige tijd zich door een toename van internationale netwerken, professionalisering en publiek -private samenwerking (PPS).104 Dankzij de sterk toegenomen mogelijkheden van communicatie en mobiliteit kunnen beroepsbeoefenaren gemakkelijk contact leggen met collega’s in andere landen. Meer en meer wordt ervan uitgegaan dat goedopgeleide beroepsbeoefenaren dat ook daadwerkelijk doen en zich daarbij gedragen als ‘professionals’ en dat ze in staat zijn zichzelf op een deskundige, integere manier verder te ontwikkelen binnen de speelruimte die er is. In dit verband wordt het begrip ‘community of practice’ (COP) gebruikt: een gemeenschap van beroepsbeoefenaren, die met regelmaat, meer of minder formeel , met elkaar in contact is om over aspecten van het beroep te spreken. Een gemeenschap waarin mensen bereid zijn om de eigen deskundigheid en werkervaring te delen en te spiegelen aan die van anderen, ook met anderen in andere landen. In het laatste geval is sprake van een internationale COP. Met het woord community wordt uitgedrukt dat het om méér gaat dan een losjes gekoppeld netwerk van individuen die elkaar slechts een enkele keer ontmoeten of alleen als dat functioneel zo uitkomt. COP’s hebben een vrijwillig en horizontaal karakter en gedijen op basis van de inzet van de eigen deelnemers.105 De aanname dat een beroepsgroep in staat is zichzelf verder te ontwikkelen is ook van toepassing op de (Nederlandse) politie ( box 22, toespraak minister van BZK). Weliswaar handelt men te allen tijde binnen het kader van de wettelijke taakopdracht en is men gebonden aan allerlei wetten, regels en zorgvuldigheidsvereisten, de professionele ruimte is groot en innovaties qua methodieken of gebruik van technologie komen zeker niet alleen ‘van bovenaf’. In hoeverre ontwikkeling vooral van binnen uit de beroepsgroep, dan wel van buitenaf wordt aangedreven, is in dit verband niet goed te beantwoorden. Wel duidelijk is dat politieke grenzen het bestaan van horizontale, internationale netwerken van de Nederlandse politie zeker niet in de weg staan. Ook kan worden vastgesteld dat het idee van een COP goed past bij de doelen en activiteiten van de EU (zowel ten aanzien van pre–accessie landen, als nabuurlanden), de activiteiten van de Raad van Europa en het beleid op het gebied van Security System Reform. Netwerkorganisaties als de AEPC, de IACP, CEPOL, maar ook het Amerikaanse ILEA kunnen groepen mensen bij elkaar brengen die zich kunnen ontwikkelen tot internationale communities of practice. Dit geldt ook voor de netwerken die zich vormen door de activiteiten in het kader van Pearls in Policing. Om daadwerkelijk van een COP te kunnen spreken, in plaats van een netwerk, dient de aandacht voor de beroepspraktijk, het vak en het vakmanschap, centraal te staan (hier: het politiewerk). Over de betekenis van vakmanschap, beroepsgroepen en ambachtelijkheid is recent veel geschreven.104 De politie is qua taakopdracht en verantwoording altijd direct aan de staat verbonden en aan bestuurlijk- juridische kadersvan internationale samenwerking. Daarmee is het begrip internationaal meer van toepassing dan het begrip globalisering.Niettemin zijn in termen van taakuitvoering, werkwijzen, methodieken, technologie ook processen van globalisering aan deorde.105Zie hierover bijvoorbeeld de website van Etiënne Wenger: http://www.ewenger.com/theory. Hij definieert een COP alsvolgt: Communities of practice are groups of people who share a concern or a passion for something they do and learn how to do it better asthey interact regularly. Het gaat hier om een vrij algemeen concept, dat zich echter mag verheugen in een grote populariteit. Vanbelang is dat het begrip begrensd blijft en niet synoniem wordt met een ‘sociaal culturele groep’ of ‘netwerk’. Binnen deNederlandse politie passen expertgroepen en mogelijk ook de strategische beleidsgroepen, welke geordend zijn onder deboards van de Raad van Hoofdcommissarissen, bij het begrip community of practice. Volgens Wenger zijn er in ieder geval driecriteria van toepassing: een bepaald domein (interesse, belang), een gemeenschap (interactie, participatie) en praktijk(uitvoerders die voor soortgelijke uitdagingen en problemen staan, die ervaringen delen en een gemeenschappelijk repertoire).Zo bezien is een taak- of projectgroep of een afdeling binnen een organisatie geen community of practice. 93
  • 92. Vakmanschap In 1998 verscheen het boek The corrosion of character van de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, dat in het Nederlands vertaald werd als De flexibele mens. Psychogram van de moderne samenleving (2000). Van moderne mensen wordt verwacht dat zij zich bij voortduring aanpassen aan nieuwe omstandigheden, veranderingen op het werk, verhuizen als het werk erom vraagt of als de markt dat vereist. Sennett schrijft dit boek in de jaren dat het neoliberalisme hoogtij viert en er afgerekend wordt met oude zekerheden. Steeds meer lijkt het zo te zijn dat ‘beroepen’ hun tijd gehad hebben. De betekenis van het beroep voor de eigen identiteit neemt in deze gedachtegang af. In plaats van een eenmalige beroepskeuze moeten mensen zich bij voortduring afvragen welk soort werk bij hen past en zich zelf proberen te ontwikkelen in de richting die kansen biedt. Sennett plaats deze kenmerken van de moderne samenleving tegenover de fundamentele menselijke behoefte aan stabiliteit, betrouwbaarheid en continuïteit. De nieuwe generatie, opgevoed door een vorige die deze waarden nog praktiseerde, krijgt te maken met ‘corrosie’: stap voor stap verbrokkelen traditionele waarden en deugden en ontstaat een (opvoedings)situatie van ongerijmdheid: oude waarden die niet meer aansluiten op de praktijk. In 2008 verscheen The Craftsman (in het Nederlands vertaald als De Ambachtsman, ook 2008). Sennett onderzoekt in deze studie hoe het staat met de klassieke ambachtsman. Wat kunnen mensen van tegenwoordig hiervan leren? Zijn er moderne voorbeelden van ambacht? En: hoe belangrijk is ambachtelijkheid voor mensen? In de ogen van Sennett staat ambachtelijkheid voor de algemene behoefte van mensen om hun werk goed te doen, omwille van het werk zelf. Mensen ontwikkelen hun vaardigheden door zich te richten op hun werk in plaats van op zichzelf. Door zich naar buiten te richten (het werk) ontwikkelen mensen. Door meerjarige ervaring en te blijven oefenen kunnen ze ‘meester’ worden in wat ze doen. Steeds zullen ze daarbij ‘moeite’ moeten blijven doen. The Craftsman maakt deel uit van een drieluik waarvan de volgende twee delen nog moeten verschijnen. Hierin zal Sennett aandacht besteden aan de historische ontwikkeling van maatschappelijke bovenlagen (priesters, krijgers) en vraagstukken van ecologie en duurzaamheid. De boeken van Sennett sluiten goed aan bij publicaties die zich richten op de restauratie van het aanzien (en zelfrespect) van ‘gewone beroepsbeoefenaren’ en van professionals. Een bekend voorbeeld is de bundel Beroepszeer.106 Door verschillende oorzaken (zoals veranderende maatschappelijke verhoudingen, schaalvergroting in bedrijven en not-for-profit organisaties zoals scholen en ziekenhuizen) gaan vakmensen / professionals deel uitmaken van grote, anonieme verbanden en krijgen ze te maken met een wereld van bestuur, management en beleid die nauwelijks nog enige notie106 Gabriel van den Brink, Thijs Jansen en Dorien Pessers, 2005. Met bijdragen van o.a. Geert Mak en Ad Verbrugge. 94
  • 93. lijkt te hebben van het ‘eigenlijke werk’. Mede hierdoor ervaren professionals een verlies van maatschappelijk aanzien, wat gepaard kan gaan met een verlies van zelfrespect. In 2009 verschijnt de opvolger van Beroepszeer, onder redactie van Thijs Jansen, Gabriël van den Brink107 en Jos Kole. De redacteurs signaleren een groeiend verzet tegen het gebrek aan aandacht en respect. De aansluiting met het werk van Sennett is duidelijk, blijkens een interview aan het begin van deze bundel, p. 37-47. Het boek stelt ‘beroepstrots’ voor als het tegenovergestelde van ‘het wijdverbreide beroepszeer: de frustratie van professionals over overmatige bureaucratisering, negatieve effecten van marktwerking, onjuiste managementfilosofieën, ondermijning van vakmanschap en miskenning van intrinsieke motivatie’ (p. 14-15). In het boek staan diverse interviews met gewone beroepsbeoefenaren: een wijkagent, een leraar, een arts in een verpleeghuis, een verpleegkundige, een gezinsvoogd, een districtschef van politie, een hoofdzuster, een rechter en een zelfstandig adviseur die het Rijnlandse denken108 propageert. De redacteurs van het boek stellen dat ‘beroepstrots’ een belangrijk medicijn kan zijn tegen ‘beroepszeer’ en een belangrijke hefboom voor verandering. Zij zien trots en eer als belangrijke waarden, evenals respect en zelfrespect. Het lijkt dan ook een natuurlijke reactie om op te komen voor ‘wat eigen is’, als mensen geconfronteerd worden met een aanhoudend en structureel gebrek aan erkenning. Tegen deze achtergrond kan begrepen worden dat er een langzaam aan sterker wordende golf van beroepstrots zichtbaar wordt. De redacteurs brengen dit in verband met drie verschijnselen: - het woord professional is de afgelopen jaren uitgebreid naar nieuwe groepen; naast de klassieke professionals roeren zich met name de professionals binnen de (semi)publieke sector  vergelijk paragraaf 3.1; - er zijn nieuwe belangenbehartigers opgekomen met forse kritiek op bestaande organisaties, zoals koepels, brancheorganisaties, vakbonden en beroepsorganisaties;109 - groeiend verzet vanuit beroepsgroepen tegen bestuur en management en hun voortdurende streven naar ‘meer efficiency’ (steeds meer met steeds minder). Wat beroepsbeoefenaren, zoals de notaris, de leraar, de dokter, de politieman bovendien ervaren, is dat het vertrouwen dat in hen gesteld wordt afneemt. Hun107 Van den Brink is hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg en tevens verbonden aan de Politieacademie, tot 1 januari 2010als lector Gemeenschappelijke Veiligheidszorg en na 1 januari als lector Ethiek en Gezag.108 Zie hiervoor bijvoorbeeld het boekje van Jaap Peters en Matthieu Weggeman: Het Rijnlandboekje. Principes en inzichten vanhet Rijnland -model, Business Bibliotheek, 2009.109 Zo is in het onderwijs de Vereniging Beter Onderwijs Nederland opgericht, onder leiding van de filosoof Ad Verbrugge. 95
  • 94. werk raakt gepolitiseerd, doordat de resultaten ervan voortdurend ter discussie staanen via monitoring en eenzijdige prestatie-indicatoren opgejut worden. Niet langer hetvak staat centraal, maar de bedrijfsvoering, leidend tot afnemende handelingsruimtevan professionals en een toename van toezicht en controle.De schrijvers beogen voorbij deze gevoelens van miskenning te komen en gebruik temaken van hetgeen beroepsbeoefenaren aanspreekt: het werk zélf, de motivatie vanmensen om hun werk goed te doen en de bereidheid om hiervoor ook moeite te doen.Dit hoeft geen gevecht tegen windmolens te zijn: de geesten zijn er rijp voor, onderwerkenden maar ook onder bestuurders die inzien dat meer toezicht en controlealleen maar meer bureaucratie oplevert en niet een beter functionerende samenleving.De samenstellers van Beroepstrots willen hiervoor bouwstenen aanleveren enpresenteren daartoe een alternatieve visie op hoe professionals hun beroepstrotskunnen herwinnen (‘beroepstrots als programma’). Zij focussen zich daarbij primairop de (semi)publieke sector met ruime aandacht voor de politie.COP’s for cops?Tegen de achtergrond van het bovenstaande, waarbij kernbegrippen wordengehanteerd als betrokkenheid, handelingsruimte, moed en zeggenschap,waardegedreven leiderschap en innovatie, kan de vraag gesteld worden naar debetekenis van het participeren van politiefunctionarissen in internationale netwerkenof beter nog: communities of practice (COP’s). Aangenomen mag worden dat depolitieprofessie hierin centraal staat. Of breder: het werk in de veiligheidssector. Watis de bijdrage van de participanten in deze netwerken bij het formuleren vanstandaarden en methoden en bij het codificeren van relevante kennis? Hoe komt eeninternationaal politierepertoire tot stand en hoe wordt dit onderhouden? Dit zijnvragen die bij andere beroepsgroepen evenzeer aan de orde zijn. Waar het echter gaatom het werk in de veiligheidssector is een directe relatie aan de orde met derechtsstaat en grondrechten van burgers. Wie actief is in internationale,politieprofessionele samenwerking zal zich hiermee moeten verstaan.Sennett stelt in The Craftsman een belangrijke kwestie aan de orde, namelijk de vraagin hoeverre vakmensen ‘zonder politieke leiding kunnen’. Is het niet zo, zoals defilosofe Hannah Arendt ooit stelde, dat als vakmensen zonder enig wijder besef vanverantwoordelijkheid hun werk zo goed mogelijk doen, dit ten koste kan gaan vananderen en belangrijke zaken als mensenrechten of het milieu? Sennett neemt hieruitdrukkelijk afstand van. Mogelijk werken vakmensen minder via ‘de taal’ en meervia ‘het handelen’, dat wil niet zeggen dat zij geen besef van verantwoordelijkheidhebben, geen ethiek of geweten. Sennett veroordeelt deze laatdunkende kijk opvakmensen en onderstreept juist het grote belang van een ambachtelijke manier vanwerken en leren.Zo bezien mag van Nederlandse politiemedewerkers verwacht worden dat zij tenvolle beseffen wat de kenmerken zijn van de Nederlandse rechtsstaat, welke waardende Nederlandse samenleving kenmerken en dat zij ten dienste werken van eensamenleving die een Europese Ruimte wil zijn van Vrijheid, Veiligheid enRechtvaardigheid. Van de Nederlandse politie mag verwacht worden dat zij de ledenvan de eigen beroepsgroep de ruimte biedt om zich via COP’s te ontwikkelen en zichop een afgewogen manier in te zetten voor een adequaat en fair functionerende,internationale politieorganisatie. Vanuit eigen kracht en overtuiging en niet alleen alsdaarover van bovenaf instructies komen. Het is evident dat de Politieacademiehieraan een belangrijke bijdrage kan leveren; de lectoraten aan de Academie biedenhiervoor een belangrijk voertuig. 96
  • 95. Lerende organisaties Bij het bovenstaande past het ideaalbeeld van de ‘lerende organisatie’. In deze gedachte staan omgevingsbewustzijn, externe relatievorming en het ordenen van werkprocessen als leerproces centraal, gekoppeld aan het vermogen tot individuele en groepsgewijze reflectie. Waar het om gaat, is dat beseffen dat achteraf leren en betekenis geven minstens zo belangrijk is als vooraf organiseren (via plannen, architectuur). Mintzberg stelt dat de ‘leerschool’ vooral van toepassing is in beroepsorganisaties die opereren in complexe omgevingen en waar kennis zeer verspreid is (bijv. een ziekenhuis). Beleid is vooral een kwestie van collectief leren; er is (vakmatig gezien) geen centrale autoriteit die een aanpak voor de gehele organisatie kan opleggen, althans niet waar het de dienstverlening zélf betreft. Onderwijs- instellingen (zeker de grotere instellingen voor middelbaar en hoger onderwijs), maar ook de politieopleidingen functioneren in dergelijke, dynamische en grotendeels onvoorspelbare omgevingen (2001: 163-214).110 Box 23 Werkgeversvisie De werkgeversvisie van de Nederlandse politie (maart, 2008) stelt dat de samenleving in steeds meer een horizontaal karakter krijgt door modernisering. Naast individualisering en informatisering is het de internationalisering waardoor er een nieuwe werkelijkheid ontstaat. Terwijl hiërarchie afneemt qua betekenis, ontwikkelen zich netwerken en nieuwe vormen van samenhang, nieuwe opvattingen over duurzaamheid en gedeelde verantwoordelijkheden, ook waar het gaat om veiligheid en leefbaarheid. Ook is te lezen dat beroepsbeoefenaren zich in steeds wijdere ‘natuurlijke verbindingen’ ontwikkelen, gericht op de inhoud van het werk. Vakmanschap en onderling vertrouwen winnen daarbij aan betekenis. Vanuit de trends geredeneerd, wordt de werkgeversvisie geformuleerd. Politie in Ontwikkeling (‘waakzaam en dienstbaar’) is daarbij het vertrekpunt. De werkgeversvisie stelt dat de politie kiest voor sturing- en organisatieprincipes gebaseerd op de Rijnlandse of continentaal Europese traditie. Als Rijnlandse werkgever vertrouwt de politie op de collectieve ambitie, samenwerkingsbereidheid, beroepstrots en de intrinsieke motivatie van de politieprofessional (pg. 47). De werkgeversvisie gaat ervan uit dat medewerkers als individu in staat en bereid zijn om zelf te bepalen hoe het eigen talent maximaal benut kan worden. Ondertussen vervagen grenzen en globaliseert niet alleen de samenleving, maar ook het politiewerk. Enerzijds trekken kennisontwikkeling en kennisverspreiding zich niets aan van staatkundige of bedrijfskundige grenzen (p. 95), anderzijds vergt goed politiewerk dat er samenhang is. Optimaal presteren vergt toegang tot kennis en informatie en kennisdeling. Dit vraagt om adequate informatiesystemen (techniek) en het vermogen er mee om te gaan (competenties). De politie moet een antwoord kunnen geven op een variëteit aan vraagstukken en omstandigheden en daarbij professionele standaarden hanteren. De werkgeversvisie focust vervolgens op drie punten: kennisontwikkeling, het (leren) samenwerken en op creativiteit en flexibiliteit. Van medewerkers wordt verwacht dat ze een actieve rol spelen in het richting geven van de eigen loopbaan. Dit vergt dat ze beschikken over een brede basis van parate kennis, vaardigheden en gedragskenmerken en over mogelijkheden en verantwoordelijkheden om zichzelf continu te ontwikkelen en competenties up tot date te houden. Medewerkers moeten daarbij weten hoe ze moeten samenwerken met partners in het veiligheidsdomein en beschikken over een internationaal perspectief.110 Zie voor een praktische kijk op de ‘leerschool’ ook het werk van Peter Senge, 1992; 2001. Centraal in zijn betoog staat‘omgevingsbewustzijn’ (de vijfde discipline). De andere vier zijn: persoonlijk meesterschap, besef van de functie enconsequenties van mentale modellen, het vermogen te werken aan een gemeenschappelijke visie en leren in teamverband. Inhet reguliere onderwijs hebben de ideeën van Senge duidelijk post gevat, zoals blijkt uit de activiteiten in het kader van zgn.essential schools (zie www.essentialschools.org) en de Nederlandse pendant, de Stichting Essentieel Leren,www.essentieelleren.nl. 97
  • 96. Box 24Als grenzen gaan verschuiven ..Het strikte onderscheid tussen interne en externe veiligheid vervaagt en daarmee ook deklassieke rollen van resp. de politie en defensie. Ten eerste zijn er diverse ‘spelers’ bijgekomen (publiek toezicht, particuliere beveiliging, bijzondere opsporingsdiensten), tentweede groeit de overlap tussen politie- en defensietaken (civiel militaire samenwerking inbinnen- en buitenland en de schuivende grenzen daartussen). Deze overlap bestaat allanger (van oudsher is de Koninklijke Marechaussee mede-uitvoerder op het politiedomein),maar de overlap groeit. Technologie blijkt hierin een belangrijke factor ( box 25).In EU- verband is een project gestart dat hier direct aan refereert: het In:Ex project(www.inexproject.eu). De resultaten van dit project zijn gericht op drie categorieengebruikers: beleidsmakers, onderzoekers en opleiders.Het project hanteert twee dimensies: (1) thematisch: ethiek, veiligheid en technologie en (2)geografisch: de EU en zijn buren ten oosten en ten zuiden ( paragraaf 4.2).Het project kent diverse deelprojecten, welke worden uitgevoerd dooronderzoeksinstellingen in België, Frankrijk, Nederland, Noorwegen, Polen en Turkije. Decoördinatie van het project berust bij de Noren. Eén van de participerende instellingen is deVrije Universiteit met als onderzoekers Monica den Boer en Jelle van Buuren.Inhoudelijk gesproken ligt het accent bij het gebruik van veiligheidstechnologie (deontwikkeling en toepassing ervan) en de ethische afwegingen die daarbij aan de orde(kunnen) zijn. Dit speelt bijv. de buitengrenzen van de EU (Frontex) en hetGemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de EU.In termen van intern / extern zijn er twee schaalniveaus aan de orde: (1) het niveau van delidstaten van de EU en de consequenties van de Schengen-afspraken en het SchengenInformatie Systeem (2) de EU in relatie tot de oostelijke en zuidelijke buurlanden. Zo focusthet Poolse deelproject zich op de relatie met Wit-Rusland, de Oekraïne en Moldavië.Het Belgische deelproject focust op juridische dilemma’s bij de geleidelijke ontwikkeling vanhet veiligheidsconcept in de EU. Technologie maakt steeds meer mogelijk (bijv.elektronische surveillance) en ook is er in bepaalde gevallen bewust afgeweken vanbestaande juridische kaders. Wat dit betekent voor de rechten van individuen, is daarmeeeen belangrijke vraag.Het Nederlandse deelproject richt zich op waardendilemma’s die besloten liggen in deveiligheidsprofessie. Het project focust op de gevolgen van de snel veranderende rollen vanveiligheidsprofessionals in Europa en wil hierover beleidsaanbevelingen opleveren. Onderandere wordt ingegaan op de ethische grondslag van een instantie als Europol, de ethischeprincipes die gelden in de omgang met gevoelige informatie (intelligence) en de ethischekwesties van het gebruik van veiligheidstechnologie. Een specifiek aandachtspunt betreft detoenemende betekenis van particuliere veiligheidsprofessionals. Eind mei 2009 werd in hetkader van dit deelproject het rapport ‘Security Ethics: A Thin Blue-Green-Grey line’gepubliceerd. 98
  • 97. 7 ● Bijdrage aan de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs In dit laatste hoofdstuk wordt een handreiking geboden met betrekking tot de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs. Hierbij wordt aangesloten op eerdere uitspraken in rapportages van de Politieonderwijsraad, waaronder ‘Rollen van betekenis’ (november 2007). In box 25 is een (aanzet tot een) internationaliseringsagenda van het politieonderwijs vermeld.111 Enkele aspecten van de agenda worden kort toegelicht. box 25 Internationaliseringsagenda politieonderwijs Curricula (1) Internationale kennis en Stel een referentiekader politieonderwijs en internationalisering op. vaardigheden in de reguliere Maak hiermee duidelijk wat de internationale aspecten van het curricula opnemen beroep zijn. Veranker dit in de kennisfunctie van de Politieacademie. Kijk daarbij niet alleen naar het veiligheidsbeleid in EU-verband, maar ook naar mondiale veiligheidsvraagstukken. Bevorder de transfer van deze kennis in de opleidingen. Stimuleer het gebruik van de moderne vreemde talen in de opleidingen. (2) ICT benutten voor Verrijk het Politie Kennisnet. Gebruik ICT bij internationale contacten internationalisering en uitwisseling van lesmaterialen en kennis. Stimuleer e-learning om de internationale positie van Nederland te versterken. (3) Internationale curricula Participeer actief in internationale netwerken van politie- en ontwikkelen en exporteren veiligheidsacademies en draag Nederlandse zienswijzen en methodieken uit. Zet de Politieacademie op de kaart als een instelling waar Engelstalig veiligheidsonderwijs kan worden gevolgd. Beschouw het Nederlands politieonderwijs als een exportproduct in het kader van de EU en van Security System Reform. Overweeg versterking / verlenging masteropleidingen met een researchdoelstelling tot 1,5 tot 2 jaar (voltijd) in verband met internationale vergelijking. Contacten (4) Internationale Versterk partnerschappen met buitenlandse politie- en partnerschappen en veiligheidsinstellingen, in afstemming met het landenbeleid van de samenwerking stimuleren gezamenlijke korpsen. Beperk dit niet tot de EU. (5) Internationale mobiliteit Bevorder dat studenten initieel politieonderwijs in het buitenland een en leerervaringen deel van de opleiding doen. Maak verwachtingen t.a.v. buitenlandse bevorderen leerbedrijven expliciet ( referentiekader werkend leren). Creëer mogelijkheden voor docenten en onderzoekers van de Politieacademie om op tijdelijke basis te werken in een buitenlandse of internationale politie(onderwijs)organisatie. (6) Erkenning van en Relateer de politieopleidingen herkenbaar aan het European transparantie tussen Qualification Framework. Draag zorg voor voorlichting over onderwijsstelsels Nederlandse politieopleidingen in de moderne vreemde talen. Blijf alert op de waardevastheid van diploma’s en certificaten. Intersectorale aspecten (7) Aansluiten bij verwante Betrek het politieonderwijs bij het beleid van BZK en Justitie dat zich beleidsterreinen en richt op de internationale veiligheidssector en het Nederlands internationale organisaties buitenlandbeleid. Bevorder deelname aan diplomatieke bezoeken. Benut EU- subsidies. (8) Een leven lang Ondersteun internationaal loopbaanbeleid van korpsen door bij te internationaliseren dragen aan relevante netwerken en aan de voorbereiding en bevorderen begeleiding van werkenden in het buitenland.111 Naar analogie van een internationaliseringsagenda die de Onderwijsraad opstelde voor het reguliere MBO en HogerOnderwijs (2005, 2006). 99
  • 98. De voorgestelde internationaliseringsagenda in box 25 is deels al in uitvoering enresultaten hiervan zijn op verschillende aspecten zichtbaar. Het is daarmee zowel eenagenda van als voor het politieonderwijs.Om de aandacht voor deze agenda vast te houden en tegelijk de samenhang binnenhet stelsel van politieonderwijs te dienen, kan een referentiekader nuttig zijn. Eendergelijk kader komt niet vanzelf tot stand. Dit vergt dialoog, besluitvorming, een(gefaseerde) toepassing en evaluatie. Box 26 In aansluiting op bovenvermelde agenda kan gedacht worden aan:  Overzicht van (veel) voorkomende functies van Nederlandse politiemensen in het buitenland (bijv. liaisons), ondergebracht in een rollenmodel ( hoofdstuk 6).  Moderne vreemde talen, niet alleen Engels, maar ook Duits, Frans, etc. Incl. politiële vaktaal. Koppelen aan internationale erkende kwalificatieniveaus, bijv. de Cambridge examens, zie: www.cambridgeesol.org/exams.  Gedragsrepertoire in geval van internationale samenwerking (persoonlijk, politieprofessioneel, protocollair, ethiek).  Kennis van de Nederlandse rechtsstaat en de taakopdracht/ taakopvatting van de Nederlandse politie, in een internationaal vergelijkend perspectief.  Kennis van aspecten van het internationale recht in het algemeen en een verzameling van specifieke politiegerelateerde verdragen, besluiten, richtlijnen en ‘verklaringen’.  Relevante internationale organisaties, waaronder politiegerelateerde.  Kennis van de aard en het belang van institution building in nieuwe EU-lidstaten en landen buiten de EU.  Kennis van de bredere politiefunctie in internationaal verband (multilateraal, multidisciplinair, publiek/ privaat).  Zicht op internationale bewegingen van geld, goederen, mensen, ideeën en informatie en de ‘schaduwzijdes’ daarvan.  Zicht op de doorwerking van internationalisering in eigen land en regio in algemene zin: sociaal-cultureel (‘modernisering’, multiculturaliteit), politiek en economisch. En specifiek voor wat betreft de politie: professie en organisatie.  Actuele thema’s op de hoofdprocessen intake, noodhulp, handhaving en opsporing die alleen of overwegend in internationaal verband aangepakt (kunnen) worden.  Mogelijkheden voor werkend leren in of in directe relatie met het buitenland en de betekenis hiervan in het kader van de (studie)loopbaan.  Overzicht van scholingsmogelijkheden in andere landen, als onderdeel van opleidingen in het samenhangend stelsel (bijv. bepaalde minoren) dan wel los daarvan (bijv. CEPOL of opleidingen criminologie in het hoger onderwijs).Het eerste punt verwijst naar het al besproken rollenmodel ( paragraaf 6.3) en dekoppeling hiervan aan beroepsprofielen ( paragraaf 6.4). Deze koppeling is slechtseen eerste schatting en zou nader besproken moeten worden. Daarna kan de stap naarde curricula gezet worden. Het lijkt raadzaam daarvoor een totaaloverzicht tehanteren van relevant te achten leerinhouden op het terrein van politie eninternationalisering. Een dergelijk overzicht zou het beste in abstracto kunnen wordengesteld. Box 26 is daartoe een eerste aanzet.De toegevoegde waarde van een referentiekader kan als volgt gezien worden:- de aansluiting met het algemeen vormend onderwijs kan ermee worden verhelderd;- de vulling van opleidingen met relevante internationale aspecten kan ermee worden bevorderd;- de samenhang tussen opleidingen kan ermee worden versterkt (bijdrage aan doorlopende leerlijnen);- het kan een handvat bieden om te spreken over het belang van bepaalde kennis, vaardigheden of houdingsaspecten die zich ‘onder het competentieoppervlak’ bevinden; 100
  • 99. - er kan een bijdrage geleverd worden aan een weloverwogen body of knowledge met betrekking tot politie en internationalisering- de constructie en validering van een dergelijk kader zou onderdeel kunnen zijn van een nascholingstraject voor docenten. Zij zijn het die de relevantie ervan moeten onderschrijven en de verbinding met bestaande leerinhouden moeten aanbrengen, waar dit nog niet het geval is. Zicht op internationalisering kan daarbij behulpzaam zijn. 101
  • 100. 102
  • 101. Bijlage 1 ● Gesignaleerde adviezen en rapporten van Nederlandse adviesorganen enonderzoeksinstellingen, 2007-2009 (voor zover sprake van een internationale thematiek)Adviesraad Internationale VraagstukkenSinds 1998 laat de Nederlandse regering zich over het complex van internationale vraagstukken adviseren doorde onafhankelijke Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV, www.aiv-advies.nl ). De advieswerkzaamhedenvan deze raad zijn geordend op een viertal terreinen: rechten van de mens, vrede en veiligheid,ontwikkelingssamenwerking en Europese integratie. De Raad brengt adviezen en kortere ‘briefadviezen’. Benelux, nut en noodzaak van nauwere samenwerking. April 2007. Advies, nr. 53. In de aanloop naar de mogelijke verlenging van het Verdrag van Senningen (die in 2008 werd gerealiseerd) heeft de AIV geadviseerd de praktische samenwerking op het terrein van politie en interne veiligheid te versterken. De Benelux kan hierin zijn laboratoriumfunctie verder voortzetten. Wat in de EU (nog) niet mogelijk is, kan in de Benelux alvast worden uitgeprobeerd. Daarbij komt dat de landen elkaar hard nodig hebben als coalitie om een zekere invloed binnen de EU te kunnen blijven uitoefenen. Inzet van de krijgsmacht, wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming. Juni 2007. Advies nr. 56. De AIV meent dat een grondwetswijziging niet nodig is waar het gaat om de inzet van de krijgsmacht buiten de landsgrenzen. De procedures zouden voldoende goed werken; bovendien zou een besluitvormingslijn langs de Tweede en Eerste kamer veel tijd in beslag nemen, wat bezwaren met zich meebrengt in bondgenootschappelijk verband. Dit zou kunnen worden voorkomen door het parlement te betrekken in de fase van de militaire planning, als het definitieve besluit nog genomen moet worden. Het VN -Verdragssysteem voor de Rechten van de Mens: stapsgewijze versterking in een politiek geladen context. Juli, 2007. Advies nr. 57. Het VN verdragssysteem op het terrein van de rechten van de mens is aan een herziening toe. Het huidige verdragssysteem is helaas sterk verbrokkeld, maar een compleet nieuwe blauwdruk zit er niet in. Beter is het om te werken aan de verkiezing van leden van raden en comité’s op basis van deskundigheid, onafhankelijkheid en inzet. Ook kan er veel winst gehaald worden door een verbeterde samenwerking tussen de verdragscomités en andere organisaties en instellingen, zoals de Mensenrechtenraad. Nederland zou bovendien het goede voorbeeld moeten geven door zich als één van de eerste te onderwerpen aan de Universal Periodic Review. De inhuur van private militaire bedrijven: een kwestie van verantwoordelijkheid. December 2007. Advies nr. 59. Zowel in Afghanistan als andere crisisgebieden huurt Nederland private bedrijven in die bijv. zorg dragen voor logistieke ondersteuning. Deze bedrijven dragen veelal zelf zorg voor gewapende beveiligers. Hiermee is er een situatie dat de Nederlandse regering (staat) niet of onvoldoende bij machte is om controle uit te oefenen over de taakuitoefening van deze bedrijven, mede veroorzaakt doordat de betrokkenen veelal niet over de Nederlandse nationaliteit beschikken. Zodra sprake zou zijn van misstanden of misdrijven is ingrijpen onvoldoende mogelijk, laat staan dat er sprake zou kunnen zijn van democratische controle. De AIV stelt voor de controle aan te halen door de inzet van teams van waarnemers, samengesteld uit leden van de Koninklijke Marechaussee en het Openbaar ministerie. Nederland en de Europese Ontwikkelingssamenwerking. Mei, 2008. Advies, nr. 60. Europese ontwikkelingssamenwerking biedt mogelijkheden tot een betere aanpak, niet alleen op het gebied van de armoedebestrijding, maar ook in termen van veiligheid. De EU kan, door een combinatie van ontwikkelingssamenwerking en veiligheidsbeleid, een effectieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van fragiele of falende staten. Een actieve en constructieve rolopvatting is geboden, aldus de AIV. Er zijn nieuwe dreigingen zoals terrorisme, georganiseerde misdaad, illegale immigratie en drugshandel die de scheidslijn tussen interne en externe veiligheid doen vervagen. Een effectieve aanpak vraagt om een geïntegreerde aanpak in EU-verband. Daarbij zou de EU, waar nodig, ook de capaciteiten van de NATO moeten kunnen aanspreken en het mandaat van de VN moeten verwerven. Ook moet telkens de afweging gemaakt worden of de EU het meest aangewezen forum is voor een bepaalde aanpak, of dat dit beter in NATO- of VN- verband kan geschieden. Naar verwachting, zo meent de Raad, zal de EU met het hervormingsverdrag op zak een meer coherent beleid kunnen gaan voeren. De relatie tussen de Europese Unie en Rusland: een zaak van wederzijds belang. Advies, nr. 61. Juli, 2008. Het herwonnen zelfvertrouwen van Rusland als ‘grote mogendheid in de wereld’ vraagt om een herbezinning met betrekking tot de relatie met de EU. Meer dan tot nu toe zal het accent gaan liggen bij handel en economie, waaronder het energiebeleid. Er is overduidelijk sprake van een wederzijdse 103
  • 102. afhankelijkheid en van gedeelde belangen. Daarbij moet rekening gehouden worden met vraagstukken op het terrein van veiligheid en stabiliteit. Uitbreiding van de NATO richting voormalige Sovjetrepublieken is onaanvaardbaar voor Rusland, maar een ‘bevredigende’ samenwerking in de strijd tegen terrorisme is wel mogelijk, zoals ook het geval bij thema’s als mensenhandel, kinderpornografie en cybercrime en de uitwisseling van inlichtingen om de verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan. Ook worden gemeenschappelijke belangen m.b.t. de bestrijding van financiële misdaad, illegale immigratie en milieucriminaliteit ‘genoegzaam onderkend’. Ook is sprake van samenwerking bij de bewaking van de Schengen- grenzen. Over de effecten hiervan is echter nog weinig bekend, waarmee het belang van evaluatieonderzoek wordt onderstreept. Een ingewikkeld punt blijft dat Rusland weinig inspanningen lijkt te doen op het gebied van de naleving van mensenrechten en ook weinig gevoelig lijkt voor druk vanuit de EU op dit punt. Om de samenwerking verder te versterken zou de EU meer kunnen gaan investeren in onderzoek, onderwijs en cultuur, bijv. in taalonderwijs, geschiedenis en cultuur en meer specifiek gender- en armoedebeleid. Doordat Nederland een grote investeerder is in Rusland, zou ons land, zo redeneert de AIV, de mogelijkheid hebben een brug te slaag tussen de grotere EU-landen en Rusland en zo bij te dragen aan een herijking van de relatie tussen EU en Rusland. Universaliteit van de Rechten van de Mens; principes, praktijken en perspectieven. December 2008. Advies, nr. 63. Hoewel de principes van de universaliteit van de rechten van de mens, vrij algemeen worden onderschreven, sluit de praktijk hier in veel gevallen niet goed op aan. De Raad meent dat de principes niet beschouwd kunnen worden als een voldongen feit, maar opgevat moeten worden als een proces van universalisering. De Raad constateert dat er een spanning is tussen de universele moraal van de rechten van de mens en bepaalde religieuze en politieke tradities. Waar culturele opvattingen wijken van de ‘universele moraal’ is een procesbenadering geboden. Kennisopbouw en bewustwording van mensenrechten dient gepaard te gaan met het geleidelijk vergroten van mogelijkheden voor juridisch toezicht. Grassroots NGO’s en het maatschappelijke middenveld dienen volgens de AIV hierbij een belangrijke rol te spelen. Universaliteit moet ook niet verward worden met uniformiteit; steeds moet er ruimte zijn voor cultuurspecifieke toepassing. Niet ‘opschortbare’ rechten, zoals het recht op leven en het recht niet aan foltering onderworpen te worden, moeten strikt worden nageleefd, maar in andere gevallen kan een er zekere beleidsvrijheid zijn, mits men openstaat voor internationale dialoog en toezicht. Crisisbeheersingsoperaties in fragiele staten. De noodzaak van een samenhangende aanpak. Maart 2009. Advies, nr. 64. Gegeven de wereldwijde tendens van intensievere samenwerking binnen crisisbeheersingsoperaties, waarbij zowel militairen als niet-militaire organisaties zijn betrokken (diplomaten, ontwikkelingswerkers, maar ook politiefunctionarissen), heeft de AIV een advies opgesteld over de verenigbaarheid van doelen van al deze betrokkenen. Onderzocht is hoe het komt dat het streven naar meer samenhang en samenwerking zo moeilijk te realiseren is. Gepleit wordt voor meer bescheidenheid en nuchterheid. Opgepast moet worden voor te hoge ambities. Onderkend moet worden dat doelen soms onverenigbaar zijn (veiligheid versus democratisering bijv.). Er moeten haalbare, concrete doelen komen in plaats van vage ‘grand designs’. Ook is het van groot belang de rollen van betrokkenen goed uit te lijnen, voor wat betreft de inzet vanuit Nederland, maar ook binnen het internationale kader. Samenwerkende landen zitten dikwijls niet op één lijn wat betreft agenda en aanpak; de kaders zijn ruim en de variëteit groot. Om de inzet in de praktijk te verbeteren, adviseert de AIV dat er meer gezamenlijk wordt geoefend tussen militaire en civiele partners. Ook wordt gepleit voor één expertpool voor uitzendbare operationele civiele capaciteit. Transitional Justice; gerechtigheid en vrede in overgangssituaties. Mei 2009. Advies, nr. 65. In samenwerking met de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken112 heeft de AIV een advies opgesteld over hoe een duurzame vrede kan worden vormgegeven na een periode van oorlogsmisdaden en grootschalige mensenrechtenschendingen. Daartoe bestaan er meerdere wegen, zoals strafrechtelijke vervolgingen, waarheidscommissies en herstelmaatregelen. Vrede kan echter volgens het advies niet worden bereikt zonder te onderhandelen met degenen die zich aan mensenrechtenschendingen schuldig hebben gemaakt. De kwestie die hiermee wordt besproken, wordt aangeduid als transitional justice. Praktijkvoorbeelden zijn de verschillende straftribunalen en het Internationaal Strafhof in Den Haag. Internationaal strafrecht wint steeds meer aan betekenis. De internationale gemeenschap laat hiermee zien dat daders van ernstige internationale misdrijven niet ongestraft blijven. Uit het advies blijkt dat transitional justice een delicaat samenspel vergt van112De CAVV is een onafhankelijk adviesorgaan dat de regering en de Staten-Generaal adviseert over vraagstukken vaninternationaal recht. Zie: www.minbuza.nl/nl/Organisatie/Organisatiestructuur/Adviescolleges. 104
  • 103. gerechtigheid, vrede, verzoening, waarheidsvinding, herstel en het voorkomen van herhaling. Het gaat niet alleen om vervolgingen, maar ook om waarheidscommissies en amnestieregelingen, lokale mechanismen, herstelmaatregelen en institutionele hervormingen. De lokale context bepaalt in grote mate welke processen het meest succesvol zullen zijn en de aanpak zal dus per situatie verschillen. Het advies laat de verbinding zien met het Nederlands beleid. Zo steunt Nederland diverse waarheids- en verzoeningscommissies en tribunalen. In het diplomatieke verkeer speelt het onderwerp een rol in de contacten met landen als Servië en Soedan. Bovendien zoekt Nederland vaak ook zelf naar de beste wijze om met het eigen verleden om te gaan, of het nu Srebrenica, Suriname of het oorlogsverleden in Indonesië betreft. Demografische veranderingen en ontwikkelingssamenwerking. Augustus 2009. Advies nr. 66. Zoals in het verleden in Europa, bevinden veel ontwikkelingslanden zich in een demografische overgangssituatie. Dit gaat gepaard met dalende sterftecijfers dalen, terwijl de geboortecijfers nog hoog zijn. Het gevolg: een snel groeiende bevolking. Met alle nadelen vandien voor de economische groei, vrede en veiligheid, energieverbruik, milieu en migratie. De situatie waarin veel ontwikkelingslanden zich bevinden is niet uniek, alle landen doorlopen deze ‘demografische transitie’. De geschiedenis leert dat bij economische groei ook het geboortecijfer gaat dalen. Dit vergt echter wel goed bestuur, onderwijs, voorlichting en family planning. Het rapport geeft een goede inzicht in de actuele demografische situatie in de wereld waarmee de migratiedruk op de rijkere landen goed valt uit te leggen. Briefadviezen Reactie op de mensenrechtenstrategie 2007. November 2007. Briefadvies 12. De AIV heeft uit eigen beweging een briefadvies opgesteld naar aanleiding van de regeringsnota ‘Naar een menswaardig bestaan; een mensenrechtenstrategie voor het buitenlands beleid’. De Raad meent dat de nota staat in ‘de beste traditie van het Nederlandse buitenlandse beleid’, maar erkent ook dat mensenrechten onder druk staan in ‘deze tijd van globalisering’. De afweging tussen politieke, economische en mensenrechtenaspecten is niet eenvoudig en zeker niet bij voorbaat vast te leggen. De nota wordt door de AIV als een doordacht raamwerk gezien waarbinnen afwegingen plaats dienen te vinden. Oostelijk Partnerschap. Februari 2009. Briefadvies 15. Nederland moet volgens de AIV twee belangrijke spelers ten oosten van de EU niet uit het oog verliezen: Rusland en Turkije. In het EU-beleid worden diverse andere landen wel benoemd, zoals Oekraïne, Moldavië, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan. Zelfs Wit-Rusland wordt genoemd. Naast stabiliteit is met name de energievoorziening van de EU van belang. De Raad bereidt een meer uitgebreid advies voor over dit onderwerp.Algemene RekenkamerDe Algemene Rekenkamer is een Hoog College van Staat en daarmee onderdeel van de rijksoverheid. HogeColleges van Staat zorgen ervoor dat de democratische rechtsstaat goed functioneert. Ze zijn niet afhankelijk vande regering. Andere Hoge Colleges van Staat zijn onder meer: de Eerste Kamer; de Tweede Kamer; de Raad vanState en de Nationale ombudsman. De Algemene Rekenkamer controleert of de inkomsten en uitgaven van hetRijk kloppen en of het Rijk beleid uitvoert zoals het bedoeld is. Er wordt een oordeel uitgesproken over beleid vande regering dat is vastgesteld. Er worden geen politieke uitspraken gedaan. Bestrijden witwassen en terrorismefinanciering. Juni 2008. De Algemene Rekenkamer heeft onderzoek gedaan naar het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering. Deze houden een risico in voor de integriteit van het financiële stelsel en voor het vertrouwen van de maatschappij in de werking van financiële markten. De Raad constateert dat, ondanks vele inspanningen, de prestaties nog tegenvallen. Preventieve maatregelen werken maar beperkt en de kans op ontdekking is niet groot. Een belangrijk verbeterpunt betreft de informatievoorziening waarvan organisaties als de BOD -en, de politie en het OM gebruik maken. Deze is sterk versnipperd. Ook genoemd worden capaciteit en deskundigheid. Intracommunautaire BTW-fraude. Maart 2009. De rekenkamers van België, Duitsland en Nederland hebben gezamenlijk onderzoek gedaan naar de bestrijding van BTW-fraude. Het onderzoek heeft geresulteerd in drie afzonderlijke, op het eigen land gerichte, rapporten van de drie deelnemende rekenkamers en in een gezamenlijk opgesteld overkoepelend rapport. De conclusie van het rapport is dat het administratief systeem voor gegevensuitwisseling tussen nationale belastingdiensten binnen de EU faalt om effectief de omvangrijke grensoverschrijdende btw-fraude te bestrijden. Nauwere samenwerking tussen controle- en vervolgingsinstanties in de EU-lidstaten is nodig voor een beter resultaat. Snelle en precieze informatie- 105
  • 104. uitwisseling moet helpen om fraudes eerder te signaleren. De Belastingdienst moet, gezien het belang en de ernst van deze vorm van fraude, meer prioriteit aan bestrijding geven.OnderwijsraadDe Onderwijsraad is een onafhankelijk adviesorgaan opgericht in 1919. De raad adviseert, gevraagd enongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied van het onderwijs. Vreemde talen in het onderwijs. Juni 2008. De Onderwijsraad adviseert de positie van het onderwijs in de vreemde talen te versterken. Niet alleen in het VO en beroepsonderwijs, maar ook al op de basisschool. In het basisonderwijs zou het Engels in maar liefst 15% van de onderwijstijd de deelvoertaal moeten worden. Door vroeg met Engels te beginnen komt er volgens de Raad verderop in de schoolloopbaan meer tijd beschikbaar voor andere vreemde talen. Op termijn zouden, ook in het MBO (in ieder geval niveau 4), twee moderne vreemde talen verplicht moeten zijn. Het advies bevat een uitvoerige beschrijving en analyse van het belang van onderwijs in vreemde talen en plaatst dit tegen een achtergrond van nationaal en EU-beleid.Raad voor het Openbaar BestuurDe Rob adviseert over de inrichting en het functioneren van de overheid. Doel is het verbeteren van dedoeltreffendheid en doelmatigheid. De Rob besteedt in het bijzonder aandacht aan de uitgangspunten van dedemocratische rechtsstaat. De komende tijd staat het begrip vertrouwen centraal, binnen het bestuur en tussenbestuur en burger. Besturen over grenzen, opgave voor alle bestuurslagen. Mei 2008. Niet alleen lokale of regionale overheden hebben een taak bij de samenwerking in grensregio’s, er moet ook voor worden gezorgd dat beleid en praktijk op de lange termijn geborgd zijn bij het Rijk. Burgers, bedrijven en overheden hebben in de grensgebieden met bijzondere knelpunten en kansen te maken. Juist daar loopt men aan tegen de verschillen in nationale wet- en regelgeving. Het advies oppert enkele ideeën zoals het instellen van een Taskforce of het aanstellen van een grensmakelaar. Ook een herkenbaar en centraal informatiepunt voor Grensoverschrijdende samenwerking (GROS) kan decentrale overheden in de grensgebieden verder op weg helpen. En met een Grenslandtoets kan voorkomen worden dat rijksbeleid ongewild negatieve effecten heeft voor de grensgebieden. Het advies schetst voorts de stand van zaken in de zeven euregios die Nederland telt. Hoe functioneren deze euregios? Wat is hun bijdrage aan de maatschappelijke en bestuurlijke opgaven in de grensregios? Wat kan er verbeteren en welke rol zou het rijk daarbij moeten spelen?Sociaal Cultureel Planbureau (SCP)Het Sociaal en Cultureel Planbureau is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut. Het SCP verrichtzelfstandig onderzoek en rapporteert - gevraagd en ongevraagd - aan de regering, de Eerste en Tweede Kamer,ministeries en andere maatschappelijke en overheidsorganisaties. Daarnaast zijn de resultaten bestemd voor hetprofessionele en bestuurlijke kader in de quartaire sector, voor de wetenschap, én voor de individuele burger. Rules of Relief. Institutions of social security, and their impact. September 2009. This study is concerned with the collective consequences of social rules. The theoretical analyses take as a starting point the notion of new institutionalism in the social sciences. The analyses focus on the nature and societal role of institutions, and more specifically social security institutions: the rules of relief that are constructed by the community. Among other things, those institutions lay down the benefit entitlements that people enjoy and the duties that have to be fulfilled in order to enjoy them. The empirical analyses explore some of the effects of modern social security institutions. The central question is which collective outcomes are generated by the social security rules in 11 countries. Strategisch Europa. Markten en macht in 2030 en de publieke opinie over de Europese Unie. Euroap verkenning nr. 7. Mei 2009. De EU staat voor strategische uitdagingen bij onder andere arbeidsmigratie, buitenlandse investeringen en energievoorzieningszekerheid. De druk om het Europese migratiebeleid te versoepelen zal in de komende decennia sterk toenemen. Angst voor investeringen door buitenlandse staatsfondsen uit landen als China en Rusland is onnodig, tenzij strategische belangen zoals kernenergie en kredietverlening in het geding zijn. Achterblijvende investeringen door staatsgeleide olie- en gasbedrijven bedreigen de toekomstige energievoorzieningszekerheid in de EU. De Europese verkenning is een gezamenlijke publicatie van het SCP en het CPB en komt jaarlijks tot stand in opdracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In deze verkenning wordt nader ingegaan op de publieke opinie in de lidstaten en enkele centrale kwesties voor Europa over twee decennia. 106
  • 105. Europa’s buren. Europa verkenning nr. 6. 2008. Een rapport over de economische relatie tussen de EU en de buurlanden en de verwachte effecten van het EU Nabuurschapsbeleid. De export vanuit de buurlanden van de Europese Unie naar de EU is iets groter dan de EU-export naar die buurlanden: 98 versus 83 miljard euro. Voor de EU betekent dit slechts 7% van haar totale uitvoer, terwijl de uitvoer naar de EU voor de buurlanden van veel groter belang is: 40% van hun totale exportstroom. De Europese Unie wil met het Nabuurschapsbeleid hieraan een bijdrage leveren. Het Nabuurschapsbeleid van de EU kan de welvaart in de buurlanden aanzienlijk vergroten. Voor de EU ligt het belangrijkste voordeel in het bevorderen van stabiliteit aan de buitengrenzen. Veranderlijkheid van opvattingen over Europa. Onderzoeksverslag van een survey-experiment. 2008. Opinie-enquêtes en focusgroepen over Europa leveren tegenstrijdige resultaten op. Enquêtes leren ons dat mensen in het algemeen tamelijk positief denken over Europese samenwerking; focusgroepen laten zien dat er veel ongenoegen bestaat over hoe Europa functioneert. In dit onderzoek is geprobeerd een brug te slaan tussen beide methoden. Mensen zijn ondervraagd over actuele Europese kwesties, waarna doorgesproken werd met stel nu dat-tegenargumenten. De ondervraagden blijken vaak bereid hun standpunt te herzien. Welke argumenten aanslaan, verschilt echter ook van groep tot groep: zo laten hoger opgeleiden zich bijvoorbeeld makkelijker leiden door argumenten die betrekking hebben op vrede en veiligheid in Europa, terwijl lageropgeleiden gevoeliger zijn voor bedreigingen van de persoonlijke levenssfeer. Een maand later nog eens ondervraagd, blijken de basishoudingen tegenover de EU tamelijk stabiel te zijn en hangen de meeste mensen over de concrete kwesties ook hun oorspronkelijke standpunt (nog steeds of weer) aan. De resultaten geven over de hele linie geen steun aan de wel gehoorde veronderstelling dat mensen in enquêtes over Europa massaal willekeurige antwoorden geven.Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)De WRR adviseert de regering over toekomstige ontwikkelingen die van groot maatschappelijk belang zijn. Deregering kan deze adviezen gebruiken om bestaand beleid tegen het licht te houden, bij de ontwikkeling vannieuw beleid of voor onderbouwing van de besluitvorming. Het is de bedoeling dat de WRR zich ontwikkelt tot eenknooppunt van internationale kennisstromen van beleid. Want het beleid wordt steeds meer beïnvloed doorontwikkelingen over de grenzen. Europa in Nederland (2007) De uitslag van het referendum op 1 juni 2005 over het Europees Grondwettelijke Verdrag legde de kloof bloot tussen politieke en publieke opinie over Europese beleidsvorming. Ook heeft het Grondwettelijk Verdrag laten zien dat nationale politici en bestuurders er niet in slagen te functioneren als adequate verbindingsschakels tussen ‘Europa’ en burgers. Dit rapport geeft aan hoe de legitimiteit van EU-beleid en de EU als systeem in Nederland kan worden vergroot. De Raad analyseert de bestaande legitimiteittekorten van de EU in Nederland. Aan de hand daarvan geeft de Raad een aantal richtingen aan voor de versterking van legitimiteit die voorbij de klassieke institutionele benadering reiken. Het perspectief van de (Nederlandse) burgers staat daarbij centraal.OnderzoeksinstellingenWODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum)Het WODC is een wetenschappelijk onderzoeks- en kenniscentrum voor het brede veld van Justitie. Het centrumis ingesteld door het ministerie van Justitie en belast met het verrichten van onderzoek, advisering overvoorgenomen beleid en de verspreiding van kennis. Enkele voorbeelden van relevante rapporten zijn: Filteren van kinderporno op Internet. 2008. Een verkenning van technieken en reguleringen in binnen- en buitenland. De Tweede Kamer is met dit rapport geïnformeerd over de vraag of de toepassing van technische mogelijkheden tot het blokkeren, filteren of afsluiten van kinderpornografisch materiaal op Internet ‘nuttig en effectief’ kan zijn. Bij de beantwoording van deze vraag is ook gekeken naar ervaringen in andere landen. Tevens is bekeken welke juridische mogelijkheden er zijn en welke mogelijkheden tot zelfregulering. Monitormechanismen ‘Justitie over morgen’. 2008. Het ministerie van Justitie heeft vier toekomstscenario’s ontwikkeld, waarmee Justitie in de periode tot 2015 te maken zou kunnen krijgen. Aan deze toekomstbeelden liggen twee kernonzekerheden ten grondslag, namelijk de vraag naar sociale veiligheid en internationalisering. Het onderzoek richt zich erop vast te stellen welke van de vier scenario’s het dichtst tegen de werkelijk aanligt in komende jaren. High- tech crime, soorten criminaliteit en hun daders. 2008. 107
  • 106. Verslag van een verkennend en inventariserend literatuuronderzoek over de verschillende verschijningsvormen, daders en georganiseerde netwerken van high-tech crime. Daarnaast zijn de lacunes in de literatuur in kennis over daders en de te verwachten ontwikkelingen op het gebied van high-tech crime geïnventariseerd.Politie en WetenschapP&W is een wetenschappelijk onderzoeksprogramma dat zich specifiek richt op de politiefunctie. Het programmais ondergebracht bij de Politieacademie maar de uitvoering ervan is onafhankelijk gepositioneerd. Gouden Bergen. Een verkennend onderzoek naar Nigeriaanse 419-fraude: achtergronden, daderkenmerken en aanpak. Yvette M.M. Schoenmakers, Edo de Vries Robbë, Anton Ph. Van Wijk, Bureau Beke. Onderzoek nr. 48. 2009. Verslag van een verkennend onderzoek naar de fraude door Nigeriaanse bendes die mensen onder valse voorwendselen flinke sommen geld afhandig maken. Deze bendes maken wereldwijd slachtoffers en opereren onder andere vanuit Nederland. De Nederlandse politie en andere opsporingsinstanties waren niet goed geïnformeerd over het bestaan en de werkwijzen van deze bendes en daarmee onvoldoende gericht op de bestrijding ervan. Het betwiste politiebestel. Een vergelijkend onderzoek naar de ontwikkeling van het politiebestel in Nederland, België, Denemarken, Duitsland, Engelans & Wales. Lex Cachet, Arie van Sluis, Theo Jochoms, Anne Sey, Arthur Ringeling. Onderzoek, nr. 49. 2009. Ook als gekeken wordt naar de omringende landen blijkt het politiebestel voortdurend onderwerp van discussie en beleidsontwikkeling. Elk bestel is volgens deze studie een ingewikkeld compromis tussen uiteenlopende waarden: rationaliteit, representativiteit, responsiviteit en robuustheid. De studie roept op tot een zekere terughoudendheid bij het ingrijpen in een bestel; het ware beter om de ruimte voor aanpassing en verandering goed te benutten in het besef dat het ideale bestel niet bestaat. 108
  • 107. Bijlage 2 ● Gebruikte literatuur en websitesAchterhuis, H. Met alle geweld. Een filosofische zoektocht. Lemniscaat, 2008.Adang, Otto. Elaine Brown. Policing Football in Europe./ Experiences from peer review evaluation teams. Politieacademie,2008.AIV. Falende staten. Een wereldwijde verantwoordelijkheid. Advies, nr. 35. Mei 2004.- Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN, september 2005. Advies, nr. 45.- Terrorismebestrijding in mondiaal en Europees perspectief. Oktober 2006. Advies, nr. 49.- Europa een prioriteit! November 2006. Advies nr. 52.- Benelux, nut en noodzaak van nauwere samenwerking. April 2007. Advies, nr. 53.- Inzet van de krijgsmacht, wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming. Juni 2007. Advies nr. 56.- Het VN -Verdragssysteem voor de Rechten van de Mens: stapsgewijze versterking in een politiek geladen context. Juli, 2007. Advies nr. 57.- Reactie op de mensenrechtenstrategie 2007. November 2007. Briefadvies 12.- De inhuur van private militaire bedrijven: een kwestie van verantwoordelijkheid. December 2007. Advies nr. 59.- Nederland en de Europese Ontwikkelingssamenwerking. Mei, 2008. Advies, nr. 60.- De relatie tussen de Europese Unie en Rusland: een zaak van wederzijds belang. Advies, nr. 61. Juli, 2008.- Universaliteit van de Rechten van de Mens; principes, praktijken en perspectieven. December 2008. Advies, nr. 63.- Oostelijk Partnerschap, februari 2009. Briefadvies 15.- Crisisbeheersingsoperaties in fragiele staten. De noodzaak van een samenhangende aanpak. Maart, 2009. Advies, nr. 64.Blij, Harm de. The power of place. Geography, Destiny and Globalization’s Rough Landscape. Oxford University Press, 2009.Boer, Monica den. Out of the blue. Police perspectives on Europe, governance and accountability. Inaugurele rede, 2004.- Internationale politiesamenwerking. In: Fijnaut, e.a., 2007.Bos, Marko. Mendeltje van Keulen. Canon van de Europese Integratie. Internationale Spectator, oktober 2009.Bosch, M. van den. Patricia Zorko. Internationale politiesamenwerking. De normaalste zaak van de wereld? Tijdschrift voor dePolitie. November, 2008.Bot, B. Met overtuiging en berekening. Van zuiver naar realistisch multilateralisme. Internationale spectator, november 2006.Bratton, William. The mutation of the illicit trade market. In: Tijdschrift voor de Politie 2007-10.Brink, Gabriel van den. Thijs Jansen en Dorien Pessers. Beroepszeer. Waarom Nederland niet goed werkt. ChristenDemocratische Verkenningen. Boom, 2005Bruijn, H. E. ten Heuvelhof. Management in netwerken. Lemma, 1999.Buuren, Jelle van. Monica den Boer. Security Ethics. A thin blue-green-grey line. In:Ex., 2009.Castells, Manuel. The rise of the information society. Second Edition. Blackwell Publishing, 2000.Dijkink, Gertjan & Hans Knippenberg (eds). The Territorial Factor. Political geography in a globalising world. Vossius PersUvA, 2001.Dinan, Desmond. Europe Recast. A history of the European Union. Palgrave Macmillan, 2004.Fijnaut, C.J.C.F. E.R. Muller, U. Rosenthal, E.J. van der Torre. Politie. Studies over haar werking en organisatie. Kluwer, 2007.Friedman, Thomas. The World is Flat. A Brief history of the twentieth century. 2005.Frontex. Algemeen verslag, 2008.Fukuyama, Francis. Het bouwen van een staat. De wereldorde in de 21e eeuw. Uitgeverij Contact, 2005.Geertz, Clifford. Available Light. Anthropological Reflections on Philosophical Topics. Princeton University Press, 2001. .Geuijen,Karin. Paul t Hart, Sebastiaan Princen, Kutsal Yesilkagit. The New Eurocrats. National civil servants in EU Policy-Making. Amsterdam University Press. Met name H. 4: Getting Things Done in European Police Co-operation.Halman, L., R. Luijkx, M. van Zundert. The Atlas of European Values. Leiden, Brill Academic Publishers, 2005.Held, David. Anthony McGrew. The global transformation reader. Polity Press, 2003.Hofstede, Geert. Gert Jan Hofstede. Allemaal andersdenkenden. Omgaan met cultuurverschillen. Geheel vernieuwde editie.Uitgeverij Contact, 2005 (2008). Oorspronkelijk versie 1994.Huisjes, Henk. Rollen van betekenis. Over de internationale oriëntatie van het politieonderwijs en het opleiden voor een rol inof in directe relatie met het buitenland. Politieonderwijsraad, november 2007.Huntington, Samuel P. The Clash of Civilizations. Remaking of World Order. 1996.Jansen, Thijs. Gabriel van den Brink. Jos Kole (red.). Beroepstrots. Een ongekende kracht. Boom, 2009.Jochoms, M.P.C.M., A. Cachet, A. van Sluis, A. Sey, A.B. Ringeling. Het politiebestel betwist, deel 2. Tijdschrift voor de Politie2009-9, pg. 24 e.v.Klein, Naomi. De Shock Doctrine. De opkomst van rampkapitalisme. De Geus, 2007.KLPD, DINPOL. De normaalste zaak van de wereld. Visie op de internationalisering van de Nederlandse politie. 2007.KLPD, dienst IPOL. Nationaal dreigingsbeeld, 2008.Klerks, Peter. Nicolien Kop. Maatschappelijke trends en criminaliteitsrelevante factoren. Een overzicht ten behoeve van hetNationaal Dreigingsbeeld criminaliteit met een georganiseerd karakter, 2008-2012. Politieacademie, lectoraatcriminaliteitsbeheersing & recherchekunde. April 2007.Kop, N. e.a. Runnen in de bovenwereld. De wereld op zijn kop. Politieacademie, 2007. 109
  • 108. Mastenbroek, W.F.G. Conflicthantering en organisatieontwikkeling. Verandermanagement door betere sturing enzelforganisatie. Organisatieverandering als het managen van interdependentie, 4e druk. Samson Uitgeverij, 1996.Middelaar, Luuk van. De passage naar Europa. Geschiedenis van een begin. Historische Uitgeverij, 2009.Ministerie van Buitenlandse Zaken. Beleidsnotitie Indonesië. Vormgeving van een bilaterale samenwerkingsrelatie metIndonesië voor de periode 2006 -2010.- Staat van de Europese Unie, 2008-2009.- Staat van de Europese Unie, 2009-2010.Ministeries van Justitie en BZK. Jaarverslag Nederlandse Politie 2008.Mintzberg, Henry. Bruce Ahlstrand, Joseph Lampel. Op strategiesafari. Een rondleiding door de wildernis van strategischmanagement. Scriptum management, 2e gewijzigde druk, 2001.Naïm, Moises. Illicit. How smugglers, traffickers and copycats are hijacking the global economy. 2005.NCDO. De millennium doelen atlas.Nicolaï, Atzo. Nederland Europa. Van droom naar daad. Uitgave van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, mei 2006.Oakley, Robert B. Michael J. Dziedzic, Eliot M. Goldberg. Policing the new world disorder: peace Operations and PublicSecurity. National Defence Univeristy Press, 1998.Onderwijsraad. Internationaliseringsagenda voor het onderwijs, 2006-2011. Advies, september 2005.- Vreemde talen in het onderwijs. 2008.Peters, Jaap. Matthieu Weggeman. Het Rijnlandboekje. Principes en inzichten van het Rijnland -model. Business Bibliotheek,2009Politieacademie / School voor Politieleiderschap. Able and willing. Police leaders questioning international co-operation. 2004.- Blauwe denkers. Nederland is klein, denk groot.Blauwe denkers over internationale politiesamenwerking. April 2008.Politieacademie. Blauwboek. September 2008.- Burgers eisen beter blauw. Juni 2009.Politieonderwijsraad. Kwalificatiestructuur. Instrumenten en procedures voor verdere ontwikkeling en onderhoud. 2004b.- Bijdrage aan een ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs, september 2007.- Werkprogramma 2008-2011. Oktober 2007.- Advies Multiculturaliteit en Politieonderwijs. Februari 2008.- Aspecten van Multiculturaliteit. Bijdrage aan de ontwikkelingsagenda van het politieonderwijs. Juni 2008.- Rapportage Herijking beroepsprofielen, fase 1. September, 2009.Quinn, Robert E. Beyond Rational Management. Mastering the Paradoxes and Competing Demands of High Performance. SanFranisco, Josey-Bass.RHC. Politie in Ontwikkeling. Visie op de politie. RHC, 2005.- Nieuwsbrieven Operatie opsporing, tot en met november 2009.Rosenthal, Uri. Erwin Muller. Arnout Ruitenberg. Het terroristische kwaad. Diagnose en Bestrijding. Boom Juridische Uitgevers2005.Sassen, Saskia. Territory, Authority and Rights. From Medieval to Global Assemblages. Princeton University Press, 2006.Scheffer, Paul. Het land van aankomst. De Bezige Bij, 2007.SCP. In het zicht van de toekomst. Sociaal en Cultureel Rapport 2004. Oktober, 2004. Zie in het bijzonder het eerste algemenehoofdstuk van de hand van Paul Schnabel en hoofdstuk 10, over veiligheid, politie en justitie van de hand van Cora Maas- DeWaal.Schot, Johan. Jan-Pieter Smits (red.). Globalisering en geschiedenis. Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis, 2007-3.Senge, Peter. De vijfde disipline. De kunst en praktijk van de lerende organisatie. Scriptum management, 1992.Senge, Peter e.a. Lerende scholen. Academic Service, 2001.Sennett, Richard. De flexibele mens. Psychogram van de moderne samenleving (2000), oorspr. The corrosion of character.- De Ambachtsman, 2008. Oorspr. The Craftsman.Spapens, Toine. Georganiseerde misdaad en strafrechtelijke samenwerking in de Nederlandse grensgebieden. Intersentia, 2008.Verenigde Naties. Peace building in the immediate aftermath of conflict, 2009.Vleuten, Anna van der (red.). De bestuurlijke kaart van de Europese Unie. Uitgeverij Coutinho, 2007.Voorhoeve, Joris. From War tot the Rule of Law. Peace building after violent conflicts. WRR/ Amsterdam University Press.2007.Worldbank. Reshaping Economic Geography. World Development Report 2009, nr. 31.Wijk, Rob de. Supermacht Europa. Mets & Schilt, Amsterdam, 2005.Woud, Auke van der. Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland. Uitgeverij Bert Bakker, 2006. 110
  • 109. Geraadpleegde websites www.aebr.net www.grensbewaking.atspace.com113 www.aepc.net www.interpol.int www.aiv-advies.nl www.jointquality.org www.bnrm.nl www.minbuza.nl/onderwerpen/verdragen www.bologna-bergen2005.no www.minbuza.nl/europesesamenwerking www.cepol.net www.minbzk.nl www.cinop.nl www.minjus.nl www.coe.int www.minocw.nl/euonderwijs/ www.co-i-l.com/coil www.montesquieu-instituut.nl www.comensha.nl www.ncdo.nl/atlas www.consilium.europa.eu www.nl.wikipedia.org/wiki www.defensie.nl/marechaussee www.nuansa.nl www.ec.europa.eu www.nuffic.nl www.ec.europa.eu/dgs/olaf www.om.nl www.ejn-crimjust.europa.eu. www.onderwijsraad.nl www.eu2004.nl www.osce.org www.europahoezo.nl www.politie.nl/KLPD/KLPDDiensten/ www.europa-nu.nl www.politieacademie.nl/internationaal www.eu.int/scadplus www.politieenwetenschap.nl www.eur-lex.europa.eu www.raadopenbaarbestuur.nl www.euregio-mr.org www.regering.nl www.europapoort.nl www.rekenkamer.nl www.europadecentraal.nl www.scp.nl www.europeanvaluesstudy.eu/ www.skohbo.nl www.europol.europa.eu www.statewatch.org www.eurojust.europa.eu www.theiacp.org/ www.ewenger.com/theory www.tispol.org www.ejn-crimjust.europa.eu www.un.org www.frontex.europa.eu www.unodc.org/ www.fundforpeace.org www.weu..int www.wodc.nl113 Niet officiële site Zeehavenpolitie Rotterdam Rijnmond. 111
  • 110. Bijlage 3 ● Overzicht kaarten en boxenKaarten 1. ‘Dunne’ grenzen in Europa, ‘dikke’ grenzen in Afrika. 2. Density, distance en division bepalen de toegang tot de wereldmarkt 3. Vier werelden op basis van density, distance en division 4. Landen van de Europese Unie 5. EU en Schengenlanden 6. Samenwerkingsverbanden in grensgebieden 7. Frontex operaties 8. Vier werelden op basis van criteria voor sterke en zwakke statenTekstboxen: 1. Modernisering: 5 i’s 2. The rise of the network society (Manuel Castells) 3. De wereld: allesbehalve plat! (Harm de Blij) 4. Commotie (Samuel Huntington) 5. Van EGKS naar EU 6. West- Europese Unie 7. Hoofdpunten verdrag van Lissabon 8. Interpol 9. Mondiale veiligheidsthema’s 10. Enschede en Prüm 11. Benelux Unie, proeftuin in de EU 12. Nieuwe staatkundige verhoudingen 13. Statewatch 14. Invloed versus speelruimte: CEPOL, AEPC en IAPC 15. Index voor falende staten 16. International Law Enforcement Agency (ILEA) 17. Nabij en Veraf (model) 18. Detachering in Frankrijk 19. Rollenmodel in of in directe relatie met het buitenland 20. Rollen en beroepsprofielen initieel politieonderwijs 21. Rollen en beroepsprofielen postinitieel politieonderwijs 22. Toespraak minister BZK bij opening IACP -congres 2007 23. Werkgeversvisie 24. Als grenzen gaan verschuiven … (in:ex project) 25. Internationaliseringsagenda politieonderwijs 26. Referentiekader internationalisering en politieonderwijs 112