Rechtzodiegaatsignaleringsrapportage

1,622 views
1,495 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,622
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
3
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Rechtzodiegaatsignaleringsrapportage

  1. 1. Recht zo die gaat Signaleringsrapportage 12-2011 1
  2. 2. ColofonDe Politieonderwijsraad is een adviesorgaan waarvan de positie en taken zijn geregeld in de Wet ophet LSOP en het politieonderwijs, welke in werking is getreden op 1 april 2003.De Raad adviseert de minister van Veiligheid en Justitie (gevraagd en ongevraagd) over hetregeringsbeleid met betrekking tot het Nederlandse politieonderwijs. Tevens fungeert dePolitieonderwijsraad als een afstemmingsorgaan tussen direct en indirect betrokkenen en bij hetNederlandse politieonderwijs.De aandacht in de Politieonderwijsraad gaat in het bijzonder uit naar de relatie tussen de kenmerkenen ontwikkelingen van de politiepraktijk, de (politie) arbeidsmarkt en het politieonderwijs. Daarbijheeft de relatie met het reguliere beroepsonderwijs en het hoger onderwijs steeds de aandacht,evenals de internationale dimensie.Een belangrijke taak van de Raad heeft betrekking op het up to date houden van dekwalificatiestructuur van het politieonderwijs. De Raad adviseert hierover jaarlijks.Adres:PolitieonderwijsraadNassauplein 332585 ED Den HaagPostbus 843002508 AH Den Haag(070) 3118667www.politieonderwijsraad.nlRecht zo die gaat. Signaleringsrapportage. Besproken en aangevuld in de Politieonderwijsraad van 2december 2011.De afbeelding op het voorblad en de afbeelding op pg. 3 betreffen Sail Amsterdam 2010. Diverseoverheidsdiensten en private dienstverleners droegen gezamenlijk zorg voor openbare orde, rust en veiligheid.Vanaf 1975, het jaar dat Amsterdam haar 700-jarig bestaan vierde, wordt Sail elke vijf jaar georganiseerd. 2
  3. 3. Recht zo die gaatSignaleringsrapportage 12-2011 3
  4. 4. 4
  5. 5. INHOUD 1 ● Inleiding 2 ● Trendnota Politieacademie 3 ● ‘Huis van Thorbecke’ en Nationale politie 4 ● Intelligence en vorming 5 ● Tegenwind, armoede en segregatie 6 ● Politie & Partners 7 ● Strategische agenda’s regulier onderwijs 8 ● Kennis en kennisoverdracht 9 ● De overleg- en afstemmingsfunctie van de Politieonderwijsraad Bijlagen 1 ● Regeer- en gedoogakkoord 2 ● Recente publicaties Politie & Wetenschap en de SMVP 3 ● Recente publicaties adviesraden en onderzoeksinstellingen 4 ● Rapporten IOOV (IV&J) 5
  6. 6. 6
  7. 7. 1 ● Inleiding Het is gebruikelijk dat de Politieonderwijsraad kennis neemt van signaleringsrapportages die periodiek door het bureau van de Raad worden opgesteld en waaraan wordt meegewerkt vanuit de Politieacademie, het ministerie en andere leden van de Raad. Deze rapportages bevatten actuele (en deels internationale) ontwikkelingen op het terrein van de politie, de veiligheidssector in meer algemene zin en het politieonderwijs. Daarnaast wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen in en met betrekking tot het reguliere onderwijs. Ook bevatten signaleringsrapportages overzichten van recent verschenen publicaties die een mogelijke relevantie hebben voor het politieonderwijs en het werk van de Politieonderwijsraad. Signaleringsrapportages kunnen ertoe leiden dat de Raad bepaalde onderwerpen agendeert. Diverse onderwerpen zijn in het verleden zo verder uitgediept, bijvoorbeeld in de vorm van panelbijeenkomsten of via verdiepende rapportages. De meest recente signaleringsrapportages dateren uit 2010.1 De doelstelling van deze rapportages is ten eerste de leden van de Raad zelf te informeren over mogelijke gespreksthema’s. Daarbij wordt rekening gehouden met het gegeven dat een deel van de leden van de Raad niet werkzaam is in dan wel in directe relatie met de politiesector, waardoor leden niet ‘als vanzelf’ op de hoogte zijn van recente ontwikkelingen. Daarnaast blijken rapportages ook elders hun weg te vinden, bijv. binnen de Politieacademie. Het hoofdonderwerp in deze rapportage is de doorwerking van het regeerakkoord (2010), zoals zich dat nu laat aanzien, in het bijzonder onderwerpen die de POR- agenda raken.2 Met het regeerakkoord is geen volledig nieuwe beleidsagenda ontstaan; diverse onderwerpen waren al langer onderwerp van beleidsontwikkeling en –evaluatie. De indeling van deze signaleringsrapportage is als volgt. Hoofdstuk 2 betreft een samenvatting van een trendrapportage die de Politieacademie recent opstelde. Deze nota betreft markante thema’s die spelen in de politieorganisatie en hoe de Politieacademie hierop aansluit. In hoofdstuk 3 wordt de komst van de nationale politie besproken tegen de achtergrond van ‘het Huis van Thorbecke’. De nationale politie sluit beter aan bij de bestuurlijke hoofdstructuur van ons land, dan het regionale model, maar ook nu worden er kritische kanttekeningen geplaatst. Verder vermeldt dit hoofdstuk de kwartiermakersorganisatie en de voornaamste uitdagingen waarvoor de nationale politie i.o. zich geplaatst ziet. In hoofdstuk 4 wordt de relatie tussen ‘intelligence’ en ‘vorming’ gelegd. Integriteit van handelen is van groot belang voor het openbaar bestuur, justitie, de politie, maar ook andere gezagsdragers en uitvoeringsorganisaties. Informatiegebruik is aan regels gebonden, tegelijkertijd is er het besef dat juist de combinatie van gegevens nieuwe mogelijkheden biedt voor handhaving en opsporing. Grenzen aan het eigen handelen moeten opnieuw worden bepaald. Anderzijds wijzen ook juist burgers en NGO’s op risico’s van het onbegrensd delen van informatie. Hoofdstuk 5 gaat in op de sterke economische tegenwind die vanaf het najaar van 2008 is opgestoken en voorlopig alleen maar lijkt aan te zwellen. De effecten tonen zich onder andere in groeiende armoede en toenemende sociale en ruimtelijke segregatie. Professionals die werken bij de politie, in het onderwijs, bij woningbouwcorporaties, de thuiszorg of in het welzijnswerk, maar ook winkeliers, hebben de verantwoordelijkheid bij te dragen aan de leefbaarheid van gebieden waar mensen het zwaar hebben. Door gericht in te zetten op1 Zicht op Internationalisering, januari 2010; Kiezen én delen, juni 2010. In januari verscheen het rapport Juridischekennis en het proces-verbaal dat voortvloeide uit een signalering door het Openbaar Ministerie.2 In bijlage 1 zijn de hoofdpunten vermeld van dit regeerakkoord. 7
  8. 8. netwerkontwikkeling, kan de onderlinge samenhang tussen mensen en het gevoel vanveiligheid worden bevorderd.De thema’s van de hoofdstukken 4 en 5 lopen door in hoofdstuk 6, dat handelt over de politieen haar operationele en bestuurlijke partners. Zoals in hoofdstuk 5 beschreven, is dat eenbelangrijk thema op lokaal niveau, maar daarnaast is er het belang van de internationalepolitiesamenwerking. Met betrekking tot de bestuurlijke aanpak van de handhaving en deopsporing lopen meningen fors uiteen. Een informatiegestuurde, integrale overheidsstrategieis bedoeld om bij te dragen aan de veiligheid van burgers en de samenleving als geheel. Maarpakt dit ook altijd zo uit? In ieder geval is het van belang oog en oor te hebben voor kritischegeluiden die waarschuwen voor de risico’s van een te gemakkelijk vertrouwen op informatieen technologie.Hoofdstuk 7 kijkt vervolgens naar de strategische agenda’s die er zijn met betrekking tot hetregulier onderwijs. Over de gehele linie is de druk groot om het niveau van het onderwijs teborgen en te verhogen. Nederland kan zijn positie in de wereldeconomie en –samenlevingalleen behouden als Nederlanders zich verder blijven ontwikkelen. Interessant is de gedachtedat ons land zich bij uitstek leent voor gerichte keuzes en speerpunten in de globalecompetitie. Deze discussie is verwant met die over de kennisfunctie van de Politieacademie.In hoofdstuk 8 komen enkele actuele kwesties aan de orde met betrekking tot het ontwikkelenvan politiekundige kennis door middel van praktijkgericht onderzoek en overdracht vankennis richting het werkveld en het onderwijs.Hoofdstuk 9 tenslotte bespreekt kort de overleg- en afstemmingsfunctie van dePolitieonderwijsraad, in aansluiting op de recente publicatie Gewoon overleg leert al anders(Politieonderwijsraad, april 2011). Box 1 Recht zo die gaat! – varen op de kaart van Mercator Ter ere van het 500ste geboortejaar van cartograaf Gerard Mercator is tot 8 september 2013 een tentoonstelling te bezoeken in het Maritiem Museum Rotterdam. ‘Alsmaar de kust blijven volgen en bij de derde vuurtoren rechtsaf’, was de routebeschrijving die zeevaarders tot aan het einde van de middeleeuwen volgden. Mensen wisten nog weinig van de wereld en zeelieden durfden daarom niet zomaar de open zee op te gaan. In de zestiende eeuw waagde men zich steeds verder van de kust. Er werden nieuwe landen ontdekt en kaartenmakers brachten de wereld steeds preciezer in beeld. Maar hoe geef je de ronde aarde weer op een platte kaart? Mercator’s oplossing werd wereldberoemd. Zijn weergave van de wereld stelde zeelieden voor het eerst in de geschiedenis in staat om met een rechte lijn hun koers op een zeekaart uit te stippelen. Het stuurcommando ‘recht zo die gaat!’ werd meer dan ooit van toepassing. De wereldkaart van Mercator, waarvan het Maritiem Museum een van de drie originele exemplaren bezit, is van grote betekenis geweest voor het succes van Nederland als maritieme handelsnatie. De kaart wordt zelfs nu, in ons huidige tijdperk van tomtom en GPS, nog door zeevaarders gebruikt en landrotten ontlenen er hun beeld van de Aarde aan. Voor het eerst vertoond in Nederland Het verhaal over de wereldkaart van Mercator wordt geïllustreerd met objecten uit de collectie van het Maritiem Museum Rotterdam die uniek zijn in de wereld en maar zelden uit het depot komen. Te zien is de originele kaart van Mercator uit 1569 waarvan slechts drie exemplaren in de wereld bewaard zijn gebleven. Het Maritiem Museum bezit het enige ingekleurde exemplaar dat bovendien is samengesteld in de vorm van een atlas. Ook de aardglobe van de hand van Mercator is te vinden in de tentoonstelling. Conservator Ron Brand: “Saillant detail is dat Mercator zelf nooit op reis is geweest. Hij maakte zijn wereldkaart en globe in zijn atelier aan de hand van technische berekeningen en verhalen van zeevaarders.” Zie verder: www.maritiemmuseum.nl. 8
  9. 9. 2 ● Trendnota Politieacademie In juli 2011 heeft de Politieacademie een trendnota aangeboden met betrekking tot de politie en het politieonderwijs. De hoofdpunten van deze nota zijn als volgt. De nota noemt aan het begin enkele brede maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de herwaardering van vakmanschap, het terugdringen van bureaucratie, de ‘democratisering van informatie en kennis’ en internationalisering. Tegen deze achtergrond is samenwerking van de politie met burgers en met ketenpartners een must. Hier wordt hard aan gewerkt en moderne technologie helpt daarbij. Via een probleemgerichte benadering wordt een beter en gedeeld inzicht mogelijk en een betere (gezamenlijke) aanpak. De nadruk in het politiewerk zal volgens de nota blijven liggen bij gebiedsgebonden werken en een lokale verankering van het veiligheidsbeleid. De komst van de nationale politie heeft echter ook zijn redenen. Dit betekent dat lokale leiders “een balans moet zien te vinden tussen hetgeen hen vanuit de minister wordt opgelegd en de lokale problemen die spelen”. (pg. 4) De nota noemt drie belangrijke beleidsdoelen: (1) een verbetering van de effectiviteit van de politieorganisatie, (2) een sterkere moraal van het politiekorps en (3) een steviger gezagspositie van de Nederlandse politie. Het Aanvalsplan op de Bureaucratie moet ertoe leiden dat er meer tijd wordt besteed aan operationeel politiewerk. Meer nadruk op vakmanschap zal bovendien leiden tot meer professionele weerbaarheid van politiemedewerkers en een grotere effectiviteit. Nieuwe media kunnen daarbij helpen (social media). De versterking van het gezag van de politie vergt een gecombineerde strategie: relationeel en sanctionerend. Dit drukt zich uit in het individuele handelen van de agent, maar ook (en vooral) in het handelen en de presentatie van de politie als geheel. Het uniform is een uitdrukking van de professionele en de democratische gelegitimeerde macht van de politie. Om de genoemde drie beleidsdoelen een impuls te geven, worden diverse programma’s genoemd. Het programma Directe aanpak gaat over: de toepassing van het front office/back office concept (FOBO), waarbij agenten (op straat) worden ondersteund door informatiemedewerkers op kantoor. Agenten ontvangen real time relevante informatie, en geven vice versa informatie door die in de ‘systemen’ wordt verwerkt (informatiegestuurde politie); meer ‘heterdaad kracht’ en een meer directe afhandeling; nieuwe technologie betreft bijv. de inzet van smart phones, Burgernet en social media; het ZSM-project (justitiële afdoening van zaken), wat staat voor een adequate, effectieve lik-op-stuk-aanpak; dit is onderdeel van een breder programma binnen het OM, gericht op de herinrichting van de strafrechtketen. In het programma Professionele weerbaarheid worden drie aspecten onderscheiden: fysieke, mentale en morele aspecten van weerbaarheid. Aan elk van deze aspecten moet gewerkt worden vanuit de wetenschap dat het politieberoep stevige eisen stelt aan mensen. Waar dit onvoldoende gebeurt, dreigen risico’s van overbelasting en verminderde inzetbaarheid. Tenslotte wordt het programma Sterker blauw genoemd en een model gepresenteerd: de ‘Bollen van Gieling’. Hierin zijn belangrijke vereisten benoemd van professioneel handelen in moeilijke omstandigheden. Deze staan voor even zo vele tactische lessen, volgens Van der Torre (recent benoemd als lector aan de Politieacademie). Standaardisering is daarbij een belangrijk punt (‘gestolde ervaring’; goede voorbereiding). Andere belangrijke factoren zijn: opleiden, voldoende mensen en middelen, opvang en nazorg, aanpak van dader(s) en evalueren (‘after action review’). In de slotparagraaf van de trendnota worden de verschillende ontwikkelingen en programma’s in onderling verband gebracht. 9
  10. 10. Box 2Hindernisbaan voor politieagentenVanaf 2012 moeten politieagenten verplicht een fitheidstest afleggen. De test betreft een parcourswaarbij binnen een nog een nader te bepalen tijd een bepaalde afstand moet worden afgelegd metonderweg oefeningen als over een bok en over banken springen en zware ballen verplaatsen. Ookmoet een kar van maar liefst 200 kg worden geduwd en verderop stil worden gezet en moet eenpop van 50 kg worden verplaatst. De Nederlandse Politiebond heeft aangekaart dat de normen dieworden gehanteerd (voor mannen/vrouwen of leeftijdsgroepen) niet zonder meer kunnen wordenopgelegd. De afgelopen jaren hebben 6000 agenten op vrijwillige basis het parcours gedaan, maarvanaf volgend jaar zal iedere agent dit moeten doen. Hoewel het volgens de NPB heel belangrijk isdat agenten de spiegel voorgehouden krijgen, moet het niet zo zijn dat mensen hierdoor hun baanzouden kunnen verliezen (bron: NRC, 4 juli 2011). 10
  11. 11. 3 ● Het ‘Huis van Thorbecke’ en de nationale politie Deze paragraaf gaat over ontwikkelingen binnen het Nederlandse bestuursstelsel. Eerst in algemene zin (‘het Huis van Thorbecke’), daarna wordt ingezoomd op de (nationale) politie. In de afgelopen maanden zijn belangrijke besluiten genomen ten aanzien van de inrichting van de beoogde politieorganisatie. Er zijn kwartiermakers benoemd op landelijk en op regionaal niveau en de planvorming begint duidelijke vormen aan te nemen. De Politieacademie is reeds vanaf 1993 landelijk georganiseerd. Het wetgevingstraject met betrekking tot het politieonderwijs is apart georganiseerd en berust (deels) op andere argumenten en doelen. Verbouwing van het ‘Huis van Thorbecke’ In Nederland, maar ook in andere landen, wordt gesleuteld aan het staatsbestel. De bestuurlijke hoofdstructuur van ons land dateert uit de 19e eeuw en is, volgens velen, toe aan herijking. De vraag is, op welke wijze. Behalve een historische benadering kan ook de vergelijking met andere landen leerzaam zijn. Hieronder volgt een impressie van een op 24 mei 2011 gehouden studiebijeenkomst over deze thematiek, georganiseerd door het KNAG (Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap) en het IPO (Interprovinciaal Overleg). De bijeenkomst sloot aan op veelgehoorde kritiek op de huidige bestuurlijke praktijk (‘bestuurlijke drukte’, ‘stroperig’). Hoewel de drielagen structuur al heel lang hetzelfde is, zijn er forse veranderingen opgetreden op het lokaal bestuurlijke niveau. Zo is het aantal gemeenten en waterschappen fors afgenomen, een proces dat nog lang niet is afgelopen. Daarnaast is er een groot aantal intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ontstaan en, mede onder invloed van de verdere ontwikkeling van de Europese Unie, diverse grensoverschrijdende samenwerkingsconstructies. Momenteel is onder het kabinet Rutte sprake van een flinke overheveling van taken richting de gemeenten (maatschappelijke ondersteuning, maar ook de verantwoordelijkheid voor een samenhangend veiligheidsbeleid). Het rijk trekt zich verder goeddeels terug uit het ruimtelijk beleid (wordt aan de provincies en gemeenten overgelaten), behalve waar de nationale infrastructuur aan de orde is. In principe zijn er twee manieren (twee typen) om vorm te geven aan noodzakelijke differentiatie binnen het openbaar bestuur: een territoriale benadering (type I) en een functionele (type II).3 In de territoriale benadering wordt een beperkt aantal bestuurslagen onderscheiden met elk een veelomvattende bestuurstaak binnen een eigen gebied. Deze gebieden overlappen elkaar niet en er is sprake van één omvattende bestuurlijke autoriteit. Het tweede type betreft een stelsel waarbij autoriteiten met een specifieke taak naast elkaar voorkomen. In een bepaald gebied zijn er dan meerdere autoriteiten. Het eerste type (territoriaal) past goed bij een federaal model (zoals het Huis van Thorbecke), het tweede type past goed bij bestuursmodellen die zich ontwikkelen in sterk verstedelijkte gebieden. Binnen dit type kunnen overheidsinstanties elkaar opzoeken om tijdelijke arrangementen op te zetten, gericht op een bepaald gezamenlijk doel. Samenwerking kan vorm krijgen in programma’s, projecten of nog lichtere constructies. Beide typen kunnen in de praktijk worden gevonden, maar vrijwel nooit in zuivere vorm. Een zuiver territoriale afbakening van bestuur, noch een zuiver functionele, blijkt houdbaar. In Nederland is type I (het territoriale model) dominant, maar in toenemende mate toont type II zich (het functionele model). Waar het in de praktijk op neerkomt, is het vinden van optimale combinaties van beide, een zoekproces dat niet eindigt, maar een voortdurende dynamiek veronderstelt (zoals momenteel het geval bij de onderhandelingen over het Bestuursakkoord in Nederland). Bestuurlijke ontwikkelingen in eigen land kunnen worden vergeleken met ontwikkelingen in andere landen. Dat kan tot nieuwe inzichten en perspectieven leiden. Denemarken bijvoorbeeld heeft in 2007 een ingrijpende wijziging van het bestuursstelsel doorgevoerd3 Zie bijv. Hooghe, L. & G. Marks (2001). Types of Multi-Level governance. European Integration online Papers. 11
  12. 12. met als resultaat een zeer forse vermindering van het aantal Amter (soort provincies; terugvan 24 voor 1970 tot 5 nu) en Kommuner (gemeenten; van 1389 voor 1970 tot 98 nu) en eencentralisatie van bepaalde taken op rijksniveau. Tegelijkertijd vond een decentralisatie vantaken richting de (sterk vergrote) gemeenten plaats. In Frankrijk daarentegen neemt decomplexiteit verder toe zonder dat het systeem wezenlijk verandert. Naast een zeer grootaantal communes (gemeenten, bijna 37.000) en 101 departementen zijn er allerlei lagenbijgekomen (régions, 22 in totaal en een groot aantal, uiteenlopende vormgegevenintergemeentelijke samenwerkingsverbanden waarvan een flink aantal beschikt over eeneigen belastinggebied). Al met al kent Frankrijk maar liefst een half miljoenvolksvertegenwoordigers.In Nederland is met het regeerakkoord 2010 afgesproken dat de overlap tussen de driebestaande bestuurslagen zal worden verminderd. Voortaan kunnen slechts tweebestuurslagen tegelijkertijd bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen. Op het gebied vanhet veiligheidsbeleid is sprake van zowel een territoriale als een functionele invalshoek.Nationale PolitieOp de onderstaande kaart is te zien hoe de nieuwe indeling van de politieregio’s er uit gaatzien. Er komt naar alle verwachting één landelijk politiekorps dat valt onder deverantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie. De regiokorpsen, hetKLPD, de VTS Politie Nederland gaan hierin op. Er komen tien regionale eenheden en éénof meer landelijke operationele eenheden zoals nu de Nationale Recherche. De grenzen vande regionale eenheden komen overeen met de voorgestelde grenzen van dearrondissementen (de ‘herziene gerechtelijke kaart’). Dit moet de samenwerking in dejustitiële keten vereenvoudigen.Het nieuwe nationale organisatiemodel past beter bij de rechtstatelijke structuur van onsland, dan het huidige regionale model. Sedert het jaar van invoering van het regionalemodel (1993) klonk er kritiek op het zgn. ‘democratische gat’. Omdat de politieregio’s nietaansloten op de bestuurlijke hoofdstructuur (rijk, provincie, gemeenten) werden risico’sgezien voor wat betreft de democratische inbedding van de regionale politie. In 1998 12
  13. 13. verscheen een dissertatie over dit onderwerp van de hand van Jaap Koopman.4 De promovendus haalt het toenmalige lid van de Tweede Kamer, Jacob Kohnstamm (D66) aan, die stelde: Het staatsrecht heeft verloren van de schaalvergroting (1998:87). Koopman komt in 2011 terug op zijn promotiethema in het Nederlands Juristenblad (15 juli 2011, pg. 1674-1681). Nu reflecteert hij op de ‘rechtsstatelijke inbedding van de nationale politie’. In een interessant artikel neemt Koopman het voorstel onder de loep en brengt diverse punten naar voren die een risico inhouden voor het evenwicht tussen bestuurlijke verantwoordelijkheden. Zijn stelling is: Macht behoeft tegenmacht. In de Nederlandse traditie is op drie manieren sprake van spreiding van macht: de Trias Politica (het onderscheid tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht; horizontale spreiding van macht); de leer van checks and balances (de staatkundige finetuning in de verhouding tussen elkaar over en weer aanvullende en in evenwicht houdende overheidsorganen); het Huis van Thorbecke (rijk, provincies, gemeenten; verticale spreiding van macht). Koopman doet een poging om het voorliggende wetsvoorstel nationale politie te beoordelen vanuit elk van deze drie invalshoeken. Hij plaatst de volgende kanttekeningen: de centralisatie van het gezag over de politie is al een lang lopend proces; het wetsvoorstel bevestigt en versterkt dit. Weliswaar blijft er sprake van lokaal gezag over de politie (de iure zijn dat de burgemeester en de plaatselijke officier van justitie), de facto blijft daar volgens Koopman weinig van over als gevolg van bovenlokale prioriteitsstelling; het leidende beginsel ‘decentraal, tenzij..’ wordt ingeruild voor een ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’; ophanging van de nationale politie onder de minister van VenJ heeft voordelen met het oog op de afstemming in de justitiële keten, maar roept vragen op over de afstemming in de bestuurlijke keten, zoals veiligheidsregio’s en regionale uitvoeringsdiensten; de versterking van de justitiële oriëntatie van de politie gaat ten koste van de bestuurlijke, volgens Koopman; de regioburgemeester heeft een belangrijke rol in de sturing van de politie, maar past niet bij het staatsbestel. Regionale beleidsplannen dienen unaniem te worden vastgesteld. Desnoods kan de regioburgemeester een besluit hieromtrent doordrukken via een beroep bij de minister. In voorkomende gevallen moet deze bepalen of beleidsplannen op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van de goede vervulling van de politietaak in een bepaalde gemeente. Volgens Koopman houdt deze lijn een risico in dat volksvertegenwoordigers op lokaal en nationaal niveau te weinig invloed zullen en kunnen uitoefenen. Tegen een achtergrond van deling en verdeling van macht meent Koopman dat het wetsvoorstel niet in het lood staat. De verhouding bestuur/justitie trekt scheef, wat doorwerkt in de sturing van de politie op decentraal niveau. Hij pleit voor een versterking van de kaderstellende en controlerende rol van de volksvertegenwoordiging op lokaal en nationaal niveau.5 Wetgevingstraject en planvorming Het traject om tot een nieuwe politiewet te komen loopt parallel met de voorbereidingen op de organisatiestructuur van de nationale politie en een nieuw nationaal programma.4Jaap Koopman (1998). De democratische inbedding van de regionale politie. Kluwer, Deventer.5Zie ook: P.W. Tops, M. van Duin, P. van Os en S. Zoudiris (2010). Sleuren of Sturen. Gemeenten en sturing vanveiligheid en politie. Rapport vervaardigd voor de commissie Bestuur en Veiligheid van de Vereniging vanNederlandse gemeenten. 13
  14. 14. Het voorstel van wet heeft inmiddels de unanieme instemming van de Tweede Kamer. Naar verwachting zal de Eerste Kamer het wetsvoorstel behandelen in het eerste kwartaal van 2012. Het lijkt dan ook reëel dat de wet in de loop van 2012 in werking zal treden. De plannen voor de organisatie van de nationale politie zijn op hoofdlijnen klaar. De missie staat al: Waakzaam en Dienstbaar, tijdloze, onvergankelijke begrippen die uitdrukken waar de politie voor staat. Er zal dan nog geen uitgewerkt inrichtingsplan en realisatieplan liggen, maar wel een helder overzicht van principes en uitgangspunten. Volgens Gerard Bouman, landelijk kwartiermaker en beoogd nationaal korpschef, is het een zeer intensief proces wat alvast heeft opgeleverd ‘dat we straks echt één politie gaan vormen. Eén politie met één agenda en één verhaal. Maar ook één identiteit en één uitstraling…’. De actuele stand van zaken wordt voor de gehele politie ontsloten via Politiekennisnet (PKN).6 Strategische thema’s die zonder meer prioriteit hebben zijn: - de informatievoorziening moet beter; politiemensen moeten te allen tijde kunnen beschikken over de meest recent informatie. Real time, op straat, en waar dan ook; - adequaat op- en afschalen van politie-inzet; met de komst van de nationale politie zijn er nieuwe kansen op dit punt; - nationale politie als katalysator voor onderwerpen als ‘heterdaadkracht’; - de verbinding met de buitenwereld (‘De politie doet niets alleen’, volgens Bouman); - de kwaliteit en de organisatie van de opsporing; - de vorming van robuuste multidisciplinaire basisteams. Drempels zijn de mogelijk de te hoge verwachtingen van het traject nationale politie en het gewicht van het ICT dossier. Daarnaast is veel aandacht nodig voor de aansluiting van de top op de werkvloer, de veiligheid van collega’s en een onderwerp als professionele weerbaarheid. Politie en Defensie In het regeerakkoord (bijlage 1) is te lezen dat de krijgsmacht een rol heeft als ‘volwaardige partner in de strijd tegen drugs, terrorisme, illegale immigratie en piraterij’. Voor zover het gaat over het binnenlandse politiebeleid heeft de Koninklijke Marechaussee (Kmar) een structurele taak. Diverse artikelen in het wetsvoorstel gaan hierover. Inzet van de politie bij vredesmissies impliceert directe samenwerking tussen politie en de krijgsmacht. Op dit moment werkt de politie mee aan een trainingsmissie gericht op het opleiden van Afghaanse politiemensen in de provincie Kunduz.7 Wet Politieonderwijs Naast de nieuwe politiewet is ook een nieuwe wet op het politieonderwijs in voorbereiding. Omdat het politieonderwijs al sedert 1993 op landelijke schaal is georganiseerd, gaat het hier om andere redenen van onderbouwing. Enerzijds is het zaak de verbinding met de politiewet te maken qua taakopdracht, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; anderzijds zal het mogelijk gaan om meer inhoudelijke motieven die bijv. van doen hebben met de kwaliteit van het politieonderwijs, de toegankelijkheid, flexibiliteit en de doelmatigheid van politieopleidingen. Mogelijk wordt ook de relatie met het reguliere onderwijs verder uitgewerkt.6 Via Intranet naar PKN als volgt: PKN > Kennis > Bedrijfsvoering > Management > Strategie en Beleid >Nationale politie. Tevens is er het Nationaal politiebericht van de kwartiermaker nationale politie.7 Zie ook: Zicht op Internationalisering (2010) en Politie & Co (2009). 14
  15. 15. Kwartiermakers Nationale PolitieDe minister van VenJ beoogt de organisatiestructuur van de nationale politie klaar te hebben, zodra denieuwe politiewet wordt aangenomen door het parlement. De nationale kwartiermakers zijn benoemd (incasu de beoogde korpsleiding).Naast Gerard Bouman (58 jaar; landelijk kwartiermaker; sinds 2007 hoofd van de AIVD en daarvoorkorpschef Haaglanden en hoofdofficier van justitie), zijn dat de heren Ruud Bik (58 jaar, sinds 2007korpschef KLPD; plv. landelijk kwartiermaker), Leon Kuijs (55 jaar, kwartiermaker Bedrijfsvoering;voorzitter RKC, sinds 2002 korpschef Brabant Zuidoost) en mevr. Janine van de Berg (47 jaar,kwartiermaker Operaties; korpschef Kennemerland).De landelijke CIO, Aad Meijboom (59 jaar, vm. korpschef Rotterdam -Rijnmond) is toegevoegdkwartiermaker. Ook is er een nieuwe algemeen directeur benoemd bij de Voorziening tot Samenwerking:de heer André Regtop (55 jaar, voorheen directeur Centraal Justitieel Incassobureau).De elf kwartiermakers van de toekomstige regionale eenheden en de landelijke eenheid presenteerdenzich onlangs als volgt op de politiewebsites (26-8-2011): Elf antwoorden op de vraag wat de komst vande Nationale Politie voor de kwartiermakers zelf betekent. Pieter-Jaap Aalbersberg, 52 jaar, korpschef IJsselland en vanaf 1 november korpschef Amsterdam-Amstelland, kwartiermaker Amsterdam-Amstelland. "Nationale Politie is voor mij een dubbele uitdaging. Als kwartiermaker van Amsterdam wil ik samen met mijn collega’s bouwen aan de Nationale Politie, met één voornamelijk doel: Nederland veiliger maken voor onze burgers. Daarnaast ga ik vanaf 1 november aan de slag als korpschef binnen Amsterdam-Amstelland, een voor mij totaal nieuwe omgeving en alleen daarom al een uitdaging. En omdat Amsterdam-Amstelland niet fuseert met een of meer andere regio’s, biedt dat een geweldige kans. We hoeven ons namelijk niet te richten op een interne reorganisatie, maar kunnen volledig focussen op de doorontwikkeling van de trots, de prestaties en de innovatie die zo kenmerkend zijn voor het korps. Wat mij betreft zit daar de interne kracht van Amsterdam-Amstelland. En precies die punten kunnen we de komende tijd doorontwikkelen, zodat we vanuit de eenheid Amsterdam een voortdurende en waardevolle bijdrage leveren aan ons politievak binnen onze Nationale Politie." Miriam Barendse, 47 jaar, waarnemend korpschef Utrecht, kwartiermaker Midden-Nederland "Nationale Politie zie ik als een kans om de politieorganisatie toekomstproof te maken, het vertrouwen in de politie te vergroten en natuurlijk de samenleving nog veiliger te maken. Afgelopen zeventien jaar gebeurde er veel op het gebied van veiligheid en professionalisering, maar het huidige bestel is over de houdbaarheidsdatum heen. De organisatie is aan een nieuwe stap toe. Ik ga uit van dezelfde basisdoelstellingen: tevredenheid van medewerker én burger. De collega wil fluitend naar zijn werk gaan, gesteund door de organisatie en met de juiste middelen. Professioneel en veilig werken staan voor mij centraal. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de politie komt waar zij nodig is. Dat vertrouwen moet je intern en extern verdienen. Dat gebeurt als we de goede dingen en de dingen goed doen, met de juiste houding en gedrag. Voor mezelf is het een enorme kans en eer. Het komende jaar staat mijn tijd erg in het teken van het nationale bestel. Dat kost energie van iedereen en legt beslag op wie bezig is met deze ontwikkeling én op iedereen in de staande organisatie. Ik wens ons allemaal veel succes en plezier toe!" Oscar Dros, 48 jaar, korpschef Groningen, kwartiermaker Noord "Nationale Politie is voor mij een logische stap. In het noorden werken we al jaren intensief samen met maar één doel: beter politiewerk op straat. Veel ondersteunende diensten zijn hier al samengevoegd. We moeten ongehinderd door korpsgrenzen zorgen dat de politie daar is waar we nodig zijn, op een manier die past bij die omgeving. Nationale Politie biedt die kans, maar vraagt ook om professionele politiemensen en vakmensen die flexibel en slagvaardig zijn. Die meer ruimte krijgen en nemen om hun vak goed uit te oefenen en het vertrouwen hebben van hun leiding. Politiewerk is mensenwerk en dus niet alleen in cijfers uit te drukken. Nu kunnen we aan de slag met het beste idee, concept of werkwijze uit de korpsen. Daarbij moeten we vooral geen concessies doen door te gaan polderen. Bij opschaling is er altijd het risico dat bureaucratie eerder toe- dan afneemt. Dat mag dus niet gebeuren.” 15
  16. 16. Henk van Essen, korpschef Haaglanden, kwartiermaker Haaglanden"Nationale Politie is voor mij een politiekorps met één stem en één gezicht, dat onzeslagkracht vergroot en onnodige verschillen in werkwijzen en presentatie beëindigt.De uitdaging is om vanuit zon grootschalige organisatie in de wijken verankerd teblijven. Om fijnmazig, proactief en op basis van ‘kennen en gekend worden’ ons werkte doen. We moeten zorgen dat meer efficiency in de bedrijfsvoering niet leidt totminder operationele effectiviteit. Het mag niet zo zijn dat agenten of leidinggevendenstraks werkzaamheden verrichten die medewerkers in de ondersteuning nu doen.Voor mij persoonlijk betekent Nationale Politie dat ik de collega’s wil motiveren omvan de nieuwe eenheid Haaglanden een stevige pijler in het geheel te maken. Beidekorpsen leveren al uitstekende prestaties en vormen een mooie basis. Zo brengtHollands Midden een sterke lokale verankering mee en Haaglanden een krachtigeoperationele focus. Ik ben trots dat ik de kar in deze regio mag trekken."Frans Heeres, 53 jaar, korpschef van Midden en West Brabant, kwartiermakerOost-Brabant"Nationale Politie is voor mij de kans bij uitstek om de goede resultaten van deafgelopen jaren te behouden en te verbeteren. Ik verwacht dat minder bureaucratie,snellere besluitvorming en verbeterde samenwerking sleutelwoorden zullen zijn. Ikben een groot voorstander van Nationale Politie, omdat ik dat een goed antwoordvind op de vragen uit de samenleving over samenhang, slagkracht en betereresultaten. Ik hoop dat de goede politieorganisatie die Nederland heeft, hierdoor nogbeter wordt en dat Nederland hierdoor nog veiliger zal worden."Stoffel Heijsman, 58 jaar, voorheen korpschef Utrecht, kwartiermaker Oost-Nederland"Nationale Politie is voor mij van belang omdat de grenzen van effectiviteit van onshuidige politiebestel zijn bereikt. We moeten de volgende ontwikkelingstap maken.Wat mij betreft met veel respect en waardering voor wat de regionale politie ons deafgelopen zeventien jaar heeft gebracht: zonder spijt of verwijt! Als kwartiermaker gaik op zoek naar de kracht en specifieke toegevoegde waarde van Oost-Nederland: inde regio zelf én voor de Nationale Politie. We willen ons onderscheiden. Niet ininrichting en structuur, maar met maatwerk in onze dienstverlening! Het leggen vanverbinding met de collega’s op inhoud, proces en relatie is voor mij essentieel.Omdat tijdens de verbouwing de verkoop doorgaat, kunnen degenen dieondertussen staan voor het op peil houden van onze bijdrage aan veiligheid en onzedienstverlening, rekenen op mijn speciale aandacht. Dit geldt in het bijzonder vooronze collega’s in de bedrijfsvoering."Liesbeth Huyzer, 50 jaar, lid korpsleiding Amsterdam-Amstelland,kwartiermaker Noord-West-Nederland"Nationale Politie zie ik vooral als een kans om de veiligheid in de samenleving nogbeter te waarborgen. Niet door meer mensen en middelen in te zetten – zoals in hetverleden – maar door slimmer en efficiënter politiewerk. Wanneer we als eenheidopereren, worden we slagvaardiger. De winst ligt in het delen van specialismen enhet versterken van vakmanschap, maar daarbij moeten we niet de kleinschaligheiduit het oog verliezen. De gebiedsgebonden aanpak is de laatste jaren stevigneergezet, die moeten we behouden. Het wordt niet alleen een uitdaging om deburger dichtbij te houden; ook de individuele collega’s moeten zich verbondenvoelen om goed te functioneren in een organisatie met 60.000 werknemers. Daarmoeten we aandacht voor hebben. Ik merk in de bijeenkomsten met de landelijkekorpsleiding en de kwartiermakers dat dat gevoel van gezamenlijkheid er al is, endat geeft energie. Die energie hopen we nu op alle collega’s over te dragen." 16
  17. 17. Frank Paauw, 52 jaar, korpschef Rotterdam-Rijnmond, kwartiermakerRotterdam-Rijnmond"Nationale Politie is voor mij een korps dat veel beter aansluit bij deze tijd dan eeneilandenrijk met 26 korpschefs. Criminelen opereren niet uitsluitend binnen regio- oflandsgrenzen. Daarom hebben we eenduidige en landelijk op elkaar aansluitendepolitiesystemen nodig. Daardoor kunnen we sneller en eenvoudiger informatie enmedewerkers uitwisselen, ook internationaal. Dat vergroot de slagvaardigheid. Ditvertaalt zich direct naar veiligheid en vertrouwen van de burgers. Door debedrijfsvoering zoveel mogelijk te centraliseren en de operationele kracht te verdelenover tien in plaats van 25 regio’s en het KLPD, kunnen we volgens mij de efficiëntieen kwaliteit van het politiewerk nog verder vergroten."Gery Veldhuis, 52 jaar, korpschef Limburg-Zuid, kwartiermaker Limburg"Nationale Politie is voor mij het logische slotakkoord van een langdurige discussiedie al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in ons land wordt gevoerd. Het ishet antwoord op de vraag om eenheid en uniformiteit die door zowel het publiek alsde politiek is gesteld. De vorming van de Nationale Politie geeft ons de gelegenheidonszelf te ontwikkelen tot één van de beste onderdelen van het openbaar bestuur,een excellent onderdeel van de Nederlandse overheid. Het is wat mij betreft eenuitdaging om dit proces snel en zorgvuldig uit te voeren, zonder dat dit ten koste gaatvan ons werk en onze prestaties. Tegelijkertijd is het de kunst om de keerzijde vanschaalvergroting op realistische wijze onder ogen te zien. Het gevaar loert datmensen zich verloren gaan wanen. Dat is een zorg. We moeten elkaar vasthouden,want het zal niet zo zijn dat alles beter wordt."Hans Vissers, 57 jaar, plaatsvervangend korpschef Rotterdam-Rijnmond,kwartiermaker Zeeland-West-Brabant"Nationale Politie is voor mij iets waarvan ik al jaren voorstander ben. Als we diegoed invullen, kan het ons veel voordelen brengen. Zowel met mensen als middelenkunnen we veel efficiënter omgaan. We hoeven het wiel maar één keer uit te vindenen maar één keer na te denken over de uitvoering. Dat bespaart een hoop overlegen leidt tot eenduidige kwaliteit, mits je dat doet met gevoel voor het werk dat lokaalmoet gebeuren. De winst kunnen we omzetten in executieve politiemensen voormeer blauw op straat en in de opsporing. De politie zal herkenbaarder worden. Wekunnen onze energie veel meer richten op het creëren van professionelewerkomstandigheden voor de uitvoerende collegas, op de kwaliteit van het werk ende relatie met de burger. Dat komt ten goede aan de veiligheid van de burger. Als dieons meer gaat vertrouwen en overtuigd raakt van onze toegevoegde waarde, gaat deburger ook meer met ons samenwerken. En dan staan we er over een paar jaar eenstuk beter voor."Patricia Zorko, 46 jaar, waarnemend korpschef KLPD, kwartiermaker landelijkeeenheid"Nationale Politie is voor mij een positieve uitdaging met volop kansen voor onsallemaal. Geen versnippering meer, beter afspraken maken, focussen op het echtepolitiewerk. Dus die kansen gaan we pakken. Zelf ben ik toegegroeid naar het ideevan een Nationale Politie. Ik ben van oorsprong een typische gebiedsgebondenpolitievrouw. Ik geloof daarom heilig dat verbinding met de samenleving de basisvormt van politiewerk. Het draait om kennen en gekend worden. Maar samenlevinggaat verder dan een woonwijk: transportinfrastructuur, bankenwereld, cyberspace,internationale verbanden. In dat licht is onze versnipperde politieorganisatie nietmeer van deze tijd. De verankering moet echter een gemeenschap blijven. Juist indergelijke grensoverschrijdende gemeenschappen kan de landelijke eenheid hetkennen en gekend gestalte geven. Ik ben overtuigd dat politiemensen straks trots zijnop en meer zekerheden ontlenen aan de Nationale Politie. Eén korps dat delegitimatie van al ons politiewerk versterkt en beslist leidt tot een veiliger Nederland." 17
  18. 18. 4 ● Intelligence en vorming8 De huidige samenleving kenmerkt zich meer en meer als een ‘informatiesamenleving’, waarin kenmerken van en data met betrekking tot burgers op talloze manieren worden opgeslagen in databestanden. Steeds gemakkelijker kunnen data uit het ene bestand gekoppeld worden aan data in andere bestanden. Alles wat kan, hoeft echter niet per definitie ook goed en verstandig te zijn. In het voorjaar van 2011 is het wetsvoorstel op het patiëntendossier gesneuveld in de Eerste Kamer. Volgens de senatoren was er onvoldoende noodzaak tot een dergelijke vergaande uitwisseling van patiëntgegevens; bovendien werd het risico van misbruik als te groot beoordeeld. Een zelfde bezwaar kan gemaakt worden met betrekking tot het (ongelimiteerd) verzamelen, opslaan en delen van gegevens van burgers in relatie tot veiligheid. De mogelijkheden daartoe nemen verder toe en veel beleidsinspanningen zijn erop gericht. Dit is niet de plaats om dit in extenso te beschouwen. In Schakelen in Verantwoordelijkheid (Politieonderwijsraad, februari 2011) is de grote betekenis van informatie en intelligence voor de politie duidelijk erkend. In het schema van veranderingen in de politieprofessie is intelligence als het meest belangrijke punt van verandering genoemd. We volstaan hier met enkele aanvullende signaleringen, waarbij we de nadruk leggen op de relatie tussen de toenemende mogelijkheden van politiële intelligence en de vorming van professionals. We sluiten aan op het thema van de voortgaande modernisering dat eerder in de Raad aan de orde was en dat door het Sociaal Cultureel Planbureau gekarakteriseerd is met de ‘vijf i’s’: individualisering, informalisering, informatisering, intensivering en internationalisering. Informatisering werkt in velerlei opzichten door: economisch, politiek, sociaal, cultureel, etc. Zoals vrijwel altijd bij technologische ontwikkelingen zijn er positieve kanten te noemen (nieuwe mogelijkheden, nieuwe kansen), maar evenzeer negatieve (risico’s, bedreigingen). Kijken we naar het onderwijs, dan is sprake van een nieuwe generatie leermiddelen, is de toegankelijkheid van het onderwijs ermee verbeterd en (volgens velen) is het onderwijs er ook aantrekkelijker door geworden. Ook qua burgerschap biedt de digitalisering tal van nieuwe kansen. Mensen kunnen via het Internet aandacht vragen voor hun idealen, hun positie en belangen. Zelfs in de minst ontwikkelde landen waar de voorzieningen nog beperkt zijn, zijn al grote veranderingen merkbaar (denk aan: mobiele telefonie). Tegelijk maken veel mensen zich zorgen over de overload aan informatie. In het onderwijs wordt vragen gesteld als: Hoe leren (jonge) mensen te selecteren (bruikbaar of niet; waar of onwaar, etc.). Hoe leren ze kwaliteit te onderscheiden? Hoe leren ze ‘orde in de chaos’ te zien? Hoe leren ze kritisch te zijn? De vijf i’s vormen een ezelsbruggetje om te spreken over modernisering. Nieuwe verschijnselen zoals social media laten zich met deze begrippen beschrijven (zie onder en box 4). De vraag naar de rol die professionals (moeten) spelen in het voortgaande proces van modernisering, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Individuele burgers, maatschappelijke organisaties, onderwijzers en scholen, organisaties in de veiligheidssector of in een specifiek beroep, zoals de politie, maken verschillende afwegingen over hoe zicht te blijven houden op (consequenties van) modernisering, hoe er op een zinvolle manier actief aan mee te doen, en wanneer het juist verstandig is dat niet te doen. Omdat we veel meer (kunnen) weten van een ander (‘alles ligt op straat’, ‘niemand hoeft een blad voor de mond te nemen’), dienen vragen naar vorming en integriteit zich opnieuw aan.8 Mede op basis van commentaar van Mariëlle den Hengst, lector Intelligence aan de Politieacademie. 18
  19. 19. Box 3 Blind vertrouwen Het vertrouwen in de financiële wereld werd in het najaar van 2008 diep geschokt. Banken bleken te handelen in financiële pakketten waarvan zelfs de bankleiding niet goed op de hoogte was. Een (jonge) generatie financiële analisten had zich innovatief betoond, snapten ‘hoe het zat’, maar bleken (achteraf) risicoanalyses gemaakt te hebben, die kant noch wal raakten. Inmiddels zijn diverse banken met publiek geld gered en zoeken overheden naar meer grip en een betere regulering. Of dat tot hersteld vertrouwen zal leiden, is de vraag. Gaan toezichthoudende experts het beter doen? Volgens Don Tapscott, schrijver van het boek Macrowikinomics ( www.macrowikinomics.com), kan het niet alleen meer om vertrouwen gaan. Hij wil het publiek actiever gaan betrekken bij de regulering van de financiële sector en pleit voor ‘open data’. Overheden zijn in dat opzicht de financiële instellingen voorgegaan. De Open Models Company (OMC www.open-models.com) wil komen tot meer openheid binnen de financiële sector door een platform te bieden waarin gehanteerde financiële modellen kunnen worden besproken en becommentarieerd. Alle financiële experts zijn hier welkom om samen de waarde en de risico’s van bankproducten te bepalen. Centraal staat ook hier: openheid, dialoog, toegankelijkheid en informatie delen. Zoals een wetenschapper openheid van zaken biedt over zijn onderzoek om conclusies te rechtvaardigen, zouden ook financiële instellingen openheid kunnen bieden. Ontleend aan een column van Bob Overbeeke in Nieuwsbrief xs4all, nr.105.IntegriteitEen belangrijk vormingsaspect van het onderwijs betreft integriteit. Naast het ‘weten’ moetook het ‘geweten’ worden ontwikkeld. Integriteit kan beschouwd worden als een kenmerkvan organisaties (bedrijven, instellingen, overheden), maar evenzeer als een kenmerk vanindividuele burgers. Naarmate de ‘democratisering van kennis’ verder gaat en niet alleenieders stem telt (bij verkiezingen), maar ook ieders mening (opinieonderzoek), is het vanbelang dat burgers hun kritisch vermogen ontwikkelen. Interessant is de vraag hoe dit kritischbewustzijn tot stand komt bij jonge mensen die opgroeien met nieuwe media, in vergelijkingmet oudere medeburgers. Mogelijk staan jonge mensen op dit punt op voorsprong, omdat zevan jongs af aan leren informatie niet voor zoete koek te nemen. Waar het gaat over vormingen het ‘geweten’ kunnen vragen gesteld worden over de ‘idealen’ daaromtrent. Ontwikkeltzich mogelijkerwijs een nieuwe mores waar het gaat om het delen en gebruiken vaninformatie?Kennis is macht, is een oud gezegde dat nog steeds van toepassing is. Maar, veel meer danvroeger, gaat het om kennis ‘van anderen’. Wie wat weet over een ander, kan daar gebruikvan maken voor goede (‘kennissen als kracht’) en voor minder goede doelen (‘misbruik,fraude, chantage’). We hebben ontdekt dat tal van diensten beter, sneller en doelmatigergeleverd kunnen worden door digitale persoonsgegevens te gebruiken en op een handigemanier te combineren. Mensen werken daar zelf actief aan mee, door zichzelf in de digitaleetalage te plaatsen. Wie dat handig genoeg doet, behoudt controle over het eigen ‘profiel’; wiedat niet handig doet, kan daar jaren lang last van hebben.Nu er steeds meer kan, worden vragen of het ook moet of mag, belangrijker. Wie op zoek isnaar antecedenten, vindt in het digitale sociale verkeer nieuwe aanknopingspunten. Soms lijkthet erop dat veel jonge mensen onvoldoende in de gaten hebben dat alles wat je deelt via hetInternet en de social media (ooit) ‘tegen je gebruikt kan worden’. In landen die het mindernauw nemen met democratische beginselen blijken overheden relatief gemakkelijk mensen opte kunnen sporen die zich via deze kanalen kritisch opstellen. De gedachte dat het Internet een 19
  20. 20. wereld is die vrij is van macht, dwang of risico’s, is op zijn minst naïef. Net als in de rest vanhet verkeer is het raadzaam uit te kijken.De aandacht voor (mogelijk) misbruik van gegevens neemt toe. Argeloosheid maakt plaatsvoor wantrouwen. Te vaak worden burgers geconfronteerd met organisaties die eenzorgvuldige omgang met data beloven, maar dat niet waarmaken (zowel bij bedrijven,medische instanties, maar ook overheden).Sociale media: dilemma voor de politieDe impact van ICT op het politiewerk neemt nog steeds fors toe. Door de overvloed aan dataen (beeld-) informatie én de toenemende mogelijkheid voor snelle geautomatiseerdeverwerking hiervan hebben termen als Informatiegestuurde politie (IGP), Intelligence LedPolicing (inmiddels Intelligencegestuurd politiewerk geheten) hun intrede gedaan. Sedert2008 is het National Intelligence Model (NIM) vastgesteld, waarmee tevens bepaald is dat allekorpsen eind 2012 informatiegestuurd moeten werken. Cybercrime maakt een functioneleaanpak noodzakelijk die niet als vanzelfsprekend aansluit op een territoriale,gebiedsgebonden aanpak ( hoofdstuk 3). De laatste jaren is er de opkomst van de socialemedia, zoals Twitter, Facebook, LinkedIn, MySpace, YouTube, Hyves. Steeds meercommunicatie tussen burgers én tussen de politie en burgers verloopt digitaal. Dit raakt ookhet werk van typisch gebiedsgebonden functionarissen als de wijkagent. Nieuwe begrippenworden gehanteerd (real time intelligence bijv.) en nieuwe organisatieconcepten sluiten eropaan (het FOBO frontoffice/backoffice concept, en experimenten als heterdaad kracht en ZSM). Box 4 Een wereld te winnen …Sociale media en de politie Ter gelegenheid van de opening van het nieuwe politie academisch jaar op 6 september jl. heeft de Politieacademie een bundel met opstellen gepresenteerd. Deze bundel vloeit voort uit een congres dat plaatsvond op 13 mei 2011, waarbij zowel de kansen, als de risico’s en bedreigingen aandacht kregen. Het gebruik van social media is explosief gestegen en heeft een nieuwe dimensie toegevoegd aan de communicatiemogelijkheden van burgers, waar dan ook ter wereld. In de publicatie wordt een eerste poging ondernomen om de betekenis van dit nieuwe fenomeen te wegen vanuit het perspectief van de politie. Social media kunnen een belangrijke rol spelen qua communicatie en mobilisatie van mensen. Soms wordt dat positief beoordeeld (de Arabische Lente), soms ludiek (flash mobs), soms is het ronduit bedreigend (rellen en plunderingen in Engeland deze zomer). Stavros Zouridis en Pieter Tops bespreken de betekenis van sociale media vanuit twee invalshoeken: als een bron van collectieve wijsheid en als een bron van sociale verstoring. Beide doen zich tegelijkertijd voor. Cees Sprenger en Eddy Lassche vertellen over hun ervaringen in Zeist waar burgers en politiemensen door het gebruik van sociale media nieuwe vormen van samenwerking ontdekten. Mariëlle den Hengst gaat in op de criminogene aspecten van de sociale media en hoe de politie er informatie uit kan putten ten behoeve van de eigen intelligencefunctie. Nicolien Kop bespreekt nieuwe mogelijkheden van sociale media om met behulp van burgers te komen tot effectievere opsporing. Menno van Duin richt zich op de rol van de sociale media bij het ontstaan maar ook op het beteugelen van crises. Al met al maakt de bundel zichtbaar dat er naast kansen, ook nieuwe risico’s verbonden zijn met het gebruik van de sociale media. 20
  21. 21. Naar schatting maakt één op de vier internetgebruikers gebruik van sociale media. Ook de politie experimenteert hiermee; rond de 10% van het aantal wijkagenten. De eerste berichten hierover zijn positief. De wijkagent verruimt zijn communicatiebereik met de doelgroep én de waardering voor de politie stijgt, zeker indien de wijkagent middels een retweet reageert (bv. dader aangehouden; vermist kind weer terecht). Steeds echter moet de politie afwegen of informatie kan worden gedeeld via deze nieuwe media, en ja, wanneer dat kan. Steeds zijn er criteria van zorgvuldigheid en vertrouwelijk die in acht genomen moeten worden. Aan de wijze waarop de politie participeert in de sociale media dienen hoge eisen te worden gesteld. De vraag is of er aanvullende protocollen en (gedrags)regels moeten worden ontwikkeld of juist niet. In hoeverre is bijv. ‘code blauw’ voldoende om integer gebruik van de sociale media door de politie te garanderen? Immers deze code biedt handvatten voor integer handelen, zeker, maar geen handvatten hoe concreet te acteren op de digitale sociale (snel)wegen. Naarmate het gebruik van sociale media in het dagelijks politie meer en meer zal indalen, zal er hoe dan een nieuwe praktijk ontstaan, waarin wellicht ‘als vanzelf’ antwoorden op bovengenoemde dilemma’s worden geformuleerd. Steeds meer maakt de politie immers gebruik van sociale media om gebeurtenissen achteraf in kaart te brengen of actueel te volgen. Gekoppeld hieraan is de vraag actueel hoe het politieonderwijs inspeelt op deze nieuwe ontwikkelingen. Transparency International Het werk van de NGO Transparency International wordt breed uitgemeten in de website van deze criticaster van overheden en samenlevingen over de gehele wereld.9 Vanaf 1995 brengt deze NGO jaarlijks een Corruption Perceptions Index (CPI) uit waaruit is af te lezen hoe respondenten in ruim 150 landen de corruptie in eigen land ervaren (gemeten via expert panels en opinie-enquêtes). Nederland doet het goed in termen van corruptie en integriteit. De laatste index dateert van 2011. Op de site is veel informatie te vinden, zoals bijv. de antwoorden op de volgende vaak gestelde vragen: - Hoe definieer je corruptie - Wat is transparantie? - Wat doet Transparency International tegen corruptie? - Wat zijn de kosten van corruptie? - Kunnen de kosten van corruptie in cijfers worden uitgedrukt? - Waar komt corruptie het meest voor? - Hoe beïnvloedt corruptie het leven van burgers? - In wat voor soort omgeving gedijt corruptie? - Moet corruptie als normaal gezien worden in bepaalde landen, als een soort traditie? - Zijn democratie en corruptie (on)verzoenbaar? Transparency International, gevestigd in Berlijn, is erin geslaagd een belangrijke rol te spelen in de internationale beleidsontwikkeling. De producten van deze NGO worden breed gebruikt. Naast de al genoemde CPI (ook als gratis App te downloaden) zijn er producten met betrekking tot de rapportages van internationale bedrijven, etc. 10 Lof der twijfel: tussen absolutisme en relativisme Volgens de Amerikaanse socioloog Peter Berger en zijn Nederlandse collega Anton Zijderveld zijn we als individuen en als cultuur vast komen te zitten in het denken in tegenstellingen: ‘voor versus tegen’, waarbij het opvalt dat het mensen gemakkelijker afgaat ergens ‘tegen’ te zijn dan ‘voor’. Mensen die ergens ‘voor’ of ‘tegen’ zijn draven volgens hen gemakkelijk door en kiezen soms zulke radicale posities dat elke dialoog verstomt. Berger en Zijderveld9 Zie: http://www.transparency.org/policy_research/surveys_indices/cpi.10 O.a. op basis van een recensie door Hans Achterhuis, d.d. 17-04-2010. 21
  22. 22. maakten samen een boek met als Engelse titel In Praise of Doubt , dat nu ook in het Nederlands vertaald is door Zijderveld zelf.11 Mensen hebben behoefte aan houvast, aan zekerheden en overtuigingen. Daar is niks mee (denk aan bijv. naastenliefde, democratie, mensenrechten, gelijke rechten, etc.), zolang dit maar niet ontaardt in absolutisme of relativisme. De beide sociologen richten hun pijlen op deze twee posities. Als alternatief presenteren zij ‘de lof der twijfel’ oftewel: ‘Hoe kunnen we (leren) overtuigingen te koesteren zonder fanatiek te worden.’ In de huidige samenleving is sprake van een grote verscheidenheid aan culturele, etnische en religieuze achtergronden. Dit kan gemakkelijk leiden tot een idee dat elk geloof of diepe overtuiging eigenlijk niet meer is dan een mening. Als meningen als gelijkwaardig naast elkaar worden geplaatst (dit is mijn mening, dat is jouw mening) kan dat ertoe leiden dat er van maatschappelijke kernwaarden geen sprake meer is. Dat martelen bijv. onaanvaardbaar is, is voor velen niet zo maar een mening. De gedachte dat het martelen in bepaalde situaties nuttig en nodig kan zijn, wordt door velen niet geaccepteerd. Het modernisme heeft veel oude (religieuze) waarheden op de helling gezet en ertoe geleid dat mensen gingen inzien dat er meerdere perspectieven bestaan, die elk voor zich een deel van de waarheid onthullen. Zolang deze perspectieven onderworpen zijn aan kritiek kan het goed gaan, is de redenering. Een perspectief (een uitleg, gezichtspunt, verklaring) blijft valide, zolang het tegendeel niet bewezen is. Zodra er echter kritiekloos meningen worden geventileerd waar geen enkele rechtvaardiging of onderbouwing bij gezocht wordt, ontaardt dit in relativisme, versplintering, onzekerheid en richtingloosheid. En dat kan gemakkelijk leiden tot allerlei vormen van fundamentalisme. Berger en Zijderveld laten overtuigend zien dat fundamentalisme in feite een modern verschijnsel is dat weinig heeft te maken met de traditionele manieren waarop geloofsovertuigingen in het verleden functioneerden. In feite wordt de traditie gebruikt als een manier om een scherp (en soms agressief) onderscheid te maken met ‘anderen’. Tussen beide posities (relativisme versus fundamentalisme/absolutisme) pleiten zij voor de tussenpositie van ‘methodologische twijfel’. Hierin zien zij ook de essentie van de democratische rechtsstaat. Ook al is het niet je eigen overtuiging, het kan zijn dat een ander toch gelijk heeft. Daarom is het goed dat rollen (wel regeren, niet regeren) kunnen wisselen en dat macht in principe gedeeld wordt. Peter Berger en Anton Zijderveld: Lof der twijfel – Hoe we overtuigingen kunnen koesteren zonder fanatiek te11worden. Cossee; 208 pagina’s; € 19,90. ISBN 978 90 5936 266 6. 22
  23. 23. Box 5Ordnung und Vernichtung. Die Polizei im NS-StaatVaren op de ’wisdom of the crowds’ is, zo heeft degeschiedenis geleerd, niet altijd verstandig.In de zomer van 2011 was een tentoonstelling te zien in hetDuits Historisch Museum in Berlijn over de politie tijdens hetnaziregime. De tentoonstelling werd tot stand gebracht insamenwerking met de Deutsche Hochschule der Polizei teMünster.Bij de tentoonstelling verscheen een uitstekende catalogus,die na te bestellen is bij het museum dan wel dehogeschool.Een korte beschrijving van de inmiddels afgelopententoonstelling is te vinden in op de website van hetmuseum: http://www.dhm.de/ausstellungen/ordnung-und-vernichtung/index.html.Belangrijke vragen zijn: Wer waren die Männer und wenigen Frauen in der deutschen Polizei, diepolitische und weltanschauliche Gegner des Nationalsozialismus verfolgten und schließlichermordeten? Welche mentalen Voraussetzungen und strukturellen Bedingungen prägten dasVerhalten der Polizeiangehörigen, dass sie das NS-Regime hinnahmen, sich daran beteiligten undschließlich vielfach sogar zu Mördern wurden? Wer verweigerte sich den verbrecherischen Befehlen?Welche Motive waren dafür ausschlaggebend? 23
  24. 24. 5 ● Economische tegenwind, armoede en segregatie Sedert 2008 is sprake van harde financieel-economische tegenwind in ons land en ver daarbuiten. De kredietcrisis heeft grote consequenties voor de banken, voor overheden, voor bedrijven maar ook vooral voor burgers. Bestaande verschillen tussen groepen mensen worden erdoor vergroot en de armoede neem toe. Groepen mensen vallen erdoor buiten de boot, verliezen hun vooruitzichten en raken geïsoleerd. Vooral in de grote steden gaan sociale en ruimtelijke segregatie hand in hand. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) tekenen samen voor het Armoede signalement 2011. In deze publicatie staan de meest actuele gegevens over armoede in Nederland te lezen. Het CPB en het SCP berekenen dat het armoedepercentage in ons land in 2010 niet afnam, terwijl de economie in dat jaar wel licht herstelde. Ongeveer 1 miljoen mensen moet het doen met een inkomen onder de armoedegrens.12 De cijfers over 2011 zijn nog niet beschikbaar, maar het ziet er naar uit dat de armoede in ons land toenam in 2011 en in 2012 verder zal gaan toenemen met naar schatting zo’n 60.000 huishoudens. Er zijn bepaalde categorieën mensen waar armoede relatief veel voorkomt. Van alle mensen onder de armoedegrens maakt 26% deel uit van een eenoudergezin met uitsluitend minderjarige kinderen. Van alle kinderen jongeren dan 18 jaar leeft op dit moment 1 op de 10 onder de armoedegrens. Ook blijken werkende armen relatief veel vaak zelfstandig ondernemer te zijn (dan wel ‘zelfstandige zonder personeel’). Niet verwonderlijk is dat mensen met een inkomen op of onder de armoedegrens vaker betalingsachterstanden en schulden hebben (1 op de 5). De ruimtelijke spreiding van mensen met een laag inkomen is erg ongelijk. Tussen gemeenten varieert het aantal huishoudens onder de armoedegrens tussen de 3,0 en de 14,3%. Hoe groter de gemeente, hoe groter het aantal mensen met een laag inkomen. De armoede concentreert zich daarmee in de vier grootste steden van ons land. Van alle huishoudens in Nederland woont 15 % in een van de vier grote steden. Van de huishoudens met een laag inkomen is dat echter bijna een kwart. Meer verbijzonderd leven in de grote steden relatief veel: mensen van een bijstands- of werkloosheidsuitkering; arbeidsongeschikten en gepensioneerden van een laag inkomen; niet-westerse allochtonen met een relatief laag inkomen. Kijken we naar de kinderen die in armoede leven, dan blijkt dat de armoede van kinderen van Marokkaanse of Turkse komaf (incl. overige niet-westerse landen) een stuk hoger ligt dan bij kinderen afkomstig uit landen in Oost-Europa. Het risico op armoede onder de kinderen uit Oost-Europa is echter niettemin toch nog 1,5 tot 2 keer zo hoog als bij kinderen uit de EU-15 en andere westerse landen, die geen groter armoederisico lopen dan Nederlandse kinderen.12Voor een alleenstaande is dat in 2010 940-1000 euro per maand (resp. criterium CPB en SCP). Voor eeneenoudergezin met twee kinderen resp. 1420 en 1510 euro. 24
  25. 25. In de grote steden (en middelgrote steden) zijn het bepaalde wijken waar relatief veel allochtonen wonen, doorgaans de oudere buurten die dateren van voor of net na de Tweede Wereldoorlog. Sommige van deze buurten staan te boek staan als meervoudig problematisch en genereren veel media-aandacht. In elk van de vier grote steden zijn daarvan voorbeelden te noemen. Zoals Rotterdam zijn Spangen en de Millinxbuurt heeft, heeft Amsterdam de wijken Geuzenveld en …; Utrecht de wijken … Lombok en ….. , …. En Den Haag de wijken Transvaal en de Schilderswijk. Box 6 Prachtwerk Politie Haaglanden beschrijft het politiewerk in enkele Haagse wijken in Prachtwerk. Transvaal en Schilderswijk door de ogen van de politie (Salome, 2011). Hierin komt naar voren hoezeer de Haagse politie zich bewust is van het geglobaliseerde en multi-etnische karakter van de samenleving en van een tweedeling in de samenleving die steeds scherpere kantjes krijgt. ‘Op het kleine verzorgingsgebied van Bureau Heemstraat komt de hele wereldbevolking samen, inclusief haar politieke en religieuze en etnische tegenstellingen. Samenhang tussen wijkbewoners van verschillende komaf is er nauwelijks en de verbinding met de bredere Nederlandse bevolking laat te wensen over. Het is ieder voor zich, in een wereld op zich’ (pg. 12). Ogen op straat, oog voor elkaar In het ruimtelijk beleid voor de grote steden wordt ingezet op het mengen van functies (wonen, bedrijven, winkels, andere voorzieningen). Het idee achter functiemenging is dat dit tot ‘ogen op straat’ leidt en zo de leefbaarheid ten goede komt.13 Stadssociologe Talja Blokland deed onderzoek naar voorwaarden waaronder functiemenging kan bijdragen aan de veiligheidsbeleving. Zij vergeleek vier wijken in Rotterdam op dit punt: Hillesluis (voor WO2, relatief onveilig), Tussendijken (voor WO2, relatief veilig), Pendrecht (na WO2, relatief onveilig) en Lombardijen (na WO2, relatief veilig). Oog voor elkaar. Veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Talja Blokland, Amsterdam University Press, 2009. Gevoelens van onveiligheid hebben niet alleen te maken met risico’s van criminaliteit, maar vaker met algemenere gevoelens van onbehagen en onzekerheid. Veiligheid is dan ook meer een sociaal vraagstuk, dan een probleem van criminaliteitskansen. Blokland maakt voor wat betreft het alledaagse verkeer tussen mensen onderscheid tussen trust (vertrouwen), distrust (wantrouwen) en mistrust (geen inschatting kunnen maken van het gedrag van anderen). Centraal in haar onderzoek staat mistrust, het unheimische gevoel dat men zich ‘niet zo veilig voelt in deze wijk’, zonder daar nu precies de vinger op te kunnen leggen. Functiemenging leidt niet zonder meer tot sociale controle en informeel toezicht. Het beleid moet zich niet alleen richten op de gebouwde omgeving, maar ook gericht zijn op het voorkomen van indefensible space. Veel mensen blijken stelselmatig ‘weg te kijken’ en niet het risico te durven nemen zelf te reageren op of in te grijpen in situaties die ‘niet normaal’ zijn.13 Een idee dat al in 1961 verwoord is door Jane Jacobs in haar ‘Life and death of the great American cities’. 25
  26. 26. Mensen hebben daarvoor een zekere ‘publieke familiariteit’ nodig en moeten elkaar kunnenervaren als ‘bekende vreemden’. Herkenning van anderen vanuit eerdere ontmoetingen,hoe oppervlakkig ook, kan bijdragen aan je thuis voelen, en daarmee aan veiligheid.‘Dagelijkse ontmoetingen’ zijn daarvoor belangrijk: in winkels, in winkelstraten, opschoolpleinen, etc. Een belangrijke vraag die Blokland stelt is hoe de overheid,woningbouwcorporaties, andere partijen (zoals winkeliers, professionals in buurten zoalsde wijkagent) en bewoners kunnen bijdragen aan de effectiviteit van functiemenging.Vuil en verloedering (‘broken windows theory’) zijn op zich volgens Blokland nietdoorslaggevend. Het probleem is meer dat ‘normale mensen’ niet meer op andere gewonemensen aankunnen. Trust en distrust geven beide zekerheid (vertrouwen is eenonderscheidend concept). Je weet met wie je wel of niet te maken moet willen hebben. Hetprobleem is meer dat er een algemeen gevoel van mistrust bestaat, dat mensen niet meer inanderen geloven, zich alleen voelen staan en de moed verliezen. Als instanties (politie,woningbouwcorporaties, winkeliersverenigingen, brede scholen) echter hun best doen omde wijk ‘schoon en heel’ te houden, is er al veel gewonnen. Een proactieve, wijkgerichtehouding van scholen, politie en andere diensten is van groot belang om ‘publiekefamiliariteit’ te ontwikkelen.Enkele adviezen van Blokland richting de politie luiden (pg. 259-260): toon altijd, onder alle omstandigheden, respect; voorkom respectloos machtsvertoon; vergroot de ‘etnografische competenties’ van politieambtenaren; neem de tijd om ‘rond te hangen’ op straten, pleinen en in winkels; focus op communicatie via ‘blauw op straat’, niet op ‘output’.Multi-etnische samenlevingDe laatste jaren is het onderwerp multi-etnische samenleving meer en meer beladengeworden. Het publieke debat wordt gekenmerkt door een scherpe toonzetting en heteenzijdig benadrukken van risico’s voor de veiligheid van ons land. Dat ons land ook veel tedanken heeft aan immigratie blijft grotendeels buiten beeld. En dat terwijl Nederland, alleenal door zijn ligging en positie in de wereldhandel, het juist sterk moet hebben vaninternationale contacten. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie is te lezen in Winnaars en Verliezers van Leo Lucassen en Jan Lucassen (Uitgeverij Bert Bakker, 2011). Met dit boek willen zij een tegengeluid geven tegenover de ‘integratiepessimisten’ als Bolkestein, Scheffer en Bosma. Hoewel de vestiging van nieuwkomers zeker tot hardnekkige problemen heeft geleid, heeft immigratie onze samenleving en in de immigranten zelf ook veel opgeleverd.Contacten maken en onderhouden met ‘unfamiliar strangers’ is niet eenvoudig, de afstandvaak te groot. Professionals, zoals een wijkagent, kunnen het zich niet veroorloven 26
  27. 27. contacten te mijden. Om hun wijk te kennen, moeten ze wel netwerken opbouwen enonderhouden. Preventie berust op contact. Box 7 Schering en Inslag Janine Janssen, bekend van het landelijk expertisecentrum eergerelateerd geweld, had de eer haar nieuwe boek Schering en Inslag aan te mogen bieden aan de minister van Veiligheid en Justitie. Het boek is een studieboek over ‘netwerken’. Het bevat tips voor het opbouwen van en onderhouden van dergelijke relaties. Op de achterzijde is te lezen: De Nederlandse samenleving is voortdurend in beweging, migratiestromen dragen bij aan dit veranderlijke beeld. Politiemensen en andere professionals in de veiligheidszorg realiseren zich dat maar al te goed. In de beslotenheid van het politiebureau en/of kantoor zal het echter nooit lukken om op de hoogte te blijven van maatschappelijke tendensen. Ook kunnen professionals vanachter hun bureau niet achterhalen hoe de samenleving haar werkzaamheden waardeert. Daarvoor is nu eenmaal contact met mensen en organisaties in de samenleving nodig. Schering en Inslag. Enkele wenken voor politieambtenaren en andere professionals voor opbouw en onderhoud van netwerken in de multi-etnische samenleving. Boom Lemma Uitgevers, 2011. 27
  28. 28. 6 ● Politie & partners De politie wordt steeds meer gezien als onderdeel van een veel omvangrijker netwerk van ‘veiligheidspartners’. In de zgn. bestuurlijke aanpak betekent dit dat de politie actief samenwerkt met gemeentelijke diensten, de belastingdienst, energiemaatschappijen, e.d. De kern van de samenwerking betreft het delen van informatie. Praktijkervaringen leren dat de effectiviteit van overheidsinstanties hiermee kan toenemen, maar ook wordt onderkend dat dit soms op gespannen voet staat met opvattingen over gegevensbescherming en privacy. In dit hoofdstuk worden ingegaan op de bestuurlijke aanpak in het veiligheidsbeleid. Omdat de Nederlandse politie niet als enige organisatie actief is op het brede veld van veiligheid, niet de enige noodhulpbiedende en handhavende organisatie is, noch de enige opsporingsinstantie, is samenwerken met geëigende partners (in binnen- en buitenland) een must. Daarbij kunnen zich dilemma’s voordoen, in termen van integriteit, prioriteit of doelmatigheid, doelstellingen en haalbaarheid, methoden van werken, effectiviteit en rechtmatigheid, etc. Uiteindelijk is het de staat die taken op het terrein van de rechtshandhaving verdeelt en activiteiten coördineert en verantwoording aflegt over resultaten. In hoofdstuk 4 is reeds gesproken over intelligence en de noodzaak van professionele vorming. De Nederlandse politie is ten eerste verbonden met de territoriale autoriteit van de Nederlandse staat en met de rechten van Nederlandse staatsburgers. De invloed en verantwoordelijkheid houdt echter niet op bij de landsgrenzen, daarvoor is ons land te zeer onderdeel van wereldomvattende relatienetwerken en transacties. De politie heeft daarmee ook taken die voortvloeien uit de extraterritoriale verantwoordelijkheden van de Nederlandse staat, en is daarenboven gehouden supranationale of intergouvernementele kaders van wet- en regelgeving te kennen en toe te passen. Een belangrijk voorbeeld betreft het zgn. mensenrechtenregiem. Emergo Op 26 mei 2011 werd het uitgebreide eindrapport Emergo van de gelijknamige projectgroep gepresenteerd. Er werden toespraken gehouden door minister Opstelten en door Cyrille Fijnaut die tekende voor een samenvatting van werkzaamheden en deelrapporten. Het project was gericht op een gezamenlijke aanpak van de zware (georganiseerde) misdaad in het hart van Amsterdam (postcodegebied: 1012). Het gebied is aantrekkelijk voor het internationaal toerisme. In het rapport zijn achtergronden te lezen over de aard van de zware criminaliteit in dit gebied en wordt verslag gedaan van een gezamenlijke aanpak van gemeente, politie (korps Amsterdam Amstelland), Openbaar Ministerie en Belastingdienst. Met vereende krachten was in 2006 besloten om op te gaan treden tegen de voortgaande vermenging van boven- en onderwereld. De aandacht ging daarbij vooral uit naar de prostitutiebranche, het lagere segment van het hotelwezen en de coffeeshops. De aanpak combineerde bestuurlijke, stafrechtelijke en fiscale maatregelen om de verwevenheid van ‘goed en kwaad’ terug te dringen. Een belangrijk probleem was het ontbreken van een samenhangend beeld van de problematiek. Bovendien was er het probleem van de onderlinge samenwerking. Hoe kon een effectieve, rechtmatige manier van rechtshandhaving worden versterkt? Emergo werd opgezet als een proefproject met als voornaamste doelstelling dat betrokken overheidsinstanties leren beter en effectiever samen te werken in hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid de zware (georganiseerde) misdaad te bestrijden. Het zou moeten leiden tot een model dat elders toegepast zou kunnen gaan worden. Het gebied werd onderzocht vanuit vier invalshoeken: criminologisch, geografisch, economisch en ‘personeel’ (criminele sleutelpersonen). Beschikbare databestanden werden gekoppeld en gekeken werd of een handmatige manier geëvenaard of verbeterd zou kunnen worden door een methode van ‘data mining’. Het daadwerkelijke optreden werd georganiseerd langs drie lijnen: (1) bestuurlijke, fiscale en politiële rechtshandhaving (toezicht, controle, sluiting); (2) 28
  29. 29. gericht strafrechtelijk onderzoek en (3) fiscale interventies (naheffingen na controle of strafrechtelijk onderzoek). Emergo biedt inzicht in de complexiteit van samenwerking bij bestuurlijke handhaving (juridisch, organisatorisch, technisch) en hoe daarmee om te gaan. Volgens Fijnaut is echter ook het beleid van ruimtelijke herinrichting van groot belang, omdat op deze manier als vanzelf de criminogene infrastructuur wordt ingeperkt. Minister Opstelten complimenteerde de projectgroep als volgt: “…. Uiteindelijk zijn alle deelnemende partijen aan Emergo erin geslaagd over hun eigen schaduw heen te stappen. En met resultaat! Men heeft scherp aan de wind gezeild en bewust de grenzen opgezocht van wet- en regelgeving. En wat blijkt: wat de uitwisseling van informatie betreft kan en mag véél meer dan professionals in de opsporing in eerste instantie denken.“ Het rapport is uitgegeven bij Boom, Amsterdam, maar kan vrijelijk worden geraadpleegd via het Internet. Box 8 Politie rolt ondergronds bankiersnetwerk op De politie in Amsterdam heeft met de arrestatie van negen mensen een ondergronds bankiersnetwerk opgerold. In november werden in een wasserette in de Javastraat zes mannen aangehouden. Ze worden verdacht van deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van drugsgeld, waarbij de wasserette als dekmantel werd gebruikt. Elders werden nog drie mannen aangehouden. Ook is vorige week 800.000 euro aan contant geld in beslag genomen. Het onderzoek begon in mei. Sindsdien zijn in totaal dertig mensen gearresteerd, onder wie negen Britten. Diverse winkels in de straat maakten deel uit van het netwerk. De politie nam in totaal meer dan 5,3 miljoen euro contant geld in beslag. Daarnaast werd nog beslag gelegd op 100 kilo hard- en softdrugs, meerdere woningen, autos en kostbare sieraden met een totale waarde van 6,5 miljoen euro. Het onderzoek laat volgens de politie zien dat de georganiseerde misdaad in de hoofdstad gebruikmaakt van een ondergronds bancair systeem. Hierbij gebruiken criminelen een netwerk van bankiers en koeriers dat betalingen faciliteert tussen drugscriminelen zonder dat dat administratief te herleiden valt naar de betrokkenen. Nu.nl 6 december 2010. Europol In juni 2011 kwamen Europese politiechefs bijeen om te praten over de toekomst van de georganiseerde misdaad en de uitdagingen die dit met zich meebrengt voor de internationale politiesamenwerking.14 Tevens werd het nieuwe hoofdkwartier van Europol in Den Haag ingewijd. Deze nieuwe locatie wordt gezien als een mijlpaal om Europol beter op de kaart te zetten als Europese politiemacht. Europol is opgericht in 1993 en is van meet af aan gevestigd in Den Haag, maar nu dan in een nieuw en eigentijds gebouw. Het is de bedoeling van de Europol leiding om voortaan elk jaar een dergelijke samenkomst te organiseren, de eerstvolgende in mei of juni 2012. In Europol staat de strijd tegen de internationale georganiseerde criminaliteit en terrorisme voorop. Primair gaat het om de uitwisseling van criminal intelligence tussen de politieapparaten van de EU lidstaten, EU law enforcement agencies en ‘derde landen’ in geval van grootschalig politieoperaties. Steeds meer krijgt Europol ook een operationeel karakter en dient het als een platform waar diverse partijen samen afspraken kunnen maken over gezamenlijke opsporingsactiviteiten.14 Zie ook: Zicht op internationalisering. Politieonderwijsraad, januari 2010. 29
  30. 30. Tijdens de conferentie werd ten eerste de huidige situatie besproken, de stand van zaken van het internationale politiewerk en de opsporingsthema’s die met meer of minder succes worden bestreden. Hoewel er grote vooruitgang is geboekt bij het delen van informatie en gezamenlijk onderzoek, leiden budgettaire beperkingen tot noodzakelijke prioriteitsstelling. Gegeven het conservatieve en reactieve karakter van de politie, leidt tot het risico van blinde vlekken. Cybercrime en fraude zijn hiervan een goed voorbeelden. Op deze terreinen loopt de politie voortdurend achter, qua techniek, maar vooral ook qua (internationale) wet- en regelgeving. De vooruitgang die wordt geboekt, is veelal te danken aan praktijkmensen die met elkaar slimme methoden ontwikkelen. Om een adequate strategie te ontwikkelen voor de komende jaren moet rekening gehouden worden met demografische ontwikkelingen in de wereld, met grote economische verschillen en met de snelle ontwikkeling van Internet en gerelateerde technologieën. Geopolitieke onrust in de wereld komt daar nog eens bij. Al met al leidt dit tot grote migratiebewegingen (legaal, maar vaak ook illegaal), handel in gestolen of nagemaakte goederen en gevaarlijk afval en een groot risico dat dataverkeer gecorrumpeerd wordt. Ondertussen reageren wetgevende instanties traag en ongecoördineerd en duren rechtszaken soms zo lang dat er nauwelijks een afschrikwekkend effect van uitgaat. Geconcludeerd wordt dat “a more innovative approach is required, with greater emphasis on disruption, prevention and problem solving” (conferentieverslag, pg. 2). Verdergaande samenwerking tussen de politie en andere handhavings- en opsporingsinstanties is nodig om een adequate aanpak te ontwikkelen met betrekking tot cybercrime en economische criminaliteit. Ook intensivering van de samenwerking met partijen in de private sector, NGO’s en de wetenschap is daarvoor nodig. Binnen EU verband is het van belang dat agentschappen als Europol, Frontex, SitCen en ENISA verder gaan samenwerken bij het opstellen van dreigingsanalyses.15 Daarbij moeten de deelnemende landen expertise bijeen brengen en investeren in tools and training. Bij de verdere ontwikkeling van veiligheidsbeleid moeten risico’s en dreigingen op wereldschaal worden onderkend; misdaad werkt ook op wereldschaal. De private sector heeft hier ook grote belangen. Door bedrijven actief te informeren over de veiligheidsstrategie van de EU, kan er meer worden samengewerkt bij het opsporen en tegengaan van zwakke plekken in legale (en meer en meer digitale) markten. Dit brengt met zich mee dat de EU investeert in de opbouw van handhavings- en opsporingscapaciteiten in landen buiten de EU. Tegelijkertijd kan de samenwerking met de eigen burgers verder versterkt worden door nieuwe Internetdiensten, zoals de social media. Het andere grote thema dat is besproken betreft de strijd tegen het terrorisme. Er is een proces gaande van fragmentatie van terroristische en extremistische groeperingen, waarmee opsporing steeds lastiger wordt. Het ideeëngoed wordt gemakkelijk verspreid via het Internet. Het verschijnsel van de ‘lone wolf’ terroristen en extremisten is helemaal moeilijk te bestrijden. Door wereldomvattende migratiestromen is het lastig hier vat op te krijgen. Wel blijkt het in diverse EU landen tot groeiende sociale spanningen te leiden en uitingen van geweld tegen immigranten. De kansen en de gevaren van de virtuele wereld moeten beter onderkend gaan worden: ‘the virtual world will be a tool, a target and a weapon’ (verslag, pg. 10). Om terrorisme en extremisme effectief tegen te gaan moeten samenlevingen gericht inzetten op de-radicalisering en preventie. Dat is niet alleen een kwestie van de politie, daarvoor is ook een inzet nodig vanuit het onderwijs en de media.15Frontex is de Europese grenspolitie. SitCen (Joint Situation Centre van de EU), ENISA (Europees Agentschapvoor netwerk- en informatiebeveiliging). De Europese Commissie heeft aangegeven te streven naar een EuropeesCybercrime Centrum dat in 2013 operationeel moet zijn. Europese landen zullen hier samen de strijd aangaan metinternetcriminaliteit. Het gaat dan om praktijken als hacken, kinderporno, fraude, terrorisme en virussen. Nu.nl 5januari 2011. 30
  31. 31. Box 9We willen nérgens meer last van hebben …..In het stadsarchief van Amsterdam was in het najaar van 2011 de tentoonstelling Pers en politie inAmsterdam te bezoeken. Hoofdauteur van het gelijknamige boek is de Rotterdamse hoogleraarHenri Beunders die in NRC van 20 november 2010 hieraan een essay wijdt, waarvan hieronder eenimpressie.Volgens Beunders is de tolerantie voor ‘overlast’ zo sterk afgenomen in ons land, en de roep omrepressie, camera’s en wijkverboden zo sterk, dat het beschavingsoffensief dat begon rond 1870 nuin zijn tegendeel dreigt te gaan verkeren. De berichtgeving is zwaar overdreven, en niet alleen in deTelegraaf, als meest notoire law and order krant. Hoewel de strandrellen in Hoek van Hollanddramatisch waren, blijkt volgens Beunders, dat het hier veeleer gaat om een afwijking in een meeralgemeen patroon waarbij geweld in de publieke ruimte eerder af- dan toeneemt. Maar, hoewel hetgeweld afneemt, neemt de opwinding erover almaar toe.Al sedert 1870 is de grootste ergernis van de burgerij de baldadigheid van jongeren. En ook nuweer. Over de grondbeginselen van de rechtsstaat of proportionaliteit spreekt amper iemand, debehoefte om afwijkend gedrag aan te pakken is te groot. Volgens Beunders moeten de oorzakenvooral gezocht worden in migratie en op- en neerwaartse mobiliteit van grote groepen mensen. Datbrengt de burgerij in paniek. ‘Men voelt zich omsingeld en probeert op alle mogelijke manieren deafstand tot ‘de ander’ te markeren, te herstellen. Beunders ziet parallellen tussen het einde van de e19 eeuw (het begin van het moderne, mobiele Nederland), de jaren ’30 (Jordaan oproer), de‘twintigjarige stadsoorlog’ (1965-1985, met name in Amsterdam), en de huidige tijd(amerikanisering, multiculturaliteit, drugs).Beunders meent dat de maatschappelijke balans, een gezonde verhouding tussen plicht, moraal envrijheid, verstoord is. Dit kan tot onvoorspelbare geweldsuitbarstingen leiden. In de zoektocht naareen herstel van deze balans, zou de aandacht echter niet eenzijdig uit moeten gaan naar ‘baldadigegooiers van bloembollen’ te Gouda, door de Telegraaf gekopt als ‘Straattuig heer en meester inGouda’.Baas Openbaar Ministerie ziet heil in schandpaalDe nieuwe baas van het Openbaar Ministerie Herman Bolhaar wil dat daders van kleine criminaliteiteen werkstraf krijgen in de buurt waar ze in de fout zijn gegaan. De schandpaalstraf moet al binneneen paar dagen na de aanhouding worden opgelegd en niet pas na weken. Volgens Bolhaar wordtmet de snelle aanpak in eigen buurt een signaal afgegeven dat misdaad niet loont. De snellewerkstraffen zijn bedoeld voor onder meer fietsendieven, vandalen en voor daders van anderekleine vergrijpen. Graffitispuiters moeten bijvoorbeeld als onderdeel van een straf een muurschoonmaken.Een proef met de aanpak in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag en Den Bosch is goedverlopen. "De helft van de aangeboden zaken werd al volgens de nieuwe methode afgedaan. Debedoeling is dat deze aanpak snel landelijk wordt uitgerold." Nu.nl 27 mei 2011 31

×