Your SlideShare is downloading. ×
Rechtzodiegaatsignaleringsrapportage
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

Rechtzodiegaatsignaleringsrapportage

1,155
views

Published on


0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
1,155
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. Recht zo die gaat Signaleringsrapportage 12-2011 1
  • 2. ColofonDe Politieonderwijsraad is een adviesorgaan waarvan de positie en taken zijn geregeld in de Wet ophet LSOP en het politieonderwijs, welke in werking is getreden op 1 april 2003.De Raad adviseert de minister van Veiligheid en Justitie (gevraagd en ongevraagd) over hetregeringsbeleid met betrekking tot het Nederlandse politieonderwijs. Tevens fungeert dePolitieonderwijsraad als een afstemmingsorgaan tussen direct en indirect betrokkenen en bij hetNederlandse politieonderwijs.De aandacht in de Politieonderwijsraad gaat in het bijzonder uit naar de relatie tussen de kenmerkenen ontwikkelingen van de politiepraktijk, de (politie) arbeidsmarkt en het politieonderwijs. Daarbijheeft de relatie met het reguliere beroepsonderwijs en het hoger onderwijs steeds de aandacht,evenals de internationale dimensie.Een belangrijke taak van de Raad heeft betrekking op het up to date houden van dekwalificatiestructuur van het politieonderwijs. De Raad adviseert hierover jaarlijks.Adres:PolitieonderwijsraadNassauplein 332585 ED Den HaagPostbus 843002508 AH Den Haag(070) 3118667www.politieonderwijsraad.nlRecht zo die gaat. Signaleringsrapportage. Besproken en aangevuld in de Politieonderwijsraad van 2december 2011.De afbeelding op het voorblad en de afbeelding op pg. 3 betreffen Sail Amsterdam 2010. Diverseoverheidsdiensten en private dienstverleners droegen gezamenlijk zorg voor openbare orde, rust en veiligheid.Vanaf 1975, het jaar dat Amsterdam haar 700-jarig bestaan vierde, wordt Sail elke vijf jaar georganiseerd. 2
  • 3. Recht zo die gaatSignaleringsrapportage 12-2011 3
  • 4. 4
  • 5. INHOUD 1 ● Inleiding 2 ● Trendnota Politieacademie 3 ● ‘Huis van Thorbecke’ en Nationale politie 4 ● Intelligence en vorming 5 ● Tegenwind, armoede en segregatie 6 ● Politie & Partners 7 ● Strategische agenda’s regulier onderwijs 8 ● Kennis en kennisoverdracht 9 ● De overleg- en afstemmingsfunctie van de Politieonderwijsraad Bijlagen 1 ● Regeer- en gedoogakkoord 2 ● Recente publicaties Politie & Wetenschap en de SMVP 3 ● Recente publicaties adviesraden en onderzoeksinstellingen 4 ● Rapporten IOOV (IV&J) 5
  • 6. 6
  • 7. 1 ● Inleiding Het is gebruikelijk dat de Politieonderwijsraad kennis neemt van signaleringsrapportages die periodiek door het bureau van de Raad worden opgesteld en waaraan wordt meegewerkt vanuit de Politieacademie, het ministerie en andere leden van de Raad. Deze rapportages bevatten actuele (en deels internationale) ontwikkelingen op het terrein van de politie, de veiligheidssector in meer algemene zin en het politieonderwijs. Daarnaast wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen in en met betrekking tot het reguliere onderwijs. Ook bevatten signaleringsrapportages overzichten van recent verschenen publicaties die een mogelijke relevantie hebben voor het politieonderwijs en het werk van de Politieonderwijsraad. Signaleringsrapportages kunnen ertoe leiden dat de Raad bepaalde onderwerpen agendeert. Diverse onderwerpen zijn in het verleden zo verder uitgediept, bijvoorbeeld in de vorm van panelbijeenkomsten of via verdiepende rapportages. De meest recente signaleringsrapportages dateren uit 2010.1 De doelstelling van deze rapportages is ten eerste de leden van de Raad zelf te informeren over mogelijke gespreksthema’s. Daarbij wordt rekening gehouden met het gegeven dat een deel van de leden van de Raad niet werkzaam is in dan wel in directe relatie met de politiesector, waardoor leden niet ‘als vanzelf’ op de hoogte zijn van recente ontwikkelingen. Daarnaast blijken rapportages ook elders hun weg te vinden, bijv. binnen de Politieacademie. Het hoofdonderwerp in deze rapportage is de doorwerking van het regeerakkoord (2010), zoals zich dat nu laat aanzien, in het bijzonder onderwerpen die de POR- agenda raken.2 Met het regeerakkoord is geen volledig nieuwe beleidsagenda ontstaan; diverse onderwerpen waren al langer onderwerp van beleidsontwikkeling en –evaluatie. De indeling van deze signaleringsrapportage is als volgt. Hoofdstuk 2 betreft een samenvatting van een trendrapportage die de Politieacademie recent opstelde. Deze nota betreft markante thema’s die spelen in de politieorganisatie en hoe de Politieacademie hierop aansluit. In hoofdstuk 3 wordt de komst van de nationale politie besproken tegen de achtergrond van ‘het Huis van Thorbecke’. De nationale politie sluit beter aan bij de bestuurlijke hoofdstructuur van ons land, dan het regionale model, maar ook nu worden er kritische kanttekeningen geplaatst. Verder vermeldt dit hoofdstuk de kwartiermakersorganisatie en de voornaamste uitdagingen waarvoor de nationale politie i.o. zich geplaatst ziet. In hoofdstuk 4 wordt de relatie tussen ‘intelligence’ en ‘vorming’ gelegd. Integriteit van handelen is van groot belang voor het openbaar bestuur, justitie, de politie, maar ook andere gezagsdragers en uitvoeringsorganisaties. Informatiegebruik is aan regels gebonden, tegelijkertijd is er het besef dat juist de combinatie van gegevens nieuwe mogelijkheden biedt voor handhaving en opsporing. Grenzen aan het eigen handelen moeten opnieuw worden bepaald. Anderzijds wijzen ook juist burgers en NGO’s op risico’s van het onbegrensd delen van informatie. Hoofdstuk 5 gaat in op de sterke economische tegenwind die vanaf het najaar van 2008 is opgestoken en voorlopig alleen maar lijkt aan te zwellen. De effecten tonen zich onder andere in groeiende armoede en toenemende sociale en ruimtelijke segregatie. Professionals die werken bij de politie, in het onderwijs, bij woningbouwcorporaties, de thuiszorg of in het welzijnswerk, maar ook winkeliers, hebben de verantwoordelijkheid bij te dragen aan de leefbaarheid van gebieden waar mensen het zwaar hebben. Door gericht in te zetten op1 Zicht op Internationalisering, januari 2010; Kiezen én delen, juni 2010. In januari verscheen het rapport Juridischekennis en het proces-verbaal dat voortvloeide uit een signalering door het Openbaar Ministerie.2 In bijlage 1 zijn de hoofdpunten vermeld van dit regeerakkoord. 7
  • 8. netwerkontwikkeling, kan de onderlinge samenhang tussen mensen en het gevoel vanveiligheid worden bevorderd.De thema’s van de hoofdstukken 4 en 5 lopen door in hoofdstuk 6, dat handelt over de politieen haar operationele en bestuurlijke partners. Zoals in hoofdstuk 5 beschreven, is dat eenbelangrijk thema op lokaal niveau, maar daarnaast is er het belang van de internationalepolitiesamenwerking. Met betrekking tot de bestuurlijke aanpak van de handhaving en deopsporing lopen meningen fors uiteen. Een informatiegestuurde, integrale overheidsstrategieis bedoeld om bij te dragen aan de veiligheid van burgers en de samenleving als geheel. Maarpakt dit ook altijd zo uit? In ieder geval is het van belang oog en oor te hebben voor kritischegeluiden die waarschuwen voor de risico’s van een te gemakkelijk vertrouwen op informatieen technologie.Hoofdstuk 7 kijkt vervolgens naar de strategische agenda’s die er zijn met betrekking tot hetregulier onderwijs. Over de gehele linie is de druk groot om het niveau van het onderwijs teborgen en te verhogen. Nederland kan zijn positie in de wereldeconomie en –samenlevingalleen behouden als Nederlanders zich verder blijven ontwikkelen. Interessant is de gedachtedat ons land zich bij uitstek leent voor gerichte keuzes en speerpunten in de globalecompetitie. Deze discussie is verwant met die over de kennisfunctie van de Politieacademie.In hoofdstuk 8 komen enkele actuele kwesties aan de orde met betrekking tot het ontwikkelenvan politiekundige kennis door middel van praktijkgericht onderzoek en overdracht vankennis richting het werkveld en het onderwijs.Hoofdstuk 9 tenslotte bespreekt kort de overleg- en afstemmingsfunctie van dePolitieonderwijsraad, in aansluiting op de recente publicatie Gewoon overleg leert al anders(Politieonderwijsraad, april 2011). Box 1 Recht zo die gaat! – varen op de kaart van Mercator Ter ere van het 500ste geboortejaar van cartograaf Gerard Mercator is tot 8 september 2013 een tentoonstelling te bezoeken in het Maritiem Museum Rotterdam. ‘Alsmaar de kust blijven volgen en bij de derde vuurtoren rechtsaf’, was de routebeschrijving die zeevaarders tot aan het einde van de middeleeuwen volgden. Mensen wisten nog weinig van de wereld en zeelieden durfden daarom niet zomaar de open zee op te gaan. In de zestiende eeuw waagde men zich steeds verder van de kust. Er werden nieuwe landen ontdekt en kaartenmakers brachten de wereld steeds preciezer in beeld. Maar hoe geef je de ronde aarde weer op een platte kaart? Mercator’s oplossing werd wereldberoemd. Zijn weergave van de wereld stelde zeelieden voor het eerst in de geschiedenis in staat om met een rechte lijn hun koers op een zeekaart uit te stippelen. Het stuurcommando ‘recht zo die gaat!’ werd meer dan ooit van toepassing. De wereldkaart van Mercator, waarvan het Maritiem Museum een van de drie originele exemplaren bezit, is van grote betekenis geweest voor het succes van Nederland als maritieme handelsnatie. De kaart wordt zelfs nu, in ons huidige tijdperk van tomtom en GPS, nog door zeevaarders gebruikt en landrotten ontlenen er hun beeld van de Aarde aan. Voor het eerst vertoond in Nederland Het verhaal over de wereldkaart van Mercator wordt geïllustreerd met objecten uit de collectie van het Maritiem Museum Rotterdam die uniek zijn in de wereld en maar zelden uit het depot komen. Te zien is de originele kaart van Mercator uit 1569 waarvan slechts drie exemplaren in de wereld bewaard zijn gebleven. Het Maritiem Museum bezit het enige ingekleurde exemplaar dat bovendien is samengesteld in de vorm van een atlas. Ook de aardglobe van de hand van Mercator is te vinden in de tentoonstelling. Conservator Ron Brand: “Saillant detail is dat Mercator zelf nooit op reis is geweest. Hij maakte zijn wereldkaart en globe in zijn atelier aan de hand van technische berekeningen en verhalen van zeevaarders.” Zie verder: www.maritiemmuseum.nl. 8
  • 9. 2 ● Trendnota Politieacademie In juli 2011 heeft de Politieacademie een trendnota aangeboden met betrekking tot de politie en het politieonderwijs. De hoofdpunten van deze nota zijn als volgt. De nota noemt aan het begin enkele brede maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de herwaardering van vakmanschap, het terugdringen van bureaucratie, de ‘democratisering van informatie en kennis’ en internationalisering. Tegen deze achtergrond is samenwerking van de politie met burgers en met ketenpartners een must. Hier wordt hard aan gewerkt en moderne technologie helpt daarbij. Via een probleemgerichte benadering wordt een beter en gedeeld inzicht mogelijk en een betere (gezamenlijke) aanpak. De nadruk in het politiewerk zal volgens de nota blijven liggen bij gebiedsgebonden werken en een lokale verankering van het veiligheidsbeleid. De komst van de nationale politie heeft echter ook zijn redenen. Dit betekent dat lokale leiders “een balans moet zien te vinden tussen hetgeen hen vanuit de minister wordt opgelegd en de lokale problemen die spelen”. (pg. 4) De nota noemt drie belangrijke beleidsdoelen: (1) een verbetering van de effectiviteit van de politieorganisatie, (2) een sterkere moraal van het politiekorps en (3) een steviger gezagspositie van de Nederlandse politie. Het Aanvalsplan op de Bureaucratie moet ertoe leiden dat er meer tijd wordt besteed aan operationeel politiewerk. Meer nadruk op vakmanschap zal bovendien leiden tot meer professionele weerbaarheid van politiemedewerkers en een grotere effectiviteit. Nieuwe media kunnen daarbij helpen (social media). De versterking van het gezag van de politie vergt een gecombineerde strategie: relationeel en sanctionerend. Dit drukt zich uit in het individuele handelen van de agent, maar ook (en vooral) in het handelen en de presentatie van de politie als geheel. Het uniform is een uitdrukking van de professionele en de democratische gelegitimeerde macht van de politie. Om de genoemde drie beleidsdoelen een impuls te geven, worden diverse programma’s genoemd. Het programma Directe aanpak gaat over: de toepassing van het front office/back office concept (FOBO), waarbij agenten (op straat) worden ondersteund door informatiemedewerkers op kantoor. Agenten ontvangen real time relevante informatie, en geven vice versa informatie door die in de ‘systemen’ wordt verwerkt (informatiegestuurde politie); meer ‘heterdaad kracht’ en een meer directe afhandeling; nieuwe technologie betreft bijv. de inzet van smart phones, Burgernet en social media; het ZSM-project (justitiële afdoening van zaken), wat staat voor een adequate, effectieve lik-op-stuk-aanpak; dit is onderdeel van een breder programma binnen het OM, gericht op de herinrichting van de strafrechtketen. In het programma Professionele weerbaarheid worden drie aspecten onderscheiden: fysieke, mentale en morele aspecten van weerbaarheid. Aan elk van deze aspecten moet gewerkt worden vanuit de wetenschap dat het politieberoep stevige eisen stelt aan mensen. Waar dit onvoldoende gebeurt, dreigen risico’s van overbelasting en verminderde inzetbaarheid. Tenslotte wordt het programma Sterker blauw genoemd en een model gepresenteerd: de ‘Bollen van Gieling’. Hierin zijn belangrijke vereisten benoemd van professioneel handelen in moeilijke omstandigheden. Deze staan voor even zo vele tactische lessen, volgens Van der Torre (recent benoemd als lector aan de Politieacademie). Standaardisering is daarbij een belangrijk punt (‘gestolde ervaring’; goede voorbereiding). Andere belangrijke factoren zijn: opleiden, voldoende mensen en middelen, opvang en nazorg, aanpak van dader(s) en evalueren (‘after action review’). In de slotparagraaf van de trendnota worden de verschillende ontwikkelingen en programma’s in onderling verband gebracht. 9
  • 10. Box 2Hindernisbaan voor politieagentenVanaf 2012 moeten politieagenten verplicht een fitheidstest afleggen. De test betreft een parcourswaarbij binnen een nog een nader te bepalen tijd een bepaalde afstand moet worden afgelegd metonderweg oefeningen als over een bok en over banken springen en zware ballen verplaatsen. Ookmoet een kar van maar liefst 200 kg worden geduwd en verderop stil worden gezet en moet eenpop van 50 kg worden verplaatst. De Nederlandse Politiebond heeft aangekaart dat de normen dieworden gehanteerd (voor mannen/vrouwen of leeftijdsgroepen) niet zonder meer kunnen wordenopgelegd. De afgelopen jaren hebben 6000 agenten op vrijwillige basis het parcours gedaan, maarvanaf volgend jaar zal iedere agent dit moeten doen. Hoewel het volgens de NPB heel belangrijk isdat agenten de spiegel voorgehouden krijgen, moet het niet zo zijn dat mensen hierdoor hun baanzouden kunnen verliezen (bron: NRC, 4 juli 2011). 10
  • 11. 3 ● Het ‘Huis van Thorbecke’ en de nationale politie Deze paragraaf gaat over ontwikkelingen binnen het Nederlandse bestuursstelsel. Eerst in algemene zin (‘het Huis van Thorbecke’), daarna wordt ingezoomd op de (nationale) politie. In de afgelopen maanden zijn belangrijke besluiten genomen ten aanzien van de inrichting van de beoogde politieorganisatie. Er zijn kwartiermakers benoemd op landelijk en op regionaal niveau en de planvorming begint duidelijke vormen aan te nemen. De Politieacademie is reeds vanaf 1993 landelijk georganiseerd. Het wetgevingstraject met betrekking tot het politieonderwijs is apart georganiseerd en berust (deels) op andere argumenten en doelen. Verbouwing van het ‘Huis van Thorbecke’ In Nederland, maar ook in andere landen, wordt gesleuteld aan het staatsbestel. De bestuurlijke hoofdstructuur van ons land dateert uit de 19e eeuw en is, volgens velen, toe aan herijking. De vraag is, op welke wijze. Behalve een historische benadering kan ook de vergelijking met andere landen leerzaam zijn. Hieronder volgt een impressie van een op 24 mei 2011 gehouden studiebijeenkomst over deze thematiek, georganiseerd door het KNAG (Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap) en het IPO (Interprovinciaal Overleg). De bijeenkomst sloot aan op veelgehoorde kritiek op de huidige bestuurlijke praktijk (‘bestuurlijke drukte’, ‘stroperig’). Hoewel de drielagen structuur al heel lang hetzelfde is, zijn er forse veranderingen opgetreden op het lokaal bestuurlijke niveau. Zo is het aantal gemeenten en waterschappen fors afgenomen, een proces dat nog lang niet is afgelopen. Daarnaast is er een groot aantal intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ontstaan en, mede onder invloed van de verdere ontwikkeling van de Europese Unie, diverse grensoverschrijdende samenwerkingsconstructies. Momenteel is onder het kabinet Rutte sprake van een flinke overheveling van taken richting de gemeenten (maatschappelijke ondersteuning, maar ook de verantwoordelijkheid voor een samenhangend veiligheidsbeleid). Het rijk trekt zich verder goeddeels terug uit het ruimtelijk beleid (wordt aan de provincies en gemeenten overgelaten), behalve waar de nationale infrastructuur aan de orde is. In principe zijn er twee manieren (twee typen) om vorm te geven aan noodzakelijke differentiatie binnen het openbaar bestuur: een territoriale benadering (type I) en een functionele (type II).3 In de territoriale benadering wordt een beperkt aantal bestuurslagen onderscheiden met elk een veelomvattende bestuurstaak binnen een eigen gebied. Deze gebieden overlappen elkaar niet en er is sprake van één omvattende bestuurlijke autoriteit. Het tweede type betreft een stelsel waarbij autoriteiten met een specifieke taak naast elkaar voorkomen. In een bepaald gebied zijn er dan meerdere autoriteiten. Het eerste type (territoriaal) past goed bij een federaal model (zoals het Huis van Thorbecke), het tweede type past goed bij bestuursmodellen die zich ontwikkelen in sterk verstedelijkte gebieden. Binnen dit type kunnen overheidsinstanties elkaar opzoeken om tijdelijke arrangementen op te zetten, gericht op een bepaald gezamenlijk doel. Samenwerking kan vorm krijgen in programma’s, projecten of nog lichtere constructies. Beide typen kunnen in de praktijk worden gevonden, maar vrijwel nooit in zuivere vorm. Een zuiver territoriale afbakening van bestuur, noch een zuiver functionele, blijkt houdbaar. In Nederland is type I (het territoriale model) dominant, maar in toenemende mate toont type II zich (het functionele model). Waar het in de praktijk op neerkomt, is het vinden van optimale combinaties van beide, een zoekproces dat niet eindigt, maar een voortdurende dynamiek veronderstelt (zoals momenteel het geval bij de onderhandelingen over het Bestuursakkoord in Nederland). Bestuurlijke ontwikkelingen in eigen land kunnen worden vergeleken met ontwikkelingen in andere landen. Dat kan tot nieuwe inzichten en perspectieven leiden. Denemarken bijvoorbeeld heeft in 2007 een ingrijpende wijziging van het bestuursstelsel doorgevoerd3 Zie bijv. Hooghe, L. & G. Marks (2001). Types of Multi-Level governance. European Integration online Papers. 11
  • 12. met als resultaat een zeer forse vermindering van het aantal Amter (soort provincies; terugvan 24 voor 1970 tot 5 nu) en Kommuner (gemeenten; van 1389 voor 1970 tot 98 nu) en eencentralisatie van bepaalde taken op rijksniveau. Tegelijkertijd vond een decentralisatie vantaken richting de (sterk vergrote) gemeenten plaats. In Frankrijk daarentegen neemt decomplexiteit verder toe zonder dat het systeem wezenlijk verandert. Naast een zeer grootaantal communes (gemeenten, bijna 37.000) en 101 departementen zijn er allerlei lagenbijgekomen (régions, 22 in totaal en een groot aantal, uiteenlopende vormgegevenintergemeentelijke samenwerkingsverbanden waarvan een flink aantal beschikt over eeneigen belastinggebied). Al met al kent Frankrijk maar liefst een half miljoenvolksvertegenwoordigers.In Nederland is met het regeerakkoord 2010 afgesproken dat de overlap tussen de driebestaande bestuurslagen zal worden verminderd. Voortaan kunnen slechts tweebestuurslagen tegelijkertijd bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen. Op het gebied vanhet veiligheidsbeleid is sprake van zowel een territoriale als een functionele invalshoek.Nationale PolitieOp de onderstaande kaart is te zien hoe de nieuwe indeling van de politieregio’s er uit gaatzien. Er komt naar alle verwachting één landelijk politiekorps dat valt onder deverantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie. De regiokorpsen, hetKLPD, de VTS Politie Nederland gaan hierin op. Er komen tien regionale eenheden en éénof meer landelijke operationele eenheden zoals nu de Nationale Recherche. De grenzen vande regionale eenheden komen overeen met de voorgestelde grenzen van dearrondissementen (de ‘herziene gerechtelijke kaart’). Dit moet de samenwerking in dejustitiële keten vereenvoudigen.Het nieuwe nationale organisatiemodel past beter bij de rechtstatelijke structuur van onsland, dan het huidige regionale model. Sedert het jaar van invoering van het regionalemodel (1993) klonk er kritiek op het zgn. ‘democratische gat’. Omdat de politieregio’s nietaansloten op de bestuurlijke hoofdstructuur (rijk, provincie, gemeenten) werden risico’sgezien voor wat betreft de democratische inbedding van de regionale politie. In 1998 12
  • 13. verscheen een dissertatie over dit onderwerp van de hand van Jaap Koopman.4 De promovendus haalt het toenmalige lid van de Tweede Kamer, Jacob Kohnstamm (D66) aan, die stelde: Het staatsrecht heeft verloren van de schaalvergroting (1998:87). Koopman komt in 2011 terug op zijn promotiethema in het Nederlands Juristenblad (15 juli 2011, pg. 1674-1681). Nu reflecteert hij op de ‘rechtsstatelijke inbedding van de nationale politie’. In een interessant artikel neemt Koopman het voorstel onder de loep en brengt diverse punten naar voren die een risico inhouden voor het evenwicht tussen bestuurlijke verantwoordelijkheden. Zijn stelling is: Macht behoeft tegenmacht. In de Nederlandse traditie is op drie manieren sprake van spreiding van macht: de Trias Politica (het onderscheid tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht; horizontale spreiding van macht); de leer van checks and balances (de staatkundige finetuning in de verhouding tussen elkaar over en weer aanvullende en in evenwicht houdende overheidsorganen); het Huis van Thorbecke (rijk, provincies, gemeenten; verticale spreiding van macht). Koopman doet een poging om het voorliggende wetsvoorstel nationale politie te beoordelen vanuit elk van deze drie invalshoeken. Hij plaatst de volgende kanttekeningen: de centralisatie van het gezag over de politie is al een lang lopend proces; het wetsvoorstel bevestigt en versterkt dit. Weliswaar blijft er sprake van lokaal gezag over de politie (de iure zijn dat de burgemeester en de plaatselijke officier van justitie), de facto blijft daar volgens Koopman weinig van over als gevolg van bovenlokale prioriteitsstelling; het leidende beginsel ‘decentraal, tenzij..’ wordt ingeruild voor een ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’; ophanging van de nationale politie onder de minister van VenJ heeft voordelen met het oog op de afstemming in de justitiële keten, maar roept vragen op over de afstemming in de bestuurlijke keten, zoals veiligheidsregio’s en regionale uitvoeringsdiensten; de versterking van de justitiële oriëntatie van de politie gaat ten koste van de bestuurlijke, volgens Koopman; de regioburgemeester heeft een belangrijke rol in de sturing van de politie, maar past niet bij het staatsbestel. Regionale beleidsplannen dienen unaniem te worden vastgesteld. Desnoods kan de regioburgemeester een besluit hieromtrent doordrukken via een beroep bij de minister. In voorkomende gevallen moet deze bepalen of beleidsplannen op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van de goede vervulling van de politietaak in een bepaalde gemeente. Volgens Koopman houdt deze lijn een risico in dat volksvertegenwoordigers op lokaal en nationaal niveau te weinig invloed zullen en kunnen uitoefenen. Tegen een achtergrond van deling en verdeling van macht meent Koopman dat het wetsvoorstel niet in het lood staat. De verhouding bestuur/justitie trekt scheef, wat doorwerkt in de sturing van de politie op decentraal niveau. Hij pleit voor een versterking van de kaderstellende en controlerende rol van de volksvertegenwoordiging op lokaal en nationaal niveau.5 Wetgevingstraject en planvorming Het traject om tot een nieuwe politiewet te komen loopt parallel met de voorbereidingen op de organisatiestructuur van de nationale politie en een nieuw nationaal programma.4Jaap Koopman (1998). De democratische inbedding van de regionale politie. Kluwer, Deventer.5Zie ook: P.W. Tops, M. van Duin, P. van Os en S. Zoudiris (2010). Sleuren of Sturen. Gemeenten en sturing vanveiligheid en politie. Rapport vervaardigd voor de commissie Bestuur en Veiligheid van de Vereniging vanNederlandse gemeenten. 13
  • 14. Het voorstel van wet heeft inmiddels de unanieme instemming van de Tweede Kamer. Naar verwachting zal de Eerste Kamer het wetsvoorstel behandelen in het eerste kwartaal van 2012. Het lijkt dan ook reëel dat de wet in de loop van 2012 in werking zal treden. De plannen voor de organisatie van de nationale politie zijn op hoofdlijnen klaar. De missie staat al: Waakzaam en Dienstbaar, tijdloze, onvergankelijke begrippen die uitdrukken waar de politie voor staat. Er zal dan nog geen uitgewerkt inrichtingsplan en realisatieplan liggen, maar wel een helder overzicht van principes en uitgangspunten. Volgens Gerard Bouman, landelijk kwartiermaker en beoogd nationaal korpschef, is het een zeer intensief proces wat alvast heeft opgeleverd ‘dat we straks echt één politie gaan vormen. Eén politie met één agenda en één verhaal. Maar ook één identiteit en één uitstraling…’. De actuele stand van zaken wordt voor de gehele politie ontsloten via Politiekennisnet (PKN).6 Strategische thema’s die zonder meer prioriteit hebben zijn: - de informatievoorziening moet beter; politiemensen moeten te allen tijde kunnen beschikken over de meest recent informatie. Real time, op straat, en waar dan ook; - adequaat op- en afschalen van politie-inzet; met de komst van de nationale politie zijn er nieuwe kansen op dit punt; - nationale politie als katalysator voor onderwerpen als ‘heterdaadkracht’; - de verbinding met de buitenwereld (‘De politie doet niets alleen’, volgens Bouman); - de kwaliteit en de organisatie van de opsporing; - de vorming van robuuste multidisciplinaire basisteams. Drempels zijn de mogelijk de te hoge verwachtingen van het traject nationale politie en het gewicht van het ICT dossier. Daarnaast is veel aandacht nodig voor de aansluiting van de top op de werkvloer, de veiligheid van collega’s en een onderwerp als professionele weerbaarheid. Politie en Defensie In het regeerakkoord (bijlage 1) is te lezen dat de krijgsmacht een rol heeft als ‘volwaardige partner in de strijd tegen drugs, terrorisme, illegale immigratie en piraterij’. Voor zover het gaat over het binnenlandse politiebeleid heeft de Koninklijke Marechaussee (Kmar) een structurele taak. Diverse artikelen in het wetsvoorstel gaan hierover. Inzet van de politie bij vredesmissies impliceert directe samenwerking tussen politie en de krijgsmacht. Op dit moment werkt de politie mee aan een trainingsmissie gericht op het opleiden van Afghaanse politiemensen in de provincie Kunduz.7 Wet Politieonderwijs Naast de nieuwe politiewet is ook een nieuwe wet op het politieonderwijs in voorbereiding. Omdat het politieonderwijs al sedert 1993 op landelijke schaal is georganiseerd, gaat het hier om andere redenen van onderbouwing. Enerzijds is het zaak de verbinding met de politiewet te maken qua taakopdracht, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; anderzijds zal het mogelijk gaan om meer inhoudelijke motieven die bijv. van doen hebben met de kwaliteit van het politieonderwijs, de toegankelijkheid, flexibiliteit en de doelmatigheid van politieopleidingen. Mogelijk wordt ook de relatie met het reguliere onderwijs verder uitgewerkt.6 Via Intranet naar PKN als volgt: PKN > Kennis > Bedrijfsvoering > Management > Strategie en Beleid >Nationale politie. Tevens is er het Nationaal politiebericht van de kwartiermaker nationale politie.7 Zie ook: Zicht op Internationalisering (2010) en Politie & Co (2009). 14
  • 15. Kwartiermakers Nationale PolitieDe minister van VenJ beoogt de organisatiestructuur van de nationale politie klaar te hebben, zodra denieuwe politiewet wordt aangenomen door het parlement. De nationale kwartiermakers zijn benoemd (incasu de beoogde korpsleiding).Naast Gerard Bouman (58 jaar; landelijk kwartiermaker; sinds 2007 hoofd van de AIVD en daarvoorkorpschef Haaglanden en hoofdofficier van justitie), zijn dat de heren Ruud Bik (58 jaar, sinds 2007korpschef KLPD; plv. landelijk kwartiermaker), Leon Kuijs (55 jaar, kwartiermaker Bedrijfsvoering;voorzitter RKC, sinds 2002 korpschef Brabant Zuidoost) en mevr. Janine van de Berg (47 jaar,kwartiermaker Operaties; korpschef Kennemerland).De landelijke CIO, Aad Meijboom (59 jaar, vm. korpschef Rotterdam -Rijnmond) is toegevoegdkwartiermaker. Ook is er een nieuwe algemeen directeur benoemd bij de Voorziening tot Samenwerking:de heer André Regtop (55 jaar, voorheen directeur Centraal Justitieel Incassobureau).De elf kwartiermakers van de toekomstige regionale eenheden en de landelijke eenheid presenteerdenzich onlangs als volgt op de politiewebsites (26-8-2011): Elf antwoorden op de vraag wat de komst vande Nationale Politie voor de kwartiermakers zelf betekent. Pieter-Jaap Aalbersberg, 52 jaar, korpschef IJsselland en vanaf 1 november korpschef Amsterdam-Amstelland, kwartiermaker Amsterdam-Amstelland. "Nationale Politie is voor mij een dubbele uitdaging. Als kwartiermaker van Amsterdam wil ik samen met mijn collega’s bouwen aan de Nationale Politie, met één voornamelijk doel: Nederland veiliger maken voor onze burgers. Daarnaast ga ik vanaf 1 november aan de slag als korpschef binnen Amsterdam-Amstelland, een voor mij totaal nieuwe omgeving en alleen daarom al een uitdaging. En omdat Amsterdam-Amstelland niet fuseert met een of meer andere regio’s, biedt dat een geweldige kans. We hoeven ons namelijk niet te richten op een interne reorganisatie, maar kunnen volledig focussen op de doorontwikkeling van de trots, de prestaties en de innovatie die zo kenmerkend zijn voor het korps. Wat mij betreft zit daar de interne kracht van Amsterdam-Amstelland. En precies die punten kunnen we de komende tijd doorontwikkelen, zodat we vanuit de eenheid Amsterdam een voortdurende en waardevolle bijdrage leveren aan ons politievak binnen onze Nationale Politie." Miriam Barendse, 47 jaar, waarnemend korpschef Utrecht, kwartiermaker Midden-Nederland "Nationale Politie zie ik als een kans om de politieorganisatie toekomstproof te maken, het vertrouwen in de politie te vergroten en natuurlijk de samenleving nog veiliger te maken. Afgelopen zeventien jaar gebeurde er veel op het gebied van veiligheid en professionalisering, maar het huidige bestel is over de houdbaarheidsdatum heen. De organisatie is aan een nieuwe stap toe. Ik ga uit van dezelfde basisdoelstellingen: tevredenheid van medewerker én burger. De collega wil fluitend naar zijn werk gaan, gesteund door de organisatie en met de juiste middelen. Professioneel en veilig werken staan voor mij centraal. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de politie komt waar zij nodig is. Dat vertrouwen moet je intern en extern verdienen. Dat gebeurt als we de goede dingen en de dingen goed doen, met de juiste houding en gedrag. Voor mezelf is het een enorme kans en eer. Het komende jaar staat mijn tijd erg in het teken van het nationale bestel. Dat kost energie van iedereen en legt beslag op wie bezig is met deze ontwikkeling én op iedereen in de staande organisatie. Ik wens ons allemaal veel succes en plezier toe!" Oscar Dros, 48 jaar, korpschef Groningen, kwartiermaker Noord "Nationale Politie is voor mij een logische stap. In het noorden werken we al jaren intensief samen met maar één doel: beter politiewerk op straat. Veel ondersteunende diensten zijn hier al samengevoegd. We moeten ongehinderd door korpsgrenzen zorgen dat de politie daar is waar we nodig zijn, op een manier die past bij die omgeving. Nationale Politie biedt die kans, maar vraagt ook om professionele politiemensen en vakmensen die flexibel en slagvaardig zijn. Die meer ruimte krijgen en nemen om hun vak goed uit te oefenen en het vertrouwen hebben van hun leiding. Politiewerk is mensenwerk en dus niet alleen in cijfers uit te drukken. Nu kunnen we aan de slag met het beste idee, concept of werkwijze uit de korpsen. Daarbij moeten we vooral geen concessies doen door te gaan polderen. Bij opschaling is er altijd het risico dat bureaucratie eerder toe- dan afneemt. Dat mag dus niet gebeuren.” 15
  • 16. Henk van Essen, korpschef Haaglanden, kwartiermaker Haaglanden"Nationale Politie is voor mij een politiekorps met één stem en één gezicht, dat onzeslagkracht vergroot en onnodige verschillen in werkwijzen en presentatie beëindigt.De uitdaging is om vanuit zon grootschalige organisatie in de wijken verankerd teblijven. Om fijnmazig, proactief en op basis van ‘kennen en gekend worden’ ons werkte doen. We moeten zorgen dat meer efficiency in de bedrijfsvoering niet leidt totminder operationele effectiviteit. Het mag niet zo zijn dat agenten of leidinggevendenstraks werkzaamheden verrichten die medewerkers in de ondersteuning nu doen.Voor mij persoonlijk betekent Nationale Politie dat ik de collega’s wil motiveren omvan de nieuwe eenheid Haaglanden een stevige pijler in het geheel te maken. Beidekorpsen leveren al uitstekende prestaties en vormen een mooie basis. Zo brengtHollands Midden een sterke lokale verankering mee en Haaglanden een krachtigeoperationele focus. Ik ben trots dat ik de kar in deze regio mag trekken."Frans Heeres, 53 jaar, korpschef van Midden en West Brabant, kwartiermakerOost-Brabant"Nationale Politie is voor mij de kans bij uitstek om de goede resultaten van deafgelopen jaren te behouden en te verbeteren. Ik verwacht dat minder bureaucratie,snellere besluitvorming en verbeterde samenwerking sleutelwoorden zullen zijn. Ikben een groot voorstander van Nationale Politie, omdat ik dat een goed antwoordvind op de vragen uit de samenleving over samenhang, slagkracht en betereresultaten. Ik hoop dat de goede politieorganisatie die Nederland heeft, hierdoor nogbeter wordt en dat Nederland hierdoor nog veiliger zal worden."Stoffel Heijsman, 58 jaar, voorheen korpschef Utrecht, kwartiermaker Oost-Nederland"Nationale Politie is voor mij van belang omdat de grenzen van effectiviteit van onshuidige politiebestel zijn bereikt. We moeten de volgende ontwikkelingstap maken.Wat mij betreft met veel respect en waardering voor wat de regionale politie ons deafgelopen zeventien jaar heeft gebracht: zonder spijt of verwijt! Als kwartiermaker gaik op zoek naar de kracht en specifieke toegevoegde waarde van Oost-Nederland: inde regio zelf én voor de Nationale Politie. We willen ons onderscheiden. Niet ininrichting en structuur, maar met maatwerk in onze dienstverlening! Het leggen vanverbinding met de collega’s op inhoud, proces en relatie is voor mij essentieel.Omdat tijdens de verbouwing de verkoop doorgaat, kunnen degenen dieondertussen staan voor het op peil houden van onze bijdrage aan veiligheid en onzedienstverlening, rekenen op mijn speciale aandacht. Dit geldt in het bijzonder vooronze collega’s in de bedrijfsvoering."Liesbeth Huyzer, 50 jaar, lid korpsleiding Amsterdam-Amstelland,kwartiermaker Noord-West-Nederland"Nationale Politie zie ik vooral als een kans om de veiligheid in de samenleving nogbeter te waarborgen. Niet door meer mensen en middelen in te zetten – zoals in hetverleden – maar door slimmer en efficiënter politiewerk. Wanneer we als eenheidopereren, worden we slagvaardiger. De winst ligt in het delen van specialismen enhet versterken van vakmanschap, maar daarbij moeten we niet de kleinschaligheiduit het oog verliezen. De gebiedsgebonden aanpak is de laatste jaren stevigneergezet, die moeten we behouden. Het wordt niet alleen een uitdaging om deburger dichtbij te houden; ook de individuele collega’s moeten zich verbondenvoelen om goed te functioneren in een organisatie met 60.000 werknemers. Daarmoeten we aandacht voor hebben. Ik merk in de bijeenkomsten met de landelijkekorpsleiding en de kwartiermakers dat dat gevoel van gezamenlijkheid er al is, endat geeft energie. Die energie hopen we nu op alle collega’s over te dragen." 16
  • 17. Frank Paauw, 52 jaar, korpschef Rotterdam-Rijnmond, kwartiermakerRotterdam-Rijnmond"Nationale Politie is voor mij een korps dat veel beter aansluit bij deze tijd dan eeneilandenrijk met 26 korpschefs. Criminelen opereren niet uitsluitend binnen regio- oflandsgrenzen. Daarom hebben we eenduidige en landelijk op elkaar aansluitendepolitiesystemen nodig. Daardoor kunnen we sneller en eenvoudiger informatie enmedewerkers uitwisselen, ook internationaal. Dat vergroot de slagvaardigheid. Ditvertaalt zich direct naar veiligheid en vertrouwen van de burgers. Door debedrijfsvoering zoveel mogelijk te centraliseren en de operationele kracht te verdelenover tien in plaats van 25 regio’s en het KLPD, kunnen we volgens mij de efficiëntieen kwaliteit van het politiewerk nog verder vergroten."Gery Veldhuis, 52 jaar, korpschef Limburg-Zuid, kwartiermaker Limburg"Nationale Politie is voor mij het logische slotakkoord van een langdurige discussiedie al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in ons land wordt gevoerd. Het ishet antwoord op de vraag om eenheid en uniformiteit die door zowel het publiek alsde politiek is gesteld. De vorming van de Nationale Politie geeft ons de gelegenheidonszelf te ontwikkelen tot één van de beste onderdelen van het openbaar bestuur,een excellent onderdeel van de Nederlandse overheid. Het is wat mij betreft eenuitdaging om dit proces snel en zorgvuldig uit te voeren, zonder dat dit ten koste gaatvan ons werk en onze prestaties. Tegelijkertijd is het de kunst om de keerzijde vanschaalvergroting op realistische wijze onder ogen te zien. Het gevaar loert datmensen zich verloren gaan wanen. Dat is een zorg. We moeten elkaar vasthouden,want het zal niet zo zijn dat alles beter wordt."Hans Vissers, 57 jaar, plaatsvervangend korpschef Rotterdam-Rijnmond,kwartiermaker Zeeland-West-Brabant"Nationale Politie is voor mij iets waarvan ik al jaren voorstander ben. Als we diegoed invullen, kan het ons veel voordelen brengen. Zowel met mensen als middelenkunnen we veel efficiënter omgaan. We hoeven het wiel maar één keer uit te vindenen maar één keer na te denken over de uitvoering. Dat bespaart een hoop overlegen leidt tot eenduidige kwaliteit, mits je dat doet met gevoel voor het werk dat lokaalmoet gebeuren. De winst kunnen we omzetten in executieve politiemensen voormeer blauw op straat en in de opsporing. De politie zal herkenbaarder worden. Wekunnen onze energie veel meer richten op het creëren van professionelewerkomstandigheden voor de uitvoerende collegas, op de kwaliteit van het werk ende relatie met de burger. Dat komt ten goede aan de veiligheid van de burger. Als dieons meer gaat vertrouwen en overtuigd raakt van onze toegevoegde waarde, gaat deburger ook meer met ons samenwerken. En dan staan we er over een paar jaar eenstuk beter voor."Patricia Zorko, 46 jaar, waarnemend korpschef KLPD, kwartiermaker landelijkeeenheid"Nationale Politie is voor mij een positieve uitdaging met volop kansen voor onsallemaal. Geen versnippering meer, beter afspraken maken, focussen op het echtepolitiewerk. Dus die kansen gaan we pakken. Zelf ben ik toegegroeid naar het ideevan een Nationale Politie. Ik ben van oorsprong een typische gebiedsgebondenpolitievrouw. Ik geloof daarom heilig dat verbinding met de samenleving de basisvormt van politiewerk. Het draait om kennen en gekend worden. Maar samenlevinggaat verder dan een woonwijk: transportinfrastructuur, bankenwereld, cyberspace,internationale verbanden. In dat licht is onze versnipperde politieorganisatie nietmeer van deze tijd. De verankering moet echter een gemeenschap blijven. Juist indergelijke grensoverschrijdende gemeenschappen kan de landelijke eenheid hetkennen en gekend gestalte geven. Ik ben overtuigd dat politiemensen straks trots zijnop en meer zekerheden ontlenen aan de Nationale Politie. Eén korps dat delegitimatie van al ons politiewerk versterkt en beslist leidt tot een veiliger Nederland." 17
  • 18. 4 ● Intelligence en vorming8 De huidige samenleving kenmerkt zich meer en meer als een ‘informatiesamenleving’, waarin kenmerken van en data met betrekking tot burgers op talloze manieren worden opgeslagen in databestanden. Steeds gemakkelijker kunnen data uit het ene bestand gekoppeld worden aan data in andere bestanden. Alles wat kan, hoeft echter niet per definitie ook goed en verstandig te zijn. In het voorjaar van 2011 is het wetsvoorstel op het patiëntendossier gesneuveld in de Eerste Kamer. Volgens de senatoren was er onvoldoende noodzaak tot een dergelijke vergaande uitwisseling van patiëntgegevens; bovendien werd het risico van misbruik als te groot beoordeeld. Een zelfde bezwaar kan gemaakt worden met betrekking tot het (ongelimiteerd) verzamelen, opslaan en delen van gegevens van burgers in relatie tot veiligheid. De mogelijkheden daartoe nemen verder toe en veel beleidsinspanningen zijn erop gericht. Dit is niet de plaats om dit in extenso te beschouwen. In Schakelen in Verantwoordelijkheid (Politieonderwijsraad, februari 2011) is de grote betekenis van informatie en intelligence voor de politie duidelijk erkend. In het schema van veranderingen in de politieprofessie is intelligence als het meest belangrijke punt van verandering genoemd. We volstaan hier met enkele aanvullende signaleringen, waarbij we de nadruk leggen op de relatie tussen de toenemende mogelijkheden van politiële intelligence en de vorming van professionals. We sluiten aan op het thema van de voortgaande modernisering dat eerder in de Raad aan de orde was en dat door het Sociaal Cultureel Planbureau gekarakteriseerd is met de ‘vijf i’s’: individualisering, informalisering, informatisering, intensivering en internationalisering. Informatisering werkt in velerlei opzichten door: economisch, politiek, sociaal, cultureel, etc. Zoals vrijwel altijd bij technologische ontwikkelingen zijn er positieve kanten te noemen (nieuwe mogelijkheden, nieuwe kansen), maar evenzeer negatieve (risico’s, bedreigingen). Kijken we naar het onderwijs, dan is sprake van een nieuwe generatie leermiddelen, is de toegankelijkheid van het onderwijs ermee verbeterd en (volgens velen) is het onderwijs er ook aantrekkelijker door geworden. Ook qua burgerschap biedt de digitalisering tal van nieuwe kansen. Mensen kunnen via het Internet aandacht vragen voor hun idealen, hun positie en belangen. Zelfs in de minst ontwikkelde landen waar de voorzieningen nog beperkt zijn, zijn al grote veranderingen merkbaar (denk aan: mobiele telefonie). Tegelijk maken veel mensen zich zorgen over de overload aan informatie. In het onderwijs wordt vragen gesteld als: Hoe leren (jonge) mensen te selecteren (bruikbaar of niet; waar of onwaar, etc.). Hoe leren ze kwaliteit te onderscheiden? Hoe leren ze ‘orde in de chaos’ te zien? Hoe leren ze kritisch te zijn? De vijf i’s vormen een ezelsbruggetje om te spreken over modernisering. Nieuwe verschijnselen zoals social media laten zich met deze begrippen beschrijven (zie onder en box 4). De vraag naar de rol die professionals (moeten) spelen in het voortgaande proces van modernisering, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Individuele burgers, maatschappelijke organisaties, onderwijzers en scholen, organisaties in de veiligheidssector of in een specifiek beroep, zoals de politie, maken verschillende afwegingen over hoe zicht te blijven houden op (consequenties van) modernisering, hoe er op een zinvolle manier actief aan mee te doen, en wanneer het juist verstandig is dat niet te doen. Omdat we veel meer (kunnen) weten van een ander (‘alles ligt op straat’, ‘niemand hoeft een blad voor de mond te nemen’), dienen vragen naar vorming en integriteit zich opnieuw aan.8 Mede op basis van commentaar van Mariëlle den Hengst, lector Intelligence aan de Politieacademie. 18
  • 19. Box 3 Blind vertrouwen Het vertrouwen in de financiële wereld werd in het najaar van 2008 diep geschokt. Banken bleken te handelen in financiële pakketten waarvan zelfs de bankleiding niet goed op de hoogte was. Een (jonge) generatie financiële analisten had zich innovatief betoond, snapten ‘hoe het zat’, maar bleken (achteraf) risicoanalyses gemaakt te hebben, die kant noch wal raakten. Inmiddels zijn diverse banken met publiek geld gered en zoeken overheden naar meer grip en een betere regulering. Of dat tot hersteld vertrouwen zal leiden, is de vraag. Gaan toezichthoudende experts het beter doen? Volgens Don Tapscott, schrijver van het boek Macrowikinomics ( www.macrowikinomics.com), kan het niet alleen meer om vertrouwen gaan. Hij wil het publiek actiever gaan betrekken bij de regulering van de financiële sector en pleit voor ‘open data’. Overheden zijn in dat opzicht de financiële instellingen voorgegaan. De Open Models Company (OMC www.open-models.com) wil komen tot meer openheid binnen de financiële sector door een platform te bieden waarin gehanteerde financiële modellen kunnen worden besproken en becommentarieerd. Alle financiële experts zijn hier welkom om samen de waarde en de risico’s van bankproducten te bepalen. Centraal staat ook hier: openheid, dialoog, toegankelijkheid en informatie delen. Zoals een wetenschapper openheid van zaken biedt over zijn onderzoek om conclusies te rechtvaardigen, zouden ook financiële instellingen openheid kunnen bieden. Ontleend aan een column van Bob Overbeeke in Nieuwsbrief xs4all, nr.105.IntegriteitEen belangrijk vormingsaspect van het onderwijs betreft integriteit. Naast het ‘weten’ moetook het ‘geweten’ worden ontwikkeld. Integriteit kan beschouwd worden als een kenmerkvan organisaties (bedrijven, instellingen, overheden), maar evenzeer als een kenmerk vanindividuele burgers. Naarmate de ‘democratisering van kennis’ verder gaat en niet alleenieders stem telt (bij verkiezingen), maar ook ieders mening (opinieonderzoek), is het vanbelang dat burgers hun kritisch vermogen ontwikkelen. Interessant is de vraag hoe dit kritischbewustzijn tot stand komt bij jonge mensen die opgroeien met nieuwe media, in vergelijkingmet oudere medeburgers. Mogelijk staan jonge mensen op dit punt op voorsprong, omdat zevan jongs af aan leren informatie niet voor zoete koek te nemen. Waar het gaat over vormingen het ‘geweten’ kunnen vragen gesteld worden over de ‘idealen’ daaromtrent. Ontwikkeltzich mogelijkerwijs een nieuwe mores waar het gaat om het delen en gebruiken vaninformatie?Kennis is macht, is een oud gezegde dat nog steeds van toepassing is. Maar, veel meer danvroeger, gaat het om kennis ‘van anderen’. Wie wat weet over een ander, kan daar gebruikvan maken voor goede (‘kennissen als kracht’) en voor minder goede doelen (‘misbruik,fraude, chantage’). We hebben ontdekt dat tal van diensten beter, sneller en doelmatigergeleverd kunnen worden door digitale persoonsgegevens te gebruiken en op een handigemanier te combineren. Mensen werken daar zelf actief aan mee, door zichzelf in de digitaleetalage te plaatsen. Wie dat handig genoeg doet, behoudt controle over het eigen ‘profiel’; wiedat niet handig doet, kan daar jaren lang last van hebben.Nu er steeds meer kan, worden vragen of het ook moet of mag, belangrijker. Wie op zoek isnaar antecedenten, vindt in het digitale sociale verkeer nieuwe aanknopingspunten. Soms lijkthet erop dat veel jonge mensen onvoldoende in de gaten hebben dat alles wat je deelt via hetInternet en de social media (ooit) ‘tegen je gebruikt kan worden’. In landen die het mindernauw nemen met democratische beginselen blijken overheden relatief gemakkelijk mensen opte kunnen sporen die zich via deze kanalen kritisch opstellen. De gedachte dat het Internet een 19
  • 20. wereld is die vrij is van macht, dwang of risico’s, is op zijn minst naïef. Net als in de rest vanhet verkeer is het raadzaam uit te kijken.De aandacht voor (mogelijk) misbruik van gegevens neemt toe. Argeloosheid maakt plaatsvoor wantrouwen. Te vaak worden burgers geconfronteerd met organisaties die eenzorgvuldige omgang met data beloven, maar dat niet waarmaken (zowel bij bedrijven,medische instanties, maar ook overheden).Sociale media: dilemma voor de politieDe impact van ICT op het politiewerk neemt nog steeds fors toe. Door de overvloed aan dataen (beeld-) informatie én de toenemende mogelijkheid voor snelle geautomatiseerdeverwerking hiervan hebben termen als Informatiegestuurde politie (IGP), Intelligence LedPolicing (inmiddels Intelligencegestuurd politiewerk geheten) hun intrede gedaan. Sedert2008 is het National Intelligence Model (NIM) vastgesteld, waarmee tevens bepaald is dat allekorpsen eind 2012 informatiegestuurd moeten werken. Cybercrime maakt een functioneleaanpak noodzakelijk die niet als vanzelfsprekend aansluit op een territoriale,gebiedsgebonden aanpak ( hoofdstuk 3). De laatste jaren is er de opkomst van de socialemedia, zoals Twitter, Facebook, LinkedIn, MySpace, YouTube, Hyves. Steeds meercommunicatie tussen burgers én tussen de politie en burgers verloopt digitaal. Dit raakt ookhet werk van typisch gebiedsgebonden functionarissen als de wijkagent. Nieuwe begrippenworden gehanteerd (real time intelligence bijv.) en nieuwe organisatieconcepten sluiten eropaan (het FOBO frontoffice/backoffice concept, en experimenten als heterdaad kracht en ZSM). Box 4 Een wereld te winnen …Sociale media en de politie Ter gelegenheid van de opening van het nieuwe politie academisch jaar op 6 september jl. heeft de Politieacademie een bundel met opstellen gepresenteerd. Deze bundel vloeit voort uit een congres dat plaatsvond op 13 mei 2011, waarbij zowel de kansen, als de risico’s en bedreigingen aandacht kregen. Het gebruik van social media is explosief gestegen en heeft een nieuwe dimensie toegevoegd aan de communicatiemogelijkheden van burgers, waar dan ook ter wereld. In de publicatie wordt een eerste poging ondernomen om de betekenis van dit nieuwe fenomeen te wegen vanuit het perspectief van de politie. Social media kunnen een belangrijke rol spelen qua communicatie en mobilisatie van mensen. Soms wordt dat positief beoordeeld (de Arabische Lente), soms ludiek (flash mobs), soms is het ronduit bedreigend (rellen en plunderingen in Engeland deze zomer). Stavros Zouridis en Pieter Tops bespreken de betekenis van sociale media vanuit twee invalshoeken: als een bron van collectieve wijsheid en als een bron van sociale verstoring. Beide doen zich tegelijkertijd voor. Cees Sprenger en Eddy Lassche vertellen over hun ervaringen in Zeist waar burgers en politiemensen door het gebruik van sociale media nieuwe vormen van samenwerking ontdekten. Mariëlle den Hengst gaat in op de criminogene aspecten van de sociale media en hoe de politie er informatie uit kan putten ten behoeve van de eigen intelligencefunctie. Nicolien Kop bespreekt nieuwe mogelijkheden van sociale media om met behulp van burgers te komen tot effectievere opsporing. Menno van Duin richt zich op de rol van de sociale media bij het ontstaan maar ook op het beteugelen van crises. Al met al maakt de bundel zichtbaar dat er naast kansen, ook nieuwe risico’s verbonden zijn met het gebruik van de sociale media. 20
  • 21. Naar schatting maakt één op de vier internetgebruikers gebruik van sociale media. Ook de politie experimenteert hiermee; rond de 10% van het aantal wijkagenten. De eerste berichten hierover zijn positief. De wijkagent verruimt zijn communicatiebereik met de doelgroep én de waardering voor de politie stijgt, zeker indien de wijkagent middels een retweet reageert (bv. dader aangehouden; vermist kind weer terecht). Steeds echter moet de politie afwegen of informatie kan worden gedeeld via deze nieuwe media, en ja, wanneer dat kan. Steeds zijn er criteria van zorgvuldigheid en vertrouwelijk die in acht genomen moeten worden. Aan de wijze waarop de politie participeert in de sociale media dienen hoge eisen te worden gesteld. De vraag is of er aanvullende protocollen en (gedrags)regels moeten worden ontwikkeld of juist niet. In hoeverre is bijv. ‘code blauw’ voldoende om integer gebruik van de sociale media door de politie te garanderen? Immers deze code biedt handvatten voor integer handelen, zeker, maar geen handvatten hoe concreet te acteren op de digitale sociale (snel)wegen. Naarmate het gebruik van sociale media in het dagelijks politie meer en meer zal indalen, zal er hoe dan een nieuwe praktijk ontstaan, waarin wellicht ‘als vanzelf’ antwoorden op bovengenoemde dilemma’s worden geformuleerd. Steeds meer maakt de politie immers gebruik van sociale media om gebeurtenissen achteraf in kaart te brengen of actueel te volgen. Gekoppeld hieraan is de vraag actueel hoe het politieonderwijs inspeelt op deze nieuwe ontwikkelingen. Transparency International Het werk van de NGO Transparency International wordt breed uitgemeten in de website van deze criticaster van overheden en samenlevingen over de gehele wereld.9 Vanaf 1995 brengt deze NGO jaarlijks een Corruption Perceptions Index (CPI) uit waaruit is af te lezen hoe respondenten in ruim 150 landen de corruptie in eigen land ervaren (gemeten via expert panels en opinie-enquêtes). Nederland doet het goed in termen van corruptie en integriteit. De laatste index dateert van 2011. Op de site is veel informatie te vinden, zoals bijv. de antwoorden op de volgende vaak gestelde vragen: - Hoe definieer je corruptie - Wat is transparantie? - Wat doet Transparency International tegen corruptie? - Wat zijn de kosten van corruptie? - Kunnen de kosten van corruptie in cijfers worden uitgedrukt? - Waar komt corruptie het meest voor? - Hoe beïnvloedt corruptie het leven van burgers? - In wat voor soort omgeving gedijt corruptie? - Moet corruptie als normaal gezien worden in bepaalde landen, als een soort traditie? - Zijn democratie en corruptie (on)verzoenbaar? Transparency International, gevestigd in Berlijn, is erin geslaagd een belangrijke rol te spelen in de internationale beleidsontwikkeling. De producten van deze NGO worden breed gebruikt. Naast de al genoemde CPI (ook als gratis App te downloaden) zijn er producten met betrekking tot de rapportages van internationale bedrijven, etc. 10 Lof der twijfel: tussen absolutisme en relativisme Volgens de Amerikaanse socioloog Peter Berger en zijn Nederlandse collega Anton Zijderveld zijn we als individuen en als cultuur vast komen te zitten in het denken in tegenstellingen: ‘voor versus tegen’, waarbij het opvalt dat het mensen gemakkelijker afgaat ergens ‘tegen’ te zijn dan ‘voor’. Mensen die ergens ‘voor’ of ‘tegen’ zijn draven volgens hen gemakkelijk door en kiezen soms zulke radicale posities dat elke dialoog verstomt. Berger en Zijderveld9 Zie: http://www.transparency.org/policy_research/surveys_indices/cpi.10 O.a. op basis van een recensie door Hans Achterhuis, d.d. 17-04-2010. 21
  • 22. maakten samen een boek met als Engelse titel In Praise of Doubt , dat nu ook in het Nederlands vertaald is door Zijderveld zelf.11 Mensen hebben behoefte aan houvast, aan zekerheden en overtuigingen. Daar is niks mee (denk aan bijv. naastenliefde, democratie, mensenrechten, gelijke rechten, etc.), zolang dit maar niet ontaardt in absolutisme of relativisme. De beide sociologen richten hun pijlen op deze twee posities. Als alternatief presenteren zij ‘de lof der twijfel’ oftewel: ‘Hoe kunnen we (leren) overtuigingen te koesteren zonder fanatiek te worden.’ In de huidige samenleving is sprake van een grote verscheidenheid aan culturele, etnische en religieuze achtergronden. Dit kan gemakkelijk leiden tot een idee dat elk geloof of diepe overtuiging eigenlijk niet meer is dan een mening. Als meningen als gelijkwaardig naast elkaar worden geplaatst (dit is mijn mening, dat is jouw mening) kan dat ertoe leiden dat er van maatschappelijke kernwaarden geen sprake meer is. Dat martelen bijv. onaanvaardbaar is, is voor velen niet zo maar een mening. De gedachte dat het martelen in bepaalde situaties nuttig en nodig kan zijn, wordt door velen niet geaccepteerd. Het modernisme heeft veel oude (religieuze) waarheden op de helling gezet en ertoe geleid dat mensen gingen inzien dat er meerdere perspectieven bestaan, die elk voor zich een deel van de waarheid onthullen. Zolang deze perspectieven onderworpen zijn aan kritiek kan het goed gaan, is de redenering. Een perspectief (een uitleg, gezichtspunt, verklaring) blijft valide, zolang het tegendeel niet bewezen is. Zodra er echter kritiekloos meningen worden geventileerd waar geen enkele rechtvaardiging of onderbouwing bij gezocht wordt, ontaardt dit in relativisme, versplintering, onzekerheid en richtingloosheid. En dat kan gemakkelijk leiden tot allerlei vormen van fundamentalisme. Berger en Zijderveld laten overtuigend zien dat fundamentalisme in feite een modern verschijnsel is dat weinig heeft te maken met de traditionele manieren waarop geloofsovertuigingen in het verleden functioneerden. In feite wordt de traditie gebruikt als een manier om een scherp (en soms agressief) onderscheid te maken met ‘anderen’. Tussen beide posities (relativisme versus fundamentalisme/absolutisme) pleiten zij voor de tussenpositie van ‘methodologische twijfel’. Hierin zien zij ook de essentie van de democratische rechtsstaat. Ook al is het niet je eigen overtuiging, het kan zijn dat een ander toch gelijk heeft. Daarom is het goed dat rollen (wel regeren, niet regeren) kunnen wisselen en dat macht in principe gedeeld wordt. Peter Berger en Anton Zijderveld: Lof der twijfel – Hoe we overtuigingen kunnen koesteren zonder fanatiek te11worden. Cossee; 208 pagina’s; € 19,90. ISBN 978 90 5936 266 6. 22
  • 23. Box 5Ordnung und Vernichtung. Die Polizei im NS-StaatVaren op de ’wisdom of the crowds’ is, zo heeft degeschiedenis geleerd, niet altijd verstandig.In de zomer van 2011 was een tentoonstelling te zien in hetDuits Historisch Museum in Berlijn over de politie tijdens hetnaziregime. De tentoonstelling werd tot stand gebracht insamenwerking met de Deutsche Hochschule der Polizei teMünster.Bij de tentoonstelling verscheen een uitstekende catalogus,die na te bestellen is bij het museum dan wel dehogeschool.Een korte beschrijving van de inmiddels afgelopententoonstelling is te vinden in op de website van hetmuseum: http://www.dhm.de/ausstellungen/ordnung-und-vernichtung/index.html.Belangrijke vragen zijn: Wer waren die Männer und wenigen Frauen in der deutschen Polizei, diepolitische und weltanschauliche Gegner des Nationalsozialismus verfolgten und schließlichermordeten? Welche mentalen Voraussetzungen und strukturellen Bedingungen prägten dasVerhalten der Polizeiangehörigen, dass sie das NS-Regime hinnahmen, sich daran beteiligten undschließlich vielfach sogar zu Mördern wurden? Wer verweigerte sich den verbrecherischen Befehlen?Welche Motive waren dafür ausschlaggebend? 23
  • 24. 5 ● Economische tegenwind, armoede en segregatie Sedert 2008 is sprake van harde financieel-economische tegenwind in ons land en ver daarbuiten. De kredietcrisis heeft grote consequenties voor de banken, voor overheden, voor bedrijven maar ook vooral voor burgers. Bestaande verschillen tussen groepen mensen worden erdoor vergroot en de armoede neem toe. Groepen mensen vallen erdoor buiten de boot, verliezen hun vooruitzichten en raken geïsoleerd. Vooral in de grote steden gaan sociale en ruimtelijke segregatie hand in hand. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) tekenen samen voor het Armoede signalement 2011. In deze publicatie staan de meest actuele gegevens over armoede in Nederland te lezen. Het CPB en het SCP berekenen dat het armoedepercentage in ons land in 2010 niet afnam, terwijl de economie in dat jaar wel licht herstelde. Ongeveer 1 miljoen mensen moet het doen met een inkomen onder de armoedegrens.12 De cijfers over 2011 zijn nog niet beschikbaar, maar het ziet er naar uit dat de armoede in ons land toenam in 2011 en in 2012 verder zal gaan toenemen met naar schatting zo’n 60.000 huishoudens. Er zijn bepaalde categorieën mensen waar armoede relatief veel voorkomt. Van alle mensen onder de armoedegrens maakt 26% deel uit van een eenoudergezin met uitsluitend minderjarige kinderen. Van alle kinderen jongeren dan 18 jaar leeft op dit moment 1 op de 10 onder de armoedegrens. Ook blijken werkende armen relatief veel vaak zelfstandig ondernemer te zijn (dan wel ‘zelfstandige zonder personeel’). Niet verwonderlijk is dat mensen met een inkomen op of onder de armoedegrens vaker betalingsachterstanden en schulden hebben (1 op de 5). De ruimtelijke spreiding van mensen met een laag inkomen is erg ongelijk. Tussen gemeenten varieert het aantal huishoudens onder de armoedegrens tussen de 3,0 en de 14,3%. Hoe groter de gemeente, hoe groter het aantal mensen met een laag inkomen. De armoede concentreert zich daarmee in de vier grootste steden van ons land. Van alle huishoudens in Nederland woont 15 % in een van de vier grote steden. Van de huishoudens met een laag inkomen is dat echter bijna een kwart. Meer verbijzonderd leven in de grote steden relatief veel: mensen van een bijstands- of werkloosheidsuitkering; arbeidsongeschikten en gepensioneerden van een laag inkomen; niet-westerse allochtonen met een relatief laag inkomen. Kijken we naar de kinderen die in armoede leven, dan blijkt dat de armoede van kinderen van Marokkaanse of Turkse komaf (incl. overige niet-westerse landen) een stuk hoger ligt dan bij kinderen afkomstig uit landen in Oost-Europa. Het risico op armoede onder de kinderen uit Oost-Europa is echter niettemin toch nog 1,5 tot 2 keer zo hoog als bij kinderen uit de EU-15 en andere westerse landen, die geen groter armoederisico lopen dan Nederlandse kinderen.12Voor een alleenstaande is dat in 2010 940-1000 euro per maand (resp. criterium CPB en SCP). Voor eeneenoudergezin met twee kinderen resp. 1420 en 1510 euro. 24
  • 25. In de grote steden (en middelgrote steden) zijn het bepaalde wijken waar relatief veel allochtonen wonen, doorgaans de oudere buurten die dateren van voor of net na de Tweede Wereldoorlog. Sommige van deze buurten staan te boek staan als meervoudig problematisch en genereren veel media-aandacht. In elk van de vier grote steden zijn daarvan voorbeelden te noemen. Zoals Rotterdam zijn Spangen en de Millinxbuurt heeft, heeft Amsterdam de wijken Geuzenveld en …; Utrecht de wijken … Lombok en ….. , …. En Den Haag de wijken Transvaal en de Schilderswijk. Box 6 Prachtwerk Politie Haaglanden beschrijft het politiewerk in enkele Haagse wijken in Prachtwerk. Transvaal en Schilderswijk door de ogen van de politie (Salome, 2011). Hierin komt naar voren hoezeer de Haagse politie zich bewust is van het geglobaliseerde en multi-etnische karakter van de samenleving en van een tweedeling in de samenleving die steeds scherpere kantjes krijgt. ‘Op het kleine verzorgingsgebied van Bureau Heemstraat komt de hele wereldbevolking samen, inclusief haar politieke en religieuze en etnische tegenstellingen. Samenhang tussen wijkbewoners van verschillende komaf is er nauwelijks en de verbinding met de bredere Nederlandse bevolking laat te wensen over. Het is ieder voor zich, in een wereld op zich’ (pg. 12). Ogen op straat, oog voor elkaar In het ruimtelijk beleid voor de grote steden wordt ingezet op het mengen van functies (wonen, bedrijven, winkels, andere voorzieningen). Het idee achter functiemenging is dat dit tot ‘ogen op straat’ leidt en zo de leefbaarheid ten goede komt.13 Stadssociologe Talja Blokland deed onderzoek naar voorwaarden waaronder functiemenging kan bijdragen aan de veiligheidsbeleving. Zij vergeleek vier wijken in Rotterdam op dit punt: Hillesluis (voor WO2, relatief onveilig), Tussendijken (voor WO2, relatief veilig), Pendrecht (na WO2, relatief onveilig) en Lombardijen (na WO2, relatief veilig). Oog voor elkaar. Veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Talja Blokland, Amsterdam University Press, 2009. Gevoelens van onveiligheid hebben niet alleen te maken met risico’s van criminaliteit, maar vaker met algemenere gevoelens van onbehagen en onzekerheid. Veiligheid is dan ook meer een sociaal vraagstuk, dan een probleem van criminaliteitskansen. Blokland maakt voor wat betreft het alledaagse verkeer tussen mensen onderscheid tussen trust (vertrouwen), distrust (wantrouwen) en mistrust (geen inschatting kunnen maken van het gedrag van anderen). Centraal in haar onderzoek staat mistrust, het unheimische gevoel dat men zich ‘niet zo veilig voelt in deze wijk’, zonder daar nu precies de vinger op te kunnen leggen. Functiemenging leidt niet zonder meer tot sociale controle en informeel toezicht. Het beleid moet zich niet alleen richten op de gebouwde omgeving, maar ook gericht zijn op het voorkomen van indefensible space. Veel mensen blijken stelselmatig ‘weg te kijken’ en niet het risico te durven nemen zelf te reageren op of in te grijpen in situaties die ‘niet normaal’ zijn.13 Een idee dat al in 1961 verwoord is door Jane Jacobs in haar ‘Life and death of the great American cities’. 25
  • 26. Mensen hebben daarvoor een zekere ‘publieke familiariteit’ nodig en moeten elkaar kunnenervaren als ‘bekende vreemden’. Herkenning van anderen vanuit eerdere ontmoetingen,hoe oppervlakkig ook, kan bijdragen aan je thuis voelen, en daarmee aan veiligheid.‘Dagelijkse ontmoetingen’ zijn daarvoor belangrijk: in winkels, in winkelstraten, opschoolpleinen, etc. Een belangrijke vraag die Blokland stelt is hoe de overheid,woningbouwcorporaties, andere partijen (zoals winkeliers, professionals in buurten zoalsde wijkagent) en bewoners kunnen bijdragen aan de effectiviteit van functiemenging.Vuil en verloedering (‘broken windows theory’) zijn op zich volgens Blokland nietdoorslaggevend. Het probleem is meer dat ‘normale mensen’ niet meer op andere gewonemensen aankunnen. Trust en distrust geven beide zekerheid (vertrouwen is eenonderscheidend concept). Je weet met wie je wel of niet te maken moet willen hebben. Hetprobleem is meer dat er een algemeen gevoel van mistrust bestaat, dat mensen niet meer inanderen geloven, zich alleen voelen staan en de moed verliezen. Als instanties (politie,woningbouwcorporaties, winkeliersverenigingen, brede scholen) echter hun best doen omde wijk ‘schoon en heel’ te houden, is er al veel gewonnen. Een proactieve, wijkgerichtehouding van scholen, politie en andere diensten is van groot belang om ‘publiekefamiliariteit’ te ontwikkelen.Enkele adviezen van Blokland richting de politie luiden (pg. 259-260): toon altijd, onder alle omstandigheden, respect; voorkom respectloos machtsvertoon; vergroot de ‘etnografische competenties’ van politieambtenaren; neem de tijd om ‘rond te hangen’ op straten, pleinen en in winkels; focus op communicatie via ‘blauw op straat’, niet op ‘output’.Multi-etnische samenlevingDe laatste jaren is het onderwerp multi-etnische samenleving meer en meer beladengeworden. Het publieke debat wordt gekenmerkt door een scherpe toonzetting en heteenzijdig benadrukken van risico’s voor de veiligheid van ons land. Dat ons land ook veel tedanken heeft aan immigratie blijft grotendeels buiten beeld. En dat terwijl Nederland, alleenal door zijn ligging en positie in de wereldhandel, het juist sterk moet hebben vaninternationale contacten. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie is te lezen in Winnaars en Verliezers van Leo Lucassen en Jan Lucassen (Uitgeverij Bert Bakker, 2011). Met dit boek willen zij een tegengeluid geven tegenover de ‘integratiepessimisten’ als Bolkestein, Scheffer en Bosma. Hoewel de vestiging van nieuwkomers zeker tot hardnekkige problemen heeft geleid, heeft immigratie onze samenleving en in de immigranten zelf ook veel opgeleverd.Contacten maken en onderhouden met ‘unfamiliar strangers’ is niet eenvoudig, de afstandvaak te groot. Professionals, zoals een wijkagent, kunnen het zich niet veroorloven 26
  • 27. contacten te mijden. Om hun wijk te kennen, moeten ze wel netwerken opbouwen enonderhouden. Preventie berust op contact. Box 7 Schering en Inslag Janine Janssen, bekend van het landelijk expertisecentrum eergerelateerd geweld, had de eer haar nieuwe boek Schering en Inslag aan te mogen bieden aan de minister van Veiligheid en Justitie. Het boek is een studieboek over ‘netwerken’. Het bevat tips voor het opbouwen van en onderhouden van dergelijke relaties. Op de achterzijde is te lezen: De Nederlandse samenleving is voortdurend in beweging, migratiestromen dragen bij aan dit veranderlijke beeld. Politiemensen en andere professionals in de veiligheidszorg realiseren zich dat maar al te goed. In de beslotenheid van het politiebureau en/of kantoor zal het echter nooit lukken om op de hoogte te blijven van maatschappelijke tendensen. Ook kunnen professionals vanachter hun bureau niet achterhalen hoe de samenleving haar werkzaamheden waardeert. Daarvoor is nu eenmaal contact met mensen en organisaties in de samenleving nodig. Schering en Inslag. Enkele wenken voor politieambtenaren en andere professionals voor opbouw en onderhoud van netwerken in de multi-etnische samenleving. Boom Lemma Uitgevers, 2011. 27
  • 28. 6 ● Politie & partners De politie wordt steeds meer gezien als onderdeel van een veel omvangrijker netwerk van ‘veiligheidspartners’. In de zgn. bestuurlijke aanpak betekent dit dat de politie actief samenwerkt met gemeentelijke diensten, de belastingdienst, energiemaatschappijen, e.d. De kern van de samenwerking betreft het delen van informatie. Praktijkervaringen leren dat de effectiviteit van overheidsinstanties hiermee kan toenemen, maar ook wordt onderkend dat dit soms op gespannen voet staat met opvattingen over gegevensbescherming en privacy. In dit hoofdstuk worden ingegaan op de bestuurlijke aanpak in het veiligheidsbeleid. Omdat de Nederlandse politie niet als enige organisatie actief is op het brede veld van veiligheid, niet de enige noodhulpbiedende en handhavende organisatie is, noch de enige opsporingsinstantie, is samenwerken met geëigende partners (in binnen- en buitenland) een must. Daarbij kunnen zich dilemma’s voordoen, in termen van integriteit, prioriteit of doelmatigheid, doelstellingen en haalbaarheid, methoden van werken, effectiviteit en rechtmatigheid, etc. Uiteindelijk is het de staat die taken op het terrein van de rechtshandhaving verdeelt en activiteiten coördineert en verantwoording aflegt over resultaten. In hoofdstuk 4 is reeds gesproken over intelligence en de noodzaak van professionele vorming. De Nederlandse politie is ten eerste verbonden met de territoriale autoriteit van de Nederlandse staat en met de rechten van Nederlandse staatsburgers. De invloed en verantwoordelijkheid houdt echter niet op bij de landsgrenzen, daarvoor is ons land te zeer onderdeel van wereldomvattende relatienetwerken en transacties. De politie heeft daarmee ook taken die voortvloeien uit de extraterritoriale verantwoordelijkheden van de Nederlandse staat, en is daarenboven gehouden supranationale of intergouvernementele kaders van wet- en regelgeving te kennen en toe te passen. Een belangrijk voorbeeld betreft het zgn. mensenrechtenregiem. Emergo Op 26 mei 2011 werd het uitgebreide eindrapport Emergo van de gelijknamige projectgroep gepresenteerd. Er werden toespraken gehouden door minister Opstelten en door Cyrille Fijnaut die tekende voor een samenvatting van werkzaamheden en deelrapporten. Het project was gericht op een gezamenlijke aanpak van de zware (georganiseerde) misdaad in het hart van Amsterdam (postcodegebied: 1012). Het gebied is aantrekkelijk voor het internationaal toerisme. In het rapport zijn achtergronden te lezen over de aard van de zware criminaliteit in dit gebied en wordt verslag gedaan van een gezamenlijke aanpak van gemeente, politie (korps Amsterdam Amstelland), Openbaar Ministerie en Belastingdienst. Met vereende krachten was in 2006 besloten om op te gaan treden tegen de voortgaande vermenging van boven- en onderwereld. De aandacht ging daarbij vooral uit naar de prostitutiebranche, het lagere segment van het hotelwezen en de coffeeshops. De aanpak combineerde bestuurlijke, stafrechtelijke en fiscale maatregelen om de verwevenheid van ‘goed en kwaad’ terug te dringen. Een belangrijk probleem was het ontbreken van een samenhangend beeld van de problematiek. Bovendien was er het probleem van de onderlinge samenwerking. Hoe kon een effectieve, rechtmatige manier van rechtshandhaving worden versterkt? Emergo werd opgezet als een proefproject met als voornaamste doelstelling dat betrokken overheidsinstanties leren beter en effectiever samen te werken in hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid de zware (georganiseerde) misdaad te bestrijden. Het zou moeten leiden tot een model dat elders toegepast zou kunnen gaan worden. Het gebied werd onderzocht vanuit vier invalshoeken: criminologisch, geografisch, economisch en ‘personeel’ (criminele sleutelpersonen). Beschikbare databestanden werden gekoppeld en gekeken werd of een handmatige manier geëvenaard of verbeterd zou kunnen worden door een methode van ‘data mining’. Het daadwerkelijke optreden werd georganiseerd langs drie lijnen: (1) bestuurlijke, fiscale en politiële rechtshandhaving (toezicht, controle, sluiting); (2) 28
  • 29. gericht strafrechtelijk onderzoek en (3) fiscale interventies (naheffingen na controle of strafrechtelijk onderzoek). Emergo biedt inzicht in de complexiteit van samenwerking bij bestuurlijke handhaving (juridisch, organisatorisch, technisch) en hoe daarmee om te gaan. Volgens Fijnaut is echter ook het beleid van ruimtelijke herinrichting van groot belang, omdat op deze manier als vanzelf de criminogene infrastructuur wordt ingeperkt. Minister Opstelten complimenteerde de projectgroep als volgt: “…. Uiteindelijk zijn alle deelnemende partijen aan Emergo erin geslaagd over hun eigen schaduw heen te stappen. En met resultaat! Men heeft scherp aan de wind gezeild en bewust de grenzen opgezocht van wet- en regelgeving. En wat blijkt: wat de uitwisseling van informatie betreft kan en mag véél meer dan professionals in de opsporing in eerste instantie denken.“ Het rapport is uitgegeven bij Boom, Amsterdam, maar kan vrijelijk worden geraadpleegd via het Internet. Box 8 Politie rolt ondergronds bankiersnetwerk op De politie in Amsterdam heeft met de arrestatie van negen mensen een ondergronds bankiersnetwerk opgerold. In november werden in een wasserette in de Javastraat zes mannen aangehouden. Ze worden verdacht van deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van drugsgeld, waarbij de wasserette als dekmantel werd gebruikt. Elders werden nog drie mannen aangehouden. Ook is vorige week 800.000 euro aan contant geld in beslag genomen. Het onderzoek begon in mei. Sindsdien zijn in totaal dertig mensen gearresteerd, onder wie negen Britten. Diverse winkels in de straat maakten deel uit van het netwerk. De politie nam in totaal meer dan 5,3 miljoen euro contant geld in beslag. Daarnaast werd nog beslag gelegd op 100 kilo hard- en softdrugs, meerdere woningen, autos en kostbare sieraden met een totale waarde van 6,5 miljoen euro. Het onderzoek laat volgens de politie zien dat de georganiseerde misdaad in de hoofdstad gebruikmaakt van een ondergronds bancair systeem. Hierbij gebruiken criminelen een netwerk van bankiers en koeriers dat betalingen faciliteert tussen drugscriminelen zonder dat dat administratief te herleiden valt naar de betrokkenen. Nu.nl 6 december 2010. Europol In juni 2011 kwamen Europese politiechefs bijeen om te praten over de toekomst van de georganiseerde misdaad en de uitdagingen die dit met zich meebrengt voor de internationale politiesamenwerking.14 Tevens werd het nieuwe hoofdkwartier van Europol in Den Haag ingewijd. Deze nieuwe locatie wordt gezien als een mijlpaal om Europol beter op de kaart te zetten als Europese politiemacht. Europol is opgericht in 1993 en is van meet af aan gevestigd in Den Haag, maar nu dan in een nieuw en eigentijds gebouw. Het is de bedoeling van de Europol leiding om voortaan elk jaar een dergelijke samenkomst te organiseren, de eerstvolgende in mei of juni 2012. In Europol staat de strijd tegen de internationale georganiseerde criminaliteit en terrorisme voorop. Primair gaat het om de uitwisseling van criminal intelligence tussen de politieapparaten van de EU lidstaten, EU law enforcement agencies en ‘derde landen’ in geval van grootschalig politieoperaties. Steeds meer krijgt Europol ook een operationeel karakter en dient het als een platform waar diverse partijen samen afspraken kunnen maken over gezamenlijke opsporingsactiviteiten.14 Zie ook: Zicht op internationalisering. Politieonderwijsraad, januari 2010. 29
  • 30. Tijdens de conferentie werd ten eerste de huidige situatie besproken, de stand van zaken van het internationale politiewerk en de opsporingsthema’s die met meer of minder succes worden bestreden. Hoewel er grote vooruitgang is geboekt bij het delen van informatie en gezamenlijk onderzoek, leiden budgettaire beperkingen tot noodzakelijke prioriteitsstelling. Gegeven het conservatieve en reactieve karakter van de politie, leidt tot het risico van blinde vlekken. Cybercrime en fraude zijn hiervan een goed voorbeelden. Op deze terreinen loopt de politie voortdurend achter, qua techniek, maar vooral ook qua (internationale) wet- en regelgeving. De vooruitgang die wordt geboekt, is veelal te danken aan praktijkmensen die met elkaar slimme methoden ontwikkelen. Om een adequate strategie te ontwikkelen voor de komende jaren moet rekening gehouden worden met demografische ontwikkelingen in de wereld, met grote economische verschillen en met de snelle ontwikkeling van Internet en gerelateerde technologieën. Geopolitieke onrust in de wereld komt daar nog eens bij. Al met al leidt dit tot grote migratiebewegingen (legaal, maar vaak ook illegaal), handel in gestolen of nagemaakte goederen en gevaarlijk afval en een groot risico dat dataverkeer gecorrumpeerd wordt. Ondertussen reageren wetgevende instanties traag en ongecoördineerd en duren rechtszaken soms zo lang dat er nauwelijks een afschrikwekkend effect van uitgaat. Geconcludeerd wordt dat “a more innovative approach is required, with greater emphasis on disruption, prevention and problem solving” (conferentieverslag, pg. 2). Verdergaande samenwerking tussen de politie en andere handhavings- en opsporingsinstanties is nodig om een adequate aanpak te ontwikkelen met betrekking tot cybercrime en economische criminaliteit. Ook intensivering van de samenwerking met partijen in de private sector, NGO’s en de wetenschap is daarvoor nodig. Binnen EU verband is het van belang dat agentschappen als Europol, Frontex, SitCen en ENISA verder gaan samenwerken bij het opstellen van dreigingsanalyses.15 Daarbij moeten de deelnemende landen expertise bijeen brengen en investeren in tools and training. Bij de verdere ontwikkeling van veiligheidsbeleid moeten risico’s en dreigingen op wereldschaal worden onderkend; misdaad werkt ook op wereldschaal. De private sector heeft hier ook grote belangen. Door bedrijven actief te informeren over de veiligheidsstrategie van de EU, kan er meer worden samengewerkt bij het opsporen en tegengaan van zwakke plekken in legale (en meer en meer digitale) markten. Dit brengt met zich mee dat de EU investeert in de opbouw van handhavings- en opsporingscapaciteiten in landen buiten de EU. Tegelijkertijd kan de samenwerking met de eigen burgers verder versterkt worden door nieuwe Internetdiensten, zoals de social media. Het andere grote thema dat is besproken betreft de strijd tegen het terrorisme. Er is een proces gaande van fragmentatie van terroristische en extremistische groeperingen, waarmee opsporing steeds lastiger wordt. Het ideeëngoed wordt gemakkelijk verspreid via het Internet. Het verschijnsel van de ‘lone wolf’ terroristen en extremisten is helemaal moeilijk te bestrijden. Door wereldomvattende migratiestromen is het lastig hier vat op te krijgen. Wel blijkt het in diverse EU landen tot groeiende sociale spanningen te leiden en uitingen van geweld tegen immigranten. De kansen en de gevaren van de virtuele wereld moeten beter onderkend gaan worden: ‘the virtual world will be a tool, a target and a weapon’ (verslag, pg. 10). Om terrorisme en extremisme effectief tegen te gaan moeten samenlevingen gericht inzetten op de-radicalisering en preventie. Dat is niet alleen een kwestie van de politie, daarvoor is ook een inzet nodig vanuit het onderwijs en de media.15Frontex is de Europese grenspolitie. SitCen (Joint Situation Centre van de EU), ENISA (Europees Agentschapvoor netwerk- en informatiebeveiliging). De Europese Commissie heeft aangegeven te streven naar een EuropeesCybercrime Centrum dat in 2013 operationeel moet zijn. Europese landen zullen hier samen de strijd aangaan metinternetcriminaliteit. Het gaat dan om praktijken als hacken, kinderporno, fraude, terrorisme en virussen. Nu.nl 5januari 2011. 30
  • 31. Box 9We willen nérgens meer last van hebben …..In het stadsarchief van Amsterdam was in het najaar van 2011 de tentoonstelling Pers en politie inAmsterdam te bezoeken. Hoofdauteur van het gelijknamige boek is de Rotterdamse hoogleraarHenri Beunders die in NRC van 20 november 2010 hieraan een essay wijdt, waarvan hieronder eenimpressie.Volgens Beunders is de tolerantie voor ‘overlast’ zo sterk afgenomen in ons land, en de roep omrepressie, camera’s en wijkverboden zo sterk, dat het beschavingsoffensief dat begon rond 1870 nuin zijn tegendeel dreigt te gaan verkeren. De berichtgeving is zwaar overdreven, en niet alleen in deTelegraaf, als meest notoire law and order krant. Hoewel de strandrellen in Hoek van Hollanddramatisch waren, blijkt volgens Beunders, dat het hier veeleer gaat om een afwijking in een meeralgemeen patroon waarbij geweld in de publieke ruimte eerder af- dan toeneemt. Maar, hoewel hetgeweld afneemt, neemt de opwinding erover almaar toe.Al sedert 1870 is de grootste ergernis van de burgerij de baldadigheid van jongeren. En ook nuweer. Over de grondbeginselen van de rechtsstaat of proportionaliteit spreekt amper iemand, debehoefte om afwijkend gedrag aan te pakken is te groot. Volgens Beunders moeten de oorzakenvooral gezocht worden in migratie en op- en neerwaartse mobiliteit van grote groepen mensen. Datbrengt de burgerij in paniek. ‘Men voelt zich omsingeld en probeert op alle mogelijke manieren deafstand tot ‘de ander’ te markeren, te herstellen. Beunders ziet parallellen tussen het einde van de e19 eeuw (het begin van het moderne, mobiele Nederland), de jaren ’30 (Jordaan oproer), de‘twintigjarige stadsoorlog’ (1965-1985, met name in Amsterdam), en de huidige tijd(amerikanisering, multiculturaliteit, drugs).Beunders meent dat de maatschappelijke balans, een gezonde verhouding tussen plicht, moraal envrijheid, verstoord is. Dit kan tot onvoorspelbare geweldsuitbarstingen leiden. In de zoektocht naareen herstel van deze balans, zou de aandacht echter niet eenzijdig uit moeten gaan naar ‘baldadigegooiers van bloembollen’ te Gouda, door de Telegraaf gekopt als ‘Straattuig heer en meester inGouda’.Baas Openbaar Ministerie ziet heil in schandpaalDe nieuwe baas van het Openbaar Ministerie Herman Bolhaar wil dat daders van kleine criminaliteiteen werkstraf krijgen in de buurt waar ze in de fout zijn gegaan. De schandpaalstraf moet al binneneen paar dagen na de aanhouding worden opgelegd en niet pas na weken. Volgens Bolhaar wordtmet de snelle aanpak in eigen buurt een signaal afgegeven dat misdaad niet loont. De snellewerkstraffen zijn bedoeld voor onder meer fietsendieven, vandalen en voor daders van anderekleine vergrijpen. Graffitispuiters moeten bijvoorbeeld als onderdeel van een straf een muurschoonmaken.Een proef met de aanpak in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag en Den Bosch is goedverlopen. "De helft van de aangeboden zaken werd al volgens de nieuwe methode afgedaan. Debedoeling is dat deze aanpak snel landelijk wordt uitgerold." Nu.nl 27 mei 2011 31
  • 32. 7 ● Strategische agenda’s regulier onderwijs Begin december 2010 presenteerde minister Van Bijsterveldt van OCW het Actieplan Beter Presteren. De minister gaf aan de prestaties van het onderwijs te willen verhogen door de nadruk meer te leggen bij de ‘kernvakken’. Helemaal nieuw was het beleid niet, al enige tijd zijn er zorgen over het ‘niveau van het onderwijs’. Vanuit de sociale wetenschappen klinkt flinke kritiek op ‘het onderwijs’ en het onderwijsbeleid. In dit hoofdstuk wordt zowel aandacht besteed aan recente beleidsontwikkelingen, als aan de kritiek vanuit (sociaal) wetenschappelijke hoek. In deze paragraaf worden enkele recente nota’s en plannen op een rijtje gezet met betrekking tot het reguliere onderwijs, meer in het bijzonder het MBO en het Hoger Onderwijs. Op de achtergrond van deze nieuwe initiatieven is er de noodzaak tot forse bezuinigingen, zoals verkend door middel van een aantal commissies in de periode najaar 2009 tot voorjaar 201016, wat zijn neerslag vond in de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen (TK verkiezingen) en later in het Regeerakkoord (zie bijlage 1). De lat moet omhoog In een toespraak aan het Stedelijk Gymnasium in Nijmegen ter gelegenheid van de opening van het nieuwe schooljaar in het voortgezet onderwijs, stelde de minister dat kennis van taal en rekenen de zuurstof van het onderwijs is. Volgens haar moet de lat omhoog, vooral in vakken als Nederlands, Engels en wiskunde in het voortgezet onderwijs, en taal en rekenen op de basisschool. De leerlingen die volgend voorjaar examen gaan doen, moeten al voldoen aan zwaardere eisen. Om het diploma havo of vwo te kunnen ontvangen, mag er maar één vijf op de lijst staan voor de vakken Nederlands, Wiskunde en Engels. Het risico dat het onderwijs zal verschralen door deze sterkere nadruk op de ‘kernvakken’, wuift de minister weg: "Natuurlijk gaat het op school niet alleen om kennis van taal en rekenen; onderwijs heeft ook een vormende taak. Maar vorming vindt niet in het luchtledige plaats, daar heb je taal en rekenen voor nodig. Bij rekenen en wiskunde gaat het bijvoorbeeld niet alleen om het beheersen van formules, maar ook om leren abstract te redeneren. Door te leren lezen gaan er nieuwe werelden open." Naar schatting van de Onderwijsraad zouden scholen tot maximaal een derde deel van de onderwijstijd moeten besteden aan de kernvakken. Dat laat, volgens de minister, genoeg ruimte voor andere vakken. Bovendien, zo stelt zij, heeft het onderwijs ook zelf gevraagd om meer duidelijkheid waar het gaat om het te bereiken niveau en mede om die reden is het wettelijk vastgelegd17: “Nu moeten we ook zorgen dat dat gehaald wordt, en daar zijn die toetsen voor. Niet als doel op zich, maar om zicht te krijgen op wat leerlingen kunnen en wat nog niet, en om daarop te kunnen inspelen. Scholen die dat goed doen, boeken in vergelijkbare omstandigheden betere resultaten dan andere." De minister vroeg in december 2010 de Onderwijsraad om advies over het Actieplan Beter Presteren. Daarbij werden de volgende doelen (ter toetsing) aangegeven: - Nederland wil een hogere plaats gaan innemen in de kennisranglijst van landen, zoals periodiek wordt opgesteld door de Organisatie voor Economische Samenwerking en ontwikkeling (OESO) de gegevens worden geleverd door het jaarlijkse PISA - onderzoek, waaraan overigens steeds meer landen deelnemen; - terugbrengen van het aantal uitstroomprofielen havo en vwo van 4 naar 218;16 Zie overzicht in de SR van juni 2010 (Kiezen én Delen).17 Wet Referentiekaders Taal en Rekenen.18 Een voornemen waaraan een bezuiniging van 50 miljoen euro is gekoppeld. 32
  • 33. - havo -scholieren dienen te allen tijde examen te doen in het vak wiskunde, ongeacht hun profiel;- er moet meer aandacht komen voor de leerprestaties van excellente leerlingen; die krijgen nu te weinig aandacht.Eind augustus 2011 reageerde de Onderwijsraad op het voornemen om het aantal profielenin havo en vwo terug te brengen van vier naar twee. De Raad vindt het om inhoudelijkeredenen geen goed plan en betwijfelt bovendien sterk of het wel tot meer doelmatigheid zalleiden. Veel scholen bieden al gecombineerde profielen aan (natuur & techniekgecombineerd met natuur & gezondheid bijv.). Het loslaten van de profielstructuur zouvolgens de Raad kunnen leiden tot vakkenpakketten die nadelig zijn voordoorstroomkansen naar het hoger onderwijs, vooral technische studierichtingen zoudendaar de dupe van kunnen worden. Eigenlijk zou eerst een zorgvuldige discussie gevoerdmoeten worden over het gehele kennisaanbod dat leerlingen maatschappelijk nodig hebben,voordat er structuurmaatregelen worden genomen. Box 10 Doorlopende leerlijnen vanuit het VO? Wie zich verdiept in de onderwijs- en examenprogramma’s van het voorgezet onderwijs (het funderend onderwijs) kan zien met welke kennisbasis studenten het politieonderwijs binnenkomen. Inzicht in deze ‘bagage’ is van belang om er goed op te kunnen aansluiten, er gebruik van te maken en daardoor tot een sneller en adequater begrip te komen van de specifieke uitdagingen waarvoor de politie zich gesteld ziet. Van elke vorm van vervolgonderwijs mag dit verwacht worden. Waar vakken / leerlijnen doorlopen is dit in belangrijke mate geborgd via het aanbod van leermiddelen. Dit is minder het geval in middelbare beroepsopleidingen, waar de oriëntatie op de specifieke kenmerken van het beroep de praktijk zelf is. De kennisbasis waarmee studenten het politieonderwijs binnenkomen verdient bekendheid onder het onderwijsgevend personeel van de Politieacademie. Immers, van elke docent mag verwacht worden dat deze zich verdiept in de ‘beginsituatie’ van de student. De kennis die studenten meenemen wordt toegepast in een specifieke beroepsmatige setting; nieuwe begrippen worden waar nodig toegevoegd.De Verenigde Naties: beleid opwereldschaal, vast onderdeel van decurricula van het basis- en voorgezetonderwijs. 33
  • 34. Hoger Onderwijs In augustus 2011 verscheen de nota Kwaliteit in Verscheidenheid van het ministerie van OCW. In deze nota wordt de strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap gepresenteerd. De agenda kijkt vooruit tot het jaar 2025 en stelt concrete doelen voor het jaar 2016, het jaar waarin de huidige kabinetsperiode afloopt. In belangrijke mate bouwt de strategische agenda voort op eerdere rapporten en adviezen, waaronder het advies van de commissie Veerman, een advies van de Sociaal Economische Raad en een advies van een speciaal voor de gelegenheid opgerichte Werkgroep Profilering en Bekostiging. Deze adviezen en rapporten zijn als bijlage opgenomen in de nota.19 Naast de nota is tevens een advies van de Onderwijsraad interessant omdat hierin diverse punten van kritiek staan verwoord.20 De hoofddoelen van de nota staan hieronder vermeld. - onderzoek, onderwijs en ondernemerschap zijn onlosmakelijk verbonden en samen dragen zij de internationale positie van ons land; van het hogeronderwijsstelsel vergt dit internationale allure; - ondernemers, onderzoekers, docenten en studenten moeten meer uitgedaagd worden te excelleren: ‘de lat moet omhoog’ en het studieklimaat moet strenger; - er moeten scherpere keuzes gemaakt worden; om Nederland innovatiever, ondernemender en concurrerender te maken is focus nodig (9 topsectoren); - kwaliteitsborging is noodzakelijk; er mag geen twijfel zijn over de diplomakwaliteit; - het niveau van docenten moet omhoog, vakinhoudelijk en qua didactiek; het onderwijs wordt intensiever met meer contacturen en een betere verhouding tussen het aantal studenten en docenten; ook moet het aantal gepromoveerde docenten in het vo en het hbo flink omhoog; - studenten moeten beter begeleid worden bij de keuze van hun studie en bij hun studievoortgang; afstuderen binnen de gestelde norm wordt normaal; - het onderwijs aan hogescholen is verweven met praktijkonderzoek en er wordt intensief samengewerkt met het bedrijfsleven en met universiteiten; - associate degree programma’s worden breed ingevoerd als opstap naar een betere functie of naar een hbo bachelor; - vwo’ers moeten een hbo bachelor in drie jaar kunnen halen; met een jaar extra zou zo een hbo master gehaald moeten kunnen worden; - het onderwijs aan de universiteit wordt sterker gericht op academische vorming en daagt studenten uit ingewikkelde vraagstukken vanuit verschillende perspectieven te benaderen; de verwevenheid van onderzoek en onderwijs wordt versterkt; - universiteiten ontwikkelen een scherper, eigen profiel om in internationaal verband uitstraling en reputatie te verwerven/ te behouden. Zwakke punten die snel moeten verbeteren zijn: - de studie-uitval is te hoog; talent worden te weinig uitgedaagd; - er is te weinig flexibiliteit in het systeem; - de kwaliteit moet over de volle breedte omhoog; - het opleidingsaanbod is te versnipperd; er is te weinig focus en profilering; - er zijn te weinig opleidingen voor excellente studenten; illustratief is dat het aandeel vwo’ers in het hbo is afgenomen tot 9%; - het onderwijs is te weinig verbonden en verweven met het onderzoek; - het opleidingsniveau van docenten in het vo en hbo is te laag.19 Respectievelijk gaat het om: Differentiëren in meervoud. Advies commissie Toekomstbestendig HogerOnderwijs Stelsel, April 2010; Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap.20 Onder andere neemt de Raad afstand van het voornemen om het aantal uitstroomprofielen op havo en vwo vanvier terug te brengen naar twee. 34
  • 35. NLQF In Europees verband is besloten dat alle EU-landen vanaf 2012 hun opleidingsstelsels koppelen aan een gezamenlijk Europees Kwalificatiekader bestaande uit acht niveaus. In Nederland zal hiervoor een landelijk coördinatiepunt worden opgericht waar onderwijsinstellingen hun voorstellen voor ophanging aan de niveaus kunnen melden. Het is de bedoeling dat instellingen niet zelf gaan bepalen op welk niveau een bepaald diploma zich bevindt. Daarvoor zullen criteria worden gehanteerd. Ook opleidingsstelsels die niet onder de vlag van het ministerie van OCW varen, kunnen langs deze weg een erkende niveauaanduiding verwerven die in heel Europa begrepen kan worden. Box 11 Defensie bachelors en masters? De NVAO heeft vastgesteld dat het onderwijsniveau van de Nederlandse Defensie academie (NLDA) vergelijkbaar is met een universitaire opleiding. Accreditatie van een opleiding is echter ook afhankelijk van de zelfstandigheid van een opleidingsinstituut. . Defensie overweegt de NLDA om te vormen tot een stichting. Hiermee zou tegemoet gekomen worden aan een wens van de Tweede Kamer, die hierover een motie steunde van D66. Nu.nl 22 november 2010. Onderwijskritiek Vanuit de sociale wetenschappen wordt met regelmaat gereflecteerd op het onderwijs, doorgaans als onderdeel van een meer omvattende maatschappij- of cultuurkritiek. Waar enkele decennia geleden het onderwijs nog verweten wordt ‘op te leiden tot gehoorzaamheid’ en ‘another brick in the wall’, klinken tegenwoordig heel andere geluiden. Enige jaren geleden was het Neil Postman die het onderwijs verweet op te voeden tot niets21; vandaag de daag kunnen we lezen dat het onderwijs de talenten van generaties kinderen verspilt en een levensstijl aanleert waarin mensen uiteindelijk aan hun lot worden overgelaten, tot op het bot verwend en niet langer in staat gezag te herkennen, laat staan te erkennen.22 De Rotterdamse filosoof Henk Oosterling meent dat er een keuze gemaakt moet worden tussen ‘Thrills or Skills’.23 Hij baseert zich onder andere op het werk van Richard Sennett die een pleidooi voert voor ambachtelijk leren. Zoals vroeger de leerling het ambacht leerde van een meester en jarenlang gedisciplineerd werd in een vak, moeten mensen van nu (die van alle markten thuis lijken te zijn), opnieuw leren op een ambachtelijke manier te leren en zich te ontwikkelen. Volgens Sennett zijn mensen tegenwoordig losgeraakt van de realiteit omdat ze bij voortduring kiezen voor gemak. Het credo van nu is dat het gemak de mens dient, wat zich bijv. uitdrukt in de toenemende gebruiksvriendelijkheid van apparaten. De mens is primair een consument geworden, een klant die zich verbeeldt koning te zijn.21 Neil Postman (1995). The end of education. Redefining the value of school. New York, Alfred A. Knopf.22 Frank Furedi (2009) Wasted (vertaald in het Nederlands (2011): De terugkeer van het gezag. Waarom kinderen nietsmeer leren. Meulenhoff. Theodore Dalrymple (2011) Spoilt Rotten. The toxic cult of sentimentality. Gibson SquareBoos ltd. Zie ook: Frits Spangenberg & Martijn Lampert (2009, 2011). De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd vanhun opvoeders. Nieuw Amsterdam.23 Zie www.henkoosterling.nl onder andere over Rotterdam Vakmanstad. 35
  • 36. Ondertussen holt de zelfredzaamheid in tal van opzichten achteruit. Juist in het onderwijs zouden kinderen weer moeten leren hun best te doen en moeten ervaren dat leren gepaard gaat met ‘moeite doen’. Pas na langdurig en gedisciplineerd oefenen kunnen mensen expertise verwerven. Sennett verwijst daarbij graag naar zijn eigen ervaringen als cellist.24 In Nederland is het gedachtegoed van Sennett aangeslagen, zoals ook blijkt uit de recente bundel Beroepstrots als programma.25 Veiligheid is één van de kernwaarden van een samenleving en in veel opzichten een voorwaarde voor persoonlijke ontwikkeling en voor maatschappelijke welvaart. De politie speelt vanzelfsprekend een belangrijke rol en politieonderwijs draagt daaraan bij met opleidingen en kennis. Echter, ook in het reguliere onderwijs is veiligheid een kernwaarde, lang mogelijk voorondersteld, maar tegenwoordig meer en meer expliciet benoemd. Het regulier onderwijs is in veel opzichten te beschouwen als een voorportaal van het politieonderwijs. Daarom is het van belang goed op de hoogte te blijven welke ontwikkelingen hier plaatsvinden. Box 12 Risicotaxatie met Prokid Politie en Justitie hebben in toenemende mate te maken met kinderen jonger dan 12 jaar die betrokken zijn bij ernstige misdrijven. Straffen is niet goed mogelijk vanwege de leeftijd. Wel is het mogelijk om vroegtijdig problemen te signaleren. Politie Gelderland-Midden heeft daartoe een taxatiesysteem ontwikkeld onder de naam Prokid. Met behulp hiervan wordt vroegtijdige signalering van (ernstig) overlastgevend gedrag of kleinere vergrijpen verbeterd en kan verder afglijden worden voorkomen. Lieke van Domburg promoveerde op de ontwikkeling van deze categorie kinderen. Zij onderscheidt twee groepen: belhamels en een zorgwekkende groep. De laatste categorie heeft een sterk vergrote kans om als volwassene het boevenpad op te gaan. Er is veel aan de hand met deze kinderen: gedragsproblemen, leerachterstanden, gezinsproblemen, uithuisplaatsingen. De kans op recidive is groot. Bron: Blauw, 4 december 2010.24 Onlangs verzorgde Sennett in Amsterdam een lezing met de titel Out of Touch. Te downloaden opwww.premsela.org.25 Thijs Jansen, Gabriel van den Brink & Jos Kole (2009). Beroepstrots. Een ongekende kracht. Amsterdam. Boom. 36
  • 37. 8 ● Kennis en kennisoverdracht Onder de paraplu’s van het veiligheidsvraagstuk, het veiligheidsonderzoek, het veiligheidsbeleid en het veiligheidsonderwijs gaan tal van ‘spelers’ schuil. De noemer veiligheid is enorm veel omvattend en de vraagstukken die eronder gerekend worden zijn complex en vragen om begrip vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines. Bovendien blijkt veiligheid in toenemende mate verbonden te zijn met veelomvattende processen als digitalisering of globalisering. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de betekenis van ‘kennis van veiligheid’. Vanuit diverse disciplines wordt aan deze kennis bijgedragen. Sommige disciplines zijn zelfs ten volle aan veiligheidsvraagstukken gewijd, zoals de criminologie. In de politiekunde wordt relevante kennis vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines benut om te komen tot een beter begrip en een betere aanpak van het politiewerk en wat daar aan werkprocessen, thema’s en urgente vraagstukken toe behoort. Veiligheid vergt samenwerking Met de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat en het centraal plaatsen van de belangen van burgers, is veiligheid een andersoortig thema geworden. Waar vroeger wellicht alleen het belang van de elite telde en de rest ‘er onder gehouden’ moest worden, gaat het tegenwoordig om de belangen en de beleving van burgers. Via enquêtes en andersoortig onderzoek wordt bekeken hoe burgers hun veiligheid ervaren. Als vanzelfsprekend richt het beleid van tegenwoordig zich op het borgen en waar nodig verbeteren van de veiligheid van burgers. Sommige burgers dragen niet bij aan veiligheid of ondermijnen deze juist. Wie dat zijn en hoe daarop kan worden ingegrepen is een belangrijke taak van het openbaar bestuur, zeker voor wat betreft de publieke ruimte. Waar burgers zelf een bijdrage dienen te leveren door geen onverantwoorde risico’s te nemen, hun eigen bezit (huis) te beveiligen, wordt van bedrijven en instellingen eenzelfde inspanning verwacht. Zowel huizen als bedrijfspanden zijn in toenemende mate beveiligd en voorzien van beveiligingsapparatuur. Economisch is dat van belang gebleken en inmiddels verdienen tienduizenden mensen hun boterham in de veiligheidssector. In de publieke ruimte blijft echter het openbaar bestuur verantwoordelijk. Het bestrijden van overlast door omwonenden of buurtgenoten kan niet aan burgers alleen worden overgelaten. Inroepen van de hulp van de sterke arm blijkt niet altijd een werkzaam recept. De politie is geen wonderdoener en kan alleen effectief opereren als ‘de samenleving’ ten volle meewerkt aan de borging en bevordering van veiligheid. Veiligheid is daarmee een thema dat een ieder in de samenleving raakt en eerder opgevat moet worden als een maatschappelijke opdracht, dan als de specifieke taakopdracht van deze of gene overheidsinstantie. Kennis van veiligheidsvraagstukken is per definitie multidisciplinair van karakter. Wie daar beroepsmatig een belangrijke rol in speelt, heeft baat bij een probleemgerichte ontsluiting van deze kennis, goed gedoseerd en passend bij het beroep dat uitgeoefend wordt. Dit vergt enerzijds zicht op beroepsspecifieke taken en vraagstukken en anderzijds wat daaraan kan worden bijgedragen vanuit een meer algemene kennisbasis. Sommige wetenschappers slagen erin bij te dragen aan het slaan van bruggen tussen beroepspraktijken en kennisgebieden, maar er zijn ook kennisplatformen die dit als kerntaak zien. Deze signaleringsrapportage geeft in de bijlagen 2, 3 en 4 een korte impressie van recent verschenen politiekundige literatuur. In bijlage 2 zijn uitgaven van de commissie Politie en Wetenschap vermeld, alsmede een beknopt overzicht van publicaties van de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie (SMVP). 37
  • 38. Box 13SMVP publicatieprijsAl enige jaren kent de SMVP een prijs toe aan een publicatie die in een bepaalde periode eruit springt.De criteria voor toekenning van de prijs zijn direct afgeleid van de doelstellingen van de stichting. In denieuwsbrief van 11 juli 2011 is te lezen dat er een shortlist is samengesteld voor de PublicatieprijsSMVP 2011 (u kunt zich via de website van de SMVP hierop abonneren: www.smvp.nl).Een voorbereidingscomité, de zogenoemde leesploeg, heeft onder leiding van dr. Janine Janssendeze shortlist opgesteld. Meer dan 180 titels van publicaties die de afgelopen twee jaar zijnverschenen, zijn verzameld en gelezen. Alle boeken die op deze longlist staan, zijn door de auteurszelf of door derden aangemeld, al of niet naar aanleiding van de oproep die de SMVP via haarNieuwsbrief heeft gedaan. Ook zijn uitgeverijen en vakbibliotheken gevraagd titels aan te leveren.De shortlist van genomineerde publicaties is ontstaan na beoordeling op objectieve criteria en teldeuiteindelijk vijf titels: - Jaco van Hoorn, Sturen op vertrouwen. Goed leidinggeven aan goed politiewerk, Amsterdam: Boom, 2010. - Richard Staring & José Aarts, Jong en illegaal. Een beschrijvende studie naar de komst en het verblijf van onrechtmatig verblijvende (voormalige) alleenstaande minderjarige vreemdelingen en hun visie op de toekomst, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2010. - I. Helsloot, R. Pieterman & J.C. Hanekamp, Risico’s en redelijkheid. Verkenning van een rijksbreed beoordelingskader voor de toelaatbaarheid van risico’s, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2010. - Ton Nabben, High Amsterdam. Ritme, roes en regels in het uitgaansleven, uitgegeven in eigen beheer, 2010. - Peter van Koppen, Overtuigend bewijs. Indammen van rechterlijke dwalingen, Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2011.De genomineerde boeken zijn medio 2011 in handen gegeven van een vijfkoppige jury onder leidingvan prof. mr. Ybo Buruma. Na rijp beraad heeft de jury een winnaar vastgesteld, te weten:Op 23 november jl. heeft Van Koppen de prijs in ontvangstgenomen uit handen van prof. mr. Pieter van Vollenhoven,voorzitter van de SMVP. De jury karakteriseerde het boekmet woorden als ‘deskundig, prikkelend, aantrekkelijkgeschreven, belangwekkend voor de gehele keten en inhet bijzonder de politie waar de keten veelal start’.Van Koppen bepleit dat er meer in alternatieve scenario’smoet worden gedacht bij de opsporing in plaats van allesop alles te zetten om te bewijzen ‘dat hij of zij het gedaanheeft’. Hoewel de rechtsgang niet goed vergeleken kanworden met wetenschap of de wetenschappelijke methode,kan de methodiek om te komen tot waarheidsvinding enovertuigend bewijs (beyond a reasonable doubt)aanmerkelijk verbeterd worden. De bijeenkomst had hetkarakter van een conferentie met diverse sprekers uit dekringen van het openbaar ministerie, de advocatuur en derechterlijke macht.De titel van de bijeenkomst: Hoe voorkom je gerechtelijke dwalingen? Vanuit de opsporing spraklector Christianne Poot, sinds enige tijd verbonden aan de Hogeschool van Amsterdam en dePolitieacademie (lectoraat Forensische Opsporing). 38
  • 39. Daarnaast is het van belang kennis te nemen van de diverse adviesorganen van derijksoverheid (zie bijlage 3). Bekende voorbeelden zijn het Sociaal Cultureel Planbureau, hetCentraal Planbureau, de Onderwijsraad, etc. Veel van de publicaties van dezeadviesorganen bereiken de werelden van de professies niet of slechts gefragmenteerd. Voorzover rapporten en adviezen een directe betekenis hebben voor het politiewerk zouden deze‘vertaald’ moeten worden richting de professie. In de bijlagen bij dezesignaleringsrapportage zijn enkele rapporten en adviezen (zeer) kort samengevat. Bij elkaargenomen kan zo een beeld ontstaan van de onderwerpen die beleidsmatig uitgedieptworden en wat het karakter is van de beleidsvragen op het brede terrein van veiligheid.In bijlage 4 zijn tenslotte rapporten en adviezen van de Inspectie Openbare Orde enVeiligheid (IOOV) en de Onderzoeksraad voor de Veiligheid vermeld. De IOOV voertdivers onderzoek uit naar het functioneren van de politie en de bredere veiligheidssector.Deels gaat het hier om cyclisch, periodiek onderzoek; soms zijn er incidenten die ertoeaanleiding geven. Bij grootschalige veiligheidsincidenten (zoals recent de Moerdijk brand)wordt ook onderzoek uitgevoerd door de Onderzoeksraad voor de Veiligheid. Rapportenvan de IOOV worden consequent onder de aandacht van de Politieonderwijsraad gebracht.De Politieacademie als kenniscentrumDe Politieacademie is behalve een opleidingscentrum voor de politie ook eenkenniscentrum. Evenals de onderwijstaak, is de kennistaak wettelijk verankerd. Mogelijkzal deze verankering verder versterkt worden door aan de Politiekennisraad een wettelijkeadviespositie toe te kennen, analoog aan die van de Politieonderwijsraad. De kennisfunctievan de Politieacademie heeft een tweeledig karakter, aan de ene kant werkzaam tenbehoeve van (de verdere ontwikkeling van de) politiepraktijk, anderzijds werkzaam tenbehoeve van (de verdere ontwikkeling van) het politieonderwijs. Toepassing vanwetenschappelijke inzichten en methoden op de kernvraagstukken van het politievak en hetpolitieonderwijs kan in belangrijke mate bijdragen aan de kwaliteit ervan. Onderzoek datwordt uitgevoerd dicht op een beroeps- en organisatiepraktijk en de effectiviteit ervan, kande brug slaan tussen die beroepspraktijk en wetenschappelijke kennis, inzicht enmethodieken. Praktijken die bewezen werkzaam zijn verdienen gerichte aandacht in hetonderwijs; onderwijsgevend personeel dient ervan op de hoogte te zijn. Beter nog ware hetdat onderwijsgevend personeel betrokken is bij wetenschappelijk onderbouwd ontwikkel-of evaluatieonderzoek. Zeker in een duidelijk afgebakende, herkenbare organisatie vanprofessionals (in opleiding) is de borging van een eigenstandige kennisfunctie van grootbelang en van groot belang om aandacht te schenken in de komende maanden waarin hetwettelijke en beleidsmatige kader aangaande de politiesector wordt heroverwogen. Ook dePolitieonderwijsraad kan hierover spreken in eigen kring en standpunten innemen,waarmee bijgedragen kan worden aan de besluitvorming.Biografie en perspectief van een AgoraBernard Welten, Auke van Dijk en Frank Hoogewoning, alle drie zeer nauw betrokken bijde opstelling van de visienota Politie in Ontwikkeling (2005) hebben hun ervaringen met deverdere ontwikkeling en verspreiding van dit gedachtegoed uitgewerkt in het boek‘Dienstbaar aan de rechtstaat. Biografie van een agora’ (Boom, 2011).Welten heeft als korpschef van Amsterdam Amstelland zich op diverse manieren ingezetvoor een professionele dialoog over de aard en de toekomst van het politievak. Hetkoepelbegrip werd gevonden in de Griekse agora, het marktplein van de vrij meningsuiting.Voorgesteld wordt om deze hoofdstedelijke ervaringen nu door te zetten naar het nationaleniveau: een landelijke agora voor meningsvorming en kennisontwikkeling over hetpolitievak. Qua programmering worden vier hoofdlijnen voorgesteld: (1) SecurityOrganization, (2) Intelligence en Investigation, (3) Policing of Communities, (4) Policing Time &Space. De Engelse titels benadrukken dat de Nederlandse politie het debat over hetpolitiewerk ook moet zoeken in internationaal verband. 39
  • 40. Box 14Kennis van en voor de politieOp vrijdag 30 september jl. sprak criminoloog Cyrille Fijnaut zijn afscheidscollege uit aan deUniversiteit van Tilburg. Hij ging met name in op het verschijnsel van de financieel-economischemisdaad. Het onderzoek hieromtrent schiet sterk tekort. De titel van zijn rede luidt: Terugblikken envooruitblikken op een leven in de wetenschap. In zijn rede legt Fijnaut uit hoe vier waarden(creativiteit, openbaarheid, grondigheid en dienstbaarheid) hebben doorgewerkt in de manier waarophij zijn leven in de wetenschap heeft vormgegeven. Hierop volgend stelt hij enkele vraagstukken aande orde die van groot belang zijn verder te onderzoeken: de feitelijke werking van destrafrechtspleging, de strategische rol van de politie en het probleem van de financieel-economischecriminaliteit. De rede is uitgegeven door Uitgeverij Intersentia in Antwerpen (ook te leen in demediatheek van de Politieacademie).Gewoon bijzonder of bijzonder gewoon? Dit is de titel van de lectorale rede die Arie de Ruijteruitsprak op 3 oktober 2011. De Ruijter heeft een lange academische carrière achter de rug en heeftveel onderzoek- en praktijkervaring op de terreinen van de bestuurskunde enleiderschapsvraagstukken. Momenteel is hij decaan van de faculteit geesteswetenschappen aan deUniversiteit van Tilburg. Leiderschap, zeker bij de politie, staat voor een meervoudig, veelomvattenden complex fenomeen. Een overzicht van soms zeer uiteenlopende noties over leiderschap is nieteenvoudig te geven. Toch blijkt, bijv. vanuit de antropologie of de geschiedenis, hoe belangrijkleiderschap is en hoe vanzelfsprekend. Kennelijk kunnen groepen, organisaties en samenlevingen nietzonder. Aan de andere kant zijn er de voorbeelden van corrumpering en machtsmisbruik. Eenalledaagse definitie luidt: het proces om anderen te beïnvloeden tot samenwerking om doelstellingente bereiken. Zo gesteld, toont leiderschap zich in het alledaagse werk van de politie. Leiderschapbeperkt zich daarmee niet tot de ‘bovenlaag’, maar is integraal onderdeel van het vak, volgens DeRuijter.Sinds enige tijd kent de Politieacademie een lector Politiegeschiedenis, Guus Meershoek. Dezeschrijft hierover het volgende: Kort voordat de Nederlandse politie naar het zich laat aanzien in een nationaalkorps gaat worden samengevoegd, heeft de Politieacademie een lectoraal Politiegeschiedenis opgericht. Die stap isniet toevallig. De nieuwe start betekent dat de politie alle opgebouwde expertise en ervaring overboord zet. Eenprofessionele organisatie beschikt over kennis van het eigen verleden, van eerder beproefde methoden, van heteigen succes en falen. Het nieuwe lectoraat gaat deze kennis borgen, uitdragen in het politieonderwijs en dooreigen onderzoek verdiepen. De eerste afspraken over de participatie in het onderwijs en het opzetten vanonderzoeksprojecten zijn reeds gemaakt. Door middel van een nieuwsbrief zoekt het lectoraat bovendienaansluiting bij de academische geschiedbeoefening en bij het onderzoek naar de politiegeschiedenis in hetbuitenland, in het bijzonder Duitsland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten./ In de komende maanden zalhet lectoraat worden versterkt met ene programmamanager en zullen naar verwachting de gesprekken over deinbedding van de politiegeschiedenis in de bestaande onderwijsprogramma’s tot een goed einde worden gevoerd.Zie ook box 6.Het lectoraat van het eerste uur Openbare Orde en Gevaarsbeheersing (lector Otto Adang,programmamanager Wim van Oorschot) timmert al langer aan de weg om de verbinding te makentussen onderzoek en onderwijs. Een recent project betreft de toepassing van de peer review methodein het kader van crowd management. Dit is niet alleen voor de politiepraktijk van belang, maar ookvoor het onderwijs: inhoudelijk (crowd management zelf) en qua methode (peer review). Zie o.a.Blauw, 19 november 2011, pg. 6-9.Op 18 november jl. sprak Wynsen Faber, lector Financieel-economische Criminaliteit aan dePolitieacademie zijn lectorale rede uit met de intrigerende subtitel ‘Financieel-economischecriminaliteit. We kunnen niet zonder!’’. Of het nu gaat om verzekeringsfraude, fraude met vastgoed,oneigenlijke declaraties, zwart geld, creditcardfraude, skimmen, heling, financieel-economischecriminaliteit manifesteert zich overal waar sprake is van geldverkeer. Niet alleen personen kunnen erslachtoffer van worden, maar ook bedrijven en instellingen en stelsels (zoals ‘de sociale zekerheid’).Faber wil met zijn lectoraat bijdragen aan de aanpak van het verschijnsel van de financieel-economische criminaliteit vanuit drie belangrijke invalshoeken: (1) ten eerste het slachtofferschap ende motivatie er tegen op te treden; (2) belangrijke vraagstukken waar politie en het openbaarministerie mee van te maken hebben als ze willen optreden tegen deze vorm van criminaliteit die(helaas) relatief weinig aandacht krijgt (waarvan kennis van zaken een heel belangrijke is); (3) demaatschappelijke beginselen die leidend (dienen te) zijn bij die aanpak. Uiteraard is veel financieel-economische criminaliteit niet gemakkelijk waar te nemen (het ‘dark number’). Alleen met eengezamenlijke inspanning van politie, het bankwezen, de AFM, het OM, de Belastingdienst, de FIOD ende AIVD is voortgang te boeken in termen van kennis, overdracht en onderzoek. 40
  • 41. 9 ● Gewoon overleg leert al anders, de afstemmingsfunctie van de Politieonderwijsraad In april 2011 nam de Politieonderwijsraad afscheid van zijn eerste voorzitter, prof. dr. Han Leune. Ter gelegenheid hiervan werd een bundel opgesteld met de titel Gewoon overleg leert al anders. In deze bundel wordt teruggeblikt op de acht jaar Politieonderwijsraad en op het politieonderwijs: zoals het was, zoals het is, en zoals het kan gaan worden. Onder leiding van de nieuwe voorzitter, prof. dr. Frans Leijnse, sprak de Politieonderwijsraad op 17 juni 2011 over de contouren van een nieuw programma voor de jaren 2012-2015, niet echter zonder ook naar het verleden te hebben gekeken. Gewoon overleg leert al anders kan heel wel opgevat worden als een evaluatie van de Politieonderwijsraad door het opdrachtgevend ministerie, door leden en oud-leden van de Raad. In meerdere bijdragen wordt de werkwijze van de POR onder de loep genomen en hoe daaraan leiding is gegeven door Han Leune. Achterin het boek zijn de rapporten en adviezen van de Raad vermeld. Enkele hoofdpunten uit Gewoon overleg zijn als volgt samen te vatten: - De betekenis van goed overleg tussen het ministerie (beleidsbepalend), de Politieacademie (uitvoerend) en binnen de Politieonderwijsraad (adviesorgaan van de minister, afstemmingsplatform tussen stakeholders en uitvoerder). - De evaluatie van het werk van de Politieonderwijsraad vanuit het perspectief van het ministerie: Ambities zijn waargemaakt; onafhankelijk; draagt bij aan kwaliteit; gerichte aandacht voor doelmatigheid, voor duaal onderwijs, en de aansluiting tussen regulier en politieonderwijs. - Het belang van een stevig en helder ontwerp bij de vernieuwing van het politieonderwijs vanaf 2002: samenhangend stelsel; het belang van draagvlak; extra aangezet en uitvergroot model, om weerstand aan te kunnen; parallel lopende trajecten van onderwijsvernieuwing en wetgeving. - De herijking van de beroepsprofielen van de politie vanuit de perspectieven van het openbaar bestuur en het openbaar ministerie: gedeeld belang van intelligence; de noodzaak van een ongedeelde politiefunctie; het belang van differentiatie in de opleidingen: politieman/- vrouw, rechercheur, leiding. - De relatie tussen de politiebonden en het politieonderwijs, in historisch en hedendaags perspectief: duurzaam; blijvend betrokken, alert; perspectief van een ‘leven lang leren’. - De aansluiting tussen politieonderwijs en regulier onderwijs: samenhang vergt samenwerking; politieonderwijs en ander veiligheidsonderwijs; belang van sectorbrede ‘body of knowledge’. - De noodzaak van responsief politieonderwijs en het beleid van de Politieacademie: Versterking politieprofessie; Burgers eisen beter blauw; ‘verblauwing van de Academie’. - Het belang van een gecombineerd onderwijs- én kennisinstituut: Praktijkoriëntatie, Samenhang onderwijs- en kennisfunctie; Lectoren. - Blauw vakmanschap waarvoor het functioneren in de praktijk het ijkpunt vormt: project summatieve evaluatie, de opzet, uitvoering en het perspectief op langere termijn. - Tenslotte is er de internationale dimensie en de vraag hoe het Nederlandse politieonderwijs vergeleken kan worden met het politieonderwijs in andere landen: competentiesystematiek, competentieprofielen. 41
  • 42. Stakeholders De bundel laat zien dat er meerdere stakeholders van het politieonderwijs zijn. Niet alleen de politieorganisatie is belanghebbend, dit geldt ook voor het openbaar bestuur, het openbaar ministerie, de vakorganisaties en het reguliere onderwijs. Gewoon overleg tussen stakeholders kan een solide basis vormen voor kleinere of grotere koerswijzigingen. Ongedeelde adviezen bieden eenduidig houvast voor beleid. Een goede verstandhouding met en het serieus nemen van signalen van stakeholders biedt de Politieacademie een goed aangrijpingspunt voor tussentijdse bijstellingen van curricula. Vanzelfsprekend is het functioneren van politiemensen in de praktijk een belangrijk ijkpunt voor het politieonderwijs en de evaluatie daarvan. Met betrekking tot het overleg over benodigde kennis, vaardigheden, attitudes en de competentiegerichte toepassing in de politiële beroepspraktijk worden in de inleiding op de bundel vier categorieën waarden benoemd met elk een eigen legitimiteit: professionele, rechtstatelijke, bedrijfsmatige en humane beginselen. Kwaliteitsopvattingen met betrekkingen tot het werk en de kwalificatie van professionals vragen om een balans tussen elk van deze vier beginselen. Politieonderwijs vanaf 2008: meer variëteit en doelmatigheid, maar met behoud van kwaliteit Vanaf 2008 ging het politieonderwijs een nieuwe fase in. Het stelsel was in 2006/2007 geëvalueerd en solide bevonden. Wel was er meer behoefte aan flexibiliteit. Daarnaast was er de ‘kredietcrisis’, waardoor er meer aandacht uitging naar ‘doelmatigheid’. Er weren vragen gesteld of het politieonderwijs niet wat goedkoper kon en of er niet wat beter samengewerkt zou kunnen worden de veiligheidsopleidingen (beveiliging, toezicht en handhaving) binnen het reguliere onderwijs. In het voorjaar van 2009 ging de commissie Hilarides van start, die in maart 2010 het advies ‘Perspectieven op politieonderwijs. Kwaliteit, variëteit en doelmatigheid’ opleverde. In aansluiting hierop zal de huidige commissie Vellinga op korte termijn rapporteren over het perspectief om tot een verdergaande variatie van leerwegen te komen binnen het politieonderwijs. Ook de noodzakelijke her- en nascholing van zittend personeel in de korpsen komt daarbij aan bod. In september 2009 startte het toenmalige ministerie van BZK het programma ‘Visie herziening politieonderwijs’, waarbinnen meerdere projecten werden opgezet met betrekking tot de verkorting van het politieonderwijs, een betere samenwerking met het reguliere MBO (dat uitmondde in het project VESPORO26) en een project over de bekostiging van het politieonderwijs. In het regeerakkoord 2010 is vermeld dat de regering voornemens is om aspiranten niet langer een salaris te bieden tijdens de opleiding, maar een bijdrage in de kosten van levensonderhoud (zie agendapunt 7 van de agenda). Wettelijk kader In 2003 is de nieuwe Wet op het LSOP en het politieonderwijs in werking getreden. Toen in 2005 de commissie Leemhuis de ministers van BZK en Justitie adviseerde over de toekomst van het politiebestel, bleven de Politieacademie en het politieonderwijs om begrijpelijke redenen buiten beschouwing (het kader was immers nog maar 2 jaar van toepassing en leerervaringen waren er nog amper). Het perspectief van deze commissie, een nationale politie, werd door de sector zelf niet gedeeld.27 Het wetgevingstraject dat in de loop van 2008/2009 werd ingericht, sloot aan op de eerste instantie een landelijk dienstencentrum getekend, waarvan aanvankelijk, naast de inmiddels gevormde Voorziening tot26 Versterking Samenhang Politieonderwijs en Regulier Onderwijs. Dit project resulteerde in het zgn. doorstroomprogrammaHRV/Politie, waarover in maart 2011 bestuurlijke afspraken zijn gemaakt en in september 2011 tot nieuwe opleidingen.27 Wel werd, mede gevoed vanuit ‘Politie in Ontwikkeling’, het nieuwe visiedocument van de Nederlandse politie, door desector zelf een ‘Voorziening tot samenwerking Politie Nederland’ opgezet waarin bestaande voorzieningen als het NPI, ICTvoorzieningen en enkele andere diensten bij elkaar werden gebracht. 42
  • 43. Samenwerking, ook de Politieacademie onderdeel uit zou gaan uitmaken. Mede door de valvan het laatste kabinet Balkenende kwam dit wetgevingstraject niet voorbij de Raad vanState.Het huidige kabinet heeft zich voorgenomen een nationale politie te realiseren, onderleiding van een nationale politiechef, welke inmiddels als ‘kwartiermaker’ is benoemd. DePolitieacademie zal onderdeel uitmaken van het politiebestel. De Politieonderwijsraad heeftop 22 april 2011 een brief gestuurd aan de minister waarin diverse aandachtspunten zijnaangereikt met betrekking tot de positie van de Politieacademie en het politieonderwijs (welbinnen het politiebestel, niet binnen de uitvoeringsorganisatie Nederlandse politie). Dezebrief komt qua inhoud grotendeels overeen met een eerder advies van de Raad: ‘Kwaliteit inPartnership’ (september 2009).Landelijk functiebouwwerk / CAOOndertussen heeft Politie Nederland een nieuw, gemeenschappelijk en versoberdfunctiegebouw gereed, dat wacht op implementatie en zijn er onderhandelingen gaandeover een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst voor de Nederlandse politie. Onderwijsen scholing spelen bij beide onderwerpen een belangrijke rol. De Politieonderwijsraad zal insamenwerking met de directie HRM van de Nederlandse politie de verbinding tussen derecent vastgestelde politiële beroepsprofielen en het functiebouwwerk moeten borgen.Positie PolitieonderwijsraadDe Wet op het LSOP en het politieonderwijs en de bijbehorende memorie van toelichtingbevatten de wettelijke kaders met betrekking tot het werk van de Politieonderwijsraad.Heroverwegingen met betrekking tot het wettelijk kader kunnen ook de positie en functievan de Politieonderwijsraad raken. In de discussie over de toekomstige rol van de Raad isde laatste maanden vooral ingezoomd op de zgn. afstemmingsfunctie van de Raad Deafstemmingsfunctie is niet bij wet gedefinieerd. De memorie van toelichting geeft aan datdit zo gedaan is, om partijen in de Raad de ruimte te geven alle voor hen relevanteonderwerpen van het politieonderwijs ter bespreking in te brengen. Omdat de POR eenongedeeld orgaan is (advies- én afstemmingsorgaan) kan ook de Politieacademie lid zijnvan de Raad.Het lidmaatschap van de Politieacademie is gemotiveerd vanuit de afstemmingsfunctie. Inde Politieonderwijsraad treft de Politieacademie haar stakeholders en kunnen in principealle relevante onderwerpen (in de ogen van de Politieacademie, dan wel de stakeholders)worden geagendeerd. De praktijk leert dat de Politieacademie nauw betrokken is bij deopstelling van adviezen. Toch is het de Raad in zijn adviesfunctie, die hiervoor deverantwoordelijkheid draagt. Het zou merkwaardig zijn, als de Politieacademie alsuitvoeringsorganisatie adviezen opstelt over de eigen budgettaire en beleidsmatige kaders.Evenmin kan de Politieacademie zelf de volle verantwoordelijkheid dragen voor deevaluatie van de eigen processen en producten. In de Raad vindt de Politieacademie hetplatform waar op horizontale wijze verantwoording kan worden afgelegd en raadingewonnen kan worden over het eigen onderwijsbeleid. Met steun van de Raad staat dePolitieacademie sterk in de schoenen. 43
  • 44. Jaarwisseling 2010/2011De leden van de Politieonderwijsraad ontvangen jaarlijks een bescheiden presentje tergelegenheid van de jaarwisseling.In december 2010 was dat een dvd over 100 jaar geschiedenis van deFBI, het Federale onderzoeksbureau van de Verenigde Staten. Dedvd laat zien hoe de FBI is ontwikkeld en welke markante thema’seen rol speelden in de geschiedenis van dit bureau. Ook geeft de dvdeen indruk van de organisatie van de Amerikaanse politie- enjustitiefunctie en op welke punten bevoegdheden verschillen van dievan de Nederlandse politie.De FBI speelt een grote rol in tal van filmproducties. De discrepantiemet het ‘echte werk’ is echter groot. De FBI heeft echter ook zelfgeïnvesteerd in film- en tv-producties om het imago van de diensthoog te houden, c.q. op te vijzelen als dat nodig was, onder hetmotto: image is reality.De omvang van de FBI wordt nog wel eens overschat. In totaal gaat het om 12.600 specialagents op een bevolking van rond de 300 miljoen. De FBI was lange tijd geen organisatievoor vrouwen. Vooral in de jaren negentig nam het aantal vrouwelijke agenten snel toe,naar men zegt vooral veroorzaak door de film Silence of the Lambs. Waar de strijd tegen degeorganiseerde misdaad vanaf de jaren 1920 bovenaan de agenda van de FBI staat, komenna de Tweede Wereldoorlog daar (het onderzoek naar) politieke moorden bij en vanaf dejaren ’80 de strijd tegen het terrorisme. 44
  • 45. Bijlage 1 ● Regeerakkoord 2010 ‘Vrijheid en verantwoordelijkheid’VVD en CDA zijn een (concept) regeerakkoord overeen gekomen, dat op een viertal onderdelen overlapt met eengedoogakkoord van beide partijen en de PVV. In totaal telt het regeerakkoord 12 hoofdonderdelen. Mogelijkrelevante punten worden hieronder samengevat.Hoofdonderdeel Regeerakkoord Gedoog- akkoord1. Bestuur - het aantal ministeries daalt; n.v.t. - oprichting infrastructuurautoriteit; - onverkorte handhaving van de territoriale integriteit van het Koninkrijk; - strengere straffen voor gewelddadige misdrijven met een discriminatoire achtergrond.2. Buitenland - sterkere coördinatie op extern beleid; n.v.t. - bevordering internationale stabiliteit en veiligheid, internationale rechtsorde; - deelname aan (civiel -militaire) missies waar mogelijk financieren uit budget OS; - krijgsmacht is volwaardige partner in strijd tegen drugs, terrorisme, illegale immigratie en piraterij.3. Economie - EZ wordt Economie, Landbouw en Innovatie; n.v.t. - Nederlandse agrofood sector heeft rol in beleid t.a.v. vrede en stabiliteit; - groen onderwijs blijft aan de sector gekoppeld; - hogere eisen aan dierenwelzijn: illegale handel in exotische diersoorten wordt effectiever bestreden; dierenmishandeling wordt harder aangepakt, o.m. door 500 animal cops (dierenpolitie); er komt een apart alarmnummer voor dieren in nood en dierenmishandeling (1-1-4).4. Financiën Begrotingsevenwicht in 2015, budgettaire sanering en economisch herstel. Oplopend tot 2015: 18,3 miljard aan ombuigingen, waarvan 6,1 miljard op de overheid zelf (‘kleinere overheid’). Per 2015 onder de noemers: algemene taakstelling departementen en ZBO’s 4,5%; bevriezing lonen in collectieve sector (m.u.v. zorg): 870 miljoen; nationale politie 80 miljoen; politieonderwijs 60 miljoen; aspiranten bij politie en KMAR ontvangen niet langer een salaris dan wel bijdrage in hun kosten voor levensonderhoud; opleidingsduur wordt bekort aan de PA; invoering nieuwe functie politietoezichthouder; = agent met minder (gewelds-) bevoegdheden: 30 miljoen per 2015; regionale omgevingsdiensten (milieutoezicht- en handhaving): 100 miljoen; MBO: 310 miljoen; HO: 520 miljoen.5. Gezondheid - stelselherziening jeugdzorg, overheveling taken naar gemeenten, w.o. n.v.t. jeugdreclassering, jeugdbescherming; - kleine horecagelegenheden worden vrijgesteld van rookverbod.6. Immigratie - restrictief en selectief migratiebeleid, intensivering controle en handhaving, w.o. nieuwe informatiesystemen, uitwisseling gegevens en technieken voor identiteitsvaststelling; illegaal verblijf wordt strafbaar: eerdere uitzetting van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen; hard optreden tegen mensensmokkel; intrekken tijdelijke verblijfsvergunning bij niet slagen voor inburgeringsexamen (uitzonderingen mogelijk); inwoners van Turkije gaan vallen onder de inburgeringsplicht; hogere eisen bij gezinsmigratie; tegengaan schijnhuwelijken en huwelijksdwang; verbod op huwelijk tussen neven en nichten; polygame huwelijken worden niet erkend; hoge eisen aan toetreding van Roemenië en Bulgarije tot Schengen; - beëindiging diversiteits- /voorkeursbeleid o.b.v. geslacht en etnische afkomst; - meldcode cultureel bepaald huiselijk geweld en kindermishandeling; - kleding: algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding zoals boerka’s; politie en leden van de rechterlijke macht mogen geen hoofddoek dragen. - intensivering: extra capaciteit bij IND en vreemdelingenpolitie; uitbreiding politieliaisons bij ambassades; intensiveren grenscontroles.7. Infrastructuur - maximum snelheid omhoog naar 130 km/u; geen kilometerheffing; n.v.t. - veiligheid in OV wordt verbeterd; aangiften werknemers in OV worden overgenomen door werkgevers; - wijziging omgevingsrecht en algemene wet bestuursrecht (soberder, moderner)8. Onderwijs Algemeen: n.v.t. 45
  • 46. meer structuur en focus op kennis; aansluiting tussen verschillende vormen van onderwijs wordt verbeterd; efficiencykorting op adviesraden en instituten, terugdringen bestuurlijke drukte en overbodige stapeling van instituties; voortzetting versterking leraarschap; jongeren op alle niveaus voorbereiden op een meer internationale arbeidsmarkt. Hoger Onderwijs: beurs alleen nog in bachelorfase; sociaal leenstelsel in masterfase; verbetering doelmatigheid kennisinfrastructuur (tegen versnippering, bevordering samenwerking), bezuinigingen op lang-studeerders. MBO versterking ondernemerschap en aansluiting op arbeidsmarkt; selectieve doorstroom MBO / HBO mede o.b.v. centrale examinering kernvakken; vereenvoudiging kwalificatiestructuur, versterking en intensivering doorlopende leerlijnen, bredere organisatie kenniscentra; bestrijding diploma-inflatie door versterking onafhankelijk examinering en CE voor kernvakken; leeftijdsgrens: 30 jaar voor bekostiging.9. Ouderenzorg Er komt een meldplicht oudermishandeling.10. Veiligheid Overlast, agressie, geweld, criminaliteit: meer preventief fouilleren; meer cameratoezicht; strengere aanpak risicojongeren, aansprakelijkheid ouders; voortzetting, verdere ontwikkeling van veiligheidshuizen; kraakverbod; strenger regiem bij gewelds- en zedendelicten en bij overlast en criminaliteit die verband houden met prostitutie en drugshandel; zwaardere straffen bij geweld tegen politie, brandweer, ambulancepersoneel e.a.; strafdienstplicht, adolescentenstrafrecht; minimumstraffen bij herhaalde zware misdrijven; meer mogelijkheid tot beslaglegging; beter onderscheid tussen ‘verdediging in eigen huis’ en ‘eigenrichting’. Politie: nationale politie, 10 regio’s; hieraan gaan op: de regionale korpsen, het KLPD, de VTSPN en de PA; burgemeester blijft verantwoordelijk voor openbare orde, capaciteitsinzet voor lokale taken en vergunningenbeleid; aanpassing Politiewet (30880); intensivering uitbreiding operationele sterkte met 3000 agenten, w.o. 500 animal cops; uitbreiding recherche en justitiële keten; meer inzet krijgsmacht bij gecombineerde teams; bonnenquota verdwijnen; meer prioriteit op lokale knelpunten in buurten en wijken; - verbetering aanrijdtijden; vereenvoudiging aangiften en betere terugkoppeling; duur van de opleiding van de politie wordt beperkt met behoud van kwaliteit; meer ruimte voor vakmanschap bij de politie; doorberekening veiligheidskosten bij incidentele vergunningsplichtige commerciële evenementen; dynamisch systeem van maximumsnelheden; 130 km/u op autosnelwegen; intensivering controles als verkeersveiligheid in het geding is; bredere inzet automatische nummerplaatherkenning. Informatie effectiviteit toets inzake opslag, koppeling en verwerking persoonsgegevens; meldplicht misbruik personeelsgegevens; integrale aanpak cybercrime.11. Werk en - meer/ betere afspraken tussen werkgevers en werknemers over scholing en n.v.t.sociale zekerheid langdurige inzetbaarheid ( = voorwaarde voor algemeen verbindend verklaren van CAO’s); - AOW-leeftijd gaat naar 66 jaar.12. Wonen n.v.t. n.v.t. 46
  • 47. Bijlage 2 ● Publicaties Politie & Wetenschap en SMVP. Juni 2010 t/m juni 2011. 28In volgorde van publicatie.Politie & Wetenschap is een wetenschappelijk onderzoeksprogramma dat zich specifiek richt op de politiefunctie.Het programma is ondergebracht bij de Politieacademie, maar de uitvoering ervan is onafhankelijkgepositioneerd. Er zijn twee reeksen publicaties, de reeks Politiekunde en de reeks Politiewetenschap.Reeks politiekundePoortwachters van de politie. Meldkamers in dagelijks perspectief. J. Kuppens, E. Bervoets, H. Ferwerda.M.m.v. A. Nieuwenhuis, A. Besselink, E. Stel. Bureau Beke, COT en Politie en Wetenschap. Nr. 31. (juni2010).De meldkamer heeft een stormachtige ontwikkeling achter de rug op beleidsmatig, organisatorisch en functioneelgebied. Vreemd genoeg is hiernaar weinig (wetenschappelijk) onderzoek naar verricht. Deze studie voorziet indeze lacune. Het onderzoek laat zien dat de meldkamer - en hierbinnen de centralist - een spilfunctie vervult ende complexiteit is toegenomen. Er moet veel geschakeld worden, er is veel informatie en er zijn veel contacten.De centralist fungeert als filter. Ook komen er steeds meer geïntegreerde meldkamers, d.w.z. met de brandweeren ambulancezorg gecolloceerd. De spilpositie van de centralist roept vragen op (techniek, inbedding in deorganisatie). Ook wordt het fenomeen ‘pseudo-meldkamer’ behandeld.Civiele politie op vredesmissie. Uitzendingen van Nederlandse politiefunctionarissen. H. Sollie,Universiteit Twente. Nr. 33 (juli 2010).In deze studie worden - voor het eerst - de ervaringen van de ca. 40 Nederlandse civiele politiemensen, zoalsdeze betrokken zijn bij diverse vredesmissies (Servië, Soedan, Afghanistan) beschreven.Omdat de werkomgeving complex is (qua werkzaamheden, culturele verschillen, levensomstandigheden) wordteen groot appèl gedaan op de competenties (relativeringsvermogen, zelfredzaamheid en met name: integriteit,sociale- en coachingsvaardigheden). Gelet op het feit dat er sprake is van uitgebreide selectie en goede opleidingstuurt Nederland relatief hoogwaardige en breed inzetbare politiemensen.Mag het voorbereidingstraject dan goed geregeld zijn, dit geldt niet voor het re-integratietraject. Om dit punt teverbeteren worden er vier aanbevelingen geformuleerd.Ten strijde tegen overlast. Jongerenoverleg op straat: is de Engelse aanpak geschikt voor Nederland?Monique Koemans, Universiteit Leiden. Nr. 34 (november 2010).In 1998 werd in de delen van Engeland en Wales de Crime and Disorder Act van kracht. De belangrijkstemaatregelen waren de Acceptable Behaviour Contracts (ABC’s) en de Anti-Social Behaviour Orders (ASBO’s).Hierin worden contractueel bindende afspraken over gedragsverbetering vastgelegd. Bij niet nakomen volgen ercivielrechtelijke sancties; overtreding hiervan is een strafbaar feit waar maximaal vijf jaar gevangenis op staat.De ervaringen in Engeland en Wales waren niet onverdeeld een succes: de werking was te weinig effectief en deverwachte opbrengsten konden niet worden aangetoond. Ook was er geen strakke en uniforme interpretatie vanwetgeving mogelijk. Kijkt men naar Nederland, wordt geconstateerd dat gemeenten beschikken over een breedinstrumentarium en adequate bevoegdheden. Als er al sprake is van problemen of knelpunten zijn deze terug tevoeren op een gebrekkige uitvoering. De conclusie is dan ook dat de ASBO géén voorbeeld is dat in Nederlandnavolging verdient.Het districtelijk opsporingsproces; de black box geopend. R.M. Kouwenhoven, R.J. Morée, P. van Beers,Twynstra Gudde. Nr. 35 (maart 2011).In deze studie werd op districtsniveau onderzoek gedaan de inrichting van het onderzoeksproces, waar veelal deveelvoorkomende criminaliteit wordt afgehandeld. Berekend werd de ‘opbrengst’ van het opsporingsproces.Verder werd gekeken naar verbeterfactoren om de kwaliteit en output van het opsporingsproces omhoog tekrijgen. Naast nogal wat verschillen in de wijze van inrichting van het opsporingsproces blijken er ookgemeenschappelijkheden te zijn: de rechercheorganisatie zit vooral op districtsniveau, maar zaken worden ookop lokaal niveau in de wijkteams opgepakt. Ook valt op dat maar liefst 80% van de zaken vooraf worden‘uitgescreend’, waarmee dus het maximale ophelderingspercentage van alle aangebrachte zaken slecht 20%bedraagt! De logische vraag hoe dit percentage te verhogen (‘sleutelen’ aan de beschikbare capaciteit ofkwaliteit van medewerkers en/of processen) is echter niet eenduidig te beantwoorden gelet op de verwevenheidmet de andere politietaken (handhaving, noodhulp).Om hier wel zicht op te krijgen komt er een vervolgstudie in deze drie districten.Balanceren tussen alert maken en onrust voorkomen. Publiekscommunicatie over seriële schokkendeincidenten (casestudy Lelystad). Mw. Anneke van Hoek, DSP-groep. Nr. 36 (mei 2011).In deze casestudy werd in het korps Lelystad onderzoek gedaan naar de gebruikte communicatiestrategieën eninspanningen intern (binnen het korps) en extern (in de gezagslijn en naar de bevolking). E.e.a. rond een seriesteekincidenten, bekend geworden als de affaire ‘Jack de Prikker’. In de studie wordt geanalyseerd hoe de Ontbrekende nummers uit de reeks zijn voor mei 2010 gepubliceerd of nog niet. Zie ook:28www.politieenwetenschap.nl. 47
  • 48. burgers de uiteenlopende communicatie- en opsporingsinspanningen hebben beleefd en in hoeverre ze hetbeoogde effect hebben gehad. Deze casestudy werd gelegd naast die in een ander korps, waar sprake was vaneen serie brandstichtingen. Vervolgens zijn de uitkomsten van casestudies getoetst aan bestaandewetenschappelijke kennis en inzichten en is tenslotte een op de praktijk gerichte handleiding voor‘crisiscommunicatie’ opgesteld in de vorm van een ‘communicatiechecklist’.Reeks PolitiewetenschapHet effect van langdurige opsluiting van veelplegers op de maatschappelijke veiligheid. Lessen van eennatuurlijk experiment in twaalf stedelijke gebieden. B.A. Vollaard, Tilburg Law and Economics Center(TILEC). Onderzoek, nr. 51b ( juli 2010).In deze deelstudie de ‘veelplegeraanpak’ centraal en de vraag wat het effect ervan is geweest op deveelvoorkomende criminaliteit. In deze aanpak - in 2001 geïntroduceerd - wordt een relatief klein aantal zeeractieve daders voor langere tijd opgesloten. Onderzocht werd of deze aanpak samen ging met een (substantiële)daling van lokale (vermogens)criminaliteit. Dit blijkt het geval te zijn (daling: 30%).Trainen onder stress. Effecten op de schietvaardigheid van politieambtenaren. R.R.D. Oudejans, A.Nieuwenhuys, G.P.T. Willemsen, Vrije Universiteit Amsterdam, MOVE, Politie en Wetenschap. Nr. 53a(september 2010).Traditioneel is de training van de beroepsvaardigheden - de Integrale Beroepsvaardigheden Training (IBT) -gericht op fysieke, technische en tactische aspecten. Werken onder stress blijft relatief onderbelicht. In dezestudie werd onderzocht of trainen onder meer realistische stresscondities de (schiet)prestaties van agenten kanverbeteren. Uit de resultaten blijkt dat trainen onder stress loont. Daarom heeft deze studie (grote) waarde voorde IBT. De studie biedt ook nog concrete handvatten voor de IBT in de vorm van een beschreventrainingsmethodiek.Politie en publiek. Een onderzoek naar de communicatievormen tussen burgers en blauw. H.J.G.Beunders, M.D. Abraham, A.G. van Dijk, A.J.E. van Hoek, Erasmus Universiteit Rotterdam en DSP-groep.Nr. 54 (juni 2011).Deze studie is een vervolg op de studie Politie en Media (nr. 21). Ingegaan wordt op de relatie politie en publieki.r.t. voorlichting en communicatie. De studie beschrijft de historie van de opkomst van ICT en gevolgen van destormachtige ontwikkeling van de sociaal-actieve media (mobiele telefoon, internet en sociale media) voor derelatie overheid (w.o. de politie) en burger (deel 1); beschrijft het vigerende landelijke communicatiebeleid van dekorpsen (deel 2); en wordt ingegaan op de inspanningen op locaal niveau om de communicatie met de burgers teverbeteren en wel op de vitale werkdomeinen: wijkagent (kennen en gekend worden), de aangifteafhandeling ende opsporing (deel 3). De hoofdconclusie is dat (ook) de politie t.a.v. het publiek een gelijkwaardige, ja soms zelfsafhankelijke positie heeft gekregen. Actieve wederkerigheid is hier het sleutelbegrip. De ontwikkelingen hebbenook grote gevolgen voor de verhouding politie - burger: van een verticale gezagsverhouding naar een horizontalerelatie.Managing collective violence around public event: an international comparison. Otto Adang,Politieacademie. Nr. 55 (juni 2011).Het onderzoek richt zich op het collectief geweld en ordehandhaving bij evenementen in internationaalvergelijkend perspectief. Wat opvalt is dat notoire geweldplegers in de drie betrokken landen zich manifesteren bijverschillende type gebeurtenissen. Het meeste collectieve geweld doet zich voor bij risicowedstrijden in hetbetaalde voetbal en bij demonstraties waarbij de (extreme) zijden van het politieke spectrum vertegenwoordigdzijn. In het algemeen lijkt het collectieve geweld opportunistisch te ontstaan.De achterliggende mechanismen die tot een escalatie van collectief geweld leiden, zijn steeds dezelfde enderhalve zijn veelal dezelfde lessen te trekken.Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie (SMVP)De missie van de SMVP is om bij te dragen aan de maatschappelijke discussie over de verbetering van deveiligheid(szorg) in de breedste zin. Zij doet dit onder meer door meningen te formuleren over belangrijkethema’s, door partijen bijeen te brengen, door vernieuwing te stimuleren, door conferenties, symposia enuitwisselingsprogramma’s te organiseren en door achtergrondinformatie te verstrekken.In de bundel De politie en haar opdracht: De kerntakendiscussie voorbij uit 2010 worden - onder eindredactievan Bas van Stokkom, Jan Terpstra en Lodewijk Gunther Moor - een groot aantal vooraanstaande auteursbijeengebracht, die hun visie op en opvattingen over de verschillende aspecten van het politiewerk in essayshebben neergelegd. Deze bijdragen zijn sterk uiteenlopend van inhoud en karakter en daardoor zeer interessantom te lezen. Met deze bundel hebben de initiatiefnemers de discussie over de opgave van de politie, de functievan de politie in onze samenleving, een nieuwe impuls willen geven. In die zin is het een passende bijdrage aande actuele discussie over taak, functie en structuur van de Nederlandse politie, met een knipoog naar onzezuiderburen. Op 15 april 2011 werd over dit thema een conferentie gehouden, waarbij de bundel alsbasisdocument diende. 48
  • 49. In de publicatie Politie in de netwerksamenleving - De havens in Rotterdam uit 2010 onderzoekt prof. dr. BobHoogenboom de ‘nodale oriëntatie’ door de Zeehavenpolitie Rotterdam-Rijnmond. Hij benadert de samenwerkingvan dat politieonderdeel in het veiligheidsnetwerk in de havens van Rotterdam vanuit een praktisch enoperationeel perspectief, waardoor hij zich onderscheidt van eerdere theoretische beschouwingen en studies. Ditboek is, mede vanwege de conclusies en aanbevelingen, van grote waarde voor de actuele discussie over depositionering en taakinvulling van de politie als partner in de netwerksamenleving.Op 3 juni 2010 organiseerde de SMVP in nauwe samenwerking met het Landelijk Programmabureau Burgernetde conferentie ‘Burgernet en andere vormen van burgerparticipatie in de veiligheid’. Tijdens dezeconferentie was er uitgebreid aandacht voor deze landelijke uitrol, maar ook voor de andere vormen vanburgerparticipatie in de veiligheid. In deze bundel is een weerslag van het congres te vinden. De bundel geeft eenboeiend overzicht van de huidige initiatieven, actuele ontwikkelingen en de potenties voor de toekomst.In de publicatie Openbare orde en rechtshandhaving in multiculturele wijken: ontwikkelen van actiefburgerschap uit 2010 staat een ontwikkelingstraject naar actief burgerschap - ook in de zin van zelfredzaamheid- in multiculturele buurten centraal. Actief burgerschap heeft betekenis voor de openbare orde enrechtshandhaving in deze buurten.In een aantal pilotwijken is het traject uitgevoerd door koppels van opbouwwerkers en wijkagenten dan wel doorteams waar steeds een wijkagent en een opbouwwerker deel vanuit maakten. De gedachte hierbij was dat dezetwee disciplines elkaar aanvullen en van elkaar kunnen leren.Naast bovengenoemde publicaties verzorgd de SMVP in samenwerking met haar Belgische zusterorganisatie -het Centrum voor Politie Studies (CPS) - sinds begin 2009 de zgn. ‘Cahier Politietudies’ in een frequentie van vierkeer per jaar. Inmiddels is een keur aan onderwerpen de revue gepasseerd. Zo zijn er in de periode 2009 - 2011cahiers verschenen over Restorative Policing, Politieleiderschap, Policing in Europe, Evidence Based Policing. 49
  • 50. Bijlage 3 ● Publicaties adviesraden en onderzoeksinstellingen. Mei 2010 t/m juni 2011.OnderwijsraadDe Onderwijsraad is onafhankelijk adviesorgaan opgericht in 1919. De raad adviseert, gevraagd en ongevraagd,over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied van het onderwijs.In het werkprogramma 2011, zoals dit in september 2010 is uitgebracht, is aangegeven dat de Raad - inhoofdlijnen - over tien onderwerpen zal adviseren. Onderwerpen die (indirect) ook voor het Politieonderwijs vanbelang zijn, zijn:● globalisering en nationale verbetering: de regering heeft als centrale ambitie om Nederland tot de top 5 van concurrerende kenniseconomieën van de wereld te laten behoren. Aan de Onderwijsraad wordt gevraagd hoe het onderwijs hieraan het beste kan bijdragen.● de helft van Nederland hoger opgeleid: gevolgen in en buiten het hoger onderwijs: de Raad zal een instrumenteel advies uitbrengen, gelet op het pleidooi van de commissie Veerman (2010) voor meer variëteit in het HO, selectie ‘aan de poort’, meer onderzoek (zeker ook in het HBO), invoering AD, nieuw arrangement Ma-opleidingen, ook al met het oog op een LLL.● onderwijs 2.0: de adviesaanvraag luidt hier “Hoe kan sociale software, in het bijzonder sociale media, worden benut voor het leren en het onderwijs?”● de positie van het Nederlands en de moderne vreemde talen in het HO: de Raad brengt een verkennend advies uit over het spanningsveld ‘steeds meer Engelstalig onderwijs’ en ‘borging nationale taal’. De Raad zal hierover een verkennend advies uitbrengen i.s.m. de Raad voor Cultuur en de KNAW.Expertisecentrum Beroepsonderwijs (Ecbo)Het Ecbo is per 1 januari 2009 ontstaan uit een fusie van het Centrum voor innovatie van opleidingen (CINOP) enhet Max Goote Kenniscentrum. Doel van het Ecbo is om op een onafhankelijke, hoogwaardige en systematischewijze te zorgen voor de ontwikkeling, ontsluiting en synthese van - wetenschappelijke en praktijkgerichte -kennis over het beroepsonderwijs ten behoeve van onderwijs en samenleving. Hiermee is het Ecbo hètinformatiepunt van en voor de BVE-sector.De vavodeelnemers in beeld. Ria Groenenberg, Barbara van Wijk, Wil van Esch. (mei 2010).Dit betreft een verkennend onderzoek om inzicht te krijgen op diverse deelnemers aan het voortgezet algemeenvolwassenenonderwijs (vavo). De diversiteit aan deelnemers impliceert variëteit in schooltypen. De deelnemersbeschouwen vavo als een vangnet, een laatste kans op een diploma. Men is tevreden over de docenten, dekleinschaligheid en de structuur evenals over de onderwijsflexibiliteit. Minder tevreden is men over communicatieen de organisatie op school. De directeuren van vavo-scholen leggen de vinger op twee knelpunten: 1) deingewikkelde en soms ontoereikende bekostiging en 2) toenemende vraag naar begeleiding dat op gespannenvoet staat met nagestreefde onderwijszelfstandigheid.CGO langs de meetlat. Op zoek naar de effecten van competentiegericht onderwijs in het mbo. Arjan vander Meijden, Anneke Westerhuis, Joke Huisman, Jan Neuvel, Ria Groenenberg. (mei 2010).Alle scholen in het mbo moeten hun opleidingen gaan inrichten op basis van competentiegerichtekwalificatiedossier. De datum van realisatie is al meerdere malen naar achteren verschoven en staat nu op 1augustus 2011. De onderzoekers stellen vast dat het CGO niet nieuw is; in feite heeft het onderwijs een anderetiket opgeplakt gekregen. Was het beeld in het begin van CGO in termen van beter beroepsonderwijs op zijnminst ‘gemengd’ te noemen, blijkt dat er nu sprake is van een (voorzichtig) positieve ontwikkeling in termen vanhet behalen van startkwalificaties en houding van de docenten tegenover CGO.De route van havo naar mbo: uitweg of omweg? Sandra van den Dungen, Anneke Westerhuis. (juni 2010).In deze verkennende studie wordt gefocuste op een groep waar nog relatief weinig van bekend is, namelijk deredelijk grote groep havisten die jaarlijks naar het mbo gaan. Wie is deze groep en waarom kiezen ze voor dezeleerlijn? Het mbo trekt vooral havisten aan die hier hun toegang naar beroep vinden dat ze willen gaanuitoefenen, hetzij omdat dit alleen in het mbo wordt aangeboden, hetzij omdat het hbo te hoog gegrepen is. Deinstroom van havisten zonder diploma groeit. Ook zijn er aansluitingsproblemen mbo - havo: er is weinigcommunicatie en opvang van uitvallende havisten. Ook moeten havisten zich vaak verdedigen tegen hetnegatieve imago van het mbo.De BBL als leerweg voor volwassenen. Ton Eimers, Erik Keppels, Annet Jager, KBA. (juni 2010).In deze kwantitatieve analyse - uitgevoerd door het KBA Nijmegen in opdracht van het Ecbo - wordt onderzoekgedaan naar de groep mbo-ers die de zgn. Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL) volgen. Een groot deel van dedeelnemers van deze leerweg is 23 jaar of ouder en volgen één dag per week school, naast hun vierdaagsewerkweek. De groep volwassen BBLers is groeiende, echter concentreert zich in een beperkt aantalberoepsvelden, die in het verleden ook al veel volwassen aantrokken (sectoren Techniek en Zorg & Welzijn).Bovendien blijkt er sprake te zijn van regionale ‘bolwerken’, waarin een ROC, het lokale bedrijfsleven, de lokaleoverheid intensief samenwerken. 50
  • 51. Van belang is voorts dat de mbo-instellingen flexibel inspelen op de vragen en behoeften van deze doelgroep, bv.door het aanbieden van verschillende intstapmomenten en verkorte trajecten.Een schepje er bovenop: via mbo 2 naar mbo 3. Karel Visser, Barbara van Wijk. (januari 2011).Van de groep gediplomeerde vmbo-ers die direct instromen op mbo niveau 2 blijkt bijna 60% binnen zes jaar doorte stromen naar mbo niveau 3 en 4. Echter het onderwijsrendement van deze groep blijkt lager te zijn dan van degroep vmbo-ers die direct instromen naar mbo niveau 3 of 4, namelijk ruim 50% tegenover ca. 70%. In de internedoorstroom kan dus nog veel winst behaald worden in termen van rendement en in termen vanstudieduurverkorting en afstemming van de opleidingen. Het onderzoek gaat in op de achtergrondkenmerken vande deelnemers, de beweegredenen om door te leren en behandelt de ‘doorstroommodellen’ in het onderwijs(kopmodel, inschuifmodel en start-opnieuw-model). Ook gaat het in op de rol van de onderwijsinstellingen en debedrijven.Taal terug op het mbo. Eline Raaphorst, Paul Steehouder. (januari 2011).Aandacht voor en zorgen over het niveau van taalbeheersing bestaan al geruime tijd. Met het kracht worden vande Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen per 1 augustus 2010 is er sprake van trendbreuk: voor heteerst zijn de generieke taaleisen centraal vastgelegd en zullen centraal worden geëxamineerd, dus buiten dembo-instellingen om. De verantwoordelijkheid van de uitvoering van deze nieuwe centrale examinering ligt nietlanger bij de mbo-instellingen zelf, maar bij het College voor Examens. Vanaf 2014 zullen de centrale examensmbo-4 centraal worden afgenomen. Opgemerkt zij dat de vormgeving van de beroepsgerichte taaleisen en deexaminering hiervan de verantwoordelijkheid van de mbo-instellingen blijven. Deze worden in kwalificatiedossiersvastgelegd. In een meerjarig onderzoek aan vier ROC’s is onderzocht of de beoogde effecten van dezeonderwijsvernieuwingen zijn gerealiseerd. De eerste fase van het onderzoek gaf aan dat er veel varianten vantaalonderwijs in het mbo zijn ontwikkelend en dat het lastig is greep te krijgen op de effectiviteit en het rendement.In het vervolgonderzoek worden de varianten verder uitgewerkt om zicht op de effectiviteit te krijgen. Dit leverteen reflectie-instrument op waarmee de ROC’s hun taalbeleid kunnen analyseren.De verloren zonen. Terugkeer in het onderwijs van voortijdig schoolverlaters. Barbara van Wijk, ErikFleur, Ecbo en Erik Smits, Cees Vermeulen (DUO/IP). (april 2011).Deze publicatie omvat de resultaten van het eerste deel van een onderzoek naar de terugkeer van voortijdigschoolverlaters (vsv) (jaar 2005-2006) naar het onderwijs. Het onderzoek brengt het aantal vsv-ers in beeld datde weg naar het onderwijs weer terug vindt, in welke schooltypes dit dan gebeurd en hoe de onderwijsloopbaanna terugkeer verder verloopt.Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)Het SCP is een wetenschappelijk instituut dat zelfstandig onderzoek doet. Op basis van dit onderzoek brengt het,gevraagd en ongevraagd, adviezen uit aan de regering, de Eerste en Tweede Kamer, ministeries en anderemaatschappelijke en overheidsorganisaties.Onderzoeksrapporten die (in)direct van belang zijn in het kader van deze signaleringsrapportage zijn hierondergenoemd.De snelle veranderingen in het medialandschap - vaak aangeduid als digitalisering en convergentie vanmediatechnologieën - roepen de vraag op hoe Nederlanders met de vele nieuwe mogelijkheden omgaan. In Allekanalen staan open (september 2010) wordt een antwoord gegeven op de vraag in hoeverre het mediagebruik,het zoeken naar informatie en de onderlinge communicatie van Nederlanders in de afgelopen jaren zijnveranderd. Deze veranderingen worden beschreven aan de hand van een indeling in voorlopers, volgers enachterblijvers. Geconcludeerd wordt dat het bevorderen van mediawijsheid en het verstandig reguleren van deovergangsfase waarin we ons bevinden de belangrijkste opgaven voor het mediabeleid in de komende jaren zijn.Uit de tweede Discriminatiemonitor (september 2010) blijkt dat discriminatie richting de niet-westerse migrantenop de arbeidsmarkt voor komt. Voor deze studie ondervroegen we 106 selecteurs op de arbeidsmarkt over hunselectiegedrag. Ook is nagegaan of er een ontwikkeling in discriminatie waarneembaar is en zo ja, hoe dezeontwikkeling moet worden geduid. Als terugkerend onderdeel van de monitor is een inventarisatie gedaan vanklachten en oordelen over arbeidsmarktdiscriminatie.In Wisseling van de wacht (december 2010) wordt onderzocht of generaties echt duidelijk van elkaar teonderscheiden zijn en of er opnieuw, zoals in de jaren zestig, sprake is van een generatiekloof. In dit Sociaal enCultureel Rapport 2010 wordt dit in kaart gebracht en vastgesteld dat in de publieke discussie het minder omfamiliale dan om maatschappelijke generaties gaat. Is er wel een scherpe scheiding tussen de generaties aan tebrengen? Dit rapport biedt een verrassend, vaak ontnuchterend en soms ook onthutsend beeld van de generatiesin Nederland. 51
  • 52. Het rapport Het internetgebruik voor culturele doeleinden onder schoolgaande tieners (maart 2011) gaatover het gebruik van internet door tieners - inmiddels gemeengoed geworden - voor culturele doeleinden. Ookwordt nagegaan in hoeverre verschillen in online cultuurparticipatie zijn toe te schrijven aan digitale vaardighedenvan tieners, hun culturele belangstelling en die van hun ouders en vrienden, en de aandacht voor cultuur en ICTop school.In de Tweede verdiepingsstudie van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB) (maart 2011)wordt onderzoek gedaan naar het sentiment onder de Nederlanders: veel van hen zijn negatief over de politiek enpessimistisch over hoe de samenleving zich ontwikkelt. Hoe veranderlijk zijn die meningen? Waar zit het grootsteonbehagen? Wat zijn de belangrijkste klachten van boze burgers als ze vrijelijk formuleren wat er fout gaat? Wiezijn de betrokken burgers en hoe afwijkend denken zij over maatschappelijke en politieke kwesties? En hoe kijkenmigranten aan tegen Nederland en zijn klagende autochtone bevolking? Dit zijn enkele van de vragen die aan deorde komen. Om de bevindingen in perspectief te plaatsen maken de onderzoekers ook ruim gebruik vangegevens uit de afgelopen decennia en internationale enquêtes.Sociaal Economische Raad (SER)De SER adviseert kabinet en parlement over de hoofdlijnen van het te voeren sociaal-economisch beleid. Ookvoert de SER bestuurlijke en toezichthoudende taken uit. In de SER werken onafhankelijke kroonleden,werkgevers en werknemers samen.SER 1950-2010, Zestig jaar denkwerk voor draagvlak. Joost Dankers, Bas van Bavel, Teun Jaspers, JanPeet. Uitgeverij Boom.Ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de SER is het boek ‘SER 1950-2010’ samengesteld dooronderzoekers van de Universiteit van Utrecht. De SER heeft een belangrijke rol gespeeld in de dynamiek en hetaanpassingsvermogen van de Nederlandse economie en samenleving. De onderzoekers stellen dat het beeld datde overlegeconomie te stroperig zou zijn, niet klopt met de werkelijkheid. Het blijkt juist dat de overlegcultuur leidttot meer draagvlak en daardoor een snellere implementatie van het beleid. De onderzoekers analyseren in hetboek het werk van de SER en de wijze waarop de raad is omgegaan met ingrijpende economische, sociale enpolitieke veranderingen ten aanzien van thema’s als internationalisering, duurzaamheid, arbeid en socialezekerheid. Naar de toekomst toe kan de SER een belangrijke rol blijven spelen. Er is veel consensus over het feitdat Nederland verder moet worden omgevormd tot een kennisintensieve en duurzame samenleving. In destappen die hiervoor moeten worden gezet kan SER een rol van betekenis spelen.Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV)Het CCV is hét centrum dat kennis en samenhangende instrumenten ontwikkelt en implementeert om demaatschappelijke veiligheid te vergroten. Het CCV stimuleert samenwerking tussen publieke en privateorganisaties om criminaliteit integraal terug te dringen en vormt een schakel tussen beleid en praktijk.Aangesloten partijen bij het CCV zijn het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Ministerie van BinnenlandseZaken en Koninkrijksrelaties, het Verbond van Verzekeraars, werkgeversorganisatie VNO-NCW, de Verenigingvan Nederlandse Gemeenten en de Raad van Korpschefs.Goed afwegen van lokaal veiligheidsbeleid.Samen met de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie (SMVP) organiseerde het CCV in september 2010een congres over het goed afwegen van lokaal veiligheidsbeleid in tijden van bezuinigingen. Plenaire lezingen enverslagen van workshops zijn gebundeld in deze publicatie. Bovendien bevat de publicatie een extra bijdrage vande VNG over de toekomst van het lokale veiligheidsbeleid.De ideale lijn.De subtitel ‘Doelgericht laveren tussen uitersten in de toekomstige handhaving’ laat zien dat deze publicatie eenhulpmiddel is voor het ontwerpen van handhavingstrategieën. Het gaat in op de vraag tegen welke toekomstigemaatschappelijke krachten het ontwerp bestand moet zijn. Aan de hand van twee denkbeeldige realistischecasussen wordt de handhaving in 2016 in beeld gebracht. Met dit hulpmiddel is het mogelijk voor diversetoekomstbeelden een krachtig beleid te ontwerpen.Samenwerking in de handhaving.Steeds meer partijen in de handhaving werken met elkaar samen. Samenwerken is niet makkelijk: het isomgeven met complexe overwegingen over bijvoorbeeld het al dan niet loslaten van taken, het gaat om mensenen het vraagt om vertrouwen.Trendsignalement 2011 - Ontwikkelingen in maatschappelijke veiligheid.In het Trendsignalement 2011 beschrijft het CCV de belangrijkste trends en laatste ontwikkelingen op het gebiedvan maatschappelijke veiligheid, preventie en handhaving. De 25 trends die in het Trendsignalement uitgebreidaan bod komen, worden in de online editie op www.hetccv.nl/trends kernachtig samengevat en regelmatiggeactualiseerd. 52
  • 53. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)De WRR heeft ingevolgde de wet tot taak t.b.v. het regeringsbeleid wetenschappelijke informatie te verschaffenover ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen beïnvloeden. De Raad wordt geacht daarbijtijdig te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten en zich te richten op het formuleren vanprobleemstellingen t.a.v. de grote beleidsvraagstukken, alsmede op het aangeven van beleidsalternatieven.In zijn rapport iOverheid (maart 2011), gaat de Raad in op de transitie die de overheid doormaakt van eeneOverheid naar een iOverheid (Informatie-Overheid), welke kwetsbaarheden én kansen hiermee gepaard gaanen hoe haat bestuurlijke kaders en organisatie daarop kan worden aangepast. Hiertoe wordt een agenda voorinhoudelijke en institutionele transformatie geformuleerd om aldus de iOverheid te verankeren op politiek enbestuurlijk niveau en te laten aansluiten bij de ontstane situatie. Hierbij kan de iOverheid niet los gezien wordenvan de nieuwe iSamenleving.Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC)Het WODC wil een toonaangevend wetenschappelijk onderzoeks- en kenniscentrum zijn voor het brede veld vanVeiligheid en Justitie. Het WODC is belast met het verrichten van onderzoek en het doen verrichten vanonderzoek, het adviseren over voorgenomen beleidsprogramma’s en te voeren beleid en te verrichten onderzoekalsmede het verspreiden van binnen het WODC aanwezige kennis op het terrein van Veiligheid en Justitie en metde documentatie van (sociaal-)wetenschappelijke publicaties.Stand van zaken interdepartementale aanpak huiselijk geweld. M. van Zwieten, S. Biesma, B. Bieleman.(juni 2010).In 2003 en 2006 hebben inventarisaties plaatsgevonden m.b.t. de aanpak van huiselijk geweld door gemeenten,politie en Openbaar Ministerie. Bij deze derde inventarisatie gaat de aandacht uit naar de stand van zaken van deinterdepartementale aanpak. Het interdepartementale Plan van aanpak Huiselijk Geweld uit 2008 is voor dezeinventarisatie als uitgangspunt genomen en geldt als ijkpunt voor de afbakening. De onderzoeksvraag luidt alsvolgt: Wat is de stand van zaken van de interdepartementale aanpak van huiselijk geweld; welke ontwikkelingenzijn gaande en wat is de onderlinge samenhang?Justitie en politie in buitenlandse missies. (juli 2010)In dit themanummer is de aandacht gericht op de pogingen tot capaciteitsopbouw en hervorming van justitie enpolitie in postconflictlanden en alle daarbij behorende dilemmas. Ook komen de ervaringen met justitiële enjuridische ontwikkelingshulp in andere landen aan de orde, zoals in Oost-Europa. De artikelen vormen een mixvan wetenschappelijke beschouwingen en persoonlijke observaties van uitgezonden deskundigen.European Sourcebook of Crime and Criminal Justice Statistics - 2010. M.F. Aebi, B. Aubusson deCavarlay, G. Barclay, B. Gruszczyńska, S. Harrendorf, M. Heiskanen, H. Vasilika, V. Jaquier, J.-M. Jehle, M.Killias, O. Shostko, P. Smit, R. Pórisdóttir. (augustus 2010).This is the fourth edition of a data collection initiative that started in 1993 under the umbrella of the Council ofEurope. The present document covers the years of 2003-2006 for all areas. In-depth analysis are presented forthe year 2006. The basic structure of five chapters - offences and offenders known to the police, prosecution,convictions and sentences, corrections including non-custodial sanctions and survey data - has been maintained.However, several chapters were revised and extended in various respects. Chapter 5 presents data from theInternational Victimisation Surveys conducted between 1989 and 2005. In addition, for the first time information isincluded on self-reported delinquency among juveniles (aged 13-16) that was collected in 2006 during the secondinternational self-reported delinquency survey held in 17 European countries.The data presented here will be available on www.europeansourcebook.org as well.Geweldcijfers. M. Witvliet, M. Timmermans, G.H.J. Homburg. (oktober 2010).De werkelijke omvang van geweld in de Nederlandse samenleving is vaak lastig te bepalen. Diverse bronnenkampen elk met specifieke gebreken en spreken elkaar soms tegen. De gehanteerde methoden verschillen enmet name de definitie van geweld niet eensluidend is. Het inzicht in de omvang van het geweld zou verbeterdkunnen worden door de diverse monitoren op elkaar af te stemmen, door bijvoorbeeld de definitie van geweld teharmoniseren. In dit onderzoek zijn monitoren over geweld geïnventariseerd en beoordeeld op geschiktheid omtrends weer te geven. Verder zijn een vergelijking tussen monitoren gemaakt en de ontwikkelingen in geweldweergegeven.Het doel van dit overzicht is het vergroten van inzicht in de samenstelling, de achtergronden, de overeenkomstenen de verschillen in cijfers over geweld. 53
  • 54. Criminaliteit en rechtshandhaving 2009; ontwikkelingen en samenhangen. N.E. de Heer-de Lang (red.),S.N. Kalidien (red.). (november 2010).C&R 2009 is een periodiek naslagwerk voor allen die, al dan niet beroepsmatig belangstelling hebben voor cijfersover criminaliteit en rechtshandhaving. De rapportage richt zich op de volgende vragen: Wat is de aard enomvang van de criminaliteit in Nederland, welk deel wordt hiervan opgespoord, welke strafrechtelijke reactie heeftjustitie hierop, hoe worden opgelegde sancties ten uitvoer gelegd en welke ontwikkelingen hebben zich hierinvoorgedaan? Hoe hangen de schakels van de strafrechtsketen cijfermatig onderling samen? Wat zijn deoverheidsuitgaven aan criminaliteitsbestrijding en strafrechtshandhaving? Hoe verhoudt de criminaliteit enrechtshandhaving in Nederland zich tot het buitenland. Het rapport bevat de gegevens en ontwikkelingen op hetterrein van criminaliteit en rechtshandhaving tot en met het jaar 2009.Raadsman bij het politieverhoor. L. Stevens, W.J. Verhoeven, T. Blom (medew.), H.G. van de Bunt(medew.), A.N.J. Korenhof (medew.), J.H.J. Verbaan (medew.), P.C. Verloop (medew.). (november 2010).De centrale vraagstelling van het onderzoek luidt: Hoe verlopen de eerste politieverhoren met voorafgaandeconsultatie en aanwezigheid van de advocaat en wat zijn feitelijke waarneembare gevolgen van de consultatie ende aanwezigheid op het verloop van het verhoor? De deelvragen zijn gericht op de drie deelnemers aan deverhoren binnen het experiment: de advocaat, de verhoorders en de verdachte.Aanpak georganiseerde criminaliteit in drie proeftuinen. S. Flight, S. Bogaerts, D. Korf, D. Siegel.(november 2010).Proeftuinen zijn intelligence gerichte leeromgevingen waarin OM en politie niet alleen opsporen met innovatieveopsporingsmethoden, maar ook ander partners als bestuur, providers en energiebedrijven betrekken bij hetbestrijden van een criminaliteitsprobleem. In dit overkoepelende verslag worden de ervaringen uit de drieproeftuinen gebundeld en wordt een voorstel gedaan voor de tweede fase van de evaluatie.Onderzoek productiviteit Forensisch Assistenten. M.R. Goedvolk, M. van de Grift, B.M.W.J. Huitink.(december 2010).De hoofdvraag van het onderzoek is: welke werkzaamheden voeren forensisch assistenten uit, welkeopbrengsten levert deze inzet op, onder andere in termen van het aantal bezochte plaatsen delict (PDs), hetaanbod van sporen (DNA, dacty en overig) en het aantal te verwerken sporen, en hoe vindt de verwerking vansporen plaats. Dit onderzoek is gestart onder projectbegeleiding van het ministerie van BZK en voortgezet onderprojectbegeleiding van het WODC.Omvang van huiselijk geweld in Nederland. P.G.M. van der Heijden, M.J.L.F. Cruyff, G.H.C. van Gils.(januari 2011).De hoofdvragen voor het onderzoek zijn:1. Hoe groot is de geschatte omvang van het huiselijk geweld in Nederland?2. Hoe groot is de geschatte omvang van het huiselijk geweld in Nederland gedifferentieerd naar aantallen incidenten, slachtoffers en daders.Recidivebericht 1997-2007. B.S.J. Wartna, N. Tollenaar, M. Blom, S. Alma, A.A.M. Essers, I.M. Bregman(februari 2011).Het WODC berekent jaarlijks met behulp van de Recidivemonitor de strafrechtelijke recidive van Nederlandsejustitiabelen. Bijna iedereen die in Nederland als verdachte met justitie te maken kreeg, komt in dit onderzoekvoor. Deze meting richt zich op jeugdigen en volwassenen die in de jaren 1997 tot en met 2007 een strafzaakhadden, dan wel zijn uitgestroomd uit een justitiële inrichting.Resultaten van veiligheidshuizen. B. Rovers. (maart 2011).Het beleid ‘Justitie in de buurt nieuwe stijl’ trad in werking in 2004. In 2005 vingen de eerste ‘veiligheidshuizen’hun werkzaamheden aan. Per december 2009 bestaat er een landelijk dekkend netwerk van 45veiligheidshuizen. Voor de huidige researchsynthese zijn alleen onderzoeken relevant naar veiligheidshuizen diewerken onder het beleid ‘Justitie in de buurt nieuwe stijl’. Zowel op landelijk als op lokaal niveau zijn diverseonderzoeken naar en in veiligheidshuizen uitgevoerd. De beleidsdirectie wil, door middel van eenresearchsynthese, een overzicht en wetenschappelijke beoordeling van de ervaringen die in deze zes jaar zijnopgedaan. Het onderzoek richt zich met name op veiligheidshuizen die minimaal twee jaar bestaan. Inhoudelijkdienen minimaal zes gangbare en relevante thema’s/ onderwerpen van de veiligheidshuizen in de analyse teworden betrokken, waaronder in ieder geval jeugd, veelplegers en huiselijk geweld. De bedoeling is dathet onderzoek de gestelde vragen beantwoordt op basis van een kritische beschouwing van de gehanteerdemethoden en technieken van de eerdere onderzoeken en de onderbouwing van de conclusies.Agressie en geweld; eten wat helpt. S.A. Onrust, P.A.M. Speetjes, M. Melchers, J.E.E. Verdurmen. (april2011).De doelstelling van dit onderzoek is drieledig.1. In de eerste plaats heeft dit onderzoek als doel inzicht te bieden in het beschikbare aanbod van effectieve, veelbelovende, niet-effectieve en contraproductieve preventieve interventies voor risicogroepen van geweldpleging in Nederland en in het buitenland. 54
  • 55. 2. Het tweede doel van het onderzoek betreft het in kaart brengen van de omstandigheden die bijdragen aan de gewenste of ongewenste effecten van deze interventies.3. Het laatste doel van dit onderzoek is het bieden van inzicht in de bruikbaarheid van effectieve en veelbelovende preventieve interventies in de Nederlandse praktijk. Om deze reden zijn de resultaten uit het literatuuronderzoek voorgelegd aan verschillende experts.Mensenhandel in de Amsterdamse raamprostitutie; een onderzoek naar de aard en opsporing vanmensenhandel. M.A. Verhoeven, B. van Gestel, D. de Jong. (mei 2011).Dit onderzoek gaat over mensenhandel in de raamprostitutiebranche van het Amsterdamse wallengebied. Decentrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is de aard van mensenhandel en hoe wordt mensenhandelopgespoord in het postcodegebied 1012? Deze vraagstelling is uitgewerkt in de volgende deelvragen:1. Op welke wijze worden slachtoffers uitgebuit en wat zijn de kenmerken van verdachten en slachtoffers van mensenhandel?2. Hoe wordt mensenhandel opgespoord?3. Welke keuzes worden in opsporingsonderzoek gemaakt en welke gevolgen hebben die keuzes voor het verloop van de opsporing?4. Kunnen er factoren worden onderscheiden die opsporingsonderzoek naar mensenhandel bevorderen of belemmeren?Jeugdcriminaliteit in de periode 1996 - 2010. A.M. van der Laan (red.), M. Blom (red.), F. Huls, N.Tollenaar, I. Verburg (medew.) (mei 2011).In deze rapportage worden diverse ontwikkelingen in de aantallen jeugdige verdachten en daders in de leeftijd 12tot en met 24 jaar, in samenhang gepresenteerd. Teven wordt ingegaan op delinquent gedrag van twaalfminners(10- en 11-jarigen). Het onderzoek is primair gericht op ontwikkelingen in indicatoren van het aantal jeugdigedaders van delinquent gedrag en afdoeningen.Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2010. (juni 2011).Het doel van de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) is een betrouwbaar en nauwkeurig beeld te schetsenvan de aard en omvang van de criminaliteit tegen bedrijven in Nederland, de preventieve maatregelen die zijnemen tegen criminaliteit, de ondervonden schade, het meldingsgedrag van bedrijven en de ontwikkelingendaarin door de jaren heen. De MCB 2009 is (grotendeels) een exacte replica van het onderzoek dat sinds 2004 isuitgevoerd en is gericht op de sectoren: bouwnijverheid, detailhandel, horeca, transport en zakelijkedienstverlening.Schatting illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen. P.G.M. van der Heijden, M. Cruyff, G.H.C. vanGils (juli 2011).In dit rapport wordt een schatting gepresenteerd van het aantal illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingenin de periode januari 2009 - december 2009. Voor de schatting is gebruik gemaakt van gegevens overstaandehoudingen en aanhoudingen van illegale vreemdelingen uit de registratiesystemen Politie SuiteHandhaving Vreemdelingen (PSH-V) van de politie en het Vreemdelingen Basis Systeem (VBS) van deKoninklijke Marechaussee.Het uitgaansleven. (juli 2011; reeks Justitiële verkenningen 2011/04).In dit themanummer komt de verschuiving van gedogen naar regulering van het uitgaansleven in verschillendeartikelen aan bod. Daarnaast is er aandacht voor veranderingen in het nachtleven onder invloed van etnischediversiteit en voor de relatie tussen alcoholgebruik en agressie.Raad voor Maatschappelijke Ondersteuning (RMO)De RMO adviseert regering en parlement over sociale verhoudingen in Nederland. Hierbij staat de socialeinfrastructuur centraal ((veranderende) verhouding burger - overheid). Actuele vraagstukken waar de Raad overadviseert zijn:● solidariteit met het oog op vergrijzing● democratisch burgerschap● civil society● polarisatie en radicalisering.De Raad focust op kennis die voor het beleid uitgaat. Hierbij raken de adviezen altijd meer dan één departement.In het briefadvies Terug naar de basis: Over legitimiteit van maatschappelijke dienstverlening (september2010), constateert de Raad dat de legitimiteit van maatschappelijke organisaties onder druk staat. Of het nu gaatom welzijnsinstellingen, scholen, omroepen of ontwikkelingsorganisaties: overal is de druk groot om meerdiensten te verlenen tegen minder geld, om meer verantwoording af te leggen tegen minder vrijheid om eigenkeuzes te maken. In hun overlevingstocht zitten organisaties gevangen in enerzijds disciplinering vanuitwetgeving en toezichtorganen en anderzijds de eisen van de markt. Ze raken vervreemd van hun achterban, aanwie ze juist hun legitimiteit zouden moeten ontlenen. 55
  • 56. In het advies Nieuwe ronde, nieuwe kansen (april 2011) stelt de RMO dat sociale stijging niet langervanzelfsprekend is. De open samenleving waarin iedereen kansen heeft om talent via het onderwijs teverzilveren, verandert gaandeweg in een samenleving waarin het opleidingsniveau de sociale scheidslijn vormt.In zijn advies Migratiepolitiek voor een open samenleving (mei 2011) pleit de Raad er voor om economischevoorwaarden daadwerkelijk leidend te laten zijn voor toelating en om de migratiepolitiek op de principes van dedemocratische rechtsstaat te funderen. Iedereen die bijdraagt aan het nationaal belang, zelfredzaam is en dedemocratische grondregels onderschrijft, is (tijdelijk) welkom.Raad voor het openbaar bestuur (Rob)De Rob adviseert over de inrichting en het functioneren van de overheid. Doel is het verbeteren van dedoeltreffendheid en doelmatigheid. De Rob besteedt in het bijzonder aandacht aan de uitgangspunten van dedemocratische rechtsstaat. De komende tijd staat het begrip vertrouwen centraal, binnen het bestuur en tussenbestuur en burger.In zijn advies Veiligheid en vertrouwen. Kernen van een democratische rechtsstaat (januari 2011)constateert de Rob dat de verantwoordelijkheidsverdeling tussen burgers, bedrijven en overheid als het gaat omveiligheid in de samenleving, onduidelijk is. Burgers moeten veel meer betrokken worden bij het bevorderen vanveiligheid. De minister van Veiligheid en Justitie zou het initiatief moeten nemen voor een betekenisvollediscussie hierover. Daarnaast dienen politiek en bestuur het goede voorbeeld te geven door moreel leiderschap.Harde maatregelen alleen en het steeds benadrukken van onveiligheid zijn niet productief.Het kabinet heeft op 28 augustus 2011 gereageerd op dit advies. De reactie van het kabinet is positief. Met deRaad is het kabinet van mening dat veiligheid en vertrouwen veel invloed op elkaar hebben. Het kabinet geeft aandat het van mening is dat het kabinetsbeleid zowel de veiligheid, objectief én subjectief, als het vertrouwen inpositieve zin zal bevorderen. De aanbevelingen uit het adviesrapport worden onderschreven en positiefbecommentarieerd, met uitzondering van de aanbeveling om een brede maatschappelijke discussie te houdenover de verantwoordelijkheidsverdeling tussen burger en overheid wat betreft veiligheid.Het jaarverslag 2010 (april 2011) geeft een overzicht van het werk van de Rob. De Raad bracht zes adviezen uiten een andere publicatie. Over het overkoepelende advies Vertrouwen op democratie organiseerdenuniversiteiten, overheden en andere organisaties in samenwerking met de Raad vijftien discussiebijeenkomstenin het land. De meeste adviezen kregen veel publiciteit, ook van de landelijke media.Algemene Rekenkamer (ARK)De taken van de Algemene Rekenkamer zijn neergelegd in de Grondwet en vervolgens in de Comptabiliteitswet1976 en enkele andere wetten. Haar grondwettelijk taak is het doen van ‘onderzoek van de uitgaven enontvangsten van het Rijk’ (art. 76). In de loop der tijd is de scope van de AR verbreed naar bv. de socialezekerheid en geldstromen van het rijk naar het bedrijfsleven. De onderzoeken zijn in te delen in rechtmatigheids-en doelmatigheidsonderzoeken.In het rapport ICT bij de politie (juni 2011) zijn de bevindingen neergelegd naar de IT-governance en de centraleIT-voorzieningen bij de politie. Onderzocht werd de stand van zaken rond de IT-governance - waaronder dearchitectuur - en de basisvoorzieningen (BVH, BVO, BVCM, BVI). De belangrijkste aanbevelingen zijn:● de overgang van zeven verzorgingsgebieden naar één centraal landelijk verzorgingsgebeid;● versterking positie LCIO t.a.v. ICT-budget en aansturing aanbodorganisatie;● vasthouden aan strategische koers;● naleven landelijke kaders/principes en inperken van ‘ongeleide’ initiatieven;● vaststellen architectuurprincipes en harmoniseren/standaardiseren van de primaire werkprocessen bij de politie.DiversenIn het jaarverslag over 2009-2010 van de Hoge Raad der Nederlanden wordt geconstateerd dat hetinternationale recht en het recht van de Europese Unie steeds meer doorwerkt in de rechtsgebieden waar deHoge Raad zich mee bezig houdt, t.w. het civiele recht, het strafrecht en het belastingrecht. Geconstateerd wordtdat dit een boeiende maar ook een complexe materie betreft.In het rapport Twitter in Crisiscommunicatie, Een onderzoek naar de mogelijkheden van het gebruik vanTwitter tijdens crises (mei 2010), onderzoekt het COT, Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, devolgende hoofdvraag: is Twitter een geschikt crisiscommunicatie-instrument voor de overheid en zo ja, wat zijn devereisten voor een effectieve inzet van Twitter bij rampen en crises? 56
  • 57. De hoofdconclusies zijn dat:1. Twitter een geschikt crisiscommunicatie-instrument voor de overheid is en2. Een effectieve inzet van Twitter als instrument ten tijde van rampen en crises mogelijk is.Uit de bevindingen van het onderzoek volgen een aantal aanbevelingen:1. Benut de mogelijkheden die de sociale media bieden voor crisiscommunicatie;2. Ontwikkel een werkwijze om Twitter op een goede manier in te zetten tijdens crises;3. Maak een keuze of Twitter alleen ingezet gaat worden voor het verspreiden van informatie over de crisis, of ook om interactie te hebben met mensen die vragen hebben;4. Maak als organisatie een Twitter-account aan en laat deze verifiëren door de dienstverlener;5. Werk in een vroeg stadium aan het realiseren van een netwerk;6. Houdt rekening met de eigenschappen van de doelgroepen.In een studie naar de Doelmatigheid van het middelbaar beroepsonderwijs (november 2010), uitgevoerd doorIVA beleidsonderzoek en advies, kunnen geen ‘digitale’ conclusies worden getrokken. Analyse kan plaatsvindenvanuit veel verschillende perspectieven en bovendien ontbreken vaak referentiekaders en normen om uitsprakente doen over de mate van doelmatigheid (‘voldoende’, ‘optimaal’). Daarenboven zijn vergelijkingen met anderelanden of sectoren vaak of slechts ten dele mogelijk. Wel laat de empirische analyse zien dat het mbo, binnen dehuidige condities, op de meeste doelen doelmatig is. Echter, dit neemt niet weg dat de doelmatigheid noggeoptimaliseerd kan worden. In het rapport constateert men al met al dat het vormgeven van een maximaaldoelmatig stelsel voor het beroepsonderwijs bezien vanuit de verschillende doelen, belanghebbenden enreferentiekaders een bijna onmogelijke opdracht is.In relatie met het IVA-rapport kunnen de conclusies worden gezien van de commissie ‘Onderwijs en BesturingBVE’ (commissie Oudeman) die als opdracht had te onderzoeken of het mbo nog wel organiseerbaar enbestuurbaar is. De belangrijkste conclusies in hun rapport Naar meer focus op het mbo (november 2010) warendat het mbo goed bestuurbaar is, maar de besturing beter moet. Vereenvoudiging van regels is welkom, maareen stelselwijziging is uit den boze. De scholen moet van de overheid de ruimte krijgen om de te focussen op hunkerntaak: het bieden van goed vak- en beroepsonderwijs. 57
  • 58. 29Bijlage 4 ● Recente publicaties van de Inspectie Openbare Orde en VeiligheidInspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV)De IOOV houdt namens de minister van Veiligheid en Justitie onafhankelijk toezicht op de wijze waarop bestuur,hulpverleningsdiensten en instanties hun taak uitoefenen en wet- en regelgeving naleven met het oog op eenveilige samenleving. De inspectierapporten geven inzicht in de prestaties van de betrokken organisaties. Hiermeelevert de Inspectie een bijdrage aan de veiligheid in de samenleving.Het rapport Onderzoek Samenwerkingafspraken politie 2008, stand van zaken 2010 van mei 2010 is eenvervolgonderzoek naar de in 2008 niet volledig gerealiseerde afspraken tussen de (toenmalige) politieministersvan BZK en van Justitie en de korpsbeheerders. Het betreft vier afspraken op het gebied van ICT (t.w. BVH,BVCM, BVO, app BlueView) en één over het kenniscentrum personeelsvoorziening vtsPN. In het rapport wordenzes algemene conclusies getrokken. Naar de toekomst toe pleit de IOOV om allereerst een technisch stabieleICT-voorziening te realiseren. Verder dienen te informatievoorziening en de werkprocessen beter geüniformeerden gestandaardiseerd te worden. Voorts dienen de ICT-systemen te worden verbeterd en vernieuwd. Hetvertrouwen van de gebruikers - de politiemensen in de basisvoorzieningen - moet worden hersteld, om aldusdraagvlak te creëren. De leiding van de politie moet daadwerkelijk tot meer samenwerking en gemeenschappelijkfunctioneren komen.In het rapport Politieonderwijs, kwaliteit afgestudeerden geborgd? uit juli 2010 doet de IOOV onderzoek naarhet initieel onderwijs niveaus 2 t/m 4. De IOOV concludeert onder andere dat de studenten de door depolitieministers (BZK en Justitie) vastgestelde competenties niet volledig beheersen en dat er sprake is vanleegloop. Hierop hebben de politieministers verbetermaatregelen afgekondigd. In 2011 zal de IOOV onderzoekdoen naar de uitvoering van deze maatregelen.In het rapport Stand van zaken verbetermaatregelen afhandeling in beslag genomen drugs van februari2011 constateert de IOOV (i.s.m. de Rijksauditdienst (RAD)) dat de benodigde implementatie en naleving vanverbetermaatregelen rond om het drugsbeslag (afhandeling en vernietiging van in beslag genomen drugs)grotendeels zijn uitgebleven. Zo ontbrak er nog steeds een adequaat model-protocol. Hierdoor kan twijfelontstaan aan de zorgvuldigheid en zelfs de integriteit van de politie en het OM. Hierop zijn door de RKC, hetKLPD en regiokorpsen per direct maatregelen genomen.In het rapport Meer blauw op straat; alleen een zaak van efficiënter plannen? van maart 2011 wordt de vraagonderzocht in hoeverre het Besluit Algemene Rechtspositie Politie (BARP) en de per 1 januari 2008 ingevoerdeLandelijke Arbeidstijdenregeling sector Politie (LAR) belemmerend werkt ten opzichte van de Arbeidstijdenwet(ATW). Op basis van een eerste onderzoek (quick scan) in twee korpsen concludeert de IOOV dat het BARP ende LAR beperkingen met zich meebrengen in termen van een flexibele en efficiënte inzet van de beschikbarecapaciteit. In reactie op deze bevindingen heeft de minster van Veiligheid en Justitie opdracht gegeven om ookonderzoek in andere korpsen te doen. Hierna zal overleg met de politievakorganisaties volgen.In het rapport Politie en de Veilige Publieke Taak van april 2011 onderzoekt de IOOV de in hoeverre deafspraken uit het zgn. Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) naleeft, zoals per april 2010 ingevoerd enonderdeel is van het programma Veilige Publieke Taak (VPT). De hoofdconclusie is dat na ruim een half jaar hetELA nog niet integraal wordt toegepast en nageleefd. Wel timmert het leeuwendeel van de korpsen al behoorlijkaan de weg, maar de IOOV constateert dat 8 van de 25 afspraken nog niet worden nageleefd. Het IOOV komtmet een aantal aanbevelingen om de implementatie van ELA binnen de korpsen verder te optimaliseren.Het rapport Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast uit juni 2011 geeft eeneerste evaluatie van de per 1 september 2010 van kracht geworden Wet maatregelen bestrijdingvoetbalvandalisme en ernstige overlast (mbveo), beter bekend als de ‘voetbalwet’. De meningen zijn verdeeld ofde Wet mbveo een bruikbaar instrument is. Wel zijn de verwachtingen positief. Daar waar de wet daadwerkelijk isingezet is men kritisch, vooral ten aanzien van het voetbaldeel van de wet. In plaats van een ‘koevoet’ blijkt dewet toch met name een ‘precisie-instrument’ te zijn. In juni 2012 verschijnt een tweede rapportage over deze wet.In rapport Kwaliteitsonderzoek School voor Politiekunde uit juni 2011 onderzoekt de IOOV het initiëlepolitieonderwijs op de locatie Rotterdam. De IOOV concludeert dat - hoewel de voorlichting en begeleiding zijnverbeterd in vergelijking tot een vorig onderzoek uit 2007 - het onderwijs en de examinering nog niet voldoendeis. Zo ligt de uitval ruim boven de norm van 8%. In een reactie gaf de minister van Veiligheid en Justitie aan deresultaten onder de maat te vinden en het CvB Politieacademie en het korpsbeheerdersberaad hierop aan tespreken.29 Per 1 januari 2012: Inspectie Veiligheid en Justitie (IV&J) 58

×