Loading…

Flash Player 9 (or above) is needed to view presentations.
We have detected that you do not have it on your computer. To install it, go here.

Like this document? Why not share!

Burgeropsporing

on

  • 1,966 views

 

Statistics

Views

Total Views
1,966
Views on SlideShare
1,846
Embed Views
120

Actions

Likes
0
Downloads
12
Comments
0

3 Embeds 120

http://www.franksmilda.nl 111
http://socialmediadna.nl 8
https://twimg0-a.akamaihd.net 1

Accessibility

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Burgeropsporing Burgeropsporing Document Transcript

  • Opgenomen in “OM congres 2008: de burger als opspoorder” ISBN 978-90-813772-1-8 Burgeropsporing in de dramademocratie Prof. mr Ybo Buruma 1 Deze beschouwing is een vervolg – zo u wilt een antwoord – op enkele prangende vragen die Harm Brouwer, de voorzitter van het College van Procureurs-generaal heeft gesteld in de Mr Gonsalveslezing van 15 februari 2008. Hij vroeg zich af of het OM zichzelf beperkingen moet opleggen bij het gebruik van de vruchten van burgeropsporing en of er (nog meer) wettelijke verboden tot burgeropsporing moeten komen. “Bij burgeropsporing gaat het om activiteiten die, wanneer de politie ze zou ondernemen, als toepassing van een opsporingsbevoegdheid gelden. Voorbeelden zijn: het opvragen van gegevens, mensen horen, camera's ophangen of observeren. Wanneer de overheid dat doet, gelden wettelijke waarborgen, zoals voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris of een verplichting tot nauwkeurige verslaglegging. Een particulier recherchebureau mag daarentegen iemand langdurig op de openbare weg volgen en daarbij foto's en video-opnamen maken.” Met een soort klaroenstoot zei Brouwer: “We willen niet in een politiestaat leven, maar al helemaal niet in een amateurpolitiestaat”. Ik wil het thema in een wat bredere sleutel plaatsen – de sleutel van de dramademocratie. Het gaat me dan vooral om onderzoek van particulieren – wetenschappers of geëngageerde burgers – en journalisten om dramatische misdrijven op te lossen en/of fouten van politie en justitie aan de kaak te stellen. Wij kennen diverse voorbeelden. Er zijn heel wat mensen die in het voetspoor van Maurice de Hond werkelijk onderzoek hebben verricht naar de gebeurtenissen rondom de z.g. Deventer moordzaak. Wetenschappers als de rechtspsychologen Van Koppen en Crombag en de wetenschapsfilosoof Ton Derksen hebben boeken geschreven op basis van gedegen onderzoek naar strafbare feiten. Hun activiteiten zijn in feite ‘beloond’ doordat in de instructie van de Toegangscommissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken een ontvankelijk- heidseis bestaat in de omstandigheid dat het verzoek onderzoek naar een afgesloten ernstige strafzaak te doen moet zijn ingediend door een wetenschapper die over de kwestie heeft gepubliceerd (of een klokkenluider). 2 Wat moeten we van dergelijke burgeropsporing vinden? Het is evident dat er risico’s aan verbonden zijn. Men kan zich afvragen of burgers niet over de schreef zullen gaan, of eigenrichting niet wordt gestimuleerd en wat justitie eigenlijk aanmoet met gegevens die zijn verkregen met behulp van methoden waarover de politie zelf niet beschikt. Brouwer waarschuwde voor een cultuur van amateuropsporing waarin alles maar mag, zolang het 1 Met veel dank aan mrs. Sven Brinkhoff en Pieter Verrest 2 De Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken heeft tot doel ‘door middel van onderzoek na te gaan of zich in een specifieke strafzaak in de opsporing, vervolgingen/of de presentatie van het bewijs ter terechtzitting ernstige manco’s hebben voorgedaan die een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan’ (Instellingsbesluit Stcrt 2006, nr 74).
  • mogelijk aan de opheldering van misdrijven bijdraagt. Ook ik heb mijn bedenkingen bij journalisten die met een verborgen camera heimelijke opnamen maken in iemands woning. Dat zelfde geldt voor het optreden van de onbekende middenstander die via YouTube beelden verspreid van degenen die zijn winkel hebben beroofd. De clausulering ‘waarin alles maar mag’ maakt het gemakkelijk het met de stelling van Brouwer eens te zijn. Maar lang niet alle amateuropsporing gaat gepaard met handelen op of over de schreef. Wat moet de Nederlandse rechtsstaat vinden van Peter R. de Vries, Maurice de Hond en Peter van Koppen? Moet hun werk worden toegejuicht, of moet het sterker dan nu het geval is worden ontmoedigd? Mijn stelling is dat dit de verkeerde vraag is en niet alleen omdat het een valse tegenstelling is. Burgeropsporing is een onvermijdelijk bijproduct van de dramademocratie ten aanzien waarvan wel bezien moet worden hoe we ermee zouden moeten omgaan. Om die stelling te onderbouwen geef ik eerst wat context, waarbij ik de term drama- democratie nadere inhoud geef. Vervolgens bezie ik wat Frankrijk ons te leren heeft en dan ga ik op de vragen van Brouwer in. Dramademocratie De term dramademocratie is afkomstig van de Belgische socioloog Mark Elchardus. 3 Zijn boek – zowel analyse als pamflet - was een reactie op de heftige emotionaliteit van en in de media en de politiek in het België van de jaren 1990 (met de Dutrouxaffaire als hoogtepunt). Het boek werd in Nederland goed ontvangen toen het uitkwam in het jaar waarin Pim Fortuyn werd vermoord. Volgens Elchardus hebben de media de rol van vertrouwde instellingen zoals het gezin, de zuilen en de daarmee verbonden sociale organisaties aan het eind van de 20ste eeuw overgenomen. Onder de bevolking maken de media gevoelens van onbehagen en onvrede toegankelijk voor de gehele bevolking, terwijl zij deze gevoelens versterken door ze te dramatiseren. Dit is gepaard gegaan met (en heeft misschien wel geleid tot) een erosie van vertrouwen van burgers in hun leiders en in democratische instellingen. Het boek was inspirerend, maar met het oog op ons onderwerp is enige precisering op zijn plaats. Ik geef die door drie aspecten uit te lichten: de veranderde rol van wat de media doen; de veranderde democratische betekenis van de media; en het belang van de media voor de veiligheidszorg. De dramademocratie wordt in de eerste plaats gekenmerkt door media die 24-uur beschikbaar zijn en moeten concurreren met elkaar (kranten onderling; tv-zenders onderling) en tussen elkaar (televisie en Internet). Dat heeft gevolgen gehad en ik licht er drie toe: minder verificatie, meer emotie, meer commentaar dan feiten. Na de daartoe benodigde uitvindingen in de tweede helft van de 19e eeuw, hebben kranten, radio en bioscoopjournaals het grote publieksbereik gekregen waar we nu mee vertrouwd zijn. Redacteuren en uitgevers bepalen wat ‘fit to print is’. Die omstandigheid heeft bijgedragen aan het gebruik van media voor propagandadoeleinden in en om WO I 3 M. Elchardus, De dramademocratie, Lannoo 2002; zie ook diens De schizofrenie van populaire politiek of: hoe ernstig te zijn in een dramademocratie, WRR lecture 2003.
  • en WO II, maar in rustiger tijden zeker ook aan een nadruk op kwaliteit. Degelijke kranten verifiëren het nieuws en betrachten een zekere distantie. Het publiek wordt geïnformeerd en verstrooid op een wijze die door de elite goed gevonden wordt. Daar verandert aanvankelijk weinig in als in de jaren 50 de televisie aan zijn opmars begint. 4 Als in de jaren 1960 beelden uit Vietnam en van het optreden van studenten in de hele wereld via de televisie ook in de Nederlandse huiskamers binnenkomen, blijkt de kracht van de media op een nieuwe manier. De indringendheid van de beelden, de snelheid waarmee ze verspreid worden en de komst van steeds meer (na 1989 ten onzent ook commerciële) tv-stations, dragen dan bij aan een culturele omslag die in Nederland samenviel met de ontzuiling. In het algemeen lijkt het individuele oordeel van mensen steeds meer te worden bepaald door wat ze zelf willen zien dan door wat zuilen of andere institutionele opinieleiders voor hen hebben gekozen. De uitvinding van Tim Berners-Lee in 1989 van het world wide web zal een nog revolutionairdere ontwikkeling in gang zetten. Door de beschikbaarheid bij het grote publiek van allerlei foto- en filmapparatuur kunnen opnames van particulieren al worden gebruikt voor de televisie. Camera’s in winkels en banken leveren beelden die dienstig zijn voor het opsporen van overvallers. En als in 1991 Rodney King wordt afgetuigd door de politie van Los Angeles gaat een amateur-videofilmpje van een toevallige voorbijganger de wereld over. Dankzij het world wide web duurt het dan nog maar een paar jaar als burgers zelf nieuws gaan uitzenden, eerst via nieuwsbrieven en dankzij YouTube ook al snel door het uploaden van beeldmateriaal. Dit is mogelijk zonder tussenkomst van de klassieke poortwachters (de uitgevers en hoofdredacteuren). Het belang hiervan werd zichtbaar toen Internetjournalist Matt Drudge de aanjager werd van wat de Lewinskyaffaire zou worden, die de Amerikaanse president Clinton ernstige moeilijkheden heeft bezorgd. De traditionele media (kranten, radio en tv) probeerden zich aan te passen aan deze omstandigheden. In hun onderlinge concurrentie hielden zij vast aan het klassieke belang van scoops. De snelheid van de berichtgeving ging gepaard met een verlaging van de standaarden van verificatie van de juistheid van de berichtgeving. Zo werden anonieme bronnen steeds vaker aanvaard: was Deep Throat – de bron van Woodward en Bernstein in de Watergate-affaire - ook niet anoniem geweest? Bovendien ging distantie als journalistieke waarde verloren. Zeker onder invloed van de televisie werd emotie ook in steeds meer serieuze media toegelaten. Dat heeft een vertekenend effect. Omdat het gemakkelijker is het leed van een individu te tonen dan de complexiteit van factoren die een bepaalde situatie hebben doen ontstaan, draagt deze ontwikkeling bij aan een zeker wantrouwen ten opzichte van ‘het systeem’. Een derde gevolg van de proliferatie van nieuwsmedia was dat het belang van nieuwsgaring en verslaglegging het soms welhaast leek af te leggen tegen het belang van commentaar van politici en al dan niet verstandige publieke intellectuelen. Zo wordt nieuws gemaakt. 5 Deze mediageschiedenis die niet alleen Nederland betreft, heeft gevolgen voor de manier waarop de democratie functioneert. Natuurlijk is het zo dat nieuws en commentaar soms gepaard gaan met oververhitting van de parlementaire debatten. Het volstaat echter niet 4 Asa Briggs & Peter Burke, Sociale geschiedenis van de media, Sun 2003 (2002) 5 Bill Kovach and Tom Rosenstiel, Warp Speed, New York : Century Foundation Press 1999; Asa Briggs en Peter Burke, Sociale geschiedenis van de media, SUN 2003 (2002).
  • om in dat verband louter schamper te doen over incidentenpolitiek. De Franse politicoloog Pierre Rosanvallon heeft een constructiever beeld en spreekt in dit verband van de ‘controledemocratie’. 6 Hij bedoelt daarmee dat controle vanuit de burgerlijke samenleving op de politiek steeds meer plaatsvindt door enerzijds aantijgingen en onthullingen en anderzijds door verantwoorde evaluaties en contra-expertise. In de controledemocratie lijkt een veto vanwege een schandaal soms belangrijker dan de passieve consensus die voortvloeit uit de verkiezingen (de indirecte democratie) of de actieve participatie in de partijpolitiek. Door onthullingen e.d. wordt de reputatie van de overheid getest. Dat moeten we niet alleen negatief duiden. Het betekent immers dat controle op de executieve overheid niet met intervallen gebeurt (zoals bij verkiezingen) maar permanent plaatsvindt. Het betekent tevens dat de controle niet louter door georganiseerde (maar daarmee ook deels gecompromitteerde) machtsblokken geschiedt, maar ook door individuen. En steeds vaker door onafhankelijke, nieuwe belangengroepen en nieuwe toezichtmechanismen. De afdaling van de controle op de executieve van parlement en rechter naar media en particuliere onderzoekers past daarbij. In de hedendaagse controledemocratie wordt de burger als kiezer steeds meer vervangen door het publiek als ‘jury’. Wat ik zojuist noteerde met betrekking tot de ontwikkelingen ten aanzien van de media en de werking van de democratieën, is uiteraard nogal grofkorrelig. Maar zonder deze achtergrond is het m.i. moeilijk te begrijpen wat er op het spel staat als we ons buigen over de vraag hoe we moeten aankijken tegen burgeropsporing in de dramademocratie. Veiligheid in de dramademocratie De algemenere gevoelens van onbehagen en onvrede die in de dramademocratie snel de kop opsteken, zijn bij uitstek te projecteren op het domein van het strafrecht. Het gaat om emoties die minder van doen hebben met eigen ervaringen, dan met gebeurtenissen waarover men via de media heeft gehoord. Dat kunnen ook emotionele gebeurtenissen zijn waarover de media nauwelijks geïnformeerd rapporteren. Het beeld van een onthutst slachtoffer en het commentaar van een politicus of een publieke intellectueel bepalen op dat vlak nogal eens het gevoelen van de rest van de bevolking. Maar er is een derde aspect van de dramademocratie – naast de mediageschiedenis en de ontwikkeling naar de controledemocratie – dat we niet mogen miskennen. Dat is dat de overheid zelf een appèl doet op de burgers. Ik herinnerde en passent al aan het gebruik van beelden van bewakingscamera’s in door de politie gebruikte programma’s als Opsporing verzocht. Dit is echter maar één voorbeeld. Bij herhaling wijst de regering er op dat veiligheid niet alleen door de overheid kan worden bewerkstelligd, maar dat de burgers er zelf aan moeten bijdragen. Laatstelijk gebeurde dat in de begroting 2008-2009: “Veiligheid is ook een verantwoordelijkheid van burgers. Dat geldt voor het voorkomen van delicten en daderschap, maar ook voor het omgaan met slachtofferschap. Een overheid die zich in toenemende mate exclusief verantwoordelijk maakt voor veiligheid, moet ervoor waken waardevolle maatschappelijke mechanismen te verstoren. Justitie wil daarom aansluiten bij het 6 Pierre Rosanvallon, Democracy Past and Future, Columbia UP 2006, p. 235-252
  • vermogen van de samenleving om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor veiligheid en andere publieke of semi-publieke taken”. 7 Deze gedachte is weinig bedreigend, als we daarbij vooral preventieve maatregelen van burgers en bedrijven voor ogen hebben. Het gaat dan om maatregelen ter beperking van de gelegenheid tot het plegen van delicten, zoals het plaatsen van extra sloten op de deur. Of om maatregelen waardoor de (gepercipieerde) pakkans wordt vergroot, zoals menselijk toezicht of het ophangen van camera’s in parkeergarages. 8 Diverse wets- wijzigingen zijn zelfs tot stand gekomen om burgers en particuliere organisaties onder omstandigheden te dwingen aan hen ter beschikking staande gegevens (zoals video- opnames) in het belang van de opsporing af te staan aan de overheid. Natuurlijk heeft de overheid er ook overigens baat bij als zij wordt geïnformeerd. Daarbij gaat het niet alleen om de klassieke getuigenverklaringen die worden afgelegd op verzoek van de politie, maar ook om het streven om informatieverstrekking uit eigen beweging te vergemakkelijken. Dat streven blijkt uit de invoering van het algemene hulpnummer 112, de mogelijkheden om via Internet aangifte te doen en de invoering van kliklijnen die het anoniem melden mogelijk maken. Het wordt echter ingewikkelder als burgers opstaan om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen. Dergelijk burgeringrijpen is onderwerp van een ander onderzoek dat ik zojuist heb afgerond in opdracht van de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie. Het wordt eveneens ingewikkelder als de burger zelf quasi-opsporingsonderzoek gaat doen. En daar gaat het vandaag om. Een tussenconclusie is wel mogelijk. De ontwikkeling van de burgeropsporing is een wereldwijd verschijnsel. De media maken publicatie van eigen bevindingen van burgers gemakkelijk, maar ze maken het ook gemakkelijker dan vroeger zelf onderzoek te doen. Soms is de justitiële overheid daarmee geholpen. In de zaak over de vermoorde Corine Bolhaar en haar twee kinderen werd de zaak onder invloed van een uitzending van Peter R de Vries hervat – hetgeen leidde tot een veroordeling, 22 jaar na de moorden. 9 In de controledemocratie schuilt er een zekere rechtvaardiging in dergelijk onderzoek, maar dat gaat soms tegen overheidsbelangen in. Leidde de uitzending van het filmpje van het geweld tegen Rodney King niet tot afschuwelijke rellen? In elk geval heeft het helpen van de overheid via burgeropsporing als logische tegenpool dat controle van de overheid via burgeropsporing evenzeer kan plaatsvinden. Franse toestanden De verhouding tussen media en strafrecht is weliswaar wereldwijd veranderd, maar hoe dat is gebeurd verschilt per land. Wij denken misschien dat Nederland met de activiteiten van de Emmy-award winnende misdaadjournalist Peter R. de Vries en de opiniepeiler (en –leider) Maurice de Hond iets bijzonders aan de hand is, maar het is niets vergeleken met wat in het buitenland gebeurt. Ter illustratie een paar opmerkingen over Frankrijk. 7 Rijksbegroting 2009; Justitie, begroting VI, pag. 8 8 Zie L. van Noije en K. Wittebrood, Sociale veiligheid ontsleuteld, SCP 2008. 9 HR 21 november 2006, NJ 2007, 543 m.nt YB
  • Strikt juridisch is Frankrijk voor ons geen erg interessant voorbeeld, omdat het slacht- offer daar zelf de vervolging op zich kan nemen (action civile). Dat onder die omstandigheden burgeropsporing anders in elkaar zit dan in Nederland is niet verrassend. Vanuit een media-oogpunt is Frankrijk niettemin hoogst interessant, zo bleek mij uit informatie van mr Pieter Verrest. De aandacht voor misdaad in de Franse media verschilt sterk van die in Nederland. Onderzoeksjournalisten leggen herhaaldelijk schandalen bloot, onder meer over witte boordencriminaliteit. Te denken is aan krantenartikelen, boeken en documentairefilms over Crédit Lyonnais, oliebedrijf Elf, en recenter over ‘Angolagate’ - het internationale wapenhandelschandaal waarbij de zoon van oud-president Mitterand is betrokken. We zouden kunnen zeggen dat de research neerkomt op burgeropsporing met dien verstande dat van de vruchten van het onderzoek eerst verslag wordt gedaan in de journalistieke berichtgeving ongeacht of de politie en justitie daar eerst van op de hoogte worden gesteld. Die verslaglegging wordt vervolgens gelardeerd met commentaar, waardoor politiek en justitie een indruk krijgen van de urgentie van het aangedragen onderwerp. 10 Hoewel de door onderzoeksjournalisten opgediepte politiek-financiële schandalen tot politieke interventies leidden, is dat veel minder het geval met commune strafzaken. De Franse politiek is minder geïnteresseerd in lopende strafzaken dan de Nederlandse politiek. Wel komen er vaker dan in Nederland processen voor tegen journalisten en boekenschrijvers. Dat zit als volgt. Er is een levendige traditie om achtergrondverhalen van strafzaken te maken. Serieuze sterverslaggevers als Pascale Robert-Diard (Le Monde) beschrijven dan met een bijna literaire pen de dialoog tussen rechter en verdachte en vragen die rijzen over de totstandkoming van het bewijs. Maar onder de noemer ‘faits divers’ waartoe ook de misdaadverslaggeving wordt gerekend, publiceren regionale kranten en het glossy Paris Match de bloederigste details - sommige gestaafd met foto’s van de crime scene, jeugdfoto’s van de dader en foto’s van de laatste zonvakantie van het slachtoffer. En dat leidt dan tot strafzaken die met een action civile beginnen (naar aanleiding van beweerde strafbare feiten op grond van het mediarecht) en tot korte gedingen tegen publicaties. De rechter toetst in deze procedures uitvoerig de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, de diepgang van het journalistieke onderzoek en recht op hoor- en wederhoor. Opvallend is hoezeer in vergelijking met Nederland misdaadverslaggeving ook een plaats inneemt op de televisie. Zeker, naast Peter R zijn er ten onzent meer programma’s over misdaadverslaggeving. Maar de frequentie in Frankrijk is groter en er zijn meer genres. In de tv-gids van 22-28 september 2008 telde ik zes ‘real crime’ programma’s, waarvan de helft op prime time werd uitgezonden en we aan een duur van minstens 90 minuten moeten denken. Maandag 22 september TF1, prime time: L’Affaire Bruay-en-Artois, een nagespeelde echte moordzaak uit 1972. Maandag 22 september France 3, prime time – Cour d’assises: crimes et châtiments’, een documentaire over leden van de jury. Dinsdag 23 september, France 2, late night – Faites entrer l’accusé, een uitzending waarin een strafdossier van een reeds opgeloste strafzaak (een pedofiliekwestie uit 2003) wordt behandeld 10 Over agendasetting en ontijdige maatschappelijke oordeelsvorming schreef ik Media en de parlementaire enquête opesporingsmethoden, in: A. Ellian en I.M. Koopmans (red.), Media en strafrecht, Kluwer 2001.
  • Vrijdag 26 september,Canal+, late night – Henri Curiel, un crime politique, documentaire over een onopgeloste politieke moord uit 1978 Zaterdag 27 september, France 3, late night – Affaires classées, ook een uitzending waarin een strafdossier van een reeds opgeloste strafzaak (een moord uit 1993) wordt behandeld Zondag 28 september, M6, prime time – Zone interdite, een programma waarin twee uur wordt meegelopen met een ‘mythique brigade criminelle du 36, quai des Orfèvres’. Voor al die programma’s moet diepgaand onderzoek zijn gedaan. Het meest treffen we uitgebreide reportages aan over zaken die al geheel zijn opgelost en berecht. Een soort reconstructie dus van daad, opsporing en berechting. Populair is ook het ‘reality-format’. Journalisten mogen een dag mee met een recherche-eenheid, een week officieren van justitie vergezellen of een ochtend invallen doen met het Arrestatieteam. De Franse situatie leert ons dat Nederland op dit vlak niet voor een uniek probleem staat. Met enige jaloezie kijk ik naar de onderzoeksjournalistiek over de witte boorden criminaliteit. Dit type journalistiek is bij ons zeldzaam, maar bij gebrek aan parlementaire belangstelling voor dit soort thema’s broodnodig. Maar ik kan niet ontkennen dat het Franse journalistieke activisme ook nadelen toont. Een goed voorbeeld waarin een ‘faits divers’-onderzoek letterlijk of figuurlijk bezweek onder alle media-aandacht is het geval van de Petit Grégory. Het ging om de moord in 1984 op een vierjarig jongetje Grégory Villemin in een klein dorpje in de Vogezen. Een invasie van journalisten volgde en de media schiepen een hysterische sfeer. De politie houdt de zwager van de vader aan. Kort nadat deze weer is vrijgelaten, wordt hij door de vader doodgeschoten. Die had in de media verklaard, dat als de justitie haar werk niet deed, hij dat wel zou doen. De vader wordt later tot (slechts) 5 jaar cel veroordeeld voor deze moord. Vervolgens wordt de moeder op grond van grafologisch onderzoek aangehouden en kort daarop weer vrijgelaten. De beroemde schrijfster Marguerite Duras schrijft in een landelijk dagblad een openbare aanklacht tegen haar zonder al teveel van de feiten van het onderzoek te kennen. Geleidelijk aan wordt de moeder steeds meer beschreven als een diabolische manipulator. In 1993 zal ze buiten vervolging worden gesteld. In 2001 wordt het onderzoek zonder succes heropend. Als voorlopig besluit van de affaire du Petit Grégory wordt de Franse Staat in 2004 veroordeeld voor faute lourde (een administratiefrechtelijke onrechtmatige daad), in een procedure aangespannen door de ouders. Het onderzoek is dermate slecht verricht, dat de Franse Staat schuldig is aan een série de faits traduisant l’inaptitude du service public de la justice à remplir la mission dont il est investi. 11 Die zaak riep minstens drie vragen op die illustratief zijn voor de gevaren van de rol van de media in de dramademocratie. Is de kwaliteit van het opsporingsonderzoek afgenomen als gevolg van de activiteiten van de journalisten? Is de vader – die een vrijgelaten verdachte doodschoot - door de media tot zijn emotionele daad gebracht? Is de moeder onschuldig als dader aan de schandpaal genageld door het commentaar van een beroemde schrijfster die de feiten onvoldoende had geverifieerd? De laatste twee vragen sluiten naadloos aan bij wat ik hiervoor kenmerkend noemde voor de ontwikkeling van de media in de dramademocratie: minder verificatie, meer emotie en commentaar. 11 Berichtgeving uit L’Alsacien, L’Humanité, Le Monde; en verder M. Chavannes, Wraak aan de Vologne, in: NRC/Handelblad 18-12-1993. Over de kwalijke rol van de media in de affaire schreef Laurence Lacour, Le Bûcher des innocents, Plon, Parijs 1993, herdruk 2006 (en verfilmd voor de tv).
  • Wat is er eigenlijk mis met burgeropsporing? Dat brengt me dan bij de kern van deze beschouwing: de behandeling van de vraag wat er mis is met burgeropsporing? Ik denk dat drie typen argumenten zijn te onderscheiden. 1. Men vreest dat burgers bij de reguliere opsporing in de weg lopen en bijdragen aan een afnemende kwaliteit van de opsporing. 2. Men vreest dat burgers derden benadelen, zoals in de zaak van petit Grégory. 3. Men vreest een verlies aan gezag voor politie en justitie ten gevolge van burgeropsporing. Ik zal deze drie punten nader uitwerken. Laat ik vooropstellen dat het eerste punt – de storingsfactor – reëel is. Het is nu al zo dat de druk die uitgaat van slachtoffers of nabestaanden, van indirect getroffenen of zelfs het grote publiek ietwat storend kan werken. Politie en justitie worden steeds vaker geacht tekst en uitleg te geven in onderzoeksfasen waarin zij dat niet noodzakelijk willen. Dat kost tijd aan woordvoering. Dit aspect is evenwel in zoverre te relativeren dat het OM blijkens de nieuwe richtlijnen op dit gebied principieel hebben gekozen voor een ‘alert en assertief voorlichtingsbeleid’: dat vergroot het vertrouwen in en de legitimiteit van OM en politie. 12 Natuurlijk: het OM moet zich voegen naar de eisen van de dramademocratie. Toch kunnen er hinderlijke neveneffecten ontstaan. Wat gebeurt er met zo’n dorpje als het dorp van de petit Grégory – maar we kunnen ook denken aan Aruba of Bonaire - wanneer daar een zwerm journalisten opduikt? En meer van justitiële aard is de hinder die ontstaat als derden bijvoorbeeld via de media en onbedoeld komen te beschikken over daderkennis. Dat kan zelfs gevaarlijk zijn vanwege het verschijnsel dat veel media- aandacht voor grote zaken wonderlijk genoeg ook leidt tot vrijwillige valse bekentenissen. Ook ander onderzoek kan hierdoor worden beïnvloed. Druk uit de samenleving heeft effect op de prioritering van onderzoek.13 De media kunnen bijdragen aan een soort moral panic waardoor men aan ander onderzoek minder toekomt. 14 Ik verbeeld me dat dit een van de redenen is waarom in Nederland zo buitengewoon weinig aan witte boordencriminaliteit wordt gedaan. Natuurlijk zijn er ook andere factoren in dat verband van belang (gebrek aan expertise bij politie en OM), maar een individueel slachtoffer waarvan het betraande gezicht in alle huiskamers te zien is, heeft meer impact dan duffe opnames van kasregisters. Niettemin meen ik dat deze problemen moeten kunnen worden ondervangen. Profes- sionele woordvoerders kwijten zich tegenwoordig heel behoorlijk tot uitstekend van hun taak; men is zorgvuldig in het bepalen wat wel en wat niet naar buiten komt. Het is zelfs zo dat de vraag steeds interessanter wordt of en zo ja in welke mate de politie zelf de media gebruikt. Via het programma opsporing gezocht gebeurt dat op transparante manier. Maar er wordt zoveel uit politiedossiers naar de media gelekt, dat je je soms afvraagt of dat niet gebeurt met de bewuste bedoeling om ‘reuring’ te weeg te brengen in de onderwereld. En wat betreft de vraag of politie en justitie wel de juiste prioriteiten stellen lijkt het probleem uiteindelijk minder te liggen bij de massamedia dan bij politici en leidinggevenden voor wie het moeilijk is het minder spectaculaire onderzoek te beschermen tegen de waan van de dag. 12 Aanwijzing voorlichting en opsporing 2007/A017 13 C.J. de Poot, R.J. Bokhorst, P.J. van Koppen, E.R. Muller, Rechercheportret, Kluwer 2004, p. 326 14 Michael Tonry, Thinking about Crime, Oxford UP 2004, p. 86; David Garland, The Culture of Control, Oxford UP 2001, p. 172.
  • Onrechtmatigheden tegen derden Het tweede probleem krijgt doorgaans de meeste aandacht: burgeropsporing kan leiden tot onrechtmatigheden jegens derden. We zagen al de akelige situatie dat de moeder in de zaak van petit Grégory aan de schandpaal werd genageld. Iets dergelijks – maar op een veel kleiner niveau hebben we in Nederland meegemaakt naar aanleiding van een steekpartij in Scheveningen. Nadrukkelijk overweegt de rechtbank in die zaak dat verdachte die had geprobeerd de zaak te beëindigen zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig feit dat hem telast is gelegd. Die ongebruikelijke formulering – er staat niet louter dat er wordt vrijgesproken – is ingegeven door het feit dat verdachte door alle media- aandacht door de publieke opinie reeds was veroordeeld. 15 Over de onrechtmatigheden is inmiddels een zekere jurisprudentie ontwikkeld die door Sven Brinkhoff op een rij is gezet. Heel kort samengevat komt de juridische stand van zaken op het volgende neer. Strafbare feiten die in het kader van burgeropsporing worden gepleegd, blijven strafbare feiten. Inbraak (art. 138 en 311 Sr), het maken van illegale opnamen (art. 139a-d Sr), heimelijk fotograferen of filmen (art. 139f Sr), vrijheidsberoving (art. 282 Sr), het bedreigen of chanteren van mensen teneinde dingen te vertellen (art. 284-285 Sr), verduistering (art. 321 Sr) en niet in de laatste plaats heling, het uit misdrijf verkregen goed voor handen hebben (art. 416 Sr)– het zijn evident verboden methoden waarvan een burgeropspoorder zich dus niet mag bedienen. 16 Ze komen wel voor. Een voorbeeld is een zaak waarin een credit card maatschappij medewerkers op pad stuurde om vermoedelijke fraudeurs te achterhalen en ontmaskeren. Deze medewerkers bleken zich onder meer te hebben schuldig gemaakt aan uitlokking van diefstal (uit de brievenbussen van de fraudeurs) en illegaal maken van geluidsopnames. 17 De meeste (bijzondere) opsporingsmethoden waarover de politie kan beschikken worden gespiegeld in deze aan de burgers verboden feiten. Als we ons wat dit betreft zorgen maken over burgeropsporing, is nadere strafbaarstelling niet nodig. Nu zijn er twijfelgevallen en in zijn eerder aangehaalde tekst heeft Brouwer juist die twijfelgevallen aangewezen. Iemand langdurig heimelijk volgen op een openbare weg vergt soms – namelijk op grond van een interne OM-richtlijn in geval gebruik wordt gemaakt van een video-apparaat – een observatiebevel als de politie het doet, terwijl een particulier het zo maar mag. En het verhoor van een verdachte kent inderdaad de voorwaarde dat de politie de cautie geeft (en sinds kort soms een band laat meelopen), terwijl een particulier zomaar een praatje kan aanknopen. Dat zijn geen verschillen waar ik erg warm van wordt, maar ik zie het punt van Brouwer wel. Zelf zou ik eerder hebben gedacht aan hoogwaardige datamining waar particulieren toe in staat zijn en de politie zelden of nooit aan toekomt. Maar meer nog zou ik hebben gedacht aan het volgende. De vervolging van strafbaar gestelde methoden komt niet – of uiterst sporadisch – voor. Dat is nog te begrijpen als het om heimelijk filmen gaat. In het betreffende art. 139f Sr is als vereiste opgenomen dat het filmen wederrechtelijk geschiedt en dat is vooral gebeurd 15 Rb Den Haag 18 oktober 2007, LJN BB5930 16 Voorbeelden van bedreiging of chantage zijn ons overigens niet onder ogen gekomen. 17 HR 1 juni 1999, AAe 2000 (2): 117-121 (Particuliere opsporing); ook opgenomen in A.B. Hoogenboom e.a. (red.), Privatisering van toezicht en opsporing, Vermande, Den Haag 2000: 139-144.
  • met het oog op de overweging dat de vrije nieuwsgaring kan betekenen dat het filmen niet wederrechtelijk was. Of in een concreet geval de vrije nieuwsgaring inderdaad het zwaarst moet wegen, is een kwestie waarover in de Leidraad van de Raad voor de journalistiek het volgende is geschreven: “De journalist publiceert geen foto’s en zendt geen beelden uit die zijn gemaakt van personen in niet-algemeen toegankelijke ruimten zonder hun toestemming, en gebruikt evenmin brieven en persoonlijke aantekeningen zonder toestemming van betrokkenen” (art. 2.4.3). Maar de Raad is van oordeel dat de journalist van deze norm kan afwijken als een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier bereikt kan worden. 18 Het zijn terechte maatstaven die zo zacht zijn, dat je er ogenschijnlijk weinig aan hebt. Toch hanteerde het Hof Leeuwarden dezelfde norm toen het undercover-journalist Alberto Stegeman veroordeelde tot 1000 Euro wegens het heimelijk filmen in een woning. Die methode was volgens het Hof niet nodig om de door hem beweerde misstand aan de kaak te stellen. 19 De bijzondere omstandigheden aangaande art. 139f Sr gelden niet voor de andere strafbepalingen waar burgeropspoorders zich schuldig aan kunnen maken. Toch komen ook andere vervolgingen zelden voor. Ik herinner me bijvoorbeeld geen gevallen na 1996, waarin journalisten die gebruik maken van kennelijk gestolen of met schending van een geheimhoudingsplicht (verg. art. 273 Sr) verstrekte stukken, wegens heling werden vervolgd. 20 Wel was er een recenter geval waarin de auteur van een boek zich (93 keer) voordeed als een ander om mogelijk misbruik van het vertrouwen waarop het bancaire systeem van automatische incasso is gebaseerd. Hij werd onder meer wegens valsheid in geschrift vervolgd en schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Daarmee volgde het Hof een eerdere geval van een journalist die wilde uitzoeken of de controle van overheidswege bij de uitgifte van rijbewijzen adequaat was en zich daarbij van een valse naam had bediend. Noch diens beroep op het journalistieke privilege, noch op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid ging op. Ook hij was schuldig verklaard zonder oplegging van straf. 21 Als er dus in een geval van burgeropsporing vervolgd wordt wegens de gebruikte onderzoeksmethodes, blijkt de rechter nogal weinig lust te hebben een straf op te leggen. De belangrijkste voorbeelden van vervolging die wij hebben kunnen vaststellen waren gevallen waarin de vruchten van burgeropsporing werden gepubliceerd in de media. Dan ging de vervolging dus niet om het gebruik van verboden methoden, maar om smaad o.i.d. Soms wordt overigens niet strafrechtelijk opgetreden, maar kiest een betrokken partij de civielrechtelijke weg. Een voorbeeld is het geval waarin een vordering tot rectificatie tegen een programma van Peter R. de Vries (uit 2004) door de Amsterdamse Politie en een inspecteur van Politie gedeeltelijk werd toegewezen, omdat niet alle aantijgingen aan het adres van de politie en de betreffende inspecteur eenduidig steun vonden in de 18 In de Code voor de journalistiek van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren staat onder 20. “De journalist publiceert geen tekst of foto’s en zendt geen audio-opnames of beelden uit die zijn gemaakt van personen in privé-situaties zonder toestemming van de betrokkene, tenzij met de publicatie een groot maatschappelijk belang is gediend”. 19 Hof Leeuwarden 24 juli 2008, NJFS 2008, 202, LJN: BD8528. 20 De Rechtbank Amsterdam 2 januari 1996 liet twee journalisten vrijuit gaan aan wie gestolen diskettes van een officier van justitie in handen waren gespeeld en die deze in hun programma hadden getoond. 21 Hof Amsterdam 8 maart 2005, LJN AS9143 resp. HR 27 juni 1995, NJ 1995, 711.
  • feiten. 22 Maar ook in de civiele praktijk lijkt het eerder te gaan om bezwaren wegens publicatie dan wegens het toepassen van onrechtmatige methoden. Het gebruik van de vruchten Een ook door Brouwer uitdrukkelijk aan de orde gestelde volgende vraag is wat het Openbaar Ministerie aanmoet met de vruchten van onrechtmatig optreden van burgers. Kan de officier van justitie door een burger toegespeeld materiaal voor het bewijs gebruiken? Doorslaggevend blijkt – o.m. als gevolg van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens – of (en zo ja, in welke mate) de autoriteiten de burgeropsporing hebben aangestuurd. Is er sprake van een sturende of faciliterende rol van politie of justitie dan kan de rechter besluiten tot bewijsuitsluiting. Maar ook hiervan zien we in de praktijk bijzonder weinig voorbeelden. Rechtsvergelijking met de situatie in de VS of België suggereert dat het van een bijna onverantwoord idealisme getuigt, als men zou menen dat dit wat betreft het rechterlijk optreden anders zou kunnen. Onrechtmatige burgeropsporing leidt niet of nauwelijks tot vervolging en evenmin tot bewijsuitsluiting – hoewel beide juridisch-theoretisch mogelijk zijn. Het lijkt me goed om even stil te staan bij de wenselijkheid van deze stand van zaken. Brinkhoff heeft in zijn studie gepleit voor vervolging van grove inbreuken op de privacy door de burger- opspoorders en voor de introductie van een geclausuleerd verbod aan de overheid om te profiteren van onrechtmatige burgeropsporing. Hij schrijft: “Handelt de opsporende burger strafrechtelijk onrechtmatig, dan zou ten eerste dat materiaal niet mogen worden gebruikt dat met een grove inbreuk op het recht op privacy en op een haast professionele wijze is vergaard. Ten tweede dient het materiaal terzijde te worden gelegd dat verkregen is door het schenden van de lichamelijke integriteit of het dreigen hiermee.” Dat lijkt een verstandige benadering. Een extra overweging zou kunnen zijn dat de politie dan ook niet in de verleiding komt om onrechtmatige opsporingsmethoden te ‘outsourcen’ naar burgers. Toch zit ik een beetje met deze oplossing. Laten we eens een ogenschijnlijk gemakkelijke casus nemen. Het kind van Piet is gekidnapt. Hij komt de kidnapper op het spoor en slaat deze man – die niets wil zeggen over de verblijfplaats van het kind - op zodanige wijze dat dit onbetwist als foltering is aan te merken. De kidnapper vertelt dat het kind dood is en wijst de plaats aan waar het lichaam is te vinden. Daarmee is doorslaggevend bewijs tegen de kidnapper/moordenaar geleverd die is gebaseerd is op foltering door Piet. Natuurlijk kan Piet worden vervolgd voor foltering, zoals ook de vader van le petit Grégory werd vervolgd voor moord. Maar zouden we het bewijs moeten uitsluiten? Het gaat nota bene om foltering – een schending van art. 3 EVRM ten aanzien waarvan is vol te houden dat de lidstaten de positieve verplichting hebben deze tegen te gaan. Is profijt van de foltering dan niet (zoals Brinkhoff ook suggereert) uit den boze? Het Europese Hof vond laatst van niet in een casus waarin niet de vader folterde, maar een politiefunctionaris dreigde met foltering. 23 Bij dat oordeel speelde echter een grote rol dat 22 Rb. Amsterdam 30 september 2004, LJN: AR3019. Een uitzonderlijk geval waarin een wetenschapper (die voor de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden had gerapporteerd) deed zich voor in HR 28 juni 2002, LJN AE1544. 23 EHRM 30 juni 2008 (Gäfgen v. Germany).
  • er wel een vervolging tegen de folteraars was ingesteld. Het zou ook wel heel onverkwikkelijk zijn als de moordenaar zijn straf ontliep omdat de vader hem had geslagen! Als deze benadering al voor foltering door een burger opgaat, zal hij helemaal gelden voor inbraak en andere inbreuken op de privacy die een burgeropspoorder toepast. De conclusie lijkt helder: vaker straffen, maar geen bewijs uitsluiten (ondanks het profijtargument)! Nu zouden we de vraag kunnen stellen of het OM wat dit betreft de taak van de rechter moet overnemen en zelf het bewijs uitsluiten van het onderzoek. Er is iets voor te zeggen, dat het OM als filter zou moeten fungeren voor de aanbrengers van delicten. Het argument is al door W. Boot in 1885 – 123 jaar geleden – naar voren gebracht dat het openbaar ministerie is ingesteld om vervolging uit particuliere wraakzucht te voorkomen. “Daarmee is onverenigbaar dat het openbaar ministerie – zoals bij aanvaarding van het legaliteitsbeginsel – gedwongen zou zijn <op alle klachte eene vervolging in te stellen, zelfs op de onbeduidendste, op die welke niet onmiddellijk de algemeene rechtsorde raken en die vaak geen ander doel hebben dan om particuliere hartstocht of wraakzucht te voldoen>”. 24 Wees gerust, ik grijp deze gelegenheid niet aan om nog eens te fulmineren tegen de vervolging van flutdelicten. Vanuit deze redeneerlijn is evenwel te betogen dat het OM ook als filter moet fungeren voor gevallen waarin het de inbreuk van de burgeropspoorder niet in verhouding vindt staan tot het door de inbreuk bekend geworden delict. De door onrechtmatige burgeropsporing ontdekte verdachte moet alleen worden vervolgd als daarmee een groot maatschappelijk belang wordt gediend. Dat eist overigens wel dat het OM bereid is bij dit soort zaken minder in termen van beleid te denken dan in termen van controle in individuele zaken. Er zullen ongetwijfeld gevallen zijn dat het delict dermate ernstig is, dat je als OM wel degelijk het onrechtmatig verkregen, aangeleverde burgerbewijs wilt gebruiken. Maar ten aanzien van het aanvaarden van hulp van de zijde van particulieren die hun wettelijke grenzen hebben overschreden denk ik dat een herstel van de morele functie van het OM wel op zijn plaats is. Ik meen me te herinneren dat de tot nu toe door mij zo geroemde Peter R. de Vries ook een keer een programma heeft gemaakt, waarin hij jonge mannen die eruit zagen als tieners min of meer als lokvogels voor een pedoseksueel inzette. Deze man is toen naar een afgesproken plaats gegaan met het kennelijk doel daar verboden seks te bedrijven. Hij is overigens niet vervolgd. Terecht niet (nog los van de vraag waarvoor dan wel). Soms moet worden gezegd: “Zo doen we dat niet en dat heeft gevolgen”. Maar als het OM dan ondanks de daartoe niet verplichtende rechtspraak soms zelf moet besluiten de vruchten van onrechtmatige burgeropsporing niet te gebruiken, kunnen we ook een andere vraag stellen. Is de vanuit een juridische logica zo aannemelijke conclusie dat onrechtmatige burgeropspoorders vaker moeten worden vervolgd dan ook wel zo juist? Dat is een beduidend kwestieuzere conclusie dan hij lijkt als we louter uitgaan van duidelijke, scherpe voorbeelden. En dat heeft te maken met het derde probleem van burgeropsporing in de dramademocratie. Het verlies aan gezag 24 Aangehaald door J. Simmelink, Rondom de vervolgingsbeslissing, in M.S. Groenhuijsen en G. Knigge (red.), Afronding en verantwoording. Onderzoeksproject Strafvordering 2001, Kluwer 2004, p. 192-193.
  • Het derde probleem waar burgeropsporing ons voor stelt, brengt ons terug bij de dramademocratie. Het is ontegenzeggelijk zo dat journalistiek en wetenschappelijk onderzoek kan leiden tot politieke of juridisch relevante kritiek. Programma’s van Peter R. de Vries hebben zowel geleid tot kamervragen als tot de heropening van het onderzoek in de Puttense moordzaak. De boeken van Van Koppen over de Schiedammer parkmoord en Derksen over Lucia de B hebben eveneens een indringende betekenis gehad. Er is echter ook ander onderzoek geweest dat achteraf geen gevolgen had. Het interview met de ‘undercover partner’ van Peter R de Vries in de Hollowayzaak eindigde voorshands toch vooral in een deceptie. De veronderstelde dader die een bekennende verklaring leek af te leggen, moest vanwege de gaten die in die verklaring zaten toch weer op vrije voeten worden gesteld. 25 Onderzoek van Van Koppen in het kader van het Maastrichtse project gerede twijfel leidt dikwijls wel tot kritiek op zwak gemotiveerde vonnissen of ogenschijnlijk feilen in het opsporingsonderzoek, maar bepaald niet altijd tot harde aanwijzingen dat onschuldige mensen zijn veroordeeld. Het is een goed verdedigbare stelling, dat het belang van dergelijk onderzoek schuilt in het aantonen van de slechte onderbouwing van vervolging en veroordeling. Het past immers in de dramademocratie dat door aantijgingen van beweerde slachtoffers van onrecht en door onderzoek en commentaar van zich in het publiek uitende intellectuelen permanent controle wordt uitgeoefend op de activiteiten van de executieve. Deze benadering heeft evenwel een prijs. Juist omdat in Putten, Schiedam en (vermoedelijk) Lucia de kritiek op de kwaliteit van opsporing, vervolging en berechting gepaard bleek te gaan met onterechte veroordelingen, draagt dergelijk onderzoek sterk bij aan een aantasting van het vertrouwen van het publiek in politie en OM. In de dramademocratie wordt de kritiek op de kwaliteit van de procedure al snel gelijk gesteld aan kritiek op het product. En dat is niet altijd terecht: als een vonnis slecht is gemotiveerd of slecht is te begrijpen hoeft dit niet te impliceren dat het ook teweeg heeft gebracht dat een onschuldige achter de tralies zit. Niettemin kan de ‘hypnotische kracht van herhaling’ die we in de media tegenkomen leiden tot een gestuurd vals geheugen. 26 Bij velen leeft inmiddels de vaste veronderstelling dat er van alles mis is met de stand van het Nederlandse strafrecht. Ik geloof daar niets van en beschouw die opvatting als een gevolg van de kracht van de herhaalde beelden van de twee van Putten – typische Hollandse jongens - en de uit een auto stappende, verlegen glimlachende ten onrechte veroordeelde Kees Borsboom – een slachtoffer-winnaar. Die beelden en de daarbij passende commentaren lijken steeds opnieuw te bevestigen dat onschuldige individuen worden vermalen door te wantrouwen instellingen. In die gevallen waren de veroordeelden inderdaad slachtoffer van een ernstig ongeluk, maar daaruit kun je niet de conclusie trekken dat er ‘van alles mis is’, zoals de dramademocratie het wil. Natuurlijk zijn er inmiddels ook andere zaken die de wenkbrauwen deden fronsen: Lucia de B, de Deventerkwestie, de Enschedese ontuchtzaak, de Amsterdamse butler en zo nog een stuk of tien. Voor dat soort incidenten moeten wij niet de ogen sluiten. Zij kunnen inderdaad voor iets groters staan en dan gelden de woorden van John F. Kennedy na de Varkensbaai: “An error doesn’t become a mistake until you refuse to correct is”. 27 25 En ook over de juistheid daarvan is dan weer discussie. 26 Edward Timms, Waarheid en journalisme. Over Karl Kraus, in Nexus 2008 (nummer 50), p. 204-218. 27 Carol Tavris en Elliot Aronson, Mistakes were made (but not by me), Harcourt 2007, p. 218
  • De signalen die in de dramademocratie naar boven komen, vergen een reactie. Overheids- instellingen zullen open moeten staan voor kritiek, zoals het Openbaar Ministerie heeft gedaan toen het besloot onderzoek in de Schiedammer parkmoord te laten verrichten. De dramademocratie dwingt ons te leren omgaan met emotionele aantijgingen en doorwrocht onderzoek. Op dit moment lijkt het soms de justitie – de overheid in het algemeen - aan de daartoe benodigde veerkracht te ontbreken. Sommigen sluiten liever de ogen dan dat zij van incidenten willen leren; zij vragen zich af of bepaalde kwesties nu wel moeten worden onderzocht. Daarbij speelt misschien een rol dat er onder politici en juristen nog wel erg sterk gedacht wordt: als een fout is gemaakt, moeten er mensen hangen. Men accepteert pech niet als factor; men accepteert een collectieve verantwoordelijkheid van een heel systeem waarin niemand op het juiste moment ‘nee’ zei, niet als factor; men wil een aanwijsbare zondebok. Het zelfreinigend vermogen van politie, justitie en zeker ook de rechterlijke macht is gewoonweg nog niet zo groot. Recent ben ik er nog eens op gewezen hoe anders dit is in ziekenhuizen – traditioneel ook closed shops. Maar daar is het steeds gebruikelijker dat incidenten – bijvoorbeeld leidend tot overlijden op de operatietafel - worden geëvalueerd onder vakgenoten. Was het onvermijdelijk, was het pech, heb je iets over het hoofd gezien, ben je echt stom bezig geweest? Het feit dat de evaluatie onder medici intern geschiedt, is overigens wel principieel anders dan in gevallen waarin burgeropsporing leidt tot publieke kritiek. Maar we kunnen dit ook omkeren. Naarmate de twijfel over het zelfreinigend vermogen van het systeem groter is, is het logischer dat men in de controledemocratie harder roept om inzicht. En dat men meer zelf onderzoek gaat doen. En eventueel meer met aantijgingen aankomt die niet geheel gesubstantiveerd zijn. Wat dat laatste betreft is het opvallend dat we in Frankrijk televisieprogramma’s zien waar dossiers worden nagespeeld. Dat kan daar – men kan achteraf zien wat er is gebeurd. Conclusie Hoe moeten we omgaan met burgeropsporing in de dramademocratie? De rol van de media heeft onze politiek veranderd. Die media werden emotioneler en minder geneigd tot verificatie van wat werd opgenomen. Maar de emotionele aantijgingen die via de media bekend konden worden en de commentaren van publieke intellectuelen droegen wel bij aan een verandering in de politiek van de dramademocratie. In de dramademo- cratie is burgeropsporing (naar incidentele missers) een vorm van directe controle op onze politieke en justitiële instellingen. Dat burgers – of het nu wetenschappers, journalisten of nog anderen zijn – zich bezighouden met opsporing, is te beschouwen als een sequeel van het feit dat de overheid zelf de burgers uitnodigt om aan de veiligheid bij te dragen. Maar waar de overheid dus misschien ook wel terecht gebruik wil maken van de gegevens waarover het publiek onder meer dankzij technische hulpmiddelen beschikt, kunnen die middelen ook tegen haar worden gebruikt. De video-opname van een overval in een winkel kon via Opsporing verzocht worden verspreid, maar het filmpje van het aftuigen van Rodney King ook.
  • Dat neemt niet weg dat er bezwaren kleven aan de burgeropsporing. Waar we van de overheid nog een zekere professionaliteit mogen verlangen zich niet te zeer erdoor te laten hinderen, kan niet ontkend worden dat burgeropspoorders zich aan onrechtmatig- heden kunnen schuldig maken. Soms door de gebruikte methoden en soms doordat ze te lage eisen stellen aan verificatie en distantie en zich teveel laten meeslepen met de emoties van een slachtoffer of het commentaar van een pundit. In de praktijk wordt tegen onrechtmatige burgeropsporing niet of nauwelijks opgetreden. Dat is hooguit anders voor zover de burgeropsporing wordt afgesloten met activiteiten die aan smaad of eigenrichting doen denken. Wat betreft de gedachte dat men frequenter zou moeten overgaan tot vervolging van journalisten en andere burgeropspoorders, aarzel ik. Het idee dat een journalist bijvoorbeeld als heler zou moeten worden beschouwd zodra hij iets publiceert uit een ‘gevonden’ dossier – wat hem ongetwijfeld is toegespeeld door iemand die zijn geheimhoudingsplicht schond – spreekt mij niet aan. Het belang van de – ook door Grondwet en EVRM beschermde - vrije nieuwsgaring is daarvoor niet alleen te groot. Het is zelfs essentieel in de (negatieve) controledemocratie. Dat neemt niet weg dat er in gevallen waarin de journalistiek en/of de burgeropsporing evident onder de maat is, terwijl ze wel wordt afgesloten door negatieve publiciteit over derden wat mij betreft keihard mag worden opgetreden. Ook de dramademocratie mag geen prutswerk legitimeren waar anderen schade van ondervinden. Toch ben ik van mening dat het OM iets vaker zou kunnen overgaan tot vervolging van journalisten, maar liever nog tot het seponeren van door burgeropsporing aangedragen zaken waaraan ernstig onrechtmatig optreden ten grondslag ligt. Wat dat laatste betreft is er weinig verschil met gevallen waarin het materiaal dat aan de politie/justitie wordt toegeleverd is gebaseerd op anonieme bronnen, of waarbij het schort aan verificatie (door vergelijking met andere gegevens) en specificiteit (wilde aantijgingen). Ook bij die gevallen waarin de kwaliteit van de burgeropsporing te wensen overlaat, wordt niet onmiddellijk vervolgd, maar fungeert de officier van justitie als filter. De overheid moet zich in dit soort gevallen echter verder behoedzaam opstellen. Kritiek op burgeropspoorders – en zeker vervolging van hen – kan immers al snel worden uitgelegd als pogingen om controle te weerstaan. Juist organisaties waarvan het zelfreinigend vermogen niet geweldig is, moeten beseffen dat het alleen maar afbreuk doet aan het vertrouwen van het grote publiek als men onderzoeksjournalisten en wetenschappers niet serieus neemt. Emotionele aantijgingen van slachtoffers en gedistantieerd onderzoek van journalisten en wetenschappers kunnen niet meer worden genegeerd in de dramademocratie. ‘Blaming the messenger’ – en dat doet men in geval van vervolging van de burgeropspoorder - is dan de op een na grootste fout die men kan maken. De grootste fout is evenwel als men blind de oplossingen van die slachtoffers, die journalisten of die wetenschappers volgt. Het is een ding om te reageren op een signaal en te onderzoeken of er iets mis is met de Deventer moordzaak of de veroordeling van Lucia de B. Het is iets anders om degenen die het signaal geven te volgen in de door hen gewenste conclusie. Er is immers een verschil tussen probleemanalyse en probleem- oplossing. Eigenlijk is burgeropsporing iets heel moois: het leert de autoriteiten weer dat het niet gaat om beleid maar om zorgvuldig nadenken in concrete zaken.