Leefbare Dorpen

799 views
720 views

Published on

Populaire versie van het onderzoek naar leefbaarheid in de plattelandsgemeente Borsele

0 Comments
2 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total views
799
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
8
Actions
Shares
0
Downloads
6
Comments
0
Likes
2
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Leefbare Dorpen

  1. 1. Leefbare dorpen ‘De sociale draagkracht van dorpen in Borsele’ Publieksversie onderzoeksrapport Middelburg, november 2008
  2. 2. Leefbare dorpen Colofon © Scoop 2008 ‘Leefbare dorpen’ is de publieksversie van het officiële onderzoeksrapport De sociale draagkracht van dorpen in Borsele: leefbaarheid, sociale cohesie en community care in kleine dorpen. Door: Marieke van der Meer, Frans Thissen, Joos Droogleever Fortuijn, Inge van der Tak en Dick van der Wouw (september 2008). Amsterdam: AMIDSt UvA. ISBN 978-90-75246-81-0. ‘Leefbare dorpen’ is tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid van Scoop en Frans Thissen, AMIDSt Universiteit van Amsterdam. Samenstelling Frans Thissen Dick van der Wouw Aly Breemhaar, Breemhaar tekst bureau voor tekst en redactie Foto’s Forumfotografie: Mechteld Jansen Ontwerp, lay-out, drukwerk Scoop Scoop, Zeeuws instituut voor sociale en culturele ontwikkeling Achter de Houttuinen 8 Postbus 407, 4330 AK Middelburg Telefoon (0118) 682500 Telefax (0118) 635311 www.scoopzld.nl scoop@scoopzld.nl 4
  3. 3. Leefbare dorpen Voorwoord De voor u liggende publicatie is de In 1991/1992 is een vergelijkbaar on- publieksversie van het onderzoeks- derzoek gedaan in dezelfde dorpen. rapport ‘De sociale draagkracht van De uitkomsten worden in het rapport dorpen in Borsele’. Dit onderzoek is met elkaar vergeleken. uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam en Scoop in opdracht van Een belangrijke aanleiding voor het de gemeente Borsele en met financiële onderzoek in 2006 was ook de Wet steun van de Provincie Zeeland. In het maatschappelijke ondersteuning, in- rapport zijn gegevens uit verschillende gevoerd per 1 januari 2007. Deze wil onderzoeken bij elkaar gebracht. onder andere de leefbaarheid en so- ciale draagkracht in wijken, buurten Bewonersonderzoek en dorpen bevorderen. Zelfredzaam- Het eerste onderzoek is een onderzoek heid, eigen verantwoordelijkheid en onder bewoners naar de leefbaarheid, actieve inzet van burgers bij het geven de sociale samenhang en onderlinge van zorg, zijn daarbij belangrijke ele- hulp in acht dorpen van de gemeente menten. Borsele. Dit onderzoek is in 2006 uit- In dat kader biedt het rapport de ge- gevoerd door staf en studenten van de meente Borsele en de provincie Zee- opleiding sociale geografie van de Uni- land mogelijkheden het provinciale en versiteit van Amsterdam. Op basis van gemeentelijke beleid gericht op leef- interviews en ingevulde vragenlijsten baarheid en sociale cohesie van (klei- zijn gegevens verzameld over ruim 600 ne) dorpen te onderbouwen. bewoners in acht dorpen. De verza- melde gegevens geven onder andere antwoord op de vraag hoe bewoners hun directe leefomgeving ervaren. 5
  4. 4. Leefbare dorpen Barometer leefbaarheid Het tweede onderzoek is in opdracht de omvang en aard van de sociale van de Provincie Zeeland uitgevoerd infrastructuur van een dorp, gekop- door Scoop, Zeeuws instituut voor peld aan kenmerken van het woon- sociale en culturele ontwikkeling. De milieu. Met die koppeling ontstaat Provincie heeft Scoop verzocht een in- een soort ’maat’ voor de veron- strument te ontwikkelen waarmee de derstelde leefbaarheid per dorp. leefbaarheid en de sociale vitaliteit (so- De door Scoop verzamelde gegevens ciale draagkracht) van de verschillende zijn bovendien gekoppeld aan de Zeeuwse dorpen meetbaar gemaakt gegevens die door de UvA onder de kunnen worden. Dit instrument is de zo- bewoners in de acht dorpen zijn ver- genoemde leefbaarheidsbarometer ge- zameld. worden: een uitgebreide scorelijst voor 6
  5. 5. Leefbare dorpen Inhoudsopgave Leefbaarheid op het platteland ......................... 9 Wmo en gemeenschapszorg ........................... 13 Dorpsleven en veronderstelde leefbaarheid ..... 17 Tot slot ........................................................... 23 7
  6. 6. Leefbare dorpen 8
  7. 7. Leefbare dorpen Leefbaarheid op het platteland Woon je in een dorp omdat je er Ze ‘komen’ van het dorp, evenals hun bent opgegroeid, er werkt en je fa- familie en vrienden, en wonen hun milie er woont? Of woon je in een hele leven al in het dorp. Pardon, ‘óp dorp vanwege de mooie en pret- het dorp’ zoals ze in Zeeland zeggen. tige woonomgeving, de rust en de kwaliteit van de woningen? Dit Bewoners van een typisch woondorp onderscheid speelt een belangrijke komen in veel gevallen elders vandaan. rol als het gaat over de leefbaar- Ze zijn ‘import’-bewoners die primair heid van dorpen. Het zegt iets over voor het dorp als woonplaats hebben de wijze waarop inwoners zich gekozen vanwege de fraaie woonom- betrokken voelen bij hun dorp. geving. Voor voorzieningen en sociale En betrokkenheid en leefbaarheid contacten zijn ze niet afhankelijk van blijken sterk met elkaar samen te het dorp. hangen. De betrokkenheid van mensen bij het Op het platteland is een verschuiving dorp wordt dan steeds meer afhan- gaande van het zogenoemde auto- kelijk van de keuze die ze ooit voor nome dorp naar het woondorp. Dat is het dorp als woonplaats hebben ge- niet alleen in Borsele het geval, maar maakt. Kenmerken van een - succes- ook in andere plattelandsgebieden. vol - woondorp zijn de relatief hoge Bewoners van autonome dorpen zijn woningwaarde, een relatief bloeiend in eerste instantie op het dorp ge- verenigingsleven en de organisatie van richt: ze doen er hun boodschappen, een aantal - al of niet dorpsoverstij- hebben er in veel gevallen hun werk gende - culturele activiteiten. en hun kinderen gaan er naar school. 9
  8. 8. Leefbare dorpen In een woondorp hebben bewoners Het sociale leven speelt zich in het een andere relatie met hun dorp. Een autonome dorp binnen het eigen mevrouw (52) die vijf jaar geleden dorp af, zoals bij deze 51-jarige man vanwege de woning én de woonom- die zijn hele leven in Zuid-Beveland geving naar Zuid-Beveland is verhuisd heeft gewoond: “Je hebt elkaar vertelt hierover: “Eigenlijk hebben we nodig en daardoor ken je bijna ie- heel doelbewust voor dit dorpje ge- dereen. Vrienden hebben meestal kozen, want het is het hart van de wel met de vereniging te maken. Zak van Zuid-Beveland. Kleinscha- Mensen waar je van alles mee doet, lige polders, mooie vergezichten. Het ja, die wonen bijna allemaal in het landschap trok ons ontzettend.” dorp.” Voor de bewoners van een auto- noom dorp zijn voorzieningen cruci- Leefbaarheid duidt op de waardering aal voor de leefbaarheid, zoals deze die bewoners hebben voor de leef- 60-jarige bewoner van een van de kwaliteit van hun dorp of hun buurt. dorpen beschrijft: “We hebben nog De ervaren leefbaarheid dus. Die een kleine supermarkt en we hebben waardering wordt bepaald door een nog een bakker. En ik hoop dat die groot aantal factoren: de woonom- nog heel lang blijven. Want als je dat geving, de kwaliteit van de woning, niet meer hebt op een dorp…en dat het ervaren van overlast, de sociale zouden we misschien meer moeten activiteiten, het voorzieningenniveau gaan beseffen met z’n allen, dat dat en de bereikbaarheid. Uiteraard wor- medebepalend is voor de leefbaar- den deze factoren door verschillende heid van het dorp.” groepen bewoners, verschillend be- oordeeld. Voor mensen die geen auto hebben, is een bushalte in het dorp belangrijker dan voor mensen die wel een auto hebben. Een hangplek is voor jongeren belangrijker dan voor ouderen. Maar in alle gevallen geldt dat een positieve waardering van de leefbaarheid, bijdraagt aan een gro- tere lokale betrokkenheid van de be- woners bij hun dorp. Leefbaarheid en lokale betrokkenheid blijken dan ook sterk met elkaar samen te hangen. 10
  9. 9. Leefbare dorpen Algehele waardering in vergelij- Positie van de dorpen king met eerder onderzoek In een dorp waar de bewoners in Wat opvalt, is dat voorzieningen als hoge mate autonoom gericht zijn, is waarderingsfactor geleidelijk aan min- de lokale betrokkenheid vrijwel van- der belangrijk worden gevonden: be- zelfsprekend ook hoog. Wat gebeurt woners blijven vaker positief over het er echter met dorpen die hun auto- dorp, ook als zij minder tevreden zijn nome functie verliezen, maar moeite over de aanwezige voorzieningen. De hebben om nieuwe vormen van lo- bewoners zijn nu meer tevreden over kale betrokkenheid te realiseren? Dit hun dorp dan pakweg vijftien jaar blijkt een cruciale vraag te zijn als het geleden. Zij zijn vooral positief over gaat om de leefbaarheid van dorpen het dorp als woonplaats, de woon- in de gemeente Borsele. Alle dorpen omgeving en hun woning. Over de zitten in een ontwikkeling waarbij de relatie met het gemeentebestuur zijn autonome functie gaandeweg min- de dorpelingen ook zonder meer po- der wordt. De uitgangspositie en het sitiever. Wel voelen de bewoners van tempo is echter per dorp verschillend. kleine dorpen zich nog steeds even Binnen de gemeente Borsele zijn Nisse vaak achtergesteld bij het grotere en Oudelande voorbeelden van woon- Henkenszand en ’s-Gravenpolder als dorpen die met succes nieuwe vormen vijftien jaar geleden (zie figuur 1). Ook van betrokkenheid hebben ontwikkeld: ervaren bewoners in het algemeen de bewoners van deze dorpen zijn meer overlast dan voorheen (verkeer, weinig autonoom gericht maar toch vandalisme, geluid). meer dan gemiddeld lokaal betrokken. Figuur 1. Het aandeel bewoners dat het eens is met een aantal uitspraken over de relatie tussen de bewoners en de gemeente Bron: UvA-Kaartenmakers 11
  10. 10. Leefbare dorpen Kwadendamme is nog een typisch Voor met name deze twee dorpen is autonoom dorp met bewoners die in de vraag aan de orde hoe met een hoge mate zowel lokaal betrokken zijn verlies van autonome gerichtheid toch als autonoom gericht. Nieuwdorp en nog nieuwe vormen van lokale betrok- ’s-Heerenhoek nemen een tussenpo- kenheid kunnen worden ontwikkeld. sitie in. De bewoners van Lewedorp Voor ’s-Heerenhoek en Nieuwdorp is en Ovezande zijn minder autonoom het de vraag hoe zij zich in de toe- gericht en bovendien minder lokaal komst ontwikkelen. betrokken. Lokale betrokkenheid Autonome gerichtheid Bewoners zijn meer of minder lokaal Bewoners zijn meer of minder au- betrokken afhankelijk van de mate tonoom gericht afhankelijk van de waarin ze mate waarin ze - dorpsactiviteiten organiseren, - hun hoofdactiviteit binnen het - dorpsactiviteiten bezoeken, dorp hebben, - de dorpsraad bezoeken, - gebruikmaken van dorpsvoorzie- - trots zijn op het dorp, ningen, - actief zijn in het lokale verenigings- - familie in het dorp hebben wonen, leven en - zich in eerste instantie dorpsbewo- - bereid zijn actie te voeren voor het ner voelen. dorp. Wie zijn meer of minder lokaal betrokken? Bewoners die nog maar kort in het dorp wonen zijn minder vaak betrokken bij het organiseren van dorpsactiviteiten. Wel bezoeken zij dorpsactiviteiten om het dorp en de bewoners beter te leren kennen. Laag opgeleiden nemen het minst vaak deel aan dorpsactiviteiten. Bewoners met een lager inkomen participeren op alle fronten het minst. Ook bewoners zonder auto en de oudste ouderen nemen minder deel aan het dorpsleven en blijken wat dat betreft relatief kwetsbare groepen. Kerkelijke achtergrond speelt eveneens een rol bij de deelname aan het dorpsleven: rooms-katholieken zijn over het algemeen het meest actief, maar het zijn vooral de bewoners zonder kerkelijke achtergrond die minder op de dorpssamenleving zijn betrokken. Dit speelt trouwens weer geen rol als het gaat om het organiseren van dorpsactiviteiten. 12
  11. 11. Leefbare dorpen Wmo en gemeenschapszorg Lokale betrokkenheid speelt ook geacht daarin een rol te spelen door een rol bij de zogenoemde commu- het geven van zogenoemde informele nity care, letterlijk ‘gemeenschaps- hulp. Niet alleen in praktische zin zorg’. Af en toe boodschappen overigens zoals in nevenstaand voor- meenemen voor de buurvrouw beeld, maar ook bij het tijdig signa- die moeilijk ter been is, haar gras leren dat professionele hulp nodig is. maaien of haar eens uitnodigen Voor gemeenten is het van belang te voor een kopje koffie. Praktische weten hoe het is gesteld met deze za- en morele hulp dus, gegeven door ken in de dorpen van hun gemeente. dorpsbewoners aan medebewo- Gemeenten hebben immers de regie ners. Hoe groter de lokale betrok- over de inzet van zorg en beheren het kenheid, des te groter blijkt de be- budget daarvoor. reidheid dergelijke hulp te bieden. En des te groter blijkt ook de daad- In de kleine dorpen in Borsele verlenen werkelijke hulpverlening. veel bewoners informele hulp aan el- kaar (ca. 80 procent van de bewoners). In verband met de invoering van de In alle dorpen wordt ongeveer even Wet maatschappelijke ondersteuning veel informele hulp gegeven als ont- (Wmo) per 1 januari 2007, zijn zelf- vangen: ca. 68 procent van de bewo- redzaamheid, eigen verantwoordelijk- ners is zowel hulpvrager als –ontvan- heid en actieve inzet van burgers bij ger. Informele hulp wordt dus vooral het geven van zorg in toenemende op basis van wederkerigheid binnen mate van belang. Met de Wmo wil netwerken van bewoners aan elkaar de overheid de zelfredzaamheid en gegeven. Het zijn vooral de jonge ge- eigen verantwoordelijkheid van bur- zinnen met kinderen die in deze net- gers bevorderen. Mantelzorgers, werken hulp uitwisselen (zie figuur 2). buurtbewoners, familieleden worden 13
  12. 12. Leefbare dorpen Community care en sociale cohesie Met community care wordt bedoeld dat formele en informele zorg in de lo- kale samenleving bij bewoners ‘aan huis’ wordt gegeven. Maar in het kader van de Wmo betekent het bovendien dat zorg niet alleen in de gemeenschap wordt gegeven, maar een deel daarvan ook door de gemeenschap. We spre- ken dan van ‘informele zorg of hulp’. Alleen in een samenleving met sociale verbanden waarin zowel kwetsbare als weerbare bewoners zijn opgenomen, kunnen deze bewoners gesignaleerd worden en zal informele zorg aan elkaar gegeven worden. Een dergelijke sa- menleving is een samenleving met een behoorlijke mate van sociale cohesie. Een man (40), woonachtig in het buitengebied, vertelt: “Als je het niet meer redt, dan heb je altijd nog je buren. Ik vind dat je dat ge- woon kan vragen. En andersom. Als ik iets voor ze mee kan nemen, waarom niet? … Je gaat natuurlijk niet dagelijks voor je buren naar Goes. … Ja, als het nou medicijnen zijn, of iets dergelijks, iets wat direct nodig is, dan doe je dat gewoon.” Figuur 2. Het aandeel bewoners dat betrokken is bij informele zorg, tevens ondescheiden naar zorg ontvangen en zorg geven Bron: UvA-Kaartenmakers 14
  13. 13. Leefbare dorpen Begrensde hulp In dorpen waar een sterkere soci- ale infrastructuur is, waar ook meer Ondanks de over het algemeen grote voorzieningen zijn, wordt wat minder bereidheid informele hulp te verlenen, informele hulp gegeven. Potentiële maken bewoners en Wmo-betrok- hulpbehoevende bewoners zijn dan kenen zich wel degelijk zorgen over blijkbaar, juist door die voorzieningen, de invoering van de Wmo. Men twij- meer zelfredzaam. Lewedorp lijkt hier- felt of de dorpsgemeenschap het kan op overigens een uitzondering te zijn. opbrengen structurele en langdurige Ondanks de aanwezigheid van een hulp te verlenen. Steeds meer mensen verzorgingshuis wordt er relatief veel werken buitenshuis en hebben dus informele hulp gegeven. Het blijkt dan niet de mogelijkheid structureel hulp dat deze voorziening voor een deel te bieden. Ook heeft men het gevoel van deze hulp verantwoordelijk is, om- dat de zorgzaamheid voor elkaar min- dat het verzorgingshuis vrijwilligers in der wordt door individualisering en de het eigen dorp rekruteert. instroom van nieuwkomers. Bewoners In dorpen met typische woondorpken- verwachten van de gemeente dan ook merken wordt juist wat meer informe- dat die een duidelijke en sterke regie- le hulp gegeven. Mede door hun lo- rol op zich neemt. De gemeente moet kale betrokkenheid zijn inwoners daar zorgen dat de bewoners kunnen blij- eerder geneigd medebewoners hulp te ven beschikken over een professioneel verlenen als dat nodig is. En dat draagt vangnet als dat nodig is. bij aan de leefbaarheid van het dorp. Dat geldt ook voor dorpen waar re- “Het is niet het draagvlak, het is ge- latief veel kinderen wonen die jonger woon het niet kúnnen doen. Want zijn dan twaalf jaar. Lokale sociale als je buitenshuis werkt en je werkt netwerken ontstaan relatief gemakke- hele dagen en je moet ’s avonds het lijk tussen gezinnen met jonge kinde- huishouden doen, dan heb je toch ren. Bovendien valt hulpouder zijn op geen tijd om de buurvrouw te gaan school ook onder community care. helpen. Het staat los van het dorp. Op zich is er op het dorp genoeg medeleven en bereidheid om daar waar mogelijk te helpen. Daar ligt het niet aan.” Hulp dus die begrensd is: wel willen, maar niet altijd kunnen, zeker als het om structurele hulp gaat. Duidelijk ge- formuleerd in bovenstaand citaat van een 60-jarige dorpsbewoner. 15
  14. 14. Leefbare dorpen 16
  15. 15. Leefbare dorpen Dorpsleven en veronderstelde leefbaarheid Mensen zijn mobieler en daardoor Behalve de ervaren leefbaarheid, dus minder afhankelijk van dorps- de waardering van de leefkwaliteit voorzieningen geworden. Geen dóór de bewoners, is er ook de ver- probleem dus, zou je zeggen, dat onderstelde leefbaarheid. Dat is de door schaalvergroting veel voor- omvang en aard van de sociale in- zieningen uit dorpen verdwenen frastructuur van een dorp. Daarmee zijn. Er wordt echter nog steeds is een dorp te typeren en wordt het vaak verondersteld dat dorpen pas gemeenschapsleven zoals het zich uit leefbaar zijn als er voorzieningen in activiteiten, in verenigingen en voor- zijn. De dorpsschool, het dorps- zieningen in beeld gebracht. huis, sportvelden: slechts met deze voorzieningen kan het dorp Wat de omvang betreft van de sociale een gemeenschapsleven ontwik- infrastructuur kunnen de dorpen van kelen. En hoewel het gebruik van Borsele als volgt ingedeeld worden: het openbaar vervoer op het plat- 1. Heinkenszand en ’s-Gravenpolder teland gering is, worden goede zijn de grootste dorpen in de ge- busverbindingen belangrijk geacht meente met de meest omvangrijke voor de leefbaarheid. Zeker voor sociale infrastructuur; de dorpsbewoners zonder auto. 2. Lewedorp, ’s-Heerenhoek, Nieuw- dorp en Ovezande vormen een tweede groep van dorpen met een bovengemiddelde sociale infra- structuur; 17
  16. 16. Leefbare dorpen 3. Kwadendamme, Borssele en Hoe- Driewegen dekenskerke met een gemiddelde Driewegen is een van de kleinste sociale infrastructuur; dorpen in de gemeente (567 inwo- 4. Nisse, Baarland, Driewegen, Oude- ners). De sociale infrastructuur is er lande en ’s-Heer Abtskerke met een dan ook minder uitgebreid dan ge- beneden gemiddelde sociale infra- middeld in de dorpen van Borsele. In structuur; het dorp is alleen een rijdende win- 5. Ellewoutsdijk het kleinste dorp met kel met pinautomaat. Eens per week de minst omvangrijke sociale infra- komen de visboer en de slager langs. structuur. Het dorp ligt op zeventien kilometer van Goes, niet aan een gebiedsont- Dorpen zijn ook te typeren naar de sluitende weg. Voor openbaar ver- sterke en minder sterke punten van voer zijn de bewoners afhankelijk de sociale infrastructuur. Acht dorpen van een belbus. Qua onderwijs- en binnen de gemeente Borsele laten de sportmogelijkheden scoort het dorp volgende sociale infrastructuur zien gemiddeld. Dat geldt ook voor de in relatie tot het gemiddelde van alle zorgvoorzieningen (apotheekhou- vijftien dorpen van de gemeente (zie dende huisartspraktijk). figuur 3). Sociale infrastructuur De sociale infrastructuur van een dorp wordt bepaald door voor zeven soor- ten voorzieningen de volgende vragen te beantwoorden: Wat is er aanwezig, in welke vormen is het aanwezig en hoe wordt de voorziening gebruikt. Die voorzieningen zijn: - culturele voorzieningen en verenigingsleven; - sportaccommodaties; - horeca; - financiële dienstverlening; - gezondheidszorg; - winkels/ bedrijvigheid; - onderwijs; Voor de beoordeling van de sociale infrastructuur is ook gekeken naar een achtste soort voorziening: - bereikbaarheid van voorzieningen elders. Deze is bepaald door het antwoord op de volgende vragen: Hoe is de ont- sluiting van het dorp, hoe staat het met het openbaar vervoer en hoe is de ligging t.o.v. Goes als regionaal stedelijk centrum. 18
  17. 17. Leefbare dorpen Figuur 3. Sociale infrastructuur per aspect in acht dorpen en het gemiddelde voor de vijftien dorpen in Borsele Bron: UvA-Kaartenmakers 19
  18. 18. Leefbare dorpen Sociale infrastructuur en Zelfs het kleinste dorp - Ellewoutsdijk, woonmilieukenmerken 397 inwoners - heeft nog een dorps- Door de sociale infrastructuurscore huis, een basisschool, een speeltuin, te koppelen aan kenmerken van het een JOP en een cultureel centrum. Er woonmilieu - via de zogenoemde leef- zijn enkele verenigingen, er worden baarheidsbarometer -, ontstaat een dorpsactiviteiten georganiseerd en er soort ’maat’ voor de veronderstelde komt een bibliobus langs. leefbaarheid per dorp. Een belangrijk woonmilieukenmerk in Toch heeft Ellewoutsdijk, rekening relatie tot de omvang van de sociale houdend met haar bevolkingsom- infrastructuur is de bevolkingsomvang. vang, een lage score volgens de leef- Maar hoe ligt die verhouding precies? baarheidsbarometer. Ook een aantal Welk voorzieningenniveau is beneden andere zuidelijk gelegen dorpen in de de maat en welk boven de maat? In gemeente hebben een relatief minder de gemeente Borsele ligt de relatie sterke sociale infrastructuur (zie figuur tussen bevolkingsomvang en sociale 4). De matige bereikbaarheid van voor- infrastructuur heel gunstig. zieningen elders is hierbij doorslagge- vend. Figuur 4. De veronderstelde leefbaarheid per kern in gemeente Borsele 20 Bron: Scoop, bewerkt door Provincie Zeeland
  19. 19. Leefbare dorpen Passend of niet? Of de sociale infrastructuur van een dorp ‘passend’ is als het in overeen- stemming is met een bepaald inwo- nertal en/of met de omvang van een bepaalde inwonersgroep, kan uitein- delijk alleen door de politiek bepaald worden. Objectivering van wat het voorzieningenniveau in een dorp moet zijn, wil het dorp leefbaar en voor de toekomst vitaal zijn, kan in die politie- ke afweging echter behulpzaam zijn. 21
  20. 20. Leefbare dorpen 22
  21. 21. Leefbare dorpen Tot slot In de dorpen van Borsele heerst een Bewoners zijn overigens in de loop der goed leefklimaat. Er is een bloeien- tijd wel meer overlast gaan ervaren de civil society waar mensen volop (verkeer, geluid, vandalisme). Overlast deelnemen aan het maatschappe- betekent hinder voor bewoners, met lijk leven en zich betrokken tonen name voor de meer kwetsbare bewo- bij hun dorp. Veel bewoners geven ners. Om zelfredzaamheid van bewo- aan dat ze voor elkaar willen klaar- ners te bevorderen, zou overlast zoveel staan en doen dat ook. De verschil- mogelijk beperkt moeten worden. len tussen de dorpen blijken voor veel zaken relatief klein en hangen Tevredenheid over het dorp in z’n samen met een verschil in functie geheel leidt niet per definitie tot het die de dorpen hebben: een auto- bieden van meer informele hulp. Wel nome functie tegenover een woon- blijkt tevredenheid over het dorp de functie. betrokkenheid bij het dorp te vergro- ten. En een grotere betrokkenheid leidt Wat bijvoorbeeld met dit verschil in dan weer tot een grotere bereidheid functie te maken heeft, is het verschil informele hulp te bieden. Dit laatste in belangrijkheid van het oordeel over geldt zowel voor het woondorp als voorzieningen en het oordeel over de voor het autonome dorp, alleen vloeit woonomgeving. De bewoners oor- in het autonome dorp die betrokken- delen nu weliswaar negatiever over heid vanzelfsprekend voort uit de au- de voorzieningen, maar de weging tonome gerichtheid van de bewoners. van deze factor is minder belangrijk De meeste aandacht is daarom nodig geworden. De kwaliteit van de woon- voor de dorpen die hun autonome omgeving is steeds meer een factor die karakter verliezen, maar waar nieuwe de tevredenheid over de leefbaarheid vormen van lokale betrokkenheid min- bepaalt. der gemakkelijk ontstaan. 23
  22. 22. Leefbare dorpen Waar lokale betrokkenheid ontbreekt, - Het veranderingsproces van dorpen: ontbreekt ook de ‘voedingsbodem’ door het geleidelijke verlies van hun voor de bereidheid tot het geven van autonome functie is het noodzake- informele hulp. lijk dat in de dorpen sociale samen- hang op basis van nieuwe vormen Aandachtspunten voor beleid van lokale betrokkenheid tot stand - De woonomgeving: de kwaliteit komt. Dit overgangsproces verloopt van de woonomgeving is in toe- per dorp verschillend. nemende mate bepalend voor een - Ruimte voor initiatieven van be- positieve beoordeling van de leef- woners: bewoners moeten ruimte baarheid van de dorpen door de hebben voor het creëren van be- bewoners (Nisse, Oudelande). Be- trokkenheid bij hun dorp. In succes- perking van overlast hoort hierbij. volle woondorpen blijken een actief - Voorzieningen: voorzieningen lijken verenigingsleven en de organisatie niet meer een uitsluitende en abso- van culturele activiteiten belangrijk luut noodzakelijke voorwaarde te als een uiting van de lokale betrok- zijn voor een positieve beoordeling kenheid. Lokale betrokkenheid van de leefbaarheid. kan hier leiden tot initiatieven van - Betrokkenheid van bewoners bij bewoners die het karakter hebben hun dorp: lokale betrokkenheid van van voorzieningen. bewoners is van belang voor het - De ontwikkelde leefbaarheidsba- realiseren van community care. Ker- rometer lijkt in samenhang met de kelijke achtergrond is voor de mate typering van de lokale woonmilieu- van betrokkenheid (nog) steeds van kenmerken, een goed instrument belang. Bepaalde groepen bewo- om inzicht te geven in de veronder- ners, zoals jongeren, de oudste ou- stelde leefbaarheid van dorpen. deren en nieuwkomers, zullen over het algemeen altijd minder lokaal betrokken zijn. De oudste ouderen en bewoners die niet over een auto kunnen beschikken zijn wat dat be- treft relatief kwetsbaar. - Community care is begrensd. Voor het organiseren van structurele en professionele hulp verwachten be- woners en Wmo-betrokkenen een regierol van de gemeente. 24

×