Update 3

452 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
452
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
7
Actions
Shares
0
Downloads
0
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Update 3

  1. 1. Als we bij het ziekenhuis aankomen, ben ik ondertussen al helemaal in paniek geraakt. Tijdens onze reis naar het ziekenhuis, moesten we omrijden, omdat er op de snelweg een auto aan het uitbranden was, er was een vreselijk ongeluk gebeurd. En die auto, die was van mijn ouders. We weten nog niet hoe erg het met ze gesteld is, dat wilden ze aan de telefoon niet aan Dagmar vertellen. Ik blijf even in de auto zitten als we tot stilstand komen op de parkeerplaats. Ik moet even tot rust komen, alleen lukt dat helemaal niet.
  2. 2. “Kom, Lynn,” zegt Dagmar zacht, maar dwingend. Ze helpt me uit de auto, en samen lopen we het ziekenhuis binnen. Even kijken we confuus rond. Waar moeten we zijn? Dan merken we de balie op, en Dagmar beent erop af. “Hallo,” zegt ze tegen de vrouw achter de balie. “Wij komen voor Mariska en Alexander Visser. Ze hebben een ongeluk gehad op de snelweg richting de stad. Ze zouden vanavond binnen moeten zijn gekomen.”
  3. 3. De receptioniste glimlacht even naar Dagmar, tot mijn grote ergernis, en gaat dan op zoek in haar computer. Ze fronst even. Dan zet ze haar gezicht weer op neutraal en kijkt ze Dagmar aan. “Ik zal dokter Ten Hooge even halen. Hij zal jullie inlichten over de situatie van de heer en mevrouw Visser.” Dagmar knikt nerveus. Ik kijk verschrikt naar de receptioniste. Waarom wil zij ons niet gewoon vertellen wat er aan de hand is?
  4. 4. Na tien minuten ongeduldig te hebben gewacht komt de receptioniste weer terug met een dokter. Hij stelt zich aan Dagmar voor. “Goedenavond, ik ben dokter Ten Hooge. Loop maar even met mij mee,” zegt hij en hij draait zich om. Ik moet moeite doen om de dokter bij te houden, zo hard loopt hij. Allemaal gedachtes flitsen door me heen. Hoe ernstig zal het zijn? Wat is er nou allemaal aan de hand?
  5. 5. We komen bij een kantoortje en dokter Ten Hooge neemt plaats achter een bureau en gebaart tegen ons dat we tegenover hem moeten gaan zitten. “Zo,” zegt hij ernstig. “Ik ben dus dokter Ten Hooge, en ik zou graag willen weten in welk verband jullie gerelateerd zijn met de heer en mevrouw Visser.” Dagmar knikt kort en neemt het woord. “Ik ben Dagmar, de zus van Mariska, en dit is Lynn, hun dochter.” Ik kijk Dokter Ten Hooge even aan, en kijk dan snel weer weg.
  6. 6. “Oké,” zegt de dokter, en dan begint hij over de situatie van mijn ouders te vertellen. “Mevrouw Visser ligt op de Intensive Care, haar situatie is kritiek, maar stabiel. Ze wordt goed in de gaten gehouden. Ze heeft een ernstige hersenschudding opgelopen, en we hebben haar zo straks moeten opereren. Ze had een darmperforatie van buitenaf, en een gebroken sleutelbeen en schouder die gezet moesten worden. Verder heeft ze wat schrammen en blauwe plekken, maar daar komt ze natuurlijk wel weer overheen.”
  7. 7. Ik slik. Ik vraag me af hoe ze er wel niet uit moet zien, maar ban dat beeld gelijk weer uit mijn hoofd. “En mijn vader?” vraag ik dan, nauwelijks hoorbaar door mijn kurkdroge mond. Dokter Ten Hooge kijkt naar zijn handen en richt zijn ogen dan weer vol medelijden op mij. Voordat hij iets zegt heb ik het al door. “Het spijt ons zeer, juffrouw Visser, maar we hebben meneer Visser niet kunnen redden. Zijn verwondingen waren te ernstig, en terwijl we aan het opereren waren kreeg hij een hartstilstand die we niet meer konden verhelpen. Hij is overleden om vier minuten over negen. Het spijt me zeer.”
  8. 8. Ik staar voor me uit, zonder enige gezichtsuitdrukking en zonder een traan te laten. Ik ben te geschokt om iets te zeggen of te doen. Ik kan het gewoon niet geloven. Een paar uur geleden zat hij nog gewoon bij ons aan tafel, mij woedend te maken zoals altijd, en nu is hij dood, ligt hij ergens in het mortuarium van het ziekenhuis. Hij is nu een nummer, zonder identiteit, zonder verleden, gewoon een lichaam. Een dood lichaam waarvan de ziel al is weggevlogen.
  9. 9. Naast me reageert Dagmar precies zoals ik. Beiden staren we naar een punt op de muur. Ik begin weer gevoel te krijgen in mijn lichaam en ik zie dat dokter Ten Hooge zich zeer ongemakkelijk begint te voelen. ‘Net goed!’ denk ik. ‘Moet hij maar niet van dat slechte nieuws brengen.’ Ik weet dat dat niet eerlijk is, maar dan maakt me niets uit. Ik mag nu onredelijk zijn. Mijn vader is dood en mijn moeder ligt op de Intensive Care.
  10. 10. Duidelijk om uit de ongemakkelijke situatie te komen zegt dokter Ten Hooge: “Ik zal jullie even alleen later,” en hij weet niet hoe snel hij uit het kantoortje moet komen. Dagmar zit nog steeds voor zich uit te staren, maar ik ben ondertussen een stadium verder. Ik zit op mijn stoel te schuifelen en kijk verwilderd om me heen. Ik weet niet hoe ik me moet voelen. Ik besef ook nog niet helemaal wat er allemaal aan de hand is. Het enige wat ik weet is dat ik mijn vader nooit meer zal zien. Dan komt er een vreselijke gedachte in me op. ‘Mooi zo. Hoef ik ook niet meer met hem mee op reis.’
  11. 11. Mijn ademhaling begint te versnellen als ik bedenk hoe vreselijk het is om dat te denken. Ik sta snel op, en loop naar het aanrechtje in de hoek van het kantoortje. Met trillende handen pak ik een glas en ik vul het met water. Er gutst een heleboel uit, omdat ik mijn bewegingen niet meer in de hand heb. Voorzichtig zet ik het glas aan mijn mond en ik neem kleine slokjes. Allemaal gedachten waarvan ik de meesten niet kan plaatsen razen door mijn hoofd. Ik voel dat er een barstende hoofdpijn opkomt.
  12. 12. Dagmar staat ook op en loopt naar me toe. “Het spijt me zo, Lynn, het spijt me enorm!” Ik kijk haar verbaasd aan. “Wat spijt je? Je hebt toch niks gedaan?” “Dat is het ‘m nou juist! Ik had ze tegen moeten houden! Ik had ze niet weg moeten laten gaan! Alexander is dood, door mij!” Haar ogen staan wijd opengesperd en ze kijkt langs me heen naar de muur. Ik sta versteld van haar bizarre redenering. Zij kan er helemaal niks aan doen dat mijn vader dood is. Het slaat helemaal nergens op!
  13. 13. En dat vertel ik haar ook. “Dagmar, kom tot zinnen, alsjeblieft! Het is niet jouw schuld, echt niet! En ik heb je nu nodig. Je moet nu sterk zijn,” zeg ik. Ik weet dat het niet helemaal redelijk is. Dagmar rouwt ook, en vreest voor de dood van haar zus. Maar ik heb haar nu nodig. Ze is altijd sterk geweest als ik haar nodig had, dus dat moet nu ook standhouden. Ik val in haar armen, maar nog steeds zonder tranen. Zo blijven we een paar minuten staan, maar we worden gestoord door dokter Ten Hooge, die het kantoortje weer binnenkomt.
  14. 14. Hij kucht zachtjes, en we maken ons los uit de omhelzing om hem aan te kijken. “Ik heb even met de zusters gesproken,” zegt hij, “en ze hebben toestemming gegeven aan jullie om even naar mevrouw Visser te gaan. Ze is nog onder narcose, maar die kan ieder moment uitgewerkt raken. U mag alleen niet tegelijk binnen zijn. Eén voor één dus. En ik moet u nog even waarschuwen, u zult misschien schrikken van hoe ze er uitziet. Als u mij nu zou willen volgen…”
  15. 15. We lopen achter dokter Ten Hooge aan, een aantal gangen door, een aantal bochten om, en uiteindelijk komen we bij de Intensive Care. Dokter Ten Hooge blijft voor een deur stilstaan. “Hier ligt ze. Wie van jullie gaat als eerst naar binnen?” “Ga jij maar,” zegt Dagmar tegen me met een bemoedigend glimlachje. Ik aarzel even. Misschien is mijn moeder wel boos op me, omdat ik zo tegen haar uitgevallen ben. Misschien wil ze me wel helemaal niet zien. Het lijkt alsof Dagmar mijn gedachtes kan lezen, want ze zegt: “Ga maar, Lynn, het komt wel goed tussen ons drieën.”
  16. 16. Ik loop voorzichtig de kamer binnen en schrik inderdaad even van het gezicht van mijn moeder. Het zit vol met schrammen en blauwe plekken. Even blijf ik staan luisteren naar de rustige ademhaling van mijn moeder. Ze lijkt zo iel en breekbaar zoals ze in dat ziekenhuisbed ligt. Ik kan gewoon niet geloven dat de vrouw die me al die jaren zoveel wrok en verdriet heeft bezorgd er nu zo aan toe is.
  17. 17. Ik loop naar de stoel bij haar bed en ga zitten. Ik voel verdriet van binnen, om haar en mijn vader. Dan was het kennelijk toch geen haat dat ik voelde. Hoe kan dat ook, het zijn wel mijn ouders. Hoe erg ik het eerder ook haatte als Dagmar dat zei, het is wel zo. Het zijn wel mijn ouders. Ik blijf naar mijn moeder kijken, diep in gedachten verzonken. Ineens maakt ze een geluidje, en ik schrik me kapot.
  18. 18. “Mam? Mam, ik ben het, Lynn,” zeg ik zachtjes. Verwonderd bedenk ik me dat dit de eerste keer sinds jaren is dat ik mijn moeder weer ‘mam’ noem. Ik heb het altijd ontweken. Mijn moeder kreunt nog een keer en langzaam komt ze overeind. “Wat - ” zegt ze met schorre stem, maar verder komt ze niet, ze zakt alweer terug in de kussens met een kreet van pijn.
  19. 19. “Mam, rustig maar. Blijf maar liggen.” Ik aai over de dekens, op de plek waar het been van mijn moeder ligt. “Wat is er gebeurd?” vraagt ze bijna onhoorbaar. Ik slik. Nu moet ik het haar vertellen. “Jij en pap hebben een auto-ongeluk gehad,” zeg ik zachtjes, het zo lang mogelijk uitstellend om te zeggen wat er met mijn vader is gebeurd. “Alexander?” vraagt mijn moeder met een angstige blik.
  20. 20. Ik slik nogmaals. Waarom moet ik degene zijn die het haar moet vertellen? “Pap is… Hij heeft het niet gehaald,” zeg ik met mijn blik op de grond. Ik hoor mijn moeder naar adem snakken en ze begint onbedaarlijk te huilen, en te kreunen tegelijk, met haar handen op de plek waar haar darmen zitten gedrukt. Ik sta op en streel haar onhandig over haar haren, maar ze duwt me weg, en ik ga maar weer zitten.
  21. 21. “Hoe, wat - ” brengt ze moeizaam uit. “Jullie hebben op de snelweg een ernstig ongeluk gehad, en pap is bezweken aan een hartstilstand toen ze hem aan het opereren waren,” zeg ik zachtjes. “Ze konden hem niet meer redden.” Ik kijk vol medelijden naar mijn moeder, die helemaal verloren lijkt. Ze kan niet stoppen met huilen, en dat doet haar zo’n zeer bij haar buik, dat ze bijna geen lucht krijgt. Ik weet niet wat ik moet doen, en blijf maar naar haar kijken.
  22. 22. Ik kan niet bevatten wat er vanavond allemaal gebeurd is. Hoe heeft dit alles kunnen gebeuren, vraag ik me steeds af. Vanochtend stond ik nog vrolijk op, blij met het heerlijke weer, en nu zit ik hier… “Mama,” fluister ik, niet wetend wat ik daarna moet zeggen. “Mama…” Ze hoort me niet eens, en blijft maar huilen. Hoe graag ik het ook wil, mij lukt het niet om te huilen. Ik zit daar maar.
  23. 23. Ik hoor de deur achter me opengaan, en dokter Ten Hooge komt binnen. Hij loopt naar het bed van mijn moeder en weet, net als ik, niet wat hij moet doen. “Mijn condoleances, mevrouw Visser,” zegt hij daarom maar. “Het spijt ons zeer, maar we hebben uw man niet meer kunnen redden…” Hij kijkt mijn moeder aan, en ze kijkt terug, haar ogen vol tranen. “Waar – waar ligt hij nu?” vraagt ze. “Hij ligt in het mortuarium. Zodra u de beslissing maakt, kan hij verplaatst worden naar uw huis of het rouwcentrum, dat is uw keus.”
  24. 24. Mijn moeder knikt zwakjes. Zij kan het waarschijnlijk ook nog niet compleet bevatten. “Oké,” zegt ze met een schorre stem. Ik sta op. “Dagmar wil ook nog even bij je komen,” zeg ik en nadat ik mijn moeder een kus op haar voorhoofd heb gegeven loop ik samen met dokter Ten Hooge de kamer weer uit. Ik ben blij dat ik er weg kan gaan, ik hield het niet langer uit daar.
  25. 25. Dagmar staat buiten te wachten. Ze kijkt me angstig aan. “Hoe is het met haar?” vraagt ze me. “Hoe ziet ze eruit?” “Ze heeft wat schrammen op haar gezicht. Maar ze is nu helemaal overstuur,” zeg ik monotoon, terwijl ik langs Dagmar heen kijk. Dagmar neemt me, voor de zoveelste keer vandaag, in haar armen, ze houdt me even stevig vast en laat me dan weer los. Ik kijk haar na als ze de kamer van mijn moeder in loopt.
  26. 26. Ik zak neer op een van de stoelen die in de gang staan en staar voor me uit. Dokter Ten Hooge is weggelopen en staat met een zuster te praten, verderop in de gang. Mijn hoofdpijn is niet te harden en ik zou zo in slaap kunnen vallen, hier op deze stoel, maar ik blijf wakker. Ondertussen zijn de gedachten gestopt met door mijn hoofd razen. Ze lijken helemaal verdwenen te zijn, mijn hoofd is volkomen leeg.
  27. 27. Het lijkt een eeuwigheid te duren voor Dagmar weer naar buiten komt. Haar ogen zijn rood, ze heeft duidelijk gehuild. Nadat ze de deur achter zich dicht heeft getrokken blijft ze staan. Ze kijk voor zich uit en begint onsamenhangend tegen me te praten. “Ze is weer in slaap gevallen, uiteindelijk. Ze bleef maar huilen… Het klopt niet… Waarom? Ik snap het niet…” Ik kijk haar aan, niet in staat zelf wat te zeggen.
  28. 28. Voor zich uit mompelend laat ze zich zakken in de stoel naast me. Zo blijven we een paar minuten zitten, allebei voor ons uit starend, en Dagmar waarschijnlijk met haar gedachten. Ik niet, ik denk nog steeds niets. Helemaal niets…
  29. 29. Er komt een zuster aanlopen, duidelijk op ons af. Omdat ik merk dat Dagmar nog niet in staat is te luisteren naar medisch gebabbel sta ik op om de zuster te woord te staan. “Het spijt me,” zegt ze, “maar ik moet jullie vragen om te vertrekken.” Ik knik. “Oké, we zullen gaan.” Dat zeg ik nou wel, maar ik weet niet of Dagmar wel in staat is om te rijden. Hoe komen we thuis? “Mijn condoleances,” zegt de zuster nog, en na een klein glimlachje loopt ze de gang weer uit.
  30. 30. Ik trek Dagmar overeind. “Dagmar, Dagmar, we moeten naar huis,” zeg ik tegen haar. “We moeten gaan van die zuster.” Dagmar knikt. “Oké,” zegt ze. “Kan je wel rijden?” vraag ik, twijfelend. Is het wel veilig om Dagmar nu achter het stuur te zetten? Maar ze kijkt me ineens recht aan. “Ja, dat lukt wel,” zegt ze met haar gewone stem. Ze lijkt opeens weer helemaal zichzelf. “Laten we gaan.”
  31. 31. Langzaam lopen we richting de uitgang. Het is zo goed als verlaten, op personeel dat nachtdienst draait en een paar bezoekers na. Ik zie de medelijdende blik van de receptioniste, die op het punt staat om naar huis te gaan, en kijk haar even aan. Ze slaat vlug haar ogen weg. In trance lopen we naar de toegangsdeuren van het ziekenhuis, die vanzelf opengaan. We stappen in de auto, en Dagmar blijft even roerloos zitten.
  32. 32. Ik kijk naar haar, maar weet niet wat ik moet zeggen. In plaats daarvan draai ik mijn hoofd weg, en kijk uit het raampje het duister in. Ik hoor Dagmar zuchten en de auto starten, we draaien de parkeerplaats af en rijden de stad uit. Ondertussen hoor ik Dagmar de hele tijd zachtjes snikken, maar ik kan het niet aan om tegen haar te praten. Het enige wat ik nu nog wil is naar bed om een droomloze slaap te slapen, waarin ik nergens aan hoef te denken.
  33. 33. Als we thuiskomen loop ik dan ook gelijk door naar mijn slaapkamer, zonder iets te zeggen. Ik heb de fut niet om mijn pyjama aan te doen, en stap in mijn ondergoed in bed. Dan begin ik geluidloos te huilen. De tranen stromen over mijn wangen, en het lijkt alsof al het vocht in mijn lichaam naar buiten stroomt. Zo huil ik mezelf langzaam in slaap…
  34. 34. Wordt Vervolgd

×