Your SlideShare is downloading. ×
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Het goede en het juiste
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

Het goede en het juiste

455

Published on

In dit artikel onderscheid ik binnen morele theorieën twee niveau's ('het goede en het juiste') en verdedig dat deontologie op beide vlakken beter verdedigbaar is dan consequentialisme.

In dit artikel onderscheid ik binnen morele theorieën twee niveau's ('het goede en het juiste') en verdedig dat deontologie op beide vlakken beter verdedigbaar is dan consequentialisme.

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
455
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. De Martelaere AldoHet goede en hetjuisteConsequentialisme of deontologie?KULeuven, Centrum voor Economie en Ethiek, 2001
  • 2. Het goede en het juiste: consequentialisme of deontologie?InhoudstafelDOET MORAAL ERTOE? .................................................................................................................................... 1HET THEMA VAN DIT ARTIKEL .......................................................................................................................... 11. CONSEQUENTIALISME EN DEONTOLOGIE ALS THEORIEËN VAN HET GOEDE ............................................. 2 DEONTOLOGIE ......................................................................................................................................................... 2 CONSEQUENTIALISME ............................................................................................................................................... 3 NOG ENKELE VERSCHILLEN ......................................................................................................................................... 4 Passief versus actief ........................................................................................................................................ 4 De relatie tot het moreel egoïsme ................................................................................................................... 5 De relatie tot het concept ‘voldoende’ ........................................................................................................... 52. VAN HET GOEDE NAAR HET JUISTE ........................................................................................................... 5 De rationale voor een rechtstreekse afleiding van het juiste uit het goede .................................................... 6 ‘Ought implies Can’ ......................................................................................................................................... 6 Morele intuïties als toetsteen .......................................................................................................................... 7 HET EERSTE STRUIKELBLOK: DE HERVERDELING VAN GOEDEREN.......................................................................................... 7 Het waarom van herverdeling ......................................................................................................................... 7 Het hoe van herverdeling ................................................................................................................................ 7 Offers, verantwoordelijkheden en conflictsituaties ........................................................................................ 8 Offers ............................................................................................................................................................... 8 Verantwoordelijkheden ................................................................................................................................... 8 Conflictsituaties ............................................................................................................................................... 9 Het abstracte karakter van gedachtenexperimenten ................................................................................... 10 HET TWEEDE STRUIKELBLOK: HELPEN EN SCHADEN ........................................................................................................ 10 TWEE DEFINITIES VAN HELPEN EN SCHADEN ................................................................................................................. 11 Helpen als iemand beter af maken, schaden als iemand slechter af maken (type 1). .................................. 11 Helpen als iemand zo goed mogelijk af maken, schaden in elk ander geval (type 2). .................................. 11 Een beknopte interventie over moraal en intentie ........................................................................................ 11 Morele schade? ............................................................................................................................................. 12 Instrumentele schade .................................................................................................................................... 12 Onafwendbare schade .................................................................................................................................. 12 Onze morele intuïtie opnieuw in verzet ......................................................................................................... 12CONCLUSIES ................................................................................................................................................... 13 DEONTOLOGISCHE SPANNINGEN ............................................................................................................................... 13 Twee standpunten: abstract en concreet ...................................................................................................... 13 Twee soorten van verplichtingen: globaal en lokaal ..................................................................................... 13 Instituties....................................................................................................................................................... 14 Particularisten en generalisten ..................................................................................................................... 14 EEN OORSPRONG VOOR DIE SPANNINGEN.................................................................................................................... 14 DE WAARDE VAN DIE SPANNING ................................................................................................................................ 15 DEONTOLOGIE EN CONSEQUENTIALISME, OPNIEUW. ..................................................................................................... 16
  • 3. 1Doet moraal ertoe?Er zijn in onze wereld weinig contexten waarin mensen kiezen voor hetgeen moreel beter is; ofwelomdat ze daartoe niet in de mogelijkheid verkeren (bij gebrek aan materiële middelen of uitzelfbehoud) of omdat het klappen van de zweep hen cynisch heeft gemaakt of omdat materieelsucces hen verwaand en egoïstisch achterlaat. Maar al even dikwijls vertroebelt de matelozecomplexiteit van de werkelijkheid (zeker in onze tijden van klimaatverandering en globalisme enzoveel andere quasi onontwarbare kluwens) ons zicht op hetgeen beter is, laat staan op hetgeen wezouden moeten doen om ertoe bij te dragen.Dat wil niet zeggen dat mensen (of toch een groot deel ervan) geen morele gevoeligheid meerzouden hebben; geen greintje hoop op een betere wereld of aspiratie om daartoe bij te dragenzouden overhouden. Die morele actualiteit blijkt misschien nog het sterkst uit onze (somtijdsgemeende) verontwaardigde respons op onrechtvaardigheden. Morele idealen blijven ooknoodzakelijk in een efficiënte verklaring van ons persoonlijk zowel als collectief handelen.Bijvoorbeeld. Ik denk niet dat we onze zorg om de talrijke problemen die onze planeet bedreigenenkel en alleen uit de zorg om onszelf (of eventueel onszelf, familie - zeker kinderen - en vrienden)kunnen begrijpen. Een ruimere - morele - bekommernis speelt hier ongetwijfeld een rol in.Dit gebruik ik als beknopte verantwoording voor mijn interesse in morele theorieën, waar dit artikelaan is gewijd.Het thema van dit artikelIn de komende bladzijden vergelijk ik de morele theorieën deontologie en consequentialisme. Uit diebladzijden zal ook duidelijk blijken waar mijn - theoretisch gemotiveerde, weliswaar - sympathie ligt.In zeer grote lijnen hebben deontologie en consequentialisme (en mogelijk alle morele theorieën,waaronder ook deugdentheorie en moreel egoïsme) dezelfde structuur.Om te beginnen isoleren ze een specifieke morele waarde en uit die waarde creëren ze een visie opwat een goede of betere wereld is. Technisch gesproken: hun opvatting over morele waardeimpliceert een specifieke evaluatie van - goede, betere - standen van zaken. Dit noem ik hun theorievan het goede.Vervolgens formuleren deze theorieën opvattingen over hetgeen we in bepaalde contexten moetendoen, individueel zowel als collectief. Dit noem ik hun theorie van het juiste.Theorieën van het juiste zijn duidelijk gerelateerd tot theorieën van het goede: ze zijn - min of meerrechtstreeks - afgeleid uit een bepaalde theorie van waarden en rangschikking van een standen vanzaken.De (in feite evidente) link tussen de theorie van het goede en het juiste krijgt in het werk rondmorele theorieën echter zelden aandacht. Het is de bedoeling van dit artikel om de structuur vantwee centrale morele theorieën (deontologie en consequentialisme) als geheel in de verf te zetten;theorie van het juiste én van het goede.
  • 4. 2Tevens zal uit het artikel blijken dat ik deontologie veruit verkies boven consequentialisme.Consequentialisme heeft na de theorie van het goede en heel wat kritiek daarop voor mij ongeveerafgedaan. Het deel over het juiste concentreert zich dan ook hoofdzakelijk op deontologie.Ik laat in dit artikel uiteraard veel onbehandeld die in een integrale kijk op deze morele theorieën aanbod zou moeten komen. Zo ga ik niet in op het statuut van waarden (subjectief, objectief,dispositioneel?) en waag mij niet aan de analyse van redenen, noch aan een analyse van deconcepten persoon zijn en welzijn (hoewel deze laatste de hoeksteen vormen van respectievelijkdeontologie en consequentialisme. Ik gebruik deze concepten hier op een min of meer intuïtievemanier. 1. Consequentialisme en deontologie als theorieën van het goedeDeontologieDeontologie is het morele systeem dat zijn vertrekpunt heeft in de erkenning van de waarde vanpersoon zijn.Deze waarde verstaan is weten wat voor redenen zij geeft. En deze redenen zijn een functie van hetconcept persoon zijn.Essentieel aan dat concept is zelfrealisatie: de realisatie, door de persoon in kwestie, van de zakenwaar hij of zij om geeft (idealen of andere personen). Het welzijn van een persoon hangt af van diezelfrealisatie en van het bezit van de voorwaarden daartoe (het vervuld zijn van noden).Ook essentieel aan dat concept is het bezit van een persoonlijk standpunt. Hiermee bedoel ik datpersonen van nature geven om zichzelf en zelfs meer geven om zichzelf dan om andere personen(voor zichzelf een meerwaarde hebben en standen van zaken evalueren vanuit de effecten opzichzelf). Sommige personen geven te weinig om zichzelf (apathici) en anderen teveel (narcisten). Eenevaluatie als ‘mijn benen zijn voor mij even belangrijk als zijn leven’ vinden we moreel aanvaardbaar,andere zoals ‘mijn valling is voor mij erger dan zijn dood’ gaan over de schreef. Om de facto variatiesin zelfliefde zowel als moreel onaanvaardbare evaluaties uit te sluiten onderscheiden we eensubjectief van een persoonlijk standpunt. Enkel het laatste geeft het niveau van zelfliefde weer waarwe reden toe hebben. Een grens trekken is evident geen eenvoudige kwestie, maar ergens moet zelopen…We kennen het concept persoon zijn reeds voldoende om te achterhalen wat voor redenen eenpersoon ons geeft. Van cruciaal belang is dat elke persoon elke andere persoon even sterke redenengeeft. De grond voor deze veelheid van even sterke redenen is precies het persoonlijke standpunt;het feit dat elke persoon voor zichzelf meer waarde heeft dan andere personen en dit in dezelfdemate. Anders gezegd: het persoonlijke standpunt bindt ons aan elke persoon met een afzonderlijkeen even sterke reden, alsof elke persoon zijn even zware anker naar ons uitslaat.Als we net iets dieper ingaan op de redenen die personen ons geven, dan zien we dat elke persoonons twee types van redenen geeft: ten eerste, een reden om te verlangen dat hij zichzelf realiseert,en ten tweede, een reden om erop toe te zien dat hij daar de voorwaarden toe bezit. Deze twee
  • 5. 3redenen reflecteren zowel het feit dat elke persoon zichzelf moet realiseren (dieverantwoordelijkheid is eigen aan persoon zijn) als het feit dat we als buitenstaander tot devoorwaarden daartoe kunnen bijdragen. Morele redenen stricto sensu zijn enkel van het tweedetype.Zoals ik al zei heeft deontologie zijn vertrekpunt in de erkenning van de waarde van persoon zijn.Personen erkennen betekent zoveel als de redenen die ze geven serieus nemen en bijgevolg ook degrond voor die redenen erkennen of aandacht hebben voor eenieders persoonlijke standpunt.Op basis van al de redenen die alle personen ons geven kunnen we globale standen van zakenevalueren en rangschikken. De deontologisch ideale stand van zaken is deze waarin alle redenenvolledig zijn vervuld: waarin met ander woorden alle personen alle voorwaarden tot zelfrealisatiebezitten. Andere globale standen van zaken rangschikt men volgens hun afstand van dit ideaal.De rangschikking van standen van zaken die mijn inziens het dichtst aansluit bij de deontologischepremissen is John Rawls’ maximin.1 Een stand van zaken is beter naarmate meer personen devoorwaarden tot zelfrealisatie bezitten en naarmate degene die het minste voorwaarden daartoebezit er het meeste bezit.2Maximin leid ik hier niet af op Rawlsiaanse manier, maar rechtstreeks uit het gegeven dat volgensdeontologie de zelfrealisatie van elke persoon even belangrijk is. Indien we evenveel reden hebbenom tot A’s als tot B’s voorwaarden tot zelfrealisatie bij te dragen, indien het dus even belangrijk isdat A zowel als B die voorwaarden bezit, dan is een stand van zaken waarin degene van A of B die hetminst voorwaarden bezit er het meest bezit, beter. Dit kan men niet ontkennen zonder partijdig dezijde te kiezen van A of B, wat in tegenstrijd is met de gelijke redenen die elke persoon ons geeft.Tenslotte moeten we opmerken dat ook een groep van personen het slechtst af zijn: dit is nietnoodzakelijk één persoonConsequentialismeConsequentialisme is de morele theorie die zijn vertrekpunt heeft in de erkenning van de waardevan welzijn. In tegenstelling tot deontologie, waar personen centraal staan, staan inconsequentialisme niet personen dan wel een eigenschap van personen centraal, namelijk hunwelzijn.Qua redenen is het cruciale verschil met deontologie dat, waar in deze elke persoon een reden geeft,in consequentialisme niet elke instantie van welzijn, maar wel de eigenschap op zich, een redengeeft: een reden meerbepaald om de totale hoeveelheid welzijn te maximeren. Een globale stand vanzaken is dan ook beter naarmate ze meer welzijn bevat en ideaal wanneer ze het meeste welzijnbevat.De verschuiving van persoon zijn naar een eigenschap van persoon zijn, namelijk hun welzijn, heeftserieuze implicaties voor de aard van deze theorieën. We lichten dit wat verder toe.1 Het werk waarin Rawls maximin uit de doeken doet is natuurlijk A Theory of Justice. Cambridge, Massachusetts: BelknapPress of Harvard University Press, 1971. Ik maak hier geen gebruik van Rawls’ constructie (‘originele positie’, ‘sluier vanonwetendheid’) om maximin uit de doeken te doen maar verbind ze rechtstreeks met de premissen van deontologie.2 De slechtste af het beste af maken wil dus niet zeggen dat men de armste luis tot koning maakt, maar wel dat men streeftnaar een stand van zaken waarin de armste luis het minst arm is. Zie o.a. David Brink in BRINK, D.O., The Seperateness ofPersons, Distributive Norms and Moral Theory.
  • 6. 4Ten eerste. Voor deontologie is elke persoon even belangrijk. Consequentialisme echter wordtgekenmerkt door onverschilligheid t.o.v. de kwestie aan welke personen welzijn toekomt. Het enigewat telt is de totale hoeveelheid welzijn, ‘no matter where it falls’ zoals men dat in het Engels zegt.Het is zelfs niet belangrijk dat de personen aan wie welzijn toekomt überhaupt nog bestaan. Welzijnmag evenzeer toekomen aan reeds overleden personen, waarom niet?Ten tweede. Deontologie is in hoge mate anti-aggregatief en dat is een rechtstreeks gevolg van haarminimax. Een stand van zaken waarin degene die het slechtst af is net iets beter af is, is beter daneen stand van zaken waarin degene die het slechtst af is net iets slechter af is, hoewel in die standvan zaken heel wat personen significant beter af zijn. Een kort voorbeeld: een wereld waarinniemand een been kwijt is, is beter dan een wereld waarin iemand een been kwijt is, al zijn miljoenenpersonen minder in die wereld een vinger kwijt.In tegenstelling hiermee is de consequentialistische rangschikking van standen van zaken door endoor aggregatief: het enige van gewicht is de optelsom van instanties van welzijn.Dat wil wel niet zeggen dat aggregatie in deontologie geen enkele rol speelt. Van twee standen vanzaken waarin de slechtste af even slecht af is, is die stand van zaken waarin een aantal personenbeter af zijn (die dus, zo je wil, pareto-superieur is t.o.v. de andere stand van zaken) beter. Hiermeesmokkelen we geen vreemd, aggregatief element binnen in deontologie. Deze aggregatie is immersperfect verenigbaar met, ja zelfs vereist door, het serieus nemen van elke persoon. Vergeet niet datelke persoon een reden geeft om erop toe te zien dat hij (zo mogelijk) ten volle alle voorwaarden totzelfrealisatie bezit.Ten derde. Consequentialisme zowel als deontologie hebben ruimte voor de concepten gelijkheid enonpartijdigheid. Maar ze betekenen wel iets fundamenteel anders. Voor een consequentialistbetekent gelijkheid dat elke instantie van (hetzelfde aspect van) welzijn dezelfde waarde heeft enonpartijdigheid dat men ze net even hoog moet achten.Ook voor een deontoloog geldt dat soortgelijke instanties van zelfrealisatie even veel waard zijn.Maar dat is niet wat het betekent dat alle personen gelijk zijn. De gelijke waarde van personen isperfect verenigbaar met een verschillend niveau van zelfrealisatie. De facto is dat niveau trouwensverschillend (vergeet ook niet dat het ten dele een kwestie is van eigen verantwoordelijkheid). Tochheeft in de ogen van een deontoloog elke persoon dezelfde waarde en verdient hij of zij even zeerons respect.Nog enkele verschillenHieronder werk ik nog kort enkele verschillen uit tussen deontologie en consequentialisme die hetverschil tussen beide theorieën verlevendigen.Passief versus actiefConsequentialisme heeft een passief karakter: iemand is niet noodzakelijk verantwoordelijk voor hetwelzijn dat hem of haar toekomt. Daarentegen heeft deontologie een actief karakter: men is welnoodzakelijk verantwoordelijk voor de realisatie van zijn persoon. Over de rol vanverantwoordelijkheid heb ik het verder nog in het tweede deel van dit artikel.
  • 7. 5De relatie tot het moreel egoïsmeHet spreekt zeker in het voordeel van deontologie dat ze meer ruimte biedt aan wat we zoudenkunnen noemen een natuurlijk egoïsme dan consequentialisme, dit als gevolg van haar erkenningvan de waarde van het persoonlijke standpunt en van de meerwaarde die elke persoon bijgevolgvoor zichzelf heeft. Dit egoïsme biedt een dam aan de offers die redelijkerwijze van een mens kunnengevraagd worden in morele context (daar heb ik het nog over in het tweede deel van dit artikel).We mogen echter het verschil niet uit het oog verliezen tussen deontologie en de moraaltheorie diemoreel egoïsme heet.3 Die theorie erkent als morele waarde enkel en alleen het zelf en leidt al onzemorele verplichtingen daaruit af. Dit terwijl deontologie de morele waarde van elke persoon erkent.Een cruciaal verschil…De relatie tot het concept ‘voldoende’Het is duidelijk dat we dingen en diensten nodig hebben om onszelf te realiseren. We hebbendaartoe echter niet oneindig veel nodig. Een bepaald niveau volstaat voor zelfrealisatie en meer kanze zelfs in de weg staan.4Deontologie kent wat welzijn betreft redelijke grenzen, en dit zowel naar beneden (men kan geenonredelijke offers eisen van mensen – zie het vorige punt) als naar boven (men kan ‘genoeg’hebben). Consequentialisme is echter grenzeloos. Ze kan mateloos grote offers eisen van mensenmaar even goed de peilloze opeenstapeling van welzijn verantwoorden. Toegegeven, een snuggerconsequentialist zal excessen tijdig een halt toeroepen (ondermeer door te jongleren met hetconcept welzijn) maar dat halt zit niet gevat in de beginselen van de theorie.Het is bizar dat een morele theorie gulzigheid (toegegeven; in zeer specifieke omstandigheden diealtijd kunnen omslaan) zowel als mateloze offers kan goedpraten. Ze heeft die ruimte voor excessengemeen met zowel de ongebreidelde hebzucht als de bittere armoede die men vaak associeert methet kapitalisme. 2. Van het goede naar het juisteOp voorgaande bladzijden heb ik aangetoond dat het consequentialisme als theorie van waarden (enevaluatiemodel voor morele standen van zaken) moeilijk verdedigbaar is. Zonder verder voorbehoudvloeit de theorie van morele verplichtingen voort uit die van waarden: we zijn moreel verplicht omde best mogelijke stand van zaken te realiseren die in ons bereik ligt. Maar gezien deconsequentialistische theorie van waarden geen steek houdt doet hun theorie van moreleverplichtingen dat al evenmin.Bleek voorafgaandelijk dat de deontologische theorie van waarden wél houdbaar is. En hun theorievan verplichtingen dan?3 Een auteur die mij veel heeft bijgebracht over moreel egoïsme heeft David O. Brink. Zie ondermeer "Self-love andAltruism" Social Philosophy & Policy 14 (1997): 122-57.4 Mijn visie sluit dicht aan bij die van Harry Frankfurt. Volgens Frankfurt is primordiaal dat iedereen voldoende bezit om terealiseren waar hij om geeft. Zie Harry Frankfurts ‘The Importance of What we Care About’ in The Importance of What WeCare about: Philosophical Essays. Cambridge University Press. 1988. Een andere auteur met interessante inzichten rond hetconcept ‘voldoende’ is Michael Slote, ondermeer in Beyond Optimizing (1989), Harvard University Press.
  • 8. 6Het antwoord is complex. Als we ze rechtstreeks afleiden uit hun theorie van waarden komen we inde problemen: ze blijkt dan even onhoudbaar als de consequentialistische theorie. Zoveel blijkt bijherhaling in de komende bladzijden. Deontologie geeft ons echter een goede reden om haar theorievan morele verplichtingen niet af te leiden uit haar constructie van morele standen, maarrechtstreeks terug te gaan naar de grond van deontologische waarden: de erkenning van de morelewaarde van een persoon. Dat maakt hun theorie van verplichtingen even plausibel als hun theorievan standen van zaken. Dit aantonen is de crux van komende bladzijden.Om de taal te versoepelen spreek ik in komende bladzijden niet meer van de theorie van morelestanden van zaken versus de theorie van morele verplichtingen maar van de theorie van het goedeversus die van het juiste.De rationale voor een rechtstreekse afleiding van het juiste uit het goedeIn het begin van dit artikel hebben we één globale morele rangschikking van standen van zakenafgeleid uit de theorie van morele waarden (consequentialistisch versus deontologisch). Wat is er nulogischer dan als persoon te streven naar de realisatie van de beste stand van zaken?Een eerste reden hiertoe heeft te maken met de eenheid van handeling. Eén persoon kan op elkmoment hooguit één handeling stellen. Waarom zou hij die handeling niet aangrijpen om op datmoment het beste te realiseren?Een tweede reden vloeit voort uit een manifeste eis van rationaliteit: maximering. Het zou irrationeelzijn om een slechtere i.p.v. een betere stand van zaken te realiseren als de laatste binnen handbereikligt.‘Ought implies Can’Maar daar gaan de poppen lichtelijk aan het dansen: ‘binnen handbereik?’.Een frequent opgevangen adagium luidt ‘ought implies can’: je kan een mens maar ergens toeverplichten als hij er ook effectief toe in staat is. En nogal wat struikelblokken staan moreel perfectehandelingen in de weg.Ik noem er maar wat: imperfecte kennis (‘weet ik veel wat het beste zou zijn in gegevenomstandigheden?’), beperkte materiële middelen (‘ik ben ook niet rijk!’), psychologischebegrenzingen (‘men wil ook niet iedereen helpen’) en het feit dat we hooguit een pareltje zijn in eencomplex kraal van actoren.Eén beperking verdient kort onze bijzondere aandacht: zelfbehoud. Het is psychologisch evidentonmogelijk om abstractie te maken van de consequenties van een handeling voor het zelf. Maar vooreen deontoloog is die psychologische restrictie ook moreel getint. Deontologen starten immers metde erkenning van de waarde van persoon zijn en dat sluit de erkenning van de meerwaarde van eenpersoon voor zichzelf gewoon in. Dat die persoon bijgevolg in eerste instantie aan zichzelf denkt isniet immoreel. Voor een consequentialist is dat echter wel het geval. Een consequentialist moetgewoon de beste (en haalbare) stand van zaken realiseren ongeacht de consequenties voor zichzelf,al ligt dat psychologisch nog ze moeilijk. Er is dus iets ‘selfless’ en offerbereid aan hetconsequentialisme dat in deontologie geen plaats heeft. Een plus voor zijn realisme, dunkt me.Resumé: als we ‘de beste stand van zaken’ schrijven, bedoelen we de beste van alle toegankelijkestanden van zaken: een stand van zaken die bereikbaar is met een handeling die men kan stellen.
  • 9. 7Morele intuïties als toetsteenZoals we hieronder zullen zien, zijn het steevast onze morele intuïties die als struikelblok dienen in derechtstreekse afleiding van het (deontologisch) juiste uit het goede.Men kan natuurlijk debatteren over de functie van morele intuïties in de analyse van moreletheorieën. In het bestek van dit korte artikel doe ik aan deze discussie niet mee en ga ervan uit datonze morele intuïties ons alleen maar op weg helpen in het ontsluieren van morele waarheden.Morele intuïties en common sense.Het eerste struikelblok: de herverdeling van goederenHet waarom van herverdelingDe realisatie van de beste (en toegankelijke) stand van zaken is ongetwijfeld een complex proceswaarvan het uitzicht in grote mate door zijn doel bepaald wordt: het aan elkeen verschaffen van devoorwaarden tot zelfrealisatie.Eén aspect van dit proces is de herverdeling van goederen. Goederen dragen immers bij tot het bezitvan de voorwaarden tot zelfrealisatie, meestal als causaal middel, soms ook als constitutief deel.Natuurlijk heeft dit proces nog andere aspecten, zoals het verlenen van diensten (onderwijs,gezondheidszorg, veiligheid, sociale zekerheid) en het creëren van kansen (toegang tot onderwijs, totjobs). En er zijn ook voorwaarden tot zelfrealisatie waar we weinig invloed of vat op hebben, zoalsiemands natuurlijke vermogens en talenten, of iemands ziekelijke constitutie.Het hoe van herverdelingIn het algemeen geldt bij het herverdelen van goederen niet de hoeveelheid van een goed dan welzijn bijdrage tot het bezit van de voorwaarden tot zelfrealisatie.5Deze bijdrage kan met tal van zaken variëren, zoals de algemeenheid versus de specificiteit van hetgoed, de mate waarin het afgestemd is op een voorwaarde (vb. geld versus een nier), de hoeveelheiddie men reeds heeft van dat goed, de mate waarin een voorwaarde reeds is vervuld (vb. het dalendmarginaal nut van extra geld of een extra nier) en tenslotte of iets al of niet tot zijn voorwaardenbehoort (vb. geen fietser zonder fiets).Hoe moeten we onze goederen verdelen? Volgens de morele opvatting die ter discussie staat zoudenwe ze zo moeten verdelen dat we in de beste van alle ons toegankelijke standen van zaken terechtkomen. Dat is duidelijk feitelijk zowel als conceptueel een getroebleerd proces:Goederen zijn schaars. Niet iedereen heeft ze even nodig. Ze hebben ook niet bij iedereen hetzelfdeeffect. De gever kent de huidige stand van zaken nooit volledig en hij weet ook niet precies wat heteffect van zijn verdeling gaat zijn. Iedereen is niet altijd even bereikbaar.5 Zie de discussie over gelijkheid tussen ondermeer Amartya Sen, Richard J. Arneson en John Rawls. Volgens Rawls isgelijkheid het gelijk bezit van primaire goederen. Sen noemt dit goederenfetischisme: wat telt zijn niet de goederen die eenpersoon heeft maar wat hij ermee kan doen, wat afhangt van zijn ‘capacity to turn goods into well-being’.
  • 10. 8Enzovoort. Maar goed. Het is een ideaal…Offers, verantwoordelijkheden en conflictsituatiesNaast de praktische moeilijkheden zijn er echter ook drie fundamentele morele obstakels. Eénobstakel - van de kant van de gever - heeft te maken hebben met het offer dat hij moet plegen in hetweggeven van goederen. Een tweede obstakel - van de kant van de ontvanger – betreft zijn eigenverantwoordelijkheid voor zelfrealisatie. En een derde obstakel is de onvermijdelijkheid van moreleconflictsituaties.OffersIn het proces van herverdeling van goederen zijn er die ‘winnen’ (geholpen worden) en anderen die‘verliezen’ (een offer moeten plegen om te helpen. De vraag is of men zulke offers moreel kanverplichten. Het antwoord is een gekwalificeerd ‘ja’.Om te beginnen is deontologie minder veeleisend dan consequentialisme. Eén reden is dat indeontologie degenen die beter af zijn grotere offers zullen moeten plegen dan degenen die mindergoed af zijn: minimax impliceert deze asymmetrie in offers. Een tweede reden is dat men nàverdeling hoogstens zo slecht af mag zijn als degene die het slechtste af is – en die men zo goedmogelijk af heeft trachten te maken. Desondanks kunnen ook in deontologie, omwille van hetstreven naar de beste stand van zaken, de vereiste offers erg zwaar zijn.Zijn offers verenigbaar met het serieus nemen van personen? Vergeet niet dat vanuit iemandspersoonlijk standpunt zijn verlies aan welzijn zwaarder doorweegt dan dat van anderen en datdeontologie dat persoonlijke standpunt ernstig neemt. Maar toch. Er is een verschil tussen hetpersoonlijke en een puur subjectief standpunt. De erkenning van de gelijkheid van eeniederspersoonlijke standpunt - de tweede hoeksteen van deontologie - staat dat pure subjectivisme (datkan uitmonden in egoïsme en hebzucht) in de weg en legt een grens op aan éénieders persoonlijkeverzuchtingen.VerantwoordelijkhedenWe mogen niet vergeten dat men in deontologische context niet veel meer kan doen dan demiddelen verschaffen waarmee iemand zichzelf kan realiseren. Zonder die middelen kan meneffectief niet veel aanvangen. Maar het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de ontvanger omer iets mee te doen.6Het ernstig nemen van de zelfrealisatie van personen – de hoeksteen van deontologie – betekent datmen eenieders verantwoordelijkheid om zichzelf te realiseren serieus neemt. Dit staat in contrastmet het consequentialistisme en geeft deontologie een actief karakter: het is eenieders eigenverantwoordelijkheid om iets met zijn leven aan te vangen. Consequentialisme heeft iets passief:alsof men zijn welzijn integraal van iemand anders kan ontvangen.Gevolg hiervan is ook dat men de beste stand van zaken onmogelijk ‘van buitenaf’ kan realiseren. Hethangt uiteindelijk af van wat mensen doen met de middelen die hun gegeven worden in welke stand6 Iemand die sterk de nadruk legt op het belang van de eigen verantwoordelijkheid in de context van gelijkheid enherverdeling is Richard J. Arneson, ondermeer in “Egalitarianism and Responsibility”, Journal of Ethics 3, No. 3 (1999), pp.225-247.
  • 11. 9van zaken men terecht komt.ConflictsituatiesHet herverdelen van goederen draagt de kiem in zich van heel wat soorten van conflictsituaties. Ditzijn situaties waarin we niet anders kunnen dan een keuze maken maar onze morele intuïtie hetmoeilijk heeft met het feit dat we een keuze moeten maken.In een eerste type van conflictsituatie zijn er twee gelijke maar elkaar uitsluitende opties voorherverdeling. Stel dat twee personen evenveel nood hebben aan een goed en dat we elk van diepersonen met dat goed kunnen bereiken. Men kan ze echter niet allemaal bereiken: men moet eenkeuze maken (je moet bijvoorbeeld een vracht inentingen tegen malaria naar de ene of de anderelocatie sturen waar ze die vracht hard kunnen gebruiken).Vanuit het ‘standen van zaken’ standpunt maakt het geen verschil aan wie we dat goed geven: watwe ook kiezen, we komen immers in een even goede stand van zaken terecht. Onze moreleverplichting – zo begrepen - staat dus onverschillig tegenover de keuze. En toch ervaren we eenconflict; een conflict dat niet louter psychologisch maar ook moreel geladen is. We vinden het ergensoneerlijk om gewoon de ene boven de andere keuze te verkiezen.Misschien geraken we uit deze impasse via een aantal verfijningen. Ik stel er drie voor.Ten eerste, maximin. Geef prioriteit aan degene die zonder dat goed het slechtste af zou zijn. Echter.Alle partijen in het conflict zouden zonder dat goed even slecht af zijn: maximin biedt dus geensoelaas.Ten tweede. Geef dat goed aan degene die het best bereikbaar is en op wie dat goed het meesteeffect heeft. Echter. Alle partijen in het conflict zijn met dat goed even bereikbaar en het effect ophun welzijn is even groot.Ten derde, pareto. Realiseer die stand van zaken waarin de totale hoeveelheid welzijn het grootst is,de pareto superieure stand van zaken dus. Echter. Er zijn meerdere pareto superieure standen vanzaken mogelijk.Bovengaande verfijningen zijn bijgevolg niet bij machte om het conflict op te heffen.Nu voeren we de discussie nog een stap verder tot conflictsituaties van het tweede type. Er zijnnamelijk scenario’s denkbaar waarin de ene situatie volgens de deontologische evaluatie van standenvan zaken duidelijk beter is dan de andere, en toch ervaren we een conflict: onze morele ‘gutfeelings’ vinden de ‘betere’ stand van zaken niet beter dan de ‘slechtere’. Ik onderscheid tweesoorten van scenario’s:Extra persoon scenarios. Stel dat verschillende personen evenveel nood hebben aan een goed, maardat het aantal personen die je met dat goed (samen) kan bereiken verschilt: de keuze is tussen Ahelpen of B, C en D helpen.Extra voordeel scenarios. Stel dat verschillende personen evenveel nood hebben aan een goed, dathet aantal personen die je met dat goed (samen) kan bereiken gelijk is, maar dat een extra voordeelin het spel is. De keuze is tussen A helpen of B helpen en C’s droge keel genezen.In dit soort van scenario’s spreekt de standen van zaken theorie duidelijke taal. Kies in extra persoonscenario’s voor de kant met de extra personen, in extra voordeel scenario’s voor de kant met hetextra voordeel. Dat leidt immers tot de beste stand van zaken. Moreel gesproken kost het ons echter
  • 12. 10moeite om gewoon nummers te tellen of irrelevant lijkende voordelen onze keuze te laten bepalen.Ook deze scenario’s kunnen we verder verfijnen en telkens opnieuw op de weegschaal leggen vanonze morele intuïties. Zo kunnen we in extra persoon scenario’s spelen met het aantal personen, metde kans dat we ze kunnen helpen, met hun eigen potentiële bijdrage tot het helpen van personen(misschien is er een dokter bij), enzovoort. In extra voordeel situaties kunnen we de grootte van hetextra voordeel variëren (een bloem, een huis, een vinger, een arm? ).We gaan die verdere verfijningen hier echter niet doorvoeren, niet omdat ze niet nuttig zouden zijnin een verder onderzoek van onze morele intuïties, maar wel omdat ze weinig veranderen aan depointe die ik hier wil maken: namelijk dat men het juiste niet simpelweg uit het goede kan afleiden.Het abstracte karakter van gedachtenexperimentenVeel mensen hebben moeite met de abstracte aard van dit soort gedachtenexperimenten. Ze gevenmorele theorie een quasi onwezenlijk karakter. In het echte leven zijn twee situaties nooit exactgelijk (of exact gelijk op één of eventueel enkele welomschreven aspecten na). En heel wat mogelijkrelevante verschillen kennen we niet eens.Dit soort onzekerheden maakt het echte leven complex. De vraag is nu of een morele theoriegebaseerd op glasheldere, welafgelijnde en bijgevolg onwerkelijke situaties wel waarde heeft.Mijn antwoord is ‘toch wel’. Het werken met welafgelijnde situaties is de enige manier om onzemorele intuïties te toetsen en meer te weten te komen over hun inhoud. En ze zijn ook deel van hetconcrete leven. Zelfs al geraken ze in het echte leven dikwijls op de achtergrond, bedolven onderzelfbehoud en hebzucht, in heel wat situaties speelt een morele respons een rol. Onze neiging omomstandigheden te concretiseren toont mijn inziens alleen maar aan dát onze morele intuïties nogsteeds springlevend zijn.Daarom werken morele filosofen constant met dit soort gestyleerde situaties; niet uit een gebrek aanwerkelijkheidszin, maar eigenlijk uit respect voor dat aspect van de realiteit.Het tweede struikelblok: helpen en schadenHet staat buiten kijf dat we met een morele handeling (minstens één) iemand helpen. Het tegendeelzou pervers en de naam ‘moreel’ onwaardig zijn. Tot zover kunnen we de gedachte dat het ‘juist’ isom de moreel beste stand van zaken te realiseren volgen: dat kan immers niet zonder iemand tehelpen. Probleem is nu dat de realisatie van de beste stand van zaken, naast het helpen van iemandook het schaden van anderen kan impliceren: weliswaar niet als doel op zich (dat zou opnieuwpervers en immoreel zijn) maar wel als middel in de realisatie van een betere stand van zaken. Devraag is dus of schade als middel moreel aanvaardbaar kan zijn - zoals de theorie die zegt dat we vanalle toegankelijke standen van zaken de beste moeten realiseren zou impliceren.Als we hier wat verder op in gaan blijken er twee dingen in conflict met onze morele intuîtie:Ten eerste: dat we in de realisatie van de beste stand van zaken überhaupt personen schaden:weliswaar gratuit noch systematisch maar toch - het is en blijft schaden.7 Strookt dit met onzemorele intuïties en zo ja: hangt dat dan af van het soort schade en van het soort omstandighedenwaarin? We komen daar later op terug.7 Zie O’ NEILL, O., Towards Justice and Virtue, Cambridge, Cambridge University Press, 1996, hfk.5.
  • 13. 11Ten tweede: dat in het stellen van een morele handeling de focus niet zozeer ligt op de betrokkenpersonen dan wel op de stand van zaken die we realiseren, op een abstract eerder dan op eenconcreet gegeven dus. Vraag is ook of dit wel rijmt met onze morele intuïtie.Twee definities van helpen en schadenOm bovengaande problemen te kunnen behandelen moeten we helpen en schaden nader bepalen.De kern van het verschil ligt in de relatie tussen iemand helpen of schaden en iemand beter versusslechter af maken. Ietwat inspiratieloos noem ik de definities helpen en schaden van respectievelijktype 1 of 2.Helpen als iemand beter af maken, schaden als iemand slechter af maken (type 1).Je kan iemands welzijnsniveau met en zonder je bestaan of handelingskeuze vergelijken: helpen doeje als iemand met je bestaan of handelingskeuze beter af is dan zonder, schaden als diepersoon slechter af is met dan zonder.In helpen of schade van type 1 primeert de causale relatie tussen je bestaan/handelingskeuze eniemands welzijn: helpen of schaden is iemand beter of slechter af maken . Deze causale relatie is nietnoodzakelijk intentioneel geladen. Als je een bloempot van het balkon stoot en die valt op het hoofdvan een voorbijganger, dan maak je die persoon slechter af. Struikel je over iemands voeten en komje daardoor niet onder de wielen van een wagen terecht, dan ben je beter af.De relatie kan echter zowel causaal als intentioneel zijn. Het prototype van schaden type 1 isimmers vermoorden: een causale zowel als intentionele vorm van schaden.Helpen als iemand zo goed mogelijk af maken, schaden in elk ander geval (type 2).Je kan iemands’ welzijnsniveau ook onder de waaier van handelingskeuzes die je open staan metelkaar vergelijken: helpen doe je als je de handeling kiest waaronder iemand het beste af is, schadendoe je in elk ander geval. Je schaadt dus iemand van zodra je die persoon beter af hadkunnen maken.Het verschil met helpen en schaden van type 1 is glashelder. In helpen en schaden van type 2 is hetniet essentieel dat je iemand nu beter of slechter af maakt, enkel dat je iemand beter of slechter afhad kunnen maken. Vergezocht misschien, maar je helpt iemand volgens deze definitie als je hem defacto slechter af maakt maar niet beter af had kunnen maken.De type 2 benadering vat een belangrijke intuïtie omtrent schaden. Soms schaden we personen, nietin de zin dat ze slechter af zijn door ons bestaan en handelingskeuze; wel in de zin dat we in staat zijnom ze beter af te maken maar dat vertikken.Deze vorm van schaden is niet noodzakelijk causaal: door niets te doen kan je iemand schaden. Hetprototype van schaden type 2 is dan ook laten sterven: een niet causale maar mogelijk welintentionele vorm van schade.Een beknopte interventie over moraal en intentieZijn intenties geen noodzakelijke voorwaarde voor het stellen van een morele handeling? We makenhier geen excursies in de theorie van het handelen. Maar als intenties een noodzakelijke voorwaarde
  • 14. 12zijn voor handelen, dan zijn ze dat zeker ook voor moreel handelen. Dat zou impliceren dat allevormen van beter of slechter af maken die niet intentioneel zijn ook buiten het domein van hetmorele vallen.Morele schade?Er zijn meerdere contexten denkbaar waarin schade op het eerste gezicht moreel verantwoord is,tenminste, zolang we onze deontologische morele plicht proberen af te leiden uit de moreel bestestand van zaken. Ik geef hieronder een overzicht.Instrumentele schadeIn de realisatie van de beste stand van zaken kunnen twee soorten van schade voorkomen:Ten eerste kan men in dat proces zichzelf schaden: een offer plegen van het eigen welzijn (dat kanschade zijn van type 1 of 2).Ten tweede kan men in dat proces anderen schaden (opnieuw kan dat schade zijn van type 1 of 2).Dat kan de bedoeling hebben om meer schade van type 1 óf van type 2 te voorkomen (je doodt eenonschuldig iemand om te voorkomen dat vijf anderen omkomen –de standaard trolley case, versus,je doodt iemand om zijn organen te verdelen onder een vijftal behoeftige personen) of om anderenbeter af te maken (weerom een fictief voorbeeld: door iemand om te brengen krijgen duizendkinderen de kans om naar school te gaan).Onafwendbare schadeJe kan in situaties terechtkomen waarin schade niet te voorkomen valt. Welke handeling je ook kiest,je richt schade aan. Anders gezegd: de stand van zaken waarin je niemand schaadt is niettoegankelijk.Ofwel is de keuze tussen schade van type 1 of van type 2. Een voorbeeld is de keuze tussen eenonschuldig iemand doden of anderen laten sterven (de standaard trolley cases).Ofwel is de keuze tussen twee instanties van schade van het tweede type. Een voorbeeld is eensituatie waarin verschillende mensen nood hebben aan een medicijn maar je kan ze om één ofandere reden niet allemaal helpen met dat medicijn: het is onvermijdelijk dat je degene(n) die je niethelpt schaadt (type 2).Onze morele intuïtie opnieuw in verzetOver al deze types van schade is al heel veel filosofische inkt gevloeid - en de stylo raakt niet leeg. Inhet licht van deze tekst is de belangrijkste bevinding als volgt.Moest onze morele plicht louter functie zijn van de realisatie van de beste (en toegankelijke) standvan zaken dan zouden deze vormen van schade geen gewetensbezwaren mogen opleveren. Inbovengenoemde gevallen lijkt schade ons echter niet enkel psychologisch maar ook moreel moeilijk(bij onafwendbare schade) en zelfs moreel onjuist (bij instrumentele schade). Waarom?Dit heeft te maken met de erkenning van de waarde van persoon zijn; de hoeksteen van deontologie.Bijvoorbeeld. Door iemand te doden om vijf anderen te redden degraderen we iemand tot middel en
  • 15. 13halen hem van zijn onschendbare voetstuk. Deze devaluatie zindert in feite door naar de personendie we redden. We geven toe dat in andere omstandigheden ook zij geofferd zouden mogen worden(vb. om meer personen te redden)8.Gevallen waarbij men zichzelf schaadt liggen moreel gezien zelfs nog moeilijker, omdat deontologiede meerwaarde die een persoon voor zichzelf heeft ernstig neemt.ConclusiesDeontologische spanningenTwee standpunten: abstract en concreetMens zijn, bijgevolg moreel zijn (hoewel; deze afleiding is ongetwijfeld minder dan logisch...) iscomplex. Aan de ene kant zijn we ongetwijfeld gericht op de globale stand van zaken die de concretesituatie overstijgt. Aan de andere kant is een mens op elk moment geworpen ineen concrete situatie, omringd door bepaalde mensen.Twee soorten van verplichtingen: globaal en lokaalUit die twee stanpunten komen twee soorten van verplichtingen voort, globale verplichtingentegenover de mensheid als geheel en lokale verplichtingen tegenover de specifieke mensen rondomons.9Ik geef een voorbeeld om het verschil te illustreren. Globale verplichtingen vervullen is een kwestievan tijdig zijn belastingen betalen, etc. Maar heel wat concrete situaties worden niet door dat soortverplichtingen gedekt, terwijl we in die situaties nochtans verplichtingen hebben. Stel dat je iemandziet verdrinken en je kan hem redden zonder zelf gevaar te lopen: het is duidelijk dat je hem moetredden.Deze tweespalt vinden we ook terug in onze taal. Globale standen van zaken kunnen weweliswaar beter af maken maar we kunnen ze niet helpen: we kunnen enkel personenhelpen in standen van zaken.8 Een filosofe met bij wijlen ‘mindboggling’ diepe inzichten in morele conflictsituties zoals de ‘survival lottery’ en ‘trolleycases’ is Frances Myrna Kamm. Uiteindelijk verdedigt ze de opvatting dat de voornaamste barrière tegen het doden van eenpersoon om er meer te redden de onschendbaarheid van een persoon is. Zie hoofdzakelijk haar “Morality, Mortality”,volumes 1 en 2.9 Lokale verplichting moet je tevens onderscheiden van persoonlijke verplichtingen. Ook persoonlijke verplichtingenhebben we slechts t.o.v. enkele personen. Ook persoonlijke verplichtingen zijn rechtstreeks. In tegenstelling met lokaleverplichtingen echter zijn ze niet gegrond in de eigenschappen van situaties maar in de liefde voor een persoon. Noteerverder dat het (act of regel) consequentialisme alle verplichtingen (globale, lokale, persoonlijke) afleidt uit één en dezelfdegrond: de realisatie van de beste globale stand van zaken: eigenschappen van concrete situaties zijn hoogstens ‘prompters’van verplichtingen met andere gronden. Bemerk ten slotte dat het concept situatie knap lastig te definiëren valt. Wanneermaakt iets deel uit van een situatie? Is het criterium perceptueel (wat je ziet) of cognitief (waaraan je denkt), of wat?Iemand die zich goed bewust is van de nood aan lokale verplichingen is O’Neill in O’ NEILL, O., Towards Justice and Virtue,Cambridge, Cambridge University Press, 1996. O’Neill verbindt lokale verplichtingen met deugden en grondt ze in deweerlegging van onverschilligheid in concrete situaties: een gevolg is dat het verschil tussen persoonlijke verplichtingen(gegrond in liefde) en lokale verplichtingen (gegrond in ‘sociale’ deugden) kleiner wordt. Ik ga hier niet in op deze aanpak enzijn verdere consequenties.
  • 16. 14InstitutiesDe opname van globale verplichtingen ligt in feite niet in de mogelijkheden van de individuele mens.Hij of zij ontbreekt daartoe de vermogens (materieel, tijd, etc.). En niet enkel dat. Het zou ook in deweg zitten van zijn of haar zelfrealisatie als persoon. En het zou tenslotte ook aanleiding geven tot deconflicten die ik hierboven heb beschreven.Om deze en tal van andere redenen (coördinatie, informatie, etc.) hebben we nood aan de oprichtingvan instituties die de realisatie van globale standen van zaken op zich nemen. In dit korte artikelwaag ik me niet aan de analyse van instituties. Het enige wat ik hier wil zeggen is dat een deel van deverantwoording voor de oprichting van instituties ongetwijfeld moreel is.Instituties maken de vervulling van onze globale verplichtingen onrechtstreeks: we vervullen dieplichten door te gehoorzamen aan de regels van die instituties. Maar precies dit onrechtstreeksekarakter maakt hun vervulling überhaupt mogelijk.Particularisten en generalistenEr is discussie tussen particularisten en generalisten over de vraag of men lokale verplichtingen al ofniet tot regels kan verharden: volgens generalisten wel, volgens particularisten niet. Maar het is hoedan ook duidelijk dat het bestaan van dit soort verplichtingen te maken heeft met het serieus nemenvan (de redenen van) de personen die men in concrete situaties ontmoet.Scanlons’ verantwoording van morele regels is wat dat betreft instructief.10 Hij onderzoekt in deevaluatie van regels voor een bepaald soort situatie het effect van die regel op het welzijn vanpersonen in alle mogelijke posities. De regel die onze plicht gaat worden is deze waaronder hij diehet slechtst af is het best af is. Scanlons’ evaluatie van regels heeft zijn eigenheden. Zo zijn depersonen waar hij het effect op nagaat abstracties -met de make-up van normale personen- inalle mogelijke posities: de reden is dat deze regels in duizend en één situaties, met telkens anderepersonen in andere posities, moeten gelden. Maar belangrijk is de gelijkenis met minimax: hetzoeken naar regels waaronder de slechtste af het beste af is, is een expressie van het serieus nemenvan (de gelijke redenen van) elke persoon.Een oorsprong voor die spanningenDeontologie geeft ons een goede reden voor de spanning tussen het goede en het juiste die ik zonetheb beschreven. Het goede zowel als het juiste, abstracte standen van zaken zowel als concreteverplichtingen en tenslotte globale zowel als lokale verplichtingen; ze hebben allen dezelfdegrondslag, namelijk: het ernstig nemen van personen in hun persoonlijke standpunt.Personen ernstig nemen impliceert het ernstig nemen van hun persoonlijke standpunt; hetstandpunt van waaruit iedereen voor zichzelf belangrijker is dan voor anderen. Maar het impliceerteveneens beseffen dat iedereen een persoonlijk standpunt heeft. Het concrete niveau is gegrond inde eerste implicatie en het abstracte (standen van zaken) niveau in de laatste.10 Zie SCANLON, T.M., What We Owe To Each Other, Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press, 1997, hfk. 5,sectie 8. Scanlon onderscheidt twee regels voor hulp in concrete situaties: het ‘Rescue Principle’ (A is verplicht om B tehelpen wanneer B in nood is en het van A geen al te groot offer vraagt) en het ‘Principle of Helpfulness’ (A is verplicht om Bte helpen wanneer B’s ideaal x vergt en A kan x zonder veel moeite geven).
  • 17. 15Empathie met andere personen en identificatie met hun lot zijn gegrond in het serieus nemen vanhun persoonlijke standpunt. Neem de volgende twee voorbeelden:Stel dat je in een extra persoon situatie tot de kleine groep behoort en dat iemand zijn hulp naar degrote groep richt zodat jij (samen met de andere leden van de kleine groep) sterft. Vanuit jouwpersoonlijke standpunt is dat het ergste wat je kon overkomen, hoewel je ook wel beseft dat er meerpersonen worden gered. Of stel dat je in een extra voordeel situatie tot de niet bevoordeelde kantbehoort en dat iemand de bevoordeelde kant helpt. Opnieuw is dat vanuit jouw standpunt hetergste dat je kon overkomen en de ander zijn extra voordeel lijkt je wel volslagen onnozel.Voor de helper in deze verhaaltjes is dit zeer erg, want onvermijdelijk identificeert hij zich met het lotvan de personen die hij niet kan helpen (moest hij of zij zich dat lot niet aantrekken dan had hij ookgeen reden om de andere kant te helpen).Identificatie leidt tot een zeer levendig besef van wat voor elke persoon op het spel staat, van het feitdat elke persoon voor zichzelf onvervangbaar en onvergelijkbaar veel belangrijker is dan elke anderepersoon, dat het verlies van zijn leven voor hem niet goed te maken valt, zelfs niet met de winst vaneen hoop andere levens.11Echter ligt in identificatie steevast het gevaar dat we ons opsluiten in het persoonlijk standpunt vananderen en vergeten dat elke persoon even belangrijk is. Omgekeerd kan de realisatie dat iedereeneven belangrijk is ons tijdelijk de draad met het persoonlijke standpunt van concrete personen doenvergeten. De relatie tussen deze feiten is onvermijdelijk getroebleerd en geen theorie van moreleverplichtingen (ook niet het hierboven geschetste onderscheid tussen lokale en globaleverplichtingen) is in staat om deze spanning op te heffen.Maar tegelijk zijn deze feiten wederzijds gerelateerd. Het is juist de erkenning van eeniederspersoonlijke standpunt; van het feit dat iedereen voor zichzelf belangrijker is – en in dezelfde matebelangrijker is- dat tot de overtuiging leidt dat iedereen even belangrijk is. En die overtuigingverlevendigt op zijn beurt het besef van eenieders persoonlijke standpunt.De waarde van die spanningEr is in deontologie duidelijk een spanning tussen abstract en concreet, globaal en lokaal.Maar deze spanning is niet het failliet van de theorie. In tegendeel. Zoals hierboven aangetoondhebben beide niveaus hun oorsprong in hetzelfde deontologische beginsel: de erkenning van dewaarde van persoon zijn. Sterker nog: deontologie geeft een realistische beschrijving van een soortmorele spanning die elke mens in zijn concrete leven mag ervaren. Eerder dan zijn einde tebetekenen draagt dat dus bij tot het realisme van de theorie.De tweedeling in concrete verplichtingen en verplichtingen die worden overgenomen doorinstituties is onvermijdelijk en maakt de spanning tussen beide niveaus draaglijk en werkbaar. Maarze heft de spanning niet op. Instituties worden immers gedragen door concrete personen en diekunnen nog steeds geconfronteerd worden met conflictueuze beslissingen. Anderzijds kunnenconcrete personen ook niet in alle omstandigheden alle beslissingen met een grotere draagwijdteoverlaten aan instituties. Ook dat gegeven draagt bij tot het realisme van de deontologische11 . Met dit besef zeer levendig voor ogen lijkt het terecht om een muntje te gooien en zo iedereen 50 percent kans tegeven. Alleen een muntje reflecteert het belang van personen voor zichzelf. Zie hiervoor TAUREK, J., Should the NumbersCount?, Philosophy & Public Affairs, 6, nr.4, 1977
  • 18. 16theorie.Deontologie en consequentialisme, opnieuw.Consequentialisme heeft geen reden om de theorie van het juiste niet simpelweg af te leiden uit detheorie van het goede. En dat is mijn inziens één van de vele dingen die de theorie onredelijk enonrealistisch maakt. Zoals we hebben gezien biedt deontologie ons wél zulke reden. Plaats geven aanandere overwegingen dan het streven naar de beste globale stand van zaken betekent voordeontologie zoveel als terugkeren naar haar fundamenten.En dat draagt zeker bij tot haar redelijkheid én realisme.

×