Your SlideShare is downloading. ×
Lesdag 3 charles taylor   michel foucault
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

Lesdag 3 charles taylor michel foucault

830

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
830
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
9
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. Charles Taylor Het subject en zijn gemeenschap
  • 2. Taylor (1931- )
    • In de lijn van Descartes: het subject-zijn van de mens
    • Voorbij Descartes: andere visie op identiteit, nl. tegen het geïsoleerde subject
  • 3. Ambivalentie van de Moderniteit
    • Model van de ‘onthechte rede’:
    • - kloof tussen denkend subject en de geestloze natuur.
    • - mens: onafhankelijk van anderen, maatschappij en eigen lichaam.
    • Voorbeelden
    • - cogito
    • - neutraliteit van procedurele ethiek
    • - waardevrijheid van ethiek en wetenschap
  • 4. Ambivalentie van moderniteit
    • Anderzijds: vanaf het begin kritiek op tweedeling. (Herder)
    • Deze tweedeling blijft tot vandaag :
    • efficiëntie in publieke sfeer (instrumenteel)
    • zelfexpressie in de privé-sfeer
  • 5. Vooronderstellingen van wetenschappelijk onderzoek
    • object is in ‘absolute zin’ op te vatten, dus niet in zijn betekenis voor ons of voor een ander object, maar zoals het is op zichzelf
    • het object bestaat onafhankelijk van beschrijvingen of interpretaties
    • het object kan in principe gevat worden in een expliciete beschrijving
    • het object kan in principe beschreven worden zonder verwijzing naar wat er rondom is.
  • 6. Personen daarentegen…
    • zijn zelf-interpeterende ‘dieren’(tegen stelling 1 en 2). Het zelfverstaan is wezenlijk.
    • kunnen nooit volledig expliciet beschreven worden. De taal is deel van het te bestuderen onderwerp (tegen stelling 3).
    • zijn altijd te midden van andere personen (tegen stelling 4).
  • 7. Taylor en de moderniteit
    • Moderniteit:
    • mens ontwikkelt uit zichzelf levensplannen en -doelen
    • kiest relaties die hij wenst en hem voldoening geven
    • Taylor
    • persoon-zijn kan niet op geïsoleerde wijze, maar slechts in netwerken van conversatie
  • 8. Identiteit
    • moreel-spirituele dimensie
    • gemeenschapsdimensie
    • Ideaal van authenticiteit
  • 9. De malaise van de moderniteit
    • Individualisme/verlies van zin
    • Oude betekenispatronen komen op de helling
    • Primaat instrumentele rede/ondergang van doelen
    • Alles wordt grondstof voor menselijke projecten
  • 10. De malaise van de moderniteit
    • Verlies van vrijheid door
    • teveel aan nuttigheidsdenken
    • teveel aan behoeftebevrediging
  • 11. Michel Foucault De genealoog van het moderne subject
  • 12.  
  • 13. Michel Foucault (1926-1984)
    • Centrale vragen:
    • - Wie zijn wij?
    • - Hoe zijn wij geworden wie we zijn?
    • = vraag naar de historische mogelijkheids-
    • voorwaarden van het hedendaagse subject
  • 14. Problematiseringen
    • Vroegere perioden als vreemde werelden op-voeren
    • Krankzinnigheid
    • Seksualiteit
    • Criminaliteit
    • Inzicht in radicale contingentie van onze eigen cultuur!
  • 15. Het moderne subject
    • Het moderne subject is product van disciplinerende onderwerping
    • Het gedisciplineerde subject is zelf ook een productieve factor, drager van moderne praktijken
    • Discipline is geïnterioriseerde onderwerping.
  • 16. Disciplineringsprocessen
    • Disciplineringsprocessen ontstaan door het samengaan van weten en macht.
    • Traditioneel: ‘kennis is macht’ of
    • macht is een hinderpaal voor kennis
    • Foucault: macht produceert weten
    • punten van machtsuitoefening zijn plaatsen waar weten ontstaat. Macht brengt onderscheidingen aan. Dan ontstaat een weten omtrent die onderscheidingen. Dat weten versterkt opnieuw de macht. Dit gebeurt vooral in menswetenschappen.
  • 17. Voorbeeld: de waanzin
    • Renaissance : waanzin is het andere van de rede – narrenschepen – lachspiegel
    • Klassieke periode (17de en 18de eeuw): waanzin is het andere dan de rede (gekken zijn redelozen) – de grote opsluiting (maar ook getoond.
    • Moderne periode (eind 18de – 19de eeuw): humanisering van de waanzin – lichaam wordt bevrijd, de geest onderworpen – verantwoordelijkheid – schuldbesef – nog later psychiatrie.
  • 18. Macht produceert bijgevolg weten
    • Macht brengt onderscheidingen aan en stelt machtsposities in
    • Vanuit de onderscheidingen en machtsrelaties ontstaat een wetenschappelijk discours
    • Uit dit vertoog ontstaan opnieuw onderscheidingen die door de macht zijn ingesteld.
    • Conclusie: wetenschap versterkt de door de macht ingestelde machtsposities
  • 19. Genealogische geschiedschrijving
    • Foucault diept Nietzsche uit. Nietzsche maakte onderscheid tussen
    • Traditionele geschiedschrijving: zoeken naar de oorsprong
    • geschiedenis kent continue ontwikkeling
    • een subject is drager van die geschiedenis
    • = teleologisch
    • = essentialistisch
  • 20. Genealogische geschiedschrijving
    • Nietzsche’s genealogische geschiedschrijving: zoeken naar de herkomst . Men vindt
    • geen identiteit
    • disparaatheid
    • ressentiment
    • het belachelijke
    • = perspectivisch
    • = ordeningen en vertogen uit het verleden zijn effecten van de wil tot macht
  • 21.
    • Foucault: macht wordt tastbaar in sociale praktijken van elke dag en letterlijk ingeschreven in het lichaam
    • Onderzoek naar verandering in strafregime: ‘ Surveiller et punir’ (1975)
  • 22. Surveiller et punir
    • 1757: publieke terechtstelling Damiend
    • straf als boetedoening
  • 23.
    • Rond 1830: lijfstraf zo goed als verdwenen.
    • Doodstraf zo pijnloos mogelijk doorvoeren.
    • Straf als correctie via disciplinering
    • temporeel
    • spatieel
    • moreel
    • Cruciale rol van arbeid!
  • 24. Permanente observatie
    • Jeremy Bentham (1748-1832) panopticum
  • 25.
    • De verandering in de richting van disciplinering gebeurt ook in
    • onderwijs
    • ambtenarij
    • werkhuizen/fabrieken
    • ziekenhuizen
  • 26.  
  • 27.  

×