Zinsontleding

1,894
-1

Published on

Les week 38 ouderejaars

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
1,894
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2
Actions
Shares
0
Downloads
9
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Zinsontleding

  1. 1. ZinsontledingZucht…. Moet dat nou?
  2. 2. Twee soorten zinsontleding• Taalkundig: woordsoorten, woord voor woord• Redekundig: zinsdelen
  3. 3. Waarom is het belangrijk?• Als je de ‘structuur’ van een zin begrijpt, weet je ook beter hoe en waarom je bepaalde woorden schrijft.• Denk aan de persoonsvorm: +t of +niks?• Bv. ‘hen’ of ‘hun’• Hangt dus af van de ‘grammaticale positie’ van het zinsdeel.
  4. 4. Woordsoorten• Zelfstandige naamwoorden• Lidwoorden• Werkwoorden• Zelfstandig werkwoord• Hulpwerkwoord• Koppelwerkwoord• Voltooid deelwoord
  5. 5. • Tegenwoordig deelwoord• Bijvoeglijke naamwoorden• Bijwoorden• Voegwoorden• Voorzetsels• Telwoorden
  6. 6. • Voornaamwoorden:• Persoonlijk• Wederkerend• Bezittelijk• Aanwijzend• Vragend• Betrekkelijk• Onbepaald
  7. 7. Moet je die allemaal kennen?• Nope.• Maar wel herkennen• Bijvoorbeeld: betrekkelijke voornaamwoorden (wat, dat, waarmee)• Schrik vooral niet als je docent zo’n term gebruikt...• … en durf te vragen wat het begrip inhoudt.• En verder: …. Blz. 17-26 van je handboek.
  8. 8. Redekundig (zinsdelen)• Een zin kun je in stukjes knippen. Niet elk woord is echter een zinsdeel.• Het gaat dus om woordgroepen.• Houd de volgende zin vast (handboek blz. 27)• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari
  9. 9. Welke woorden horen bij elkaar?• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari• Michelle / geeft / Rick / elk jaar / een prachtig cadeau / op 1 januari
  10. 10. Maar waar begin ik?• Zoek altijd de persoonsvorm op.• Weet je nog?• Werkwoord• Maak de zin vragend: pv komt aan het begin van de zin.• Of zet de zin in een andere tijd. Het woord dat verandert, is de pv.
  11. 11. Dus hier?• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari
  12. 12. Onderwerp• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari• Wie of wat + persoonsvorm• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari
  13. 13. Lijdend voorwerp• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari• Wie of wat +persoonsvorm +onderwerp• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari
  14. 14. Meewerkend voorwerp• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari• Aan, voor of met wie of wat +onderwerp +persoonsvorm• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari
  15. 15. Bijwoordelijke bepaling• = “restpost”• Dus als je het niet weet…• Is het vaak een bijwoordelijke bepaling• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari
  16. 16. Maarre…• Doe nou eens taalkundig ontleden, dus in woordsoorten:• Michelle geeft Rick elk jaar een prachtig cadeau op 1 januari
  17. 17. • Michelle = zelfstandig naamwoord• geeft = werkwoord• Rick = zelfstandig naamwoord• elk = bijvoeglijk naamwoord• jaar = zelfstandig naamwoord• een = lidwoord• prachtig = bijvoeglijk naamwoord• cadeau = zelfstandig naamwoord• op = voorzetsel• 1 = hoofdtelwoord• januari = zelfstandig naamwoord

×