Workshop Bart Van Ham - Unavia
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Workshop Bart Van Ham - Unavia

on

  • 437 views

 

Statistics

Views

Total Views
437
Slideshare-icon Views on SlideShare
437
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Workshop Bart Van Ham - Unavia Workshop Bart Van Ham - Unavia Document Transcript

    • Circulaire AFZ nr 9/2012 dd 23.10.2012 (AFZ/2012-0629)BELEIDSEXPERTISE en -ONDERSTEUNING - Administratie van Fiscale ZakenDirectie: 1/3Circulaire AFZ nr 9/2012 dd 23/10/2012 (AFZ/2012-0629) betreffende de wet van20/09/2012 tot instelling van het "una via"-principe in de vervolging van overtredingen vande fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetesINKOMSTENBELASTING Belastingontduiking Belastingontwijking Bestrijding van de belastingontduikingBELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE fiscale fraude sancties administratieve procedure strafrechtelijke procedure principe « una via » principe « non bis in idem » subsidiariteitsprincipeAan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C bevoegd voor de inkomstenbelastingen of de belastingover de toegevoegde waardeDeze circulaire bevat de eerste commentaar op de wet van 20/09/2012 tot instelling van het "una via"-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscalepenale boetes (Belgisch Staatsblad van 22/10/2012) en is gebaseerd op de parlementaire voorbereiding(DOC 53 1973/001 en volgende).Voor de eerste commentaar op de wijzigingen die deze wet heeft doorgevoerd in het Wetboek derregistratie-, hypotheek- en griffierechten, in het Wetboek der successierechten en in het Wetboek diverserechten en taksen wordt verwezen naar de circulaire van de Administratie van fiscale zaken nr. 8/2012. * * *1. INLEIDINGDe parlementaire onderzoekscommissie belast met de grote fiscale fraude, opgericht door de Kamer vanVolksvertegenwoordigers, heeft in haar verslag (DOC52 0034/004) als zevende aanbeveling het instellenvan een "una via"-regel in fiscale zaken opgenomen.De regel "una via" houdt in dat de inbreuken op de fiscale wetgeving voortaan uitsluitend ofwel via deadministratieve weg, ofwel via de strafrechtelijke weg kunnen vervolgd worden. De bedoeling is enerzijdsde fiscale fraude voor zover mogelijk via administratieve weg te bestrijden en, anderzijds voor elk dossiervan fiscale fraude van grote betekenis een overleg tussen de fiscus, de politie en het gerecht teorganiseren op de manier waarop elk dossier moet behandeld worden.In het streven naar doeltreffendheid is het wenselijk om de fiscale fraude, in tegenstelling tot de fiscalefraude van grote betekenis, op het niveau van de fiscale administraties te behandelen en eradministratieve sancties op toe te passen.Wanneer de belastingplichtige of de belastingschuldige aan het herstel van de belasting of de ontdokenrechten meewerkt en er geen noodzaak of meerwaarde is om op de strafrechtelijke weg beroep te doen,is het verkieslijk om zelfs de ernstige en georganiseerde fiscale fraude op het niveau van de fiscaleadministraties te behandelen en enkel administratieve sancties toe te passen. -1-
    • Het beroep op de strafrechtelijke weg zou zich derhalve moeten beperken tot de gevallen van ernstigerefiscale fraude die de toepassing van onderzoeksmethoden en aan strafrechtelijke inbreuken aangepastesancties, behalve alle administratieve sancties, vergen.Rekening houdend met de grondwettelijke verdeling van de bevoegdheden tussen de wetgevende, deuitvoerende en de rechterlijke macht heeft het College voor de strijd tegen de fiscale en sociale fraude –opgericht door het koninklijk besluit van 29 april 2008 – besloten dat, om het "una via"-principe in deaanpak van de fiscale fraude te kunnen toepassen, een openhartig overleg tussen de betrokkenoverheden noodzakelijk is, maar met respect voor de respectieve bevoegdheden van de fiscaleadministraties en het openbaar ministerie en voor de principes van de rechtstaat.Door zich te houden aan de grondwettelijke voorschriften geeft de wet van 20/09/2012 tot instelling vanhet "una via"-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging vande fiscale penale boetes (hierna "de wet" genoemd) vaste vorm aan de aanbeveling van deonderzoekscommissie belast met de grote fiscale fraude.Naar de inhoud heeft de wet het Wetboek van strafvordering, het Wetboek van de inkomstenbelastingen1992 (hierna "WIB 92" genoemd) en het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna“Btw-Wetboek” genoemd) gewijzigd.Met de aandacht op het subsidiariteitsprincipe (z. punt 4) wordt de "una via"-regel uitdrukkelijk vertaalddoor de invoering van juridische normen die het overleg tussen de gerechtelijke, politionele en fiscaleoverheden (z. punt 2) organiseren, die het "non bis in idem" principe (z. punt 3) instellen en die destrafrechtelijke sancties verzwaren (z. punt 5).2. HET OVERLEG TUSSEN DE GERECHTELIJKE, POLITIONELE EN FISCALE OVERHEDENHet overleg tussen de gerechtelijke, politionele en fiscale overheden wordt georganiseerd op basis vaneen dubbele structuur: enerzijds het operationeel overleg en anderzijds het strategisch overleg.Het operationeel overleg gaat over concrete dossiers of fraudefenomenen en maakt de verdeling tussende administratieve behandeling van het dossier en de strafrechtelijke aanpak. De resultaten van hetoperationeel overleg kunnen dan aan het federaal niveau gerapporteerd worden zodat daar de gegevensover de fraudedossiers kunnen worden verwerkt tot strategische informatie op basis waarvan de strijdtegen de fiscale fraude zal worden gecoördineerd.Dit strategisch overleg is in de memorie van toelichting van de wet als volgt omschreven:"Tegelijkertijd zullen de ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Financiën, geïnformeerdworden over deze fraudetendensen zodat zij op termijn, ieder voor zijn bevoegdheid en in overleg met deandere ministers, gemeenschappelijke bindende richtlijnen (instructies van College van Procureurs-generaal) kunnen uitvaardigen inzake de aan het overleg voor te leggen inbreuken op de fiscale wetten.".Het operationeel overleg vereist de aanpassing van de bepalingen van de wet van 4 augustus 1986houdende fiscale bepalingen, beter bekend als «het Charter van de Belastingplichtige» (BelgischStaatsblad van 20 augustus 1986 en errata Belgisch Staatsblad van 15 oktober 1986).Ter herinnering, het Charter van de Belastingplichtige heeft onder andere:- de kennisgeving door de fiscale ambtenaren aan de procureur des Konings van strafrechtelijk strafbarefeiten naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten onderworpenaan de voorafgaande machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren (cf. artikel 29,tweede lid, van het Wetboek van strafvordering);- aan het openbaar ministerie verboden vervolgingen in te stellen voor feiten vervat in een klacht of eenaangifte van een ambtenaar die niet hiërarchisch gemachtigd was (cf. artikel 460, § 2, WIB 92 en artikel74, § 2, Btw-Wetboek);- de procureur des Konings in staat gesteld om ingeval van de uitoefening van de strafvordering voorstrafrechtelijke fiscale inbreuken het advies van de bevoegde gewestelijke directeur te vragen (cf. artikel461, WIB 92 en artikel 74, § 3, Btw-Wetboek);- de tussenkomst van een fiscale ambtenaar, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging, inde afwikkeling van de strafvordering beperkt tot de rol van getuige (cf. artikel 463, WIB 92 en artikel74bis, Btw-Wetboek). -2-
    • 2.1. Wijziging van artikel 29 van het Wetboek van strafvorderingArtikel 2 van de wet vult artikel 29 van het Wetboek van strafvordering aan met een derde lid, luidende:"De in het tweede lid bedoelde gewestelijke directeur of de ambtenaar die hij aanwijst, kan in het kadervan de strijd tegen de fiscale fraude over concrete dossiers overleg plegen met de procureur des Konings.De procureur des Konings kan de strafrechtelijk strafbare feiten waarvan hij kennis heeft genomentijdens het overleg, vervolgen. Het overleg kan ook plaatsvinden op initiatief van de procureur desKonings. De bevoegde politionele overheden kunnen deelnemen aan het overleg.".Dit overleg dient om de procureur des Konings vanuit zijn grondwettelijke bevoegdheid in staat te stelleneen oordeel te vormen over de noodzaak om een opsporingsonderzoek op te starten of een gerechtelijkonderzoek te vorderen en of de feiten kunnen leiden tot individuele vervolgingen in het fiscalefraudedossier. Na dit overleg zal volgens het “una via”-principe bepaald worden of het fraudedossier deadministratieve weg, dan wel de strafrechtelijke weg zal volgen.Bij het volgen van de administratieve weg zullen de fiscale administraties de fraude in het fiscaal dossierzelf aanpakken en beboeten. Bij het volgen van de strafrechtelijke weg zal het openbaar ministerie defiscale fraude strafrechtelijk onderzoeken en vervolgen. Op dat moment zullen de fiscale administratieszich beperken tot het vaststellen van de fiscale schuld, zonder de betaling van de administratievesancties op te eisen.Het noodzakelijke overleg kan echter niet als een element van de procedure beschouwd worden, noch debeoordelingsbevoegdheid van het openbaar ministerie beperken. Het overleg kan dus enkel beschouwdworden als een werkoverleg dat plaatsvindt voorafgaand aan de effectieve aanpak van de fiscaleovertreding en dus niet als een voorbereidende akte die aan de rechtspleging van de vestiging van debelasting voorafgaat.Daarom ook blijven, welke weg ook bij dit overleg gekozen wordt, in de uitvoering van de administratieveof strafrechtelijke procedure de bestaande wettelijke mogelijkheden voor de fiscale administraties en hetopenbaar ministerie om indiciën van fiscale fraude uit te wisselen, bestaan.Dit betekent dat de fiscale administraties overeenkomstig artikel 29, § 2, van het Wetboek vanstrafvordering de feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn, aan de procureur des Konings ter kennis kunnenbrengen en dat de procureur des Konings op zijn beurt overeenkomstig de bepalingen in de fiscalewetboeken aan de gewestelijke directeur advies kan vragen of aan de ambtenaren van de fiscaleadministraties inzage in het strafdossier kan verlenen. Artikel 2 van de wet van 28 april 1999 (BelgischStaatsblad van 25 juni 1999) bepaalt dat de magistraten van het openbaar ministerie de minister vanFinanciën over de fiscale fraude die zij vaststellen moeten inlichten. Hierdoor blijft eveneens demogelijkheid voor de ambtenaren van de fiscale administraties bestaan om de aanslag te wijzigen enregularisaties door te voeren en om deze feiten te bestraffen met een administratieve boete.2.2. Verlichting van het verbod om vervolgingen in te stellen voor feiten vervat in niet gemachtigdeklachten of aangiftenTen aanzien van de strafrechtelijke aanklachten die met correctionele straffen worden bestraft, bepaalthet WIB 92 (artikel 460) en het Btw-Wetboek (artikel 74, §§ 1 en 2) dat de strafvordering door hetopenbaar ministerie wordt uitgeoefend. Het openbaar ministerie kan echter geen vervolgingen instellen,indien het kennis gekregen heeft van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van eenambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek vanstrafvordering.Artikel 6 van de wet heeft een tweede lid aan artikel 460, § 2, WIB 92 toegevoegd, luidende : "Hetopenbaar ministerie kan de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens het in artikel 29,derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen.".Artikel 15 van de wet heeft § 2 van artikel 74, Btw-Wetboek met een tweede lid aangevuld: "Hetopenbaar ministerie kan echter de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens het inartikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen.".De bovenvermelde wijzigingen brengen het WIB 92 en het Btw-Wetboek in overeenstemming met artikel29, derde lid, nieuw, van het Wetboek van strafvordering: naast de organisatie van het overleg tussen degerechtelijke, politionele en fiscale overheden, laat deze bepaling aan de procureur des Konings toe omvervolgingen in te stellen voor strafrechtelijk strafbare feiten waarvan hij tijdens dit overleg kennis heeftgenomen. -3-
    • 2.3. Herstel van de bevoegdheid van de procureur des Konings om aan de bevoegde gewestelijkedirecteur advies te vragenArtikel 7 van de wet vervangt artikel 461, eerste lid, WIB 92 door de volgende bepaling : "Onverminderdin artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg, kan de procureur desKonings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge debepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het advies vragen van debevoegde gewestelijke directeur. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hijbeschikt bij zijn verzoek om advies. De gewestelijke directeur antwoordt op dit verzoek binnen viermaanden na de ontvangst ervan.".Artikel 15 van de wet dat artikel 74, Btw-Wetboek heeft gewijzigd, heeft ook § 3 van dit artikelherschreven. Deze paragraaf bepaalt: "§ 3. Onverminderd in artikel 29, derde lid, van het Wetboek vanstrafvordering bedoelde overleg, kan de procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegensfeiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoeringervan genomen besluiten, het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur. De procureur desKonings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De gewestelijkedirecteur antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan."De voormelde wettelijke wijzigingen hebben tot doel te vermijden dat na het overleg zoals bedoeld inartikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering de procureur des Konings voor feiten die hijstrafrechtelijk vervolgt, beperkt zou worden in zijn mogelijkheid tot het vragen van advies aan debevoegde gewestelijke directeur. Dit volgt uit het feit dat het overleg bedoeld in voormeld artikel 29,derde lid niet beschouwd wordt als een klacht of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van debelastingbesturen van de Federale Overheidsdienst Financiën. Dit overleg is immers een werkoverlegwaarbij de fiscale administratie en het openbaar ministerie informatie kunnen uitwisselen, zodat hetopenbaar ministerie kan beslissen volgens welke weg – administratieve of strafrechterlijke – een bepaalddossier kan worden behandeld.Bij de opmaak van de wet van 28 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992) die hetverplicht advies heeft omgezet in een consultatief advies, was het niet de bedoeling van de wetgever omaan de procureur des Konings deze mogelijkheid te ontnemen wanneer hij een dossier vat op basis vaneen aangifte door de administratie. Het is dus ten onrechte dat toen de formulering “tenzij de procureurdes Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die isgedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoebehoorlijk gemachtigd zijn” werd behouden. Bij een letterlijke lezing van het artikel verandert dezebeperking in een beperking van de mogelijkheid om een advies te vragen. Dit gevolg komt niet overeenmet de bedoeling van de wetgever en schept verwarring.De wet verbetert deze ongelukkige formulering en integreert het mechanisme van artikel 29, derde lid,van het Wetboek van strafvordering als een mechanisme dat vergelijkbaar en niet concurrerend is met devraag tot advies door de procureur des Konings.Op die manier, zal de procureur des Konings altijd het advies aan de administratie mogen vragen opbasis van de bovenvermelde wettelijke bepalingen ongeacht het feit dat:- hij al dan niet een dossier in behandeling heeft genomen ingevolge een klacht of een overleg;- of dat hijzelf voorafgaandelijk verzocht heeft tot een overleg op basis van artikel 29, derde lid, van hetWetboek van strafvordering.2.4. Kennisgeving van het fiscaal dossier aan het openbaar ministerieDe artikelen 8 en 17 van de wet voegen respectievelijk een artikel 462, nieuw, in het WIB 92 en eenartikel 74ter, nieuw, in het Btw-Wetboek in, die bepalen dat : "In het kader van het in artikel 29, tweedeen derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg deelt de bevoegde gewestelijkedirecteur of de ambtenaar die hij aanwijst, de gegevens van het fiscaal dossier met betrekking tot defeiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoeringervan genomen besluiten mede aan het openbaar ministerie.".Deze bepalingen stellen de procureur des Konings in staat om in kennis gesteld te worden van destrafrechtelijk strafbare feiten tijdens het overleg bedoeld in artikel 29, derde lid, van het Wetboek vanstrafvordering. -4-
    • 2.5. Afwijking op de bestraffing met de nietigheid van de akte van rechtsplegingArtikel 463, WIB 92 en artikel 74bis, Btw-Wetboek bepalen elk in hun eerste lid dat, op straffe vannietigheid van de akte van rechtspleging, de fiscale ambtenaren slechts als getuige mogen wordenverhoord.De artikelen 9 en 16 van de wet voegen respectievelijk in de voormelde artikelen een nieuw vierde lid indat bepaalt: " Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaren die deelnemen aan het in artikel29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg."De wet van 4 augustus 1986 (het Charter van de Belastingplichtige) beperkt de mogelijkheid totdeelname van de ambtenaar aan het verloop van het gerechtelijk onderzoek, door zijn rol te beperken totdie van getuige, op straffe van nietigheid van de strafprocedure. Het invoeren van de "una via"-regel infiscale zaken heeft geenszins tot doel om de ambtenaar de mogelijkheid te geven om aan de zijde van deprocureur des Konings of de onderzoeksrechter aan het onderzoek van de bewijselementen van deinbreuken deel te nemen, maar wel om via overleg het openbaar ministerie in staat te stellen om, metrespect voor zijn grondwettelijke onafhankelijkheid in de individuele vervolging, een oordeel te vormenover de ernst van het fiscale fraudedossier en al dan niet te beslissen tot de strafrechtelijke vervolgingervan. Om te vermijden dat dit overleg een oorzaak zou kunnen zijn om de akte van rechtspleging tevernietigen, wordt met de bovenstaande wettelijke wijzigingen deze beperking niet toepasbaar gesteld ophet bedoeld overleg in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering.3. HET "NON BIS IN IDEM" PRINCIPEHet "non bis in idem" principe en het subsidiariteitsprincipe zijn de twee principes waarop de "una via"-regel is gebaseerd. Ook de regel van niet opeisbaarheid van administratieve sancties wordt door de wetingevoerd wanneer de fiscale inbreuken aanleiding geven tot het aanhangig maken bij de correctionelerechtbank.Artikel 444, vijfde lid, WIB 92 ingevoerd door artikel 3 van de wet bepaalt: "Zonder afbreuk te doen aande geldigheid van de bestuurs- of gerechtelijke handelingen verricht met het oog op de vestiging of deinvordering van de belastingsschuld, worden de opeisbaarheid van de belastingverhoging en het verloopvan de verjaring van de vordering tot voldoening geschorst wanneer het openbaar ministerie destrafvordering overeenkomstig artikel 460 uitoefent. De aanhangigmaking bij de correctionele rechtbankmaakt de belastingverhoging definitief niet opeisbaar. Daarentegen maakt de beschikking vanbuitenvervolgingstelling een einde aan de schorsing van de opeisbaarheid en de schorsing van deverjaring.".Artikel 445, derde lid, WIB 92 ingevoerd door artikel 4 van de wet bepaalt: "Zonder afbreuk te doen aande geldigheid van de bestuurs- of gerechtelijke handelingen verricht met het oog op de vestiging of deinvordering van de belastingsschuld, worden de opeisbaarheid van de fiscale geldboeten en het verloopvan de verjaring van de vordering tot voldoening geschorst wanneer het openbaar ministerie destrafvordering overeenkomstig artikel 460 uitoefent. De aanhangigmaking bij de correctionele rechtbankmaakt de fiscale geldboeten definitief niet opeisbaar. Daarentegen maakt de beschikking vanbuitenvervolgingstelling een einde aan de schorsing van de opeisbaarheid en de schorsing van deverjaring.".Op dezelfde wijze bepaalt artikel 72, tweede lid, Btw-Wetboek ingevoerd door artikel 14 van de wet:"Zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van de bestuurs- of gerechtelijke handelingen verricht methet oog op de vestiging of de invordering van de belastingsschuld, worden de opeisbaarheid van defiscale geldboeten en het verloop van de verjaring van de vordering tot voldoening geschorst wanneerhet openbaar ministerie de in artikel 74 bedoelde strafvordering uitoefent. De aanhangigmaking bij decorrectionele rechtbank maakt de fiscale geldboeten definitief niet opeisbaar. Daarentegen maakt debeschikking van buitenvervolgingstelling een einde aan de schorsing van de opeisbaarheid en deschorsing van de verjaring.”Ten aanzien van de administratieve sancties organiseren de bovenvermelde wettelijke bepalingen ingeval van uitoefening van de strafvordering door het openbaar ministerie, de schorsing van hunopeisbaarheid gepaard met de schorsing van het verloop van hun verjaring. Deze sancties wordendefinitief niet opeisbaar in geval van aanhangigmaking bij de correctionele rechtbank.- Niet opeisbaarheid van administratieve sancties in geval van aanhangigmaking bij de correctionelerechtbank -5-
    • De overtredingen van de fiscale wetten begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schadenvormen in de regel strafrechtelijke inbreuken. Voor de inwerkingtreding van de wet, kwam het voor datde administratie voor deze overtredingen een administratieve sanctie oplegde en dat het gerechttegelijkertijd strafrechtelijke sancties uitsprak. Gelijkaardige gevallen tasten het "non bis in idem"principe aan (overtreding van artikel 4 van protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten vande Mens) zoals verduidelijkt in het arrest ZOLOTUKHIN van 10 februari 2009 van de Grote Kamer van hetEuropees Hof voor de rechten van de Mens.Voortaan maakt de aanhangigmaking bij de correctionele rechtbank van de strafrechtelijke fiscaleinbreuken de administratieve sancties definitief niet opeisbaar.- Schorsing van de opeisbaarheid van administratieve sanctiesHet WIB 92 en het Btw-Wetboek vertrouwen, respectievelijk in artikel 460 en artikel 74, de uitoefeningvan de strafvordering, ingeval van overtredingen van de bepalingen van deze Wetboeken of van de teruitvoering ervan genomen besluiten waarvoor strafrechtelijke straffen zijn voorzien, aan het openbaarministerie toe.Als drager van de strafvordering beoordeelt het openbaar ministerie vrij de gepastheid van vervolgingen.Het kan bijgevolg de voormelde overtredingen seponeren in welk geval deze maatregel geen enkeleinvloed op de opeisbaarheid van de administratieve sancties uitoefent.Indien daarentegen het openbaar ministerie de strafvordering instelt door zijn vordering tot onderzoek,wordt de opeisbaarheid van de administratieve sancties – zij het de belastingverhoging bedoeld in artikel444, WIB 92, de administratieve boeten bedoeld in artikel 445 van hetzelfde Wetboek of de fiscaleboeten bedoeld in de artikelen 70 en 71, Btw-Wetboek – geschorst.Indien tijdens de uitvoering van het onderzoek, reeds administratieve of gerechtelijke handelingenwerden gesteld met het oog op ofwel de vestiging ofwel de invordering van de fiscale schuld – onderfiscale schuld verstaat men de hoofdsom, de belastingverhoging, de fiscale boete, de administratieveboete, de nalatigheidinteresten en het toebehoren - heeft de regel van de schorsing van deopeisbaarheid van de administratieve sancties niet de nietigheid van deze handelingen tot gevolg. Degeldigheid van deze handelingen blijft evenwel beperkt tot de elementen van de schuld met uitzonderingvan deze sancties.- Schorsing van de verjaring van administratieve sanctiesTegelijkertijd met de schorsing van de opeisbaarheid van administratieve sancties – belastingverhoging,administratieve boeten en fiscale boeten – wordt het verloop van de verjaring van de vordering totvoldoening van deze elementen van de fiscale schuld geschorst door dezelfde juridische oorzaak die deuitvoering van het onderzoek door het openbaar ministerie is. Deze regel verhindert dat administratievesancties verjaren door de duur van het gerechtelijk onderzoek.- Onderbreking van de schorsing van de opeisbaarheid en van de schorsing van het verloop van deverjaringDe buitenvervolgingstelling uitgesproken door de raadkamer of, om gelijkaardige redenen, door de kamervan inbeschuldigingstelling beëindigt tegelijkertijd de twee stelsels van schorsing, namelijk deze van deschorsing van de opeisbaarheid en deze van de schorsing van de loop van de verjaring. Op die manierkan de administratie opnieuw de betaling van administratieve sancties eisen en eventueel gedwongenuitvoeringsmaatregelen uitoefenen tegen een persoon die het voorwerp heeft uitgemaakt van devordering door het openbaar ministerie, maar die buiten vervolging werd gesteld.4. HET SUBSIDIARITEITSPRINCIPENaast het "non bis in idem" principe is het overleg tussen de gerechtelijke, politionele en fiscaleoverheden (cf. punt 1), dat rekening houdend met de grondwettelijke regels en de algemenerechtsbeginselen tot stand moet komen, ook gebaseerd op het subsidiariteitsprincipe.Het subsidiariteitsprincipe betekent dat de opsporing, inclusief het vaststellen van fiscale fraude en devaststelling van de fiscale schuld en de invordering, tot de bevoegdheid blijven behoren van de fiscaleadministraties met al hun wettelijke middelen waarover deze beschikken. Indien deze wettelijke middelenniet volstaan om de fiscale fraude aan te pakken en te beboeten, is het noodzakelijk dat deonderzoeksmiddelen van de rechterlijke macht binnen de wettelijke grenzen kunnen aangewend worden. -6-
    • De vaststelling van de fiscale schuld, de vestiging van de uitvoerbare titel en deinvorderingsmogelijkheden maken deel uit van reeds van kracht zijnde wetteksten. De wet werkt in ditverband dan ook geen nieuwe teksten uit.5. VERZWARING VAN DE STRAFRECHTELIJKE SANCTIESDe wet verzwaart de strafrechtelijke sancties of de correctionele straffen bedoeld in de fiscale wetboeken.Deze verzwaring wordt uitgevoerd door twee types van wettelijke wijzigingen:- Verhoging van de maximumdrempel van de strafrechtelijke geldboetenDe artikelen 449, 450, 452 en 456, WIB 92 en de artikelen 73, 73bis en 73quater, Btw-Wetboekbestraffen de inbreuken die er worden in bedoeld met een gevangenisstraf of een strafrechtelijke boete ofmet één van deze straffen alleen.De strafrechtelijke boete bedoeld in de verschillende voormelde bepalingen ging van 250 tot 125.000euro, met uitzondering van deze van artikel 452, WIB 92 die varieerde van 125 tot 12.500 euro.Met de artikelen 5, 10, 11 en 12 van de wet tot wijziging van de artikelen 449, 450, 452 en 456, WIB 92en de artikelen 18, 19 en 20 van de wet tot wijziging van de artikelen 73, 73bis, 73quater, Btw-Wetboek,verhoogt de wetgever, uitgaande van de vaststelling dat het bedrag van de door de wet vastgesteldeboeten voor de voormelde inbreuken niet meer voldoende hoog is om een passend beleid vanstrafrechtelijke vervolging toe te laten, gelijkmatig het maximumbedrag van de strafrechtelijke boete diede correctionele rechter kan uitspreken of de procureur des Konings zou kunnen vorderen in uitvoeringvan het nieuwe artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering.Het bedrag van de strafrechtelijke boete uitgesproken door de correctionele rechtbank afhankelijk vanzijn appreciatie van de ernst van de feiten, bijvoorbeeld, of van verzwarende of verzachtendeomstandigheden, blijft vastgesteld op ten minste 250 euro (met uitzondering van artikel 452, WIB 92waarin het minimumbedrag 125 euro bedraagt) en is voortaan ten hoogste 500.000 euro.- Toepassing van de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboetenOpdat de strafrechtelijke fiscale boeten de sociaal-economische evolutie zouden weergeven en hetonderliggende idee van een contributieve rechtspraak zouden toelaten, zelfs versterken, wijzigen deartikelen 13 en 21van de wet respectievelijk artikel 457, § 2, WIB 92, en artikel 73quinquies, § 3, Btw-Wetboek opdat de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboetenvoortaan toepasselijk zou zijn op de inbreuken bedoeld in de artikelen 449, 450, 452 en 456, WIB 92 ende artikelen 73, 73bis en 73quater, Btw-Wetboek.Zowel de verhoging van de maximumdrempel van de strafrechtelijke boeten als de toepassing van deopdeciemen verzwaren de toepasselijke straf: enerzijds is er het aspect van de sociale afkeuring vanafwijkende gedragingen en, anderzijds het ontradend karakter van de strafrechtelijke aanklacht. Dit isdes te meer verantwoord indien de strafrechtelijke vervolgingen eerder de ernstige fiscale fraude gebruikmakend van complexe mechanismen en, in voorkomend geval, georganiseerd door crimineleorganisaties, zouden viseren.6. INWERKINGTREDINGDe wet heeft niet in een bijzondere bepaling betreffende de inwerkingtreding voorzien. Volgens hetgemeen recht treedt deze de tiende dag die volgt op haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad inwerking. NAMENS DE MINISTER: Georges DE BOLLE Auditeur-generaal Bijlage 1 : Vergelijkend overzicht van de wijzigingen in het wib 92 en het btw-wetboek door de wet “una via” Bijlage 2 : Wettekst Bijlage 3 : Coördineerde tekst van artikel 29 van het wetboek van strafvordering -7-
    • BIJLAGE 1: VERGELIJKEND OVERZICHT VAN DE WIJZIGINGEN IN HET WIB 92 EN HET BTW-WETBOEK DOOR DE WET “UNA VIA” WIB 92 btw-WetboekOverleg tussen de gerechtelijke,politionele en fiscale overheden :- Wijziging van artikel 29 van het Wetboek van - -strafvordering- Aanvulling op het verbod om vervolgingen in 460, § 2, tweede lid 74, § 2, tweede lidte stellen voor feiten vervat in nietgemachtigde klachten of aangiften- Herstel van de bevoegdheid van de 461, § 1, eerste lid 74, § 3, eerste lidprocureur des Konings om aan de bevoegdegewestelijke directeur advies te vragen- Kennisgeving van het fiscaal dossier aan het 462 74teropenbaar ministerie- Afwijking op de bestraffing met de nietigheid 463, vierde lid 74bis, vierde lidvan de akte van rechtsplegingHet "non bis in idem"- principe 444, vijfde lid 72, tweede lid 445, derde lidHet subsidiariteitsprincipe - -De verzwaring van de strafrechtelijkesancties :- Verhoging van de maximumdrempel van de 449, 450, 452, 456 73,73bis, 73quaterstrafrechtelijke boeten- Toepassing van de opdeciemen op de 457, § 2 73quinquies, § 3strafrechtelijke boeten -8-
    • BIJLAGE 2: WETTEKSTUITTREKSEL VAN DE WET VAN 20/09/2012 TOT INSTELLING VAN HET “UNA VIA”-PRINCIPEIN DE VERVOLGING VAN OVERTREDINGEN VAN DE FISCALE WETGEVING EN TOT VERHOGINGVAN DE FISCALE PENALE BOETESTITEL 1 Voorafgaande bepalingArtikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.TITEL 2 Wijziging van het Wetboek van strafvorderingArt. 2 Artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 maart 1999,wordt aangevuld met een derde lid, luidende :“De in het tweede lid bedoelde gewestelijke directeur of de ambtenaar die hij aanwijst, kan in het kadervan de strijd tegen de fiscale fraude over concrete dossiers overleg plegen met de procureur des Konings.De procureur des Konings kan de strafrechtelijk strafbare feiten waarvan hij kennis heeft genomentijdens het overleg, vervolgen. Het overleg kan ook plaatsvinden op initiatief van de procureur desKonings. De bevoegde politionele overheden kunnen deelnemen aan het overleg.”TITEL 3 FinancienHOOFDSTUK 1. Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992Afdeling 1 - Instellen van het “una via”-principeArt. 3 Artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij het koninklijkbesluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een vijfde lid, luidende :“Zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van de bestuurs- of gerechtelijke handelingen verricht methet oog op de vestiging of de invordering van de belastingsschuld, worden de opeisbaarheid van debelastingverhoging en het verloop van de verjaring van de vordering tot voldoening geschorst wanneerhet openbaar ministerie de strafvordering overeenkomstig artikel 460 uitoefent. De aanhangigmaking bijde correctionele rechtbank maakt de belastingverhoging definitief niet opeisbaar. Daarentegen maakt debeschikking van buitenvervolgingstelling een einde aan de schorsing van de opeisbaarheid en deschorsing van de verjaring.”Art. 4 Artikel 445 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 december 2011, wordtaangevuld met een nieuw lid, luidende :“Zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van de bestuurs- of gerechtelijke handelingen verricht methet oog op de vestiging of de invordering van de belastingsschuld, worden de opeisbaarheid van defiscale geldboeten en het verloop van de verjaring van de vordering tot voldoening geschorst wanneerhet openbaar ministerie de strafvordering overeenkomstig artikel 460 uitoefent. De aanhangigmaking bijde correctionele rechtbank maakt de fiscale geldboeten definitief niet opeisbaar. Daarentegen maakt debeschikking van buitenvervolgingstelling een einde aan de schorsing van de opeisbaarheid en deschorsing van de verjaring.”Art. 5 Artikel 449 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006wordt vervangen als volgt :“Art. 449. Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van ditWetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft metgevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 500 000 euro of meteen van die straffen alleen.”Art. 6 Artikel 460, § 2, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :“Het openbaar ministerie kan de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens het inartikel 29 derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen.”Art. 7 Artikel 461, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, wordtvervangen als volgt : -9-
    • “Onverminderd het in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kan deprocureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijningevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het adviesvragen van de bevoegde gewestelijke directeur. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaalwaarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De gewestelijke directeur antwoordt op dit verzoekbinnen vier maanden na de ontvangst ervan.”Art. 8 Artikel 462 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 15 maart 1999, wordt hersteld alsvolgt :“Art. 462. In het kader van de kennisgeving en het overleg bedoeld in artikel 29, tweede en derde lid,van het Wetboek van strafvordering, deelt de bevoegde gewestelijke directeur of de ambtenaar die hijaanwijst, de gegevens van het fiscaal dossier met betrekking tot de feiten die strafrechtelijk strafbaar zijningevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten mede aan hetopenbaar ministerie.”Art. 9 Artikel 463 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 maart 2002, wordtaangevuld met een lid, luidende :“Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaren die deelnemen aan het in artikel 29, derde lid,van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg.”Afdeling 2 - Verhoging van de strafrechtelijke fiscale boetesArt. 10 In artikel 450 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006,worden de volgende wijzigingen aangebracht:1° in het eerste lid worden de woorden “125 000 EUR” vervangen door de woorden “500 000 euro”;2° in het tweede lid worden de woorden “125 000 EUR” vervangen door de woorden “500 000 euro”.Art. 11 In artikel 452 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006,worden de woorden “12 500 EUR” vervangen door de woorden “500 000 euro”.Art. 12 In artikel 456 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006,worden de woorden “125 000 EUR” vervangen door de woorden “500 000 euro”.Art. 13 In artikel 457, § 2, van hetzelfde Wetboek worden de woorden “vindt geen toepassing op”vervangen door de woorden “is van toepassing op”.HOOFDSTUK 2. Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waardeAfdeling 1 - Instellen van het “una via”-principeArt. 14 Artikel 72 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigdbij de wet van 22 juli 1993, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :“Zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van de bestuurs- of gerechtelijke handelingen verricht methet oog op de vestiging of de invordering van de belastingsschuld, worden de opeisbaarheid van defiscale geldboeten en het verloop van de verjaring van de vordering tot voldoening geschorst wanneerhet openbaar ministerie de in artikel 74 bedoelde strafvordering uitoefent. Deaanhangigmaking bij de correctionele rechtbank maakt de fiscale geldboeten definitief niet opeisbaar.Daarentegen maakt de beschikking van buitenvervolgingstelling een einde aan de schorsing van deopeisbaarheid en de schorsing van de verjaring.”Art. 15 In artikel 74 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 augustus 1986 en gewijzigd bijde wetten van 28 december 1992 en 15 maart 1999, worden de §§ 2 en 3 vervangen als volgt :“§ 2. Het openbaar ministerie kan geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van defeiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvansprake is in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering.Het openbaar ministerie kan echter de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens hetin artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen. - 10 -
    • § 3. Onverminderd het in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg, kande procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijningevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het adviesvragen van de bevoegde gewestelijke directeur. De procureur desKonings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De gewestelijkedirecteur antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan.In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering.”Art. 16 Artikel 74bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijkgewijzigd bij de wet van 13 maart 2002, wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :“Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaren die deelnemen aan het in artikel 29, derde lidvan het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg.”Art. 17 Hoofdstuk XI van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een artikel 74ter, luidende :“Art. 74ter. In het kader van de kennisgeving en het overleg bedoeld in artikel 29, tweede en derde lid,van het Wetboek van strafvordering, deelt de bevoegde gewestelijke directeur of de ambtenaar die hijaanwijst, de gegevens van het fiscaal dossier met betrekking tot de feiten die strafrechtelijk strafbaar zijningevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten mede aan hetopenbaar ministerie.”Afdeling 2 Verhoging van de strafrechtelijke fiscale boetesArt. 18 Artikel 73 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 februari 1981 en laatstelijkgewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt :“Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of vande ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van achtdagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 500 000 euro of met een van die straffen alleen.”Art. 19 In artikel 73bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981 en laatstelijkgewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:1° in het eerste lid worden de woorden “125 000 EUR” vervangen door de woorden “500 000 euro”;2° in het tweede lid worden de woorden “125 000 EUR” vervangen door de woorden “500 000 euro”.Art. 20 In artikel 73quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981 enlaatstelijk gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden “125 000 EUR”vervangen door de woorden “500 000 euro”.Art. 21 In artikel 73quinquies, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981,worden de woorden “vindt geen toepassing op” vervangen door de woorden “is van toepassing op”. - 11 -
    • BIJLAGE 3: COORDINEERDE TEKST VAN ARTIKEL 29 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERINGArtikel 29 van het Wetboek van Strafvordering Article 29 Code dInstruction criminelle (oud) (nieuw)Art. 29. Iedere gestelde overheid, ieder Art. 29.. Iedere gestelde overheid, iederopenbaar officier of ambtenaar die in de openbaar officier of ambtenaar die in deuitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van eenmisdaad of van een wanbedrijf, is verplicht misdaad of van een wanbedrijf, is verplichtdaarvan dadelijk bericht te geven aan de daarvan dadelijk bericht te geven aan deprocureur des Konings bij de rechtbank binnen procureur des Konings bij de rechtbank binnenwier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf wier rechtsgebied die misdaad of datis gepleegd of de verdachte zou kunnen worden wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zougevonden, en aan die magistraat kunnen worden gevonden, en aan diealldesbetreffende inlichtingen, processen- magistraat alldesbetreffende inlichtingen,verbaal en akten te doen toekomen. processen-verbaal en akten te doen toekomen.De ambtenaren van de Administratie der directe De ambtenaren van de Administratie derbelastingen, de ambtenaren van de directe belastingen, de ambtenaren van deAdministratie van de belasting over de Administratie van de belasting over detoegevoegde waarde, registratie en domeinen, toegevoegde waarde, registratie en domeinen,de ambtenaren van de Administratie van de de ambtenaren van de Administratie van debijzondere belastinginspectie en de ambtenaren bijzondere belastinginspectie en devan de Administratie van de ondernemings- en ambtenaren van de Administratie van deinkomensfiscaliteit, kunnen echter de feiten die, ondernemings- en inkomensfiscaliteit, kunnennaar luid van de belastingwetten en van de ter echter de feiten die, naar luid van deuitvoering ervan genomen besluiten, belastingwetten en van de ter uitvoering ervanstrafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder de genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaarmachtiging van de gewestelijke directeur onder zijn, niet zonder de machtiging van dewie zij ressorteren, ter kennis brengen van de gewestelijke directeur onder wie zijprocureur des Konings. ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings. De in het tweede lid bedoelde gewestelijke directeur of de ambtenaar die hij aanwijst, kan in het kader van de strijd tegen de fiscale fraude over concrete dossiers overleg plegen met de procureur des Konings. De procureur des Konings kan de strafrechtelijk strafbare feiten waarvan hij kennis heeft genomen tijdens het overleg, vervolgen. Het overleg kan ook plaatsvinden op initiatief van de procureur des Konings. De bevoegde politionele overheden kunnen deelnemen aan het overleg.” - 12 -