• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Kinderhandel Deel1
 

Kinderhandel Deel1

on

  • 2,015 views

 

Statistics

Views

Total Views
2,015
Views on SlideShare
2,015
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
7
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Upload Details

Uploaded via as Microsoft Word

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Kinderhandel Deel1 Kinderhandel Deel1 Document Transcript

    • Kinderhandel! Over moeders en vroeders over kinderen kopen en verkopen Benedict Wydooghe Een tovenares… “Marcella Busschere? Mijn man vertelde er in geuren en kleuren over. Hij kon niet zwijgen over die vrouw die hem op de wereld zette. Een wonder, een tovenares moet dat geweest zijn.” Mietje Billiet “Je oma is vroedvrouw” is een zinnetje dat ze me van thuis uit en van kindsbeen af meegeven. “Een eerbiedwaardig beroep. Niet zomaar het eerste het beste, maar even uniek als de moeder zelf…” “Enfin” denk ik. Ik zie mezelf nog staan, naast mijn grootmoeder, bij de buizenstoof, als tienjarige koter met mijn handen in de zakken van mijn korte broek... Veel kan ik me er niet bij voorstellen. ‘Vroedvrouw?’ De loopbaan van mijn oma loopt definitief ten einde bij mijn geboorte in 1972. Nu resten me een handvol herinneringen en overblijfselen van die respectabele carrière: de zwarte bakelieten telefoon met een ronde draaischijf bij het raam, haar vierkante kantoor met bloemetjesbehang en een waardig bruin bureaumeubel met schuiven langs beide kanten. Als kind loop ik onder het logge meubelstuk door. Het is elegant afgewerkt met gele staafjes aan de schuiven en ronde poten waar de houtworm in huist. Er steken poedertjes en zalfjes in de schuiven. De diverse potjes verspreiden even diverse geuren. Naast het bureau staat een bijhorende vitrinekast. Achter het glas ligt een dun aantekenboekje en een reeks studieboeken. Ik, het kind, mag erin kijken of erin tekenen. Ik doe dat samen met mijn opa, over de middag, als ik kom eten tijdens de schoolpauze. Ik kijk onder begeleiding van mijn grootvader naar de medische tekeningen.
    • Als kind kijk ik nieuwsgierig in de oude studieboeken waar de bijbelse thema’s nooit ver weg zijn. Oma houdt haar cursussen en boeken bij in een kleine bibliotheek, ook al had zij ze niet meer nodig. Een verzamelwoede die ik van haar erfde?
    • Als we bij de ‘vuile prenten’, de voorlichtingstekeningen komen, gaat het bladeren sneller. In de deur van de kast steekt een zwartleren tas met metalen, witzilveren instrumenten. Ze blinken. De instrumenten mag ik betasten en vasthouden, maar het is enkel de schaar die ik kan benoemen. Later leer ik dat het gaat om een verlostang, een sonde, een puit (of een haak), twee kochers om de navelstreng af te klemmen en een irrigator (voor het spoelen van de schede of de darmen, viste ik uit). Een harde borstel, watten, lint en garen, opiumtinctuur (als verdoving) en moederkoren om de weeën op te wekken - andere noodzakelijke hulpmiddelen van een vroedvrouw - heb ik nooit gezien. Verder steekt in de oude kast een koppel fototoestellen. Met de zwartvierkanten bakjes komt mijn grootmoeder haar studietijd door en later neemt ze foto’s van prille vaders met baby’s. Tijdens haar studententijd, ergens in de jaren dertig in Brugge laat ze zich fotograferen op het Belfort en voor diverse andere monumenten. De foto’s en de negatieven zijn er nog, maar de beeldkwaliteit is zo goed als verdwenen. Tussen de kast en de schouw, op het bloemetjesbehang hangt haar diploma en haar medaille in een gouden kader “met grootste onderscheiding geslaagd in het examen vereischt voor de uitoefening van het beroep van Vroedvrouw.” Zelf deed ze smalend over die grootste onderscheiding. Een non vertelde haar dat ze haar niet wilden delibereren met honderd procent, zodat ze het “niet te hoog in haar bol zou krijgen.” 1 Het trotse familieportret. Hun schoenen zijn gepoetst, de pakken gestreken, uiteraard voor de foto. Marcella staat in het midden met op de voorgrond mijn overgrootouders. Haar twee broers staan naast haar. Mij fascineert, daar op de achtergrond, het pas ommuurde eiland. Zelf wonen ze in de Damwegel. Ondertussen is mijn oma heengegaan. Ze kreeg een stille uitvaart. Haar kinderen, mijn moeder en mijn nonkel, wilden dat zo. De kamer met het bureau is nu een herinnering. Het vertrek is verbouwd en de geuren zijn anders: geen poeders of zalfjes 1 Haar diploma is in de kader vergezeld van een medaille van stad Roeselare en de provincie West- Vlaanderen en een officieel papier dat aantoont dat ze bewijst “kennis te bezitten voor het bekomen van het bewijs van de 4 de graad” uitgereikt op 25 juli 1931 in Roeselare. Een hard reclamekarton verstevigt de achterkant van de kader: het is een reclame van de klerenwinkel In de vier seizoenen, markt 3, opengehouden door familie van mijn oma, het koppel Boussauw – Tampere voor “pardesus en regenmantels, gemaakt en op maat, mans en vrouwstoffen.”
    • meer, hoogstens de geur van pleisterwerk, nieuwe verf en vernis. Boven een deurlijst hangt een restje bloemetjesbehang. Haar instrumenten belandden bij het oud ijzer, de studieboeken werden verdeeld onder belangstellende familieleden en het diploma ligt op mijn zolder. In mijn boekenkast steekt nu het grijze aantekenboekje met meer dan zevenhonderd geboortes. De stoffen kaft van het grijze boekje voelt ruw en wat vet aan. De eerste zeven bladzijden zijn met een schaar uit het boek gesneden en daarna volgt een rubricering per schooljaar. De geboortes situeren zich tussen donderdag 1 augustus 1940 en een onbepaalde dag in 1955. De baby Lucrese Samyn opent de rij geboorten in 1940. Vijftien jaar later sluit Lucrese Desmet af. De oudste baby’s hebben nu de pensioensgerechtigde leeftijd bereikt, de jongsten zijn ergens midden de vijftig. Mijn grootmoeder plaatst haar aantekeningen in pen, potlood of balpen, ze zijn zakelijk, kort en uniform: voornaam en naam van het kind, tijdstip van geboorte, namen van de ouders, straatnaam en gemeente. Geen geboortegewicht, geen lengte of andere eenheden die men nu meet bij een geboorte. Geen roddel, geen weetjes, geen huisnummer. Deze namenlijst vormt het begin van een speurtocht naar de Lichterveldse kinderhandel. De zoektocht brengt me bij plaatselijke vroedvrouwen en hun kraambedden en resulteert in een vertelling over het op één na oudste beroep. Google Bij de geboorte van ons vierde kindje (en tegelijk onze eerste dochter, Marie) komt vroedvrouw, Christien Bekaert regelmatig bij ons thuis. Als ik haar vertel dat mijn oma ook vroedvrouw is, ontstaat een geanimeerd gesprek. Bij één van haar volgende bezoeken steekt ze me het boek ‘Clara’ van Pol Van Eyck in handen. Dit levensverhaal van Clara Dresselaers, de eerste vastbenoemde en gediplomeerde vroedvrouw in de Kempen breekt werkelijk alle records: ze diende 62 jaren en hielp 6700 kinderen op de wereld. Ik mag het boek houden zolang ik het nodig heb. Uiteindelijk geef ik het boek terug aan Christien bij de geboorte van onze vijfde. Er is dus veel tijd over gegaan om deze verhandeling te schrijven, kinderzorgen, begrijpt u? Tot ongenoegen van de redacteur van dit jaarboek… Tijdens mijn speurtocht naar mijn grootmoeders verleden ontmoet ik twee andere Lichterveldse vroedvrouwen. Naast mijn grootmoeder zelf, Marcella Debusschere, die toen bekend staat als Marcella Bussche, ontmoet ik Gabriëlle Debaeke. In de volksmond kent men haar als Gaby Baeke. Ze is wat ouder dan mijn oma maar is in Lichtervelde minstens even bekend. Ze verkocht naar eigen zeggen minder baby’s. Marcella Debusschere is voor zover ik haar mag geloven de vroedvrouw met het grootste aantal geboorten op haar actief. In 1945 op het hoogtepunt van haar carrière verkoopt ze 62 baby’s en in 1942 neemt zij bijna veertig procent van alle Lichterveldse geboorten voor haar rekening. In de periode 1940- 1955 levert ze bijstand aan één op vier geboortes in Lichtervelde. Tijdens de oorlog is dat één op drie. De cijfers maken duidelijk dat Gaby en Marcella niet de enigen zijn die geboortebijstand verlenen. “Men liet zich ook bijstaan door minnen, ongediplomeerde bakers of een dokter” getuigt Gaby. Waren er in Lichtervelde dan geen gediplomeerde vroedvrouwen, vraag ik? Gaby kan er geen antwoord op geven. Google wel. Het toeval wil, als ik op Google de trefwoorden ‘Lichtervelde’ en ‘vroedvrouw’ intik, dat ik in Bissegem terecht kom. Daar woont Anna Deschrijvere, een Lichterveldse van oorsprong. En Bissegem is het thuisfront van mijn schoonfamilie. Anna Deschrijvere is er niet onbekend. Als ik haar opbel om haar op te zoeken, antwoordt ze dat ze liever niet op
    • mijn vraag wil ingaan. Ze is teveel onder de indruk van het overlijden van haar echtgenoot. Maar ik heb geluk. Het telefoongesprek is geen doodlopend spoor. Haar bibliografie is uitgeschreven door de cel gelijke kansen van Kortrijk en laat een reconstructie van haar vroedvrouwenleven toe. 2 Gabriëlle Debaeke is geboren voor Mijn oma, Marcella Debusschere Anna Deschrijvere ziet het de eerste wereldoorlog en is de wordt geboren tijdens de eerste levenslicht kort na de eerste oudste van ‘mijn’ vroedvrouwen. wereldoorlog. Men kent haar als wereldoorlog. Voor een carrière in Gaby hielp mij ongelofelijk bij dit Marcella Bussche die tot in de Lichtervelde heeft ze weinig onderzoek. De confrontatie van jaren vijftig in de Potteriestraat ambitie en ze verhuist al snel naar haar rake uitspraken met de woont en daarna op het Kerkplein het Kortrijkse waar ze als geschreven bronnen bewijzen haar te vinden is. vroedvrouw, verpleegkundige en geheugenscherpte. politica aan de slag gaat. Tien frank voor een kind Tegenwoordig lijkt een bevalling in geen enkel opzicht meer op het bevallen een eeuw geleden. Uit de talloze teksten die ik verzamel over het bevallen in vroegere tijden rijst een beeld van een niet gemedicaliseerde bevalling. Er komt nauwelijks een dokter aan te pas. Laten we terugkeren tot het aller prilste begin, tot het eerste kwart van de twintigste eeuw, tot op het moment dat mijn drie vroedvrouwen geboren worden. Ja, vanaf hier noem ik ze mijn vroedvrouwen. Doorheen mijn onderzoek leer ik ze elk op hun eigen manier kennen. Zoals gebruikelijk worden zij in hun ouderlijke thuis geboren. De oudste in de rij, Gabriele Debaeke ziet het levenslicht in een kroostrijk gezin in de Boomgaardstraat op dinsdag 7 mei 1912. Anna Deschrijvere, de jongste wordt nabij het station op vrijdag 19 mei 1922 geboren als oudste van twee broers. Haar vader Eugène en haar moeder Marie Louise Hemers zijn beiden spoorwegbediende, hij in Roeselare, zij in Koolskamp. Ze pendelen dagelijks naar hun standplaats. Mijn oma, Marcella Hectorine Debusschere ziet het licht op maandag 8 maart 1916 om 8 uur ‘s morgens ergens in de Damwegel. Marcella’s moeder, Marie Tampere is 32, haar vader, Jordaan Debusschere 43. Haar vader is metser en bij haar 2 Ik had met Anna Deschrijver op vrijdag 26 augustus 2005 een fijn telefoongesprek van ongeveer een kwartier. Ze kende mijn grootmoeder niet en verwees vrij snel naar haar biografie die ik al kende via internet. STORMS C. Vrouwen in de Kortrijkse Gemeenteraad. Gisteren, vandaag en... morgen, Stad Kortrijk, Gelijkekansencel, Kortrijk of http://users.myonline.be/~tdn41006 , 2000.
    • moeder staat in het huwelijksboekje ‘kantwerkster’. Behalve dit beroep heeft Marie Tampere een klein winkeltje, helpt ze de mensen bij sterfgevallen en werkt ze als baker. Ze verleent bevallingsbijstand als ongeschoolde vroedvrouw. Marie Tampere is niet de enige die zich in Lichtervelde inlaat met deze job. Een zekere Marie Popelier is een gediplomeerde vroedvrouw, minnen gaan met haar mee. 3 Vroedvrouwen kennen een ongewoon leven. Ze gaan bij nacht en ontij de baan op en zijn geëngageerd. Voor een bevalling en acht huisbezoeken ontvangen ze tijdens de eerste wereldoorlog ongeveer tien frank. Als je weet dat een kilo boter meer dan drie frank kost, weet je dat de verwachtingen haaks staan op haar loon. 4 Als gediplomeerde leert Marie Popelier haar vak in een vroedvrouwenschool. Waar Marie Tampere, de moeder van mijn oma, de stiel leerde, kon ik niet achterhalen. Het zit er dik in dat ze aanvankelijk te rade ging bij een buurvrouw, haar moeder of haar schoonmoeder en later van tijd vertrouwt op haar ervaring en inzicht verwerft via de raadgevingen uit haar trouwboekje. 5 Dat trouwboekje brengt de al dan niet geletterde bevolking in het begin van de twintigste eeuw op de hoogte van de “gezondheidsleer der eerste jaren” van het kind. De raadgevingen zijn pragmatisch en gaan over de reinheid, de kleding, het bed, de slaap, het voedsel, de beweging en de verluchting van de kamers. Immers, “evenals de plant kan het kind niet opgroeien in eene plaats van zuivere lucht en licht beroofd.” Het doel van de raadgevingen is duidelijk. Ongeveer één vierde van de 3 Gaby Baeke getuigt over Marie Popelier als haar voorgangster. Ze woonde in de Marktstraat, waar nu de WereldWinkel is. Ze was gehuwd met een timmerman. 4 Na de eerste wereldoorlog stijgen de lonen. Het plaatselijke COO betaalt haar vroedvrouwen 325 frank per jaar. Dit is goed zijn voor een equivalent van tien bevallingen. Eind 1926 trekt het COO het tarief op naar 600 frank per jaar. Het COO redeneert dat dit rijkelijk is, omdat er weinig bevallingen zijn bij het armbestuur. Marie Popelier redeneert als vroedvrouw anders en wordt liever per bevalling betaald. Ook mijn oma zou later klagen over de achterstallige en onvoldoende betalingen voor bevallingen in opdracht van het COO. In het gemeentearchief kon ik geen betalingsbewijzen of andere documenten van terugvinden uit de periode van mijn oma. Wel laten diverse archiefstukken een reconstructie toe van een aanslepende polemiek tussen het armbestuur enerzijds en Marie Popelier anderzijds. De inzet is steeds weer de uitbetaling van een correct loon. De oudste klacht dateert uit midden jaren twintig, de jongste uit 1940. Op een gegeven moment komt de provinciegouverneur tussen beide partijen. “Er wordt te mijner kennis gebracht dat de Commissie van Openbaren onderstand uwer gemeente weigert hare schuld te vereffenen tegenover de genaamde Popelier Marie, vroedvrouw, dewelke, volgens de hieraan gehechte rekening, een tegoed heeft van 227 fr. uit hoofde van twee kraambedden. Ik verzoek u, Mijne Heeren, de Commissie aan te zetten de voormelde som zonder uitstel aan de belanghebbende te betalen.” Of de gouverneur Marie Popelier zo daadwerkelijk helpt, is een raadsel. De burgemeester reageert vrij trefzeker. “Alzo heeft een behoeftige bij wien een kind geboren is in de nacht van 2 tot 3 april laatst, en waar gemelde vroedvrouw hare hulp geweigerd had, er geen bezwaar in gevonden zich tot een geneesheer te wenden. (…) Indien dus Vrouw Popelier Marie bij haar besluit blijft van zich niet ten dienste der Commissie te stellen in de voorwaarden die zij eerst aangenomen had, zal de dienst der weinige kraambedden door de geneesheeren verzekerd worden.” Archief COO Lichtervelde, dossier 2161. 5 Bakeren betekent koesteren, warm houden, verwarmen, voeden en verversen. De bakermat is een rieten mand de naar achteren oploopt en waar de baker in zit. “Vroedvrouwen brachten die mee voor de bevalling” getuigt m’n collega Marc Vangheluwe die bijna met pensioen gaat en indertijd in Gids woonde. “Wij als kinderen in huis dachten dat het baby’tje al in de mand zat en dat de vroedvrouw het er gewoon uithaalde. We hebben het haar natuurlijk nooit echt zien doen.” In werkelijkheid zet de vroedvrouw de bakermat voor het vuur gezet, zodat ze het samen met het kind warm heeft. Andere termen voor vroedvrouw zijn minne, achtergaarster, vroedwijf. Mijn collega spreekt van een achterwares en een achterwaarster. Vroed verwijst naar 'wijs, verstandig' en ‘vroede vrouw’ en is een leenvertaling van het Franse sage-femme uit dertiende eeuwse geschriften, “ene van de overigheid aangestelde, beëdigde, zindelyke, eerbare Vrou, die de zwangere Vrouwen voor, in, en na het bevallen, met raad en daad by staat, en in zware geboorten de verlossing helpt bevorderen.”
    • kinderen sterft voor ze één jaar worden als “slachtoffers der onwetendheid, van de slenter en van de vooroordeelen. Om dien overgrooten doodstol in te perken, welke tevens het gezin en de samenleving bedroefd en verarmt, is het noodig zekere grondbegrippen van gezondheidsleer (…) te verspreiden.” Ook Marie Tampere ontsnapt niet aan de vaak voorkomende kindersterfte. Haar derde kind haalt de eerste maand niet. 6 En nu, in 1916, bevalt ze voor de vierde keer. Lichtervelde is bezet door het Duitse leger dat net aan de slag om Verdun begint. Marcella heeft twee broers: Marcel is tien en Omer is zes. 7 Baker of niet, een bevalling vergt organisatie: de bevallingen gebeuren in de keuken of in het achterhuis. Buurvrouwen of familieleden springen bij in het huishouden. Want Marie mag de eerste tien dagen het bed niet uit. Kennissen wassen het kind dat later mijn oma zal worden. “De reinheid is eene onmisbare voorwaarde voor de gezondheid. Het kind moet minstens een maal daags geheel en zooveel mogelijk in een bad of eene kuip gewasschen worden; gedeeltelijke wasschingen zullen plaats hebben onmiddellijk na iedere bevuiling en zullen gedaan worden met eene spons of eenen zachten doek, in zuiver lauw water nat gemaakt. De spons en de doek die tot de zuivering van het kind gediend hebben, moeten zorgvuldig na iedere bewerking in warm water gewasschen worden.” Ze helpen het kindje kleden en verluchten de kamers. “De doeken waarin het kind gedraaid wordt zijn zacht, licht en warm; de bussel mag onder geen voorwendsel gesloten worden tot de bewegingen te beletten; hij moet met zekerheidsspellen of linten vastgemaakt worden. De navelband blijft ten minste gedurende de eerste maand behouden. Het is noodig dat de kamer waar het kind verblijft, ruim, helder en verlicht zij. Geene uitwaseming of hoegenaamde geur mag daar geduld worden.” Haar uitzet is eenvoudig: flanellen doeken, fijne baptisten kanten hemdjes, onderlijfjes die achteraan opengaan, slaapkleedjes, gebreide sokjes, sponsen eetslabben en katoenen sierslabben, geborduurde en met kant afgezette mutsjes, lakentjes voor de wieg en een kinderkoets. Maar, waarschuwt het trouwboekje van Marie “het gebruik van kleine wandelkoetskens is nadeelig indien zij niet op volmaakte wijze op springveren hangen.” Als ‘goede’ moeder maakt Marie alles zelf of ze haalt het bij vrienden en kennissen. In haar trouwboekje leest ze over ‘verderfelijke’ gebruiken. Zo krijgt het drukken of kneden van het hoofd om de vorm te verbeteren een veeg uit de pan. Beweegbare wiegen acht het trouwboekje nadelig. De schommelingen doen het kind inslapen “maar oefenen eenen nadeeligen invloed op zijne hersens en zijne maag uit.” En, het kind moet een afzonderlijk bed hebben. “Talrijke voorbeelden bewijzen hoe gevaarlijk het voor zijne gezondheid en zelfs voor zijn leven is, het met groote menschen te laten slapen.” 6 Op 9 november 1912, om 6.30 ’s avonds wordt Andrea Maria Julia geboren. Ze overlijdt op sinterklaasavond van datzelfde jaar. 7 Jordaan Debusschere (Lichtervelde, 9.11.1873 - 20.01.1966) is zoon van Eduard August Debusschere en Marie Louise Descheemaker. Hij huwt op 28 augustus 1903 met Maria Ludovica Tampere (Lichtervelde, 26.06.1884-), dochter van Karel Louis en van Virgini Rosalie Missinne. Jordaan is bijna dertig als hij haar trouwt. Marie is negen jaar jonger, net éénentwintig. Twee jaar later, op 17 augustus 1905 om 9 uur in de morgen zettten zij hun eerste kind ter wereld: Marcel Eduard Franssisucus Olympius. Vier jaar later op 10 augustus 1909 volgt Omer Karel Franciscus om 8 uur in de morgen.
    • Leesloupe Terwijl ik deze zin overschrijf uit het trouwboekje van mijn overgrootmoeder kom ik tot het besef dat het handvol documenten me niet erg ver zullen brengen om een glimp van mijn grootmoeders geschiedenis op te vangen. Haar studieboeken en haar schriften, haar kraamboekje en het trouwboekje van haar ouders zijn, hoe interessant ook, onvoldoende om haar verleden tot leven te wekken. Ik moet mensen zien te vinden die haar gekend hebben, mensen die haar herinneren… Via mijn moeder kom ik te weten dat vroedvrouwen nauw samenwerken met de dorpsdokters. Verschillende geschiedenisboeken bevestigen deze idee. Marcella Debusschere werkte naar horen zeggen vaak samen met dokter Van Speybroeck. Ik zoek hem op in de Callewaertlaan, op een zondagvoormiddag terwijl ik hem zijn nieuw jaarboek van de heemkring breng. Hij is blij me te zien, niet dat hij me kent. Hij schuift een stoel onder mijn achterwerk en toont zijn leesloupe. “Ja, met het zicht gaat het steeds minder. Ik wordt stilaan blind.” Met zijn leesloupe vergroot hij de teksten, “maar het gaat traag en het is vermoeiend.” Ik vraag hem naar zijn herinneringen over mijn grootmoeder, maar al snel blijkt dat daar niet veel over te vertellen valt. Van een samenwerking tussen dokter en vroedvrouw is er enkel sprake bij noodgevallen. Zolang er geen complicaties optreden, behelpt de vroedvrouw zich, bij verwikkelingen roept ze de dokter. Marcella belde hem op als ze in nood is, dat is zeker, maar hij kan zich moeilijk herinneren wanneer dat precies was. “Ik kan je wel iemand aanraden die je kan helpen” fluistert hij me toe. “Een andere vroedvrouw, ongeveer even oud als je oma, woont in de serviceflats. Haar naam is Baeke, Gaby Debaeke.” Pineau om 10 uur Het zit mee. Op donderdag 25 augustus 2005 stap ik de serviceflats binnen met een reeks voorbereide vragen op zak. Ik heb wat tijdschriften boeken over vroedkunde doorgenomen om niet helemaal onwetend door de mand te vallen. Gabriëlle Debaecke ontvangt me hartelijk. De getuigenissen over de kindertijd van mijn grootmoeder beperken zich tot een handvol anekdotes. Gaby Baeke daarentegen is een levend archief. Niettegenstaande ze zegt dat ze veel vergeet, is de herinnering aan haar kindertijd en haar jeugdjaren een schatkamer vol verhalen. Gaby woont al acht jaar in de serviceflats. “Geregeld door Johan Goddyn” is het eerste wat ze zegt. Ze zegt het op een manier die haar typeert, bedenk ik later. Rechtuit rechtaan, met het hart op de tong. “Dienstbetoon” klinkt het. “Ik woon hier niet graag. Ik woonde veel liever in mijn huis naast ‘t kerkhof. Kijk eens naar buiten. Je ziet nauwelijks iets. We zitten hier afgezet als koeien: een brede haag en draad er tussen. Met wat geluk wordt ze eens gesnoeid en zie je de bovenkant van een auto of het hoofd van een fietser .” Het is tien uur in de morgen en ik krijg nauwelijks tijd om me voor te stellen. “Eerst een aperitiefje” declameert ze kranig. “Ik ben de kleinzoon van Marcella Debusschere” probeer ik uit te brengen. “Pineau De Chareantes?” vraagt ze. Ik vraag koffie. “Koffie op dit uur? Geen sprake van…” “Mijn moeder is Ingrid Vanneste, mijn nonkel is Pol Vannes...” stamel ik. “Gezondheid” klinkt het. De Pineau smaakt best lekker op dit uur. Op haar kast herinneren foto’s aan haar vijf broers en twee zussen. De oudste foto’s tonen haar vader en moeder en haar opa en oma. Geen foto’s van kinderen of kleinkinderen? “Neen.” Gaby trouwde niet en bleef kinderloos. En dat voor een vroedvrouw, denk ik bij mezelf. Nu, mijn eigen oma zette ook weinig kinderen op de
    • wereld. Hooguit twee, een uitzondering voor haar generatie? Gaby vertelt honderduit over haar kindertijd tijdens de eerste wereldoorlog. Niet dat die wereldoorlog het voorwerp van gesprek zou moeten zijn, neen integendeel. Vroedkunde en mijn oma interesseren me meer, veel meer… maar dan bedenk ik dat mijn generatie te doelgericht, te pragmatisch te werk gaat. Vragen stellen is makkelijk, luisteren is zoveel intenser. Ik luister geboeid en krabbel nu en dan een stukje trefwoord. Ze herinnert zich ingekwartierde soldaten bij haar thuis en een dikke Duitser die haar steeds op de schoot wil. “En zijn handen niet thuis houdt!” Ze vertelt het ene spannende dorpsverhaal na het andere,… over het bombardement op de meisjesschool. Na het bombardement waarbij enkele kloosterzusters omkomen, lopen de kinderen school op verschillende locaties. Gaby mag naar de bovenverdieping van de wagenmakerij Pé Bohez. Daar improviseren zuster Julia en zuster Irma klaslokalen. Andere kinderen gaan naar zuster Zoé in de Torhoutstraat, recht tegenover café Amerika, bijna ter hoogte van de huidige staatsschool. En dan volgt een korte stilte. Gaby’s geest keert terug in de tijd, naar een situatie die haar leven zou veranderen. Een blik in het kerkhospitaal Ze is terug het kind van zes. Op een willekeurige oorlogsavond zit ze bij een buurmeisje naar de ‘zentjes’ te kijken. Boven de twee meisjes hangt een petroleumlamp. In de rest van de keuken is het aardedonker. Gordijnen dicht. En plots zwaait de deur met veel geweld open. De broers van het buurmeisje komen wild spelend binnen. Ze trekken de olielamp van de haak, de lamp kantelt en explodeert. Gaby krijgt de brandende olie over haar gezicht en haar arm. In een mum van tijd staat ze in lichterlaaie. Men duwt en trekt haar naar buiten. Er komen water en dekens aan te pas. Haar zwarte eerste communie krulletjes zijn niet meer te herkennen. Wat een verhaal. Ik blijf aantekeningen maken. Dokter Colpaert komt erbij. Hij kan het zwaar verbrande meisje niet helpen en suggereert om de Duitse dokters in het kerkhospitaal te consulteren. Zij hebben ondertussen bijna vier jaar ervaring met gelijkaardige wonden. Mijn aandacht wordt nog groter, ik merk bij mezelf dat ik vooruit leun in de zetel, ik nip van de Pineau en bedenk dat er tot op heden niets bekend is over wat er in het Duitse kerkhospitaal gebeurde. Tot op dit moment dachten we dat er geen enkele Lichterveldenaar een voet binnenzette. Gaby’s ouders trekken met hun zwaar verbrandde meisje naar het kerkhospitaal. Zolang de Duitsers in Lichtervelde zijn, verzorgen ze Gaby. Ze doen dat graag en dat is verstaanbaar. Een klein meisje is eens iets anders dan de soldatenhorden. Mijn interesse gaat uit naar de taferelen die zich in de kerk afspeelden. Het idee van het kerkhospitaal doet met denken aan scènes die ik ken uit films en uit dagboeken: het binnenbrengen van zwaar gewonde soldaten, het afzetten van ledematen, verbrandde lichamen,… taferelen die zich ongetwijfeld in de kerk van Lichtervelde hebben afgespeeld. Maar Gaby kan de taferelen niet zien. Haar hoofd is helemaal ingepakt. Ze is blind. Haar verhaal doet denken aan kreunende stervelingen, aan schreiende en roepende mannen, het geluid van een bot dat afgezaagd wordt… Maar Gaby kan de taferelen nauwelijks horen. Ze is doof aan één kant. Zes maanden lang wordt ze intensief verzorgd. Na de vlucht van de Duitsers nemen de nonnen in het gesticht de taak over. En niet zonder succes zo blijkt. Haar gehoor komt terug en het zicht herstelt zich na zes weken. Ook de huid geneest. In school geven de kinderen geen hand aan Gaby. Haar gekreukelde huid jaagt angst aan. Na een uur vertellen wordt Gaby zichtbaar moe. Het spreken
    • vertraagt, de ogen vallen dicht. De Pineau? Maar ze moet nog zoveel vertellen. Ik zou nog diverse keren bij Gaby binnenlopen. Coïtus interruptus Marcella Debusschere, Gaby Debaeke en Anna Deschrijver groeien op in het na- oorlogse Lichtervelde. Als kind zien ze hoe het dorp zich herstelt van de oorlog. Vroedvrouwen weten alles over conceptie en anticonceptie en hebben een taak te vervullen inzake voorlichting. Maar vóór de dames ingewijd worden in de wondere, wetenschappelijke wereld van de vroedvrouwenschool is er van voorlichting geen sprake. Nochtans kent het Vlaamse platteland het bestaan en het gebruik van voorbehoedmiddelen. Beperkte kringen gebruiken condooms, vaginale sponsjes met azijn, citroensap of aluin, vrouwendouches of pessaria occlusiva. In onze contreien is coïtus interruptus gebruikelijk en tijdens de jaren dertig leren vooruitstrevende kringen de periodieke onthouding kennen, ontwikkeld door de arts Smulders. Geboorteregelen is geen onderwerp waarover je praat. Artsen houden zich afzijdig en de pastoor heeft zijn verhaal. Mannen spreken erover tussen pot en pint of op de trein. Vrouwen bespreken het in de wasplaatsen en de kinderen houden ze dom. Albert D’Heedene (1904) bevestigt dit schroomloos in een interview dat ik een tijd terug met hem had. “Voorlichting in geen geval. De mensen worden dom gehouden. Kinderen komen uit de kolen, uit de mond of uit de kelder.” 8 Van alle verzinsels is die van de kolen waarschijnlijk de populairste. De groeikracht en de vorm zal er voor iets tussen zitten. De anticonceptivahandel en de -reclame komt na de eerste wereldoorlog op gang tot tegenzin van katholieke groepen. Zij zien de huwelijksmoraal bedreigd en pogen om de verkoop onmogelijk te maken. In 1923 verbiedt een wet alle anticonceptivareclame, productie en verkoop worden niet aan banden gelegd. Kortom, een lang verhaal om duidelijk te maken dat Marcella niet voorgelicht is als zij op haar zestiende naar de vroedvrouwensschool trekt. 8 WYDOOGHE B. ‘Wat een verschil…!’ In: Kroniek van Lichtervelde in de twintigste eeuw. Heemkundige kring Karel Van de Poele, Lichtervelde, 2000, p. 35-37.
    • Met de trein naar Brugge, het spoor volgt tegenwoordig nog hetzelfde traject. Alleen de treinstellen en het aantal klasses zijn anders. 16 jaar?! Studeren is voor gewone meisjes niet evident. Meisjes krijgen in de eerste plaats een voorbereiding op hun rol als moeder. Als ze studeren, ligt de richting in het verlengde van die rol. Verpleegkunde, vroedkunde of sociaal werk zijn per definitie vrouwelijke beroepen. In die tijd nemen nonnen vaak de verpleegkunde in handen en voor sociaal werk is het in West-Vlaanderen te vroeg. 9 De motivatie voor de beroepskeuze varieert bij mijn vroedvrouwen. Anna Deschrijver spreekt overtuigd van een roeping. Bij Marcella Debusschere ligt het in het verlengde haar moeders activiteiten als volksbaker. Gaby Debaeke en haar ouders vertrouwen op de aanbevelingen van pastoor Spilliaert. Hun studie duurt drie jaar: een voorbereidend jaar en twee echte 9 De eerste sociale scholen in West-Vlaanderen dateren van na WOII. Zie hiervoor WYDOOGHE B. Nieuwe tijden, nieuwe noden, nieuwe oplossingen. Een halve eeuw opleiding tot welzijnswerker aan de katholieke sociale hogeschool Ipsoc in Kortrijk, Lannoo, Tielt, 2000.
    • jaren. De toelatingsvoorwaarden uit 1924 bepalen dat de meisjes 18 jaar zijn, een getuigschrift hebben van goede zeden, fysiek geschiktheid moeten zijn en van hun lagere studies volbracht hebben. Marcella begint haar opleiding in september 1932. Ze is welgeteld 16 jaar. Hoe rijmt dit met de bovenstaande wet, vraag ik me af? Gaby Baeke en Anna Deschrijvere zijn achttien als ze de vroedopleiding starten. Ze weten niet wat hen te wachten staat en maakten nog nooit een bevalling mee. Gaby Baeke studeert in het Sint Jan in Brugge, op internaat. De zus van pastoor Spilliaert is er overste van het hospitaal. Boven de kliniek is een moederhuis. Mutsen haken Studeren kost geld en Marcella betaalt deels zelf haar studies. Ze haakt mutsen die in De Vier Seizoenen verkocht worden en aan het kerkportaal verkoopt ze ’s morgens kranten. Als dochter van een kantwerkster en een metser is Marcella zich bewust van haar sociale klasse. Ze weet dat boerendochters een voetje voor hebben bij de nonnen. Die brengen een cadeau mee bij het begin en het einde van het schooljaar. Ook Gaby Baeke besteedt elke frank zinvol om de opleiding te betalen. “Wij zijn arm en kunnen de opleiding niet betalen. Met vijf broers en twee zussen wonen we in een klein huise, naast Kletje Slunses (Vandevoorde), een oud wijveke dat met Charles Pollefeit getrouwd is en rommel verzamelt. Op aandringen van de pastoor mag ik toch gaan” vertelt ze. “Hoe we dit betaalden, weet ik niet. Ik zie mezelf nog staan met de vuile schorten, tussen de propere Brugse dames. Zij dragen elke dag een ander schort. Ik doe daar langer mee. De vuile plekken neem ik er bij.” Marcella houdt haar facturen goed bij. Via de schoolrekeningen ontdek ik dat ze in Sint Anna studeert (nu de provinciale vroedvrouwenschool) aan de Sint Annarei nr. 6 en 7. De bestuurster is een zekere V. Jongbloet. De wet voorziet dat de studentes er tijdens de week en soms in het weekend inslapen. Marcella houdt contact met het thuisfront via postkaartjes. Afhankelijk van het weer gaat zij met de trein of met de fiets naar school.
    • Via postkaartjes houdt mijn oma contact met het thuisfront. De foto op het kaartje toont wat er van de studentes verwacht wordt: een ijverige en communicatieve studeerhouding en hoe een klaslokaal er idealiter uitziet: met voldoende didactisch materiaal. In haar voorbereidende jaar koopt ze een zwarte palto als uniform en werkkledij voor 238 frank. Ze betaalt 272 frank voor vier kleedjes en 118 frank voor een zwarte
    • wijle. 10 Verder koopt ze vijf witte wijlen en twee bandjes voor 32 frank, drie paar kousen voor 53,25 frank, een initiale (15 frank) en vier schorten (88 frank). Haar boeken over kinderverpleging, algemene gezondheidsleer, “grootte levensverschynselen”, “begrippen van bacteriënleer en ontleedkunde” en “verrichtingsleer” en diverse cahiers kosten ongeveer 75 frank. Het gebruik van bed, lavabo en kamer zijn kosteloos tijdens het voorbereidende jaar. Ik schuif haar rekeninguittreksels opzij en herinner me dat ik bij oma op de schoot zit. Regelmatig vertelde ze verhalen uit haar studententijd en hoe de nonnen haar het leven zuur maken. Zo is er het verhaal van de te koude kinderbadjes. “We lieten het kinderbad vollopen en met onze pols voelden we af de badwatertemperatuur geschikt was voor het kind. Ik vond de temperatuur geschikt, maar de non liet zich bezighouden en kwam de temperatuur pas meten als het badje al afgekoeld was. Met opzet? Ik weet het niet. Later heb ik eens papflessen moeten betalen die ik zogezegd gebroken had.” De onderhoudskosten (wat die ook mogen zijn) belopen voor het schooljaar 1932-1933 2.750 frank, Marcella krijgt 1.000 frank tegemoetkoming van het moederhuis. Dat de studies duur zijn bewijst de aanvangswedde van een vroedvrouw in 1936. Die bedraagt 10.000 frank per jaar. Genesis 35: 16-17 “Men noemt zwangerheid of zwangerschap de ontwikkeling van een vrucht in het lichaam der vrouw.” Als Marcella op Sint Anna toekomt krijgt ze een redevoering te horen waarvan ze lang niet alles begrijpt. “De baring is de uitdrijving van die vrucht uit het lichaam der vrouw. De kraamstaat is het herstel van de vrouw na de uitdrijving der vrucht…” Ze komt terecht in een vreemde wereld van definities en moeilijke woorden, afspraken en gebruiken, theorie en praktijk. “Men verstaat door verloskunde de kennis der levensverrichtingen welke geschieden binst de zwangerschap, de baring en den kraamstaat, en ons in staat stelt op behoorlijke wijze een vrouwen haar kind binst haar zwangerschap, binst haar baring en gedurende de dagen van den kraamstaat, te verzorgen.” De herhaling, de dril en de instructie zorgen dat de studentes het vak in drie jaar meester worden. Sedert de negentiende eeuw zijn er in de meeste Vlaamse provinciehoofdsteden vroedscholen. De scholen genieten naam en faam en zijn in handen van mannelijke geneesheren en hoofdvroedvrouwen. Als Gaby, Marcella en Anna school lopen is een duidelijke trend zichtbaar van een verwetenschappelijking en vermannelijking van de opleiding. 11 De beschrijving over de oorsprong van het beroep daarentegen is omzoomd door een bijbelse waas. “Wanneer er werkelijk vroedvrouwen voor het eerst zijn geweest weet men niet zeker, maar reeds in Genesis 35: 16-17 lezen wij van Rachel dat zij baarde ‘en het geschiedde dat zij het hard had in haar baren, zoo zei de 10 Een palto is een mantel en een wijle is een voile. Als Marcella als zelfstandige vroedvrouw werkt, beschikt ze over twee mantels en over twee paar laarzen, voor het geval dat haar outfit nat is, zodat ze snel een andere outfit kan aantrekken. De natte kleren hangt ze boven de stoof. 11 Vanaf 1908 kan men enkel het diploma verwerven door twee jaar les in internaatsverband. In 1924 verschijnt een nieuw Koninklijk Besluit over de opleiding: programma-aanvullingen werken leemten weg en nieuw is dat de staat vroedvrouwen aanstelt. Het reglement van 6 september 1924 stelt de titel van erkende vroedvrouw in en het diploma van de vroedvrouw-bezoekster.
    • vroedvrouw tot haar: Vreest niet, want deze zoon zult gij ook hebben.” Dit soort moralistische vertellingen die in de jaren dertig eindigden, zijn populair. Hier zie je geen internaatskamer (daar heb ik geen beelden van teruggevonden) maar de luxueuze kamer nummer 5 waar de kersverse moeder na de bevalling op adem komt met haar kind. Als ze maar genoeg betaalt.
    • De beschrijvingen bewijzen dat de bevallingsbijstand zich ontwikkelt nadat mannen zich bemoeiden. 12 Tot in de zeventiende eeuw is verloskunde een exclusieve vrouwenaangelegenheid. Van dan af medicaliseert en masculiniseert de vroedkunde. Vroedvrouwen wagen zich niet langer aan gecompliceerde bevallingen en gebruiken geen instrumenten. Dit is voor chirurgijnen, heel- of vroedmeesters. De oudste vroedvrouwenscholen dateren uit deze periode. In 1818 omschrijft de wet over de uitoefening van de verloskunde drie beroepen: de universitaire arts, de vroedmeester en de vroedvrouw. De vroedvrouw doet verlossingen die “door de natuur bewerkt of door de hand ten uitvoer kunnen gebragt worden; zullende de vroedvrouwen mitsdien daartoe nimmer eenige instrumenten mogen gebruiken.” 13 De arts en de vroedmeester helpen bij natuurlijke en ‘tegennatuurlijke’ bevallingen en gebruiken instrumenten. Zonder bepalingen omtrent de vroedvrouwenopleiding schrijft de wet dat men “om het beroep van vroedvrouw uit te oefenen het diploma moet […] bekomen en hetzelfde doen viseren door de geneeskundige commissie van zijn verblijfsplaats.” Preuts Vlaanderen Na enkele weken maken de vroedvrouwen in opleiding een eerste bevalling mee. Hoofdvroedvrouwen geven hun praktijkervaring door via de praktijklessen en het tafereel maakt indruk op de jonge meisjes. Zo kan Gaby Baeke het tafereel nog precies omschrijven. “Bij intrede krijgt de zwangere vrouw kleren van de kraaminrichting. Er heerst een streng regime. De kleren van de vrouw worden apart bewaard tot ze na tien of twaalf dagen vertrekt.” Ook het briefgeheim wordt zelden gerespecteerd en kraambezoek zou men durven weigeren... In de kraaminrichting is het sterfterisico minstens even hoog als bij een thuisbevalling. De sfeer in de kraamhuizen valt niet te vergelijken met die van nu. Tucht en discipline staan bij de leerlingen vroedvrouwen én ten aanzien van de kraamvrouwen centraal. 12 Vlaamse vroedscholen ontstaan eerst in Brugge (1806), later in Mechelen en Antwerpen in de tweede helft van de eeuw. In 1933 valt de opleiding onder het technisch onderwijs en de scholen worden gelijkgesteld met vakscholen van de lagere graad. Het ministerie van onderwijs organiseert de opleiding en de kraamkliniek financiert het geheel. In 1934 zijn er tweeëntwintig vroedvrouwenscholen in België, waarvan vijftien in Vlaanderen. Vier te Brugge, drie in Antwerpen, twee in Elsene en verder één in Mechelen, Ukkel, Gent, Sint Gillis, Brussel en Hasselt. Zie: DRENTH P. 100 jaar vroedvrouwen verenigd. 1898-1998, Nederlandse Organisatie van Verloskundigen, Bilthoven, 1998, p. 9. 13 DRENTH P. 100 jaar vroedvrouwen verenigd. 1898-1998, Nederlandse Organisatie van Verloskundigen, Bilthoven, 1998, p. 10; LAMENS VAN MALENSTEIN M.M. De sociale positie van de vroedvrouw omstreeks 1900. In: DE KROES-SUVEREIN S. De vroedvrouw… Toen en nu. Bevoegd en bekwaam, CCS, Bilthoven, 1998, p. 25. De situatie in Nederland is niet te vergelijken met die in Vlaanderen. Tot op heden vindt het grootste deel van de bevallingen in Nederland thuis plaats onder de leiding van een vroedvrouw. Deze unieke situatie is historisch en wordt ook ‘the Dutch model’ genoemd.
    • Een keurige school- of klasfoto. Mijn oma staat op de laatste rij, de derde van rechts. Ze zette zorgvuldig een kruisje op haar borst. Naast de praktijklessen dienen de meisjes te studeren. Gaby krijgt van Dr. Coucke het vak kinderverzorging, Dr. Verstraete geeft verloskunde. Tussen de studieboeken van mijn grootmoeder steekt onder meer het beroemde Franse werk La femme médecin du foyer, speciaal herdrukt maar niet vertaald voor de preutse Vlaamse markt. Gezien de toestand waarin het boek verkeert, zal het wellicht vaak gebruikt zijn. Het bestaat uit vier delen: 1. Les soins de la santé; 2. Thérapeutique; 3. L’enfant; 4. Nos plantes médicinales en is rijkelijk geïllustreerd. In het studieboek van mijn oma ontbreekt één prent en op de plaats waar de illustratie hoort te zitten staat er gedrukt “Cette gravure est d’ordre purement technique et intéressera moins le profane que le médecin. Aussi nous sommes-nous abstenus de la reproduire ici.” De Vlaamse uitgave van 1952, een “gans herziene en verbeterde nieuwe uitgave” beperkt zich tot een schema van de vrouwelijke inwendige geslachtsorganen en de geslachtsorganen van de foetus. Het opschrift “Cette gravure est d’ordre purement technique et intéressera moins le profane que le médecin” prikkelt mijn nieuwsgierigheid. Welke tekening mag ik in de Franse versie verwachten? De zoektocht naar het Franse boek levert weinig op tot ik op een dag het bekende werk van Diane De Keyzer onder ogen krijg. In haar schitterende boek ‘De schaamte en de schrik, goesting en genot’ steekt een kopie van de tekening uit het Franse boek, het is een realistische tekening van de uitwendige geslachtsorganen van de vrouw. “Zelfs het schaamhaar is te zien” schrijft Dekeyzer.
    • De cursus verloskunde van mijn oma (een turf van 162 pagina’s, de talloze illustraties niet meegeteld) is voorzien van een harde kaft en bestaat uit een voorwoord en twee delen. Het eerste deel belicht de normale verloskunde, deel twee heeft oog voor de abnormale of tegennatuurlijke verloskunde. De studentes tekenen zelf de ‘prenten’. Tussen de weinige papieren die bewaard zijn gebleven steekt een schets die mijn grootmoeder maakte van het vrouwelijke geslachtsorgaan. Die schets is zonder twijfel gebaseerd op de realistische tekening uit het Franse boek. Omdat er zo weinig realistisch materiaal voor handen is, tekent een vroedvrouw of een geneesheer in Sint Anna de uitwendige geslachtsorganen op het bord. Tijdens de les tekenen de vroedvrouwen in opleiding de schets over. 14 Op 20 juli 1935 studeert Marcella met de grootste onderscheiding af voor “het examen vereischt voor de uitoefening van het beroep van vroedvrouw.” 14 FISCHER A. La femme, médecin du Foyer. Ouvragen d’hygiène et de médecine familiale consacré particulièrement les maladies des femmes et des enfants, les accouchements et les soins à donner aux enfants, Parijs, Brussel, sd, (ca. 1925.), p. 259; DE KEYZER D. De schaamte en de schrik, goesting en genot. Vier generaties vrouwen vertellen, Van Halewyck, Leuven, 2004, p. 59.
    • Afgestudeerd. Een diploma en een medaille op zak. Het beroepsleven kan beginnen. Marcella is 19 jaar en mag zich gediplomeerde vroedvrouw noemen. Op de foto straalt ze die titel blozend uit. De medicalisering confronteert Marcella, Gaby en Anna met hun voorgangsters. Dokters stellen bakers voor als een gemene halve wilden, ongeletterde en betweterige kletsebellen, zwaarlijvige, luie matrones met zwabberkaken, een borrelneus en op geld uit. Dokter Broeckaert beschrijft het plastisch. “Men staat als verstomd, wanneer men nagaat, met welke ongehoorde, verkeerde en gevaarlijke opvattingen, onze volksvrouwen den bakerstiel aandurven en uitoefenen. En ‘t is nochtans aan de handen dier meestal ongeletterde, zoo primitief vooringenomen vrouwen, dat wij toevertrouwen hetgeen ons ‘’ duurbaarst aan ‘ harte ligt: moeder en kind.” 15 Trouwboekjes waarschuwen voor ingrepen en “de geneesmiddelen van eenvoudige vrouwen” en als het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn in 1919 opgericht wordt, stellen verpleegster-bezoeksters nefaste opvoedingspraktijken en dwaze vooroordelen aan de kaak, komen er voorlichtingsavonden over kinderverzorging en brochures over de professionalisering van het kinderwelzijn. 16 Er zal inderdaad iets van aan zijn, maar desalniettemin zijn de kraamvrouwen in de eerste helft van de twintigste eeuw erg 15 DRENTH P. 100 jaar vroedvrouwen verenigd. 1898-1998, Nederlandse Organisatie van Verloskundigen, Bilthoven, 1998, p. 9. 16 Als Marcella correspondeert en overlegt met de plaatselijke afdeling van het Nationaal werk voor kinderwelzijn, verstuurt zij haar brieven naar voorzitster M.L. Demunster in de Statiestraat 62.
    • gesteld op de volksbakers. Ze maken deel uit van de plaatselijke cultuur en functioneren. Ze steunen en bemoedigen angstige kraamvrouwen. De geschoolde en jonge vroedvrouwen met hun nieuwe ideeën nemen vanaf het interbellum definitief het roer in handen. Lang niet iedereen krijgt een kamer apart in de materniteit. Slaapzalen zijn eerder regel dan uitzondering. Waar op de privé-kamer geen wieg te zien is, staan de wiegen hier voor de bedden van de kraamvrouwen. Het ‘stedelyk’ Moederhuis In de jaren dertig vervijfvoudigt de opnamecapaciteit en dus de werkgelegenheid in de Vlaamse kraamklinieken. Gereputeerde vrouwenartsen promoten de thuisbevalling bij normale omstandigheden en bestrijden de medicalisering van de zuigeling. Anderen spelen op het sentiment: “…de arme stadsmoedertjes baren in naamloze klinieken. Ze hebben zelfs de vreugd niet te midden van hun bekende omgeving te lijnde en haar kind te ontvangen.” 17 In april 1936 krijgt Marcella goed nieuws. Ze is twintig, heeft een diploma op zak en in de brievenbus valt een brief van stad Roeselare. De Commissie van Openbaren Onderstand schrijft “wij hebben de eer en het genoegen U mede te deelen dat onze Commissie, in zitting van 28 april U benoemd heeft als vroedvrouw aan ons stedelyk Moederhuis.” Het contract loop één jaar en kan verlengd worden, met loonsverhogingen tot maximum 1.200 frank. Op 1 mei 1936 treedt ze in dienst in de kliniek “aan het bassin, daar aan ’t water” om haar woorden te gebruiken. 17 STEVERLYNCK C. Als de ooievaar komt… Vrijen, trouwen en moeder worden in de twintigste eeuw, Lannoo, Tielt, 2000, p. 195-96.
    • Ze geniet er kosteloos onderhoud en inwoon. Op dat moment raken we het spoor van Marcella enkele jaren bijster. Geen enkele getuige weet wanneer ze zelfstandige vroedvrouw wordt. We hebben geen correspondentie of andere documenten die ons inlichten over het doen en laten. Hoe lang werkt zij in het stedelijk ziekenhuis? Waarschijnlijk beperken haar activiteiten zich niet tot de kraamkliniek alleen. Als jonge professionele vroedvrouw kijkt Marcella anders tegen de wereld aan dan haar moeder. De hulp bij de bevalling is geen puur charitatieve daad maar een zakelijke transactie. Aan haar deur in de Potteriestraat hangt een bordje met haar titel. Ooit krijgt ze een Engelse parachutist aan de deur op zoek naar hulp, op de vlucht voor Duitsers, maar ze is te bang om hem te helpen. Ze heeft kennis van zaken, proefde van natuurwetenschappen en beschikt over een reeks instrumenten, tabletjes en poeders in haar ‘boelekenstas.’ Marcella legt de kraamvrouwen uit dat het hulpmiddelen zijn bij de vruchtuitdrijving. Zwangere vrouwen luisteren verbazend. Bij de vroegere bakers ging het niet zo punctueel. 18 Deze hoogtechnologische verloskamer (begin jaren ’30) toont Marcella’s toekomst. In de jaren dertig zijn er relatief weinig verloskamers van dit type. Het is normaal dat kinderen thuis het levenslicht zien. Deze verloskamer is een hightech labo en voorspelt een toekomst van licht en overzicht, hygiëne en ordentelijkheid, efficiëntie en rationalisering. De medicalisering is begonnen. In vroedvrouwenbladen verschijnen intussen berichten over collega’s in andere landen. In Duitsland beloven de nazi’s betere tijden voor de vroedvrouwen. Het beroep kadert in de ideologie van de moederschapcultus en het gezin als hoeksteen van de samenleving en in 1938 verplicht Duitsland de aanwezigheid van een vroedvrouw bij elke bevalling. De oorlog nadert. 18 Vgl. VAN EYCK P. Clara. Heibrand, Turnhout, 1995, p. 53; STEVERLYNCK C. Als de ooievaar komt… Vrijen, trouwen en moeder worden in de twintigste eeuw, Lannoo, Tielt, 2000, p. 53.