Celine
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Celine

on

  • 831 views

Celine, een leven in dienstbaarheid

Celine, een leven in dienstbaarheid

Statistics

Views

Total Views
831
Views on SlideShare
831
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Celine Celine Document Transcript

  • Celine Van Geertsom Een leven in dienstbaarheid Roger Puynen 3
  • Colofon Auteur: Roger Puynen Cartoons: Erik Pijl en Aimé Van Avermaet Spellingcontrole: Jan Smet Kaftontwerp: Filip Dalvinck Verantwoordelijke uitgever: De Beverse Klok, Lindenlaan 56, 9120 Beveren Grafische vormgeving & prepress: Filip Dalvinck ISBN 9789080887909 Drukkerij VD – B 9140 Temse Eerste druk: september 2013 Niets uit deze uitgave mag door middel van elektronische of andere middelen, met inbegrip van automatische informatiesystemen, worden gereproduceerd en/of gemaakt worden zonder schriftelijke toestemming van de verantwoordelijke uitgever. 4
  • Inhoud Voorwoord Marc Van de Vijver, burgemeester 7 Voorwoord Wilfried Andries 9 Verantwoording 11 1 Celineke, een monument in Melsele 13 2 Met blijdschap melden wij u… 25 3 Te boek gesteld 40 4 Eeuwige jongedochter 50 Volks- en ander bijgeloof 67 6 Sociaal bewogen 74 7 Rampspoed in Melsele 94 8 Zorg voor bejaarden 103 9 Zelf hulpbehoevend 115 Bibliografie en documenten 118 Dankwoord 120 5 5
  • 6
  • Voorwoord burgemeester Beste lezer Ik ben bijzonder vereerd dat de auteur van dit boek, Roger Puynen, mij gevraagd heeft om een voorwoord te schrijven. Hij vroeg me in eerste instantie waarschijnlijk vanwege mijn burgemeesterschap, maar daarnaast weet hij natuurlijk ook dat ik bevoorrechte getuige was bij de geboorte van mijn 6 kinderen. Keer op keer zijn mijn bewondering en respect gegroeid voor dé sterke vrouwen van de verloskamer: in de eerste plaats natuurlijk de moeder zelf, en daarnaast, als steun en toeverlaat van de moeder, de vroedvrouw. Het hoofdpersonage van dit boek, Celine Van Geertsom, is met de 5 381 kinderen die ze ter wereld hielp, dé vroedvrouw der vroedvrouwen van Melsele en omgeving. Dat alleen al is bijzonder lovenswaardig en beslist een boeiend boek waard. Maar wie Celine Van Geertsom zegt, zegt zoveel meer dan alleen vroedvrouw. Celine was enorm sociaal geëngageerd. Ze was medeoprichtster of bestuurslid van verschillende organisaties en verenigingen. Ze zette zich niet alleen in voor moeders, maar ook voor arbeidersvrouwen, ouderen en voor al diegenen die hard getroffen werden in de Tweede Wereldoorlog of bij de grote watersnood van 1953. Celine was COO-bestuurslid in Melsele en OCMWbestuurslid in Beveren. Politieke functies die hoegenaamd niets te maken hadden met politieke ambities maar alles met maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel en de drang om op te komen voor de zwakkeren van de samenleving. In die zin is zij een inspirerend voorbeeld voor iedereen die een warme gemeenschap genegen is, ook vandaag! Mensen als Celine zijn de sterke hoekstenen van een maatschappij. Ze zijn de steunpilaren die houvast bieden en ze zijn de eersten om in de bres te springen voor het welzijn van hun naasten. Het sociaal engagement en de levensvisie van Celine leven als een soort ‘nalatenschap’ vandaag de dag ongetwijfeld nog verder in Melsele. Melsele kent een bloeiend verenigingsleven en een warme dorpscultuur met diepe wortels. Ik ben er zeker van dat Celine hiermee de fundamenten voor heeft gelegd. En binnenkort wordt elke Melselenaar daar blijvend aan herinnerd want Celine krijgt een straat naar haar genoemd. In de nieuwe verkaveling tussen Dijkstraat, Alfons Van Puymbroecklaan en Dambrugstraat komt vermoedelijk tegen eind 2013 de Celine Van Geertsomstraat. Celine was ook zeer begaan met de bejaarden in de Beverse rusthuizen. Ze zou ongetwijfeld trots zijn op alle faciliteiten en voorzieningen die er in het huidige Beveren zijn voor senioren. Niet in het minst op het prachtige nieuwe woonzorgcentrum dat weldra heel wat Melseelse senioren in de watten zal leggen. Marc Van de Vijver Burgemeester 7
  • 8
  • Voorwoord Wilfried Andries Niet elke vrouw is een moeder, maar elke vrouw heeft wel een moeder. Moederdag is de belangrijkste feestdag van het jaar. Vader mag dan wel dik doen en carrière maken, moeder blijft de centrale rol spelen in een gezin. Het krijgen van een kind is voor een vrouw een ongelooflijke ervaring die haar leven drastisch wijzigt. Met een aangeboren moederinstinct omringt mama de baby met alle zorgen. De relatie van moeder en kind wordt doorkruist door een derde figuur, de vader. Het is een gezonde driehoeksverhouding waarin elk zijn functie heeft. Als het kind puber en volwassen wordt, moeten de ouders in stilte het toneel verlaten. Opvoeden heeft als doel zichzelf overbodig te maken. Na onderzoek bij 466 schilderijen ‘Madonna met kind’ bleek dat bij 373 ervan de baby aan de linkerborst werd getoond. Tachtig procent van de moeders wiegt haar zuigeling in de linkerarm. Omdat het merendeel rechtshandig is, zodat ze die arm vrij kunnen houden voor allerlei handelingen, dacht men eerst. Maar driekwart van de linkshandige moeders doet hetzelfde. De zuigeling bevindt zich het dichtst bij het hart van de moeder. De zuigeling, die nog maar pas in de angstaanjagende, nieuwe wereld is geworpen, herkent het rustbrengende geluid van de hartslag waarmee hij of zij voor de geboorte zo vertrouwd was. Bij het wiegen van het kind is het ritme dat van de hartslag. Alles wijst erop. De gevoelens voor een kind bevinden zich in het hart en minder in het hoofd. Een kind wordt immers onder het hart gedragen. Bij de geboorte springt het hart op van blijdschap. Alle theorieën kunnen we samenvatten in één uitdrukking: een moederhart, een gouden hart. Daar kan geen psycholoog tegenop. Er is in de loop van de twintigste eeuw veel veranderd. Kinderen werden tot diep in deze eeuw in verband met seksualiteit aan hun lot overgelaten. De voorlichting was zo goed als onbestaande of stond bol van leugens en taboes. We zeiden: ‘Als de pastoor voorlicht, dan zie je maar hoeveel hij achterligt’. Kinderen zouden geen kinderen zijn als ze geen vragen stellen. Over de herkomst van de kinderen hing wel een zeer mysterieuze waas. Ze kwamen uit de kolen. Of werden aangevoerd met de kindjesboot. Tijdens het rennen naar die boot had moeder zich bezeerd of haar been gebroken en ze moest het bed houden. Of de ooievaar bracht de kinderen en dus prijkte de ooievaar op vele geboortekaartjes als geluksbrenger. Later kwamen kinderen erachter dat moeder het kindje onder het hart draagt en dat het rustig groeide in de buik van de moeder. Maar er was nog een meer precaire vraag: wat heeft vader ermee te maken en hoe komen kinderen erin? De bloemetjes en de bijtjes brachten redding. Kinderen op het platteland kwamen sneller in aanraking met de wonderen der natuur via de haan en de kip of de stier en de koe. 9
  • Celineke Van Geertsom heeft het allemaal meegemaakt. Ze heeft in haar carrière als vroedvrouw velen begeleid van vrouw tot moeder. Ze zou in 2012 honderd jaar zijn geworden en in 2013 een straat naar haar genoemd krijgen en dit zette onze medewerker Roger Puynen aan om op zoek te gaan naar informatie. Zijn manuscript werd op een bepaald moment zo lijvig, dat het idee ontsproot om er een boek van te maken. Roger is van bij de start van onze krant ‘De Beverse Klok’ uitdrukkelijk aanwezig en het mag gezegd dat hij in het team een uitzonderlijke waardering geniet. Het heeft dus ook niet veel moeite gekost om de redactie te overtuigen de schouders onder dit project te zetten. Het boek is zijn papieren kind. Hij heeft er een jaar aan gewerkt, een ezelsdracht weliswaar, maar het resultaat mag gezien worden. Hij heeft het gebaard en we koesteren het als een kostbaar goed. 10
  • Celine Van Geertsom Een leven in dienstbaarheid Verantwoording Veel te lang hebben wij in het vak geschiedenis alleen maar geleerd, gehoord en gelezen over koningen, hun kastelen, hun gruwelijke veldslagen en hun triomfantelijke overwinningen of dramatische nederlagen. En dat ging niet alleen over plaatselijke machthebbers maar ook over vreemde vorstenhuizen en andere onderdrukkers. Maar er is ook altijd de geschiedenis van de man in de straat geweest, de kleine man, kortom de gewone mens, waar we veel minder belangstelling voor hadden. En het is de hoogste tijd dat we die beter leren kennen. Tussen die dagdagelijkse mensen zitten er ook heel wat naar wie we soms met nog meer recht en rede kunnen en moeten opkijken. Met die idee op de achtergrond en met de bedoeling van de gemeente Beveren om in Melsele een straat naar Celine Van Geertsom te noemen, vond ik dat er een inspanning moest geleverd worden om de herinnering aan deze vrouw op te frissen. Daarbij was de materie niet nieuw voor mij. Toen ik voor onze tweewekelijkse krant De Beverse Klok eind vorige eeuw een artikel schreef over de Melseelse vroedvrouw Celine Van Geertsom, maakte ik al het vaste voornemen: die vrouw ga ik interviewen op ’t moment dat ze 100 jaar wordt. Ik moet toegeven dat ik haar op dat moment alleen maar bij naam kende en dat ik toen over haar veel minder wist dan wat ik nu weet. Zoals het past voor een tekst over een vroedvrouw die toch mee aan ’t begin van veel nieuwe levens stond, verscheen dat artikel later als eerste hoofdstuk in het boek ‘Beverenaars van de Twintigste Eeuw.’(1) Alleen al het feit dat ze daarin opgenomen werd, betekent dat Celine voor veel mensen belangrijk is geweest en dat zij onnoemelijk veel voor Melsele betekend heeft. Wat ik voor Celines 100ste jaardag over haar leven heb vernomen is uiteraard zo goed als allemaal van ‘horen zeggen’, hier en daar gestaafd met foto’s die uit dozen, kasten of fotoboeken werden opgediept. In mondelinge informatie zit af en toe weleens een echte fout of een onjuistheid. Ik stuitte hier en daar ook op tegenstrijdigheden, maar er waren gelukkig ook Celines eigen geschriften en die zijn zorgvuldig in de familie bewaard gebleven. Van een paar dingen was ik wel 100 percent zeker voor ik Celines eigen geschriften kon inkijken. Wat is dat toch met dat cijfer 100? Zo was ik er zeker van dat Celine mij in 1938 en ook mijn vrouw in 1940 op de wereld heeft helpen komen. 11
  • In hoofdstuk 3 ‘Te boek gesteld’ zal je lezen hoe Celine dat genoteerd heeft en je kan het geloven of niet, ook al was ik er pertinent zeker van, het deed me wat als ik die ‘historische notities’ over ons beider geboorte voor de eerste keer, in háár eigen handschrift, onder ogen kreeg. Die 100ste verjaardag heeft ze zelf niet mogen beleven. Maar een tekst over haar zou er zeker verschijnen in De Beverse Klok van 6 juli 2012. Maar waarom is die verjaardag, die er nooit gekomen is, in mijn hoofd blijven spelen? Was het misschien omdat ik in gesprekken met Melseelse vrienden en kennissen haar naam zo dikwijls heb horen vallen? Of misschien was het omdat zij op bepaalde van die vrienden zo’n diepe indruk had nagelaten. En het is best mogelijk dat die vrienden al pratend over haar, die ‘indruk’ letterlijk op mij hebben overgebracht. Zelf heb ik haar dus nooit gesproken. En veronderstel dat het theoretisch nog gekund had, dan was het na 1995 toch te laat geweest. Dan zou aandringen door te zeggen dat ze ook mijzelf op de wereld geholpen had, niets gebaat hebben. In het beste geval - laten we veronderstellen dat zij een helder moment had - zou ze kunnen gezegd hebben dat ze in de laatste jaren van haar leven zo goed als alles vergeten was. Dit was zeker zo toen ze uit Melsele weg was en voor het grootste deel van die laatste tien jaren in Rust- en Verzorgingstehuis Albert Elisabeth in Sint-Niklaas opgenomen was. En misschien zou ze mij ook gezegd hebben: ‘Vraag het aan mijn familie, vrienden en vriendinnen en de andere Melselenaren, die weten veel meer over mij dan ikzelf.’ En ik ben het aan die mensen gaan vragen en heb daarbij gepraat maar vooral veel geluisterd. Uiteindelijk heb ik veel stof tot schrijven bijeengekregen en hopelijk correct genoteerd. 12
  • Celineke, een monument in Melsele? De wereld gaat en gaat, als lang na dezen mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen. Wij werden vóór ons komen niet gemist, na ons vertrek zal het niet anders wezen. Omar Khayyam (1048-1123), vert. H.J. Leopold 100 jaar geleden geboren Om te beginnen wil ik meegeven dat deze gewezen vroedvrouw in Melsele en omstreken de status van beroemdheid bereikt heeft want door de meeste mensen en vooral door de Melselenaren, werd zij gewoon Celineke genoemd, dus zonder toevoeging van de familienaam. Celina Augusta Van Geertsom werd in Melsele geboren op 19 juli 1912 als dochter van Frans Van Geertsom en Delphine Staes. Zij overleed in Sint-Niklaas in het Rust- en Verzorgingstehuis Albert Elisabeth op 4 november 2005. Dat staat te lezen op het gedachtenisprentje dat aan de aanwezigen bedeeld werd bij haar uitvaart in de Onze-Lieve-Vrouwkerk, de parochiekerk van Melsele. De verdere tekst is een ode aan Celines handen, eigenlijk de samenvatting van wat haar leven voor haar omgeving en voor heel Melsele geweest is. Kernachtiger kon haar hele levensprogramma niet beschreven worden. 13
  • Stil liggen nu de vlijtige en dienstbare handen, Gesloten zijn de trouwe en eerlijke ogen. Met een dankbaar hart nemen wij afscheid: van uw bekwame handen, die meer dan vijfduizend maal een kindje op de drempel van het leven hebben geholpen… van uw zachte handen die honderden ouderen met schroom op hun doodsbed hebben neergelegd… van uw vlijtige handen die rusteloos meehielpen in tijden van oorlog en waterellende. Uw ogen zijn nu gesloten. Wij nemen afscheid: Van uw waakzame ogen die het gezien hadden wanneer zorgen in een gezin bijkomende hulp noodzakelijk maakten… Van uw ogen vol solidariteit in de werking van KAV, KVG en de parochie… Van uw felle ogen die konden spreken als iets moest gezegd worden. Zoveel inzet, zoveel leven steunde op de kracht Van een beginselvast geloof. Wij die haar geloof delen, wij bidden U, God, dat zij thuis mag komen bij U, voorgoed; dat Celine opnieuw geboren moge worden in Uw oneindige Liefde. God, wij danken U voor zoveel goeds in één mens. De tekst is opgesteld door Palmeer De Kesel, toenmalig pastoor van de Onze-LieveVrouwparochie te Melsele, samen met Omer Van de Vijver, een der zonen van Marie Van Geertsom, een zus van Celine. Vraag het aan de mensen… In de verantwoording van dit boekje schreef ik dat, indien ik deze fantastische vrouw nog zelf had kunnen interviewen in de laatste ‘donkere’ jaren van haar leven, zij mij zou gezegd hebben: ‘Vraag het liever aan mijn familie, vrienden en vriendinnen, die weten veel meer over mij dan ikzelf.’ Eerst was ik naar haar familie gegaan. Celine van ’t Mulderke of Celine van de Kleine Mulder werd ze in haar beginjaren genoemd. ’Ja, ik ben echt klein begonnen’, grapte ze weleens. Zij was het vierde en jongste kind in het gezin van Frans Van Geertsom en Fien (Delphine) Staes , een molenaarsfamilie in de Beekmolenstraat in Melsele. 14
  • Beekmolen van de familie Van Geertsom., opgericht in 1775. De molenaars of mulders die er woonden droegen steeds de familienaam Van Geertsom. 15 De laatste was Frans, de vader van Celine. De molen werd afgebroken in 1919.
  • Zij had drie oudere zussen: Emilie, Marie en Margriet. Emilie huwde met Georges Willems uit Beveren en ging daar ook wonen. Ze baatte een pelzenwinkel uit in de Gerard Van Gervenstraat. Marie huwde met René Van de Vijver en samen baatten zij het landbouwbedrijf uit op ‘Muldersen hof’, zoals het hof van Frans Van Geertsom genoemd werd. De windmolen was daar opgericht in 1775 en de afbraak gebeurde in 1919. Margriet is ongehuwd gebleven en woonde na het overlijden van haar moeder in 1957 bij haar zus Celine om er ‘het huishouden’ te doen en de telefoon te beantwoorden als Celine afwezig was. Margriet overleed in 1987. Ik kreeg een uitgebreid interview met Celineke in handen. Dat was gepubliceerd in de tweemaandelijkse dorpsgazet van Melsele Bombardon van 22 oktober 1986. De titel in dat krantje luidde: ‘De vrouw met de 1000 titels en de 1000 funkties: een monument in Melsele, Celine Van Geertsom.’(2) Een monument? Tot nu toe is er van Celineke nog geen tastbaar of zichtbaar monument in Melsele. Of er een straat naar haar genoemd zou worden is tot heden al meermaals bepraat en de plannen zijn nu wel heel concreet… Melsele - De Gemeentelijke Culturele Raad (GCR) was er volop mee bezig om een verkaveling die wordt ontsloten langs de IJzerstraat een straatnaam te geven. De keuze is uiteindelijk gevallen op de naam van dokter Gerard De Paep. Er werd wel al gedacht aan Celine Van Geertsom, een erg bekende vroedvrouw in Melsele en Beveren. Haar naam blijft behouden voor een volgende keuze. 16
  • Celine Van Geertsom, wat een figuur! Ze was vroedvrouw en hielp in de periode 1934-1978 of een periode van 44 jaar maar liefst 5 381 kindjes ter wereld. Dat we het zo precies weten is een gevolg van de boekhouding van Celine. Ze schreef alles op. (Waaskrant 5/6/2010) (3) Ik kreeg informatie, dikwijls hoorde ik bij drie, vier mensen precies hetzelfde. Vaak waren het algemeenheden. Uitspraken over hoe goed, hoe braaf en hoe behulpzaam zij geweest was, voerden de hoofdtoon. Gelukkig hadden nogal wat mensen dat artikel over ‘haar 100 jaar’ gelezen en bij zoiets doet zich dan het klassieke feit voor: je hebt informatie verzameld over iemands leven of werk en je giet die gegevens in een artikel en als het gepubliceerd is, verneem je dat Jan, Piet en Klaas spijt hebben dat je bij hen je licht niet hebt komen opsteken. Zij wisten immers meer over bepaalde feiten uit het leven van de beschreven persoon en zij hadden een of meerdere interessante foto’s… Zij hadden dan nog een kozijn of een nicht die daar nog veel meer over wist dan zijzelf enzovoort, enzovoort… Ik werd doorverwezen van hot naar haar. Maar ik heb het mij niet beklaagd. Het beeld dat ik van ‘het monument Celineke’ bijeengekregen heb is dat van een bekommerde vrouw die bij elke bevalling waarbij ze aanwezig was ook de regie voerde. Zij zorgde ervoor dat het kind veilig ter wereld kwam. En wat ze voor het verenigingsleven gedaan heeft en voor de zwaksten in de samenleving, zowel als voor de zieken en de ouden van dagen is gewoon groots. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze hoog in aanzien stond en met veel respect benaderd werd. Het aantal vroedvrouwen die in de geschiedenisboeken terechtgekomen zijn, kan je wellicht op de vingers van je ene hand tellen. In onze eigen streek is er eentje die met name gekend is. Van onze dochter Ria Puynen, die met haar leerlingen van de Centrumschool in Beveren in 2011 meewerkte aan de opening van het interactief belevingscentrum voor kinderen en jongeren van het fort Liefkenshoek in Kallo, vernam ik meer over de figuur van de fortbewoonster Anneken Paulus. ‘Anneken Paulus was op het fort Liefkenshoek van 1678 tot haar dood in 1688 vroedvrouw. Af en toe moest zij - soms bij nacht en ontij - de Schelde over om ook in het fort Lillo vrouwen in barensnood bij te staan. Voor haar aanstelling had ze een eed van trouw tegenover het gewest Zeeland moeten afleggen. Ze beloofde dat ze geen onechte kinderen op de wereld zou helpen zetten voordat de moeders in hoge barensnood waren. Op deze manier moest zij proberen bij de moeder de naam van de vader te ontfutselen. Haar aanstelling werd elk jaar verlengd. Ze verdiende 5 ponden Vlaams.’(4) ‘Vanwege de aanwezigheid van veel arme vrouwen in het fort Lillo werd haar “traktementje” op 27-6-1681 verhoogd tot 6 ponden per jaar; zij verdiende in 1682 17
  • en 1683 weer 5 pond Vlaams per jaar en werd in 1682 t.e.m. 1687 alleen vermeld als vroedvrouw te Liefkenshoek, waarmee ze wederom 5 pond verdiende.’(5) ‘Vanaf 1721 was er voor fort Liefkenshoek en fort Lillo nog slechts één vroedvrouw actief.’(4) Besparingen waren toen blijkbaar ook al aan de orde, maar je merkt het: vroedvrouwen waren belangrijk. Anneken Paulus was langs officiële weg aangesteld door het bestuur en zij kreeg een wedde toegekend, hoe klein die ook was. Ze had een proef moeten afleggen en werd beëdigd. Zij kreeg een woning toegewezen. In sommige steden waar niet iedereen alleman kende, werd er in Annekens tijd een uithangbord boven de deur van de vroedvrouw gehangen met een kruis. In het midden stond daarop een kindje afgebeeld en er stond een spreuk op zoals bv. ‘God is mijne hulp’. Eigenaardig is dat in het interview in ‘Bombardon’(2) Celine zichzelf ‘voerevrouw’ noemt, een woord dat we nergens anders terugvinden, ook niet in het Beverse dialectwoordenboek. In de Kempen, vooral in de streek van Turnhout spreekt men van ‘goeivrouw’ en in West-Vlaanderen kent men het vroedwijf of de minne. De minne of min was de vrouw die het kind de borst gaf als de moeder zelf daartoe niet bekwaam was (zie ook pagina 20). In het Beverse dialectwoordenboek vinden we wel ‘achtergaaras’, elders heet ze een achterwares en een achterwaarster, achtergaarster, of achtergaslaagster maar dat was meer de vrouw die zich na de geboorte bezighield met de nazorg van moeder en kind. (6) ‘Vroed’ verwijst naar wijs, verstandig, een ‘vroede vrouw’ en het is volgens sommigen een leenvertaling van het Franse ‘sage-femme’ uit dertiende-eeuwse geschriften. Met ‘de vroede heren’ bedoelt men de wijze mensen die een vereniging of een gemeente moeten besturen. Dikwijls worden daar, al dan niet sarcastisch bedoeld, de gemeenteraadsleden mee aangeduid. ‘De vroedvrouw is ‘de van de overigheid aangestelde, beëdigde, zindelyke, eerbare Vrou, die de enzwangere Vrouwen voor, in en na het bevallen, met raad en daad by staat, en in zware geboorten de verlossing helpt bevorderen,’ leest men in dertiendeeeuwse geschriften ‘(7) Ook na het bevallen werd de zorg voor moeder en kind soms nog door de vroedvrouw ter harte genomen, maar ook andere vrouwen hielden zich met die nazorg bezig. Dikwijls waren dat vrouwen uit de buurt en zij werden bakel genoemd. Elders spreekt men van baker, dat is volgens Van Dales woordenboek (8) eigenlijk de vrouw wier taak het is pasgeboren kinderen te verzorgen en de kraamvrouw (de moeder) op te passen. Ik moet bekennen dat ik dat van kindsbeen af een raar woord heb gevonden. Ik kreeg dat woord voor het eerst onder ogen toen ik het verhaal van Tijl Uilenspiegel las en ik dacht dat er een k te weinig was gedrukt. Ik wist toen nog niet dat het woord verwant was met ‘bakken.’ 18
  • Bakeren is het werkwoord. Het betekent koesteren, warm houden, verwarmen, voeden en verversen. Vergelijk met Celinekes uitspraak ‘De kou bevordert nooit een bevalling’ in hoofdstuk 4. De bakermat is een rieten mand die naar achteren oploopt en waar de baker in zit. De vroedvrouw bracht die lang geleden mee voor de bevalling, ze zette de bakermat voor het vuur en ging er samen met het kind in zitten zodat ze het warm hadden. Ik heb wijlen dokter Jozef Weyns, eminent heemkundige en oprichter en eerste conservator van het Openluchtmuseum van Bokrijk, aan de hand van zulk beeld het woord ‘heetgebakerd’ horen uitleggen. De hitte van het vuur was in het kind geslagen en daardoor had het zo’n driftig, vurig karakter. Hoe kwam zij ertoe vroedvrouw te worden? Tot haar 18 jaar werkte Celine in het atelier van de Antwerpse pelzenwinkel van Hubert De Witte in de Quellinstraat, waar haar oudere zus Emilie toen ook in dienst was. Als jonge arbeidster was zij reeds sociaal geëngageerd en zij voelde zich aangetrokken door de VKAJ, de Vrouwelijke Katholieke Arbeiders Jeugd. Celine werd dus Kajotster en zij had een grote bewondering voor de stichter en bezieler van die jeugdbeweging, Jozef Cardijn (1882-1967). Cardijn werd als priester benoemd tot ‘directeur van de sociale werken’ in Brussel. Hij was sterk beïnvloed door de pauselijke encycliek Rerum Novarum uit 1891. En hij had een diepe bewondering voor priester Daens. Hij wou ook iets voor de Belgische jonge arbeiders doen en stichtte de KAJ en de vrouwelijke tegenhanger de VKAJ. Cardijn bezat een groot retorisch talent. Hij sprak zijn publiek al roepende toe, hevig gesticulerend en sterk wervend. Duizenden jonge mensen raakten in zijn ban. Ook op Celine had Cardijn, die later tot kardinaal verheven werd vanwege zijn verdiensten als bevlogen stichter van die jeugdbeweging, grote indruk gemaakt. Op zekere dag hoorde Celine een radiovoordracht van juffrouw Liebrecht van de Boerinnenbond op radio Veltem over het ‘schone beroep van vroedvrouw’. Toevallig had zij in die periode een boek gelezen en zoveel respect voor het hoofdpersonage gekregen dat erg begaan was met de mensen, dat zij besloot dat leven als voorbeeld te nemen en als het kon zelf ook vroedvrouw te worden. Alleen wist ze er weinig concreets over en zeker niet hoe ze de eerste stap naar de opleiding moest zetten. Toen ze in die toespraak hoorde over een nijpend tekort aan geschoolde vroedvrouwen en hoe aan die toestand hoogstnodig moest verholpen worden, vooral voor de bevallingen in arbeidersgezinnen, versterkte dat haar overtuiging. Door haar lidmaatschap bij de VKAJ lagen die arbeidersgezinnen haar immers erg nauw aan het hart. Door erover te praten kreeg zij de brochure in handen waarin die voordracht te lezen stond en toen ze wat later met de Kajotsters op recollectie was in Sint-Niklaas, bracht de priester die deze bezinningsdagen leidde, haar in contact met een lerares die haar wegwijs maakte hoe en waar ze de studie kon aanvatten. Een van de adressen waar ze de opleiding kon volgen kwam haar bekend voor. Tot haar taken in de Antwerpse pelzenzaak hoorde ook elke middag met de hond te gaan wandelen, toevallig was dat in de omgeving van het klooster van de Zusters van Liefde met de verpleegstersschool van de kliniek Sint-Vincentius. 19
  • Ze liep er binnen en kreeg alle informatie en Celineke vertelde thuis wat ze erover gehoord had tegen haar moeder en ze voegde eraan toe: ‘Dat is iets voor mij.’ Volgens het interview met Bombardon zou haar moeder daar erg van geschrokken zijn en ze zei: ‘Ga dat maar eerst eens uitleggen aan uw pit (grootmoeder, meter)’. En toen dat mens Celinekes plan vernam, zegde ze :’Och kind, waar peinst ge dat uit? Word dan nog liever Arme Klaar (non in zeer strenge kloosterorde).’ Maar Celineke bekende dat ze het daar niet zo voor had! (2) Beide nuchtere plattelandsvrouwen, moeder en grootmoeder, voelden er zich ongemakkelijk bij. Waarom begon een zelfbewuste jonge vrouw aan die vier jaren studie voor vroedvrouw? Voor het loon zal zij er zo goed als zeker niet aan begonnen zijn. Vroedvrouwen werden slechts karig vergoed en ze hadden nochtans een ongewoon en hard leven. Ze moesten voortdurend beschikbaar zijn en soms bij nacht en ontij de baan op en ze waren meestal erg geëngageerd. Gek genoeg vonden we over de financiële verdiensten van de vroedvrouw alleen maar een cijfer uit de oorlogsjaren. Voor een bevalling en acht huisbezoeken ontvingen ze tijdens de Eerste Wereldoorlog ongeveer 10 frank. Als je weet dat een kilo boter toen meer dan 3 frank kostte, werkten ze voor een hongerloon. In de oorlogsjaren 1940-1945 bedroeg de courante vergoeding voor de vroedvrouw 250 à 300 frank voor de bevalling en negen dagen nazorg. De wettelijke toelatingsvoorwaarden voor de opleiding tot vroedvrouw dateren uit 1924. Zij bepaalden dat de meisjes 18 jaar moesten zijn om de opleiding aan te vatten, ze moesten een getuigschrift van goede zeden kunnen voorleggen. Ze moesten fysiek geschikt zijn en hun lagere studies volbracht hebben. In 1933 valt de opleiding tot vroedvrouw onder het technisch onderwijs en de scholen worden gelijkgesteld met vakscholen van de lagere graad. Het ministerie van Onderwijs organiseert de opleiding en de kraamkliniek financiert het geheel. In 1934 zijn er tweeëntwintig vroedvrouwenscholen in België, waarvan vijftien in Vlaanderen. Vier te Brugge, drie in Antwerpen, twee in Elsene en verder een in Mechelen, Ukkel, Gent, Sint Gillis, Brussel en Hasselt. (7) Celineke bleef niet bij de pakken zitten, zij zou geschoolde vroedvrouw worden en in augustus 1930 begon ze school te lopen in de voornoemde verpleegstersschool van de kliniek Sint-Vincentius in Antwerpen. Iemand zegde mij dat ze er samen met dorpsgenote Esther Cools aan haar studie begon. Zij was nog geen 21 jaar toen ze gediplomeerd werd en daardoor kon ze officieel nog geen bevallingen aangeven. Daarom studeerde zij er nog sociale verpleegster bij, en dat is haar nog goed van pas gekomen, vertelde ze aan Bombardon (2) 20
  • De opleiding tot vroedvrouw werd pas in 1924 wettelijk geregeld. Waar de vroedvrouwen voor 1924 de stiel leerden is moeilijk te achterhalen. Het zit er dik in dat ze aanvankelijk te rade gingen bij een gewillige buurvrouw, bij hun moeder of schoonmoeder. Of dat ze ervaring opdeden als ze zelf moeder werden of inzicht verwierven via de raadgevingen uit hun trouwboekje. (7) Was dat diploma noodzakelijk? Als Celinekes wetenschappelijke basis tot de raadgevingen uit het huwelijksboekje (trouwboekje) van haar ouders beperkt was gebleven, dan was haar leven waarschijnlijk gans anders verlopen en werd er in de 21ste eeuw wellicht over haar alleen nog in haar familiekring gesproken. De raadgevingen die erin gegeven werden zijn wel interessant. Het zijn een aantal elementaire gezondheidsregels en aansporingen om het gezond verstand te laten primeren en komaf te maken met enige toen al verouderde principes. Het geheel van deze adviezen volstaat voor een toegewijde huismoeder, maar in de verste verte niet om het beroep van vroedvrouw te gaan uitoefenen. Ik kon een trouwboekje inkijken, uitgereikt door de gemeente Melsele op 22 juli 1908 aan Carolus Ludovicus De Bock en Maria Victorine Van Esbroeck. Het was duidelijk de bedoeling van de gedrukte raadgevingen daarin om de dikwijls weinig ontwikkelde jonggehuwden uit het begin van de 20ste eeuw enige gezondheidsregels voor de eerste kinderjaren bij te brengen. De raadgevingen zijn praktisch gericht en betreffen de reinheid, de kleding, het bed, de slaap, het voedsel, de beweging en de verluchting van de kamers. En men schuwt geen forse vergelijkingen als: ’Niet meer dan de plant kan het kind zich ontwikkelen in eene plaats beroofd van zuivere lucht en licht.’ Op pagina 18 van dat trouwboekje begint een hoofdstuk met als titel: Gezondheidsvoorzorg der eerste kinderjaren. Hier een deel van die tekst. Ik behoud de gebruikte spelling. Raadgevingen aan de familiemoeders. Voorkomen is beter dan genezen. Het is voldoende eenige goed begrepen en wijslijk toegepaste gezondheidsvoorzorgen te nemen om in het vervolg veel geld, drogerijen, lijden en vruchteloos leedwezen te sparen. Ongeveer het vierde deel der kinderen sterven alvorens hun eerste jaar bereikt te hebben; de groote meerderheid hunner zijn slachtoffers der onwetendheid, van, den slenter en der vooroordeelen. Om de aanzienlijke sterfte te beperken die te gelijker tijd de familie en de maatschappij verarmt en bedroeft, is het nuttig zekere begrippen van kindergezondheidsvoorzorg te verspreiden, die onmisbaar zijn aan de moeders, wier bezorgdheid noodig heeft verlicht te worden door de wetenschap en de ondervinding. Dit is het doel dezer uitgave. 21
  • Reinheid De reinheid is eene noodzakelijke voorwaarde der gezondheid. Het kind moet geheel gewasschen worden ten minste eens per dag, en zooveel mogelijk in een bad of in eene kuip; gedeeltelijke wasschingen moeten gedaan worden onmiddellijk na elke bevuiling, bij middel eener spons of van eenen zachten doek, gedrenkt met zuiver water lichtelijk verwarmd. De spons en de doek die gediend hebben tot het reinigen van het kind moeten zorgvuldig gewasschen worden, met warm water, na elke verrichting. Kleeding De doeken waarin het kind gewikkeld wordt, zullen zacht, licht en warm zijn; de bunsel mag, onder geen voorwendsel, spannen, derwijze de bewegingen te hinderen; hij zal vastgemaakt worden bij middel van veiligheidspelden of bandjes. De navelband zal ten minste gedurende de eerste maand moeten behouden worden. De bunsel wordt in Van Dale omschreven als Zuid-Nederlands voor de luiers van een klein kind, een synoniem is bussel en inbusselen is inbakeren: in het bakerpak stoppen of ook warm instoppen.(7) Kamers Niet meer dan de plant kan het kind zich ontwikkelen in eene plaats beroofd van zuivere lucht en licht. De kamer waar het verblijft moet dus ruim, klaar en verlucht zijn. Geene uitwaseming of welkdanige reuk mag er geduld worden; men zal er op waken dat de luchtgesteldheid er steeds gematigd is. Bed Het gebruik eener schommelwieg biedt bezwaren aan: het schommelen stilt wel is waar het kind en doet het insluimeren, maar oefent op de hersenen en de maag eenen noodlottigen invloed uit. Het kind moet zijn afgescheiden bedje hebben; talrijke ongevallen bewijzen hoe gevaarlijk het is, voor zijne gezondheid en zelfs voor zijn bestaan, het met groote menschen te laten slapen. Dit bedje moet in den winter, gehouden worden op eene zachte temperatuur, bij middel van eene kruik of ander vat warm water inhoudende. Het zal door eene gordijn van licht neteldoek beschut zijn. Daarna volgen adviezen over Slaap Hoe jonger het kind is, hoe meer rust het noodig heeft. In de eerste dagen des levens, verdeelt het zijnen tijd tusschen den slaap en het voedsel; na drie maanden en tot drie jaar, is het nog noodig hem, ’s middags eenige uren slaap te doen nemen: de stonden van rust moeten steeds regelmatig verwijderd en nagekomen worden. De kalmeerende middels die tot slapen dwingen, mogen slechts gegeven worden op het voorschrift van eenen geneesheer, want hun gebruik kan de gezondheid en zelfs het leven van het kind in gevaar brengen. 22
  • Lucht en oefening ‘Men moet het kind niet laten uitgaan voor den tienden of vijftienden dag, tenzij de luchtgesteltenis zeer zacht zij. Het kind moet elken dag uitgaan; alleen eene vinnige of vochtige koude kan het uitgaan verhinderen. De kleederen moeten noodzakelijk verschillen volgens de luchtgesteltenis; diegenen in wollen geweefsels zijn vooral in ons climaat aan te bevelen. Het gebruik van kleine wandelrijtuigen is nadeelig als zij op onvolmaakte wijze hangend zijn. Men mag zich niet verhaasten om het kind te doen loopen; het moet leeren langs den grond te kruipen en alleen op te staan. Men moet dus het gebruik verwerpen van leibanden, wagentjes, koopkeven, enz., die nutteloos zijn, zoo niet nadelig aan de regelmatige ontwikkeling van het lichaam.… De raadgevingen uit 1908 over Voeding kan je lezen in hoofdstuk 2: ‘Met blijdschap melden wij u…’ Het laatste deel heet Onderscheiden Raadgevingen. Hierin staan enkele adviezen die zeker nuttig waren voor de jonge moeders. Raadgevingen die zeker door de vroedvrouwen herhaald en ook zullen toegepast geweest zijn. Men moet den geneesheer kennis geven van alle stoornis bij het kind voorkomende, inbegrepen de afgang, ten onrechte aanzien als heilzaam gedurende het tanden krijgen, de melkkorsten en de onreine hoofdschelfers, de ontstekingen met uitloop uit het binnenste en den omvang der ooren, enz. Volgt dan een uitgebreide waarschuwing om roodheid der oogjes niet te verwaarlozen en het afraden van het gebruik van lokken. Een lokke is volgens Van Dale Zuid-Nederlands voor een dot, een doekje waarin men iets zoets heeft gebonden en dat men vroeger schreiende kinderen in de mond stak om ze te sussen.(8) In het trouwboekje van 1937 is ‘lokke’ vervangen door ‘zuigdot’, eigenlijk een andere naam voor hetzelfde en men beweert dat het gebruik daarvan bij het kind mondzweertjes kan veroorzaken. En het trouwboekje uit 1908 sluit af met meer dan een volledige pagina over de voordelen van de vaccinaties. Deze raadgevingen uit het trouwboekje waren over ’t algemeen nuttige en meestal op het gezond verstand gebaseerde adviezen aan jonge ouders. Maar het trouwboekje was helemaal geen handboek voor een vroedvrouwenschool en evenmin een basis om er een praktijk van vroedvrouw mee te beginnen. En ook later was het niveau van de teksten in de Belgische trouwboekjes niet hoog en zeker niet bijster wetenschappelijk. Zo staat er in de uitgave van het trouwboekje van 1937 een deeltje over het lichaam van de pasgeborene en het verbaasde mij sterk het volgende advies daarin nog aan te treffen. 23
  • Het hoofd drukken of kneden, om er den vorm van regelmatig te maken, de borsten der pasgeboren kinderen ledigen, zijn dwaze daden, die hen aan erge gevaren blootstellen. Tegenwoordig onbegrijpelijk. Maar toen…? Wat moet Celineke daarvan gedacht hebben? Zij was op dat moment al drie jaar als gediplomeerde vroedvrouw aan het werk. ‘De doeken waarin het kind gewikkeld wordt, zullen zacht, licht en warm zijn; de bunsel mag, onder geen voorwendsel, spannen, derwijze de bewegingen te hinderen’, lazen we in de onderrichtingen van het trouwboekje uit 1908 bij het onderdeel kleeding. Hoe heeft het kind dat op deze gravure geschommeld wordt zich gevoeld? (Bron: collectie Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen, B 14762) Was de opleiding tot vroedvrouw in 1924 wettelijk geregeld en waren er toen ook al wettelijke toelatingsvoorwaarden voor die opleiding, er bleven nog heel wat wantoestanden bestaan omdat het typisch Belgische principe van toepassing bleef dat, zoals iedereen wel weet, zegde: ‘Alles is toegelaten wat niet verboden is.’ Pas na WO II kreeg de vroedvrouw een officieel statuut. Het was pas 20 jaar na de vaststelling van de wettelijke toelatingsvoorwaarden voor de opleiding tot vroedvrouw dat een wet het onwettig uitoefenen van het vak door ongediplomeerden verbood. 24
  • Met blijdschap melden wij u … De eerste geluiden die een kind uitstoot wekken meer geestdrift dan de verzamelde toespraken van Demosthenes. (Emanuel Wertheimer, Belgisch staatsman, 1802-1874) Weer een kindje erbij ‘Met blijdschap melden wij u …’Op deze manier begonnen vroeger steevast bijna alle geboortekaartjes. In de zestiger en de negentiger jaren van vorige eeuw kwam ik geregeld in de materniteit van de Sint-Annakliniek in Beveren. Eerst als jonge vader, later als fiere grootvader of gewoon als bezoeker van iemand uit de familie- of vriendenkring. Ik herinner me nog de gezellige sfeer die daar bijna altijd heerste. Je kon er geboortekaartjes vinden, buiten op de kamerdeuren gehecht, in alle mogelijke kleuren en erg verschillend van opmaak. Dat alleen al vond ik een ‘uitroepteken’ van vreugde. Je hoorde er trouwens bijna niets dan vrolijke stemmen, soms doorsneden door scherp kindergeschrei van een kleintje dat om eten vroeg. Bij al wie de kamers binnen of buiten ging zag je opgewekte gezichten omwille van het nieuwe jonge leven. Niet toevallig was de materniteit bij de bevolking van Beveren en omstreken de meest gewaardeerde afdeling van de Sint-Annakliniek, toen nog een naam die klonk als een klok. Kwam het misschien doordat menige zuster of verpleegster met intense voldoening op die afdeling werkte? Wie met plezier haar werk doet – en dat is gemakkelijker op zulke ‘blije afdeling’ – zet er zich steeds honderd percent voor in. Vlak na WO II begon hier en daar iemand een kaartje te laten drukken om uit te delen bij het doopsel van hun kind. Niet lang daarna deed het geboortebericht of geboortekaartje zijn intrede. Maar bij de meeste klanten van Celineke was er toen soms al onvoldoende geld om een degelijke uitzet voor de pasgeborene aan te schaffen, laat staan dat ze zich zouden bezighouden met zo’n kaartjes te laten drukken en te verzenden. ‘Met blijdschap melden wij u …’ dat kan ook de aanvang geweest zijn van de mededeling dat Celine Van Geertsom haar diploma vroedvrouw en sociale verpleegster had behaald in de zomer van 1934, op 22-jarige leeftijd. Zij voelde zelf ook die blijheid omdat ze nu gereed was om in haar droomjob als zelfstandige vroedvrouw aan het werk te gaan. Maar zij ondervond ook weldra dat niet enkel haar diploma en de technische vaardigheden waarvan dit diploma getuigde, de hoofdzaak waren in het leven van een vroedvrouw. 25
  • Wel waren het die vaardigheden en het verworven diploma die het haar mogelijk maakten haar dienstbaarheid, haar inzet voor de medemens op een verantwoorde wijze te verwezenlijken. De meeste kindjes die door haar zorgen ter wereld kwamen, deden dat bij hun moeder thuis. Celineke ervoer samen met de familie die blijheid om het nieuwe leven. Al was die vreugde in het ene gezin al wat sterker dan in het andere. En Celineke sloot haar ogen niet voor eventuele relatieproblemen bij het echtpaar of voor de materiële nood waarin het gezin verkeerde. De soms schrijnende armoede waarin bepaalde gezinnen moesten leven ging haar ter harte. Als bijvoorbeeld de nieuwe wereldburger nummer zoveel in de rij van kinderen was, kon hij of zij de oorzaak van plaatsgebrek zijn. Dikwijls heeft Celineke in bewondering gestaan voor de levensmoed en de vindingrijkheid van vaders en vooral van moeders die het helemaal niet breed hadden, maar voor elk nieuw probleem een oplossing zochten en vonden en zo de oude spreuk ‘Elk kind brengt een boterham mee’ realiseerden. Het spreekwoordenboek van Van Dale verklaart dat als volgt: ‘Arme ouders vragen zich vaak af hoe ze het eten voor hun kinderen moeten betalen, meestal lukt het dan toch op de een of andere manier.’ (9) Wase inzet Melsele was in 1934, het jaar dat Celineke begon te werken als vroedvrouw, nog lang niet het welvarende dorp dat we in de 21ste eeuw kennen, waar de tuinbouw bloeit en dat hoe langer hoe meer ook slaapstad van Antwerpen wordt. Arbeiders in de landbouw en werknemers in de voedingsindustrie als de melkerij Inco (Kallo) en in de suikerfabriek van Kallo verdienden toen geen hoge lonen. Een alternatief was ‘gaan werken in de Antwerpse haven, maar dat schrok velen af, ook al omdat er gevreesd werd er zijn geloof bij te verliezen.’ (10) En de wijd en zijd gekende Wase aardbeienteelt van tegenwoordig was nog maar in een pril stadium. Omwille van voornoemde karige lonen hadden diegenen die ‘handen aan hun lijf hadden’ dikwijls een gelegenheidsbedrijfje met een aardappelof een aardbeienveldje op een akker of in een tuin. Maar het jaarlijkse inkomen daarvan was niet om hoog van de toren te blazen. Er was toen nood aan rendabele aardbeienrassen en nieuwe kweekmethoden. Opvallend is dat eveneens in het jaar 1934 de Hoveniersgilde in Melsele werd opgericht. Gestudeerde mensen stonden mee aan de wieg ervan. Dr. L. Smet was voorzitter, E. D’Hooghe ondervoorzitter, J. De Zitter was secretaris en E. Lambers werkend bestuurslid. De gilde werd gesticht met 25 leden. Wilskrachtige mensen waren het, die vooruit wilden en die wisten wat ze wilden. Ten bewijze daarvan het feit dat ze elke zondagnamiddag en dit gedurende 130 opeenvolgende weken de lessen van de gilde over de aardbeienteelt vlijtig bijwoonden. Ja, in die tijd was het zo, er werd gans de week, en ook de zaterdag gewerkt. De zondagvoormiddag was voorbehouden voor de H. Mis, en de zondagnamiddag voor de studie! De lessenreeks had als resultaat dat de aardbeienteelt onder eenruiters (houten kaders van ongeveer 1,40 meter bij 0,70 meter met glas) een hoge vlucht nam. (10) 26
  • Mijn vader was bij zijn huwelijk in 1937 de eerste die ermee begon in de wijk Zakdam in het grensgebied van Beveren, Melsele en Kruibeke. Maar het lot besliste er anders over: begin 1939 overleed hij, amper 26 jaar oud, en al het materieel werd verkocht aan een buurman. Zou men armoe lijden om een mondje meer? Zou men armoe lijden om een mondje meer ? Dat was een gekende versregel die je kon lezen op menig geboortekaartje in de vijftiger en zestiger jaren. Gewoonlijk werd het voorafgegaan door het woordje ‘waarom’. De tekst komt uit de laatste strofe van het gedicht ‘Hemelhuis’ van René De Clercq en het is op muziek gezet door Emiel Hullebroeck. Hemelhuis Door mijn woning Speelt een zonnig licht ‘k Voel m’een kleine koning In mijnen grooten plicht Vrouw en kind te schragen Op mijn sterke jeugd En ze hoog te dragen (bis) In mijn vreugd (bis) Daar op ‘t schouwken Prijkt mijn eenig kruis Wees mijn engel, vrouwke Wees mijn hemelhuis Wees mijn stoutste roemen Wees mijn zoetste troost Frissche levensbloemen Krachtig kroost (bis) O mijn kindren Graag gebroken brood Zou’t geluk verminderen Waar de last vergroot? Zou men armoe lijden Om een mondje meer? Och? Waar menschen strijden Helpt de Heer (bis) 27
  • Die regels klonken heel romantisch. Maar dikwijls was die romantiek er alleen maar op papier en was de armoede bittere realiteit. Dat deed ook pijn aan het hart van wie er getuige van was. Celineke was daar erg gevoelig voor en in gevallen waarin ze oordeelde dat het echt nodig was, verzon ze wel een middel om aan die armoede een stukje te verhelpen. Speciale herinneringen had Celineke aan bevallingen bij de woonwagenvrouwen en die hadden het door de band niet zo breed, vertelde Celineke aan Bombardon. Die mensen reisden rond en als iemand moest bevallen, kwamen ze aan het station van Haasdonk staan of in Beveren op het Viergemeet, gewoonlijk omdat ze hadden vernomen dat er in Melsele een vroedvrouw was. Bij die woonwagenbewoners hing altijd zo’n speciale sfeer. Die mensen waren heel vriendelijk, en er was altijd volk bij om de moeder gezelschap te houden. Dat was niet altijd gemakkelijk, want het was er zo klein. Maar soms had het ook voordelen, volgens Celineke. Zo was er iemand die beviel van het negende kind. De mannen gingen samen in een wagen, de vrouwen kwamen samen bij de moeder zitten. Toen de moeder onderzocht werd, stelde Celineke vast dat het een stuitligging was en dat was nogal riskant. Zij raadde aan naar het moederhuis te gaan. Maar die vrouw wou daar niet van weten. Dan sprak Celineke maar een van die andere vrouwen aan, dat het toch wenselijk zou zijn naar de kliniek te gaan. Die verstond dat en zij probeerde dan de moeder te overtuigen: ’Versta je dat nu niet,’ zegde ze, ’dat kind komt met zijn konte …’ Het waren Nederlandse zigeuners. (2) Hulp van buitenaf Op 4 augustus 1930 werd de wet tot veralgemening van de kinderbijslag voor werknemers goedgekeurd, die alle werkgevers verplichtte zich aan te sluiten bij een kinderbijslagfonds. Hierdoor werd kinderbijslag onderdeel van de sociale zekerheid en een wettelijk recht voor alle werknemers in de industrie, de landbouw, de vrije beroepen en de openbare diensten. Deze wet voorzag ook de oprichting van vrije en bijzondere kinderbijslagfondsen. Daarnaast werd ook de Hulpkas voor Kinderbijslagen van de Staat opgericht, waar de werkgevers die zelf geen kinderbijslagfonds kozen, van rechtswege aangesloten werden. Ten slotte werd ook een begin gemaakt van compensatie tussen de verschillende kinderbijslagfondsen door de oprichting van de Nationale Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen. Maar de klanten van Celine waren naast de voornoemde eenvoudige arbeidersgezinnen vooral kleine zelfstandigen, boeren en tuinders. Het duurde nog 8 jaar eer er voor hen zo’n regeling kwam en die was lang niet zo gunstig als voor de werknemers. Met de wet van 10 juni 1937 en bij het organiek Koninklijk Besluit van 22 december 1938 werd de kinderbijslag voor zelfstandigen en bedrijfsleiders ingevoerd. Een opmerkelijke verbetering kwam er met de ministeriële omzendbrief nummer 79 van 20 april 1945. Vanaf die datum werd er bij elke geboorte kraamgeld uitbetaald. Kraamgeld of geboortepremie is een eenmalige som die in toepassing van de kinderbijslagregeling wordt toegekend bij de geboorte van een kind als tegemoetkoming in de kosten voor de uitzet. 28
  • Al wie volgens een van de bestaande regelingen recht heeft op kinderbijslag, kan ook aanspraak maken op kraamgeld. Het was toen een bedrag van 1 000 Belgische franken (ongeveer 25 euro) en dat was beperkt tot de eerste geboorte in een gezin. Het kraamgeld kon aangevraagd worden vanaf de zesde maand van de zwangerschap en de uitbetaling was ten vroegste twee maanden voor de vermoedelijke geboorte. Het bedrag is geïndexeerd en de regeling ervan uitgebreid zodanig dat het nu 1 322,11 euro bedraagt (toestand januari 2013) voor een eerste kind en 920,20 euro voor elk van de volgende kinderen. Vanaf 16 januari 1971 komt ook het zwangerschapsverlof of de bevallingsrust in voege. Iedereen kreeg recht op een rustperiode van 15 weken om te bevallen en terug op krachten te komen, dit in het kader van de moederschapsbescherming. Men zag er de noodzaak van in omdat meer en meer vrouwen een beroep gingen uitoefenen, en dat was meestal buitenshuis. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft bij de aangifte van de geboorte een document mee voor de aanvraag van het kraamgeld en ook een voor de mutualiteit voor het verkrijgen van ziekengeld tijdens de duur van het zwangerschapsverlof. In een omzendbrief van 9 december 1954 werden de ambtenaren van de burgerlijke stand erop gewezen dat zij vanaf 1 januari 1955 een document voor aanvraag van ‘geboortebijslag’ zoals dat toen genoemd werd, slechts eenmaal mochten afleveren. Wie het document kwijtspeelde kon daarvan niet zomaar op eenvoudige vraag een duplicaat bekomen. Hij diende een hele procedure te beginnen om dat te verkrijgen. Dat was een duidelijke maatregel om misbruik door het aanvragen van kinderbijslag bij meer dan een kas te voorkomen. Haal de vroedvrouw! De bevallingen gebeurden toen meestal nog thuis. En als Celineke verwittigd was dat de tijd van bevallen ging aanbreken, zag je haar de hof op komen fietsen met haar verpleegtas aan het fietsstuur hangend. Wat zat er in zo’n verpleegtas? Eerst en vooral een spuit die afgekookt was en naalden die steriel gemaakt waren. Ook medicamenten tegen te hevige pijnen van de kraamvrouw (de toekomstige moeder) en om haar bij de arbeid te helpen. Ook zat er Metergine in tegen de bloedingen na de bevalling. Verder een schaartje, een flesje met alcohol of een ander ontsmettingsmiddel om de handen van de vroedvrouw te reinigen. Er zat meestal ook een rubberen peertje in waarmee de slijmen van de pasgeboren baby konden weggezogen worden. Die opsomming van hetgeen vroedvrouwen in hun tas mee hadden rond het jaar 1944, is gegeven door vroedvrouw Bertha Lejeune (°1924) uit Zoutleeuw in het boek ‘Dag Zuster’ van Mieke De Jaegher (pagina 179). (11) 29
  • Daarbuiten beschikte elke vroedvrouw ook nog over benodigdheden voor de moeilijkere bevallingen, maar die werden niet altijd meegebracht. Zo had zij een verlostang of forceps. Wanneer de bevalling niet voorspoedig verliep en het gevaar bestond dat moeder of kind schade zouden kunnen oplopen, kon men proberen het geboorteverloop te versnellen. Dan is er sprake van een kunstverlossing met de verlostang of forceps. Verder had de vroedvrouw doorgaans ook een sonde en een irrigator (voor het spoelen van de schede), een harde borstel, watten, lint en garen, opiumtinctuur (als verdoving) en moederkoren in zakjes van een gram om de weeën op te wekken. Moederkoren is de prachtige naam voor een raar goedje: een soort schimmel die op granen als rogge en tarwe groeit. De naam zou afgeleid zijn van het gebruik dat weeën op gang gebracht werden met behulp van dat moederkoren. En als je daar rekening mee houdt dan is die naam niet zo raar en eigenlijk heel goed gekozen. Maar het is in feite een zeer gevaarlijk gif dat in sommige omstandigheden zoals bevallingen erg nuttig kan toegepast worden. Als geneesmiddel is het al zeer lang in gebruik bij migraine. Migraine wordt vaak veroorzaakt doordat de hersenbloedvaten iets te veel ontspannen. Het zijn nu juist de extracten van moederkoren die contractie van de bloedvaten veroorzaken. Vroedvrouwen gebruikten het verdunde gif om bloedingen bij geboorten te stelpen. Zij wisten precies hoe sterk de verdunning mocht zijn om de fijnste adertjes of haarvaten van de baarmoeder te vernauwen en daardoor de bloedingen te stelpen. Hierdoor werd de nageboorte vanzelf afgedreven. Omwille van de nauwkeurigheid waarmee de dosering diende toegediend te worden, was de stof in zakjes van een gram beschikbaar. Volgens sommigen is een aantal heksenvervolgingen te wijten geweest aan de hallucinatoire werking van de stoffen in moederkoren. Tegenwoordig komt het als geneesmiddel weer in de belangstelling omdat uit een onderzoek blijkt dat het in de juiste dosering toegepast, gunstig werkt bij de ziekte van Parkinson. Beste leerschool is de praktijk Alles liep bij een geboorte niet altijd van een leien dakje. Als jong gediplomeerde vroedvrouw stond Celineke meer dan eens voor ingewikkelde problemen bij sommige toekomstige moeders en gaandeweg zou ze ondervinden dat de theorie die ze in de cursussen had gekregen heel interessant was, maar dat de praktische ervaring veruit de beste leerschool was. En Celine was een verstandige vrouw die ook de wijze spreuk ‘beter voorkomen dan genezen’ steeds heeft toegepast. Het was haar grote verdienste dat zij geen onnodige risico’s nam. Trad er een onregelmatigheid op bij een nakende bevalling, dan nam ze dat zeer ernstig op en haar gezond verstand gebood haar vanaf dat ogenblik niet meer op eigen houtje te gaan proberen het probleem op te lossen. Ook bij ongewone verschijnselen tijdens een zwangerschap, en zeker in de laatste maanden, wachtte ze niet lang om zich te laten bijstaan door een gynaecoloog. 30
  • En ook als er zich bij de bevalling zelf een plotse verwikkeling voordeed, volgde zij dezelfde werkwijze. En een familielid van haar kan mij verzekeren dat van haar kan gezegd worden dat geen enkel van alle kinderen die zij geholpen heeft ter wereld te komen, in de volksmond kortweg de door haar ‘gehaalde’ kinderen genoemd, ooit problemen gehad heeft door te lang zonder zuurstof te blijven. Op het vlak van die deskundige hulp had ze trouwens ook veel geluk. Zij kreeg alle mogelijke steun van de oudere gynaecoloog dokter De Mot uit Sint-Niklaas. Die hielp haar gewillig en van die arts heeft ze heel veel geleerd omdat hij niet enkel het probleem hielp oplossen maar er ook bij vertelde waarom hij deze of gene manier van werken volgde. Celine was daar erg dankbaar voor en de vriendschapsbanden met de familie De Mot zijn zeer nauw geweest en hebben een leven lang geduurd. Je bent weleens geneigd te denken waarom toekomstige moeders eraan hielden om Celineke als vroedvrouw te vragen, als ze wisten dat in geval van verwikkelingen er toch nog een huisarts of een gynaecoloog moest bijgeroepen worden. Er waren in die jaren, zeker tot na WO II, nog maar weinig dokters, zeker in de dorpen op het platteland. En voor de zeldzame gynaecologen die er toen waren, moest men naar Sint-Niklaas of naar Antwerpen. Maar ik denk dat het vooral de natuurlijke manier van bevallen was die Celine voorstond, die veel jonge vrouwen aansprak. Bij haar was er geen gejaagdheid te bespeuren. Een arts met weinig tijd zou nogal vlug zijn toevlucht nemen tot een inspuiting om de bevalling sneller te laten verlopen. Niets daarvan bij Celineke. Zij gaf de moeder en de ongeboren baby alle mogelijke tijd en als het nodig leek, wilde zij verscheidene keren terugkomen om de vorderingen in het geboorteproces te volgen. En dat ze oog en oor had voor ‘haar moedertjes’ en ermee meeleefde kon ik afleiden uit wat men mij links en rechts vertelde. Iemand had het erover dat zij Celine zag binnenkomen voor de bevalling van het eerste kindje van haar schoonzus. Haar broer had de vroedvrouw opgebeld en hij had gezegd dat hij dacht dat de geboorte nabij was. Celine zag het mooi uitgerust wiegje in een hoek van de ruime slaapkamer staan pronken en ze glimlachte. ‘Wat mag een kind zich toch gelukkig prijzen als het op zo’n prinselijke manier verwacht wordt’, zegde ze. In het huwelijksboekje dat in Melsele op 10 september 1937 was uitgereikt, lezen we op pagina 23: Wieg De wieg moet vast staan. Het is slecht de kinderen te wiegen: de schommelingen hebben een noodlottigen invloed op hunne hersenen en op hunne maag. Het kind mag nooit bij een volwassen persoon slapen. Het is gevaarlijk voor zijn gezondheid en zijn leven. Het beste bed kan men maken van varenkruid, zeegras of haverkaf. 31
  • In vergelijking met Hoofdstuk 10 ‘Gezondheidsvoorzorg der eerste kinderjaren. Raadgevingen aan de familiemoeders’ uit het trouwboekje Melsele 1908 zijn alle adviezen van 1937 niet meer zo uitgebreid. De wethouder vond wellicht dat de moeders al wat verder ontwikkeld waren in de gezondheidsleer en dat de raadgevingen korter geformuleerd konden worden. De eerste twee adviezen van 1937 lopen qua inhoud gelijk met die van 1908. En het derde advies gaat in 1937 over de vulling van de matras, wat helemaal niet vermeld was in 1908. Toen had men het wel over het bedje dat in de winter ‘op eene zachte temperatuur moet gehouden worden bij middel van eene kruik of alle ander vat warm water inhoudende. Het zal door eene gordijn van licht neteldoek beschut zijn.’ Over een gordijn wordt in 1937 niet meer gerept. Bestond er toen ook al wiegendood? Als je leest in het trouwboekje uit 1908 dat 25% van de kinderen sterft in het eerste levensjaar, dan kan je redelijkerwijze geloven dat tussen die sterfgevallen ook verschillende onverklaarbare gevallen gezeten hebben. Honderd jaar later is de kindersterfte door de verbeterde voeding en hygiëne sterk teruggedrongen en nu vallen de gevallen van wiegendood op. Het is een algemene term voor kindersterfte in de wieg. Het is eigenlijk geen oorzaak van overlijden, maar een benaming voor gevallen waarbij de doodsoorzaak van een baby niet aangetoond kan worden. Men spreekt van wiegendood als een baby onverwacht overlijdt zonder dat daar ogenschijnlijk een oorzaak voor is. Als ook na volledig postmortaal onderzoek geen verklaring wordt gevonden, noemt men dat wiegendood of SIDS (sudden infant death syndrome). Als wiegendood zich voordoet, is het vrijwel altijd in het eerste levensjaar, maar het komt soms ook in het tweede jaar voor. In België wordt 33% van alle zuigelingensterftes geklasseerd als wiegendood. Het zou dus gaan om 1,5 tot 2,5 sterfgevallen van schijnbaar gezonde baby’s per 1 000 levend geboren kinderen. Het gaat in België jaarlijks om zo’n 200 tot 225 gevallen. Men veronderstelt dat de oorzaak gelegen is in een nog onvoldoende ontwikkelde functie van het ademhalingscentrum in de hersenen. Als die functie voldoende zou ontwikkeld zijn, dan krijgt de baby een ademhalingsprikkel waardoor hij opnieuw of sneller gaat ademhalen. Als de baby op zijn buik ligt, krijgt hij dan geen prikkel meer tot omdraaien naar de rug en diep ademhalen en zal hij stikken. Dat is een verklaring maar er bestaan bijna evenveel theorieën als er onderzoekers zijn. Takenpakket van de vroevrouw Met de geboorte begon in het gezin van deze jongste wereldburger een nieuwe fase in hun leven. Woonde men nu in het simpelste huisje of in een rijkemanswoning, er dienden toch allerlei schikkingen getroffen te worden om het nieuwste gezinslid zijn of haar plaats te geven. 32
  • De moeder was toen verplicht negen dagen het bed te houden en als er geen dringender gevallen op haar wachtten, kwam Celine de moeder nog enige keren overdag verzorgen en bijstaan als dat nodig bleek. Ook advies geven behoorde tot haar takenpakket, zo bijvoorbeeld op gebied van de voeding. De voeding van de baby is, zeker in de eerste levensmaanden, van groot belang. Het colostrum, de moedermelk in de eerste dagen na de bevalling, is een bijzonder waardevolle voeding die het kind tegen veel kwalen behoedt. Uit het trouwboekje Melsele 1908, pagina 21 Tot negen maanden is het oprechte voedsel des kinds de vrouwemelk en vooral de moedermelk; na drie of vier maanden, mag men ander voedsel toevoegen (broodpap enz.), maar op de aanduidingen van eenen geneesheer. Het samengesteld voedsel, het is te zeggen datgene bevattende terzelfdertijd de vrouwemelk en een ander voedsel, is bijna altijd nadeelig aan de zeer jonge kinderen. Gedurende de eerste maand die volgt op de geboorte, geeft men, bij gebrek der melk van de moeder of van eene betaalde min, koe- of geitenmelk, met de helft zuiver water, lichtelijk gesuikerd. Voor de twee volgende maanden lengt men met een derde water op, en later mag men die zuiver geven. De mengeling moet onmiddellijk voor het innemen gebeuren. Het gebruik van de melk vergt eene volstrekte reinheid der gebruikte vazen, vooral als men de zuigflesch benuttigt; geneeskundigen van gezag aanzien overigens die wijze van voeding als moetende de gevaren van ziekte en sterfte onder de kinderen veel vermeerderen. De eenige zuigflesschen waarvan het gebruik kan aangeraden worden zijn de glazen flesschen, zonder buis, en op welker hals men een mammetje zet. Zij moeten zorgvuldig met overvloedig water gewasschen worden na elke zuiging. Om de goede hoedanigheid der melk, al te dikwijls vervalscht, te verzekeren, is het noodig die ten minste een tiental minuten te doen koken en den pot waarin zij zich bevindt, zorgvuldig te dekken. Men kan zich bedienen van eenen aarden pot met platten bodem en verwijde boorden om het koken der melk te vergemakkelijken. Door het gebruik van dien pot, is het koken vollediger en de vernieling der kiemen (onschadelijkmaking) der melk wordt beter verzekerd. Men vindt in den handel verschillende toestellen, bijzonder met dit doel gemaakt en die zeer praktisch zijn. Van zeven tot tien maanden mag het kind, behalve van melk, een matig gebruik maken van broodpap, eieren en vleeschsap. Later zal het voedsel afgewisseld zijn en verdeeld over den dag bij regelmatige tusschenpoozen; de overdaad der spijzen of van eene spijs in het bijzonder is steeds nadeelig; zij is zoo zeer te vreezen als de slechte hoedanigheid der spijzen; zij veroorzaakt ook de ontsteking der maag en der ingewanden, eene kwaal waaraan de kinderen bezwijken. De spijzen buiten de eetmaaltijden genomen, bonbons, suikergebak, taartjes, enz. moeten om dezelfde reden in de voeding der jonge kinderen vermeden worden. 33
  • In 1937 zijn de voedingsadviezen in de trouwboekjes toch al een beetje minder angstaanjagend Het kind moet met de borst opgevoed worden; meer dan de helft der kinderen, met een zuigflesch opgevoed, sterven (…) Indien het kind met de zuigflesch moet opgekweekt worden, geve men het bij voorkeur afgeroomde koemelk met bijvoeging: gedurende de 4 eerste weken van twee derden water; van de 2de tot de 4de maand van de helft water en van de 4de tot de 6de maand van een vierde water; na de 6de maand geve men het zuivere melk. Tot omstreeks 1880 was de borstvoeding algemeen. De moeder was fier haar kindje te voeden en als dat niet kon en ze was welgesteld, dan deed ze tegen betaling een beroep op een min die het kind de borst gaf. Het was dikwijls een jonge, ongehuwde moeder die zo aan wat geld geraakte. Bij een vergelijking van de gedrukte raadgevingen in de trouwboekjes valt vooral op dat in de versie 1962 een heel pak raadgevingen over de verzorging van het kind in zijn eerste levensjaar zoals de voeding, de wieg, de uren slaap enz. weggelaten zijn tegenover de versies van 1908 en 1937. In de versie 1962 wijzen ze op p. 36 aan de (aanstaande) moeders de weg naar de instellingen wiens advies ze best zouden volgen om aan hun wens naar ‘mooie, gezonde en krachtige kinderen’ te kunnen voldoen. Denk erom dat het leven van het kind reeds geruime tijd voor de geboorte aanvangt. Bij de eerste tekenen van zwangerschap dient de aanstaande moeder een geneesheer-specialist te raadplegen. Kunt U geen beroep doen op een particulier geneesheer, aarzel dan niet U aan te melden op een der prenatale consultatiediensten, welke door het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn erkend zijn. Zulke instellingen bestaan over het ganse land en de aanstaande moeders kunnen kosteloos behandeld worden. U wordt er best ontvangen. Te veel zuigelingen sterven tijdens hun eerste levensmaand, omdat de moeder zich niet op de bevalling had voorbereid. Het kind komt onbeschut ter wereld, terwijl het door velerlei gevaren wordt bedreigd: koude, warmte, besmetting, enz… De zuigeling is een tenger wezen, dat onder medisch toezicht moet blijven, ook al mankeert hem niets. Het welzijn van uw baby vereist dat U hem geregeld vertoont op een Consultatiebureau voor zuigelingen en op het platteland aan een verpleegster van de zuigelingendienst. De instellingen houden kosteloos toezicht op de gezondheid en de groei der kinderen en verstrekken kostbare raad voor hun verdere opvoeding. Moesten alle moeders in België die instellingen geregeld bezoeken, dan zou de kindersterfte in ons land op een veel lager peil liggen. Het valt in de teksten van de trouwboekjes op dat in de jaren na WO II de adviezen voor voeding, verzorging en algemene gezondheidszorg van het kind veel korter geworden zijn en dat hoe langer hoe meer aangeraden wordt een beroep te doen op de georganiseerde kinderzorg als die van het Nationaal Werk van Kinderwelzijn (NKW). 34
  • Bevallen in een kliniek of thuis? Vanaf het einde van de veertiger jaren neemt het aantal thuisbevallingen geleidelijk af en gaat een groot deel van de bevallingen in de streek door in de materniteit van de Sint-Annakliniek in Beveren. Maar ook daar kon Celineke haar vroedvrouwentaak uitoefenen en zij had er onder de ziekenhuiszusters en andere verpleegsters heel wat echte vriendinnen. De materniteit, van de Sint-Annakliniek, in de volksmond ook de verloskamer genoemd. (Foto Rita De Cock) En eigenlijk juichte Celineke zelf de bevalling in de materniteit toe. Het is veiliger en wanneer later zo goed als iedereen voor de materniteit koos, vond ze het spijtig dat er toch nog enkelen waren die per se thuis wilden bevallen. Melsele kreeg bijvoorbeeld in 1949 in totaal 106 pasgeborenen en 51 daarvan zijn nog thuis geboren, de 55 anderen bijna allemaal in Beveren. Verpleegster Maria Heyrman helpt de ziekenhuiszusters in de verloskamer van de materniteit. (Foto Maria Heyrman) 35
  • Het kindertehuis in de Sint-Annakliniek, de pasgeboren kinderen verbleven ’s nachts niet in de kamer van de moeder. (Foto Rita De Cock) De Sint-Annakliniek, in 1927 gesticht door dokter Gerard De Paep, (zie ook hoofdstuk 1) legde de grondslag voor een nieuwe medische infrastructuur voor Beveren en omgeving. De kliniek, en zeker de materniteit, zat duidelijk in de lift in de naoorlogse jaren… De Sint-Annakliniek, in Beveren rond WO II. 36 (Foto Wilfried Dalvinck)
  • De vestibule van de Sint-Annakliniek had een typisch kloosteruitzicht maar oogde toch al een stuk vriendelijker dan het strenge buitenaanzicht liet vermoeden. (Foto Rita De Cock) Hoe langer hoe meer Melselenaartjes worden buiten de gemeente geboren en later zal men op de identiteitskaart zien staan: geboren te Beveren (of Sint-Niklaas of Antwerpen). Dat bracht voor de burgerlijke stand van de gemeente waar de ouders woonden, het probleem mee dat de nieuwe wereldburger wel diende ingeschreven te worden, maar het moest duidelijk zijn dat hij geen inwijkeling was. In de hiernavolgende tabel zie je dat het aantal thuisgeboorten heel miniem wordt vanaf het jaar 1961 en helemaal wegvalt vanaf 1969. Officieel werd dat in die jaren zo verwoord: ‘Door het toenemende aantal geboorten buiten de verblijfplaats van de moeder, ontstaat in de gemeentelijke administratie een verwarde toestand. Daar de geboorten in de verpleeginrichtingen gestadig toenemen (…) dienen de geboorten buiten het grondgebied van de verblijfplaatsgemeente van de moeder, voortaan aangetekend in het register van aankomst van de gemeente, waar de moeder verblijf houdt. Om evenwel elke verwarring met de gewone inwijkelingen te voorkomen, dienen de vermeldingen en de nummeringen betreffende dergelijke geboorten overeenkomstig bijgaand model met rode inkt te worden ingeschreven.’(Brief van het ministerie van Binnenlandse Zaken, Brussel 13 juli 1954, aan de heren provinciegouverneurs.) 37
  • Zie ook de omzendbrief aan de heren burgemeesters van 9 december 1954, aangaande de attesten af te leveren door de gemeentebesturen voor het toekennen van de geboortebijslag, verschenen in het Staatsblad van 11 december 1954. De maatregel treedt in werking vanaf 1 januari 1955. De gegevens opgetekend in het register van aankomst in de gemeente, zowel als die van het vertrek uit de gemeente, worden achteraf overgenomen in de Bevolkingsstatistieken, ook Bevolkingsregister genoemd. Melsele in bevolkingsstatistieken vanaf 1934 Op pagina 37 volgen de officiële cijfers vanaf 1934, het jaar waarin Celineke begon te werken als vroedvrouw, tot 1976, het laatste jaar dat de gemeente Melsele zelfstandig bestond. De cijfers betreffen: de personen die aangekomen zijn door geboorte, niet inbegrepen de doodgeborenen en andere levenloos aangegeven kinderen die noch in het register van de burgerlijke stand noch in het bevolkingsregister werden ingeschreven. Geheel links zie je het jaartal. Daarnaast komen links de aantallen mannen en rechts de meisjes die in de gemeente zelf geboren zijnde, tot haar werkelijke bevolking behoren. Ernaast staat het aantal van de kinderen die, tot de werkelijke bevolking behorend, in een andere gemeente geboren zijn. Deze kinderen worden in de bevolkingsregisters ingeschreven krachtens het Koninklijk Besluit van de 30ste december 1900, artikel 6. Geheel rechts komt het jaartotaal. Volledigheidshalve wil ik bij deze tabel het volgende vermelden: het cijfer 52 van het jaar 1953 omvat 1 vreemdeling. Het cijfer 59 en 66 van het jaar 1957 omvatten elk 2 vreemdelingen. Het cijfer 63 en 65 van het jaar 1959 omvatten elk 2 vreemdelingen. Het cijfer 67 van het jaar 1960 omvat 2 vreemdelingen. Het cijfer 62 van het jaar 1960, 57 van het jaar 1968, 57 van het jaar 1969, 52 van het jaar 1970 en 43 van het jaar 1975 omvat telkens 1 vreemdeling. 38
  • jaartal 1934 1935 1936 1937 1938 1939 1940 1941 1942 1943 1944 1945 1946 1947 1948 1949 1950 1951 1952 1953 1954 1955 1956 1957 1958 1959 1960 1961 1962 1963 1964 1965 1966 1967 1968 1969 1970 1971 1972 1973 1974 1975 1976 # mannen 24 39 39 52 70 49 39 33 39 38 49 36 48 37 32 31 33 30 22 13 11 12 7 4 5 8 6 4 2 2 5 2 1 1 0 0 0 0 0 0 0 0 2 # vrouwen 50 51 56 45 46 53 45 41 39 46 36 39 38 44 44 20 27 22 20 18 15 14 8 1 5 3 4 2 2 2 0 0 0 1 1 0 0 0 0 0 0 0 0 buiten Melsele mannen 1 3 2 6 8 8 9 3 6 8 14 16 11 22 22 29 38 43 39 58 56 76 55 59 71 63 67 56 63 60 69 65 56 53 57 57 61 48 52 46 42 43 46 39 buiten Melsele vrouwen 2 3 3 4 7 7 3 2 5 8 10 14 16 15 19 26 31 42 55 52 44 57 54 66 61 65 62 68 57 60 54 56 43 62 58 44 52 48 36 57 33 47 54 totaal 77 96 100 107 131 117 96 79 89 100 109 105 113 118 117 106 129 137 136 141 126 159 124 130 142 139 139 130 124 124 128 123 100 117 116 101 113 96 88 103 75 90 102
  • Te boek gesteld Wie veel geld heeft en geen kinderen, is niet rijk; wie veel kinderen heeft en geen geld, is niet arm. (Chinees spreekwoord) De Melseelse geboortecijfers staan niet enkel in de officiële tabellen van de gemeente. Op mijn vraag haalde Omer Van de Vijver, reeds vermeld in hoofdstuk 1, de uitgebreide registers van Celineke bijeen bij zijn familieleden. Het zijn drie indrukwekkende schrijfboeken: twee grote en een kleinere, maar dat is veel dikker dan de andere. Die boeken zijn door Celine tussen 1934 en 1978 bijgehouden. Drie boeken vol notities Elke zondag werkte Celineke aan haar registers en noteerde met de vulpen de geboorten van de voorbije week. Als je erin bladert zie je dat haar werkgebied in hoofdzaak Melsele was, maar ze hielp ook moeders bevallen in Beveren, Vrasene, Calloo (zo schreef men dat toen), Zwijndrecht, Nieuwkerken en Antwerpen-Linkeroever. Het leukste adres vond ik: ‘Polder, de Zwaantjes’. Wellicht was ze de gemeentenaam vergeten te vragen aan die mensen, maar dat moet in Verrebroek geweest zijn, daar is nu nog de straatnaam Zwaantje. 40
  • Het boek dat ze genoemd heeft ‘Lijst en Datums der Verlossingen - Meimaand 1934’ is een officieel genummerd register. Het is 325 bij 205 mm groot. Wij noemen het gemakshalve het 1ste register. De tekst betreffende de bevalling loopt van de linker- naar de rechterpagina door. Celine heeft de voorgedrukte aflijning van de kolommen gebruikt en heeft er zelf namen boven geschreven. Haar allereerste notities omvatten: Datum (wanneer de bevalling begonnen is) Naam en adres - Getal - Geslacht - Gewicht - Moederk. (hiermee wordt moederkoek, nageboorte of placenta bedoeld). Enkele keren is de voeding vermeld en bij de 2de en 3de bevalling de evolutie van het gewicht van de baby. Zoals je hierna kan zien ging ze op de rechterpagina dan verder met - datum van geboorte - vroegere verlossingen - laatste maandstonden - koorts - wateronderzoek. Het 2de register is zonder genummerde bladen die 170 bij 255 mm groot zijn. Het boek is 35 mm dik. De inschrijvingen lopen van 27/05/1934 tot 31/12/1966 en bevat in verkorte weergave ook de inschrijvingen van 1934 tot 1939, die ook al in het 1ste register stonden. In dat 2de boek zijn de geboortes genummerd per jaar en zijn enkel nog de geboortegegevens opgenomen. Hier dus geen gegevens meer over de zwangerschap. Wel de afgekorte vermelding over de voeding: borstvoeding, kunstmatige en gemengde voeding. Voor kinderen die borstvoeding krijgen, bestaat de bijvoeding in principe uit moedermelk. Afgekolfde moedermelk van de eigen moeder verdient de voorkeur. Indien deze niet voorhanden is, valt de eerste keus op afgekolfde moedermelk van een andere moeder (zg. ‘donormelk’). 41
  • Is deze niet beschikbaar dan kan desnoods ook kunstmatige zuigelingenvoeding gegeven worden (populaire bijnaam ‘flesvoeding’). Zij sluit dat register af einde 1939 en had dan 244 bevallingen verzorgd. Zo ben ikzelf nummer 186 in haar 1ste register, dus de 186ste bevalling van Celinekes loopbaan en ik krijg nummer 51 in register nummer 2, de 51ste geboorte in 1938. Ik lees nu op de pagina’s 74 en 75 van het 1ste register over mijn eigen geboorte. Ik ben geboren op 17/08/1938 om 9 uur in de voormiddag. A H R V. Ik woog 4 kg precies en ik ben van het mannelijk geslacht, de placenta (moederkoek) was normaal. Ik was het 1ste kind in het gezin van mijn ouders Alfons Puynen en Yvonne De Cock. De vermelding 25 j. boven de naam van mijn vader is zijn leeftijd. De zwangerschap was goed verlopen. De baring verliep als volgt: de weeën begonnen om 5 uur ’s morgens; om 8 uur was er volledige opening en om 8.30 u zijn de vliezen gebarsten met uitdrijving om 9 uur. De placenta kwam 20 minuten later. Verliezen (bloedverlies) waren normaal en mijn moeder was weinig gescheurd. De kraamstaat was normaal goed. Mijn moeder had wel last aan de borsten. En ik heb kunstmatige voeding gekregen. Het zal voor Celineke een drukke bedoening geweest zijn want in de allervroegste uurtjes van dezelfde 17de augustus, om 3 uur 30 namelijk, had zij in de familie Bosman-Michelet een meisje ter wereld geholpen. Vermelding AHLV betekent achterhoofd links voor en AHRV is achterhoofd rechts voor. Dit betreft de plaatsing van het hoofdje van de baby in het bekken van de moeder. Deze twee zijn gunstig voor een vlotte bevalling. Ligt de baby AHRA of AHLA, dan kijkt hij met zijn gezicht naar boven en wordt een ‘sterrekijker’ genoemd. De bevalling is dan moeilijker omdat het hoofdje met een bredere diameter moet geboren worden. 42
  • Wie ook tussen de vaardige handen van Celineke gepasseerd is bij zijn geboorte is de latere Beverse burgemeester François Smet. Dat gebeurde op 30 mei 1939. François heeft eens verteld dat hij eigenlijk niet voor burgemeester in de wieg gelegd was, getuige daarvan zijn wetenschappelijke studies. Vroeger, toen we nog een identiteitskaart hadden waarop enige informatie stond, werd als beroep voor hem scheikundige (Dr.) vermeld. Daarom tekende Aimé Van Avermaet deze cartoon voor De Beverse Klok van 19/2/1999 en stopte de jonge Smet in de plaats van een papfles een heuse erlenmeyer in de hand, een kegelvormige glazen kolf met vlakke bodem zoals die in laboratoria gebruikt werd. Het 3de register is ook zonder genummerde bladen, Het is 325 bij 205 mm groot. En het begint op 03/01/1967 en eindigt op 21/08/1978. Opvallend is dat de voorlaatste bevalling die Celineke begeleidde op 10/02/1978 was en dat er meer dan een half jaar verliep tot die allerlaatste. Maar daar was een goede reden voor. Toen Celine op 10/02/1978 besloot te stoppen had ze nog beloofd de aanstaande bevalling in het gezin Lambers-Van de Vijver te verzorgen. De jonge moeder was de dochter van Celinekes zus Marie. En belofte maakt schuld. Wat erbij opvalt * Op de pagina’s 74 en 75 van het 1ste register is er al geen onderverdeling van de kolommen meer ingevuld bovenaan en zijn de gegevens over de bevallingen anders geschikt dan op pagina’s 2 en 3. * Vooral valt op dat Celine in haar prille beginperiode veel meer noteerde dan enige maanden en jaren later. Eigenlijk is dat een normale evolutie: in de beginjaren van haar carrière, wellicht nog beïnvloed door de opdrachten en gewoonten uit haar studietijd, hield ze naast het eerste ook nog een tweede register bij en dat bevatte aanvullende gegevens. 43
  • Daar lees je het uur van de geboorte, dikwijls ook hoe vroegere verlossingen van dezelfde moeder verliepen en ook details over het verloop van de huidige bevalling: wanneer de weeën begonnen, welke opening er was na een bepaalde tijd, wanneer het vruchtwater brak, enz. Daarbij zal niet enkel de invloed van de scholing die ze gekregen had een rol gespeeld hebben. Sommige lesgeefsters raadden hun leerlingverpleegsters en vroedvrouwen in spe aan om vrijwel alles wat later van pas zou kunnen komen op papier te zetten. Voor Celineke, die als zelfstandige vroedvrouw meer en meer aan het kraambed gevraagd werd en zo steeds meer ervaring opdeed, is de druk van die ‘schoolse verplichting’ na een tijdje afgezwakt en moest dat wijken wegens tijdsgebrek. Dat werd op de duur een te zware opdracht en het gezond verstand en een nuchter oordeelsvermogen om wat belangrijk was van de rest te onderscheiden, leerde haar dat de notities tot de hoofdzaken konden beperkt worden. * Over de kraamvrouw (de moeder) lezen we af en toe enige bijzonderheden, maar ik heb niets gevonden over de pasgeborenen. Bijna nooit, behalve op haar allereerste bladzijden is de naam van de boreling vermeld. En als het vermeld is, zoals op pagina 2 van het 1ste register, dan was er geen plaats voor voorzien en zijn de voornamen Angèle, M-Louise en Juliana er achteraf bijgeschreven. * We vernemen weinig over speciale gevallen. Het zal bij de vele bevallingen die ze verzorgde toch ook weleens voorgevallen zijn dat bijvoorbeeld een kind ‘met de helm geboren is’. Daar wordt echter nergens melding van gemaakt. In Van Dales Groot Woordenboek vinden we bij het trefwoord ‘helm’ betekenis 2: ‘(bij vergelijking) het vlies dat bij de geboorte het hoofd van sommige kinderen omgeeft en waaraan het bijgeloof vroeger bijzondere eigenschappen toeschreef: hij is met de helm geboren, ’t is een gelukskind, (ook) hij heeft de gave om rampen (bv. sterfgevallen) vooruit te zien aankomen; (Zuid-Nederlands) hij is gelukkig in al wat hij onderneemt.’ (8) Celinekes werk in vogelvlucht We overlopen in vogelvlucht de geboortes waarbij ze hielp: * In 1934 heeft ze 5 dames geholpen en 2 ervan hadden een miskraam. Bij de eerste werd dokter Smet erbij gehaald en bij de tweede dokter Dupont. * In 1935 heeft ze 18 bevallingen gedaan, waarvan twee met forceps (gebruik van de verlostang) en een kindje is overleden. * Het jaar 1936 sluit af op 25 december, een kerstekindje bij de familie Suy-De Cauwer. Zij deed 45 bevallingen, waarvan 5 met forceps en een kindje is overleden. * 1937: 57 bevallingen waarvan 3 met forceps en 2 miskramen. We lezen onderaan de lijst van dat jaar dat Melsele 5 296 inwoners telt en dat er 107 geboorten geweest zijn, waarvan 9 kinderen overleden zijn in hun 1ste levensjaar, waarvan er 2 dood geboren waren. * 1938: 97 bevallingen, waarvan 4 met forceps en 5 miskramen. 44
  • Op 19/11/1938 noteerde ze heel wat in beknopte vorm over een speciaal probleem: ‘Om 3.30 u. geboren met snelle uitdrijving met gevolg van den bilnaad scheur tot in den 3de graad, is genaaid 6 cm en na 9 dagen opnieuw gescheurd en genaaid met gunstig resultaat. Kraamstaat goed: vier weken te bed gebleven.’ Tot slot van dat jaar noteert zij dat er 5 285 Melselenaren zijn waarvan er 131 dat jaar geboren zijn. Overleden kinderen jonger dan 1 jaar: 11 waarvan 3 dood geboren. * 1939: zij deed 106 bevallingen, bevolking 5 326, geboorten 117; 7 kinderen overleden jonger dan 1 jaar, waarvan 2 dood geboren. * Het oorlogsjaar 1940 sloot ze af met 118 bevallingen. Men telde toen 5 320 inwoners in Melsele, er waren 96 geboorten en 12 overlijdens in het 1ste levensjaar, waarvan 2 dood geboren. * In 1941 doet Celine 87 bevallingen, terwijl er in Melsele slechts 78 geboorten zijn. Haar faam, de goede naam die ze daardoor bij de mensen kreeg, werd vooral vanaf de Tweede Wereldoorlog de reden waarom ze steeds meer bevallingen te doen kreeg en dat ze als vroedvrouw van dan af definitief de dorpsgrenzen overschreden heeft. Zo was 1941 het eerste jaar dat het aantal van ‘haar bevallingen’ groter was dan het aantal geboorten in Melsele, namelijk 87 tegenover 78. Van dan af gingen haar jaartotalen de hoogte in: 108 in 1942 en reeds 150 in 1948. Haar kwaliteiten als vroedvrouw werden dus wel degelijk geapprecieerd. * In 1942 zijn het er 108 waarbij Celine aan het kraambed stond en 89 geboorten voor het hele dorp. * Opmerkelijk is het hoge geboortecijfer van 1943: Celineke had 126 bevallingen en er waren 101 kindjes in Melsele. Daar was volgens mij een verklaring voor. Ik heb een halfbroer, twee kozijns en twee nichten die allen in dat oorlogsjaar 1943 geboren zijn. Bij mijn grootouders Jozef De Cock en Justine Van Hove waren 5 kinderen en die zijn allemaal in het voorjaar van 1942 gehuwd. Dat was een periode van luwte in de oorlogvoering en de gemobiliseerde soldaten waren terug thuis. De gevolgen voor de nataliteit in 1943 waren opvallend in onze familie en blijkbaar ook in onze streek. * In 1944 en 1945 stond Celine telkens 119 borelingen bij. Opmerkelijk was voor dat laatste jaar het overlijden in Melsele van 14 kindjes in hun eerste levensjaar en er waren slechts 80 geboorten. * In 1946 deed Celine 134 bevallingen en waren er 113 in Melsele. * In 1947 was de verhouding 137/118. Hier vermeldt Celineke dat dat laatste cijfer betekent dat in Melsele 22 geboorten zijn per 1 000 inwoners. Zij noteert de verlopen tijd tussen de huwelijksdatum en de datum van de eerste geboorte in het gezin. Op het einde van het jaar 1947 vonden we volgend jaaroverzicht in haar derde register. 45
  • 46
  • * 1948: 150/117 De laatste maand van 1948 was speciaal te noemen, vooral de eerste dagen, want op 2 december wordt er in de familie De Permentier-De Smedt een tweeling geboren, het waren twee jongens en twee dagen later ook een tweeling in de familie Van Dael -Buys, hier waren het twee meisjes. * 1949: 144/106 Voor het eerst krijgen we een cijfer waardoor we weten dat er een doorbraak gekomen is van bevallingen in de materniteit. Van de 106 nieuwe Melselenaartjes zijn er 51 ter plekke geboren en 55 in Beveren. De Sint-Annakliniek en zeker de materniteit, zat duidelijk in de lift (zie ook hoofdstuk 2). * 1950: Celineke deed 134 bevallingen en in Melsele waren er 118 geboortes. * In 1955 heeft ze 161 bevallingen en in 1960 zijn het er 188. Van dan af tot in 1971 (110 bevallingen) zit er een schommelende licht dalende lijn in met nog 180 in 1963 en 179 in 1967. Daarna neemt het stelselmatig af tot 35 bevallingen in 1976, 14 in 1977 en 4 in 1978. De laatste bevalling deed zij op 21/08/1978. Die dalende lijn is wellicht niet zozeer te wijten aan het ouder worden van Celineke maar vooral aan het verminderen van het aantal thuisbevallingen en daar zijn verschillende redenen voor. Eerst en vooral is er de opkomst van de mutualiteiten met hun ziekte- en invaliditeitsverzekering. De mutualiteit betaalt de onkosten terug van wie in een materniteit bevalt. Ook de mogelijkheid om in de periode van de zwangerschap een ziekenbriefje te krijgen om een afwezigheid op het werk te verantwoorden, speelt een rol. Verder speelt de groeiende medicalisering van een bevalling mee: een geboorte wordt eigenlijk een medische ingreep. Belangrijke argumenten zijn de hygiënische verzorging, het anticiperen op verwikkelingen en de aanwezigheid van gespecialiseerde dokters. Enkelen bleven de geboorte in de eigen vertrouwde omgeving erg waardevol vinden maar voor de meesten haalt het comfort van de materniteit de bovenhand. Komt daarbij ook nog de daling van het aantal kinderen per gezin maar het totale geboortecijfer wordt dan weer gecompenseerd door de aangroei van de bevolking in Melsele. Het gebruik van de forceps wordt niet altijd vermeld. Doorgaans is het 2 tot 4 keer per jaar. Het cijfer 9 voor 1943 is hierbij wel opvallend. De eerste keizersnede wordt in 1943 vermeld en vanaf 1949 komt ze geregeld voor met een maximum van 4 per jaar. Per fiets, per auto of met de …slee? De weg naar het merendeel van die vrouwen in barensnood legde Celineke vele jaren per fiets af. De weersomstandigheden speelden een grote rol bij die verplaatsingen, zeker als je zelf geen gemotoriseerd vervoer had zoals dat in de eerste helft van haar loopbaan was. 47
  • Ik hoor mijn vrouw af en toe nog het verhaal van haar geboortedag navertellen zoals ze het van haar moeder, Fien Verstraeten, dikwijls gehoord heeft. En dat komt geregeld terug, vooral op gure winterdagen. Het was 26 januari 1940 in de Priemstaat in Melsele. Haar ouders woonden daar in bij haar grootmoeder langs moeders kant. Het had flink gesneeuwd en telefoon was niet voorhanden, ook niet in de buurt. Aloïs Verbeke, de vader, sprong op de fiets en ging Celineke verwittigen. Die trok omwille van sneeuw en ijs twee paar wollen sokken aan, schoof dan in haar rubberen botten en kwam zo goed als het ging mee op haar tweewieler naar de plaats waar ze haar 14de bevalling van het jaar 1940 ging verzorgen. Uittreksel uit het 2de register. Dit is de 14de bevalling van 1940 waarbij Celine hielp. De 2de regel deelt mee: het is het 1ste kind in dat gezin; geboortegewicht 3,500 kg; een meisje; geboren op 26/1/40 om 4 uur in de morgen; het kind kreeg kunstmatige voeding. 48
  • Van Valentine Staes (°1921), nicht van Celineke, hoorde ik het verhaal over een jonge echtgenoot die op de Vliegenstal in Beveren woonde, naar schatting 4 à 5 kilometer van het dorpscentrum van Melsele vandaan. Hij kwam Celine op een winterse sneeuwdag ophalen met paard en slee. Dat was toen de enige mogelijkheid om die weg af te leggen. Door een samenloop van omstandigheden stond Celine er soms alleen voor, zoals vlak na het overlijden van haar moeder in 1957. Toen duurde het nog even eer haar zus Margriet bij haar kwam inwonen. In die periode wist ze dat ze ’s nachts kon opgeroepen worden en vroeg zij aan de bovenvermelde nicht Valentine om ’s avonds bij haar in huis te komen slapen. 49
  • Eeuwige jongedochter Wie geen lieve kinderen heeft Weet voorwaar niet dat hij leeft. (Jacob Cats, Nederland 1577-1660) ‘Ik heb geen tijd om te trouwen.’ Celineke heeft dat dikwijls geantwoord toen ze in de fleur van haar leven was en geregeld de vraag kreeg of zij zelf nooit aan een huwelijk dacht of gedacht had. Kandidaten zijn er genoeg geweest en daar was ook een dokter bij. Als jongere vrouw deed ze enkele keren haar beklag tegen een intieme vriendin dat ze weleens door mannen die zopas vader geworden waren of het nog gingen worden, lastiggevallen werd. Zelf kende zij dus nooit de vreugde van het moederschap. Dat liet het Beverse cabaret Blau toe in de jaren ‘70 in de tent van de Beverse Feesten volgend grafschrift te debiteren: Hier ligt Celineke Zelf kocht ze nooit een ‘kinneke’! Dat neemt niet weg dat uit sommige van haar gezegdes bleek dat de drang naar dat moederschap onderhuids wel aanwezig was. Denk positief Ik heb van verschillende mensen gehoord welke bemoedigende woorden Celineke gebruikte om de toekomstige moeder haar barensweeën te helpen vergeten door haar positief te doen denken en het vooruitzicht van het kindje voor te houden. Zelf vertelde ze menige keer dat ze steeds de tijd nam om te supporteren en aan te moedigen. (2) ‘Ik zie het koppeke al, nog eens goed persen en het kindje is er.’ ‘Ja, jij hebt gemakkelijk praten’, klonk dan de kraamvrouw. ’Dat voel je zelf niet hoe pijnlijk dat zoiets is.’ ‘Nee, maar ik weet het’, zei Celineke. ‘Maar dat is wat anders dan pijn hebben van een ziekte’, probeerde zij haar patiënt dan af te leiden. ’Maar dit is een gezonde ziekte’, ging ze verder. ‘Auw! En weer zo’n pijnscheut!’ ‘Ik weet dat wel, maar je moet volhouden.’ En de vrouw in barensnood haalde met veel ongeloof de wenkbrauwen op. ‘En straks krijg jij je beloning en lig jij hier te stralen met dat kind in je armen en ik moet met lege handen naar huis.’ 50
  • En tien minuten later, als de moeder de eerste gil van haar kind hoorde, waren al die pijnen en die ongemakken op slag vergeten. Het is niet haar eigen kind, maar Celineke straalt als een echte moeder. (Foto Petrus Van Landeghem) Bij bevallingen aan huis had ze volgens enkele van haar vriendinnen enige vaste principes. Bij het binnenkomen vroeg Celineke: ’Heeft ze al ‘pozen’?’ Dat informeren of de aanstaande moeder al in arbeid was, was altijd haar eerste werk. Dat werd mij verteld door Celinekes vriendin Lucie Vermeulen (°1922). Een van Lucies zoons die daar toevallig op bezoek was en aan het gesprek deelnam, maakte mij er attent op dat dit echt de manier en de woordenschat van vroeger was om over zwangerschappen, bevallingen, geboorten en dergelijke te spreken. Zeker als er kinderen in de omtrek waren. ‘Ze noemden die dingen bijna nooit echt bij hun naam’, zei de man. En eigenlijk had hij gelijk. Celineke wilde weten of de jonge moeder al weeën had. In de plaats van over weeën te spreken, had ze het over ‘pozen’, ze noemde dus de tussenpauzes tussen die geboortepijnen of weeën. 51
  • Weeën zijn de samentrekkingen van de baarmoeder die regelmatig optreden (om de paar minuten). Als de weeën steeds vaker komen en krachtiger en pijnlijker worden, is de bevalling begonnen. Een warme douche of bad kan daarbij helpen. Je leest er meer over verder in dit hoofdstuk. En Celineke gaf dezelfde raad die toekomstige moeders ook nu nog krijgen: hoe meer u zich op uw gemak voelt, hoe beter u de weeën kunt opvangen. Zorg dus voor een rustige omgeving. Zoek welke houding het prettigst is en probeer u tussen de weeën te ontspannen. Zeker in de winter ging de bevalling best op het gelijkvloers door want in de meeste huizen was er boven zelden verwarming beschikbaar en… ’De kou bevordert nooit een bevalling’, beweerde Celineke. Ze vroeg ook in het tussenseizoen om de kachel te ontsteken als dat nog niet gebeurd was. ‘Want dat kindje komt uit de warme buik van de moeder, het moet ook op een warme manier ontvangen worden’, was haar principe. Man buiten gestuurd En doorgaans was de eerste persoon die door Celineke uit de ‘kraamkamer’ werd weggestuurd, de man. Meestal was dat wegsturen niet nodig want de meeste echtgenoten verzonnen wel een of ander werkje of ze hadden een andere reden of uitvlucht om ‘ervanonder te muizen’. En zij die bleven zijn meestal die ‘helden’ uit de verhalen over vaders die absoluut bij de bevalling wilden aanwezig zijn om hun stoerheid te bewijzen of omdat ze dat aan hun vrouw in een romantische bui beloofd hadden en die achteraf lijkbleek op een stoel moesten gaan zitten of discreet uit de kraamkamer geleid moesten worden om er met een stevige borrel bovenop geholpen te worden. Dat wegsturen van de vader door Celineke was meer dan eens terecht want de manier waarop sommige toekomstige vaders reageerden, deed soms de haren te berge rijzen. Bij de echtgenote van René V. waren de barensweeën volop aan de gang en zij klaagde over hevige pijnen. Celine had niet direct vertrouwen in het goede verloop en ze liet ook dokter Delacave verwittigen. Toen vond René dat zijn vrouw wel wat al te veel misbaar bleef maken en hij zei haar: ‘Het volstaat wel met een beetje minder gekreun, zeker! Kijk eens, buiten mij is er nog Celineke en ‘meneer den doktoor’ en we staan hier allemaal rondom u. Denk ook eens aan ons Bertha,’ ging hij verder, ‘die moet ook gaan ‘kalven’ en die ligt geheel alleen in het stro in de koeienstal.’ Celineke en ‘meneer den doktoor’ hebben eens met een veelbetekenende blik naar mekaar gekeken en ze hebben toen maar wijselijk gezwegen. Zoiets klonk immers raar bij een kraambed. Je kan zeggen dat het uit de mond van een buitenmens kwam, akkoord! En waren zij ook geen mensen van hun tijd die nog niet gewend waren aan fijnere manieren? Wellicht was het ook vooral de zenuwachtigheid, de stress die daarbij een grote rol speelde. Daarom was de vader beter niet te dicht in de omtrek bij een bevalling, vond Celineke. 52
  • Vrouwenhulp welkom Niet dat zij het liefst alles alleen opknapte en dat er buiten de vroedvrouw niemand aanwezig bleef bij de bevalling. Een buurvrouw of een zus, een schoonzus of een nicht, Celineke kon hun diensten goed gebruiken. Zo moesten de benen van de moeder bijvoorbeeld ondersteund worden. En als er bijkomend materiaal aan de moeder gevraagd werd,dan kon je die laatste horen zeggen: ‘Celine, in die lage kast vind je doeken.’ Dat klonk op dat moment alsof twee vriendinnen met mekaar aan ’t praten waren. ’En een laken, Celine, dat kan je vinden op het onderste schap in die hoge kast.’ Niet verwonderlijk dat Celineke in een gezin waar ze bij een aantal bevallingen geholpen had, de familie- en de woonsituatie van die mensen door en door kende. ‘En als vroedvrouw word je lid van de familie’, was een van haar gekende uitspraken. Zij was bij een bevalling ook praktisch altijd vanaf het begin aanwezig en bleef daar ook de hele tijd en als ze dat nodig vond, bood ze ook achteraf nog hulp, soms tot lang daarna.. Als de barensweeën bij haar patiënte erg lang duurden of als de familie van de toekomstige jonge moeder wat al te vroeg geweest was bij het verwittigen van de vroedvrouw - iets wat meestal bij een eerste kind in een gezin gebeurde besloot Celine meer dan eens in het geboortehuis te overnachten. In onze 21ste eeuw is er over zwangerschap en bevalling heel wat meer informatie beschikbaar. Zo is er o.a. het internet. Wie daar gaat kijken leest er bijvoorbeeld: Wanneer contact opnemen met de verloskundige? ‘Neem contact op met de verloskundige als de vliezen zijn gebroken of als u denkt dat de bevalling begonnen is. Als u twijfelt, vragen heeft of behoefte heeft aan ondersteuning, mag u ook eerder bellen om te overleggen. De verloskundige is graag vroeg geïnformeerd. Zij kan u geruststellen en alvast inschatten wanneer u meer begeleiding nodig heeft. Bel direct, ook ‘s nachts of in het weekend: als de vliezen breken terwijl het kind nog niet is ingedaald, ga op bed liggen. Bel direct als het vruchtwater geelgroenig is, of als u blijvend of ruim bloed verliest (een beetje bloederig slijm is normaal), of als de bevalling begint vóór de 37ste week van uw zwangerschap.’ (Informatie overgenomen 17.02.13 van www.thuisarts.nl, ‘Ik wil thuis bevallen’) En toch, als het om een eerste bevalling gaat, en als je dat in zijn geheel leest, dan moet je toch besluiten dat zelfs met die modernste informatiebronnen, het nog altijd niet eenvoudig is om te zeggen: nú is het ogenblik daar dat de vroedvrouw zou moeten komen. Want je hebt van je nicht of een vriendin horen vertellen dat de ontsluiting of het opengaan van de baarmoedermond geleidelijk gebeurt bij elke contractie. Als de weeën beginnen is het tijdsinterval tussen twee weeën ongeveer 10 à 30 minuten en duurt elke wee ongeveer 40 tot 60 seconden. De samentrekkingen van de baarmoeder komen gedurende de bevalling met steeds kortere intervallen en worden sterker, langer en pijnlijker. Beetje bij beetje zal die baarmoedermond opgerekt worden tot die een diameter van ongeveer 10 centimeter heeft bereikt. 53
  • Maar de duur van de ontsluiting is lastig vast te stellen. Het kan zelfs zijn dat de zwangere zelf een groot deel van de ontsluiting niet eens opmerkt. En bijna steeds zal de ontsluiting bij vrouwen die nog nooit gebaard hebben langer duren dan bij vrouwen die al een of meerdere kinderen ter wereld brachten. Bij een eerste kind kan de pijn bij dit proces, versterkt door angst en stress, hevig zijn. Daarbij worden niet alleen de reserves van de moeder aangesproken, maar ook die van het kind. Bij de eerste bevalling duurt dit eerste stadium gemiddeld zo’n 24 uren. Maar er zijn natuurlijk soms grote verschillen, het kan ook in een uur gebeurd zijn of bij anderen kan het dagen duren. En het was niet enkel om niet over en weer te moeten rijden tussen haar huis en het adres waar de geboorte te wachten stond, maar zeker ook om de vrouw in barensnood door haar nabijheid gerust te stellen en in veel gevallen een hart onder de riem te steken, dat Celineke daar bleef overnachten en dikwijls meer waakte dan sliep. Celineke kon zichzelf wegcijferen en zich heel en al ten dienste stellen. En zij kon zich permitteren daar te overnachten. Zij was zelf ongehuwd en bij haar thuis was er altijd iemand aanwezig. Zo woonde haar moeder bij haar tot aan haar overlijden op 29 januari 1957 en later haar ongehuwde zus Margriet. Op 2 februari 1957 had de uitvaart van Celinekes moeder, Fien Staes, plaats. Hier wordt de kist van Fien buitengedragen uit het huis Schoolstraat nummer 13 waar ze samen met haar dochter gewoond had en waar daarna Margriet bij haar zuster kwam wonen. (Foto Omer Van de Vijver) 54
  • Ten dienste staan Niets was Celineke ooit te veel als het erop aankwam te helpen en die dienstvaardigheid vond ze een natuurlijk element in haar beroep en dat lijkt wel typisch voor vroedvrouwen. De eerste vastbenoemde en gediplomeerde vroedvrouw in de Kempen Clara Dresselaers (1898-1992) hielp 6 700 kinderen op de wereld komen in de streek rond Turnhout. Zij vertelde dat zij 62 jaar ‘diende’. Eigenaardig dat men daar toen sprak van ‘dienen’ en niet van werken. Ik heb dat ‘dienen’ in verband met vroedvrouwen in het Waasland nooit gehoord. Op ’t eerste gezicht klinkt dat een tikkeltje oneerbiedig omdat zoiets doet denken aan een ding, een werktuig dat zoveel tijd kan dienen of bruikbaar is. Maar het moet verstaan worden als ‘zich ten dienste stellen’, zich inzetten voor iemand. Denk aan dienstmeisjes. Als jonge meisjes vroeger bij welstellende burgers gingen inwonen en daar het huishoudelijk werk deden, dan hoorde je bij ons gewoon zeggen: ‘Mijn nichtje dient in de stad.’ Verschillende mensen wisten mij te vertellen dat Celineke via haar beroep van vroedvrouw in heel wat gezinnen een vertrouwenspersoon geworden was. Die hulp beperkte zich in verscheidene gevallen niet tot het moed inspreken of het geven van advies, maar zij was dikwijls ook een toevlucht als het financieel erg moeilijk ging. Vertrouwen was er vanwege de hulpbehoevende gezinnen omdat zij over hetgeen ze hun had toegestoken nooit een woord ging vertellen aan derden. Maar ook de rijkere mensen die Celine middelen toeschoven om te helpen, hadden het volste vertrouwen in haar. Zo noemde men mij een geziene Beverse familie die in de oorlogsjaren al hun rantsoenzegels aan Celine doorgaven met de mededeling: ‘Jij weet waar de nood het hoogst is. Help er die mensen mee. Aan ons moet je geen rekenschap over de besteding afleggen.’ En omdat dat ‘geven’ bij haar zo vanzelf en zo van harte ging, heeft ze er ook veel vriendschap en dankbaarheid voor teruggekregen. Dat bleek o.a. bij het overlijden van Gerdina Raaymakers op 31 oktober 1994. Zij was de weduwe van Honoré Pfaff en moeder van een groot gezin waaronder heel wat gekende voetballers. Toen zij opgebaard lag bij Begrafenissen Melis in Melsele, is een van de broers Celineke komen vragen of ze mee wilde gaan met alle kinderen Pfaff om hun moeder een laatste groet te gaan brengen. En dat is ook zo gebeurd. Celine werd eigenlijk als een familielid gewaardeerd bij die mensen. En volgens Louis, een van de oudere zoons Pfaff, was Celineke in 1963 hem en zijn broer Baptist, toen allebei gekende voetbalspelers bij Eendracht Aalst, komen vragen of ze Svelta Melsele wilden komen versterken voor een voetbalmatch tegen SK Beveren ter gelegenheid van de eerste Melseelse Aardbeifeesten. ‘En haar konden we niets weigeren’, zegde Louis. 55
  • Uit haar beginperiode gaat het verhaal over een kind dat in Kallo met haar bijstand geboren werd op sinterklaasavond. Om 23 uur was de echtgenoot haar komen verwittigen en samen reden ze per fiets van Melsele naar Kallo-polder. Op een gegeven moment werd de weg zo slecht dat Celineke vond dat ze beter hun fiets achterlieten op een boerderij. De tocht werd te voet verdergezet. In het kleine huisje brandden een petroleumlamp en de Leuvense stoof en de vrouw had zelf alles nog klaargezet voor de bevalling. In de kamer sliepen de andere twee kindjes van het gezin. Toen nummer drie luid krijsend op de wereld kwam, werd een van de slapertjes gewekt en die vroeg, met het hoofdje juist boven de rand van zijn bedje: ‘Papa, is die madame in ’t wit ook met Sinterklaas meegekomen?’ Celineke bood tien dagen hulp in dat gezin en ze kreeg van de man een haas mee die hij vanuit zijn keukenvenster geschoten had en de laatste dag werd ze nog verwend met een portie vers gevangen paling. Later hielp Celineke in dat gezin nog vijf kinderen ter wereld komen. In de Spoorweglaan in Melsele vertelt Lutgard mij een staaltje van Celines ‘zich ten dienste stellen’. Na de geboorte van haar vierde kind heeft deze vrouw een hele tijd met haar gezondheid gesukkeld. Gedurende zes maanden moest zij dagelijks een inspuiting krijgen. Een verpleegster van de Christelijke Mutualiteit kwam dat doen. Maar er was een probleem: die verpleegster deed dat alleen op de werkdagen. Toen Celineke dat vernam, kwam ze Lutgard zelf aanbieden dat zij dat uit vrije wil op zaterdagen en zondagen zou komen doen. Wat ook zo gebeurd is. Dat vele gezinnen dankbaar waren voor wat Celine voor hen ‘ter ere Gods’ had gedaan, bleek bij het familiefeest dat ze organiseerde voor haar 80ste verjaardag. Geschenken en geschenkjes, ze kwamen van alle kanten. Haar huis was tegen de avond van die bewuste dag met bloemen gevuld. Na de bevalling Na een geboorte wordt de navelstreng, die de baby met de placenta of moederkoek verbindt, afgeklemd en doorgeknipt. De baby wordt in een doek gewikkeld en op de buik van de moeder gelegd. In het boek ‘Dag Zuster’ van Mieke De Jaegher (11) staat het verhaal van een Vlaamse vrouw die in het buitenland woonde en voor haar bevalling naar haar eigen streek van afkomst was gekomen omdat ze graag door een bepaalde dokter waarin ze veel vertrouwen had, wou verzorgd worden. In afwachting van de komst van die dokter weigerde zij in de materniteit waar ze was binnengebracht, de hulp van een aanwezige vroedvrouw-kloosterzuster. Zij wou zelfs haar raad-gevingen niet volgen. Toen het kind zich aandiende was de arts er nog altijd niet en was het koppige moedertje blij dat ze door de vroedvrouw geholpen werd. 56
  • En dat mens was zo lief dat ze met de baby in een doek gewikkeld bleef wachten tot de dokter arriveerde. Ondertussen zette zij de moeder ertoe aan rustig te blijven doorademen, zo kreeg het kindje een gezonde kleur. De arts heeft de navelstreng mogen doorknippen. Vermits de persoon die het kind definitief van de moeder scheidt in feite de bevalling gedaan heeft, was de wens van de koppige kraamvrouw vervuld. De navelstreng ligt niet altijd zoals gewenst. ‘Zulke complicaties zijn altijd mogelijk, ook al heeft men er tijdens de zwangerschap geen weet van gehad. Het kan gebeuren dat de navelstreng zich om de nek van de baby bevindt, dit heet navelstrengomstrengeling, en geeft zelden problemen gedurende de zwangerschap. Tijdens de bevalling kan een omstrengeling, met name als de streng met twee lussen om de hals van de baby zit, een probleem geven bij de geboorte van het kind. De navelstreng wordt dan tijdens de bevalling aangetrokken om de hals. Daarom wordt voor elke bevalling eerst gecontroleerd of de navelstreng om de nek zit. De navelstreng wordt er dan meestal afgehaald, en als dat niet mogelijk is alvast afgenaveld of afgebonden voordat de baby verder geboren wordt. Als de navelstreng te strak zit, of te lang om de nek heeft gezeten tijdens de bevalling, kan de baby zuurstoftekort na de geboorte hebben. Het duurt vaak wat langer voor het kind gaat ademen of huilen. Ook kan de baby dan blauw zien, hetgeen een teken is van zuurstoftekort. Zuurstoftekort bij de bevalling kan gevolgen hebben voor de ontwikkeling van het kind. Veel kinderen die zuurstofgebrek hadden bij de geboorte hebben vaak een wat nerveus karakter, een wat gebrekkige motoriek, wat door fysiotherapie en sport weer grotendeels hersteld kan worden. De intelligentie wordt niet aangetast, met uitzondering van ernstigere gevallen.’ (Info verkregen via nl.wikipedia.org/wiki/Navelstreng op 5/2/2013) Meestal was de aanwezigheid van de vader door Celineke niet zo erg gewenst in de omgeving van het kraambed. Als hij na de geboorte binnenkwam om zijn nieuw zoontje of dochtertje te bewonderen, ontving hij de felicitaties die zijn vrouw al eerder had gekregen. Maar hij moest ook aan het werk: de placenta (moederkoek of nageboorte) moest buitengebracht worden. Bij sommigen werd die nageboorte in de aalput geworpen en anderen begroeven die in een kuil op de hof. Soms moest de vader stevig aan het werk want bij vrieskou een put maken was serieus werk. De moederkoek slechts oppervlakkig begraven was niet aangewezen want het was niet de eerste keer dat een ondiep begraven placenta door katten of honden blootgelegd en aangevreten werd. Dikwijls werd op die plek een paar dagen later een jong boompje geplant. Ondertussen kreeg de moeder na de bevalling een stevige buikband omgebonden, die men men ook een sluitlaken noemde. Dat gebruik bleef in voege tot ongeveer het jaar 1970. Het was bedoeld om de buikspieren te ontzien in de eerste dagen na de bevalling. Tijdens de bevalling waren die buikspieren een beetje uiteengeweken 57
  • en na de bevalling kon de baarmoeder gaan rollen door de vrijgekomen ruimte die er nu in de buik was. Die buikband werd zeer strak aangespannen om te zorgen dat alle organen op hun plaats bleven en men dacht zo de buikspieren aan te sterken. De moeder mocht ook niet inslapen voor ze gewaterd had. Zij kreeg ook tot het einde van WO II de dwingende raad om de eerste negen dagen niet uit bed te komen. De bereiding van een stevige bouillon kon de kraamvrouw weer op krachten brengen. In andere families werd het eten van jonge duif ook aangeprezen als erg kloek. Het volksgeloof vreesde speciaal de negende dag, soms meer dan de bevalling zelf. Dan sluit de baarmoeder en komt alles weer op zijn plaats. Ook kon de kraamvrouwenkoorts tot negen dagen na de bevalling optreden. Dat was een infectieziekte bij de kraamvrouw, een ontsteking der baarmoeder en omliggende delen, veroorzaakt door een infectie met een streptococcus. Na WO II verandert geleidelijk die periode van bedlegerigheid en moet de kraamvrouw vroeg uit bed om aderontstekingen (flebitis) te vermijden. In de regel verliet de vroedvrouw de moeder ook niet zonder dat de borstvoeding op gang gekomen was. Tijdens het interbellum maakt de kunstmatige voeding in de zuigfles of papfles opgang. Over de voeding van de zuigeling las je meer in hoofdstuk 2. Vroedvrouw Celine moest ook weleens als psycholoog optreden. Nogal wat vrouwen krijgen het moeilijk de derde of vierde dag van het kraambed. Zij zijn dan heel emotioneel en kunnen plotseling in huilen uitbarsten. Zo’n dag is heel gewoon en is het gevolg van alle nieuwe indrukken en alle lichamelijke veranderingen die er plaatsvinden zoals verandering in hormonen, stuwing en soms nog hechtingen. Een bevalling is zowel lichamelijk als geestelijk een enorme ervaring. Voor de meeste vrouwen geldt dat zij binnen enkele weken lichamelijk weer redelijk opgeknapt zijn. Ook geestelijk lukt dat bij de meesten snel. Maar sommigen blijven geestelijke klachten hebben en kunnen niet blij zijn met hun baby, ze ‘zitten niet lekker in hun vel’ en merken dat elke inspanning gedurende de dag eigenlijk te veel voor hen is. Men spreekt dan van een postnatale depressie, die in de meeste gevallen goed te behandelen is met medicatie. Naamgeving Ondertussen was de vader wel al naar het gemeentehuis gegaan om de geboorte van de nieuwe wereldburger aan te geven. Gewoonlijk kreeg het kind daar de voornaam die hij of zij het hele leven zou dragen. Bij sommigen werd later die naam in meer modieuze afkortingen of varianten veranderd. Dat was dan de roepnaam, de courant gebruikte naam die een vervorming van de oorspronkelijke was. Een ‘Jozef’ bleef officieel, op papier dus, een Jozef, maar hij werd soms een Jo en bij anderen werd dat Jef. Bij te lange voornamen was het verantwoord om een kortere roepnaam te gaan gebruiken. 58
  • Marie-Louise werd dan Wies, Helena werd Leen en Boudewijn werd Bo. Dat laatste leek op afkorten tot er (bijna) niets meer van overbleef. Ik werd Roger genoemd. Toen ik eens aan mijn moeder vroeg waarom ze die naam gekozen had, zegde ze dat het was omdat je daar weinig aan kunt veranderen. Ik had een meer romantische uitleg verwacht. Dus heet ik nog altijd zo. Op de lagere school ondervond ik dat nogal wat leeftijdsgenoten die naam hadden gekregen. Het zal dus wel een modeverschijnsel geweest zijn in de jaren ‘30. En met de verdere officieel opgeschreven voornamen was het bij mij gesteld zoals in de meeste families in het interbellum, veronderstel ik. Ik kreeg als tweede naam die van mijn grootvader langs vaders zijde en als derde die van mijn grootmoeder langs moeders kant. Dat was toen vaste gewoonte bij een eerste kind in een gezin en het waren ook deze twee mensen die mijn dooppeter en doopmeter geworden zijn en waar ik tot aan mijn plechtige communie ‘om mijne nieuwjaar’ (mijn nieuwjaarsgeschenk) mocht komen. Als blijvende herinnering aan hen staan ze nog altijd mee vermeld op mijn identiteitskaart Roger, Frans, Justine. Al hebben ze in deze computertijd van die grootmoeder alleen maar de beginletter J vermeld. In het trouwboekje daterend van 1908 worden geen adviezen gegeven wat betreft de naamgeving van het kind. In het trouwboekje 1937 wordt het volgende vermeld: ‘Ten aanzien der voornamen moet den ambtenaar van den Burgerlijke Stand zich gedragen naar den wensch van den aangever, ook wat de taal betreft waarin de voornamen worden opgegeven, voor zooverre echter deze voornamen in den kalender of in het oude Testament voorkomen of historische namen zijn. Namen van afgetrokken zaken - daarmee bedoelt men niet zintuiglijk waarneembare dingen, abstracte begrippen dus, zoals: liefde, wijsheid, trouw, genegenheid - zullen niet toegelaten worden. Maar de ambtenaar van den Burgerlijke Stand mag de zaken, ten aanzien van zekere voornamen, nogal ruim opvatten, indien zij niet vreemd aandoen. Men vermijde aan pasgeboren kinderen voornamen te geven, die hun broeders of zusters reeds bezitten - het gebeurt soms dat twee zusters Maria en Marie of Johanna en Johanna-Maria heetten - of aan jongens meisjesnamen te geven en omgekeerd.’ In de trouwboekjes van 1962 en 1987 worden dezelfde adviezen gegeven, zij het iets anders geformuleerd. En nu in de 21ste eeuw was er een richtlijn: ‘De gekozen voornaam moet effectief bestaan, mag niet schaden, noch aanleiding geven tot verwarring. De ambtenaar weigert absurde of aanstootgevende voornamen, een voornaam die niet met het geslacht overeenkomt, allerlei verkleiningen en troetelnamen.’ Maar ondervinding leert dat die richtlijn door nog weinig ambtenaren van de Burgerlijke Stand gevolgd wordt. Je kan je kind tegenwoordig een naam geven waar vroeger geen denken aan was. 59
  • Het is zover gekomen dat bepaalde pastoors die aan de gemeente de namen vragen van de kinderen die tot de voorbereiding van de Plechtige Communie zullen uitgenodigd worden, de bijkomende vraag stellen om de jongens en de meisjes op een aparte lijst te zetten, omdat uit de namen het geslacht soms niet meer af te leiden is. En hoeveel tijd mag er verlopen tussen de geboorte en de aangifte op het gemeentehuis? In het huwelijksboekje van de gemeente Melsele uit 1908 lezen we: ‘De aangiften van geboorten moeten gedaan worden binnen de drie dagen der bevalling. De geboorte moet aangegeven worden door den vader, of bij zijn ontstentenis, door den geneesheer, de vroedvrouw of allen anderen persoon die bij de bevalling tegenwoordig is geweest, en, als de moeder bevallen is buiten hare woonst, door den persoon bij welken zij in het kraam is gekomen, d.i. bij wie zij is bevallen’. ‘De ontstentenis der aangifte, binnen het voorgeschreven tijdperk, maakt dat deze personen kunnen getroffen worden door eene gevangenzitting van 8 dagen en eene boet van 26 fr. tot 200 fr., of slechts van eene der straffen.’ ‘De aangever, bijgestaan door twee getuigen, bloedverwanten of anderen, zal zich naar het gemeentehuis begeven. Hij zal den huwelijksact voorleggen, als het een wettig kind is; de geboorteacte en den bulletijn van woonst der moeder, als het een onecht kind is.’ ‘Het onecht kind, alhoewel ingeschreven in zijnen geboorteact onder de naam zijner moeder, wordt slechts door haar wettig erkend ten gevolge eener uitdrukkelijke verklaring, die zij ten allen tijde kan doen, zonder kosten voor den ambtenaar van den burgerlijken stand’. Met de ‘huwelijksact’ uit voorgaande tekst wordt het huwelijksboekje bedoeld en in feite is het overbodig die verplichting te vermelden, vermits in al deze boekjes te lezen staat dat het moet aangeboden worden bij elke geboorte of sterfgeval en ook bij adresverandering. In het huwelijksboekje van 10 september 1937 staat vermeld dat de aangifte van geboorte moet gedaan worden ‘aan den plaatselijken ambtenaar van den Burgerlijken Stand en in tegenwoordigheid van twee getuigen, binnen drie dagen na de bevalling, Zondagen en daarmee gelijkgestelde dagen medegerekend.’ Eigenaardig klinkt dan weer de formulering over hetzelfde onderwerp in ons eigen trouwboekje, gekregen van de gemeente Beveren op 14 juli 1962. Daar staat onder de rubriek Akten van Geboorte op p. 20 dat de aangifte moet gedaan worden aan de plaatselijke ambtenaar van de Burgerlijke Stand: het kind moet hem vertoond worden. 60
  • Pas nu besef ik dat ik op gebied van burgerplichten flink in gebreke ben gebleven. Ik heb geen enkele van mijn drie kinderen meegenomen naar het Beverse gemeentehuis om de aangifte te doen. In trouwboekjes van 1908, 1937 en 1987 staat geen verplichting dat het kind moet vertoond worden aan de plaatselijke ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Waarschijnlijk is die zinsnede ‘het kind moet hem vertoond worden’ in die uitgave van 1962 bij toeval in de tekst gesukkeld. Ik heb ook nooit gehoord dat iemand op die verplichting gewezen is. In 1908,1937 en 1962 was de aangifte van geboorte verplicht te doen binnen drie dagen na de bevalling. In 1987 is de aangiftetermijn op 15 dagen gebracht. Het doopsel Praktisch alle kinderen werden ten tijde van Celinekes actieve loopbaan gedoopt. Dat gebeurde dan meestal in de kapel van de kliniek, als de baby geboren was in de materniteit. Ons eerste kind, een dochter, mocht al meteen prachtig uitgedost worden, want mijn vrouw had van haar trouwjurk een doopmantel gemaakt. Omwille van de negen dagen verplichte bedrust was de moeder daar niet bij aanwezig. Dikwijls droeg de vroedvrouw dan de dopeling en als er geen vroedvrouw bij de geboorte betrokken was, dan gebeurde dat door een zus of schoonzus van de moeder. En wat als het doopsel doorging in de parochiekerk? Dan had je een probleem. Iedereen had op school in de catechismusles geleerd dat het kind binnen de drie dagen gedoopt moest worden, want bij een eventueel overlijden zou het anders gedoemd zijn tot een eeuwig verblijf in het voorgeborchte. Wat dat laatste ook mocht zijn, het was in elk geval iets dat moest vermeden worden. Maar die bepaling is in tegenspraak met de ‘Raadgevingen aan de huismoeders’ in het huwelijksboekje van 1937: ’s Zomers mag het kind slechts op het einde der eerste week, ’s winters op het einde der zesde week, buitenkomen, en dan nog enkel bij schoon weder en zachte luchtgesteldheid. Men zal de theorie van het huwelijksboekje, ‘dat het kind in de winter slechts na zes weken buiten mocht komen’ zeker niet gevolgd hebben. Het doopsel ging door. En er werd vanaf de geboortedag getrakteerd met suikerbonen of doopsuiker. Die laatste naam komt nog van het gebruik dat de genodigden pas bij het doopsel suikerbonen kregen, meestal betaald door peter en/of meter. Vroeger kwamen die suikerbonen na de doop uit een tweede, dus een schone luier. Spottend heb ik die nog ‘kinnekeskak’ horen noemen. 61
  • Later waren de suikerbonen steevast verpakt in puntzakjes. Ik heb mijn vrouw voor de geboorte van een van onze kinderen nog mandjes van pitriet weten vlechten om het doopsuiker origineel te verpakken en een andere keer maakte ze beursjes van de voile van haar trouwjurk om die met suikerbonen te vullen. Tegenwoordig is het doopsuiker verpakt in zakjes, doosjes, flesjes …in allerlei kleuren en vormen. De suikerboon is symbool voor het nieuwe leven en voor de vruchtbaarheid. Het is een amandelnoot omgeven door een laagje suikerglazuur Een variant is de suikerboon waar de noot vervangen is door chocolade. Enige weken na het doopsel van het kind was er tot het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) de kerkgang van de jonge moeder. ‘De moeder ging dan met het kindje naar de kerk en werd daar achteraan in het gebouw door een priester ontvangen. De moeder kreeg een brandende kaars en over haar andere arm en het kindje werd een scapuliermedaille, symbool van de toewijding aan Maria gelegd. Daarna leidde men de moeder naar het Maria-altaar en na het uitspreken van de passende gebeden werd de moeder als gezuiverd beschouwd’. (‘Dag Zuster’ van Mieke De Jaegher) (11) In de nood mag en moet iedereen dopen Soms is dat doopsel een probleem. ‘Over het dopen van borelingen, maar vooral van vroeggeborenen en al dan niet opzettelijk afgestoten en afgedreven vruchten, is heel wat te doen. De Kerk laat er zich mee in en ook iedereen die zich in de buurt van het kraambed bevindt, wordt geacht te weten wat te doen’, schrijft Diane De Keyzer in hoofdstuk 6 van ‘De engeltjesmaaksters’. (12) Om niets aan het toeval over te laten verschijnt op 17 april 1902 in opdracht van de aartsbisschop van Mechelen, kardinaal Petrus Lambertus, een brochure met onderwijzingen om nieuwgeborenen te dopen. Al op de eerste pagina van zijn Onderwijzingen aangaande de manier van de nieuwgeborene kinderen te doopen ten gebruike van vroedmeesters en vroedvrouwen is meteen duidelijk waarom dopen zo van belang is. ‘‘De liefde legt ons een strenge plicht op van zorgvuldig te vermijden dat er een kind door onze schuld kome te sterven zonder het doopsel ontvangen te hebben; ja zelfs van al de middelen te gebruiken die in onze macht zijn om het kind te voorzien van dit H. Sacrament, als zijnde het enige en noodzakelijke middel om van de vlek van de erfzonde gereinigd te worden, en het geluk des hemels te bekomen’ (13). In drie ‘onderwijzingen’ krijgen vooral vroedmeesters en vroedvrouwen in vraag-en antwoordvorm raad in deze heikele kwestie. Ik kan mij onmogelijk voorstellen dat Celineke in haar opleiding bij de Zusters van Liefde in de verpleegstersschool van de kliniek Sint-Vincentius in Antwerpen deze teksten niet zal moeten bestuderen hebben. Zeker heeft ze deze ‘onderwijzingen’ woordelijk gekend zoals wij de antwoorden op onze catechismusvragen kenden bij onze Plechtige Communie. 62
  • Eerste onderwijzing van de manier om de nieuwgeborene te dopen. Vraag: Mogen vroedmeesters en vroedvrouwen altijd de nieuwgeborene kinderen dopen? Antwoord: Neen, zij mogen dat maar doen in de nood, dit wil zeggen, als het te vrezen is dat er een kindje kome te sterven vooraleer men het hebbe kunnen naar de kerk dragen, of een priester roepen om het te dopen. V. Wat te doen als het kind dat ter wereld komt, geen teken van leven geeft? A. Zo dikwijls men geen zekerheid heeft dat het kind dood is, moet men dopen op conditie: ‘Is het dat gij leeft, ik doop u. Enzovoort.’ V. Welke woorden moet men uitspreken in het doopsel? A. Men moet, terwijl men de afwassing doet, de volgende woorden duidelijk uitspreken: ‘Ik doop u in de naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes.’ Tweede onderwijzing van de manier van de kinderen te dopen in het lichaam van de moeder . V. Zijn de vroedmeesters en vroedvrouwen somtijds verplicht een kind te dopen dat nog in het lichaam zijner moeder is? A. Ja, als het te vrezen is dat het kind zal sterven voor de geboorte; hetgeen plaats heeft zo dikwijls als de arbeid van lange duur is, of vergezeld van merkelijken bloedloop of baarkrampen; ook zo dikwijls als de moeder niet natuurlijk baren kan, en daartoe vroedkundige operatiën nodig zijn. Komt in dat geval de voet of de arm van het kind te voorschijn, de vroedmeester of de vroedvrouw mag niet nalaten hetzelve op dat lidmaat te dopen. Vertoont het kind geen hoegenaamd lidmaat, men moet het trachten te dopen in het lichaam zijner moeder, een genoegzame hoeveelheid lauw water gebruikende en bij middel van een spuit of van een doek het kind wassende, terzelfder tijd dat men de woorden uitspreekt. Wanneer men eerst maar de vliezen had gewassen, en naderhand het lichaam van het kind en bijzonderlijk het op zijn hoofdje zou kunnen dopen, dan moet men het doopsel op conditie herhalen; en als het kind geboren wordt, moet men het nog eens dopen: omdat het doopsel in het lichaam van de moeder enigszins twijfelachtig is. Derde onderwijzing van de manier van de onvoldragen vruchten te dopen. De vroedmeesters en vroedvrouwen moeten wel in acht nemen, dat volgens het gemeen gevoelen der hedendaagse godgeleerden de menselijke ziel met het lichaam verenigd wordt van het ogenblijk der ontvangenis. Hieronymus Florentini die omtrent het midden der achttiende eeuw over het dopen der onvoldragene vruchten een zeer geleerd werk heeft uitgegeven, houdt het voor waarschijnlijk dat de vrucht bezield wordt onmiddellijk na de ontvangenis. Hij leert ingevolge, dat men op doodzonde verplicht is de vrucht te dopen, 63
  • al ware zij niet groter dan een graantje gerst. De reden die hij daarvan geeft is gans overtuigend, te weten dat die vrucht waarschijnlijk bezield is, dat is, begaafd met een onsterfelijke ziel en besmet met de erfzonde, zodat men het doopsel achterlatende, dezelve in de zonde laat sterven, en haar van de hemelse glorie berooft. ’t Kan niet genoeg betreurd worden dat er zo vele personen onwetend zijn in de plichten die zij te kwijten hebben ten aanzien der onvoldragene vruchten. V. Moet men de onvoldragen vruchten dopen? A. Men moet ze allen dopen, op wat tijdstip der dracht zij ook afkomen, als het maar niet zeker is dat zij dood zijn. Want volgens het bovengezegde wordt de vrucht waarschijnlijk bezield op het ogenblik der ontvangenis. Heeft zij de gedaante van een menselijk lichaam en geeft zij tekens van leven, dan moet men ze dopen zonder daar een conditie bij te voegen. Is de gedaante twijfelachtig, men moet er bijvoegen of eronder verstaan: ‘Is ’t dat gij bekwaam zijt om het doopsel te ontvangen, doop ik u’ enzovoort. Geeft de vrucht geen tekens van leven, men moet ze toch dopen, daarbij voegende: ‘Is ’t dat gij leeft,’ want de ondervinding heeft geleerd dat zij dikwijls vol leven zijn. Men moet dan dopen zo dikwijls als er geen zekere tekenen van de dood zijn, bijvoorbeeld de verrotting. V. Hoe moet men een onvoldragen vrucht dopen die nog in de vliezen besloten is, gelijk het dikwijls gebeurt? A. Men moet spoedig de vliezen breken en de vrucht zelve dopen, tenzij men het geraadzaam vindt uit voorzichtigheid eerst op de vliezen te dopen. In dit geval moet men daarna de vliezen breken en opnieuw dopen, mits erbij te voegen: ‘Is ’t dat gij niet gedoopt zijt ,’ enzovoort. Dit tweede doopsel geschiedt omdat het twijfelachtig is of het eerste doopsel goed geweest is, aangezien het water de vrucht niet onmiddellijk heeft aangeraakt. Is de vrucht zo klein dat zij op de gewenste manier niet kan gedoopt worden, men giet wat lauw water in een telloor en men doopt de vrucht bij wijze van indompeling, zorg dragende van ze uit het water te nemen, nadat men de woorden des doopsels uitgesproken heeft. NB Heeft er een miskraam of dergelijk ander toeval plaats, men moet zich wel wachten van alle stof die waarschijnlijk een vrucht in zich zou kunnen bevatten, zonder onderzoek weg te werpen. Welkdanig ook de stof zij, men moet met zorg onderzoeken of men er geen vrucht meent in te herkennen, en in dit geval moet men dezelve dopen ingevolge de bovenstaande regels. V. Moet men de misvormde vruchten dopen en degenen van welke men twijfelt of zij een menselijke gedaante hebben? A. Men moet in ’t algemeen al de menselijke vruchten dopen, hoe lelijk zij ook misvormd zijn. In geval van twijfel kan men erbij voegen: ‘Is ’t dat gij bekwaam zijt om het doopsel te ontvangen,’ enzovoort. Heeft er een vrucht twee hoofden, men moet ze beiden een voor een dopen. (13) 64
  • Tijdens en ook na haar studies in de verpleegstersschool van de kliniek Sint-Vincentius heeft Celine met deze regels, die ons nu als vitterig voorkomen, te maken gekregen want ‘de kwestie van het dopen, ook van ongeboren kinderen die dreigen te sterven in de baarmoeder, houdt de Kerk en de medische wereld bezig, zeker nog tot in de late jaren 1930’.(12) Voorgaande regelgeving uit 1902 in opdracht van de aartsbisschop van Mechelen werd nog eens uitdrukkelijk bevestigd in 1922 door de jezuïet R.P. Hoornaert, de arts Declairfayt en de advocaat A. Hoornaert in hun schrijven ‘Baptême d’urgence’ (Nooddoop) met nieuwe maar gelijklopende richtlijnen voor de ouders, artsen en vroedvrouwen van België.’ Hierin wordt nog eens gesteld dat het doopsel onmisbaar is om in de hemel te komen. Kinderen die niet gedoopt zijn, zullen niet naar de hel gaan, maar ook niet naar de hemel. De leer van de Kerk beriep zich hiervoor op de evangelietekst van Johannes III, 5 : ’Jezus antwoordde: ‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, indien iemand niet uit water en de Heilige Geest wordt geboren, kan hij het koninkrijk Gods niet binnengaan.’ We moeten een kind dopen, ook als het lang voor de termijn geboren wordt en nog zeer weinig ontwikkeld is, omdat God ons niet onthuld heeft op welk moment Hij tussenkomt om de foetus van een spirituele ziel te voorzien’. Het lot van ongedoopte kinderen In het trouwboekje van 1908 stond op p. 19 vermeld: ‘Ongeveer het vierde deel der kinderen sterven alvorens hun eerste jaar bereikt te hebben’. Bij heel wat van die vroeg gestorven kinderen gebeurde dat in de eerste uren van hun bestaan. Het gebeurde ook frequent dat een kind stierf bij de bevalling van de moeder of meteen daarna en Celineke moet verschillende keren geconfronteerd geweest zijn met de paniek in diepchristelijke families waar van ongedoopt overlijden geen sprake kon zijn. Ongedoopte kinderen werden niet in de gewijde aarde van het kerkhof begraven, maar in ongewijde grond op een gemeenschappelijke plaats binnen of buiten de kerkhofmuren. Ze werden alleszins in een uithoek begraven. Op dit ‘heidense kerkhof’ kwamen terecht: goddelozen, moordenaars, zelfmoordenaars, ketters, overspeligen en …aborterende vrouwen.’ (Diane De Keyzer in hoofdstuk VI van ‘De engeltjesmaaksters’) En op p. 209 gaat ze erover verder: ‘In het volksgeloof duikt de angst voor wat er gebeurt met niet-gedoopte kinderen op in verhalen en sagen. Katrien Van Effelterre onderzocht in haar doctoraalproefschrift onder andere het fenomeen van de dwaallichtjes. Dwaallichten (afhankelijk van de regio ook: stallichten, stalkaarsen, dwaaslichten en doodskaarsen) worden in de regel als de rusteloze zielen van dode kinderen voorgesteld. Nog vaker waren het de zieltjes van ongedoopte kinderen die gedoopt wilden worden. Ze manifesteerden zich als dansende, vaak blauwige vlammetjes op kerkhoven en boven moerassige weiden.’ (12) De zieltjes van de ongedoopte kinderen waren gedoemd om tot het einde van de wereld rond te dwalen, tenzij iemand hun het doopsel wilde toedienen. 65
  • Daarom bewogen ze heen en weer en poogden ze ’s avonds de mensen naar een water of moeras te lokken, om daar gedoopt te worden. Men moest er echter wel op letten te zeggen: ‘Ik doop u alleen.’ Zo niet kwamen er honderden toegevlogen en kreeg men nooit gedaan….Voor dit lichtfenomeen bestaat uiteraard een rationele verklaring. Dwaallichten ontstaan meestal uit de langzame ontbranding van gassen en uit de fosforescentie van dampen die vrijkomen bij verrottingsprocessen. Dat dergelijke lichtverschijnselen vaak optreden in de buurt van moerassen, boomstronken en kerkhoven hoeft niet te verbazen.’ (14) De lezer zal misschien denken dat we afdwalen van ons onderwerp en dingen zitten aan te halen uit lang vervlogen tijden. Maar dan moet je weten dat Diane De Keyzer een tragisch voorval uit 1963 aanhaalt van een doodgeboren voldragen kind in het Hasselts Sint-Jozefhospitaal. De vader heeft het kind kunnen zien, de moeder niet. Een verpleegster heeft het kind weggenomen en niemand weet waar het lichaampje beland is. Het was niet gedoopt, had geen naam en staat niet in het trouwboekje van dat echtpaar. Een tragedie voor die mensen. (12) Het leven van moeder of kind redden? Kan je je het gewetensprobleem voorstellen van een diepgelovige vrouw als Celineke wanneer zij als vroedvrouw geconfronteerd werd met de kritieke situatie waarbij het voortzetten van een zwangerschap of in een later stadium de voortzetting van een aan de gang zijnde geboorte levensbedreigend was voor de moeder? Wiens leven diende gered te worden en wiens leven opgeofferd? Wetende dat de katholieke kerk elke verhindering of afbreking van een zwangerschap als regelrechte kindermoord beschouwde, zoals Paus Pius XI het in zijn encycliek over het christelijk huwelijk ‘Casti Connubi’ verwoordde: Hoezeer Wij medelijden hebben met de moeder, die ten gevolge van het vervullen van haar natuurplicht, door ernstige gevaren bedreigd wordt in haar gezondheid en zelfs in haar leven, maar welke reden kan ooit krachtig genoeg zijn om, hoe dan ook, de directe moord op een onschuldige te rechtvaardigen? Want daarover gaat het hier. En of nu de moeder dan wel het kind gedood wordt, het is tegen Gods gebod en de stem der natuur: ‘Gij zult niet doodslaan.’ Het leven immers van beiden is even heilig. Daar de hand aan te slaan kan nooit geoorloofd zijn, zelfs niet aan het staatsgezag. Het is een dwaasheid deze macht op te eisen tegen onschuldigen op grond van een recht over leven en dood, dat alleen geldt tegen misdadigers.’(14) 66
  • Volks- en ander bijgeloof Ghij die genegen sijt, om saet te mogen winnen Hebt geen wanschapen dier, geen monster in de zinnen. Stelt liever voor het oog, wanneer gij vruchten teelt, Een schoon, een geestig kint, een aardig menschenbeelt. Hierdoor is wel gebeurt, dat van een leelick paer Men wert, oock tegen hoop, een aerdig kint gewaer. (Jacob Cats, Nederland 1577-1660) Leugentjes om bestwil ‘Ze noemden de dingen bijna nooit echt bij hun naam’ Ik hoor het de zoon van Celinekes vriendin Lucie nog zeggen toen we het in het 4de hoofdstuk over de ‘weeën’ hadden, die ‘pozen’ werden genoemd. En aan de manier waarop hij het zei hoorde ik dat hij, net als ik en andere kinderen van onze generatie, over ‘die dingen des levens’ telkens met een kluitje in het riet gestuurd werden. Want begrepen we alles nog niet, dan werd op de koop toe tegenover ons helemaal in raadsels gesproken. En durfde je als kind dan toch een pertinente vraag te stellen, dan kreeg je een antwoord als ‘Je moet niet zo curieus zijn’ op je brood. Maar zeg nu eerlijk, als je tegen een kind zegt dat hij of zij niet nieuwsgierig mag zijn, dan wakker je juist die nieuwsgierigheid aan. En gelukkig maar, dat kinderen nieuwsgierig waren en nog zijn, hoe zouden ze anders iets kunnen bijleren? Maar als het vroeger over seks, zwangerschap of bevalling ging, dan werd de grootste geheimhouding in acht genomen. Maar meestal konden die vragen worden voorkomen door op zo’n momenten de andere kinderen in het gezin te zeggen dat ze bij de buren mochten gaan spelen of bij een tante die zich ontfermde over hen. Maar soms zat die dan met die ‘lastige vragen’ opgescheept. Naar men zegt zouden het vooral de vroedvrouwen geweest zijn die dikwijls een voor kinderoren passende uitleg verzonnen. Olivienne Daenekindt, een weduwe van 65 jaar, vertelde volgend verhaal in augustus 2009 aan Benedict Wydooghe (7) over de geboorte van haar broertje in 1948 zoals zij dat beleefde toen zij zelf 3 à 4 jaar oud was. De genoemde vroedvrouw Marcella was de grootmoeder van Benedict. ‘Ik zie Marcella, de vroedvrouw, naar beneden komen met een kind in haar handen. Boven was moeder net bevallen, maar dat wist ik niet. Ik kon alleen maar denken, wat een vuil kind. Ik zei tegen de vroedvrouw dat het er maar erg lelijk uit zag. Ik had eigenlijk nooit een kind gezien, zo vers, de navelstreng pas doorgesneden. Dokter Speibrouck is in huis. Hij is nog boven terwijl Marcella beneden komt om het kind in de keuken te wassen en te verzorgen. Marcella dient me van antwoord. ‘Natuurlijk is het kind vuil, het is pas uit de tas van dokter Speibrouck gevallen. Zo’n vuile tas. Dat kan niet missen’, zei ze.’ 67
  • Als Olivienne aan de vroedvrouw vraagt waarom haar moeder tien dagen lang in bed blijft, zegt die dat ze zich aan haar been bezeerde. Controleren mag. Als vierjarige gaat ze het been van de moeder bestuderen. Er hangt werkelijk een slunse (een vod) rond. Dat was afgesproken spel tussen moeder en vroedvrouw.(7) Klassiek bij ons thuis op het einde van WO II en erna was dat de baby’s met de ‘kindjesboot’ gebracht werden. Je kon daar je kindje gaan uitkiezen. Bij mensen die aan een kanaal of rivier woonden was deze ‘kinderboot’ als oorsprong van nieuw leven het meest in trek en ook bij ons lag dat voor de hand. In elke straat van Melsele of Beveren was wel iemand gekend die met ‘zo’n boten’ vertrouwd was door zijn werk in en om de Antwerpse haven, hetzij als natiebaas, hetzij als havenarbeider of scheepshersteller. Dikwijls was het de Congoboot die in dat verband genoemd werd. Die maakte reizen naar een geheimzinnig ver land en raar genoeg gaf dat bij ons in de familie, voor zover ik weet, nooit aanleiding tot de vraag waarom er dan bij ons geen zwarte kindjes rondliepen. En waarom lag de moeder na de geboorte te bed? Zij had zeer lang op de boot moeten wachten en wie lang in de kou staat, die krijgt natuurlijk een serieuze verkoudheid. Waren wij toen te dom om verder te denken en te vragen? Of kan het zijn dat we merkten dat de volwassenen die ons zoiets vertelden zich niet op hun gemak voelden en hadden wij zoveel respect en schroom om niet verder door te vragen over die eerder mysterieuze materie? Een ander verzinsel was dat de kindjes uit de bloemkolen of andere koolplanten in de tuin kwamen. Was dat soms omdat kolen zo snel groeiden? En zeg nu zelf, een welgevormde witte kool of een savooi (in andere streken groene kool genoemd) leek wel een beetje op een kinderhoofdje. Cartoon van Aimé Van Avermaet bij hoofdstuk over Celine Van Geertsom in het boek ‘Beverenaars van de Twintigste Eeuw.’ (1) 68
  • Dat de ooievaar de kindjes bracht, was een uitleg die ook gehoord werd. Als daarbij een vervolgvraag kwam in de trant van ‘Waarom moet ons moeder nu in bed blijven?’, dan klonk het nogal eens gemakkelijk dat het kindje in een doek gewikkeld afgeleverd was door die grote vogel, die daarna de moeder met zijn snavel in haar been gepikt had, zodat zij een tijdje moest rusten tot haar been genezen was. Raar toch dat wij als kind in onze streken nooit een ooievaar te zien hadden gekregen. Wij jongens hadden die weleens een lesje willen leren. Niet om dat broertje of zusje dat hij gebracht had, maar wel om die brutaliteit van ons moeder te verwonden. Valeer Wouters beweerde in zijn artikelenreeks ‘Van de Wieg tot het Graf’in Levend Land rond 1980 dat de ooievaar als kinderbrenger bij ons zou ‘ingevoerd’ zijn door Duitse soldaten in 1914-1918. Deze langsnavel werd ook algemeen als ‘geluksvogel’ aangezien. (20) Of het nu waarheid of verzinsel is, dat het vooral de vroedvrouwen geweest zijn die zulke uitleg verzonnen, kan ik moeilijk bevestigen of ontkennen. Maar dat ze, beroep doend op hun ervaring in zoveel gezinnen waar ze met een bevalling te maken hadden, links en rechts al eens een stotterende vader of een van onhandigheid blozende moeder ter hulp schoten met een min of meer aanvaardbare uitleg om hen uit de nood te helpen als een van de kinderen een ‘lastige vraag’ stelde, kan ik best geloven. Ook wist die vroedvrouw doorgaans niet in hoeverre die kinderen ‘voor-gelicht waren over het leven’ en vond zij dat het geven van die kinderlijke uitleg toch gewoonlijk het beste was omdat van voorlichting toen zeer zelden sprake was. Bij volle maan De vroedvrouw was buiten de gynaecoloog en de huisdokter de enige die vakkundig onderlegd was om over bevallingen te praten. Je zou verwachten dat zij over dat onderwerp de vele bakerpraatjes en ‘fabeltjes’ die ook onder volwassenen de ronde deden, deskundig konden weerleggen. Maar wie nam daar de tijd voor? Een paar oudere dames uit mijn kennissenkring houden nog steeds vast aan een volkswijsheid die ze wellicht in hun jeugdjaren hebben gehoord en die een hardnekkige overlever blijkt te zijn. Het is hun overtuiging dat er bij vollemaan meer baby’s geboren worden dan anders. Ik wil die mensen niet ontmoedigen maar wetenschappelijk is er niet de minste aanwijzing dat zoiets kan. Ik vond ook meer dan een weerlegging van die bewering op statistische basis. Een onderzoek met een van de langste registratieperiodes had plaats in North Carolina (VS). Bij die studie werden 564.039 geboorten geregistreerd tijdens 62 maancycli tussen 1997 en 2001. En wat bleek? De maan heeft geen enkele invloed op het ogenblik van de geboorten. (21) Even later in 2002 verscheen er een artikel in de Brazilian Journal of Medical and Biological Research en dat vermeldde dat er ongeveer evenveel onderzoeksresultaten zijn die concluderen dat er zo’n verband is als onderzoeken die besluiten dat er helemaal geen verband is.’ (forum.viva.nl/forum/list_message/2287552 op datum 13/2/2013) 69
  • Dat betekent dat het effect van de vollemaan, als het al bestaat, zo klein is dat het moeilijk te vinden is, en dus in de praktijk van geen belang. De maanstand komt trouwens ook nergens voor bij de datumberekening van een geboorte. Op 3/1/2013 vond ik op internet bij www.9maanden.com/zwanger/zwanger/ zpm.php dat je 40 weken moet optellen bij de eerste dag van de laatste menstruatie voor de zwangerschap. De vollemaan komt er gewoon niet aan te pas. En als er al een verband was tussen de maanstand en het aantal geboortes, dan zou dat wellicht niet toe te schrijven zijn aan een natuurkracht uitgeoefend door de maan, maar eerder aan een psychologisch effect. In sommige culturen bijvoorbeeld wordt de maanstand bij de geboorte als een belangrijke aanwijzing voor de toekomst van de baby gezien. De vollemaan kan bijvoorbeeld als gunstig gezien worden, en nieuwemaan als ongunstig. Of omgekeerd zeggen anderen, die er de spot mee drijven. In zo’n cultuur kan de geboorte van een kind in sommige gevallen bewust of onbewust vertraagd of versneld worden, of eerder of later gemeld worden dan het werkelijk gebeurde, in de hoop daarmee de toekomst van de baby te verbeteren. De precieze datum van de geboorte van een kind valt met medische hulp een beetje te sturen, en vermits het geslacht van een kind tegenwoordig al met vrij grote zekerheid voor de geboorte ontdekt kan worden, zou men de geboortedatum wat kunnen bijsturen om een verband tussen het geslacht en de maanstand bij de geboorte af te dwingen, maar ik denk niet dat veel aanstaande ouders of medisch personeel daar interesse voor hebben. En terecht! Wie rationeel denkt zal kunnen beamen dat het verschil tussen periodes met meer of minder geboortes vandaag de dag eerder in vakantiedagen, weekends en vrije dagen zit. Het is immers al een hele tijd zo dat artsen, vroedvrouwen e.d. zoveel mogelijk proberen te vermijden dat bevallingen plaatshebben op ogenblikken dat er onvoldoende personeel aanwezig is. Ook bij het aantal spoedgevallen in ziekenhuizen speelt de stand van de maan geen enkele rol, ook al werd lang gedacht dat het wel zo was, meer bepaald bij vollemaan. Studies hebben echter aangetoond dat er geen enkel verband was tussen de maancyclus en de patiëntentoevloed op de spoeddienst. Dat de maan alleszins een stevige reputatie heeft, blijkt alleen al uit het aantal onderzoeken verricht naar de mogelijke effecten van de maanstand op de gezondheid. In de meeste gevallen kon de stelling niet onderbouwd worden met cijfermateriaal. Fabeltjes over de maan horen thuis in sprookjes en sprookjes horen niet thuis in de geneeskunde! (18) Zelfs tegenwoordig horen we nog steeds van die bakerpraatjes over het voorspellen van het geslacht van de baby. 70
  • V. Wouters had het in zijn ‘Van de Wieg tot het Graf’ ook over de maanstand, maar dan wel over het moment van het verwekken van het kind. Als het bij nieuwemaan verwekt is zal het een meisje zijn. Als de oogwimpers van de toekomstige moeder omhoog staan, krijgt ze een jongen. Hetzelfde wordt gegarandeerd als ze bruine vlekken op de huid krijgt. En wanneer de bevruchting juist voor de maandstonden gebeurt, zal het ook een jongen zijn. Geschiedt het erna dan is het een meisje. Sommigen wilden zelfs het lot forceren, bijvoorbeeld met een gelofte. Hun dochtertje zou, als hun wens vervuld werd, tot haar zeven jaar in het blauw gekleed worden. Je zou ook als zwangere vrouw geregeld buiten kunnen lopen bij maanlicht om een jongetje te krijgen. En ook goed om een jongensbaby te krijgen was dat de moeder gedurende enkele maanden vlees zou eten van een mannelijk dier. Slaap je met je hoofd naar het noorden? Dan krijg je een jongen. Slaap je met je hoofd naar het zuiden? Dan krijg je een meisje. (20) Bij A. Van Hageland (22) kan je lezen dat een 62-jarige Brusselaar hem in 1960 verzekerd heeft dat hij een ‘onfeilbaar middel’ had om te weten welk geslacht het verwachte kindje zou hebben. Men neemt een gebezigde zakdoek van de zwangere vrouw, spreidt die open op de tafel en vraagt haar die zakdoek op te rapen. Neemt ze hem voorzichtig met twee vingers in het midden, dan wordt het een jongen. Rukt ze hem bij een van de hoeken weg, dan wordt het een meisje. De vrouw bij wie de proef gedaan wordt mag natuurlijk die uitleg niet vooraf kennen. De man beweerde dat hij die proef al dertig jaar toepaste en dat ze nooit had gefaald. Hierbij nog een reeks beweringen die bij de lezer misschien herinneringen kunnen oproepen aan voorbije zwangerschappen in je familie. Ik sta niet in voor de voorspellingswaarde ervan. Bijvoorbeeld: heeft de toekomstige moeder een spitse buik, krijgt ze een zoon. Bij een bolle buik een dochter. Indien zij erg misselijk is gedurende de zwangerschap, dan krijgt ze een meisje. Heeft zij zin in augurken of andere zure dingen ’s nachts, dan wordt het een jongen. Heeft zij juist zin in ijsjes of zoetigheid, dan wordt het een meisje Doet je navel zeer tijdens je zwangerschap? Dan krijg je een meisje. Verzorg je je uiterlijk heel goed tijdens je zwangerschap, zie je er stralend uit? Dan krijg je een jongen. Ligt je kindje onder in je buik? Dan krijg je een jongen. Ligt je kindje boven in je buik? Dan wordt het een meisje. Wordt alleen je buik dikker, niet je billen? Dan wordt het een jongen. Bij een meisje worden ook je billen dikker. Ben je vaak misselijk in de zwangerschap? Dan wordt het een meisje. Voel je je goed? Dat wordt het een jongen. Heb je geen taille meer tijdens je zwangerschap? Dan wordt het een meisje. Heb je nog wel een taille? Dan wordt het een jongen. 71
  • Toen ons jongste kind in september 1967 ging geboren worden hadden nonkels en tantes, oma’s en opa’s ons ook al met allerlei voorspellingen overladen, veel gelijklopende, maar ook heel wat tegenstrijdige. Onze toenmalige huisdokter, Albert Delacave (zie ook hoofdstuk 7) had mijn vrouw in augustus bij het laatste onderzoek gezegd dat hij aan de hartslag van het kindje hoorde dat het een meisje ging worden. En op 5 september werden we de ouders van een flinke zoon. En wat heeft de dag van je geboorte eigenlijk met je verdere levensloop te maken? We hebben het hier niet over de astrologie met haar sterrenbeelden maar over de weekdag waarop je ter wereld kwam. Dat een zondagskind voor het geluk in de wieg gelegd scheen, kan ik nog begrijpen. Maar het volksgeloof had nog meerdere ijzers in ’t vuur: ‘Zondagskind, de Heer gezind, Maandagskind, schoon van gezicht, Dinsdagskind, beweegt hem licht, Woensdagskind, zorgen groot Donderdagskind, reist voor zijn brood. Vrijdagskind, liefde groot. Zaterdagskind, hard werk voor ’t brood.’(20) Geboortevlekken Bij de geboorte of kort daarna manifesteren zich soms kleine huidaandoeningen bij de baby die in de meeste gevallen onschadelijk zijn. In de medische wereld wordt een onderscheid gemaakt tussen een aantal van deze geboortevlekken. Ooievaarsbeet is de naam die in de volksmond gegeven wordt aan een onschuldige huidafwijking bij baby’s, een rozerode vlek die vaak nog niet bij de geboorte zichtbaar is, maar verschijnt na een paar dagen. Deze vlekken hebben de vorm van een snavel, waar ze hun naam aan te danken hebben Ze kunnen voorkomen op het achterhoofd van de baby, dikwijls op de haargrens. Soms wordt een vlek beter zichtbaar als de baby huilt. Een ooievaarsbeet in het gelaat wordt ook wel ‘engeltjeskus’ genoemd. Ongeveer 30 tot 40% van de baby’s wordt geboren met een ooievaarsbeet. De vlek verdwijnt vanzelf in de loop van het eerste jaar. Je moet een ooievaarsbeet niet verwarren met een wijnvlek, een aangeboren vaatafwijking. Deze roze tot paarse verkleuring die vooral in de hals en het aangezicht voorkomt, is van blijvende aard is. Ongeveer een half procent van de bevolking wordt geboren met wijnvlekken. De aandoening is niet erfelijk. Een bekende persoon met een wijnvlek was Michail Gorbatsjov, de leider van de Sovjet- Unie tot 1991. Aardbeienvlekken zijn vaatgezwellen die bobbelig aanvoelen en boven op de huid lijken te liggen. Deze vlekken hebben een donkerroze kleur. Het gaat hier ook om groepjes bloedvaten die zich hebben opgehoopt en aan de oppervlakte van de huid verschijnen. 72
  • Evenals de ooievaarsbeet, verschijnt de aardbeienvlek in de eerste dagen na de geboorte. Daarna kan de vlek nog groter worden. In 90% van de gevallen verdwijnen ze tijdens de eerste levensjaren van de baby. In uitzonderlijke gevallen gaan de vlekken niet weg. Omdat de vlekken vaak op duidelijk zichtbare plekken zitten, bijvoorbeeld in het gezicht en omdat ze met je kind meegroeien, kan je beslissen om een hardnekkige vlek weg te laten halen; zeker als die vlek zich op het voorhoofd, nabij de mond of een ooglid bevindt, is het aangeraden een dermatoloog te raadplegen om elk risico op complicaties uit te sluiten. In de volksmond wordt nogal eens naar een onvoorzichtigheid van de moeder of ook een voorval in de maanden van de zwangerschap verwezen als een kind met een van zulke vlekken geboren wordt. Zo zouden vrouwen die van iets schrikken of vurig naar iets verlangen zonder het te krijgen, kinderen met zulke vlekken baren. Schrikken van een brand, een rode koe of een bliksem is volgens sommigen genoeg om een kind met geboortevlekken ter wereld te brengen. En zelfs bij rosharige kindjes wordt door het bijgeloof naar dezelfde oorzaak verwezen. In een ander artikel uit zijn reeks ‘Van de Wieg tot het Graf’ heeft Wouters het ook over die rosharigen die door de enen als van God getekend beschouwd werden en door anderen ook als Gods lievelingen bestempeld werden.’ (20) In de lagere school van mijn jeugd werden de ‘rostekoppen’ dikwijls geplaagd en bespot met een brutaal versje: ‘Roste, wat moet gij kosten? ‘k Zal u kopen om achter mijn hielen te lopen.’ Maar ik hoorde dan van vindingrijke ouders die hun zoon of dochter, die naar huis kwamen klagen over dat pesten, influisterden dat hun haarkleur Venetiaans blond heette. Als dat geen hele troost kon genoemd worden! 73
  • Sociaal bewogen De edelmoedige geeft minder raad dan bijstand. (Vauvenargues, Frankrijk 1715-1747) Toen Celineke 74 jaar geworden was heeft Bombardon, de dorpsgazet van Melsele, geschreven dat iemand die haar niet kent en haar door het dorp ziet gaan, gewoonlijk denkt dat zij een gepensioneerde onderwijzeres is. ‘Gepensioneerde onderwijzeressen hebben zo’n speciale gang’. En zij voegen er voorzichtig aan toe dat je dat bij de nieuwe onderwijzeressen niet meer hebt. En dat zij niet alleen met dat idee rondliepen, wordt bevestigd door het feit dat ook de nationale stichteres van KAV haar in 1937 gevraagd had of ze soms onderwijzeres was. (2) Hulp bieden was voor Celineke als aangeboren en haar inzet bestreek het hele mensenleven, zie de tekst van het doodsprentje in hoofdstuk 1. Niets was haar te veel. Dat was hulp in alle omstandigheden, dus ook op de momenten waarop de nood het hoogst was. KAV en Kinderheil En er waren niet alleen haar acties voor individuele personen of voor gezinnen. Zij wou ook meer en betere en georganiseerde hulp kunnen bieden aan mensen die daaraan behoefte hadden. Zoiets was in die jaren van het interbellum alleen maar te bereiken via het gemeenschapsleven, de zogenaamde ‘bonden.’ KAV Melsele vierde haar 50-jarig bestaan in 1981. Je ziet Celine centraal In 1983 telde KAV Melsele 750 leden. Het hoogste 74
  • Nog tijdens het eerste jaar van haar studies stond Celine mee aan de wieg van de KAV in Melsele. Voluit heette dat de Kristelijke Arbeiders Vrouwenbeweging, die zich binnen de christelijke arbeidersbeweging (ACW) ontwikkelde. Voor haar en voor vele leden van de VKAJ, de kajotsters dus, die waren opgegroeid met de ideeën van die Katholieke Arbeiders Jeugd (zie hoofdstuk 1) was dat eigenlijk een logisch vervolg. Het was de normaalste zaak dat zij later lid werden van de KAV. Sinds 2012 heet deze laatste beweging Femma. De dames van de KAV staken ook graag de handen uit de mouwen. Hier zie je Celineke (links) met twee vriendinnen bezig de beelden van de Beeweg van Gaverland schoon te maken. Rechts staat Regine Engels. (Foto Karel De Meulenaere, zoon van Regine) op de foto vlak achter haar vriendin Thérèse Suy, dat is de dame met het hoedje. ledental dat ze bereikt hebben was iets minder dan 900. 75 (Foto Jos Aps)
  • De plaatselijke KAV werd in 1931 opgericht als ‘boreling’ van de VKAJ door de Melseelse pastoor Jozef Andries, mevrouw Blommaert, onderwijzeres Thérèse Suy en studente Celine Van Geertsom. In haar activiteiten was die Melseelse KAV gewoon een toonbeeld voor heel Vlaanderen. Alles wat nationaal door KAV werd voorgeschreven, werd in Melsele ondernomen. De wintercursussen werden het drukst bijgewoond en de onderwerpen waren legio: van koken en gasten ontvangen tot zelf kleding maken. Het nagestreefde doel was de verheffing van de arbeidersstand. Het oude bestuur en de kernleden van KAV Melsele. Staande v.l.n.r. Rosa Van Nieuwenhove, Margriet Fobe, Mathilde Van Dam, Hélène Peirsman, Leontine De Munck, Hélène De Baere, Gerarda Adriaenssens, Germaine Maes en mevr. Van Hove. Zittend v.l.n.r. Celine Van Geertsom, Anna Van Hese, Regine Engels, Honorine Schollaert en Madeleine Hollanders. (Foto Henri De Clerck) Naast haar werk met al die individuele bevallingen, startte Celineke in 1937 in het kader van KAV Melsele het zogenoemde Kinderheil mee op, officieel het ‘Nationaal Werk voor Kinderwelzijn’ geheten, het N.W.K. Nu heet dat Kind en Gezin. Het N.W.K behartigde de zorg voor de zuigelingen. Elke week kon de jonge moeder terecht op de raadpleging, die zowel voor Melselenaars als voor Beverenaars bestemd was, in de lokalen van het klooster der Zusters van Liefde in de toenmalige Dorpsstraat, nu Sint-Elisabethstraat. 76
  • Het klooster te Melsele rond 1910. Het pensionaat zie je voorbij het klooster, een eindje verder van de straat gebouwd. (Fotoboek Petrus Van Landeghem) Na heel wat omzwervingen wordt tegenwoordig die zuigelingenzorg gehouden in de Vuurkruisenlaan in Beveren naast het bureau van het Witgele Kruis. Over die omzwervingen lees je meer in het eerste deel van het 7de hoofdstuk. Na de Tweede Wereldoorlog kon Celine officieel, zij het deeltijds, aan de slag als verpleegster bij dat N.W.K. Zij was daar de verpleegster die dokter Albert Delacave, eveneens uit Melsele, bijstond bij de raadplegingen voor de zuigelingen. Zij stond daar in voor het voorbereidende werk, dat was alles in gereedheid zetten tegen dat de dokter arriveerde. Maar ook het opruimwerk achteraf nam ze voor haar rekening. Op het einde van WO II en even daarna, van 1944 tot 1946, deelde het N.W.K. melkpoeder uit aan wie behoeftig was en zowat iedereen kreeg voor de kinderen vitamines en levertraan. Opvallend eensluidend zijn de meningen over Celinekes ingesteldheid tegenover het N.W.K. en al haar werk. Ze getuigde van grote zelfbeheersing en heeft nooit, maar dan ook nooit, geklaagd. Ze zal ook haar zorgen gehad hebben zoals iedereen, zegt een vriendin. Ze was weleens eenzaam maar ze kon het aan, die zorgen alleen te dragen. En dikwijls kon ze die ’s avonds bij het drinken van een smakelijke trappist verdrijven en ’s morgens fris weer opstaan. 77
  • Het Kinderheil van Melsele. De eerste raadpleging had plaats op 31/3/1937 in het klooster der Zusters van Liefde in de toenmalige Dorpsstraat. (Fotoboek Petrus Van Landeghem) Het feit dat Celineke ongehuwd was, nam niet weg dat ook bij haar brood op de tafel moest komen en we wezen reeds op de karige vergoeding voor het werk van de vroedvrouw. Niet verwonderlijk dat zij, wanneer ze de kans kreeg, bij het N.W.K. in loondienst ging werken, zij het niet voltijds. Het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn wilde na afloop van WO II een betere controle en een strengere reglementering voor het personeel invoeren. Celineke kreeg een brief waarin zij gevraagd werd haar vaste werkuren mee te delen. Daar kon zij niet aan voldoen want de combinatie verpleegster-zelfstandige vroedvrouw was enkel vol te houden zoals zij dat tot dan toe gedaan had. De bevallingen, aanvankelijk veelal aan huis en later grotendeels in de materniteit van de Sint-Annakliniek in Beveren, gebeurden uiteraard op ongeregelde uren. Haar werkgever vroeg haar in die brief dus eigenlijk het onmogelijke: het moment van een bevalling was bijna nooit precies te voorspellen. Haar werkuren bij het N.W.K. verliepen dus niet volgens een stramien van dit uur tot dat uur en Celine schreef dat zij geen vaste uren voor de zuigelingenzorg kon opgeven, want dat de bevallingen daarop steeds voorrang hadden en dat die voorrang zouden blijven krijgen. Het tegenbericht luidde koudweg dat zij zou ontslagen worden. De zondag die volgde op dat onzalig bericht, ging ze met die brief naar het huis van haar buren, de familie Vandermeulen, waarmee de familie Van Geertsom een sterke band had. Celine kon voor plaatselijke problemen altijd rekenen op de steun van gemeentesecretaris Paul Vandermeulen uit die familie. Maar die kon in dit geval geen invloed uitoefenen op de nationale instantie die Celines ontslag aankondigde. 78
  • De gemeentesecretaris had ook nog broers, een ervan was Jozef Vandermeulen, die bijna elke zondag zijn familie in Melsele kwam bezoeken. Die man zou ze daarover aanspreken. Baron Jozef Vandermeulen, geboren te Melsele in 1914, was in Brussel een invloedrijk persoon en Celine liet hem haar ontslagbrief lezen. Die man, die via zijn familie perfect de grote inzet van Celine kende voor de jonge vrouwen van Melsele en omstreken die moesten bevallen of kortelings bevallen waren, was verontwaardigd. Hij had ook weet van de vele uren die ze besteedde aan haar opdracht voor het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn. Hij zegde onmiddellijk dat zoiets niet kon of mocht doorgaan. Reeds ’s anderendaags trok hij naar het hoofdbestuur van het N.W.K in Brussel en legde hen de werkwijze van Celine uit en binnen de week kreeg zij thuis een brief waarin de ontslagdreiging werd herroepen. Ballonnenfeest van KAV op de koer van het Parochiehuis. (Foto KAV Melsele) Gezinsplanning en seksualiteit In haar strijd voor de rechten van de arbeidersgezinnen en zeker voor de verheffing van de arbeidersvrouwen kon je aanvoelen dat Celine was opgegroeid met de ideeën van de Katholieke Arbeiders Jeugd, de KAJ van Jozef Cardijn. Dichter bij huis kwam zij wat later in contact met een geestelijke die net als Cardijn zijn sporen verdiend had in de sociale beweging van de katholieke kerk: priester Karel Van Kerckhove (1927-1983), die later deken werd in Sint-Niklaas. Die man speelde als bestuurder van de Maatschappelijke Werken van het Land van Waas een belangrijke rol in de herinrichting van de Gewestelijke Sociale School te Sint-Niklaas waar hij vanaf oktober 1958 lessen begon te geven. 79
  • Studiedagen en lessen, daar kon Celineke veel van opsteken. Het was voor zulke les dat Celine naar Sint-Niklaas reed samen met haar vriendin Clementine De Meulenaere (°1935). Met zijn tweeën voelde zij zich wat geruster, want het was de eerste keer dat zij met haar splinternieuwe auto, een Volkswagen Polo, op weg moest. De heenrit verliep in een langgerekte forse regenbui en de niet zo handige chauffeur die Celine was, moest al die hendeltjes en knopjes voor de eerste keer gaan gebruiken. Daardoor alleen al raakte ze zenuwachtig. Clementine hoorde aan het geronk van de motor dat Celine vergeten was te schakelen en dat ze de hele tijd in tweede versnelling reden, maar dat deed Celineke wel meer en Clementine had vroeger al ervaren dat ze een opmerking daarover gewoon afwimpelde en ze durfde daar nu niets over zeggen. Erger was het feit dat alle ruiten, zowel de voor-, zij- als de achterruiten zodanig begonnen aan te dampen dat beide dames voortdurend zelf ‘ruitenwisser’ moesten spelen. Omdat ze thuis bij haar ook met een Volkswagen reden, meende Clementine behulpzaam te zijn. Zij dacht dan ook dat zij de juiste knop voor de blazer wist staan. Maar wanneer ze nog maar haar wijsvinger naar het knopje uitstak, kreeg ze al een kort en krachtig ‘Blijft eraf’ te horen. De onhandigheid van Celineke wat betreft autorijden was spreekwoordelijk en in heel Melsele gekend. Het in- en uitrijden van haar garage thuis was voor buren of passanten een echt evenement. En je kon moeilijk vergeten van ernaar te kijken want haar ‘gas geven’ was straten ver te horen. Karel De Meulenaere heeft in een verkiezingskaravaan van de CVP eens de hele weg achter de auto van Celineke gereden. Om de kriebels van te krijgen! De manier waarop zij in de polder de april, d.i. afrit van een dijk, opreed was gewoon een spektakel op zich. Was gezinsplanning bij ons op het platteland lange tijd niet de eerste bekommernis geweest, toch wezen de geboortecijfers ook hier op een soort economische bewustwording van de problemen van de gezinsomvang. Je hoorde vroeger als courante uitleg voor een groot gezin in het land- en tuinbouwmilieu: ‘De kinderen kunnen redelijk vlug behulpzaam zijn in de eenvoudige handenarbeid die in zulke bedrijven of bedrijfjes bijna dagelijks moet uitgevoerd worden en vele handen maken het werk licht.’ Mijn grootvader langs moeders kant werd geboren in 1885 als 15de kind van een landbouwersgezin. Na hem is er nog een zus gekomen. Zelf werd hij ook landbouwer en mijn moeder, geboren in 1915, was ook het voorlaatste kind maar deze keer in een rij van 5. Toenemende mechanisatie van land- en tuinbouw zal er mee voor gezorgd hebben dat zulk een groot gezin als dat waaruit mijn grootvader stamde, niet meer zo noodzakelijk was. Mijn schoonmoeder, geboren in 1909, komt uit een herhaaldelijk nieuw samengesteld gezin door het overlijden van een van de (stief)ouders. Als kind verloor zij haar moeder door ziekte nog voor ze de leeftijd van 1 jaar bereikte. Gelukkig had zij een stiefzus die 15 jaar ouder was en die als het ware de moedertaken overnam. De band met haar oudere stiefzus is bij mijn schoonmoeder haar leven lang heel sterk gebleven. 80
  • Men hoorde het dikwijls dat in grote gezinnen de oudste kinderen de jongste hielpen grootbrengen. Het was Celinekes betrachting de jonge gezinnen en speciaal de arbeidersgezinnen niet aan hun lot over te laten en zij zorgde dat er ook voorlichtingsavonden konden gegeven worden. Voorlichting was immers meer dan nodig in de fors veranderende wereld van de twintigste eeuw, zeker op gebied van gezinsplanning en seksualiteit. ‘De omstandigheden waarin het zwanger worden en het verloop van de zwangerschap gebeurde, is nooit zo indringend gewijzigd als in de twintigste eeuw. In drie generaties tijd is de context waarin vrouwen konden beminnen en moeder worden fundamenteel veranderd. De twintigste eeuw heeft de doorbraak betekend voor voorlichting en emancipatie. Het is de eeuw geweest waarin vrouwen een groter zelfbeschikkingsrecht veroverden over hun eigen lichaam. Anticonceptie kreeg ook een definitieve plaats in hun leefwereld. De middelen om kinderen te gepasten tijde te krijgen en ze ook te behouden zijn in de loop van die decennia enorm uitgebreid. Tegelijk is de stabiliteit van de gezinsrelaties onder druk komen te staan. Het verschil tussen de welgeteld 234 echtscheidingen in het Vlaanderen van het jaar 1900 en het vierde deel van de huwelijken dat spaak liep in het jaar 2000 is fenomenaal groot.’(11) Tijdens de jaren dertig leerde men ook in Vlaanderen de periodieke onthouding kennen. Deze kalendermethode van de Japanse vrouwenarts dokter Ogino, later bevestigd door de bevindingen van de Oostenrijkse dokter Knaus, zou een door de katholieke kerk aanvaarde werkwijze worden voor de gezinsplanning. De wetenschap sprak met veel lof over wat kortweg de methode Ogino-Knaus genoemd werd, en er verscheen boek op boek met veelzeggende titels als ‘Het geslachtsleven bij de vrouw - Vruchtbare en onvruchtbare dagen’ van dokter Cl. Arkens. En ‘Veel of weinig kinderen naar verkiezing’ (1945). Vooral de Franstalige dokter Marchal had op dit vlak succes met zijn boek ‘Bevruchting naar Willekeur’ dat een eerste druk kende in 1936 en waarvan er in 1950 al 81.000 verkocht waren. Op papier bleek de methode een succes. Het ging erom de seksuele omgang te vermijden in de vijf vruchtbare dagen, gelegen rond de 13de en 14de dag na het einde van de regels, dus de periode ongeveer in het midden van de vrouwelijke cyclus. Vandaar kwam de veelgebruikte naam Periodieke Onthouding. Als je je aan die regels hield, dan kon je op de onvruchtbare dagen van het geslachtsleven genieten. Maar wat theoretisch simpel leek, was dat in de praktijk niet. ‘De methode zou echter nooit echt een groot succes worden, omdat ze te ingewikkeld was, te veel telwerk vergde en te onbetrouwbaar was‘(15) Oorzaak daarvan was vooral dat het erg moeilijk was om de vruchtbare dagen van de onvruchtbare te onderscheiden bij elke individuele vrouw. Doordat de natuur niet geforceerd werd bij deze Periodieke Onthouding kon ze op goedkeuring door de kerk rekenen. 81
  • Helemaal anders stond die tegenover alle anticonceptiva waarvan de handel en de reclame in dezelfde periode op gang kwamen. Maar de katholieke groepen zagen deze nieuwe verworvenheden niet zitten. Zij vonden dat de huwelijksmoraal erdoor bedreigd werd en poogden om de verkoop ervan onmogelijk te maken. Terugkeer na een studiedag die ze bijwoonde met enige vriendinnen. Celine is de 2de van links en volgens Valentine Staes is de 3de van links juffrouw Florida, een schooljuf in Melsele, die bij ‘tante Fien’ (Fien Staes de moeder van Celineke), logeerde. (Foto KAV Melsele) 82
  • ‘Door de ontkerkelijking van de hele maatschappij had de christelijke arbeidersbeweging het moeilijk in de periode van herstel en expansie zoals de jaren van na WO II tot 1960 genoemd worden. Hoewel de grote meerderheid van de Belgische bevolking zich nog wel ‘katholiek’ noemde, haar kinderen liet dopen, kerkelijk huwde en begraven werd, liep de zondagspraktijk sterk terug en verslapten ook het geloof in essentiële geloofspunten en de aanvaarding van de katholieke ethische regels. Vooral inzake seksualiteit en gezinsplanning week de praktijk steeds meer af van wat door de kerk werd voorgehouden. Overigens leek het na het tweede Vaticaans concilie van 1963 dat de kerkelijke moraal ook op dit gebied evolueerde. Pas in 1968 met de encycliek Humanae Vitae zou blijken, tot ontnuchtering van velen, dat dit niet het geval was. Voor de christelijke arbeidersbeweging waren die problemen echter niet nieuw, het arbeidersmilieu was vanouds het minst kerkelijk.’(16) Hier lag de reden waarom Celineke speciaal de jonge arbeidersgezinnen zo goed mogelijk trachtte te begeleiden en door KAV Melsele werden daarover voorlichtingsavonden georganiseerd en vanaf 1946, toen er ook een plaatselijke afdeling van de KWB - de mannelijke tegenhanger van de KAV - werd opgericht, werden die voorlichtingsavonden dikwijls in samenspraak tussen die twee bonden georganiseerd. De dames van de KAV kregen niet alleen voorlichting. Af en toe gingen ze ook op dagreis. Op deze groepsfoto is Celineke de vierde van rechts en helemaal links staat pastoor Antoon Sabot. (Foto Karel De Meulenaere) En samen met de twee besturen zorgde Celine ervoor dat er een deskundige spreker was. Zo kwam haar redder-in-alle-nood, de Sint-Niklase gynaecoloog dokter De Mot (zie hoofdstuk 2) weer op het voorplan. Hij kwam die delicate onderwerpen als de anticonceptie uit de doeken doen. 83
  • In 1964 kwam er blijkbaar een einde aan het zoeken naar een efficiënt voorbehoedsmiddel door de komst van de anticonceptiepil, kortweg de pil genoemd. Maar was dat voor elke vrouw wel het gepaste middel? Wie op de voorlichtingsavond daarover aanwezig was, herinnert zich nog goed hoe gynaecoloog De Mot het gebruik van de pil als voorbehoedsmiddel tegen zwangerschap beoordeelde. ‘Voor mij mag het, maar ik zou zelf de pil nooit aan mijn eigen vrouw voorschrijven.’ Met deze duidelijke stellingname van een deskundige kon je dan als tamelijk jonge vrouw naar huis met de boodschap dat die pil toch niet de simpele oplossing was die je ervan verwacht had. De meesten van haar vrienden en bekenden zijn het erover eens: Celine was een streng katholiek mens, maar dat verhinderde haar niet op bepaalde punten haar eigen principes te volgen, zeker als het erop aankwam mensen in nood te helpen. En dan bleek dat zij niet altijd de strikte leer van de kerk of van enkele van haar vertegenwoordigers verdedigde. In probleemgevallen overheerste bij haar de menslievendheid en de redelijkheid. Wat volgens haar niet door de beugel kon, was dat bijvoorbeeld vrouwen die reeds een half dozijn of soms meer kinderen op de wereld gezet hadden, als zij te biechten gingen, van bepaalde priesters geen vergiffenis kregen omdat zij aan geboortebeperking deden. In principe mochten de gelovige katholieken niet aan geboortebeperking doen en voorbehoedsmiddelen waren zeker uit den boze. Nogal wat biechtvaders (onderpastoors of pastoors) vroegen hun naar de reden waarom ze met de uitbreiding van hun gezin gestopt waren. Bepaalde bisschoppen herinnerden er hun priesters meermaals aan dat zij tot die bevraging van de biechteling verplicht waren. Trouwens wat had Paus Pius XI in 1930 in Casti Connubii, zijn encycliek over het christelijk huwelijk, gezegd over priesters die zouden ‘toelaten dat de aan hen toevertrouwde gelovigen in dwaling verkeren aangaande deze zeer strenge wet van God. Veel dringender nog vermanen Wij hen, zich zelf van dergelijke valse meningen vrij te houden en op dit gebied niet in het minst toegeeflijk te zijn. Indien echter een priester in biechtstoel of zielzorg, wat God verhoede, de aan hem toevertrouwde gelovigen tot deze dwalingen zelf mocht gebracht, of althans door zijn goedkeuring of door zijn politiek stilzwijgen daarin bevestigd mocht hebben, dan moet hij weten dat hij aan de Opperste Rechter, God, strenge rekenschap zal moeten afleggen over zijn ambtsverraad en hij zal de woorden van Christus uit Mattheüs, 15de hoofdstuk, vers 14, achten als tot zich gesproken: ‘Ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde de andere leidt, vallen ze allebei in de kuil’. (17) 84
  • Na een private audiëntie bij Paus Pius XII in Rome in 1950 staat Celineke (links, geheel wit gekleed) voor het pauselijk zomerverblijf Castel Gandolfo met E.H. Siegfried Huygens (onderpastoor te Beveren), Louis Van Remortel, een tante van Huygens en een pauselijke wachter. 85
  • Welke redenen kon men opgeven waarom met de uitbreiding van het gezin gestopt was? Men antwoordde de biechtvader dat men zich te zwak voelde voor nog een zwangerschap. Een ander vond dat het werk in hun gezin al zwaar genoeg was en dat ze het niet meer zouden aankunnen als er nog een of meerdere kinderen bijkwamen. Of ook omdat bij een nog groter kindertal de materiële welvaart van het gezin erop zou achteruitgaan. Die moeders kregen dan dikwijls de vermaning dat zij in staat van doodzonde leefden en dat vergeving van de zonden in zulk geval onmogelijk was. Die priesters waren doordrongen van de kerkelijke regels die erop neerkwamen dat het huwelijk door God ingesteld was en enkel bedoeld voor de voortplanting en de opvoeding van kinderen in de katholieke geest. Echtparen werden door de kerk gestimuleerd om grote gezinnen te stichten. Hoewel lang niet iedereen op dit punt de kerk gehoorzaamde, hadden in West-Europa de Vlaamse katholieke gezinnen, vooral op het platteland nog lange tijd het grootste kinderaantal. Wellicht hebben daarin de volksmissies hier in Vlaanderen ook lange tijd een grote rol gespeeld. De heftige predikaties, avond na avond, een week aan een stuk waarin met de duivel en het hellevuur gedreigd werd door bevlogen paters, wezen de eenvoudigen van hart op hun christelijke plichten. En menigeen vervulde die plicht, niet als uiting van een diepe godsdienstigheid, maar met het schrikbeeld van die voorspelde straffen voor ogen. Begrijpende priester ‘In de biechtstoel heb ik het schuifke gekregen,’ vertelde de teleurgestelde moeder dan tegen Celine, ‘omdat ik gezegd heb dat ik samen met mijn man er alles aan doe om niet opnieuw zwanger te geraken.’ Zoiets vond Celine iets om wanhopig bij te worden. Op dat vlak kwamen haar principes niet overeen met die strenge regels van paus en bisschoppen. Zij vond sommige bisschoppen op dat gebied ‘keikoppen’ en veel van hun priesters waren gewoon ja-knikkers. Gelukkig kwam er rond de jaren zestig een zekere kentering in de opvattingen van de kerk. Na een lange periode waarin het kerkelijk leven grote nadruk legde op liturgie en sacramenten met het oog op persoonlijk zielenheil, begon men meer aandacht te hebben voor medemenselijkheid. Men gaf meer aandacht aan het ‘horizontalisme’. Voor Celine was dat horizontale, het belang van en de belangstelling voor wat in hetzelfde vlak of laag van de maatschappij lag, de toestand of het lot van de medemens dus, enorm waardevol. Die warme en oprechte bezorgdheid voor elke mens, zeker voor hen die het moeilijker hebben in het leven, was typisch voor haar. Daarvoor leefde en werkte ze. En het deed haar deugd dat priesters als Willy Vernimmen (1944-2011) die van 1968 tot 1975 parochiepriester in Melsele was en bij de meeste parochianen zeer geliefd, een verwante ziel was In priester Willy Vernimmen (1944 – 2011) die op dezelfde manier als zij tussen de mensen stond. vond Celineke een geestesverwant. 86
  • Aan een vriend heeft priester Vernimmen later verteld dat hij in zijn Melseelse periode en ook nog later toen hij van 1975 tot 1992 parochiepriester in Beveren was, zelden zwaarwichtige morele problemen heeft helpen oplossen zonder eerst bij Celine binnen te stappen en haar raad te vragen. KVG en Ziekenzorg In 1961 is de KVG (Katholieke Vereniging voor Gehandicapten) in Melsele zelfstandig geworden nadat verschillende leden heel wat jaren in Beveren aangesloten waren. Celine werd meteen voorzitster en zij was de juiste persoon op de juiste plaats. Meestal wist ze al van bij de geboorte of iemand met een handicap door het leven moest en haar mensenkennis was gewoon onschatbaar. Haar inzet en vastberadenheid, vooral als het erom ging de zwakkeren te helpen, waren spreekwoordelijk. Zij bleef voorzitster tot zij in 1989 opgevolgd werd door Rik Neujens, de echtgenoot van Celines vriendin Clementine De Meulenaere. Rik getuigt van zijn voorgangster dat zij een erg toegewijde vrouw was. ‘Horen, zien en handelen’ was volgens hem haar onuitgesproken motto. Op het moment dat ze met een probleemgezin geconfronteerd werd, was ze al bezig om een oplossing te regelen. In de Schaarbeekstraat, in een gezin waar de man invalide was en een kunstbeen droeg, werd de vrouw bedlegerig en er werd een beroep gedaan op Familiehulp. Deze organisatie verzorgt thuisondersteunende diensten en zij gelooft in een aantal christelijke basiswaarden zoals respect voor de persoon, respect voor het leven en voor andere culturen, waardering voor het gezin en solidariteit. Maar het gezin was er niet zo gelukkig mee dat men hen een mannelijke verpleger zond en ze lieten dat weten aan Celine. Ze ging met hen praten en ze begreep die mensen wel. En om er niet te veel problemen rond te maken is ze zelf die mevrouw gaan verzorgen. Maar naast die toewijding bezat ze ook een sterk karakter en was zij in het kader van de vereniging niet altijd de gemakkelijkste in de omgang. Je mocht nooit de ongelukkige reactie hebben van recht tegen haar in te gaan op een vergadering, want dan zette ze haar voet dwars. Zeker als ze aanvoelde dat er in het bestuur, waarvan geleidelijk aan de leden uiteraard een pak jonger waren dan Celine, geprobeerd werd om haar van idee te doen veranderen. En haar ideeën waren in de ogen van de jongeren overdreven conservatief. Zo vertelde men mij dat het gedurende jaren de gewoonte was om het paas- en het kerstfeest van de vereniging te vieren met een maaltijd met broodjes (pistolets en sandwiches). Op de bestuursvergadering een paar weken voor een van die feesten was iedereen overeengekomen om het voorstel van een jonger bestuurslid te volgen en gewoon boterhammen met beleg voor te schotelen. Maar wat bleek? De voorlaatste dag voor het feest vernamen een paar bestuursleden dat Celine beslist had dat het toch broodjes gingen worden, want zij vond dat ‘de mensen dat niet gingen willen’. 87
  • Achteraf heeft een lid om die reden ontslag uit het bestuur genomen. En zo botste ze ook wel met de jongeren in het mee door haar opgerichte Ziekenzorg Melsele. Kwam daar nog bij dat ze in elk voorstel van verandering een aanval op haar persoon zag. Maar geen haar op haar hoofd dat eraan dacht om haar bestuursfuncties op te geven. Volgens haar vriendin Lucie Vermeulen heeft zij het zo lang kunnen volhouden in het bestuur van diverse verenigingen omdat ze verstand had van delegeren. Zij zegde hoe het moest en ze wist zich te omringen met leeftijdsgenoten die het hielpen uitvoeren. Er zijn nog periodes geweest dat mensen die bijvoorbeeld bij haar thuis hun inschrijving voor een feest gingen betalen, daar 3 lijsten zagen liggen. Dat was meestal in de maanden november-december voor kerst- of nieuwjaarsfeesten en zij regelde de inschrijvingen voor het kerstfeest van de KAV, voor dat van de KVG en ook nog voor een etentje ten voordele van de parochiekas. Maar nogmaals verwijzend naar dat verstand van delegeren van haar, had ze voor die feesten zelf een uitgebreide staf aan medewerksters die ze steeds wist te motiveren. Motiveren was haar grote gave en dat deed ze meer dan domineren. Zij voelde zich niet verheven boven haar medewerkers. Rang of stand, daar maakte ze geen onderscheid in. Als KAV aan de zoveelste feesttafel zat, dan was daar zelfs de echtgenote van dokter Delacave bij aanwezig, vertelde mij iemand. Ook zij was gewoon een echte vriendin van Celineke. En nooit was er bij die laatste een spoor van minachting te bespeuren en zinswendingen dat iemand maar ‘zus of zo was,’ kon je bij haar niet horen. Integendeel als ze wist dat iemand van zo’n feest ging thuisblijven, dan ging ze die polsen naar de reden en dat eindigde meestal met de belofte om toch aanwezig te zullen zijn. Zeker bij de KVG kwam het nogal eens voor dat bepaalde van die mensen zich liever koesterden in hun isolement of dat ze de chauffeurs-vrijwilligers die de gehandicapten gingen ophalen niet tot last wilden zijn. Als Celineke daar weet van had ging ze die mensen bezoeken en uiteindelijk vonden ze het fijn dat er zoveel belang gehecht werd aan hun aanwezigheid. De huisbezoeken aan zieken en andere hulpbehoevenden nam ze altijd zelf voor haar rekening. Speciaal de mensen die in de miserie zaten, zowel in KVG als in Ziekenzorg, konden op haar warme belangstelling en haar steun rekenen. Haar ongehuwde staat maakte het haar ook mogelijk zich overal ten dienste te stellen. En de stille dienstbaarheid van haar zuster Margriet, vanaf 1957 bij haar inwonend, mag zeker niet vergeten worden. Celines eten stond altijd gereed als ze thuiskwam en Margriet deed daarnaast ook de permanentie aan de telefoon en was zo een onmisbare schakel waardoor Celineke niet enkel haar beroep kon uitoefenen maar ook altijd in de weer kon zijn om zich ten dienste te stellen van vrienden en kennissen. En dikwijls ook van de minderbedeelden die ze via haar beroep of via de verenigingen waarbinnen ze actief was, had leren kennen. 88
  • Ik hoorde iemand zeggen dat het ‘goed hart’ van haar, dat ze honderden keren toonde, gekregen had van haar moeder. Een moeder van wie ze veel karaktertrekken had. En dokter Delacave - de man was helemaal geen veelprater - heeft eens van Celineke gezegd: ‘Ze heeft niet het werk van twee nonnen gedaan, maar ze werkte voor drie.’ Ontspanning Ontspanning was voor haar bijvoorbeeld meezingen met volkse activiteiten als het Café Chantant ‘Het Zingend Tyrol’ dat in de zomer van 1947 succesvol werd opgevoerd. Bij ‘Het Zingend Tyrol’ behoorde Celineke ook tot de medewerkers die in een Oostenrijks decor met nogal wat boomstammen en takken een heel repertorium ten gehore brachten: de populaire liedjes als ‘Rij maar an …’, ‘Si, si,si, signorita’, ‘Aan de oever van de Schelde’ en zeker ook de door Jos Aps speciaal voor dit evenement geschreven wals ‘Het lustig liedje van Tyrol’. Café Chantant Melseelse dames zingen, o.a. ook Celineke in donkere kledij en Jos Aps geheel achteraan. (Foto Jos Aps en tekst Gerda Drieghe in Beverse Klok 10/6/2011) 89
  • Had Celine nooit het geluk van eigen kinderen te hebben, ze was in haar leven wel een paar keer doopmeter. Ook van een heel speciaal geval van doopmeterschap moeten we hier melding maken. Eigenlijk past het hierbij op te merken dat de Melseelse gemeenschap in 1992 een enorm zinvolle beslissing genomen heeft door Celineke te eren met de vraag om op te treden als meter (of petemoei) van de Melseelse reuzin Regina, een kind dat eigenlijk veel te groot geboren was. Gelukkig heeft Celineke zelf aan die bevalling niet moeten meewerken. Wie kon beter als meter optreden voor een reuzin als de vrouw die door de gehele gemeenschap reeds vele jaren als een monument aangezien werd. Zo werd bij die de doopplechtigheid op 28 mei 1992 een ware reuzin de beschermengel van een Melseels symbool van de plaatselijke aardbeienteelt… Bij de doop was Celineke aanwezig en de voorzitter van de Wase Tuindersgilde, aardbeienteler Frans Van Moere, had het peterschap aanvaard. Naast de foto van Regina vind je de officiële tekst en beschrijving. Meter: Celine Van Geertsom, peter: Frans Van Moere. Creatie van Jo Bocklandt (Hamme) en zijn echtgenote Bea Quintelier, die zorgde voor kledij en attributen. De reus stelt een aardbeiplukster voor en is een eerbetoon aan de vrouwelijke vaardige handenarbeid die in het aardbeicentrum Melsele al sinds de jaren dertig beoefend wordt. Regina is een van de aardbeisoorten die in Melsele geteeld worden. Bij de doopplechtigheid werd de geboorteakte voorgelezen, werd zout op de tong gelegd (symbolisch) en werd de reus overgoten met water. Met de vlag van Onze-Lieve-Vrouw van Gaverland werd de duivel bezworen. Fysieke beschrijving van de reuzin Regina Het metalen onderstel bestaat uit twee delen die op elkaar geplaatst worden. Het onderste deel loopt op wieltjes. Bovenop komt dan de romp van de reus te staan. De romp, het hoofd, het haar, de armen en de handen zijn gemaakt uit polyester. Kleding: rok in stof bedrukt met rode aardbeien en groene blaadjes, witte bloes met korte mouwen, aan hals en armen afgeboord met dezelfde stof als de rok. Regina heeft in de linkerhand een aardbei en draagt met de rechterhand een grote houten bak, waarin een aantal kleinere bakjes zitten met aardbeien. (Foto , “Jelle Vermeersch” en tekst reuzin Regina: Erfgoedcel Waasland) 90
  • Ontspanning op zich bleek Celineke zelf niet broodnodig te hebben. In haar jongere jaren werd bij haar thuis veel kaartgespeeld, maar Celine noch Margriet deden daaraan mee. Vooral Fien, hun moeder, was eraan verhangen en dat gebeurde meestal bij familieleden of thuis. Op een zekere meizondag was de Beverse gemeentesecretaris Roger Van Roeyen naar de kapel van Gaverland gefietst waar het offeren van de vruchten der aarde plaatsvond in het kader van de Melseelse Aardbeifeesten. Toen hij van die viering terugkwam en een bakje van die aardbeien had gekocht en aan het huis van Fien passeerde, stond die in haar deuropening. Roger was een verre verwant die thuis veel over nicht Fien had horen praten als de moeder van de wijd gekende Celine Van Geertsom bedoeld werd. Hij werd uitgenodigd om eens binnen te komen voor een bezoekje. Eigenlijk was de hoofdbedoeling het kaartspel en met Roger en een paar opgetrommelde vriendinnen uit de buurt waren ze ‘gespannen’, zoals ze dat in het Waasland zeggen als er voldoende spelers aanwezig zijn. Alles ging door aan de tafel van de beste kamer en eens dat men met het spel bezig was, ging het er soms nogal driftig aan toe. - Mijn slag, riep Fien, toen ze op zeker moment de tot dan hoogste kaart speelde en die nogal fors op de tafel sloeg. - Nee, de mijne, riep Roger, terwijl hij ook ferm uithaalde en daarbij onzacht op de pink van Fien terechtkwam. Die deed flink pijn maar het spel werd voortgezet. Achteraf bleek een vingerkootje gebroken te zijn in Fiens rechterpink. Als Roger thuis kwam en het bakje aardbeien van de fietsdrager losmaakte, was de inhoud niet meer presentabel. Het was ondertussen een soort koud bereide aardbeienconfituur geworden. Maar dat kwam niet door zijn troefkaarten een beetje fors uit te spelen. De jaarlijks terugkerende kerst- en paasfeesten van ‘haar’ verenigingen, de KAV, de KVG en Ziekenzorg brachten zowel spanning bij het organiseren en ontspanning en genoegdoening op het moment van het feest zelf. Toneelstukje ter gelegenheid van een kerstfeestje van KAV in het parochiehuis in Melsele. Celine was toen voorzitster, staat helemaal rechts op de foto en kijkt toe hoe haar vriendin Regine Engels met de kruiwagen rijdt. (Foto Karel De Meulenaere, zoon van Regine ) 91
  • Voor zichzelf had Celineke weinig of geen luxe nodig. Zo vertelde ze eens tegen Guido De Rijcke over een paar Engelse militairen die in de oorlogsjaren bij haar thuis ingekwartierd lagen. Jaren later kwamen die gewezen soldaten nog eens bedankt zeggen en een bezoekje brengen en ze herkenden alles nog. ‘Alles, maar dan ook alles hé’, zegde Celineke. ‘Maar dat was niet moeilijk, mijn interieur was gebleven zoals het in de oorlog was. Een van die mannen herkende duidelijk een van mijn kasten en hij wist dat die nog altijd op dezelfde plaats stond.’ ‘Maar van de opmerking van die tweede Engelsman keek ik toch wel eventjes op’, zegde ze tegen Guido. ‘Die man herkende nog de tekening van het behang en riep tegen zijn vriend: ‘It’s still the same wallpaper.’ ‘En gelijk had hij’, voegde Celineke eraan toe. ‘Als dat papier nog toonbaar is, waarom zoudt ge het dan vervangen?’ In de bres springen Met onrecht kon ze niet leven. En dat gold vooral als anderen iets onrechtmatigs overkwam. Zij hielp waar ze kon en sprong dan in de bres als zij vond dat het rechtvaardigheidsprincipe geweld werd aangedaan. Louis Van Remortel uit Beveren was al meer dan twintig jaar lesgever in de Gemeentelijke Vak- en Nijverheidsschool. Maar hij kon niet vastbenoemd geraken. Zie de foto genomen in Italië, Celine met Louis Van Remortel en priester Siegfried Huygens op pagina 83. Geregeld moest Louis net als de andere leerkrachten een gezondheidskeuring ondergaan en de benoeming van Louis werd wegens een aandoening keer op keer uitgesteld. Celine kende het huisgezin zeer goed, want zij had daar alle kinderen ter wereld helpen komen en zij vond het achterwege blijven van de benoeming om een haast administratieve reden een grove onrechtvaardigheid. Zij wist dat een van de broers van de Melseelse gemeentesecretaris, haar vertrouwensman Paul Vandermeulen, uit Congo (Zaïre) was teruggekeerd. Die man was dokter Gilbert Vandermeulen, overleden op hoge ouderdom in 2013, en die werkte nu in de medische dienst van het overheidspersoneel. Celine vertelde hem hoe erg zij dat steeds maar uitstellen van die benoeming van Louis Van Remortel vond voor hemzelf en zijn familie. Louis was al zo lang in dienst, voerde zij aan, en was in die twintig jaar nooit afwezig geweest. Louis werd wat later voor een herkeuring opgeroepen en hij werd gezond genoeg bevonden voor die lang verwachte vaste benoeming. Maar ook voor haarzelf kwam ze op waar het nodig was. De verbreding van de weg Melsele-Kallo bracht mee dat de huizen vooraan in de Schoolstraat rechts moesten onteigend worden, dus ook het huis van Celineke Zij onderhandelde zo kordaat met de onteigeningsambtenaar dat ze het gedaan heeft gekregen dat ze op hetzelfde adres een nieuw huis kon bouwen. Dat vond ze nodig omdat iedereen haar daar wist wonen, waardoor verhuizen volgens haar echt niet kon. De onteigeningsambtenaar liet zich achteraf ontvallen dat hij tegenover een ‘jongedochter die wist wat ze wilde’ had gestaan. 92
  • Rouwstoet op 2 februari 1957 bij de uitvaart van Celinekes moeder. De huizen van de Schoolstraat waar men langsgaat zullen later weggebroken worden, omdat ze achteruit moesten om de weg naar Kallo te verbreden. Het laatste gebouw op de foto is de Gemeentelijke Basisschool De Toren en het voorlaatste met de lage dakrand was tot dan de woning van Celineke en haar moeder. (Foto Omer Van de Vijver) Haar nieuwe woonst diende naar haar wens gebouwd te worden: een hal met wachtplaats voor de moedertjes en ernaast een toilet. Haar garage moest vlak bij de trap liggen zodat ze, wanneer er ’s nachts een telefoonoproep kwam, zonder tijdverlies in haar auto kon stappen. En de architect heeft er rekening mee gehouden. 93
  • Rampspoed in Melsele Elke oorlog wordt op de nietigste voorwendsels begonnen, op goede gronden voortgezet en met de leugenachtigste uitvluchten beëindigd. (Arthur Schnitzler, Oostenrijk, 1862-1931) Tweede Wereldoorlog Als we de geboortecijfers van Melsele in WO II bekijken, dan zien we dat na de 117 kinderen die in 1939 ter wereld kwamen, met het cijfer 96 voor 1940 een opvallende daling is ingezet. In 1941 worden er in het dorp 78 kinderen geboren volgens Celines notities en 79 volgens de bevolkingsstatistieken van de gemeente. In 1942 waren het er 89 en in 1943 zijn het er 101 volgens Celine en we vonden er 100 in de officiële statistieken. Herinner je in dit verband de opmerking die ik maakte in het 3de hoofdstuk ‘Te boek gesteld’ over een ‘kleine geboortegolf’ in mijn eigen familie in datzelfde jaar 1943, naar aanleiding van een periode van luwte in de oorlogvoering. Daardoor waren de gemobiliseerde soldaten in 1942 enige maanden terug thuis . In het jaar 1944 kwamen er 109 kinderen bij en in 1945 waren dat er 105. Deze cijfers uit de Melseelse bevolkingsstatistieken wijken sterk af van het cijfer 80 dat Celineke opgeeft. Wie ‘oorlogsjaren’ zegt, denkt nogal gemakkelijk aan een periode van stilstand in het leven van de burgerbevolking. Hoewel het aantal geboorten werd afgeremd, moeten we toch erkennen dat die oorlogsjaren geen ramp waren voor de geboortecijfers in Melsele. Celineke had net als andere vroedvrouwen in ons land in de oorlogsjaren 1940-1945 een speciaal paspoort. Daarmee kon de vroedvrouw de baan op en ze moest dat document met foto op zak hebben en kunnen tonen als de Duitse bezetter haar controleerde. Ze had met de Duitsers weleens problemen. We schreven in het eerste deel van hoofdstuk 6 dat de zuigelingenzorg van het N.W.K of Kinderheil doorging in het klooster der Zusters van Liefde in de toenmalige Dorpsstraat, nu Sint-Elisabethstraat. Maar uit het interview met Bombardon citeren wij: ‘Tijdens de oorlog stuurden de Duitsers ons daar weg uit het klooster. Van de burgemeester kregen we toen het huis van Bossuyt toegewezen.’ Dat was een groot herenhuis aan de Grote Baan, ter hoogte van het kruispunt Sint-Elisabeth, tegenover het huidige café ‘De Kadans’ en vlak naast de wegel naar de Pauwstraat. ‘Toen we daar goed en wel klaarstonden om de raadpleging te beginnen, kwamen daar ook drie Duitsers aan, die dat huis bleken nodig te hebben. Ik zei dat dat niet kon, maar ze gaven niet af. 94
  • Gelukkig kon ik een beetje Duits en ik maakte ze dan maar duidelijk dat de dokter boven woonde en de verpleegster en dat er alle momenten hoogzwangere moeders konden toekomen. Na veel heen-en-weergepraat bolden die mannen het toch af. De bewoonster van het huis wees me achteraf wel terecht hoe ik zo durfde te liegen en nog te communie gaan. Maar die slag had ik thuisgehaald. Later zijn we terug naar het klooster gegaan. Als dan in 1957 het Parochiehuis klaar was, zaten we daar ideaal met het Kinderheil, ik had daar zelf voorstellen mogen doen voor de bouw van die lokalen. We zijn er ook niet kunnen blijven, waardoor we moesten verhuizen naar de jongensschool. Nu (in 1986) is het Kinderheil ondergebracht in een zaaltje in Briels. Dat is eigenlijk niet gepast: er wordt gerookt, er komen mensen met bronchitis…’ (2) Hoe langer de oorlog bleef duren, des te meer hulpbehoevenden er bij de bevolking bleken te komen. Her en der werden plaatselijke afdelingen van het Rode Kruis gesticht. Het Belgische Rode Kruis, dat in 1864 werd opgericht, is sinds 1972 opgesplitst in een Vlaamse, Franstalige en Duitstalige gemeenschap. Wat betreft dat Rode Kruis, hierna een paar kopies van documenten die aantonen dat Celineke bij de pioniers van de plaatselijke afdelingen geweest is. Nog voor in Melsele een afdeling gesticht werd, was ze al bestuurslid in de afdeling in Beveren, waarvan hier de samenstelling volgt: Ere-voorzitters Ondervoorzitters Secretaris Econoom Schatbewaarder dr. Palms, Gravin de Brouchoven de Bergeyck (wonende in het kasteel Cortewalle!) mevr. L. Lesseliers, dr. Roels dhr. Alfons Lambers dhr. Raymond Stijnen dhr. Eugeen Onghena Andere bestuursleden dr. Busschaert, dr. D’Hooghe, mej. Céline Van Geertsom, mevr. H. Busschaert, mej. Onghena, mevr. G. Lesseliers. 95
  • De eerste werking vond plaats op 3 februari 1943. Vooral tijdens de overstromingsramp in februari 1953 werkt de afdeling actief mee. Rode Kruis Melsele werd, net als de afdeling Kallo, in 1944 als onderafdeling van Beveren gesticht. Op de vergadering waarop kandidaat-bestuursleden zich kenbaar konden maken, is juffrouw Louise De Ryck door Celineke voorgedragen. En de verklaring die ze daarbij gaf, heeft in het Melseelse verenigingsleven lang blijven naklinken, nl. ‘Neem Louise De Ryck maar mee op in het bestuur, die heeft toch niets te doen.’ De officiële erkenning van het Rode Kruis Melsele laat nog op zich wachten tot 5 maart 1945. Het heeft volgend bestuur: Voorzitter dr. Delacave, geneesheer, 30 jaar Ondervoorzitter dr. De Smet, geneesheer, 76 jaar Secretaris mej. Louise De Ryck, 45 jaar Penningmeester dhr. Karel Peeters, brouwer, 55 jaar Econoom mej. Celine Van Geertsom, vroedvrouw, 33 jaar Hoofd sociale dienst mevr. Rombout, 40 jaar Propagandaleider dhr. Armand Vercauteren, 28 jaar De volgende nota vergezelde deze laatste opsomming van de bestuursleden van het plaatselijke Rode Kruis van Melsele. Het betreft Celinekes buurman, de latere gemeentesecretaris van Melsele, Paul Vandermeulen. ‘Dhr. Paul Vandermeulen, volgens een verkeerde bron geboren op 15.8.1924 en zogezegd 20 jaar oud, student handelswetenschappen, wordt wegens zijn te jeugdige leeftijd niet erkend als Mobilisatiehoofd’. De voorzitter deelt hierop aan het Provinciaal Bestuur mee dat er een vergissing begaan is. Er wordt in de brief meegedeeld dat dhr. Vandermeulen 25 jaar is, want in werkelijkheid geboren op 15.8.1920. Hij was inmiddels afgestudeerd als licentiaat economische wetenschappen. Het duurt echter tot maart 1953 eer dhr. Vandermeulen benoemd wordt.’ Het Melseelse Rode Kruis heeft Paul Vandermeulen steeds als bestuurslid beschouwd, omdat ze hem nodig hadden voor zijn kennis van de wetten en de regelgeving van de gemeente. (Informatie Rode Kruis Beveren, afdeling Melsele via internet dd. 01/03/2013) In wat achteraf de laatste maanden van WO II bleken te zijn, was de toestand in onze streek onzeker en erg verward. ‘Tussen 24 en 31 augustus 1944 leek de frontlijn van de Duitsers volledig opgerold. Er was druk en ongeregeld verkeer van het terugtrekkende Duitse leger. Groepjes soldaten passeerden door de straten en namen fietsen in beslag. Defecte legerwagens worden bij gebrek aan benzine voortgesleept door andere. Sommige wagens rijden op de velgen of op aan flarden gereden banden. Karren getrokken door paarden volgen in de stoet van terugtrekkende angstige Duitse soldaten die schieten op alles wat beweegt. Vanaf einde augustus 1944 komt het zover dat niemand zijn huis nog mag verlaten, behalve tussen 12 en 14 uur.’ (18) 96
  • Het was in die periode dat Celineke haar onmisbare fiets kwijtraakte. Ze stond in haar deuropening te kijken naar enige Duitse soldaten te paard die daar passeerden. Het was de aftocht van de verslagen Duitse legers en een man stopte bij haar, sprong van zijn paard, stopte als de weerlicht de teugels in Celines handen en terwijl hij haar fiets wegpakte zei hij : ‘Geben sie mir dein Fahrrad.’ En weg was hij ermee, Celineke met de mond open van verbazing achterlatend met een paard waar ze in ’t geheel geen weg mee wist. Maar ze zat wel zonder fiets. Die Duitser wist wel wat hij deed. Straks hoopte hij aan de Schelde te komen die hij in een boot zou oversteken en daar was een fiets veel handiger dan …zijn paard. (Cartoon Erik Pijl in De Beverse Klok 6/7/2012) ‘De Melseelse pastoor Frans Pieters schreef in zijn Liber memorialis: ‘Groote scharen Duitschers beginnen af te trekken. Dit houdt aan tot wanneer op 4-9-44 de stad Antwerpen bevrijd wordt Ook dan blijft de onzekerheid groot. Pastoor Pieters schrijft op 4 september dat men de munitie gelegen op het fort Vendoorn (het Zwijndrechtse fort) doet springen, dat duurt twee dagen en een nacht en op 5 september noteert hij dat de mensen in Melsele dachten dat men bevrijd was en dat de Belgische vlaggen werden uitgehangen maar dat het voorbarig was. Er bleven nog maar steeds Duitse soldaten passeren.’ (18) Maar dat het Celineke niet aan moed en durf ontbrak, hoorde ik bij haar vriendin Maria Hernould (°1917). Zij herinnert zich hoe haar man, dokter Delacave, samen met Celine hun leven hebben gewaagd op 10 september 1944 om dodelijk gewonde weerstanders (mannen van de Witte Brigade) te gaan verzorgen op de Melseledijk. ‘Op die bewuste zondag 10 september zakken enkele weerstanders van het N.B.K.-3de sectie Park uit Antwerpen naar Beveren af. Na benzine getankt te hebben bij de Engelse soldaten in Beveren rijden ze met hun auto’s naar Kallo. Ze verlaten hun voertuigen en gaan te voet verder over de Melseledijk die naar Kallo-dorp leidt. Het was kermiszondag. Halfweg tussen de Keetberg en Kallocentrum worden de weerstanders vanuit de huizen rechts op de Melseledijk door de Duitsers gemitrailleerd.’ (18) 97
  • In een van spanning adembenemende voettocht zijn de dokter en Celineke zij aan zij over de Melseledijk gestapt. Zij met haar mutsje met het Rode Kruissymbool op het hoofd en hij met een grote witte servet die hij met beide handen boven zijn hoofd stak. Op die servet had zijn vrouw met rood lint een groot Rode Kruissymbool gemaakt zodat de strijdende partijen konden zien dat die twee moedigen een hulpopdracht kwamen vervullen, zij kwamen de zwaargewonden onder die weerstanders bijstaan. Elf van hen hebben daar het leven gelaten. Als herinnering aan die gevallenen werd op die plaats, tussen de huizen met nummer 50a en 52 een monument opgericht. Op het monument staat te lezen:‘3de Sect. Park Antwerpen en dan N.B.K. Aan onze gevallen weerstanders 1940 -1945 en dan de namen: Belles F., Bouten F., Cant J., Condes J.,Coppens A., De Cort F., Deheuvel A., Detournay J., Muller P., Remouchamps E., Tielemans F. ‘Op het kerkhof van Kallo ligt het graf van G. Brooks, korporaal bij The Queens Royal Regiment die er overleed op 10 september 1944. Op het kerkhof van Melsele ligt het graf van Harold William Warden van hetzelfde regiment en overleden op 11 september 1944.’(18) En toch konden zulke gruwelijke oorlogsfeiten onze mensen niet beletten al eens van de vrede te proeven. Op dezelfde zondag, 10 september 1944, vond een bevrijdingsbal plaats op de Markt in Beveren in zaal Hindra, door de weerstanders georganiseerd. En de verdienste van mensen als Celineke die, als het nodig was, zelfs hun leven waagden om medemensen te helpen, werd naar waarde geschat. 98
  • Een eenvoudig feit misschien, maar een uiting van diepe dankbaarheid was het bezoek dat ze kort na de oorlog kreeg van een Engels echtpaar, twee bejaarde mensen. Het waren de vader en de moeder van een Engelse soldaat die in die oorlog op de hoek van de IJzerstraat en de Grote Baan gesneuveld was. Zij kwamen de omgeving bekijken waar hun zoon gevochten had en gestorven was. En ze kwamen Celine bedanken omdat zij het lichaam van hun zoon op een waardige wijze afgelegd had. Ook na de oorlog heeft Celineke nog heel wat mensen kunnen helpen. Nu was het vooral ervoor zorgen dat ze werk kregen. En zij heeft menigeen aan een job geholpen omdat niet alleen de werkzoekenden maar ook de mensen die personeel zochten bij haar te rade gingen. Overstromingsramp van 1953 In hoofdstuk 5 weerlegden we met de hulp van statistieken dat de stand van de maan een rol zou spelen wat betreft het aantal geboorten. Waar de maan wel een rol heeft gespeeld was bij de overstromingen van 1953 in Nederland en Vlaanderen, want er was springtij in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953. Dat springtij ging toen gepaard met een noordwesterstorm en dat stuwde het water in de trechtervormige Noordzee op tot een recordhoogte. In Nederland, dat veruit het zwaarst getroffen werd, lieten meer dan 1 800 mensen het leven. In België braken op 37 plaatsen de dijken door en daarbij werden Kallo, Zwijndrecht en Melsele het ergst getroffen. Gelukkig groeide er een enorme solidariteit onder de bevolking. De mensen hadden medelijden met de getroffenen, zeker omdat in het Melseelse poldergebied de waterellende tot een heel stuk in de maand juni bleef voortduren. Overstromingen 1953. Café in de Bergmolenstraat in Melsele. Bij eb trok op de meeste plaatsen het water weg maar bij vloed liep alles weer onder en die toestand duurde maanden aan een stuk. (Foto De Beverse Klok 21/2/2003) 99
  • Er kwam hulp op gang voor de slachtoffers. Celineke zette zich onverdroten in, weerom in het kader van het plaatselijke Rode Kruis. ‘Celineke had een speciale tactiek om iemand aan te pakken’, vertelde vriendin Maria Hernould. ‘Zij kon mijn man, Rode Kruis-voorzitter dokter Delacave, leiden naar het doel dat zij voor ogen had. En dat gebeurde allemaal zonder de indruk te geven dat zij over hem de baas wilde spelen.’ Bij die overstromingsramp was het plaatselijke Rode Kruis erg actief in de hulpverlening. Op een middag was Celineke met Maria Hernould, die de camionette bestuurde, en 5 meisjes uit de omgeving van Luik, op weg om soep aan de getroffenen te gaan bedelen. Die Franstalige meisjes waren leerling-verpleegsters aan een instituut in Luik. Ze waren door bemiddeling van dokter Delacave, die in Luik gestudeerd had, komen helpen in Melsele. Zij logeerden bij de zusters in het pensionaat in het klooster. Document dat de samenstelling van het Plaatselijk Rampencomité 1953 bevestigt. 100
  • Ze kwamen aan een van de afgelegen boerderijen en de boer vroeg heel beleefd aan de meisjes: ‘De la soupe pour 6 personnes.’ Celine die dat hoorde, keerde zich om, keek de man aan en zegde: ‘Hela, volgens mij woont gij hier toch alleen met uw moeder.’ De boer stond versteld en hij stamelde half hoorbaar: ‘En mijn varkens, die moeten niet eten, zeker.’ ‘Dat was het grote voordeel om iemand als Celineke in het bestuur te hebben’, vertelde Maria verder. ‘En iemand die dan nog actief meewerkte ook. Zij kende Jan en alleman en bij hun vergaderingen kon zij haar collega’s af en toe voor foute beslissingen behoeden.’ ‘En toch heb ik een keer iets te veel op eigen houtje gedaan’, vertelde Maria. ‘Een jonge vrouw uit de polder kwam in de loop van de voormiddag bij mij haar beklag doen. Zo goed als alles wat ze in huis hadden was drijfnat’, vertelde ze. ‘Het was zo erg’, zegde ze, ‘dat hun kind tussen haar en haar man moest slapen. En of ik voor haar geen matras had, want dat is toch niet alles voor dat kind. Ik had met die jonge vrouw te doen en ik dacht dat ik tegen de middag wel iemand van het bestuur ter sprake zou gehad hebben om het weggeven van een matras te bespreken. Maar niemand!’ Tegen de middag was die jonge vrouw daar terug, met een kruiwagen deze keer om de matras te komen ophalen en naar huis te vervoeren. Tegen zoveel hoopvolle verwachting kon de doktersvrouw niet op en ze ging met haar mee naar het klooster, waar de hulpmiddelen van het Rode Kruis opgestapeld lagen. Ze belde aan. De portierster, zuster Viterbe, kwam opendoen en Maria deed haar verhaal. De zuster zegde nog: ‘Maar madame, zoiets moet toch eerst voorgelegd worden. Zo is toch de afspraak.’ Maria dacht: een matras is nu toch niet zo’n kostbaar ding en dat vrouwtje had echt haar medelijden gewekt. En ze stond hier al voor de tweede keer vandaag. Ze gaf haar de matras dan maar mee. ’s Avonds bracht ze het verhaal over ‘haar goede daad die ze gesteld had’ als eerste te berde op de vergadering en de ontnuchtering volgde onmiddellijk bij de reactie van Celineke, nl. dat die vrouw gelogen had. Er waren in dat huisgezin namelijk helemaal geen kinderen. Voor eens en voor altijd heeft Maria toen onthouden dat Celineke een encyclopedische kennis had van de Melseelse bevolking. Als zijzelf huispersoneel nodig had, dan ging zij ook bij haar te rade. Celineke wist precies te vertellen in welk gezin een meisje was dat voor het huishouden geschikt was of een jongen die een bekwame tuinman zou kunnen worden. Het gebeurde geregeld dat zij de ‘verbindingsvrouw’ was die werkzoekende en werkgever bij mekaar bracht omdat de mensen die personeel zochten ook bij haar te rade kwamen. 101
  • De Brielstraat richting Melseledijk met rechts de kapel van Sint-Benedictus Labre aan de hoeve Euverbraeke. Twee keer per etmaal was dit de hoogte van het water bij vloed. En dat duurde van februari tot juni 1953. (Foto De Beverse Klok 7/2/2003) 102
  • Zorg voor bejaarden Het afnemen van alle krachten bij het verouderen is zeker heel droevig, maar het is noodzakelijk omdat anders de dood te zwaar zou vallen. ( Arthur Schopenhauer, Duitsland 1788-1860) COO en OCMW In Bombardon zegde zij in 1986 dat ze op een zeker moment is overgestapt van de kinderen naar de bejaarden. Zo fors zal die overstap naar de bejaarden niet geweest zijn. Op 21 augustus 1978 regelde ze voor de laatste keer een bevalling en dan was haar interesse voor de ouden van dagen al gekend want van 1959 tot 1965 was ze al lid van de COO-raad van Melsele geweest. Het COO-bestuur van Melsele 1959-1965 met vooraan Staf Leysen, Jules Van Vossel, voorzitter Jos Aps en Petrus Truyman. Achteraan: Jan Van Puymbroeck (secretaris ), Celineke en dokter Adolf Deckers. (Foto Jos Aps) En op het ogenblik dat ze dat vertelde, zetelde ze in de Beverse bestuursraad van het OCMW. We kunnen van haar ‘zorgend in de wereld zijn’ zeggen dat het zich uitstrekte van de zorg voor iemand vanaf het eerste uur van zijn bestaan op deze wereld over jeugd, volwassenheid en ouderdom tot het waken bij doodzieke mensen toe. Maar we moeten toegeven dat de levensfasen piepjong en stokoud er wel bovenuitspringen. 103
  • Kasteel Briels, waar RVT Briels in gevestigd is, zoals het was ten tijde van Celinekes jeugd. Het kasteel is nog gedeeltelijk behouden. Voor dat rusthuis heeft zij in haar COO-en haar OCMW- periode haar beste beentje voorgezet. (Foto uit Kijk op Melsele van Henri De Clerck, 1983, Uitgeverij Het Streekboek, 2770 Nieuwkerken) Celineke zetelde vanaf 6 juli 1959 tot 1965 in de Commissie van Openbare Onderstand (COO) van Melsele. Zij verrichtte enorm veel werk in rusthuis Briels waar ze door de commissievoorzitter Jos Aps en haar andere medebestuurders zowat carte blanche kreeg. Zij bezocht er de bewoners regelmatig en zij kon goed met die mensen om en zo kende zij ook hun noden. Zij was voor vele bewoners een ‘biechtmoeder’. Iemand die haar niet persoonlijk kende heeft haar, nadat ze haar al een paar keer in Briels had zien rondlopen, gevraagd of ze soms met iets leurde. En een bejaard ventje heeft ze er gelukkig gemaakt door ervoor te zorgen dat zijn ontbijtwens werkelijkheid werd: hij kreeg geregeld spek met eieren waarop hij zo verlekkerd was. (2) Maar ze deed meer. Ze deed voorstellen om de kamers en de gemeenschappelijke ruimtes van het rusthuis te vernieuwen. Men had alle vertrouwen in wat ze voorstelde en deed voor het opfleuren en moderniseren. Zij stak alles in het nieuw van gordijnen tot draperieën. En het bleef niet beperkt tot oppervlakkige interieuraanpassingen. Er kwamen ook nieuwe matrassen en ook voor de eerste keer relaxzetels. 104
  • In 2012 verhuist WZC Briels naar De Notelaar in Beveren waar de bejaarden tijdelijk verblijven tot Briels afgebroken en heropgebouwd is. Het is de harde wet van de modernisering. Na al het werk dat Celineke in rusthuis Briels in Melsele verricht had, zou de afbraak van het grootste deel van Briels in 2012 haar zwaar gevallen zijn. (Cartoon Erik Pijl in De Beverse Klok 8 /7/2011) Blijkbaar kreeg haar goede naam in de ouderlingenzorg evenveel weerklank als vroeger die van vroedvrouw. Ze vertelt in Bombardon : ‘In Sint-Gillis-Waas werd ik gevraagd om de eerste weken het nieuwe rusthuis te openen met tien bejaarden. Zo ben ik daar twee jaar geweest. Er waren toen 60 bejaarden en een verzorgingsdienst. Dat gaf me de gelegenheid om mensen die nergens binnen geraakten, daar binnen te helpen (2).Navraag in Sint-Gillis-Waas leerde ons dat Celineke werkzaam was in het in september 1975 geopende Rusthuis De Kroon als gebrevetteerd verpleegster vanaf 1 november 1975. Eric De Keyzer, de huidige OCMW-voorzitter van de gemeente Sint-Gillis, weet mij te vertellen dat de Sint-Helenakliniek van Sint-Gillis uitgebaat werd door de Mariazusters van Franciscus uit de Kerkstraat in Waasmunster. Het OCMW heeft toen bedden overgenomen van Sint-Helena en ook de V-dienst (verzorgingsdienst) van de kliniek. Via de archivaris van de gemeente Sint-Gillis, Kenneth Colleman, kwam ik te weten dat zij daar een tijdelijk contract had dat naderhand verlengd werd tot 31 december 1976. Zij werkte daar 90 uren per maand en haar loon bedroeg 88,67 Belgische Frank per uur, en na indexatie was dat 114,20 BF. 105
  • Zij verdeelde als hoofdverpleegster de taken onder het personeel, vertelt bejaardenhelpster-op-rust Emilienne Jacquet, echtgenote van Wilfried Marin, die daar toen ook werkzaam was en o.a. het bureauwerk deed. Emilienne herinnert zich Celineke als een echte moeder voor het personeel. Zij was iemand die rust gaf. Gewezen OCMW-secretaris Roger De Kimpe, ondertussen woonachtig in Knokke, weet te vertellen dat men Celineke nodig had om als gebrevetteerd verpleegster in het rusthuis mee voor de omkadering te zorgen. En dat ze erg graag gezien was door het personeel, dat erop aanstuurde dat Celineke, ook al was haar activiteit daar van korte duur geweest, bij haar afscheid in 1977 gevierd werd. Zij werd er opgevolgd door Maria De Cauwer Met dit palmares kon de CVP in 1977 in haar verkiezingsfolder ‘Stem voor Melsele’ die in de deelgemeente bedeeld werd, de figuur van Celineke extra in de verf zetten met o.a. de opsomming van al haar functies. En dat waren er heel wat! (Archief Frans Verelst) Voorzitster KVG (Katholieke Vereniging voor Gehandicapten) Melsele-Kallo; Voorzitster KAV Melsele; Lid dagelijks bureau ACW Melsele; Afgevaardigde van het Nationaal Werk voor weduwen en wezen van Arbeidsslachtoffers; Gewezen lid van de Hoge Raad van het Verplegingswezen; Lid van de kwalificatiecommissie BSO gezins- en sanitaire opleiding O.L.Vrouw van Gaverlandinstituut, Melsele; Bestuurslid Turnkring “Jong Waasland”. Vroedvrouw-sociaal verpleegster is haar beroep. En ze is zeer betrokken bij de zorg voor gehandicapten. En aan die indrukwekkende lijst kunnen we nog toevoegen: Medestichter en bestuurslid Rode Kruis, Melsele; Lid van Raad van Bestuur vzw Parochiale Werken Melsele; Lid van Plaatselijk Rampencomité Rode Kruis Melsele bij watersnood in 1953. 106
  • Maar zeer eigenaardig, zij werd slechts voor een legislatuur in de COO-raad van Melsele verkozen. Hoe dat kwam? ‘Gewoon omdat de Melseelse gemeentepolitiek zelfs voor de Melselenaren toen gewoon onbegrijpelijk was, zoals je hierna kan lezen in de afscheidstoespraak van Jos Aps. Het is pas na de fusie der gemeenten, toen Melsele tot de fusiegemeente Beveren behoorde, dat Celineke op politiek gebied terug ten tonele verscheen. De Beverse burgemeester Marcel Van der Aa kende haar grote populariteit en hij spande er zich persoonlijk voor in en bepraatte haar om op te komen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1977 voor de Christelijke Volkspartij (de CVP, thans CD&V). En Celineke liet zich overhalen. Celineke behaalde met klank het recht op een gemeenteraadszetel met 1 076 stemmen. Maar ook nu verkoos zij niet te zetelen in de gemeenteraad. Nu de COO tot het OCMW was omgedoopt (Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn), was het moment aangebroken dat zij weer in het bestuur verscheen. Dat bleef haar dada. Zo kon zij zich voor haar leeftijdsgenoten verdienstelijk maken in de OCMW-raad van Groot-Beveren. En daar had je Celineke terug, nu in de OCMW-raad van Groot-Beveren. Vooraan v.l.n.r.: Remi Stuer, René Moorthamer, Marcel Van der Aa, Jos (Hilarius) Aps, secretaris Frederik Blondeel. Achteraan v.l.n.r.: Jan Cleiren, Celineke, Florent Maes, Jozef Van Remoortere, Jozef Valaert, Leopold Foubert, ontvanger Celis, Gaby de Cauwer. (Foto Jos Aps) 107
  • Vanuit haar achtergrond als vroedvrouw en als OCMW-raadslid maakte Celineke al snel een plechtige opening van een instelling mee waarop ze terecht fier kon zijn: Kinderkribbe Windekind in Beveren. Die werd in september 1979 officieel ingewijd door de minister van Volksgezondheid Paul Dhoore. De inzegening gebeurde door deken Richard Weemaes. Namens het OCMW waren aanwezig: voorzitter René Moorthamer, de leden van het Vast Bureau: Florent Maes en Celine Van Geertsom, OCMW-secretaris Frederik Blondeel en de hoofdverpleegster van het kinderdagverblijf Lieve Brijs. Celineke (helemaal rechts) was ook aanwezig op de viering van het briljanten huwelijksjubileum van Gustaaf De Clerck en Margriet Van Havere in 1980. Achteraan vlakbij Celineke staat Jos Aps, ook OCMW-bestuurslid en naast Celineke Henri De Clerk, zoon van de jubilarissen en auteur van ‘Kijk op Melsele’ waaruit we voor ons boek geput hebben, geheel links OCMW-voorzitter René Moorthamer en bestuurslid Jos De Roeck (Foto Jos Aps) Haar collega in die raad, haar dorpsgenoot Jos Aps, getuigt van haar dat ze bij de vergaderingen van de OCMW-raad nooit het hoge woord wou voeren of door andere dingen wou opvallen. Maar geregeld wist zij gevallen van mensen die in nood verkeerden te melden aan de secretaris. 108
  • Bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen in 1982 kwam Celineke weer op de kandidatenlijst van de CVP. Zij stond op plaats 35 (lijstduwer) en behaalde 575 stemmen. Iets meer dan de helft van haar stemmenaantal van de vorige keer en dat ontmoedigde haar. Samen met Celine was er toen een overtal aan kandidaten - er is sprake van 30 - voor de 6 plaatsen waarop de CVP recht had in het OCMW-bestuur. Het partijbestuur moest verkiezing houden en voor de eerste 5 mandaten werd er gekozen voor René Moorthamer, Florent Maes, Jos Aps, Jan Cleiren en Petrus Truyman. Voor het laatste mandaat bleven 2 kandidaten over: Celine Van Geertsom en Emiel Heyninck en men besloot dat Celine de eerste drie jaar de functie zou vervullen en Emiel de laatste drie jaar. Emiel gaf echter vervroegd zijn ontslag zodat Celine de volle termijn kon afmaken. Celine (geheel links) en Jos Aps (3de van rechts) kijken tevreden toe hoe minister Rika Steyaert hen en de andere OCMW-leden feliciteert bij de opening van de nieuwe vleugel van Rusthuis Briels in 1982. (Foto Jos Aps) Als ik in juni 2012 deze foto van Jos Aps overhandigd kreeg om hem in dit werkje over Celineke te laten opnemen, kreeg de man de krop in de keel. ‘’t Is niet te geloven, Roger’, zegde hij, ‘die vleugel die in 1982 ingehuldigd werd, wordt dit jaar afgebroken. Na 30 jaar! Dat kan er bij mij niet in!’ 109
  • En alhoewel Celineke 3 volle termijnen als OCMW-bestuurslid afgewerkt heeft, is ze nooit voorstander geweest van een verblijf in een bejaardentehuis. Mensen moesten volgens haar zo lang mogelijk actief blijven en als het enigszins kon in hun vertrouwd milieu. ‘Eens in een bejaardentehuis gaan de meesten zich ‘zetten’. Gewoonlijk moeten ze dan nog slaapmiddelen nemen. Ze worden lomer en ik denk dat dat ook meer aftakelt. Ik raad de mensen altijd aan zoveel mogelijk thuis te blijven’, zegde Celineke in 1986. (2) Huldiging van drie verdienstelijke OCMW-leden in 1983: v.l.n.r. Celineke, Florent Maes en René Moorthamer. (Foto Jos Aps) 110
  • COO Afscheidstoespraak van Jos Aps 19/10/1989 (Uit archief van Frans Verelst) Beste CVP-vrienden, Toelichting: het gaat om 2 leden van COO en OCMW die worden gehuldigd omdat zij jaren in de bres hebben gestaan, eerst in Melsele en daarna in Beveren. Tot in de jaren ’60 was lid worden van de COO-raad niet aantrekkelijk volgens de spreker. Dat Petrus Truyman en Celine Van Geertsom het toch deden, betekent dat zij aanvoelden dat het iets meer was dan een erepost en dat voor de COO werkelijk een sociale taak was weggelegd. Volgt dan eerst een dankwoord aan Petrus Truyman. Over Celine zegt hij: Celine was actief in heel wat sociale verenigingen, maar ik geloof niet dat zij zich effectief tot de politiek voelde aangetrokken. Door haar sociale bewogenheid was zij echter wel heel gelukkig dat zij vanaf 1 juli 1959 als lid van de COO werd benoemd. Het was toen ook het begin van de grootse plannen voor de COO met o.a. de talrijke bouwplannen. Onder haar impuls kreeg het Rusthuis Briels ook een interieuraanpassing terwijl dankzij haar nauwe contacten met de inwoners, heel wat verbeteringen konden gedaan worden om het die mensen meer en meer naar hun zin te maken en de kinderziekten uit de periode van de opening op te vangen. Het bleef echter in Melsele bij een legislatuur – de Melseelse gemeentepolitiek was toen ondoorgrondelijk – maar bij de fusie die leidde tot het grotere geheel Beveren bleef het haar grote droom terug te keren naar het OCMW. Daarom kwam zij op de kandidatenlijst van de CVP en het werd een groots succes met liefst 1 076 voorkeurstemmen. Gezien haar belangstelling uitging naar het OCMW gaf zij haar gemeenteraadszetel over. Zo kwam ze voor twee legislaturen in het OCMW. Daar kreeg zij weer een specifieke taak opgedragen die voor haar op maat was gemaakt: contact met de bewoners van de rusthuizen en met de kinderkribbe. Zo kon zij ‘de kleine wensen van de grote mensen’ opsporen en verhelpen. Op het eerste gezicht misschien niet zo noodzakelijk, maar menselijk gezien toch van groot belang. Vooral voor die oudere mensen voor wie die ‘kleine wensen’ toch zoveel belang hebben. Zo stond Celine 18 jaar tussen hen en ook zij zal wel de grootste voldoening hebben gehad bij een dankwoord van die mensen zelf. Wij in elk geval danken haar voor haar inzet. En om te sluiten zou ik speciaal tot Petrus en Celine willen zeggen: ‘Ge kunt misschien Ons Heer danken dat u nu in 1989 geen raadslid van het OCMW meer bent, want het is daar momenteel een regelrecht ‘circus’ ‘ 111
  • Afscheidnemende CVP-mandatarissen en – voorzitters na verkiezingen 1988. Zittend v.l.n.r.: Yvonne Verhelst, Herman Van Rompuy, nationaal voorzitter van de CVP, burgemeester Marcel Van der Aa, Celine Van Geertsom. Staande v.l.n.r.: Karel Taelman, Petrus Truyman, André Bolsens, Emiel Buysrogge, Florent Maes, Johan Lesseliers, René Moorthamer, Leon Reyns. (Bron: Huldeboek Marcel Van der Aa) Iedereen kon op haar rekenen Dat haar zorg voor de bejaarden niet alleen de OCMW-rusthuizen van Melsele en later van heel Beveren betrof, hebben heel wat mensen mogen ervaren. Ouderen en zieken verzorgen tot in hun laatste uren en achteraf het lichaam van de overledene nog wassen en ‘afleggen’ ook. In een tijd dat er nog maar weinig of geen georganiseerde hulp bestond op dat gebied, was hetgeen zij deed van enorm belang. Je moet weten dat het Witgele Kruis, nationaal gezien weliswaar vanaf 1937 actief, pas in 1985 een plaatselijke afdeling in Beveren kreeg. Van daaruit wordt de de verzorging geregeld van de patiënten in Beveren, Melsele, Haasdonk, Vrasene en Kallo. Niet voor niets staat op haar doodsprentje dat Melsele afscheid neemt ‘van haar zachte handen die honderden ouderen met schroom op hun doodsbed hebben neergelegd’. Hoeveel mensen in Rusthuis Briels of bij hen thuis heeft ze niet geholpen in hun laatste uren? Er werd stilletjes gepraat over de persoon die ‘in een slecht vel zit’, ‘op zijn laatste benen loopt’, ‘uitgaat als een kaars’, ‘op zijn uiterste ligt’, ‘die met één been in het graf staat’, ‘die bezig is zijn pakske te maken’, ‘die het niet lang meer zal trekken’, ‘die bijna het hoekje om of gepasseerd is’ of ‘nog vecht tegen de dood’. En als de persoon stokoud is klinkt het: ‘Zij of hij hebben hun tijd gehad.’ Of men sprak mekaar troostende woorden toe. ‘Sterven is geen verloren werk en het is maar alleen de dood die rechtvaardig is.’ Of ‘we moeten ons niet haasten, de hemel wordt met de dag schoner’. En ook: ‘We zijn niet geschapen om hier te blijven’ of ‘Niemand zal vergeten worden.’ 112
  • Als de kans op genezen er helemaal niet meer was en de dood als het ware voor de deur stond, werd de pastoor ontboden voor de berechting, de toediening van de laatste sacramenten, het Heilig Oliesel. Dikwijls stond Celineke naast het bed van de stervende die met de steun van haar, met gebroken stem nog meeprevelde met de laatste gebeden van de pastoor. Respect voor de overledene Als de persoon ‘gepasseerd was’, zoals men dat schroomvol zegde, sloot Celineke eerbiedig zijn ogen. Het lichaam werd daarna afgelegd: het werd uitgekleed, gewassen en geschoren. Men trok daarna het lijk terug kleren aan. Onder de kin legde men een doekje of een kerkboek tegen het openvallen van de mond. Een paternoster werd om de gevouwen handen van de overledene gelegd met het kruisje van de ‘goede dood’ op de borst. Celineke was er soms ook bij als in bepaalde families ’s nachts bij het lijk al biddend gewaakt werd. Dat begon gewoonlijk met drie paternosters van de rozenkrans. De litanie van Onze-Lieve-Vrouw werd ook gebeden en die van Alle Heiligen. Bij die laatste werd dan speciaal de Heilige Barbara nog gevoegd, de patrones van de ‘goede dood’. Dat waken gebeurde soms in twee ploegen: de ene voor en de andere na middernacht. ‘Vrouwen brachten voor de dodenwake weleens handwerk mee om zich wakker te houden en voor iedereen was er meestal de nodige drank voorzien. Er werd verteld. En soms, als ze ‘gespannen’ waren, werd er op een rustige manier kaartgespeeld. In bepaalde streken zaten de kaarters in een andere kamer dan waar het lijk opgebaard lag. De deuren tussen de vertrekken bleven openstaan, want de bedoeling van heel het gebeuren was dat de overledene zich nog bij de familie moest voelen. Wie bij het kaartspel verloor, moest in de dodenkamer een aantal Onzevaders en Weesgegroetjes gaan bidden’. (20) De avond voor de begrafenis kwam men de lijkkist brengen en nadat huisgenoten en aanwezigen nog een laatste kruisje gegeven hadden, werd het lijk gekist. Ik zelf heb zulke dodenwake slechts een keer meegemaakt voor een tante, dat was in 1958. Daarna werd dat waken bij een lijk in onze familie bij mijn weten niet meer gedaan. Er ontstond namelijk het gebruik dat de man of vrouw die thuis gestorven was, overgebracht werd naar de begrafenisondernemer waar een avondlijke begroeting voor vrienden en kennissen georganiseerd werd. Het gebruik van het waken bij de overledene werd verplaatst naar een gebedsavond met de buren in een wijkkapel. In de kapel Onze-Lieve-Vrouw van de Vrede op de wijk Beveren-Zuid wordt dat nu door sommige families nog aangevraagd en komen buren en familie bijeen om te bidden voor het zielenheil van de overledene. 113
  • Voor de begrafenis was vroeger burendienst vrij algemeen en op vele plaatsen was het de gewoonte tot na WO II dat de naaste buren het lijk naar de kerk droegen. Zo werd een boer gedragen door andere boeren, een ongehuwde vrouw door andere ongehuwde vrouwen, enz. Germaine Smet (1908-2008), die nog model had gestaan bij haar familielid de Beverse ongehuwde kunstschilder Piet Staut (1876-1933), vertelde mij toen ze bijna 100 jaar oud was, over diens begrafenis. Vier jonge buren van de kunstschilder uit de toenmalige Armstraat (nu Piet Stautstraat) hebben het lijk naar de kerk gedragen: Fons Tindemans, Jef Vergauwen, Frans Keppens en Kamiel Vercauteren. Rouwstoet op 2 februari 1957 bij de uitvaart van Celinekes moeder. Van de dames die rechts stappen is Emilie Van Geertsom de eerste en Margriet de tweede. Celineke is niet zichtbaar. Let op de zwarte kledij van de dames. Die werd in die tijd nog wekenlang gedragen. (Foto Omer Van de Vijver) Op mijn zoektocht naar gegevens over Celineke heb ik in de Appelstraat in Melsele nog horen vertellen over een gewoonte die daar in 2012 nog onderhouden werd en die wellicht nog een overblijfsel is van genoemde burendienst bij een begrafenis. De begrafenisondernemer heeft al sinds vele jaren het ‘wegdragen van de overledene’ op zich genomen en als nu in die straat iemand overlijdt, dan gaat een man of vrouw bij iedere medebewoner aankloppen om een bijdrage voor het aankopen van een bloemstuk voor de begrafenis. 114
  • Zelf hulpbehoevend Bij de insecten wordt de rups tot vlinder, maar bij de mensen is het omgekeerd: de vlinder wordt tot rups. (Anton Tsjechov, Rusland, 1860-1904) Dat stand of rang in Celinekes leven nooit een rol van betekenis hebben gespeeld, kon ik uit menige mond horen. Maar dat nam niet weg dat ze zich bij mensen die in aanzien stonden even goed thuisvoelde als tussen het eenvoudigste volk. Hoewel Celineke in een interview verklaarde dat ze zichzelf nooit echt politiek gericht noemde (2), voelde ze zich blijkbaar toch wel thuis in de leidende kringen van haar dorp. Op 24/11/89 werd een nieuw bestuur verkozen in de CVP-afdeling Melsele. Je ziet v.l.n.r. Jan Buytaert, Jos Aps, Jozef Baukeland, Petrus Truyman, Gerry Smet, Robert Blommaert, Hugo D’Hollander, Celine Van Geertsom, Karel De Meulenaere en Mirèse Deckers. (Foto Frans Verelst) Pratend met Celinekes vriendin Maria, vraag ik haar wat ze ervan vindt dat de bevolking haar indertijd de erenaam ‘moeder des dorps’ had gegeven. Meer dan verdiend, vond Maria. Celine was buiten die moederlijke zorg voor Jan en alleman ook een ‘natuurlijke gever’, iemand die liever iets zou nagelaten hebben voor haarzelf om toch maar een ander een plezier te kunnen doen. Haar werkkracht was onovertroffen en aan vier uur slaap per nacht had ze genoeg. Ze was daarbij heel verstandig en voorzichtig, en ook idealistisch en gedreven. 115
  • En plots verandert de toon van het gesprek. Van een ‘lofzang op een afwezige’ gaat Maria over op de harde werkelijkheid van weleer. Ze vertelt hoe ze op zekere dag, het moet in 1995 geweest zijn, de eerste sporen van dementie bij haar vriendin waarnam. Celineke hield een toespraak over gehandicaptenzorg en ze raakte plots niet meer uit haar woorden. Was dat het gevreesde zwarte gat? Tegenwoordig zouden ze dat een ‘black-out’ noemen, maar dit duurde zo verschrikkelijk lang dat ze er volledig van haar stuk door raakte. Toen zo goed als iedereen van haar familie en vrienden vonden dat Celine al te sterk geestelijk achteruitging, wist de naaste familie aanvankelijk geen raad. Na een onderzoek bij dokter Van Ussel, zenuwarts, raadde die hen een opname aan. Hij wist dat Celineke in de kliniek van Beveren eigenlijk ‘gedraaid en gesponnen’ zat bij de nonnetjes daar, zoals men dat noemt. Zij was er ‘kind aan huis’. En de arts raadde aan dat ze gebruik zouden maken van die nauwe band die Celine had met de Sint-Annakliniek en in ‘t bijzonder van de vertrouwelijke omgang die er altijd geweest was met de overste, zuster Elisabeth (Meul). De vraag werd gesteld aan de directie van de Sint-Annakliniek, want op dat ogenblik was de kliniek bestuurlijk al een afdeling van AZ Maria-Middelares, dus niet meer in handen van de zusters. Celine werd opgevangen en ze mocht in een kamer van de afdeling heelkunde verblijven. Een maand later, het was een koude winterdag einde van het jaar 1995, voelde Celines nicht, Valentine Staes (°1921), de weduwe van Albert Claessens van de Grote Baan, zich niet in haar gewone doen. Om de een of andere reden sloeg ze haar gewone middagdutje over. Ze trok haar winterjas aan en stapte naar buiten, richting dorp. Toen ze bijna aan het kruispunt van de Torenstraat met de Grote Baan was, stopte even verder de lijnbus Sint-Niklaas-Antwerpen en bij de mensen die uitstapten was ook de 83-jarige Celine, enkel gekleed in haar nachtjapon. Ze was duidelijk uit de kliniek van Beveren weggelopen. Valentine, die nicht Celine al verschillende keren gaan bezoeken was op haar ziekenkamer in de Sint-Annakliniek, stond een ogenblik ontsteld van verbazing te kijken, haastte zich dan tot bij haar en sprak haar aan. - Ja, Valentine, zegde Celine, ik moet eerst naar mijn moeder…! - Dat is voor straks, zei Valentine, we gaan eerst bij mij thuis een kop koffie drinken en ze troonde de rillende Celine mee naar binnen. Terwijl het water kookte kon Valentine naar Celines neef Omer Van de Vijver telefoneren en hem van de situatie op de hoogte brengen.. Omer werkte op dat ogenblik in zijn bureau van de personeelsdienst in het gemeentehuis van Beveren. Hij heeft zijn auto genomen en is naar de Grote Baan in Melsele gereden, waar hij zijn tante Celine meenam en haar terug naar de Sint-Annakliniek bracht. De dichtstbijzijnde vrije parkeerplaats was aan het vroegere Jeugdheem in de Oude Zandstraat, herinnert Omer zich. Hij moest met zijn tante aan de arm te voet de straat oversteken. Wat hem is bijgebleven, was het feit dat alle automobilisten als het ware de noodsituatie doorzagen, vertelde Omer, en uit respect voor ons stopten om ons de weg over te laten steken. 116
  • Na een verblijf van twee maanden in de Sint-Annakliniek deed de nood aan een meer gespecialiseerde opvang zich sterk gevoelen. Het overbrengen van Celineke naar Sint-Niklaas was de enige uitweg, hoe erg de zusters van de Sint-Annakliniek het ook vonden. Zij verbleef eerst twee maanden ter observatie in de instelling van de Broeders in de Dalstraat en ze werd daarna in afspraak met de familie opgenomen in de gesloten afdeling van het R.V.T. Albert Elisabeth van het OCMW. In de nabijheid van die laatste kliniek woonden drie bejaarde zussen samen. Ze waren uit Melsele afkomstig en Celineke had hen vroeger heel goed gekend. Het waren de zussen De Clerck, kloosterzusters op rust. Die bezochten haar dikwijls en zorgden voor haar. De familie Van Geertsom had gehoopt dat hun nabijheid bij Celineke herinneringen zou oproepen en zo haar geestelijke toestand zou verbeteren, maar dat bleek een vergeefse hoop. In dat Rust- en Verzorgingstehuis Albert Elisabeth is zij dan op 4 november 2005 overleden. 117
  • Bibliografie en documenten. Bronnen (1) ‘Beverenaars van de Twintigste Eeuw’, Uitgave De Beverse Klok, 2001 (2) Bombardon, de dorpsgazet van Melsele, nummer 22 van oktober 1986 (uit archief van Karel De Meulenaere) (3) Waaskrant op 5/6/2010, tekst Rolf Duchamps (4) Bijscholing Beverse Gidsen, fort Liefkenshoek, Stefanie Audenaert en Carine Goossens Beveren, 2007 (5) ‘Lillo en Liefkenshoek’, Repertorium van personen in en nabij deze Scheldeforten 1585 – 1786 J.M.G. Leune (6) ‘Het Dialect van Beveren en zijn deelgemeenten’ , Herman Cools, Uitgave Gemeentebestuur van Beveren, 2000 (7) ‘Benedict Wydooghes geschiedenisles’, een kladschrift met verhalen en herinneringen. Internetbericht augustus 2009. Benedict Wydooghe is historicus, docent geschiedenis op Katho-Ipsoc, Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen. (8) Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, door C. Kruyskamp, Uitgeverij Martinus Nijhoff, ’s Gravenhage 1970 (9) Spreekwoordenboek in vier talen. Prof. dr. H.L. Cox, Van Dale Lexografie Utrecht/ Antwerpen p. 125 (10) ‘De geschiedenis van de aardbeienteelt in Melsele en in het Waasland’, F. Van Moere, H. Van Bastelaere, J. Robberechts, in Onze Gemeente, Informatieblad Beveren, 1985, Jaargang 19 nr 1 (11) ‘Dag Zuster. Verpleegkundigen en vroedvrouwen vertellen’, Mieke De Jaegher Uitgeverij Van Halewyck Leuven 2012 (12) ‘De engeltjesmaaksters’ , ‘Abortus toen het niet mocht’, Diane De Keyzer Uitgeverij Van Halewyck Leuven 2009 (13) ‘Onderwijzingen aangaande de manier van de nieuwgeborene kinderen te doopen ten gebruike van vroedmeesters en vroedvrouwen’, Mechelen, 1902 (14) ‘Terugkerende doden in de Vlaamse mondelinge overlevering’, vergelijkende motievenstudie en cultuurhistorische duiding. Katrien Van Effelterre KUL Leuven, doctoraal proefschrift, 2006 (15) ‘Vrijen en trouwen van de middeleeuwen tot heden’. Seks, liefde en huwelijk in historisch perspectief, C. Vandenbroeke, Brussel/Amsterdam, 1986, p.63-72 (16) ‘De christelijke arbeidersbeweging in België 1981-1991’, Emmanuel Gerard, Deel 1, Kadok-studies 11, Universitaire Pers, Leuven 1991; p. 321 (17) ‘Casti Connubii’, encycliek over het christelijk huwelijk van Paus Pius XI, 1930, Nederlandse vertaling NV Drukkerij De Tijd – Amsterdam 1931 118
  • (18) AXIS4PEACE - AXIS Vredesgenootschap Beveren , Historia, De Bevrijding van Beveren september 1944, G. en R. Willems www.axis4peace.eu/historia.htm, gegevens d.d.10/02/2013 (19) Rode Kruis Beveren en Rode Kruis Melsele. Informatie internet (20) ‘Van de Wieg tot het Graf’, Reeks in Levend Land, Valeer Wouters (21) Artikel van Dr. Philippe Presles, bewerkt door C. De Kock, gezondheidsjournaliste, op 26/09/2006 Bronnen: Arliss J et al. The effect of the lunar cycle on frequency of births and birth complications. Am J Obstet and Gynecol.2005; 192 : 1462-1464 (22) ‘Moderne magie en hekserij’, A. Van Hageland, Leuven 1965 En verder: ‘Huldeboek Marcel Van der Aa, Beverens stuurman sedert vele jaren’, Eindredactie Herman Cools, Coördinatie Peter Lambers, Beveren, 1993 (uit archief van Frans Verelst) ‘Kijk op Melsele’, Henri De Clerck, 1983, Uitgeverij Het Streekboek, 2770 Nieuwkerken, (uit archief van Frans Verelst) ‘Melsele in heden en verleden’, Petrus Van.Landeghem, Uitgeverij Duerinck bv, Kloosterzande (Ned.) ‘Als de ooievaar komt ... : vrijen, trouwen en moeder worden in de twintigste eeuw’, Carine Steverlynck Uitgeverij Lannoo, 2000 ‘Ik wil thuis bevallen’, www.thuisarts.nl bijgewerkt tot 16.03.12 Huwelijksboekje gemeente Melsele, 22 juli 1908, Carolus Ludovicus De Bock en Maria Victorine Van Esbroeck Huwelijksboekje gemeente Melsele, 10 september 1937, René Aloïs Verbeke en Josephina Verstraeten Ons eigen huwelijksboekje, gemeente Beveren, 14 juli 1962 Huwelijksboekje gemeente Beveren, 10 april 1987, Louis de Bock en Ria Puynen Foto en tekst reuzin Regina: Erfgoedbank Waasland via internet dd. 01/03/2013 COO- en OCMW-afscheid van Celine Van Geertsom en anderen, toespraak van Jos Aps 19/10/1989 (uit archief van Frans Verelst) Cartoons De Beverse Klok van Aimé Van Avermaet Cartoons De Beverse Klok van Erik Pijl 119
  • Voor het beschikbaar stellen van of uitwerken van informatie dank ik: Omer Van de Vijver, zoon van Celines zuster Marie Karel De Meulenaere Frans Verelst Jos Aps Pierre Cleys Maria Hernould Rik en Clementine Neujens – De Meulenaere Valentine Staes Lucie Vermeulen Wilfried en Rita Andries- Heyrman Wilfried Dalvinck Beeldbank Waasland Bibliotheekpersoneel Beveren Guido De Rijcke Gemeentearchief Beveren Cecile Hennissen KAV Melsele Ann Maes Gilbert Martens Louis Pfaff Godelieve Santon Jozef en Lutgard Van Moere - Afschrift Karel en Bea Van Remortel – De Hert Daisy Verhulst Richard en Gabriël Willems Mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen Mijn collega’s van De Beverse Klok en vele anderen. 120