1e en 2e wereldoorlog alles

759 views
591 views

Published on

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
759
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
16
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

1e en 2e wereldoorlog alles

  1. 1. 1 8 7 0 - 1 9 1 8 Het Duitse keizerrijk
  2. 2. Drie rijken  Heilige Roomse Rijk Middeleeuwen tot 1806  Tweede Duitse keizerrijk 1871-1918  Derde Rijk 1933-1945
  3. 3. Het Rijk tot 1815  Heilige Roomse Rijk ontbonden in 1806  Duitse Bond  38 staten en stadstaten  Oostenrijk en Pruissen de grootste  Samenwerking Oostenrijk en Pruissen  Congres van Wenen 1815  Geen Duitse nationale staat
  4. 4. Pruissen 1797-1807
  5. 5. Pruissen 1815-1860
  6. 6. Frankrijk Pruissen  Frankrijk leidende natie  Napoleon III wil VS van Europa o.l.v. Fr.  Middel: vorming natiestaten  Verliest gezag door  Autoritair bestuur  Napoleon wil vertrouwen terugwinnen met internationaal succes  Wilhelm I wil versterking Pruissen  Middel: versterking militaire macht  Liberale oppositie verzet zich  Bismarck kanselier  Doel: grootmacht Middel: Blut und Eisen Pruissen en Frankrijk
  7. 7. Oorzaak 1:nationalisme  Duitsland  Wie is de baas? Oostenrijk of Pruisen?  1848 : idee van nationale staat Oostenrijk zei nee.  Otto von Bismarck premier van Pruisen. "Om de Duitse staten te verenigen zal ik ijzer en bloed gebruiken". De ijzeren kanselier
  8. 8. Oorzaak 2: De agressieve buitenlandse politiek van Frankrijk  Napoleon III wilde VS van Europa olv Frankrijk  Middel:  Afschaffen van multinationale rijken (OH)  Bedreiging:  Minder gezag  Pruissen
  9. 9. Oorzaak 3: Agressieve politiek van Pruissen  Ideaal: Duitse eenheid onder leiding van Pruissen Noord-Duitse bond Alle staten ten noorden van de Main ( Blut und Eisen)  Frankrijk voelt zich bedreigd Bismarck geeft geen krimp
  10. 10. Oorzaak 4: spanningen in Pruisen en Frankrijk  Industriële Revolutie zorgt voor spanningen  Uitbuiting  Geen algemeen kiesrecht  Gevolg: opkomst socialisme Karl Marx k
  11. 11. Verloop Frans-Duitse oorlog 1870  Pruissen superieur  Slag bij Sedan sept  Napoleon III gevangen  Capitulatie  Oorzaken nederlaag  Slechte organisatie leger  ‘Pruissen goed getraind
  12. 12. Einde van de oorlog  Wilhelm roept zich uit tot keizer  Vrede van Frankfurt  Elzas-Lotharingen aan D  Schadevergoeding van 5 miljard francs
  13. 13. Kaiser Wilhelm II  Kleinzoon Wilhelm I  Autocraat  Bu pol, opperbevelhebber  Rijksdag weinig inbreng  Liberalen en socialisten weinig kans  Nationalisme  Wijd verbreid  Minder macht deelstaten  Nationalistische rituelen  chauvinisme
  14. 14. Militarisme  Overwaardering militaire macht en wat daarmee samenhangt  Grote invloed militairen op regering  Conflicten oplossen met geweld  Grote en sterke land-/zee- /luchtmacht  Economie in dienst van leger  Militaire waarden  Vaderlandsliefde  Strijdvaardigheid  Gehoorzaamheid  Militairen in hoog aanzien
  15. 15. Binnenlandse politiek Otto von Bismarck: de katholieken  Doel: autocratische, conservati eve staatsvorm beschermen  Middel: bestrijden binnenlandse vijanden  Kulturkampf  Katholieke zuiden is bedreiging voor protestantse noorden  Paus annuleert alle anti- katholieke maatregelen  Bismarck kiest eieren voor zijn geld
  16. 16. Binnenlandse politiek Otto von Bismarck: de socialisten  Socialisten  Socialisten gevaar voor eenheid  Angst voor revolutie  Socialistenwet 1878  Verbod op soc en comm organisaties  Socialisten ondergronds  Verdubbeling zetels rijksdag  Sociaal verzekeringsstelsel  Gevolg: meer invloed socialisten
  17. 17. Buitenlandse politiek Bismarck  Voorzichtige politiek  Angst voor coalities  Fr, Rusl, O-H, Eng  Angst voor revanchegedachte  Angst voor twee frontenoorlog  Fr isoleren  Goede betrekkingen met O-H en Rusland  Modern imperialisme
  18. 18. Keerpunt: tijdperk Wilhelm 1890-1918  Weltpolitik  Vloot  Expansie Afrika  Invloed legerleiding bu pol  Gevolg:  Isolement  Triple Entente: F, R, E
  19. 19. Europa in 1914
  20. 20. 1 9 1 4 - 1 9 1 8 De Eerste Wereldoorlog
  21. 21. Europa in 1914
  22. 22. Geallieerden Centralen  Rusland: Nicolaas II  Engeland: George V  Frankrijk: Poincaré  Italië: Victor Emmanuel II  Duitsland: Wilhelm II  Turkije: Enver Pasha  O-H: Franz Josef Hoofdrolspelers
  23. 23. D I E P E R L I G G E N D E O O R Z A K E N Indirecte oorzaken
  24. 24. 1. Agressief nationalisme
  25. 25. Duits- land  Wilhelm II  Weltpolitik  Ontsloeg Bismarck
  26. 26. Frank rijk  WRAAK-GEDACHTE  Revanche  Elzas-Lotharingen terug
  27. 27. Kruid- vat de Balkan
  28. 28. Kruid- vat de Balkan  Grote problemen minderheden  Verovering Bosnië leidt tot woede van Servië
  29. 29. 2. Modern-imperialisme
  30. 30. 3. Engels-Duitse wapenwedloop  Engeland heer en meester op zee. Rond 1900 nieuw slagschip: ‘Dreadnought’.  Concurrentie van Duitsland Weltpolitik.  Gevolg: wapenwedloop
  31. 31. 4. Militarisme  Hele samenleving in dienst van leger  Militaire normen en waarden  Nicolaas II van Rusland: ‘Ontwapening is een idee van Joden, Socialisten en hysterische vrouwen
  32. 32. Militarisme en bewapeningswedloop Defensie uitgaven van de grote Mogendheden [Dld., O- H, It., Fr., Eng., Rus.] in miljoenen engelse ponden. 1870 1880 1890 1900 1910 1914 94 130 154 268 289 398 1910-1914 Toename van uitgaven voor Defensie France 10% Britain 13% Russia 39% Germany 73% begint aan het bouwen van een vloot
  33. 33. Iedereen had zijn plannen klaar….  Het bekendste plan is het Duitse Von Schlieffenplan, ontwor pen tussen 1894 en 1905
  34. 34. 5. Bondgenootschappen
  35. 35. Het systeem van bondgenootschappen Triple Entente Triple Alliantie
  36. 36. Directe oorzaak Balkan: het kruidvat Het wachten is op de vlam…
  37. 37. Moord op Franz-Ferdinand 1914 Gavrilo Princip, een Serviër.
  38. 38. Wie is de schuldige?
  39. 39. Werven van soldaten m.b.v. oorlogspropaganda
  40. 40. Mobilisatie Home by Christmas! De eerste echte oorlog in 50 jaar! Nationalisme
  41. 41. Twee fronten oorlog
  42. 42. Enthou siasme  Aanvankelijk was er zeer veel enthousiasme voor de oorlog  Miljoenen jongemannen meldden zich vol enthousiasme aan  Iedereen verwachtte dat ze vóór kerstmis 1914 weer thuis zouden zijn
  43. 43. Kenmerken  Enthousiast de oorlog in  Wrede manier van oorlogvoeren  Meer soldaten, meer volken, op meer plaatsen  Meer frontenoorlog  Loopgravenoorlog  Propaganda en censuur  Actieve betrokkenheid thuisfront
  44. 44. Het westelijk Front 4-8-1914
  45. 45. 5-12 september Slag aan de Marne
  46. 46. Slag bij de Marne  le miracle de la Marne  Duitse opmars vertraagd door:  Belgisch verzet  Duitse troepen naar oostfront  Engelsen en Franse vallen aan  Verslaan de Duitsers  taxi’s  Duitsers trekken zich terug en graven zich in
  47. 47. Schlieffenplan mislukte en de Duitse opmars kwam tot stilstand
  48. 48. Totale oorlog  Thuisfront doet mee  Industrie  Leningen  sparen.  Soldaten en burgerbevolking slachtoffer  Genocide: Armeniërs  Bombardementen  Schaarste
  49. 49. Loop- graven
  50. 50. Alle offensieven mislukten  De slag bij Verdun: 378.000 Franse slachtoffers, waarvan 163.000 doden / 330.000 Duitse slachtoffers, waarvan 143.000 doden.  De slag bij de Somme: 420.000 Britse slachtoffers en 200.000 Franse slachtoffers / 500.000 Duitse slachtoffers.  De slag bij Passchendaele (derde slag bij Ieper): 508.800 Franse en Britse slachtoffers / 348.300 Duitse slachtoffers.
  51. 51. (Massavernietigings-)wapens  Bombardementen op steden met zeppelins  Mosterd-/chloorgas  Tank  Granaatwerpers  Machinegeweer
  52. 52. Onbeperkte duikbotenoorlog  De Engelse marine blokkeerde de Duitse havens.  Het Duitse opperbevel probeerde de blokkade te doorbreken met een nieuw wapen: De U- Boot oftewel de onderzeeër  Onbeperkte duikbotenoorlog
  53. 53. 1917: keerpunt  Russische revolutie.  Lenin wil steun  Einde aan de oorlog  Vrede van Brest- Litovsk  Onvoordelig voor Rusland  Duitse troepen naar westfront  VS doet mee aan de oorlog  Onbeperkte duikbotenoorlog  Tank wordt geïntroduceerd
  54. 54. Het laatste jaar  Iedereen uitgeput  Groot Duits offensief begin 1918  Amerika stuurt vele verse troepen  Amerikaanse tanks superieur  Duitsers hebben tekort aan alles  Legerleiding wil wapenstilstand  Ein blaues Auge mit heiler Haut
  55. 55. Op naar een wapenstilstand  Legerleiding installeert nieuwe regering  SPD, DDP, Zentrum  Opdracht:  Wapenstilstand  Vredesaanbod  In ruil voor democratie  Revolutie van boven af  Geallieerden enthousiast  Maar: weg met de keizer
  56. 56. De novemberdagen  Duitse volk onrustig  Opstanden en stakingen  Muiterij  Leger wil niet meer voor keizer vechten  Keizer treedt af  9/11/18  Overal linkse revolutie
  57. 57. Begin november 1918  Leiding opstand: extreem links  Spartakisten  Enorme kloof sociaal- democraten en Spartakisten (comm)  Karl Liebknecht  Rosa Luxemburg
  58. 58. 9 november: Duitsland wordt een republiek  Der Kaiser geht  Die Generäle blieben  Spartakisten willen republiek van arbeiders en soldaten  SPD: oeps, liever niet  Voorzitter SPD roept republiek uit  Philip Scheidemann
  59. 59. 10 november  SPD- Ebert wordt rijkskanselier  SPD sluit verbond met restant leger om linkse revolutie neer te slaan
  60. 60. 11 november  Wapenstilstand wordt getekend  Compiègne  Onvoorwaardelijke capitulatie  Reactie nationalisten  niet verslagen op het slagveld  Verslagen door de regering
  61. 61. De Spartakusopstand  Januari 1919  Extreem links ( KPD ) wil macht overnemen  Socialistische revolutie  Macht aan het volk  Arbeiders- en soldatenraden  Geen democratische verkiezingen voor parlement  Neergeslagen door regeringstroepen  Luxemburg en Liebknecht vermoord
  62. 62. EINE RUHELOSE REPUBLIK 1918-1933 Weimar
  63. 63. Het ontstaan van de Weimarrepubliek  Oktober: nieuwe regering 0.l.v. von Baden  Verantwoordelijk voor nederlaag  Verantwoordelijk voor wapenstilstand  SPD ruikt kansen  Onrust en revolutie  Muiterij  Radenrepubliek Obere Heeresleitung: von Hindenburg Wilhelm, Ludendorff
  64. 64. Begin november 1918  Leiding opstand: extreem links  Spartakisten  Enorme kloof sociaal- democraten en Spartakisten (comm)  Karl Liebknecht  Rosa Luxemburg
  65. 65. 9 november: Duitsland wordt een republiek  Der Kaiser geht  Die Generäle blieben  Spartakisten willen republiek van arbeiders en soldaten  SPD: oeps, liever niet  Voorzitter SPD roept republiek uit  Philip Scheidemann
  66. 66. 10 november  Von Baden treedt af SPD- Ebert wordt rijkskanselier  SPD sluit verbond met restant leger om linkse revolutie neer te slaan
  67. 67. 11 november  Wapenstilstand wordt getekend  Compiègne  Onvoorwaardelijke capitulatie  Reactie nationalisten  niet verslagen op het slagveld  Verslagen door de regering
  68. 68. Van december 1918 tot januari 1919  Hevige strijd tussen  Socialisten  Spartakisten en communisten  Aanhangers van de keizer  Oud-soldaten  Spartakusbond wordt KPD
  69. 69. De Spartakusopstand  Januari 1919  Extreem links ( KPD ) wil macht overnemen  Socialistische revolutie  Macht aan het volk  Arbeiders- en soldatenraden  Geen democratische verkiezingen voor parlement  Neergeslagen door regeringstroepen  Luxemburg en Liebknecht vermoord
  70. 70. Burgeroorlog en verkiezingen  Arbeiders- en soldatenraden door SPD en leger uit de weg geruimd  19 januari Verkiezingen  1e vrije, demokratische  1e vergadering in Weimar  Ebert: rijkspresident  Grondwet  Nieuwe regering  Weimar-coalitie
  71. 71. Rechtse vrijkorpsen steunen nieuwe democratische regering Generaals: Weimar-politici schuld aan het verlies van de oorlog Reacties
  72. 72. Dolkstootlegende  Geallieerden willen  Vrede  Democratie  Aftreden keizer  Duitse legerleiding wil geen gezichtsverlies:  Wapenstilstand  Vredesaanbod  Door parlement  Dolkstootlegende: niet leger heeft het opgegeven, maar de democratische partijen.
  73. 73. De Dolkstootlegende
  74. 74. Verdrag van Versailles juni 1919  Duitsland enige schuldige  Herstelbetalingen: 132 miljard goudmark  Verlies 13% van zijn grondgebied en 10% procent van zijn bevolking  Verlies koloniën.  Leger verkleind tot 100.000 leden, geen zware wapens.  Het Rijnland bezet.  Republiek  Democratie  Geen lid Volkenbond De grote vier:(v.l.n.r): Lloyd George (Eng), Orlando (Italie), Clemenceau (Fr) and Woodrow Wilson (USA)
  75. 75. Reactie Duitsland Es ist ein Diktat, Gewalt frieden
  76. 76. Gevolg van het verdrag van Versailles Toekomst
  77. 77. De Republiek von Weimar 1918-1933 Politiek:  Democratie werd opgelegd  Republiek met president  Grondwet:  Algemeen kiesrecht  Scheiding der machten  Grondrechten  President:  Rechtstreeks gekozen door volk  Benoemt en ontslaat ministers.  Mag Rijksdag ontbinden  Opperbevelhebber  Kan met noodverordeningen regeren (art.48)
  78. 78. Artikel 48  Doel: prille democratie beschermen tegen oproer of revolutie  Noodtoestand uitroepen.  openbare veiligheid en orde in aanzienlijke mate verstoord of in gevaar gebracht worden,  zo nodig met hulp van de gewapende macht ingrijpen.’  enkele grondrechten geheel of gedeeltelijk buiten werking.  Grote macht rijkspresident
  79. 79. De Republiek von Weimar 1918-1933 Economie  Vrede:  verlies van grondstoffen, kapitaal industrie, arbeidskrach ten  Herstelbetalingen 132 miljard  Inflatie
  80. 80. Economische crisis: oorzaak en gevolg  1922: Duitsland kan herstelbetalingen niet meer voldoen  Frankrijk bezet het Ruhrgebied  Arbeiders gaan in staking  regering betaalt lonen door  moet geld bijdrukken  waarde van de goudmark daalt  prijzen stijgen  hyperinflatie
  81. 81. Dawesplan 1924  Doel: herstelbetalingen afdwingen  Ontruimen Ruhrgebied;  Algemene staking wordt beëindigd;  Hoogte van de herstelbetaling aangepast  Grondige sanering van de Duitse munt: 1 biljoen ‘papiermarken’ wordt 1 ‘Rentenmark’  Leningen aan Duitsland
  82. 82. Gevolgen Dawesplan  Stabiele munt  Positieve gevolgen op korte termijn  Betere verhoudingen met Frankrijk  Lid van de Volkenbond  Economie leeft op  Sterk afhankelijk van buitenland  Gevoelig voor crisis  Economische crisis 1929  Extra getroffen Gustav Stresemann min van bu za
  83. 83. Weimar wordt bedreigd  Door uiterst rechts:  Teleurgesteld over val monarchie  Gewelddadige staatsgreepjes  Bedenkers dolksttootlegende  Angst voor communisme  Veteranen  Rechtse partijen  Monarchisten  Nationalisten
  84. 84. Weimar wordt bedreigd  Door uiterst links:  Communistische revolutie  Inflatie  Werkloosheid  Crisis  Socialisten  Communisten  Arbeiders  Linkse soldaten  Boeren
  85. 85. Weimar wordt bedreigd  Door iedereen  Onbekend met democratie  Geen ervaring met democratie  Zwakke partijen  Verdeelde partijen  Verlangen naar keizer  Wraak gevoelens voor Versailles  Hitler pleegt staatsgreep  Bierkellerputsch 9/11/1923  Republiek zonder republikeinen
  86. 86. Hitler komt aan de macht 1923-1933
  87. 87. Welke gebeurtenissen en ontwikkelingen hebben geleid tot het aan de macht komen van Hitler
  88. 88. 1. De NSDAP  Nationaal-socialistische duitse arbeiderspartij  Nationalisme  Socialistisch  Klassenstrijd is rassenstrijd  Arbeiders  Veel aanhang  1920  Een van vele extreme partijen
  89. 89. Waar stonden de nazi’s voor in de jaren ‘20  Weg met Das Diktat  Gebiedsuitbreiding  Sterke regering  Herbewapening  Weg met de joden  Vernietigen van het communisme  Lebensraum  Vernietigen van Weimar Republiek
  90. 90. Waarom waren deze ideeën populair  Onredelijk  Dolkstootlegende  Vernedering  Herstelbetalingen NSDAP  Propaganda tegen Versailles  Duitsland weer groot maken  We vernietigen het
  91. 91. Sterke centrale regering  Democratie in Weimar zwak  Partijen kakelen maar doen niks  Regering niet populair  Crisis wordt niet opgelost  NSDAP  1 man  1 partij  1 rijk
  92. 92. Meer grondge bied  Veel gebied verloren  Niet alle Duitsers in Duitsland  Duitsprekenden buiten Duitsland  NSDAP  Lebensraum  Anschluss  Duitsers verenigen  Duitse volk superieur  Afgepakte gebieden terughalen  Herbewapenen
  93. 93. Weg met joden en communi sten  Schuld aan de economische crisis  Verantwoordelijk voor stakingen  Willen klasseloze maatschappij  Het zijn communisten  NSDAP  Zondebok  Verantwoordelijk voor alle problemen  Uitroeien
  94. 94. 2. Bierkellerputsch 1923  München  Mislukt  Veel sympathie  Gevangen  Mein Kampf  Les:  Het moet legaal!  Meer aanhang
  95. 95. 3. Economische crisis 1929  Wall Street Crash  Einde steun VS  Werkloosheid  Inflatie  Toenemende dreiging communisme  Weimar-regering kan niet tot daden komen
  96. 96. 4. Hitlers redenaarstalent  Wist van het volk wilde horen  Maakte daar gebruik van  Goed stemgebruik  http://www.youtube.co m/watch?v=JSeh9sq3bv 4
  97. 97. 5. Verkiezingen Behaalde zetels:
  98. 98. N A T I O N A A L - S O C I A L I S M E ONTSTAAN EN KENMERKEN Totalitarisme
  99. 99. Anti-democratische stroming  Ontstaan  In landen met korte/geen democratische traditie  In tijden van economische achteruitgang  Uit teleurstelling over uitblijven roem/welvaart gekissebis politici wel woorden, geen daden  Bij groepen die zich achtergesteld voelen  Combinatie van 1 of meer factoren
  100. 100. Totalitarisme  Bijna volledige controle van de staat op dagelijks leven op het gebied van  politiek  cultuur  godsdienst  sociale zaken  economie  Heersende ideologie is de enig mogelijke weg naar een betere toekomst.
  101. 101. Ideologie  Heilsleer/ideeënleer  Brengt heil/het goede op aarde  Biedt mensheid definitieve oplossing voor alle problemen  Pseudo-religie  Grote overeenkomsten met christendom  Heiland-leider  Symbolen  Martelaren en heiligen  10 geboden  Eredienst/rituelen  Biecht en boetedoening
  102. 102. Totalitaire Kenmerken  Individu is onbelangrijk  Grote waarde van groep  Magische rol Leider  Overheersing 1 partij  Monopolie massacommunicatie- middelen  Indoctrinatie  Systeem van terreur en controle  Veel aandacht voor onderwijs
  103. 103. Fascisme/nationaal-socialisme  Duitsland en Italië 1918-1945  Kenmerken:  Negatief  Leidersbeginsel  Ongelijkheid van de mensen  Gevoel boven verstand  Nationalisme  Verheerlijking geweld  Vrouw ondergeschikt aan man  Hogeren moeten lageren leiden  Lebensraum  Rassenleer
  104. 104. 1932-1933 Hitler aan de macht
  105. 105. Hitler aan de macht  1932 Verkiezingen  NSDAP grootste partij  Hitler rijkskanselier  Strikt legaal  Veel terreur SA
  106. 106. Hitker wordt rijkskanselier 30-01-1933
  107. 107. Rijksdagbrand  27-2-1933  Rinus van der Lubbe  Communisten kregen de schuld  Veiligheid in gevaar  Artikel 48  Intrekken grondrechten  Verbod politieke partijen  Communisten en socialisten gevangen
  108. 108. Machtigingswet  5-3-1933 verkiezingen  Geen absolute meerderheid  Wel met rechtse partijen 2/3 meerderheid  MACHTIGINGSWET  Regeren zonder parlementaire goedkeuring  Wetgevende macht bij regering  Democratisch afschaffen van de democratie  23-3-1933 einde van de republiek van Weimar, einde aan de democratie
  109. 109. Hoe werd het nationaal- socialisme in praktijk gebracht in het Derde Rijk? Het nationaal-socialisme in de praktijk
  110. 110. Politiek  Alle democratische organisaties verboden  1 partij aan de macht  1 leider  Hele maatschappij doordringen van nationaal-socialisme door:  Indoctrinatie  Propaganda  Censuur  Geweld
  111. 111. Kamp voor politieke tegenstanders, Roma, homoseksuel en, misdadigers, verzetsstrijders, J ODEN Dachau 1933
  112. 112. Economie  Doel:  Autarkie Lebensraum  Oorlogsvoorbereiding Investeren in oorlogsindustrie  Probleem:  Werkloosheid  Kapitaal krediet
  113. 113. Bestrijden werkloosheid  Vrouwen naar huis en aanrecht  Joden ontslagen  Buitenlanders ontslagen  Mannen in dienst  Werkverschaffing  Autobahnen  Arbeidsdienst: halfjaar  Uitbreiding ambtenarenapparaat  Uitbreiding leger
  114. 114. Resultaat Jan 33 okt 33 okt 34 okt 35 okt 37
  115. 115. Gelijkschakeling  Eenheid  Volksgemeinschaft  Nazi-organisaties  Beheersing onderwijs en media
  116. 116. Reichskulturkammer 1933  Joseph Goebbels  Kunst  Door Ariërs  Bijdragen aan Duitse volk  Bijdragen aan Germaanse ras  Entartete Kunst  Moderne kunst  Joodse kunst  Geen lid- geen werk
  117. 117. Voorbeelden
  118. 118. Rassenleer  Arische/germaanse ras Űbermenschen Herrenvolk  Inferieure rassen Slavische ras Semitische ras Untermenschen Joden
  119. 119. Maatregelen tegen Joden  Antisemitisme:  1933  Ontslagen uit overheidsdienst  1935  Neurenbergerwetten  geen gebruik van openbare voorzieningen  uit allerlei beroepen ontslagen  Duitse staatsburgerschap ontnomen  huwelijken tussen Joden en niet-Joden verboden  Doel:  Joden aanzetten tot emigratie  juridische basis jodenvervolging  voorbereiding op genocide. die Juden erhalten, was sie verdient haben
  120. 120. Terreur SA: synagogen, joodse winkels Reichs- Kristallnacht 9/11/1938
  121. 121. WAT HEB JE NODIG OM DIT ALLES GOED TE LATEN VERLOPEN? Voorwaarden
  122. 122. SA SS  Knokploeg  partijvergaderingen beschermen  intimideren van politieke tegenstanders  Tegen grootkapitaal  Wil leger inlijven  1935: Nacht van de Lange Messen  Macht SA stelt weinig meer voor  Uitschakelen tegenstanders  Leiding concentratiekampen  Eigen leger: Waffen - SS 1.Terreur
  123. 123. Terreur door de Gestapo  Geheime Staatspolizei  Herman Göring  Staatsvijanden opsporen  Vervolgen
  124. 124. 2. Propaganda en Censuur
  125. 125. Indoctrina tie  “Een bommenwerper draagt 144 bommen, elke bom weegt 10 kilo. Het vliegtuig gaat naar Warschau, het hoofdkwartier van het jodendom. Het bombardeert de stad. Bij het opstijgen met alle bommen aan boord en een tank met 100 kilo aan brandstof, weegt het vliegtuig ongeveer 8000 kilo. Als het vliegtuig terugkeert van zijn geweldige werk is er nog 230 kilo over. Hoeveel weegt het vliegtuig als het leeg is?"
  126. 126. 1 9 3 3 - 1 9 3 9 HOE BRACHT HITLER DE LEBENSRAUM IN PRAKTIJK EN WAT WAS DE REACTIE VAN HET BUITENLAND? Buitenlandse politiek
  127. 127. Idealen  Ongedaan maken verdrag van Versailles  Lebensraum  Alle Duitstaligen Heim ins Reich De nazi's beweerden dat Duitsland vanwege de hoge bevolkingsdichtheid een groter grondgebied nodig had
  128. 128. Fase 1: 1933-1936 Fase 2: 1937-1939  Doel:  Weg met het Verdrag van Versailles  Maatregelen  terugtrekking uit de Volkenbond  invoering dienstplicht  herbewapening  remilitarisatie Rijnland  Doel:  Expansie Duitse Rijk  Maatregelen  Saarland terug  1938 Anschluss Oostenrijk  1938 Sudetenland
  129. 129. Sudetenland moet ‘heim ins Reich’ Conferentie van München 1938
  130. 130. Daar moeten we het even over hebben! Wie is wie? Conferentie van München 1938
  131. 131. Appeasementpolitiek van geallieerden 1933-1938
  132. 132. 1939-1945 De Tweede Wereldoorlog
  133. 133. Directe en indirecte oorzaken Op weg naar de WOII
  134. 134. Indirecte oorzaken Oorzaken WOII Opkomst fascisme Italie Economische crisis Versailles Opkomst Hitler nationalisme Militarisme Appeasement Anti- communisme Japans imperialis me n
  135. 135. Bezetting Rijnland 1936 Frankrijk valt niet aan God zij dank, want Duitse leger is nog lang niet op sterkte
  136. 136. Anschluss Oostenrijk 1938
  137. 137. Annexatie Sudetenland 1938 Is deze bron betrouwbaar?
  138. 138. Groot Aziatische Welvaarts- sfeer
  139. 139. Appeasement  Toegeven of iemand toestaan iets te doen om hem tevreden te stellen.  Verzoeningspolitiek  Vrede bewaren door concessies te doen  Neville ChamberlainHistoricus
  140. 140. Voorkomen tweefrontenoorlog Geheim: Polen en delen Oost- Europa worden verdeeld tussen Duitsland en de SU Non- agressiepact Molotov- Von Ribbentrop pact 1939
  141. 141. Directe oorzaak  Aanval Polen  01-09-1939  Duitsland vanuit het westen  SU vanuit het oosten
  142. 142. Blitzkrieg en Sitzkrieg  Snelle aanval op Polen  Tussen september 1939 en april 1940 geen strijd  Phoney War  Snelle verovering west- europa  Kusten verdedigen tegen Engeland  Frankrijk verdeeld  Vichy-Frankrijk  Petain  http://www.worldology.co m/Europe/world_war_2_i map.htm
  143. 143. Battle of Britain juli-oktober 1940  Luchtoorlog  Churchill net premier  Bommen op engelse steden  September: Londen  Radar  Enigma-code gekraakt
  144. 144. Operatie Barbarossa juni 1941  22 juni 1941  Blitzkrieg  Tactiek van verschroeide aarde  Slag om Stalingrad  1943 Keerpunt
  145. 145. Keerpunten  Juli 40  Battle of Britain  7-12-41:  Japan valt Pearl Harbor aan  Jan 43  Slag om Stalingrad  6-6-44  D-Day
  146. 146. Massavernietigingswapens Bommen V1 en V2 Concentratie- kampen Atoombom
  147. 147. Rascisme en discriminatie  Antisemitisme  Rassenleer  Anti-joodse maatregelen  Anti-joodse propaganda  Bouw concentratiekampen  Plannen voor definitieve oplossing
  148. 148. Endlösung Genocide  Wannseeconferentie 1942  Uitroeien van joden in vernietigingskampen  Gaskamers  Verbrandingsovens  Kogel Werkkampen Combinatie  Bewaakt door SS

×