Cradle to Cradle                  een Deweyiaans perspectief                   Bachelorscriptie Filosofie, Juli 2011      ...
Inhoud:1.   Inleiding                                             p. 3 - 42.   2.1. De contouren van de Cradle to Cradle f...
Hoofdstuk 1. InleidingCradle to Cradle (C2C) leert ons een nieuwe manier van industrieel produceren enconsumeren. Deze fil...
In de verdediging van C2C tegen deze kritieken speelt het idee van continu leren en innovereneen centrale rol. Productiepr...
Diversiteit moet je vieren omdat de potentie van levensvormen zich ontwikkelt doorinteractie tussen de soorten.    3.Zon e...
Hoofdstuk 2.2. The Hannover principlesBraungart en McDonough startten hun samenwerking in 1991, als co-auteurs van: TheHan...
gezonde aarde.5 De schrijvers beschouwen de Hannover Principles als een levend document,dat een groeiend begrip van de wed...
Onderlinge verbondenheid en samenwerking zijn leidende principes. Het coöperatieveprincipe bundelt de kracht van verschill...
kunnen mensen laten inzien wat de problemen zijn en ze daarover kritisch aan het denkenzetten. Experimentele kleinschalige...
Ecologische gevoeligheid of bewustzijn kan worden bereikt door middel van ecologischecommunicatie. Dit begrip kent zijn oo...
Het Planet perspectief kent als eerste kenmerk het stromen van hernieuwbare energiebronnenzoals wind en zon. Het tweede as...
verloopt moeizaam. Een voorbeeld is de kritiek op het C2C project ‘Greenport Venlo’ doorSophie Jongeneel, dat tot stand kw...
Verontachtzaming van training en onderwijs in ‘het gebruik en toepassing van industriëleproducten’ in een democratische ge...
leerervaring wanneer deze beweging verbonden raakt met de pijn die het kind alsconsequentie van de handeling ervaart. De p...
groeiproces van volwassenen omschrijft Dewey als het leren met nieuwsgierige, opmerkzameen onbevooroordeelde, open attitud...
speelaktiviteit is het schoolvoorbeeld van de imaginaire manifestatie van verbeelding:‘bringing about a sensing of the mea...
Volgens Dewey is de motor van morele ontwikkeling van de mens: de aanwezigheidvan lerende wezens. Kinderen stimuleren affe...
voorwaarden van menselijk handelen ontstaat. Directe communicatie levert dan gedeeldekennis over de bestaansvoorwaarden va...
authenticiteit bereikt kan worden. Vraag en aanbod van de verschillende groepen        versterken elkaar waardoor gedeelde...
beperkingen en verstoringen. Alleen het bewustzijn van dit idee van een goed en rechtvaardiggemeenschapsleven, dat vanuit ...
voorwaarden is het hoogste stadium van ontwikkeling van de publieken in de Great Societygetransformeerd tot een geintegree...
op de mens als natuurlijk doel. Braungart en McDonough doen een beroep op het morelegevoel van de mens door de scheiding t...
De C2C ‘community’ bestaat uit een groep van kennis-experts en ervaringsdeskundigen uithet bedrijfsleven en andere betrokk...
Hoofdstuk 4.3. C2C en Deweys collectieve leerprocesC2C streeft naar een mondiale verspreide zelflerende organisatie die in...
in ontwikkeling zoals het leven zelf en beantwoordt daarom aan de bestaande noden die in eenmaatschappij leven op ieder mo...
(.)Hoofdstuk 5.1. Geraadpleegde Literatuur:Dewey John, (1916) Democracy and Education, Merchants books. La Vergne USADewey...
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Bachelorscriptie Juli 2011

841 views

Published on

Bachelor scriptie filosofie
Auteur: Ada Kruiter Everhardus
Cradle to Cradle, een Deweyiaans perspectief op leerprocessen.

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
841
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
12
Actions
Shares
0
Downloads
7
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Bachelorscriptie Juli 2011

  1. 1. Cradle to Cradle een Deweyiaans perspectief Bachelorscriptie Filosofie, Juli 2011 Auteur: A.J. (Ada) Kruiter Everhardus Begeleiders: Dr. P. (Pieter) Boele van Hensbroek, faculteit der WijsbegeerteDrs. A.J. (Albert-Jan) Abma, Science & Society Group, faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen 1
  2. 2. Inhoud:1. Inleiding p. 3 - 42. 2.1. De contouren van de Cradle to Cradle filosofie p. 4 - 5 2.2. The Hannover principles p. 6 - 11 2.3. Kritiek en uitdagingen voor C2C p. 11- 123. 3.1. Inleiding John Dewey p. 12 -13 3.3. Leerniveau 1Het individu als leerling p. 13 16 3.4. Leerniveau 2 Het sociale niveau p. 17 -18 3.5. Leerniveau 3 Het collectieve niveau p. 18 -224. 4.1. C2C en het individuele leerproces p. 21 4.2. C2C en het groepsleerproces p. 22 4.3. C2C en het collectieve leerproces p. 23 –24 4.4. Conclusie p. 24 - 255. 5.1 Literatuurlijst p. 26 2
  3. 3. Hoofdstuk 1. InleidingCradle to Cradle (C2C) leert ons een nieuwe manier van industrieel produceren enconsumeren. Deze filosofie ontstond als reactie op de door de mens veroorzaakte schadelijkemilieueffecten, die sinds de Tweede Wereldoorlog als een steeds groter probleem wordenervaren. De kiem voor het Cradle to Cradle concept werd gelegd in 1991 tijdens eenontmoeting tussen de Amerikaanse architect William McDonough en de Duitse chemicusMichael Braungart. In 1992 verscheen van hun hand het boek, Hannover principles dat alsbasis en leidraad voor de wereldtentoonstelling 2000 in Hannover werd uitgegeven.(figuur 1)De samenwerking leidde in 2002 tot de internationale publicatie van het boek: Cradle toCradle, Remaking the Way We Make Things. De auteurs dragen het boek op aan ‘all of thechildren of all species for all time’. C2C is een zinspeling op de ‘van wieg tot graf’ filosofie waarop de geïndustrialiseerdewereld gebouwd is: Producten die je niet meer gebruikt gooi je weg en je koopt een nieuwexemplaar. Dit wereldbeeld van de moderne samenleving doorbreken de auteurs met deintroductie van een revolutionaire ontwerptheorie. Braungart en McDonough gaan uit van eenduurzaam, circulair model, waarin ecologische en technologische kringlopen op harmonieuzewijze in elkaar overlopen. Er is geen afvalbelasting voor mens en milieu. Braungart enMcDonough zijn van mening dat de acceptatie van het concept verspilling eentegennatuurlijke maatschappelijke moraal in zich draagt. Zij vervangen daarom het begripafval door voedsel. Cradle to Cradle is geen recycling of downcycling: Er wordt gestreefdnaar regeneratie van afval tot oorspronkelijke grondstoffen en upcycling van de producten inde keten. Onder andere in de VS, Scandinavië, China en in Nederland zijn het afgelopendecennium door verschillende multinationals succesvolle C2C producten in bedrijf genomen.Enkele voorbeelden van bedrijven die C2C in de bedrijfsfilosofie toepassen zijn: HermanMiller met de Mirra-bureaustoel die geen toxische elementen bevat en binnen 30 secondengedemonteerd kan worden tot herbruikbare bestanddelen. AkzoNobel ontwikkelt verfsoortenen coatings die zonne-energie opnemen. De fabrikant Desso boekt successen met dechemicaliënvrije EcoBase® tapijtlijn. DSM ontwikkelt kunststofmateriaal uit CO2. Philipsbracht de pvc-vrije Econova-TV op de markt.Van Gansewinkel (Destra Data) sluit de cirkelmet de inzameling van oud kantoorpapier. Na scheiding en versnippering levert partner Océhet als 100% gerecyclede papier bij de klant. In 2008 verscheen ‘Die nächste industrielleRevolution, die Cradle to Cradle-Community’ met lessen van concrete C2C toepassingen.Voor de bouwsector is in 2010 van de hand van Braungart en McDonough ‘Cradle to CradleCriteria for the built environment’ verschenen, met C2C criteria en voorbeelden voor debouwsector. Cradle to Cradle is een vooruitstrevende beweging, maar controversieel binnen demilieukunde. Critici vinden de doelstellingen energetisch niet haalbaar en niet volledigenergieneutraal. Er zijn kanttekeningen geplaatst over de bijdrage van C2C aan een duurzamewereld. Braungart en McDonough willen op een energieneutrale manier ontwerpen enproduceren. 3
  4. 4. In de verdediging van C2C tegen deze kritieken speelt het idee van continu leren en innovereneen centrale rol. Productieprocessen en praktijken die aan C2C voldoen zijn niet in een keer terealiseren maar vergen een voortgaand leer- en verbeterproces. Uiteindelijk zijn dus processenvan leren en innoveren cruciaal voor het realiseren van de hele C2C filosofie. De C2C-beweging heeft echter nog weinig uitgewerkte ideeën over leerprocessen. Er ligt daarom eenuitdaging om de C2C filosofie op dit punt verder uit te werken. Deze scriptie beoogt daaraaneen bijdrage te leveren door te rade te gaan bij de pragmatistische Amerikaanse filosoof JohnDewey (1859-1952). Dewey heeft bij uitstek een filosofie ontwikkeld van de mens alsexperimenterend en lerend wezen en heeft waardevolle theoretische ideeën ontwikkeld overleerprocessen. Ook zijn maatschappijfilosofie stelt leren centraal. De hoofdvraag van dezescriptie kan daarom geformuleerd worden als: Op welke manier kunnen de inzichten vanJohn Dewey helpen het C2C gedachtengoed verder uit te werken en succesvol te maken? Bij het beantwoorden van die vraag gebruiken we vooral drie van Deweys werken dieons elk kunnen informeren over leerprocessen op een bepaald niveau. In Democracy &Education staat het individu centraal en komt Deweys visie op het persoonlijke leerproces enzijn opvoedingsfilosofie aan bod. Met The Public and its Problems behandelen we Deweysperspectief op sociale leerprocessen, relaties tussen groepen, publieke participatie endeliberatie en democratie. In Experience and Nature staat het leerproces van het collectiefcentraal ook in relatie tot de natuur en in mondiale relaties.Hoofstuk 2. De contouren van de Cradle to Cradle filosofieIn dit hoofdstuk volgt een korte beschrijving over wat C2C in de praktijk inhoudt en eenreconstructie van de filosofische onderbouwing voor deze manier van werken. Op basis vande kritieken op C2C en mijn eigen filosofische analyse van het C2C-concept wil ik de C2Cleerprocessen verder uitdiepen. Cradle to Cradle is een ontwerp- en productiemodel dat gebaseerd is op het idee dat hetlevensprincipe een gesloten en zich oneindig herhalend kringloopproces van geboorte, groei,vergaan en sterven is. Dit schept direct een perspectief voor intergenerationeleverantwoordelijkheid, want ons handelen nu mag niet het kringloopproces voor toekomstigegeneraties verstoren. De centrale gedachte van de Cradle to Cradle filosofie is, dat alle gebruikte materialen nahun eerste levencyclus in een product, nuttig kunnen worden ingezet in het volgende product.De C2C ontwerpgedachte verschilt in een aantal belangrijke opzichten van de regulieremanier van industrieel ontwerpen en produceren, maar ook van veel andere op duurzaamheidgerichte manieren van produceren. Een belangrijk verschil, bijvoorbeeld, met conventioneelhergebruik is, dat er geen kwaliteitsverlies zou mogen zijn en geen restproducten. C2C heeftals motto: ‘waste equals food’1 Dit is geïnspireerd op de afbreekcyclus van natuurlijkeproducten zoals hout of natuurlijke gewassen. De Cradle to Cradle filosofie staat verspillingniet langer toe. C2C kent drie belangrijke aannames: 1. Het leven houdt nooit op, maar levensresten worden voortdurend opnieuw functioneelingezet in de volgende levenscyclus. Het sterfproces van de ene levensvorm is conditionelevoorwaarde als nutriënt of ingrediënt van andere levensvormen of producten. Vruchten enbladeren functioneren bijvoorbeeld als een noodzakelijke levensvoorwaarde voor mens endier. 2. Het principe van wederkerigheid en diversiteit van relaties. Mensen zijn afhankelijk vanbossen voor de zuurstofvoorziening en planten leven van kooldioxide die mensen uitademen.1 Braungart en McDonough, Cradle to Cradle, p.92-93 4
  5. 5. Diversiteit moet je vieren omdat de potentie van levensvormen zich ontwikkelt doorinteractie tussen de soorten. 3.Zon en Aarde vormen een lifesupporting systeem. De zon vormt een noodzakelijkeenergiebron voor ecosystemen op Aarde, waarmee biologische massa omgezet wordt inandere functionele vormen van energie. Alle biologische functies in de lifesupporting cyclusleveren economisch nut en geluk op. Mensen kunnen van natuurlijke mechanismen leren doorte observeren en ontdekken. De drie principes van cyclische ontwikkeling, wederkerigheid en diversiteit en hetlifesupporting ecosysteem van Zon en Aarde, vormen het uitgangspunt van C2C. De grondleggers pleiten er voor, dat ieder product, gebouw of gebied dat door mensentot stand wordt gebracht, volgens het biologische kringloopmodel wordt ontwikkeld enontworpen. Braungart en McDonough vertalen de C2C gedachte in zes ontwerp-principes2 :1. Gebouwen produceren meer energie dan ze gebruiken en zuiveren het eigen afvalwater.2. Fabrieken produceren drinkbaar gezuiverd afvalwater.3. Producten zijn biologisch afbreekbaar of keren terug als ruwe grondstoffen in industriële cycli.4. De monetaire toegevoegde waarde van materialen wordt ingezet voor humane en natuurlijke doeleinden.5. Transportsystemen van goederen en diensten dragen bij aan de kwaliteit van het leven.6. De wereld is gebaseerd op overvloed in plaats van beperking, afval en vervuiling.Wereldwijd onderkennen velen met Braungart en McDonough dat een koersverandering vande conventionele productie- en consumptiepatronen noodzakelijk is. Duurzame ontwikkelingis in 1987 opgenomen in het rapport ‘Our Common Future’, dat werd uitgebracht door deVN-Commissie Brundtland en gedefinieerd als de ontwikkeling waarbij de huidige generatiein haar noden voorziet, zonder de mogelijkheden daartoe voor de volgende generatie tebeperken. Het streven van de C2C visie gaat verder. Cradle to Cradle breidt de eisen vanduurzame ontwikkeling die de VN stelt uit door nu en in de toekomst te voorzien in de nodenvan alle deelnemers aan de natuur. Braungart en McDonough formuleren op p.3 van deHannover Principles hun definitie van duurzaamheid: ‘Meeting the needs of the presentwithout compromising the ability of future generations to meet their own needs and allow allparts of nature to meet their own needs now and in the future.’ 3 De auteurs claimen dat eenwezenlijk verandering in de attitude van de moderne mens een nieuwe industriële revolutieteweeg kan brengen. William McDonough verwijst in het boek Cradle to Cradle, naar zijn bezoek aanAuschwitz en Birkenau waar hij geïnspireerd raakte toen hij zich realiseerde dat elk menselijkontwerp een teken van menselijke intentie in zich draagt.4 McDonough realiseerde zich dat deattitude waarmee gemaakt of ontworpen wordt er zeer toe doet omdat deze intentie aan debetekenis van het product wordt toegevoegd. De schrijvers roepen in hun boek ‘Cradle toCradle’, de mensheid dan ook op tot een andere attitude, namenlijk om in plaats van minderslecht, goed te willen zijn.2 Braungart en McDonough, Cradle to Cradle, pp. 90-913 Braungart en McDonough, The Hannover Principles, p 34 Braungart en McDonough, Cradle to Cradle, p.9 5
  6. 6. Hoofdstuk 2.2. The Hannover principlesBraungart en McDonough startten hun samenwerking in 1991, als co-auteurs van: TheHannover Principles. Het document kan worden beschouwd als het begin van de C2Cfilosofie. De Hannover richtlijnen werden geschreven in opdracht van de stad Hannover dieoptrad als gastheer van de EXPO 2000. (fig.1) Met als thema voor de wereldtentoonstelling; ‘Humanity, Nature and Technology’besloot de stad de uitdaging aan te gaan een duurzame toekomst te verbeelden en aan temoedigen. Braungart en McDonough introduceren drie maal drie principes voor eenduurzame toekomst met de People-Planet-Profit Matrix (figuur 2) en de volgende stelling: “The Hannover Principles should be seen as a living document committed to the transformation and growth in the understanding of our interdependence with nature, so that they may adapt as our knowledge of the world evolves.” Hieronder zijn de negen Hannover Principles opgenomen, die door McDonough en Braungart werden geformuleerd: 1. Insist on rights of humanity and nature to co-exist in a healthy, supportive, diverse and sustainable condition. 2. Recognize interdependence. The elements of human design interact with and depend upon the natural world, with broad and diverse implications at every scale. Expand design considerations to recognizing even distant effects. 3. Respect relationships between spirit and matter. Consider all aspects of human settlement including community, dwelling, industry and trade in terms of existing and evolving connections between spiritual and material consciousness. 4. Accept responsibility for the consequences of design decisions upon human well-being, the viability of natural systems and their right to co-exist. 5. Create safe objects of long-term value. Do not burden future generations with requirements for maintenance or vigilant administration of potential danger due to the careless creation of products, processes or standards. 6. Eliminate the concept of waste. Evaluate and optimize the full life-cycle of products and processes, to approach the state of natural systems, in which there is no waste. 7. Rely on natural energy flows. Human designs should, like the living world, derive their creative forces from perpetual solar income. Incorporate this energy efficiently and safely for responsible use. 8. Understand the limitations of design. No human creation lasts forever and design does not solve all problems. Those who create and plan should practice humility in the face of nature. Treat nature as a model and mentor, not as an inconvenience to be evaded or controlled. 9. Seek constant improvement by the sharing of knowledge. Encourage direct and open communication between colleagues, patrons, manufacturers and users to link long term sustainable considerations with ethical responsibility, and re-establish the integral relationship between natural processes and human activity. Figuur 1: The Hannover principlesDe auteurs spreken de wens uit om een wereldwijde transformatie in gang te zetten, dieactuele kennis en oude wijsheden combineert en inzet als zorg voor, en onderhoud van een 6
  7. 7. gezonde aarde.5 De schrijvers beschouwen de Hannover Principles als een levend document,dat een groeiend begrip van de wederzijdse afhankelijkheid tussen mens en natuurbewerkstelligt. Zij streven naar een mondiaal verspreide zelflerende organisatie, die in staat iszich aan te passen door het vermogen kennis te verwerven van de voortdurend veranderendewereld. De uitdaging voor ontwerpers is een bron van inspiratie en demonstratie vanduurzaamheid te zijn. De auteurs hebben de intentie om esthetische zorg en ecologischeprincipes te verbinden en vandaar uit de wereld van didactische instrumentaria te voorzien.De auteurs baseren zich op de vijf klassieke basis-elementen; Aarde, Water, Lucht, Vuur enAether (geest), die het wereldbeeld vormden. Deze elementen hanteren zij als de vijfbasiscondities voor een duurzame manier van leven. Het element Aarde levert een diversiteit van relaties, zowel in de functie vanmaterialen, als in fysieke omgeving. Voor de volle betekenis en ontwikkeling van diversiteiten leefbaarheid op aarde is het volledige spectrum aan ervaringen van de wilde natuur tot destedelijke omgeving noodzakelijk. Het element Lucht geeft ons de beschikking over een zeer gevoelig meetinstrument.Atmosferische veranderingen en effecten, zoals vervuiling van de lucht, voelen en ervaren wehet meest onmiddellijk. Dit geldt ook voor mondiale consequenties van menselijk handelen.In het ontwerp van materialen is het noodzakelijk de microklimatologische consequenties vannieuwe (technologische) toepassingen te verkennen en voorzien. Het element Vuur belichaamt de menselijke kracht om energie om te vormen inhernieuwbare natuurlijke energiebronnen. Bewust toepassen van natuurlijke energiestromenlevert waardering, vreugde en efficiency voor de gebruikers op. In het samenspel van mens,zon en schaduw door de jaarlijkse cycli heen, ontstaan nieuwe toepassingen van natuurlijkeenergiebronnen. Water neemt een prominente plaats in als levensbron vanwege de collectieve,culturele, historische, spirituele, poëtische en gebruikswaarde. De auteurs eisen erkenningvoor water op door de aanwezigheid te ‘vieren’. Een manier om waardering te stimuleren is,om in het ontwerp van gebouwen, infrastructuur en landschappen begrip voor en plezier inwater op te roepen. Een voorbeeld is regenwater toepassingen in het ontwerp van huizen en inbedrijfsprocessen. Door intelligente en creatieve combinaties van mens, natuur en technologiewordt duurzaamheid al vanaf het ontwerp gerealiseerd als leermiddel voor de gebruikers. Aether verwijst naar spirit of geest. De auteurs werken dit element uit als esthetischewaarde vanwege het belang van de humane zorgrelatie in duurzaam produceren en ontwerpen.Het ontwikkelingsproces vereist commitment van de makers om de eigen bijdrage op te vattenals onderdeel van een breder proces, zowel in plaats als in tijd. Het is een manier om dewaarde van al het leven te ervaren en als onderdeel van de aarde te zijn: ‘people must be ableto experience the feeling of belonging to the earth firsthand’ 6. Volgens de auteurs betekentleven in een duurzaam gebouwde wereld een acceptatie van onze rechtmatige plek in dewereld. Deze acceptatie is het appèl op de medemens als geestelijk doel in zich zelf èn op demens als natuurlijk lichamelijk doel. De auteurs constateren bij de mens een kunstmatigonderscheid tussen geest (subject) en materie (object). Braungart en McDonough willen ditonderscheid wegnemen door de geest als esthetische essentie in de context van de materiële(natuur)objecten terug te plaatsen. Ze omschrijven het esthetische bewustzijn als het gevoelvoor permanentie en gemeenschapszin dat kan worden aangemoedigd door design. Designkan leiden tot een beter begrip en bewustzijn van de natuur.5 Braungart & McDonough, Prologue p.4, The Hannover Principles6 Braungart en McDonough, Hannover Principles, deel I 7
  8. 8. Onderlinge verbondenheid en samenwerking zijn leidende principes. Het coöperatieveprincipe bundelt de kracht van verschillende specialismes in relaties en dwingt totsamenwerking in de geest van bevestiging en optimistische ondersteuning. Het resultaat vandit ontwerpproces is de belichaming van alle soorten relaties tussen mens, natuur entechnologie. Dit kan leiden tot een duurzame samenleving als een democratisch, wederzijdsafhankelijk ontwikkelingsproces, gebouwd op diversiteit, met het oog op de volgendegeneraties en in termen van het volgende milennium. De auteurs leggen het accent op het commitment van de mens als bezield onderdeelvan de Natuur die het creatieve proces op gang kan brengen. Ze willen herhaling van foutenvermijden door te leren van wat er in het verleden mis ging. De relatie tussen de mens en deAarde staat centraal. De auteurs vinden het noodzakelijk te ontwerpen voor de noden van allelevensvormen, niet uitsluitend voor menselijke behoeften. De mechanische manier vanproduceren leidt tot vervreemding van de mens van de natuur. Deze tendens kan gekeerdworden door bescheiden te zijn en te erkennen dat we de complexiteit van natuurlijkesystemen niet volledig kunnen kennen en overzien. Succes kan niet gemeten worden volgenseen lijst van criteria, omdat we de complete ervaring en consequenties van eigen handelen niettijdens een mensenleven kunnen overzien. Een succes blijft altijd relatief en slechts tot opzekere hoogte meetbaar.7 De auteurs erkennen het belang van intra- en intergenerationele verantwoordelijkheid. 8Onze manier van leven maakt het noodzakelijk verantwoordelijkheid te nemen voor elkeenergie aanslag, hoe klein ook, die gemoeid is met het ontwerp van een project. Het doel omafvalvrij te produceren zou het volledige spectrum van de materiële tot de spirituele kantmoeten beslaan. Zorgvuldig, efficiënt en doelmatig gebruik vormen de kernwaarden vanduurzame relaties. Verantwoordelijkheid voor de mondiale (milieuvervuilende) consequentiesvan lokaal handelen kan worden bereikt door te kijken naar de voorbeelden van eenvoudigesamenlevingsvormen. Het concept van zelforganiserende onafhankelijke en zelfvoorzienendecommunities is geschikt. De kracht van deze communities is aanpassingsvermogen, doordat zeruimte laten voor ontwikkeling van eigen betekenis en voor begrip van de werking van denatuur. De communities hebben een centrale plek waar mensen elkaar spontaan kunnenontmoeten. Het probleem in de huidige samenleving is dat communicatie instrumenteel is enniet meer spontaan. In een directe en open manier van communicatie kunnen kennis enrelaties worden gedeeld, vernieuwd en bestendigd. Door te leren van de fouten die generatieslang inzichten opleverden, kunnen nieuwe creaties generaties lang hun waarde behoudenzonder de toekomst op te zadelen met schadelijke onomkeerbare processen. Eenvoudige samenlevingen kennen een ontwerp van stedelijke agglomeraties datopgaat in het landschap, terwijl gebruik gemaakt wordt van natuurlijke energiestromen. Deschrijvers gebruiken een hierop geïnspireerd voorbeeld. Het ontwerp van de ‘living machine’,of ‘ecomachine’ , een concept van de Amerikaanse ecoloog John Todd , is een synthese vantechnologie, mens en natuur. Inzicht over consequenties van een ontwerp ontstaat door eenlevenscyclus-analyse, waarin de effecten voor ingebruikname worden onderzocht. De auteursverstaan onder de levenscyclus van het product: het proces van de verwerking van de ruwematerialen, transport, hergebruik, onderhoud tot en met uiteindelijke verwerking van hetrestproduct. Andersheid moeten we vieren zodat we van eigen beperkingen kunnen leren.Conflicten moeten daarom aan het licht moeten worden gebracht. Zonder aandacht voorconflicten ontstaat een schijnwerkelijkheid. Positieve en negatieve aspecten van ontwikkelingzijn onlosmakelijk verbonden. De negatieve aspecten hebben een educatieve waarde. Ze7 . H. VIII, Humility of design, Hannover Principles8 . H. III, Sustainability Explored, Hannover Principles 8
  9. 9. kunnen mensen laten inzien wat de problemen zijn en ze daarover kritisch aan het denkenzetten. Experimentele kleinschalige samenlevingsvormen vergroten het inzicht in eigenbestaanscondities en de manier waarop de mens zich verhoudt tot andere levensvormen. Ditinzicht onstaat omdat we de consequenties van eigen handelen ervaren in de praktijk vanalledag. Deze experimenten bieden voldoende ruimte en flexibiliteit om de omgeving mee telaten veranderen met de tijdsgeest. Het is daarbij noodzakelijk wederzijdse afhankelijkheid teerkennen omdat die zich uitstrekt tot een netwerk van relaties dichtbij en op afstand. Diversiteit van habitats moet in het dagelijkse ervaren kunnen worden door iedereenomdat het leidt tot ecologische gevoeligheid bij de mens. Design heeft een praktische relatiemet de mens als deelnemer aan de natuur maar heeft ook een andere esthetische betekenis. Depraktische betekenis van design heeft een lerende functie in toepassing en gebruik. Deesthetische kwaliteit heeft een lerend effect in het vieren van het oneindig aanbod vanmanieren waarop we naar buiten kunnen treden in de natuur en in de sociale omgeving.9 Alswe diversiteit ervaren en gebruiken om onze eigen beperkingen onder ogen te zien verruimten verrijkt dat mensen met nieuwe mogelijkheden. Het dwingt respect enverantwoordelijkheid voor andere levensvormen af. Een zelfvoorzienende duurzame maniervan leven is gebaseerd op het in acht nemen van de volledige omvang in tijd en ruimte waarinlokale gebeurtenissen globale effecten hebben. De auteurs willen de breuk tussen mens en natuur herstellen. Ontwerp moet hetresultaat zijn van de verbinding tussen esthetiek en natuur. Dit kunnen nieuwe gebouwen zijnmet een flexibel ontwerp geschikt voor verandering en multifunctionele toepassing.Belangrijk zijn het cyclische en interactieve karakter van ecologische functies. Ontwerp moetruimte laten aan flexibel gebruik door de gebruikers, die de makers en ontwikkelaars van eensociale samenleving zijn. De auteurs halen de filosoof Heidegger aan, die het probleem van demoderne mens als volgt schetste: de denaturalisatie van de moderne mens is ontstaan, toen webegonnen de bronnen van de aarde af te tappen voor eigen gebruik waar en wat we maarwilden, zonder besef van en zonder rekening te houden met de natuurlijke cycli van de aarde.We zagen de aarde als een onuitputtelijke voorraadbron, waar het concept van verspilling alinherent in opgesloten zit. De wereld is daardoor bron voor consumptie geworden, niet meereen systeem waar we onderdeel van zijn. 10 Een heroverweging van het wonder van natuurlijke processen als onderdeel van onsdagelijks leven is noodzakelijk. Mensen zijn door de kracht van verbeelding, geneigd dewereld te idealiseren. De enige manier om een utopisch wereldbeeld te doorbreken is door debereidheid de discussie over eigen overlevingsvoorwaarden aan te gaan. De combinatie vanhet praktische leereffect van de natuur en de esthetische ervaring van verwondering zijn demotor van reflectie op de mens als onderdeel van de natuur. De mens in verbinding met denatuur is een product van voortdurende vernieuwing en verbetering. Kwaliteit van het levenwordt bepaald door spirituele en materiële relaties. Bezielde natuur is het gevolg van eenrespectvolle relatie met de belichaamde natuur. Het tegenbeeld is een samenleving, die dezerelatie heeft verbroken en technologisch vervreemd is geraakt van de natuur. Bescheidenheid helpt de mens bij het herstellen van de relatie tussen mens en natuur,doordat eigen beperkingen worden onderkend. In dit verband gebruiken de auteurs hetonderscheid in ecologisch bewustzijn tussen deep ecology en social ecology. Social ecology isnetjes en respectvol met de natuur omgaan en vraagt om regels, definities en onderlingeafspraken. Deep ecology gaat uit van onvoorwaardelijk liefdevol omarmen enverantwoordelijkheid nemen voor de natuur als levensvoorwaarde van de mens.9 H. IV, From urban to the wild, Hannover Principles10 H. VI, Evolution of Industrial Age, Hannover Principles 9
  10. 10. Ecologische gevoeligheid of bewustzijn kan worden bereikt door middel van ecologischecommunicatie. Dit begrip kent zijn oorsprong in het Griekse begrip autopoiesis: en betekentzelforganisatie en vernieuwing. Autopoiesis is het tegenovergestelde van immuunsystemen.Het is een levensconditie, die sociale systemen in werking zet door continu in verbinding teblijven met de omgeving. Geen enkel onderdeel van het netwerk van de natuur heeft zin vanbetekenis zonder communicatie met de rest. Wij zijn als onderdeel van de natuur nooithelemaal in staat het geheel van de natuur te overzien, omdat we geen perspectief buiten onszelf kunnen innemen. Elk ontwerp moet ruimte laten voor een antwoord van de natuurlijkeomgeving, als de context waarin waarde zich ontwikkelt. Dan wordt de mens in staat gesteldverantwoordelijkheid te accepteren, in het kader van het menselijk welzijn en inovereenstemming met de rechten van alle onderdelen van de natuur. Mensen moeten zowel een lokaal als mondiaal perspectief in kunnen nemen, omecologische zorg dagelijks in praktijk te kunnen brengen. De houding van bescheidenheid enliefde voor de natuur is noodzakelijk om verantwoordelijkheid volledig te kunnen accepteren.Het resultaat van een bescheiden opstelling is een voortdurende herwaardering van waardendoor middel van ecologische communicatie. Samenvattend kunnen we stellen dat in de C2C filosofie de concepten van ecologischbewustzijn en ecologische communicatie zijn gebaseerd op het coöperatieve principe,diversiteit en een attitude van committent. Dit wereldbeeld voeren de auteurs door in de negenPlanet, Profit en People bestaansprincipes voor C2C, die zijn weergegeven in de SustainableDevelopment Matrix. Figuur 2 The Sustainable Development Matrix William McDonough & Michael Braungart 1992 10
  11. 11. Het Planet perspectief kent als eerste kenmerk het stromen van hernieuwbare energiebronnenzoals wind en zon. Het tweede aspect is de wederzijdse afhankelijkheid van alle onderdelenvan de natuur inclusief de mens. De diversiteit waarin de Natuur verschijnt dient gevierd teworden. De derde conditie is de natuur die optreedt als mentor en een rolmodel biedt alszelforganiserend principe, voor de mens. Het Profit perspectief heeft als bestaansvoorwaarde doelmatigheid van productie enconsumptie in de volledige levenscyclus zodat verontreiniging, verspilling en zelfdestructieverdwijnen. De tweede voorwaarde is dat het groeimodel geen schade berokkent aannatuurlijke systemen maar waarde toevoegt, en de derde voorwaarde bestaat uit hetonderhouden van netwerkrelaties. Toegevoegde waarde bestaat in erkenning van wederzijdseafhankelijkheid tussen de elementen van menselijk ontwerp op alle niveaus. Verwaarlozing ofoverwaardering van deze diversiteit aan relaties betekent waardeverlies. Het People perspectief kent als eerste conditie een open en directe vorm vanecologische communicatie, zodat kennis kan stromen, gedeeld en bestendigd kan worden. Detweede conditie is het nemen van verantwoordelijkheid voor alle levensvormen door de mens,zonder zichzelf voorop te stellen maar als integraal en gelijkwaardig onderdeel van de natuur.De derde voorwaarde is de verbinding van menselijke belichaming en bezieling in relatie metandere mensen en alle andere onderdelen van de natuur. Ethisch menselijk bewustzijn wordtontwikkeld met het spirituele aspect van betrokkenheid en empathisch vermogen dat mensenin verbinding brengt met hun omgeving.Hoofdstuk 2.3. Kritieken en uitdagingen voor C2CInhoudelijke kritieken van milieukundigen gaan over de haalbaarheid van C2C en deonvermijdelijke energieverliezen die bij elke omzetting plaatsvinden. C2C is nietenergieneutraal. Energiebelasting voor het produceren van windmolens voor windenergiebijvoorbeeld is per saldo hoger dan de belasting van het omzettingsproces van eenstroomcentrale op kolen of aardgas. Daarnaast is het rendement van natuurlijkeenergiebronnen laag en kunnen hernieuwbare bronnen zoals zonne- en windenergie nietvolledig de capaciteit vervangen. Het opslaan van deze energie is een probleem. Dat heeftgevolgen voor de continuïteit van de te leveren energie, omdat die niet overeenkomt met deconstante behoefte van bedrijven en huishoudens. Het technologische kringloopmodel vanC2C-systemen (demontage en hergebruik van onderdelen) vraagt meer energiegebruik in delogistieke afhandeling van goederen en onderdelen. Recycling kost veel energie. Omdat deenergetische rekensom geen winst maar verlies aan energie oplevert, voldoet C2C volgensdeze critici niet aan het duurzaamheidsconcept volgens de Brundtland definitie. C2C levertverlies van niet hernieuwbare energiebronnen op en beperkt daarom de volgende generaties. Verder merken wij op dat er kritiek is op het idealisme van C2C. Critici concluderendat veel mensen geloven in C2C. Ze zijn dan niet meer ontvankelijk voor rationeleargumenten en gaan de discussie niet aan. Een kritiekpunt dat de auteurs van de C2C methodezelf bespreken is, het idee dat C2C de complete oplossing voor het duurzaamheidsprobleempretendeert te geven. Dit idee nuanceren zij met de stelling dat mensen de consequenties vaneigen handelen niet volledig kunnen overzien. Mensen maken onderdeel uit van hetnatuurlijke systeem en kunnen niet buiten het eigen perspectief treden. Deze beperking maakthet voor mensen onmogelijk om de gevolgen van eigen handelen, in de toekomst, volledig tekunnen voorzien. Daarnaast zijn er voorbeelden van praktische kritieken op C2C. Deze kritieken gaanover het management en invoeringsproblemen bij de introductie van C2C producten.Implementatie van een volledig gecertificeerd C2C product vergt een langdurig proces en 11
  12. 12. verloopt moeizaam. Een voorbeeld is de kritiek op het C2C project ‘Greenport Venlo’ doorSophie Jongeneel, dat tot stand kwam in samenwerking met de Raad voor ruimtelijk, milieu-en natuuronderzoek (RMNO). In deze veldstudie 11 van 2009 werd de praktijk van duurzamegebiedsontwikkeling in ‘Greenport Venlo’ in detail geobserveerd. Een conclusie was, dat inde eerste fase van concretisering van de C2C principes de noodzakelijke conditie voorkennisontwikkeling niet volledig is ingevuld. De uitvoering verloopt via teveel verschillendeniveaus in de organisatie, waardoor miscommunicatie ontstaat en ontwikkeling van nieuweideeen belemmert wordt. Als aanbeveling wordt voorgesteld verder onderzoek te verrichtennaar ‘het te boven komen van institutionele en sociale barrières.’Hoofdstuk 2.4 DiscussieC2C schetst een algemeen omvattende visie op mens en natuur. Wat mij betreft is het ook eenovertuigende visie, maar wel gevoelig voor allerlei kritieken van zowel filosofische alspraktische aard. De vraag blijft of C2C uitvoerbaar is. Het is niet mijn intentie om de kritiekenuitvoerig na te gaan. Wel concludeer ik dat een ding centraal staat in een antwoord op dezekritieken: het grote vertrouwen dat C2C stelt in de mogelijkheid van mensen om van fouten teleren. Mensen kunnen leren van zichzelf en van anderen in hun leefgemeenschappen doorlevensvormen te vernieuwen en te verbeteren. C2C geeft niet het alternatief , maar wel derichting waarin alternatieven ontwikkeld kunnen worden. Daarmee komen leerprocessencentraal te staan. Juist op dit centrale punt behoeft de C2C filosofie nadere uitwerking. Hetvervolg van deze scriptie richt zich hier dan ook op. Door bij de filosoof John Dewey te radete gaan, pogen we een concreter inzicht te krijgen in de aard en betekenis van leerprocessenvoor mens en maatschappij.Hoofdstuk 3.1. Inleiding op John DeweyIn dit hoofdstuk analyseren we John Deweys ideeën over leerprocessen. We proberen eenlogische en systematische samenhang te ontdekken die vooralsnog in de onderbouwing vanCradle to Cradle ontbreekt. We verkennen hoe de theorie van Dewey aansluit op hetgedachtengoed van C2C en op welke manier dit perspectief van leren een antwoord geeft opde kritieken op C2C.John Dewey beschouwde de mens a priori als een sociaal gericht wezen dat zich in de loopder tijd een individuele persoonlijkheid heeft aangemeten. Het individu voorgesteld alsautonoom handelend wezen is volgens Dewey een uitvinding van de mens. De constructievan het autonome individu is onvolledig omdat direct gedeeld bewustzijn met andere mensen,in de vorm van affectie en vertrouwen in het handelen van de ander ontbreekt. 12 De mens isin wezen voortdurend in verbinding met andere mensen. Dewey stelt in zijn kentheorie de voortdurende verandering van relaties tussen mensen omgeving centraal. Dergelijke relaties verschaffen informatie over onze handelingen en degevolgen van onze handelingen.13 Dewey claimt dat voor het verkrijgen van kennis een open,flexibele en experimentele benadering noodzakelijk is.14 Dewey achtte goede scholing enopvoeding als de belangrijkste pijlers onder een ontwikkelde samenleving om kennis overons eigen handelen te verkrijgen.11 Jongeneel, Sophie (2009) C2C in sustainable spatial development in Greenport Venlo ,p.512 Dewey, The public and its problems p.9713 Louis Logister, John Dewey een inleiding tot zijn filosofie, p. 3114 Louis Logister, John Dewey een inleiding tot zijn filosofie, p. 15 12
  13. 13. Verontachtzaming van training en onderwijs in ‘het gebruik en toepassing van industriëleproducten’ in een democratische gemeenschap is voor Dewey geen optie, omdat het vangroot belang is dat de mens competente keuzes kan maken en zijn economische middelennuttig inzet. Dewey waarschuwt voor het gevaar van corruptie en verval door verspilling enluxe. Dit kan de kwaliteit van het eigen leven ondermijnen en dat van anderen schaden.15 Dewey veronderstelt dat ‘de manier van’ de Natuur de condities voor educatieveefficientie biedt, door middel van exploreren, gebruik van materialen en het spel.16 Deweydefinieert cultuur als de capaciteit om voortdurend het bereik en de accuratesse van iemandsperceptie van betekenissen uit te breiden. 17 Respect hebben voor diversiteit en de natuur isvolgens Dewey voorwaarde van ontwikkeling, omdat potentieel alleen volledig totontwikkeling kan komen door met anderen in aanraking te komen. Dewey pleit voor trainingvan deze manier van de Natuur als een van de belangrijkste educatieve ervaringen in hetleven. Dit vermogen van natuurlijk handelen vindt Dewey essentieel voor de ontwikkelingvan de mens als intrinsiek doel in zich zelf en voor de universele waarden van het collectief.De mens mag niet op een materialistische manier gereduceerd worden tot middel. De mens isaltijd in ontwikkeling en intermenselijke processen maken de mens wat hij is. Niet zijn purefunctionaliteit en ook niet zijn beschaving. Datgene wat de mens mens maakt is wat totuitdrukking komt in verbinding met anderen in een vrij proces van geven en nemen enuitstijgt boven praktische en ‘gecultiveerde’ identiteit. 18We beperken ons in het volgende hoofdstuk tot Deweys ideeën over leerprocessen.Verbinding tussen mens en omgeving door middel van ervaren en leren staat bij Deweycentraal. Intersubjectieve relaties zijn noodzakelijk voor de ontwikkeling van individuen, ingroepen en de ontwikkeling van intrinsieke collectieve waarden. We analyseren deleerprocessen van Dewey, achtereenvolgens op drie verschillende niveaus. Het eerste niveauis dat van het individu als leerling. Het tweede niveau betreft het leren in de dynamiek vangroepen (community & public) en het derde niveau van leren en ervaren betreft het collectief.Hoofdstuk 3.2. Leerniveau 1; het individu als leerlingHet individuele perspectief van de leerling omschrijft Dewey als een op eigenaardige wijzegecombineerd actief en een passief element van ervaring. Het actieve gedeelte is het trialelement, het experimentele uitproberen. Het passieve element ondergaat een verandering. 18Als we iets ervaren dan reageren we daarop. We doen iets met de ervaring. Dan lijden wedoor de consequenties van dit handelen te ondergaan. Onze reactie roept actie of reactie vanhet ding op en die beïnvloedt ons. Deze eigenaardige verbinding van een actieve en eenpassieve beweging bepalen het succes van de kwalitatieve lerende ervaring. Als actieve en passieve ervaringsmomenten elkaar afwisselen wordt een golfbewegingin gang gezet. Het passieve ondergaan van de terugkomende beweging aan consequenties vanhandelen is essentieel voor de vorming van bewustzijn, anders zou ervaring zonder betekenisblijven. Als een verandering in de omgeving, wordt ondergaan en gereflecteerd in eenverandering die wij maken, dan is de beweging geladen met betekenis die er toe doet. Wijleren iets. Bijvoorbeeld als een kind een vinger in een vlam steekt, dan is het pas een15 John Dewey, Democracy & Education, p. 9416 John Dewey, Democracy & Education p. 9117 John Dewey, Democracy & Education, p. 9718 John Dewey, Democracy & Education, p.109‘What one is as a person is what one is as associated withothers, in a free give and take of intercourse. This transcends both the efficiency which consists in supplyingproducts to others and the culture which is an exclusive refinement and polish.’ 18 13
  14. 14. leerervaring wanneer deze beweging verbonden raakt met de pijn die het kind alsconsequentie van de handeling ervaart. De pijn wordt niet ervaren als consequentie van eenandere actie, maar specifiek verbonden aan de perceptie van de vlam. Om van een ervaring tekunnen leren is het noodzakelijk om de achterwaartse en de voorwaartse verbinding tussenwat we doen met de dingen en datgene wat we beleven aan plezier en pijn, als consequentievan de handeling te doordenken. Veel plezier en pijnervaringen overkomen ons per ongeluk. Er is geen retrospectie engeen vooruitziende blik en als consequentie daarvan geen betekenisvolle ervaring. We krijgenniets overgedragen en we winnen niet aan vermogen om ons zelf aan te passen. Er ontstaatgeen toegevoegde beheersing of controle. Interactie tussen perceptie en reflectie zijnkenmerkend voor de complete leerervaring. Leren gaat dus niet vanzelf. De cognitieveervaring is volgens Dewey pas mogelijk als we ons open stellen om te ervaren wat deconsequenties van ons handelen zijn. Als we herinneringen uit het verleden actief verbindenmet ervaringen in het heden en consequenties in de toekomst kan het bewustzijn groeien. Als de verbinding tussen praktijk en theorie wordt verbroken, is de herkenning van dezingevende betekenis verbroken en verliezen we de realiteit uit het oog. Er is geenafstemming meer tussen de handeling en de gedachten daarover. Dat is het begin van eengevarenzone, waarbij je uit de betekenisgevende realiteit stapt en het risico op vervreemdingontstaat. Dit gevaar kan ondervangen of vermeden worden door Deweys derde element van delerende ervaring: een speelse houding. Het komt er op aan, dat mensen zich niet afsluiten voorde omgeving, maar zichzelf op een ontspannen en speelse manier serieus nemen doorvoortdurend af te stemmen op veranderingen in de omgeving en daar betekenis aan te geven.Een open attitude schept ruimte om ervaringen op je in te laten werken. Experimentele oefening is belangrijk, want van fouten kun je leren. De kracht vanfouten maken is eigen grenzen opzoeken en ontdekken. 19 Limieten van capaciteiten leer jeontdekken door de consequenties van eigen handelen te ervaren in communicatie over enweer met je omgeving. Volgens Dewey resulteert elke relatie die je aangaat in het (lijdzaam)ondergaan van eigen beperkingen. Dit is het passieve ervaren. Deze ervaringen resulteren viaverwarring in het ontwikkelen van ruwe standaarden. Door de capaciteiten te blijven oefenenworden de ruwe standaarden door het kind geperfectioneerd. Dit is het actieve ervaren. Voorvolwassenen in de werksituatie als lerende omgeving is het de kunst een speelse houding aanhet werk te verbinden. 20 Het spelelement is ook cruciaal voor een lerende gemeenschapvolgens Dewey. Experiment en spel zijn effectieve leervormen omdat er ruimte is voorontwikkeling. Het individu heeft de vrijheid om van eigen fouten te leren en competenties teonwikkelen, zonder de onmiddellijke veroordeling of afhankelijkheid van erkenning doorderden. Dewey illustreert het eerste explorerende element van het leerproces waarmee eenwezen flexibele en gevarieerde controle weet te bereiken, aan het proces van trial en error.Een kip bijvoorbeeld pikt honderd keer mis tot dat hij succes heeft.21 Deweys tweede element van actief handelingsleren is het gebruik van materialen. Hierwijst hij op de noodzaak om te leren door af te stemmen op effecten van eigen handelen op deomgeving. Door uit een variatie van factoren verschillende combinaties te maken verschafthet individu zichzelf informatie, afhankelijk van de veranderde omstandigheden. Dewey steltverkennend handelen en de keuze om combinaties te kunnen maken als basisvoorwaardenvoor ontwikkeling en educatie. Dewey vergelijkt het derde element van leren met de manier waarop kinderenvermogens ontwikkelen om tot volwassenheid te groeien. Het speelse vermogen in het19 John Dewey, Democracy & Education p 15320 John Dewey, Democracy & Education p 16021 John Dewey, Democracy &Education p.38 14
  15. 15. groeiproces van volwassenen omschrijft Dewey als het leren met nieuwsgierige, opmerkzameen onbevooroordeelde, open attitude als dat van een kind. 22 Het verschil tussen hetgroeiproces van kinderen en volwassenen is ‘de manier waarop’ het individu zich aanpast aangewijzigde condities. Elke nieuwe manifestatie is een teken van mogelijke groei dat omgezetkan worden in een middel om te veranderen naar de volgende manifestatie. Een speelse,alerte, nieuwsgierige gevoeligheid van volwassenen voor gewijzigde bestaanscondities levertmoreel bewustzijn op. Deze gevoeligheid is essentieel voor het individuele leerproces. Hetprobleem van de volwassen manier van leren is, dat opgebouwde overtuigingen in hetverleden ontwikkeling van nieuwe kennis in de weg kan komen te staan. Dewey introduceert twee leermethoden waarmee mensen waarden ontwikkelen;dramatic en technical rehearsal. De eerste dramatische methode is een attitude die kanprijzen en waarderen door middel van de complete directe ervaring. Het bereik van de directeervaring is klein, want deze wordt beperkt door plaats en tijd. De directe ervaring neemt depersoon mee in een ervaring of beweegt het individu ergens toe. Het is een interactief procesen de communicatie voltrekt zich in de relatie tussen emotie en denken en levert een completeervaringsbetekenis op. De directe dramatische ervaring omvat de intrinsieke waarde die zichop een bepaald moment als esthetische kwaliteit bezit maakt van het subject. De tweede leermethode: technical rehearsal is vergelijkend en oordelend engekoppeld aan de indirecte ervaring. De methode biedt een instrumentele logische structuurvoor informatie uitwisseling, bijvoorbeeld als taalsysteem. De methode van technicalrehearsal is beperkt tot vergelijkende waardering omdat de volledige ervaring ontbreekt. Demeeste ervaringen die mensen hebben zijn indirecte of gemedieerde ervaringen. Mediavergroten het bereik van het domein van de indirecte ervaringen. Het probleem van deindirecte ervaring is dat een feedbackloop met de individuele handelingspraktijk ontbreekt.Het gevaar van vertekende beeldvorming ontstaat, omdat automatische en natuurlijkecontrolemomenten ontbreken. Technologie, zoals computers en televisie, heeft als ongewenstgevolg dat de capaciteit van indirect leren boven de capaciteit van de directe leerervaringwordt geplaatst. De complete directe ervaring is persoonlijk en levert onmiddellijke kennis opterwijl de indirecte ervaring een groter bereik heeft en gemedieerde kennis oplevert. Door indemocratische sociale structuren te voorzien en er voor te zorgen dat verschillende interesseselkaar versterken, op elkaar inwerken en inspelen, onstaat er ruimte voor dramatic rehearsal23Dewey stelt dat zonder directe leerervaring slechts symbolische instrumentele vertaling vanplichten, het goede leven en praktijken mogelijk is, omdat het gemedieerde kennis uit detweede hand betreft. Als er een intern conflict optreedt splitsen de directe en de indirectewaardering zich op. In dit geval is de bewuste, maar lijdzame, consequentie van handelen nietgebaseerd op een intrinsieke keuze, kennis, wijsheid of moraal. Maar je bent dan in hetpsychologische mechanisme gestapt van de symbolische vergelijkende en oordelendewaardering. Technical rehearsal vormt wel de mechanische basisstructuur voor dramaticrehearsal maar levert onvoldoende en onvolledige kennis op. Het resultaat is symbolischekennis. Dramatic rehearsal levert volledige persoonlijk gewaardeerde kennis op.24 Educatiekan voorzien in een oordeelsvrije manier van kennis opbouwen waarin intrinsieke waardenvoortdurende geactualiseerd en gearticuleerd worden.Verbeelding (imagination) is het essentiële medium dat meerwaarde geeft aan de individueleleerervaring volgens Dewey, want verbeelding kan leiden tot effective sense of excellence. De22 John Dewey, Democracy &Education p.4223 John Dewey, Democracy & Education pp. 180-19224 Louis Logister, In inleiding op John Dewey, p.15. zegt daarover: ‘Tegenover de traditionele gewoontemoraal,waarbij waarden en normen via traditie zijn overgeleverd, plaatst het pragmatisme de reflectieve moraal dieerop gericht is steeds weer te ontdekken welke handelingen in een bepaalde context moreel van aard zijn’ 15
  16. 16. speelaktiviteit is het schoolvoorbeeld van de imaginaire manifestatie van verbeelding:‘bringing about a sensing of the meaning of what is going on’.25 Hoe dichter je doorobservatie bij de onmiddellijke kwaliteiten blijft en ze herwaardeert, hoe meer ze toegroeiennaar de esthetische ervaring van hoge kunst. Onmiddellijke kwaliteiten nemen viaverbeeldingskracht bezit van ons. Door gedwongen selectie en focus wekken beeldenempathie of betrokkenheid en voldoening op.26 We worden bijvoorbeeld gevangen in eenschilderij. Er ontstaat een wederzijdse relatie tussen emotie en denken. Effective sense ofexcellence is het oordeelsvrije waarderingseffect van verbeelding dat je kunt bereiken viadramatic rehearsal. De ultieme intrinsieke waarde ontvouwt zich volgens Dewey in het proces van hetleven zelf.27 Dramatic Rehearsal is de methode waarbij mensen waarde ontlenen uit hetmiddel zijn voor een hoger doel. Als de realisatie van een individueel intrinsiek doel voor hetindividu een conflict oplevert dan is dit persoonlijke doel instrumenteel voor het hogere doel.De persoonlijke beperking leidt tot herwaardering van eigen capaciteiten ten opzichte van eenhoger doel. 28 Persoonlijke beperkingen bevorderen het relativeringsvermogen van hetindividu. Ze leren de mens boven het eigen perspectief uit te stijgen en een standpunt in tenemen ten opzichte van het hogere ‘onschatbare’ doel. 29Dewey leert ons dat het individu door middel van dramatic rehearsal in staat is emotie endenken om te zetten in een volledige oordeelsvrije communicatieve vorm van kennis. Deelementen die voorwaarden leveren voor deze kennis zijn; verbeelding, exploreren enexperimenteren, ervaringshandeling door gebruik van materialen en een speelse open houdingvan nieuwsgierige opmerkzaamheid. Dramatic rehearsal draagt via het medium vanverbeelding en de complete communicatieve ervaring bij aan het proces van intrinsiekewaarde ontwikkeling. Dewey legt uit hoe dit individuele proces het leerproces in eendemocratie of groep werkzaam is.3.3. Leerniveau 2; leren op sociaal niveau: the public & the communityJohn Dewey gebruikt de metafoor van het theater en stelt de moderne samenleving voor alseen nieuw podium waar het theater van het leven wordt opgevoerd. De moderne in aantaltoenemende publieken voeren na de Machine Eeuw de voorstelling op technisch hoogstaandniveau uit (technical rehearsal) maar er is een beperking. Het ontbreekt aan aspiratie eninspiratie omdat het theater als routinematig en symbolisch wordt ondergaan. In het tweedebedrijf transformeren de moderne publieken in onrijpe publieken (inchoate publics). Ze rakenin verwarring door de veelheid aan amusementkeuze en het instabiele karakter van de relatiesin de publieken. Tijdens het derde bedrijf worden de onrijpe publieken tijdens de dramatischeoefening (dramatic rehearsal) geraakt en meegevoerd in een nieuwe dimensie waarmee detechnische symboliek een andere waarde krijgt. De publieken (her)ontdekken via de krachtvan verbeelding (imagination) in elkaar een rijkdom aan betekenis en ontwikkelen zich totcommunities. Dan ontvouwt zich een diepere betekenis in de dynamiek van het spel van decommunities die onderdeel en deelgenoot van elkaar zijn via een rijkere vorm vancommunicatie (consummatory communication).25 John Dewey, Democracy & Education pp.182-18426 Dewey Democracy & Education p.18327 Dewey Democracy & Education p.18428 Dewey Democracy & Education p.18529 Dewey Democracy & Education p.187 16
  17. 17. Volgens Dewey is de motor van morele ontwikkeling van de mens: de aanwezigheidvan lerende wezens. Kinderen stimuleren affectie en verzorging in een groep. Dezecompetenties ontwikkelden evolutionair gezien het intergenerationele besef van de mens. Erontstond een anticiperend en plannend vermogen. 30 Afwezigheid van lerende wezens in eengroep, leidt tot conformeren aan omgevingsfactoren, onderbreking van het groeiproces enpassief gewoontegedrag. Lerende wezens stimuleren actief gewoontegedrag, door capaciteitentoe te passen op nieuwe doelen. Ze brengen een dynamisch proces op gang dat het verlangennaar groei in de groep stimuleert en activeert.31 Dewey onderzoekt de bestaansvoorwaarden voor een groep (community) door haar afte zetten tegen het publiek (the public). De community is een zich natuurlijk ontwikkeldesociale gemeenschap van persoonlijke relaties. Dewey noemt het voorbeeld van de agrarischeplattelandsgemeenschap. The public is een groepsstructuur die zich heeft ontwikkeld als eenonpersoonlijke sociale constructie van de mens. Het sinds De Verlichting ingezette idee van‘het vrije individu’ wordt in een publiek beperkt, omdat gebruik van onpersoonlijke relatiesnoodzakelijk is. In the public ligt de nadruk op onpersoonlijke relaties, terwijl in thecommunity persoonlijke relaties centraal staan. De tegenwoordige samenleving bestaat uit afstandelijke individuele relaties metvertegenwoordigers van bijvoorbeeld overheidsdiensten, zorginstellingen en commercielebedrijven. Technologische ontwikkelingen vergroten dit netwerk van onpersoonlijke relaties.De relaties zijn efficïent en succesvol maar tegelijkertijd verliezen ze aan betekenis doorgebrek aan directe, persoonlijke communicatie. Dewey kenmerkt dit publieke optreden vanindividueel communicatief verkeer als een nieuw podium waar, door middel van technicalrehearsal, de dramavoorstelling van het leven wordt opgevoerd.32 Tegenwoordig kunnen wedit podium invullen met bijvoorbeeld twitterfora of digitale netwerken. Dewey beschouwt detegenwoordige samenleving als een verzameling van publics waarin dramatic rehearsalondergeschikt is aan technical rehearsal. Dewey stelt dat succes afhankelijk is van het inzicht van de mens in natuurlijkeprocessen en kennis over de voorwaarden van menselijk handelen. 33 Het ontwikkelingsprocesvan samenlevingsvormen begint bij natuurlijke communities die bestaan uit constante enstabiele relaties. Onder invloed van moderne technologiën zijn ze veranderd in nieuwe enonrijpe publieken (inchoate public). De Machine Eeuw resulteerde in teveel manieren vanvertier en werk om effectief in verbinding te kunnen zijn. 34 Instabiliteit en verandering inrelaties maakten saamhorigheid en aansluiting op elkaar onmogelijk. Er ontstond toegang totveel soorten publieken. Het probleem van het onrijpe publiek is dat het zo in de war(bewildered) is geraakt, dat het haar eigenheid is kwijt geraakt.35 Dit uit zich in apathie enonverschilligheid die voortvloeien uit gebrek aan identificatie. 36 Onder invloed van de moderne communicatiemiddelen zijn de onderlinge banden diemensen onderhouden als ze in aktie zijn, talrijk, taai, subtiel en ongrijpbaar geworden. Wat erontbreekt zijn de gedachtes en aspiraties die bij deze acties horen. Zij worden nietgecommuniceerd en dat is volgens Dewey het probleem van het onrijpe publiek.37 Daarin ligtook de kans voor ontwikkeling van een technologische samenleving. Dramatic rehearsalontwikkelt the public(s) via directe communicatie, waardoor er begrip en kennis over de30 Dewey Democracy &Education p 3931 Dewey Democracy &Education p.4432 Dewey, The public and its problems p.9633 Dewey, Democracy & Education p. 17634 Dewey, The public and its problems, p. 13735 Dewey, The public and its problems, p.12336 Dewey, The public and its problems, p.13537 Dewey, The public and its problems, p.142 17
  18. 18. voorwaarden van menselijk handelen ontstaat. Directe communicatie levert dan gedeeldekennis over de bestaansvoorwaarden van een community op.Onder invloed van het technologische en wetenschappelijke wereldbeeld is directepersoonlijke communicatie (dramatic rehearsal) ondergeschikt gemaakt aan symbolische,indirecte vormen van communicatie (technical rehearsal). De onderwaardering en hetontbreken van de training in dramatic rehearsal remt de groei en ontwikkeling in een groep.De aanwezigheid van directe persoonlijke vormen van communicatie, draagt bij aan hetbegrip en de kennis over de bestaansvoorwaarden van menselijk handelen in een community.3.4. Leerniveau 3: Het collectieve leerniveau in The Great CommunityDewey definieert de Great Community als volgt: ‘a society in which the ever-expanding and intricately ramifying consequences of associated activities shall be known in the full sense of that word, so that an organized, articulate Public comes into being.’ 38Dewey spreekt hier over een ander niveau van esthetisch en moreel bewustzijn. De GreatCommunity kan bestaan als iedere deelnemer deel heeft in de realisatie van het goede, en deimplicaties daarvan, en zich inzet om dit gedeelde goede te behouden.39 Dit idee vandemocratie is rijker, breder en voller dan kan worden neergezet in een land of staat. Om ditidee van democratie werkelijk neer te zetten vindt Dewey het noodzakelijk dat alle manierenvan menselijke associatie er in worden betrokken. Hij noemt het gezin, familie, de school,industrie en religie. Politieke organisatie en instituties kunnen volgens Dewey op geen enkelewijze de onderliggende sociale en morele aspiraties dekken. 40 De vele publieken hebben geleid tot een moderne Great Society. The Great Societybestaat volgens Dewey uit te veel publieken en te veel publieke zorgen om aan te kunnen. Depublieken in de Great Society overvallen en desintegreren gedeeltelijk de kleine communitiesvan weleer, zonder een Great Community tot stand te brengen. Dit is het stadium waarin depublieken zich afsluiten voor elkaar. (eclipse). Alleen directe communicatie kan de doorbraaknaar een Great Community creeëren.41 Dewey beschrijft drie niveaus waardoor een GreatSociety een Great community kan worden: 1.De individuele conditie bestaat uit het verantwoordelijk deel hebben aan de groep, op basis van individuele capaciteiten. Het individu kan het goede leven leiden, door actief onderdeel te zijn van verschillende groepen in de samenleving die hem of haar verrijken en de groep richting geeft en verrijkt door participatie, associatie en het onderhouden van relaties. 2. Het perspectief van de groep vraagt bevrijding van het potentieel van de deelnemers in harmonie met de gemeenschappelijke belangen en goederen door middel van directe communicatie. 3.In het collectief van de Great Community heerst ‘de idee’ van democratie zelf en er is een vrij proces van geven en nemen zodat complete heelheid van persoonlijke38 John Dewey, The Public and its Problems p.18439 John Dewey The Public and its Problems p 14940 John Dewey, The Public and its Problems p.14441 Dewey, The Public and its Problems p. 127 en p 142 18
  19. 19. authenticiteit bereikt kan worden. Vraag en aanbod van de verschillende groepen versterken elkaar waardoor gedeelde waarden worden bevestigd. 42Volgens Dewey worden het individu, de groep en het collectief bepaald door het educatievedoel van social efficiency: ’ cultivation of power to join freely and fully in shared or commonactivities.’ 43 Nature, men en things voorzien volgens Dewey in het educatieve doel als zegelijkwaardig functioneren als een consistent geheel der delen in een vrij proces van geven ennemen. Alleen als de drie bronnen (natuur, menselijke competenties en (technologische)objecten) voor het zelfde einddoel worden ingezet, brengt dit de mens tot zijn werkelijkedoel. 44 We kunnen over de natuur zeggen dat ze de condities van educatieve efficientie biedt,omdat we als we deze condities leren kennen en onze praktijken er op af stemmen, effectieffunctioneren. De natuur gaat over de natuurlijke manier waarop een organisme functioneert. Deweykenmerkt social efficiency als als educatief doel van cultiverende kracht: een in vrijheidsamenkomen van volledig gedeelde of gemeenschappelijke aktiviteiten. Door op een vrijemanier volledig deel te nemen aan aktiviteiten met anderen in de groep, is het mogelijk hetperspectief van de ander(en) te beleven. Dan ontstaat begrip van natuur, mensen en dingendie je anders niet had leren kennen of waarvan je niet had geweten. Dewey gebruikt twee betekenissen van het begrip democratie. De democratie alsgeassocieerde samenlevingsvorm is gericht op het ontdekken van gezamenlijke belangenbinnen een groep en bereikt dit door communicatie over en weer en samenwerking met anderegroepen.45 Democratie als ‘het idee van gemeenschap zelf’ bestaat uit een gedeeld conceptvan het goede. De eerste voorwaarde waaraan een Great Community moet voldoen is het voorzien inde bestaande noden van een samenleving. Dewey wijst de gangbare redenering af, datpolitieke instituties het gevolg zouden zijn van politieke ideeen. Op die manier krijgenpolitieke ideeën in een samenleving een te grote rol. Techniek zorgde er voor, dat er eenverandering optrad in de vorming van gewoonten en gebruiken die mensen met elkaarverbinden. Dat heeft niets te maken met doctrines of indoctrinaties stelt Dewey, want het iseen mechanisme.46 Achter de vorming van politieke instituties ligt als drijvende kracht aan debestaande noden in een samenleving te voldoen. 47 In de Great Community is een bepaaldegevoeligheid (effective sense of exellence) aanwezig om de bestaande noden van eensamenleving te (h)erkennen en in concrete oplossingen te vertalen. De tweede voorwaarde is het proces van volledige intersubjectieve communicatie inalle geledingen van een samenleving. Het individu maakt verantwoordelijk onderdeel uit vande groep. De groep garandeert individuele vrijheid voor zover de gemeenschappelijkebelangen en interesses gerespecteerd worden. Omdat een individu nooit deel uit maakt vaneen enkele groep maar van meerdere groepen, is het noodzakelijk dat flexibele communicatieover en weer met andere groepen plaatsvindt. De essentie van het collectieve perspectief isvolgens Dewey: het vrije proces van geven en nemen. Complete individuen kunnen zichontwikkelen in de groep of als deel van het collectief, als de verschillende groepen elkaaronderling versterken en in waarde bevestigen. 48 In deze opvatting ligt de basis van het ideevan de Great Community, het gecontempleerde idee van uiterste perfectie, bevrijd van42 Dewey Public and its Problems p.14843 Dewey Democracy and Education p. 9744 Dewey Democracy and Education p. 89-96 Dewey baseert zich op Rousseaus drie bronnen van educatie.45 Louis Logister, John Dewey, Een inleiding tot zijn filosofie p.9046 John Dewey, The Public and its Problems p.14447 John Dewey, The public and its problems p.14548 John Dewey, The public and its problems p. 148 19
  20. 20. beperkingen en verstoringen. Alleen het bewustzijn van dit idee van een goed en rechtvaardiggemeenschapsleven, dat vanuit verschillende standpunten en in al zijn implicaties wordtgeleefd, constitueert het idee van democratie. Intersubjectieve communicatie moet enerzijdsvoldoen als instrumenteel communicatiemiddel en anderszijds de waarden in een samenlevingonderling versterken door bevestiging en verbinding. In de Great Community is een completevorm van communicatie waarin bevestiging van relatieve waarden als intersubjectief procesplaatsvindt. De daadwerkelijke realisatie van de Great Community wordt gedragen door de derdevoorwaarde: het idee van democratie. Het idee van democratie kent een noodzakelijkebeperking, omdat we het geheel niet kunnen bevatten en slechts vanuit de constituerendeelementen kunnen opbouwen. Zodra de focus op een los element zoals vrijheid, gelijkheid ofbroederschap komt te liggen ontstaat het gevaar dat het loszingt uit de compleetheid, weg vande associatie met het geheel als bestaansvoorwaarde. Dewey illustreert deze valkuil met hetvoorbeeld van individuele vrijheid: “Liberty is that secure release and fulfillment of personal potentialities which take place only in rich and manifold association with others” 49Als persoonlijke vrijheid wordt ingevuld als individueel eigendomsrecht, zonder de erkenningvan de bestaansvoorwaarde zoals die vast wordt gelegd in intermenselijke relaties, verliest hetaan eigen potentie. De rol van communicatie kan zowel instrumenteel als consummatoir zijn.Het is een instrumenteel middel dat samenwerking, dominantie en structuur tot stand kanbrengen. 50 Communicatie kan ook een doel in zichzelf zijn. Dewey noemt voorbeelden alspoëzie en rituele verhalen waarbij communicatiemiddelen consummatoir (consummatory)zijn. 51 De consummatoire communicatieve ervaring staat bij Dewey voor een wederzijdserelatie tussen emotie en denken die een vorm van volmaaktheid oplevert, waarin de wereldzich naar ons toe opent en betekenis en waarde openbaart.52 De meerwaarde vancommunicatie is de waarde die het toevoegt aan een collectief doordat gedeelde kostbarewaarden er in worden uitgedrukt, bestendigd en zich tegelijk verbinden alsgemeenschapszin. 53 Zodra je instrumentaliteit en consummatie opsplitst en taal als causaalgeïsoleerd communicatiemiddel gebruikt wordt, raak je beperkt in de mogelijkheid omcollectieve waarden te bouwen. Als beide functies naast elkaar bestaan en voortdurendworden getoetst en afgestemd op de contextuele ervaring ontstaat er in de gemeenschap eenintelligent proces dat wordt beloond met respect, affectie en loyaliteit onder de deelnemers.54Dit is de drijvende kracht die een gemeenschapsleven opbouwt en omhoog duwt.Consummatoire communicatie leidt tot een beter gedeeld begrip van ‘de idee’ van democratie.In de Great Community is begrip van ‘de gedeelde idee’ van democratie onder de deelnemerswaardoor intrinsieke doelen kunnen worden gevolgd. Dit idee van democratie wordtgedragen door het individuele recht van vrijheid als verantwoordelijkheid in eengeassocieerde vorm van samenleven.De consequentie van alle vier ingevulde condities is een Great Community waarin eenontwikkelde samenleving door ‘op de manier’ van de natuur te communiceren effectief ensuccesvol in haar (morele) noden voorziet. Als wordt voldaan aan alle genoemde49 John Dewey, The public and its problems p.15050 John Dewey, Education & Nature p. 20251 John Dewey, Education & Nature p. 20352 Louis Logister, John Dewey Een inleiding tot zijn filosofie, p.13553 John Dewey, Education & Nature p. 20554 John Dewey, Education & Nature p. 205 20
  21. 21. voorwaarden is het hoogste stadium van ontwikkeling van de publieken in de Great Societygetransformeerd tot een geintegreerd geheel van democratische mondiale structuren.55 John Dewey geeft inzicht in het succesvolle aanpassingsmechanisme van de mens alslerend organisme. De mens die actief participeert en leert in verbinding met anderen in zijnomgeving, levert een bijdrage aan collectieve intrinsieke waarden. Met dit inzicht kunnen wein het volgende hoofdstuk het C2C concept verhelderen en verdiepen.Dewey beschrijft het leerproces vanuit drie lerende perspectieven. Het individuele leerprocesis een persoonlijke interactieve ervaring die getraind kan worden als effective sense ofexellence. In het groepsleerproces ontvouwt zich een verscheidenheid van uitersten, diebewustzijnsprocesse n over de manier waarop mensen zich verhouden tot elkaar, de natuur ende dingen in gang zet. Het collectieve leerproces wordt in gang gezet als ‘de idee’achtermenselijke relatieve waarden op een oordeelsvrije manier gecommuniceerd wordt in en tussende groepen. Deze punten nemen we mee in de analyse van C2C in hoofdstuk vier. Uit bovenstaande concluderen we dat de Natuur, de mensen en de dingen slechts inverbinding met elkaar en in evenwichtige samenhang volledig kunnen groeien. Wanneermensen en dingen in tegenstelling of niet geheel in overeenstemming met de natuurfunctioneren, belemmert dit de mens als lerend mechanisme. Dewey laat met het mechanisme van social efficiency zien dat natuurlijke individuelecompetenties beperkingen kennen, die juist door intersubjectieve leerervaringen en ininteractie met de (technische) toepassingen van de dingen om ons heen ontwikkeling tot standbrengen. Dewey leert ons ook dat de natuur signaleert. De mens die volgens de ‘manier’ van denatuur leeft, kan natuurlijke signalen van weerstand omzetten in consequenties voor handelen.Als leden in een groep het signaal mechanisch opvatten, ondervinden zij weerstanden(lijdzaam) passief en sluit de groep zich af voor vernieuwing. Als de groep op deconsequenties van de weerstand reflecteert, voltrekt zich een verandering in de dynamiek vande groep, die bekrachtigd en bestendigd wordt. De groep wint aanpassingsvermogen en breidtkennis uit door zich open te stellen.Hoofdstuk 4. Dewey en C2CIn het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat het leerproces kan worden opgesplitst in drieniveaus. We gaan nu voor elk niveau onderzoeken wat de verschillen en overeenkomsten zijntussen Dewey en C2C. De hoofdvraag van deze scriptie is immers: Op welke manier kunnende inzichten van John Dewey helpen het C2C gedachtengoed verder uit te werken ensuccesvol te maken?Hoofdstuk 4.1. C2C en Deweys individuele leerprocesBraungart en McDonough proberen een omvattend idee van mens, samenleving in relatie metde Natuur te formuleren. Ze omschrijven dit als een gevoel voor permanentie engemeenschap, dat aanmoedigt en kan leiden tot beter begrip en bewustzijn van de natuur.(p.7)Het werkzame mechanisme is het morele appèl op de mens als geestelijk doel in zich zelf en55 Louis Logister, John Dewey, Een inleiding tot zijn filosofie (p.85) Logister beschrijft drie stadia in deontwikkeling van Deweys publics. Ht eerste stadium is dat van het potentieel publiek dat indirecte consequentiesvan handelen van anderen ondergaat. Het tweede stadium van het onrijpe publiek (of vele onrijpe publieken inde Great Society ) is zich bewust van deze consequenties maar nog niet in staat om deze op een bevredigendewijze te reguleren of te beheersen. Het derde stadium tenslotte is het publiek dat wel rationeel reguleert en rijp isom te transformeren naar de Great Community. 21
  22. 22. op de mens als natuurlijk doel. Braungart en McDonough doen een beroep op het morelegevoel van de mens door de scheiding tussen menselijke geest (als cultuur) en materie(natuur) weg te nemen. Zij formuleren ethisch bewustzijn als de acceptatie van onzerechtmatige plek in de wereld door middel van een houding van bescheidenheid.(p.7)Braungart en McDonough erkennen dat er een continu communicatie proces ten grondslagligt aan de C2C methode. Ze geven niet precies aan hoe dit proces de kennis over het eigenfunctioneren vergroot. Met het begrip ‘ecologische gevoeligheid’ proberen de auteurs, dedeelnemers tot een individueel zelflerend vermogen te verleiden. Ze wijzen de deelnemers opdeze manier op het potentieel dat men in zich zelf kan aanboren. Dewey leert ons dat de motor van ontwikkeling het lerende individu is, dat zowel inverbinding met zich zelf als in voortdurende verbinding met de omgeving is. Door actieveparticipatie van het individu in afstemming met zijn omgeving en door middel van hetmedium van imagination, onstaat een effective sense of excellence. De speelse, alertenieuwsgierige gevoeligheid die optreedt als relatie tussen emotie en denken is consummatorycommunication. Een directe persoonlijke communicatievorm, waarmee we een essentiëlegevoeligheid ten opzichte van de omgeving aanleren. Volgens Dewey is de kracht van fouten maken in het leerproces: eigen grenzenopzoeken en leren ontdekken. Na verwarring ontstaan ruwe standaarden die door blijvendeoefening worden geperfectioneerd.(p.13) Volgens Braungart en McDonough levert het lerenvan vorige fouten het inzicht op dat consequenties niet buiten de handeling of locale contextmogen worden geplaatst, maar meegenomen moeten worden in het materiële ontwerp.ConclusieDewey omschrijft het individuele leerproces in de eerste plaats als een directe, persoonlijkeervaring. Deze directe ervaring vindt uitsluitend plaats in ‘dramatic rehearsal’. ‘Dramaticrehearsal’ brengt een krachtige emotionele reactie op gang, die het startpunt vormt voorindividueel leren. Dewey benadrukt daarmee het belang van de emotionele kant van demenselijke ervaring voor individueel leren. Zonder emoties is er geen sprake van ‘volledigeverbinding’ met het onderwerp van de ervaring en kan er niet werkelijk geleerd worden.In de C2C benadering streeft men naar het prikkelen van de ’ecologische gevoeligheid’ vangebruikers of consumenten. Hiermee bedoelt men dat C2C artefacten een emotionele reactieteweeg brengen, die leiden tot ecologisch bewustzijn. Men wil het ecologisch bewustzijn vanmensen vergroten of verdiepen door middel van het ontwerp van het product. Dit lijkt sterk opDeweys ’dramatic rehearsal’. C2C wil producten ontwikkelen die een emotionele reactielosmaken bij de gebruikers, met als doel om de verbinding met de Natuur te ervaren. C2C isdus gericht op het door mij in deze scriptie genoemde ‘individuele leerniveau’.Hoofdstuk 4.2. C2C en het groepsleerproces van DeweyDewey verstaat onder ‘community’ een gemeenschap waarin lerende wezens een cruciale rolvervullen in de natuurlijke ontwikkeling van persoonlijke relaties binnen de groep. Het doelvan de ‘community’ is ‘social efficiency’. Hieronder verstaat Dewey een vrij proces vangeven en nemen, terwijl de deelnemers volledig deelnemen aan aktiviteiten met anderen in degroep. Hierdoor is het mogelijk het perspectief van de ander(en) te beleven. Er ontstaatbegrip van natuur, mensen en dingen die men anders niet had leren kennen of waarvan menniet had geweten. 22
  23. 23. De C2C ‘community’ bestaat uit een groep van kennis-experts en ervaringsdeskundigen uithet bedrijfsleven en andere betrokken organisaties. De deelnemers wisselen ‘ecologischegevoelige’ ervaringen met elkaar uit. Kennis delen door middel van langdurige directe enopen communicatie tussen collega’s, managers, producenten en eindgebruiker vatten zij op alseen coöperatieve manier van samenwerken. C2C handelingspraktijken worden volledigbetrokken bij het interactieve wederzijdse groeiproces tussen deskundigen en deelnemers. Erwordt samengewerkt aan gemeenschappelijke doelen. In het groepsproces leren alledeelnemers van elkaar door de ruimte te gunnen voor ieders standpunt, zodat een product in alzijn aspecten tot ontwikkeling kan komen. C2C verbindt via een model; de mens (People), denatuur (Planet) en technologische middelen (Profit), in een gelijkwaardig interactief duurzaamnetwerk van relaties. De deelnemers kunnen zowel een lokaal als een mondiaal standpuntinnemen. C2C wil op deze manier zowel de belangen van de Natuur als van mens en bedrijfbehartigen tijdens het ontwikkelingsproces van een product. C2C doet een poging deze krachtte beschrijven als een ecologische gevoeligheid bij de mens die onderhouden moet worden. C2C claimt de zorg voor intra- en intergenerationele relaties, doorverantwoordelijkheid te nemen voor iedere energie aanslag, hoe klein ook, in zowel demateriële als de spirituele dimensie.(p. 9) De motor van zelfreflectie is de esthetische ervaringvan verwondering, die oproept tot voortdurende verbetering en vernieuwing.(p.10) Dewey leert ons dat de aanwezigheid van lerende wezens in een groep een stimulansis voor affectie en verzorging. Volgens Dewey zijn lerende wezens de motor van moreleontwikkeling. Tegenover passief routinegedrag staat actief gewoontegedrag. Het heeft eendynamisch, inventief en stimulerend karakter van capaciteiten toepassen op nieuwe doelen enactiveert het verlangen naar groei.56 Social Efficiency: ‘the cultivation of power to join freelyand fully in shared or common activities’’(p.17) is volgens Dewey de noodzakelijkevoorwaarde om te voldoen aan de natuurlijke noden en gebreken die leven in eensamenleving. Dit kan door de drie gelijkwaardige bronnen (natuur, mens en - technologische -objecten) voor hetzelfde gemeenschappelijke en gedeelde einddoel in te zetten. Dat brengt demens tot zijn werkelijke intrinsieke doel: het ethische proces van het leven dat boven hetgroepsperspectief uitstijgt.ConclusieDewey beschrijft de aanwezigheid van lerende wezens in een groep als cruciaal element vanontwikkeling. Leren is een vrij proces van geven en nemen, met een gemeenschappelijkeducatief doel. De aanwezigheid van kinderen, scholieren of studenten in deexperimementele omgeving van de groep, stimuleert de emotionele ontwikkeling. Dit is debasis voor een lerende dynamiek in de groep. Dewey benadrukt dat een voortdurend beroepop de emotionele ervaring het verlangen naar groei garandeert.Volgens C2C is er binnen de groep ‘ecologische gevoeligheid’ nodig. Er vormt zich eendemocratisch, lerend netwerk van directe en open relaties tussen alle deelnemers. C2Cbeschouwt de emotionele natuurlijke verwondering van de esthetische ervaring, als de krachtdie de samenwerking in de groep versterkt. Het mechanisme dat Dewey beschrijft, gaat over dezelfde functie. Dewey erkent het ‘lerende wezen of de essentie’ van de mens alsde continue drijvende factor van groei en bewustzijn. C2C wil de kracht van ‘ecologischegevoeligheid’ inzetten als motor van zelflerend vermogen. Dewey leert ons dat de basis diehieronder ligt ‘het lerende wezen’ van de mens is. In een ’community’ van volwassenen enkinderen kan het in al zijn aspecten tot ontwikkeling komen.56 Dewey Democracy & Education p. 44 23
  24. 24. Hoofdstuk 4.3. C2C en Deweys collectieve leerprocesC2C streeft naar een mondiale verspreide zelflerende organisatie die in staat is zich aan tepassen door het vermogen kennis te verwerven van de voortdurend veranderende wereld.Mensen idealiseren door de kracht van verbeelding (p.8) De enige manier om dit ideale beeldte doorbreken is door de bereidheid om discussie over eigen overlevingsvoorwaarden aan tegaan. Braungart en McDonough claimen, dat variatie en diversiteit noodzakelijk gevierd enbenut moeten worden, met de Natuur als mentor en rolmodel.(p.8) C2C heeft geen duidelijk antwoord op de vraag hoe deze ideale samenleving tot standkan worden gebracht en welke menselijke mechanismen hierbij nadrukkelijk een rol spelen. Dewey leert ons, dat instrumentele en consummatoire communicatie naast elkaarmoeten bestaan en voortdurend worden getoetst en afgestemd op de contextuele ervaring.Hierdoor ontstaat er in de gemeenschap een intelligent proces, dat wordt beloond met respect,affectie en loyaliteit onder de deelnemers.(p.19) Dewey beschrijft dit interactieve proces alseen motorkracht die gemeenschapsleven opbouwt en omhoog duwt naar een GreatCommunity. Instrumentele communicatie functioneert als basisstructuur van informatie-uitwisseling. Het consummatoire aspect van communicatie verschaft betekenis aan relaties enwerkt emancipatoir. Van Dewey leren we dat directe communicatie van ‘de idee’ van een C2C communityof democratie noodzakelijk is. Een pluriforme samenleving van vele publieken wordtgesmeed tot een Great Community, door volgens ‘de manier van de natuur’ te leven. Doorinspiratie en aspiratie van het emotionele leven te verbinden met het denken, ontstaat er in desamenleving een duwkracht die leidt tot het goede leven. Om de idee van democratie werkelijk neer te zetten stelt Dewey als noodzakelijkevoorwaarde, dat alle manieren van menselijke associatie op elkaar worden afgestemd. Hijnoemt het gezin, familie school, industrie en religie. Dewey leert ons dat de politiekeinstituties op geen enkele wijze de onderliggende sociale en morele aspiraties dekken, omdatze niet kunnen voldoen aan de eis van voortdurend meeveranderen. Democratie is een procesvan voortdurende verandering. (p17) Dewey leert ons dat ‘de idee’ van democratienoodzakelijk is om een voller, rijker en breder idee van land of staat neer te zetten.(GreatCommunity) De kracht achter de vorming van instituties, stelt Dewey, is de doelstelling om tevoldoen aan de bestaande noden die in een samenleving te intens zijn geworden om te kunnennegeren.(p.18) Via ‘dramatic rehearsal’ en de aanwezigheid van kinderen, scholieren, stagiaires ofstudenten in ‘communities’, ontwikkelen mensen persoonlijke waarden. Waarden verbindendeelnemers binnen de groep omdat ze voortdurend op elkaar afgestemd en bestendigdworden. Door middel van individuele weerstanden leren individuen te reflecteren op de eigenwaarden. Ze leren deze af te stemmen op collectieve waarden. Er ontstaat in de dynamiek vanverschillende groepen een proces waarin intrinsieke waarde zich ontvouwt. Er wordt op eennatuurlijke manier aan de bestaande noden in een maatschappij voldaan.ConclusieDewey beschrijft het collectieve leerproces als een maatschappelijk proces. In verschillende‘communities’ leren mensen individuele waarden als middel voor een hoger doel vancollectieve waarde in te zetten. Via natuurlijke ‘weerstanden’(dramatic rehearsal) kunnenmensen zich trainen in het herkennen van persoonlijke waarden en deze afstemmen opuniversele intrinsieke waarden, zonder daarbij het gevoel te hebben iets in te moeten leveren.Dewey brengt dit ‘aanboren’ van persoonlijke individuele waarden terug tot de kern van elkontwikkelingsproces. Door de persoonlijk ervaren waarden ten dienste van het collectief in tezetten onstaat de ervaring van intrinsieke waarde. Deze waarde is universeel en voortdurend 24
  25. 25. in ontwikkeling zoals het leven zelf en beantwoordt daarom aan de bestaande noden die in eenmaatschappij leven op ieder moment.C2C streeft naar gelijkwaardige relaties tussen Natuur (Planet) Mens (People) enTechnologische middelen (Profit). Braungart en McDonough willen hiermee respect opeisenvoor alle onderdelen van de Natuur, inclusief de dieren, planten, de dingen en de mensen diegeen woordvoerders hebben. Door op basis van het model van de technologische enbiologische kringloop te produceren en consumeren probeert C2C dit respect te waarborgenvoor alle onderdelen van de Natuur. Dit komt overeen met Deweys idee van een ‘GreatCommunity’, waarin de deelnemers in staat zijn persoonlijke verlangens om te zetten inindividuele waarden en deze beschikbaar te stellen ten dienste van collectievemaatschappelijke doelen. C2C is evenals Dewey gericht op ontwikkeling van intrinsiekewaarden. C2C kan dit bereiken door haar model aan te bieden en toe te passen op een speelsemanier in schoolklassen, in afdelingen of teams van bedrijven en dienstverlenendeorganisaties, in jeugdgroepen, in kerken en besturen, in groepen in opvangtehuizen, insportclubs en zorginstellingen etc..De drie leerniveaus die we bij Dewey hebben onderscheiden sluiten aan op dehandelingspraktijken van C2C. We hebben in deze analyse aangetoond dat het C2C conceptalle niveaus van leren dekt.Hoofdstuk 4.4. ConclusieWe kunnen concluderen dat C2C alle niveaus van leren, die we bij Dewey hebben gevondentoepast. Zowel op het individuele niveau, binnen de C2C ‘community’ en op maatschappelijkniveau slaagt C2C er in een concept van leren in praktijk te brengen en te onderhouden.Van Dewey hebben we geleerd dat C2C een model is, dat bij uitstek geschikt is als lerendmechanisme in een ‘community’. In de technologische samenleving kan C2C de lans breken,omdat deze benadering de ’emotionele ervaring’ een passende plaats in het leer- enontwikkelingsproces geeft. C2C opereert vanuit persoonlijk betrokken en kleinschaligegroepen en in een open, vrije en experimentele ruimte met onder andere ondernemers,managers, producenten en eindgebruikers. Door telkens nieuwe ‘communities’ te betrekkenbij het C2C leerproces ontstaat een zelflerende dynamiek, die beantwoordt aan de bestaandebehoeften die leven in de de maatschappij, zoals duurzame energie, biologische enstreekproducten, een natuurlijke lifestyle, eerlijke (fair-trade) handel en gezondehulpmiddelen die geproduceerd en geconsumeerd worden met respect voor mens, natuur entechnologie. Voor Dewey is leren het menselijke mechanisme en middel om intrinsieke doelen tebereiken. C2C beschouwt de Natuur als rolmodel en C2C als leermethode waarmee de menszich zelf en alle andere deelnemers in de Natuur een ‘rechtmatige plek’ terug kan geven.Braungart en McDonough profileren het C2C concept als een materiële methode, die eenbijdrage levert aan een betere wereld. Het idee van de C2C filosofie is hiermee nog nietvolledig dekkend gecommuniceerd, want C2C is meer dan een leermethode. De C2C methodedient een veelomvattender hoger intrinsiek doel, dat tot uiting komt in het C2C levensconcept.De C2C ’way of life’ is meer dan een ideaal. Het C2C-concept voorziet zowel in een‘natuurlijke manier’ als in het ‘intrinsieke’ doel van het goede leven. 25
  26. 26. (.)Hoofdstuk 5.1. Geraadpleegde Literatuur:Dewey John, (1916) Democracy and Education, Merchants books. La Vergne USADewey John, (1929) Experience and Nature, Dover Publications, Inc. New YorkDewey John, (1927) Public and its problems, Swallow Press, Ohio University Press, AthensGeldermans R.J., Cradle-to-Cradibility; two material cycles and the challenges of closedloops in construction. MSc Industrial Ecology afstudeeronderzoek 2009/2010 – TU DelftLouis Logister, (2005) John Dewey een inleiding in zijn filosofie, Damon bv BudelFrancois Poirie en Philippe Nemo, 11 gesprekken Emmanuel Levinas aan het woordBraungart, Mcdonough, (2002) Cradle to Cradle, Remaking the way we make things, NorthPoint Press, New YorkBraungart, McDonough, (2008), Die nächtste Industrielle Revolution, die Cradle to Cradle-Community, EVA GmbHBraungart, McDonough (1992) The Hannover Principles, Design for Sustainability -- aseminal work in the field of sustainability, first outlining principles to guide the practice ofsustainable design.Jongeneel, Sophie (2009) C2C in sustainable spatial development in Greenport Venlo: a casestudyLatour, Bruno (1999) Pandora’s Hope, Essays on the reality of Science Studies, HarvardPressMulhall Douglas, Braungart Michael, (2010) Cradle tot Cradle Criteria for the builtenvironment, Duurzaam gebouwd CEO Media BV: Nunspeet NederlandWerf, van der M., (2009) Cradle to Cradle in bedrijf, Scriptum, Schiedam 26

×