Pleegvertalingen
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Pleegvertalingen

on

  • 3,230 views

Lustig J.P. (2007). Pleegvertalingen - een sociolinguïstisch en vertaalwetenschappelijk onderzoek naar negen verpleegkundige diagnostische labels

Lustig J.P. (2007). Pleegvertalingen - een sociolinguïstisch en vertaalwetenschappelijk onderzoek naar negen verpleegkundige diagnostische labels

Statistics

Views

Total Views
3,230
Views on SlideShare
3,230
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
3
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Pleegvertalingen Pleegvertalingen Document Transcript

  • Pleegvertalingen Een sociolinguïstisch envertaalwetenschappelijk onderzoek naar negen verpleegkundige diagnoselabels Doctoraalscriptie Studierichting: Algemene Letteren (Taal- en cultuurstudies) Specialisaties: Sociolinguïstiek en Vertalen J.P. Lustig Studentnummer: 9016554 Scriptiebegeleiding (1996) Mw. dr. J.W.M. Hulst Vakgroep Romaanse talen en culturen en (2007) Prof. dr. A.B.M. Naaijkens Hoogleraar Duitse letterkunde en vertaalwetenschap
  • InhoudsopgaveInleiding ............................................................................................................ 11 ONTWIKKELINGEN IN DE VERPLEEGKUNDE; TAAL EN VAKTAAL ...... 41.1 Noot vooraf ........................................................................................... 41.2. Verpleegkundige diagnostiek .................................................................... 41.2.1 Wat is een verpleegkundige diagnose? ....................................................... 41.2.2 Het verpleegkundige beroep ..................................................................... 61.3 Nieuwe taal in de maak; talige kanten van professionalisering ...................... 71.3.1 Verpleegkundigen en taal ......................................................................... 71.3.2 Verpleegkundige denkscholen en taal ....................................................... 81.3.3 (Ver)taalgruwelen en andere problemen .................................................... 9 Discussies rond de verpleegkundige diagnostiek1.3.4 Vertaalslag ........................................................................................... 11 Werkvertalingen Context - onderlinge systematiek Cultuurverschillen – doeltekstgericht vertalen Verpleegkundige visie Interpretatie verpleegkundige diagnose in verpleegkundig proces Professionalisering Relatie met de algemene taal – mondeling taalgebruik Signaalfunctie Voorzichtig vertalen Namen en begrippen – naam geven1.3.5 Van spraakverwarring naar standaardisering............................................. 191.3.6 Visies op (vak)taal ................................................................................. 212 OPERATIONALISERING VAN HET ONDERZOEK ................................ 252.1 Vragen, vragen en nog eens vragen ........................................................ 252.1.1 Vraag één............................................................................................. 262.1.2 Vraag twee ........................................................................................... 312.1.3 Vraag drie ............................................................................................ 322.2 Opzet van de enquête ............................................................................ 362.3 Verwachtingen ...................................................................................... 382.4 Werkwijze............................................................................................. 393 ANTWOORDEN EN NIEUWE VRAGEN ................................................ 423.1 Inleiding ............................................................................................... 423.2 Statistische aanpak ................................................................................ 423.2.1 Respons ............................................................................................... 433.2.2 Afhankelijke/onafhankelijke/moderatorvariabelen ...................................... 443.2.3 Nominaal/ordinaal.................................................................................. 453.2.4 Weging ................................................................................................. 453.2.5 Statistische berekeningen ....................................................................... 47 Chikwadraattoetsen3.3 Uitslagen eerste en derde onderzoeksvraag .............................................. 483.3.1 Label 1; high risk for fluid volume deficit .................................................. 503.3.2 Label 2; impaired adjustment .................................................................. 513.3.3 Label 3; impaired physical mobility .......................................................... 513.3.4 Label 4; altered nutrition: less than body requirements .............................. 523.3.5 Label 5; altered health maintenance (specify) ........................................... 533.3.6 Label 6; altered thought processes .......................................................... 543.3.7 Label 7; impaired social interaction .......................................................... 553.3.8 Label 8; ineffective airway clearance ........................................................ 563.3.9 Label 9; self-care deficit: bathing/hygiene ................................................ 573.4 Labeloverstijgende verbanden tussen de redenen en overige variabelen ...... 57 Speciale berekeningen met nieuwe inzichten3.5 Uitslagen tweede onderzoeksvraag .......................................................... 64
  • 3.6 Achteraf gezien .................................................................................... 653.7 Verwachtingen getoetst ......................................................................... 663.8 Skopos, vertalen, EBK en ICIDH ................................................................. 674 EEN SPRONG IN DE TIJD; 1996-2007 .............................................. 694.1 Inleiding ............................................................................................... 694.2 NANDA-vertalingen sinds 1996 .................................................................. 694.3 NANDA of ICF; vakintern of multidisciplinair? ............................................... 734.4 Over 11 jaar ......................................................................................... 76Literatuur .......................................................................................................... 78Bijlagen .......................................................................................................... 84
  • VoorwoordDeze scriptie was voor mij een grote uitdaging, vanwege de omvang van het onderzoek en ook omdat ikuitging van een praktijksituatie in de hoop een maatschappelijke relevante scriptie te kunnen produceren.Toen ik in 1996 aan dit (voor een scriptie) omvangrijke onderzoek begon, verwachtte ik het, alsgeroutineerde werkstukschrijvende student, binnen enkele maanden te kunnen afronden. Doordat mijnomstandigheden daarna ingrijpend veranderden, leek de omvang van het onderzoek mijn afstuderennoodlottig te worden. Het voltooien van de scriptie was niet meer zo eenvoudig. Ik moet toegeven dat ik mij tijdens mijn studie een romantisch beeld had gevormd van hetschrijven van mijn afstudeeronderzoek. De werkelijkheid was iets anders. Ik heb met veleonderbrekingen jarenlang aan deze scriptie gewerkt, in de meest uiteenlopende omstandigheden enlocaties en op de gekste tijden van de dag (en nacht). Soms leek het of er een vloek op het hele projectrustte: iedere keer als ik weer begon, gebeurde er iets waardoor ik mijn werk weer moest onderbreken.Dat de scriptie ooit zou worden voltooid was iets wat voor mij echter als een paal boven water stond.Niet alleen omdat ik mijn studie wilde afronden, maar ook omdat zo velen belangeloos hun medewerkingaan het onderzoek hadden gegeven. Om te beginnen was dat Monique Dontis (toen Rietveld) die mij in 1996 wegwijs heeft gemaaktin de programmatuur van de SPSS software om de statistische berekeningen te kunnen uitvoeren. Zijheeft ook avonden opgeofferd om samen met mij op de afdeling Psychometrie van de Universiteit Utrechtde gegevens in te voeren. Hugo Quené (Universiteit Utrecht, Fonetiek) ben ik dankbaar voor zijnbelangstelling en de bevestiging dat de statistische opzet van het onderzoek juist was. Giovanna van IJzendoorn (verpleegkundige GGD, Tiel) en Herman Niekerk (voormaligverpleegkundige Eemland Ziekenhuis Amersfoort en maatschappelijk werker) hebben alsproefrespondenten de eerste versie van de enquête geduldig doorlopen en waardevolle opmerkingengemaakt waardoor de enquête kon worden geperfectioneerd. Herman heeft mij daarna in contactgebracht met de heer Fons de Jonge van het Eemland Ziekenhuis te Amersfoort voor de verspreiding opdie locatie. Ik dank Fons de Jonge voor zijn enthousiasme en de moeite die hij heeft genomen deenquête te verspreiden over de verschillende locaties van het ziekenhuis. Gabriel Roodbol heeft mij dejuiste ingang gewezen in het Radboud Ziekenhuis, in de persoon van Michel Laus, en heeft materialenbeschikbaar gesteld. In Amsterdam (AMC) kon ik rekenen op het enthousiasme van Hans Peltenburg enzijn collega’s. Zij zorgden er zelfs voor dat de enquêtes werden verspreid naar andere afdelingen. Ik ben bijzonder dankbaar dat veel verpleegkundigen ondanks hun werkdruk, de toch wat lastigeenquête hebben ingevuld. Yvonne Nieuwmans (uitgever bij Lemma/De Tijdstroom) stelde boeken over de verpleegkundigediagnostiek beschikbaar en bood als uitgever alle ondersteuning voor mijn eerste vertaling op dat gebied. Huib ten Napel van het WCC stuurde mij onderzoeksgegevens betreffende het Vooronderzoekeenduidig verpleegkundig begrippenkader van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid en elf jaar
  • later heeft hij mij in antwoord op mijn telefonische vragen een heldere toelichting gegeven op deontwikkelingen sinds die tijd. Jeanette Dickers van de HBO-V te Eindhoven ontving mij zeer gastvrij een dag lang op de HBO-V,waar ik gebruik kon maken van de bibliotheek en veel studiematerialen kon doornemen en kopiëren. Deheer Kaaijk van de HBO-V in Groningen was zo vriendelijk om vertalingen van NANDA-labels op te sturen. Claudia Gamel (UMC, Amerikaans verpleegkundige en in 1996 het enige NANDA-lid in Nederland)heeft mij telefonisch belangrijke informatie gegeven over de NANDA. Zij heeft enkele cultuurverschillentussen de Verenigde Staten en Nederland kunnen toelichten.Ik had graag gediscussieerd met Wim Seunke, verpleegkundige en vertaler, over de vertalingen van deNANDA-labels en de eerste professionele NANDA-vertaling van zijn hand. Helaas was dit door zijnplotselinge overlijden niet meer mogelijk. Ik dank mijn ‘directrice’ Majne van de Merwe en ‘collegarin’ Els van der Leer voor hun nietaflatende steun en de gelegenheid om in weekenden en avonden op kantoor aan mijn scriptie te werkenen de printer te gebruiken. Mijn man Marcel en dochters Tosca en Sophie bedank ik voor hun begrip als ik weer eens dagenof avonden in de scriptie verdween. Marcel, je hebt de zaak mooi draaiende weten te houden! Meiden,nu kunnen we eindelijk de domtoren gaan beklimmen! Jacqueline Hulst was een fijne scriptiebegeleidster. Ik heb haar in 1996 zwaar belast met mijnvele schrijfsels over de opzet en mijn voorgenomen werkwijze. Zij ontving 1001 ideeën, maar bleef mijaltijd inspireren en stimuleren. Na ieder gesprek zag het project er overzichtelijker uit. Na de uitvoeringvan het onderzoek werd mijn werk aan de scriptie onderbroken. Nadat Jacqueline van baan veranderdewas Ton Naaijkens, ondanks dat hij inmiddels professor was geworden, bereid om mijn scriptie na tekijken en te beoordelen. Ik weet hoe druk hij het heeft en ik ben hem daarvoor zéér dankbaar. Jarenlangheb ik hem ongeveer om de zes maanden moeten mailen dat de scriptie nog niet af was, maar hij bleefin vriendelijke afwachting van mijn werk. Deze scriptie is opgedragen aan mijn vader (gepensioneerd ambulanceverpleegkundige) en mijnmoeder (tot haar dood in 1986 verpleegkundige in een bejaardentehuis). Hanneke Lustig, Utrecht juli 2007
  • Lijst van figuren en tabellenFiguur 1.1 Voorbeeld van een verpleegkundige diagnose ................................................. 5Figuur 1.2 Vertaling van Self-Care Deficit: Bathing/Hygiene ........................................... 12Tabel 2.1 Overzicht geselecteerde labels met gevonden vertalingen............................... 29Tabel 2.2 Bevraagde redenen in de enquête met achterliggend thema ........................... 31Tabel 2.3 Variabelen statistisch onderzoek in relatie tot enquêtevraag (tussen haakjes) ... 35Figuur 2.4 Voorbeeld van een a-vraag ......................................................................... 36Tabel 3.1 Respons per ziekenhuis en specialisme ......................................................... 44Tabel 3.2 Voorbeeld weegmethode - eerste antwoord van label 1 ................................. 46Tabel 3.3 Gegevens alle antwoorden label 1, voor en na weging ................................... 47Tabel 3.4 Alle ‘beste’ en ‘slechtste’ formuleringen ........................................................ 64Tabel 4.1 Labels 2007 met ‘beste’ en ‘slechtste’ ........................................................... 71
  • Pleegvertalingen – InleidingInleiding ‘(...) [Language] is the most significant and colossal work that the human spirit has evolved - nothing short of a finished form of expression for all communicable experience. This form may be endlessly varied by the individual without thereby losing its distinctive contours; and it is constantly reshaping itself as is all art. Language is the most massive and inclusive art we know, a mountainous and anonymous work of unconscious generations.’ (Sapir 1921;220)Taal is fascinerend: de relatie tussen taal en werkelijkheid, taal en denken, de onontwarbareverwevenheid van taal met het menselijke functioneren in het algemeen. Dat zijn allemaalonderwerpen die mij tot de specialisatie Sociolinguïstiek - met name het onderdeel ‘socialebepaaldheid van taal’ - hebben aangetrokken. Om soortgelijke redenen heb ik voor mijn tweedespecialisatie, Vertalen, gekozen. Deze specialisatie verschafte mij een concrete ingang waardoor iksociolinguïstische (en psycholinguïstische) onderwerpen op een nieuwe manier kon bekijken.Daarnaast was er natuurlijk de creatieve uitdaging van het vertalen zelf. Sociolinguïstiek heeft nietalleen mijn specialisatie Vertalen verdiept. Het omgekeerde is zeker waar. Gezien het - in mijn ogen -afbrokkelende curriculum van de (échte) sociolinguïstiek in Utrecht, bood de specialisatie Vertalenonvermoede mogelijkheden om mij met ‘taal’ en allerlei fascinerende metatalige aspecten daarvanbezig te blijven houden, en daarnaast met heel veel meer. Vertalen werd daarmee mijn belangrijkstespecialisatie. De sociolinguïstiek neemt in deze scriptie vooral de gedaante aan van een ‘dynamischevisie op taal’, een visie waarin taal niet alleen wordt beïnvloed door sociale factoren, maar vooralsociaal is.Hiermee zijn twee van de hoofdrolspelers in deze doctoraalscriptie voorgesteld. Een derde speler inhet geheel is het fenomeen ‘vaktaal’ (ofwel LSP: Language for Specific Purposes) - de taal binnenvakgebieden, beroepen en instituties. ‘Vaktaal’ is een taalkundig onderzoeksobject, eenaandachtsgebied dat de laatste jaren steeds meer in de belangstelling is komen te staan. Binnen desociolinguïstiek wordt vaktaal echter nog niet zo lang onderzocht, zeker niet door onderzoekers dieeen dynamische visie op taal aanhangen. Tijdens mijn studie lag het accent bij de specialisatieVertalen op het vertalen van vaktalige teksten.Het verhaal van deze scriptie begint in 1996. Door stagewerkzaamheden en een vertaalopdracht die 1daarvan het gevolg was , had ik mij begeven op het gebied van een vaktaal die de laatste jaren sterkin beweging is: de taal van de verpleegkunde. Tijdens mijn stage2 bleek al dat het vertalen van deoorspronkelijk Amerikaanse terminologie van de verpleegkundige diagnostiek niet altijd zo eenvoudig1 De tweede druk van Townsend, M.C. (1998), Verpleegkundige diagnostiek in de psychiatrie; een handleiding voor het maken van een verpleegplan. Elsevier/De Tijdstroom.2 Het verlenen van vertaalkundige assistentie aan verplegingswetenschappers bij de vertaling van een Amerikaans boek over verpleegkundige diagnostiek. 1
  • Pleegvertalingen – Inleidingwas, omdat het onderwerp heel nieuw was in Nederland en omdat er nog geen geaccepteerdevertaling bestond van begrippen die op den duur toch in de praktijk toepasbaar moesten zijn. Na het lezen van enkele artikelen in verpleegkundige tijdschriften had ik al begrepen dat ‘taal’binnen de verpleegkunde als een probleem werd gezien.3 Bovendien had ik gemerkt dat er meerderevertalingen van dezelfde (Amerikaanse) verpleegkundige diagnoses in het Nederlands warenverschenen of op het punt stonden te verschijnen. Dit was een unieke situatie die maar even zouduren. Zolang er nog geen alom bekende standaardvertaling was, kon ik de receptie van die mogelijkenieuwe termen onderzoeken, door de geslaagdheid van de doeltekst, formuleringen die het resultaatzijn van vertalingen, te laten beoordelen door de sprekers van de vaktaal zelf; vooral door debelangrijkste sprekers van de vaktaal: de verpleegkundigen die hier in de praktijk ‘op de werkvloer’mee zouden kunnen gaan werken. Ik besloot die kans te grijpen en heb een enquête gemaakt. Dezeheb ik voorgelegd aan verpleegkundigen in drie ziekenhuizen, die werkzaam waren op een aantalverschillende afdelingen (zie hoofdstuk 2).Hoewel de discussie bij het vertalen van verpleegkundige vaktaal zich neigt toe te spitsen op idiomen,gaat het in deze scriptie niet in eerste instantie om terminologie. Ik heb vooral belangstelling voor degrotere consistentie binnen een (vak)taal en dan met name voor de sociaal gedeelde ‘manieren vanspreken’, het discours. Vanuit (ver)taalwetenschappelijk oogpunt vond ik het interessant om teonderzoeken hoe nieuwe (vak)taal kan worden vormgegeven (of vertaald) en of deze in een bestaanddiscours door de sprekers wordt geaccepteerd. Mijn eerste formulering van de onderzoeksvraagluidde daarom heel algemeen: hoe worden verpleegkundige diagnoselabels vertaald in hetNederlands? Welke vertaling ‘wint’ het onder mensen die thuis zijn in de ‘vaktaal van de werkvloer’?Waarom? Met andere (statistisch meer verantwoorde) woorden: is er iets te zeggen over factoren(variabelen in het onderzoek) die hierbij een rol spelen?Meer uitvergroot en opgedeeld, luidt de vraag als volgt: (1) Hoe beoordelen verpleegkundigen de verschillende vertalingen van een aantal NANDA- labels en welke redenen geven zij daarvoor? (2) Blijkt uit mijn onderzoek dat verpleegkundigen op de werkvloer de voorkeur geven aan andere vertalingen dan de meest professionele (en welke redenen geven zij daarvoor)? (3) Welk verband is er eventueel te leggen tussen het oordeel van de verpleegkundigen en buitentalige, sociolinguïstische factoren (bijv. leeftijd, functie, opleiding)?NANDA-labels zijn verpleegkundige diagnoselabels uit de Verenigde Staten die zijn geformuleerd doorde NANDA (North American Nursing Diagnosis Association). Deze worden over de hele wereldvertaald. Op het moment dat de enquête werd gehouden, was er net een vertaling verschenen die alsgeautoriseerd kan worden beschouwd (Gordon 1995a en 1995b). De meeste respondenten warenhiermee echter nog niet bekend. Het leek mij interessant om deze eerste professionele vertaling van3 Met name in: Ten Napel 1995, Van der Bruggen en Hirs 1993, Schouwstra 1994, Ten Holte 1993, Leih & Salentijn 1991 en Van de Pasch 1995a en 1995b. 2
  • Pleegvertalingen – Inleidinghet hele corpus van de verpleegkundige diagnostiek in de enquête mee te nemen en te kijken of dezeals beste uit de bus zou komen en waarom. In de enquête zijn zo veel mogelijk vragen opgenomen die betrekking hebben op buitentaligefactoren die van invloed kunnen zijn op het talige oordeel van de verpleegkundigen. Uiteraard kunnenslechts enkele van de vele factoren worden bevraagd. De operationalisering van alleonderzoeksvragen komt in hoofdstuk 2 aan bod. In het nu volgende hoofdstuk ga ik van start met het schetsen van de achtergronden op hetgebied van de verpleegkundige vaktaal en besteed ik aandacht aan het vertalen van deverpleegkundige diagnostiek. Na de operationalisering van het onderzoek in hoofdstuk 2, met daarineen uitleg van de opbouw van de enquête, volgen de resultaten en conclusies in hoofdstuk 3.Zoals gezegd, is het onderzoek 11 jaar geleden uitgevoerd. Dat gebeurde op een cruciaal moment,toen de respondenten geen van allen bekend waren met de (pas verschenen) professionele vertalingvan de labels, maar wel voldoende kennis hadden over de ontwikkelingen binnen de verpleegkundeom mijn enquêtevragen te kunnen beantwoorden. In hoofdstuk 4 zal ik een poging wagen de jaren teoverbruggen die sindsdien zijn verstreken. Ik zal kijken naar de (ver)taalkundige stand van zaken ophet gebied van de verpleegkundige diagnostiek en naar de nieuwe ontwikkelingen op het gebied vande verpleegkundige vaktaal.Achter in deze scriptie is na de literatuuropgave een groot aantal bijlagen opgenomen, waaronder deoorspronkelijke enquête, de 108 NANDA-labels die tot dan toe waren verschenen en de selectiecriteriadie hebben geleid tot een keuze van 9 labels voor het onderzoek.Ten slotte nog even dit. De sociolinguïstiek is per definitie een beschrijvende discipline. Devertaalwetenschap is dat in veel gevallen ook. Het gaat mij in deze scriptie dan ook niet om hetbeoordelen van het verpleegkundig taalgebruik of het leveren van vertaalkritiek. Evenmin is het mijnbedoeling om ‘toegepaste sociolinguïstiek’ te bedrijven en het vertalen als onderdeel van eenalgemeen sociolinguïstische opzet in de scriptie op te nemen. Vertalen is niet voorbehouden aanprofessionele vertalers. Ik beschouw vertalen desalniettemin als een vak, als een geoefende vorm vanbereflecteerd taalgebruik. In deze scriptie ligt de nadruk op het professionele vertalen, het vertalen alsvakgebied en als onderwerp van wetenschappelijke studie. Zowel in mijn studie als in deze scriptiestaan de vragen wat is taal en wat is vertalen centraal. 3
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaal Hoofdstuk 1 Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaal Ieder woord dat we kennen heeft zijn oorsprong in de ontmoeting met anderen. Geert Koefoed, Grensverschijnselen, p. 121.1 Noot voorafIn dit hoofdstuk geef ik een korte omschrijving van de ontwikkelingen binnen de verpleegkunde die in1996 geldig waren, als inleiding voor mijn onderzoek uit dat jaar. Nieuwe ontwikkelingen van na dietijd zal ik in hoofdstuk 4 beschrijven. De beschreven ontwikkelingen binnen de verpleegkunde zijnonvermijdelijk niet volledig, maar beperken zich tot wat voor mijn onderzoek van belang is.1.2 Verpleegkundige diagnostiek1.2.1 Wat is een verpleegkundige diagnose?Dat artsen diagnoses stellen behoeft geen uitleg. Dat sommige verpleegkundigen dit tegenwoordigook doen is heel wat minder bekend. Een verpleegkundige diagnose is specifiek verpleegkundig.Verpleegkundigen observeren, analyseren en interpreteren en kunnen op basis van kennis enverzamelde informatie vaststellen aan welke verpleegkundige zorg de patiënt (een persoon, maar ookevt. een gezin of groep) behoefte heeft. Op basis hiervan kan een deskundige verpleegkundige eenverpleegkundige diagnose stellen. Een verpleegkundige diagnose is niet een medische diagnose die in verpleegkundige termenis verwoord maar beschrijft ‘reacties op gezondheidsproblemen en levensprocessen’. Een meeruitgebreide (conceptuele) definitie luidt: ‘Een vaststelling van iemands feitelijke of mogelijke reactiesop gezondheidsproblemen of levensprocessen, op grond waarvan verpleegkundige zorg kan wordenverleend.’4 Wat een verpleegkundige diagnose is, wordt volgens deze definitie dus bepaald door hetberoepsdomein van de verpleegkundige.In de Verenigde Staten werken verpleegkundigen al jaren met een verpleegkundige diagnostiek dienaast de diagnostiek van artsen (en bijvoorbeeld fysiotherapeuten) functioneert. Het ontstaan van eeneigen diagnostiek heeft alles te maken met de professionalisering van de beroepsgroep. Voor deVerenigde Staten geldt dit zelfs nog sterker dan voor Nederland en daar is de professionalisering al4 Voorlopige werkdefinitie van het WCC (vaste commissie voor classificaties en definities, voorheen werkgroep classificatie en coderingen) in 1995. 4
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalveel eerder op gang gekomen (vanaf 1970).5 Vanaf het begin van de jaren tachtig kunnenAmerikaanse verpleegkundigen ook worden aangesproken op de uitoefening van hun vak middels 6een soort tuchtcollege.In Nederland lopen de ontwikkelingen dus wat achter in vergelijking met de Verenigde Staten, maarook hier is sprake van een geleidelijke invoering van een verpleegkundige diagnostiek, gebaseerd opvertalingen van de Amerikaanse diagnoses. De NANDA (North American Nursing DiagnosisAssociation) formuleert regelmatig nieuwe diagnoses. Verreweg de meeste diagnoses moeten nogworden gevalideerd, dat wil zeggen: getoetst in de praktijk. Op het moment dat de enquête van ditonderzoek werd gemaakt, bestonden er ongeveer 108 diagnoses waarvan slechts enkele warengevalideerd. In de verpleegkundige praktijk zullen alleen verpleegkundigen met het hoogstedeskundigheidsniveau gaan diagnosticeren.Een voorbeeld van een (vertaalde) diagnose is: Figuur 1.1 - Voorbeeld van een verpleegkundige diagnose Zelfstandigheidstekort in wassen (specificeer niveau) Definitie Verminderd vermogen om zich te wassen of andere activiteiten op het gebied van de persoonlijke hygiëne te verrichten. Bepalende kenmerken Diagnostische aanwijzingen (ondersteund door onderzoek) Verminderd vermogen om het lichaam of bepaalde lichaamsdelen te wassen; en een of meer van de volgende aanwijzingen: • verminderd vermogen om water te verkrijgen; • verminderd vermogen om naar de wasgelegenheid te gaan (badkuip, douche, wastafel); • verminderd vermogen om de temperatuur of straal van het water te reguleren; • onvermogen om zich zonder hulp van het bed naar de stoel te verplaatsen. Niveaus Niveau 1: heeft apparaat of hulpmiddel nodig. Niveau 2: heeft ander(en) nodig voor hulp, begeleiding of instructie. Niveau 3: heeft hulp van ander(en) en apparatuur of hulpmiddel nodig. Niveau 4: is volledig afhankelijk.5 Mondelinge informatie van Claudia Gamel, Amerikaans verplegingswetenschapper, werkzaam in Nederland en een van de weinige NANDA-leden in Nederland.6 Vergelijkbaar met wat inmiddels in Nederland wordt geregeld middels de Wet BIG (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg). Deze wet ‘heeft als doelstelling de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en te bewaken en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen van beroepsbeoefenaren’ (folder over de Wet BIG Onder Voorbehoud, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 1999). 5
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaal Oorzakelijke of samenhangende factoren – Tekort in activiteitsvermogen, kracht en/of uithoudingsvermogen; – pijn/gevoeligheid; – ongecompenseerd waarnemings- of cognitietekort (specificeer); – ongecompenseerde neuromusculaire stoornis (specificeer); – ongecompenseerde stoornis van het steun- en bewegingsapparaat (specificeer); – hevige angst; – depressie; – omgevingsbarrières. (Bron: Handleiding Verpleegkundige Diagnostiek 1995-1996, M. Gordon, 1995)NANDA-diagnoses hebben een nummercodering (die in de Nederlandse vertalingen tot nu toe zelden ofnooit wordt weergegeven) en zijn door de NANDA in een taxonomie ondergebracht. In Nederland ismen op zoek gegaan naar alternatieve classificaties, zoals die van de Amerikaanseverplegingswetenschapper Gordon. De grootste kanshebber is een classificatie op basis van de ICIDH(International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps) van de World Health 7Organization. De NANDA-diagnoses zijn in verschillende talen vertaald en zijn inmiddels ook in hetNederlands in verschillende publicaties verschenen.Uit het bovenstaande blijkt wel dat het verpleegkundige beroep veel ontwikkelingen heeftdoorgemaakt. Waar verpleegkundigen voorheen als ‘zuster’ of ‘broeder’ werden aangesproken enmeer als een verlengstuk van de arts fungeerden, zijn zij vakmensen geworden met veel verschillendespecialismen. De professionalisering van het verpleegkundige beroep is een belangrijk gegeven voormijn onderzoek. Ik zal daarom in de volgende paragraaf kort bij de inhoud van het verpleegkundigeberoep stilstaan.1.2.2 Het verpleegkundige beroepDe term verpleegkundige is wereldwijd een gevarieerd begrip. Verpleegkundigen hebben een flexibelvak. Zij werken tussen allerlei disciplines in of volledig zelfstandig. Het vak kent bovendienverschillende werkvelden die zich over het hele spectrum van het menselijke functioneren uitstrekken,zowel binnen gezondheidszorginstellingen als daarbuiten. Verder zijn er verschillendedeskundigheidsniveaus, variërend van verpleegkunde tot verplegingswetenschapper (meer gerichtop theorie en onderzoek en niet meer aan het bed). Dit wordt gereflecteerd in de vele opleidingen opdit terrein: (tot voor kort) in-service opleiding, MDGO-VP, MBO-V, HBO-V, en universiteit. Ook de7 Inmiddels vervangen door de Internationale Classificatie van het menselijk Functioneren (ICF: International Classification of Functioning, Disability and Health) 6
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalverpleegkundige functies per afdeling verschillen: verpleegkundige, eerste verpleegkundige,teamleider/teamoudste8. Dan zijn er nog de verpleegkundig specialisten en nurse practitioners9.Verpleegkundigen functioneren tussen allerlei disciplines in en fungeren ook vaak als brug tussenpatiënt en de andere disciplines: artsen (soms verschillende specialisten per patiënt!),ergotherapeuten, sociaal assistenten, psychologen, bewegingstherapeuten, logistieke medewerkers,enzovoorts. Verpleegkundigen vervullen daarmee een middenpositie tussen de patiënt en anderezorgverleners. Zij zijn in de meeste gevallen het dichtst bij de patiënt betrokken en ook wat betrefttijdsduur het langst met de zorg van de patiënt bezig. Daarnaast zijn zij ook het eerste aanspreekpuntvoor de vaak bezorgde en soms zelfs ontredderde familie en vrienden van de patiënt.Internationaal vertoont het verpleegkundige beroep eveneens een enorme diversiteit. Inontwikkelingslanden nemen verpleegkundigen noodgedwongen vaak de taken van een arts over enondervragen en onderzoeken zij de patiënten niet alleen, maar stellen zij ook de (medische)diagnoses. Zij spelen verder een actieve rol bij de opzet en uitvoering van de basisgezondheidszorg inplattelandsdorpen en in de armoedebestrijding10.1.3 Nieuwe taal in de maak; talige kanten van de professionalisering1.3.1 Verpleegkundigen en taalVerpleegkundigen staan tot nu toe - anders dan bijvoorbeeld specialisten – niet slecht bekend als hetgaat om duidelijk en patiëntvriendelijk taalgebruik. Gezien hun veelzijdige rol (zie vorige paragraaf) isdat maar goed ook. Het diagnostisch taalgebruik zou hierin echter verandering kunnen brengendoordat het professionele jargon als een geheimtaal gaat werken, waarmee de afstand tussenverpleegkundige en patiënt wordt vergroot. Dit zou een betreurenswaardige ontwikkeling zijn.Professionaliseren kan echter niet zonder het standaardiseren van veel beroepsaspecten, waaronderde vaktaal.Wat betreft de NANDA-diagnostiek lijkt Nederland enige tijd op twee benen te hinken. Op het ene beenwordt, naar Amerikaans voorbeeld, de NANDA-diagnostiek omhelsd als speerpunt van deprofessionalisering. De vertaling van de NANDA-diagnoses wordt echter niet structureel aangepakt engestandaardiseerd, zoals in Frankrijk en Franstalig Canada gebeurt (Regeer & De Graaf 1993). Erkunnen in Nederland in theorie meerdere vertalingen binnen diverse fondsen van uitgeverijen8 Exacte termen zijn afhankelijk van de organisatie van de afdeling.9 Gespecialiseerde verpleegkundigen, die naast verpleegkundige taken ook medische taken verrichten.10 Sheila Dinotshe Tlou, hoogleraar Verpleegkunde in Botswana. AMC magazine mei 2002. 7
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalontstaan. Op het andere been is er veel kritiek op de NANDA-aanpak of wil men de NANDA-classificeringen formuleringen niet kritiekloos overnemen. Ze zijn niet zonder meer toepasbaar in de Nederlandsepraktijk. Tijdens verplegingswetenschappelijke discussies wordt de noodzaak van een eenduidigeverpleegkundige vaktaal aan het begin van de jaren negentig heel dringend gevoeld.11 Daarin zit eenverschil met de situatie in de Verenigde Staten. In de VS is de verpleegkundige diagnostiek al in 1970op gang gekomen. Het ging toen volop om professionalisering, de afbakening van wat de eigendiscipline precies inhield12. Hoewel deze onderwerpen in Nederland uiteraard ook belangrijk zijn, lijkthier de nadruk op het eenduidig verpleegkundig begrippenkader (EBK) te liggen. Ook gezien deervaringen in de beroepsuitoefening, het onderwijs, op managementniveau en op beleidsniveau is denoodzaak om tot eenduidigheid te komen heel hoog. Het NRV (Nationale Raad voor deVolksgezondheid) adviseert de staatsecretaris daarom een Vooronderzoek eenduidig verpleegkundigbegrippenkader te laten verrichten (NRV 1991). Ik kom hier in paragraaf 1.3.5 op terug.Een van de redenen waarom de taal van de verpleegkunde zo weinig eenduidig is, is ongetwijfeld hetbestaan van meerdere denkscholen en visies op verplegen. In de volgende paragraaf beperk ik me totde visies die in Nederland het meest voorkomen.1.3.2 Verpleegkundige denkscholen en taalToen de eerste NANDA-diagnoses werden geformuleerd, tijdens een consensusbijeenkomst van deAmerikaanse leden van de NANDA-organisatie, bleek al hoe moeilijk het was om het eens te wordenover de taal die zou moeten worden gebruikt. Er bestaan meerdere verpleegkundige theorieën, visiesof modellen, ieder met een geheel eigen begrippenkader. Zo zou alleen al de term verpleegkundigediagnose door verschillende verpleegkundige theoretici anders kunnen worden gedefinieerd. Enkelevoorbeelden: Martha Rogers werkt voornamelijk met het begrip energie. Callista Roy werkt rondadapteren. Een verpleegkundige diagnose zou bij Roy worden opgevat als een disfunctioneelpatroon of ineffectieve aanpassing. Dorothea Orem werkt vanuit het begrip zelfzorg en zou dediagnoses opvatten als zelfzorgaandoeningen. Deze verschillende invalshoeken met de bijbehorendediscoursen bleken bij het tot stand komen van de diagnostiek van de NANDA al een probleem (Regeer& De Graaf 1993). Soms is het discours van een bepaalde visie in de NANDA-diagnostiekterechtgekomen. Dit is vooral bij de taal rond de visie van Orem (self-care deficit) frappant. Deze visieis in Nederland overigens dominant.Dat de terminologie en visie van bepaalde denkscholen in een diagnostiek terechtkomen, is goed voorte stellen en in zekere zin onvermijdelijk. Ideaal is het natuurlijk niet, omdat een diagnostiek algemeen11 Met name in: Ten Napel 1995, Van der Bruggen en Hirs 1993, Schouwstra 1994, Ten Holte 1993, Leih & Salentijn 1991 en Van de Pasch 1995a en 1995b.12 Deze informatie is onder andere afkomstig uit een gesprek met Claudia Gamel, Amerikaanse verplegingswetenschapster en NANDA-lid, werkzaam in Nederland. 8
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaaltoepasbaar moet zijn, ook voor verpleegkundigen die vanuit een andere visie of denkschool werken.Bovendien zullen denkscholen en visies veranderen. Dat gebeurt in ieder vakgebied en binnen iederetak van wetenschap. De metafoor van zelfzorgtekort past wellicht heel goed in de huidige tijd inNederland (hoewel er zeker bezwaar is tegen de terminologie, zie later) maar er zullen nieuwegeneraties verplegingswetenschappers komen die op een heel andere manier naar het beroep zullenkijken. Een pleidooi voor de terminologie van één bepaalde visie zoals die van Orem, als theoretischebasis voor de formulering van verpleegkundige diagnoses, zoals sommigeverplegingswetenschappers bepleiten (Van der Peet, 1993), is daarom niet verstandig.Bij de ontstaansgeschiedenis van de NANDA had men oog voor een gemeenschappelijke taal in deVerenigde Staten. Een van de regels was dat vijftig procent van de deelnemende verpleegkundigenbetrokken moest zijn bij de directe zorgverlening aan patiënten en men werkte met zogenaamdeconsensusbijeenkomsten. Aan de wieg van de NANDA waren dus niet alleen 13verplegingswetenschappers te vinden. In Nederland worden de ontwikkelingen op het gebied vandiagnostiek en het zo gewenste EBK (eenduidig begrippenkader), voor zover ik dit kan beoordelen,voornamelijk door theoretici voortgestuwd. Bovendien was bij de eerste generatieverplegingswetenschappers die in Nederland afstudeerden de visie van de Amerikaanseverplegingswetenschapper Orem dominant (zie ook de volgende paragraaf).141.3.3 (Ver)taalgruwelen en andere problemenVolgens een artikel dat is verschenen in de Proceedings van de tiende NANDA-conferentie15 in 1994bestaat er bij verpleegkundigen in de Verenigde Staten bezwaar tegen het aanleren van een nieuwetaal ten behoeve van de verpleegkundige diagnostiek. Zij zouden liever gebruik maken van de taal dieer al is: "(...) there is still an awkwardness about using the language proposed by NANDA for nursing diagnoses: Nurses are often embarrassed by what is felt to be the inferior usefulness and jargonistic phrasing of some of this language and would prefer to use everyday language more specifically descriptive of the clients actual problems.” (Webster, & Brencick 1994; 64)13 "Eén van de regels die ze zichzelf in die tijd stelden was dat vijftig procent van de deelnemende verplegenden betrokken moest zijn bij de directe zorgverlening aan patienten. Het ging niet alleen om academisch gevormde en theoretische mensen. Het begon dus allemaal met een groep verplegenden die zei: Kunnen we niet een gemeenschappelijke taal maken die we in heel de Verenigde Staten gebruiken? Later gingen ze officieel door als de nanda." Citaat van Phyllis Kritek in TvZ nr 3, 1993, p 91.14 Deze informatie is gebaseerd op een telefonisch interview dat ik in 1996 had met Claudia Gamel, een Amerikaanse verplegingswetenschapster en destijds het enige nanda-lid in Nederland.15 Tijdens een NANDA-conferentie worden besluiten genomen over diagnoses. De conferenties worden tweejaarlijks gehouden. 9
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalVolgens Webster, & Brencick 1994 wordt de NANDA-taal die tot dan toe werd gebruikt óók in de VerenigdeStaten niet als mooi of vanzelfsprekend ervaren – er moest moeite worden gedaan om zich de nieuwetaal eigen te maken. Dat de NANDA-taal niet fraai is, vond ik ook zelf opvallend bij een eerste confrontatie met devertalingen van de NANDA-diagnostiek. Voor leken hebben veel van de termen bovendien een 16bevreemdend, bijna fiscaal/economisch tintje, door het veelvuldige gebruik van ‘tekort’ . In een kleinesteekproef onder 24 vrijwilligers heb ik in 2003 getoetst of ik hierin alleen was (zie bijlage A). Mijnindruk werd daarin bevestigd. Vooral de term ‘zelfzorg’, een term die binnen de verpleegkundige theorie van Dorothea Oremin Nederland in zwang is geraakt, valt niet altijd goed bij leken (potentiële patiënten!) Het conceptimpliceert dat de verpleegkundige zorg wordt afgestemd op wat de patiënt zelf al of niet kan. Deverpleegkundige vult de patiënt aan daar waar deze ‘tekort schiet’ (een veel gebruikt verpleegkundigwerkwoord). Uit het volgende citaat blijkt dat ook een probleem met de opname van lucht alszelfzorgtekort kan worden gekenmerkt: ‘Wanneer iemands (zelf)zorg voor de opname van lucht tekort schiet, heeft hij behoefte aan verpleegkundige hulp. Welke hulp dat is, hangt af van de vraag op welke punten het zelfzorgvermogen te kort schiet om in zijn behoefte aan opname van lucht te voorzien.’17Het begrip zelfzorg(tekort) is ook onder verpleegkundigen niet altijd geliefd. Mogelijk heeft vooral deoudere generatie, die vanuit een heel andere visie op zorg is opgeleid, iets tegen het begrip en de stijlvan verplegen die het impliceert. Een van de meest toonaangevende verpleegkundig docenten van nade tweede wereldoorlog, Annie van Eindhoven, uit in een interview in TvZ,, Tijdschrift voorVerpleegkundigen haar kritiek op het begrip ‘zelfzorg’ en de theorie van Orem. Het begrip zelfzorg zetvolgens Van Eindhoven verpleegkundigen op het verkeerde been omdat zij worden afgeleid van devraag welke zorgbehoefte iemand heeft: ‘Een verpleegkundige die tegen iemand, die na een operatie moet oefenen met lopen, zegt: "Ik blijf bij u tot u weer goed kunt lopen", geeft meer vertrouwen dan een collega die zegt: "U moet zelf leren lopen”. Bij de laatste zal bij veel patiënten de angst ontstaan dat, zodra hij een of twee stappen zelf kan zetten, de verpleegkundige is verdwenen. Een praktijk die helaas voorkomt en die, naar ik meen, deels zeker is ontstaan door de eenzijdige nadruk op dat ellendige beginsel van zelfzorg als doelstelling. Soms is die doelstelling toch ronduit een aanfluiting? (Van Dam, 1994)16 Enkele voorbeelden van voor leken vreemde diagnoselabels: dreigend vochttekort, tekort in gezondheidsonderhoud, verminderd huishoudvermogen, kennistekort, voedingstekort, voedingsteveel en vooral zelfzorgtekort.17 Een citaat uit een studieboek op het gebied van de verpleegkunde, geciteerd door Kalis & Zwagerman 1994;146. Interessant in deze context is een ingezonden brief aan een vakblad voor verpleegkundigen. Een student aan de HBO-V stelt daarin dat de naam ‘verpleegkundige’ de professionalisering van het beroep zou stagneren. Een betere naam voor het beroep van verpleegkundige zou volgens hem ‘zelfzorg-ondersteunings- deskundige’ zijn (TvZ, nr 9, 1992; 308). 10
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalKalis en Swagerman (1994) waarschuwen in hun kritische artikel over de Orem-taal en de Orem-‘theorie dat de manier waarop deze in de praktijk worden gebruikt kan leiden tot vervreemding van dehulpvraag van de patiënt.Discussies rond de verpleegkundige diagnostiekDe hooggespannen verwachtingen van de verpleegkundige diagnostiek uit de VS hebben in veelgevallen tot teleurstellingen geleid. Mogelijk komt dit deels omdat men in Nederland hoopte dat met deverpleegkundige diagnostiek een eenduidige vaktaal kon worden aangereikt. De NANDA-diagnostiek isin ieder geval vaak omhelsd maar ook verguisd. Uit een vaak geciteerdeverplegingswetenschappelijke studie (Roelofs 1993) blijkt dat de formuleringen die van Nederlandsebodem komen, meestal veel vollediger zijn dan diagnoses die uit de Amerikaanse literatuur afkomstigzijn. Voldoende redenen om de Amerikaanse diagnoses niet zonder meer over te nemen maar kritischen naar Nederlandse maatstaven te beoordelen. Als tegenwicht voor het importeren en formulerenvan verpleegkundige diagnoses vanuit de Amerikaanse literatuur, is men in Groningen begonnen methet ontwikkelen van verpleegkundige diagnoses vanuit de Nederlandse verpleegkundige praktijk.18Men wil daarbij blijven uitgaan van de materie die uit de VS wordt aangeboden om deze vervolgensaan te passen aan de Nederlandse situatie, al dan niet met behulp van onderzoek uit de(Nederlandse) praktijk.Naast het Groningse streven om de NANDA-diagnostiek aan te passen aan de Nederlandse praktijk, is 19er ook discussie over hoe de NANDA-diagnostiek is geformuleerd. De discussies gaan onder andereover de verschillende abstractieniveaus van de diagnoses, over de onnodig gekunsteldeformuleringen en het feit dat de labels zijn geformuleerd op basis van verschillende verpleegkundigetheorieën en modellen. Als oplossing wordt gezien de diagnoses vanuit de veel meer neutraalgeformuleerde ICIDH20 te formuleren. Voor een overzicht van de labels en de vertalingen in 1996 ziebijlage B.1.3.4 VertaalslagUit het bovenstaande blijkt dat de discussie rond de verpleegkundige diagnostiek zowel denaamgeving als de begrippen betreft. De nieuwe termen komen bovendien door middel van eenletterlijke en figuurlijke vertaalslag Nederland binnen. Het gevolg is een complexe situatie waarinzowel de nieuwe concepten als de idiomen die ernaar verwijzen, niet helder lijken te zijn. De vertalingvan de nieuwe begrippen - een metatalige taak bij uitstek! - wordt, zoals gezegd, niet centraal18 Tijdschrift Methodiekontwikkeling Verpleegkunde en mondelinge informatie HBO-V.19 Met name in: Ten Napel 1995, Van der Bruggen en Hirs 1993, Schouwstra 1994, Ten Holte 1993, Leih & Salentijn 1991 en Van de Pasch 1995a en 1995b.20 Een classificatie van de WHO, inmiddels vervangen door de Internationale Classificatie van het menselijk Functioneren (ICF: International Classification of Functioning, Disability and Health) 11
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalaangepakt maar wordt aan de willekeurige vertalers (professioneel en niet professioneel) overgelaten.Hoewel, zoals hierboven beschreven, de behoefte bestaat om de diagnoses vanuit de Nederlandsepraktijk te ontwikkelen, worden de NANDA-diagnoses regelmatig redelijk brontekstgetrouw vertaald.Het is interessant om deze situatie nader te bekijken. Daar waar de begrippen waar de diagnosesnaar verwijzen in het Nederlandse verpleegkundige discours bekend zijn, is er immers geen reden omze niet doeltekstgericht te vertalen; zeker wanneer er een behoefte bestaat om de diagnostiek vanuitde Nederlandse situatie vorm te geven. Een voorbeeld staat in figuur 1.2. Self-care deficit kan primaworden vertaald met het veel gebruikte verpleegkundige begrip ‘ADL-afhankelijkheid’21. De meestevertalingen van de labels blijven echter redelijk trouw aan de brontekst (zie bijlage B) en het isfrappant dat in het bovenstaande voorbeeld ADL-afhankelijkheid schijnbaar niet als mogelijke vertalingwordt gezien, maar eerder als een pleidooi voor herformulering van het diagnoselabel (Leih &Salentijn 1991/1992).Figuur 1.2 - Vertaling van Self-Care Deficit: Bathing/HygieneVoorbeeld van enkeleaangetroffen vertalingenvan een NANDA-label: 1. Zelfstandigheidstekort (in wassen) 2. Zelfzorgtekort (in wassen) 3. ADL-afhankelijkheid (m.b.t. wassen) Self-Care Deficit 4. Afhankelijkheid bij (Bathing/Hygiene) lichaamsverzorging (m.b.t. wassen) 5. Gebrekkige zelfverzorging (m.b.t. wassen)Hoe zou een vertaler bij de eerste vertaling van de NANDA-diagnoses te werk kunnen gaan? Waaropbaseert hij zijn vertaalkeuzes? Na bestudering van de verschillende vertalingen en de discussies overde verpleegkundige diagnostiek en vaktaal in de jaren negentig, heb ik een aantal mogelijke factorenop een rij gezet. Om de operationalisering van het onderzoek te dienen, zal ik ze behandelen incombinatie met informatie over de vertalingen die ik in 1996 heb gevonden en die in de enquête zijnvoorgelegd aan verpleegkundigen. Enkele van de genoemde factoren houden bovendien verband metde mogelijke redenen achter het oordeel, die eveneens in de enquête worden bevraagd. Ik kom hier inhoofdstuk 2 bij de operationalisering op terug.21 ADL duidt op ‘algemeen dagelijkse levensverrichtingen’. 12
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalWerkvertalingenAangezien er in de beroepsgroep over het onderwerp verpleegkundige diagnostiek veel discussiebestaat, zijn de eerste officiële vertalingen van de diagnoses per definitie als werkvertaling op tevatten. Voor vrijwel alle formuleringen in de enquête geldt dat het werkvertalingen zijn. Aan de enekant zijn dat letterlijke vertalingen (van één of enkele diagnoses), zonder vermelding van de brontekst,die worden gebruikt als alternatief voor de Amerikaanse term. Ze zijn bedoeld voor een beperktelezersgroep, bijvoorbeeld omdat de lezers moeite kunnen hebben met het Engels. Sommige meer’overt werkvertalingen’ zijn duidelijk bedoeld om een discussie in de Nederlandse context tevergemakkelijken. Vaak gaan deze werkvertalingen wél gepaard met de vermelding van deAmerikaanse labels (bijvoorbeeld in een scriptie). Een ander type is een werkvertaling als serieuzepoging tot terminologievorming, vaak met neologismen (bijvoorbeeld wanneer het Amerikaanse begripin het Nederlands een conceptual gap’ is) en met vermelding van een skopos. De professioneleGordon-vertaling van Wim Seunke uit 1995 waarbij de hele verzameling NANDA-diagnoses is vertaald,is zo’n vertaling. De vertaling ‘ADL-afhankelijkheid’ (zie figuur 1.2.) van Evers is wellicht de enige vertaling dieniet als werkvertaling is te betitelen: het is een formulering die is gebaseerd op een uitgebreideinhoudelijke discussie in het kader van een proefschrift. De betreffende stelling luidde: ‘Deverpleegkundige diagnose "zelfzorgtekort" van de NANDA behoort (...) vervangen te worden door hetdiagnostisch label "ADL-afhankelijkheid". (Leih en Salentijn, 1991/1992,1) Uit de informatie blijkthelaas niet of het voorstel alleen de formulering betreft of gelijktijdig een (inhoudelijke) aanpassing vande gehele diagnose.Context - onderlinge systematiekIeder diagnoselabel maakt deel uit van een classificatie van meerdere diagnoselabels. De labelshebben een zekere onderlinge systematiek waarbij zogenaamde ‘qualifiers’ 22 (bepalende woorden)de diagnoses specificeren. Dat een vertaling deel uitmaakt van een hele classificatie van diagnoses,beperkt de vertaalmogelijkheden aanzienlijk en voegt een extra uitdaging toe. Hoewel de qualifiers(bijvoorbeeld impaired) van NANDA zijn bedoeld om de eenduidigheid te bevorderen en de diagnose te 23differentiëren of te specificeren , kunnen ze niet altijd zo gemakkelijk naar het Nederlands wordenvertaald. Het is een kwestie van afwegen of de qualifiers consequent (en equivalent) kunnen wordenvertaald of dat naar alternatieven moet worden gezocht. Het is ook voor te stellen dat de NANDA-systematiek van qualifiers – die ook maar een voorlopige status heeft - wordt losgelaten en dat naareen nieuwe samenhangende systematiek in de doeltekst wordt gezocht. Impaired (zoals in impaired physical mobility is vertaald met ‘belemmerde’, ‘beperkte’,‘verstoorde’, ‘verminderde’. Standaard zou impairment met ‘stoornis’ worden vertaald en impaired zoudan het meest overeenkomen met ‘verstoorde’.22 Adjectieve specificaties, zoals impaired, altered, ineffective, dysfunctional. Zie ook paragraaf 2.1.2.23 Vooral met betrekking tot de ernst, duur, aard of het stadium van het probleem (zie ook selectiecriterium 2 in de bijlage). 13
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaal Impaired physical mobility is in de Gordon-vertaling van Seunke ‘mobiliteitstekort’ geworden,ongetwijfeld een resultaat van het zorgvuldig wikken en wegen (volgens het voorwoord in Gordon1995a).Labels die in een publicatie los van deze algehele context (buiten het corpus van ongeveer 110diagnoses) worden vertaald, kunnen er anders uitzien dan als ze met inachtneming van de gehelecontext zouden zijn vertaald. Ook de vakinhoudelijke context van de betreffende diagnose zaluiteraard invloed hebben op het woordgebruik in de doeltekst.Cultuurverschillen – doeltekstgericht vertalenEr zijn een aantal cultuurverschillen tussen Nederland en de VS, bijvoorbeeld met betrekking tot hetaandachtsgebied, de werkwijze van verpleegkundigen en de benadering van patiënten doorverpleegkundigen. Het beroep van verpleegkundige wordt in de VS mogelijk hoger gewaardeerd,velen hebben een (Amerikaanse) universitaire graad en zijn meer medisch onderlegd. De handelingendie verpleegkundigen mogen verrichten (voorbehouden handelingen) zijn hierdoor verschillend.Verder hebben verpleegkundigen in de VS meer dan hun collegas in Nederland een(psycho)therapeutische inslag bij verschillende interventies op het gebied van de psychiatrie en doen 24zij meer aan voorlichting. Vakinhoudelijk zijn er dan ook nog verschillen, bijvoorbeeld met betrekkingtot de aanpak van bepaalde aandoeningen (zoals van anorexia nervosa).De algemene taal van het Engels bevat veel meer medische termen dan het Nederlands (NL:staar/Eng: cataract) en ook in Amerikaanse boeken op het gebied van verpleegkunde lijkt demedische vaktaligheid hoger te zijn dan die in Nederlandse boeken. Nederlandse vertalingen zouden,als geen rekening wordt gehouden met deze verschillen, veel meer vaktalig en afstandelijk kunnenuitvallen. In de Gordon-vertaling is uiteraard rekening gehouden met cultuurverschillen. Daarom is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Nederlandse gangbare begrippen (voorwoord 1995a).Daarnaast was één van de uitgangspunten begrijpelijkheid en eenvoud. De voorkeur ging naarwoorden van een Nederlandse afkomst (in plaats van jargon van Griekse of Latijnse afkomst).Verpleegkundige visieEen andere mogelijke invloed op de vertaling (en ook op de formulering van de brontekst) is deverpleegkundige visie of theorie die wordt aangehangen. Eén van de bronnen van de vertaaldediagnoselabels die in de enquête zijn gebruikt, is geheel vanuit de verpleegtheorie van Dorothea Oremgeschreven (Van der Peet 1993, zie ook zijn artikel in TvZ 1994). Zo zijn ook formuleringen vanuitandere theorieën mogelijk. De theoretische lading die in de brontekst aanwezig is (of lijkt aanwezig tezijn), kan ook door de vertaler worden verwijderd (selfcare deficit -> ADL-afhankelijkheid) In de vertaling van Wim Seunke is de Orem-terminologie (deficit ->‘tekort’) regelmatiggehandhaafd en soms zelfs versterkt. (mobiliteitstekort als vertaling van impaired physical mobility of‘voedingstekort’ als begrijpelijk korter geformuleerde vertaling van nutrition, altered: less than body24 Dit bleek na vakinhoudelijk overleg bij mijn vertaling van Townsend 1998. 14
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalrequirements) Of deze keuze voortkomt uit het idee dat de labels vanuit de in Nederland veeltoegepaste visie van Orem moeten worden vertaald of uit de wens om beknopt te blijven, is niet metzekerheid te zeggen. In het voorwoord van Proces en Toepassing staat het volgende: ‘Dankzij de populariteit van Orems zelfzorgtekortheorie is de term zelfzorg voorgoed ingeburgerd in verpleegkundig Nederland en staat hij zelfs op het punt ingelijfd te worden bij de dagelijkse spreektaal.’Persoonlijk betwijfel ik zeer of deze Orem-term zal worden ingelijfd in het algemene taalgebruik. Determ zelfzorg wordt in de algemene taal naar mijn mening (en na enig onderzoek op internet en desteekproef in bijlage A) voornamelijk opgevat als: ‘wat mensen zelf kunnen doen bij klachten voordatze naar de dokter gaan’. De betekenis van de verpleegkundige term gaat toch een heel stuk verder.Zorgtekort is overigens wel een veel gevonden term in kranten, maar dan in de context van degevolgen van een bepaald beleid (gebrek aan thuiszorg, de situatie in verpleeghuizen enzovoort).Zelfzorgtekort heb ik vooralsnog alleen in een verpleegkundige context aangetroffen. Volgens Seunke heeft het begrip self care in de NANDA-diagnoses een veel engere betekenisdan bij Orem. Daarom is self care in de lopende teksten in het boek vertaald met persoonlijke zorg en isvoor het diagnoselabel self care deficit de keus gevallen op zelfstandigheidstekort.Interpretatie verpleegkundige diagnose in verpleegkundig procesVolgens het Vooronderzoek eenduidig begrippenkader (1993) is het vaak niet duidelijk welke plaatseen verpleegkundige diagnose inneemt in het verpleegkundig proces25 (zie paragraaf 1.3.5). Dit wordtook wel de contextuele definitie’ van de verpleegkundige diagnose genoemd. Het is een ingewikkeldeen verplegingswetenschappelijk inhoudelijke kwestie maar duidelijk is wel dat het nogal verschilt of jeeen diagnoselabel ziet als de beschrijving van een ‘probleem’ (ofwel van de patiënt ofwel van deverpleegkundige), als een situatie of als een reactie van de patiënt. Dit onderscheid houdt, zoals 26gezegd, verband met de manier van werken op de afdeling: taakgericht of patiëntgericht (Bobbink1986) en heeft ongetwijfeld invloed op het discours en de manier waarop een label kan wordengeformuleerd of vertaald.ProfessionaliseringDe verpleegkunde is een professionaliserend vakgebied. Hierbij hoort ook het streven naarstandaardisering en een eigen vaktaal (zie ook hoofdstuk 1). Dat een formulering vooral‘verpleegkundig en professioneel’ moet klinken - dit is daarom wellicht een overweging voor mensendie de labels als verpleegkundige (of als HBO-V docent of verplegingswetenschapper) vertalen of er25 Het verpleegkundig proces bestaat uit de volgende stappen: (1. het verzamelen van gegevens, 2. het vaststellen van het probleem, 3. het stellen van doelen, 4. het uitvoeren van verpleegkundige acties en 5. het evalueren). De eerste twee fasen van het verpleegkundig proces (verzamelen van gegevens en vaststellen van de problemen) kunnen door middel van de verpleegkundige diagnostiek worden geïntegreerd.26 Een taakgericht verpleegsysteem kent meer hiërarchie, een patiëntgericht verpleegsysteem wat minder: er is sprake van gedeelde verantwoordelijkheid, werken als team. Deze informatie is ook voor de enquête van belang. 15
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalop een wetenschappelijk terrein over discussiëren. Juist de mensen die de professionalisering eenwarm hart toedragen, zijn actief betrokken bij de verpleegkundige diagnostiek en het probleem van demeerduidige vaktaal. Misschien neigt men hierdoor meer naar een brontekstgetrouwe vertaling. Destatus die de brontekst voor de vertaler heeft, zal in ieder geval van invloed zijn op de mate vanequivalentie die hij in de vertaling wenst te zien. De verpleegkundige diagnostiek zal in de verretoekomst deel gaan uitmaken van een internationale classificatie, wellicht vergelijkbaar met de ICD-10van medische aandoeningen en de DSM-IV in de psychiatrie. Vooruitlopend hierop, zou de vertalereen voorkeur kunnen hebben voor een meer equivalente vertaling. Aan de andere kant is het net zo goed mogelijk dat men juist neologismen wenst te gebruikenom het vernieuwende van de verpleegkundige diagnostiek en de ‘verpleegkundigheid’ van deformulering te beklemtonen, in tegenstelling tot een medische formulering of een formulering dieovereenkomt met de algemene taal. Ook Sauer (1993) noemt in dit verband een toename vanabstractie en nominalisering. In het voorwoord van de Gordon-vertaling (1995a), waaruit veel informatie over de skopos vande vertaling is te halen, staat dat weliswaar vele mensen aan de NANDA-formuleringen hebben gewerktmaar dat zij ‘niet representatief zijn voor de beroepsgroep in haar geheel’ Daarom moet de vertaling vande labels in het boek als een voorlopige werkvertaling worden gezien. Equivalentie was bij de vertalingvan de labels voor Seunke geen belangrijke eis. Dat de labels inhoudelijk overeenkwamen met debijbehorende definities was van veel groter belang.Relatie met de algemene taal – mondeling taalgebruikProfessionaliseren en standaardiseren is één ding, maar verpleegkundigen werken in nauw contact methun patiënten en cliënten. De wens om de verpleegkundige vaktaal vooral zo helder en duidelijk mogelijkte houden kan daarom van invloed zijn op een vertaling. Naast de vakexterne communicatie (met depatiënt) is de transdisciplinaire communicatie voor verpleegkundigen essentieel: door hun middenpositietussen patiënt en vele disciplines in heeft de verpleegkundige bij uitstek een communicatieve rol. Alleenal daarom is het verklaarbaar dat de verpleegkundige vaktaal zo dicht bij de algemene taal is gebleven.In verband hiermee kun je stellen dat een vakterm voor verpleegkundigen ook mondeling moet zijn teverhapstukken. Dit valt van labels als ‘Nutrition, Altered: High Risk for More than Body Requirements’te betwijfelen. Aanduidingen van verpleegkundige diagnoses dienen niet alleen als ‘kopje’ in eenverslag of dossier maar ook in zinsverband te kunnen worden gebruikt. Dit impliceert een zekeregraad van ‘uitspreekbaarheid’ en ‘verbale combineerbaarheid’: de termen moeten liefst in combinatiemet meerdere (werk)woorden te gebruiken zijn. In de Seunke-vertaling werd vanwege de communicatie met de patiënt belang gehecht aanbegrijpelijkheid en eenvoud van de vertaling, met hier en daar ‘potjeslatijn’ wanneer dit onvermijdelijkwas.SignaalfunctieEen label is een ‘naam’ die staat voor een uitgebreid concept: een definitie, bepalende kenmerken enoorzakelijke of samenhangende factoren. De naam is een compacte aanduiding die als signaal 16
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalfungeert voor de hele diagnose. Vanwege deze signaalfunctie dient het woord of de woordgroep diehet label aanduidt liefst kort en krachtig te zijn en dan is een nominalisering te verwachten. Dit komtovereen met de eis van beknoptheid die in de verantwoording bij de vertaling van Gordon 1995awordt genoemd. De duidelijkheidsbehoefte kan aan de andere kant ook weer resulteren in het afstandnemen van de algemene taal, omdat het, in een gesprekssituatie bijvoorbeeld, anders niet duidelijk isof er over een diagnoselabel wordt gesproken. Een voorbeeld: het idioom ‘lage zelfwaardering’ is ookin de algemene taal te vinden. De alternatieve formulering geringe zelfachting klinkt wellicht watarchaïsch maar daarmee bestaat meer kans dat het idioom als ‘naam’, als diagnoselabel, wordtherkend. Ook in de brontaal stelt de functie van het begrip (‘het is een diagnose’) eigen eisen aan deformulering. Er is onderscheid nodig tussen een verpleegkundige constatering en een diagnose. Ditverklaart mogelijk de soms nogal gekunstelde formuleringen in de NANDA-brontekst (figuur 1.1 en 27bijlage B). Er zijn wellicht neologismen nodig om aan te duiden dat het diagnoses zijn. In het voorwoord van de Gordon-vertaling wordt niet over neologismen gerept (maar zeworden wel gebruikt). Seunkes eisen van beknoptheid en specifiekheid spelen in deze context een rol.De breedsprakigheid van NANDA wordt gecorrigeerd en de wat vage qualifiers ‘altered’ en ‘alteration’worden meer specifiek gemaakt door een vertaling met ‘tekort’, ‘verstoring’ of ‘stoornis’.Voorzichtig vertalenHet vertalen van de verpleegkundige diagnostiek lijkt iets weg te hebben van het springen van eenrijdende trein (de Amerikaanse verpleegkunde in ontwikkeling) op een rijdende vrachtwagen (deNederlandse verpleegkunde in ontwikkeling) die niet noodzakelijk naar dezelfde bestemmingonderweg zijn. Deze vergelijking is uiteraard chargerend en beperkt en is geen geschikte metafoorvoor wat het vertalen inhoudt, maar de vraag of de Amerikaanse diagnoses van toepassing zijnbinnen de doelcultuur is natuurlijk wel legitiem. Ook de vraag of er niet ongewild Amerikaanseconcepten of invalshoeken worden mee vertaald naar de doeltaal. Standaardisatie is een belangrijkstreven - ook internationaal - maar gezondheidsproblemen zullen wellicht eerder intercultureelvergelijkbaar zijn dan reacties daarop. En dan spreken we nog niet over hoe men hierop perdoelcultuur verpleegkundig kan reageren. De internationale standaardisatie van verpleegkundigeconcepten is in grote mate een filosofisch en verplegingswetenschappelijk probleem maar heeft ookbijzonder veel met (ver)talen te maken. Daarom zal een vertaler voorzichtig te werk moeten gaan. Eris bij zo’n ‘stunt’ toch wel enige verantwoordelijkheid vereist, aangezien een vertaling van de gehelediagnostiek in boekvorm, door de dicterende werking van de publicatie, veel invloed heeft op degebezigde formuleringen in de vaktaal en daarmee misschien zelfs een beetje voor de richting van dievrachtwagen… (De vertaler van Gordon 1995a was zich daar overigens van bewust.) De overtwerkvertalingen die in het kader van een verpleegkundige discussie zijn geformuleerd, gingen hieraanbegrijpelijk voorbij - voor zover ik dat kan beoordelen.27 Voor de vertaling van non-compliance geven de meeste bronnen overigens een niet- letterlijke vertaling: de verpleegkundige term ‘therapieontrouw’ (zie bijlage B). Non- compliance en therapieontrouw zijn echter beide bekende begrippen in de verpleegkundige vaktaal en zijn ontelbare malen over en weer vertaald. 17
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalNamen en begrippen – naam gevenDe vertaling van verpleegkundige diagnoses in een situatie waarin de bruikbaarheid van deAmerikaanse diagnostiek voor de Nederlandse situatie ter discussie staat, vraagt in eerste instantieom werkvertalingen. Zoals hierboven is gebleken, is dat in Nederland ook zo gebeurd. In deze scriptiegaat de aandacht vooral uit naar de labels van de diagnoses. Een label is op te vatten als de naamwaarmee een diagnose wordt aangeduid en vervult een focusfunctie voor het begrip. Vertalers die deAmerikaanse labels naar de Nederlandse doeltaalcontext vertalen – rekeninghoudend met hetNederlandse verpleegkundige discours en de inhoudelijke discussies over de betekenissen - gevendaarmee ‘naam’ aan de diagnose in het Nederlands. Zij moeten dit doen omdat de situatie omonmiddellijke benoeming vraagt en omdat diagnoses nu eenmaal een naam (label) dragen. In mijnoptiek is de speech-act benoemen van Geert Koefoed (1993) daarom van toepassing op het vertalen 28van de labels (maar Koefoed behandelt benoemen begrijpelijk niet in relatie tot vertalen).Vaktalen kennen doorgaans vaste termen die naar vastomlijnde expliciet gedefinieerde begrippenverwijzen. De instrumentele eis die de verpleegkundige vaktaal van de diagnostiek aan zijn termen enbegrippen stelt, heeft het effect dat betekenis geven en naam geven door elkaar heen gaan lopen. Ermoet immers al over de begrippen worden gesproken of geschreven, voordat ze goed en wel zijngeaccepteerd of in (Nederlandse) terminologie zijn gelexicaliseerd. De acceptatie van het begrip en deacceptatie van de term gaan niet gelijk op.29 De begrippen hebben nog geen ‘Gestalt’. Het metataligeproces van benoemen (zowel het naam geven aan een begrip als betekenis geven aan een naam)30is in de ontwikkeling van de Nederlandse verpleegkundige diagnostiek van de jaren negentig in vollegang. In deze situatie wordt een eenduidige verpleegkundige terminologie node gemist. Veel mensenvragen zich zelfs af of er überhaupt wel een verpleegkundige vaktaal bestaat. In de volgendeparagraaf zal ik daarom, tot slot van dit hoofdstuk, kort ingaan op het ontbrekende EBK (eenduidigbegrippenkader) en een heuristische vaktaaldefinitie behandelen, waarin betekenisdynamiek eenplaats heeft.28 Helaas reikt het te ver om de relatie tussen namen en begrippen en de relatie van vertalen met benoemen in deze scriptie te onderzoeken, vooral in verband met het begrip faculté du langage, van De Saussure, een metatalig vermogen ‘dat ons (onder andere) in staat stelt tekens te constitueren, relaties tussen tekens te leggen en zo systemen van relaties te construeren’ (Koefoed 1993; 88). Geert Koefoed werpt door zijn studie naar betekenisdynamiek veel licht op de diverse bestaanswijzen van taal (de taal van het individu, van de gemeenschap en het taalsysteem), op discours, op taal als cultuurproduct en op het tekenanalyserend en tekenconstituerend vermogen. Dit zijn stuk voor stuk onderwerpen die het vertalen als metatalige en culturele act direct aangaan.29 Het is in deze context tekenend dat de namen van verpleegkundige diagnoses zowel in de oorspronkelijke taal als in vertalingen bij wijze van spreken tussen aanhalingstekens worden uitgesproken (mondelinge informatie van verplegingswetenschapper Gabriel Roodbol).30 Koefoed 1993. 18
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaal1.3.5 Van spraakverwarring naar standaardiseringEr zijn veel argumenten waarom verpleegkundigen dezelfde taal zouden moeten spreken, dat wilzeggen: hun vaktaal zouden moeten standaardiseren. Ten Holte (1993;10) noemt er enkele: • een eenduidig begrippenkader maakt het zogenoemde methodisch werken (een verpleegkundig begrip) mogelijk en het gebruik van protocollen en standaardverpleegplannen; • bij de overdracht van patiënten van de ene instelling naar een andere is eenduidigheid ronduit noodzakelijk; • wetenschappelijk onderzoek (vooral beleidsondersteunend sociaal-wetenschappelijk) heeft baat bij een EBK;. • veel registratiesystemen binnen instellingen zijn afhankelijk van zorginhoudelijke informatie onder andere voor budgettering; • het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) moet zicht kunnen houden op de gang van zaken binnen de gezondheidszorg en ook zorgverzekeraars willen weten welke verleende zorg zij financieren. Het ‘verpleegkundige product’ moet worden omschreven.Het taalgebruik van verpleegkundigen blijkt in de jaren negentig zeer meerduidig te zijn, althans dat isde constatering van het Vooronderzoek eenduidig verpleegkundig begrippenkader (van der Bruggen,1993). ‘Diagnose’ is op zichzelf een bekend begrip in de algemene taal, maar volgens hetVooronderzoek bestaat er binnen de verpleegkundige beroepsgroep onduidelijkheid over het begripverpleegkundige diagnose. Het is vaak niet duidelijk welke plaats een verpleegkundige diagnose 31inneemt in het verpleegkundig proces (de verpleegkundige werkwijze). Een diagnoselabel (de‘naam’ van een diagnose) kan bovendien op drie verschillende manieren worden gezien: als debeschrijving van een ‘probleem’, als een ‘situatie’, of als ‘reactie’ van de patiënt.De doelstelling van het vooronderzoek was: “een op onderzoek gebaseerd advies uit te brengen metbetrekking tot de wenselijkheid en de haalbaarheid van een eenduidig verpleegkundigbegrippenkader, met name betreffende de ‘verpleegkundige diagnose’, alsook met betrekking totindelingscriteria, of ordeningsprincipes, of classificaties, en aanbevelingen te doen aangaanderealisering daarvan.” (Van der Bruggen & Hirs, 1993)Enkele van de (voorlopige) constateringen in 1993: "De gegevens en gegevenssoorten die worden gebruikt in de praktische verpleegkundige zorgverlening zijn volstrekt heterogeen." (…) "De verpleegkundige gegevens weerspiegelen vaak het medische model: verpleegkundige observaties en rapportage blijven georiënteerd op ziektebeelden. Zelfs waar in beginsel wordt gekozen voor een bestaande verpleegkundige theorie, blijkt de praktische toepassing ervan toch vaak medisch of medisch-technisch."31 Dit wordt ook wel de contextuele definitie van de verpleegkundige diagnose genoemd. 19
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalHoewel het Vooronderzoek als zeer gerenommeerd en betrouwbaar te boek staat, zijn er toch enkelekanttekeningen of vraagtekens te plaatsen. Voor zover ik dit heb kunnen vaststellen is er geentaalkundige tekstanalyse toegepast en zijn er geen taalkundigen bij het onderzoek betrokken geweest.Er werd meteen toegespitst op gegevens(soorten) en er lijkt (voor zover ik dat kan bepalen) geenrekening te zijn gehouden met bijvoorbeeld de functie of doelgroep van de onderzochte teksten en 32ook niet met de werkmethode binnen de instellingen waar de teksten uit afkomstig waren. Kortom:taalexterne factoren die wel taalbepalend zijn, zijn wellicht buiten beschouwing gelaten. De visie waarvanuit iemand werkt en ook de organisatie van de afdeling hebben immers invloed op hoe iemand ietsonder woorden brengt. In het vooronderzoek is schijnbaar onwillekeurig gebruik gemaakt van diversetekstsoorten (formulieren, boeken, scripties, standaardverpleegplannen, dossiers en rapportages) diezijn geschreven binnen diverse contexten en met verschillende tekstfuncties. Hierbij moet wordenopgemerkt dat de tekstanalyse slechts één onderdeel vormde van het gehele Vooronderzoek.Taalgebruik, ook in geschreven teksten, is gesitueerd in een setting en een context. Daarbij horentekstuele factoren, maar zeker ook zaken zoals de doelgroep (beoogde lezers) van de tekst, defunctie of de status van de schrijver van de tekst ten opzichte van de lezers, de functie van de tekst ende werkcultuur (en theoretische visie) van de instelling om maar enkele mogelijke punten te noemen.Dit zijn factoren waarmee binnen de (socio)linguïstiek, pragmatiek en vertaalwetenschap rekeningwordt gehouden. Als in een rapportage een verpleegkundige diagnose wordt beschreven dan kun jedaar bijvoorbeeld vanuit de patiënt of vanuit de verpleegkundige naar kijken. Als het op een afdelingde gewoonte is om in een rapportage vanuit de patiënt te schrijven (patiëntgericht werken, organisatiemaar ook cultuur van de afdeling), dan zal een verpleegkundige diagnose misschien eerder als eenprobleem van de patiënt worden geformuleerd. Dat wil niet zeggen dat diezelfde verpleegkundigendat binnen een andere setting precies zo zouden beschrijven. Taal(gebruik) is dus setting- encontextgevoelig en onderhevig aan nog heel veel meer dan dat.In het Vooronderzoek worden verpleegkundige teksten (taalproducten) geanalyseerd. In mijn enquêtepas ik een omgekeerde onderzoeksstrategie toe en zullen de formuleringen van (veelal)verplegingswetenschappers door verpleegkundigen worden beoordeeld. Als de verpleegkundigevaktaal inderdaad zo meerduidig is, valt te betwijfelden of zij een min of meer eensluidend oordeelzullen vellen, zelfs nadat rekening is gehouden met de taalexterne factoren. Ik vraagverpleegkundigen in de enquête om een taaloordeel en ik vraag hun te reflecteren op dat oordeel.Sommige verplegingswetenschappers vonden dat te veel gevraagd. Ik ga er echter van uit datverpleegkundigen heel goed weten wat wel en wat niet ‘goed klinkt’ binnen hun vaktaal. Ikveronderstel dus dat zij daar een gevoel voor hebben. Zij zijn immers vaktalig gesocialiseerd en ge-32 Bij taakgerichte afdelingen draait de organisatie rond de taken die op een afdeling moeten worden verricht. Bij patiëntgerichte afdelingen wordt de zorg voor een patiënt liefst steeds aan dezelfde verpleegkundigen toevertrouwd. Bobbink, A.F. Werkvelden in de verpleegkunde. Utrecht/Antwerpen: Bohn Scheltema en Holkema, 1986. Een taakgericht verpleegsysteem kent meer hiërarchie, een patiëntgericht verpleegsysteem wat minder: er is sprake van gedeelde verantwoordelijkheid, werken als team. Deze informatie is ook voor de enquête van belang. 20
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalencultureerd in het verpleegkundige vakgebied en maken deel uit van de verpleegkundigevaktaalgemeenschap in het algemeen en van de taalgemeenschap33. van de afdeling waar zij werkenin het bijzonder. Binnen taalgemeenschappen spelen zich natuurlijke taalprocessen,taalgemeenschapstichtende processen af, zoals Koefoed beschrijft in Benoemen. Mensen die met 34elkaar werken en communiceren, willen elkaar verstaan; dat is als het ware een Griceaansgegeven. Koefoed schrijft “(…)dat begrippen die in het discours van een taalgemeenschap eenbepaalde relevantie verwerven, om een naam vragen (en deze dan ook meestal snel krijgen, vaakdoordat een van de omschrijvingen geconventionaliseerd wordt)” (Koefoed 1993, 14). Wellicht ontbreekt de eenduidigheid in de verpleegkundige vaktaal doordat er zo veeltaalgemeenschappen bestaan. Bovendien zijn er - voor zover ik dat kan nagaan - geen inspanningengeweest om tot een zekere standaardisatie te komen.1.3.6 Visies op (vak)taalVaktalen zijn ontstaan rond een bepaald onderwerp waarover wordt gecommuniceerd door mensendie als groep met elkaar in verband worden gebracht doordat ze - in verschillende mate - kennishebben over het onderwerp of over het vakgebied. In die zin is het Engelse begrip LSP (Language forSpecial Purposes) wellicht een meer geslaagde aanduiding dan de term vaktaal. Deze benamingheeft het voordeel dat het begrip ‘vak’ vermeden wordt. Het is niet altijd duidelijk of er sprake is vaneen vakgebied (loodgieterij, telecommunicatie, medicijnen) of van een speciaalonderwerpgebied(schaken, de taal in krantenadvertenties, ballroomdancing). Door de positie die verpleegkundigeninnemen - tussen patiënten en alle (para)medische disciplines in – hebben zij als geen ander temaken met vakinterne, vakexterne en transdisciplinaire communicatie. De vaktaaldefinitie van Sauer(1993) houdt rekening met al deze vormen van communicatie en leent zich daarom goed voor ditonderzoek. Ook Sauer gaat uit van een dynamische visie op taal en vaktaal. Een argument waaromvaktalen niet als statisch gedefinieerd kunnen worden, is volgens Sauer de inbedding van vaktalen inde algemene taal. In de syllabus Vaktaal en Communicatie (1993) wordt de complexe relatie tussenalgemene taal en vaktalen uiteengezet. Sauer behandelt daarbij vooral de tekstuele, communicatieveen pragmatische aspecten van vaktaal, vanuit een linguïstisch en taalhandelingstheoretischperspectief.33 Wat precies een taalgemeenschap is, is over het algemeen moeilijk te definiëren en is al lange tijd onderwerp van discussie. Anders dan vaak wordt gedacht wordt een taalgemeenschap niet gedefinieerd door sociaal-economische groepen of andere (sociaal wetenschappelijke) classificeringen maar door taalgebruik. Een van de doorslaggevende criteria is het delen van bepaalde communicatieve regels (bijvoorbeeld de westerse ‘no gap, no overlap’-regel33 in de verbale communicatie (Fasold 1990;40).) Op die basis kunnen mensen in verschillende elkaar overlappende taalgemeenschappen worden ingedeeld, bijvoorbeeld: een gezin, een groep vrienden, collega’s, een hele beroepsgroep of alle mensen die Nederlands spreken en in Nederland wonen.34 Met name het coöperatieve principe van Grice. 21
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalBij het vaktaalonderzoek gaat het erom dat institutionele communicatie wordt bekeken in termen van‘beroepsmatig gedifferentieerd (talig) handelen’ (ibid. 1993:16). Deze manier van kijken houdt volledigrekening met de sociale situatie van de vaktalige communicatie. Sauer komt tot de volgende(heuristische) definitie: ‘Onder vaktaal verstaat men een complex gestructureerde aaneenrijging van verbale elementen (*) die voortkomen uit de algemene taal, maar qua selectie, frequentie en gebruik van haar verschillen (gespecificeerde afleiding). Een vaktaal manifesteert zich steeds in een combinatie van talige handelingen die óf geordend zijn in de vorm van teksten, die zowel mondeling als ook schriftelijk kunnen zijn, óf in de vorm van communicatieve interacties. Deze schriftelijke en mondelinge verbale activiteiten maken deel uit van institutionele communicatieve processen die als vakinterne, vakexterne en transdisciplinaire communicatie kunnen worden onderscheiden. De feitelijke realisatie van deze communicatievormen wordt tot op zekere hoogte beïnvloed door sociale factoren die een systematisch karakter hebben. Deze beïnvloeding van het vaktaalgebruik vindt plaats door de maatschappelijke functie van de institutie, door onderlinge samenwerking van verschillende instituties, door opleiding van vakkundigen (tertiaire socialisatie), door informatie- en communicatiestramienen binnen een institutie, door de noodzaak van rechtszekerheid en controle van institutionele handelingen, door toepassing van geautomatiseerde systemen voor opslag en verwerking van gegevens, door behoefte aan standaardisering en normalisatie, en door verdere sociale factoren. (*) Tot deze verbale elementen worden gerekend: tekstdelen, reeksen van zinnen, syntactische constructies, alsmede lexicale eenheden, waaronder ook afkortingen, metaforen, termen. Voor het gemak worden ook tekens (tekeningen, beelden, enz.) meegerekend.’Sauer doet met deze definitie afstand van het oude vaktaalmodel, waarin vaktaal als een kern werdomschreven met daaromheen lagen die minder gebruik maken van vaktaal. Dat oude model is testatisch omdat daarbij de kern vooral uit terminologie bestaat (Sauer 1993:21-2). Hij verzet zich ookterecht tegen de definitie van vaktaal die Möhn en Pelka hanteren, vooral omdat het vakexterneaspect van vaktaal door hen buiten beschouwing wordt gelaten (Sauer 1993:18).Geïnspireerd op Habermas stelt Sauer dat het vaktaalonderzoek zich niet tot de taal-is-een-strategische-handeling-visie mag beperken. Deze visie beschouwt vaktaal immers slechts alsinstrument, een stuk gereedschap dat geheel gescheiden van de taalgebruiker kan worden bekekenen dat na enig slijpwerk en gesleutel de gebruiker beter naar de hand zou kunnen staan om het doel -het overbrengen van een boodschap - te bereiken. Echter, juist de ingewikkelde ‘innige relatie tussenmensen, taal, maatschappij en cultuur’, deze irrationele verstrengeling - bewust en onbewust - vantaal met alle menselijke verhoudingen, maakt taal tot onderwerp van een sociale, functionele studie. (Vak)taal is ook volgens Sauer niet slechts een strategisch en rationeel hulpmiddel, het is inalle opzichten verweven met communicatief handelen. Dit communicatieve aspect - waarbij ook zekerde irrationele kanten van taalgebruik horen - mag niet buiten de definitie van vaktaal gehoudenworden (vgl. Sauer 1993:19). Deze (communicatieve) visie sluit ook beter aan bij de algemenefuncties van taal en het taalgebruik. ‘Deze liggen met name op het sociale en culturele vlak’ (1993:21). De functie van vaktaal is dus niet alleen beperkt tot het doorgeven van kennis, maar vervult ook 22
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalsociale doeleinden. Sterker nog: ’Taal bepaalt tot op zekere hoogte de manier waarop (...) mensencultureel en sociaal functioneren’ (1993:19).Taal is dus sociaal bepalend en constitueert (tot op zekerehoogte) de sociale werkelijkheid waarin de taalgebruiker functioneert.Het Vooronderzoek heeft aangetoond dat er op veel verschillende manieren binnen de diversecontexten en settings over dezelfde verpleegkundige gegevens(soorten) kan worden gesproken ofgeschreven. Uit het Vooronderzoek blijkt niet hoe die verschillen tussen de verpleegkundige uitingente verklaren zijn. De gegevens(soorten) werden als constante genomen in een onderzoek overcommunicatie in zeer verschillende settings. Van de gegevenssoort ‘verpleegkundige diagnostiek’ of‘verpleegkundige diagnose’ was wellicht ook door de onderzoekers al van tevoren gedacht dat ergeen eenduidige taal te verwachten viel. De discussie over diagnostiek was immers in volle gang enofficieel zou dit begrip nog niet in Nederland worden gehanteerd (vgl. Ten Holte, 1992). De betekenisvan verpleegkundige diagnostiek was volgens een artikel van Leih en Salentijn (1991/1992) ook instudieboeken op dat moment niet homogeen. De conclusie dat de verpleegkundige taal op dit gebiedzeer meerduidig is, was misschien te verwachten? De woordenboekbetekenis die in de algemene taal aan de term diagnose wordt gehecht isdoorgaans die van "vastgesteld probleem", beschrijving van een probleem. In de Van Dale staat:"(medicijnen, geneeskunde) beschrijving van de aandoening van een patiënt", in figuurlijke zin (ookbuiten de geneeskunde) ‘het onder woorden brengen van wat er mis is’. (In zekere zin is dit ook hetonder woorden brengen van "een situatie".) Als het begrip verpleegkundige diagnose nog nietvolledig is ingeburgerd, is het te verwachten dat de algemene (woordenboek)betekenis van de termdiagnose bepalend is, zeker als de medische terminologie dominant is binnen de setting.Dat ook het begrip ‘verpleegprobleem’ verschillend werd gehanteerd was misschien minder tevoorspellen, maar alleen al de verschillende visies op verplegen laten zien dat ook dit abstracte begripheel verschillend is op te vatten (zie 1.2.2). In het algemeen geldt: hoe abstracter het begrip, hoe meerbetekenissen eraan kunnen worden toegeschreven.Er zijn veel invloeden denkbaar op het discours van de afdeling, dat wil zeggen: de communicatievegewoonten tussen de verpleegkundigen die binnen een instelling of afdeling werken. Sauer noemt inzijn definitie onder andere: de maatschappelijke functie van de institutie (een academisch ziekenhuiszal hierin verschillen van een thuiszorgorganisatie), de opleiding van vakkundigen (er zijn zeer veelsoorten verpleegkundige opleidingen), de informatie- en communicatiestramienen binnen eeninstitutie, de toepassing van geautomatiseerde systemen voor opslag en verwerking van gegevens(mijns inziens kan dit zelfs iets schijnbaar onbenulligs inhouden als de vormgeving van een formulierof de lay-out van een rapportage). Bovendien bestaat het streven om de verpleegkundige zorg in kaartte brengen en het ‘verpleegkundige product’ te omschrijven. Dit vergt een vorm van standaardisering.Ook factoren die ik eerder in dit hoofdstuk heb genoemd, de beroepsstratificatie van verpleegkundigenen de enorme diversiteit van opleidingen zijn factoren van enige invloed. Onder de restgroep dieSauer ‘overige sociale factoren’ noemt, vallen omvangrijke onderwerpen als technologische 23
  • Pleegvertalingen – Ontwikkelingen in de verpleegkunde; taal en vaktaalontwikkelingen, nieuwe (meta)theoretische visies op het vakgebied, invloedrijke publicaties daaroveren niet te vergeten vertalingen(!) Daarnaast moeten de emancipatoire ontwikkelingen binnenvakgebieden worden genoemd. (Sinds Florence Nightingale, die als pionierster van de moderneverpleegkunde wordt gezien, is de beroepsinhoud maar ook het imago van het verpleegkundigeberoep nogal veranderd.)Zoals gezegd zijn de aspecten vakinterne, vakexterne en transdisciplinaire communicatie door despeciale middenpositie van verpleegkundigen voor de vaktaal van groot belang. Tussen en mét veledisciplines verlenen verpleegkundigen zorg aan zeer diverse patiënten. Hierdoor zijn zij zeerafhankelijk van duidelijke taal die stevig is geworteld in de algemene taal. De nadruk opprofessionalisering en al die vertalingen uit het Amerikaans kunnen ertoe leiden dat de aandacht(tijdelijk) wordt verschoven naar de vakinterne communicatie en het specifiek verpleegkundigekarakter van de verpleegkundige vaktaal. Die nadruk op de vakinterne communicatie gaat echtervoorbij aan de belangen van de transdisciplinaire en vakexterne communicatie. Dit blindstaren op eenvakinterne ideaaltaal zou een theoreticus (of vertaler?) op een werkkamer wel kunnen overkomen,maar verpleegkundigen uit de beroepspraktijk zullen dit naar mijn verwachting bijsturen.Volgens vele publicaties communiceren verpleegkundigen dus niet eenduidig maar misschien hebbenzij wel een min of meer eensluidend oordeel over de taal die zij in de enquête krijgen gepresenteerd?(Als tenminste rekening wordt gehouden met factoren als: visie op verplegen, organisatiestructuur vande afdeling, specialisme, opleiding en leeftijd.) In het volgende hoofdstuk zullen de onderzoeksvragenen de enquête zelf meer specifiek worden geoperationaliseerd.PleegvertalingenIn 1.3.4 schreef ik al dat de begrippen waar de nieuwe namen naar verwijzen nog geen ‘Gestalt’hebben. (Vergelijk Koefoed 1993) De verpleegkundige werkvertalingen hebben nog geen hechterelatie met een vaktalige betekenis. Dit bracht mij op de woordspeling pleegvertalingen.35Tot slot wil ik door middel van het onderstaande citaat benadrukken dat het bouwen aan een vaktaalmensenwerk is en dat een eenduidig begrippenkader een menselijk bouwwerk van enige omvang is: Woorden uit technische taalregisters behoren tot de best gedefinieerde, dat is: wat hun betekenis betreft meest gestandaardiseerde. Het zijn typisch woorden die in gezaghebbende bronnen kunnen worden opgezocht of aan gezaghebbende sprekers (specialisten) kunnen worden gevraagd. Toch weten we allemaal dat het kennen van een definitie en het beheersen van een technische term uit een vakgebied twee geheel verschillende dingen zijn. Zelfs technische termen betekenen meer dan wat de definitie ervan zegt. We moeten een woord in exemplarische contexten zijn tegengekomen, we moeten een deel van zijn geschiedenis kennen. (Koefoed 1993; 94; onderstreping van mij)35 Dit betekent op zichzelf al verpleegkundige vertalingen. 24
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekHoofdstuk 2Operationalisering van het onderzoek ‘When people behave in accordance with Barker’s principle of situatedness or with Grice’s maxims of conversational exchange, we do not ask WHY: the behavior is simply taken for granted as in need of no further explanation. Because it is ordinary, it is experienced as canonical and therefore self-explanatory. We take it for granted that if you ask somebody where R.H. Macey’s is, they will give you relevant, correct, perspicuous and brief directions; THAT kind of response requires no explanation. People will think it exceedingly odd if you do question WHY people are behaving this way - “post office” in the post office, and brief, perspicuous, relevant and sincere in answering requests for directions.’ 36 Jerome Bruner 1990; 48-492.1 Vragen, vragen en nog eens vragenUit het voorgaande hoofdstuk blijkt al dat zich in de verpleegkundige wereld in de jaren negentig eentaalkundig interessante situatie voordeed. In de verplegingswetenschap is men druk in de weer metverpleegkundige diagnostiek en de problematiek van het ontbrekende eenduidige begrippenkader. Inde vaktaal van verpleegkundigen op de werkvloer, de mensen die in direct contact met patiëntenwerken, is (nog) niet heel veel veranderd. Ik vroeg mij onder andere af of bij het vertalen voldoenderekening werd gehouden met de vaktaal van de verpleegkundige praktijk en of verpleegkundigen ophet gebied van vaktaal inderdaad zo meerduidig waren. Zouden zij geen min of meer eensluidendoordeel over hun vaktaal kunnen hebben? Ik nam mij voor de vaktaalsprekers uit de verpleegkundigepraktijk te vragen een oordeel te geven over de nieuwe inbreng in hun vaktaal, op een moment dat deinvoering van de diagnostiek nog geen feit was. Ik besloot dit met behulp van een enquête te doen(zie ook 2.3). Hoe ik op basis van mijn algemene vragen uiteindelijk tot de enquête ben gekomen, is indit hoofdstuk te lezen.De vragen die ik wilde operationaliseren, zijn de volgende. Hoe worden verpleegkundigediagnoselabels vertaald in het Nederlands? Welke vertaling ‘wint’ het onder mensen die thuis zijn inde ‘vaktaal van de werkvloer’? Waarom? Met andere (statistisch meer verantwoorde) woorden: is eriets te zeggen over factoren die hierbij een rol spelen?36 Als mensen zich gedragen volgens het principe van situatedness van Barker of de maximen van Grice, vraagt niemand zich af waaróm zij dat doen; dit wordt ter kennisgeving aangekomen alsof het geen uitleg behoeft. Omdat het zo gewoon is, wordt het als de regel en daarom als vanzelfsprekend ervaren. Als je iemand de weg naar de HEMA vraagt, krijg je antwoord in korte, heldere, relevante zinnen waarbij je geen moment zult twijfelen of je om de tuin wordt geleid. Dat is allemaal heel normaal. Het is schijnbaar heel wat minder normaal om je af te vragen waaróm mensen dat doen. Waarom mensen zich bijvoorbeeld op zn postkantoors gedragen in het postkantoor en een kort, helder, welgemeend en relevant antwoord geven als je ze naar de weg vraagt. 25
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekHoewel het vragen naar de geslaagdheid van een formulering (diagnoselabel) zeker ook devakinhoudelijke adequaatheid van de beschrijving van een diagnose (of verpleegprobleem) toetst,gaat het daarnaast wel degelijk om de sociolinguïstische geslaagdheid van een formulering. Het éénis nu eenmaal niet van het ander los te maken. Mijn aandacht gaat uiteraard uit naar de taligeoordelen.Meer uitvergroot en opgedeeld, zijn deze vragen als volgt geformuleerd: (1) Hoe beoordelen verpleegkundigen de verschillende vertalingen van een aantal NANDA- labels en welke redenen geven zij daarvoor? (2) Blijkt uit mijn onderzoek dat verpleegkundigen op de werkvloer de voorkeur geven aan andere vertalingen dan de meest professionele (en welke redenen geven zij daarvoor)? (3) Welk verband is er eventueel te leggen tussen het oordeel van de verpleegkundigen en buitentalige, sociolinguïstische factoren (bijv. leeftijd, functie, opleiding)?In de volgende paragrafen zullen allereerst de bovenstaande vragen stuk voor stuk wordengeoperationaliseerd. Daarna volgt een uitleg over de vorm en opzet van de enquête (2.3.) en is telezen hoe ik te werk ben gegaan met de verspreiding in verschillende ziekenhuizen (2.4.). Ten slottespreek ik mij (in 2.5) uit over de verwachtingen die bij mij leefden, in afwachting van de ingevuldeenquêtes.Voor de enquête, inclusief begeleidende brief en uitleg bij het invullen, verwijs ik nu graag naar debijlage (onder C).2.1.1 Vraag één (1) Hoe beoordelen verpleegkundigen op de werkvloer de verschillende formuleringen van negen vertaalde NANDA-labels en welke redenen geven zij daarvoor?In de bovenstaande vraag dienen de volgende onderwerpen te worden ontleed:(a) ‘verpleegkundigen op de werkvloer’, (b) ‘verschillende formuleringen van negen vertaalde NANDA-labels’ en (c) redenen.(a) verpleegkundigen op de werkvloerZoals gezegd, wordt in Nederland het onderwerp ‘verpleegkundige diagnostiek’, voor zover ik kanoverzien, voornamelijk vanuit de verplegingswetenschap aangedragen. De vraag is of de vertalingenvan de diagnoses passen in de taal van de verpleegkundige praktijk. Verplegingswetenschappers enmeer theoretisch geschoolde verpleegkundigen zijn ongetwijfeld inhoudelijk op de hoogte van deontwikkelingen rond de verpleegkundige diagnostiek maar zijn over het algemeen niet (meer) op de 26
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekwerkvloer te vinden en staan niet altijd (meer) in direct contact met de patiënt. Zij benaderen dediagnostiek vanuit een andere invalshoek en zijn gesocialiseerd in het vakgebied en het taalgebruikvan de verplegingswetenschap (zie hoofdstuk 1) die veel invloed vanuit de Angelsaksische landenkent (met name de Verenigde Staten).De meeste verpleegkundigen die ik de enquête heb voorgelegd weten op het moment van hetonderzoek nog niet veel over verpleegkundige diagnostiek. Wel kunnen zij de vertalingen van delabels als een verpleegprobleem herkennen. Zij hebben per definitie verstand van hun eigen vaktaal,‘de taal waarin zij werken’, zoals iedereen die het Nederlands als moedertaal heeft, een zekertaalgevoel bezit over de Nederlandse taal. De enquête is niet alleen bestemd voor gediplomeerdeverpleegkundigen van een bepaald deskundigheidsniveau. Allen die op de betreffende afdelingen eenverpleegkundige functie uitoefenen, van hoofdverpleegkundige tot leerling-verpleegkundigen/stagiaires, zijn uitgenodigd een enquête in te vullen.(b) verschillende formuleringen van negen vertaalde NANDA-labelsIn hoofdstuk 1 is het begrip verpleegkundige diagnose al uitgebreid aan de orde gekomen. De labelsvan diagnoses zijn de namen waarmee bepaalde (NANDA-)diagnoses worden aangeduid. Vertalingenvan NANDA-diagnoselabels zijn benoemingen in de zin van Koefoed (1993) omdat zij, evenals de termin de brontaal, naam geven aan een nieuw begrip. (Koefoed noemt hiervoor als voorbeeld: een nieuwproduct, een pas ontdekt of beter “gesteld” syndroom of een wetenschappelijk postulaat Koefoed,1993:3, zie ook 1.3.4). Een benoeming is nooit een naam alleen; het roept associaties op met eenbepaald discours en de betekenis wordt herleid uit de kennis van de (algemene en vak)taal.Verpleegprobleem en verpleegkundige diagnoseVeel verpleegkundigen in Nederland werken (nog) niet met diagnoses, maar wel met zogenaamdeverpleegproblemen. Vandaar dat er in de enquête wordt gevraagd naar hun oordeel over een vaakvoorkomend verpleegprobleem. Verpleegprobleem en verpleegkundig diagnoselabel worden hiermee 37synoniem. In de literatuur die tot 1996 is verschenen, was dit echter wel vaker het geval . Bovendienwordt dit gelegitimeerd door de beslissing die tijdens de consensusbijeenkomst van deVerpleegkundige Wetenschappelijke Raad in 1992 werd genomen om voorlopig (bij gebrek aan eengoede definitie) te blijven spreken van verpleegproblemen in plaats van diagnoses (Ten Holte,1992). Een tweede reden om te spreken over ‘verpleegproblemen’ is door de terminologie (devertalingen) binnen het mogelijke verpleegkundige discours van de afdeling te plaatsen. Is ditbegrijpelijke en/of toepasselijke taal op de afdeling?Bij het samenstellen van de enquête ben ik op zoek gegaan naar alle vertalingen van NANDA-diagnoselabels die op dat moment te vinden waren. De bronnen varieerden van scriptiesverplegingswetenschap tot artikelen in de verpleegkundige tijdschriften, een proefschrift en recente37 Zie hierover ook het artikel van P. Leih en C. Salentijn, Verpleegkundige diagnoses, betekenis, classificatie en vragen in Verpleegkunde 1991/1992, 1, pp. 3-10. 27
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekuitgaven in boekvorm, als Gordon 1995a. In bijlage D is een lijst van alle gebruikte bronnen te vinden.Zie ook 1.3.4 onder werkvertalingen.Vier bronnen dienen, ieder om een andere reden, expliciet te worden genoemd.Allereerst is dat natuurlijk de eerste professionele vertaling van het gehele corpus van de diagnoses,die ik toeschrijf aan Wim Seunke maar die ongetwijfeld tot stand is gekomen in overleg met anderen,zoals verplegingswetenschapster Marijke de Hullu die officieel de Handleiding verpleegkundigediagnostiek 1995-1996 op haar naam heeft staan (met identieke labelvertalingen als Gordon 1995a)en vertaalster Ingrid van Pinxteren. Er zijn eerder boeken geschreven over verpleegkundige diagnostiek in Nederland: Brugginken Regeer geldt voor velen als het eerste boek ooit over verpleegkundige diagnostiek. Dat is echteralleen waar als Townsend 199038, specifiek over de verpleegkundige diagnostiek in de psychiatrie,niet wordt meegerekend. Tot slot is er de ‘vertaling’ van George Evers (ADL-afhankelijkheid; zie werkvertalingen inparagraaf 1.3.4).SelectieEr bestonden in 1996 zon 108 labels. Voor een enquête is het niet mogelijk om meer dan een kleinaantal labels ter beoordeling voor te leggen, daarom leek het me verstandig om (als streefgetal) nietmeer dan 10 labels te selecteren.Ik ging op zoek naar labels die:1. liefst veel verschillende vertalingen opleveren in de Nederlandse literatuur (op zich geen selectiecriterium) of op z’n minst lastig zijn te vertalen;2. relatief bekend zijn als begrip op de afdeling (dit zal steeds voor de zekerheid in de enquête worden gevraagd);3. zo gevarieerd mogelijk zijn (met betrekking tot vertaalproblemen, qualifiers etc.);4. geen diagnoses van welbevinden aanduiden (de zogenaamde wellness nursing diagnoses: dit zijn diagnoses die aangeven dat alles goed gaat, zoals: effectieve borstvoeding. Behalve het feit dat deze diagnoses indruisen tegen wat je van een diagnose zou verwachten39, komen ze waarschijnlijk nauwelijks voor op een verpleegafdeling van een algemeen ziekenhuis).5. De labels mogen daarnaast niet te specifiek zijn, want anders is de kans op non-response te groot.Om een keuze te maken tussen de verschillende labels heb ik op basis van deze vijf puntenselectiecriteria geformuleerd. De gebruikte criteria en het selectieproces zijn uiteengezet in bijlage E.Na het toepassen van de selectiecriteria zijn uiteindelijk 9 labels overgebleven (zie tabel 2.1).38 In deze scriptie is de eerste vertaling van Townsend gebruikt (1e druk).39 Deze betekenis wijkt in ieder geval af van de woordenboekbetekenis van diagnose. 28
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekTabel 2.1 Overzicht geselecteerde labels met gevonden vertalingen(Een sterretje betekent dat de vertaling is aangetroffen zonder vermelding van het Amerikaanse label)1. High Risk for Fluid Volume Deficit Dreigend vochttekort (Gordon 1995a, 1995b) Dreigende negatieve vochtbalans (Stevens, 1995) Gevaar voor vochttekort (HBO-V Groningen) Gevaar voor negatieve vochtbalans (samengesteld uit Evers, VR 1993) (Ewals & Oudenhoven, 1992) Risico op negatieve vochtbalans (Karel, 1994) Risico van dehydratie (McFarlane (vd Peet) 1985*)2. Impaired Adjustment Verminderd aanpassingsvermogen (Gordon 1995a) Belemmerde aanpassing (Bruggink & Regeer 1992) Geblokkeerde ziekteaanpassing (Evers, VR, 1993) Aanpassingsproblemen (VPD&I, 1995*)3. Impaired Physical Mobility Mobiliteitstekort (Gordon 1995a, 1995b) Verstoorde mobiliteit (VP 1993, 5, 24) Verminderde lichaamsbeweging (Evers, VR, 1993) Onvermogen om te bewegen (Schout, 1995*, verhoogd risico voor...) Beperkte fysieke mobiliteit (Karel, 1994) Beperkte beweging (van hand/arm/etc.) (v Rest, 1992*) Verstoorde lichamelijke mobiliteit (Ewals & Oudenhoven, 1992)4. Altered Nutrition: Less than Body Requirements Voedingstekort (Gordon 1995a+b) Veranderde voeding: minder dan het lichaam nodig heeft (Bruggink & Regeer 1992) Verstoorde inname van voeding, minder dan de stofwisselingsbehoefte (TvZ 1995, 20, 597) Ontoereikende voedselopname (Evers, 1991) (Evers, VR, 1993) (Karel, 1994) Ontoereikende opname van voeding (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Verandering in het voedingspatroon (...)(Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*) Opname van voeding: te weinig (VPD&I, 1995*) Gewijzigde opname van voeding: minder dan stofwisselingsbehoefte (Ewals & Oudenhoven, 1992)5. Altered Health Maintenance (specify) Tekort in gezondheidsonderhoud (Gordon 1995a, 1995b) Veranderde zorg voor de gezondheid (Bruggink & Regeer 1992) Onvermogen tot gezonde leefwijze (Hunt 1993) Wijzigingen in de instandhouding van de gezondheid (Stevens, 1995) Onvermogen om hulp te zoeken bij gezondheidsproblemen (Evers, 1991) Onvermogen tot hulp zoeken bij gezondheidsproblemen (Evers, VR, 1993) Veranderde handhaving van de gezondheid (VPD&I, 1995*) Wijziging in het instandhouden van de gezondheid (Ewals & Oudenhoven, 1992)6. Altered Thought Processes Verstoord denken (Gordon 1995a, 1995b) (Bruyns & Buskop 1996) Verstoord denkproces (HBO-V Groningen) Gestoord denken (Evers, VR, 1993) Wijziging40 in het denkproces (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) (Ewals & Oudenhoven, 1992) Veranderde denkprocessen (Karel, 1994)40 Zie vorige noot en voetnoot in bijlage B. 29
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoek7. Impaired Social Interaction Inadequate sociale interactie (Gordon 1995a) (Evers, VR, 1993) Verstoorde sociale interactie (Roelofs 1993) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Gestoorde sociale interactie (Townsend, 1990*) Tekortschietende sociale interactie (Schout, 1995*) Communicatiestoornissen in de omgang met anderen (Eliens, et al, 1993*) Problemen met de sociale interactie (Begrippenkader Verpleegkunde, WCC werkconferentie, 1993)8 Ineffective Airway Clearance Ineffectieve luchtwegreiniging (Gordon 1995a, 1995b) Ineffectieve luchtwegen (Bruggink & Regeer 1992) Ineffectief ophoesten (Evers, VR, 1993) Niet doelmatig bronchiaal toilet (Stevens, 1995) Moeite met ophoesten van slijm (McFarlane (vdPeet) 1985*) Inadequate reiniging van de luchtwegen (Ewals & Oudenhoven, 1992)9 Self-Care Deficit: Bathing/Hygiene Zelfstandigheidstekort in wassen (specifieer niveau) (Gordon 1995a) Zelfzorgtekort (wassen/hygiene) (Bruggink & Regeer 1992) ADL-afhankelijkheid (Evers, zie V 1991/2, 1, 7) Afhankelijkheid bij lichaamsverzorging (Evers, VR 1993) Gebrekkige zelfverzorging (....) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) 41 Moeite met zelfstandig wassen (McFarlane (Van de Peet) 1985*) Tekort in de zelfverzorging (Ewals & Oudenhoven, 1992) Zelfzorgtekort (lichamelijke hygiëne) (HBO-V Groningen)(c) redenenIn de overdenkingen en bevindingen in hoofdstuk 1 zijn een aantal onderwerpen naar boven gekomendie belangrijk zijn voor de verpleegkundige vaktaal. Op basis daarvan heb ik een aantal redenengeformuleerd, waarom verpleegkundigen een formulering geslaagd of niet geslaagd zouden kunnenvinden (zie tabel 2.2). Van de achterliggende overwegingen zijn discours (de manier van pratenbinnen de setting waar de verpleegkundige werkt), professionalisering (het belang van een eigenverpleegkundige vaktaal) en de middenpositie van verpleegkundigen (communicatie met patiëntenmaar ook met diverse vakdisciplines) het belangrijkst. Ook vraag ik expliciet naar een oordeel over hetNederlands (mooi/lelijk en bondigheid/helderheid). Het spreekt voor zich dat niet alle thema’safzonderlijk van elkaar bestaan maar met elkaar verband houden. De positieve en negatieve varianten van de redenen zijn niet in dezelfde volgorde in de enquêtegezet. Bijvoorbeeld: de reden die is gerelateerd aan communicatie met patiënten, staat in zijnpositieve formulering (bij de ‘redenen voor de meest geslaagde formulering’) op de tweede plaatsmaar in de negatieve formulering (bij de ‘redenen voor de minst geslaagde formulering’) op de vierdeplaats. Deze volgorde is wel in de gehele enquête consequent. Aangezien de redenen nooit uitputtend kunnen zijn en ik niemand ‘de woorden in de mond zouwillen leggen’, is ook de optie ‘Anders, namelijk...’ toegevoegd.41 Moeite met zelfstandig wassen (McFarlane (Van de Peet) 1985* is het enige label dat is afgeleid van een ander: moeite met zelfstandig eten) 30
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekTabel 2.2 - Bevraagde redenen in de enquête met achterliggend thema + Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. - Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. Gerelateerd aan: mondelinge communicatie (vooral met collega’s), discours + Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. - Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. Gerelateerd aan: communicatie met patiënten – algemene taal + Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. - Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. - Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). Gerelateerd aan: vakinterne communicatie, professionalisering, discours + Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. - Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. Gerelateerd aan: transdisciplinaire communicatie + Zo noemen we dit nu eenmaal. Gerelateerd aan: discours + Klinkt professioneel en verpleegkundig. - Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. - Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). Gerelateerd aan: professionalisering, discours + Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). - Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). Gerelateerd aan: esthetisch gevoel over het taalgebruik (zie paragraaf 1.3.3) + Is kort en krachtig. - Is te kort en daardoor te vaag. - Is te lang en is daardoor niet praktisch. Gerelateerd aan: bondigheid versus helderheid, relatie met algemene taal (zie ook paragraaf 1.3.4)2.1.2 Vraag twee(2) Geven deze verpleegkundigen de voorkeur aan andere vertalingen dan de meest professionele (en welke redenen geven zij daarvoor)?In de bovenstaande vraag, dienen de ‘professionele’ en ‘andere vertalingen’ te worden toegelicht.Voor de redenen blijft het bovenstaande (tabel 2.2) van toepassing.(a) professionele en andere vertalingenIn ongeveer twintig verschillende bronnen zijn vertalingen aangetroffen die voor de enquête zijngebruikt. Een overzicht van de bronnen is in de bijlage te vinden (bijlage D). De verschillende bronnen 31
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekmaken deel uit van wat onder ‘verpleegkundige vakliteratuur’ kan worden verstaan. Het betreft allepublicaties (artikelen, syllabi, boeken) of doctoraalscripties van verplegingswetenschappers oververpleegkundige diagnostiek en het zijn geen teksten uit de verpleegkundige praktijk. In de meestegevallen werd het Amerikaanse label in dezelfde tekst genoemd. In een enkel geval (aangeduid meteen ster in tabel 2.1) werd het Engelstalige label niet vermeld maar bleek uit de context overduidelijkdat het een vertaling van een NANDA-label betrof. De meeste vertalingen zijn door niet-professionelevertalers gemaakt.Ik verwijs voor informatie over de vertalingen en voor de skoposinformatie van de professionelevertaling graag naar paragraaf 1.3.4. De belangrijkste verschillen tussen de professionele vertaling ende vertalingen die door verplegingswetenschappers zijn gemaakt, zijn dat in de professionele(Gordon-)vertaling alle tot dan toe bestaande NANDA-diagnoselabels als een corpus zijn vertaald endat dit op een beredeneerde manier is gebeurd met oog voor de qualifiers, de definities van dediagnoses, cultuurverschillen, begrijpelijkheid en eenvoud. Daarnaast moet worden opgemerkt dat erveel ‘Oremiaanse’ verwoordingen in de vertaling zijn te vinden. (Zie ook 1.3.2 Verpleegkundigedenkscholen en taal.)2.1.3 Vraag drie(3) Zijn er verbanden te leggen tussen het oordeel van de verpleegkundigen en buitentalige, sociolinguïstische factoren die in de enquête zijn bevraagd (bijv. leeftijd, functie, opleiding)?Het gaat om de vraag of er verband is tussen de keuzen voor de formuleringen en de redenenenerzijds en factoren als leeftijd, opleiding, bekendheid met bepaalde literatuur, of er al dan niet op deafdeling wordt gewerkt met verpleegkundige diagnostiek of met een bepaald(e) verpleegkundig(e)model/theorie anderzijds. Om deze vraag te kunnen stellen, zullen hier onder (a) statistischeverbanden en onder (b) factoren die in de enquête zijn bevraagd, worden toegelicht.(a) statistische verbandenEr zijn een aantal statistische berekeningen waarmee kan worden vastgesteld of twee variabelen metelkaar samenhangen of niet. Hiermee kan worden nagegaan of het verband dat is gevonden tussenbijvoorbeeld leeftijd en de voorkeur voor één bepaalde vertaling van een label, groter is dan op basisvan toeval verwacht mag worden. Als dit verband groter is dan mag worden verwacht noemt men ditsignificant (statistisch duidelijk). Over de aard van de relatie is daarmee echter officieel nog nietsbekend. Het is dus niet mogelijk om te zeggen dat er sprake is van een oorzakelijk verband. Eenveelgebruikte significantiegrens is p < 0,05. Dit betekent dat de kans dat de conclusie (‘er is eenverband tussen de variabelen’) ten onrechte wordt getrokken, kleiner is dan 5%. Voor een vervolg vande statistische uitleg en analyse verwijs ik graag naar hoofdstuk 3. 32
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoek(b) factoren die in de enquête zijn bevraagdIn het eerste deel van de enquête (zie bijlage C) zijn verschillende vragen gesteld over deverpleegkundigen zelf en de afdeling waar zij werkzaam zijn.1 In welke instelling en op welke afdeling bent u werkzaam? Deze vraag houdt verband met zaken als discours, de werkwijze en eventuele verpleegkundige visie die daaraan ten grondslag ligt en het specialisme van de afdeling. Het is mogelijk dat over alle respondenten genomen de verpleegkundigen geen eensluidend oordeel hebben over de verschillende formuleringen maar dat zij dit per afdeling (of per specialisme) of per instelling wél hebben.2 Hoe lang bent u op deze afdeling werkzaam? De tijdsmarkeringen in deze vraag zijn enigszins willekeurig maar ik wilde in ieder geval onderscheid maken tussen verpleegkundigen die nog geen jaar op een afdeling werken en mensen die al langer werkzaam zijn en al in de werkwijze en het taalgebruik van de afdeling zijn ingeburgerd.3 Wat is uw leeftijd? Gezien de opmerkingen van Annie van Eindhoven (zie 1.3.3), is leeftijd een variabele die van invloed kan zijn op hoe de formuleringen worden ervaren. Dis is uiteraard vaker een variabele in het sociolinguïstisch onderzoek.4 En uw geslacht? Mogelijk is dit totaal niet van belang, maar voor alle zekerheid is deze veel gehanteerde variabele bevraagd.5 Welke verpleegkundige functie heeft u? Deze variabele kan van belang zijn, gezien de bekendheid met de ‘verpleegkundige discussie’ en de invloed op en kennis van het afdelingsbeleid. Bovendien kan ik bij vragen 11, 12, 13 en 14 (bijvoorbeeld over de verpleegkundige visie en werkwijze van de afdeling) het antwoord van afdelingshoofd of teamleider/teamoudste als uitgangspunt nemen als er bij de overige respondenten van dezelfde afdeling onduidelijkheid over die lastige vragen bestaat. Aan de verschillende functies kleeft ook een mate van gesocialiseerd zijn in een vakgebied en het bijbehorend taalgebruik.6 Welke verpleegkundige opleiding heeft u gevolgd of volgt u op dit moment? 33
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoek Zoals vermeld bestaan er veel verschillende verpleegkundige opleidingen. Mogelijk wordt er op een HBO-V meer aandacht besteed aan verpleegkundige diagnostiek, terwijl er in andere 42 opleidingen geen aandacht aan wordt besteed.7 Wanneer heeft u de bovenstaande verpleegkundige opleiding gevolgd? Deze vraag dient als nadere specificering van vraag 6.8 Wanneer bent u opgeleid in de verpleegkundige diagnostiek? Deze vraag is opgenomen omdat verpleegkundigen na hun vakopleiding uiteraard ook bijscholing ontvangen.9 Hoe/waar heeft u kennisgemaakt met verpleegkundige diagnostiek? Een specificering van vraag 8 en geeft ook andere situaties (o.a. klinische lessen, workshops, werkervaring elders) waarmee verpleegkundigen in aanraking kunnen zijn gekomen met verpleegkundige diagnostiek.10 Welke boeken werden er gebruikt toen u kennismaakte met verpleegkundige diagnostiek en/of worden op de afdeling als naslagwerk gebruikt? (Kruis één of meerdere antwoorden aan.) Bij deze vraag worden meerdere boeken genoemd die in Nederland tot dan toe op het gebied van de verpleegkundige diagnostiek zijn verschenen. De lijst kent Engelstalige en vertaalde werken, waaronder de Gordon-vertalingen van Wim Seunke, de werken van Van der Peet (Oremiaans) en de vertaling van Townsend (1990), om te kunnen controleren of de respondenten al voorkennis hadden over één van de vertalingen die in de enquête zijn opgenomen. Ook wordt gevraagd naar readers en handouts zoals die bijvoorbeeld voor een workshop of klinische les op de afdeling kunnen zijn gebruikt. Als deze optie wordt aangekruist, is er zeker sprake van voorkennis maar dan is uiteraard niet te achterhalen welke vertaling de respondent heeft leren kennen.11 In hoeverre wordt er op uw afdeling gewerkt met verpleegkundige diagnostiek? (Eén antwoord aankruisen.) Bij deze vraag wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende fasen waarin de verpleegkundige diagnostiek kan worden toegepast op de afdeling. Het onderscheid tussen de drie genoemde opties heb ik met behulp van verplegingswetenschappers gedefinieerd.12 Sinds wanneer wordt er op uw afdeling (in meer of mindere mate) met verpleegkundige diagnostiek gewerkt? (Eén antwoord aankruisen.) Een specificering van vraag 11.42 Diagnosticeren is voorbehouden aan verpleegkundigen met het hoogste deskundigheidsniveau maar alle verpleegkundigen zullen met het onderwerp verpleegkundige diagnostiek in hun opleiding worden geconfronteerd. 34
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoek13 Wordt er op uw afdeling gewerkt vanuit een bepaalde verpleegkundige theorie of model? Een belangrijke vraag, gezien de invloed van de verpleegkundige visie op het taalgebruik. Zie hiervoor ook 1.3.2.14 Hoe is de verpleging/begeleiding van patiënten op uw afdeling georganiseerd? Een taakgericht verpleegsysteem kent meer hiërarchie, een patiëntgericht verpleegsysteem wat minder: er is sprake van gedeelde verantwoordelijkheid, werken als team. Zie ook Interpretatie verpleegkundige diagnose in verpleegkundig proces in paragraf 1.3.4.15 Volgt u de discussie over de invoering van de verpleegkundige diagnostiek in Nederland? Deze mogelijkheid is altijd nog aanwezig als verpleegkundigen geen opleiding of bijscholing hebben genoten op het gebied van de verpleegkundige diagnostiek. Daarom is deze vraag voor de zekerheid opgenomen.In tabel 2.3 is een overzicht opgenomen van de variabelen die van toepassing kunnen zijn bij debeantwoording van de derde onderzoeksvraag.Tabel 2.3 – Variabelen statistisch onderzoek in relatie tot enquêtevraag (tussen haakjes)1. labelnummer (vraag 16 t/m 24 afzonderlijk)2. enquêtenummer (per verpleegkundige)3. beste formulering (keuze per label dus per vraag 16 t/m 24)4. slechtste formulering (idem)5. reden beste formulering (idem)6. reden slechtste formulering (idem)7. frequentie VP op afdeling (alle d-vragen van 16 t/m 24 afzonderlijk)8. instelling (vraag 1)9. afdeling (vraag 1)10. specialisme (indirect vraag 1)11. hoe lang op afdeling (vraag 2)12. leeftijd (vraag 3)13. geslacht (vraag 4)14. functie (vraag 5)15. verpleegkundige opleiding (vraag 6)16. wanneer verplk. opl. (vraag 7)17. wanneer opleiding VD (vraag 8)18. waar/hoe kennismaking VD (vraag 9)19. boeken (vraag 10)20. mate VD op afdeling (vraag 11)21. tijd VD op afdeling (vraag 12)22. verpleegkundig(e) model/theorie (vraag 13)23. afdelingsorganisatie (vraag 14)24. volgen discussie VD (vraag 15)25. frequentie VP op afdeling (d-vragen van 16 t/m 24) 35
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoek2.2 Opzet van de enquêteIn de enquête vraag ik verpleegkundigen naar hun oordeel over ‘verschillende manieren waarop eenverpleegprobleem onder woorden kan worden gebracht’. Ik hoop te achterhalen welke formuleringenzij het meest geslaagd vinden en ook een idee te krijgen van de achterliggende reden(en). In Deel Ivan de enquête worden algemene vragen gesteld over de opleiding en de afdeling. De kern van deenquête bestaat uit vraag 16 t/m 24 (vooral a t/m c) in deel II. De formuleringen in de a-vragen zijnvertalingen die ik uit de verpleegkundige vakliteratuur heb verzameld. Ik vraag de verpleegkundigenom de formuleringen te beoordelen en een rangorde aan te geven. Vervolgens kunnen zij de redenaangeven waarop de in hun ogen meest geslaagde keuze is gebaseerd (de b-vragen) en de redenwaarop de in hun ogen minst geslaagde keuze is gebaseerd (de c-vragen). Zie bijlage C voor degehele enquête.Figuur 2.4 - Voorbeeld van een a-vraagU ziet hier 7 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleemonder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 7) a ...... Beperkte fysieke mobiliteit b ...... Verstoorde mobiliteit c ...... Mobiliteitstekort d ...... Verminderde lichaamsbeweging e ...... Onvermogen om te bewegen f ...... Beperkte beweging (van hand/arm/etc.) g ...... Verstoorde lichamelijke mobiliteitAnonieme idiomen of vermomde vertalingenDe meeste respondenten die ik voor het onderzoek had benaderd (zie 2.4) hadden toen zij deenquête invulden al wel van NANDA gehoord en werkten voornamelijk met zogenaamdeverpleegproblemen. Vandaar dat er in de enquête wordt gevraagd naar hun oordeel over een vaakvoorkomend verpleegprobleem. Op sommige van de geselecteerde afdelingen werd ook al enigszins 43met een verpleegkundige diagnostiek gewerkt (zie ook 2.1.1). De vertalingen van de NANDA-diagnoselabels werden als anonieme idiomen gepresenteerd en met opzet niet als vertaling. Devertalingen werden als het ware vermomd als formulering van een verpleegprobleem. Om die redenzijn de Engelse termen niet bij de enquêtevragen genoemd en is alleen ‘met kleine lettertjes’ naar deNANDA-achtergrond van de formuleringen verwezen (zie bijlage C). De idiomen worden binnen decontext van de verpleegkundige beroepspraktijk op de afdeling beoordeeld.De enquête bevat vele vragen op het gebied van de verpleegkundige diagnostiek. In deel I zijn datvraag 8, 9, 10, 11, 12 en 15. Daarmee wordt feitelijk al een hint gegeven dat de namen van deverpleegproblemen feitelijk als diagnoselabel op te vatten zijn.43 Door verpleegkundigen met een bepaald deskundigheidsniveau. 36
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekOmdat het oordeel van de individuele verpleegkundige kan afwijken van de terminologie die op deafdeling wordt gehanteerd, is vraag e van 16 t/m 24: Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdelinggenoemd? Om te controleren of de verpleegkundigen een concept herkennen en hetverpleegprobleem wel eens op de afdeling tegenkomen, wordt in vraag d gevraagd: Hoe vaak is ditverpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? Overigens was één van de selectiecriteria voor hetonderzoek dat de formulering een vaak voorkomend verpleegprobleem moest betreffen (zie bijlage E).Context – nogmaals namen en begrippenDe labels moesten helaas buiten iedere context om, als opzichzelfstaande woorden/woordgroepen terbeoordeling worden voorgelegd. Als ik bijvoorbeeld een casus in de enquête had opgenomen, zou ditsturend hebben gewerkt in de beoordeling. De aangeboden formuleringen dienden dus onderling alscontext voor elkaar en moesten een verpleegprobleem oproepen dat voor de verpleegkundigenherkenbaar was. Anders gezegd: ik stelde de respondenten de metatalige opdracht om aan de‘namen’ een ‘begrip’ te verbinden en op basis van het begrip dat is opgeroepen de namen tebeoordelen. Deze aanpak heeft zijn beperkingen, maar er was geen alternatief voor handen.In de volgorde van de labels heb ik rekening gehouden met dit probleem. Het eerste label leek mij eenvan de duidelijkste. Daarom kwam die al in de eerste vraag (16) aan bod. Ik kon daarna gebruikmaken van een leereffect zodat de volgende vragen gemakkelijker konden worden beantwoord. Datde meeste verpleegkundigen erin slaagden om hun voorkeur te bepalen en ook de d- en e-vragen tebeantwoorden, is wellicht een teken dat deze opzet is geslaagd.De functie van de formuleringen vergemakkelijkt de interpretatie weer enigszins (zie ooksignaalfunctie in 1.3.4). Omdat de formuleringen namen zijn van een verpleegprobleem wordt directeen beroep gedaan op een begrip. Namen roepen een betekenis op. Bij de confrontatie met eennaam trillen als het ware een of meerdere discoursen mee om te kunnen interpreteren wat er wordtbedoeld. Als bekend is waar de naam aan moet refereren (een verpleegprobleem, een abstractie uitde verpleegkundige praktijk) vergemakkelijkt dit wellicht de interpretatie en is er toch een oordeel tegeven over de formulering.Als verpleegkundigen soms geen verpleegprobleem (laat staan een mogelijke diagnose) herkennen inde formulering, dan maken zij dus een keuze tussen verschillende verpleegkundige formuleringen endan levert dit onderzoek nog steeds iets op: welke formuleringen vinden verpleegkundigen het best?Wat is daarbij van belang? Mogelijk zijn er ook dan overeenkomsten te vinden tussen wat goede enwat slechte formuleringen worden bevonden en de redenen daarvoor. Tijdens de proefronde van deenquête werd gelukkig bevestigd dat door de formuleringen een beeld van een verpleegprobleemwerd opgeroepen. Ook de associatie met verpleegkundige diagnostiek werd gelegd.Helderheid en invulgemakDe a-vragen bleken redelijk inspannend om in te vullen. Daarom heb ik op aanraden van deproefrespondenten besloten om de b- en c-vragen te vereenvoudigen door ze stapsgewijs te 37
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekpresenteren. Na het oordeel over de formuleringen (in rangorde) volgen twee vragen over deachterliggende motivatie voor de keuze van de meest en de minst geslaagde labels. Eerst wordt eenkeuze gemaakt voor drie redenen en daarna wordt gevraagd welke van de drie redenen de meestdoorslaggevende is. De volgorde van de redenen zijn daarbij met opzet in alle vragen (16 t/m 24)identiek.2.3 VerwachtingenOndanks de sombere publicaties over het gebrek aan eenduidige vaktaal, denk ik datverpleegkundigen wel degelijk een gelijkluidend oordeel kunnen geven over hoe je iets wel of nietzegt– of zou moeten zeggen binnen de verpleging. Ik denk wel dat de gelijkluidendheid onder invloedkan staan van de sociale, communicatieve en vaktalige context. Ik hoop en verwacht dus dat er voorieder label een significante ‘beste’ en/of ‘slechtste’ uit de bus komt. Wat betreft de achterliggenderedenen vermoed ik dat vooral de redenen die verband houden met de ‘algemeen taal’ naar bovenzullen komen. Niet omdat verpleegkundigen geen eigen vaktaal zouden hebben, maar omdat zij - naarmijn ervaring en zoals blijkt uit de literatuur - hechten aan duidelijk taalgebruik. Er zijn veel invloeden van de Orem-taal in de professionele vertaling Gordon 1995a en 1995bte vinden. Daarnaast is de ‘doordachtheid’ van de vertaling buiten de context van het hele corpus vandiagnoses in de enquête niet altijd zichtbaar. Daarom vermoed ik dat de professionele vertalingen nietnoodzakelijk als de beste formuleringen zullen worden beoordeeld. Met betrekking tot de taalexterne factoren vermoed ik dat het ‘specialisme’ of het discours vande afdeling - met andere woorden: de taalgemeenschap per locatie - van invloed kan zijn op deuitslag. Ook het al dan niet bekend zijn met bepaalde boeken is van belang en mogelijk een genotenopleiding. Daarnaast vermoed ik dat er regelmatig een significant verband zal zijn tussen hetverpleegkundige model dat dominant is op de afdeling en de keuze voor de formuleringen.Over de afzonderlijke labels zal ik geen uitspraken doen, maar ik vermoed wel dat ADL-afhankelijkheid als beste uit de bus zal komen, omdat deze term het beste aansluit bij hetverpleegkundige discours.In de nu volgende paragraaf zal ik eerst kort uiteenzetten hoe ik met het testen en verspreiden van deenquête te werk ben gegaan en daarna zullen we in het volgende hoofdstuk zien of de bovenstaandeverwachtingen uitkomen. 38
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoek2.4 WerkwijzeHet enquêteonderzoek naar de beoordeling van de vertaalde NANDA-diagnoselabels werd uitgevoerdin de zomer van 1996. In de lente daarvoor ben ik uitgebreid op zoek geweest naar vertalingen van dediagnoselabels. Ik bezocht daarvoor de medische bibliotheek van de UU en ook die van de HBO-V inUtrecht en Eindhoven. Op basis van mijn onderzoeksvragen heb ik daarna de eerste opzet van deenquête gemaakt (deel I en in algemene termen deel II). Ik heb contact gezocht met meerdereverplegingswetenschappers over het onderwerp verpleegkundige diagnostiek (vooral via mijn stage). 44Ik sprak daarnaast met Huib ten Napel van het WCC en Claudia Gamel (Amerikaansverplegingswetenschapster en NANDA-lid in Nederland). Na het formuleren van de selectiecriteria ende toepassing daarvan zijn uiteindelijk negen labels in de enquête opgenomen. Daarna zijn er tweeproefrondes geweest. De eerste toetsing werd verricht door Giovanna van IJzendoorn(verpleegkundige GG&GD Tiel). Op basis van het commentaar van Giovanna heb ik enkeleverbeteringen aangebracht en de enquête voorgelegd aan Herman Niekerk (verpleegkundige enmaatschappelijk werker). Om het onderzoek zo uitvoerbaar mogelijk te maken heb ik vooraf ookadviezen ingewonnen bij Hugo Quené (Fonetiek UU) over de statistische opzet van het onderzoek.Ook na de proefrondes is nog enigszins geschaafd aan de enquête, veelal ingegeven doorgesprekken met informanten en met de heer Fons de Jonge van het Eemland Ziekenhuis (ziehieronder). Zo is bijvoorbeeld de terminologie van de verpleegkundige functies (vraag 5 van deel I)verbeterd. Hoewel een van de labels een grammaticaal foutje bevat (risico van dehydratie) heb ik die uitprincipe (‘dit is wat ik heb aangetroffen in de literatuur – het is immers een citaat’) laten staan.Uiteraard wilde ik de enquête op zoveel mogelijk locaties testen en liefst ook op inhoudelijk sterk vanelkaar verschillende afdelingen. Ik dacht in eerste instantie aan het contrast tussen de PAAZ(Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis) en de andere (somatische) afdelingen van eenalgemeen ziekenhuis. Ook heb ik aan een IC (Intensive Care) afdeling gedacht en dan in contrast metde PAAZ en een chirurgische afdeling (bijvoorbeeld kaakchirurgie). Verpleegkundigen hebben op een IC-afdeling te maken met sterk wisselende toestanden,waarbij plotseling moet worden ingegrepen en waarbij vitale functies als ademhaling, bloeddruk,hartminuutvolume, enzovoort constant in het oog worden gehouden. Verpleegkundig werk op de ICvereist een speciale opleiding. Er wordt veel gewerkt met technische apparatuur en het werk is zeeringewikkeld en veelomvattend. Patiënten op een IC-afdeling kunnen soms moeilijk communiceren(bijvoorbeeld als ze geïntubeerd zijn voor kunstmatige beademing - dan kan de communicatieeventueel op non-verbale wijze verlopen). Op een afdeling kaakchirurgie kunnen patiënten ook moeitehebben met verbale communicatie en ook het eten en drinken kan lastig zijn. Verder is de toestandvan de patiënt minder ernstig dan op een IC en zijn de patiënten veel meer mobiel. Een kaakoperatie44 Vaste Commissie voor Classificaties en Definities (vroeger: Werkgroep Coderingen en Classificaties) 39
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekis op een heel andere manier lastig voor de voorziening in levensbehoeften als ademhaling envoeding/drinken.In de praktijk moest ik natuurlijk afwachten of ik in de afdelingen die ik mocht enquêteren een keuzehad.Met het oog op de geografische spreiding leek mij een steekproef van zeker drie ziekenhuizennoodzakelijk, aangezien de verpleegkundige opleidingen zich vaak rond bepaalde plaatsenconcentreren. Binnen die ziekenhuizen wilde ik dan liefst drie of vier sterk van elkaar verschillendeafdelingen treffen en liefst per ziekenhuis dezelfde afdelingen. In de praktijk was dit niet altijd mogelijk.In de TvZ, Tijdschrift voor verpleegkundigen trof ik een artikel van Ans Elzinga et al (1996) die verslagdeed van de toetsing van de diagnostische fase op de afdeling Gynaecologie/Verloskunde van hetAMC (‘De diagnostische fase getoetst’). In dat artikel werd verslag gedaan van een project om deformulering van verpleegproblemen te verbeteren. Men was op die afdeling heel bewust beziggeweest met de eigen verslaglegging door eerst de voorschriften los te laten en bij wijze van sprekende verpleegproblemen als in een brief naar eigen inzicht te formuleren en daarna de eigen 45verslaglegging te toetsen. Omdat men gewend was te reflecteren op het eigen taalgebruik leek mijdeze afdeling bij uitstek geschikt voor mijn onderzoek. Ik besloot telefonisch contact op te nemen entrof de heer Peltenburg bereid om mee te doen. Ik mocht de enquêtes komen brengen op de afdelingwaar de enquêtes in de persoonlijke postvakken zouden worden gedeponeerd. Ik kreeg kort degelegenheid om de teamleider uitleg te geven (en een begeleidende brief te overhandigen). Deenquêtes zouden centraal worden verzameld bij het afdelingshoofd. Er zou ook nog voor me wordengeïnformeerd naar de bereidheid van andere afdelingen om mee te doen. Uiteindelijk zijn er 26enquêtes verspreid:AMC in Amsterdam – via (collega van) Hans Peltenburg - afdeling H5 ZuidAfdeling: Gynaecologie: 15 stuks Dermatologie: 11 stuks Totaal: 26 enquêtesVia mijn informant in Nijmegen had ik begrepen dat het St. Radboud Ziekenhuis interesse zou kunnenhebben en dat daar al enigszins met verpleegkundige diagnostiek werd gewerkt. Uit de literatuur(Tijdschrift Methodiekontwikkeling Verpleegkunde) had ik bovendien begrepen dat zij meewerkten methet project methodiekontwikkeling van de HBO-V Groningen (zie ook paragraaf 1.3.3 Discussies rondde verpleegkundige diagnostiek). Na een gesprek op locatie met onderzoekscoördinator Michel Laus,die de enquête ook aan professor Frederiks heeft laten zien, mocht ik 75 enquêtes opsturen. Dezewerden verspreid over de afdelingen Intensive Care, PAAZ en KNO (keel neus oor). De afdeling45 Criteria waren bijvoorbeeld: is het probleem eigenlijk een standaardprobleem? Stemt de patiënte in met de formulering? Is er één probleem per keer beschreven? Is het probleem beschreven vanuit de behoefte van de patiënte? Is de verwachte tijdsduur van het probleem aangegeven? Zij de oorzaken beschreven? Zijn de kenmerken beschreven? En zo voort. 40
  • Pleegvertalingen – Operationalisering van het onderzoekGynaecologie was wat enquêtemoe geworden en wilde deze keer liever niet meedoen. De enquêteswerden per stuk per post aan mij geretourneerd (door middel van een door mij gefrankeerde envelop).Aangezien ik nu twee academische ziekenhuizen bereid had gevonden waar op verschillendemanieren al enigszins met verpleegkundige diagnostiek werd gewerkt, wilde ik ook graag eenalgemeen ziekenhuis benaderen. Via Herman Niekerk heb ik contact gezocht met het Eemlandziekenhuis te Amersfoort. Bij toeval kwam ik bij de heer Fons de Jonge terecht, sectorhoofd van deverplegingsdienst. Na een telefoongesprek heb ik hem eerst de enquête opgestuurd. Daarna heeft hijmij enthousiast teruggebeld en heeft hij nog wat tips gegeven die in (alle) enquêtes zijn verwerkt.Sinds maart was er in het ziekenhuis een enquêtestop geweest omdat het ziekenhuis werdoverspoeld met onderzoeken. Mijn enquête was het eerste onderzoek dat weer werd toegelaten,vooral omdat het de verpleegkundige communicatie betrof. Het ziekenhuis is vrij groot, het bestaat uittwee locaties en telt in totaal ongeveer 820 bedden. De enquêtes zijn op de volgende afdelingenverspreid:Gynaecologie: 10PAAZ: 30Intensive Care: 30KNO: 10 (+ 4 extra enquêtes voor de afdelingshoofden) Totaal: 84 enquêtesDe enquêtes werden na afloop door de heer De Jonge verzameld en ik heb ze daarna weer bij hemopgehaald.Nadat ik 55 enquêtes had teruggekregen ben ik begonnen met het verwerken van de uitslagen… 41
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenHoofdstuk 3Antwoorden en nieuwe vragen If we cant name it, we cant control it, finance it, research it, teach it, nor put it in public policy. (Lang, N., & J. Clark, 1992)3.1 InleidingHet opzetten van een goede enquête is wellicht al enigszins omslachtig. Het analyseren van degegevens om vervolgens de onderzoeksvragen te beantwoorden, is echter van een geheel andereorde. Dit vergt het vertalen van de gegevens in variabelen en het zoeken naar statistisch significanteverbanden en manieren om deze te berekenen en te laten zien. Bij de opzet van de enquête is alenigszins rekening gehouden met de analyseerbaarheid ervan (zie hoofdstuk 3), een wijze les uit destatistiek. Het doel van het onderzoek blijft uiteindelijk het beantwoorden van de volgendeonderzoeksvragen: (1) Hoe beoordelen verpleegkundigen de verschillende vertalingen van de geselecteerde NANDA-labels en welke redenen geven zij daarvoor? (2) Blijkt uit mijn onderzoek dat verpleegkundigen op de werkvloer de voorkeur geven aan andere vertalingen dan de meest professionele (en welke redenen geven zij daarvoor)? (3) Welk verband is er eventueel te leggen tussen het oordeel van de verpleegkundigen en buitentalige, sociolinguïstische factoren (bijv. leeftijd, functie, opleiding)?In hoofdstuk 2 zijn deze vragen al geoperationaliseerd. Hieronder zal ik eerst uiteenzetten hoe ikstatistisch gezien te werk ben gegaan (3.2) en welke significante uitslagen er voor iedereonderzoeksvraag uit de bus rolden (3.3 en 3.4). In 3.5 volgen daarna enkele gevolgtrekkingen.3.2 Statistische aanpakZoals in hoofdstuk 2 is uiteengezet, bestaat de enquête uit twee delen. Deel 1 bevat enkele vragenover opleiding en achtergrond. Dit vormt de ‘sociolinguïstische setting’ voor de feitelijke enquête die indeel 2 is te vinden. Hierin staan alle vragen over de diagnoselabels. Dit deel bestaat feitelijk uit 9kleine onderzoekjes: één per afzonderlijk diagnoselabel omdat voor ieder diagnoselabel verschillendevertalingen uit verschillende bronnen worden bevraagd. Dit zal ik hieronder toelichten.a-vragenOmdat er over alle labels gezien geen sprake is van een betekenisvolle ordening zijn de a-vragen,anders dan de b- en c-vragen niet overall (labeloverstijgend) te berekenen, dat wil zeggen: ze zijn niet 42
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenmet de variabelen van de gehele enquête in verband te brengen. Er is immers geen correspondentietussen de alternatieven over alle labels (over de a-vragen van 16 t/m 24): als respondenten de tweedeformulering van label 1 aankruisen dan heeft dat totaal geen verband met de tweede formulering vanlabel 2, enzovoort, omdat de bronnen van de verschillende vertaalde formuleringen verschillen. Metandere woorden: de enquête omvat, behalve een algemeen onderdeel, feitelijk negenminionderzoekjes (één per label) die, in ieder geval met betrekking tot de a-vragen, onderlingstatistisch geen verband hebben.Er is een verschillend aantal formuleringen per label in de enquête opgenomen omdat niet bij iederlabel evenveel vertalingen zijn gevonden. Het aantal keuzemogelijkheden in de a-vragen (16 t/m 24)verschilt dus ook per label. Bij label 1 (vraag 16a) zijn er bijvoorbeeld 6 alternatieven, bij label 2 (vraag17a) zijn dat er 4, bij label 3 (vraag 18a) 7 en bij label 4 (vraag 19a) zelfs 8. Ook dit maakt dat dezegegevens alleen per label zijn te analyseren en niet overall.b- en c-vragenBij de b- en c-vragen is wel sprake van een onderling verband. De b- en c-vragen zijn immers voorieder label hetzelfde. Daarom zijn de uitslagen van deze vragen ook labeloverstijgend te beschouwen.Ze zijn dus met de variabelen van de gehele enquête in verband te brengen.Hoewel er een groot aantal variabelen zijn te onderscheiden (meer dan 24) heeft de statistischeanalyse zich beperkt tot de voornaamste vraag van het onderzoek (Vraag één). Het antwoord oponderzoeksvraag twee rolt daar min of meer uit. De derde onderzoeksvraag betreft vooral de relatietussen deel 1 van de enquête en deel 2. Voor de beantwoording van die vraag was het gebruik vanhet statistiekprogramma SPSS onontbeerlijk.3.2.1 ResponsZoals gemeld in 2.4 zijn er in totaal 185 enquêtes uitgezet in drie ziekenhuizen op verschillendeplaatsen in Nederland. Het AMC te Amsterdam kon 26 stuks verwerken (15 op de afdelingGynaecologie en 11 op de afdeling Dermatologie). Het Eemland ziekenhuis in Amersfoort ontving er84 (30 voor de PAAZ op twee locaties, 30 voor de IC-afdelingen (twee locaties); 10 voorGynaecologie, 10 voor KNO (tevens longafdeling); 4 afzonderlijk voor de hoofden met begeleidendebrief. Het St. Radboudziekenhuis te Nijmegen heeft 75 stuks in ontvangst genomen voor 3verschillende afdelingen. In totaal zijn door alle ziekenhuizen samen 55 enquêtes ingevuldgeretourneerd: een respons van 185:55 = 29,7%. Dit is een percentage om tevreden mee te zijn, 46zeker gezien de omvang en moeilijkheidsgraad van de enquête .46 Mijn contactpersonen in de ziekenhuizen waarschuwden mij dat verpleegkundigen veel enquêtes te verwerken krijgen waardoor de respons doorgaans laag blijft. 43
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen Bij het invoeren van de gegevens bleken 8 enquêtes helaas niet volledig te zijn ingevuld. Dezewerden daarom redundant beschouwd. Als criterium voor inclusie ben ik uitgegaan van de volgendenorm: de kernvragen (beste/slechtste/reden beste/ reden slechtste) voor de helft of meer ingevuld, datwil zeggen minimaal 18 antwoorden: (het totaal is 9 labels x 4 vragen = 36 antwoorden). Deovergebleven 47 enquêtes werden genummerd (A t/m BC) en verwerkt.Tabel 3.1 - Respons per ziekenhuis en specialismeZiekenhuis Afdeling Respons Per specialismeEemland Ziekenhuis Psychiatrie (PAAZ) (2 13 Psychiatrie: 20Amersfoort locaties) Intensive Care: 9 Intensive Care 5 Gynaecologie: 7 Gynaecologie 2 KNO/long: 6 KNO & longafdeling 4 Dermatologie: 5AMC Amsterdam Gynaecologie 5 Totaal: 47 Dermatologie 5 Intensive Care 4St. Radboudziekenhuis Psychiatrie 7Nijmegen KNO 23.2.2 Afhankelijke/ onafhankelijke/ moderator variabelenIn tabel 2.3 (in hoofdstuk 2) is een overzicht opgenomen van alle variabelen die in de enquête zijn teonderscheiden. Mijn afhankelijke variabelen47 zijn (per label!) ‘beste’ (3) en ‘slechtste’(4). Er zijnmeerdere onafhankelijke48 variabelen te onderscheiden (reden beste, reden slechtste, specialismeenz.). Dit zijn de variabelen die verband houden met invloeden op een talig oordeel diesociolinguïstisch gezien verwacht kunnen worden. Feitelijk zijn er ook een aantal47 De afhankelijke variabele is de variabele die centraal staat in het onderzoek en die steeds in relatie tot (het effect van) andere variabelen wordt geobserveerd.48 Onafhankelijke variabelen worden door de onderzoeker geselecteerd om het effect van deze variabelen op, of het verband tussen deze variabelen met de afhankelijke variabele vast te stellen. 44
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenmoderatorvariabelen49 te onderscheiden (leeftijd, man/vrouw) maar het onderscheid tussenonafhankelijke en moderatorvariabelen is in dit onderzoek moeilijk te maken.3.2.3 Nominaal / ordinaalDe manier van vragen bij de a-, b- en c-onderdelen van vraag 16 t/m 24, levert schijnbaar ordinalegegevens50 op. Bij de a-vragen ging het mij echter wel degelijk om een rangorde, maar bij de b- en c- 51vragen was ik uit op nominale gegevens . De enquête is met opzet zo ingericht om het beantwoordenvan de enquête te vergemakkelijken. Verpleegkundigen hebben het vaak heel druk en ze hebben,begrijpelijk, weinig geduld voor lastige vragen. Op aanraden van de proefrespondenten heb ik daaromde b- en c-vragen stapsgewijs geformuleerd: ik heb eerst gevraagd om 3 redenen (uit 9) te selecterenen daarna een definitieve keuze te maken. Ik ga in het onderzoek alleen uit van die definitieve keuze.In de praktijk werkte deze aanpak goed.De gegevens van de a-vragen zijn in beperkte zin ordinaal. Er wordt gevraagd om een rangorde aante brengen tussen de verschillende formuleringen; het is dus een meting van de ‘mate vangeslaagdheid’ van de formulering. Toch zijn dit geen typisch ordinale gegevens waarbij om eengradatie van één waarde wordt gevraagd (bijvoorbeeld de waardering van een product uitgedrukt inde cijfers 1 t/m 10). Om die reden heb ik ervoor gekozen de uitslagen van de a-vragen in eersteinstantie in percentages weer te geven. Als bijvoorbeeld 20 van de 42 respondenten de tweedeformulering van label 8 de slechtste vinden, dan is dat een percentage van 47,6%. Om de nuanceringvan de rangorde terug te brengen is daarna een weging toegepast. (Zie 3.2.4.)3.2.4 WegingBij het weergeven van alleen de percentages van de uitslagen ‘beste’ en ‘slechtste’, worden deuitslagen als puur nominale gegevens behandeld maar dat zijn ze toch niet helemaal. Een formuleringkan bijvoorbeeld 3 keer als beste worden aangeduid, maar wellicht wordt deze wel 10 keer als de één49 Een moderatorvariabele is een speciaal type onafhankelijke variabele die de onderzoeker selecteert om te bepalen of de relatie tussen afhankelijke en onafhankelijke variabelen niet wordt beïnvloed door (of veranderd door) de moderatorvariabele.50 Ordinale gegevens (ordinale schaal): de vraag betreft een begrip of kenmerk waarbij sprake is van verschillende gradaties van een waarde (meer of minder). Er bestaat een bepaalde rangorde maar de afstanden tussen de rangen zijn niet meetbaar. Bijvoorbeeld: een onderzoek naar de mate van tevredenheid over cursusaanbod van een school: de ene persoon is meer tevreden dan de andere persoon, of een persoon is over ene cursus meer tevreden dan over de andere.51 Nominale gegevens: het antwoord van de respondent valt in één categorie, van een aantal categorieën die kwalitatief verschillend zijn. Er bestaat geen rangorde tussen de gegevens. Bekende voorbeelden: beroep, geslacht, politieke partij. 45
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenna beste formulering gezien. Dit komt met puur de percentages ‘beste’ niet in beeld. Om die reden is(met de hand) nog eens door alle uitslagen gegaan en zijn evenredige gewichten toegekend aan alleoordelen. Per label is voor ieder mogelijk antwoord gekeken hoeveel keren het als eerste, tweede,derde, enzovoorts is opgegeven. Zie tabel 3.3 voor een voorbeeld. e eLabel 1, antwoord 1a kan op de 1 t/m 6 plaats terechtkomen. Komt het op de eerste plaats, dan krijgthet 6 punten, op de tweede 5 punten enz. Het antwoord met het hoogste aantal punten wordtuiteindelijk vergeleken met de uitslag op basis van percentages meeste voorkeur. Daarnaast werd ookhet aantal keren dat een antwoord als ‘slechtste’ werd gezien afgetrokken van het aantal keren dat hetals ‘beste’ uit de bus kwam. Soms komen daar negatieve getallen uit, zoals in tabel 3.2 en 3.3 is tezien.Tabel 3.2 - Voorbeeld weegmethode - eerste antwoord van label 1Positie antwoord Evenredige NB(label 1, eerste gewichten Dit label stond 3 keer op de 1eantwoord) plaats (meeste voorkeur) en 6Risico op negatieve keer op de laagste plaatsvochtbalans (minste voorkeur), 3 - 6 = -3 e1 plaats x 3 6 pt = 182e plaats x 8 5 pt = 40 e3 plaats x 6 4 pt = 24 e4 plaats x 8 3 pt = 24 e5 plaats x 16 2 pt = 32 e6 plaats x 6 1 pt = 6 144 puntenNadat deze gegevens voor ieder antwoord waren geteld en berekend, is een totaaloverzicht gemaaktper label. Voor label 1, bijvoorbeeld, kwamen daar de onderstaande gegevens uit (tabel 3.4). 46
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenTabel 3.3 - Gegevens alle antwoorden label 1, voor en na wegingLabel 1 Frequentie % Punten na ‘Beste’ - Frequentie % Scoreantwoorden op eerste toekenning Percentage op laagste beste min plaats evenredige op basis van plaats slechtste (beste) gewichten punten met (slechtste) weginga 3 6,4% 144 14,6% 6 12,8% (3–6=) -3risico opnegatievevochtbalansb 6 12,8% 170 17,2% 4 8,5% (6-4=) 2dreigendenegatievevochtbalansc 15 31,9% 209 21,2% 2 4,2% (15-2=) 13dreigendvochttekortd 10 21,3% 176 17,8% 8 17% (10-8=) 2gevaar voorvochttekorte 2 4,3% 140 14,2% 8 17% (2-8=) -6gevaar voornegatievevochtbalansf 11 23,4% 148 15% 19 40,4% (11-19=) -7risico vandehydratie3.2.5 Statistische berekeningenIn 1996 heb ik korte tijd de beschikking gehad over het statistiekprogramma SPSS.6, en zijn debelangrijkste berekeningen gemaakt. Hierbij heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de expertise vanMonique Dontis (destijds Rietveld genaamd) met dat programma op de afdeling psychometrie van defaculteit psychologie. Een flink aantal bewerkingen zijn daarna ook met de hand uitgevoerd (turven)om ontbrekende uitslagen te kunnen berekenen.Met behulp van SPSS.6 zijn de volgende berekeningen uitgevoerd: 47
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen a) percentages ‘beste’ en ‘slechtste’ formulering per labelnummer; b) percentages opgegeven reden voor de keuze van de beste formulering (‘reden beste’) en opgegeven reden voor de slechtste formulering (‘reden slechtste’) per labelnummer; c) per label chikwadraattoetsen tussen ‘beste’ x ‘reden beste’; tussen ‘beste’ x de onafhankelijke variabelen (instelling, leeftijd, etc.). Vervolgens ook tussen ‘slechtste’ x ‘reden slechtste’ en tussen ‘slechtste’ en de onafhankelijke variabelen; d) chikwadraattoetsen tussen ‘reden beste’ x de onafhankelijke variabelen en ‘reden slechtste’ x de onafhankelijke variabelen. Deze toetsen zijn over alle labels uitgevoerd en de redenen geven dus een ‘trend’ aan.ChikwadraattoetsenMet de chikwadraattoets kan worden onderzocht of twee variabelen met elkaar samenhangen. Aan dehand van de chikwadraatverdeling wordt nagegaan of het verband tussen twee variabelen groter isdan op basis van toeval verwacht zou worden. Rekeninghoudend met allerlei factoren (zoals hetaantal vrijheidsgraden) kan men berekenen hoe waarschijnlijk (of onwaarschijnlijk) het is dat degevonden verschillen toevallig zijn. Men komt dan tot de uitspraak dat iets significant (= statistischduidelijk) is, bij een bepaalde overschrijdingskans van die waarschijnlijkheid. Die kans wordtaangegeven met de letter p. Een veelgebruikte significantiegrens is p < 0,05. Dit betekent dat de kansdat de conclusie (‘er is een verband tussen de variabelen’) ten onrechte wordt getrokken, kleiner isdan 5%.Wanneer er een samenhang aangetoond wordt, kan in de kruistabel gekeken worden watdeze samenhang inhoudt.Alleen van de bij a) en d) genoemde uitslagen zijn kruistabellen beschikbaar. Om die reden kan bij deuitslagen in 3.3.1 t/m 3.3.9 alleen van de aanwezigheid van ‘een verband’ worden gesproken.3.3 Uitslagen eerste en derde onderzoeksvraagAlle significante uitslagen over de keuzes van de respondenten voor ‘de beste’ en ‘de slechtste’formuleringen en de redenen daarvoor, zijn in één grote tabel in beeld gebracht (bijlage G: Totaaltabelvan alle uitslagen). Vanwege de omvang van de tabel is deze in de bijlage opgenomen. Hierin zijnstaan alleen de uitslagen die aan een label zijn gerelateerd. Omdat de meeste uitslagen betreffende de voorkeur of afkeur voor een formulering statistisch perlabel moeten worden bekeken - ieder label heeft als het ware een eigen minionderzoek - ligt het voorde hand om de onderzoeksvragen per label te beantwoorden en niet per onderzoeksvraag te ordenen.De eerste en de derde onderzoeksvraag (zie hieronder) zullen daarom in de nu volgende paragrafen3.3.1 t/m 3.3.9 (label 1 t/m 9) tegelijk worden behandeld, voor wat betreft het oordeel over de ‘beste’en ‘slechtste’ formuleringen. 48
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen (1) Hoe beoordelen verpleegkundigen de verschillende vertalingen van een aantal NANDA- labels en welke redenen geven zij daarvoor? (3) Welk verband is er eventueel te leggen tussen het oordeel van de verpleegkundigen en buitentalige, sociolinguïstische factoren (bijv. leeftijd, functie, opleiding)?De uitslagen van de redenen voor de beste of slechtste formulering kunnen wél labeloverstijgendworden bekeken (zie hiervoor bijlage J). Hiervan bestaan gespecificeerde uitdraaien (kruistabellen) uithet statistiekprogramma SPSS waaruit meer is op te maken dan alleen of er sprake is van eensignificant verband. Deze resultaten zullen worden behandeld in paragraaf 3.4.Onderzoeksvraag twee (Blijkt uit mijn onderzoek dat verpleegkundigen op de werkvloer de voorkeurgeven aan andere vertalingen dan de meest professionele?) kan labeloverstijgend worden bekeken envolgt daarom in paragraaf 3.4.Variabelen en filtersBij de standaardberekeningen van het statistiekprogramma SPSS.6 kwam al een hoop aan het licht.De software kende daarnaast ook de mogelijkheid om filters te definiëren. Daarmee kondenbijvoorbeeld alleen uitslagen van respondenten die binnen een bepaald specialisme werkten wordenweergegeven of respondenten die bekend waren met de Gordon-vertaling. Aangezien er veelalgemene antwoorden werden gegeven bij de vraag over boeken (‘ander boek’) was dit een bruikbaarinstrument om de boekenvariabele te differentiëren en de uitslag te verhelderen. Bij de vraag overboeken is een filter boeken dif 1 (bekend met Engelstalige Gordon), boeken dif 2 (bekend met deGordon-vertaling) en boeken dif 3 (bekend met Townsend 1990) gedefinieerd. Aangezien depsychiatrie een apart specialisme is en er binnen de psychiatrie al eerder met verpleegkundigediagnostiek werd gewerkt (Townsend dateert al van 1990), is ook een filter PAAZ52 aangemaakt.Voor een overzicht van alle significante uitslagen verwijs ik graag naar bijlage I ‘Samenvattingsignificante uitslagen’, bijlage J ‘Samenvatting reden beste/ reden slechtste en overige variabelen’ enook naar bijlage K met ‘Speciale berekeningen’ (filters).De vele variabelen leveren een scala van mogelijke analyses op. Daarom zal ik mij in het kader vandeze scriptie moeten beperken tot de meest interessante observaties die aansluiten bij wat ik aleerder heb vermeld. Ook uitslagen die mijn verwachtingen of bevindingen tegenspreken horen daaruiteraard bij!52 Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis 49
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen3.3.1 Label 1 - High Risk for Fluid Volume Deficit Beste: Dreigend vochttekort (Gordon 1995a, 1995b) Reden: Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. (48,9%) Slechtste: Risico van dehydratie (McFarlane (v.d. Peet) 1985) Geen significant verband met de redenen.Beste en reden besteDe als beste gekozen formulering, Dreigend vochttekort, is de professionele vertaling uit Gordon1995a en 1995b. De reden die bij dit label voor de beste formulering wordt gegeven (p<.05) is dat het vooral devakinterne communicatie dient (Als ik dit in de rapportage schrijft, weten mijn collegas precies wat ikbedoel). De relatie tussen beste en reden beste is significant.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Er is een relatie tussen de keuze als ‘beste’ en de verpleegkundige opleiding: (p<.01). Mogelijk is deals beste gekozen formulering in de opleiding gebruikt of sluit de formulering goed aan bij hettaalgebruik waar de verpleegkundige in zijn of haar opleiding mee bekend is geraakt. Aangezien erslechts sprake is van een statistisch verband, is niet met zekerheid te zeggen hoe deze relatie preciesin elkaar zit. Een tweede significant verband betreft de keuze voor de beste formulering en waar of hoe derespondent kennis heeft opgedaan op het gebied van de verpleegkundige diagnostiek (vraag 9 in deelI van de enquête): p<.05.Slechtste en reden slechtsteBij dit diagnoselabel is opvallend dat formulering f. Risico van dehydratie weliswaar als slechtste uit debus kwam, maar niet omdat er een grammaticaal onjuiste formulering werd gesignaleerd. Ondanksdat f. Risico van dehydratie op de laagste plaats uitkwam, hebben 11 respondenten (23,4%) dezevertaling zelfs op de eerste plaats gezet! Het is de vraag of meer mensen voor die vertaling zoudenhebben gekozen als er geen ‘taalfout’ in had gestaan en er Risico op dehydratie had gestaan. Dewoorden ‘risico’ in combinatie met ‘dehydratie’ hebben waarschijnlijk de doorslag gegeven voor dekeuze. De meeste mensen lezen immers snel over een taalfout heen als het gaat om de inhoud. (Omdie reden had ik de taalfout wellicht tóch beter kunnen verbeteren.)Hoewel de reden voor het slechtste label op zichzelf als significant uit de bus kwam, is er geensignificant verband gevonden tussen slechtste en reden slechtste. Daarover is dus verder niets tezeggen.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Er is een verband tussen de keuze voor de slechtste formulering en wanneer de verpleegkundige isopgeleid (vraag 7 van deel I van de enquête; p<.05). De exacte aard van dit verband is helaas niet ineen kruistabel vastgelegd maar een recente of niet recente opleiding is op zichzelf een bekendeinvloed op (kennis van) de vaktaal, zoals ook in de vaktaaldefinitie van Sauer wordt vermeld. 50
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen Ook hoe lang (of kort) iemand op de afdeling werkzaam is, heeft een significant verband metde keuze voor het slechtste label (p<.05).Het verband tussen de keuze voor de slechtste en het geslacht van de respondent was bijnasignificant (p =.05)3.3.2 Label 2 - Impaired Adjustment Beste: Aanpassingsproblemen (VPD&I, 1995) Geen significant verband met de redenen. Slechtste: Geblokkeerde ziekteaanpassing (Evers, VR, 1993) Geen significant verband met de redenen.De beste, de slechtste en de redenenDe als beste bevonden formulering Aanpassingsproblemen is een korte en in de algemene taalvoorkomende term. Dat maakt hem waarschijnlijk aantrekkelijk. Het is een vrij ongespecificeerde term.Bij de als slechtst beoordeelde formulering ‘geblokkeerde ziekteaanpassing’ is wel sprake van enigespecificering: de patiënt heeft moeite met aanpassing aan de ziekte. De winnende formulering‘aanpassingsproblemen’ is afkomstig uit een losbladige publicatie: VerpleegkundigeProbleemgebieden, Diagnoses & Interventies, dat binnen het uitgeversfonds van Kavanah isuitgegeven in 1995.Er zijn helaas geen significante verbanden gevonden tussen de formuleringen en de redenen. Detwee meest gekozen redenen (2 en 3) wijzen naar het belang van de communicatie met patiënten (2;patiëntvriendelijkheid) en collega’s (3; duidelijk in rapportage aan collega’s).Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Er zijn bij dit label relatief weinig significante uitslagen te vinden. Alleen de keuze voor het beste labelen de functie van de respondent was significant (p<.05).3.3.3 Label 3 - Impaired Physical Mobility Beste: Beperkte beweging (van hand/arm/etc.) (Van Rest, 1992) Reden: het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen (29,8%) Slechtste: Onvermogen om te bewegen (Schout, 1995) Geen significant verband met de redenen.Beste en reden besteDe (significant) beste formulering is afkomstig uit een boek over methodisch handelen en hetverpleegkundig proces. Het is uitgegeven in 1992 bij uitgeverij De Tijdstroom (dezelfde uitgever als deGordon-vertalingen uit 1995). De reden waarom deze formulering is verkozen boven de anderen is decommunicatie met de patiënt (p<.01). 51
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenSignificante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)De keuze voor ‘beperkte beweging (van hand/arm/etc.)’ hangt samen met het antwoord op de vraagsinds wanneer er met verpleegkundige diagnostiek op de afdeling wordt gewerkt (p<.05) maar ditvoegt helaas niet veel informatie toe.Slechtste en reden slechtsteDe (significant) slechtste formulering is afkomstig uit een algemeen verpleegkundig boek. Er is geensignificant verband met de opgegeven redenen maar er is relatief veel gebruik gemaakt van de optieom de reden toe te lichten (anders, namelijk. In bijlage G (Opmerkingentabel), onder de opmerkingenbij vraag 18c is te lezen bij de opmerkingen over deze specifieke ‘slechtste’ (keuze ‘e’ in 18a) dat dezeformulering vooral op inhoudelijke gronden is afgewezen.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Er is een verband gevonden tussen de keuze voor de slechtste formulering en de boeken die derespondenten hebben gelezen (p<.01). Helaas is niet te specificeren voor welke boeken dit vantoepassing is. (In paragraaf 3.4 zal de variabele ‘boeken’ meer expliciet terugkomen.) Het verbandbetreft alleen het ‘slechtste’ label want er is geen significant verband tussen de keuze voor het bestelabel (beperkte beweging van hand/arm) en de boeken die de respondenten hebben gelezen. Ook het verpleegkundig model dat op de afdeling wordt gehanteerd (vraag 13 van deenquête) houdt verband met de keuze voor ‘onvermogen om te bewegen’ (p<.05). Bij toepassing vande filter PAAZ lijkt dit voor respondenten die werkzaam zijn op de afdeling psychiatrie te wordenversterkt (p<.01).3.3.4 Label 4 - Altered Nutrition: Less than Body Requirements Beste: Voedingstekort (Gordon 1995) Geen significant verband met de redenen. Slechtste: Gewijzigde opname van voeding: minder dan stofwisselingsbehoefte (Ewals & Oudenhoven, 1992) Geen significant verband met de redenen.Beste en reden besteDe beknopte (professionele) Gordon-vertaling uit 1995 werd als beste formulering gezien. Er kwamechter geen significante reden uit waarom voedingstekort de beste zou moeten zijn. Reden 8 (‘is korten krachtig) was op zichzelf gezien de meest doorslaggevende reden (33,4%) voor alle voorkeurendie bij dit label zijn aangegeven.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Er is een verband tussen de keuze voor voedingstekort en de boeken die de respondenten hebbengelezen (p<.05) en ook met de verpleegkundige visie waarmee wordt gewerkt (p<.01). 52
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenBij de respondenten die werkzaam zijn op een PAAZ-afdeling is er minder maar nog steeds eensignificant verband (p<.05).Slechtste en reden slechtsteDe minst geslaagde formulering is de vrijwel letterlijke NANDA-weergave uit deverplegingswetenschappelijke scriptie van Ewals en Oudenhoven (1992). Wederom is er geensignificante relatie met één van de redenen aangetoond. De reden die het meest werd genoemd is: ‘iste lang en daardoor niet praktisch’ maar dit betreft dus ook de andere labels die als slechtste werdengezien.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)De keuze voor Gewijzigde opname van voeding: minder dan stofwisselingsbehoefte’ als slechtstehoudt verband met de frequentie waarin het verpleegprobleem volgens de respondenten op deafdeling voorkomt (p<.05).3.3.5 Label 5 - Altered Health Maintenance (specify) Beste: Onvermogen tot gezonde leefwijze (Hunt in VP 1993, 5, 24) Geen significant verband met de redenen. Slechtste: Wijziging in het in stand houden van de gezondheid (Ewals & Oudenhoven, 1992) Reden: is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken (30%)Beste en reden besteDe beste formulering, onvermogen tot gezonde leefwijze, is afkomstig uit een artikel over humor alsverpleegkundige interventie, in 1993 vertaald door Wim Seunke (dezelfde vertaler als de‘professionele’ Gordon-vertalingen). In Gordon 1995 is het label twee jaar later in samenhang met hethele corpus van labels als ‘Tekort in gezondheidsonderhoud vertaald. Er is geen significante reden. ‘Het meest patiëntvriendelijk, patiënten kunnen het ook volgen’heeft wel het hoogste percentage (35,7%) van alle redenen voor alle formulering die bij label 5 alsbeste werden genoemd.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Er is een significant verband tussen de keuze voor onvermogen tot gezonde leefwijze en hoe lang derespondent al op de afdeling werkzaam is (p<.05). Het verband tussen die keuze en deafdelingsorganisatie (vraag 14) is net niet significant (p=.05).Slechtste en reden slechtsteDe slechtste formulering is de overt vertaling uit de scriptie van Ewals & Oudenhoven, die in hunscriptie omwille van de inhoudelijke discussie een letterlijke weergave van NANDA geven. Deformulering Wijziging in het in stand houden van de gezondheid wordt door de verpleegkundigen‘patiëntonvriendelijk’ bevonden (p<.01). 53
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenSignificante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)De keuze voor Wijziging in het in stand houden van de gezondheid als slechtste formulering houdtverder verband met de verpleegkundige opleiding van de respondent (p<.01) en met de kennis vanbepaalde boeken (vraag 10 in deel I; p<.05).3.3.6 Label 6 - Altered Thought Processes Beste: Verstoord denkproces (HBO-V Groningen) Geen significant verband met de redenen. Slechtste: Gestoord denken (Evers, VR, 1993) Reden: is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken (51%)Beste en reden besteDe beste formulering is afkomstig uit de HBO-V in Groningen waar men in 1996 actief was met eeneigen formulering van de verpleegkundige diagnostiek vanuit de verpleegkundige praktijk (zie ook1.3.3). Aangezien het Radboudziekenhuis betrokken is bij dat project, is het mogelijk dat vooral op dielocatie voor verstoord denkproces is gekozen. Er bleek echter geen significante relatie te bestaantussen de locatie en de keuze voor deze formulering als beste. De ‘patiëntvriendelijkheid’ won het alsalgemene reden voor alle voorkeuren en was verder niet significant gerelateerd aan de keuze voor de‘beste’.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)‘Verstoord denkproces’ is gerelateerd aan de frequentie waarmee het als verpleegprobleem op deafdeling wordt herkend (vraag 21d; p<.05) en ook met de mate waarin er op de afdeling metverpleegkundige diagnostiek wordt gewerkt (vraag 11; p<.05). Verder is er nog een significant verbandmet het verpleegkundig model van Orem (filter themoddif1 (= Orem): p<.05). Het gebruik van dit filterimpliceert dat op afdelingen waar volgens het model van Orem werd gewerkt, significant vaker of juistminder vaak werd gekozen voor deze formulering.Slechtste en reden slechtsteDe absolute ‘winnaar’ van de afgekeurde formuleringen is ‘gestoord denken’ (74,5%). De reden laatzich raden: patiëntonvriendelijk (p<.01). Overigens hebben ook alle opmerkingen onder de reden‘Anders, namelijk…’ betrekking op deze formulering. Zie Opmerkingentabel in bijlage G (betreffendevraag 21c). Hierin wordt de patiëntonvriendelijkheid van de formulering expliciet gemaakt.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Gestoord denken houdt verband met de kennis van bepaalde boeken (vraag 10; p<.01); de matewaarin verpleegkundige diagnostiek op de afdeling wordt toegepast (vraag 11; p<.01) en sindswanneer er op de afdeling met verpleegkundige diagnostiek wordt gewerkt (vraag 12; p<.05). 54
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen3.3.7 Label 7 - Impaired Social Interaction Beste: Communicatiestoornissen in de omgang met anderen (Eliens, et al, 1993) (Beste na weging: Problemen met de sociale interactie (Begrippenkader Verpleegkunde, WCC werkconferentie, 1993, blz. 39)) Geen significant verband met de redenen. Slechtste: Gestoorde sociale interactie (Townsend, 1990) Reden: is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken (31,1%)Beste en reden besteBij dit label waren er duidelijk twee favorieten. Hoewel de formulering ‘communicatiestoornissen in deomgang met anderen’ procentueel gezien en significant als beste werd genoemd (54,3%), kwam‘Gestoorde sociale interactie’ na de weegmethode als beste uit de bus omdat deze 20 keer als tweedewas genoemd. De weging hoefde dit keer geen onbesliste strijd te beslechten, daarom blijft‘communicatiestoornissen in de omgang met anderen’ als beste staan. De vertaling is afkomstig uiteen boek over het verpleegkundig proces in de algemene verpleegkunde uit 1993. Er is geen significante reden maar patiëntvriendelijkheid wordt het meest genoemd als redenvoor alle voorkeuren.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)‘Communicatiestoornissen in de omgang met anderen’ werd vaker of opvallend minder vaak in éénvan de ziekenhuizen gekozen want er is een significante relatie met de variabele ‘instelling’ (p<.05). Erzijn ook significante verbanden tussen de keuze voor deze formulering en de verpleegkundigeopleiding. Dit betekent dat de formulering opvallend vaker of juist minder vaak werd gekozen doorrespondenten die één van de in vraag 6 genoemde opleidingen hadden genoten. Na toepassing vanhet filter boeken dif 1 (Engels) bleek er net geen sprake te zijn van een significant verband (p=.05). Defilter die op kennis van boeken van Gordon (Nederlandse vertaling) filterde, toonde wel eensignificante relatie aan (p<.01). Dit wil zeggen dat mensen die voor deze formulering hebben gekozenof wél of juist geen kennis van de Gordon-vertaling hebben.Slechtste en reden slechtsteAls slechtste formulering kwam ‘gestoorde sociale interactie’ naar boven om een overduidelijke reden:patiëntonvriendelijkheid (p<.01). De vertaling is afkomstig uit een boek over verpleegkundigediagnostiek in de psychiatrie. Het is vertaald door niet-professionele vertalers met een medischeachtergrond en is al in 1990 op de markt gekomen als één van de eerste boeken op het gebied van deverpleegkundige diagnostiek. De opmerkingen onder ‘anders, namelijk…’ versterken de reden‘patiëntonvriendelijkheid’. Er is veel bezwaar tegen het woordje gestoorde.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Gestoorde sociale interactie werd vaker of opvallend minder vaak in één van de ziekenhuizen gekozenwant er is een significante relatie met de variabele ‘instelling’ (p = .01). Er is ook een verband met hetal dan niet volgen van de discussie op het gebied van de verpleegkundige diagnostiek (vraag 15;p<.05). 55
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen3.3.8 Label 8 - Ineffective Airway Clearance Beste: Moeite met ophoesten van slijm (McFarlane (v.d. Peet) 1985) Geen significant verband met de redenen. Slechtste: Ineffectieve luchtwegen (Bruggink & Regeer 1992) Reden: anders, namelijk: ... (34,1%)Beste en reden besteIn maar liefst 82,6% van de enquêtes kwam de formulering ‘moeite met ophoesten van slijm’ als besteuit de bus. Deze vertaling is afkomstig uit een boek over verplegen en rapporteren. Het is vertaalddoor verplegingswetenschapper Rob van der Peet, die in zijn artikelen in de jaren negentig vooral deOrem-visie propageert. De vertaling is overigens niet Oremiaans geformuleerd. Er is geen significantverband met de redenen maar er is wel weer een reden die het meest wordt genoemd voor allevoorkeurkeuzes: patiëntvriendelijkheid.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)De keuze voor het beste label heeft een significant verband met de plaats en de wijze waaropverpleegkundigen kennis hebben opgedaan over verpleegkundige diagnostiek (vraag 9 in de enquête)(p <.01).Slechtste en reden slechtste‘Ineffectieve luchtwegen’ is overduidelijk de slechtste formulering bevonden en nodigt uit totopmerkingen. Bij de reden ‘Anders, namelijk’ (p<.05) wordt gemeld dat de formulering de plank miszou slaan of medisch geformuleerd zou zijn en in het algemeen onjuist is weergegeven (zieOpmerkingentabel in bijlage G onder vraag 23c). De vertaling is afkomstig uit een van de eersteboeken op het gebied van de verpleegkundige diagnostiek in Nederland en is vertaald doorvakinhoudelijke experts.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)De keuze voor de slechtste formulering heeft veel significante relaties met andere variabelen.Allereerst met boeken algemeen (p<.01), met het al dan niet bekend zijn met de Engelstalige Gordon(boeken dif 1) p=.01; met de Gordon-vertalingen (1995): p<.05. Na toepassing van het filter PAAZ,waarbij alleen wordt gekeken naar wat de respondenten op een PAAZ afdeling hebben ingevuld is derelatie tussen de keuze van de slechtste formulering en de boeken eveneens significant (p<.01).Daarnaast is er een verband met de verpleegkundige visie die op de afdeling wordt gehanteerd:(p<.01). Wanneer specifiek naar het model van Orem wordt gekeken (filter: theomod dif 2) is designificantie p<.05. 56
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen3.3.9 Label 9 - Self-Care Deficit: Bathing/Hygiene Beste: ADL-afhankelijkheid (Evers, zie V 1991/2, 1, 7) Geen significant verband met de redenen. Slechtste: Zelfstandigheidstekort in wassen (specifieer niveau) (Gordon 1995a) Reden: is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken (37%)Beste en reden besteZoals verwacht is de formulering ADL-afhankelijkheid als beste uit de bus gekomen (zie ook 1.3.4 en2.3), echter zonder duidelijke reden. De reden die over het algemeen het meest werd genoemd is:‘klinkt professioneel en verpleegkundig’. Het lijkt erop dat de verpleegkundigen in de formulering vanhun voorkeur een specifieke verpleegkundige term hebben herkend. Aangezien deze reden nietsignificant aan ‘ADL-afhankelijkheid’ kan worden geassocieerd, heeft deze reden waarschijnlijkeveneens verband met de term ‘zelfzorgtekort’ waar de tweede voorkeur naar uitging.Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)De keuze voor ADL-afhankelijkheid als beste formulering hangt significant samen met de frequentiewaarop dit verpleegprobleem op de afdeling voorkomt. (p<.05). Er is ook een verband met hetspecialisme van de afdeling (p<.05). Hoe meer (of hoe minder) verpleegkundigen met het probleemADL-afhankelijkheid te maken hebben, hoe vaker (of minder) zij kiezen voor deze term. Op sommigeafdelingen zijn patiënten relatief minder zelfredzaam dan op andere afdelingen wat de algemeendagelijkse levensverrichtingen betreft. Het filter dat op basis van de boekenkennis is gemaakt (dif 3, kennis van Townsend 1990)leverde een verband op. (p<.05). Voor zover ik weet komt de term ADL-afhankelijkheid niet inTownsend 1990 voor.Slechtste en reden slechtsteDit keer is de professionele Gordon-vertaling als slechtste uit de bus gekomen: ‘zelfstandigheidstekortin wassen’ werd met een duidelijke reden (patiëntonvriendelijk) afgekeurd (p<.01).Significante uitslagen overige variabelen (zie bijlage I)Hoe vaker (of minder vaak) zelfstandigheidstekort op de afdeling voorkwam, hoe vaker (of minder) ervoor deze term werd gekozen.3.4 Labeloverstijgende verbanden tussen de redenen en overige variabelenIn deze paragraaf gaat het expliciet om de ‘redenen’ en de ‘overige’ factoren, een onderdeel van dederde onderzoekvraag. Van deze uitslagen bestaan enkele kruistabellen zodat de relaties tussen devariabelen wat meer expliciet kunnen worden toegelicht. 57
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenInstelling (vraag 1)Reden beste x instelling p<.01Reden slechtste x instelling p<.01Volgens de kruistabellen van SPSS zijn redenen 2 en 3 voor de beste formuleringen het meestgekozen. Reden 2 (patiëntvriendelijkheid) is bij het AMC de belangrijkste reden, reden 3 (duidelijkheidin rapportage voor collegas) springt er bij Ziekenhuis Eemland en het Radboudziekenhuis uit. Hoewelde bovenstaande uitslagen significant zijn, is hier geen betekenis aan te hechten omdat er binnendeze ziekenhuizen verschillende specialismen zijn geënquêteerd. Onderling verschilden de afdelingenen de hoeveelheid respondenten te veel. Hetzelfde geldt helaas voor de uitslagen voor de redenenvoor de slechtste formulering.Specialisme (indirect via vraag 1)Reden beste x specialisme p<.01Reden slechtste x specialisme p<.01De soort afdeling bepaalt blijkbaar mede waarom verpleegkundigen iets goedkeuren of afkeuren. Dekruistabellen laten zien dat reden 2 (patiëntvriendelijkheid) voor de afdelingGynaecologie(/Orthopedie) de belangrijkste reden was, evenals voor de PAAZ-afdelingen enKNO/Long. Voor de afdeling Dermatologie stond reden 2 bijna gelijk met reden 3. Alleen op de IC-afdelingen was reden 3 (duidelijkheid in de rapportage voor collega’s) het allerbelangrijkste.Aangezien verpleegkundigen op een IC-afdeling een heel ander werkklimaat kennen en er meestalweinig communicatie met patiënten mogelijk is, is dit goed te verklaren. De afdeling Dermatologie wijktdus ook iets af maar zoals in tabel 3.1 is te zien, zijn er op die afdeling veel minder respondentengeënquêteerd en bovendien was dit binnen één instelling.Leeftijd (vraag 3)reden beste x leeftijd p<.01Er is een aantoonbare relatie tussen de reden voor de beste formulering over alle labels en de leeftijdvan de respondent. De jongere (<26 jaar) en oudere respondenten (>40 jaar) gaven als redenpatiëntvriendelijkheid (reden 2) en de groep tussen 26 en 40 jaar vond ‘duidelijk voor collega’s’ (reden3) een iets belangrijkere reden voor hun keuze voor de beste formulering. Hun op één na belangrijkstereden was overigens ook patiëntvriendelijkheid. Er moet wel worden opgemerkt dat er maar weinigrespondenten waren in de jonge’ groep. (Het is denkbaar dat veel verpleegkundigen die op een ICwerken in de middelste leeftijdscategorie vallen.)Geslacht (vraag 4)reden beste x geslacht p<.01reden slechtste x geslacht p<.01Van alle geënquêteerden was 59,7 % vrouw en 40,3 % man. De vrouwelijke respondenten gaven devoorkeur aan nummer 3 en 2 van de redenen voor de beste formulering (in die volgorde) en de 58
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenmannelijke collegas gaven de voorkeur aan reden 2 boven 3. Zij verschillen daarnaast in hun oordeelover reden 8 (kort en krachtig). Deze reden werd door de vrouwelijke verpleegkundigen relatief veelbelangrijker gevonden (46 ten opzichte van 16). Ook bij de redenen voor de slechtste formulering waren er verschillen. De vrouwelijkerespondenten antwoordden het meest met reden 4 (patiëntonvriendelijk) en reden 5 (lelijktaalgebruik), terwijl bij de mannen reden 4 ook het hoogste scoorde maar reden 5 er niet toe leek tedoen. Reden 1 (‘ligt niet lekker in de mond, zou het misschien wel schrijven maar zeker nietuitspreken’) werd over het algemeen minder gekozen maar ook daar was een verschil tussen demannelijke en vrouwelijke respondenten te zien (vrouwen scoorden 22 tegenover mannen 5). Ookreden 7 (te lang niet praktisch) werd vaker door vrouwen genoemd (score 33 ten opzichte van 7 bij demannen) Over alle respondenten werd ongeveer even veel gebruik gemaakt van de mogelijkheid omeen toelichting te schrijven: reden 9 (anders, namelijk… ).Functie (vraag 5)reden beste x functie p<.01reden slechtste x functie p<.01De verhouding van respondenten lag wat functie betreft ongeveer op 80% verpleegkundigen (diverseopleidingen), 10% teamleider/teamoudste en 10% afdelingshoofd. De afdelingshoofden hebbenrelatief meer toelichting gegeven.Van alle redenen voor de beste formulering was reden 3 voor de verpleegkundigen het belangrijkste(rapportage aan collega’s), direct gevolgd door reden 2 (patiëntvriendelijkheid). Aangezienafdelingshoofden geen rapportage schrijven voor hun verpleegkundige collega’s is het nietverwonderlijk dat onder hen (en ook onder teamoudsten) reden 2 belangrijker was. De redenen voor de slechtste formuleringen waren 4 (patiëntonvriendelijkheid) en 9 (anders,namelijk…) voor verpleegkundigen en afdelingshoofden en 5 (lelijk taalgebruik) en 4(patiëntonvriendelijkheid) voor de teamoudsten/teamleiders.Verpleegkundige opleiding (vraag 6)reden slechtste x verpleegkundige opleiding p<.01Verreweg de meeste respondenten (60%) hadden een inserviceopleiding gevolgd (werk-leerovereenkomst en opgeleid binnen de instelling), tegenover 8% MBO-V, 23% HBO-V en 14,5%anders. De optie MDGO-VP werd door niemand aangekruist.De inservice-opgeleiden vonden de vierde reden voor de slechtste formulering het belangrijkste(patiëntonvriendelijkheid), evenals de groep ‘anders’. HBO-V opgeleiden hebben veel toelichtinggegeven (reden 9: anders namelijk…) en kozen daarna ook voor reden 4. Alleen MBO-V opgeleidenkozen voor reden 3 (niet verpleegkundig geformuleerd, bijvoorbeeld te medisch) maar het aantalrespondenten was erg laag.Kennis over verpleegkundige diagnostiek (vraag 8 en 9)reden beste x wanneer opgeleid in verpleegkundige diagnostiek p<.01 59
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenreden beste x waar/hoe kennis opgedaan van verpleegkundige diagnostiek p<.01reden slechtste x waar/hoe kennis opgedaan van verpleegkundige diagnostiek p<.0517,1% van de respondenten had minder dan een jaar geleden een opleiding of workshop gehad ophet gebied van verpleegkundige diagnostiek. Voor 15,1% was dit tussen 1 en 2 jaar geleden en voor67,7% was dit langer dan 2 jaar geleden.Voor de grote meerderheid van de respondenten ging de voorkeur uit naar reden voor de besteformulering nummer 2 (patiëntvriendelijkheid) en 3 (duidelijkheid voor collegas). Alleen de groep dietussen 1 en 2 jaar geleden was opgeleid verkoos een toelichting te geven (reden 9) of koos voorreden 3. De wijze waarop de respondenten waren opgeleid in de verpleegkundige diagnostiek lietenige variatie zien. Verreweg de grootste groep (38,1%) had zijn/haar kennis over verpleegkundigediagnostiek tijdens verpleegkundige opleiding of vervolgopleiding opgedaan. 27,9% had meerdereantwoorden gegeven en 19,4% had klinische lessen in dezelfde instelling gevolgd. Voor degenen inde grootste groep (opleiding/vervolgopleiding) kozen de meesten voor reden 3 voor de besteformulering (‘duidelijk in rapportage aan collegas’). De groep die klinische lessen had gevolgd voeldevooral behoefte de reden toe te lichten (9: anders, namelijk...) en koos daarna in gelijke mate voorreden 8 (kort en krachtig) en 2 (patiëntvriendelijk). Bij de redenen voor de slechtste formulering kwam patiëntonvriendelijkheid (nr. 4) alsbelangrijkste uit de bus voor alle groepen, behalve weer voor de groep die binnen de instelling eenklinische les of workshop had gevolgd. Deze groep verkoos ook de reden voor de slechtste 53formulering toe te lichten (9: anders, namelijk...) .Boeken (vraag 10)reden beste x boeken algemeen p<.01reden slechtste x boeken algemeen p<.01reden beste x boeken dif 1 (Engelstalig) p<.01reden slechtste x boeken dif 1 (Engelstalig) p<.01dif 2 en dif 3 niet significantAangezien het merendeel van de respondenten meerdere antwoorden hebben aangekruist is devariabele ‘boeken’ als geheel moeilijk te onderzoeken. Om die reden zijn filters boeken dif 1(Engelstalige boeken) dif 2 (Gordon-vertaling) en dif 3 (Townsend 1990) aangemaakt. Daarbij wasalleen een significante relatie tussen boeken dif 1 (Engelstalige boeken) en de redenen voor zowel debeste als de slechtste formulering te ontdekken.In het algemeen is wel te zien dat de Engelstalige boeken en de Gordon-vertaling niet erg bekendwaren op de afdeling. Velen hebben hand-outs en readers aangekruist waarvan de bron van deformuleringen niet zijn te achterhalen. Townsend-vertaling uit 1990 is relatief goed bekend (naarverwachting vooral op de PAAZ-afdelingen aangezien dit boek handelt over diagnostiek in de53 Aangezien deze toelichting de verschillende keuzes voor negen verschillende labels kan betreffen is het niet zinvol de toelichtingen in deze context nader te bekijken. Bij de afzonderlijke (niet-labeloverstijgende) uitslagen wordt hier uiteraard wel inhoudelijk naar gekeken. 60
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenpsychiatrie). De respondenten die bekend waren met dit boek kozen vooral voor ‘reden beste’nummer 8 (kort en krachtig). (Maar misschien waren er op de PAAZ meer vrouwelijkeverpleegkundigen werkzaam?) Bij de redenen voor de slechtste formulering kozen zij vooral voor 9(toelichting) of 7 (te lang, niet praktisch).Verpleegkundige diagnostiek op de afdeling (vraag 11 en 12)reden beste x mate waarin met verpleegkundige diagnostiek op afdeling wordt gewerkt p<.01reden beste x wanneer verpleegkundige diagnostiek op afdeling p<.01reden slechtste x wanneer verpleegkundige diagnostiek op afdeling p<.0138,9% van de respondenten gaf aan dat de verpleegkundige diagnostiek op hun afdeling nog maarnauwelijks van de grond is. 35,4% vulde in dat dit in de diagnostische fase van de het verpleegprocesal wel wordt toegepast en 25,7 % gaf aan al aardig op weg de zijn met de invoering van eenverpleegkundige diagnostiek.Deze vraag is mogelijk voor sommige respondenten moeilijk te beantwoorden. Daarom is per afdelinggecontroleerd of de antwoorden enigszins overeenkwamen. Daarbij bleek dat er enkele verschillenwaren tussen de antwoorden per afdeling, daarom moeten de uitslagen in relatie tot deze variabelemet enige voorzichtigheid worden bekeken.In relatie tot deze variabele komt als reden voor de beste formulering reden 2 (patiëntvriendelijkheid)naar boven bij de groep die al enigszins of aardig op weg is met de verpleegkundige diagnostiek.Reden 3 (duidelijkheid in rapportage ten opzichte van collega’s) werd overwegend gebruikt door degroep waarbij de diagnostiek naar eigen zeggen nog niet goed van de grond is. Deze uitslagen komen overeen met de antwoorden op de vraag hoe lang men al metverpleegkundige diagnostiek werkt. Op de afdelingen waar korter dan 2 jaar met enige vorm vanverpleegkundige diagnostiek werd gewerkt, werd als reden voor de beste formulering 3 het meestaangegeven (duidelijk in rapportage voor collegas). Op afdelingen waar al langer dan 2 jaar met enigevorm van diagnostiek werd gewerkt verschoof de belangrijkste reden naar (2) patiëntvriendelijkheid.Het is gevaarlijk hier conclusies uit te trekken maar het is denkbaar dat een afdeling die in een faseverkeert waarin de invoering van een nieuwe methode of diagnostiek actueel is, het accent begrijpelijkop de rapportage komt te liggen. Het leerproces vereist dan tijdelijk meer aandacht voor de vakinternecommunicatie. Als redenen voor de slechtste formuleringen werden vooral 4 (patiëntonvriendelijkheid) en 5(lelijk taalgebruik) genoemd op de afdelingen waar nog niet veel met diagnostiek werd gewerkt. Op deafdelingen waar de diagnostiek al 1 jaar of werd toegepast, is veel toelichting gegeven en in de groepdie al langer dan 2 jaar met diagnostiek werkt werd overwegend reden patiëntonvriendelijkheidgenoemd.Verpleegkundig model/theorie (vraag 13)reden beste x verpleegkundig model/theorie p<.01reden slechtste x verpleegkundig model/theorie p<.01 61
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenreden beste x model/theorie dif 1 (orem) n.s.reden slechtste x model/theorie dif 1 (orem) p<.01reden beste model/theorie dif 2 (geen) p<.01reden slechtste x dif 2 (geen) n.s.In het licht van wat in hoofdstuk 1 en 2 al over verpleegkundige modellen en theorieën is gezegd, is deuitslag van deze variabele erg interessant. Bij de keuze voor de beste en slechtste formuleringen (perlabel in paragraaf 3.3.1 t/m 3.3.9) hebben we al gezien dat er veel significante relaties bestonden. Ookbij de redenen zijn enkele significante uitslagen gevonden.In de kruistabellen is te zien hoe de verhoudingen tussen de verpleegkundige modellen ongeveerliggen: 28,6 % geeft aan geen model/theorie op de afdeling toe te passen. Bij 8,8% is dit nog niet hetgeval maar wordt dit wel ontwikkeld. 18,8% werkt met Gordon, 32,6 werkt met Orem en daarnaworden nog Van den Brink (2,1%), een ‘ander model’ (6,6%) en meerdere antwoorden (2,4%)ingevuld. Overigens is ook hier enige voorzichtigheid geboden om dat de vraag doorverpleegkundigen moeilijk werd bevonden. De antwoorden bleken niet altijd consequent per afdelingte zijn ingevuld.Als we kijken naar de grootste drie groepen, dan scoort bij afdelingen met het model Orem depatiëntvriendelijkheid (2) het hoogst en daarna ‘duidelijkheid in rapportage voor collega’s’ (3) als redenvoor de beste formulering. Dit komt overeen met de redenen die voor de slechtste formuleringenworden gegeven: (4) patiëntonvriendelijkheid. Daarnaast wordt ook (5) lelijk taalgebruik genoemd. Na het toepassen van filter model/theorie dif 1 (Orem) waarbij alleen de antwoorden van derespondenten die met Orem werken worden bekeken, zijn de redenen voor de beste formuleringenniet meer significant. Met andere woorden: binnen de groep die met Orem werkt zijn de antwoordenover deze redenen te divers om een statistisch significante uitslag op te leveren. Er is nog wel eenduidelijk significante uitslag waar het de redenen voor de slechtste formulering betreft (p<.01).Door de groep waar “nog geen” verpleegkundig model werd toegepast, werd ‘duidelijk in derapportage’ (3) het meest genoemd en scoorden ‘patiëntvriendelijkheid’ (2) en reden 6 (klinktprofessioneel en verpleegkundig) ook vrij hoog. Als reden voor de slechtste formuleringen werdpatiëntonvriendelijkheid (4) als belangrijkste reden genoemd. Daarna werden de redenen bij voorkeurtoegelicht (9; anders, namelijk…). Dit kan net als bij de vorige factor duiden op een proces op deafdeling (de invoering van een diagnostiek of model of de aandacht voor bepaalde aspecten van derapportage) waardoor de aandacht tijdelijk meer op de vakinhoudelijke communicatie komt te liggen. Na toepassing van het filter model/theorie dif 2 bleken de antwoorden binnen deze groepmet betrekking tot de redenen voor de beste formuleringen nog steeds significant. Binnen deze groepbleken de redenen voor de slechtste formuleringen echter niet meer significant; ze waren te divers.Deze schijnbaar tegengestelde uitslag tussen beide groepen is niet gerelateerd aan concrete labelsen is daardoor moeilijk te verklaren. Het is opvallend dat juist de Orem-groep overwegend blijft kiezenvoor patiëntonvriendelijkheid (4) en lelijk taalgebruik (5) als reden voor de slechtste formulering en datde groep die nog geen model of theorie hanteert blijft kiezen voor duidelijkheid voor collega’s (3), 62
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenpatiëntvriendelijkheid (2) en professioneel verpleegkundigheid (6). Op grond van wat ik schreef inhoofdstuk 1 over het taalgebruik van Orem zou ik het tegenovergestelde hebben verwacht.Bij de Gordon-groep kwamen reden 3 en 2 (in die volgorde) als beste naar voren. De redenenvoor de slechtste formuleringen werden bij voorkeur in eigen woorden toegelicht (9: anders,namelijk…) daarna koos men het meest voor ‘patiëntonvriendelijk’ (4) als reden.Afdelingsorganisatie (vraag 14)reden beste x afdelingsorganisatie p<.0155,7% van de respondenten werkt met individuele patiënttoewijzing. Bij 28,7% was sprake vanteamverpleging. 13,4% noemden de afdelingsorganisatie ‘anders’ en 2,2,% vulden meerdereantwoorden in.Op afdelingen waar met individuele patiënttoewijzing wordt gewerkt, wordt de zorg voor de patiënt hetliefst aan dezelfde verpleegkundigen toevertrouwd. Het is daarom begrijpelijkheid dat op eendergelijke afdeling de ‘duidelijkheid voor collega’s’ (3) significant de belangrijkste reden is en daarnapatiëntvriendelijkheid (2) (score 65 tegenover 54). Bij respondenten die met teamverpleging werkenscoorde patiëntvriendelijkheid (2) iets hoger dan (3) (score 38 tegenover 33).Volgen discussie (vraag 15)reden beste x volgen discussie p<.0551,7% zegt de discussie op het gebied van verpleegkundige diagnostiek te volgen en noemtpatiëntvriendelijkheid (2) als belangrijkste reden voor de formulering met de meeste voorkeur. Degroep die de discussie niet volgt (48,3%) noemt ‘duidelijkheid voor collegas (3) als reden.Speciale berekeningen met nieuwe inzichtenIn de tabel van bijlage K is te zien dat de relaties tussen filters PAAZ en boeken dif 1, 2 en 3, evenalsboeken algemeen alle significant zijn. Dit geeft te denken. In tabel 3.1 (respons per ziekenhuis enspecialisme) is te zien dat een heel groot deel van de respondenten op een PAAZ afdeling werkt.Alleen al dit gegeven en het feit dat veel van die verpleegkundigen Townsend 1990 zullen kennen,betekent dat zowel de variabele ‘specialisme’ als ‘kennis van boeken’ zonder nadere bestudering vande significante relaties niet veel zullen betekenen. Deze uitslagen zijn het gevolg van een helaasonvermijdelijke scheve vertegenwoordiging van de specialismen in dit onderzoek.De uitslagen over alle labels van de redenen voor de beste formulering en het labelnummer enredenen voor de slechtste formuleringen en het labelnummer is vooral voor de ‘reden slechtste’significant (zie bijlage K). Uit de uitslagen per label (zie totaaltabel bijlage G) blijkt dat alleen label 1 en3 een significante reden beste hebben. Er zijn daarnaast vijf labels met een significante relatie tussenslechtste en reden slechtste. Blijkbaar was het in dit onderzoek over het algemeen makkelijker om eenmin of meer eensluidende reden te geven voor de slechtste formuleringen. Er was meer diversiteit bijde redenen om een formulering als beste te benoemen. 63
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen3.5 Uitslagen tweede onderzoeksvraag(2) Blijkt uit mijn onderzoek dat verpleegkundigen op de werkvloer de voorkeur geven aan andere vertalingen dan de meest professionele (en welke redenen geven zij daarvoor)?Van de negen labels heeft de professionele Gordon-vertaling twee maal de eerste voorkeur: label 1(dreigend vochttekort) en label 4 (voedingstekort). De eerste keuze bij label 5 (onvermogen totgezonde leefwijze) is overigens ook een professionele vertaling van dezelfde vertaler als Gordon 1995(Hunt 1993). De Gordon-vertaling komt maar liefst vier keer op de tweede plaats: bij label 2(verminderd aanpassingsvermogen), label 5 (tekort in gezondheidsonderhoud), label 6 (verstoorddenken) en label 7 (inadequate sociale interactie). Slechts één keer verschijnt een Gordon-vertalingop de laatste plaats: label 9 (zelfstandigheidstekort in wassen). Al met al is de Gordon-vertaling dusredelijk goed beoordeeld door de verpleegkundigen die in de praktijk werkzaam zijn.Tabel 3.4 - Alle ‘beste’ en ‘slechtste’ formuleringenAls beste beoordeeld Als slechtste beoordeeldDreigend vochttekort Risico van dehydratieAanpassingsproblemen Geblokkeerde ziekteaanpassingBeperkte beweging (van hand/arm/etc.) Onvermogen om te bewegenVoedingstekort Gewijzigde opname van voeding: minder dan stofwisselingsbehoefteOnvermogen tot gezonde leefwijze Wijziging in het instandhouden van de gezondheidVerstoord denkproces Gestoord denkenCommunicatiestoornissen in de omgang met Gestoorde sociale interactieanderen /Problemen met de sociale interactieMoeite met ophoesten van slijm Ineffectieve luchtwegenADL-afhankelijkheid Zelfstandigheidstekort in wassenVan alle labels die als slechtste zijn beoordeeld zijn er vier overt vertalingen. Twee daarvan zijnafkomstig uit een scriptie (Ewals en Oudenhoven) en twee uit een theoretisch boek oververpleegkunde (Evers 1994) en die zijn mogelijk ook als overt vertalingen op te vatten. De overige alsslechtst beoordeelde formuleringen zijn afkomstig uit verschillende bronnen. Slechts één daarvan iseen (vroege) publicatie die specifiek over verpleegkundige diagnostiek handelt (Bruggink & Regeer1990). 64
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen3.6 Achteraf gezienToen dit onderzoek werd uitgevoerd, was het tijdstip heel geschikt om bestaande vertalingen vandiagnoselabels op hun geslaagdheid binnen de communicatieve setting van de afdeling(taalgebruikscontext) en binnen het verpleegkundig discours te kunnen beoordelen. Verpleegkundigen staan onder een enorme werkdruk en hebben dus weinig tijd. Omdat ik deprivacy van patiënten natuurlijk niet mocht schenden, bleek een enquête het meest geschikte middelom de gegevens te verzamelen. Deze vorm is bovendien geschikt om op een zo compact mogelijkemanier zoveel mogelijk informatie te krijgen. Ik had geen ervaring met enquêteren, noch metkwantitatief onderzoek (inclusief statistiek) en daarom is het onderzoek zeker experimenteel tenoemen. Aangezien ik geen ander vergelijkbaar onderzoek op dit terrein ben tegengekomen zou ikhet bovendien, zowel inhoudelijk als methodologisch, als een exploratief onderzoek willenbeschouwen. Het is een poging om de voornamelijk theoretische studie van de dynamische visie optaal in een empirisch onderzoek te vatten binnen het vakgebied waarin ik als vertaalster werkzaamwas.Het experimentele karakter van dit onderzoek betekent dat bij de interpretatie enige voorzichtigheidgeboden is. Er zijn weliswaar vele significante verbanden aangetoond maar zoals in paragraaf 3.4 iste lezen, moeten er de nodige kanttekeningen worden geplaatst. Doordat de respons per ziekenhuisen per specialisme verschilde (evenals de specialismen zelf) ontstond er binnen de ‘steekproef’ eenzekere scheefgroei. Om die reden moeten vooral de uitslagen die betrekking hebben op instelling enspecialisme met de nodige voorzichtigheid worden bekeken. Een voorbeeld: 20 van de 47respondenten waren werkzaam op een PAAZ-afdeling. Er is wel een PAAZ-filter toegepast in SPSSmaar achteraf gezien had ik misschien beter ook een niet-PAAZ filter kunnen toepassen voor derestgroep. Het is lastig om kwalitatieve, ingewikkelde zaken die de dynamiek van taal betreffen op eenkwantitatieve manier te onderzoeken en ik ben mij bewust van de methodologische problemen. Ik bendaarom uitgegaan van de mogelijkheden die er waren: van wat de taal bood (vertalingen) en van devaktaalsprekers die niet te veel en niet te weinig wisten van de verpleegkundige diagnostiek. Voor dereikwijdte van dit afstudeeronderzoek zijn de statistische bevindingen naar mijn mening voldoende omde voornaamste onderzoeksvragen te beantwoorden.In de volgende paragraaf zal ik bekijken in hoeverre mijn verwachtingen (zie 2.3) zijn uitgekomen.Daarna zullen enkele van de vele overgebleven vragen worden geformuleerd. 65
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen3.7 Verwachtingen getoetstConform de verwachtingen (zie paragraaf 2.3) zijn er voor bijna ieder label significante ‘beste’ en‘slechtste’ formuleringen aangetoond. Er is dus wel een zekere eensluidendheid en die geldt nogsterker als wordt geselecteerd op de factoren die in het eerste deel van de enquête zijn bevraagd. De redenen die de respondenten hebben gekozen om hun keuze toe te lichten, laten zien dat metname patiëntvriendelijkheid en de communicatie met vakgenoten zwaar tellen. Hoewel er natuurlijksprake kan zijn van een zekere sociale wenselijkheid, is de nadruk op de vakexterne communicatieopvallend. Verpleegkundigen hechten blijkbaar aan helder en duidelijk taalgebruik dat ook doorpatiënten te volgen is. Ik had niet verwacht dat de professionele vertalingen noodzakelijk als beste uit de bus zoudenkomen maar in de praktijk zijn ze globaal genomen wel als beste beoordeeld. Dit pleit voor de Gordon-vertaling (op enkele van de negen labels na). Met betrekking tot de taalexterne factoren vermoedde ik dat het discours van de afdeling (detaalgemeenschap per locatie) de uitslag zou kunnen beïnvloeden. In de praktijk blijkt inderdaad datvariabelen die met de afdeling verband houden, regelmatig significant zijn gerelateerd aan de keuzes;bijvoorbeeld: hoe lang iemand op een afdeling werkt (label 1 en 5), sinds wanneer er op de afdelingmet verpleegkundige diagnostiek wordt gewerkt (label 3 en 6) en hoe vaak een verpleegprobleem opde afdeling voorkomt (label 4 en 6). De variabele ‘afdeling’ zelf was niet significant gerelateerd. Over het verband tussen kennis van bepaalde boeken en de keuze voor de beste of slechtsteformulering is niet veel meer te zeggen dan wat al over de redenen in paragraaf 3.4 is geschreven.Met betrekking tot de genoten opleiding is er bij twee labels (label 1 en 5) een significant verbandaangetoond. Bij labels 3, 4, 6 en 8 is er verband tussen de keuzes voor de ‘beste’ of de ‘slechtste’ formuleringen de verpleegkundige visie die op de afdeling dominant is. Met enige voorzichtigheid kan dus wordengesteld dat die verwachting redelijk is uitgekomen. ADL-afhankelijkheid is zoals verwacht als beste uit de bus gekomen. Het is een bekendeverpleegkundige term die voor verpleegkundigen geen uitleg behoeft. Bekend maakt bemind? 66
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragen3.8 Skopos, vertalen, EBK en ICIDHVertalers vertalen niet naar het niets. Achter iedere niet-letterlijke (professionele) vertaling schuilt eenskopos, een beeld van de vorm en de functie van de vertaling. Als de NANDA-diagnoses wordenvertaald, betekent dit dus niet automatisch dat voor Nederland vreemde Amerikaanse overwegingenen visies, of het professionaliseringssteven automatisch worden mee vertaald als ware dezeeigenschappen ingebakken in de woorden en idiomen. Het is zelfs mogelijk om een tekst naar eenbepaalde terminologie toe te vertalen. Vertalers vertalen voortdurend naar doelteksten met eenbepaalde functie en een specifiek taalgebruik voor een specifieke doelgroep. Zo is het misschien ookdenkbaar dat de NANDA-diagnostiek met inachtneming van het woordgebruik van een classificatie alsde ICIDH zal kunnen worden vertaald. De beroepsgroep heeft daarbij min of meer de keuze voor deweg die zij willen inslaan. Ook een toekomstig EBK (eenduidig verpleegkundig begrippenkader) heefteen skopos in die zin.Door al die nadruk op taal en het ontbreken van een EBK, lag in het begin van de jaren negentig denadruk enige tijd op de diagnostiek als middel om tot eenduidig taalgebruik te komen. Ook het strevennaar een eigen nog meer specifiek verpleegkundige terminologie was mogelijk bij sommigenaanwezig. Daardoor werd de nadruk enige tijd eenzijdig op de vakinterne communicatie gelegd. Eeneenduidig begrippenkader zou echter moeten worden ontwikkeld vanuit een zo breed mogelijke visieop de bestaande vaktaal en zou moeten worden ontwikkeld vanuit de sociale positionering envoorkeuren die de vaktaal van nature al heeft. Daarvoor is zicht nodig op het vaktaalgebruik wat er alis en niet op wat er ontbreekt.Verpleegkundigen hebben blijkbaar een voorkeur voor duidelijke, heldere, no-nonsense en 54mensvriendelijke terminologie . Er is een bepaalde stijl die verpleegkundigen aanspreekt. DeNederlandse verpleegkundige taal is waarschijnlijk net zo meerduidig als ieder andere vaktaal waarnog geen standaardisatie heeft plaatsgevonden. Het is zeker geen tomeloze chaos. Doordat erverschillen bestaan in visies, werkwijzen, opleidingen en aandachtsgebieden bestaan er ookverschillende discoursen. Mijn onderzoek laat zien dat er een redelijk eensluidende voorkeur bestaat voor bepaaldetermen en in ieder geval een met redenen omklede afkeur voor andere termen.Een vaktaal heeft geen ‘moeilijke woorden’ nodig om een vaktaal te zijn. Er zijn goede en helderetermen mogelijk die niet gekleurd zijn door een theorie of model. Vanwege het internationale karakteris een classificatie als de ICIDH (geformuleerd door de Wereldgezondheidsorganisatie) als leidraadheel nuttig. Gezien het multidisciplinaire karakter van deze classificatie is de transdisciplinairecommunicatie hierbij ook gebaat. De vakexterne communicatie mag echter niet worden vergeten.54 Niet alleen in Nederland! Dit blijkt ook uit de Amerikaanse literatuur, o.a. Webster, & Brencick 1994. 67
  • Pleegvertalingen – Antwoorden en nieuwe vragenInmiddels is het 2007. Na het onderzoek waarover de voorgaande hoofdstukken handelen zijn er ruimtien jaar verstreken. Wat zou er intussen zijn gebeurd? Zijn er binnen de diverse uitgeversfondsen nogsteeds verschillende vertalingen verschenen? Zijn er nationale afspraken over de vertaling gemaakt?Zijn er al stappen ondernomen om de diagnostiek in termen van de ICIDH te vatten? Houden dekwestie ‘taal’ en het eenduidig begrippenkader de gemoederen nog steeds bezig?In het volgende hoofdstuk zal ik trachten deze vragen te beantwoorden. 68
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________ Hoofdstuk 4 Een sprong in de tijd; 1996 - 2007 ‘(...) This is not a subtle point, that meaning grows out of use, but in spite of its being frequently sloganized, its implications are often unsuspected.’ (Jerome Bruner 1990; 118)4.1 InleidingHet nuttige van het uitsmeren van een scriptieonderzoek over meerdere jaren is dat je een sprongetje in de tijdkunt maken en daarmee vragen kunt beantwoorden die anders onbeantwoord zouden zijn gebleven. Mijn voornaamste vragen voor de huidige tijd (2007) zijn deze: - Is er inmiddels een standaardvertaling van de verpleegkundige diagnoses? - Zijn er stappen ondernomen om de diagnostiek in termen van de ICIDH/ICF te vatten? - Wat is het vervolg van het Vooronderzoek Eenduidig Verpleegkundig Begrippenkader, waar in de jaren negentig zo veel over werd geschreven?Om de eerste vraag te kunnen beantwoorden heb ik in de medische bibliotheek (MBU) en bij het LEVV(Landelijk Experisecentrum Verpleging & Verzorging) gezocht naar nieuwe of meer recente publicaties. Eenoverzicht hiervan is in de volgende paragraaf te vinden. Voor de overige vragen heb ik vooral gezocht in devaktijdschriften. Daar heb ik een interessante discussie aangetroffen tussen voorstanders van het gebruik vande ICF en mensen die daar kritisch tegenaan kijken. Hiervan zal ik kort verslag doen in paragraaf 4.3.4.2 NANDA-vertalingen sinds 1996Een eerste verkenning in de Medische bibliotheek (MBU) en het informatiecentrum van het LEVV (LandelijkExperisecentrum Verpleging & Verzorging) leverde opvallend weinig vondsten op bij het zoeken op ‘NANDA’.Zoals te verwachten, was er wel een nieuwe Handleiding verpleegkundige diagnostiek (Gordon 2002) 55verschenen. Ook bij een andere uitgever was een overzicht van de NANDA-diagnoses te vinden (NANDA2003). De eerste druk van dat boek kwam in 1997 op de markt bij uitgeverij Bohn Stafleu van Loghum.Carpenito, een vooraanstaand Amerikaans verplegingswetenschapster, heeft een eigen uitgave van deverpleegkundige diagnoses, die in Nederland al in 1993 op de markt is verschenen. Deze vertaling is in 1996niet in het onderzoek opgenomen. De tweede druk van Carpenito is in 2003 bij uitgeverij Wolters-Noordhoff55 Sinds 1996 zijn volgens mijn informatie twee nieuwe drukken van dit boek met aangevulde NANDA- diagnoses verschenen. Het laatste boek bevat zo’n 167 goedgekeurde diagnoses. In 1996 waren dit er 108. 69
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________verschenen. In het onderstaande schema staan de voornaamste vertalingen bijeen. Ik heb mij voor ditoverzicht beperkt tot de handleidingen en zakboeken op het gebied van de verpleegkundige diagnostiek, dieals naslagwerk in opleidingen en in de verpleegkundige praktijk worden gebruikt. Mogelijk zijn er meervertalingen in andersoortige literatuur verschenen. Omdat binnen uitgeversfondsen de vertalingen op elkaarworden afgestemd, is echter te verwachten dat deze voor wat betreft de drie genoemde uitgeverijen (ElsevierGezondheidszorg, Bohn Stafleu van Loghum en Wolters-Noordhoff) overeen zullen komen met de vertalingenin tabel 4.1.Wat opvalt in tabel 4.1 (zie hieronder) is dat de vertalingen van Carpenito en Gordon geen overeenkomstenvertonen, afgezien van de alom gehanteerde formulering ‘inadequate sociale interactie’. De term ‘inadequaat’ iseen veelvuldig gebruikte typering in de verpleegkunde en het is daarom denkbaar dat deze vertalingenonafhankelijk van elkaar tot stand kan zijn gekomen. De vertaling van NANDA 2003 vertoont groteovereenkomst met de Gordon-vertaling uit 1995 (en 2002). Feitelijk zijn er alleen afwijkingen bij label 5 en 8. Bijlabel 8 komt de vertaling van NANDA 2003 overeen met de Carpenito-vertaling. ‘Ophoesten’ is echter binnenhet verpleegkundig discours een bekende term en dit werkwoord maakt ook deel uit van de als ‘beste’beoordeelde formulering in 1996. ADL-afhankelijkheid wordt in 2007 nog steeds niet gezien als mogelijkevertaling van Self-Care Deficit.De skoposinformatie in de Gordon-vertalingen is, in vergelijking met de andere uitgaven, het meest uitgebreid(zie hiervoor ook paragraaf 1.3.4). NANDA 2003 is vertaald door één persoon, Nico Oud (docent, opleider enonderzoeker) en heeft een driekoppige redactie van verplegingswetenschappelijke experts, waaronder Oud.“Bij de vertaling van de editie 2003-2004 is getracht de oorspronkelijke tekst zo nauwkeurig mogelijk weer tegeven. Het betreft een werkvertaling; in de praktijk moet blijken of dit ‘de taal’ is die verpleegkundigenaanspreekt en die door hen gebruikt wordt bij het formuleren van verpleegkundige diagnoses”. Hieruit blijkt datde brontekst een hoge status heeft voor de vertaler. Uit de inleiding blijkt ook dat het boek duidelijk in dienstwordt gesteld van het eenduidig Nederlandstalig verpleegkundig begrippenkader. Het feit dat is aangesloten bijde Gordon-vertaling uit 1995 bevestigt dit steven. Vaktaalvertalen behoort de kunstmatige grenzen vanuitgeversfondsen immers te overstijgen. Verder is opvallend dat de vertaler rekening houdt met hoeverpleegkundigen de vertaling zullen ontvangen. De vertaler is zich bewust van de doelgroep en van hettaalgebruik van de doelgroep.Ogenschijnlijk heeft de vertaling van Gordon 1995a veel invloed gehad op latere werken. Het feit dat dezevertaling doorgaans ook in mijn onderzoek goed werd beoordeeld, lijkt erop te wijzen dat de vertaling redelijktot goed aansluit bij het verpleegkundig discours. 70
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________Tabel 4.1 - Labels 2007 met ‘beste’ en ‘slechtste’ Engelstalig Als beste Als slechtste Gordon, M. Carpenito, L.J. (2003), Gordon, M. (2002), NANDA (2003), NANDA label beoordeelde beoordeelde (1995) Zakboek verpleegkundige Handleiding Verpleegkundige formulering in formulering in 1996 Proces en diagnosen, 2e druk Verpleegkundige diagnoses. Definities 1996 Toepassing Diagnostiek, 3e druk en classificatie 2003- 2004 , 4e druk1 High Risk for Dreigend vochttekort Risico van dehydratie Dreigend Vochtbalans, risico op Dreigend vochttekort Dreigend vochttekort Fluid Volume vochttekort (‘beste’) verstoorde/Vochttekort Deficit2 Impaired Aanpassingsproble- Geblokkeerde Verminderd Verstoorde aanpassing Verminderd Verminderd Adjustment men ziekteaanpassing aanpassingsvermo- aanpassingsvermogen aanpassingsvermo- gen (2e plaats) gen3 Impaired Physical Beperkte beweging Onvermogen om te Mobiliteitstekort Mobiliteit, verminderde Mobiliteitstekort Mobiliteitstekort Mobility (van hand/arm/etc.) bewegen4 Altered Nutrition: Voedingstekort Gewijzigde opname van Voedingstekort Ondervoeding Voedingstekort Gewijzigd Less than Body voeding: minder dan (‘beste’) voedingspatroon: Requirements stofwisselingsbehoefte voedingstekort5 Altered Health Onvermogen tot Wijziging in het Tekort in Gezondheidsveronacht- Tekort in Onvermogen Maintenance gezonde leefwijze instandhouden van de gezondheidsonder- zaming gezondheidsonder- gezondheid te gezondheid houd (2e plaats) houd onderhouden6 Altered Thought Verstoord denkproces Gestoord denken Verstoord denken Verstoorde denkprocessen Verstoord denken Verstoord denken Processes (2e plaats)7 Impaired Social Communicatiestoornis Gestoorde sociale Inadequate sociale Inadequate sociale Inadequate sociale Inadequate sociale Interaction sen in de omgang interactie interactie (2e plaats) interactie interactie interactie met anderen / Problemen met de sociale interactie8 Ineffective Moeite met Ineffectieve luchtwegen Ineffectieve Ineffectief ophoesten Ineffectieve Ineffectief Airway Clearance ophoesten van slijm luchtwegreiniging luchtwegreiniging ophoesten9 Self-Care Deficit: ADL-afhankelijkheid Zelfstandigheidstekort Zelfstandigheids- Zelfzorgtekort: Zelfstandigheidstekort Zelfstandigheids- (bijvoorbeeld: in wassen tekort in wassen wassen/lichaamsverzorging in wassen tekort in Bathing/Hygiene) (‘slechtste’) wassen/hygiëne 71
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________In de meest recente uitgaven was het soms lastig om zonder coderingen of referentie naar deAmerikaanse termen, te beoordelen of ik de juiste labels te pakken had. Uiteraard is een label slechtseen naam van een diagnose en moet naar de definities (en bepalende kenmerken ensamenhangende factoren) worden gekeken voor uitsluitsel. Een voorbeeld van - in ieder geval voorleken - lastig te onderscheiden diagnoselabels is: Gezondheidsveronachtzaming (Carpenito 2003)versus Tekort in gezondheidsinstandhouding (Gordon 2002) en Tekort in gezondheidsonderhoud(Gordon 2002). Volgens de (onderling verschillende!) definities moet Gezondheidsveronachtzaming(Carpenito) overeenkomen met Tekort in gezondheidsonderhoud (Gordon 2002).Nanda 2003:Onvermogen Gezondheid te onderhoudenOnvermogen om vast te kunnen stellen dat hulp nodig is bij het onderhouden van de gezondheid,hiervoor zorg te dragen en/of te zoeken.Carpenito 2003:GezondheidsveronachtzamingVerslechterde gezondheidstoestand vanwege een ongezonde manier van leven of onvoldoendekennis over het omgaan met een bepaalde gezondheidstoestand.Gordon 2002:Tekort in gezondheidsonderhoudOnbekendheid met essentiële gezondheidsgewoonten en/of onvermogen om eigen gezondheid instand te houden of hiervoor hulp in te roepen (specificeer type tekort).Tekort in gezondheidsinstandhoudingOnvermogen om activiteiten te ontplooien ter bevordering van de gezondheid en/of ter preventie vanziekte of invaliditeit of verergering daarvan (specificeer medicatie, dieet- of naderebehandelvoorschriften, geobserveerde of verwoorde symptomen, nazorg, gezondheidsbevorderendeen preventieve maatregelen).ACENDIOEen organisatie die zich sinds midden jaren negentig bezighoudt met het eenduidig verpleegkundigbegrippenkader is ACENDIO (Association for Common European Nursing Diagnoses, Interventionsand Outcomes). Dit is een Europese organisatie waarin ongeveer 25 landen zijn vertegenwoordigd(zie: www.acendio.net). Het streven van ACENDIO is de ontwikkeling van de vaktaal van deverpleegkundige praktijk. Daartoe organiseert de organisatie conferenties en presentaties. De websitevan de organisatie lijkt niet recent onderhouden maar er is in april 2007 een grote conferentie inAmsterdam georganiseerd met als thema “Nursing Communication in Multidisciplinary Practice”.OremIn 1996 viel mij op dat er veel taal van verplegingswetenschapster Dorothea Orem in de formuleringvan de diagnoselabels was terug te vinden. Deels was dit te wijten aan de aanwezigheid van ‘Orem- 72
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________taal’ in de NANDA-labels. Aan de andere kant werd de term zelfzorg door de vertaler(s) als eenalgemeen geaccepteerde uitdrukking gezien (zie 1.3.4). In een rede van professor van Achterberg(2002) is te lezen dat de invloed en toepassing van Orem intussen niet meer zo dominant is inNederland: Vanuit de eigen verpleegkundige discipline is al veel aan theorieontwikkeling gedaan. In het verleden is vaak wel krampachtig en misplaatst aan deze eigen theorieën vastgehouden. Menig patiënt vreesde verwaarlozing omdat hem bij de draaideur al werd verteld dat hij volgens de zelfzorgtheorie van Orem zou worden verpleegd (Orem 1991). Het deed Orems theorie geen goed, want veel oneigenlijk gebruik betekende dat veel mensen geen nut ervoeren. De theorie raakte daardoor in de laatste jaren als ‘niet meer hip’ wat in de vergetelheid. Uit de ‘rise and fall of Orem’s theory’ valt te leren dat één theorie niet voor alle vragen en oplossingen moet worden gebruikt. Verschillende vraagstukken vragen input vanuit verschillende theorieën. Deze kunnen ook heel goed vanuit andere disciplines zijn ontwikkeld. Want net zo min als één theorie alles oplost, kunnen theorieën uit één discipline de hele wereld verklaren.Alleen al uit tabel 4.1 is af te lezen dat het antwoord op mijn eerste vraag in 4.1 ontkennend is. In2007 is nog geen standaardvertaling van de NANDA-diagnostiek verschenen. Maar als dit het enigewas wat de verpleegkunde met betrekking tot het eenduidige taalgebruik bezighield, dan was dievertaling er misschien al wel geweest. Het streven naar een eenduidig begrippenkader kent echterverschillende benaderingen met schijnbaar tegengestelde meningen. Hierop zal ik kort ingaan in denu volgende paragraaf.4.3 NANDA of ICF; vakintern of multidisciplinair?In de vorige paragraaf is te zien dat de NANDA-diagnostiek nog niet in een eenduidige vaktaal heeftgeresulteerd. Intussen is de aandacht gericht op de ICF (voorheen ICIDH). Deze internationale,multidisciplinaire classificatie, die door de WHO is geformuleerd, zou wel eens geschikt kunnen zijnom de verpleegkundige vaktaal te standaardiseren.De ICF (International Classification of Human Functioning) is een classificatie waarmee hetfunctioneren van mensen en de eventuele problemen daarin beschreven kunnen worden, evenals defactoren die op dat functioneren van invloed zijn (RIVM). De voorloper van de ICF is de ICIDH(International Classification of Functioning, Disability and Health). Deze door de WHO (World HealthOrganization) ontwikkelde classificatie bevat beschrijvende termen over de gezondheidstoestand vande mens en is na een langdurige internationale samenwerking tussen vele disciplines tot standgekomen. In 2001 verrees hieruit de ICF. Met de ICF is het mogelijk “gegevens in de tijd en uitverschillende landen, vakgebieden en sectoren met elkaar te vergelijken en bevat een systematischcodestelsel voor digitale informatiesystemen in de gezondheidszorg.”(Hellema 2002). 73
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________De classificatie omvat meerdere niveaus, van algemeen tot zeer specifiek en omvat drieperspectieven: 1. Het perspectief van de mens als organisme. Hierin zijn omschreven: functies, anatomische eigenschappen en stoornissen. 2. Het perspectief van het menselijk handelen. Dit omvat: activiteiten en beperkingen. 3. Het perspectief van participatie betreft de deelname aan het maatschappelijk leven. Hierin zijn opgenomen: participatie en participatieproblemen.Naast deze perspectieven worden ook factoren genoemd die van invloed zijn op het functioneren:externe factoren (de fysieke en sociale omgeving) en de persoonlijke factoren (kenmerken van hetindividu) (RIVM).Wynia 2004 geeft het volgende voorbeeld:“Wordt bijvoorbeeld met de zorgvrager een functioneringsprobleem ‘lopen’ (d450) vastgesteld, dankunnen verpleegkundigen, fysiotherapeuten, specialisten, maatschappelijk werkenden,ergotherapeuten enz. daaraan hun ‘eigen’ beroepsspecifieke diagnosen en interventies koppelen. Zozal de verpleegkundige nagaan of er wellicht sprake is van de verpleegkundige diagnose‘Loopstoornis’ of dat de diagnose ‘Verminderde inspanningstolerantie’ beter van toepassing is(Carpenito et al, 2002). Een specialist (bijvoorbeeld de neuroloog) zal eerder nagaan of er sprake isvan een medische diagnose, bijvoorbeeld een Cerebro Vasculair Accident, een hersentumor of eenandere neurologische aandoening. De ergotherapeut zal met de zorgvrager overleggen overhulpmiddelen bij het lopen en over aanpassingen in huis. Doordat elke hulpverlener nu uit kan gaanvan dezelfde ‘beperking in de activiteit ‘lopen’ met dezelfde definitie, inclusies en exclusies, neemt dekans op spraakverwarring af.” (Wynia 2004)Overigens lijkt Wynia als enige (in de literatuur die ik heb gevonden) een combinatie van ICF metverpleegkundige diagnostiek - in dit geval verwoord door Carpenito - voor zich te zien. Over hetalgemeen is er sprake van een tegenstelling tussen mensen die het nut van de ICF onderschrijvenversus aanhangers van een eigen verpleegkundige diagnostiek (en classificatie?) Hier zal ik straks opterugkomen.Uit de literatuur (o.a. Hellema 2002) blijkt dat de ICF op zichzelf niet geschikt is om direct te gebruikenin de patiëntenzorg. Het is de bedoeling dat de classificatie geschikt wordt gemaakt. In eengrootschalig landelijk project (Toepassingsmogelijkheden van de ICIDH binnen de verpleegkunde)waaraan onder andere het Landelijk Expertisecentrum Verpleging en Verzorging (LEVV, toen nogLCVV) en academische ziekenhuizen in Amsterdam (AMC), Groningen (AZG) en Nijmegen (St.Radboud) meewerkten, is onderzocht of de ICF in de praktijk toepasbaar is. In dat proces zijn tal van 56instrumenten voor de praktijk ontwikkeld. De studies zijn overwegend positief maar het lijkt mijbegrijpelijk dat ‘alweer een nieuwe classificatie’ niet direct met open armen zal worden ontvangen,vooral niet als al zoveel werk en aandacht aan bestaande classificaties is besteed.56 Onder andere Van der Brug en Van Achterberg 2002, Toepassingsmogelijkheden van de ICIDH binnen de verpleegkunde (2002), Roodbol et al 2002, Van der Brug et al 2002. 74
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________ De ICF krijgt echter langzaam meer draagvlak en heeft in 2007 al veel terrein gewonnen. Deargumenten die vóór de classificatie pleiten zijn legio maar er worden ook tegenargumentengenoemd. De voorstanders menen dat het beschrijvende karakter van de ICF de internationale envooral de multidisciplinaire samenwerking ten goede zal komen. De ICF is op inductieve wijze totstand gekomen en is zeer veelomvattend. Het taalgebruik is bovendien neutraal en theoriearm. Er iswel enig werk nodig om de classificatie toe te passen in de praktijk maar de onvolkomenheden diedaaruit te voorschijn komen, kunnen door de WHO, dus heel internationaal en overkoepelend, zonodig worden aangevuld of verbeterd. Het grootste probleem van de ICF is uiteraard de praktische toepassing en het doel dat dietoepassing zal moeten dienen. De ICF levert niet meer dan een ‘structuur’ en een ‘termenbank’. Indiverse projecten worden op basis van de ICF echter steeds meer toepassingen gevonden eninstrumenten ontwikkeld, van anamneseformulieren tot verpleegplannen en overdrachtsformulieren.De NANDA-diagnostiek is vanuit de verpleegkundige ervaring (deductief) ontstaan, is gekleurd (doorhet gebruik van theorierijke termen) en onderstreept de professionalisering van het eigen vakgebied.Vanuit de NANDA-hoek zijn kritische geluiden te horen over de ICF: deze zou helemaal niet bedoeldzijn voor de zorgpraktijk. “Er zijn woordjes gevonden in de ICF die ook in de praktijk worden gebruikt.Oké, so what?” (Goossen 2004). Bovendien is men bang dat de verpleegkunde haar eigenheid zalverliezen. Goossen (2004) schrijft: “Ondanks de wenselijkheid van multidisciplinair werken - ik zal delaatste zijn om dat te ontkennen – wordt door de ICF-adepten ook het kind met het badwaterweggegooid. In dit multidisciplinair geweld, waar de verpleging ook voor onderzoek, praktijk eninnovaties toch nog altijd achteraan in de rij staat, bestaat het gevaar dat het eigene aan de professiewordt weggeklasseerd.” Jaarsma schrijft in 2004: “Het onderbrengen van problemen van patiënten lijkteen grote klus die vervreemdend kan werken in de alledaagse zorg voor patiënten. Een op het oog vrij‘simpel’ aandachtspunt in de zorg van een patiënt (vroeger verpleegprobleem genoemd) moet in eenerg ingewikkelde formulering worden omgezet om het onder te kunnen brengen in de ICF.” Jaarsmanoemt de ICF-taal te ambtelijk en kunstmatig en door ‘positief herformuleren’ niet meer herkenbaarvoor verpleegkundigen. “Theoretisch en beleidsmatig is de ICF wellicht interessant maar voor deklinische praktijk lijkt het niet werkbaar of toepasbaar.” (Jaarsma 2004) Professor Van Achterberg(2004) benadrukt het feit dat de ICF niet bedoeld is als naslagwerk maar dat het de bedoeling is omselecties van onderwerpen uit de ICF te lichten die voor de eigen patiëntengroep belangrijk zijn.Bovendien: “De ICF is geen wondermiddel en valt verder te verbeteren.” (Van Achterberg 2004).Over en weer wordt gesproken in termen van religieuze tegenstellingen. De NANDA-aanhangerszouden te weinig kritisch zijn over de eigen termen en het ontstaan van de NANDA wordt vooral gezienals een niet goed doordachte, te vakspecifieke emancipatoire beweging. “Door afkeurend te reagerenen vast te houden aan de verpleegkundige classificaties, benadelen verpleegkundigen zichzelfonverantwoord veel. Ze plaatsen zichzelf daarmee buiten de ontwikkelingen en de discussies in dezorg, en lopen het gevaar (verder) in een isolement te raken” (Wynia 2004). 75
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________Zoals gezegd, lijkt de aandacht voor de ICF te groeien. ACENDIO, die vooral is gericht op deverpleegkundige vaktaal, had in april 2007 de multidisciplinaire communicatie als thema van haarconferentie. De ICF ontwikkelt zich verder en binnenkort zal een gecorrigeerde versie verschijnen.Daarnaast is een ICF gericht op kinderen en jeugd in de maak (ICFCY; ICF Children and Youth) (TenNapel, mondelinge informatie).4.4 Over 11 jaar…Hoe moet het nu verder met de verpleegkundige vaktaal? Hoe zal deze zich verder ontwikkelen?Deze scriptie zal ik niet over nog eens 11 jaar vervolgen met een vijfde hoofdstuk maar de deze vraagis als afsluiting van mijn onderzoek wel interessant. Hoe ziet de verpleegkundige vaktaal in eruit2018?Verpleegkundigen werken temidden van vele disciplines in direct contact met patiënten. Dat is eensociologisch feit. Een sociolinguïstische consequentie is dat daardoor het verpleegkundige taalgebruikdichtbij de algemene taal is gebleven. Dit brengt sommigen op het idee dat verpleegkundigen geeneigen vaktaal hebben. Vaktaal omvat echter veel meer dan (moeilijke) termen. De taal tussen mensendie zich beroepsmatig met dezelfde onderwerpen bezighouden (LSP, language for specific purpuses)heeft een eigen karakter en eigen ‘manieren van zeggen’. Verpleegkundigen hebben dus per definitieeen eigen LSP of vaktaal. In de verwoordingen van de NANDA-diagnostiek zijn soms nodeloosmoeilijke constructies geformuleerd. De respondenten uit mijn onderzoek kozen echter in alle gevallenvoor de meest heldere en patiëntvriendelijke terminologie, voor de termen die aansluiten bij de taal diezij onderling spreken.De ontwikkeling van een verpleegkundige vaktaal wordt door velen afgeremd omdat daarmee demultidisciplinaire communicatie niet is gediend. (Niemand spreekt in dat opzicht over de vakexternecommunicatie; de communicatie met de patiënt!) Uit sommige citaten lijkt te spreken dat deverpleegkunde geen eigen taal heeft of mag hebben. Professor Van Achterberg zegt: “(…) een ‘eigenverpleegkundige taal’ [is] steeds minder houdbaar in een tijd waarin samenwerken met anderehulpverleners steeds belangrijker wordt.” Onder de visieverschillen met betrekking tot het ontwikkelenvan een eenduidige vaktaal schuilt mogelijk ook een verschil in visie op taal. De verpleegkundige taalis maakbaar, natuurlijk, maar verpleegkundigen hebben per definitie een eigen vaktaal, een eigenverpleegkundig discours met een eigen betekenisdynamiek. Ook dat is een sociolinguïstisch gegevenen het blijkt ook uit mijn onderzoek. De verpleegkundige vaktaal wordt gekenmerkt door minimaal alleaspecten die in de vaktaaldefinitie van Sauer zijn verwoord, zoals we in paragraaf 1.3.6 hebbengezien. De ICF zal geen verpleegkundige vaktaal worden maar is te definieren als een ‘invloed’ op dievaktaal (zie de definitie van Sauer op p. 22). Slechts de formuleringen van de toepassingen van deICF, de vruchten van alle projecten die er zijn geweest, en die nog zullen komen, zullen op den duurdeel uitmaken van het verpleegkundige taalgebruik. Dit is een langdurig, arbeidsintentief proces. Door 76
  • Pleegvertalingen – Een sprong in de tijd___________________________________________________________________________de interactie met anderen (verpleegkundigen, patiënten en andere disciplines), in teksten ofmondeling, treedt vervolgens het constituerende effect van taal in werking. Taal is mensenwerk. Ofeen term voet aan de grond krijgt, heeft de taalgemeenschap zelf voor het zeggen, hoewel er bijvaktalen een dicterende werking uitgaat van publicaties, standaardisaties en voorschriften. Hetgemeenschappelijk maken van de taal uit de ICF lijkt mij een talig en betekenisvormend proces datvele jaren zal duren. Het eens worden over benoemingen (de namen van dingen) is echter degemeenschapsstichtende taalhandeling bij uitstek. (Koefoed 1993). “Gedeelde benoemingendefiniëren taalgemeenschappen – tijdelijke gemeenschappen (de deelnemers aan een gesprek),semi-permanente gemeenschappen (zoals een peer-group) en blijvende gemeenschappen (zoals eenberoepsgroep); in grootte variërend van klein (een gezin, een vriendenclub) via middelgroot (eenberoepsgroep, aanhangers van een religie) tot groot (een taalgemeenschap in gebruikelijke zin)” (ibid.1993)Het belang van een goede, doelgroep- en functiegerichte vertaling van de ICF als basis voor detoepassing in de verpleegkundige vaktaal kan niet genoeg worden benadrukt. Ik hoop dan ook datmen in de toekomst veel aandacht en expertise in de kwaliteit van de vertaling zal blijven besteden57.Vertalingen die nauw aansluiten bij het verpleegkundig discours hebben meer kans om eentoepassing te vinden dan termen die te algemeen of vervreemdend zijn verwoord. Dit betekentoverigens niet dat specifiek verpleegkundige termen in de ICF terecht hoeven te komen. (ADL-afhankelijkheid hoort niet in de ICF.)Na alle aandacht voor de vakinterne en multidisciplinaire communicatie zou ook de vakexternecommunicatie nog onder het voetlicht kunnen verschijnen. De communicatie met de patiënt magtenslotte nooit lijden onder een opbloeiende vakterminologie. Ik hoop dat verpleegkundigen tenopzichte van de patiënt hun doorgaans goede reputatie zullen blijven behouden. De respondenten inmijn onderzoek laten daar in ieder geval geen misverstanden over bestaan.Ik hoop dat het volgende citaat van Prof. Van Achterberg van toepassing blijft: “Naast het niet kunnen, hebben verpleegkundigen soms goede redenen om niet volgens de laatste effectieve aanpak voor een probleem te willen handelen. Waar wetenschappelijke studies vaak oplossingen voor een probleem onderzoeken, zijn verpleegkundigen er niet voor problemen maar voor mensen. Dit houdt in dat een verpleegkundige altijd naar de hele mens zal kijken.57 ‘Waterbalans’ in plaats van het multidisciplinaire begrip ‘vochtbalans’? 77
  • Pleegvertalingen – Literatuur___________________________________________________________________________LiteratuurAchterberg, Prof. dr. T. van (2002). ‘Where is my nurse?’ Over onderzoek en oorbare zorg. Rede in verkorte vorm uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van Hoogleraar in de Verplegingswetenschap aan de Faculteit der Medische Wetenschappen / het UMC St Radboud van de Katholieke Universiteit Nijmegen op donderdag 3 oktober 2002 (via internet).Achterberg, Theo van, Carla Frederiks, Anke Persoon en Gerda Holleman (2002). “ICF: taal voor de toekomst?” In: TvZ, Tijdschrift voor Verpleegkundigen, vol 112, nr 10; 20-25.Bakker, H. (1990) ‘De verpleegkundige diagnose’. In: TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen. nr. 5, 168.Bartelds, Johan F., Jansen, E.P.W.A., Joostens, Theo H. (1989), Enquêteren: het opstellen en gebruiken van vragenlijsten, Groningen: Wolters-NoordhoffBeckeringh, A., A. Boer en drs. A.M. Eliëns. (red) (1995) Verpleegkundige Probleemgebieden, Diagnoses & Interventies. (1995) Losbladig. redactie: Dwingelo: Uitgeverij Kavanah.Bobbink, A.F. Werkvelden in de verpleegkunde. Utrecht/Antwerpen: Bohn Scheltema en Holkema, 1986.Briody, M.E. et al, Naar een beter begrip van de verpleegkundige diagnose: een interpretatie. In: Verpleegkundig Perspectief, 1993, nr. 1 (7).Brug, Ype van der en Theo van Achterberg (2003). ICF in de verpleegkunde II. Aan het werk met het internationaal classificatiesysteem. Elsevier Gezondheidszorg/ LCVV.Brug, Ype van der, Theo van Achterberg, Yvonne Heijnen-Kaales, Maarten van Kleef (2002). “Aan het werk met de ICF”. In; TvZ, Tijdschrift voor verpleegkundigen, vol 112, nr 10; 26-29.Bruggen, H.J. van der & H, ten Napel.(1993). ‘Begrippenkader Verpleging en Verzorging: Naar Uniformering, Classificatie en Standaardisatie’. In: Tijdschrift voor Verzorgenden, nr. 10, 314-318.Bruggen, H.van der, en Hirs, W. (1993). ‘Het vooronderzoek begrippenkader verpleegkunde, een tussentijds verslag’ In: TVZ/ Vakblad voor verpleegkundigen, 8, Lochem: de Tijdstroom, 267-271.Bruggink, G.K, en L. Regeer (red) (1990), m.m.v. Y.M. van der Burg. Verpleegkundige diagnostiek in Nederland; de eerste stap.Bruijns, S & M. Buskop-Kobussen. (1996) Diagnostiek in de Ouder- en kindzorg. Assen: van GorcumBruner, J. (1990) Acts of Meaning. Cambridge, Mass. etc.: Harvard University Press.Bruyns, S. & M. Buskop-Kobussen (1996) Diagnostiek en interventie voor verpleegkundigen in de ouder- en kindzorg. Assen: van GorcumC.B.O. 1992, Consensus verpleegkundige verslaglegging Utrecht. (GR) 78
  • Pleegvertalingen – Literatuur___________________________________________________________________________Carpenito, L.J. (2002). Zakboek verpleegkundige diagnosen. Groningen / Houten: Wolters Noordhoff.Dam, H. van, (1994), ‘Het begrip “zelfzorg” is een onding’. In: (TvZ) Tijdschrift voor Verpleegkundigen, 9, 270-273.Eliëns, A., H. Vermaas & J. Aarts (1993) Het verpleegkundig proces in de algemene gezondheidszorg. Nijkerk: IntroEliens, A.M. (1991), ‘De verpleegkundige diagnose: gemeengoed? Bericht over een onderzoek.’ In: Tijdschrift voor Ziekenverpleging, 2, 65.Elzinga, A, H. Peltenburg en Y. van Marle, (1996). ‘De diagnostische fase getoetst’ In: TvZ, Tijdschrift voor verpleegkundigen, 1, 1996.Evers, Prof. Dr. G.C.M. (1994) Theorieën en principes van verpleegkunde. Inleiding voor het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. (2e gewijzigde druk) Assen: van GorcumEwals, M.W.J.M. en Oudenhoven, C.M.A. (1992) Verpleegproblemen en verpleegkundige diagnosen in de psychiatrie. Doctoraalscriptie Verplegingswetenschap, Faculteit der Gezondheidswetenschappen, Rijksuniversiteit LimburgFasold, Ralph W. (1990), The sociolinguistics of language, Cambridge: Basil Blackwell.Frederiks, Dr. Carla M.A., (1992).‘De verpleegkundige diagnose’ (Antwoord aan Th. Herpers). TvZ vakblad voor verpleegkundigen, nr. 7, 226Goossen, W. (2004). ICF: waardevol of waardeloos? (II) In: Verpleegkunde, 2004-19, nr 2; 155- 162.Gordon, M. (1995a) Verpleegkundige diagnostiek: proces en toepassing. Utrecht: Lemma.Gordon, M. (1995b) Handleiding Verpleegkundige Diagnostiek 1995-1996. Utrecht: LemmaGordon, M. (2002). Handleiding Verpleegkundige diagnostiek. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 3e gewijzigde druk.Handboek Verpleegkundige Diagnostiek, Interventies en Resultaten. (1995) Losbladig. 1e aanvulling dec. 1995. Houten, etc.: Bohn, Stafleu van Loghum.Hatim, B. & Mason, I. (1990), Discourse and the Translator. New York etc. Longman.Hellema, F. (2002). ICIDH en de NANDA, NIC en NOC. Academisch Ziekenhuis Groningen 2002.Hellema, Fokje, John Kinds, Mieke Boelens, Isaäc Bos, Marie Louise Luttik, Gonda Stallinga, Ger Tijssen, Doetie Visser, Giel van Vliet en Klaske Wynia. (2002). ‘ICF-instrumenten voor continuïteit van zorg’. In: TvZ, Tijdschrift voor Verpleegkundigen, vol 112, nr 10; 55-59.Herpers, Th.M.M. (1990) ‘Het gebruik van DSM-III’ in TvZ Vakblad voor Verpleegkundigen, no. 8, De Tijdstroom, Lochem, 1990, 25. Een reactie op een artikel met dezelfde naam van W. de Vries: TvZ, no. 5, 156-159.Herpers, Th.M.M. (1992) ‘De verpleegkundige diagnose’ (Reactie op de consensusbijeenkomst verpleegkundige verslaglegging). In: TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen, nr. 6, 198- 199. 79
  • Pleegvertalingen – Literatuur___________________________________________________________________________Holte, E. ten, (1992) ‘Verpleegkundige diagnostiek’, in: TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen, nr. 17, 622-623.Holte, E. ten, (1993) ‘Eenduidige terminologie op komst’. In: Het Ziekenhuis, 10 (492-494).House, J. (1977). A Model for Translation Quality Assessment, Tübingen: Narr.Hullu, Marijke de, (1994) ‘De verpleegkundige diagnose’ in: Nursing 94, april, Misset, Maarssen, 61-63.Hullu, Marijke de, (1995) ‘Diagnoses, interventies en uitkomsten: van onduidelijk naar eenduidig’ in Nursing 95, april. Maarssen: Misset; 65-67.Hunt, A.H. Humor als verpleegkundige interventie’. In: Verpleegkundig Perspectief, 1993, nr. 5 (24) – vertaling van W. Seunke.ICF, Nederlandse vertaling van de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ (2002). WHO-FIC Collaborating Centre, RIVM. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Jaarsma, T. en T. van Achterberg (2004). ‘ICF in de verpleegkunde’. In: Verpleegkunde, 2004-19, nr. 1; 72-74.Jansen, G.J. (1992) Verpleegkundige diagnoses in de psychiatrie; een verplegingswetenschappelijk onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van psychiatrisch verpleegkundige diagnostiek. (Doctoraalscriptie Verplegingswetenschap, Groningen)Kalis, A en Swagerman, C. (1994), ‘De toepassing van “Orem”’, In: TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen, nr. 5, 1994, 146-148.Karel, J.G.P.M. (1994) Van zorgvraag naar verpleegkundige diagnose in de zorg voor verstandelijk gehandicapten. Doctoraalscriptie verplegingswetenschappenKoefoed, Geert, Grensverschijnselen – bibliografische gegevens niet beschikbaar.Koefoed, Geert (1993), Benoemen. Een beschouwing over de faculté du langage. Proefschrift Universiteit Utrecht. Amsterdam: P.J. Meertensinstituut.Kruyswijk, J. & H. Mostert (1994). Het verpleegproces. Utrecht: LemmaLacko, B.J.S. (1992). ‘Nogmaals: de verpleegkundige diagnose’ (reactie op artikel van Herpers). In: TvZ vakblad voor verpleegkundigen, nr. 9, 1992, 308.Lakoff, G & M. Johnson (1980). Metaphors We Live By, The University of Chicago Press.Leih P. en C. Salentijn, (1991a) ‘Verpleegkundig diagnoses: betekenis, classificatie en vragen’ Verpleegkunde, 1, 3.Leih, P. & Salentijn C., (1991b). Verpleegkundige diagnoses; betekenis, classificatie en vragen. In: Verpleegkunde, 1991/2, nr. 1 (7)Leih, P. (1988) ‘Standaardisatie en verpleegkundige diagnoses, In: Tijdschrift voor Ziekenverpleging (TvZ), 8, 259.Leuven-Zwart, K. van, K.M. (1992). Vertaalwetenschap: Ontwikkelingen en Perspectieven. Muiderberg: Coutinho.Levinson, Stephen C. (1983). Pragmatics. Cambridge (etc.): Cambridge University Press. 80
  • Pleegvertalingen – Literatuur___________________________________________________________________________McFarland G.K. & McFarlane E.A. (1993). Nursing diagnosis & intervention, planning for patiënt care, St. Louis; Mosby comp.McFarlane, J.K & C. Castledine (1985). Verplegen en rapporteren, (vertaald door R. v.d. Peet), Lochem: de Tijdstroom.Mistiaen, P. (1991). ‘Een reactie op het artikel van Leih en Salentijn in Verpleegkunde 1 ). In: Verpleegkunde, 2, 105Napel, H. ten & H. van der Bruggen, (1994). ‘Het verpleegkundig begrippenkader in registratie en rapportagesystemen. Verpleegkunde, nr. 4, p. 223-23Napel, H. ten, (1995). ‘Eenduidig taalgebruik’. In: TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen, 11 (350).Napel, Huib ten, en H. van der Bruggen, (1994). ‘Verpleegkundige interventies’. In: TvZ tijdschrift voor verpleegkundigen. nr. 10, 317-321.Nationale Raad voor de Volksgezondheid (N.R.V.) (1988), Verpleegkundig beroepsprofiel, Zoetermeer. (GR)Nationale Raad voor de Volksgezondheid (N.R.V.) (1991) Advies eenduidig verpleegkundig begrippenkader. Zoetermeer.Nationale Raad voor de Volksgezondheid (N.R.V.), (1993) Vaste Commissie voor Classificaties en Definities (vroeger: Werkgroep Coderingen en Classificaties), Vooronderzoek eenduidig begrippenkader, standaarddefinities en -classificaties, Zoetermeer, november 1993, No. WCC 179.Nord, C. (1991). Text Analysis in Translation. Theory, Methodology and Didactic Appliction of a Model for Translated Oriented Text Analysis. Amsterdam/Atlanta: RodopiNorth American Nursing Diagnosis Association, NANDA. Verpleegkundige diagnoses 2003-2004 (2003). Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 4e herziene druk.Pasch, T. van de, (1993). ‘Het tweede advies eenduidig verpleegkundig begrippenkader. TvZ tijdschrift voor verpleegkundigen, nr. 20, 671-673.Pasch, T. van de, (1995). ‘Het eenduidig begrippenkader’, In: TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen, nr. 1, 1995a, 6-10 en (deel II) in nr. 2, 54-55).Peet, Rob van der, (1993). ‘Verpleegkundige diagnostiek volgens de theorie van Orem’ In: TvZ vakblad voor verpleegkundigen, nr. 18, 608-611.Peet, Rob van der, (1994). ‘“Orem” is zo gek nog niet’. In: TvZ tijdschrift voor verpleegkundigen, nr. 9, 1994, 282-283. (reactie op artikel van Kalis en Swagerman TvZ 5, 146-148)Regeer, Leo en Toine de Graaf, (1993). ‘De verpleegkundige diagnose als hoeksteen’ (Vijf Amerikaanse verplegingswetenschappers over verpleegkundige diagnostiek) In: TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen, nr. 3, 91-95Rest- de Bakker, R van, et al. (1992). Methodisch handelen in de verpleging; het verpleegkundig proces. Lochem: de Tijdstroom.Roelofs, J.H.J.G.M. (1993). Drie verpleegkundige diagnoses in de psychiatrie; een valideringsstudie. Doctoraalscriptie Verplegingswetenschap, Faculteit der Gezondheidswetenschappen, Rijksuniversiteit 81
  • Pleegvertalingen – Literatuur___________________________________________________________________________ LimburgRoodbol, Gabriel, Gerda Holleman, Irene Jongerden en Ype van der Brug (2002). ‘De ICF en de beschrijving van gezondheidsproblemen’. In: TvZ, Tijdschrift voor Verpleegkundigen, vol 112, nr 10; 50-54.Sapir, Edward (1921), Language: An introduction to the study of speech. New York: Harcourt, Brace and company.Sauer, Christoph, (1993). Vaktaal en communicatie. Inleiding tot het onderzoek naar taalgebruik in vakken en beroepen. Syllabus behorende bij het college vaktaal I. Specialisatie Vertalen. Universiteit Utrecht.Schout, G. (1990). ‘De verpleegkundige diagnose’ In: Tijdschrift voor Ziekenverpleging, 11, 527Schouwstra, J, (1994). ‘Het probleem van eenduidigheid’. In: TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen, nr. 4 (116).Snell-Hornby, M. (1988), Translation Studies. An Intregrated Approach. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.Stevens, Paul (1995). Methodiek van het verpleegkundig handelen. Leiden: Spruyt, Van Mantgem & De DoesToepassingsmogelijkheden van de ICIDH binnen de verpleegkunde (2002). 2e tussenrapportage. UMC St. Radboud, Stuurgroep ICIDH.Townsend, Mary C., (1990). Verpleegkundige diagnostiek in de psychiatrie, Lochem: de Tijdstroom.Vermelis, A, Mühlebach, A. (1989). ‘Verpleegkundige diagnose, hoe, wat en waarom?’ Maatschappelijke Gezondheidszorg, 4, 20.Webster, G.A. & Brencick, J.M. (1994). Nomenclature and Classification Systems; 10 Years Later. In: Caroll-Johnson & Paquette, Classification of the Nursing Diagnosis: Proceedings of the Tenth Conference, J.B. Lippencott Company, p. 64. 82
  • Bijlagen bij Pleegvertalingen Een sociolinguïstisch envertaalwetenschappelijk onderzoek naar negen verpleegkundige diagnoselabels Doctoraalscriptie Studierichting: Algemene Letteren (Taal- en cultuurstudies) Specialisaties: Sociolinguïstiek en Vertalen J.P. Lustig Studentnummer: 9016554 Scriptiebegeleiding (1996) Mw. dr. J.W.M. Hulst Vakgroep Romaanse talen en culturen en (2007) Prof. dr. A.B.M. Naaijkens Hoogleraar Duitse letterkunde en vertaalwetenschap
  • Inhoudsopgave BijlagenA Steekproef; hoe wordt de NANDA-taal door leken ervaren? .................................. 85B Vertalingen van diagnoselabels, aangetroffen in 1996 ........................................ 86C Enquête verpleegkundige vaktaal ........................................................................ 93D Bronnenlijst labelvertalingen ............................................................................... 107E Selectiecriteria en selectie van labels voor enquête .......................................... 111F Totaaltabel van alle uitslagen ............................................................................. 117G Opmerkingentabel .............................................................................................. 127H Overzicht van antwoorden op e-vragen.............................................................. 139I Samenvatting significante uitslagen beste/slechtste .......................................... 145J Samenvatting reden beste/reden slechtste over alle labels ............................... 147K Speciale berekeningen (filters) ........................................................................... 149
  • Bijlage A___________________________________________________________________________Bijlage A Steekproef Hoe wordt de NANDA-taal door leken ervaren?Om te toetsen of mijn gevoel over de NANDA-taal door anderen werd gedeeld heb ik een oproepjegedaan in een e-mail groep voor mensen die zelf kleding maken. 24 leden waren bereid om mee tewerken. Zij kregen de volgende mail: Fijn dat je mee wilt doen! Hieronder zie je twee termen. Het zijn aanduidingen van "een probleem". Wil je bij iedere term heel kort dezelfde vragen beantwoorden? Het is de bedoeling dat je ze kritisch beoordeelt. Je mag schrijven wat je wilt. Het gaat om wat jij ervan vindt en niet wat goed/slecht Nederlands is. Het is puur een gevoelskwestie. Misschien zou je de term niet gauw zelf gebruiken. Maar als je iemand anders de term hoort gebruiken, of je leest hem ergens… waar denk je dan aan? 1. Hoe klinkt dit? Wat is je eerste ingeving? 2. Waar denk je dat dit over gaat? (Over wie of wat? En kun je er een context bij verzinnen?) 3. Is de term voor jou duidelijk/niet duidelijk? 4. Zo niet, welke vragen roept het op? 5. Eventuele opmerkingen:Vervolgens werden per persoon 2 NANDA-termen voorgelegd. De meest als ‘vaag’ of ‘vreemd’ in hetoog springende diagnoselabels zijn bevraagd, met uitzondering van enkele zeer algemeengeformuleerde.De antwoorden van respondenten met een verpleegkundige of (para)medische achtergrond (2 stuks)zijn niet meegeteld.Sommige termen werden veel algemener opgevat dan ze waren bedoeld, bijvoorbeeld als heelzakelijke politieke beleidstermen (veranderde handhaving van de gezondheid) of geldend voor helegemeenschappen in plaats van voor één individu (voedingstekort). Mobiliteitstekort werd gezien alseen militaire term. Sommige termen werden als ambtenarentaal ervaren: beslisconflict, veranderdedenkprocessen. De term zelfzorg(tekort), werd verschillend geïnterpreteerd, bijvoorbeeld als (gebrek 58aan) ‘zorg die je zelf kunt regelen (van huisgenoten, buren of vrienden)’ of het totaal van zorg dieiemand zelf of voor zichzelf kan regelen. Deze term heb ik in totaal zeven keer voorgelegd. Vier vande zeven respondenten merkten op dat zij deze term ‘een beetje vreemd’, ‘raar’ of ‘gemaakt’ vonden.58 Dus synoniem aan mantelzorg. 85
  • Bijlage B___________________________________________________________________________BIJLAGE B Vertalingen van diagnoselabels, aangetroffen in 1996Dit is een vroege lijst van gevonden vertalingen. Van de geselecteerde labels zijn later meer vertalingen gezochten gevonden.Een sterretje (*) betekent dat de diagnose niet in de nabijheid van de Amerikaanse formulering stond (of niet werdgevolgd door een Amerikaanse formulering).Activity Intolerance Verminderd activiteitsvermogen (Gordon, 1995) Intolerantie van activiteit (Bruggink & Regeer 1992) Lichamelijke inspanningsintolerantie (Evers, VR, 1993)Activity Intolerance, High Risk for Dreigend verminderd activiteitsvermogen (Gordon 1995)Adjustment, Impaired Verminderd aanpassingsvermogen (Gordon 1995) Belemmerde aanpassing (Bruggink & Regeer 1992) Geblokkeerde ziekteaanpassing (Evers, VR, 1993)Airway Clearance, Ineffective Ineffectieve luchtwegreiniging (Gordon 1995) Ineffectieve luchtwegen (Bruggink & Regeer 1992) Ineffectief ophoesten (Evers, VR, 1993)Anxiety (Specify) Angst (Gordon 1995) (VP 1993, 1, 7) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Ongedefinieerde angst (Evers, VR, 1993)Aspiration, High Risk for Aspiratiegevaar (Gordon 1995)Body Image Disturbance Verstoord lichaamsbeeld (Gordon 1995) (VP 1995-1*) Verstoorde lichaamsbeleving Stoornis van het zelfbeeld (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Verstoring van het lichaamsbeeld (Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Body Temperature, Altered, High Risk for Dreigende temperatuurswijziging (Gordon 1995) Verandering van de lichaamstemperatuur (Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Bowel Incontinence Incontinentie voor faeces (Gordon 1995) Incontinentie van ontlasting (Evers, VR, 1993)Breastfeeding, Effective Effectieve borstvoeding (Gordon 1995)Breastfeeding, Ineffective Ineffectieve borstvoeding (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993)Breastfeeding, Interrupted Borstvoedingsonderbreking (Gordon 1995)Breathing Pattern, Ineffective Ineffectieve ademhaling (Gordon 1995) Inadequate ademhaling (Evers, VR, 1993) Niet-effectieve ademhaling (Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Cardiac Output, Decreased Verminderd hartminuutvolume (Gordon 1995) Verminderde cardiale output (Vooronderzoek, literatuuronderzoek)Caregiver Role Strain Overbelasting van mantelzorgverlener (Gordon 1995)Caregiver Role Strain, High Risk for Dreigende overbelasting van mantelzorgverlener (Gordon 1995)Communication, Impaired Verbal Verstoorde verbale communicatie (Gordon 1995) Gebrekkige verbale communicatie (Evers, VR, 1993) Gestoorde verbale communicatie (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) 86
  • Bijlage B___________________________________________________________________________Constipation Obstipatie (Gordon 1995) (Jansen, 1992)Constipation, Colonic Colon-obstipatie (Gordon 1995)Constipation, Perceived Subjectief ervaren obstipatie (Gordon 1995) Gepercipieerde obstipatie (Evers, VR, 1993)Decisional Conflict (specify) Beslisconflict (specificeer) (Gordon 1995) Beslisconflict (VP 1994, 2, 13*) Besluitvormingsconflict (VP 1993, 1, 7) Besluiteloosheid ten aanzien van ... (specificeer) (Evers, VR, 1993)Defensive Coping Defensieve coping (Gordon 1995) Defensief copinggedrag (Evers, VR, 1993)Denial, Ineffective Ineffectieve ontkenning (Gordon 1995) Ontkenningsgedrag (Evers, VR, 1993)Diarrhea Diarree (Gordon 1995) Overmatige uitscheiding uit de darmen (Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Disuse Syndrome, High Risk for Dreigend inactiviteitssyndroom (Gordon 1995)Diversional Activity Deficit Ontspanningstekort (Gordon 1995) Onvoldoende ontspanningsactiviteiten (VP 1993, 5, 24) (Evers, VR, 1993)Dysreflexia Dysreflexie (Gordon 1995)Family Coping, Compromised, Ineffective Bedreigde gezinscoping (Gordon 1995) Ontoereikende coping binnen het gezin (VP 1993, 5, 24) Onvoldoende gezinsondersteuning bij ziekteaanpassing (Evers, VR, 1993)Family Coping, Disabling, Ineffective Gebrekkige gezinscoping (Gordon 1995) Geblokkeerde ziekteaanpassing van gezin (Evers, VR, 1993)Family Coping, Potential for Growth Gezinscoping: ontplooiingsmogelijkheden (Gordon 1995)Family Processes, Altered Gewijzigde gezinsprocessen59 (Gordon 1995)59 Gewijzigd lijkt in enkele vertalingen verkeerd te worden gebruikt (bijvoorbeeld in: Gewijzigde zintuiglijke waarneming) Het werkwoord wijzigen is slechts overgankelijk te gebruiken en kan als het wederkerig wordt gebruikt alleen ‘anders worden’ uitdrukken, zoals in het onderstaande citaat van de taaladviesdienst van De Taalunie wordt uitgelegd (via de website taaladvies.net): Veranderen kan zowel met als zonder lijdend voorwerp gebruikt worden: - overgankelijk, dat wil zeggen met lijdend voorwerp, in de betekenis anders maken, een andere vorm geven: Zij verandert de japon, De goochelaar verandert de zakdoek in een duif. - onovergankelijk, dus zonder lijdend voorwerp: in een bepaalde andere vorm overgaan: Wijn kan in azijn veranderen; anders worden: Het weer verandert. Wijzigen kan niet zonder lijdend voorwerp gebruikt worden: een wet wijzigen; NS wijzigt de reistijden. De betekenis van wijzigen is dan anders maken, aanpassen. Wijzigen kan alleen anders worden uitdrukken bij het zogenoemde wederkerend gebruik (met zich): De situatie wijzigt zich. Bij Gewijzigde zintuiglijke waarneming is de vraag hoe het label moet worden uitgelegd. Slechts wanneer de betekenis van het label ‘anders gemaakte/aangepaste zintuiglijke waarneming’ is, is het gebruik van 87
  • Bijlage B___________________________________________________________________________ Wijziging in gezinsprocessen (VP 1993, 5, 24)Fatigue Oververmoeidheid (Gordon 1995) (Bruyns & Buskop 1996) Moeheid (Evers, VR, 1993)Fear Vrees (specificeer) (Gordon 1995) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Specifieke vrees/schrik (Evers, VR, 1993)Feeding Pattern, Infant, Ineffective Ineffectief zuigelingvoedingspatroon (Gordon 1995)Fluid Volume Deficit Vochttekort (Gordon 1995) Negatieve vochtbalans (Evers, VR, 1993) (Townsend, 1990*)Fluid Volume Deficit, High Risk for Dreigend vochttekort (Gordon 1995)Fluid Volume Excess Overvulling (Gordon 1995) Positieve vochtbalans (Evers, VR, 1993)Gas Exchange, Impaired Verstoorde gasuitwisseling (Gordon 1995) Verstoorde gasstofwisseling (Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Grieving, Anticipatory Anticiperende rouw (Gordon 1995) Anticiperend rouwen (Bruggink & Regeer 1992)Grieving, Dysfunctional Dysfunctionele rouw (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993) Niet functioneel rouwen (Bruggink & Regeer 1992) Inadequate rouwverwerking (VP 1993, 5, 24) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*)Growth and Development, Altered Afwijkende groei en ontwikkeling (Gordon 1995) Ontwikkelingsachterstand (Evers, VR, 1993)Health Maintenance, Altered Tekort in gezondheidsonderhoud (Gordon 1995) Veranderde zorg voor de gezondheid (Bruggink & Regeer 1992) Onvermogen tot gezonde leefwijze (VP 1993, 5, 24) Onvermogen tot hulp zoeken bij gezondheidsproblemen (Evers, VR, 1993)Health Seeking Behaviors (specify) Gezondheidzoekend gedrag (specifieer) (Gordon 1995) Gedrag gericht op gezondheid (speciferen) (Bruggink & Regeer 1992)Home Maintenance Management, Impaired Verminderd huishoudvermogen (Gordon 1995) Beschadigde/ belemmerde/verzwakte zorg voor het huishouden (Bruggink & Regeer 1992) Onvermogen tot voeren eigen huishouding (Evers, VR, 1993)Hopelessness Moedeloosheid (Gordon 1995) Hopeloosheid (VP 1993, 5, 24) (Evers, VR, 1993)Hyperthermia Hyperthermie (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993)Hypothermia Hypothermie (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993)Incontinence, Functional Functionele incontinentie (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993)Incontinence, Reflex Reflex-incontinentie (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993)Incontinence, Stress Stress-incontinentie (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993) gewijzigd grammaticaal. In de betekenis van ‘anders geworden zintuiglijke waarneming’ moet het voltooid deelwoord ‘veranderde’ worden gebruikt. Wijzigen impliceert een actor en een lijdend voorwerp. 88
  • Bijlage B___________________________________________________________________________Incontinence, Total Volledige incontinentie (Gordon 1995) Totale incontinentie (Evers, VR, 1993)Incontinence, Urge Urge-incontinentie (Gordon 1995) Drangincontinentie (Evers, VR, 1993)Individual Coping, Ineffective Ineffectieve coping (Gordon 1995) Ineffectieve individuele probleemhantering (VP 1993, 1, 7) Ineffectieve individuele coping (Gab, artikel*) Ineffectieve probleemhantering (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*)Infection, High Risk for Infectiegevaar (Gordon 1995)Injury, High Risk for Gevaar voor letsel (Gordon 1995) (Townsend, 1990*)Knowledge Deficit (specify) Kennistekort (specificeer) (Gordon 1995) (TvZ, 1994, 5, 148) komt van Orem Kennisgebrek (specificeer) (Evers, VR, 1993) Onvoldoende kennis (Townsend, 1990*)Management of Therapeutic Regimen, Ineffective Inadequate opvolging van de behandeling (Gordon 1995)Noncompliance (specify) Therapie-ontrouw (specificeer) (Gordon 1995)(VP 1995-1)(Evers, VR, 1993) (Jansen, 1992*) Noncompliance (V 1994/5, 2, 83)Nutrition, Altered: Less than Body Requirements Voedingstekort (Gordon 1995) Veranderde voeding: minder dan het lichaam nodig heeft (Bruggink & Regeer 1992) Verstoorde inname van voeding, minder dan de stofwisselingsbehoefte (TvZ 1995, 20, 597) Ontoereikende voedselopname (Evers, VR, 1993) Ontoereikende opname van voeding (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Verandering in het voedingspatroon (...)(Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Nutrition, Altered: More than Body Requirements Voedingsteveel (Gordon 1995) Veranderde voeding: meer dan het lichaam nodig heeft (de eerste stap 1992) Overgewicht (Evers, VR, 1993) Verandering in het voedingspatroon (...)(Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Nutrition, Altered: High Risk for More than Body Requirements Dreigend voedingsteveel (Gordon 1995) Verandering in het voedingspatroon (...)(Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Oral Mucous Membrane, Altered Veranderd mondslijmvlies (Gordon 1995) Mondslijmvliesdefecten (Evers, VR, 1993)Pain Pijn (Gordon 1995) Pijn: acuut (Evers, VR, 1993)Pain, Chronic Chronische pijn (Gordon 1995) Pijn: chronisch (Evers, VR, 1993)Parental Role Conflict Ouderrolconflict (Gordon 1995) Ouderrolverwarring bij ziekte kind (Evers, VR, 1993)Parenting, Altered Ouderschapstekort (Gordon 1995) Verstoorde ouderrol (VP 1993, 1, 7) Inadequaat verzorgingsvermogen (Evers, VR, 1993)Parenting, Altered, High Risk for Dreigend ouderschapstekort (Gordon 1995)Peripheral Neurovascular Dysfunction, High Risk for Dreigende perifere neurovasculaire stoornis (Gordon 1995) 89
  • Bijlage B___________________________________________________________________________Personal Identity, Disturbance Identiteitsstoornis (Gordon 1995) Stoornis van de eigen identiteit (VP 1993, 5, 24) Identiteitsverlies (Evers, VR, 1993)Physical Mobility, Impaired Mobiliteitstekort (Gordon 1995) Verstoorde mobiliteit (VP 1993, 5, 24) Verminderde lichaamsbeweging (Evers, VR, 1993)Poisoning, High Risk for Vergiftigingsgevaar (Gordon 1995)Post-trauma Response Posttraumatische reactie (Gordon 1995) Post-trauma syndroom (Evers, VR, 1993)Powerlessness Machteloosheid (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993) (VP 1993, 5, 24) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*)Protection, Altered Beschermingstekort (Gordon 1995) Veranderde bescherming (Bruggink & Regeer 1992) Inadequate zelfbescherming (Evers, VR, 1993)Rape-Trauma Syndrome Verkrachtingssyndroom (Gordon 1995)Rape-Trauma Syndrome: Compound Reaction Gecompliceerde vorm van verkrachtingssyndroom (Gordon 1995)Rape-Trauma Syndrome: Silent Reaction Stille vorm van verkrachtingssyndroom (Gordon 1995)Relocation Stress Syndrome Hervestigingssyndroom (Gordon 1995)Role Performance, Altered Verstoorde rolvervulling (Gordon 1995) Veranderde rolopvatting (Bruggink & Regeer 1992)Self-Care Deficit: Bathing/Hygiene Zelfstandigheidstekort in wassen (specifieer niveau) (Gordon 1995) Zelfzorgtekort (wassen/hygiene) (Bruggink & Regeer 1992) ADL-afhankelijkheid (Evers, zie V 1991/2, 1, 7) Afhankelijkheid bij lichaamsverzorging (Evers, VR 1993) Gebrekkige zelfverzorging (...) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*)Self-Care Deficit: Dressing/Grooming Zelfstandigheidstekort in kleding/verzorging (specificeer niveau) (Gordon 1995) Zelfzorgtekort (Kleden/verzorgen) (Bruggink & Regeer 1992) ADL-afhankelijkheid (Evers, zie V 1991/2, 1, 7) Afhankelijkheid bij aan-, uitkleden en uiterlijke verzorging (Evers, VR 1993) Gebrekkige zelfverzorging (....) (Jansen, 1992*)Self-Care Deficit: Feeding Zelfstandigheidstekort in eten (specificeer niveau) (Gordon 1995) Zelfzorgtekort (innemen van voedsel) (Bruggink & Regeer 1992) ADL-afhankelijkheid (Evers, zie V 1991/2, 1, 7) Afhankelijkheid bij voedselopname (Evers, VR 1993) Gebrekkige zelfverzorging (....) (Jansen, 1992*)Self-Care Deficit: Toileting Zelfstandigheidstekort in toiletgang (specificeer niveau) (Gordon 1995) Zelfzorgtekort (gebruik maken van het toilet) (Bruggink & Regeer 1992) ADL-afhankelijkheid (Evers, zie V 1991/2, 1, 7) Afhankelijkheid bij toiletbezoek (Evers, VR 1993) Gebrekkige zelfverzorging (....) (Jansen, 1992*)Self-Esteem, Chronic Low Chronische geringe zelfachting (Gordon 1995) Chronisch laag gevoel gevoel van eigenwaarde (VP 1993, 5, 24) Minderwaardigheidsgevoel (Evers, VR, 1993) 90
  • Bijlage B___________________________________________________________________________Self-Esteem Disturbance Geringe zelfachting (Gordon 1995)Self-Esteem, Situational Low Reactieve geringe zelfachting (Gordon 1995) Situatiegebonden lage zelfachting (Evers, VR, 1993)Self-Mutilation, High Risk for Dreigende zelfverminking (Gordon 1995)Sensory-Perceptual Alteration: Visual, Auditory, Kinesthetic, Gustatory, Tactile, Olfactory Gewijzigde zintuiglijke waarneming (Gordon 1995) Sensorische onder- of overprikkeling (specificeer) (Evers, VR, 1993) Wijziging in de waarneming (Jansen, 1992*)(Townsend, 1990*)Sexual Dysfunction Seksueel dysfunctioneren (Gordon 1995) Storend sexueel gedrag (Evers, VR, 1993)Sexuality Patterns, Altered Gewijzigde seksuele gewoonten (Gordon 1995) Onvoldoende mogelijkheden tot sexueel contact (Evers, VR, 1993)Skin Integrity, Impaired Huiddefect (Gordon 1995) (VP 1993, 1, 7) Huiddefect m.n. decubitus (Evers, VR, 1993)Skin Integrity, Impaired, High Risk for Dreigend huiddefect (Gordon 1995)Sleep Pattern Disturbance Verstoord slaappatroon (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993) (Roelofs, 1993) (Townsend, 1990*)Social Interaction, Impaired Inadequate sociale interactie (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993) Verstoorde sociale interactie (Gab, artikel*) (Roelofs 1993) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Gestoorde sociale interactie (Townsend, 1990*) Communicatiestoornis in de omgang met anderen (Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*)Social Isolation Sociaal isolement (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993) (VP 1993, 5, 24) (Roelofs, 1993) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*)Spiritual Distress Geestelijke nood (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993) Spirituele nood (VP1994,2,13*) (VP 1993, 5, 24)Suffocation, High Risk for Verstikkingsgevaar (Gordon 1995)Swallowing, Impaired Slikstoornis (Gordon 1995)Thermoregulation, Ineffective Falende warmteregulatie (Gordon 1995) Lichaamstemperatuurschommelingen (Evers, VR, 1993)Thought Processes, Altered Verstoord denken (Gordon 1995) (Bruyns & Buskop) Gestoord denken (Evers, VR, 1993) Wijziging in het denkproces (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*)Tissue Integrity, Impaired Weefselbeschadiging (Gordon 1995) Wonde (Evers, VR, 1993)Tissue Perfusion, Altered: Cerebral, Cardiopulmonary, Renal, Gastrointestinal, Peripheral Verminderde weefseldoorbloeding (specificeer type) (Gordon 1995) Doorbloedingsstoornis (specificeer) (Evers, VR, 1993)Trauma, High Risk for Traumagevaar (Gordon 1995)Unilateral Neglect Halfzijdige inattentie (Gordon 1995) Veronachtzaming aangedane lichaamshelft (Evers, VR, 1993)Urinary Elimination, Altered Patterns Verstoorde urine-uitscheiding (Gordon 1995) 91
  • Bijlage B___________________________________________________________________________ Storend urineerpatroon (Evers, VR, 1993)Urinary Retention Urineretentie (Gordon 1995) (Evers, VR, 1993)Ventilation Spontaneous: Inability to Sustain Verminderd ademhalingsvermogen (Gordon 1995)Ventilatory Weaning Response, Dysfunctional Dysfunctionele beademingsontwenning (Gordon 1995)Violence, High Risk for: Self-Directed or Directed at Others Dreigend geweld (Gordon 1995) Gevaar voor op zichzelf of anderen gericht geweld (Jansen, 1992*) Gevaar voor geweld (Townsend, 1990*) 92
  • Bijlage C Enquête verpleegkundige vaktaalUtrecht, 3 juli 1996Geachte verpleegkundige,Als "zorgverlener op de werkvloer" bent u als geen ander deskundig over het taalgebruik in deverpleegkundige praktijk. Daarom hoop ik dat u mee wilt werken aan mijn afstudeeronderzoek naar deverpleegkundige vaktaal.Ten behoeve van mijn scriptieonderzoek (Algemene Letteren, Universiteit Utrecht) heb ik de bijgevoegdeenquête samengesteld: 12 bladzijden met voornamelijk meerkeuzevragen waar u zich vrij snel doorheenzult kunnen werken. Het invullen zal ongeveer 20 tot 30 minuten in beslag nemen. De enquête begint meteen algemeen gedeelte met vragen over uw opleiding en de afdeling. In het tweede deel krijgt u vragenover de formulering van enkele verpleegproblemen, of eigenlijk: over de labels van verpleegkundigediagnoses.Laat u zich vooral door dat laatste onderdeel niet afschrikken. U hoeft niet volledig op de hoogte te zijn vanalle ontwikkelingen en achtergronden van de verpleegkundige diagnostiek. Wel is het belangrijk dat u weetwat er met verpleegkundige diagnostiek wordt bedoeld en dat er op uw afdeling in meer of mindere matemet verpleegkundige diagnostiek - of een diagnostische fase in het verpleegproces - wordt gewerkt. Ik zal uin deze enquête geen inhoudelijke vragen stellen over het diagnosticeren. Het onderzoek richt zich alleenmaar op dat gebied waar u per definitie een expert in bent: het verpleegkundige taalgebruik. Goede of fouteantwoorden zijn daarbij niet aan de orde. Het goede antwoord is het antwoord waar u achter staat. Ik hoopdat u naast uw drukke werkzaamheden tijd kunt vinden en bereid bent om de enquête in te vullen. Zoalsgezegd: het zijn geen moeilijke vragen en het invullen vergt betrekkelijk weinig tijd.Mocht u om welke reden dan ook niet aan het invullen van de enquête toekomen, wilt u deze enquête dandoorgeven aan een collega die dit wel kan doen? Dit is een ongesubsidieerd onderzoek dat staat of valt metde bereidheid van de proefpersonen!Achterop deze brief vindt u de instructies voor het invullen van de enquête.Wilt u de ingevulde enquête vóór woensdag 17 juli bij uw hoofdverpleegkundige inleveren?Bij voorbaat héél hartelijk dank voor uw moeite!Met vriendelijke groet,Hanneke Lustigstudente Algemene Letteren aan de Universiteit Utrecht2e Daalsedijk 24, 3551 EJ Utrechttelefoon en fax: 030-2448209 z.o.z. voor de toelichting bij het invullen van de enquête 93
  • Bijlage C Toelichting bij het invullen van de enquêteDeze enquête bestaat uit twee delen.In het eerste deel zijn de vragen meestal multiple choice. U kunt antwoord geven door één (of meerdere)van de keuzemogelijkheden aan te kruisen.Bijvoorbeeld:1. Heeft u een abonnement op een verpleegkundig tijdschrift? (Eén antwoord aankruisen.) ja neeEen enkele keer wordt u gevraagd iets in te vullen. Dit staat duidelijk aangegeven. Bijvoorbeeld: (Vul in:) ....................................................................................Soms krijgt u de mogelijkheid aanvullingen te geven als u vindt dat er geen goede keuzemogelijkhedenworden geboden. Er staat bijvoorbeeld: Anders, namelijk.: .......................................................................In het tweede gedeelte van de enquête zijn de vragen iets anders gesteld, maar u krijgt vooraf uitleg overde invulprocedure met een voorbeeldvraag.BelangrijkHet gaat in deze enquête om uw eigen, persoonlijke oordeel. Daarom is het belangrijk dat u devragen van Deel II van deze enquête zonder overleg met anderen invult en niet te lang bij iederevraag stil blijft staan. (U mag wél overleggen over de vragen van Deel I - d.w.z. de vragen overuw opleiding en de afdeling waar u werkt.) Heel hartelijk dank voor uw moeite! 94
  • Bijlage C Begin van de enquête1 In welke instelling en op welke afdeling bent u werkzaam? instelling: (Vul in:) ........................................ afdeling: (Vul in:)...............................................2 Hoe lang bent u op deze afdeling werkzaam? 1 minder dan een jaar, namelijk: (Vul in:) .............. (maanden) 2 tussen 1 en 2 jaar 3 langer dan 2 jaar3 Wat is uw leeftijd? 1 jonger dan 26 jaar 2 tussen 26 en 40 jaar 3 40 jaar of ouder4 En uw geslacht? 1 vrouw 2 man5 Welke verpleegkundige functie heeft u? (Eén antwoord aankruisen.) 1 Afdelingshoofd (of waarnemend) 2 Teamleider/Teamoudste 3 Verpleegkundige 4 Leerling-verpleegkundige → hoeveelste jaars? (Vul in:) ........................................................ 5 Een andere functie, namelijk: ...............................................................................................6 Welke verpleegkundige opleiding heeft u gevolgd of volgt u op dit moment? 1 In-service opleiding 2 MBO-V 3 HBO-V 4 MDGO-VP 5 Anders, namelijk: ................................................................................................................7 Wanneer heeft u de bovenstaande verpleegkundige opleiding gevolgd? 1 (Vul in:) ongeveer van .................... (jaar) tot ..................... (jaar)8 Wanneer bent u opgeleid in de verpleegkundige diagnostiek? (Eén antwoord aankruisen.) 1 minder dan een jaar geleden, namelijk: (Vul in:) .............. (maanden) 2 tussen 1 en 2 jaar geleden 3 langer dan 2 jaar geleden9 Hoe/waar heeft u kennisgemaakt met verpleegkundige diagnostiek? (Eén antwoord aankruisen.) 1 tijdens mijn opleiding of vervolgopleiding 2 in workshops/klinische lessen in een ander ziekenhuis 3 in workshops/klinische lessen in dit ziekenhuis 4 door mijn werk op deze afdeling 5 door mijn werk op een andere afdeling 6 ergens anders, namelijk: ....................................................................................................... 95
  • Bijlage C10 Welke boeken werden er gebruikt toen u kennismaakte met verpleegkundige diagnostiek en/of worden op de afdeling als naslagwerk gebruikt? (Kruis één of meerdere antwoorden aan.) 1 Carpenito L.J. Nursing Diagnosis: Application to clinical practice (1993) 2 Gordon, M. Nursing Diagnosis; Process and Application (1981 of 1987) 3 (Nederlandse vertaling:) M. Gordon Verpleegkundige Diagnostiek; Proces en Toepassing (1995) 4 Gordon, M. Manual of Nursing Diagnosis 1993-1994 (of later) 5 (Nederlandse vertaling:) M. Gordon: Handleiding Verpleegkundige Diagnostiek 1995-1996 (1995) 6 McFarland G.K. & McFarlane, E.A. Nursing Diagnosis & Intervention (1e of 2e editie: 1989 of 1993) 7 Townsend, M.C. Nursing Diagnosis in Psychiatric Nursing (1988 en 1994) 8 (Nederlandse vertaling:) Townsend, M.C. Verpleegkundige diagnose in de psychiatrie, (1990) 9 Speciaal voor de opleiding/workshop/klinische les samengestelde readers en hand-outs 10 Algemene (inleidende) verpleegkundige boeken (b.v. de van de Peet reeks), namelijk ................... .................................................................................................................................................... 11 Een ander boek, namelijk:.............................................................................................................11 In hoeverre wordt er op uw afdeling gewerkt met verpleegkundige diagnostiek? (Eén antwoord aankruisen.) 1 Het verpleegkundig diagnostiseren is op onze afdeling nog maar nauwelijks van de grond. 2 We werken met verpleegproblemen in de diagnostische fase van het verpleegproces. 3 We zijn aardig op weg om een verpleegkundige diagnostiek in te voeren op de afdeling.12 Sinds wanneer wordt er op uw afdeling (in meer of mindere mate) met verpleegkundige diagnostiek gewerkt? (Eén antwoord aankruisen.) 1 minder dan een jaar, namelijk: (Vul in:) .............. (maanden) 2 tussen 1 en 2 jaar 3 langer dan 2 jaar13 Wordt er op uw afdeling gewerkt vanuit een bepaalde verpleegkundige theorie of model? (Eén antwoord aankruisen.) 1 nee 2 nog niet, maar er is wel een model in ontwikkeling 3 ja, de functionele gezondheidspatronen van Gordon 4 ja, het zelfzorg(tekort)model van Orem 5 ja, de theorie van Van den Brink-Tjebbes 6 ja, het adaptatiemodel van Roy 7 ja, een ander(e) theorie/model, namelijk: ................................................................................14 Hoe is de verpleging/begeleiding van patiënten op uw afdeling georganiseerd? (Eén antwoord aankruisen.) 1 Individuele patiëntentoewijzing 2 Teamverpleging 3 Anders, namelijk ..................................................................................................................15 Volgt u de discussie over de invoering van de verpleegkundige diagnostiek in Nederland? 1 ja 2 neeRuimte voor eventuele op-/aanmerkingen: .............................................................................................................................................................................................................................................. 96
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL IIToelichting bij het tweede gedeelte van de enquêteOp de volgende bladzijden krijgt u steeds een rijtje verpleegproblemen te zien. Het zijn verschillendemogelijkheden waarop één en hetzelfde verpleegprobleem kan worden geformuleerd. Bijvoorbeeld: (een verpleegprobleem met betrekking tot ademhaling: ) ........ Ineffectieve ademhaling ........ Inadequate ademhaling ........ Niet-effectieve ademhalingBij ieder rijtje verpleegproblemen zal u worden gevraagd welke formulering u het beste vindt. Daarbijwordt u gevraagd om een 1 te plaatsen voor de meest geslaagde formulering, een 2 voor de op één nameest geslaagde formulering, en zo voorts.Voorbeeld: (een vraag over een heel ander onderwerp):Welke alternatieve formulering voor het begrip AUTO vindt u het meest geslaagd? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 6) ...2... straatopvuller ...5... motorwagen ...6... vierwielige cabine ...1... stank-en-bromtuig ...4... A-tot-Ber ...3... mensverplaatserIn dit voorbeeld wordt stank-en-bromtuig dus het beste bevonden en vierwielige cabine het slechtst.In de volgende vraag krijgt u een aantal mogelijke argumenten voor deze keuze gepresenteerd. U wordtgevraagd om in de eerste kolom hokjes minimaal één en maximaal drie redenen aan te kruisen die hetmeest van toepassing zijn op uw eerste voorkeur (nummer 1: in dit geval stank-en-bromtuig). In detweede kolom hokjes moet u vervolgens aangeven welke reden van de eerste kolom de belangrijkste is.Bijvoorbeeld:maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen) ↓ ↓  Het klinkt goed, ligt lekker in de mond. Het is kort en krachtig. Deze formulering is voor iedereen duidelijk.   Deze formulering geeft het beste weer hoe ik een auto ervaar. ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)redenenOp dezelfde wijze zal u ook worden gevraagd welke reden het meest van toepassing is op uw laatstevoorkeur. (In het bovenstaande voorbeeld is dat nummer 6: vierwielige cabine.)Tenslotte volgen steeds twee vragen over het gebruik van het verpleegprobleem op de afdeling. Perbladzijde wordt steeds één verpleegprobleem tegelijk behandeld (in totaal zijn het er negen).Ter informatie:De verpleegproblemen die in deze enquête worden genoemd zijn de zogenaamde NANDA-diagnoselabels Altered Nutrition: Less than BodyRequirements, Impaired Adjustment, Altered Health Maintenance, Altered Thought Processes, High Risk for Fluid Volume Deficit, ImpairedPhysical Mobility, Impaired Social Interaction, Ineffective Airway Clearance en Self-Care Deficit (Bathing/Hygiene).NANDA-diagnoselabels zijn namen van diagnoses waar verpleegkundigen in de Verenigde Staten mee werken. De afkorting NANDA staatvoor North American Nursing Diagnosis Association. 97
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II16a U ziet hier 6 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem (m.b.t. de vochthuishouding) onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 6) a ...... Risico op negatieve vochtbalans b ...... Dreigende negatieve vochtbalans c ...... Dreigend vochttekort d ...... Gevaar voor vochttekort e ...... Gevaar voor negatieve vochtbalans f ...... Risico van dehydratie16b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (N.B. niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)16c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 6) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (N.B. niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)16d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit16e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) .................................................................................................................................. 98
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II17a U ziet hier 4 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem (m.b.t. aanpassing) onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 4) a ...... Verminderd aanpassingsvermogen b ...... Belemmerde aanpassing c ...... Geblokkeerde ziekteaanpassing d ...... Aanpassingsproblemen17b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)17c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 4) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)17d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit17e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) .................................................................................................................................. 99
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II18a U ziet hier 7 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 7) a ...... Beperkte fysieke mobiliteit b ...... Verstoorde mobiliteit c ...... Mobiliteitstekort d ...... Verminderde lichaamsbeweging e ...... Onvermogen om te bewegen f ...... Beperkte beweging (van hand/arm/etc.) g ...... Verstoorde lichamelijke mobiliteit18b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)18c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 7) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)18d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit18e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) .................................................................................................................................. 100
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II19a U ziet hier 8 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 8) a ...... Veranderde voeding: minder dan het lichaam nodig heeft b ...... Verstoorde inname van voeding, minder dan de stofwisselingsbehoefte c ...... Ontoereikende voedselopname d ...... Voedingstekort e ...... Ontoereikende opname van voeding f ...... Verandering in het voedingspatroon (te weinig) g ...... Opname van voeding: te weinig h ...... Gewijzigde opname van voeding: minder dan stofwisselingsbehoefte19b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)19c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 8) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)19d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit19e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) .................................................................................................................................. 101
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II20a U ziet hier 7 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 7) a ...... Tekort in gezondheidsonderhoud b ...... Veranderde zorg voor de gezondheid c ...... Onvermogen tot gezonde leefwijze d ...... Wijzigingen in de instandhouding van de gezondheid e ...... Onvermogen tot hulp zoeken bij gezondheidsproblemen f ...... Veranderde handhaving van de gezondheid g ...... Wijziging in het instandhouden van de gezondheid20b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)20c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 7) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: .................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)20d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit20e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) ................................................................................................................................... 102
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II21a U ziet hier 5 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 5) a ...... Veranderde denkprocessen b ...... Gestoord denken c ...... Verstoord denken d ...... Verstoord denkproces e ...... Wijziging in het denkproces21b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)21c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 5) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)21d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit21e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) ................................................................................................................................... 103
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II22a U ziet hier 6 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 6) a ...... Inadequate sociale interactie b ...... Verstoorde sociale interactie c ...... Problemen met de sociale interactie d ...... Gestoorde sociale interactie e ...... Tekortschietende sociale interactie f ...... Communicatiestoornissen in de omgang met anderen22b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: .................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)22c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 6) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)22d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit22e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) ................................................................................................................................... 104
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II23a U ziet hier 6 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 6) a ...... Ineffectieve luchtwegreiniging b ...... Ineffectieve luchtwegen c ...... Ineffectief ophoesten d ...... Niet doelmatig bronchiaal toilet e ...... Moeite met ophoesten van slijm f ...... Inadequate reiniging van de luchtwegen23b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: .................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)23c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 6) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)23d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit23e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) .................................................................................................................................. 105
  • ENQUÊTE VERPLEEGKUNDIGE VAKTAAL - DEEL II24a U ziet hier 8 verschillende manieren waarop een vaak voorkomend verpleegprobleem onder woorden kan worden gebracht. Welke formulering vindt u het beste? Vul hier de rangorde in, in volgorde van geslaagdheid (1 t/m 8) a ...... Zelfstandigheidstekort in wassen b ...... Zelfzorgtekort (wassen/hygiëne) c ...... ADL-afhankelijkheid (m.b.t. wassen) d ...... Afhankelijkheid bij lichaamsverzorging e ...... Gebrekkige zelfverzorging f ...... Moeite met zelfstandig wassen g ...... Zelfzorgtekort (lichamelijke hygiëne) h ...... Tekort in de zelfverzorging24b Mijn keuze voor de MEEST geslaagde formulering (nr. 1) is gebaseerd op de volgende reden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In de tweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt goed in de mond; ik kan het mezelf horen zeggen bij een overleg of overdracht. 2 Is het meest patiëntvriendelijk; patiënten kunnen het ook volgen. 3 Als ik dit in de rapportage schrijf, weten mijn collegas precies wat ik bedoel. 4 Is ook bij een multidisciplinair patiëntenoverleg te gebruiken. 5 Zo noemen we dit nu eenmaal. 6 Klinkt professioneel en verpleegkundig. 7 Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands). 8 Is kort en krachtig. 9 Anders, namelijk: .................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)24c Mijn keuze voor de MINST geslaagde formulering (nr. 8) is gebaseerd op de volgendereden(en): In de eerste kolom: de argumenten die voor u van toepassing zijn (NB niet meer dan drie). In detweede kolom: alleen de reden die het zwaarst telt (slechts één hokje aankruisen). 1 Ligt niet lekker in de mond; ik zou het misschien nog wel schrijven maar zeker niet uitspreken. 2 Komt niet professioneel genoeg over, is bijvoorbeeld veel te soft. 3 Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel te medisch geformuleerd). 4 Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover mijn patiënten gebruiken. 5 Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). 6 Is te kort en daardoor te vaag. 7 Is te lang en is daardoor niet praktisch. 8 Hier kan ik niet mee aankomen bij een multidisciplinair patiëntenoverleg. 9 Anders, namelijk: ..................................................................................................... ↑ ↑maximaal 3 alléén de belangrijkste reden (slechts 1 aankruisen)24d Hoe vaak is dit verpleegprobleem op uw afdeling aan de orde? (Eén antwoord aankruisen.) 1 vrij vaak; het is een van de meest voorkomende verpleegproblemen 2 regelmatig 3 zelden 4 nooit24e Hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd? (Indien van toepassing) 1 (Vul in:) ................................................................................................................................... Einde van de enquête. Hartelijk dank voor uw medewerking!
  • Bijlage D_______________________________________________________________________BIJLAGE D - BRONNENLIJST LABELVERTALINGENboekenBeckeringh, A, A. Boer en drs. A.M. Eliëns (red). (1995)Verpleegkundige Probleemgebieden, Diagnoses & Interventies. Losbladig. Dwingelo: Uitgeverij Kavanah 60Bruggink, G.K, en L. Regeer (red) (1990), Verpleegkundige diagnostiek in Nederland; de eerste stap. M.m.v. Y.M. van der Burg, Amsterdam, LEO Verpleegkundig Management en IGNN (Centrum voor opleidingen en onderzoek voor de gezondheidszorg).Bruyns, S. & M. Buskop-Kobussen (1996) Diagnostiek en interventie voor verpleegkundigen in de ouder- en kindzorg. Assen: van GorcumEliëns, A., H. Vermaas & J. Aarts (1993) Het verpleegkundig proces in de algemene gezondheidszorg. Nijkerk: IntroEvers, Prof. Dr. G.C.M. (1994) Theorieën en principes van verpleegkunde. Inleiding voor het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. (2e gewijzigde druk) Assen: van GorcumGordon, M. (1995a) Verpleegkundige diagnostiek: proces en toepassing. Utrecht: Lemma.Gordon, M. (1995b) Handleiding Verpleegkundige Diagnostiek 1995-1996. Utrecht: LemmaHandboek Verpleegkundige Diagnostiek, Interventies en Resultaten. (1995) Losbladig. 1e aanvulling dec. 1995. Houten, etc.: Bohn, Stafleu van Loghum.Kruyswijk, J. & H. Mostert (1994) Het verpleegproces. Utrecht: LemmaMcFarlane, J.K & C. Castledine. (1985) Verplegen en rapporteren, (vertaald door R. v.d. Peet), Lochem: de Tijdstroom.Rest- de Bakker, R van, et al. (1992) Methodisch handelen in de verpleging; het verpleegkundig proces. Lochem: de Tijdstroom.Stevens, Paul (1995) Methodiek van het verpleegkundig handelen. Leiden: Spruyt, Van Mantgem & De DoestijdschriftenBriody, M.E. et al, Naar een beter begrip van de verpleegkundige diagnose: een interpretatie. In: Verpleegkundig Perspectief, 1993, nr. 1 (7)Hunt, A.H. Humor als verpleegkundige interventie. In: Verpleegkundig Perspectief, 1993, nr. 5 (24)Leih, P. & Salentijn C., Verpleegkundige diagnoses; betekenis, classificatie en vragen. In: Verpleegkunde, 1991/2, nr. 1 (7)Thijs, R. Een vorm met inhoud. In: TvZ Tijdschrift voor Verpleegkundigen 1995, nr. 20, (597)syllabi/readers HBO-VEindhoven: gebruiken alleen Engelstalige labels en eventueel de vertaling van Stevens 1995 (informatie: J. Dikkers)Groningen: zoals aangegeven op onderstaande lijst.scriptiesEwals, M.W.J.M. en Oudenhoven, C.M.A. (1992) Verpleegproblemen en verpleegkundige diagnosen in de psychiatrie. Doctoraalscriptie Verplegingswetenschap, Faculteit der Gezondheidswetenschappen, Rijksuniversiteit LimburgJansen, G.J. (1992) Verpleegkundige diagnoses in de psychiatrie; een verplegingswetenschappelijk onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van psychiatrisch verpleegkundige diagnostiek. (Doctoraalscriptie Verplegingswetenschap, Groningen) Uitgave van het Academisch Ziekenhuis Groningen, Postbus 30.001, 9700 RB Groningen, uitgavenr. 92-02Karel, J.G.P.M. (1994) Van zorgvraag naar verpleegkundige diagnose in de zorg voor verstandelijk gehandicapten. Doctoraalscriptie verplegingswetenschappen60 Volgens een advertentie in TvZ vakblad voor verpleegkundigen, nr. 3, 1993, 95 is dit het eerste boek op het gebied van de verpleegkundige diagnostiek in Nederland. Dit klopt echter alleen als Townsend 1990 (1e druk) niet wordt meegerekend. 107
  • Bijlage D_______________________________________________________________________Roelofs, J.H.J.G.M. (1993) Drie verpleegkundige diagnoses in de psychiatrie; een valideringsstudie. Doctoraalscriptie Verplegingswetenschap, Faculteit der Gezondheidswetenschappen, Rijksuniversiteit LimburgLabels met bronvermeldingHieronder worden de verschillende bronnen met kleuren aangegeven. De meest consequent voorkomende (en ookvoor dit onderzoek belangrijke) zijn: • Gordon vertalingen (professioneel vertaald door Wim Seunke) • Evers (vooral vanwege proefschrift en expertise). • Townsend (in de psychiatrie was men al eerder actief met verpleegkundige diagnoses. Dit betreft de eerste vertaling uit 1990.) • Bruggink & Regeer 1992 – volgens velen het eerste boek op het gebied van verpleegkundige diagnostiek in Nederland, als je Townsend 1990 (over psychiatrie) niet meetelt.1 Dreigend vochttekort (Gordon 1995a, 1995b) Dreigende negatieve vochtbalans (Stevens, 1995, p267) Gevaar voor vochttekort (HBO-V Groningen) Gevaar voor negatieve vochtbalans (samengesteld uit Evers, VR 1993)(Ewals & Oudenhoven, 1992) Risico op negatieve vochtbalans (Karel, 1994 (gebaseerd op McFarland & McFarlane en Evers), p 45) Risico van dehydratie/problemen met de zorg voor een voldoende vochtopname (McFarlane (vdPeet) 1985, blz. 83 (mogelijke zorgproblemen)*)2 Verminderd aanpassingsvermogen (Gordon 1995a) (HBO-V Groningen) Belemmerde aanpassing (Bruggink & Regeer 1992) Geblokkeerde ziekteaanpassing (Evers, VR, 1993) Aanpassingsproblemen (Beckeringh et al, 1995*)3 Mobiliteitstekort (Gordon 1995a, 1995b) (HBO-V Groningen) Verstoorde mobiliteit (VP 1993, 5, 24) Verminderde lichaamsbeweging (Evers, VR, 1993) Onvermogen om te bewegen (Schout, 1995*, verhoogd risico voor...) Beperkte fysieke mobiliteit (Karel, 1994) Beperkte beweging (van hand/arm/etc.) (Van Rest, 1992*) Verstoorde lichamelijke mobiliteit (Ewals & Oudenhoven, 1992)4 Voedingstekort (Gordon 1995a, 1995b) (HBO-V Groningen) Veranderde voeding: minder dan het lichaam nodig heeft (Bruggink & Regeer 1992) Verstoorde inname van voeding, minder dan de stofwisselingsbehoefte (TvZ 1995, 20, 597) Ontoereikende voedselopname (Evers, 1991) (Evers, VR, 1993) (Karel, 1994) Ontoereikende opname van voeding (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Verandering in het voedingspatroon (...)(Eliëns et al, Vermaas & Aarts, 1993*) Opname van voeding: te weinig (Beckeringh et al, 1995*) Gewijzigde opname van voeding: minder dan stofwisselingsbehoefte (Ewals & Oudenhoven, 1992)5 Tekort in gezondheidsonderhoud (Gordon 1995a, 1995b) Veranderde zorg voor de gezondheid (Bruggink & Regeer 1992) Onvermogen tot gezonde leefwijze (Hunt 1993) Wijzigingen in de instandhouding van de gezondheid (Stevens, 1995) Onvermogen om hulp te zoeken bij gezondheidsproblemen (Evers, 1991) Onvermogen tot hulp zoeken bij gezondheidsproblemen (Evers, VR, 1993) 108
  • Bijlage D_______________________________________________________________________ Veranderde handhaving van de gezondheid (Beckeringh et al, 1995*) Wijziging in het instandhouden van de gezondheid (Ewals & Oudenhoven, 1992)6 Verstoord denken (Gordon 1995a, 1995b) (Bruyns & Buskop 1996) Verstoord denkproces (HBO-V Groningen) Gestoord denken (Evers, VR, 1993) Wijziging in het denkproces (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) (Ewals & Oudenhoven, 1992) Andere of veranderde denkprocessen (Karel, 1994)7 Inadequate sociale interactie (Gordon 1995a, 1995b) (Evers, VR, 1993) (Karel, 1994) (Ewals & Oudenhoven, 1992) Verstoorde sociale interactie (Gab, artikel*) (Roelofs 1993) (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*)(HBO-V Groningen) Gestoorde sociale interactie (Townsend, 1990*) Tekortschietende sociale interactie (Schout, 1995*) Communicatiestoornissen in de omgang met anderen (Eliens, et al, 1993*) Problemen met de sociale interactie (Begrippenkader Verpleegkunde, WCC werkconferentie, 1993, blz. 39)8 Ineffectieve luchtwegreiniging (Gordon 1995a, 1995b) (HBO-V Groningen) Ineffectieve luchtwegen (Bruggink & Regeer 1992) Ineffectief ophoesten (Evers, VR, 1993) Niet doelmatig bronchiaal toilet (Stevens, 1995) Moeite met ophoesten van slijm (McFarlane (vdPeet) 1985*) Inadequate reiniging van de luchtwegen (Ewals & Oudenhoven, 1992)9 Zelfstandigheidstekort in wassen (specifieer niveau) (Gordon 1995a, 1995b) Zelfzorgtekort (wassen/hygiene) (Bruggink & Regeer 1992) (ook WCC conferentie: p. 39) ADL-afhankelijkheid (Evers, zie V 1991/2, 1, 7) Afhankelijkheid bij lichaamsverzorging (Evers, VR 1993) Gebrekkige zelfverzorging (Jansen, 1992*) (Townsend, 1990*) Moeite met zelfstandig wassen (McFarlane (vdPeet) 1985*- afgeleid van moeite met zelfstandig eten) Tekort in de zelfverzorging (Ewals & Oudenhoven, 1992) Zelfzorgtekort (lichamelijke hygiëne) (HBO-V Groningen) 109
  • _______________________________________________________________________ 110
  • Bijlage E___________________________________________________________________________________Bijlage E Selectiecriteria en selectie van labels voor de enquêteToelichtingHieronder staan een aantal criteria opgesomd die kunnen worden gebruikt om een keuze te maken tussen delabels. Sommige criteria zijn zeer bruikbaar, andere wat minder. Uiteindelijk volgt een keuze tussen de criteria enwordt er een volgorde bepaald waarin ze op de lijst met labels kunnen worden losgelaten. De uiteindelijke selectieleidt tot een negental labels.Formulering eerste criteria• Criterium 1; verpleegkundig taalgebruik. Welke diagnoses beslaan het duidelijkst het specifiek verpleegkundige kennis-/beroepsdomein? Hoewel alle diagnoselabels verpleegkundige diagnoses betreffen, zijn sommige labels disciplineoverstijgend. Dit betekent dat een selectie van (Amerikaanse) diagnoses op specifiek verpleegkundig taalgebruik denkbaar is. Dit criterium zegt echter niets over verpleegkundige vaktaligheid van de formulering in de doeltaal en is dus enigszins willekeurig. Bovendien zijn de meeste labels verpleegkundig. Welke diagnoses beslaan het duidelijkst het specifiek verpleegkundige kennis- /beroepsdomein?• Criterium 2; vormvariatie: selecteren op basis van het gebruik van qualifiers en andere structureel voorkomende bepalingen zoals deficit. De NANDA gebruikt een aantal vaste bepalende woorden in de formulering van de labels (acute, decreased, inefficient, impaired, etc.) Dit criterium hangt echter nauw samen met het volgende:• Criterium 3; eigen expertise, abstractieniveau: selectie op basis van eigen expertise en ervaringen op basis van vertaalwerk en de stage. Er zijn labels die vragen om een neologisme of een specifiek verpleegkundige verwoording in de vertaling omdat het concept van de labels vrij onbekend is of op een Amerikaanse of abstracte manier is verwoord. Voorbeelden: Altered Health Maintenance, Ineffective Management of Therapeutic Regimen en Self-Care Deficit. Er zijn ook wel eens problemen met de vertaling van deficit, samenstellingen met high risk for, het consequent vertalen van (de NANDA qualifiers) altered en impaired. Het probleem is meestal niet zozeer dat het vertalen moeilijk zou zijn, maar dat je met de bewoordingen heel veel kanten op kunt. Als het begrip nog te weinig wordt gebruikt en als er al meerdere vertalingen bestaan, is het moeilijk om te bepalen wat de beste vertaling zou zijn. De formulering luistert nogal nauw omdat het een naam (een label) is en daarom aan bepaalde eisen moet voldoen. Het moet de inhoud van het concept liefst zo treffend (en kort) mogelijk weergeven, het moet goed Nederlands zijn (mag niet vertaald overkomen) en het moet aansluiten op het bestaande discours. Tijdens mijn stage vielen een paar labels op die er wat deze vertaalproblemen betreft uitsprongen.• Criterium 4; ontwikkeling van Amerikaanse labels: Dit criterium is gebaseerd op bijlage U van Gordon 1995a. Diagnoses die wat betreft hun formulering in de brontaal een ontwikkeling hebben doorgemaakt (d.w.z. in 1973 of 1978 zijn ontstaan en sindsdien een of meerdere malen zijn veranderd) zijn misschien interessant om voor te leggen. Dit criterium is echter niet volledig geschikt, want er komen niet noodzakelijk interessante labels uit te voorschijn, bijvoorbeeld: Diarrhea (blijft in het Nederlands gewoon Diarree) en Urinary Retention (blijft Urineretentie).• Criterium 5; transdisciplinaire standaardisatie-eisen: selectie op basis van de manier waarop de (Amerikaanse) NANDA-labels zijn opgenomen in de ICD (International Classification of Diseases). Enkele formuleringen zijn door de NANDA (in de VS) aangepast om insluiting in deze meer algemene classificatie mogelijk te maken (te vinden in Gordon, 1995, bijlage D). Ook dit is een tamelijk willekeurig criterium. De aanpassing van de labels voor opneming in de ICD levert niet altijd interessante verschillen op. Het gaat om veranderingen als: Decreased Cardiac Output naar Altered Cardiac Output, Ineffective Denial naar Impaired Denial (d.w.z. een andere qualifier) en Self-Care Deficit: Bathing/Hygiene naar Bathing/Hygiene Deficit. Ook is er niet noodzakelijk een verband tussen de inpassing van Amerikaanse (NANDA-)labels in de Amerikaanse ICD en de Nederlandse vertalingen en is daarom voor de Nederlandse situatie wat minder interessant of (nog) niet aan de orde. Voor enkele aanpassingen (zoals het laatste voorbeeld) is het echter wel interessant om ze op te nemen.• Criterium 6: algemeenheid van de diagnose De diagnoses mogen niet té patiënt- of vakspecifiek zijn: ik moet er op bijna iedere afdeling naar kunnen vragen)61 (Bijvoorbeeld geen diagnoselabels als Ineffective Infant Feeding Pattern.) Dit criterium is niet alleen nuttig om de labels makkelijker te kunnen testen op verschillende afdelingen zodat de kans op non-response niet te groot wordt, maar vooral om de betrouwbaarheid van het onderzoek te doen toenemen. Hoe meer de betreffende diagnoses een ‘bewustzijnsinhoud’ (concept) zijn geworden voor de verpleegkundigen die daar in de praktijk mee werken, des te beter zij een oordeel kunnen61 In de enquête zal bij ieder diagnoselabel de vraag worden gesteld of de bijbehorende diagnose vaak (of helemaal niet) op de afdeling wordt gesteld. 111
  • Bijlage E___________________________________________________________________________________ geven over de geslaagdheid van het label. Dit is essentieel omdat de enquête helaas niet van een talige context kan uitgaan en de labels als naam (aanduiding van een begrip) moeten worden beoordeeld. Bij navraag bij de HBO-V in Eindhoven bleek dat er over het vóórkomen van verpleegkundige diagnoses niet veel bekend is. Er wordt wel eens uitgegaan van medische gegevens: welke ziekten/aandoeningen komen het meest voor? (o.a. hart en vaatziekten, CARA) Welke verpleegkundige diagnoses zijn daarbij te verwachten? (o.a. verminderd hartminuutvolume, ineffectieve ademhaling, ineffectief ophoesten etc.) Op het gebied van de psychiatrische verpleegkunde zijn inmiddels twee scripties verschenen met de frequentie van verpleegkundige diagnoses op verschillende afdelingen (vastgesteld op basis van verpleegkundige rapportage).EXTRA CRITERIUM: Als er bij de selectie met behulp van één of meer van de bovenstaande criteria nog te veel labels overblijven, zouden de labels waarvan minder dan 4 vertalingen in het Nederlands worden gevonden kunnen afvallen.Keuze voor de criteriaUit de bovenstaande opsomming blijkt dat alleen criteria 2, 3, en 6 en het extra criterium echt iets kunnenopleveren. Vooral criterium 3 (expertise) en 6 (algemeenheid) en de secundaire selectie (hoeveelheid gevondenvertalingen) zijn doorslaggevend.De meest geslaagde volgorde van de selectie is eerst criterium 3, dan 2 en tenslotte 6.Toepassing van criterium 3; LABELS die tijdens de stage discussie/problemen opleverden:1. Altered Health Maintenance2. Altered Nutrition: Less than Body Requirements3. Altered Nutrition: More than Body Requirments, evt. High Risk for ...4. Altered Parenting5. Altered Protection6. Altered Thought Processes7. Caregiver Role Strain8. Chronic Low Self-Esteem9. Fluid Volume Excess10. Health Seeking Behaviors11. High Risk for Activity Intolerance12. High Risk for Fluid Volume Deficit13. Impaired Adjustment14. Impaired Physical Mobility15. Impaired Social Interaction16. Impaired Tissue Integrity17. Ineffective Airway Clearance18. Ineffective Denial19. Ineffective Family Coping: Compromised20. Ineffective Family Coping: Disabling21. Ineffective Individual Coping22. Ineffective Management of Therapeutic Regimen23. Knowledge Deficit24. Noncompliance25. Relocation Stress Syndrome26. Self-Care Deficit: Bathing/Hygiene27. Self-Esteem Disturbance28. Sensory-Perceptual Alteration: Visual, Auditory, Kinesthetic, Gustatory, Tactile, Olfactory29. Social Isolation30. Tissue Perfusion, Altered: Cerebral, Cardiopulmonary, Renal, Gastrointestinal, PeripheralToepassing criterium 2Labels met qualifiers (bepalende woorden) vooral: Altered, Impaired en Ineffective:1. Altered Body Temperature, High Risk for2. Altered Family Processes3. Altered Growth and Development4. Altered Health Maintenance 112
  • Bijlage E___________________________________________________________________________________5. Altered Nutrition: High Risk for More than Body Requirements6. Altered Nutrition: Less than Body Requirements7. Altered Nutrition: More than Body Requirements8. Altered Oral Mucous Membrane9. Altered Parenting10. Altered Parenting, High Risk for11. Altered Protection12. Altered Role Performance13. Altered Sexuality Patterns14. Altered Thought Processes15. Altered Tissue Perfusion: Cerebral, Cardiopulmonary, Renal, Gastrointestinal, Peripheral16. Altered Patterns of Urinary Elimination17. Chronic Low Self-Esteem18. Chronic Pain19. Decreased Cardiac Output20. Dysfunctional Grieving21. Dysfunctional Ventilatory Weaning Response22. Impaired Adjustment23. Impaired Gas Exchange24. Impaired Home Maintenance Management25. Impaired Physical Mobility26. Impaired Skin Integrity27. Impaired Skin Integrity, High Risk for28. Impaired Social Interaction29. Impaired Swallowing30. Impaired Tissue Integrity31. Impaired Verbal Communication32. Ineffective Airway Clearance33. Ineffective Breastfeeding34. Ineffective Breathing Pattern35. Ineffective Denial36. Ineffective Family Coping, Compromised37. Ineffective Family Coping, Disabling38. Ineffective Infant Feeding Pattern39. Ineffective Individual Coping40. Ineffective Management of Therapeutic Regimen41. Ineffective ThermoregulationLabels met deficit:1. Self-Care Deficit2. Self-Care Deficit: Bathing/Hygiene3. Self-Care Deficit: Dressing/Grooming4. Self-Care Deficit: Feeding5. Self-Care Deficit: Toileting6. Self-Care Deficit: Total7. Diversional Activity Deficit8. Fluid Volume Deficit9. Fluid Volume Deficit, High Risk for10. Knowledge Deficit (specify)High risk diagnoses:1. Activity Intolerance, High Risk for2. Aspiration, High Risk for3. Body Temperature, Altered, High Risk for4. Caregiver Role Strain, High Risk for5. Disuse Syndrome, High Risk for6. Fluid Volume Deficit, High Risk for7. Infection, High Risk for8. Injury, High Risk for9. Neurovascular Dysfunction, High Risk for Peripheral10. Nutrition, Altered: High Risk for More than Body Requirements 113
  • Bijlage E___________________________________________________________________________________11. Parenting, High Risk for, Altered12. Poisoning, High Risk for13. Self-Mutilation, High Risk for14. Skin Integrity, Impaired, High Risk for15. Suffocation, High Risk for16. Trauma, High Risk for17. Violence, High Risk for: Self-Directed or Directed at OthersEen combinatie van criterium 2 en 3 levert de volgende 20 labels op:1. Altered Health Maintenance2. Altered Nutrition: Less than Body Requirements3. Altered Nutrition: More than Body Requirments, evt. High Risk for ...4. Altered Parenting5. Altered Protection6. Altered Thought Processes7. Caregiver Role StrainChronic Low Self-EsteemFluid Volume ExcessHealth Seeking Behaviors8. High Risk for Activity Intolerance9. High Risk for Fluid Volume Deficit10. Impaired Adjustment11. Impaired Physical Mobility12. Impaired Social Interaction13. Impaired Tissue Integrity14. Ineffective Airway Clearance15. Ineffective Denial16. Ineffective Family Coping: Compromised17. Ineffective Family Coping: Disabling18. Ineffective Individual Coping19. Ineffective Management of Therapeutic Regimen20. Knowledge DeficitNoncomplianceRelocation Stress Syndrome21. Self-Care Deficit: (bijvoorbeeld: Bathing/Hygiene)Self-Esteem DisturbanceSensory-Perceptual Alteration: Visual, Auditory, Kinesthetic, Gustatory, Tactile, OlfactorySocial Isolation22. Tissue Perfusion, Altered: Cerebral, Cardiopulmonary, Renal, Gastrointestinal, PeripheralCriterium 6, tenslotte is moeilijk toepasbaar omdat er nog maar zo weinig bekend is over de frequentie van dediagnoses. Een gedeelte van de selectie voor dit criterium kan worden gebaseerd op informatie uit twee scriptieswaarin iets bekend is geworden over de frequentie van verpleegkundige diagnoses in de psychiatrie: Jansen1992;38 (in de bovenstaande lijst zijn de labels uit deze scriptie aangeduid met een J) en Ewals & Oudenhoven1992;51 (aangegeven met EO). Dit levert 6 labels op. De meesten daarvan zijn niet somatisch (afgezien vannummer 2 en 19.) Ik heb dus 4 psychische diagnoses die echter ook op andere verpleegkundige afdelingendenkbaar zijn. Er zijn nu nog minstens 4 somatische labels nodig waarin ten minste één maal high risk forvoorkomt. Dit betekent een keuze tussen de nummers 6 en 7. Gezien de bevindingen van Jansen en Ewals enOudenhoven, gaat de voorkeur uit naar nummer 6.1. Altered Health Maintenance EO2. Altered Nutrition: Less than Body Requirements JAltered Parenting [niet somatisch, te specifiek]Altered Protection [niet somatisch, niet erg algemeen]3. Altered Thought Processes EO, JHigh Risk for Activity Intolerance [niet noodzakelijk somatisch]4. High Risk for Fluid Volume Deficit [somatisch]5. Impaired Adjustment [niet somatisch, wel heel algemeen]6. Impaired Physical Mobility [somatisch en vrij algemeen]7. Impaired Social Interaction EO, J 114
  • Bijlage E___________________________________________________________________________________8. Impaired Tissue Integrity [somatisch]9. Ineffective Airway Clearance [somatisch]Ineffective Denial [niet somatisch]Ineffective Family Coping: Compromised [niet somatisch en te specifiek]Ineffective Family Coping: Disabling [niet somatisch en te specifiek]10. Ineffective Individual Coping EO, JIneffective Management of Therapeutic Regimen [niet somatisch]Knowledge Deficit [niet somatisch; wel deficit]11. Self-Care Deficit: (bijvoorbeeld: Bathing/Hygiene) EO, J Tissue Perfusion, Altered: (...) [wel somatisch, maar erg specifiek]Het resultaat van de selectie is:1. Altered Health Maintenance2. Altered Nutrition: Less than Body Requirements3. Altered Thought Processes4. High Risk for Fluid Volume Deficit5. Impaired Adjustment6. Impaired Physical Mobility7. Impaired Social Interaction8. Impaired Tissue Integrity9. Ineffective Airway Clearance10. Ineffective Individual Coping11. Self-Care Deficit: (bijvoorbeeld: Bathing/Hygiene)11 labels leek nog steeds wat veel voor de enquête. Die zou hierdoor te lang gaan duren. Omdat Impaired TissueIntegrity bij nader inzien weinig gevarieerde vertalingen opleverde, viel dit label direct af. Omdat de enquête inalgemene ziekenhuizen zou worden uitgedeeld, leek het verstandig om ook nog een niet-somatisch label te latenvallen. De keuze is daarbij gevallen op Ineffective Individual Coping. Uiteindelijk zijn dus negen labelsovergebleven. In de volgorde van de enquête zijn dit: 1. High Risk for Fluid Volume Deficit 2. Impaired Adjustment 3. Impaired Physical Mobility 4. Altered Nutrition: Less than Body Requirements 5. Altered Health Maintenance 6. Altered Thought Processes 7. Impaired Social Interaction 8. Ineffective Airway Clearance 9. Self-Care Deficit: (Bathing/Hygiene) 115
  • ___________________________________________________________________________________ 116
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________BIJLAGE F Totaaltabel alle uitslagenLegendaHet label dat als beste werd beoordeeld is in de onderstaande tabel groen gemaakt indien het zonder twijfel significant als beste is aangeduid. Indien deuitslag niet direct significant de beste is noemen, is het als beste beoordeelde label blauw weergegeven.Het label dat als slechtste werd beoordeeld is, indien significant, rood. Mogelijk niet-significante uitslagen van het als slechtste beoordeelde label zijn paars.Deze kleurencodering is ook gebruikt voor de redenen die zijn gegeven voor het ‘beste’ label en het ‘slechtste’ label.WegingIn de uitslag komen standaard alleen de beste en de slechtste naar boven, maar er zijn ook labels die misschien in een heel groot aantal gevallen op detweede plaats terechtkomen. Het belang van zo’n positie blijft onzichtbaar als niet op de een of andere manier een weging wordt gemaakt. In statistischetermen: de uitslag is in eerste instantie nominaal (welk label is het meest gekozen) maar om rekening te houden met de rangorde (ordinale schaal), kan eenweging worden toegepast om meer inzicht te krijgen in de keuze op basis van rangorde. Teneinde een iets meer genuanceerde uitslag te krijgen, zijn alleuitslagen daarom nog eens handmatig doorgenomen en gewogen. Onderaan de uitslag per label staat de uitslag na weging.In de tabel rechts zijn de eventuele significante relaties tussen de variabelen aangegeven. Bijvoorbeeld het als ‘beste’ gekozen label en de reden hiervoor‘reden beste’. Alle significante relaties tussen variabelen die zijn onderzocht, worden hier weergegeven.In enkele gevallen is niet met zekerheid te zeggen of de uitkomst al dan niet significant is te noemen. Die gevallen zijn alsnog handmatig geteld en daarvan ismelding gemaakt.‘Beste’ en ‘slechtste’ formulering na wegingNa de berekening van de beste en slechtste heeft er nog een weging plaatsgevonden volgens de methode die is uitgelegd in paragraaf 3.2.4. Zie tabel 3.3 -Voorbeeld weegmethode - eerste antwoord van label 1. 117
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen of andereMogelijk beste is blauw statistisch significanteSlechtste is rood uitslagen p< .01 of p<.05Mogelijk slechtste is paarsPercentages beste/slechtsteLabel 1 1. Ligt goed in de mond; ik kan het 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou het Beste x ‘reden beste’: pa Risico op negatieve vochtbalans mezelf horen zeggen bij een overleg misschien nog wel schrijven maar <.05 (6,4% als beste; 12,8% als slechtste) of overdracht. (0%) zeker niet uitspreken. (4,3%)b Dreigende negatieve vochtbalans 2. Het meest patiëntvriendelijk; 2. Komt niet professioneel genoeg over, Beste x verpleegkundige (12,8% als beste; 8,5% als slechtste) patiënten kunnen het ook volgen. is bijvoorbeeld veel te soft. (4,3%) opleiding: p <.01c Dreigend vochttekort (31,9% als (21,3%) 3. Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld beste; 4,2% als slechtste) 3. Als ik dit in de rapportage schrijf, veel te medisch geformuleerd). Beste x waar/hoe kennisd Gevaar voor vochttekort (21,3% als weten mijn collegas precies wat (12,7%) VD: p<.05 beste; 17% als slechtste) ik bedoel. (48,9%) 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik niete Gevaar voor negatieve vochtbalans 4. Is ook bij een multidisciplinair tegenover mijn patiënten gebruiken. Slechtste x geslacht: p (4,2%; 17% als slechtste) patiëntenoverleg te gebruiken. (31,9%) =.05f Risico van dehydratie (23,4% als (6,4%) 5. Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands). beste – 40,4% als slechtste) 5. Zo noemen we dit nu eenmaal. (0%) (10,6%) Slechtste x wanneer 6. Klinkt professioneel en 6. Is te kort en daardoor te vaag.(8,5%) verpleegkundigeDe beste na weging: verpleegkundig. (8,5%) 7. Is te lang en is daardoor niet praktisch. opleiding: p<.05ongewijzigd 7. Deze vind ik wel mooi (goed (0%)De slechtste na weging: Nederlands) (0%) 8. Hier kan ik niet mee aankomen bij een Slechtste x werkduur:ongewijzigd 8. Is kort en krachtig. (10,6%) multidisciplinair patiëntenoverleg p<.05 9. Anders, namelijk… (4,2%) (4,3%) 9. Anders, namelijk: ...(23,4%) NB ondanks dat f. op de laagste plaats uitkwam hebben 11 mensen Antwoorden bij optie 9: gevarieerd en niet (23,4%) het label op de significant van toepassing op optie f. eerste plaats gezet. 118
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen of andereMogelijk beste is blauw statistisch significanteSlechtste is rood uitslagen p< .01 of p<.05Mogelijk slechtste is paarsPercentages beste/slechtsteLabel 2 1. Ligt goed in de mond; ik kan 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou het Er zijn wel significante bestea Verminderd aanpassingsvermogen het mezelf horen zeggen bij misschien nog wel schrijven maar en slechtste uitgekomen maar (36,2% als beste; 2,1% als slechtste) een overleg of overdracht zeker niet uitspreken 8,7%) er is geen significante relatieb Belemmerde aanpassing (0% als (2,1%) 2. Komt niet professioneel genoeg over, met de redenen die daarvoor beste; 2,1% als slechtste) 2. Het meest patiëntvriendelijk; is bijvoorbeeld veel te soft (4,3%) zijn opgegeven.c Geblokkeerde ziekteaanpassing patiënten kunnen het ook 3. Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld (2,1% als beste, 87,2% als slechtste) volgen (27,7%) veel te medisch geformuleerd) (2,2%) Beste x functie: p<.05d Aanpassingsproblemen (61,7% als 3. Als ik dit in de rapportage 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet beste; 0% als slechtste) schrijf, weten mijn collegas tegenover mijn patiënten gebruiken precies wat ik bedoel (32,6%)De beste na weging: (23,4%) 5. Deze vind ik lelijk (slechtongewijzigd 4. Is ook bij een multidisciplinair Nederlands) (30,4%)De slechtste na weging: patiëntenoverleg te gebruiken 6. Is te kort en daardoor te vaag (2,2%)ongewijzigd (8,5%) 7. Is te lang en is daardoor niet praktisch 5. Zo noemen we dit nu eenmaal (4,3%) (0%) 8. Hier kan ik niet mee aankomen bij een 6. Klinkt professioneel en multidisciplinair patiëntenoverleg (0%) verpleegkundig (12,8%) 9. Anders, namelijk: ... (15,2%) 7. Deze vind ik wel mooi (goed Nederlands) (0%) Antwoorden bij optie 9 over slechtste (c): 8. Is kort en krachtig (12,8%) onduidelijk, onbegrijpelijk, zegt niets …(NB 9. Anders, namelijk…(12,8%) niet significant) Antwoorden bij optie 9 over beste: minst objectief/minst negatief (NB niet significant) 119
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen ofMogelijk beste is blauw andere statistischSlechtste is rood significante uitslagenMogelijk slechtste is paars p< .01 of p<.05Percentages beste/slechtsteLabel 3 1. Ligt goed in de mond; ik kan het 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou heta Beperkte fysieke mobiliteit (12,8% mezelf horen zeggen bij een misschien nog wel schrijven maar zeker Beste x reden beste als beste; 21,7% als slechtste) overleg of overdracht (0%) niet uitspreken (4,3%) p<.01b Verstoorde mobiliteit (12,8% als 2. Het meest patiëntvriendelijk; 2. Komt niet professioneel genoeg over, is beste; 2,2% als slechtste) patiënten kunnen het ook bijvoorbeeld veel te soft (0%) Beste x wanvdafd:c Mobiliteitstekort (6,4% als beste; 13% volgen (29,8%) 3. Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel p<.05 als slechtste) 3. Als ik dit in de rapportage schrijf, te medisch geformuleerd) (4,3%)d Verminderde lichaamsbeweging (17% weten mijn collegas precies wat 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet tegenover Slechtste x boeken als beste; 17,4% als slechtste) ik bedoel (23,4%) mijn patiënten gebruiken (21,7%) alg.: p<.01e Onvermogen om te bewegen (2,1% 4. Is ook bij een multidisciplinair 5. Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands) (13%) als beste; 21,7% als slechtste) patiëntenoverleg te gebruiken 6. Is te kort en daardoor te vaag (13%) Slechtste xf Beperkte beweging (van (8,5%) 7. Is te lang en is daardoor niet praktisch verpleegkundig hand/arm/etc.) (38,3% als beste; 5. Zo noemen we dit nu eenmaal (8,7%) model/theorie: p<.05 15,2% als slechtste) (0%) 8. Hier kan ik niet mee aankomen bij eeng Verstoorde lichamelijke mobiliteit 6. Klinkt professioneel en multidisciplinair patiëntenoverleg (0%) Indien specialisatie (10,6% als beste; 0% als slechtste) verpleegkundig (19,1%) 9. Anders, namelijk: ... (34,8%) PAAZ: beste x boeken 7. Deze vind ik wel mooi (goed n.s. x slechtste = p<.01De beste na weging: Nederlands) (0%)ongewijzigd 8. Is kort en krachtig (10,6%) Antwoorden bij optie 9 over slechtste (e): nietDe slechtste na weging: 9. Anders, namelijk… (8,5%) duidelijk; vaag (NB niet significant)e Onvermogen om te bewegen 120
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen ofMogelijk beste is blauw andere statistischSlechtste is rood significante uitslagenMogelijk slechtste is paars p< .01 of p<.05Percentages beste/slechtsteLabel 4 1. Ligt goed in de mond; ik kan het 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou heta Veranderde voeding: minder dan het mezelf horen zeggen bij een misschien nog wel schrijven maar zeker Beste x boeken lichaam nodig heeft (2,1% als beste; overleg of overdracht (0%) niet uitspreken (4,3%) algemeen: p<.05 15,6% als slechtste) 2. Het meest patiëntvriendelijk; 2. Komt niet professioneel genoeg over, isb Verstoorde inname van voeding, patiënten kunnen het ook bijvoorbeeld veel te soft (10,9%) Beste x verpleegkundig minder dan de stofwisselingsbehoefte volgen (13,3%) 3. Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel model/theorie: p<.01 (6,4% als beste; 13,3% als slechtste) 3. Als ik dit in de rapportage te medisch geformuleerd) (4,3%)c Ontoereikende voedselopname (17% schrijf, weten mijn collegas 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet Slechtste x frequentie als beste; 4,4% als slechtste) precies wat ik bedoel (28,9%) tegenover mijn patiënten gebruiken VP op afdeling: p<.05d Voedingstekort (53,2% als beste; 4. Is ook bij een multidisciplinair (15,2%) 6,7% als slechtste) patiëntenoverleg te gebruiken 5. Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands) Indien specialisatiee Ontoereikende opname van voeding (0%) (15,2%) PAAZ: beste x boeken: (17% als beste; 0% als slechtste) 5. Zo noemen we dit nu eenmaal 6. Is te kort en daardoor te vaag (0%) p<.05f Verandering in het voedingspatroon (2,2%) 7. Is te lang en is daardoor niet praktisch (te weinig) (0% als beste; 4,4% als 6. Klinkt professioneel en (39,1%) slechtste) verpleegkundig (13,3%) 8. Hier kan ik niet mee aankomen bij eeng Opname van voeding: te weinig (4,3% 7. Deze vind ik wel mooi (goed multidisciplinair patiëntenoverleg (0%) als beste; 6,7% als slechtste) Nederlands) (2,2%) 9. Anders, namelijk: ...(10,9%)h Gewijzigde opname van voeding: 8 Is kort en krachtig (33,4%) minder dan stofwisselingsbehoefte 9 Anders, namelijk…(6,7%) (0% als beste; 48,8% als slechtste) Antwoorden bij optie 9 over slechtste (h):De beste na weging: ongewijzigd onduidelijk, hoeft niet op probleem te duidenDe slechtste na weging: ongewijzigd (NB niet significant) 121
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen of andereMogelijk beste is blauw statistisch significanteSlechtste is rood uitslagen p< .01 ofMogelijk slechtste is paars p<.05Percentages beste/slechtsteLabel 5 1. Ligt goed in de mond; ik kan 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou het Beste x werkduur: p<.05a Tekort in gezondheidsonderhoud het mezelf horen zeggen bij misschien nog wel schrijven maar zeker niet (23,8% als beste; 10,3% als een overleg of overdracht uitspreken (10%) (Beste x slechtste) (0%) 2. Komt niet professioneel genoeg over, is afdelingsorganisatie:b Veranderde zorg voor de gezondheid 2. Het meest patiëntvriendelijk; bijvoorbeeld veel te soft (2,5%) p=.05 net niet significant) (9,5 als beste; 7,7% als slechtste) patiënten kunnen het ook 3. Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld veel tec Onvermogen tot gezonde leefwijze volgen (35,7%) medisch geformuleerd) (0%) Slechtste x reden (38% als beste; 10,3% als slechtste) 3. Als ik dit in de rapportage 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet slechtste: p<.01d Wijzigingen in de instandhouding van schrijf, weten mijn collegas tegenover mijn patiënten gebruiken (30%) de gezondheid (7,1% als beste; precies wat ik bedoel (23,8%) 5. Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands) Slechtste x 17,9% als slechtste) 4. Is ook bij een multidisciplinair (12,5%) verpleegkundigee Onvermogen tot hulp zoeken bij patiëntenoverleg te gebruiken 6. Is te kort en daardoor te vaag (2,5%) opleiding: p<.01 gezondheidsproblemen (16,7% als (2,4%) 7. Is te lang en is daardoor niet praktisch (20%) beste; 17,9% als slechtste) 5 Zo noemen we dit nu eenmaal 8. Hier kan ik niet mee aankomen bij een Slechtste x boekenf Veranderde handhaving van de (0%) multidisciplinair patiëntenoverleg (0%) algemeen: p<.05 gezondheid (4,8% als beste; 12,8% 6 Klinkt professioneel en 9. Anders, namelijk: ...(22,5%) als slechtste) verpleegkundig (11,9%)g Wijziging in het in stand houden 7 Deze vind ik wel mooi (goed van de gezondheid (0% als beste; Nederlands) (0%) Antwoorden bij optie 9 over slechtste (g): vrijwel 23,1% als slechtste) 8 Is kort en krachtig (14,3%) geen opm. over optie g. 9 Anders, namelijk… (11,9%)De beste na weging: ongewijzigdDe slechtste na weging: ongewijzigd Antwoorden bij optie 9 over beste (c): geen 122
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen of andereMogelijk beste is blauw statistisch significanteSlechtste is rood uitslagen p< .01 of p<.05Mogelijk slechtste is paarsPercentages beste/slechtsteLabel 6 1. Ligt goed in de mond; ik kan 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou Beste x frequentie VP opa Veranderde denkprocessen (8,7% als het mezelf horen zeggen bij het misschien nog wel schrijven afdeling: p<.05 beste; 6,4% als slechtste) een overleg of overdracht maar zeker niet uitspreken (4,3%)b Gestoord denken (4,3% als beste; (2,1%) 2. Komt niet professioneel genoeg Beste x mate VP op afdeling: 74,5% als slechtste) 2. Het meest patiëntvriendelijk; over, is bijvoorbeeld veel te soft p<.05c Verstoord denken (37 % als beste; patiënten kunnen het ook (2,1%) 4,2% als slechtste) volgen (29,8%) 3. Is niet verpleegkundig (is Beste x themoddif1 (= orem):d Verstoord denkproces (37% als 3. Als ik dit in de rapportage bijvoorbeeld veel te medisch p<.05 beste; 0% als slechtste) schrijf, weten mijn collegas geformuleerd) (0%)e Wijziging in het denkproces (13% als precies wat ik bedoel (14,9%) 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik Slechtste x reden slechtste: p<.01 beste; 14,9% als slechtste) niet tegenover mijn patiënten 4. Is ook bij een multidisciplinair gebruiken (51%) Slechtste x boeken algemeen:De beste na weging: patiëntenoverleg te gebruiken 5. Deze vind ik lelijk (slecht p<.01d Verstoord denkproces (4,2%) Nederlands) (17%)De slechtste na weging: ongewijzigd 5 Zo noemen we dit nu eenmaal 6. Is te kort en daardoor te vaag. Slechtste x mate VD op afdeling: (0%) 7. Is te lang en is daardoor niet p<.01 6 Klinkt professioneel en praktisch (4,3%) verpleegkundig (12,8%) 8. Hier kan ik niet mee aankomen bij Slechtste x wanvdafd: p<.05 7 Deze vind ik wel mooi (goed een multidisciplinair Nederlands) (6,4%) patiëntenoverleg (4,3%) 8 Is kort en krachtig (21,3%) 9. Anders, namelijk: ... (17%) 9 Anders, namelijk… (8,5%) Antwoorden bij optie 9 over slechtste Antwoorden bij optie 9 over beste (b): negatief, stigmatiserend, niet (d): adequaat zonder oordeel of correct, drukt stempel, etc. etiket. 123
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen of andereMogelijk beste is blauw statistisch significanteSlechtste is rood uitslagen p< .01 of p<.05Mogelijk slechtste is paarsPercentages beste/slechtsteLabel 7 1. Ligt goed in de mond; ik kan 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou het Beste x instelling: p<.05a Inadequate sociale interactie (19,6% als het mezelf horen zeggen bij misschien nog wel schrijven maar beste; 13,6% als slechtste) een overleg of overdracht zeker niet uitspreken (11,1%) Slechtste x instelling: p = .01b Verstoorde sociale interactie (10,9% als (2,2%) 2. Komt niet professioneel genoeg over, beste; 4,5% als slechtste) 2. Het meest patiëntvriendelijk; is bijvoorbeeld veel te soft (2,2%) Beste x verpleegkundigec Problemen met de sociale interactie patiënten kunnen het ook 3. Is niet verpleegkundig (is opleiding: p<.05 (10,9% als beste; 4,5% als slechtste) volgen (34,8%) bijvoorbeeld veel te medischd Gestoorde sociale interactie (4,3% als 3. Als ik dit in de rapportage geformuleerd) (11,1%) Beste x boeken dif 1 beste; 43,2% als slechtste) schrijf, weten mijn collegas 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet (Engels); p=.05 (n.s.)e Tekortschietende sociale interactie (0% precies wat ik bedoel (21,7%) tegenover mijn patiënten als beste; 9% als slechtste) 4. Is ook bij een multidisciplinair gebruiken (31,1%) Beste x boeken dif 2 (G):f Communicatiestoornissen in de patiëntenoverleg te gebruiken 5. Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands) p<.01 omgang met anderen (54,3% als beste; (4,3%) (13,3%) 25% als slechtste) 5 Zo noemen we dit nu eenmaal 6. Is te kort en daardoor te vaag (0%) Slechtste x reden slechtste (0%) 7. Is te lang en is daardoor niet p<.01De beste na weging: c. Problemen met de 6 Klinkt professioneel en praktisch (15,6%)sociale interactie!! verpleegkundig (15,2%) 8. Hier kan ik niet mee aankomen bij Slechtste x volgen discussieDe slechtste na weging: ongewijzigd 7 Deze vind ik wel mooi (goed een multidisciplinair patiëntenoverleg VD: p<.05 Nederlands) (4,3%) (0%) 8 Is kort en krachtig (2,2%) 9. Anders, namelijk: ... (15,6%) 9 Anders, namelijk… (15,2%) Antwoorden bij optie 9 over slechtste (d): Antwoorden bij optie 9 over beste negatieve lading, niet concreet, idioot, (f): helder, duidelijk. niet te begrijpen, gestoord ligt me niet. En over beste na weging (c): geen 124
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen of andereMogelijk beste is blauw statistisch significanteSlechtste is rood uitslagen p< .01 of p<.05Mogelijk slechtste is paarsPercentages beste/slechtsteLabel 8 1. Ligt goed in de mond; ik kan het 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou het Beste x waar/hoe kennisa Ineffectieve luchtwegreiniging (4,3% mezelf horen zeggen bij een misschien nog wel schrijven maar zeker VD: p<.01 als beste; 7,1% als slechtste) overleg of overdracht (4,4%) niet uitspreken (2,3%)b Ineffectieve luchtwegen (0% als 2. Het meest patiëntvriendelijk; 2. Komt niet professioneel genoeg over, is Slechtste x reden slechtste: beste; 47,6% als slechtste) patiënten kunnen het ook bijvoorbeeld veel te soft (0%) p<.05c Ineffectief ophoesten (8,7% als beste; volgen (33,4%) 3. Is niet verpleegkundig (is bijvoorbeeld 2,4% als slechtste) 3. Als ik dit in de rapportage schrijf, veel te medisch geformuleerd) (15,9%) Slechtste x boeken alg.:d Niet doelmatig bronchiaal toilet (2,2% weten mijn collegas precies wat 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik niet p<.01 als beste; 42,8% als slechtste) ik bedoel (28,9%) tegenover mijn patiënten gebruikene Moeite met ophoesten van slijm 4. Is ook bij een multidisciplinair (18,2%) Slechtste x boeken dif 1 (82,6% als beste; 0% als slechtste ) patiëntenoverleg te gebruiken 5. Deze vind ik lelijk (slecht Nederlands) (Engels): p=.01f Inadequate reiniging van de (4,4%) (20,5%) luchtwegen (2,2% als beste; 0% als 5 Zo noemen we dit nu eenmaal 6. Is te kort en daardoor te vaag (6,8%) Slechtste x boeken dif 2 slechtste) (2,2%) 7. Is te lang en is daardoor niet praktisch (G): p<.05 6 Klinkt professioneel en (0%) verpleegkundig (4,4%) 8. Hier kan ik niet mee aankomen bij een Slechtste x verpleegkundigDe beste na weging: ongewijzigd 7 Deze vind ik wel mooi (goed multidisciplinair patiëntenoverleg (2,3%) model/theorie: p<.01De slechtste na weging: ongewijzigd Nederlands) (6,7%) 9. Anders, namelijk: ... (34,1%) 8 Is kort en krachtig (11,1%) Slechtste x theomod dif 2 9 Anders, namelijk… (4,4%) Antwoorden bij optie 9 over slechtste (b): (Orem): p<.05 niet concreet; slaat nergens op, volstrekt onduidelijk; hoeft de oorzaak niet te zijn; Label 8 x PAAZ (filter): Antwoorden bij optie 9 over beste geen juiste formulering; slaat de plank mis; slechtste x boeken p<.01 (e): duidelijk, eenduidig is medisch probleem; geen juiste weergave van het probleem (significant) Wat is bij reden slechtste (9. Anders, namelijk:…) ingevuld? 125
  • Bijlage F _______________________________________________________________________________________________Beste is groen Reden voor beste Reden voor slechtste Opmerkingen of andere statistischMogelijk beste is blauw significante uitslagen p< .01 ofSlechtste is rood p<.05Mogelijk slechtste is paarsPercentages beste/slechtsteLabel 9 1. Ligt goed in de mond; ik kan het 1. Ligt niet lekker in de mond; ik zou Beste x frequentie VP op afdeling:a Zelfstandigheidstekort in wassen mezelf horen zeggen bij een het misschien nog wel schrijven p<.05 (2,2% als beste; 37,8% als overleg of overdracht (2,2%) maar zeker niet uitspreken slechtste) 2. Het meest patiëntvriendelijk; (10,9%) Beste x specialisme: p<.05b Zelfzorgtekort (wassen/hygiëne) patiënten kunnen het ook volgen 2. Komt niet professioneel genoeg (6,5% als beste; 2,2% als slechtste) (19,6%) over, is bijvoorbeeld veel te soft Beste x boeken dif 3 (Townsend):c ADL-afhankelijkheid (m.b.t. 3. Als ik dit in de rapportage schrijf, (4,3%) p<.05 wassen) (37% als beste; 4,4% als weten mijn collegas precies wat 3. Is niet verpleegkundig (is slechtste) ik bedoel (21,7%) bijvoorbeeld veel te medisch Slechtste x reden slechtste: p<.01d Afhankelijkheid bij 4. Is ook bij een multidisciplinair geformuleerd) (4,3%) lichaamsverzorging (6,5% als patiëntenoverleg te gebruiken 4. Is patiëntonvriendelijk; zou ik Slechtste x mate VD op afdeling: beste; 8,8% als slechtste) (2,2%) niet tegenover mijn patiënten p<.05e Gebrekkige zelfverzorging (10,9% 5 Zo noemen we dit nu eenmaal gebruiken (37%) als beste; 33,4% als slechtste) (2,2%) 5. Deze vind ik lelijk (slechtf Moeite met zelfstandig wassen 6 Klinkt professioneel en Nederlands) (26,1%) (13% als beste; 6,7% als slechtste) verpleegkundig (26%) 6. Is te kort en daardoor te vaagg Zelfzorgtekort (lichamelijke hygiëne) 7 Deze vind ik wel mooi (goed (4,3%) (23,9% als beste; 2,2% als Nederlands) (2,2%) 7. Is te lang en is daardoor niet slechtste) 8 Is kort en krachtig (19,6%) praktisch (2,1%)h Tekort in de zelfverzorging (0% als 9 Anders, namelijk…(4,3%) 8. Hier kan ik niet mee aankomen beste; 4,4% als slechtste) bij een multidisciplinair patiëntenoverleg (0%) 9. Anders, namelijk: ... (10,9%)De beste na weging: ongewijzigdDe slechtste na weging: ongewijzigd Antwoorden bij optie 9 over slechtste (a): raar, negatief 126
  • Bijlage G _______________________________________________________Bijlage G Opmerkingen per vraag, geordend per vraag (Anders, namelijk…)Nr enq ZH Afd. Opmerking + indien bij b en c-vragen: keuze voor 0pm hoort beste/slechtste bij vr nr.22 E E IC Met zorg verplegen; Arets en Vaassen 1044 H E P1 Inleiding verpleegkunde – v.d. Peet 10270 AC R P Vraag 13; gezondheidsproblemen van Gordon wordt 13 ingevoerd356 AN A G We werken met (adaptatie van) meerdere modellen 1384 L E P1 Geeft probleem aan in vroeg stadium -> preventie 16a; a 16b120 O E P1 Adequaat 16a:f 16b147 Q E OG Best omschreven wat er met vochthuishouding wordt 16b bedoeld 16a: b161 R E G Duidelijk (risico= onvoorspelbaar gevaar =als er 16b levensgevaar dreigt. 16a:b53 I E P1 Niet iedere patiënt zal dit begrijpen 16a:f 16c85 L E P1 Geeft beperkte informatie in een later stadium 16a: c 16c121 O E P1 Incorrect 16a:e 16c133 P E P1 Zo praat je toch niet! 16a: f 16c148 Q E OG Geen goede omschrijving voor vochthuishouding. Het gaat 16c om de balans en niet alleen om het tekort 16a: d311 AJ R P Ik vind ‘dreigende meer betekenend dan ‘risico’ 16a; a 16c335 AL R K Geen Nederlands woord 16a; f 16c366 AO A G Zegt niets over de vochtbalans 24a; d 16c381 AP A G Te subjectief en te lang 16a; b 16c387 AQ A G Neg. Vochtbalans hoeft geen probleem te zijn 16a;e 16c462 BA R IC Niet duidelijk wat hiermee bedoeld wordt 16a; e 16c02 A E IC Bewaking dehydratie/ bewaking negatieve vochtbalans 16e13 B E IC Ondervulling 16e23 E E IC (Het hebben van een) negatieve vochtbalans. Tegenover de 16e patiënt heb je het over een vochttekort.35 G E IC Registratie vochtbalans 16e45 H E P1 Dreigend vochttekort 16e54 I E P1 Onvoldoende vochtopname 16e66 J E P1 Dreigend vochttekort 16e86 L E P1 Kans op verstoorde vochtbalans door onvoldoende 16e vochtinname116 O E P1 Krijgt te weinig vocht 16e134 P E P1 Gevaar voor uitdroging 16e149 Q E OG Patiënt heeft kans op dreigende dehydratie 16e163 R E G Niets. Er wordt bij vaak voorkomende problemen 16e actiegericht genoteerd: let op vochtbalans, stimuleer met drinken, etc.189 S E KL Negatieve vochtbalans 16e202 U E KL Vochtbalans/ vochtintake + uitscheiding 16e208 V E KL Risico voor uitdroging 16e221 W E P2 Patiënt drinkt onvoldoende 16e230 X E P2 Uitdroging 16e239 Y E P2 Dreigend vochttekort (=16a;c, niet als beste beoordeeld) 16e250 Z E P2 Patiënt heeft moeite met drinken 16e259 AA E P2 Dreigend vochttekort t.g.v. bijv. angst om te drinken 16e271 AC R P Slechte vochtbalans 16e279 AE R P Gevaar voor vochttekort 16e300 AI R P Onvoldoende vochtinname 16e312 AJ R P Dreigend vochttekort of potentieel gevaar voor uitdroging 16e357 AN A G Mw geeft aan last te hebben van een dorstig gevoel 16e367 AO A G Mw. heeft al enkele dagen een negatieve vochtbalans 16e 127
  • Bijlage G _______________________________________________________ (dreigend is niet aan de orde)388 AQ A G Mw heeft een vochttekort 16e398 AR A D Mw heeft dreigend vochttekort 16e405 AS A D Mw heeft dreigend vochttekort 16e420 AT A D Dreigend vochttekort; begint uit te drogen 16e429 AU A D Dreigende negatieve vochtbalans 16e440 AV A D Gevaar voor vochttekort 16e449 AY A D Negatieve vochtbalans 16e463 BA R IC Risico voor dehydratie 16e478 BB R IC Ondervuld 16e406 AS A D Ten gevolge van 17a87 L E P1 Zegt iets over het zelfzorgvermogen dat verstoord is 17a:a 17b164 R E G Het zegt niets over de patiënt en waar hij/zij last van heeft. 17b Wat is het probleem? (oorzaak?) 17a; d210 V E KL Is het meest ‘objectief’ van deze vier. 17a:d 17b260 AA E P2 Omschrijft het probleem; 17a: a 17b286 AE R P Meest objectief 17a; d 17b464 BA R IC Minst negatieve weergave 17a; d 17b03 A E IC Geblokkeerd’ sluit al bepaalde aspecten uit 17a:c 17c88 L E P1 Behelst waardeoordelen; zet patiënt in een hokje 17a; c 17c165 R E G Er wordt meer gewerkt vanuit n psychosomatisch model, 17c waarbij wordt nagegaan waar patiënt moeite mee heeft. Aanpak probleem zegt nog niets! Waaraan? Hoe? Bij wie? Hoe uit zich dat? 17a:c240 Y E P2 Kan van alles wezen, geeft niet weer wat ik bedoel.17a; c 17c287 AE R P Suggereert iets duidelijks maar eigenlijk zegt het niets 17c 17a; c313 AJ R P Onduidelijke verwijzing-> ziekteaanpassing? 17a; c 17c407 AS A D Onbegrijpelijk 17a; c 17c430 AU A D Wat betekent dit? 17a; c 17c465 BA R IC Kan negatief beeld van patiënt geven/vooroordelen 17a; a 17c480 BB R IC Past niet in rijtje (gedrag) 17a; c 17c04 A E IC Aanpassingsproblematiek 17e24 E E IC IC syndroom 17e36 G E IC IC syndroom 17e46 H E P1 Aanpassingsproblemen 17e55 I E P1 Probleem wordt concreet beschreven 17e67 J E P1 Aanpassingsproblemen 17e76 K E P1 Aanpassingsproblemen 17e89 L E P1 Tekort in probleemoplossend vermogen 17e117 O E P1 Concrete uitwerking van de verschijningsvorm van de 17e aanpassing135 P E P1 Aanpassingsproblemen 17e166 R E G Heeft ziekte niet geaccepteerd (bijvoorbeeld). Doel: kan 17e over ziekte praten/zich uiten. Actie: persoonlijk gesprek, 2x/dg apart nemen (met partner) vragen naar gevoel/beleving190 S E KL Moeite met acceptatie van ziekte 17e203 U E KL Verwerkingsproblematiek 17e209 V E KL Weinig ziekte-inzicht 17e222 W E P2 Aanpassingsproblemen 17e231 X E P2 Zondert zich af/ moeite met aanpassen in de groep 17e241 Y E P2 Wordt meestal uitgebreider besproken/beschreven, bijv: 17e houdt geen rekening met anderen; voelt zich niet thuis251 Z E P2 Patiënt heeft aanpassingsproblemen 17e272 AC R P Aanpassingsstoornis 17e294 AH R P Verstoorde coping (m.b.t. ziekte) 17e301 AI R P Aanpassingsproblemen 17e314 AJ R P Verstoorde coping 17e348 AM R K Aanpassingsproblemen 17e358 AN A G Mw. geeft aan moeite te hebben met het zich leren 17e 128
  • Bijlage G _______________________________________________________ aanpassen aan haar ziektebeeld368 AO A G Mevr. Heeft moeite zich aan te passen aan; bijv. 17e medepatiënt, afdelingsregels, bedrust. Het aanpassingsprobleem benoemen.389 AQ A G Mw kan zich slecht aanpassen 17e399 AR A D Patiënt heeft moeite met aanpassen t.g.v.... 17e408 AS A D Aanpassingsproblemen zijn vaak van diverse aard 17e (motorisch of psychisch)421 AT A D Aanpassingsprobleem 17e431 AU A D Moeite met aanpassing op de afdeling 17e441 AV A D Aanpassingsprobleem 17e450 AY A D Aanpassingsproblemen 17e466 BA R IC Aanpassingsproblemen 17e479 BB R IC IC-syndroom 17e491 BC R IC Aanpassingsprobleem 17e288 AE R P Ten aanzien van wat?? Idem voor volgende problemen 18a25 E E IC Het is duidelijk wat ermee bedoeld wordt. 18a:f 18b99 L E P1 Omschrijft het probleem het meest volledig: geeft 18b zelfzorgtekort aan! 18a:g119 O E P1 Geeft ontstaan van probleem weer 18a:g 18b167 R E G Mobiliteit is probleem op zich. Direct uitgebreider 18b geformuleerd. Is sprake van handicap? Door aandoening (waarvoor opname nu)? 18a: f302 AI R P Dit laat meer ruimte omdat verpleegprobleem niet duidelijk 18b 18a; a315 AJ R P Dekt de lading op een duidelijke manier 18a; g 18b369 AO A G Meest duidelijk 18a; e 18b26 E E IC Hoeft niets te maken te hebben met de mobiliteit. 18a:d 18c38 G E IC Dekt de lading niet 18a;e 18c56 I E P1 Geeft niet concreet aan wat er aan de hand is 18a:c 18c77 K E P1 Is inhoudelijk anders dan andere mogelijkheden 18a:e 18c100 L E P1 Geeft de minste informatie 18a; e 18c150 Q E OG Niet duidelijk 18a; f 18c168 R E G Lijkt professioneel, maar is overdreven. 18a:7 18c197 T E KL Slechte formulering 18a: g 18c261 AA E P2 Is totaal andere omschrijving, onvermogen = niet kunnen; 18c ander omschrijvingen zijn deels niet kunnen... 18a:e316 AJ R P Veel te vaag 18a; d 18c390 AQ A G Te algemeen 18a; d 18c409 AS A D Raar 18a; e 18c432 AU A D Net alsof je te weinig aan sport doet 18a; d 18c459 AZ R IC Onduidelijk 18a; a 18c467 BA R IC Te vaag. Geeft de indruk dat patient een handicap heeft 18c 18a; e481 BB R IC Andere 6 nog iets v. beweging mogelijk 18a; e 18c492 BC R IC Vage bewoording 18a; f 18c101 L E P1 Verminderd ADL zorgvermogen m.b.t.... 18d05 A E IC Beperkte mobiliteit/immobiliteit 18e14 B E IC Beperkte motoriek, krachtsverlies extremiteiten 18e27 E E IC Beperkte beweging 18e37 G E IC Mobilisatiestatus 18e47 H E P1 Verminderde lichaamsbeweging 18e57 I E P1 Zoals f- omschrijving van waar/hoe het probleem zich 18e voordoet68 J E P1 Mobiliteitsproblemen 18e118 O E P1 Iemand heeft moeite met… 18e136 P E P1 Verminderde mobiliteit 18e151 Q E OG Patiënt is beperkt in uitvoering mobiliteit 18e169 R E G Dhr/mw kan niet lopen ten gevolge van … (pijn bijv.). Is 18e afhankelijk van rolstoel. Is hierin zelfredzaam.191 S E KL Beperkte mobiliteit 18e 129
  • Bijlage G _______________________________________________________198 T E KL Verminderde lichaamsbeweging a.g.v.... 18e204 U E KL ADL 18e211 V E KL Functiestoornis (hand/arm/etc.) 18e223 W E P2 Beperkt in beweging 18e232 X E P2 Gestoorde motoriek 18e242 Y E P2 Verminderde lichaamsbeweging 18e252 Z E P2 Patiënt heeft een beperkte motoriek 18e273 AC R P Beperkte bewegingsmogelijkheid 18e280 AE R P Zie voorkeur 1 [18a; f] 18e295 AH R P Verstoorde mobiliteit 18e303 AI R P Immobiliteit met specificatie 18e317 AJ R P Al naar gelang oorzaak; verstoorde of beperkte mobiliteit 18e336 AL R K Beperkte mobiliteit 18e349 AM R K Verminderde lichaamsbeweging 18e359 AN A G Mw. geeft aan haar ADL-functies niet te kunnen verrichten 18e t.g.v. operatie of behandeling.370 AO A G Mevr. Kan re. been niet goed bewegen. Benoemen waar 18e beperkte beweging bijv. armen, benen, enz.382 AP A G ADL-afhankelijk 18e391 AQ A G Mw kan haar (arm) moeizaam bewegen 18e400 AR A D Patiënt heeft moeite met lopen (of bijv. belemmering in 18e het gebruik van haar handen) t.g.v….410 AS A D Bewegingsbeperking van hand/arm etc. 18e422 AT A D Beperkte beweging van arm of been 18e433 AU A D Bedrust, op voor douche/toilet; op volgens schema enz. 18e442 AV A D Beperkte beweging 18e451 AY A D Verminderde lichaamsbeweging 18e468 BA R IC Verminderde lichaamsbeweging/mobiliteitstekort 18e482 BB R IC Parese 18e493 BC R IC Mobiliteitstekort 18e170 R E G Geen! Wat is het probleem? (losse opm) 19a102 L E P1 Geeft probleem aan & scherpe omschrijving 19a:b 19b171 R E G Lijkt nog het meest op dreigende ondervoeding 19b 19a:d (= minst slechte)434 AU A D Klinkt het minst slecht/onduidelijk. Afhankelijk van de 19b oorzaak. 19a; c103 L E P1 Hoeft niet op probleem te duiden, kan bijv. ook onder 19c behandeling van diëtiste in behandelplan passen. 19a:h172 R E G Onduidelijk 19a:a 19c318 AJ R P Te algemene benaming 19a; a 19c371 AO A G Onduidelijk 19a; h 19c411 AS A D Onduidelijk, voedselopname is iets anders dan 19c voedingspatroon; 19a; a of d435 AU A D Vind ze eigenlijk allemaal niet goed. 19a; h 19c06 A E IC Verstoord voedingspatroon 19e15 B E IC Voedingstekort 19e28 E E IC Slechte voedingstoestand 19e48 H E P1 Voedingstekort 19e58 I E P1 Onvoldoende opname van voeding 19e69 J E P1 Voedingstekort 19e78 K E P1 Tekort in voedingsopname 19e104 L E P1 Gevaar voor te sterke gewichtafname t.g.v. verstoord 19e eetpatroon123 O E P1 Eet te weinig 19e137 P E P1 Eet onvoldoende 19e152 Q E OG Patiënt heeft neiging tot te weinig opname van voedsel 19e173 R E G Dhr/mw eet nauwelijks t.g.v. (operatie, misselijkheid, 19e verwardheid, etc.) dreigende ondervoeding. Actie: helpen met eten? Stimuleren tot innam. Extra hapjes/verstrekkingen tussendoor. Bestrijden misselijkheid? etc. 130
  • Bijlage G _______________________________________________________192 S E KL Slechte eetlust 19e205 U E KL Voeding 19e212 V E KL Verminderde eetlust/voedingstekort 19e224 W E P2 Patiënt eet onvoldoende 19e233 X E P2 Voedingstekort 19e243 Y E P2 Voedingstekort 19e253 Z E P2 Patiënt heeft voedingsproblemen 19e262 AA E P2 Oorzaak wordt vermeld bij het probleem ten gevolge van… 19e274 AC R P Verstoord voedingspatroon 19e281 AE R P Voedingstekort [=19a:d] 19e296 AH R P Verstoord eetpatroon 19e304 AI R P Verstoord eetpatroon 19e319 AJ R P Bijv. bij anorexia of boulemie -> verstoord eetpatroon 19e337 AL R K Tekort aan voeding (of intake) 19e350 AM R K Voedselopname gestoord 19e360 AN A G Mw. geeft aan onvoldoende te kunnen eten en/of drinken 19e t.g.v…372 AO A G Sterke gewichtafname 19e383 AP A G Slechte voedingstoestand 19e392 AQ A G Mw eet niet voldoende 19e401 AR A D Patiënt heeft een voedingstekort (patiënt is ondervoed) 19e412 AS A D Ontoereikende voedingsopname 19e423 AT A D Voedingstekort 19e436 AU A D Ondervoeding, verminderde eetlust 19e443 AV A D D [Voedingstekort] 19e452 AY A D Eet te weinig 19e469 BA R IC Ontoereikende voedselopname 19e483 BB R IC Ondervoeding 19e494 BC R IC Voedingstekkort (gevaar voor c.q. dreigend) 19e437 AU A D [Doorgestreept – had moeite met dit label] 2039 G E IC Wat bedoelt u eigenlijk? 20a174 R E G 4-7 [20a: b, d, g, f] geeft verandering aan. Hoeft geen 20a probleem te zijn (losse opmerking)413 AS A D Geen enkele goede formulering 20a16 B E IC Zou ze geen van allen gebruiken, spreekt me het meest 20b aan 20a: c105 L E P1 Geeft zelfzorgtekort m.b.t. vermogen om gezondheid in 20b stand te houden aan. 20a: a138 P E P1 Deze term ‘loopt niet lekker’ 20a: c [of slaat dit op 20a; g?] 20b153 Q E OG Is het best omschreven 20a:b 20b175 R E G “Kan geen hulp zoeken” heb ik gekozen. Kan lichamelijk, 20b psychisch en geestelijk zijn. Reden? Je weet nog steeds wat er a.d. hand is, en hoe je kunt helpen. 20a: e263 AA E P2 Het tekort wordt omschreven; 20a:a 20b351 AM R K Is duidelijk 20a; c 20b393 AQ A G Ik snap ’t niet 20a; ? 20b70 J E P1 Zeer on-Nederlands geformuleerd meerdere behalve c en 20c e106 L E P1 Hoeft niet op een probleem te duiden. 20a: b 20c154 Q E OG Klinkt alsof iemand niets meer kan: 20a: c 20c176 R E G ’t zegt niets 20a:f 20c213 V E KL Vaag, zegt uiteindelijk nog niets 20a:f 20c264 AA E P2 2 verschillende soorten verpleegkundige diagnoses. Tekort 20c is anders dan onvermogen. 20a:c305 AI R P Biedt te veel openingen 20a; f 20c320 AJ R P Dekt in veel gevallen de lading niet. 20a; e 20c338 AL R K Misschien is het geen wijziging, is het altijd al zo geweest. 20c 20a; g373 AO A G Is niet echt een probleem 20a; d 20c453 AY A D Is te lang en te vaag 20a; f 20c460 AZ R IC Onduidelijk 20a; e 20c 131
  • Bijlage G _______________________________________________________495 BC R IC Onduidelijk 20a; e 20c07 A E IC Zelfzorgtekorten 20e17 B E IC Slechte/onvoldoende zelfzorg 20e29 E E IC Zelfzorgtekort m.b.t. handhaving van de gezondheid(?) 20e49 H E P1 Onvermogen tot hulp zoeken 20e59 I E P1 Ongezonde leefwijze wordt concreet benoemd waar dit uit 20e bestaat71 J E P1 Ongezonde leefwijze 20e79 K E P1 Zelfzorgtekort 20e107 L E P1 Onvermogen toe te komen aan eigen behoeften en stellen 20e van grenzen139 P E P1 kan niet goed voor zichzelf zorgen 20e177 R E G Bijv. t.g.v. neurologische aandoening voelt mw. niet dat ze 20e pijn heeft. Dagelijkse inspectie stuit, rug, benen en intensieve decubituspreventie volgens protocol ... (nr)214 V E KL Verwaarlozing gezondheid 20e225 W E P2 Patiënt vraagt niet/slecht om hulp 20e234 X E P2 Patiënt kan niet voor zichzelf zorgen 20e244 Y E P2 ADL + of ADL - 20e254 Z E P2 Idem (20a:c[?]) 20e265 AA E P2 Omschrijven van het tekort - Kennis,vaardigheden, inzicht 20e - hoort bij probleemomschrijving. Onvermogen is een diagnose/geen probleem.275 AC R P Problemen met ADL 20e282 AE R P Ineffectieve probleemhantering 20e292 AG R P Patiënt is niet in staat om op een voor hem/haar gezonde 20e manier zijn/haar leven vorm te geven297 AH R P Verstoord gezondheidsmanagement 20e306 AI R P Ineffectieve coping 20e321 AJ R P Verstoord gezondheidsmanagement 20e339 AL R K Onderhoudt de gezondheid niet naar behoren 20e352 AM R K Acceptatie nieuw situatie 20e361 AN A G Niet: dergelijke formuleringen hebben een te hoog 20e abstractieniveau voor de dagelijkse verpleegpraktijk.374 AO A G Mevr. Eet slecht (belemmering gezondheid). Mevrouw 20e neemt medicijnen niet op tijd. Mevr. Verzorgt zichzelf niet goed. (probleem bij de naam noemen!)402 AR A D Patiënt heeft hulp nodig bij ADL 20e424 AT A D Onvermogen tot hulp zoeken bij gezondheidsproblemen 20e444 AV A D A [Tekort in gezondheidsonderhoud] 20e454 AY A D Is niet in staat om goed voor zichzelf te zorgen 20e470 BA R IC Niet omschreven 20e484 BB R IC Hulp bij ADL nodig 20e496 BC R IC Tekort instandhouding en beleving gezondheid 20e178 R E G Lijkt meer een stigma dan een probleem. (Probleem voor 21a de hulpverlener?) Hoe uit zich ’t probleem? Wanneer? Bewust verdraaien van de werkelijkheid? [ losse opm]403 AR A D Welk verpleegprobleem? Onduidelijke vraagstelling 21a414 AS A D Rest niet duidelijk [alleen beste en slechtste ingevuld] 21a124 O E P1 Adequate weergave zonder oordeel 21a: d 21b179 R E G Er is iets aan de hand in het denken van de patiënt. Proces 21b geeft aan dat er meerdere factoren bij het denken meespelen. Eén van die factoren betreft het mogelijk. 21a:d322 AJ R P Beschrijft het als opgetreden’ probleem zonder te veel te 21b etiketteren. 21a; d394 AQ A G Snap ’t niet 20a; - 21b125 O E P1 Geen richting van wijziging aangegeven: te neutraal 21a: 21c e140 P E P1 “gestoord” klinkt zo ‘gestoord’. 21a; b 21c155 Q E OG Te negatief omschreven: 21a:b 21c 132
  • Bijlage G _______________________________________________________180 R E G Zegt niets van het probleem 21a:b 21c199 T E KL Te vaag 21a: a 21c215 V E KL Negatieve lading 21a: b 21c245 Y E P2 Gestoord of verstoord zijn hele andere dingen. 21a:b 21c323 AJ R P Etiketterend en stigmatiserend zonder inhoudelijk pré 21a; 21c b340 AL R K Drukt stempel op patiënt 21a; b 21c395 AQ A G Snap ’t niet 20a; ? 21c471 BA R IC Niet correcte formulering van probleem 21a; b 21c08 A E IC Veranderd/gewijzigd… 21e18 B E IC Verstoord denkproces 21e30 E E IC De patiënt is gedesoriënteerd (in plaats/tijd/persoon) of 21e verward40 G E IC Desoriëntatie 21e50 H E P1 Verstoord denkproces 21e60 I E P1 Concrete weergave van wat verstoord is in het denkproces 21e72 J E P1 Verstoord denken 21e80 K E P1 Verstoord denken (proces) 21e108 L E P1 Stoornis in het denken bijv. versneld, vertraagd, of stoornis 21e m.b.t. de inhoud van het denken.126 O E P1 De aard van het denkproces wordt aangegeven 21e141 P E P1 Het denken is verstoord 21e181 R E G Patient kan niet: onthouden, relativeren, zn aandacht erbij 21e houden, etc. t.g.v. - is afgeleid door; is minder/zwak begaafd (wordt verpleegd in ...) Dit uit zich in…193 S E KL Inprentingsverandering 21e216 V E KL Verwardheid/desoriëntatie/achterdocht 21e226 W E P2 Verstoord denkpatroon, bijv. wanen, versneld of vertraagd 21e denken235 X E P2 Verstoord denken 21e246 Y E P2 Verstoord denken 21e255 Z E P2 Idem (21a:c[?]) 21e266 AA E P2 Verstoord denkproces – bijv. versneld denken/vertraagd 21e denken. NB omschrijving van het probleem!276 AC R P Verstoord denkpatroon 21e283 AE R P Zie keuze 1 [21a;d] 21e298 AH R P Zie d. [verstoord denkproces; 21a; d] 21e307 AI R P Verstoord denken 21e324 AJ R P Verstoord denkpatroon of inadequaat in denken. Meestal 21e behoeft dit een veel uitgebreidere beschrijving341 AL R K Verwardheid 21e362 AN A G Mw. is gedesoriënteerd in tijd, plaats en persoon 21e375 AO A G Mevr. Is negatief ingesteld t.a.v. genezing. Mevrouw is 21e verward.384 AP A G Verstoord denkpatroon 21e425 AT A D Wijziging in het denkproces 21e438 AU A D Verward, psychiatrische/psychische problemen 21e445 AV A D E [Wijziging in het denkproces] 21e472 BA R IC Verward, gedesoriënteerd 21e485 BB R IC In de war 21e497 BC R IC Verstoord denken 21e41 G E IC Wat bedoelt u eigenlijk? 22a109 L E P1 Geeft een tekort aan zonder iets te zeggen over de duur 22b van het probleem (altijd al zo geweest, later ontstaan?) 22a:f156 Q E OG Meest duidelijke 22a:f 22b182 R E G Is helder. Zegt op zich nog (steeds) niets. 22a:f 22b289 AE R P De beste van alle slechten, niet een is duidelijk. 22a; d 22b325 AJ R P Inadequaat beschrijft beter het probleem 22a; a 22b342 AL R K Ik vind het helemaal geen mooi woord. ‘Communicatie’ is 22b veel beter. 22a; b 133
  • Bijlage G _______________________________________________________376 AO A G Duidelijk 22a; f 22b415 AS A D Idioot 22a; f 22a; d 22b61 I E P1 Niet concreet 22a:d 22c81 K E P1 Verschillende woorden voor eenzelfde betekenis 22a:f 22c127 O E P1 Incorrect taalgebruik 22a: f 22c157 Q E OG Niet te begrijpen 22a:d 22c183 R E G Lijkt interessant, zegt niks, 22a: a 22c290 AE R P Kan van alles betekenen, grenzeloos 22a; f 22c326 AJ R P Gestoord ligt me niet 22a; d 22c473 BA R IC Voor meerdere interpretaties mogelijk 22a; d 22c486 BB R IC Negatieve lading 22a; d 22c09 A E IC Sociale problematiek/relationele problemen 22e19 B E IC Communicatiestoornissen 22e31 E E IC Het niet kunnen omgaan met …, uiten van… 22e51 H E P1 Problemen met sociale interactie 22e62 I E P1 Patiënt heeft moeite met... 22e73 J E P1 Inadequate sociale interactie 22e82 K E P1 Communicatieproblemen 22e110 L E P1 Inadequate sociale interactie 22e128 O E P1 Vorm/aard van inadequate sociale interactie wordt 22e aangeduid142 P E P1 Heeft problemen in het omgaan met anderen 22e184 R E G Reageert niet op anderen/ leeft in zichzelf. Is snel 22e geïrriteerd. Is afatisch (of ander probleem dat betrekking heeft op denken, uiten)194 S E KL Problemen in de omgang met andere mensen 22e217 V E KL Stoornissen in contacten met anderen 22e227 W E P2 Sociale aanpassingsstoornis 22e236 X E P2 Gestoord sociaal gedrag 22e247 Y E P2 Communicatiestoornissen 22e256 Z E P2 Idem (22a:f[?]) 22e267 AA E P2 Idem dito [22a;f?] 22e277 AC R P Verstoorde interactie 22e284 AE R P Zie keuze 1 [22a; a] 22e293 AG R P Patiënt heeft problemen in contacten aangaan 22e299 AH R P Zie b. [verstoorde sociale interactie; 21a: b] 22e308 AI R P Communicatiestoornissen 22e327 AJ R P Inadequate sociale interactie of coping 22e343 AL R K Communicatieprobleem 22e353 AM R K Problemen in de omgang met medepatiënten 22e363 AN A G Komt zelden voor. Te hoog abstractieniveau maar om te 22e proberen: Mw. geeft aan moeilijk duidelijk te kunnen maken wat zij wel en niet wil t.g.v….377 AO A G Mevr. Heeft probleem/-en met medepatiënten – 22e kamergenoten396 AQ A G Mw heeft communicatiestoornis met… 22e426 AT A D Communicatiestoornissen in de omgeving van anderen 22e446 AV A D E [Verstoorde sociale interactie] 22e455 AY A D Communicatiestoornissen in de omgang met anderen 22e474 BA R IC Onvermogen tot communiceren 22e487 BB R IC Moeilijk in de omgang 22e32 E E IC Niet doelmatig bronchiaal toilet en ophoesten van slijm zijn 23a twee verschillende verpleegproblemen185 R E G Duidelijk, eenduidig, ondubbelzinnig 23a: e 23b328 AJ R P Duidelijk 23a; f 23b10 A E IC Ineffectieve luchtwegen heeft niets met de actie 23c ‘verwijderen/ophoesten van slijm uit de luchtwegen’ te maken. 23a;b42 G E IC Slaat de plank mis 23a:b 23c63 I E P1 Geeft niet concreet aan wat het probleem is 23a; b 23c111 L E P1 Slaat nergens op. 23a: b 23c 134
  • Bijlage G _______________________________________________________129 O E P1 Incorrect taalgebruik 23a; b 23c143 P E P1 Kan nog van alles zijn m.i. 23a: b 23c186 R E G Is misschien oorzaak, hoeft geen probleem te zijn 23a: b 23c200 T E KL Geen juiste formulering 23a:b 23c218 V E KL Dat hoeft de oorzaak van het probleem niet te zijn. 23a: b 23c291 AE R P Volstrekt onduidelijk; niets zeggend 23a; b 23c329 AJ R P Is medisch probleem, verpleegprobleem komt hieruit voort 23c 23a; b344 AL R K Is gewoon onjuist, luchtwegen worden niet effectief 23c gereinigd doordat bijv. ademhalingsspieren niet goed werken 23a; b378 AO A G Weet niet waar dit op slaat 23a; d 23c416 AS A D Kan ook andere oorzaak hebben 23a; b 23c439 AU A D Alle andere vind ik onduidelijk, weet niet waar het over 23c gaat (uitzuigen of ophoesten) 23a; alle behalve e456 AY A D Is onduidelijk door woordgebruik 23a; d 23c475 BA R IC Geen juiste weergave van probleem 23a; b 23c498 BC R IC Dekt het probleem niet 23a; d 23c11 A E IC Bronchiaal toilet verloopt moeizaam/hoest slecht op. 23e20 B E IC Moeite met ophoesten van slijm 23e33 E E IC a. moeite met ophoesten, b. niet doelmatig bronchiaal 23e toilet64 I E P1 Zoals bij e [moeite met ophoesten van slijm] 23e74 J E P1 Moeite met ophoesten van slijm 23e130 O E P1 Zie 23a, e (=moeite met ophoesten van slijm) 23e144 P E P1 Heeft moeite met het ophoesten van slijm 23e187 R E G Moeite met doorzuchten (pijn in de buik door ok) 23e195 S E KL Moeite met ophoesten van slijm 23e201 T E KL Zoals bij 23a:e, moeite met ophoesten van slijm. 23e206 U E KL Dyspnoe 23e219 V E KL Moeite met ophoesten 23e228 W E P2 Kan niet goed ophoesten 23e237 X E P2 Houdt slijm vast/ vastzittende hoest 23e248 Y E P2 Moeite met ophoesten 23e257 Z E P2 Idem (23a:e[?]) 23e268 AA E P2 Idem [23a:e?] 23e309 AI R P Moeite met ophoesten van slijm 23e330 AJ R P 1. [Inadequate reiniging van de luchtwegen? 23a; f] 23e345 AL R K Moeite met ophoesten van slijm 23e354 AM R K Moeite met ophoesten van slijm 23e364 AN A G Mw. geeft aan moeite te hebben met ophoesten t.g.v. van 23e de pijn in de buik379 AO A G Mevr heeft moeite met ophoesten van slijm 23e385 AP A G Moeite met ophoesten 23e397 AQ A G Mw heeft moeite met ophoesten van slijm 23e404 AR A D Patiënt heeft moeite met ophoesten van slijm 23e417 AS A D Moeite met ophoesten van slijm 23e427 AT A D Moeite met ophoesten van slijm 23e447 AV A D E [Moeite met ophoesten van slijm] 23e457 AY A D Moeite met ophoesten van slijm 23e476 BA R IC Moeite met ophoesten van slijm 23e488 BB R IC Slecht ophoesten 23e499 BC R IC Ineffectieve luchtwegreiniging 23e331 AJ R P Kan deze persoon zich alleen niet wassen of schort er nog 24a meer aan (bijv. scheren)? Dat bepaalt de keuze131 O E P1 Concreet 24a: f 24b269 AA E P2 Omschrijft een probleem 24a: d 24b43 G E IC De wereld gaat aan afkortingen ten onder 24a:c 24c112 L E P1 Lijkt te duiden op een statische situatie. – niet gericht op 24c het vergroten van zelfzorgvermogen. 24a: d158 Q E OG Is denigrerend 24a:e 24c 135
  • Bijlage G _______________________________________________________332 AJ R P “Moeite met” -> slap, geen duidelijke taal 24a; f 24c418 AS A D Rare formulering 24a; a 24c461 AZ R IC Onduidelijk 24a; d 24c489 BB R IC Negatieve lading 24a; a 24c12 A E IC Bijna niemand van de patiënten wast zichzelf ivm 24e hoeveelheid lijnen, sedatie en verslapping. En anders zou ik het 24a,1 noemen.21 B E IC Afhankelijk wat betreft… 24e34 E E IC De patiënt is ADL-afhankelijk – zelfzorgtekorten op het 24e gebied van…52 H E P1 Gebrekkige zelfverzorging 24e65 I E P1 Heeft begeleiding nodig bij ADL 24e75 J E P1 ADL-afhankelijkheid 24e83 K E P1 Zelfzorgtekort 24e113 L E P1 Zelfzorgtekort met lichamelijke hygiëne. 24e132 O E P1 Zie 24a, f (=moeite met zelfstandig wassen) 24e145 P E P1 Matige of gebrekkige zelfverzorging 24e159 Q E OG Patiënt is ADL-afhankelijk 24e188 R E G Net als [24a]b., gevolgd door waar hulp nodig is. 24e196 S E KL Zelfzorgtekort 24e207 U E KL ADL-afhankelijkheid 24e220 V E KL ADL-afhankelijk 24e229 W E P2 ADL-tekort, kan zichzelf niet wassen 24e238 X E P2 ADL-afhankelijk 24e249 Y E P2 ADL-afhankelijk 24e258 Z E P2 Idem (23a:g[?]) 24e278 AC R P Zelfzorgtekort ADL 24e285 AE R P Zie keuze 1 [24a; g] 24e310 AI R P ADL-afhankelijk 24e333 AJ R P ADL-tekort met vervolgens een verduidelijking. 24e346 AL R K Hulp nodig bij ADL 24e355 AM R K Hulp ADL 24e365 AN A G Mw. geeft aan ADL-afhankelijk te zijn t.g.v. de 24e postoperatieve pijn.380 AO A G Wordt geen probleem; wordt op verpleegplan afgecheckt 24e386 AP A G ADL-afhankelijk 24e419 AS A D ADL-afhankelijk m.b.t. wassen 24e428 AT A D Moeite met zelfstandig wassen 24e448 AV A D C [ADL-afhankelijkheid (m.b.t. wassen)] 24e458 AY A D Moeite met zelfstandig wassen/ADL-afhankelijk m.b.t. 24e wassen477 BA R IC ADL-afhankelijk 24e490 BB R IC Hulp in ADL 24e500 BC R IC Zelfzorgtekort 24e01 A E IC Het aspect instabiliteit-stabiliseren kan elkaar kort op afwisselen op de IC, waardoor het volledig m uitwerken/opstellen van verpleegproblemen en –doelen (=proces) niet altijd handzaam/praktisch is.114 M E P1 Geen opmerkingen/ vd genoemd op m115 O E P1 Vraagt zich af of de validiteit van het onderzoek op gewaarborgd is. m146 Q E OG Ik vind "de verpleegkundige diagnostiek” niet goed op omschreven. Wat wordt er nu precies mee bedoeld (wat ik m nu inmiddels wel weet)160 R E G In de enquête (2e deel) mis ik een duidelijke op aanleiding/oorzaak waardor ’n verpleegprobleem is m ontstaan (eigenlijk: zelfzorgtekort!). Uit de rij opsommingen wordt duidelijk wat er ‘ongeveer’ aan de hand is. Soms echter niet. Enquête schiet daarin tekort. 136
  • Bijlage G _______________________________________________________162 R E G Risico is niet voorspelbaar. Dreiging is: let erop (dàt is het op doel) 16a:f m334 AL R K Invullen van enquête duurde langer dan aangegeven tijd. op Suggestie: alleen beste en slechtste alternatief invullen m scheelt veel tijd en gepieker347 AM R K De enquête in te vullen vergt meer tijd dan aangegeven. op Graag zou ik op de hoogte worden gebracht van de m resultaten! 137
  • 138
  • Bijlage H ________________________________________________________Bijlage H Overzicht van antwoorden op e-vragen; hoe wordt dit verpleegprobleem op uw afdeling genoemd?Nr enq ZH Afd. Opmerking + indien bij b en c-vragen: keuze voor beste/slechtste 0pm hoort bij vr nr.02 A E IC Bewaking dehydratie/ bewaking negatieve vochtbalans 16e13 B E IC Ondervulling 16e23 E E IC (Het hebben van een) negatieve vochtbalans. Tegenover de patiënt 16e heb je het over een vochttekort.35 G E IC Registratie vochtbalans 16e45 H E P1 Dreigend vochttekort 16e54 I E P1 Onvoldoende vochtopname 16e66 J E P1 Dreigend vochttekort 16e86 L E P1 Kans op verstoorde vochtbalans door onvoldoende vochtinname 16e116 O E P1 Krijgt te weinig vocht 16e134 P E P1 Gevaar voor uitdroging 16e149 Q E OG Patiënt heeft kans op dreigende dehydratie 16e163 R E G Niets. Er wordt bij vaak voorkomende problemen actiegericht 16e genoteerd: let op vochtbalans, stimuleer met drinken, etc.189 S E KL Negatieve vochtbalans 16e202 U E KL Vochtbalans/ vochtintake + uitscheiding 16e208 V E KL Risico voor uitdroging 16e221 W E P2 Patiënt drinkt onvoldoende 16e230 X E P2 Uitdroging 16e239 Y E P2 Dreigend vochttekort (=16a;c, niet als beste beoordeeld) 16e250 Z E P2 Patiënt heeft moeite met drinken 16e259 AA E P2 Dreigend vochttekort t.g.v. bijv. angst om te drinken 16e271 AC R P Slechte vochtbalans 16e279 AE R P Gevaar voor vochttekort 16e300 AI R P Onvoldoende vochtinname 16e312 AJ R P Dreigend vochttekort of potentieel gevaar voor uitdroging 16e357 AN A G Mw geeft aan last te hebben van een dorstig gevoel 16e367 AO A G Mw. heeft al enkele dagen een negatieve vochtbalans (dreigend is 16e niet aan de orde)388 AQ A G Mw heeft een vochttekort 16e398 AR A D Mw heeft dreigend vochttekort 16e405 AS A D Mw heeft dreigend vochttekort 16e420 AT A D Dreigend vochttekort; begint uit te drogen 16e429 AU A D Dreigende negatieve vochtbalans 16e440 AV A D Gevaar voor vochttekort 16e449 AY A D Negatieve vochtbalans 16e463 BA R IC Risico voor dehydratie 16e478 BB R IC Ondervuld 16e04 A E IC Aanpassingsproblematiek 17e24 E E IC IC syndroom 17e36 G E IC IC syndroom 17e46 H E P1 Aanpassingsproblemen 17e55 I E P1 Probleem wordt concreet beschreven 17e67 J E P1 Aanpassingsproblemen 17e76 K E P1 Aanpassingsproblemen 17e89 L E P1 Tekort in probleemoplossend vermogen 17e117 O E P1 Concrete uitwerking van de verschijningsvorm van de aanpassing 17e135 P E P1 Aanpassingsproblemen 17e166 R E G Heeft ziekte niet geaccepteerd (bijvoorbeeld). Doel: kan over ziekte 17e praten/zich uiten. Actie: persoonlijk gesprek, 2x/dg apart nemen (met partner) vragen naar gevoel/beleving 139
  • Bijlage H ________________________________________________________190 S E KL Moeite met acceptatie van ziekte 17e203 U E KL Verwerkingsproblematiek 17e209 V E KL Weinig ziekte-inzicht 17e222 W E P2 Aanpassingsproblemen 17e231 X E P2 Zondert zich af/ moeite met aanpassen in de groep 17e241 Y E P2 Wordt meestal uitgebreider besproken/beschreven, bijv: houdt geen 17e rekening met anderen; voelt zich niet thuis251 Z E P2 Patiënt heeft aanpassingsproblemen 17e272 AC R P Aanpassingsstoornis 17e294 AH R P Verstoorde coping (m.b.t. ziekte) 17e301 AI R P Aanpassingsproblemen 17e314 AJ R P Verstoorde coping 17e348 AM R K Aanpassingsproblemen 17e358 AN A G Mw. geeft aan moeite te hebben met het zich leren aanpassen aan 17e haar ziektebeeld368 AO A G Mevr. Heeft moeite zich aan te passen aan; bijv. medepatiënt, 17e afdelingsregels, bedrust. Het aanpassingsprobleem benoemen.389 AQ A G Mw kan zich slecht aanpassen 17e399 AR A D Patiënt heeft moeite met aanpassen t.g.v.... 17e408 AS A D Aanpassingsproblemen zijn vaak van diverse aard (motorisch of 17e psychisch)421 AT A D Aanpassingsprobleem 17e431 AU A D Moeite met aanpassing op de afdeling 17e441 AV A D Aanpassingsprobleem 17e450 AY A D Aanpassingsproblemen 17e466 BA R IC Aanpassingsproblemen 17e479 BB R IC IC-syndroom 17e491 BC R IC Aanpassingsprobleem 17e05 A E IC Beperkte mobiliteit/immobiliteit 18e14 B E IC Beperkte motoriek, krachtsverlies extremiteiten 18e27 E E IC Beperkte beweging 18e37 G E IC Mobilisatiestatus 18e47 H E P1 Verminderde lichaamsbeweging 18e57 I E P1 Zoals f- omschrijving van waar/hoe het probleem zich voordoet 18e68 J E P1 Mobiliteitsproblemen 18e118 O E P1 Iemand heeft moeite met… 18e136 P E P1 Verminderde mobiliteit 18e151 Q E OG Patiënt is beperkt in uitvoering mobiliteit 18e169 R E G Dhr/mw kan niet lopen ten gevolge van … (pijn bijv.). Is afhankelijk 18e van rolstoel. Is hierin zelfredzaam.191 S E KL Beperkte mobiliteit 18e198 T E KL Verminderde lichaamsbeweging a.g.v.... 18e204 U E KL ADL 18e211 V E KL Functiestoornis (hand/arm/etc.) 18e223 W E P2 Beperkt in beweging 18e232 X E P2 Gestoorde motoriek 18e242 Y E P2 Verminderde lichaamsbeweging 18e252 Z E P2 Patiënt heeft een beperkte motoriek 18e273 AC R P Beperkte bewegingsmogelijkheid 18e280 AE R P Zie voorkeur 1 [18a; f] 18e295 AH R P Verstoorde mobiliteit 18e303 AI R P Immobiliteit met specificatie 18e317 AJ R P Al naar gelang oorzaak; verstoorde of beperkte mobiliteit 18e336 AL R K Beperkte mobiliteit 18e349 AM R K Verminderde lichaamsbeweging 18e359 AN A G Mw. geeft aan haar ADL-functies niet te kunnen verrichten t.g.v. 18e operatie of behandeling.370 AO A G Mevr. Kan re. been niet goed bewegen. Benoemen waar beperkte 18e beweging bijv. armen, benen, enz.382 AP A G ADL-afhankelijk 18e391 AQ A G Mw kan haar (arm) moeizaam bewegen 18e 140
  • Bijlage H ________________________________________________________400 AR A D Patiënt heeft moeite met lopen (of bijv. belemmering in het gebruik 18e van haar handen) t.g.v….410 AS A D Bewegingsbeperking van hand/arm etc. 18e422 AT A D Beperkte beweging van arm of been 18e433 AU A D Bedrust, op voor douche/toilet; op volgens schema enz. 18e442 AV A D Beperkte beweging 18e451 AY A D Verminderde lichaamsbeweging 18e468 BA R IC Verminderde lichaamsbeweging/mobiliteitstekort 18e482 BB R IC Parese 18e493 BC R IC Mobiliteitstekort 18e06 A E IC Verstoord voedingspatroon 19e15 B E IC Voedingstekort 19e28 E E IC Slechte voedingstoestand 19e48 H E P1 Voedingstekort 19e58 I E P1 Onvoldoende opname van voeding 19e69 J E P1 Voedingstekort 19e78 K E P1 Tekort in voedingsopname 19e104 L E P1 Gevaar voor te sterke gewichtafname t.g.v. verstoord eetpatroon 19e123 O E P1 Eet te weinig 19e137 P E P1 Eet onvoldoende 19e152 Q E OG Patiënt heeft neiging tot te weinig opname van voedsel 19e173 R E G Dhr/mw eet nauwelijks t.g.v. (operatie, misselijkheid, verwardheid, 19e etc.) dreigende ondervoeding. Actie: helpen met eten? Stimuleren tot innam. Extra hapjes/verstrekkingen tussendoor. Bestrijden misselijkheid? etc.192 S E KL Slechte eetlust 19e205 U E KL Voeding 19e212 V E KL Verminderde eetlust/voedingstekort 19e224 W E P2 Patiënt eet onvoldoende 19e233 X E P2 Voedingstekort 19e243 Y E P2 Voedingstekort 19e253 Z E P2 Patiënt heeft voedingsproblemen 19e262 AA E P2 Oorzaak wordt vermeld bij het probleem ten gevolge van… 19e274 AC R P Verstoord voedingspatroon 19e281 AE R P Voedingstekort [=19a:d] 19e296 AH R P Verstoord eetpatroon 19e304 AI R P Verstoord eetpatroon 19e319 AJ R P Bijv. bij anorexia of boulemie -> verstoord eetpatroon 19e337 AL R K Tekort aan voeding (of intake) 19e350 AM R K Voedselopname gestoord 19e360 AN A G Mw. geeft aan onvoldoende te kunnen eten en/of drinken t.g.v… 19e372 AO A G Sterke gewichtafname 19e383 AP A G Slechte voedingstoestand 19e392 AQ A G Mw eet niet voldoende 19e401 AR A D Patiënt heeft een voedingstekort (patiënt is ondervoed) 19e412 AS A D Ontoereikende voedingsopname 19e423 AT A D Voedingstekort 19e436 AU A D Ondervoeding, verminderde eetlust 19e443 AV A D D [Voedingstekort] 19e452 AY A D Eet te weinig 19e469 BA R IC Ontoereikende voedselopname 19e483 BB R IC Ondervoeding 19e494 BC R IC Voedingstekkort (gevaar voor c.q. dreigend) 19e07 A E IC Zelfzorgtekorten 20e17 B E IC Slechte/onvoldoende zelfzorg 20e29 E E IC Zelfzorgtekort m.b.t. handhaving van de gezondheid(?) 20e49 H E P1 Onvermogen tot hulp zoeken 20e59 I E P1 Ongezonde leefwijze wordt concreet benoemd waar dit uit bestaat 20e71 J E P1 Ongezonde leefwijze 20e79 K E P1 Zelfzorgtekort 20e107 L E P1 Onvermogen toe te komen aan eigen behoeften en stellen van 20e 141
  • Bijlage H ________________________________________________________ grenzen139 P E P1 kan niet goed voor zichzelf zorgen 20e177 R E G Bijv. t.g.v. neurologische aandoening voelt mw. niet dat ze pijn heeft. 20e Dagelijkse inspectie stuit, rug, benen en intensieve decubituspreventie volgens protocol ... (nr)214 V E KL Verwaarlozing gezondheid 20e225 W E P2 Patiënt vraagt niet/slecht om hulp 20e234 X E P2 Patiënt kan niet voor zichzelf zorgen 20e244 Y E P2 ADL + of ADL - 20e254 Z E P2 Idem (20a:c[?]) 20e265 AA E P2 Omschrijven van het tekort - Kennis,vaardigheden, inzicht - hoort bij 20e probleemomschrijving. Onvermogen is een diagnose/geen probleem.275 AC R P Problemen met ADL 20e282 AE R P Ineffectieve probleemhantering 20e292 AG R P Patiënt is niet in staat om op een voor hem/haar gezonde manier 20e zijn/haar leven vorm te geven297 AH R P Verstoord gezondheidsmanagement 20e306 AI R P Ineffectieve coping 20e321 AJ R P Verstoord gezondheidsmanagement 20e339 AL R K Onderhoudt de gezondheid niet naar behoren 20e352 AM R K Acceptatie nieuw situatie 20e361 AN A G Niet: dergelijke formuleringen hebben een te hoog abstractieniveau 20e voor de dagelijkse verpleegpraktijk.374 AO A G Mevr. Eet slecht (belemmering gezondheid). Mevrouw neemt 20e medicijnen niet op tijd. Mevr. Verzorgt zichzelf niet goed. (probleem bij de naam noemen!)402 AR A D Patiënt heeft hulp nodig bij ADL 20e424 AT A D Onvermogen tot hulp zoeken bij gezondheidsproblemen 20e444 AV A D A [Tekort in gezondheidsonderhoud] 20e454 AY A D Is niet in staat om goed voor zichzelf te zorgen 20e470 BA R IC Niet omschreven 20e484 BB R IC Hulp bij ADL nodig 20e496 BC R IC Tekort instandhouding en beleving gezondheid 20e08 A E IC Veranderd/gewijzigd… 21e18 B E IC Verstoord denkproces 21e30 E E IC De patiënt is gedesoriënteerd (in plaats/tijd/persoon) of verward 21e40 G E IC Desoriëntatie 21e50 H E P1 Verstoord denkproces 21e60 I E P1 Concrete weergave van wat verstoord is in het denkproces 21e72 J E P1 Verstoord denken 21e80 K E P1 Verstoord denken (proces) 21e108 L E P1 Stoornis in het denken bijv. versneld, vertraagd, of stoornis m.b.t. de 21e inhoud van het denken.126 O E P1 De aard van het denkproces wordt aangegeven 21e141 P E P1 Het denken is verstoord 21e181 R E G Patient kan niet: onthouden, relativeren, zn aandacht erbij houden, 21e etc. t.g.v. - is afgeleid door; is minder/zwak begaafd (wordt verpleegd in ...) Dit uit zich in…193 S E KL Inprentingsverandering 21e216 V E KL Verwardheid/desoriëntatie/achterdocht 21e226 W E P2 Verstoord denkpatroon, bijv. wanen, versneld of vertraagd denken 21e235 X E P2 Verstoord denken 21e246 Y E P2 Verstoord denken 21e255 Z E P2 Idem (21a:c[?]) 21e266 AA E P2 Verstoord denkproces – bijv. versneld denken/vertraagd denken. NB 21e omschrijving van het probleem!276 AC R P Verstoord denkpatroon 21e283 AE R P Zie keuze 1 [21a;d] 21e298 AH R P Zie d. [verstoord denkproces; 21a; d] 21e307 AI R P Verstoord denken 21e324 AJ R P Verstoord denkpatroon of inadequaat in denken. Meestal behoeft dit 21e 142
  • Bijlage H ________________________________________________________ een veel uitgebreidere beschrijving341 AL R K Verwardheid 21e362 AN A G Mw. is gedesoriënteerd in tijd, plaats en persoon 21e375 AO A G Mevr. Is negatief ingesteld t.a.v. genezing. Mevrouw is verward. 21e384 AP A G Verstoord denkpatroon 21e425 AT A D Wijziging in het denkproces 21e438 AU A D Verward, psychiatrische/psychische problemen 21e445 AV A D E [Wijziging in het denkproces] 21e472 BA R IC Verward, gedesoriënteerd 21e485 BB R IC In de war 21e497 BC R IC Verstoord denken 21e09 A E IC Sociale problematiek/relationele problemen 22e19 B E IC Communicatiestoornissen 22e31 E E IC Het niet kunnen omgaan met …, uiten van… 22e51 H E P1 Problemen met sociale interactie 22e62 I E P1 Patiënt heeft moeite met... 22e73 J E P1 Inadequate sociale interactie 22e82 K E P1 Communicatieproblemen 22e110 L E P1 Inadequate sociale interactie 22e128 O E P1 Vorm/aard van inadequate sociale interactie wordt aangeduid 22e142 P E P1 Heeft problemen in het omgaan met anderen 22e184 R E G Reageert niet op anderen/ leeft in zichzelf. Is snel geïrriteerd. Is 22e afatisch (of ander probleem dat betrekking heeft op denken, uiten)194 S E KL Problemen in de omgang met andere mensen 22e217 V E KL Stoornissen in contacten met anderen 22e227 W E P2 Sociale aanpassingsstoornis 22e236 X E P2 Gestoord sociaal gedrag 22e247 Y E P2 Communicatiestoornissen 22e256 Z E P2 Idem (22a:f[?]) 22e267 AA E P2 Idem dito [22a;f?] 22e277 AC R P Verstoorde interactie 22e284 AE R P Zie keuze 1 [22a; a] 22e293 AG R P Patiënt heeft problemen in contacten aangaan 22e299 AH R P Zie b. [verstoorde sociale interactie; 21a: b] 22e308 AI R P Communicatiestoornissen 22e327 AJ R P Inadequate sociale interactie of coping 22e343 AL R K Communicatieprobleem 22e353 AM R K Problemen in de omgang met medepatiënten 22e363 AN A G Komt zelden voor. Te hoog abstractieniveau maar om te proberen: 22e Mw. geeft aan moeilijk duidelijk te kunnen maken wat zij wel en niet wil t.g.v….377 AO A G Mevr. Heeft probleem/-en met medepatiënten – kamergenoten 22e396 AQ A G Mw heeft communicatiestoornis met… 22e426 AT A D Communicatiestoornissen in de omgeving van anderen 22e446 AV A D E [Verstoorde sociale interactie] 22e455 AY A D Communicatiestoornissen in de omgang met anderen 22e474 BA R IC Onvermogen tot communiceren 22e487 BB R IC Moeilijk in de omgang 22e11 A E IC Bronchiaal toilet verloopt moeizaam/hoest slecht op. 23e20 B E IC Moeite met ophoesten van slijm 23e33 E E IC a. moeite met ophoesten, b. niet doelmatig bronchiaal toilet 23e64 I E P1 Zoals bij e [moeite met ophoesten van slijm] 23e74 J E P1 Moeite met ophoesten van slijm 23e130 O E P1 Zie 23a, e (=moeite met ophoesten van slijm) 23e144 P E P1 Heeft moeite met het ophoesten van slijm 23e187 R E G Moeite met doorzuchten (pijn in de buik door ok) 23e195 S E KL Moeite met ophoesten van slijm 23e201 T E KL Zoals bij 23a:e, moeite met ophoesten van slijm. 23e206 U E KL Dyspnoe 23e219 V E KL Moeite met ophoesten 23e228 W E P2 Kan niet goed ophoesten 23e 143
  • Bijlage H ________________________________________________________237 X E P2 Houdt slijm vast/ vastzittende hoest 23e248 Y E P2 Moeite met ophoesten 23e257 Z E P2 Idem (23a:e[?]) 23e268 AA E P2 Idem [23a:e?] 23e309 AI R P Moeite met ophoesten van slijm 23e330 AJ R P 1. [Inadequate reiniging van de luchtwegen? 23a; f] 23e345 AL R K Moeite met ophoesten van slijm 23e354 AM R K Moeite met ophoesten van slijm 23e364 AN A G Mw. geeft aan moeite te hebben met ophoesten t.g.v. van de pijn in 23e de buik379 AO A G Mevr heeft moeite met ophoesten van slijm 23e385 AP A G Moeite met ophoesten 23e397 AQ A G Mw heeft moeite met ophoesten van slijm 23e404 AR A D Patiënt heeft moeite met ophoesten van slijm 23e417 AS A D Moeite met ophoesten van slijm 23e427 AT A D Moeite met ophoesten van slijm 23e447 AV A D E [Moeite met ophoesten van slijm] 23e457 AY A D Moeite met ophoesten van slijm 23e476 BA R IC Moeite met ophoesten van slijm 23e488 BB R IC Slecht ophoesten 23e499 BC R IC Ineffectieve luchtwegreiniging 23e12 A E IC Bijna niemand van de patiënten wast zichzelf ivm hoeveelheid lijnen, 24e sedatie en verslapping. En anders zou ik het 24a,1 noemen.21 B E IC Afhankelijk wat betreft… 24e34 E E IC De patiënt is ADL-afhankelijk – zelfzorgtekorten op het gebied van… 24e52 H E P1 Gebrekkige zelfverzorging 24e65 I E P1 Heeft begeleiding nodig bij ADL 24e75 J E P1 ADL-afhankelijkheid 24e83 K E P1 Zelfzorgtekort 24e113 L E P1 Zelfzorgtekort met lichamelijke hygiëne. 24e132 O E P1 Zie 24a, f (=moeite met zelfstandig wassen) 24e145 P E P1 Matige of gebrekkige zelfverzorging 24e159 Q E OG Patiënt is ADL-afhankelijk 24e188 R E G Net als [24a]b., gevolgd door waar hulp nodig is. 24e196 S E KL Zelfzorgtekort 24e207 U E KL ADL-afhankelijkheid 24e220 V E KL ADL-afhankelijk 24e229 W E P2 ADL-tekort, kan zichzelf niet wassen 24e238 X E P2 ADL-afhankelijk 24e249 Y E P2 ADL-afhankelijk 24e258 Z E P2 Idem (23a:g[?]) 24e278 AC R P Zelfzorgtekort ADL 24e285 AE R P Zie keuze 1 [24a; g] 24e310 AI R P ADL-afhankelijk 24e333 AJ R P ADL-tekort met vervolgens een verduidelijking. 24e346 AL R K Hulp nodig bij ADL 24e355 AM R K Hulp ADL 24e365 AN A G Mw. geeft aan ADL-afhankelijk te zijn t.g.v. de postoperatieve pijn. 24e380 AO A G Wordt geen probleem; wordt op verpleegplan afgecheckt 24e386 AP A G ADL-afhankelijk 24e419 AS A D ADL-afhankelijk m.b.t. wassen 24e428 AT A D Moeite met zelfstandig wassen 24e448 AV A D C [ADL-afhankelijkheid (m.b.t. wassen)] 24e458 AY A D Moeite met zelfstandig wassen/ADL-afhankelijk m.b.t. wassen 24e477 BA R IC ADL-afhankelijk 24e490 BB R IC Hulp in ADL 24e500 BC R IC Zelfzorgtekort 24e 144
  • Bijlage I ___________________________________________________________________Bijlage I Samenvatting significante uitslagen (χ2 test) van beste/slechtste x overige variabelen, per labelbeste/slechtste x ........................... labelbeste reden beste 1,3slechtste reden slechtste 5.6.7.8.9beste frequentie label 6,9slechtste 4beste instelling 7slechtste 7beste specialisme 9 62slechtste -beste leeftijd -slechtste -beste geslacht -slechtste (1) (p=.05)beste functie 2slechtste -beste (verplk) opleiding 1,7slechtste 5beste wan (verplk) opl -slechtste 1beste wan VD opl -slechtste -beste waar/hoe kennis VD 1,8slechtste -beste boeken alg. 4slechtste 3,5,6,8beste boeken dif 1 (Engelstalig) (7) (p=.05)slechtste 8beste boeken dif 2 (Gordon) 7slechtste 8beste boeken dif 3 (Townsend) 9slechtste -beste mate VD op afd. 6slechtste 6,9beste wan VD afd. 3slechtste 6beste theo/mod verplk. 4slechtste 3,8beste theo/mod dif 1 (Orem) 6slechtste 8beste theo/mod dif 2 (geen) -slechtste -beste afdelingsorganisatie (5) (p=.05)slechtste -beste volgen discussie -slechtste 7beste werkduur 5slechtste 162 PAAZ: slechtste x boeken: labels 3 en 8; beste x boeken: label 4. 145
  • 146
  • Bijlage J __________________________________________________________________Bijlage J Samenvatting reden beste/reden slechtste x overige variabelen, over alle labelsreden beste/ reden slechtste x ............................ uitslag χ2-testreden beste reden slechtste p<.01,, ,, slechtste - -reden beste frequentie VD op afdeling n.s.,, ,, slechtste n.s.reden beste instelling,, ,, slechtstereden beste specialisme,, ,, slechtstereden beste leeftijd p<.01,, ,, slechtste n.s.reden beste geslacht p<.01,, ,, slechtste p<.01reden beste functie p<.01,, ,, slechtste p<.01reden beste verplk opl n.s.,, ,, slechtste p<.01reden beste wan (verplk) opl n.s.,, ,, slechtste n.s. /(p=.05)reden beste wan VD opl p<.01,, ,, slechtste n.s.reden beste waar/hoe kennis VD p<.01,, ,, slechtste p<.05reden beste boeken alg. p<.01,, ,, slechtste p<.01reden beste boeken dif 1 (Engelstalig) p<.01,, ,, slechtste p<.01reden beste boeken dif 2 (Gordon) n.s.,, ,, slechtste n.s.reden beste boeken dif 3 (Townsend) n.s.,, ,, slechtste n.s.reden beste mate VD op afd. p<.01,, ,, slechtste n.s.reden beste wan VD afd p<.01,, ,, slechtste p<.01reden beste verplk model/theorie,, ,, slechtstereden beste model/theorie dif 1 (Orem) n.s.,, ,, slechtste p<.01reden beste model/theorie dif 2 (geen) p<.01,, ,, slechtste n.s.reden beste afdelingsorganisatie p<.01,, ,, slechtste n.s.reden beste volgen discussie,, ,, slechtste n.s.reden beste werkduur,, ,, slechtste 147
  • 148
  • Bijlage K _____________________________________________________________Bijlage K - Speciale berekeningen (filters)filter (evt.) variabele 1 variabele 2 uitslag χ2-test (over alle labels)- specialisme boeken dif 3 (T) p<.01spec=PAAZ specialisme (dif 1) boeken dif 3 p<.01spec=PAAZ specialisme (dif 1) boeken dif 2 (G) p<.05spec=PAAZ specialisme (dif 1) boeken dif 1 (Eng.) p<.01spec=PAAZ specialisme (dif 1) boeken p<.01spec=PAAZ specialisme (dif 1) reden beste p<.05spec=PAAZ specialisme (dif 1) reden slechtste n.s.label=1; spec= PAAZ beste boeken n.s. idem voor slechtste,, beste boeken dif 1 n.s. idem voor slechtste,, beste boeken dif 2 n.s. idem voor slechtste,, beste boeken dif 3 n.s. idem voor slechtstelabel=2; spec=PAAZ beste63 boeken n.s. beste boeken dif 1 n.s. beste boeken dif 2 n.s. beste boeken dif 3 n.s.label=3; spec=PAAZ beste boeken n.s. slechtste boeken p<.01 beste boeken dif 1 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 2 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 3 n.s. idem voor slechtstelabel=4; spec=PAAZ beste boeken p<.05 slechtste boeken n.s. beste boeken dif 1 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 2 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 3 n.s. idem voor slechtstelabel=5; spec=PAAZ beste boeken n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 1 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 2 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 3 n.s. idem voor slechtstelabel=6; spec=PAAZ beste boeken n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 1 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 2 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 3 n.s. idem voor slechtstelabel=7; spec=PAAZ beste boeken n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 1 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 2 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 3 n.s. idem voor slechtstelabel=8; spec=PAAZ beste boeken n.s. slechtste boeken p<.01 beste boeken dif 1 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 2 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 3 n.s. idem voor slechtstelabel=9; spec=PAAZ beste boeken n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 1 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 2 n.s. idem voor slechtste beste boeken dif 3 n.s. idem voor slechtste63 "Slechtste x boeken, etc." niet testbaar want bij label 2 hebben alle PAAZ mensen optie 3 gekozen. 149
  • Bijlage K _____________________________________________________________filter (evt.) variabele 1 variabele 2 uitslag χ2-test (over alle labels)NBDe volgendeuitslagen zijnoverall !!over alle labels (overall) beste reden slechtste n.s.over alle labels (overall) slechtste reden slechtste p<.01over alle labels (overall) beste reden beste n.s.over alle labels (overall) slechste reden beste n.s.over alle labels (overall) beste labelnummer p<.01over alle labels (overall) slechtste labelnummer p<.01over alle labels (overall) reden beste labelnummer p<.05over alle labels (overall) reden slechtste labelnummer p<.01over alle labels (overall) beste instelling n.s.over alle labels (overall) slechtste instelling p<.01over alle labels (overall) beste discussie n.s.over alle labels (overall) slechtste discussie n.s.over alle labels (overall) beste specialisme n.s.over alle labels (overall) slechtste specialisme n.s.over alle labels (overall) beste frequentie label op p<.05 afdelingover alle labels (overall) slechtste frequentie label op p<.01 afdelingover alle labels (overall) specialisme frequentie label op p<.01 afdelingover alle labels (overall) beste theomod p<.05 150