• Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
3,400
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
9
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Hoofdstuk I : 1815 – 1830 1. Het Congres van Wenen ( 1814 – 1815 ) Het Congres van Wenen was een bijeenkomst van de voornaamste vertegenwoordigers van Groot-Brittannië, Rusland, Pruisen, Oostenrijk en Frankrijk. Ook kleinere vorstendommen hadden hun afgevaardigden gestuurd om een regeling in verband met de Europese toekomst na Napoleon te bespreken. Aanvankelijk werd op het Congres geen haast gemaakt. Men vroeg zich af of reeds gesloten verdragen mits enige wijziging of toevoeging niet volstonden. Zo was er het Verdrag van Chaumont tussen Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk en Pruisen. Dit verdrag volgde op de nederlaag van Napoleon I te Leipzig in oktober 1813 en werd ondertekend op 1 maart 1814. Het is voornamelijk belangrijk omdat het – in een pragmatische visie – pleit voor de onafhankelijkheid van een versterkt en groter “Royaume des Pays-Bas”, de oprichting van een “Duitse Statenbond” en de erkenning van een onafhankelijke Zwitserse Confederatie. Al deze zaken werden later ook daadwerkelijk gerealiseerd. Het als-bufferstaat-dienende Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd formeel opgericht in de Acht Artikelen van London ( 21 juli 1814 ). De “Duitse Bond” kwam er ook. Hij verving het in 1806 door Napoleon opgeheven “Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie” Tenslotte werd de onafhankelijke Zwitserse Confederatie later inderdaad erkend. In 1848 zou deze Confederatio Helvetica na een burgeroorlog omgevormd worden tot een meer liberale landsstaat. Het tweede belangrijke verdrag was dat van Fontainebleau dat ondertekend werd door Napoleon I op 6 april 1814. Dit verdrag bood de mogelijkheid om via het legitimiteitsbeginsel opnieuw de dynastie van de Bourbons in Frankrijk te installeren. In het Verdrag van Parijs werd vastgelegd op welke wijze Frankrijk zou behandeld worden na Napoleons veroveringszucht. Het is opmerkelijk hoe mild dit eerste Verdrag van Parijs was voor de Fransen. Deze “vergevingsgezindheid” kaderde in de strategie van de Verbondenen om Frankrijk zo snel mogelijk opnieuw te integreren in Europa. Het opmerkelijkst aan het verdrag is dat door Napoleon veroverde gebieden zoals Avignon ( dat aan de paus toehoorde ) en omgeving, Savoie, Chimay, Mariembourg, Philippeville, Bouillon, het Saargebied en een deel van de Moezelstreek niet moesten worden teruggeven door de Fransen. Bovendien zouden de vreemde legers het Franse grondgebied zo snel mogelijk verlaten en diende Frankrijk geen oorlogsvergoeding te betalen. Deze laatste twee elementen verdienen wel toelichting. Ten eerste werd het Verdrag van Parijs van 30 mei 1814 gevolgd door een Tweede Verdrag van Parijs ( november 1815 ) dat wél een oorlogsschatting oplegde aan de Fransen. Ten tweede : hoewel Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk en Pruisen tevreden waren over de vlotte Franse betaling van de oorlogsschatting en op 30 november 1818 dan ook zoals in het eerste Verdrag van Parijs stond hun troepen terugriepen, wilden ze toch zeker spelen. Ze hernieuwden heimelijk het Verdrag van Chaumont waarin ze bepaalden welke mogendheid welke Franse stad zou bezetten indien het Franse imperialisme weer zou 1
  • 2. komen bovendrijven. Deze heimelijke vernieuwing gebeurde in het kader van de eerste bijeenkomst van de “Grote Alliantie”, waarover later meer. De Britse ideeën betreffende het minimaliseren van nieuw Frans of Russisch imperialisme werden neergezet in een diplomatieke nota die Lord Castlereagh ( de Britse minister van Buitenlandse Zaken ) aan de hertog van Wellington overmaakte op 25 oktober 1814. Daarin stond de Britse visie op welke “Balance of Power” noodzakelijk was. In de nota werd gewezen op het strategische belang van het mondingsgebied van de Schelde ( een waterweg waar de Britten als toenmalige “rulers of the waves” voor het veiligstellen van hun handelsbelangen een grote interesse hadden ). Ten tweede zagen de Britten Frankrijk als tegengewicht voor Russische, Pruisische en Oostenrijkse ambities en als dynastie verbonden met Spanje en de beide Siciliën. Ten derde pleitten de Britse diplomaten voor een sterke, onafhankelijke Poolse staat, opnieuw met het oog op het indijken van mogelijk Russisch imperialisme. Dit laatste werd een pijnpunt bij de besprekingen vermits in de 18e eeuw Pruisen, Oostenrijk en Rusland belangrijke grondgebieden hadden bekomen die zij bij het ingaan op het Britse voorstel zouden moeten teruggeven. Vermits de tweede pijler van de heropbouw en heruitwerking van het Europees evenwicht steunde op het compensatiebeginsel werd heftig gedebatteerd over welke vorm de compensaties zouden aannemen. Bij deze onderhandelingen wierp de Russische tsaar Alexander I zich op als hoofdrolspeler. Hij vond dat de besprekingen tussen de aanwezige topdiplomaten en vorsten onvoldoende rekening hielden met het feit dat het het Russische leger was dat de “Grande Armée” van Napoleon I een halt had toegebracht. Bovendien was Rusland de enige mogendheid op het Europese vasteland waar de liberaal-nationale ideeën van de Franse Revolutie niet waren doorgedrongen. Daarom ijverde tsaar Alexander I voor een territoriale uitbreiding van Rusland naar het Westen ( ten nadele van Polen ) en naar het zuiden ( wat ten nadele was van het Ottomaanse Rijk en dus onrechtstreeks ook van Oostenrijk ). Onmiddellijk sloegen de Britten en Oostenrijkers diplomatiek alarm en sloten op 3 januari 1815 een geheim akkoord. Vooral Groot-Brittannië vond dat het via een bufferstaat stilhouden van een mogelijke Franse veroveringsdrang niet voldoende was om een “Europees evenwicht” te garanderen. Rusland vormde voor de Britten evenzeer een mogendheid die een dominante positie op het vaste land zou kunnen innemen. Vooral als tsaar Alexander I een akkoord zou sluiten met Pruisen zouden zij een groot gebied ter beschikking hebben vanwaar ze hun militaire acties zouden kunnen coördineren. Deze vrees kunnen we kaderen binnen de opmerking van von Clausewitz, namelijk dat oorlogsvoering nu totaal, absoluut was geworden doordat de ganse bevolking “en masse” zou kunnen opgeroepen worden om tot actie over te gaan. We kunnen dan ook concluderen dat bij een alliantie tussen Rusland en Pruisen en het invoeren van dienstplicht zij over een gigantische troepenmacht zouden kunnen beschikken. Het belang hiervan mag niet onderschat worden – op militair vlak konden de Russen er niet vaak genoeg op wijzen dat zij het waren die Napoleon I definitief hadden tegengehouden – maar nu ook weer niet overschat worden vermits Rusland straatarm was en bijgevolg een oorlog moeilijk zou kunnen financieren. Desalniettemin achtten de Britten het veiliger om reeds op papier uit te werken hoe Groot-Brittannië, Oostenrijk en Frankrijk 2
  • 3. een tegengewicht zouden kunnen uitbouwen tegenover mogelijke Russische ambities. Vandaar dus het geheim akkoord van 3 januari 1815 dat geïnspireerd was op het zogenaamde “Pitt-project”, een Brits plan over het herstel van het Europees evenwicht. De Slotakte van het Congres van Wenen werd op 9 januari 1815 ondertekend, nog voor de definitieve nederlaag van Napoleon te Waterloo ( 18 juni 1815 ). Het basisprincipe van de Slotakte was uiteraard het zich beveiligen tegen Frankrijk en de revolutionaire ideeën die eruit voortkwamen. Dit laatste hield in dat de vorsten en diplomaten het eens waren dat Europees evenwicht, uitgaande van de orde die gold voor 1792 in Europa, slechts mogelijk was indien de ondertekenaars allen akkoord waren steeds repressief op te treden en te interveniëren op die plaatsen waar de liberaal-nationale gedachten van “volkssouvereiniteit” en “natie” de overhand dreigden te krijgen. Enkele nieuwe elementen van internationaal publiek recht aangaande internationale handel werden ook in de Slotakte opgenomen. Het Congres van Wenen leidde voornamelijk tot een louter pragmatische territoriale herschikking en de wederzijdse belofte om revolutionaire idealen de kop in te drukken. 2. De staatkundige situatie in Europa Eind 1815 zag de staatkundige situatie in Europa er als volgt uit. Het Tweede Verdrag van Parijs bepaalde dat de grenzen van Frankrijk werden teruggebracht tot die van 1790. Hierdoor verloor Frankrijk een aantal strategisch belangrijke gebieden hoewel Elzas-Lotharingen behouden bleef. Rondom Frankrijk werden Pruisen, Beieren en Piëmont versterkt en samen met het Koninkrijk der Nederlanden dienden zij als bufferstaten. Omdat Oostenrijk voor de oprichting van dat Koninkrijk zijn deel ( de Oostenrijkse Nederlanden ) moest afstaan, werd het gecompenseerd op het Italiaanse schiereiland en de Adriatische Zee. Pruisen deed de beste zaak doordat het het belangrijkste Duitse vorstendom in het noorden Noord-Saksen ( van het koninkrijk Saksen ) kreeg, evenals Voor-Pommeren ( van Zweden ). Posen werd afgestaan en dit leidde tot de verbinding van Brandenburg met Oost-Pruisen. Ook in het westen werd het Pruisische grondgebied uitgebreid : Westfalen, het groothertogdom Berg, de aartsbisdommen Keulen, Trier en Mainz en het bisdom Münster evenals Saarland werden allen verworven door Pruisen. Alexander I mocht ook best tevreden zijn : Rusland behield Finland en Bessarabië, twee veroverde gebieden. Verder kreeg het koninkrijk Polen een autonoom statuut. Dit was het resultaat van een bereikt compromis tussen de Britse en Russische ideeën. Groot-Brittannië mocht alle gebieden behouden die het had veroverd tijdens de napoleontische oorlogen. Bovendien kreeg het ook Malta, de Ionische eilanden, Helgoland, de Kaapkolonie, Ceylon, een aantal Antillen-eilanden en het eiland Mauritius. In Scandinavië gebeurde het volgende : Zweden kreeg Noorwegen omdat het Finland aan de Russen had moeten afstaan. Denemarken werd voor zijn verlies van Noorwegen gecompenseerd met de hertogdommen Holstein en Lauenburg. 3
  • 4. 3. De Duitse Bond Bij de bespreking van het Verdrag van Chaumont werd reeds gewezen op de intentie die men had voor de oprichting van een “Duitse Bond”. Deze kwam er dus ook en kan min of meer gezien worden als een confederatie ( waar men samenwerkt via een verdrag ) waarbij de ongeveer driehonderd vorstendommen tot vierendertig lidstaten en vier vrijsteden ( Bremen, Lübeck, Hamburg en Frankfurt-am-Main ) werden gereduceerd. Het voornaamste doel van de oprichting was het onder controle houden van het wakkergeschudde Duitse nationalisme en liberale geest. De voornaamste taak van de Algemene Vergadering van de Bondsdag bestond erin beslissingen te nemen over fundamentele problemen. Buiten de Algemene Vergadering bestond ook het Bondsbestuur dat lopende zaken behandelde. 4. Het Metternich-interventiesysteem : Twee initiatieven vormen de basis van het Metternich-interventiesysteem. Ten eerste is er de “Heilige Alliantie”. De meningen over dit religieus-geïnspireerd akkoord tussen tsaar Alexander I, de koning van Pruisen Frederik-Wilhelm III en de keizer van Oostenrijk Frans II, respectievelijk de orthodoxe, lutheraanse en katholieke ‘vorsten’zijn erg uiteenlopend. Lord Castlereagh noemde het “ (a) piece of sublime mysticism and nonsense”. Het feit dat de Russische tsaar mede gesteund werd in het initiatief door de pseudo-mystieke “counselling” van barones von Krüdener zal hier ongetwijfeld toe bijgedragen hebben. Volgens P. Van de Meersche leek het eerder een intentieverklaring dan een diplomatiek akkoord dat in de praktijk kon omgezet worden. Nochtans gaat iemand als Henry Kissinger niet uit de weg om het een belangrijke rol toe te kennen, namelijk als een soort morele rem op de verhoudingen tussen de verschillende landen. Jacques-Henri Pirenne stipt dan weer aan dat de Heilige Alliantie niet alleen om collectieve veiligheid draaide, maar dat het ook een manier was waarop de mogendheden hun machtsbelangen veilig trachtten te stellen, daarbij uitgaande van hun verleden of sterke punten – zoals het maritieme aspect voor de Britten. Wat alleszins niet mag vergeten worden is dat de Heilige Alliantie werd aangegaan door de tsaar en de vorsten persoonlijk en niet namens de regering of het volk dat zij representeerden. Wat er ook van zij, de kanselier van Oostenrijk Clemens Von Metternich vertoonde een grote belangstelling voor zo’n alliantie. Op dat moment waren er belangrijke tegenstellingen ontstaan tussen Oostenrijk en Rusland. Deze laatste stimuleerde het nationalisme van zijn satellietstaten wat nadelig kon zijn voor zo’n multiculturele samenleving ( “Vielvölkerstaat” ) als die van Oostenrijk. Metternich wou interne conflicten binnen zijn land vermijden en breidde de initiële opdracht van de Viervoudige Alliantie – die erin bestond het effectief naleven van het Tweede Verdrag van Parijs te garanderen - uit. De vier mogendheden die door het Akkoord van de Viervoudige Alliantie waren verbonden, met name Groot-Brittannië, Oostenrijk, Rusland en Pruisen, kwamen overeen regelmatig samen te komen om maatregelen te bespreken ter stimulering van de vrede en voorspoed in Europa. Waar deze maatregelen voornamelijk op neerkwamen, was het bespreken van militaire interventies om liberaal-nationale opstanden te onderdrukken. Met dit doel voor ogen en de nakende toetreding van 4
  • 5. Frankrijk tot de “Grote Alliantie” werd besloten om voortaan ook “buitengewone” vergaderingen te organiseren. Dit laatste werd officieel via het Protocol van Aken dat zowel door de leden van de oorspronkelijke Viervoudige Alliantie als Frankrijk werd ondertekend op 15 november 1818. De eerste “buitengewone” vergadering was de Conferentie te Karlsbad ( 6 – 31 augustus 1819 ). Metternich had de vergadering georganiseerd naar aanleiding van een politieke moord. Ook de openlijke boekverbrandingen in dezelfde periode door de Burschenschaften, organisaties die onder de vorm van studentenverenigingen liberale Duits-nationale overtuigingen propageerden, baarde Metternich zorgen. De beslissingen die in Karlsbad werden genomen, leidden tot een, pas achteraf gelegitimeerde, interne interventie in Duitse aangelegenheden. 5. Breuken in de Alliantie en de onafhankelijkheidsstrijd in Latijns-Amerika Het werd duidelijk dat Groot-Brittannië niet langer akkoord was om gemeenschappelijke militaire interventies te ondersteunen. De Oostenrijkse en Russische troepen die ten strijde trokken tegen de liberaal-nationale opstanden in Noord-Italië ( Napels-Sicilië en Piëmont ) kregen dan ook geen steun van Groot-Brittannië. De breuk binnen de Viervoudige Alliantie werd zichtbaar op de beide conferenties die aan de hierbovengenoemde interventie ten grondslag lagen, namelijk de conferentie te Trappau in oktober – december 1820 en de conferentie te Laybach ( Lubliana ) in januari – mei 1821. Groot-Brittannië protesteerde ook tegen een interventie in Spanje, maar vermits de Spaanse koning Ferdinand VIII de neef was van de Franse koning Louis XIII kwam deze er met Franse steun dan toch. Dit was niet de enige keer dat de Spaanse koning de hulp inriep van het Europees directorium. Zijn verzoek om de opstanden in de Latijns-Amerikaanse kolonies ( het werk van liberatores zoals Bolivar, San Martin en Iturbe ) mee te helpen bestrijden, werd afgewezen. Hoewel de Britten handelsbelangen hadden in Spaans-Amerika ( die zij hadden kunnen uitbouwen ten tijden van de Continentale Blokkade ) en een radicale revolte deze belangen in het gedrang zou kunnen brengen, waren het vooral de Britten, daarin gesteund door de Amerikaanse regering, die een interventie niet duldden. Herhaaldelijk vroegen de Amerikaanse revolutionairen om steun van de Britten voor hun onafhankelijkheidsstrijd, maar de Britten weigerden. Slechts na het verkrijgen van hun zelfstandigheid, toen de nieuwe Amerikaanse republieken financieel volledig aan de grond zaten, leenden Londonse banken miljoenen ponden om de heropbouw te financieren. Hierdoor werden deze landen volledig afhankelijk van de goodwill van hun financiers. 6. De Monroe-doctrine Zoals vermeld was de Amerikaanse regering fel gekant tegen interventietroepen in Latijns-Amerika. Het Amerikaanse buitenlands beleid werd geconcretiseerd in de zogenaamde Monroe-doctrine, de verklaring die de toenmalige president in het Amerikaanse Congres gaf op 2 december 1823. Deze verklaring bestond uit twee hoofdelementen. Ten eerste benadrukte de president dat kolonisatie van het Amerikaanse continent uit den boze was. Hierbij dienen we op te merken dat deze stellingname niet 5
  • 6. alleen ingegeven was door de onafhankelijkheidsstrijd in Zuid-Amerika, maar ook door de Russische koloniale ambities vanuit Alaska. Ten tweede wees Monroe erop dat de VS nooit was tussengekomen in Europese oorlogen en benadrukte hij dat een analoge houding van Europa ten opzichte van het Amerikaanse continent dan ook wenselijk was. Na de onafhankelijkheidsstrijd en de mislukking van het eerste Pan-Amerikaanse Congres ( Panama, 1826 ) versnipperde wat nog restte van het Spaanse koloniale rijk. Noch de confederatie voorgesteld door Miranda, noch de federatie geopperd door Bolivar konden op veel bijval rekenen. In 1830 desintegreerde Gran-Colombia in Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela. Bolivië, Paraguay en Uruguay scheidden zich af van Argentinië. Ook de Federatie van de Centraal-Amerikaanse Republieken viel uiteen. De schuldenlast van al deze landen leek alsmaar te verergeren. Voor de Britten is in gans dat verhaal geen mooie rol weggelegd. Niet alleen waren de landen in een diepe financiële put beland door het uitblijven van Britse steun tijdens de onafhankelijkheidsstrijd; nadien waren deze landen volledig afhankelijk van het Britse scheepvaartverkeer om van hun producten aan bodemprijzen af te raken. De Britten lieten ook hun investeringen in de mijnbouw in Gran-Colombia, Peru en Chili prompt vallen toen deze niet zo lucratief bleek als gehoopt. 7. De Griekse onafhankelijkheidsstrijd ( 1821 – 1830 ) : Griekenland behoorde toe aan het Ottomaanse Rijk. Onder meer het geheime genootschap Eteria ijverde voor de Griekse onafhankelijkheid. De eerste opstand onder leiding van Alexander Ypsilanti kon onderdrukt worden. De Europese mogendheden, indien zij consequent zouden geweest zijn in hun optreden, hadden moeten interveniëren om de onafhankelijkheidsstrijd te stoppen. Vooral de steun die de onafhankelijkheidsstrijders kregen van de filhellenen zette de Britten aan de strijd eveneens te steunen en wel voornamelijk omwille van sentimentele motieven. De nieuwe Russische tsaar Nicolas I deed er nog een schepje bovenop. Hij eiste dat Servië, Moldavië en Walachije autonoom zouden worden. Turkije en zijn vazalstaat Egypte waren echter nog niet van plan om volledig toe te geven en een wapenbestand te sluiten met de Grieken. Op 6 juli 1827 ondertekenden Groot-Brittannië, Rusland en Frankrijk een akkoord om Turkije en Egypte ertoe te dwingen. Bij de daaropvolgende slag bij Navarino ( oktober 1827 ) deden vooral de Russen een goede zaak; het Balkangebied werd nog aantrekkelijker voor hun expansiepolitiek. De Britten zagen dit in en wilden kost wat kost vermijden dat de Russen hun grondgebied doorheen Bosporus en Dardanellen naar de Middellandse Zee zouden uitbreiden. Twee akkoorden regelden de ganse kwestie. Het akkoord van Adrianopol ( 14 september 1829 ) stipuleerde dat Servië, Moldavië en Walachije autonoom zouden worden en dat Russische handelstroepen vrije doorvaart zouden hebben doorheen Bosporus en Dardanellen. De Britse en Franse diplomaten waren dan wel volledig vrij om de Griekse kwestie op te lossen. Dit gebeurde in het tweede belangrijke akkoord, het Verdrag van Londen ( februari 1830 ). Hierin stond dat een klein deel van Griekenland onafhankelijk was van de Turken. 6
  • 7. Via Franse diplomatieke bemiddeling kwam het dus niet tot een openlijk treffen tussen Groot-Brittannië en Rusland, hoewel we kunnen stellen dat het wantrouwen tussen beide landen voor een behoorlijk onaangename sfeer zorgde in de “Grote Alliantie”. Rest ons nog de boutade aan te halen van von Clausewitz die stelt dat oorlog de verderzetting is van de politiek met andere middelen. 7
  • 8. Ken Lawrence 3T4 Samenvatting Hoofdstuk II 1. De Julirevolutie en een tweede golf van liberaal-nationale opstanden in Europa : De tweede golf van liberaal-nationale opstanden in Europa begon in Frankrijk. Karel X, de opvolger van Louis XIII annuleerde het resultaat van de verkiezingen. Dit leidde tot een golf van opstanden waarbij de Bourbons het onderspit moesten delven. Louis-Philippe, hertog van Orléans, werd de nieuwe vorst. Dit is vrij opmerkelijk vermits men na een revolutie tegen een dynastie zou verwachten dat deze plaats zou moeten ruimen voor een republiek. Deze Louis-Philippe was een overtuigd liberaal en in de naburige landen van Frankrijk kwam een enthousiaste reactie op deze Parijse Julirevolutie. A. Italië : In Italië waren het de zogenaamde “carbonari”, vrijzinnige en geheime verenigingen die de liberale opstanden leidden. De Oostenrijkse interventiemacht kon echter deze revoltes onderdrukken. Dit was niet verwonderlijk vermits slechts de koninkrijken van beide Siciliën en dat van Piëmont-Sardinië een leger hadden. Ferdinand II ( in Napels ) en Charles-Albert ( in Turijn ) moesten hun dynastieke ambities afwegen tegen hun wens om Italië te verenigen en zich te ontdoen van de Oostenrijkse invloed. De Franse historicus P. Renouvin stipt aan dat de mislukking van deze plaatselijke revoltes zou leiden tot veel grotere opstanden op het niveau van het ganse schiereiland. B. Duitsland : Dankzij een vernieuwde, intensievere samenwerking tussen Oostenrijk, Pruisen en Rusland konden de interventietroepen van Metternich snel een einde maken aan de opstanden in de Duitse vorstendommen Beieren, Baden, Hessen, e.a. . Een andere belangrijke gebeurtenis is de oprichting van het Duitse Zollverein ( 1874 ) Deze tolunie tussen 18 Duitse vorstendommen is belangrijk omdat zij mee aan de basis ligt van de vorming van een liberaal-nationale Duitse eenheidsstaat. 2. Uiteenzetting over de Belgische revolutie : Er waren drie facetten aan de Belgische revolutie. Ten eerste was het volk niet langer akkoord met de politiek van Willem I die steeds het Nederlands bevoordeelde. Een tweede element was de godsdienstrivaliteit tussen katholieken en protestanten. Ten derde waren de liberale geesten uiteraard fel gekant tegen de verlichte, autoritaire despoot Willem I. De eerste fase van de Belgische opstand, de zogenaamde Septemberdagen, kunnen we zonder twijfel succesvol noemen. De revolutionairen dienden echter het oordeel af te wachten van de grote Europese mogendheden. Het verbrokkelen van de tegen 1
  • 9. Frankrijk opgerichte bufferstaat leek aanvankelijk inderdaad te worden tegengehouden door een Russisch-Oostenrijks-Pruisische interventiemacht. Zij wachtten echter het oordeel af van de Fransen en Britten die niet bepaald warm liepen voor zo’n interventie. Op een Conferentie van Europese mogendheden ( te Londen ) werd een diplomatieke oplossing gevonden : België werd op 20 november 1830 onafhankelijk verklaard en de zoon van Willem I zou “Koning der Belgen” worden via een personele unie. De Belgische Constituerende Vergadering verwierp dit compromis echter op 24 november 1830. Twee ontwikkelingen in Europa bepaalden de verdere evolutie van België. Ten eerste was er de Poolse opstand. De Russische tsaar Nicolaas I eiste dat Poolse soldaten mee zouden vechten tegen de Belgische opstandelingen. Hierop brak een Poolse opstand uit, gericht op het verwerven van enerzijds de onafhankelijkheid en anderzijds de heraanhechting van die gebieden die in de 18e eeuw door Rusland, Pruisen en Oostenrijk waren veroverd. Het Europees directorium richtte zijn aandacht op het onderdrukken van de opstand. Na een kort en hopeloos verzet werd Polen – na de nederlaag van 7 september 1831 - opnieuw “ingelijfd” in Rusland. Het zou nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren alvorens Polen opnieuw onafhankelijk zou worden. De Polen zijn nu nog steeds niet te spreken over het uitblijven van Franse en vooral Britse hulp bij hun strijd. Was het Groot-Brittannië namelijk niet dat op het Congres van Wenen had gepleit voor een sterke en onafhankelijke Poolse staat? Een tweede ontwikkeling in het voordeel van een onafhankelijk België was het aan de macht komen van de liberaal-progressieve Palmerston in Groot-Brittannië. Palmerston zag weinig heil in absolutistische monarchieën en steunde dan ook de Belgische onafhankelijkheidsstrijd. Dit betekende echter niet dat men snel tot een oplossing kwam voor België. Een mogelijk compromis bestond uit ten eerste de erkenning van de onafhankelijkheid op voorwaarde dat België een “permanente en gewapende neutraliteit” – men mocht zich dus beschermen – zou respecteren. Ten tweede zou Nederland de grenzen van 1790 toebedeeld krijgen, inclusief Luxemburg als persoonlijk eigendom van Willem I. Ten laatste bevatte het compromis een regeling voor de rijksschulden : voor Nederland zou ze 15/31 en voor België 16/31 bedragen. Deze oplossing die werd geformuleerd op de Conferentie van Londen in januari 1831 werd echter door Willem I verworpen. Groot-Brittannië was dan weer furieus op het Belgisch Nationaal Congres dat de hertog van Nemours ( tweede zoon van de Franse koning Louis-Philippe ) als koning der Belgen wou kiezen. Een Fransman als koning van ( een gedeelte van ) de tegen Frankrijk opgerichte bufferstaat?! In Londen werd het verworpen voorstel verder uitgewerkt. Dit zogenaamde Traktaat van de XVIII Artikelen was té gunstig voor België opdat Willem I het zou overwegen. Hij was de stroom diplomatieke oplossingen in de zomer van 1831 duidelijk beu en begon aan een militaire actie, de Tiendaagse Veldtocht. Toen de Fransen hun spieren even rolden, liet Willem I zijn actie voor wat ze was. Deze korte Franse interventie leidde tot de – voornamelijk Britse – vrees voor een Frans overwicht in het gebied van de Schelde-, Maas- en Rijnmonding. Om dan ook voor de ganse zaak snel tot een compromis te komen, was het volgende voorstel dat 2
  • 10. de Europese mogendheden aan Willem I voorlegden bijzonder gunstig voor deze laatste. Het Verdrag van de XXIV Artikelen stipuleerde namelijk dat Luxemburg- over-de-Maas en Maastricht, evenals het Duitssprekende deel van Luxemburg definitief bij Nederland werden gevoegd. Willem I bleek ook nu weer het voorstel onaanvaardbaar te vinden. Het geduld van de Fransen en Britten was op en ze gingen over tot een militaire interventie op 5 november 1832. Zelfs nadat de Nederlandse bezetters van de Antwerpse citadel zich op 23 november 1832 overgaven, duurde het nog een zestal jaren vooraleer Willem I het Verdrag van de XXIV Artikelen aanvaardde. Zelfs toen, in 1838, was niet alles onmiddellijk in kannen en kruiken. Er kwam namelijk een einde aan de regeling waarbij Maastricht, Luxemburg-over-de-Maas en het Duitse gedeelte van Luxemburg in Belgische handen bleven. Nu waren het weer de Belgen die het voorstel niet wilden aanvaardden! Franse en Britse druk en een verandering in de regeling omtrent de gemeenschappelijke openbare schuld zorgden ervoor dat het Belgische parlement uiteindelijk toch akkoord ging. Op 19 april 1839 werd het Verdrag van de XXIV Artikelen definitief ondertekend. Rest ons nog iets te zeggen over de keuze van de vorst voor België. Dit werd Leopold van Saksen-Coburg-Gotha. Dit was een goede keuze, vooral in de ogen van de Britten daar hij de weduwnaar was van de Britse kroonprinses Charlotte. 3. De ‘Oosterse kwestie’ en de Conventie van de Zee-engten : Na 1830 kunnen we zeggen dat naar aanleiding van de Griekse en de Belgische kwestie de Fransen en de Britten elkaar in hun liberale ideeën vonden. Enerzijds aanvaardde de Britse regering de Franse kolonisatie van Algerije en anderzijds volgde de Franse regering de Britse in haar houding t.o.v. de Spaanse en Portugese successie ( = opvolging in een recht; troonopvolging ). Deze toenadering zal slechts tijdelijk blijken zoals naar voren komt in de bespreking van de “Oosterse kwestie” en haar nasleep. In 1839 trachtte de Turkse sultan Syrië te veroveren van de Egyptische pasja Mohammed Ali aan wie Turkije het in 1833 had afgestaan. De ganse expeditie loopt met een sisser af. Het Egyptische leger overwon en de Turkse sultan stierf zonder meerderjarige troonopvolger. Deze verzwakking van het Ottomaanse Rijk kon nefaste gevolgen hebben. Franse en Russische imperialistische ambities borrelden weer op. De Fransen steunden openlijk Mohammed Ali en hoopten zo een betere greep te krijgen op het oostelijk deel van de Middellandse Zee. Rusland had vooral oog op een betere doorgang door de Bosporus en Dardanellen. Groot-Brittannië, Oostenrijk en Pruisen van hun kant wilden vooral het machtsevenwicht in Europa niet verstoord zien. De oplossing van de crisis kwam er in een te Londen bereikt akkoord. Frankrijk was bijzonder gefrustreerd over de inhoud van dit akkoord en de manier waarop het werd bereikt, namelijk op een bijeenkomst waar de Fransen niet waren uitgenodigd! Heel even dreigde er zelfs een oorlog van te komen aan de Rijn. Deze werd nipt vermeden, maar de houding van de Fransen in dit Rijngebied wakkerde wel het Duitse nationalisme aan. 3
  • 11. De zeer belangrijke Conventie van de Zee-engten van juli 1841 werd door alle Europese mogendheden goedgekeurd en draaide volledig rond de Zwarte Zee. Ten eerste zou het neutraal statuut van de Bosporus en Dardanellen door alle Europese mogendheden worden gewaarborgd. Ten tweede zou Turkije de doorgang van elk vreemd oorlogsschip verhinderen behalve wanneer Turkije zélf in staat van oorlog zou verkeren. In dat laatste geval mocht het de vloot van een geallieerde staat toelaten. Door de Conventie was zowel een Russische dreiging als een Britse via de Zwarte Zee in principe onmogelijk. 4. De eerste Brits-Chinese oorlog en het Verdrag van Nanking : Het goede verloop van de koloniale handel tussen Groot-Brittannië en China kwam rond 1840 in gevaar. De Chinese overheid was de morele en financiële ruïnering van China door de Britse opiumhandelaars beu. De Chinese topambtenaar Lin Tse-hsu trad er hardhandig op. In een actie die slechts één week in beslag nam belandden alle buitenlandse drugshandelaars in de gevangenis en werden meer dan 20.000 balen opium vernietigd. De Britten reageerden kordaat en de regering Palmerston zond een militair expeditieleger naar Kanton. Dit leger walste letterlijk over de Mantsjoe- troepen boden. De Chinezen vreesden dat ze zouden ingelijfd worden zoals net was gebeurd met het door de Britten veroverde India. Het was de Britten echter puur om hun handelsbelangen te doen. In maart 1842 begonnen “onderhandelingen” tussen de Britten en de Chinezen. De inbreng van deze laatsten zal miniem geweest zijn vermits de Britten een staaltje van gunboat diplomacy tentoonspreidden : de zuidelijke Chinese hoofdstad Nanking was voortdurend in het vizier van de Britse kanonnen. Op 29 augustus 1842 werd het Verdrag van Nanking ondertekend. Het is alleszins opmerkelijk dat de aanleiding tot de eerste Brits-Chinese oorlog, namelijk de tegengehouden opiumhandel, nauwelijks gereflecteerd werd door de inhoud van het verdrag. China diende in dit verband een schadevergoeding te betalen voor de balen opium die zij had vernietigd. De rest van het verdrag bevatte een ganse reeks maatregelen die de Chinese markt dienden open te gooien voor de Britten. Ten eerste werden vijf havens ( Kanton, Amoy, Foe Chow, Ning Po en Shanghai ) opengesteld voor de Europese handel. Ten tweede verwierven de Britten het eiland Hongkong, een schitterend steunpunt om hun handelsacties te coördineren. Ten derde mocht de Chinese overheid slechts een 5% ad valorem importtaks heffen op Europese producten. Hiermee kwam definitief een einde aan het “op afstand houden van de Europese barbaren” zoals leden van de Mantsjoe-regering de Europeanen plachten te noemen. Ten laatste werd in het verdrag bepaald dat tot 1930 de Chinese regering niet op autonome wijze de douanerechten op ingevoerde producten mocht wijzigen. Het moge duidelijk zijn dat dit een wel bijzonder ongelijk verdrag was. Ondanks de op Nanking gerichte kanonnen vonden de Taipings, leden van een geheim pseudo-sektarisch genootschap, dat de Mantsjoe-regering té snel aan de Britse eisen had toegegeven. Voeg daarbij de tanende invloed van de regering in het zuiden van China en een algemene hongersnood en het is niet verwonderlijk dat deze explosieve cocktail in het voordeel werkte van de in 1851 begonnen Taiping-revolte. Hun leider veroverde in 1853 Nanking en riep het uit tot het Heavenly Kingdom, geïnspireerd door utopische gelijkheidsidealen die later nog door Mao’s Rode Gardisten zouden gebruikt worden. 4
  • 12. Ondertussen waren er revolutionaire krachten aan het werk in Europa zelf. 5. De derde revolutiegolf in Europa en het einde van het Metternich-systeem : De nieuwe revolutiegolf in Europa vond zijn oorsprong in Zwitserland waar enkele voornamelijk rooms-katholieke kantons zich hevig verzetten tegen de pogingen van het centrale gezag om de Zwitserse Bond in liberale zin te hervormen. Deze zeven kantons ( Uri, Schwyz, Unterwalden, Luzern, Freiburg, Zug en Valais ) verenigden zich tot de zogenaamde Sonderbund. Dit resulteerde in 1847-1848 tot een burgeroorlog tussen de Sonderbund en de andere Zwitserse kantons. Uiteindelijk verloor de Sonderbund. De Confederatio Helvetica werd dus in meer liberale, antiklerikale zin hervormd en het Zwitserse centraal gezag werd verstevigd. Deze burgeroorlog leidde hét Europese revolutiejaar in, 1848. We kunnen stellen dat de revolutie zowat het hele Europese continent trof, met uitzondering van Rusland. Tsaar Nicolaas I had een hevige tegenreactie ontwikkeld ten gevolge van de mislukte decabristen-opstand in 1825. Hij had zijn land zo afgeschermd dat hij gespaard bleef van de grootschalige revoluties, maar op lange termijn vervreemde Rusland van de rest van Europa. Een beknopt overzicht van de gebeurtenissen in 1848 : Frankrijk : In Frankrijk was het voor het eerst de arbeidersmassa die op revolutionair vlak van zich liet horen. De frustratie van het Parijse volk was zo groot dat de koning Louis- Philippe er niet tegen bestand was. Op 25 februari 1848 werd het zogenaamd Voorlopig Bewind ingesteld en de Tweede Franse Republiek uitgeroepen. De nieuwe minister van buitenlandse zaken – de literator Alphonse de Lamartine – verzekerde de Europese mogendheden dat de relatie tussen Frankrijk en de andere Europese landen niet zou beïnvloed worden door de Tweede Franse Republiek. De Europese mogendheden waren allerminst overtuigd en met rede; de Parijse Februarirevolutie had uiteraard wél revolutionaire repercussies op de andere Europese landen. In Frankrijk zélf werd het al snel pijnlijk duidelijk hoe ongeorganiseerd het ganse socialistische experiment wel was. Het experiment met de ateliers nationaux liep uit de hand. Bovendien was de burgerij over haar eerste verbazing heen en met behulp van het leger werd snel weer orde op zaken gesteld. Op een bloedige manier werd de juni-opstand ( onder leiding van Louis Blanc ) te Parijs onderdrukt. Aldus kwam de autoritaire Louis Napolen ( Napoleon III ) aan de macht en installeerde hij het Second Empire. Later zal blijken hoe Louis Napoleon er alles aan deed om in de schijnwerpers te staan en hoe hij zijn diplomatieke ego zou trachten te strelen. Oostenrijk : Begin 1848 werd Metternich verplicht tot aftreden. Hij was niet langer in staat geweest de contrarevolutionaire rol te vervullen die van hem werd verwacht. In 1848 kwam de keerzijde van een “Vielvölkerstaat” aan het licht. Slavische nationalisten in het noorden eisten de erkenning van een Boheems-Moravische landdag. Bohemië- Moravië ( het huidige Tsjechië ) wilde autonomie. Hongarije daarentegen wilde – onder leiding van Lajos Kossuth – volledige onafhankelijkheid. De Oostenrijkse 5
  • 13. troepen kregen het op korte tijd hard te verduren, vermits er ook onlusten waren uitgebroken in de Italiaanse bezettingen. Het kostte behoorlijk wat moeite, maar uiteindelijk zorgden de keurtroepen van Windischgrätz voor een Oostenrijkse overwinning. De zwager van Windischgrätz, Felix zu Scharzenberg, werd de opvolger van Metternich. Eind 1848 herademde de Oostenrijkse regering. Hongaarse nationalisten konden de klus niet alleen klaren. De Britten wensten hen niet te steunen vermits Hongaarse onafhankelijkheid een verzwakking betekende van Oostenrijk. Hiervan zou Rusland kunnen profiteren en dat zou het Europees evenwicht ernstig in gevaar kunnen brengen. Ook Louis-Napoleon interfereerde niet. Zijn leger moest op het Franse grondgebied nog instaan voor de ordehandhaving. Kossuth vluchtte naar Turkije en in 1849 werd Hongarije opnieuw geïntegreerd in het Oostenrijkse keizerrijk. Pruisen : Koning Frederik Wilhelm IV gooide het over een andere boeg. Hij onderdrukte de liberaal-nationale opstanden niet, maar gaf zijn volle steun. Hij ging akkoord met de oprichting van een grondwettelijke vergadering en hij schuwde uitspraken als “aan mijn volk en aan de Duitse natie” niet. Conservatieven en de zogenaamde “Junkers” onder leiding van Otto von Bismarck waren echter fel gekant tegen zo een verregaande liberalisering en vrij snel werd de grondwettelijke vergadering afgeschaft. Het Vorparlament op niveau van de Duitse Bond was echter reeds samengekomen. Doel was een nieuwe wetgevende en uitvoerende macht uitwerken. Uiteindelijk leidde dit tot de oprichting van het Frankfurter Parlament. Omwille van de academisch- getinte samenstelling werd er vaak smalend over gezegd : “in handen van de professoren is Duitsland verloren”. In dit Frankfurter Parlament werd oeverloos gediscussieerd over de wenselijkheid van een Groot-Duitsland dan wel een Klein- Duitsland. In maart 1849 besloot men uiteindelijk de troon van het Duitse keizerrijk aan te bieden aan Frederik Wilhelm IV. Deze laatste vond het beneden zijn waardigheid om de kroon te moeten aanvaarden van een Volkskammer en niet van zijn gelijken. De vertegenwoordigers die nog in Frankfurt waren, werden manu militari naar huis gestuurd. Een kort verzet leidde tot niets. Hun ideeën over de organisatie van een Klein-Duitse Bond werden wel overgenomen door de Pruisische regering-Radowitz. Het project van een Klein-Duitse Bond hield de uitsluiting van Oostenrijk in, een gegeven waar fel tegen gereageerd werd. Een nakende oorlog werd door Russische druk op de Pruisische regering vermeden : het Pruisische plan werd ingetrokken en de geschilpunten tussen Oostenrijk en Pruisen werden bijgelegd op de bijeenkomst van de Duitse Bond te Dresden in 1851. Het zou in 1866 toch tot een oorlog komen tussen beide landen. Italië : In Italië begon op 12 januari 1848 te Palermo de opstand van de Sicilianen tegen het bewind van Ferdinand II van Napels. De opstand breidde zich snel uit en de Italiaanse eenwording leek in gang gezet. Twee kandidaten voor de leiding van deze eenmaking 6
  • 14. drongen zich op. Ten eerste was er Karel-Albert, de koning van Piëmont-Sardinië. Deze kandidaat kreeg de steun van liberalen en anti-klerikalen ( Massimo d’Azeglio ) en werd vooral omwille van zijn militaire en financiële gewicht dat hij in de schaal kon gooien als dé geschikte kandidaat gezien voor het verdrijven van de Oostenrijkers.Ten tweede was er Paus Pius IX ( ‘Pio Nono’ ). Deze werd voornamelijk door Gioberti als leider van de Italiaanse eenheid gezien. Een derde initiatief deed ook de ronde : het vestigen van een Italiaanse republiek. Dit idee werd gepromoot door Giuseppe Mazzini en zijn volgelingen ( die zich lieten inspireren door de ideeën van La Giovine Italia ). Kandidaat nummer één, Karel-Albert, maakte niet zo’n beste beurt toen hij in 1848 de tijd rijp achtte om met de Oostenrijkers af te rekenen. Hij haakte in op de nationaal- liberale beweging in Lombardije en … werd te Custozza in juli van datzelfde jaar verslagen door het Oostenrijkse leger onder leiding van generaal Radetsky. Volgend op de nederlaag dienden de Britten en Fransen dan weer diplomatiek tussen te komen om te vermijden dat de Oostenrijkers de territoria van Piëmont-Sardinië annexeerden. Na de nederlaag leek de weg vrij voor kandidaat nummer twee, Pio Nono. De Europese liberale revolutiegolf overspoelde echter Rome en de pauselijke staten en Pio Nono koos het hazenpad. Toen in 1849 Mazzini lid werd van het Triumviraat dat de leiding van de Romeinse Republiek voor haar rekening nam leek het derde alternatief het uiteindelijk nog te gaan halen! Franse troepen maakten er komaf mee. Aldus kwam een einde aan Mazzini’s eenwordingsdromen die hij voornamelijk in een Europees perspectief situeerde. De vlucht van Pio Nono werd hem niet in dank afgenomen en men was niet langer enthousiast om hem als leider van de Italiaanse eenmaking te zien. Van dit laatste bleef trouwens toch nauwelijks iets over. Het mislukken van de Risogimento en het Italia fara da se effende het pad voor de realistische en pragmatische diplomatieke strategie van Camille Benso di Cavour. 6. Interpretaties : Tot nu toe hebben we voornamelijk gesproken over het verloop en de afloop van de verschillende Europese revoluties van 1848. Rest ons nog iets te zeggen over de omstandigheden die leidden tot die revoluties. Zoals vaak was ook hier de sociale ellende de katalysator van de revoluties. Daarenboven kende de landbouwproductie een ware crisis met hongersnoden als het nefaste gevolg Het citaat van Babel, Battelli en Monnier (p.59) wijst op het feit dat liberalisme vanaf 1848 niet langer gekoppeld was aan nationalisme. Eenwordingsprocessen zullen slechts succesvol blijken wanneer ze van bovenaf geïnitieerd worden en nationalistisch geïnspireerd zijn. Het is het nationalisme waar het volk zich mee kan identificeren ( denk aan taal, … ) waardoor het zal overleven. Het liberalisme verdwijnt. Dit besef komt vooral tot uiting in de politiek die Bismarck zal voeren. Op “realpolitische” wijze koppelt hij het Duitse eenwordingsstreven los van het streven naar vrijheid. De figuur van Bismarck en zijn diplomatieke beslissingen komen in de volgende hoofdstukken ruimer aan bod. 7
  • 15. Karl Marx zag het mislukken van het Europees revolutiejaar 1848 voornamelijk als het gevolg van de onmacht van de tot dan toe geldende socialistische visies. Hij legde de nadruk op een wetenschappelijke analyse van het negentiende-eeuwse productiesysteem en op het bewustwordingsproces van de arbeidersklasse teneinde een klasseloze maatschappij en de dictatuur van het proletariaat te verwezenlijken. Sir Lewis Namier beschouwt de mislukking van 1848 als het begin van de linkse en rechtse autoritaire regimes. Omdat compromissen tussen zo’n regimes praktisch onmogelijk zijn, ligt de weg open voor een totale oorlog. Sir Lewis Napier wijt dit hele proces aan het gebrek aan inzicht van de intellectuele elites in het historisch proces. Het in diskrediet brengen van de bestaande elite effent het pad voor geplebisciteerde dictaturen. Ook A.J.P. Taylor beschouwt 1848 als het uitgangspunt van autoritaire regimes. Hij vermeldt dat slechts in Engeland en Amerika – de twee landen die aan de revolutiegolf waren ontsnapt – nog de overtuiging leefde dat interstatelijke conflicten op basis van discussie en compromissen konden opgelost worden. Oorlog tussen staten lag in het vooruitzicht vermits nationalistische regimes hun bestaan slechts kunnen legitimeren als ze buitenlandse successen boeken. Extra : Waarom mislukten de revoluties? • Utopische ideeën van de professoren die niet voldoende voeling hadden met de wensen en verwachtingen van het volk. • Een duidelijk gebrek aan een sterke leidersfiguur; er waren er té veel verschillende. • Gebrek aan een overkoepelende ideologie die de mensen inspireerde. Vanaf 1848 kunnen we dan ook spreken van een breuk tussen politici en het volk. 8
  • 16. Ken Lawrence 3T4 Hoofdstuk 3 : Het valt mij op dat het citaat van Clyde en Beers op p.63 brandend actueel zou kunnen zijn in de context van de oorlog in Irak mits een paar kleine aanpassingen : “The First Arab-Western treaties formed the beginnings of a new order for the Middle East. The US had won a war, but the settlement it had imposed was to operate in an alien environment, where the Western barbarian, assuming the role of reformer in asserting his equality, was not welcome. He was feared because of his military power, but he was not respected.” 1. De Krimoorlog : Het efficiënte politie-systeem dat tsaar Nicolaas I had geïmplementeerd in Rusland zorgde voor interne stabiliteit. Nicolaas I achtte het moment rijp om definitief met de Turkse machtspositie in het Zwarte-Zeegebied af te rekenen. Hierdoor zou hij toegang krijgen tot de felbegeerde gebieden van de Bosporus en Dardanellen. Deze veroveringsdrang leidde tot de Krimoorlog. Eerst eiste Nicolaas I een religieus protectoraat in het Ottomaanse Rijk gevolgd door een ultimatum dat Turkije tot een alliantie met Rusland dwong. Turkije weigerde en vanaf juli 1853 bezetten Russische troepen Moldavië en Walachije. Groot-Brittannië en Frankrijk zochten weer toenadering tot elkaar om een conflict te vermijden. Napoleon III vroeg aan Nicolaas I om zijn troepen terug te trekken. Nicolaas I weigerde daar hij zag hoe Oostenrijk – toch geïnteresseerd in de Balkan – zich neutraal opstelde. Deze neutraliteit was natuurlijk het gevolg van de Russische steun ten tijde van de moeilijkheden in Hongarije en Pruisen. Niet alleen de Britten en de Fransen stuurden een gezamenlijk ultimatum aan de Russen. Ook Cavour steunde hen namens Piëmont-Sardinië. Hij had in zijn achterhoofd uiteraard de overtuiging dat een diplomatiek succes zou kunnen bijdragen tot het verwezenlijken van de Italiaanse eenheid. Tenslotte bezweek Oostenrijk onder de druk en gaf het zijn neutraliteit op om Rusland tot een diplomatieke overeenkomst te dwingen. Deze oplossing nam de vorm aan van de zogenaamde “Vier punten van Wenen” die echter door tsaar Nicolaas I werden verworpen. Niets kon een oorlog verhinderen. In de herfst van 1854 landden Britse, Franse en Italiaanse troepen op de Krim. Het werd een bijzonder uitputtende oorlog, gevoerd in slechte hygiënische omstandigheden en met een nijpend tekort aan voedsel. Tachtig procent van de soldaten sneuvelden. Na het verlies van Sebastopol en vernieuwde druk vanwege de Oostenrijkers gaf de opvolger van de intussen overleden Nicolaas I, Alexander II zich over. Verdere onderhandelingen vonden plaats te Parijs waar Napoleon III in de schijnwerpers wou staan. Het Verdrag van Parijs ( 30 maart 1856 ) was vooral in het voordeel van Groot- Brittannië. Een Russische expansie in het oostelijk deel van de Middellandse Zee werd erdoor onmogelijk gemaakt. Ook de garantie dat de mogendheden de integriteit van het Ottomaanse Rijk zouden waarborgen, was vooral een goede zaak voor de Britten. Rest ons nog te zeggen dat het Europees Concert ophield te bestaan met de Krimoorlog. De mogendheden hadden, weliswaar ‘beperkt’, maar toch onder elkaar oorlog gevoerd. 1
  • 17. 2. Napoleon III en zijn diplomatie : Napoleon III speelde het bijzonder sluw. Teneinde de Russische en Oostenrijkse machtsposities te verzwakken steunde hij de nationaliteitenbeweging in Servië en Montenegro. Bovendien erkende het hierbovengenoemde Verdrag van Parijs de Roemeense autonomie en – na de weigering van de Belgische prins Filip – werd Karel von Hohenzollern-Sigmaringen de eerste constitutionele vorst van Roemenië. Napoleon III wilde de eenmaking van Italië steunen omwille van vier redenen. Ten eerste wilde hij Oostenrijk – dat een aantal bezettingen had in Italië – verzwakken. Ten tweede had Napoleon III zijn oog op de gebieden van Savoie en Nizza. Ten derde wilde Frankrijk graag een satellietstaat die hen doorgang zou verschaffen naar het noorden van Afrika waar ze volop hun koloniale ambities wensten bot te vieren. Ten laatste was er ook het sentimentele element daar Napoleon III als oud-carbonaro zijn broer was verloren tijdens een opstand in Romagna. In Italië waren er op dat moment drie bewegingen. Een eerste rond de paus ( neowelfisme ), een tweede rond Mazzini ( Jong Italië ) en een derde rond graaf Camillo Benvo di Cavour. Deze laatste was regeringsleider van het belangrijkste Italiaanse vorstendom, Piëmont-Sardinië. Hij wilde de Italiaanse eenheid verwezenlijken door het gebruik van een Realpolitik. Op een erg pragmatische wijze ging hij tewerk teneinde de eenheid te realiseren die hij vooral voor de handelsbelangen als erg voordelig zag. Napoleon III zag het meeste heil in een samenwerking met Cavour. Op 28 januari 1859 werd een geheim akkoord ondertekend tussen Frankrijk en Piëmont-Sardinië. Frankrijk zou militaire steun verstrekken aan Piëmont-Sardinië om Lombardije en Venetië te bevrijden van de Oostenrijkers. In ruil kregen de Fransen het gebied van Savoie en Nizza. Enkele maanden later werd het akkoord uitgevoerd. Er werd een opstand uitgelokt in de Italiaanse bezettingen. Toen de Oostenrijkse troepen orde op zake kwamen stellen, werden zij aangevallen door zowel de Piëmontese als de Franse troepen. De slagen bij Magenta en Solferino werden fataal voor de Oostenrijkers. De tol aan manschappen was zo groot dat deze veldslagen tot de oprichting van het Internationale Rode Kruis leidden. Het vredesakkoord “De Vrede van Villafranca” maakte een einde aan de strijd. Oostenrijk stond Lombardije af, maar niet Venetië. Napoleon III verleende geen militaire steun meer aan de Italiaanse nationalisten. Het vervolg van de Italiaanse eenmaking begon bij de Siciliaanse opstand van Garibaldi en zijn “Duizend Radicalen”. Binnen de kortste keren veroverden ze Napels. De opstand werd onderdrukt door de Piëmontese troepen en Cavour drong een referendum op aan het zuiden van Italië. Hoewel Napels en Sicilië kozen voor de aansluiting bij het door Victor Emmanuel geleide vorstenhuis kunnen we zeggen dat dit vooral kwam door de timing van het referendum ( vlak na de overwinning van Cavour op de Roodhemden ). Ook nu nog spreek men in het zuiden van Italië van het onbevrijde Italië. De eenmaking werd onder druk gerealiseerd. Momenteel is iets gelijkaardigs aan de gang op Cyprus. Ook daar wordt druk uitgeoefend ( via de VN, meer bepaald Kofi Annan ) om via een referendum tot eenheid te komen. Ik weet niet zeker of dit de beste manier van werken is. 2
  • 18. Een referendum is érg precaire materie daar een complex probleem vaak dient herleid te worden tot een ietwat simplistische voorstelling van de problematiek. Bovendien loopt men het gevaar dar de bevolking het opgedrongen referendum niet wil aanvaarden. De Italiaanse eenheidsstaat werd pas vervolledigd door Garibaldi ( die ondertussen generaal en parlementslid was geworden ) na de val van Napoleon III in 1870. De Romeinse kwestie zou pas een oplossing vinden in de “Lateraanse Verdragen” van Mussolini. Hoe ging het nu verder met Napoleon III? Napoleon III gebruikte de vervolging van de maronieten in Libanon ( deel van Syrië ) om de Turkse sultan te dwingen een christelijk gouverneur aan te stellen. Vooral de drang van Napoleon III om een zeekanaal te graven dat de Middellandse Zee met de Rode Zee zou verbinden, voerde de druk op de sultan stelselmatig op. De Internationale Suezmaatschappij ( de eerste multinational ) werd in 1858 opgericht met Frankrijk als voornaamste aandeelhouder. Er waren wel diplomatieke reserves over deze onderneming en de gevolgen ervan op de geopolitieke verhoudingen in het Midden-Oosten. Groot- Brittannië vond de kortere route naar India interessant, maar wou de Russische expansiedrang naar de Middellandse Zee wel nauwlettend in het oog houden. De Britse vestigingen te Aden en Malta verhinderden dat de Fransen het kanaal voor militaire doeleinden zouden kunnen gebruiken. Het project kwam er voornamelijk door het enthousiasme van projectleider Ferdinand de Lesseps. Ook op het Amerikaanse continent had Napoleon III ambities. Hij wenste in Mexico een keizerrijk te stichten dat de Latijns-katholieke tegenpool zou worden van de Angelsaksisch-protestantse macht in Noord-Amerika. Dit project mislukte echter jammerlijk. Napoleon III had een excuus nodig om te interveniëren. Toen de katoenexport werd tegengehouden door het Noorden overwoog hij zelfs even om samen met andere Europese mogendheden rechtstreeks in de Amerikaanse Burgeroorlog tussenbeide te komen. Uiteindelijk stuurde hij zijn expeditieleger slechts naar Mexico toen die regering weigerde de buitenlandse schulden te betalen. De regering Juarez werd verdreven en aartshertog Maximilaan ( gehuwd met prinses Charlotte, dochter van Leopold I ) werd de nieuwe vorst. Toen de Burgeroorlog in 1865 afgelopen was, veroordeelde de Amerikaanse regering de Franse interventie fel op basis van de Monroe- doctrine. De Fransen trokken zich terug. Enkele maanden later greep Juarez opniew de macht en werd Maximilaan gefusilleerd. 3. Gebeurtenissen in Azië : De entering van een Brits schip en de moord op de Franse missionaris Chapdelaine zetten de Britten en Fransen ( daarin gesteund door de Russen en Amerikanen ) aan om een militaire strafexpeditie op gang te brengen teneinde de bepalingen van het Verdrag van Nanking te verruimen. De Chinese regering moest dit onder hevige druk toestaan. De 3
  • 19. verruiming gebeurde met het verdrag van Tientsin ( 1858 ). Het voornaamste van dit verdrag is dat nog meer havens voor handel werden opengesteld en dat Groot-Brittannië de souvereiniteit verwierf over Kowloon ( een schiereiland gelegen tegenover het eiland Hongkong ). De toegangsweg tot Peking veroorzaakte echter té veel problemen. De Brits- Franse expeditietroepen veroverden Peking waardoor de Mantsjoe-regering de bepalingen van het Verdrag van Tientsin moest aanvaarden in het Verdrag van Peking ( oktober 1860 ). De Britse en Franse troepen onderdrukten de Taiping-opstand omdat deze de handel in gedrang bracht. De Chinezen bleven erg fel gekant tegen de “barbaarse westerlingen”. Ook Rusland profiteerde van de Chinese zwakte en deed zoals gewoonlijk aan gebiedsuitbreiding. Vermeldenswaard is Vladivostok ( =“Heers over het Oosten” ), een Russisch bolwerk aan de oostgrens van Siberië. In 1854 kwam het eerste Amerikaans-Japans Verdrag tot stand. Onder Amerikaanse druk werd de Japanse regering gedwongen een aantal havens, waaronder Yokohama, open te stellen. De Japanners, meerbepaald Mikado Moetsohito, reageerden hierop door van hun vijand te leren. Ze entten de Westerse uitvindingen op hun cultuur en voerden een uitgebreid en diepgaand moderniseringsproces. Op korte tijd werd Japan een grootmacht. 4. Een groot-Duiste bond onder leiding van Oostenrijk of een klein-Duiste bond onder leiding van Pruisen? Op 18 september 1862 werd Otto von Bismarck de regeringsleider in Pruisen. We mogen zijn bekende uitspraak “durch Eisen und Blut” niet als typisch bestempelen voor zijn diplomatie. Hij was voornamelijk een pragmaticus die zonder dogma’s de ene en de andere grootmacht door middel van ‘diplomatic tricks’ kon beïnvloeden. Hij vond dat Pruisen de leiding van de Duitse bond moest opvorderen. Na de dood van de Deense vorst Frederik VII eiste Bismarck de afscheiding van de Duitssprekende vorstendommen. De opvolger van Frederik VII weigerde en het kwam in 1864 tot de Pruisisch-Deense oorlog. De Britten en de Fransen hielden zich afzijdig en Denemarken verloor de oorlog. Sleeswijk en Holstein werden door De “Vrede van Wenen” ( oktober 1864 ) van de overige Deense vorstendommen losgehaakt. De Conventie van Gastein bepaalde in augustus 1865 dat Sleeswijk en de haven van Kiel onder Pruisisch beheer kwamen; Oostenrijk kreeg het gezag over Holstein. Dit laatste deed Bismarck om Oostenrijk te paaien vermits bij de nakende Oostenrijks-Pruisische oorlog Holstein terug zou worden afgenomen. Bismarck paaide ook Rusland door het te steunen bij de onderdrukking van de Polen. Napoleon III werd dan weer gepaaid met de belofte dat hij allerlei conventies mocht organiseren en dat Venetië bij de Italiaanse eenheidsstaat zou gevoegd worden als Frankrijk zich neutraal opstelde bij een Oostenrijks-Pruisisch treffen. Een dispuut over de hervorming van de Duitse bond leidde in 1866 tot de langverwachte confrontatie tussen Pruisen en Oostenrijk. Napoleon III was erg verbaasd over de snelle afloop van deze krachtmeting. Reeds na een tweetal maanden verklaarde Oostenrijk te willen onderhandelen. De daaropvolgende vredesonderhandelingen vonden plaats in Parijs en culmineerden in het voorlopige akkoord van Nikolsburg dat uiteindelijk op 23 augustus 1866 werd geformaliseerd in de “Vrede van Praag”. Erg opmerkelijk was dat 4
  • 20. Bismarck ervoor ijverde dat de Pruisisch-Oostenrijkse relaties zo snel mogelijk hersteld zouden worden. De nederlaag van Oostenrijk had tot gevolg dat de Duitse bond werd ontbonden. Er kwam een Zuid-Duitse en een Noord-Duitse bond ( inclusief Sleeswijk en Holstein ). Oostenrijk had geen enkele inspraak meer in het Duitse eenmakingsproces. Bismarck ontwierp een grondwet voor de Noord-Duitse bond en hield zélf de touwtjes stevig in handen : hij werd ‘Bundeskanzler’, een functie waarin hij alleen aan de koning verantwoordelijkheid was verschuldigd en niet aan de democratisch verkozen ‘Reichstag’. We merken ook een analogie op tussen Bismarcks streven naar één grote Duits-nationale structuur waarin de Tweede Zollverein de basis legt voor een gemeenschappelijke handelsruimte met een zelfde munteeenheid en het streven naar een Europese economische en monetaire unie op het einde van de twintigste eeuw. 5. Hoogoplopende Franse frustratie : Napoleon III zag met lede ogen aan hoe het imago van Pruisen er sterk op vooruitging terwijl dat van Frankrijk er sterk op achteruitging. Napoleon III trachtte met Bismarck te onderhandelen om het Groothertogdom Luxemburg in Franse handen te laten overgaan. De Londense Conferentie van mei 1867 bevestigde echter het Belgische verzet tegen zo’n regeling en opnieuw leed Napoleon III gezichtsverlies. Het karakter van deze laatste kennende kunnen we ons inbeelden HOE hoog hem zoiets zat! Voeg daarbij nog het immer sluimerende wantrouwen vanwege Groot-Brittannië en mislukte besprekingen met Oostenrijk-Hongarije en we begrijpen al beter de immense frustratie die bij de Fransen begon te leven. Een kleine vonk kon alles doen ontploffen. Deze vonk kwam er in 1870 bij een dispuut over de opvolging van de Spaanse troon. De Fransen eisten dat Pruisen zwart-op-wit zou neerschrijven dat Leopold von Hohenzollern-Sigmaringen nooit meer zou dingen naar de Spaanse troon omwille van het ongemakkelijke gevoel dat de Fransen kregen door in het zuiden een koning te hebben die Pruisen gunstig gezind was. Paranoia haalde het op gezond verstand en de Fransen vonden dat ze omsingeld werden. Bismarck was niet te spreken over de arrogante Franse houding en weigerde op hun eisen in te gaan. De Fransen verklaarden Pruisen de oorlog op 17 juli 1870 en trokken ten strijde, eerder met nationaal-chauvinistische ideeën dan met een goed-georganiseerde troepenmacht. De afloop laat zich raden : Frankrijk wordt roemloos verslagen. De Duitse overwinning te Sedan wordt het startschot voor een verdere Duitse eenmaking. Baden en Württemberg en later Beieren willen tot een Duitse Confederatie toetreden. Bismarck gebruikt de grondwet van de Noord-Duitse bond als blauwdruk voor de Duitse eenheidsstaat. Een staatsgreep te Parijs vertraagt een compromis tussen Pruisen en Frankrijk. Napoleon III werd afgezet en de op revanche gerichte Derde Franse republiek werd opgericht. Pruisische troepen herstellen de orde te Parijs en op 18 januari 1871 wordt het Duitse Keizerrijk uitgeroepen in de Spiegelzaal van Versailles. Op 10 mei 1871 wordt het Duits- Franse vredesverdrag ondertekend dat 3 zaken stipuleert. Ten eerste gaat Elzas- Lotharingen over in Duitse handen. Bismarck had dus niet kunnen weerstaan aan wat 5
  • 21. gebiedsuitbreiding. Ten tweede moeten de Fransen een schadevergoeding betalen. Ten derde wordt besloten dat de Duitse troepen pas NA de Franse betaling het grondgebied verlaten. De socialistisch-geïnspireerden zagen in maart 1871 een nieuwe kans om een verandering teweeg te brengen. Alles wat links was ging naar deze zogenaamde Parijs Commune. Ditmaal was het het Franse leger dat een einde aan de Commune en de socialistische droom maakte in mei 1871. Rusland werd omwille van zijn neutraliteit tijdens de Pruisisch-Franse oorlog beloond. De neutraliteitsbepaling van het Verdrag van Parijs ( 1856 ) werd ten voordele van Rusland opgeheven in het Pontusverdrag. Groot-Brittannië hield zich de ganse tijd opmerkelijk afwezig. 6. Visies op de totstandkoming van Duitsland : Zowel marxistische als niet-marxistische historici beschouwen de diplomatie die door Bismarck en Cavour werd gevoerd als toonaangevend voorbeeld van een Realpolitik. Er zijn verschillende visies op het totstandkomen van Duitsland. Ten eerste zijn er de ‘Rankianen’ die vooral in externe factoren de oorzaak van een verenigd Duitsland zien. De Krimoorlog wordt gezien als een scharnierpunt in de diplomatieke trend : vóór de Krimoorlog was diplomatie een defensief middel dat erop gericht was oorlog te vermijden. De Krimoorlog luidde het begin in van de diplomatie als offensief middel met het oog op het voeren van een oorlog. Ten tweede zijn er die historici die meer belang hechten aan interne factoren. Zo zien zij de grotere afstandelijkheid van Groot-Brittannië op het wereldtoneel evenals de verzwakking van Oostenrijk als hoofdoorzaken van de Duitse eenmaking. Rest ons nog iets te zeggen over de interpretaties van K. Marx en F. Engels zélf. Zij stelden zich op als voorstanders van de Pruisisch-Franse oorlog en van de Bismarck- diplomatie. Deze stellingname verhulde een strategische keuze. Beiden waren beïnvloed door Carl von Clausewitz en zagen in dat oorlogsvoering nu totaal was geworden. Ook zagen zij een oorlog als een revolutionair gebeuren waarlangs de arbeidersklasse politieke macht zou kunnen veroveren. Duitsland zou jammer genoeg niet het sociale paradijs worden waarop beiden gehoopt hadden. Hun tijdelijke steun aan het nationalisme van de heersende burgerij had twee gevolgen. Ten eerste ontstond het “revisionisme”, een niet-revolutionaire vorm van het socialisme. Ten tweede zouden hun ideeën toch weerklank vinden in Rusland met Lenin en Trotsky. De basis voor het communisme werd gelegd in de inschattingsfout van 1870-1871. De hoogdravende uitspraak “Proletariërs aller landen – verenigt u” zal in het zicht van de nakende oorlog niet meer dan een hopeloze vredesboodschap blijken. 6
  • 22. Ken Lawrence 3T4 Hoofdstuk IV 1. Het Bismarck-systeem De periode 1871-1899 wordt gekenmerkt door intensieve diplomatieke inspanningen vanwege het verenigde Duitsland. Bismarck besefte weliswaar dat Duitsland een grote en sterke mogendheid was geworden, maar maakte zich geen illusies over de uitkomst van een confrontatie tussen Duitsland en een alliantie van mogendheden. Hij ging zijn diplomatie dan ook richten op het voorkomen dat de centrale ligging van Duitsland op het Europese continent hen fataal zou worden. Volgens mij heeft heden ten dage Israël ook zo’n gevaarlijke ligging. Een alliantie tussen omliggende moslimlanden gericht tegen Israël zou voor deze laatste nefast zijn. In tegenstelling tot het toenmalige Duitsland kan Israël wel rekenen op een sterke bondgenoot, de Verenigde Staten. Mijns inziens heeft deze via zijn optreden in Irak een sterk signaal willen uitzenden naar de andere moslimlanden in het Midden-Oosten.We kunnen stellen dat Bismarck 2 hoofddoelen had om de Duitse toekomst veilig te stellen : ten eerste diende Frankrijk geïsoleerd te blijven; ten tweede moesten de gespannen verhoudingen tussen Duitsland, Rusland en Oostenrijk verbeterd worden. Het isoleren van Frankrijk ging het beste door enerzijds de Duitse relaties met de overige mogendheden te verbeteren en anderzijds de Franse imperialistische ambities aan te moedigen. Dit laatste lijkt op het eerste zicht contra-productief, maar het Franse imperialisme zou botsen met het Britse. Voor Duitsland was in dat geval de rol van bemiddelende instantie weggelegd. De tweede doelstelling zou minder makkelijk haalbaar blijken. De verzwakking van het Ottomaanse Rijk in het Balkan-gebied wekte de interesse van zowel Oostenrijk als van Rusland. Een confrontatie tussen deze twee landen vermijden, was dan ook de boodschap. Op 6 mei 1873 sloten Duitsland en Rusland een Conventie waarin ze elkaar wederzijdse militaire steun beloofden indien één van beiden door een andere Europese mogendheid zou worden aangevallen. Een maand later sloot Rusland ook een ( minder verregaande ) Conventie met Oostenrijk. Bismarck kreeg gedaan wat hij wou : een ‘Driekeizersentente’ tussen Wilhelm I, Frans-Jozef en tsaar Alexander II om Frankrijk diplomatiek te isoleren en de relaties tussen de drie landen te verbeteren. De Balkan vormde in de zomer van 1875 het strijdtoneel waar Rusland zich profileerde. De opstanden begonnen in Bosnië-Herzegovina en een jaar later kwamen de Bulgaren massaal in opstand tegen de Turkse overheersers. De Turken onderdrukten de revoltes op een bijzonder bloederige wijze waarbij niemand werd gespaard. In het boek staat dat deze moordpartij nog steeds ontzettend zwaar weegt op Bulgaars-Turkse relaties. Ik maak me dan ook de bedenking dat de haat die de Bulgaren na afloop van de Tweede Balkanoorlog in 1913 jegens voornamelijk de Serviërs voelden wel uitzonderlijk groot moet geweest zijn opdat de Bulgaren zich aansloten bij de Centrale Mogendheden in WO I, wat de Turken ook deden! In 1875 ondernam Rusland een militaire actie tegen de Turken op de Balkan. Hoewel de Russen Groot-Brittannië en Oostenrijk-Hongarije hadden verzekerd dat ze niet aan het statuut van de zee- engten ( Verdrag van Parijs – 1856 ) zouden komen, gebeurt dit toch. De Turken werden door de Russen verslagen en werden gedwongen het Verdrag van San Stefano te aanvaarden. Dit Verdrag bepaalde ten eerste dat Servië, Montenegro en het reeds autonome Bulgarije onafhankelijk werden en dat Armenië, Kreta en Bosnië-Herzegovina zelfbestuur krijgen. Hier zien we een mooie illustratie van de Russische drang naar de creatie van satellietstaten. Ten tweede werd 1
  • 23. besloten een groot-Bulgaarse staat op te richten die in de praktijk onder Russisch toezicht zou staan. Uiteraard waren Groot-Brittannië en Oostenrijk-Hongarije allerminst te spreken over dit Verdrag van San Stefano. Groot-Brittannië vreesde een al te grote Russische aanwezigheid in de zee-engten van de Bosporus. Oostenrijk-Hongarije zag dan weer met lede ogen de creatie van Russische satellietstaten aan en het verlies van de invloedssfeer in de Balkan. Bismarck merkte de spanningen tussen de mogendheden op. Hij wenste een oorlog indien mogelijk te voorkomen of minstens uit te stellen. Hij trad dus op als bemiddelaar bij onderhandelingen die uitmondden in het Verdrag van Berlijn ( juli 1878 ). De Britse eerste minister Disraeli haalde zijn slag thuis : Rusland werd teruggefloten. Van een groot-Bulgaarse staat kwam voorlopig niets terecht en Cyprus kwam onder Brits gezag. De Russische tsaar was woedend op Bismarck wiens schuld het was dat de gunstige regeling van het Verdrag van San Stefano zo goed als teniet werd gedaan. Rest ons nog te zeggen dat het Verdrag van Berlijn ook een, wat later zou blijken, fatale fout maakte. Bosnië-Herzegovina ging namelijk over in de handen van Oostenrijk-Hongarije. Wat de gevolgen van de latere annexatie waren, zullen we nog bespreken. Bismarck bleek wel een érg handige jongen te zijn. Eerst zorgde hij ervoor dat Duitsland een geheim defensief verdrag met Oostenrijk-Hongarije sloot ( Akkoord van Gastein – 1879 ) met het oog op een mogelijke Russische aanval. Vervolgens kon hij het Russische wantrouwen rond het geheime verdrag doen afnemen. Bismarck slaagde er op 18 juni 1881 in de Driekeizersentente te hernieuwen! Deze entente hield in dat Rusland en Oostenrijk-Hongarije neutraal zouden blijven indien het opnieuw tot een oorlog zou komen tussen Duitsland en Frankrijk. Anderzijds zouden Duitsland en Oostenrijk neutraal blijven indien Rusland in conflict zou komen met Groot- Brittannië ( bv. in Centraal-Azië ). Ondertussen voelde Italië zich door het Franse koloniale beleid in Tunesië gedwarsboomd. Op 20 mei 1882 trad Italië toe tot de Tweebond; zo kwam de Triple Alliantie tot stand. De verplichtingen van de verschillende landen in de Alliantie waren niet dezelfde. Italië zou militaire steun krijgen indien het door Frankrijk zou aangevallen worden, maar zou niet tussenbeide komen indien Oostenrijk-Hongarije door de Russen werd aangevallen. De Driekeizersentente en de Triple Alliantie vormden samen de diplomatieke basis van het zogenaamde ‘Bismarck- systeem’ dat erop gericht was de hierbovengenoemde hoofddoelen van Bismarck te realiseren. De Balkan-spanning tussen Oostenrijk en Rusland hing als een zwaard van Damocles boven dit systeem. Door zich te binden aan de Habsburgers zou Duitsland later meegesleurd worden in WO I. 2. Kolonisatie en imperialisme Ondertussen werd de basis gelegd voor een toekomstige botsing tussen de mogendheden ten gevolge van hun vaak agressief koloniaal beleid. Vanuit Algerije veroverden de Fransen Tunis, wat zoals vermeld leidde tot de Italiaanse toetreding tot de Tweebond. De Britten vonden het hun morele plicht de grootheid van hun natie te beklemtonen in koloniale gebiedsveroveringen. De aankoop van een 7/16-aandelenparticipatie in de Suezmaatschappij was dan ook een middel om de invloedssfeer in Egypte te versterken. Een opstand werd handig gebruikt door de Britten om hun greep op Egypte te verstevigen. Met in het achterhoofd hun handels-en diplomatieke belangen die nauw verbonden waren met het Suezkanaal begonnen de Britten vanaf 1882 aan de feitelijke bezetting van Egypte. De Fransen protesteerden hier fel tegen en in oktober 1882 kwam het tot een compromis : het Suezkanaal kreeg een internationaal statuut. 2
  • 24. Niet alleen in Noord-Afrika was de spanning te snijden. De ‘Scramble for Africa’ was een intens gebeuren in het laatste kwartaal van de negentiende eeuw. Zuid-Afrika had voornamelijk Britse interesse gewekt. De ontdekking van diamant en goud leidde tot een toenemende Britse druk op zuidelijk Afrika. De Boerenoorlog zou er het tragische gevolg van worden. Ook Oost-Afrika oefende een grote aantrekkingskracht uit op de Britten, voornamelijk gezien de Britse pogingen om de weg naar India veilig te stellen. De Britten veroverden telkens een nieuw gebied ter bescherming van hun vorige verovering. Zo bekwamen ze achtereenvolgens Soudan, Somalië, Kenia en Oeganda. Later zouden de Britten het Tanganjika-gebied aan Bismarck schenken. West-en Centraal-Afrika waren dan weer het doel van de Fransen en in mindere mate de Portugezen ( die de steun kregen van de Britten teneinde de Franse expansie in te dijken ). De Fransen veroverden Senegal en Niger. In Centraal-Afrika werd het wat complexer. Pierre Brazza had het noordelijk deel van het Kongobekken voor de Fransen veroverd. De Belgische koning Leopold II had echter reeds aanspraak gemaakt op dat gebied in het kader van … wetenschapsprojecten. Uiteraard ging het om de exploitatie van het gebied! Om een oplossing te vinden voor de toegenomen spanningen tussen mogendheden ten gevolge van hun imperialisme in Afrika werd te Berlijn een Internationale Conferentie gehouden van 15 november 1884 tot 26 februari 1885. Bismarck trad opnieuw op als bemiddelaar, maar zijn rol als ‘eerlijke makelaar’ ten tijde van de eerste Balkancrisis kon hij niet meer waarmaken. Daarvoor was zijn steun aan Jules Ferry te groot geweest. Desalniettemin kwam men tot een aantal overeenkomsten en werd Centraal-Afrika verdeeld tussen de verschillende Europese koloniale machten. Ten eerste kwam men tot een aantal internationale regels als voorwaarden voor de erkenning van annexaties in Afrika. Daartoe behoorden het concept van ‘effective occupation’, de handelsvrijheid en neutraliteit in het geval van een Europese oorlog van het Kongobekken en de afschaffing van de slavenhandel in de veroverde gebieden. De eigenlijke verdeling van Centraal-Afrika zag er als volgt uit : Frankrijk behield wat het veroverd had op de rechteroever van de Kongostroom, Portugal kreeg alleen Kabinda. Kongo-Vrijstaat werd opgericht onder de persoonlijke souvereiniteit van Leopold II. Ik herinner me vroeger gelezen te hebben dat de verdelingen van de Internationale Conferentie van Berlijn ( die soms letterlijk met de meetlat gebeurden ) ervoor gezorgd hebben dat rivaliserende volksstammen zoals de Hutu’s en de Tutsi’s in één gebied werden geplaatst. De rampzalige gevolgen daarvan gelden nog tot op de dag van vandaag! Buiten Afrika was er ook een gelijkaardige ‘Scramble for Asia’ aan de gang. Tussen de Britten en de Russen ontstonden spanningen over Afghanistan. De Fransen waren dan weer actief in Indo- China. 3. De val van Bismarck en de politiek van Wilhelm II Een aantal factoren liggen aan de basis van het einde van het Bismarck-bewind. Eerst en vooral verloor Bismarck de belangrijke Franse steun van Jules Ferry toen deze laatste werd afgezet. Men verweet hem te veel bezig te zijn met de Franse expansie in plaats van zich dichter bij huis te richten op de herovering van Elzas-Lotharingen. Bismarck zelf werd dan weer bekritiseerd omwille van het feit dat Duitsland nauwelijks iets aan expansiepolitiek had ondernomen. Bovendien leidde de generatiekloof tussen Bismarck en de ambitieuze nieuwe keizer Wilhelm II tot een hele reeks conflicten. Geconfronteerd met het Franse revanchisme en de nationalistische gevoelens die weer opborrelden in de Balkan zocht Bismarck nog een tegengewicht. Een hernieuwing van de Driekeizersentente was onmogelijk, maar Bismarck slaagde er wél in een, zij 3
  • 25. het maar voor 3 jaar geldig, bilateraal defensief verdrag met Rusland te sluiten, het zogenaamde Herverzekeringsverdrag ( 18 juni 1887 ). De Russen stelden Bismarck voor de keuze die hij met zijn handig gekronkel zo lang uit de weg had kunnen gaan : een positie innemen ten opzichte van de Balkan. Ofwel zou Duitsland de Russen steunen, ofwel de dubbelmonarchie Oostenrijk- Hongarije. Bismarck zat in een dilemma. Toen hij hoorde dat er sprake zou zijn van Franse- Russische toenadering moest hij iets ondernemen. Hij trachtte logischerwijze tot een akkoord met de Britten te komen, maar dit mislukte, evenals een hernieuwing van het Herverzekeringsverdrag dat door Wilhelm II werd tegengehouden! Zo werd hij tot aftreden gedwongen. De Weltpolitik van Wilhelm II kon geen radicalere breuk zijn met de zorgvuldige ‘evenwichtsdiplomatie’ van Bismarck. Wilhelm II wilde van de Duitse natie de grootste en meest imposante maken. Zo verklaarde hij op de vijfentwintigste verjaardag van het Duitse Rijk het volgende programma : “Wereldpolitiek als opdracht, wereldmacht als doel en een Duitse vloot als werktuig”. Zijn houding kweekte een superioriteitsgevoel dat vooral de Britten en de Russen dwars zat. De Fransen zagen hun kans om uit het diplomatieke isolement te geraken. In december 1893 sloten zij een geheim defensieverdrag met de Russen. Wilhelm II joeg niet alleen de Russen tegen zich in het harnas. Het ‘Brittania rules the waves’ kwam in gevaar door het ‘Flottenverein’. Admiraal von Tirpitz, de architect van de Duitse vloot wilde er iets groots van maken en de orders bleven maar binnenstromen bij de industriëlen. Nooit met het doel om daadwerkelijk oorlog te voeren, maar wel om het beeld van een imposante natie uit te stralen. Zo interpreteerden de Britten echter de Bagdad-spoorlijn niet. De Berlijn-Byzantium-Bagdad-spoorlijn van Wilhelm II ging namelijk dwars over de Bosporus, maakte het Suezkanaal onnodig en bracht de weg naar India in het gedrang. 4. De onophoudelijke mars van het imperialisme De verdeling van West-Afrika werd het onderwerp van een Brits-Frans akkoord in juni 1896. Groot-Brittannië deed de beste zaak en kreeg Gambia, Sierra Leone, Gold Coast en Nigeria. Frankrijk kreeg de minder belangrijke, maar beter aan elkaar gesloten gebieden. Zuid-Afrika werd in 1899 tot 1902 het strijdtoneel voor een bloedige oorlog, de Boerenoorlog. De “Boerenregering” vocht met guerrilla-technieken tegen de regering Chamberlain die er niet voor terugdeinsde concentratiekampmethodes uit te testen op de vijand. Voor het eerst kwam de pers naar voren als een instantie die een grote invloed uitoefende op de publieke opinie. Heden ten dage worden de media vaak aangewend om de opinies van mensen te beïnvloeden. Denken we maar aan de oprichting van een Amerikaans televisie-station in Irak ten einde een pro- Amerikaanse houding te stimuleren. In Oost-Afrika leed Italië een vernederende nederlaag en werd aldus de allereerste Europese mogendheid die het onderspit moest delven in een koloniale oorlog. Nadat Italië Eritrea had bezet wou het samen met Menelik en zijn Eritrese stamgenoten komaf maken met de Ethiopische keizer. De gezamenlijke troepenmacht behaalde de overwinning, maar Italië moest met lede ogen toekijken hoe hun bondgenoot Menelik zicht tegen hen keerde en het Italiaans expeditieleger versloeg. Italië moest de onafhankelijkheid van Ethiopië erkennen. Eerlijkheidshalve kunnen we terecht opmerken dat Italië zélf nu ook niet bepaald de meest trouwe bondgenoot zal blijken ( ten tijde van WO I was Italië lid van de Triple Alliance, maar ging het land onmiddellijk over tot aansluiting bij de Geallieerden ). Zo’n 50 jaar na de Ethiopische onafhankelijkheid zal Mussolini 4
  • 26. alsnog wraak nemen en een vernietigende gasaanval uitvoeren die aan een miljoen Ethiopiërs het leven zal kosten. In Soedan kwam het bijna tot een militair treffen tussen Britse en Franse troepen toen deze laatsten zich al te zeer profileerden in gebieden die de Britten onder controle hadden. De diplomatieke tussenkomst van de Franse minister Delcassé voorkwam een oorlog. 5. Problemen voor de Turken en de Chinezen In het prille begin van de 20ste eeuw werd de tanende macht van Abdoel Hamid II in het Ottomaanse Rijk duidelijk. De liberaal-nationalistische Jong Turken scandeerden dat het regime corrupt en aan de Westers mogendheden overgeleverd was. Interne moeilijkheden ( o.a. muiterij in het leger ) leidden tot de annexatie van Bosnië-Herzegovina door Oostenrijk-Hongarije. De Duitse keizer ( voorstander van de islam ) was niet te spreken over de gedwongen integratie van alle volkeren waar de Jong Turken voor ijverden. Wanneer we later de gruweldaden zien van de Turken tegen de Armeense bevolking kunnen we stellen dat hij gelijk had. Verder naar het Oosten kwam China in grote problemen. Doorheen de ganse geschiedenis vormde Korea de speelbal tussen China en Japan. Het akkoord tussen beide landen uit 1885 kwam in gevaar toen de Chinezen de Tong Hak revolte onderdrukten op Korea. De Japanners betwistten opnieuw de Chinese greep op Korea. Nadat Japanse troepen de Koreaanse koning hadden gegijzeld en aldus deze regering dwongen de Chinezen het land uit te sturen, verklaarden deze laatsten begrijpelijkerwijze de oorlog aan de Japanners … wat ze beter niet hadden gedaan. Het moderne Japanse leger walste letterlijk over de Chinese militairen en nog geen jaar later erkende China de Japanse militaire superioriteit in het Verdrag van Sjimonoseki dat erg streng was voor de Chinezen. Korea zou “onafhankelijk” worden, maar was in de praktijk afhankelijk van de Japanners. Een deel van het grondgebied, waaronder Port Arthur, ging over in Japanse handen. Het Verdrag werd nog aangevuld met een oorlogsschatting en bepaalde handelsvoorwaarden. Dan kwamen de gieren. Duitse, Franse en Russische ambassadeurs eisten ook een deel van de buit en Japan verloor Port Arthur; de Russen beheerden de haven. Daarvoor werd een geheim Russisch-Chinees akkoord gesloten dat bepaalde dat Rusland ook een concessie kreeg om doorheen Mantsjoerije een verbinding met de “transsiberische” spoorweg aan te leggen. De Japanse frustratie om dit Russisch gedrag leidde in 1904 tot een militair treffen. Ook Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië pikten hun graantje mee. Belangrijk was Hong Kong. Daar slaagden de Britten in om een concessie voor 99 jaar af te dwingen. In China zélf stond de situatie op springen. Niet alleen was China op een vernederende wijze behandeld na het verlies van Japan, maar het had ook te kampen met natuurrampen, hongersnood en een algemene economische depressie door de greep van vreemde mogendheden. In 1900 koelden vele Chinezen hun woede op de vreemdelingen. De Boksers ( I-ho chu’an ) hadden vrij spel daar de Chinese regering zich niet geroepen voelde in te grijpen. Een internationale interventiemacht sloeg de Boskersrevolte uiteindelijk neer. Belangrijk om te noteren is dat de Verenigde Staten ook deelnamen aan de troepenmacht. We zullen later zien dat zij deze interventie gebruiken ( misbruiken ) om hun invloedssfeer in de regio uit te breiden. Zouden de Amerikanen momenteel ook trachten hun Irak-interventie te gebruiken om in het Midden-Oosten een Amerikaans gezind bewind te installeren en aldus meer invloed te verwerven in de regio? 5
  • 27. De vraag over hoe het nu verder moest met China bleef grotendeels onbeantwoord. Het Boxer- protocol bevatte enkel sancties en straffen, geen aanbevelingen voor de toekomst waardoor de verwarring en onzekerheid bleven. 6. Amerikaans imperialisme Amerika groeide in sneltempo. De bevolking nam pijlsnel toe. De gebieden in het noorden werden aan het VS-territorium toegevoegd. De industrie werd efficiënter en expandeerde. De vraag die onvermijdelijk de kop opstak was dan ook niet “Gaat Amerika een expansief buitenlands beleid voeren?”, maar waar gaat het dat doen? De republikeinse presidenten W. MacKinley en T.Roosevelt boden het antwoord. Ze steunden zich onder meer op het boek van Ten eerste werd afgerekend met de Spaanse koloniale macht in het Caribisch gebied. De ontploffing op een Amerikaanse kruiser in Havana vormde de aanleiding. Cuba werd onafhankelijk verklaard doch het Platt Amendement hield feitelijke afhankelijkheid in van de Verenigde Staten. Het lijkt me wat te vergelijken met wat de Japanners met Korea deden in het Verdrag van Sjimonoseki. Op dit punt zien we de invloed van industriëlen op het beleid van de (Republikeinse!) president van de Verenigde Staten. Ten einde van de overproductie af te raken – het Taylorisme had de arbeid zó efficiënt gemaakt dat overproductie een onvermijdelijk gevolg was, vooral in tijden van economische instabiliteit – wilde men de immense Chinese afzetmarkt bereiken. Zo begon de gestage opmars van de VS in die regio. Puerto Rico en Guam kwamen onder VS-controle. Roosevelt ( op dat moment assistent secretaris van de marine zag er geen graten in om een oorlog te beginnen teneinde de Filippijnen te annexeren ( we herinneren ons dat de diplomatie al een tijdje een offensief middel was geworden ). Uiteindelijk kunnen we stellen dat de VS de Filippijnen hebben gekocht voor 20 miljoen dollar wat technisch gezien een oorlogsschatting was. De opeenvolgende inlijving en verovering van Hawaï, een deel van de Samoa-eilanden en het eiland Wake leidden tot de onvermijdelijk botsing tussen het Amerikaanse en het Europese imperialisme. De zogenaamde Break-up of China baarde de Amerikanen zorgen. Zou de VS nog wel de vruchten kunnen plukken van haar noeste arbeid? Zou China door de Europese belangen ontoegankelijk blijven voor Amerikaanse handel? De Amerikaanse staatssecretaris John Hay lanceerde het voorstel om een Open Door Policy te respecteren. De voornaamste mogendheden werden gevraagd het recht op vestiging en vooral op vrijhandel in China te garanderen. Rest ons nog te zeggen dat zoals hierboven vermeld de Amerikanen ook handig wisten gebruik te maken van hun deelname aan de interventie tegen de Boksers-revolte. In Samsah Inlet werd een havenconcessie gezocht, iets waarover de Japanners niet blij waren. Het transoceanische Panama-kanaal kaderde in de theorieën van T.Mahan. Hij had aangetoond hoe belangrijk een uitgebreide vloot was om een supermogendheid te worden. Een echte Amerikaanse wereldwijde strategie werd nu mogelijk. Het Panama-kanaal was er niet zonder slag of stoot gekomen. De Britten waren wel akkoord dat de Amerikanen de onderneming volledig op zich zouden nemen, maar één van hun voorwaarden was dat de betrokken staten waardoor het kanaal zou lopen akkoord zouden gaan. Toen de Colombiaanse senaat weigerde het akkoord dat hun regering met de Amerikanen had gesloten hieromtrent goed te keuren, steunden deze laatsten prompt de Panamese onafhankelijkheidsstrijders. Nauwelijks enkele maanden later haalden de Panamezen de overwinning en aanvaardden uiteraard onmiddellijk het Amerikaanse voorstel over het kanaal. Op 5 augustus 1914 werd het kanaal onder exclusieve VS-controle operationeel. De legitimatie van de Amerikaanse interventies in Midden-en Zuid-Amerika kwam er met de Roosevelt Corollary, de actualisering van de Monroe-doctrine. Roosevelt gaf aan dat het in het 6
  • 28. algemeen Amerikaanse belang was dat er in die regio’s werd ingegrepen. Dit Roosevelt Corollary had vooral een grote impact op de Caribische staten waar de regering van de Verenigde Staten nu op volledig legitieme wijze kon interveniëren in de belangrijkste souvereiniteitsaangelegenheden van deze staten. 7. Interpretaties : Het imperialisme en kolonialisme kunnen op vele wijzen geïnterpreteerd worden. John Atkinson Hobson publiceerde in 1902 zijn studie over het imperialisme waarin hij de toename van de rivaliteit tussen de imperialistische mogendheden toeschreef aan de opmars van de financiële belangen. De nieuwe technische mogelijkheden boden immense opportuniteiten aan zij die ondernemend van geest waren, maar hielden ook steeds grotere financiële risico’s in die steeds door staatsgaranties moesten gewaarborgd worden. Het leek op het ongezonde mercantillisme van een vergeten verleden. De verschillende marxistische interpretaties vinden vooral hun oorsprong in het werk van Hilferding. Hij wees op de toenemende macht van financieringsinstellingen en banken op het gehele productieproces wat volgens hem leidde tot de imperialistische mentaliteit. De concentratie van kapitaal zorgde voor steeds groter wordende monopolies die door de staat werden beschermd tegen andere mogendheden teneinde nog grotere monopolies te verwezenlijken. Op dezelfde denkpiste zitten mensen als Kautsky en Lenin. Beiden zagen in dat de weg open lag naar een internationaal verenigd grootkapitaal, maar op een belangrijk punt waren ze een andere mening toegedaan. Daar waar Klautsky de hoop uitdrukte dat zo’n ultra- kapitalisme zou kunnen leiden tot een grotere stabiliteit met minder imperialistische rivaliteiten zag Lenin het somberder in; verschuivingen in machtsverhoudingen en concurrentieposities zouden onafwendbaar leiden tot antagonisme tussen de verschillende mogendheden. De visie van Lenin werd door het uitbreken van WO I als de juiste gezien. Graag had ik stilgestaan bij de huidige situatie. Op het eerste zicht kunnen we zeggen dat de globalisatie tot stabiliteit heeft geleid. Supra-nationale instanties zijn er in geslaagd een klimaat van vrede te scheppen in de Westerse wereld. Geschillen tussen mogendheden worden op diplomatiek verantwoorde manier besproken en met veel tact opgelost. De internationale vereniging van kapitaal zorgt voor ongekende handelsmogelijkheden. De economie herpakt zich na het dipje van de “dot-com bubble-burst”. Leven we daadwerkelijk in een stabiel systeem? Men moet maar even denken aan de toenemende dreiging van het terrorisme om het plaatje al heel wat minder rooskleurig te maken. De “oorlog” die nu gevoerd wordt is er geen tegen een soevereine staat. Symbolen van kapitaalmonopolies ( WTC ) zijn het eerste doelwit. Ook met minder moordende afloop hebben we de brandende voertuigen en stukgeslagen etalages door de anti-globalisten als stille getuigen van een inherent onstabiel systeem… Rest ons nog te vermelden dat het imperialisme en het nationalisme beiden racisme in zich dragen. De “vanzelfsprekende” rassensuperioriteit kwam naar voor in vele werken ( het werk van Stewart Chamberlain, Manifest Destiny, Mission Civilisatrice, Sonderweg, White Man’s Burden, … ) en werd een bijkomende motivatie voor de mogendheden om het grondgebied van de inferieure rassen te veroveren. Uiteindelijk culmineerden deze ideeën in de ontwikkeling van totalitaire systemen en in de holocaust op de joden. 7
  • 29. Extra : *Er zit naar mijn mening ontzettend veel waarheid in de voetnoot n°15 op p.93. Er staat ‘Of the two, the British were probably the more frightened and therefore the more aggressive.’ Zoiets zien we de dag van vandaag ook met de Irakoorlog. Het angstklimaat dat heerst na 11 september 2001 leidt tot een ‘pre-emptive strike’ op dat regime waar de Amerikanen het meest bang voor zijn. De Bush-administratie speelt in op de angst die het Amerikaanse publiek via de media wordt ingepompt. Als zij niet eerst aanvielen werd de kans dat Irak met massavernietigingswapens een tweede 11 september veroorzaakte alsmaar groter. *Ik vind het opmerkelijk ( citaat van Brugmans op p.99 ) dat zo’n imperialistische houding de gangbare werd. Het is juist deze houding waarop Napoleon I werd bekritiseerd! 8
  • 30. Ken Lawrence 3T4 Hoofdstuk V In het prille begin van de 20ste eeuw gingen stemmen op die waarschuwden voor het in het gedrang komen van de wereldvrede door het heersende geopolitieke klimaat. De eerste Nobelprijs voor de vrede werd uitgereikt, vredesliga’s werden opgericht en conferenties werden georganiseerd. Een overzicht van de gebeurtenissen zal een beeld geven van de algemene gemoedstoestand en het geldende nationaal chauvinisme die uiteindelijk in 1914 tot die fatale “Grote Oorlog” zullen lijden. 1. Een tijd van vredesconferenties, ententes … en oorlog De initiatiefnemer van de Eerste Internationale Vredesconferentie ( Den Haag – 1899 ) was de Russische tsaar Nicolaas II. Tot de dag van vandaag vormen de drie conventies die uit de onderhandelingen resulteerden de basis voor diplomatieke verzoening en het oorlogsrecht. Een eerste conventie handelde over het op vreedzame wijze regelen van internationale geschillen. Deze conventie leidde tot de oprichting van het Permanent Hof van Arbitrage. De twee andere conventies behandelden het oorlogsrecht te land en ter zee die beiden op een meer humane wijze dienden uitgewerkt te worden. Men mag zich geen illusies maken over deze Eerste Internationale die vooral als mistgordijn diende om de vele “ententes” die omwille van imperialistische doeleinden werden gesloten, te verhullen. De Britten zochten in die periode bijvoorbeeld de Duitsers om een alliantieverdrag te sluiten. De Duitse kanselier von Bülow aarzelde en liet de kans liggen om met de Britten of de Russen een bondgenootschap te sluiten. Groot-Brittannië ging niet bij de pakken zitten en had binnen de kortste keren twee bondgenoten. Groot-Brittannië ging eerst aankloppen bij de Japanners. Het Brits-Japans Alliantie-verdrag kwam probleemloos tot stand in 1902 vermits beide mogendheden er alle belang bij hadden een machtige partner te hebben. Japan was nog steeds gefrustreerd op de Russen omdat het door hen was dat Japan de op China veroverde gebieden had moeten teruggeven. Japan besefte dan ook dat het in de niet al te verre toekomst tot een Japans-Russische confrontatie zou komen. Groot- Brittannië had dan weer pijnlijk moeten vaststellen dat het militair tekort schoot tijdens de Boerenoorlog. Een partner hebben als Japan, de opkomende macht in de “Pacific”, was dan ook waardevol om zélf de positie op het Aziatisch Continent te verstevigen. Het Brits-Japanse Alliantie-verdrag was vooral symbolisch van inhoud : als één van beiden door één macht zou aangevallen worden dan was het de taak van de andere om te voorkomen dat meerdere mogendheden de ene zouden aanvallen. Gebeurde dit laatste toch, dan moesten beide landen zij aan zij vechten. Een Brits-Franse “entente”, de zogenaamde “Entente Cordiale” kwam wat moeizamer tot stand. Beide landen zagen de agressieve Duitse handelspraktijken als bedreigend, maar er waren twee probleemgebieden op het Afrikaanse continent waar beide mogendheden uiteindelijk een compromis wisten te bereiken ( 8 april 1904 ). Frankrijk verzaakte aan zijn aanspraken op Egypte als de Britten hetzelfde zouden doen met Marokko. In verband met Marokko werd voor de Britten één uitzondering gemaakt : Tanger werd een neutrale haven. De Britten hadden hierdoor 1
  • 31. nog steeds de controle over de toegang tot de Middellandse Zee daar zij ook nog Gibraltar bezaten. De Brits-Japanse Alliantie zou al snel in de praktijk omgezet worden. De reden tot de oorlog was de Japanse frustratie om het Russische gedrag voornamelijk wat betreft de Russische bezetting van Port Arthur. Ook de transsiberische spoorverbinding vormde een doorn in het oog van de Japanners. We mogen hierbij niet uit het oog verliezen dat zowel Port Arthur als de spoorweg, het gevolg waren van een geheim akkoord ( 1896 ) tussen de Russen en de Chinezen, de Japanse aartsvijanden. De Japanners vroegen de Russen beleefd, maar kordaat Mantsjoerije te ontruimen. Deze eis was erg redelijk, want vastgelegd in de uit 1895-daterende Conventie van Peking. Nadat de Russen weigerden en diplomatieke onderhandelingen geen effect hadden, besloten de Japanners tot de aanval over te gaan. Het Russische leger werd zowel op het land ( bij Moekden ) als op het water ( bij Tsjoesjima ) vrij snel overwonnen. De vredesonderhandelingen werden geleid door de Amerikaanse president die na het sturen van interventietroepen naar de Boksersrevolte ongetwijfeld opnieuw een kans zag om de Amerikaanse invloed in Azië uit te breiden. Het Vredesverdrag van Portsmouth ( 1905 ) was het resultaat van deze onderhandelingen en stipuleerde het volgende : Japan kreeg de haven van Port Arthur, het zuidelijk deel van Sachalin, de Russische bezittingen in Mantsjoerije en het protectoraat over Korea. Ik heb mezelf de bedenking gemaakt dat Korea de Aziatische tegenhanger is van Elzas-Lotharingen! De Japanners voerden stelselmatig hun druk op Korea op en uiteindelijk moest Korea op 22 augustus 1910 een opgedrongen annexatieverdrag ondertekenen. Wilhelm II was niet te spreken over de Frans-Britse “entente” en trachtte, door wat zout in de wonde genaamd Marokko te wrijven, de tegenstelling tussen beide landen op te drijven. Op die manier wou hij komen tot een verbreking van de “Entente Cordiale” waardoor de weg vrij lag voor de entente Duitsland-Rusland-Frankrijk. Het geschil ( de Eerste Marokkaanse crisis ) werd beslecht op de Internationale Conferentie te Algeciras. Op die Conferentie kwam Duitsland meteen “to the point” : waarom zouden alleen de Fransen tussenbeide mogen komen in interne Marokkaanse aangelegenheden? Roosevelt was opnieuw de bemiddelaar en ook hier werd een compromis bereikt. Meerbepaald zou Marokko “open” zijn zodat ook bijvoorbeeld Duitsland er handel mee kon drijven. Anderzijds werd de politiemacht over de Marokkaanse havens onder Frans-Spaanse bevoegdheid geplaatst. Belangrijker dan deze concrete resultaten was het feit dat het Duitse plannetje zich tegen hen had gekeerd. De populariteit van Duitsland kreeg een flinke deuk en de kiem werd gelegd voor Brits-Russische toenadering. Deze toenadering kwam in een sneltempo door een aantal verschillende factoren. Eerst en vooral werden de Britten geconfronteerd met het Duitse expansiebeleid. In het Midden-Oosten werd de Duitse invloed door de Bagdad-spoorlijn alsmaar groter. Bovendien hadden de Duitsers besloten hun vloot uit te breiden, iets waar de Britten zéker niet over te spreken waren, aangezien hun zeehegemonie als vanzelfsprekend werd beschouwd. De andere mogendheid, Rusland, had een ernstige klap te verduren gekregen met het verlies tegen Japan. Een regeling met Groot-Brittannië was voor de stabiliteit van het land van groot belang. In 1907 bereikten Groot-Brittannië en Rusland een akkoord omtrent hun invloedssferen in Azië ( meerbepaald het randgebied van Indië ). De “Triple Entente” werd aldus een feit door de drie bilaterale verdragen : Frankrijk-Rusland ( 1893 ), Frankrijk-Groot-Brittannië ( 1904 ) en Groot-Brittannië-Rusland ( 1907 ). 2
  • 32. Groot-Brittannië verloor rond deze tijd heel wat van zijn prestige. De grootmacht had te kampen met problemen in India ( interne, gewelddadige opstoten ) en China ( de Mantsjoe-dynastie vervangen door een republiek ). Wat de Britten vooral dwars zat was wat ze aanvoelden als een toenemende Duitse agressiviteit op het vlak van de handel en vlootbewapening. De “two powers standard” kwam in het gedrang. Elke Britse vlootuitbreiding resulteerde in een Duitse vlootuitbreiding en vice versa. Met de nieuwe Duitse kanselier Bethmann-Hollweg leek een diplomatieke oplossing voor de absurde rivaliteit even in de lucht te hangen, maar admiraal von Tirpitz en de Franse regering-Poincaré zagen zo’n diplomatieke oplossing niet zitten. Ondertussen borrelden er weer problemen op in Marokko waar de Franse politie haar macht volop misbruikte. De Duitse regering wees de Fransen erop dat in februari 1905 beide landen een akkoord hadden gesloten waarbij het Franse protectoraat door Duitsland werd erkend ALS Duitsland in staat werd gesteld vrij handel te drijven in Marokko. Dit laatste was door de houding van de Franse troepen onmogelijk. Duitsland eiste dan ook de volledige toepassing van dit akkoord, alsook dat van Algeciras. Om de Fransen te tonen dat het hen menens was, stuurden de Duitsers een slagschip de haven van Agadir binnen ( 1 juli 1911 ). Dit werd de aanleiding tot de Tweede Marokkaanse crisis. Deze crisis had een aantal belangrijke gevolgen. Ten eerste verzuurden de Frans-Duitse betrekkingen en ook een oplossing voor de Brits-Duitse vlootrivaliteit leek verder dan ooit. Ten tweede werd een compromis bereikt dat geen van de verschillende partijen echt tevreden stelde. Duitsland kreeg weliswaar Kameroen en erkende de Franse protectoraatsrechten op Marokko, maar de Duitsers vonden Kameroen weinig interessant daar waar de Fransen het juist beschouwden als een bedreiging voor hun invloedssfeer in Midden-Afrika. 2. De Balkan : een brandhaard in wording De tegenstellingen tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije met betrekking tot het Balkangebied werden alsmaar scherper. Oostenrijk-Hongarije wou kost wat kost ( en het zou wat kosten … ) het nationalisme op de Balkan onderdrukken. De tijdelijke verzwakking van Rusland ten gevolge van de Japans-Russische oorlog werd aangegrepen om Bosnië en Herzegovina in te lijven bij Oostenrijk-Hongarije. De Servische nationalisten ( o.a. in Bosnië, waar ook Kroaten woonden ), de Russen en de Turken waren fél tegen deze stunt van de Dubbelmonarchie, maar de ruggesteun die Oostenrijk-Hongarije kreeg van Duitsland was groter dan de Britse en Franse steun waarop de Russen konden rekenen. De Turken kregen het een paar jaar later zwaar te verduren toen het zogenaamde Verbond van Balkanvolkeren ( Servië, Griekenland en Bulgarije ) werd opgericht met maar één doel : de Turkse overheersers verdrijven uit Macedonië. In 1913 leidde dit tot de Eerste Balkanoorlog die door het “Verbond” werd gewonnen. Het vredesakkoord dat volgde bepaalde dat Turkije in Europa nog slechts twee gebieden overhield : Istanboel en een kleine kuststrook aan de zee- engten. Nu Macedonië was “bevrijd”, ontstond een machtsvacuüm. Het “Verbond” werd verbroken en een bittere strijd om de verdeling van Macedonië barste los tussen de vroegere bondgenoten. Meerbepaald stond Bulgarije tegenover Servië, Griekenland en Roemenië dat zich bij deze twee laatsten had gevoegd. Bulgarije had geen kans tegen deze verzamelde troepenmacht en kon niet anders dan in het Vredesakkoord van Boekarest ( augustus 1913 ) zijn aanspraken op Macedonië te laten varen. De Serven en Grieken kregen elk delen van Macedonië en de Bulgaren moesten Adrianopel opnieuw aan de Turken afstaan. Verder kunnen we nog zeggen dat de Oostenrijkers de Serviërs pestten door Albanië op te richten als een onafhankelijke staat. Hierdoor hadden de Serviërs namelijk geen doorgang naar de Adriatische Zee. De Bulgaarse frustraties verklaren hun latere toetreding tot de Centrale Mogendheden tijdens WO I. De 3
  • 33. Oostenrijkse greep op Bosnië-Herzegovina zat de Serviërs dan weer érg hoog en zou in 1914 leidden tot de moord op de Oostenrijkse kroonprinses en zijn vrouw. Dit zou de directe aanleiding zijn tot de Eerste Wereldoorlog. Het directe gevolg van de Balkan-oorlogen was dat de banden tussen de verschillende mogendheden ( Triple Entente en Triple Alliantie ) werden versterkt. Er kwam in Europa een ongezonde oorlogspsychose op gang. Men maakte het volk bang zodat de belastingen konden verhoogd worden waarmee men dan het militaire apparaat kon uitbreiden wat dan weer goed was voor de economie. Een laatste Duitse poging om tot een diplomatieke overeenkomst te komen met Groot-Brittannië mislukte. Geen van beide partijen wou inbinden en uiteindelijk zouden de hoofdrolspelers de dienstplicht verlengen. Kleinere landen zagen de bui hangen en België bijvoorbeeld voerde in 1913 de algemene en persoonlijke dienstplicht in. Interpretaties : Rest ons nog te zeggen dat er uiteraard alternatieve oplossingen werden voorgesteld. De aanhangers van een vredesstrategie, de internationale arbitragemechanismen en de socialistische internationales zouden met pijn in het hart moeten vaststellen dat het uitdelen van Nobelprijzen en het houden van betogen over de uitzichtloosheid van een met technologisch-geavanceerde wapentuigen gevoerde oorlog niets veranderden aan de bittere realiteit van een algemeen op bloed belust klimaat van nationaal chauvinisme, superioriteitsgevoel en jarenlange onderdrukking. Extra : Het citaat van Roosevelt op pagina 118 is brandend actueel. Onlangs verscheen in Knack een artikel van John Gillingham, docent hedendaagse geschiedenis aan de universiteit van Missouri, waarin China ( opnieuw ) een opkomende ( communistische ! ) grootmacht werd genoemd. 4
  • 34. ( Doordat Duitsland trouw moest blijven aan Oostenrijk-Hongarije werd het land meegesleurd in WO I ) Even mijn kritiek botvieren op de beslissingen van Poincaré. Niet alleen besluit hij geen einde te maken aan de Duits-Britse vlootrivaliteit ( P.123 ), maar het is ook hij die de absurd hoge herstelbetalingen van Duitsland verlangt na WO I die rechtstreeks verantwoordelijk waren voor het floppen van de Weimar-republiek en die één van hoofdelementen waren waardoor Hitler steeds meer steun vond. Citaat Roosevelt, P.118 : Opnieuw actueel daar China opnieuw een opkomende wereldmacht is. Bovendien is het interessant om te zien of een communistisch land zal kunnen meedraaien in de wereldeconomie. 5
  • 35. Ken Lawrence 3T4 Hoofdstuk VI De kettingreactie : Een overzicht van de oorlogsperiode 1914-1918 leest als een gigantische kettingreactie, een stortvloed aan ‘onvermijdelijke’ oorlogsverklaringen ten gevolge van aangegane verbintenissen tussen twee grote blokken die uiteindelijk als twee gigantische vloedgolven tegen elkaar opbotsten, terugvloeiden en verwoede pogingen ondernamen om uit de deadlock te geraken. De moord op de Oostenrijkse kroonprins Frans-Ferdinand en zijn vrouw door de Servische radicale nationalist Gravilo Printsip vormde de aanleiding voor een ultimatum van keizer Frans- Jozef aan het adres van de Serviërs. De Serviërs konden niet akkoord gaan met de eis dat Oostenrijkse ambtenaren mee zouden werken aan een onderzoek naar de organisatoren van de moord, de “Zwarte Hand”. Dit zou de Servische onafhankelijkheid in het gedrang brengen. Voorgestelde diplomatieke oplossingen zoals het voorleggen van het geschil aan het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag werden geweigerd door Oostenrijk-Hongarije dat op 28 juli 1914 de oorlog verklaarde aan Servië. Servië ging onmiddellijk aankloppen bij Rusland dat het algemeen mobilisatiebevel gaf nadat bleek dat Oostenrijk Belgrado ( Noord-Servië ) had beschoten. Duitsland reageerde onmiddellijk en eiste dat Rusland met deze mobilisatie zou stoppen. Toen hieraan geen gehoor werd gegeven, verklaarde Duitsland op 1 augustus 1914 de oorlog aan Rusland. Deze laatste contacteerde Frankrijk vermits beiden een geheim defensie- verdrag hadden ondertekend. De Fransen steunden openlijk de Russen en op 3 augustus 1914 verklaarde Duitsland meteen de oorlog aan Frankrijk. Het Von Schlieffenplan van de Duitsers hield een snelle opmars door België in om aldus de Fransen te kunnen aanvallen. Uiteraard hield dit een inbreuk in op het Verdrag van Londen ( 1839 ) waar de Belgische neutraliteit werd gewaarborgd. De Duitsers meenden dat de Britten niet zouden reageren, maar toen op 4 augustus 1914 Duitse troepen het Belgische grondgebied schonden, verklaarde Groot-Brittannië nog dezelfde dag de oorlog aan Duitsland. Duitsland en Oostenrijk-Hongarije richtten zich toen op het Ottomaanse Rijk. De Turken werden geacht de Bosporus en Dardanellen af te sluiten om de Russische bevoorradingslijnen via de Zwarte Zee af te snijden. Toen Turkije hiermee akkoord bleek verklaarde de Triple Entente de oorlog aan Turkije waardoor Turkije gedwongen werd de zijde van de Triple Alliantie te kiezen. De Triple Alliantie werd niet in haar geheel gerespecteerd. De Italianen oordeelden dat de overwinningskansen van de Centrale Mogendheden te gering waren. Bovendien wilde Oostenrijk-Hongarije niet spreken over enige gebiedsafstand als Italië aan hun zijde vocht. De Italianen gingen vervolgens naar de tegenpartij waar de onderhandelingen beter vlotten; op 26 april 1915 werd het geheim Verdrag van Londen ondertekend en Italië stond aan de zijde van de Geallieerden. Na de oorlog zouden ze namelijk volgens dit verdrag Zuid-Tirol, Trente, Triëst, Fiume en een gedeelte van de Duitse kolonies annexeren. De Balkanstaten kozen dan weer hun positie op basis van de voorbije Balkan- oorlogen. Zo sloot Bulgarije zich aan bij de Centrale Mogendheden om wraak te nemen op Servië. Roemenië en Griekenland sloten zich logischerwijze aan bij de Geallieerden tegen de Turken. Ook niet-Europese landen en de kolonies ( die troepen moesten leveren ) werden mee in de oorlog gesleurd. Van de twee opkomende grootmachten koos Japan de zijde van de Geallieerden. De Verenigde Staten hielden vast aan hun isolationistisch beleid. 1
  • 36. Ivan Bloch had het juist neergeschreven toen hij het in zijn boek ‘Oorlog der toekomst’ had over een ‘uitzichtloze verdedigingsoorlog’. Het Duitse plan om snel komaf te maken met de Fransen en zo de andere Geallieerden te demotiveren, mislukte. De Duitsers hadden weliswaar op 3 september 1914 goede vooruitzichten op een verovering van Parijs, maar werden geconfronteerd met hevig verzet in Verdun. Ze kregen nota bene zelfs een tegenoffensief aan de Marne te verduren. De Duitsers planden vervolgens een boogbeweging door België om zo tot Calais door te stoten, de toegang voor de Franse bondgenoot Groot-Brittannië onmogelijk te maken en aldus Parijs te belegeren. Zoals wel vaker met Duitse militaire strategieën bleef het bij plannen. De slag aan de IJzer dwong de Duitsers hun steunpunten op de linkeroever van de IJzer op te geven. Het westelijk front zat volledig vast en de afgrijselijke gruwel van een loopgravenoorlog kon beginnen. De bewegingsoorlog was veranderd in een globale uitputtingsoorlog. De slagen bij Verdun ( vanaf februari 1916 ) en aan de Somme ( juli-november 1916 ) leidden tot felle reacties. Militairen in hun modderige loopgraven, omgeven door ongedierte en met een nijpend tekort aan voedsel schreven hun dagboeken vol met aanklachten over de zinloosheid van de oorlog en stelden de beslissingen van hun oversten in vraag. Wie hierop betrapt werd riskeerde als landverrader gefusilleerd te worden. Het is pijnlijk te moeten vaststellen dat het eerste voorstel tot onderhandelen vanwege de Centrale Mogendheden niet meer dan een afleidingsmanoeuvre was. Alleszins was in 1916 een compromis verder af dan ooit. De Geallieerden eisten dat de Centrale Mogendheden alle gebieden ontruimden die ze bezetten. Daarbovenop eisten ze de ontvoogding van niet-Turkse volksgroepen in het Ottomaanse Rijk, van Elzas-Lotharingen, van Polen, Italianen, Roemenen, Tsjechen, Slovaken en Kroaten. De Duitsers waren enkel bereid om België te ontruimen, maar koppelden dit aan verregaande voorwaarden. We mogen gerust stellen dat de Centralen omwille van de verwachte militaire successen in Midden-Europa en de pas uitgewerkte duikbotenstrategie in 1916 hun ‘diplomatieke onderhandelingen’ enkel hadden aangevat om de dissidente publieke opinie de mond te snoeren. In 1917 begonnen de Duitsers met hun “Unbeschränkte U-Boote-Krieg”. Deze was erop gericht de Britten uit te hongeren. Het “onbeperkte” karakter baarde de Amerikaanse financiële en zakenwereld zorgen. Toen de Duitse onderzeeërs alsmaar meer schepen van neutrale mogendheden kelderden, groeide de kritiek. Het tot zinken brengen van het Amerikaanse passagiersschip Vigilentia werd de directe aanleiding voor de Amerikaanse oorlogsverklaring aan de Centrale Mogendheden. De aanvulling van de Geallieerde troepen met de Amerikaanse zorgde voor een overwicht aan Geallieerde zijde. De Amerikanen stelden wel érg duidelijk dat hun deelname aan de oorlog gelegitimeerd was door hun continue steun aan democratie en de rechten van kleine naties. Hun deelname was zeker niet nationalistisch geïnspireerd; iets was ze in hun uitgebreide Veertienpuntenprogramma benadrukten. De belangrijkste elementen van dit programma waren het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren volgens het nationaliteitenprincipe, de afschaffing van geheime diplomatie en de oprichting van een Volkenbond, een controlerend orgaan dat toezicht zou houden op de nieuwe internationale orde. Bovendien deed het programma enkele concrete voorstellen over de politieke grenzen van Europa ( onder meer het gebied van Elzas-Lotharingen terug naar de Fransen en het herstellen van de Belgische onafhankelijkheid ). De Duitsers lieten in april 1917 een aantal Russische revolutionairen die in ballingschap in Zwitserland leefden, terugkeren naar Rusland. Deze Bolsjeviki waren namelijk tegen de Russische deelname aan de oorlog. Onder hen was ook Vladimir Oeljanov ( Lenin ). Met de Oktoberrevolutie in november 1917 maakten de Bolsjeviki komaf met het Kerenski-regime. De 2
  • 37. staatsmacht behoorde toe aan een Raad van Volkscommissarissen met Lenin als voorzitter. Reeds op 15 december 1917 werd een wapenstilstandsverdrag met Duitsland gesloten. De revolutionairen hoopten de onderhandelingen omtrent een definitief vredesakkoord nog even te kunnen uitstellen om in de Sovjet-Unie de rust te laten weerkeren, maar de Duisters dwongen hen het Vredesakkoord van Brest-Litowsk te ondertekenen. De onderhandelingsmacht van de Sovjets was nog té gering en de inhoud van het verdrag was dan ook erg nadelig voor de Sovjet-Unie : het verloor de Poolse en Baltische territoria. De Geallieerden zagen dit akkoord als een eenzijdig verbreken van het Akkoord van Londen. De ondertekening had tot gevolg dat het Oostfront wegviel voor de Duitsers en dat ze zich dus volledig konden concentreren op het Westelijk front. Dat deden ze ook en op 21 maart 1918 begonnen ze aan een groot offensief dat in eerste instantie gericht was tegen Amiens. Deze aanval was erg succesvol en de Geallieerden vreesden even voor het verlies van de Franse hoofdstad. De nieuwe opperbevelhebber van de Geallieerden in Frankrijk, maarschalk Foch ( “de quoi s’agit-il?” ) wist echter de situatie recht te trekken bij enkele veldslagen nabij Ieper, Reims en aan de Marne. Hij zette zelfs een tegenaanval in ( Tweede slag aan de Marne ) en de Duitsers moesten zich terugtrekken. Nadat twee maanden later de Geallieerden het front op de Balkan doorbraken en later ook op het westfront een militaire overwinning gingen boeken in de Hindenburglinie, wist de Duitse maarschalk Erich von Ludendorff dat een nederlaag niet meer te vermijden was.Von Ludendorff wilde de eer van het Duitse leger redden. Daarvoor nam hij een paar maatregelen die later door de fascisten handig zouden worden uitgebuit. Hij zorgde voor het ontstaan van de zogenaamde “dolksteek-theorie”. Deze theorie hield vol dat het Duitse leger nog een kans maakte, maar dat de defaitisten in de nieuwe sociaal-democratische burgerregering de handdoek veel te vroeg in de ring hadden gegooid. Het Duitse leger had ook niet gecapituleerd. Bulgarije was de eerste van de bondgenoten van de Centralen die op 29 september 1918 een wapenstilstandsakkoord ondertekende. Vervolgens gaven ook de Turken het op. Zij kregen het vanwege de Britse regering hard te verduren daar deze laatste de bezetting eiste van de zee- engten en van de petroleuminstallatie in Batoem en Bakoe. Nog voor de definitieve wapenstilstand viel Oostenrijk-Hongarije uiteen. Op 28 oktober 1918 werd de Tsjechische republiek uitgeroepen en de Kroaten, Slovenen en Serviërs kondigden de oprichting van een Groot-Slavische staat aan. Op 3 november 1918 sloot Oostenrijk een wapenstilstandsverdrag met Italië waarop deze laatste onmiddellijk de Oostenrijkse gebieden bezette waar het “recht op had”. In Duitsland zelf werd de toestand ook onhoudbaar. Op diverse plaatsen braken sovjet-revoltes uit. De keizer deed troonsafstand in de hoop de revolutionairen te sussen en er kwam een democratische republiek. Deze werd gedwongen om samen met het leger de communistische revoltes te onderdrukken. Er wordt gesproken van het jaar van de “Verraden Revolutie” die ook reeds even ter sprake kwam bij de interpretaties van hoofdstuk III in verband met Marx en Engels. Net zoals von Ludendorff het wenste was het de sociaal-democratische regering van Fritz Ebert die op 11 november 1918 gedwongen was om een wapenstilstandsakkoord te aanvaarden. De Geallieerden stelden strenge eisen die op de vredesonderhandelingen van Parijs nog zouden aangevuld worden. Ten eerste dienden de Duitsers de bezette gebieden België, Frankrijk en Elzas-Lotharingen te ontruimen binnen de 14 dagen. Daarna kregen ze 16 dagen om hun troepen van de linker-Rijnoever terug te trekken. Men bakende op de rechter-Rijnoever een gebied van 50 kilometer af dat neutraal moest blijven. Ten tweede werden de Duitsers gedwongen tot ontwapening. Ten derde dienden alle krijgsgevangenen ogenblikkelijk te worden vrijgelaten hoewel een gelijkaardige regeling voor de krijgsgevangenen van de Geallieerden niet werd uitgevoerd. 3
  • 38. De vredesonderhandelingen die volgden op de definitieve wapenstilstand hadden, zoals vermeld, plaats in Parijs. Omwille van de vaak – om niet te zeggen meestal – tegengestelde belangen van de aanwezige onderhandelaars, hun onmacht om te beseffen dat dit soort oorlog niet kon opgelost worden in een enge nationalistisch-geïnspireerde visie en het onvermogen om zich te distantiëren van al het lijden van de oorlog en niet met wraakneigingen in het achterhoofd te onderhandelen, stellen we vast dat hier reeds de basis werd gelegd waarop extreem-rechts in de jaren ’30 kon teren. Hoewel er 32 staten deelnamen aan de besprekingen waren het vooral de vijf grote mogendheden, Frankrijk, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Italië en Japan die de meeste invloed hadden. De Grote Drie – Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten – legden het meeste gewicht in de schaal. Frankrijk wilde profijt halen uit de vastlegging van nieuwe grenzen met Duitsland ( o.a. in het westelijk Rijngebied en het Saargebied ), maar daar waren noch de Britten, noch de Amerikanen happig op. Bovendien wilden de Fransen de Duitse militaire macht breken en eisten ze erg hoge herstelbetalingen. Groot-Brittannië trachtte op de onderhandelingen een delicate balans te vinden tussen enerzijds een Duitsland dat op navaal en handelsvlak geen bedreiging meer vormde en anderzijds een niet al te sterke Franse invloedssfeer op het Europese continent. De Amerikaanse president Woodrow Wilson ijverde dan weer voor het toepassen van zijn “Veertien Punten”-programma. Italië tenslotte eiste dat Frankrijk en Groot-Brittannië het Akkoord van Londen uit 1915 zouden naleven. De vredesverdragen die uit de bus kwamen, vielen niet bij alle partijen in goede aarde. Voor elke Centrale Mogendheid en zijn bondgenoten was er een afzonderlijk verdrag. Wat de voormalige Dubbelmonarchie betrof : met Oostenrijk werd het Verdrag van Saint-Germain ( 10 september 1919 ) gesloten en met Hongarije het Verdrag van Trianon ( 4 juni 1920 ). Wat de bondgenoten van de Centralen betrof : met Bulgarije werd het Verdrag van Neuilly ( 27 november 1919 ) gesloten en aan Turkije werd het Verdrag van Sèvres ( 10 augustus 1920 ) opgedrongen. Dit laatste verdrag is belangrijk niet alleen omdat het officieel het einde bezegelde van het Ottomaanse Rijk, maar ook omdat het een aantal mandaatgebieden aan Geallieerde mogendheden toekende, wat in een later stadium tot problemen zou lijden. Zo kreeg Engeland het mandaat over Palestina, Transjordanië en Irak. Frankrijk kreeg het mandaat over Syrië en Libanon. Smyrna werd dan weer Grieks grondgebied. De Bosporus en Dardanellen werden onder toezicht van een inter-Geallieerde commissie geplaatst. Het belangrijkste verdrag dat in Parijs uit de bus kwam, is ongetwijfeld het Verdrag van Versailles. Wat een mijlpaal had moeten worden in internationaal, pacifistisch overleg werd een instrument van wraak en een bron van frustratie. Het Verdrag werd op 28 juni 1919 ondertekend en omvatte regelingen over vier verschillende domeinen. Ten eerste waren er de militaire regelingen. De belangrijkste elementen zijn de drastische inkrimping van het Duitse leger en het demilitariseren van de linker-Rijnoever. Ten tweede waren er de territoriale regelingen. Frankrijk kreeg Elzas-Lotharingen terug en mocht 15 jaar lang de mijnen in het Saargebied ontginnen. Het gebied ging niet over in Franse handen, maar na enkele jaren zou een referendum de inwoners de keuze geven over aansluiting bij Frankrijk dan wel bij Duitsland. België verkreeg het gebied van Eupen-Malmedy-Moresnet, het mandaat over Rwanda en Burundi en prioriteit op een deel van de herstelbetalingen ( zie verder ). Bovendien werd het “permanent en gewapend” statuut van België ( daterende uit 1839 ) niet langer vereist. De oostgrens van Duitsland veranderde ook doordat Polen weer een onafhankelijke staat werd en de zogenaamde Dantziger Corridor – een toegang van 80 kilometer tot de Baltische Zee – in het leven werd geroepen. De voormalige Dubbelmonarchie barstte uit elkaar in drie nieuwe staten : Tsjecho-Slowakije, Oostenrijk en Hongarije. Deze laatste twee werden behoorlijk zwaar bestraft. Oostenrijk verloor zijn toegang tot de Adriatische Zee. 4
  • 39. Hongarije verloor een deel van zijn grondgebied ( Slowakije aan Tsjecho-Slowakije, Kroatië aan Joegoslavië – aanvankelijk het Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen - en Transsylvanië aan Roemenië ) en had ook geen uitweg meer naar zee. De Russen wisten ook wat een verlies van grondgebied betekende. Na de oorlog moest het Sovjet-regime de onafhankelijkheid van de Baltische staten – Letland, Estland, Litouwen –, Finland en Polen aanvaarden. We moeten hier aanstippen dat deze territoriale regelingen zoveel kwaad bloed zetten bij eens grote mogendheden die hun teloorgang niet onder ogen wilden zien, dat er opnieuw – zij het op kleinere schaal – bloedige conflicten losbarstten. Na WO I kon een oorlog dus nog steeds; je had alleen een leger en een sterke leider nodig. Zo was er de Grieks- Turkse oorlog. Deze werd geleid door de nationalistisch-geïnspireerde Jong Turken die niet aanvaardden dat de Grieken Smyrna ( in Anatolië ) kregen. Het Turkse leger won en de Grieken werden verdreven. Het Verdrag van Lausanne ( 24 juli 1923 ) erkende dat de Turken nu de touwtjes in handen hadden in Smyrna. Ook de leiders van de Sovjet-Unie lieten het tot een oorlog komen omwille van de manier waarop de Pools-Russische grens werd bepaald. In dit geval haalde de agressor het niet. Het Rode Leger werd tot in Oekraïne teruggedrongen en de Sovjet- Unie werd op de Conferentie van Riga ( maart 1921 ) tot nog grotere toegevingen gedwongen. Een derde domein in het Verdrag van Versailles, waren de zogenaamde herstelbetalingen. Duitsland werd verantwoordelijk gehouden voor de oorlog en na lang-aanslepende onderhandelingen en de oprichting van een Commissie werd het uiteindelijke bedrag van de Duitse schuld op 212 miljard goudmark bepaald. Het waren voornamelijk de Fransen die op deze betalingen stonden. Andere economische maatregelen tegen de Duitsers lagen dan meer in het verlengde van wat de Britten wensten. Zo moest Duitsland afstand doen van een groot deel van zijn vloot. Ten vierde bleek het prestige dat de Amerikaanse president genoot tijdens de vredesonderhandelingen voldoende om de Volkenbondorganisatie als één van zijn Veertien Punten door te drukken. Deze wereldorganisatie – opgenomen in het Verdrag van Versailles en ingesteld op 28 april 1919 – moest ervoor zorgen dat geschillen in de toekomst niet meer tot zo’n absolute oorlog zouden leiden, maar op een vredelievende manier zouden opgelost worden. De Volkenbond bestond uit drie delen. Ten eerste was er de Algemene Vergadering van wie beslissingen over o.a. de toelating van nieuwe leden met unanimiteit diende te gebeuren. Ten tweede was er de Raad die uit vijf permanente leden ( de Verenigde Staten, Frankrijk, het Britse Rijk, Italië en Japan ) en vier niet-permanente leden bestond. Ten derde was er het Permanent Secretariaat -het enige permanente orgaan – dat bestond uit een bonte verzameling experts op verschillende domeinen die de internationale verdragen moesten registreren en publiceren. Het idealisme van Wilson kreeg een serieuze klap toen de Amerikaanse Senaat weigerde het Verdrag van Versailles te ratificeren. Wilson verloor de eerstvolgende presidentsverkiezingen en zijn republikeinse opvolger Warren G. Harding liet het aloude isolationisme van de VS weer de kop opsteken. De vijfde permanente plaats in de Volkenbond werd in 1925 ingevuld door Duitsland ( Locarno-pact ). Een laatste organisatie die werd opgericht op de Vredesconferentie was de Internationale Arbeidsorganisatie waarin zowel lidstaten als werkgevers en werknemers zetelden. Het principe van de achturendag werd onmiddellijk aanvaard. De reacties op de resultaten van de Vredesconferentie waren erg uiteenlopend. Sommige landen belandden opnieuw in een oorlogssituatie zoals hierboven reeds vermeld. De Britten waren vrij positief omdat ze hun imperialistische droom weer een stapje dichter waanden. Kritische stemmen zoals die van de econoom J.M. Keynes zouden pas later ( te laat ! ) gehoor vinden. De 5
  • 40. Franse politici geloofden met volle overtuiging in de herstelbetalingen die Frankrijk er weer bovenop zouden brengen, daar waar het Franse volk nog volop bezig was het trauma van het verlies van bijna een ganse generatie jongelui te verwerken. De Italiaanse reactie was uiterst negatief daar de gebieden die Italië beloofd waren, overgingen in handen van de Serven, Kroaten en Slovenen. Na een Italiaanse bezetting verkregen de Italianen dan toch Fiume in 1922. De relatie met de Sovjets werd er alleszins niet beter op. Niet alleen mochten zij niet deelnemen aan de besprekingen omwille van hun ondertekening van Brest-Litowsk, maar de Europese mogendheden hadden ook nog eens tijdens de revolutie openlijk hun steun betuigd aan de Wit- Russische generaals. In plaats van tot een constructieve dialoog te komen, besloten de Europese mogendheden de communistische ideologie af te zonderen door rondom de Sovjet-Unie vijandige, fascistische staten ( vb. Tsjecho-Slowakije )te creëren! De Japanners waren ook allerminst tevreden : in plaats van de gebieden die ze op de Duisters hadden veroverd te mogen behouden, werden ze gedwongen deze aan hun aartsvijand China te geven. Hoewel het Duitse territorium vrijwel geheel intact bleef, was de reactie op het “Diktat van Versailles” erg negatief. De druk van de herstelbetalingen en de “dolksteek-theorie” leidden tot een burgeroorlog waarvoor men dacht dat de komst van de Weimarrepubliek de oplossing was. De N.S.D.A.P. en Hitler zouden dankbaar gebruik maken van de chaos, de revolutionaire stemming, het gebrek aan een krachtige oppositie en het onbegrip en de woede van het volk om volledig verantwoordelijk gehouden te worden voor de “Grote oorlog”. Frustratie en verbittering ook in de nieuwe nationale staten – opgericht volgens Wilsons zelfbeschikkingsrecht van de volkeren – waar de minderheden niet als een soort “patchwork”- model samenleefden, maar waar de gebrekkige bescherming van de minoriteiten tot een massale vluchtelingenstroom leidde. Het bereiken van een “patchwork” ging blijkbaar gepaard met etnische zuivering! De creatie van nieuwe grenzen had ook handels-en economische gevolgen en betekende een veelvoud aan mogelijke conflicten. De zinloosheid van de oorlog werd gereflecteerd in de voorgedragen oplossingen na de oorlog. De creatie van gemeenschappelijke Europese instellingen had veel toekomstig leed kunnen voorkomen. Het lijkt wat cru, maar mijns inziens zijn de meer dan negen miljoen doden voor niets gestorven. Interpretaties : Wie of wat nu juist de grote oorzaak was van WO I is een vraag die naargelang de geschiedkundige periode anders werd beantwoord. Algemeen kunnen we stellen dat er vijf domeinen kunnen erkend worden die via ingewikkelde wisselwerkingen samen tot de Grote Oorlog hebben geleid. Ten eerste zijn er de structureel historische factoren. Dient het gezegd te worden dat voor marxistisch-geïnspireerde auteurs het kapitalisme de grootste boosdoener was? Imperialisme werd beschouwd als iets waar een kapitalistische maatschappij onvermijdelijk naar evolueert. Andere auteurs trachtten dan weer de vaak pacifistische doelstellingen van financiers en industriëlen te beklemtonen. Toch erkent iedereen dat bepaalde belangengroepen invloed hebben uitgeoefend op hun respectievelijke regeringen. In het controversiële Nye-rapport ( jaren ’30 ) verdedigde senator Nye zijn stelling dat de Verenigde Staten aan de oorlog deelnamen omdat leningen aan de Westerse Geallieerden niet terugbetaald dreigden te worden. Ook het 6
  • 41. nationalisme kreeg als ideeëngoed ernstige klappen te verduren, niet in het minst van president Wilson. Volgens hem was de oorlog er gekomen omdat men in Europa zolang getracht had een “balance of power” in stand te houden die eigenlijk op los zand, meerbepaald op nationalistische doelstellingen, gefundeerd was. Hierdoor ontstond een gans netwerk van bilaterale verdragen waardoor een kettingreactie werd veroorzaakt wanneer één van deze verdragen werd uitgevoerd. Een andere oorzaak volgens Wilson was het miskennen van het recht op zelfbeschikking waardoor vele volkeren gefrustreerd waren ( o.a.de Serviërs met de moord op Frans-Ferdinand ). Andere interpretaties benadrukken dan weer de “survival of the fittest” theorie van Darwin, waarbij werd gewezen op het verval van het Ottomaanse Rijk en de Duitse ambities. Interessante theorieën vindt men terug bij een reeks auteurs die het in vraag stellen van een beschavingspatroon als een van de hoofdoorzaken van WO I zien. Kunstenaars en wetenschappers voelden reeds de spanningen, de onzekerheid, de angst die bij mensen leefde en die zich uitte in abstracte kunst, verregaande wetenschappelijke ( Einstein ) en psychologische ( Freud ) theorieën. Ten tweede zijn er verschillende interpretaties over de rol van de verschillende staten. Belangrijk in deze discussie is de bijdrage van Sidney Fay die wees op de beslissende houding van de Oostenrijkse regering evenals op de verantwoordelijkheid van de legerstaven die situaties vaak té eenzijdig voorstelden. De oorlog moest er komen, kon eenvoudigweg niet uit de weg worden gegaan. Hierin kadert ook het citaat van Barbara Tuchman op p.132. Na de Tweede Wereldoorlog spraken historici over de “gedeelde collectieve schuld” voor WO I, maar dat werd in 1962 ernstig in vraag gesteld door het boek van Fritz Fischer waarin hij de Duitse politiek als een afleidingsmanoeuvre zag voor de sociaal-economische problemen waarmee het land te kampen had. Na WO II werd uiteraard ook gediscussieerd over het verband tussen WO I en WO II. Ten derde speelde ook de militaire factor een belangrijke rol. De Duitse en Oostenrijks- Hongaarse legerstaf hebben gedebatteerd over welk tijdstip het “best” was om tot een oorlog over te gaan ( vb. von Schlieffen-plan ). Men koos het jaar 1914 uit omdat een preventieve oorlog op dat moment de Duitsers gunstiger leek dan later. Ook de technische mogelijkheden zoals de spoorwegen stonden in dienst van de militairen. Logistieke problemen werden hierdoor vrijwel geheel opgelost en zonder veel verliezen konden manschappen naar het slagveld worden gestuurd. Het leger had een grote invloed op de regeringen daar de politici toen oorlog nog steeds als een redelijk alternatief zagen voor het bereiken van politieke doelen. Ten vierde is er de rol van de politici. Vlak na de oorlog werd de schuld steeds bij de politici van de tegenpartij gelegd. Later besefte men dat zowat iedereen min of meer schuld had en werd kritiek op de eigen politici niet geschuwd. Ten vijfde benadrukken sommige historici dat het vaak onmogelijk is het kluwen van binnenlandse en buitenlandse factoren die tot de oorlog leidden uit elkaar te houden. De interne problemen waarmee landen te kampen hadden, konden opzij geschoven worden want er diende een oorlog gewonnen te worden! Ten laatste dienen we nog de visie van Arno Mayer weer te geven. Volgens hem was de “upper class” in Europa niet verdwenen na 1789 – 1815, maar pas met WO I. Het behoudsgezinde rechtse ideeëngoed drukte zijn stempel op het Verdrag van Versailles. Later zal deze elite haar steun betuigen aan de nazi’s teneinde haar belangen veilig te stellen voor links-radicalen. WO II betekent het einde van de dominante positie van deze conservatieve elite. Voor mij is WO I een absurd gokspel waarin een Geallieerde en een Centrale speler, elk bestaande uit hun respectievelijke legerleiding en politici, steeds hogere bedragen inzetten om het verlies van de vorige ronde goed te maken. Voor beiden is het spel iets onvermijdelijks, doch 7
  • 42. twijfelen aan de uiteindelijke overwinning doet geen van beiden. Verblind door nationalisme en de voortdurend beschikbare stroom aan jongemannen die als toekomstig kanonnenvlees ten strijde trekken, wil geen van beide gezichtsverlies leiden voor de achterban. Kritische stemmen worden gesmoord want voor de vaderlandsliefde en de glorierijke overwinning moet alles wijken. Stoppen of even stilstaan en kritisch nadenken over de rampzalige gevolgen is een optie die men zich niet kan permitteren. Hun eergevoel leidt de spelers op hun vlucht voorwaarts waar geen tijd is voor woorden, maar daden. Zelfs de regels van het gokspel liggen niet vast, maar worden voortdurend herschreven. Op welke regels zou men trouwens terugvallen? Met de “Gott ist tot”- filosofie van Nietzsche in het achterhoofd leidden deze gokverslaafden een “waarden-loze” strijd. Het samensmelten van zinloosheid en nihilisme creëerde een oorlogsklimaat dat beide spelers volledig boven het hoofd groeide. De onstopbare oorlogsmachine denderde als een op hol geslagen trein over de sporen tot de Centrale speler op de rand van het faillissement de goktafel moest verlaten…en prompt van de Geallieerde speler de rekening kreeg toegeschoven voor al diens geldelijk verlies! God is dood – Nietzsche, + p.166 ( techniek ) + Hoe meer soldaten men kon mobiliseren, hoe groter de kans dat de strijd werd gewonnen. ( door spoorwegen nataliteit sleutel militaire macht ) Angst voor gezichtsverlies, geen compromis sluiten, douter c’est déjà trahir un peu. Op weg naar slagveld = iedereen gelijk enige beetje van de ideeën van Marx etc… dat het gehaald heeft ?? Vlucht-voorwaarts strategie (ook weer à la techniek ), geen vragen stellen, gewoon doen. Nog iets zeggen over de onmacht van de Volkenbond. Eindigen met “In Flanders fields”… of iets anders. 8
  • 43. Does it matter?—losing your legs?... For people will always be kind, And you need not show that you mind When the others come in after hunting To gobble their muffins and eggs. Does it matter ?—losing your sight?... There's such splendid work for the blind; And people will always be kind, As you sit on the terrace remembering And turning your face to the light. Do they matter?—those dreams from the pit?... You can drink and forget and be glad, And people won't say that you're mad; For they'll know you've fought for your country And no one will worry a bit. What Nietzsche is concerned at in relating the above is that God is dead in the hearts of modern men - killed by rationalism and science. This same God however, before becoming dead in men's hearts and minds, had provided the foundation of a "Christian-moral" defining and uniting approach to life as a shared cultural set of belief fully within which people had lived their lives. Nietzsche seems to be suggesting that the acceptance of the Death of God will also involve the ending of accepted standards of morality and of purpose. Without the former and accepted faith based standards society is threatened by a nihilistic situation where peoples lives are not particularly constrained by considerations of morality or particularly guided by any faith related sense of purpose. 9
  • 44. Ken Lawrence 3T4 Samenvatting Hoofdstuk XVII Het minste dat we kunnen zeggen van het zogenaamde interbellum is dat de relaties tussen de Europese mogendheden grondig verziekt waren. De discussie omtrent het garanderen van de West-Europese veiligheid draaide rond de ontwapening van de verschillende mogendheden. Weerom stonden het Franse en het Britse standpunt haaks op elkaar. Groot-Brittannië redeneerde dat een vermindering van de in omloop-zijnde wapens het meeste tot vrede zou bijdragen; de Fransen vonden dat het aanhouden van hun militaire superioriteit op de Duitsers de beste garantie was. Dit doet mij wat denken aan de vele Amerikanen die in de hoop inbrekers buiten te houden een wapen onder hun kussen of in hun nachtkastje bewaren. Ook wat betreft de herstelbetalingen liepen de visies van beide mogendheden uiteen. J.M. Keynes voerde in zijn betoog aan dat alleen als Duitsland er economisch bovenop geholpen werd het in staat zou zijn om aan de geldelijke verplichtingen te voldoen. De Fransen hielden vast aan hun “Le Boche paiera”- credo. Op de Conferentie van Spa in juli 1920 kwam het dan ook tot felle discussies over de precieze omvang van de Duitse betalingen. Uiteindelijk werd 132 miljard goudmark ( ongeveer 10,9 miljard EUR ) het globale bedrag dat Duitsland geacht werd terug te betalen. We kunnen er nu al op wijzen dat dit astronomische bedrag steeds verlaagd zou worden,; met name in het Dawes-plan, Young-plan, het Hoover Moratorium en de Conferentie van Lozanne. Is het dan te verwonderen dat het economisch volledig ontredderde Duitsland waar de Weimarregering de situatie niet de baas kon zo’n makkelijke prooi was voor extreem-rechts? Inflatie nam buitensporige proporties aan en het monetaire systeem stuikte in elkaar. Wilson, die nog zo aangedrongen had op het laten vallen van een gans systeem aan bilaterale akkoorden ( dat hij als een van de hoofdoorzaken van WO I zag ) zal wel erg ontgoocheld geweest zijn toen de Franse regering net hiertoe overging. De Verenigde Staten zaten niet in de Volkenbond en Frankrijk zocht een alternatieve veiligheidsgarantie op basis van een reeks bilaterale verdragen. Het eerst land dat werd benaderd was België. Een tijdje leek het erop dat het Verdrag er niet zou komen. België had namelijk als voorwaarde gesteld dat Frankrijk akkoord zou gaan met een Belgisch- Luxemburgse Economische Unie. Ook zou Groot-Brittannië moeten toetreden tot het militaire akkoord dat door Frankrijk werd voorgesteld. De Britten weigerden. Het waren de Fransen die zich voornamelijk richtten op de Duitse naleving van de bepalingen uit het Verdrag van Versailles; België wenste eenvoudigweg zijn grondgebied te verdedigen. Ook binnen België was er verdeeldheid. De Vlaamse ministers bleken niet opgezet met een verregaande toenadering tussen België en Frankrijk. Uiteindelijk kwam het geheim Frans-Belgisch militair akkoord er toch en zou het nog voor vele controverses zorgen. De meningen waren namelijk erg verdeeld over het belang van het akkoord. De Fransen hadden er een verregaande interpretatie aan gegeven; de militaire alliantie zou hen toelaten zelfs buiten echte oorlogstijd het Belgisch grondgebied te betreden. Zeggen dat de Belgen het akkoord voornamelijk wensten om hun grondgebied te beschermen! Ze hadden nu wel de “zekerheid” dat het geen Duitse 1
  • 45. troepen zouden zijn, maar Fransen. De Belgische regering beweerde dat het niet meer dan een louter stafakkoord betrof. Niet alleen met België sloten de Fransen een bilateraal verdrag. Door het sluiten van zulke verdragen met Polen, Tsjecho-Slowakije, Roemenië en Joegoslavië kwam in 1921 de “Kleine Entente” tot stand. Wel dient gezegd te worden dat het hier om voornamelijk symbolische allianties ging. De Britse regering stond op de Conferentie van Londen in de zomer van 1922 achter een versoepeling van de Duitse betalingen. De Fransen gaven geen duimbreed toe en gingen over tot de bezetting van het Ruhrgebied om hun eisen kracht bij te zetten. België stuurde ook troepen omwille van het geheime akkoord met Frankrijk, maar deed dit allerminst met veel zin daar de Britten er niet over te spreken waren. Toen de regering Poincaré ook nog eens druk uitoefende op de Belgische regering opdat deze niet alleen een symbolische, maar ook volledig actief-participerende legermacht zou inzetten, was een verlenging van de dienstplicht noodzakelijk. Over deze tijdelijke verlenging viel de toenmalige regering Theunis omdat men de verlenging had gekoppeld aan de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit. De Duitse kanselier Cuno die eerst een oproep tot uitstel van de herstelbetalingen had gelanceerd, weigerde nu – in de hoop hierin gesteund te worden door de Britse regering – nog tot betaling over te gaan en het ganse land bevond zich in een staat van passieve weerstand. Toen de verwachte hulp vanwege de Britten uitbleef, werd Cuno aan de kant geschoven en vervangen door Gustav Stresemann. De regering-Stresemann had het allerminst makkelijk om haar gezag in de alsmaar meer- in-verval-rakende Weimarrepubliek te doen gelden. Afscheidingsbewegingen in het Rijnland, Beieren ( zelfs met staatsgreep ) en München plaagden deze regering. De zogenaamde nationaal-socialisten die in München actief waren ( Hitler, Göring, Röhm, Hess, e.a. ) trachtten een staatsgreep te plegen doch deze mislukte jammerlijk. De rust en stilte tijdens zijn korte gevangenisverblijf stelden Hitler in staat zijn visie op papier te zetten; “Mein Kampf” was een feit. Hitler had zich gerealiseerd dat hij eerst op een democratische wijze de macht in handen zou moeten krijgen om deze democratie daarna af te schaffen. De regering slaagde er in tot nieuwe onderhandelingen i.v.m. de betalingen te komen. Onder Britse en Amerikaanse druk werd het zogenaamde Dawes-plan uitgewerkt. Na de latere verkiezingsnederlaag van Poincaré stond niets dit plan nog in de weg. Voortaan zouden de jaarlijkse betalingen verbonden zijn aan het groeiritme van de Duitse economie. Wat de Sovjet-Unie betreft kunnen we zeggen dat de ondertekening van het akkoord van Brest-Litowsk officieel het begin betekende van de Sovjet-staat. In Europa keek men trouwens met een bang hart uit naar wat er in het oosten gebeurde, daar dit aanleiding had gegeven tot communistische revoltes in de rest van Europa ( Spartakus-opstand ). De oprichting van de derde Communistische Internationale of Comintern – gericht tegen het vooroorlogse revisionisme – werd als een oorlogsverklaring aan de westerse democratie beschouwd. 2
  • 46. De Fransen en Britten steunden volop de Witrussen in hun strijd tegen de Sovjets, doch in april en mei 1919 moesten hun troepen de aftocht blazen. De Amerikaanse strategie om het communisme in te dijken, was niet op een militaire interventie gebaseerd. De VS zag meer heil in een cordon sanitaire. Hierdoor kon Trotsky het Rode Leger echter verder organiseren om de revolutie ten allen prijze te verdedigen. Eigenaardig in deze woelige na-oorlogse periode werden de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen via diplomatieke weg onafhankelijk. Met het Poolse leger kwam het nog tot een confrontatie omwille van de exacte definiëring van de Pools-Russische westgrens ( de Curzon-linie ). De Sovjets delfden het onderspit tegen de Pools-Franse troepenmacht. Het Vredesakkoord van Riga ( 12 oktober 1920 ) hield een oostwaartse verschuiving in van de Curzon-linie. In het zuiden en het oosten waren het dan weer de Witrussen die ten onder gingen. Oekraïne, Azerbeidzjan, Georgië en Armenië stonden opnieuw onder Sovjet-bewind en de Wit-Russische generaals Kolchak en Denikin werden terechtgesteld. Binnen de Sovjet-Unie was de situatie schrijnend. Armoede, hongersnoden en de terreur van de staatspolitie kostten aan miljoenen mensen het leven. Lenin zag in dat er iets diende te gebeuren : hij startte de Nieuwe Economische Politiek ( N.E.P. ) op die voorzag in de liberalisering van de binnenlandse handel. Toen de Sovjets ook nog eens een handelsakkoord sloten met de Britten, kwamen vele westerse mogendheden tot de conclusie dat het communistisch experiment was mislukt. Op de Conferentie van Genua zocht de Sovjet-Unie nog meer toenadering tot het westen. Het hoofd van de Sovjet- delegatie was Tsjitserin die achter een actieve en vreedzame coëxistentie stond tussen het communistische en het kapitalistische systeem. Door de Fransen liep het ganse congres in het honderd. Ook hier was Poincaré de grote schuldige door zijn onwrikbare houding t.o.v. de Duitsers; Frankrijk wilde niet met de Duitsers in dezelfde commissie zetelen waardoor het tot geheime besprekingen kwam tussen Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie. De Duitsers beseften dat zo’n besprekingen nadelig konden zijn voor hen omdat de Sovjet-Unie via een zeker Artikel 116 van het Verdrag van Versailles nog bepaalde aanspraken kon laten gelden op herstelbetalingen vanwege de Duitsers. Doordat de Fransen een aantal van hun bezittingen hadden verloren door de nationalisaties van de Sovjet-Unie, zouden zij het met de Sovjets op een akkoordje kunnen gooien. De Sovjet- Unie zou Artikel 116 kunnen doen uitvoeren en het geld gebruiken om Frankrijk voor hun verliezen te vergoeden. Uiteindelijk gebeurde dit niet, maar de Duisters beseften dat het hen nog wel boven het hoofd hing. Wanneer de Sovjet-Unie Duitsland aansprak, was men hier onmiddellijk bereid om tot onderhandelingen ( te Rappalo ) over te gaan. De beide delegaties kwamen tot een overeenkomst : de Sovjet-Unie verzaakte aan haar rechten van Artikel 116 in ruil voor een aantal leningen en handelsbetrekkingen vanwege Duitsland. Deze aanzetten tot een voorzichtige toenadering van de Sovjet-Unie tot het westen kwamen echter met de dood van Lenin en de daaropvolgende machtsstrijd omtrent zijn opvolging tot een abrupt einde. Deze machtsstrijd kadert in de algemene opkomst van totalitaire regimes in Europa. In de Sovjet-Unie was de visie van Stalin ( hierin gesteund door Zinoviev en Kamanev ) tegengesteld aan die van Trotsky. Stalin wilde zich eerst toeleggen op het uitbouwen van een stevig communistisch bolwerk binnen de Sovjet-Unie. Trotsky daarentegen plaatste 3
  • 47. de communistische revolutie steeds in een internationaal kader. Het was Stalin die uiteindelijk de macht in handen kreeg en de Sovjet-Unie volledig isoleerde van de rest van de wereld. De gevolgen waren verschrikkelijk en rustten nog steeds als een zware hypotheek op het communistische gedachtegoed. Eerst en vooral werd de N.E.P. opgedoekt. Vervolgens werden een aantal vijfjaren-plannen doorgevoerd, werd de landbouw gecollectiviseerd en werden massale zuiveringsoperaties uitgevoerd. In Italië kwam ook een totalitair regime aan de macht. De frustraties bij de legerleiding en de nationalisten om het niet verwerven van Fiume, de Dalmatische kust en de eilanden in de Adriatische Zee en de algemeen geldende economische malaise leidden tot harde betogingen en bezettingen van werkplaatsen door arbeiders. Bang dat ze hun bezittingen zouden verliezen, steunden de Italiaanse middenstand, klein-en groot-industiëlen en financiële groepen ( kortom iedereen die wat te verliezen had bij links-geïnspireerde opstanden ) eenieder die de “wettige orde” kon herstellen. De extreem-rechtse Mussolini wierp zich op als de frontman. Nadat hij mee de algemene staking van de socialisten in augustus 1922 had weten te breken, begon hij aan de fascistische opmars vanuit Napels naar Rome. Mussolini werd als het enige alternatief gezien voor Italië. Hij zorgde ervoor dat de fascisten konden infiltreerden in machtige plaatsen. Via een nieuwe kieswet die hij aan het parlement opdrong, behaalde hij de absolute meerderheid in het parlement. Meteen drukte het fascisme zijn stempel op de samenleving : aan openbare vrijheden zoals persvrijheid kwam een einde, oppositie werd opzijgeschoven, zelfs geliquideerd en stilaan sijpelden die elementen die op zo’n nefaste wijze bij hadden gedragen tot WO I opnieuw de samenleving binnen, namelijk staatscultus en chauvinistisch nationalisme. Zo beloofde Mussolini dat het Middellands-Zeegebied opnieuw de roemrijke Mare Nostrum zou worden. Ook in Afrika had hij plannen; getuige daarvan is het optreden in Abessinië vanaf oktober 1935. Even leek het in Duitsland allemaal nog in orde te komen toen de Renten-mark en het Dawes-plan op economisch vlak weer wat stabiliteit brachten. Toch bleef het Weimarregime sukkelen en zou het weldra onderuit gehaald worden. Het nationalisme kaapte niet alleen in Italië een hoofdrol weg in de interne ontwikkelingen. Ook de Balkan-landen zagen een nationalistisch-geïnspireerd regime als de beste garantie om uit hun interne moeilijkheden te raken. Een ganse reek staatsgrepen karakteriseerden de regio in die bewuste periode ( ongeveer 1920-1930 ) : Hongarije, Bulgarije, Joegoslavië, Polen, Estland, Letland en Litouwen. Ook Portugal en Spanje gingen over in dictatoriale handen. Vaak wordt bij de gebeurtenissen die leidden tot WO II gewezen op de onmacht van de Volkenbond en haar vooral morele sancties die niets uithaalden. Eerlijkheidshalve moeten niet alleen de tekortkomingen, maar ook de verwezenlijkingen van de Volkenbond worden belicht. Ten eerste werden een aantal grensgeschillen d.m.v. referenda opgelost ( o.a. Noord-Sleeswijk : Duitsland versus Denemarken; Klagenfurt : Oostenrijk versus Zuid-Slavië, … ). Ten tweede organiseerde de Volkenbond repatriëringen van krijgsgevangenen en vluchtelingen. Ten derde waren er de geslaagde tussenkomsten op Korfoe en Macedonië. Ten vierde was er het goed-functionerende beheer over het Saargebied en de Vrijstad Danzig. 4
  • 48. Als men het heeft over de onmacht van de Volkenbond, verwijst men meestal naar de ontwapeningsproblematiek. De bepalingen van Artikel 8 werden nooit in de praktijk vertaald. Het nationalisme strekte zich ook uit tot de kolonies waar vele inwoners gedwongen waren mee te vechten voor hun kolonisator. Toen zij in contact kwamen met de ideeën van zelfbeschikking van Wilson namen ze deze mee naar het thuisland alwaar ze snel verspreid raakten. Tot het houden van een gezamenlijk congres dat gewichtige punten zou behandelen en een actieplan zou opstellen, waren ze jammer genoeg niet in staat, getuige daarvan het theatrale karakter en de jammerlijke flop van het Congres van de Verdrukte Koloniale Volkeren. Groot-Brittannië nam in deze periode een tegenstrijdige diplomatieke houding aan. Enerzijds werd er steun verleend aan de creatie van een Jewish National Home in Palestina. Anderzijds stond de Britse regering achter het Arabisch nationalisme en dit tegen de Turken. In het Midden-Oosten moest Groot-Brittannië trouwens de ene na de andere opdoffer incasseren. Eerst en vooral veroverde Ibn-Saoed, hoofd van de wahabieten, het Arabisch schiereiland. Ook de heilige stad Mekka werd door hem opgeëist. De Britten trachtten op de Conferentie van Koeweit de belangen van emir Hoessein, sheriff van Mekka en Brits- gezind, in Transjordanië, Irak en Syrië veilig te stellen. De Conferentie mislukte en de Britse legermacht kon alleen voorkomen dat Jemen, Aden en een aantal bevriende petroleumsultanaten in de handen van Ibn-Saoed overgingen. Groot-Brittannië steunde de aanspraken van de zonen van Hoessein op Irak en Transjordanië. Ook in Iran ging het de Britten niet voor de wind. Tijdens WO I had Iran geen andere keuze dan het aanvaarden van het Britse protectoraat, maar in februari 1921 greep Reza Khan de macht en maakte een einde aan dat protectoraat. De Sovjet-Unie steunde hem en gaf het deel van het Iraanse grondgebied terug dat destijds door de tsaren was veroverd. In ruil hiervoor zou een derde mogendheid het Iranese grondgebied niet mogen gebruiken voor een aanval tegen de Sovjet-Unie. Reza Khan wou echter niet té afhankelijk worden van de Sovjet-Unie en zocht ook toenadering tot de Britten; de Anglo-Iranian Co. die hieruit voortvloeide werd de grootste uitbater van Iraans petroleum. Ook Egypte wierp het juk van het Britse protectoraat van zich af. Egypte werd eerst onafhankelijk – onder een ganse reeks beperkingen – met koning Foead. De Wafd-partij ( onder leiding van Zagloel Pacha ) bleef echter ijveren voor een nog verregaandere onafhankelijkheid en deze kwam er ook in 1936, zij het met de voorwaarde dat Britse troepen steeds het Egyptische grondgebied mochten betreden om het Suez-kanaal indien nodig te beschermen. Frankrijk had ook problemen in zijn mandaatgebied Syrië. De, vaak door de Britten uitgelokte, nationalistische opstanden leidden tot permanente wanordelijkheden. Libanon verkreeg zonder veel problemen een autonoom statuut. Wat Indië betreft, kunnen we stellen dat er reeds voor WO I groepen waren die de autonomie voor het land eisten. Hierop hadden de Duitse diplomaten zelfs gehoopt 5
  • 49. tijdens WO I : onrust in de kolonies zou betekenen dat Groot-Brittannië een deel van haar troepenmacht niet langer tegen de Duitsers kon inzetten, maar diende te gebruiken om de opstanden in haar kolonies te onderdrukken. Tijdens WO I bleven de Indiërs echter loyaal aan de Britten. De Britse regering had dan ook in 1917 ( Declaration ) beloofd dat de Indiërs een ruim aandeel zouden krijgen in het bestuur van hun eigen land. Toen bleek dat van deze belofte na de oorlog niet veel in huis kwam, liepen de frustraties hoog op. De Britse ordehandhavers dienden vele wanordelijkheden te bestrijden. Bij rellen te Amritsar in april 1919 vielen 400 doden. Twee leiders van de opstandelingen werden ook gedood; de boodschap was duidelijk : Groot-Brittannië zou zijn houding niet veranderen ten opzichte van India als het met een gewelddadige opstand werd geconfronteerd. De nieuwe politieke figuur Gandhi besloot het over een andere boeg te gooien. Via een algemene boycot en passieve weerstand streed zijn Congrespartij voor het zelfbestuur. Het ganse Britse koloniale bestuur in India geraakte erdoor ontredderd, ook intern daar de tegenstellingen tussen godsdiensten, kasten en taalgemeenschappen steeds scherper werden. Japan raakte alsmaar meer geïsoleerd door zijn houding ten opzichte van China. Tijdens WO I had Japan een aantal door de Duitsers bezette Chinese gebieden weten te veroveren. Japan oefende een soort protectoraat uit over deze gebieden daar China geen weerstand bood ( interne problemen na dood Chinese president ). Japan hoopte dat de Grote Mogendheden deze veroveringen zouden accepteren, maar op de Conferentie te Parijs kwam het daaromtrent tot felle discussies. Uiteindelijk werd een controversieel compromis bereikt : Japan moest het Sjantoeng-gebied teruggeven, maar behield Tsing- tao en economische voorrechten. Bovendien mocht het zijn positie in Korea versterken. De opvolger van president Wilson, Warren Harding, wilde de gedane toegevingen inperken. De Britse regering hernieuwde het alliantieakkoord met Japan van 1902 niet. Op de Conferentie van Washington kwamen de Chinees-Japanse verhoudingen opnieuw ter sprake. Een Vier-Mogendhedenverdrag bevestigde het status-quo in de Pacific en de Chinese souvereiniteit werd erkend. Japan werd gedwongen zijn Chinese veroveringen af te staan evenals de economische voorrechten die het had verworven. Bovendien werd de “open-door policy” een algemeen principe. Op ditzelfde congres deden de Britten afstand van hun “Two powers standard”. In China nam het nationalisme alsmaar toe. China had in een reeks militaire conflicten het onderspit moeten delven en voelde zich erg vernederd. De nationalisten van de Kwo- min-tang wonnen aan belang. Ze eisten nationale onafhankelijkheid, democratische instellingen en bepaalde reformistisch socialistische maatregelen zoals landhervormingen en partiële nationalisaties. Buiten de nationalistische partij waren er ook de Chinese communisten ( Chinese Communistische Partij opgericht door Tsen Toe Hsioe in 1921 ). Het Kremlin vond dat het voor de ontvoogding van de koloniale en semi-koloniale landen noodzakelijk was dat nationalisten en communisten samenwerkten in China. Aanvankelijk lukte deze samenwerking vrij goed, maar daar kwam een einde aan toen in 1925 de grondlegger van de Kwo-min-tang ( Soen Yat-sen ) overleed. Diens opvolger Tsjang-Kai-Sjek was namelijk een berucht communistenhater. Tegen alle redelijkheid dwong Stalin de Chinese communisten samen te werken met Tsjang-Kai-Sjek. Deze 6
  • 50. laatste had zijn oog laten vallen op Shangai. Met de medewerking van de communisten werd Shangai snel veroverd. Onmiddellijk keerde Tsjang-Kai-Sjek zich tegen de communisten ( “Shangai massacre”). Leiders en vakbondsmensen werden vermoord en de partij werd buiten de wet gesteld. Slechts enkele communistische guerilla-bewegingen voerden nog op geïsoleerde fronten strijd tegen de Kwo-min-tang. Onder hen was ook Mao-Tse-tung die later in de Chinese geschiedenis een glansrol zou vervullen. De Kremlin-strategie ging roemloos ten onder en Tsjang-Kai-Sjek kon als president de eenheid van China onder de Kwo-min-tang trachten te verwezenlijken. Met het aanvaarden van het Dawes-plan verbeterde de relatie tussen Frankrijk en Duitsland. Omdat het Duitsland economisch beter af ging, stabiliseerde het ook sociaal en politiek. Ook de interstatelijke betrekkingen verbeterden ( goede verstandhouding tussen Aristide Briand en Gustav Stresemann ). Met de ondertekening van het Locarno-Pact door de vijf Rijnmogendheden ( Groot- Brittannië, Frankrijk, Duitsland, België en Italië ) in oktober 1925 leek er meer dan ooit sprake te zijn van een Europese dimensie in de verhoudingen tussen de Mogendheden. Duitsland aanvaardde met de ondertekening de bepalingen van het Verdrag van Versailles i.v.m. de westgrenzen. Zo werd Elzas-Lotharingen afgestaan aan de Fransen en Eupen-Malmedy aan de Belgen. De Fransen van hun kant zouden niet langer het Rijnland als een bufferstaat gebruiken. Belangrijk is wel dat Duitsland de oostgrens de juro niet erkende. De ondertekening van een aantal arbitrageconventies waren niet voldoende om Polen en Tsjecho-Slowakije te overtuigen dat Duitsland niet langer in hun grondgebied geïnteresseerd was. Ik vind het vrij opmerkelijk dat men niet inzag dat er slechts van een blijvende vrede sprake zou kunnen zijn indien ook de oostgrens even formeel als de westgrens door Duitsland werd erkend. Anders laat Duitsland toch wel érg duidelijk blijken dat ze ooit nog wel eens van plan zijn om die oostgrens te wijzigen. Duitsland wilde als tegenprestatie voor al deze toegevingen graag toetreden tot de Volkenbond en had daar zelfs nog specifieke voorwaarden aan gekoppeld. Op 24 april 1926 ondertekenden Duitsland en de Sovjet-Unie namelijk een akkoord waardoor Duitsland nooit als lid van de Volkenbond mee zou werken aan sancties ( militaire, economische of financiele ) die de Sovjet-Unie zouden schaden. Slechts als dit akkoord zou gehonoreerd worden zou Duitsland tot de Volkenbondorganisatie toetreden. Bovendien wilde Stresemann dat Duitsland permanent lid zou worden. In deze algemene sfeer van optimisme kwam het tot een wel érg utopisch, idealistisch initiatief. Zo werd op 27 augustus 1928 het zogenaamde Briand-Kellog-Pact ( Briand was de Franse minister van Buitenlandse Zaken en Kellog Amerikaans staatssecretaris ) ondertekend waarmee oorlog veroordeeld werd als middel om internationale geschillen op te lossen; deze dienden op vreedzame wijze te worden opgelost. Opmerkelijk is ook dat niet-lidstaten van de Volkenbond het Pact ondertekenden. Een analoge Sovjetrussische verklaring ( het Litvinov-protocol ) werd ondertekend door de Sovjet- Unie en haar Oost-Europese nabuurstaten. Het meest positieve dat we van dit Pact kunnen zeggen is dat het aanleiding gaf tot enkele besprekingen omtrent praktische aangelegenheden. Zo werd in het Young-Plan van 1929 een plan voor de Duitse herstelbetalingen uitgewerkt dat het Dawes-plan verving. Ook kwam er een einde aan de militaire bezetting van het Rijngebied. Spijtig genoeg moesten de initiatiefnemers van het 7
  • 51. Pact concluderen dat het niet gelukt was de VS uit zijn isolationisme te halen. Briand zag in dat er diende gestreefd te worden naar een “Verenigd Europa” en dat dit initiatief diende te beginnen bij een grotere toenadering tussen Duitsland en Frankrijk. Later zullen we zien dat met de integratie van de kolen-en staalnijverheid van beide landen inderdaad een van de eerste stappen naar zo’n “Verenigd Europa” werden gelegd. Briand lanceerde een behoorlijk zwak uitgewerkt en eerder contradictorisch voorstel voor de oprichting van een Europese Associatie of Federatie. De andere mogendheden waren niet echt te vinden voor zijn voorstel en de Britten wezen het vriendelijk doch kordaat af. Uiteindelijk stemde de Algemene Vergadering van de Volkenbond om een commissie op te richten die moest onderzoeken of en hoe zo’n Europese Federatie mogelijk was. Door de economische crisis in het begin van de jaren ’30 werd dit allereerste initiatief voor een “Verenigd Europa” samen met diens initiatiefnemer begraven. Andere plannen voor een Europese Economische Unie werden door een aantal grootindustriëlen genomen, maar door de economische crisis won het nationalisme weer veld. 8
  • 52. Ken Lawrence 3T4 Samenvatting Hoofdstuk XVIII All that is necessary for the triumph of evil is for good men to do nothing. Edmund Burke (1729-1797) De “roaring twenties” werden gekenmerkt door een dispariteit tussen productie-en afzetmogelijkheden. Bovendien werd er ontzettend gespeculeerd op de beurs. Mensen leenden vaak geld van de banken om dit dan op de beurs in te zetten. Aldus werd de basis voor een economisch rampscenario gelegd. Nochtans had men, vooral in Amerika, geen pessimistische kijk op de zaken. Corruptie en de financiële schandalen rond president Warren G.Harding werden als onbelangrijk bestempeld. Enige vorm van staatsinterventie werd afgekeurd. Uiteindelijk begaf Wall Street het en de crash van 24 oktober 1929 ( Black Thursday ) zou de wereld op haar grondvesten doen daveren. Het pad naar een nieuwe wereldoorlog werd geëffend. De klassieke kapitalistische visie kwam niet uit en president Hoover kon nog vaak luidkeels verklaren “Prosperity is just around the corner”. De werkelijkheid was een pak minder rooskleurig. Wereldwijd steeg de werkloosheid wat vooral rampzalig was in landen met een onbestaande sociale zekerheid ( VS ). Ook banken deelden in de klappen ondermeer doordat de beurscrash ertoe leidde dat mensen hun leningen niet meer konden terugbetalen. Nadat de Britse regering moest afstappen van de “gold exchange standard” en een devaluatie doorvoerde, volgden tientallen andere landen dit scenario. In dit economisch ongunstige klimaat werd de afstand tussen het militaire, het politieke en het economische alsmaar kleiner. De economische crisis had ook gevolgen voor het verre Oosten. Japan moest enerzijds vaststellen dat zijn afzetmogelijkheden verkleinden door de protectionistische maatregelen die de VS en Europese landen namen in de hoop uit de crisis te geraken. Anderzijds merkte men op dat de kansen om via expansionisme wat uit de economische miserie te raken steeds kleiner werden. Hoe sterker het gezag van Tsjang-Kai-Sjek hoe moeilijker voor de Japanners om Chinees grondgebied te veroveren. De Japanse militairen zagen het als hun “lotsbestemming” om Mantsjoerije en Mongolië te veroveren. Gesteund door een reeks racistische theorieën die de Japanse superioriteit benadrukten, lokten de Japanse militairen in september 1931 het Moekden- incident uit. Mantsjoerije werd onder Japanse controle gebracht en dit onder het voorwendsel van de bescherming van de Japanse onderdanen. De Japanse regering trachtte met Tsjang-Kai-Sjek tot een compromis te komen, maar daar wilde deze laatste niets van horen. Het geschil werd aan de Volkenbondraad voorgelegd. Er werd hiermee een unieke kans geboden aan deze organisatie om een sterk standpunt te formuleren. Japan aanvaardde een onderzoeksommissie, maar dit was slechts een rookgordijn. De Japanse regering installeerde namelijk een regime dat Japan gunstig gezind was. Op die manier hadden ze blijkbaar iets geleerd van hun vroeger vijand, Rusland, vermits ze overgingen tot de creatie van een satellietstaat. De Volkenbond zou zijn onmacht nog maar eens ten volle tentoonspreidden na de publicatie van het Lytton-rapport De creatie van Mansjoekwo werd veroordeeld en de Japanners zouden autonomie moeten verlenen aan Mantsjoerije onder Chinese souvereiniteit. Japan trok zijn conclusies en verliet de Volkenbondorganisatie. De andere leden reageerden nauwelijks daar zij veel te veel begaan waren met hun eigen economische en financiële problemen. Alleen in de VS plaatste staatssecretaris Stimson zich lijnrecht tegenover Japan : de VS zouden geen “territoriale wijzigingen” erkennen wanneer deze het gevolg waren van een gewelddadig optreden. 1
  • 53. Ondertussen werden de gevolgen van de economische wereldcrisis de Duitse Weimarrepubliek te veel. Bezuinigingsmaatregelen uitgevaardigd door kanselier Brüning versterkten het algemene onbehagen. In juli 1931 werd de Amerikaanse president bereid gevonden een uitstel ( Hoover- moratorium ) te verlenen van één jaar. Na deze periode bleek Duitsland nog steeds niet in staat zijn verplichtingen te voldoen. De beslissing op de Conferentie van Lausanne om opnieuw een deel van de Duitse herstelbetalingen kwijt te schelden, zette kwaad bloed binnen Amerikaanse financiële kringen. Als Duitsland zijn herstelbetalingen niet zou voldoen aan de Europese mogendheden dan zouden deze mogendheden hun schulden bij de Amerikaanse financiële instellingen niet meer kunnen betalen. De Nye-commissie was het meest tegen en ijverde voor een terugkeer naar het Amerikaanse isolationisme. Binnen Duitsland stelde Hitler zich op als “the man with a plan”. Daar waar de communisten trachtten oproer te stoken en de politieke en sociaal-economische toestand uit te buiten, werd door extreem-rechts onder meer bij hen, evenals bij de joden en de corrupte “partijenstaat” de schuld gelegd voor de malaise. Hitler en de Nazi- partij verkondigden de werkloosheid aan te pakken door grote openbare werken. Bovendien moest het Diktat van Versailles worden verworpen en diende het “grote Duitsland en het grote Duitse volk” opnieuw de superieure positie in te nemen die ze verdiende. De nazi’s wonnen steeds meer zetels in de Reichstag en Hitler behaalde een overtuigende tweede plaats bij de presidentsverkiezingen van 1932. Met de verkiezingen van juli 1933 kwam tot uiting hoe belangrijk de steun was van de Duitse financiers en groot-industriëlen voor de overwinning van de Nazi-partij. Goebbels kon hierdoor namelijk een immense propaganda-machine in gang zetten. Uiteindelijk werd Hitler op 30 januari 1933 kanselier. De Duitse industriële en financiële kringen dachten dat ze nu een marionet hadden die hen kon behoeden voor een linkse revolte, maar ze hadden blijkbaar Hitlers boek Mein Kampf niet gelezen… Hitler was wel zo sluw om niet onmiddellijk met de uitvoering van zijn nazidoelstellingen te beginnen. Zijn regering was opvallend “vrij” van nazi’s, maar dat was omdat hij zijn zinnen had gezet op de verkiezingen van 5 maart 1933. De minister van Binnenlandse Zaken Göring kon door zijn controle op de politiediensten een waar schrikbewind voeren tegen de andere partijen die meededen aan de laatste vrije verkiezingen. De grote tegenstanders waren uiteraard de communisten en om hen te stigmatiseren orchestreerde Göring de Reichstagbrand. Een communistisch agent, Van der Lubbe, werd ervoor verantwoordelijk gehouden en Hitler stelde de doodstraf opnieuw in voor politieke misdaden. Bij de verkiezingen bleek de uitslag voor Hitler een bijzaak te zijn ( de nazi’s haalden geen volstrekte meerderheid ). De communistische partij werd buiten de wet gesteld en samen met de Nationalisten en enkele andere fracties, drukte Hitler een wettekst door die alle politieke partijen ontbond en hem als rijkskanselier speciale volmachten toekende. De eerste concentratiekampen werden opgericht hun deuren ( Oranienburg en Dachau ) en dienden om tegenstanders van de nazi’s op te sluiten. Na de dood van president Hindenburg eigende Hitler zich de presidentiële bevoegdheden toe; voortaan zou hij als Reichsführer door het leven gaan. Onder leiding van Goebbels werd alles in het werk gezet voor de massa-indoctrinatie en – propaganda ( o.a. de films van Leni Riefenstahl ). In een eerste fase focuste Hitler zijn buitenlands beleid op het halen van twee doelstellingen. Ten eerste wenste hij dat het Verdrag van Versailles zou geannuleerd worden. Ten tweede wenste hij Duitsland opnieuw te bewapenen. Dit laatste was problematisch omdat het juist gebeurde in een periode waarin er initiatieven werden gelanceerd voor ontwapening. Het ontwapeningsplan van Hoover werd door Hitler dan ook verworpen en Duitsland verliet in september 1932 de Ontwapeningsconferentie van Genève. Deze houding wekte blijkbaar weinig ongerustheid; toen Churchill waarschuwde voor de gevolgen van zo’n Duitse houding werden zijn ideeën “alarmistisch” genoemd. Opmerkelijk is dat de principiële gelijkberechtiging wel was toegestaan aan Duitsland, maar toen Hitler in mei 1933 dan ook eiste dat Duitsland zich zou mogen 2
  • 54. herbewapenen, werd hij geconfronteerd met een reeks ontwijkende antwoorden die hem niet zinden. Op 19 oktober 1933 verliet Duitsland de Volkenbond. Deze houding liet hij goedkeuren door een referendum! Zo begon Duitsland in het geheim aan een snelle bewapening. Interessant is dat in dezelfde maand dat de laatste vrije verkiezingen werden gehouden Mussolini het voorstel lanceerde een Viermogendheden-pact te sluiten. Vermits noch Groot-Brittannië, noch Duitsland en noch Frankrijk enthousiast reageerden, werd het plan zonder meer opgeborgen. Ondertussen legde Hitler de basis voor zijn militaire plannen. Hij suste de Polen door met hen een tienjarig niet-aanvalsverdrag te sluiten op 26 januari 1934. Later zal blijken dat Hitler niet bepaalde de meest betrouwbare mede-contractant was. In juli 1934 leek de Anschluss even heel dichtbij. Oostenrijkse nazi’s hadden kanselier Dollfuss vermoord. Onmiddellijk reageerden Italië, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie. Mussolini zette een aantal divisies bij de Oostenrijks-Italiaanse grens. Frankrijk zag heil in een stelsel van wederkerige bijstandsverdragen en nam contact op met Groot-Brittannië. Ook werd toenadering tot de Sovjet-Unie gezocht dat alsmaar meer uit zijn isolationisme geraakte ( niet- aanvalspact met Frankrijk, toetreding tot Volkenbond ). Ik vind dit een gevaarlijke keuze van de Fransen. We hebben bij de bespreking van WOI gezien dat het juist zo’n stelsel van verdragen was dat de kettingreactie veroorzaakte. Aan de diplomatie van Barthou kwam abrupt een einde toen hij in dezelfde auto zat als de Joegoslavische koning Alexander en beiden gedood werden. De opvolger van Barthou, Laval, voerde enkele besprekingen met Mussolini. Frankrijk deed enkele toegevingen in Tunesië en Somaliland. Italië verbond zich er toe zich met alle mogelijke middelen tegen de Anschluss te verzetten. Hitler zelf vond het niet het gepaste tijdstip om tot deze Anschluss over te gaan. Hij had eerst zijn zinnen gezet op Saarland. Zoals we gezien hebben, had de bevolking in een referendum de mogelijkheid om ofwel de bestaande toestand te behouden, ofwel zich aan te sluiten bij hetzij Duitsland, hetzij Frankrijk. Laval wilde de goede betrekkingen met Duitsland niet in gevaar brengen met als gevolg dat Frankrijk zich nauwelijks moeite getroostte om het referendum in het Franse voordeel te laten verlopen. Zoiets was ook niet echt van het grootste belang daar Frankrijk een akkoord had getekend met Duitsland waarin de Franse financiële belangen zouden gevrijwaard blijven indien het volk koos voor aansluiting bij Duitsland. Door de massale propaganda die nazi-Duitsland ontplooide gebeurde dit laatste ook. Aanvankelijk scheen het alsof Hitler dit als een stap naar meer vrede in Europa beschouwde. Een paar weken later schond Hitler flagrant het Verdrag van Versailles door enerzijds de algemene dienstplicht opnieuw in te voeren en anderzijds extra divisies in te stellen. Hitler verantwoorde zijn daden door te wijzen op het Britse Witboek waarin Ramson MacDonald de verhoging van de Britse militaire inspanningen aankondigde. De andere Europese mogendheden stapelden de ene na de andere fout op. Mussolini verklaarde op een conferentie te Stresa dat Italië zich met alle mogelijke middelen zou verzetten tegen het opzeggen van de verdragen die de vrede in Europa in gevaar zouden brengen. Uiteraard had Mussolini het over het Verdrag van Versailles en het Locarno-Pact. Dit Stresa-front zou echter van korte duur blijken te zijn. Groot-Brittannie nam wel een érg foute beslissing. Op 18 juni 1935 werd een navaal akkoord gesloten met nazi-Duitsland. Aldus bekwam Hitler de Britse toestemming om een grote oorlogsvloot te bouwen evenals een gigantische hoeveelheid duikboten. Beide partijen schonden vlotjes de naoorlogse vredesverdragen en van het Stresa-front schoot niet veel meer over. Het definitieve einde van het Stresa-front volgde enkele weken later. Mussolini werd namelijk 3
  • 55. geconfronteerd met de Britse eis tot sancties als reactie op het botvieren van de Italiaase frustraties op Ethiopië. Vermits alleen nazi-Duitsland achter deze Italiaans-Abessijnse oorlog stond, is het niet meer dan normaal dat Mussolini zijn Stresa-front opgaf en zich richtte op nazi- Duitsland. Niet alleen Groot-Brittannië maakte fouten. Frankrijk sloot weliswaar op 2 mei 1935 een Frans- Sovjetrussisch bijstandsverdrag, maar zo’n verdrag was dode letter vermits een militair akkoord tussen beide landen uitbleef. Frankrijk wilde weerom alle pistes openhouden en één zo’n piste leidde tot een overeenkomst met nazi-Duitsland. Ook de Sovjet-Unie nam geen sterke houding aan. Het sluiten van een verdrag met Tsjecho- Slowakije teneinde dit land te beschermen van een nazi-Duitse aanval was van weinig betekenis daar de Sovjet-Unie slechts zou interveniëren wanneer Frankrijk dit ook deed. Deze afwachtende houding werd nog duidelijker met de Duitse bezetting van het Rijngebied. Tegen de wil van de Duitse Wehrmacht stuurde Hitler een troepenmacht naar het Rijngebied. Hij verantwoordde zijn daden door te wijzen op het hierboven aangehaalde Frans-Sovjetrussische akkoord dat hij als een schending van het Locarno-verdrag zag! De westerse mogendheden reageerden érg zwakjes. Frankrijk ging over tot algemene mobilisatie en wat dreigende taal. De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Anthony Eden, maande aan tot kalmte. De Volkenbond stond er blijkbaar op hun onmacht opnieuw aan de ganse wereld te tonen. Er werd een beschuldigend vingertje opgestoken naar Duitsland en daar bleef het bij. De Verenigde Staten hielden zich ook afzijdig. Hun isolationistisch beleid werd nog versterkt door de publicatie van het Nye-rapport. Opmerkelijk is dat kleine landen de meest nuchtere blik op de gebeurtenissen hadden. Zo ging België over tot een herdefiniëring van zijn buitenland beleid. Opnieuw zou de zwakke houding van de Britten leiden tot een gemiste kans om de ambities van de Reichsführer in te dijken. België wilde kost wat kost niet meer meegesleurd worden in een oorlog. Hiervoor wilde België af van zijn Locarno-verbintenissen en terugkeren naar het statuut van gewapende neutraliteit. De Britse regering en Militaire Staf gingen hiermee akkoord. Historici vinden dat de Britse reactie op de plannen de foute was. Door een strenge houding aan te nemen tegenover Duitsland en het akkoord met Frankrijk niet te beschouwen als een reeks suggesties zou de Belgische regering niet zo op haar onafhankelijkheid gestaan hebben, maar had ze samen met Frankrijk en Groot-Brittannië een resolute houding tegen Hitler kunnen innemen. België zag echter meer heil in het statuut van neutraliteit zoals gehandhaafd door Nederland en Zwitserland. Hiervoor diende een militiewet te worden goedgekeurd. Dit leidde tot een van de meest verregaande inmengingen van de Belgische koning. In zijn interventie wees Leopold III op vijf argumenten waarom hij achter een grotere militaire weerbaarheid van België stond. Deze argumenten waren de herbewapening van Duitsland, de evolutie in oorlogsvoering, de Rijnbezetting, het systeem van collectieve veiligheid dat smolt als sneeuw voor de zon, de onmachtige Volkenbond en ten slotte de gevolgen van een rivaliteit tussen verschillende politieke en sociale systemen voor de binnenlandse politiek. De nieuwe militiewet werd begin december 1936 aanvaard. De reacties waren eerder negatief, vooral van Franse en in mindere mate van Britse kant. Pijnlijk is dat de nazi-Duitse regering laaiend enthousiast was over het Belgische initiatief. Duitsland zou zich er zelfs toe verbinden België en Nederland als neutrale en onschendbare zone te erkennen. Met deze verklaring strooide Hitler zand in de ogen van de regeringsleiders; het leek even alsof Hitler alleen geïnteresseerd was in het verenigen van de zuiver Duitse grondgebieden. België werd vrijgesteld van zijn Locarno-verbintenissen. De Britse “Appeasement Policy” zou de zoveelste misrekening blijken … 4
  • 56. De Spaanse burgeroorlog werd het eerste voorproefje van hoe de nieuwe technologieën gestalte zouden geven aan het oorlogsgebeuren van 1940-1945. De aanleiding was de opstand van generaal Franco tegen de Frente Popular-regering. Mussolini koos onmiddellijk de zijde van Franco om zo zijn Mare-nostrum-politiek te realiseren. Hitler steunde hen ook vermits dit Italië meer in zijn handen zou drijven. De Spaanse republikeinen konden op weinig steun rekenen. Enkel de Sovjet-Unie stond aan hun zijde hoewel de Sovjets goed beseften dat hierdoor de rechtse groepen in West-Europa zich nog feller tegen hen zouden kanten. Frankrijk en Groot- Brittannië voerden een struisvogelpolitiek; zij noemden dit een “non-interventiebeleid”. Om het allemaal nog wat grotesker te maken werd hiervoor zelfs een Internationale Commissie voor Non-Interventie opgericht. Hierdoor ging men voorbij aan het feit dat Spanje een testgebied werd voor militaire snufjes. Het getuigde trouwens van een verregaande naïviteit om te geloven dat men kon verhinderen dat de Spaanse burgeroorlog een internationaal karakter kreeg. Zo werd de oprichting van de Internationale Brigade door Hitler aangegrepen om een Anti-Cominternpact op te zetten. Met de toetreding van Japan tot dit pact was de internationalisering een feit. De samenwerking tussen nazi-Duitsland en fascistisch Italië werkte wonderwel; in maart 1939 werd Madrid door Franco veroverd. Ondertussen doken ook conflicten op in het verre Oosten. In China had de sterke man Tsjang- Kai-Sjek bijna de nationale eenheid hersteld; de communisten dienden als de ergste vijand te worden beschouwd ( 1934 – “Lange Mars” ). De Japanse regering wilde de nationalistische wederopstanding voorkomen want een sterk China zou een bedreiging vormen. Zeker is dat het “Sian-incident”, waarbij Tsjang-Kai-Sjek gedwongen werd het verzet tegen de Japanners als absolute prioriteit te zien, de Japanners ertoe aanzette snel tot actie over te gaan. Vanuit Mansjoekwo trachtten zij heel Noord-China te controleren. Op 7 juli 1937 begon de Japans- Chinese oorlog zonder oorlogsverklaring door de Japanners. Het offensief werd succesvol; Tsjang-Kai-Sjek moest zijn hoofdkwartier van Nankin overbrengen naar Tsoeng-king. Uiteraard riepen deze gebeurtenissen internationale reacties uit. De Volkenbond hield het op een verbale veroordeling na een mislukte conferentie. Nazi-Duitsland was laaiend enthousiast. De Sovjet-Unie was dit in feite ook daar de Chinese communisten nu even wat ademruimte kregen en een herhaling van een Japans-Russische oorlog niet voor morgen zou zijn. Groot-Brittannië veroordeelde de Japanse inval omdat de Britse kolonies en algemene invloedssfeer in het gedrang kwamen. Hitler bracht rond deze tijd zijn plannen ten uitvoer betreffende de realisatie van “Groot- Duitsland”. Dit hield in dat alle Duitssprekende gebieden ( Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en de Poolse “corridor” ) heroverd zouden worden. De West-Europese landen gaven voorrang aan hun interne problemen. Hitler concentreerde zich op het neutraliseren van Groot-Brittannië vermits daardoor de Fransen niet op eigen houtje Duitsland zouden confronteren. De Sovjet-Unie voelde niets voor een confrontatie met nazi-Duitsland daar zij voelden dat ze alleen zouden staan. Alleen de VS nam wat afstand van hun “Neutrality Acts” door er de zogenaamde “Cash and Carry- clausule” als correctief aan toe te voegen. Eerste op Hitlers verlanglijstje was Oostenrijk. Er werd een ultimatum aan het land gericht om de leider van de Oostenrijkse nazi-partij, Seyss-Inquart, als minister van Binnenlandse Zaken te benoemen. In Italië trachtte Galeazzo Ciano ( verantwoordelijke buitenlandse betrekkingen ) dit aanhechtingsmanoeuvre te voorkomen. Het Italiaanse voorstel aan Groot-Brittannië werd verworpen. Chamberlain stond achter de “appeasement” en Anthony Eden wees op de Italiaanse deelname aan de Spaanse burgeroorlog; voor deze kritische opmerking werd hij vervangen door Lord Halifax. Naar deze laatste werd 5
  • 57. door Hitler een charme-offensief gelanceerd waardoor Lord Halifax de indruk kreeg dat Hitler een redelijk man was om mee te onderhandelen. Hitlers plannetje werkte; zonder Britse steun ondernamen de Fransen niets. Op 12 maart 1938 hoopte de Oostenrijkse kanselier dan maar dat het volk in een referendum zich tegen de Anschluss zou verzetten, maar zover lieten de nazi’s het niet komen. Seys-Inquart gaf die dag toestemming aan Duitse troepen om de grens over te steken. Een dag later werd kanselier Schussnigg gevangen genomen en was de aanhechting een feit. De reacties : Frankrijk stuurde een protestnota, Groot-Brittannië deed niets en de Sovjet-Unie maakte zich zorgen voor Tsjecho-Slowakije en Danzig; daar bleef het bij. Tweede op het lijstje van Hitler was de aanhechting van de Sudeten-Duitsers. Vermits Tsjecho- Slowakije kon rekenen op zowel Franse als Sovjet-steun ( garantie-akkoorden van 1925 en 1935, bevestigd in maart 1938 ) en het land militair behoorlijk goed uitgerust was, diende men via een omweg het doel te bereiken. De Sudeten Deutsche Partei ( Konrad Henlein ) speelde in op de ( economische ) frustraties van de Sudeten-Duitsers en ijverde voor de autonomie van het Sudetengebied. Nazi-Duitsland vond ook dat men rekening moest houden met de “rechtmatige eisen” van de Sudeten-Duitsers. Frankrijk en Groot-Brittannië vonden dat daar wel iets inzat en maanden de regering-Benès aan om toe te geven aan de eisen van de SDP. Britse diplomaten leken zelfs even op de loonlijst van de nazi’s te staan toen zij bij de Praagse regering ijverden voor het autonomiestatuut; ze haalden hun slag thuis. Uiteraard bleef de vraag naar aanhechting van het Sudetengebied bij nazi-Duitsland niet uit. Hitler was niet langer bereid hierover te onderhandelen en de Britse en Franse regering gingen samen rond de tafel zitten om een compromis te vinden. Zij stelden voor dat de Tsjecho-Slowaakse regering alle gebieden zou afstaan waar meer dan de helft van de bevolking Duitssprekend was. Opnieuw werd duidelijk dat noch Frankrijk noch Groot-Brittannië zich lijnrecht tegenover Hitler wensten te plaatsen. De regering-Hodza legde zich dus maar bij het compromis neer…de publieke opinie en Hitler niet. Deze laatste eiste het ganse Sudetengebied op. De situatie werd complexer en explosiever toen de regering-Hodza tot aftreden werd gedwongen en de opvolger generaal Sirovy niet met lede ogen de ontmanteling van zijn land wenste te aanschouwen; hij ging over tot algemene mobilisatie. Hoewel de Fransen en Britten ook militaire maatregelen troffen, wensten geen van beide een oorlog. Daarom lanceerde Chamberlain het voorstel een conferentie te houden met de regeringsleiders van Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië om toch nog een diplomatieke oplossing voor het probleem te vinden. Deze Conferentie van München ( september 1938 ) betekende in feite het einde van de Tsjecho-Slowaakse staat. Hitler, Mussolini, Chamberlain en Daladier gingen akkoord dat een volksraadpleging zou gehouden worden om te beslissen of “de gebieden met een Duitssprekende bevolking tot Duitsland konden toetreden”. Vrij snel na het ondertekenen besefte minister Daladier dat de West-Europese mogendheden zich erg zwak hadden opgesteld t.o.v. Hitler; de kans dat Tsjecho-Slowakije nog als een onafhankelijke staat zou verder bestaan was wel érg klein. Stalin was bijzonder gepiqueerd over het feit dat de Sovjet-Unie niet was uitgenodigd op de Conferentie. Ongeveer één jaar later zou hij een niet-aanvalspact tekenen dat bij de West-Europese mogendheden een schok veroorzaakte. De Oslogroep-landen waren zich het meest bewust van hun zwakke positie. Vermeldenswaardig is de toenadering tussen België en Nederland en beider vastberadenheid om geen militaire interventie op het eigen grondgebied te dulden. Ook andere landen trachtten de koers van “zeer restrictieve neutraliteit” te volgen om zo vooral uit Hitlers vaarwater te blijven. De vrees voor de onafhankelijke status van Tsjecho-Slowakije bleek gegrond. Hitler liet zien dat zijn woord i.v.m. “zijn laatste territoriale eis” behoorlijk flexibel diende opgevat te worden. Hij orchestreerde de verdeling. Polen en Hongarije konden hun grondgebied met volle nazi-steun 6
  • 58. uitbreiden. Hitler legde beslag op Bohemen en Moravië. Dit gebeurde door het onder druk zetten van de Tsjecho-Slowaakse president Hacha die ook nog eens moest aanvaarden dat de “onafhankelijke staat Slowakije” onder nazi-Duits protectoraat werd gebracht. De Britten begonnen eindelijk afstand te nemen van hun appeasement policy omdat Hitler duidelijk niet te vertrouwen was. De as Rome-Berlijn kwam begin april 1939 duidelijk in zicht toen Mussolini Abessinië onder Italiaans protectoraat plaatste. Op dat moment was Hitler gekomen aan het derde punt op zijn verlanglijstje, de Vrijstad Danzig en de Danziger Corridor. Deze waren een doorn in Hitlers oog omdat ze zo symbolisch waren voor het gehate “Diktat van Versailles”. Minister van Buitenlandse Zaken von Ribbentrop vroeg aan de Poolse regering om samen tot een oplossing te komen over de twee bewuste gebieden. Als Duitsland de Vrijstad Danzig zou krijgen zou Polen het nog steeds als haven mogen gebruiken en zou het Duits-Pools niet-aanvalspact van 1934 kunnen verlengd worden. De Poolse regeringsleider kolonel Beck vroeg om wat bedenktijd. Aan deze bedenktijd kwam een einde toen de geruchtenmolen begon te draaien; Duitsland zou namelijk wapens binnengesmokkeld hebben in de Vrijstad Danzig en er zouden troepenconcentraties bij de Roemeense en Poolse grenzen zijn. Zowel Groot-Brittannië als Frankrijk gaven formeel hun steun aan de Poolse regering i.v.m. de onschendbaarheid van hun territorium. Hitler reageerde door het niet- aanvalsverdrag met Polen op te zeggen. Ook zei hij de Brits-Duitse maritieme overeenkomst op. Twee zaken diende Hitler te verwezenlijken. Ten eerste moest het Anti-Cominternpact verstevigd worden. Dit gebeurde door het sluiten van een wederzijds militair akkoord met Italië ( Stalen Pact ). Japan wou het echter niet ondertekenen. Ten tweede moest Hitler de aanval op Polen zoveel mogelijk tot dat land zélf beperken. Even leek deze doelstelling in gevaar te komen toen de Sovjet-Unie aan Frankrijk en Groot-Brittannië voorstelde een wederzijds verdedigingsakkoord te sluiten. Hitler vreesde dat hij daardoor een oorlog op twee fronten zou moeten voeren. Daar de Fransen en Britten op hun élan van foute beslissingen doorgingen, kwam het niet zover voor de Führer. De Fransen en Britten wezen het voorstel af omdat ze vreesden voor het stimuleren van de Sovjetrussische expansionistische drang. Bovendien weigerden de Polen het Rode Leger doorgang te verlenen en waren de berichten over de zuiveringsoperaties van Stalin even erg als de berichten over de nazi’s. Hitler greep zijn kans en op 23 augustus 1939 tekende hij met Stalin een niet-aanvalspact. De ontsteltenis was groot om dit “duivelspact”. Nochtans is het niet zo opmerkelijk dat Stalin tekende. Als de oorlog namelijk tot Polen beperkt zou blijven dan kon de Sovjet-Unie haar grondgebied uitbreiden. Als de vijandigheden zouden escaleren, kon Stalin geamuseerd toekijken hoe de kapitalisten elkaar uitschakelden. Hitler ging niet meteen tot de aanval op Polen over vermits hij onzeker was omtrent de houding van de Britten. Zij drongen aan op nieuwe onderhandelingen tussen Polen en Duitsland, maar daar kwam niets van in huis ( de Poolse ambassadeur Lipsky – zonder onderhandelingsmandaat – kreeg een zestienpuntenmemorandum onder de neus geduwd ). Enkele uren later viel Duitsland Polen binnen. Via bemiddeling van Mussolini ( die zelf niet meedeed aan de aanval op Polen ) werd nog getracht een oplossing te vinden, bijvoorbeeld onder de vorm van een “Tweede München Conferentie”. Misschien moeten we blij zijn dat het daar niet toe gekomen is, maar wel tot een Britse en Franse oorlogsverklaring aan nazi-Duitsland. 7
  • 59. Ken Lawrence 3T4 Hoofdstuk IX Op 1 september 1939 vielen de Duitsers het Poolse grondgebied binnen. De Panzer Divisionen en Luftwaffe zetten de Blitzkrieg in. Als we nu terugblikken op de begindagen van WO II is de naïviteit van een aantal politici moeilijk te vatten. Zo geloofde de Britse ambassadeur Neville Henderson nog steeds dat een diplomatieke oplossing niet uitgesloten was. Göring had hem namelijk verzekerd dat Duitsland zijn vijandigheden zou staken als Polen bereid was om te onderhandelen over een compromis betreffende Danzig en de “Corridor”. Ook minister Bonnet ijverde voor een toegeeflijke Poolse houding. De Britse regering stelde een Frans-Brits ultimatum voor om Hitler te dwingen zijn troepen uit Polen terug te trekken alvorens het tot onderhandelingen kon komen. Frankrijk trachtte daarentegen met de Italiaanse regering een conferentie te organiseren ( een “Tweede München” ). Hitler kon zich daarin vinden zolang de conferentie geen ultimatum werd. Door de harde Britse stellingname was zo’n conferentie gedoemd te mislukken. Intens diplomatiek telefoonverkeer maakte het kristalhelder : Henderson overhandigde op 3 september een ultimatum en een paar uur later deed de Franse ambassadeur Coulondre hetzelfde. Hitler wees ze beide formeel af. Het is fout te denken dat Britse en Franse troepen naar Polen gingen om daar orde op zaken te stellen. De politieke wil ontbrak en de legerstaf beschouwde het militair-strategisch als zelfmoord; daarvoor miste Frankrijk de beweeglijke en technisch goed uitgeruste divisies waarop Hitler ( vb. Guiderians divisie ) wél kon steunen. Het dient gezegd te worden dat de Poolse troepen zich moedig verweerden. Eens de Sovjet-Unie zich met de zaak ging moeien, kon geen heldhaftige strijd nog baten. Het Duivelspact miste zijn effect niet; Polen werd overwonnen en op 29 september 1939 werd te Moskou met de ondertekening van een Grens-en Vriendschapsverdrag de vierde verdeling van Polen een feit. De streek van Wilna en West-Oekraïne – die Polen in het Verdrag van Riga na de Pools-Sovjetrussische oorlog had bekomen – ging opnieuw over in Sovjetrussische handen. Bovendien annexeerden de Sovjets de provincie Bialystok en de stad Przemysl. Dit kwam neer op een gebiedsuitbreiding voorbij de Curzon-linie. De kleine Baltische staten werden opnieuw onder Sovjetrussisch protectoraat gezet. De Poolse regering vestigde zich in ballingschap, eerst in Parijs en daarna in Londen met Raczkiewicz als minister-president. Het is belangrijk even stil te staan bij het menselijke leed ten gevolge van deze “gebiedsoverdrachten”. Niet alleen kwamen er immense vluchtelingenstromen op gang, maar de SS-Einsatzgroepen, de Wehrmacht en Sovjetrussische troepen zorgden voor een ware slachting onder de Poolse elite en officieren. Met de weigering van de Britten en Fransen om ook maar een vinger uit steken, gekoppeld aan een verbale weigering om het tot vredesonderhandelingen met Hitler te laten komen, begon de Schemeroorlog. Slechts met de opkomst van Winston Churchill ( eerst als regeringsleider, dan als eerste minister ) en Anthony Eden ( als minister van Buitenlandse Zaken ) zou het “wait-and- see”-beleid ( Chamberlain, Daladier ) omgebogen worden tot een krachtdadiger optreden. Tijdens de wintermaanden hadden de verschillende landen de mogelijkheid zich te bezinnen over het verdere verloop van de “oorlog”. De Franse generaal Georges werd lyrisch over de prachtige Franse geografie die een “onoverkomelijke buffer” vormde tegen elke Duitse aanval ( getuige hiervan het citaat onderaan pagina 252 ). Kleinere West-Europese staten zoals België en Nederland bleven meer met beide voeten op de grond. Een spectaculair initiatief van hunnentwege om samen als bemiddelaars in het conflict op te treden bleef jammer genoeg zonder gevolg. De Baltische staten beseften dat hun imminente herinlijving een feit was. De Finnen wensten zich hier niet bij neer te leggen en noch Sovjetrussische dreigementen noch diplomatieke onderhandelingen konden hier verandering in brengen. Zo begon op 30 november 1939 de Fins- 1
  • 60. Sovjetrussische oorlog die de ganse winter van 1939-1940 zou duren. Uiteindelijk won de Sovjet- Unie wat nauwelijks verassend kan genoemd worden. Een krachtdadig optreden van de Volkenbond bleef opnieuw uit en de Noorse en Zweedse regeringen hielden zo krampachtig vast aan hun neutraliteit dat ze de doorgang van een Brits expeditieleger weigerden. Op 12 maart 1939 diende Finland Carelië ( Viipoeri en Viborg ) af te staan en werd het schiereiland Hangö bezet door het Rode Leger. In de Verenigde Staten tenslotte verklaarde president Roosevelt zijn land uit de oorlog te zullen trachten te houden. In feite was men minder neutraal dan op het eerste zicht leek. De Amerikanen hadden sympathie voor de Geallieerden en na de Duitse torpedo- aanval op de Athenia groeide de steun bij de publieke opinie voor een directe deelname aan het oorlogsgebeuren. Voorlopig zou het nog niet zover komen, hoewel door de uitbreiding van de “Cash and Carry”-clausule tot wapen- en munitieleveringen deze weg werd ingeslagen. Ten einde de noordflank te controleren zette Hitler in de nacht van 8 op 9 april 1940 de operatie Weserübung in gang waarbij Denemarken en Noorwegen werden aangevallen. Denemarken had zijn leger ontbonden waardoor het land nog dezelfde dag door de Duitsers werd gecontroleerd. De Noorse tegenstand was feller. Op land ging het de Duitsers voor de wind daar ze binnen de kortste keren de zes belangrijkste havensteden controleerden. Op zee leden ze een nederlaag tegen een Brits vlooteskader. Op 15 en 19 april landde een Brits-Frans-Pools expeditieleger om Narvik te veroveren en zo de “ijzererts-route” af te snijden. De klus werd eind mei geklaard, maar dan moest deze troepenmacht halsoverkop terug naar West Europa waar het Duits offensief op 10 mei was ingezet. Wat Zweden betreft kunnen we zeggen dat Duitsland de neutraliteit van het land respecteerde en dit op aandringen van de Sovjet-Unie. Zoals gezegd trad op 10 mei 1940 het plan-von Manstein in werking. De legers van generaal von Bock en von Rundstedt vielen zonder voorafgaande oorlogsverklaring aan in het noorden. Toen het Franse leger merkte dat de aanval gericht was op Nederland, een gedeelte van België en de Ardennen werd de strijdmacht geconcentreerd op het noordelijk deel van het front. Hierdoor bestond het gevaar dat het Franse leger zou omsingeld worden. Het is pijnlijk te constateren dat interne ruzies, een gebrekkige coördinatie en inadequate strategie van de Geallieerden ten opzichte van de Panzer en mobiele eenheden van de Duitsers het defaitisme aanwakkerden bij de aangevallen landen. Nederland capituleerde na vijf dagen, België na achttien dagen. Vooral dit laatste werd heftig bekritiseerd door de Franse eerste minister Reynaud. Het gedrag van de Belgische koning Leopold III zal zich trouwens gans de Tweede Wereldoorlog op het randje van collaboratie situeren, iets wat na de oorlog leidde tot de Koningskwestie. Het Belgische leger had er mee voor gezorgd dat de massale evacuatie van meer dan 200.000 Britse manschappen uit Duinkerken mogelijk was. Hitler had deze evacuatie wel degelijk kunnen tegenhouden. Hij rekende er echter op dat het zo makkelijker zou zijn om met de Britse regering tot onderhandelingen te komen eens Frankrijk ook in Duitse handen zou gevallen zijn. Van dit laatste werd dan ook onmiddellijk werk gemaakt. Op 7 juni 1940 werd de allereerste bres geslagen in de Franse verdedigingslinie ( Somme ). Drie dagen later verklaarde Mussolini de oorlog aan Frankrijk. Van het vroegere “Douter,c’est déjà trahir un peu” bleef niet veel over toen de stafchef van het Franse leger, Weygand, aan zijn regering vroeg om een wapenstilstand met Duitsland in overweging te nemen. Op 28 maart 1940 hadden Groot-Brittannië en Frankrijk in een akkoord plechtig verklaard dat geen van beiden ooit deze stap zou zetten; Reynaud weigerde dan ook op Weygands voorstel in te gaan. Hierdoor ontstond een politieke crisis daar het leger en de meerderheid van de regering niet geloofden dat het mogelijk zou zijn een krachtig tegenoffensief 2
  • 61. op touw te zetten vanuit de Franse gebiedsdelen in Afrika. Op 16 juni lanceerde Churchill nog een revolutionair idee, een Union Franco-Britannique, die een fusie voorstelde tussen de beide regeringen en één enkel oorlogskabinet om strategieën uit te dokteren. Het voorstel werd afgeketst, Reynaud werd vervangen door maarschalk Pétain en Frankrijk begon onderhandelingen met Duitsland om tot een wapenstilstand te komen. Op 21 juni 1940 werd het ondertekend in de treinwagon waar op 11 november 1918 een einde werd gemaakt aan WO I toen Duitsland de wapenstilstandsakkoorden ondertekende. Later zou blijken dat “de Duitse hoogmoed” ( op de gedenkplaat aan de wagon ) opnieuw haar val zou betekenen. De inhoud van het akkoord leek op het eerste zicht vrij redelijk. Ten eerste werden drie vierden van het Franse grondgebied bezet door de Duitsers die er alle rechten van bezettende mogendheden zouden uitoefenen. Ten tweede zou het territorium van het Franse koloniale rijk onaangetast blijven. Ten derde werd bepaald dat er over het lot van de Franse vloot nog verder zou onderhandeld worden. Ten laatste vermeldde het akkoord dat de Franse krijgsgevangenen niet onmiddellijk zouden worden vrijgelaten. Omdat alles op het eerste zicht bij het oude bleef ( geen verlies aan territoria of een deel van de vloot ) aanvaardde het grootste deel van de Franse publieke opinie het verdrag. Op 10 juli verkreeg Pétain alle volmachten van de Franse Assemblée die te Vichy was samengekomen. Als er twijfel mogelijk was over de verhouding van Leopold III ten opzichte van nazi-Duitsland, dan kunnen we stellen dat de rol van het Vichyregime minder dubbelzinnig was; deze nam de vorm aan van pure collaboratie. Generaal de Gaulle had met lede ogen aangezien hoe de Franse regering steeds meer aanleunde bij nazi-Duitsland. Hij lanceerde “l’appel” om toch door te zetten en richtte te Londen een Raad ter Verdediging van de Franse kolonies op. Groot-Brittannië verbrak de alliantie met Frankrijk en de Verenigde Staten maakten het Vichyregime duidelijk dat indien de Franse vloot overging in Duitse handen de banden tussen Frankrijk en de VS voor altijd zouden verbroken worden. Churchill liet blijken dat Groot- Brittannië het tot een epische krachtmeting zou laten komen met Duitsland, desnoods helemaal alleen. Hitler gaf daarop op 16 juli 1940 aan de Wehrmacht de opdracht om zich voor te bereiden op een rechtstreekse aanval op Groot-Brittannië; een aanval die bestond uit twee delen. Het eerste deel was de zogenaamde “Battle of Britain”. De Luftwaffe trachtte de Britse Royal Air Force, de haveninstallaties en de Britse Navy uit te schakelen. Hoewel de Luftwaffe over bijna dubbel zoveel vliegtuigen beschikte als de RAF, haalde deze laatste toch de overwinning. Deze was van enorm psychologisch belang en sterkte de overtuiging dat het tij kon gekeerd worden. Het tweede deel hield een grootscheepse invasie in op Engeland, maar door het mislukken van fase 1 is die er nooit gekomen. Hitler gooide het over een andere boeg. Door massale bombardementen op Londen en de belangrijkste Britse industriële centra wou hij de moreell van het Britse volk breken. Görings tactiek had het omgekeerde effect; nog nooit had het Britse volk zó achter haar regering gestaan. Dat de Britten niet tot het “turn the other cheek” in staat waren zou blijken uit de latere bombardementen op Keulen, Hamburg en Dresden. Over dit laatste is een schitterend boek geschreven : Slaughterhouse-Five van Kurt Vonnegut dat handelt over het bombardement op Dresden en de nasleep ervan. Ondertussen werd op 9 oktober 1939 in de VS besloten om van start te gaan met het geheime Manhattan Project dat de atoomkracht zou trachten te beheersen. Ook stapten de VS steeds meer af van hun isolationistisch beleid. Er werd toenadering gezocht tot Groot-Brittannië en vooral de “Lend-lease Act” was van vitaal belang. Oorlogsmateriaal, voedsel en grondstoffen konden geleverd worden aan staten die onrechtstreeks instonden voor de veiligheid van de VS. Als president Roosevelt declareerde dat “Great Britain’s defense is the best defense of the United States” weten we onmiddellijk waar deze middelen naartoe stroomden. Op 27 september 1940 ondertekenden Duitsland, Japan en Italië het Drie-Mogendheden-Pact om elkaar wederzijdse steun te verlenen indien één van hen door een derde mogendheid zou worden 3
  • 62. aangevallen. Ook werd vastgelegd wat de invloedzones zouden zijn waarbinnen de mogendheden hun “nieuwe orde” konden vestigen. Omdat een rechtstreekse aanval op een fiasco eindigde, wou Hitler de Britten via diplomatieke weg op de knieën krijgen. Hiervoor diende hij Gibraltar en Suez te controleren. Hitler richtte zijn diplomatieke pijlen zowel op Spanje als het Vichyregime. Franco vreesde de economische tegenmaatregelen van de VS indien zijn land toegevingen zou doen aan Duitsland. Het Vichyregime wenste niet dat de Franse overzeese gebieden mee zouden strijden tegen Groot-Brittannië op de Middellandse Zee. Nochtans konden Hitler en Pétain het goed genoeg met elkaar vinden om te streven naar een meer actieve samenwerking tussen hun staten. De Italiaanse troepen waren ondertussen niet in staat om in Libië stand te houden en ze werden door het Britse leger verdreven. Zo mislukte ook het plan van de Führer om Gibraltar en Suez onder zijn controle te krijgen. Het Italiaanse leger kreeg ook klappen op Griekenland. Mussolini had een agressief ultimatum gesteld aan de Griekse regering die hier weigerde op in te gaan. De Griekse steden die daarop door Italiaanse troepen werden ingenomen, werden even snel opnieuw bevrijd door op Kreta- gelande Britse troepen. Intussen bracht Hitler alles in gereedheid voor zijn aanval op de Sovjet- Unie. Om te voorkomen dat Britse troepen via Griekenland en Joegoslavië het Duitse leger zouden aanvallen dienden deze landen in Hitlers handen te vallen. Eerst werd Bulgarije bezet. Vervolgens stuurde Hitler troepen naar Griekenland. Toen Joegoslavië de doorgang aan deze troepen weigerde, verklaarde Duitsland het de oorlog. Na zware bombardementen capituleerde het Joegoslavische leger pp 13 april 1941. Griekenland werd onder controle gebracht op 2 mei 1941 en Kreta – na inzet van parachutisten – op 31 mei. De vertraging die Hitler had opgelopen door het incompetente Italiaanse leger ter hulp te moeten snellen zou zich later wreken door de mislukking van de aanval op de Sovjet-Unie. Het is interessant om ons af te vragen waarom Hitler besloot de Sovjet-Unie aan te vallen. Was operatie Barbarossa een slimme zet die verkeerd afliep of betrof het reeds vanaf het beginstadium een foute beslissing? Volgens Hitler diende men zo snel mogelijk met de Sovjet- Unie af te rekenen omdat hierdoor de Japanse invloed in het Verre Oosten enorm zou toenemen. Daardoor zouden de VS aan belang inboeten en niet langer bereid zijn om met Groot-Brittannië Hitler te bestrijden. Uiteindelijk zou Groot-Brittannië voor het voldongen feit geplaatst worden dat een overwinning schier onmogelijk was. Buiten deze redenering van Hitler waren er nog vier elementen die pleitten voor operatie Barbarossa. Ten eerste botste de Sovjet-ideologie met die van de nazi’s. Men besefte dat het ooit tot een botsing tussen beide zou komen en nazi-Duitsland prefereerde het toenmalige tijdstip. Ten tweede zag men dat de Sovjet-Unie een agressief expansionistisch beleid voerde. Ten derde was Duitsland geïnteresseerd in de grondstoffen en voedingsreserves van de Sovjet-Unie. Ten vierde wou men vermijden op twee fronten te moeten vechten. Er waren ook drie belangrijke argumenten tegen zo’n aanval. Ten eerste wierpen onder andere Göring en Räder op dat de verovering wel mogelijk was, maar dat een bezetting van zo’n uitgestrekt gebied een immense inspanning zou vergen. Ten tweede diende men rekening te houden met het op 13 april 1941 gesloten niet-aanvalsverdrag dat de Sovjet-Unie met Japan had gesloten; zo zou het alvast niet op twee fronten strijd moeten voeren. Ten laatste zouden de legervoertuigen en tanks in de winter moeilijk de grote afstanden kunnen overbruggen. Hitler woog voor en tegen af en besloot tot de aanval over te gaan. De daaropvolgende strijd zou opnieuw een zware tol aan mensenlevens eisen. Aanvankelijk leek alles het Duitse leger voor de wind te gaan ( Smolensk, Vyrma, Rostow, Leningrad binnen bereik ). Eind november was echter de winter in aantocht; de Duitse eenheden raakten uitgeput en de voertuigen kwamen moeizaam vooruit. Het Rode Leger maakte van de gelegenheid gebruik zich 4
  • 63. beter te organiseren. Hitler beging daarop een strategische fout door generaal von Brauchitsch de opdracht te geven een massaal offensief tegen Moskou in te zetten. Dit mislukte, het Duitse leger moest zich terugtrekken en de moegetergde soldaten werden aangevallen door generaal Joekovs troepen en “partizanen”. Hitler ontnam daarop von Brauchitsch het opperbevel en ging zélf de operatie aan het oostfront leiden. Japan hield zich neutraal. Het had weliswaar het “Anti- Cominternpact” en het “Drie-Mogendheden-Pact” gesloten met nazi-Duitsland, maar ook een vriendschapsverdrag met de Sovjet-Unie. Deze laatste werd de bondgenoot van Groot-Brittannië. Op 12 juli 1941 werd een wederzijds bijstandsakkoord gesloten; geen van beide landen zou een wapenstilstands- of vredesverdrag sluiten zonder toestemming van de ander. Op 25 augustus 1941 leidde dit akkoord tot een gezamenlijke actie tegen Iran “ten einde een nazi-Duitse machtsgreep voor te zijn”. De sjah moest zijn troon afstaan aan zijn zoon die moest dulden dat Britse en Sovjetrussische troepen op het grondgebied zouden blijven tot maximaal zes maanden na het einde van de oorlog. Niet alleen werden door operatie Barbarossa de banden tussen de Britten en de Sovjets versterkt, maar ook de Amerikanen zochten meer toenadering tot de Sovjets. Zij breidden namelijk in september 1941 de Lend-lease-hulp uit tot de Sovjet-Unie. Aldus raakten de VS meer en meer betrokken bij de oorlog. De VS hadden trouwens in augustus 1941 met de Britten het zogenaamde “Atlantisch Handvest” ondertekend. Hierin stonden de gemeenschappelijke internationaal-politieke doelstellingen die door beide landen werden nagestreefd ( geen gebiedsuitbreidingen, economische en sociale vooruitgang realiseren, vrede op basis van een collectief veiligheidssysteem, … ). Dit bleek op de conferentie van Washington ( december 1941- januari 1942 ) onverenigbaar te zijn met Stalins claim op de Baltische staten, Bessarabië en Oost-Polen tot aan de Curzon-linie. De aanleiding tot de Amerikaans-Japanse oorlog was uiteraard de aanval op de Amerikaanse vloot te Pearl Harbor op 8 december 1941. Daarvoor waren de relaties tussen beide landen al ontzettend verzuurd. Japan voerde een ontzettend imperialistisch beleid en had met de Vichyregering een akkoord gesloten om China vanuit Indo-China te belegeren. Hierop lieten de VS alle Japanse bezittingen in hun land blokkeren en initieerden ze een embargo op de uitvoer van petroleum. Een diplomatieke oplossing kon niet gevonden worden omdat de VS strikte eisen stelden wat de Japanners als een onaanvaardbaar ultimatum interpreteerden. Zo culmineerde de hele situatie in de “onverwachte” aanval op Pearl Harbor. Er zijn behoorlijk wat historici die beweren dat sommigen op de hoogte waren van de imminente aanval, maar dat ze niet ingrepen teneinde zich te verzekeren van de steun van de publieke opinie en het Congres. Momenteel loopt nog steeds een onderzoek om te bepalen in hoeverre de regering-Bush en de verschillende geheime diensten al dan niet op voorhand op de hoogte waren van de aanslagen van 11 september… De Japanners gingen ondertussen door met hun veroveringen in de regio. Zo vielen onder meer Thailand, Maleisië, Hongkong, Guam, Wake, de Molukken, Bali, … Even leek het zelfs alsof ook Australië voor de bijl zou gaan, maar een gezamenlijk Amerikaans-Australisch tegenoffensief verhinderde dit. Op deze manier werd op militair-strategisch niveau het “Azië aan de Aziaten” gerealiseerd. Ook de Japanners installeerden concentratiekampen waar ze biologische wapens uittestten. De inheemse bevolking werd minderwaardig geacht en werd gedwongen in vreselijke omstandigheden te leven. Ondertussen trachtten de Geallieerden hun onderlinge banden te verbeteren. Stalin lag daarbij behoorlijk dwars met zijn verklaringen omtrent welke landen binnen de Sovjetrussische invloedssfeer bleven. Wat de Latijns-Amerikaanse landen betreft kunnen we zeggen dat ze, met uitzondering van Chili en Argentinië, in januari 1942 op de pan-Amerikaanse Conferentie te Rio 5
  • 64. besloten de VS te volgen in de oorlog. Chili zou pas een jaar later deze stap zetten; Argentinië pas helemaal op het einde van de oorlog. Op het einde van 1942 en het begin van 1943 stellen we vast dat de As-mogendheden al te veel verliezen beginnen op te stapelen. Zo verloor Rommel de Slag bij El Alamein en bleef het Suez- kanaal onder geallieerde controle. Hitlers aanval op Toulon, de basis van de Franse vloothaven, liep ook niet als gepland; de Duitsers maakten geen enkel schip buit vermits de bevelhebber zelfvernietiging prefereerde boven overgave. Ook in Noord-Afrika kwamen de Duitse en Italiaanse troepen in problemen en moesten ze zich terugtrekken in Italië. Op 8 mei 1942 begon op het oostfront het tweede Duitse offensief met als voornaamste doelen : de petroleumbevoorrading van het Rode Leger afsnijden, het verhinderen van Amerikaanse en Britse wapenleveringen ( via Suez, de Perzische Golf en Iran ) en tenslotte een verbinding tot stand brengen met het Afrikakorps van Rommel. Even leek het alsof Stalingrad in handen van de Duitsers zou vallen, maar met het begin van de winter zette het Rode Leger zo’n fel tegenoffensief op dat de Duitsers gedwongen werden zich strategisch terug te trekken. Opnieuw maakte Hitler een tactische fout door te eisen dat zijn manschappen de strijd om Stalingrad niet zouden opgeven. Die massale strijd eindigde in de gedwongen capitulatie van de restanten van het 16e Duitse leger. Koersk, Bielograd, Karkow en Rostow werden bevrijd. Het gebrek aan coördinatie tussen de As-mogendheden werd steeds duidelijker. Ook ontbrak het in feite aan Japans engagement; zij hielden zich vooral met hun eigen zaken bezig en hadden de oorlog nog niet verklaard aan de Sovjet-Unie ( omgekeerd was dit trouwens ook nog niet gebeurd ). De coördinatie binnen de Geallieerden verliep vlotter, hoewel Stalin – ondanks de belangrijke steun die hij van de VS en Groot-Brittannië ontving – het niet naliet voortdurend kritiek te leveren op de militaire beslissingen van de Geallieerden aan het “westfront”. In januari 1943 kwamen de Geallieerden nogmaals te Washington bijeen ( Arcadia-Conferentie ) voor verdere diplomatieke en militaire afspraken. Eerst en vooral werd de inhoud van het Atlantisch Handvest bevestigd; vervolgens werd een Verklaring van de Verenigde Naties ondertekend. Verder werd nog gesproken over de te volgen strategie en werden de Amerikaanse en Britse legerstaven geïntegreerd. Een volgende conferentie ( Casablanca – 14 tot 26 januari 1943 ) handelde over de manier waarop Duitsland het best kon worden aangevallen. Stalin was niet op de conferentie aanwezig daar hij voldoende zorgen aan zijn hoofd had met de verdediging van Stalingrad en omdat hij niet te spreken was over het als maar uitstellen van het openen van een “Tweede Front”. De resultaten van de conferentie waren erg belangrijk. Ten eerste werd besloten na de landing op Noord-Afrika eveneens te landen op Sicilië en vervolgens op het Europese vasteland.Ten tweede formuleerde men de eis tot “onvoorwaardelijke overgave” en dit om een herhaling van Brest-Litowsk te voorkomen. De Britten hadden ook nog een eigen agenda : het beschermen van hun overzeese belangen. Hiervoor ging Churchill begin mei 1943 naar Washington om te spreken met president Roosevelt die echter geen interesse toonde in het ondersteunen van de Britten om hun koloniale rijk te redden. Bovendien was Roosevelt niet te vinden voor Churchills idee om het eindoffensief in de Balkan te beginnen en aldus de Sovjetrussische invloed aan banden te leggen. In het uiteindelijke compromis werd besloten om het eindoffensief te beginnen met een invasie in West-Frankrijk ten einde de totale en onvoorwaardelijke overwinning op nazi-Duitsland te behalen. Italië kwam alsmaar meer in de problemen. Italiaanse troepen leden een nederlaag in Noord- Afrika en konden een invasie op Sicilië niet verhinderen. Mussolini kreeg het aan de stok met andere leden van het fascistisch regime. Hij werd opgesloten en zijn opvolger knoopte 6
  • 65. onderhandelingen aan met de Geallieerden die op 3 september 1943 uitmondden in een wapenstilstand. De Duitsers stuurden nog troepen naar Italië om het tij te doen keren. Zo werd Mussolini bevrijd en kon hij zich nog wreken op de “verraders” van juli 1943. Uiteindelijk haalde het niets meer uit en op 4 juni 1944 zou Rome bevrijd worden. Over het oorlogsgebeuren in de zomer van 1943 kunnen we nog zeggen dat het Rode Leger de situatie meer en meer onder controle kreeg. In de Pacific en in Azië slaagden de VS er in het verkenningsvliegtuig van het Japans strategisch brein, admiraal Yamamoto, neer te halen. Op de Conferentie van Caïro ( 22 tot 26 november 1943 ) bleek nog duidelijker dat Roosevelt afstand nam van het Britse koloniale beleid in Azië. Churchill werd namelijk geconfronteerd met een onverwachte gast van Roosevelt : Tsjang-Kai-Sjek, die een openlijk voorstander was van de onafhankelijkheidsstrijd van Gandhi. De uitkomsten van de conferentie waren de volgende. Ten eerste werd China erkend als grootmacht. Ten tweede werd een einde gemaakt aan het stelsel van “ongelijke verdragen” ( Nankin – gun-boat diplomacy ). Ten derde werden Mantsjoerije en Taiwan erkend als Chinees grondgebied. Korea zou onafhankelijk worden. Ten laatste werd besloten alle veroveringen van Japan in de Pacific ongedaan te maken. De volgende belangrijke conferentie was die van Teheran ( 28 november tot 1 december 1943 ) waar Stalin, Roosevelt en Churchill rond de tafel kwamen zitten om een aantal zaken te bespreken die tot een sfeer van wantrouwen hadden geleid, vooral ten opzichte van de Sovjet- Unie ( imperialisme en de ontdekking van de massagraven te Katyn ). In feite werd niet veel besloten op de conferentie, voornamelijk omdat men geen enkele bondgenoot voor het hoofd wou stoten. Men sprak af alle details later uit te werken. Het belangrijkste was de beslissing tot het openen van een “Tweede Front” aan de Franse westkust. Door directe confrontaties uit de weg te gaan, bleef uiteraard het ongenoegen bestaan over de invloedszones van de Sovjet-Unie in Midden-en Oost-Europa. Stalin en Churchill zouden elkaar hieromtrent ontmoeten in Moskou ( oktober 1944 ) en beslissen dat Griekenland binnen de Britse invloedssfeer zou blijven en Roemenië en Bulgarije binnen de Sovjetrussische. Wat Joegoslavië betrof was de situatie onduidelijk en over Hongarije en Tsjecho-Slowakije werd nog niets “vastgelegd”. De eindfase van WO II werd ingezet met massale, doelgerichte bombardementen op de Duitse militaire infrastructuur. De Amerikaanse generaal Dwight D. Eisenhower kreeg het opperbevel over de landingsoperatie Overlord. D-Day ( 6 juni 1944 ) was de welbekende dag van de invasie in Normandië. Vandaar uit konden de troepen verder oprukken. Het oorlogsgebeuren kwam in een stroomversnelling. Het Rode Leger bevrijdde Oost-Pruisen, de Baltische staten en Finland. Griekenland werd dan weer door de Britten bevrijd. De Duitse troepen moesten de Balkan ontruimen toen de nazi-Duitse satellietstaten Roemenië en Bulgarije zich overgaven. Hitler hoopte dat de V-1 en V-2 bommen het tij nog konden doen keren, maar daarvoor waren de resultaten té gering. Zowel het von-Rundstedt-offensief in de Ardennen als het verweer in Hongarije ( nog een nazi-Duitse satellietstaat ) werden gebroken. De troepen op het west-en oostfront rukten op richting Berlijn. De intergeallieerde legerleiding besloot de eer om als eerste Berlijn te bereiken aan het Rode Leger te laten. Op 19 april bereikte dat leger Berlijn en een kleine week later ontmoetten Amerikaanse en Sovjetrussische legereenheden elkaar. De Duitse overgave werd in het noorden ondertekend door veldmaarschalk Busch op 5 mei en in het zuiden door generaal Jodl op 7 mei. Het Duits-Sovjetrussisch wapenstilstandsverdrag werd op 9 mei ondertekend. Von Ribbentrops poging om nog te onderhandelen met de Geallieerden had gefaald en de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland een feit. 7
  • 66. Ook in Azië was het doek stilaan aan het vallen voor Japan. Amerikaanse mariniers veroverden een aantal eilanden om die te gebruiken als uitvalsbasis voor het aanvallen van verder gelegen regionen. De tactiek was een succes en de VS kregen stilaan opnieuw de controle over de Pacific. De Filippijnen werden veroverd in februari 1945. Door het veroveren van de eilanden Okinawa en Iwoshima konden deze gebruikt worden om de B-29 toestellen bombardementen met brandbommen te laten uitvoeren op dichtbevolkte Japanse agglomeraties. Toch vond president Truman dat het moreel van de bevolking en vooral van de militaire elite ( vb. Kamikaze ) onvoldoende gebroken was om snel een einde te kunnen maken aan de oorlog. Hij woog de talrijke Amerikaanse levens die elke extra dag oorlog zou kosten af tegen een allesvernietigende nucleaire aanval op een weerloze burgerbevolking en kwam tot de conclusie dat de inzet van de atoombom gerechtvaardigd was. Zo werd op 6 augustus 1945 de eerste atoombom boven Hiroshima tot ontploffing gebracht. Twee dagen later verklaarde de Sovjet-Unie de oorlog aan Japan en bezette het Rode Leger Noord-Mantsjoerije, Noord-Korea en het eiland Sachalin. Boven Nagasaki werd op 9 augustus een tweede atoombom tot ontploffing gebracht die de Japanners aanzette om de vijandelijkheden te staken en onderhandelingen te beginnen. Japan aanvaardde op 14 augustus 1945 de door de Verenigde Staten gestelde voorwaarden. 8
  • 67. Ken Lawrence 3T4 Boek 2, Pagina 18 - 51 De daadwerkelijke inzet van het atoomwapen was een krachtig teken van Amerikaanse militaire superioriteit. Daar de VS eerst over het atoommonopolie beschikten, kleurden hun nucleaire diplomatie de laatste belangrijke conferenties op het einde van WO II. Zo was er van 4 tot 11 februari 1945 de Conferentie van Jalta waar de Amerikaanse en Britse regeringsleiders hoopten tot een overeenkomst te komen met Stalin in verband met de bevrijding van Duitsland die de twee eerste partijen liever niet als een hoofdzakelijk door het Rode Leger uitgevoerde actie zagen. Te Jalta werden akkoorden bereikt omtrent de verdeling van Duitsland in bezettingszones ( niet de economische of politieke verdeling van Duitsland ), de Sovjet-medewerking aan een nieuwe wereldorganisatie voor de collectieve veiligheid en vrede en de Sovjetrussische oorlogsverklaring aan Japan drie maanden na de overwinning op nazi-Duitsland. De Amerikaanse diplomatie was verheugd dat zo positief gereageerd werd op het concept van de Organisatie van de Verenigde Naties waarover op 9 oktober 1944 te Dumbarton Oaks een akkoord was bereikt tussen Britse, Franse, Amerikaanse, Chinese en Sovjetrussische diplomaten. We kunnen stellen dat de relaties tussen Britten en Amerikanen minder goed waren daar zij grondig van mening verschilden over de naoorlogse situatie. De Britten wensten nog steeds hun overzeese belangen veilig te stellen én het Sovjet-imperialisme in te dijken in Midden- en Oost- Europa. De VS daarentegen wilden Stalin te vriend houden daar zijn deelname aan de aanvallen tegen Japan als cruciaal werd beschouwd. Toch werd er ook hard gedebatteerd op de conferentie. Niet over de gedwongen inlijving van de Baltische staten, wél over de grenzen en het statuut van Polen. Hoewel men besefte dat het Sovjetrussische volk onvoorstelbaar had geleden, wilde vooral Churchill de in ballingschap-verkerende ex-Poolse regering niet in de steek laten. Uiteindelijk kwam het tot een compromis : twee vijfden van de nieuwe Poolse regering zou samengesteld worden uit de naar Engeland gevluchte democraten en drie vijfden zou bestaan uit leden van de communistische Nationale Raad van Lublin. De Curzon-linie werd aanvaard als de oostgrens van Polen ( een toegeving aan Stalin ); de Oder-Neisse grens werd nog niet als de formele westgrens – met Duitsland dus – aanvaard. Wat Duitsland betreft, besloot men het land te bezetten en het nazisme te vervangen door de democratie. De helft van de herstelbetalingen zouden voor de Sovjet-Unie zijn. Tenslotte werd ook nog overeengekomen dat de principes uit de Declaration on Liberated Europe zouden toegepast worden de Europese staten die bevrijd waren van het nazisme. Zo zouden vrije verkiezingen de nieuwe regeringen bepalen. Na Jalta was de volgende belangrijke conferentie die in San Francisco ( 25 april tot 26 juni 1945 ). Het aanvaarden van het Handvest van de Verenigde Naties had de Amerikaanse gezant Harry Hopkins nog veel moeite gekost. Er waren namelijk met twee landen problemen : Roemenië en Polen. In Roemenië was door druk van het Rode Leger de koning gedwongen geweest de belangrijke posities in de departementen Oorlog, Binnenlandse Zaken en Justitie in communistenhanden te geven. De crisis om Polen was veel ernstiger. Het naïeve initiatief van een gedeelde Poolse regering werd afgestraft toen de “democratische twee vijfden” naar Moskou werden gelokt en daar als “saboteurs en provocateurs” de dood vonden. Bovendien had Stalin de toestemming gegeven aan de Poolse regering ( volledig pro-Sovjet ) om de Duitse gebieden ten oosten van de Oder en de Neisse onder Pools bestuur te brengen. Nadien sloot Stalin een twintigjarig wederzijds bijstandsverdrag met Polen! De Amerikanen wilden Stalins steun niet verliezen m.b.t. Japan, maar namen toch afstand van zijn eenzijdig optreden. De Conferentie van San Francisco dreigde te mislukken daar Stalin zowel de Brits-Amerikaanse reacties niet 1
  • 68. accepteerde als de stopzetting van de Lend-lease-Act-hulp kwalijk nam. Harry Hopkins redde de Conferentie door af te spreken dat de oprichting van de nieuwe wereldorganisatie losgekoppeld werd van eventueel nog af te sluiten vredesverdragen ( in tegenstelling tot de Volkenbond met het Verdrag van Versailles ). Op de volgende Conferentie ( Berlijn – Potsdam van 17 juli 1945 tot 2 augustus 1945 ) werd de euforie van de overwinning op nazi-Duitsland getemperd door het groeiende wantrouwen tussen de westerse geallieerden en de Sovjet-Unie. Westerse adviseurs konden het Stalinbeleid niet doorgronden en Stalin zelf voelde zich persoonlijk geviseerd. Zijn land had nog steeds geen steun gekregen voor de heropbouw en na de overgave van de fascistische regering in Italië werd Stalin van de onderhandelingstafel geweerd. Bovendien vonden de Sovjets de nieuwe Amerikaanse president Truman wat bot en ontactvol. Op de Conferentie van Potsdam formuleerden de Sovjets twee eisen. Ten eerste wilden ze dat de bevoegdheden van de Intergeallieerde Controleraad in Berlijn niet verder gingen dan die van militaire bezettingsautoriteiten. Ten tweede zouden er nog geen verkiezingen mogen gehouden worden hoewel politieke partijen opnieuw toegelaten zouden worden. Dit laatste was om de Communistische Partij voor te bereiden op zo’n verkiezingen. Aanvankelijk werd een compromis bereikt, dat later onder druk van de nucleaire diplomatie niet veel meer betekende. Duitsland zou worden opgedeeld in bezettingszones en een Intergeallieerde Raad zou opgericht worden voor geheel Duitsland tot de vorming van een Duitse regering. Economisch hadden de westerse geallieerden besloten de Duitse industrie niet verder te ontmantelen ten einde de Duitse bevolking niet in nog meer ellende te storten. De Sovjets wezen er op dat dit inging tegen de afspraken van Jalta. Uiteindelijk werd ook hier een compromis bereikt : de bezetter van een bepaalde sector zou daarbinnen noodzakelijk-geachte vergoedingen in natura kunnen opleggen. Daar de Sovjet-Unie industrieel minder belangrijke bezettingszones in handen had, werd de Sovjet-aanspraak op het Oost-Pruisische Koningsbergen ( Kaliningrad herdoopt ) aanvaard. De Oder-Neisse grens werd slechts voorlopig aanvaard tot een vredesconferentie met Duitsland. Deze voorlopige regeling bracht weer een gigantische stroom vluchtelingen op gang. Toen men op de conferentie begon over het Verre Oosten liet Truman niet na Stalin te wijzen op de succesvolle testresultaten van de atoombom. Tot op de dag van vandaag wordt nog passioneel gediscussieerd over de noodzaak van de inzet van de atoombom op Japan. Het kan noch ontkend worden dat de oorlog er sneller mee ten einde was, noch dat er honderdduizenden aan stierven. Vooral het gebruik van de tweede atoombom ligt open voor een aantal interpretaties. Hoogstwaarschijnlijk werd ze ingezet om te tonen dat Amerika er meerdere in voorraad had en dat het Rode Leger van Stalin volstrekt overbodig was voor het bereiken van de Japanse overgave. Stalin “verdiende” geen plaats aan de onderhandelingstafel; de eerste toepassing van nucleaire diplomatie was een feit. Na de oorlog zullen de krijtlijnen van de Koude Oorlog duidelijker worden. Het Rode Leger voerde een agressief bezettingsbeleid in Midden- en Oost Europa. Het communisme infiltreerde overal en ondertussen bleef de vluchtelingenstroom maar toenemen. Het duurde dan ook niet lang voor het tot een eerste openlijk conflict kwam tussen de ex-geallieerden. Op 19 januari 1946 diende de Iraanse delegatie in de VN-Veiligheidsraad een klacht in tegen de blijvende bezetting en inmenging van de Sovjet-Unie. Winston Churchill trad onmiddellijk op de voorgrond als voorvechter van een “harde lijn”-diplomatie en richtte zich tot Truman met de vraag zich even hard op te stellen tegen het “neervallen van een ijzeren gordijn”. Het feit dat Truman akkoord 2
  • 69. ging, kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Zélf verantwoordt Truman zijn beslissing met zijn boodschap aan het Amerikaanse Congres op 12 maart 1947. Deze Truman- doctrine hield in dat de VS het als haar taak zag de democratische regimes te behoeden voor de communistische dreiging. Binnen deze ideologie kaderen zowel het Marshall-plan als de Noord- Atlantische Verdragsorganisatie ( NAVO ). Een andere interpretatie is dat het creëren van een nieuw vijandbeeld noodzakelijk was om binnen Amerika al wat links en radicaal was als “on- Amerikaans” te bestempelen. Bovendien diende de Amerikaanse economie na de oorlog op gang te worden gehouden en hiervoor dienden de reusachtige staatsuitgaven voor landsverdediging gerechtvaardigd te worden. Voorstanders van een “wellfare state” dienden uiteraard de mond te worden gesnoerd. De link met wat heden ten dage gebeurt, is té duidelijk om hem niet te zien. Ik zal dit op het einde van deze synthese uitwerken. De aanleiding voor de hardere aanpak van de Sovjet-Unie kunnen we vinden in de situatie in Turkije en Griekenland. Opnieuw kwam het statuut van de Bosforus en Dardanellen als één van de pijnpunten naar voor. Turkije controleerde deze namelijk en de Sovjet-Unie eiste zowel “een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid” als het bezit van een militaire basis in de Egeïsche zee. Een Sovjetrussische nota hieromtrent werd beschouwd als een onaanvaardbare inmenging in een Turkse veiligheidssector. Truman heroriënteerde nu resoluut zijn beleid ten opzichte van de Sovjet-Unie en stuurde een indrukwekkende legermacht naar het bewuste gebied. Toen de Griekse burgeroorlog tussen de communisten ( Grieks-Nationale Bevrijdingsfront ELAS ) en de royalisten ook nog uit de hand dreigde te lopen, werden de tegenstellingen in Europa tussen de verschillende machtsconcentraties alsmaar scherper. Griekenland dreigde namelijk in handen te vallen van de communisten en de Amerikaanse regering wilde dit verhinderen. President Truman verklaarde bijgevolg aan het Amerikaanse Congres op 12 maart 1947 wat zijn nieuwe buitenlandse beleid inhield, met name de vrijheid in de wereld ondersteunen ( Truman-doctrine, zie hierboven ). Het Amerikaanse Congres kende een buitengewoon hulpverleningskrediet van 400 miljoen dollar toe aan Griekenland en Turkije. Amerika was resoluut afgestapt van haar isolationistisch beleid. De zogenaamde “bipolaire” machtsstructuur kwam op wereldschaal tot stand. Amerika begon met haar indammingspolitiek ( “containment policy” ) door het lanceren van het Marshall-plan en de NAVO. Zo trachtte men de communistische druk op de West- Europese staten te doen afnemen. Dit was ook nodig want in het uitzichtloze financieel-economische klimaat waren de Europese landen als vogels voor de communistische kat. Truman oordeelde dat de internationale hulpverlening verkwist werd, maar zag ook in dat klassieke leningen niet zouden voldoen. De Amerikaanse staatssecretaris George Marshall lancerde op 5 juni 1947 zijn plan voor financiële en economische hulpverlening aan Europa. Ook Duitsland zou deze steun ontvangen. Men wenste geen herhaling van wat er na WO I gebeurd was met het Weimar-regime. Belangrijk is wel dat de Europese landen zélf onderling zouden moeten afspreken hoe de Amerikaanse hulp zou verdeeld worden. Zo kwam een eerste ( gedwongen ) Europese samenwerking tot stand. Hiervoor zou een conferentie in Parijs worden gehouden waar de Europese mogendheden aanwezig zouden zijn. Op de voorbereidende gesprekken bleek dat de Sovjet-Unie vond dat een nauwkeurig document met details van de noden, mogelijkheden, economische plannen en vooruitzichten een inbreuk was tegen de nationale soevereiniteit. Molotov verliet met de Sovjetrussische delegatie de besprekingen, beschuldigde de Amerikanen, Britten en Fransen ervan de Europese staten onderling te verdelen en dwong de delegaties van Polen en Tsjecho-Slowakije thuis te blijven. 3
  • 70. Op 12 juli 1947 begon de conferentie te Parijs zonder deze landen ( en zonder Spanje omwille van Franco ). De besprekingen over economische steun waren nauw verweven met overleg omtrent een politiek geïnstitutionaliseerde vorm van Europese samenwerking. Uiteindelijk zouden de landen ongeveer 17 miljard dollar krijgen, gespreid over vier en een half jaar ( “European Recovery Program” ). Op 3 april 1948 keurde het Amerikaanse Congres het Marshall- plan goed. De zestien Europese staten die deze steun zouden ontvangen groepeerden zich op 16 april 1948 in de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking en Ontwikkeling ( OEES ). Een Raad van Ministers kreeg de beslissingsmacht, beslissingen zouden met unanimiteit genomen worden hoewel een onthouding van een land deze niet in het gedrang zouden brengen. Het Marshall-plan kaderde uiteraard in de “containment policy” van de VS. Door de landen er economisch opnieuw bovenop te helpen, werd de voedingsbodem voor de linkse en communistische partijen weggenomen. Zo kunnen we stellen dat de OEES de institutionalisering representeerde van de splitsing tussen Oost- en West-Europa. De Sovjet-Unie reageerde door, na het brandmerken van het Marshall-plan in de VN, de “Kominform” op te richten. Dit communistische partijorgaan was voornamelijk symbolisch, doch stuurde het bedrijfsleven in West-Europese staten soms grondig in de war door communistisch- geïnspireerde stakingen. Het indoctrineren van de Midden-en Oost-Europese staten gebeurde stapsgewijs ( “salamitactiek” ) en gewelddadig. Alle oppositie werd geneutraliseerd, communistische agenten infiltreerden in alle regeringen en grootschalige politieke processen en zuiveringsoperaties werden uitgevoerd, ook tegen rooms-katholieken. Dit stalinistische staatsmodel werd als “volksdemocratie” aan de buitenwereld verkocht. Ongetwijfeld werd dit door de inwoners van Joegoslavië, Roemenië, Bulgarije, Polen, Hongarije en Tsjecho-Slowakije wel anders geïnterpreteerd! Door het bruuske einde van de oorlog in Azië konden reeds aanwezige politiek-militaire groeperingen de macht in handen nemen. Aldus verloren de West-Europese kolonisatoren hun gebieden. De oorzaken kunnen we vinden in de afgezwakte financiële en economische middelen van de koloniale mogendheden evenals het antikoloniale beleid van de VS. Bovendien betekende het aan de macht komen van linkse regeringen in Groot-Brittannië en Frankrijk dat prioriteit gegeven werd aan de heropbouw van het land. In China veroverden de communisten met steun van het Rode Leger Mantsjoerije. De Japanse wapens en voorraden die daar waren opgeslagen deden handig dienst in de strijd tegen de nationalistische Guomindang. Mao Zedong en het Chinese Volksleger slaagden erin Tsjang Kai- Sjek te verdrijven van het Chinese vasteland. Vooral de Amerikanen konden moeilijk verkroppen dat China verloren was voor het Westen en een aantal onder hen ( o.a. McCarthy ) geloofde rotsvast dat er in hun middens sympathisanten van de communisten rondliepen die het mogelijk hadden gemaakt. In Indonesië kon Soekarno twee dagen na de Japanse overgave de onafhankelijkheid uitroepen. Toch was dit geen garantie voor rust en stabiliteit, getuige de vele etnische en religieuze conflicten. De “politionele acties” van Nederland waarmee nog getracht werd een “confederatie” tot stand te brengen met de kolonies mislukten jammerlijk. Opstanden braken uit op Ambon en Nederland erkende op 27 december 1949 de onafhankelijke Indonesische Republiek. De Britse kroonkolonie India kende een moeilijkere overgang naar een onafhankelijke staat. De twee belangrijkste onafhankelijkheidspartijen ( Moslim League van Jinnah en de Congress Party van Gandhi ) konden zich niet verzoenen met het voorstel om samen in eenzelfde onafhankelijke staat te leven. Zo werd op 15 augustus 1947 India gesplitst in de hindoestaat India en de moslimstaat Pakistan. Deze splitsing bracht een stroom vluchtelingen op 4
  • 71. gang die elkaar bij het kruisen gewelddadig te lijf gingen. Bovendien blijven de problemen rond het statuut van de vorstendommen Hyderabad en Kasjmir nog tot de dag van vandaag onopgelost. Ook Birma en Ceylon ( Sri Lanka ) werden onafhankelijkheid, evenals Maleisië zij het pas in 1957 na een uitputtingsslag tussen nationalisten en communisten. Twee jaar later werd ook Singapore onafhankelijk. In schril contrast met het voorgaande verliep de dekolonisatie van Indochina en Algerije vele malen bloediger. De regeringen van de Vierde Franse Republiek waren niet in staat de eigen gefrustreerde generaals in te tomen. Zo kwam het tijdens onderhandelingen in Parijs tot zware incidenten tussen de Vietminh en het Franse leger in Indochina. Uiteindelijk werd in 1954 een diplomatieke regeling gevonden ( Akkoorden van Genève ) voor het probleem van Indochina na jarenlange onlusten die aan honderdduizenden het leven kostten. Belangrijk zijn ook de aanhoudende geruchten als zou de toenmalige Franse minister-president in ruil voor Sovjet-hulp voor het beëindigen van de oorlog geen moeite hebben gedaan om de Europese Defensiegemeenschap te redden. De Frans-Algerijnse oorlog eiste een nog hogere tol, ook voor het Franse imago als we aan de gruwelijke folterpraktijken denken. Hoewel president Charles de Gaulle er officieel in slaagde de machtsgreep in Algiers ongedaan te maken en er in 1962 een diplomatieke oplossing uit de bus kwam ( Akkoorden van Evian ) is de terreur nooit meer geëindigd. Ondertussen werd in Palestina de basis gelegd voor een conflict dat nog bijna dagelijks nieuwe beelden van terreur oplevert. Tijdens WO II werkten de zionisten ( o.a. Ben Goerion ) het zogenaamde “Biltmore”-programma uit. Hierin werd de eis geformuleerd aan de Britse regering om na de oorlog een onafhankelijke joodse staat te stichten waarheen het joodse volk onbeperkt zou kunnen emigreren. In maart 1945 werd te Caïro de Arabische Liga opgericht die twee zaken eiste : een hoger aandeel in de door de niet-Arabische staten beheerde petroleumexploitatie én een verbod op verdere joodse immigratie op Palestijns grondgebied. Hoewel de Britse regering uiteraard de “Shoah” unaniem verwerpelijk achtte, werd een pro-Arabisch standpunt ingenomen. Dit leidde tot een golf van joods terrorisme ( Irgoen, Lehi- en Stern-groep, aanslag op het King David Hotel te Jeruzalem ). Een nieuw Brits voorstel haalde niets uit en de druk op Groot- Brittannië werd in 1947 ontzettend groot ( o.a. door het incident met de “Exodus” ). Het verdeelplan dat door de Verenigde Naties werd voorgesteld werd verworpen door de Arabische staten vermits vruchtbare regio’s aan de joden werden toegekend. Deze laatsten besloten dan met een geïntegreerd leger een doorbraak te forceren. Toen op 14 mei 1948 de Britse regering haar mandaat aan de VN teruggaf, riep de joodse Nationale Raad de onafhankelijke joodse staat Israël uit. Zowel de VS als de Sovjet-Unie erkenden deze onafhankelijkheid. De gevolgen bleven niet uit; de Arabische buurlanden verklaarden de oorlog aan joodse nederzettingen. Met de ruggesteun van Emir Abdallah van Transjordanië boden de joodse verzetsgroepen goed weerstand. Het door de VN-bemiddelde bestand werd al snel door de Israëli’s geschonden. Hoewel uiteindelijk in 1948 een wapenbestand werd bereikt, herinneren de beelden van de afgelopen dagen ons eraan dat er zeker geen vrede werd bereikt tussen Israël en zijn Arabische buren. Vooral de schrijnende toestanden in de Palestijnse vluchtelingenkampen, overvol met mensen die Israël niet binnenmogen en ook geweerd worden uit de Arabische buurlanden, vormen een blijvende aanklacht tegen de joodse staat, die ook verantwoordelijk is voor de doorbraak van het Arabisch nationalisme ( denken we maar aan Egypte met kolonel Nasser ). In het volgende deel van de synthese zullen we zien welke gebeurtenissen ten grondslag liggen aan de allereerste climax in de Koude Oorlog. 5
  • 72. In Tsjecho-Slowakije moest de situatie wel uit de hand lopen. De Communistische Partij infiltreerde andere partijen, controleerde de politie en massamedia, bewapende de “Volksmilitie” en voerde gewelddadige acties uit. Toen op 20 februari 1948 een kabinetscrisis uitbrak, maakten de Volksmilitie en de communistische mobiele politie hier handig gebruik van. Het leger hield zich afzijdig en binnen de kortste keren moest president Benes het ontslag van de democratische ministers – die niet verwachtten dat het zo ver zou komen – aanvaarden. Later moest ook hij zélf plaats ruimen voor K. Gottwald. Tsjecho-Slowakije werd net als Polen, Hongarije, Roemenië en Bulgarije uitgebouwd tot een volksdemocratische republiek. De West-Europese regeringen – waarvan vooral Frankrijk en Italië met sterke communistische partijen zaten – vreesden een gelijkaardig scnario. Op 17 maart 1948 sloten Frankrijk, Groot-Brittannië en de Benelux een wederkerig militair bijstandsverdrag, het Pact van Brussel. In tegenstelling tot de latere NAVO en West-Europese Unie bevatte het pact een automatische wederzijdse militaire bijstandsverplichting. Aldus kan het Pact van Brussel beschouwd worden als het begin van een Atlantisch bondgenootschap gericht tegen de communistische dreiging. De eerste climax in de Koude Oorlog kwam er op 28 juni 1948 toen het Rode Leger en de Duitse Volksmilitie de territoriale toegangswegen naar West-Berlijn blokkeerden. Directe aanleiding hiervoor was de Sovjetrussische afwijzing van de – volgens hen – al te eenzijdig doorgevoerde munthervorming. Exact een week voor de blokkade had de Intergeallieerde Controleraad namelijk besloten de “Reichsmark” in de Westelijke bezettingszones te vervangen door de “Deutsche Mark”. Deze actie symboliseerde de verschillende bezettingspolitiek van de voormalige geallieerden; over de vluchtelingen en het gezag – Intergeallieerde Controleraad of militaire bevelhebbers in hun eigen sector – was de visie van de Sovjet-Unie diametraal tegenovergesteld aan die van de West-Europese staten. Er zijn uiteraard veel meer dieper liggende oorzaken voor de blokkade, die we kunnen indelen volgens drie verschillende interpretaties. De westerse orthodoxe interpretatie beklemtoont dat de opdeling van Duitsland noodzakelijk was om de Westelijke bezettingszones er weer bovenop te helpen. Zo zou een buffer kunnen gevormd worden tegen de communistische dreiging. De Sovjetrussische interpretatie wijst op het feit dat de Sovjet-Unie niet langer oorlogsvergoedingen mocht eisen in de westers bezettingszones; een maatregel die inging tegen de overeenkomsten uit Jalta. Tenslotte benadrukken de revisionistische interpretaties het belang van de druk van Amerikaanse en West- Europese industriële en commerciële belangengroepen die zo snel mogelijk weer hun handel wilden hervatten. Bovendien zou een onverdeeld en neutraal Duitsland met een linkse regering te veel sympathie kunnen koesteren voor de Sovjet-Unie. Als reactie op deze “schending van het akkoord van Potsdam” blokkeerden de Sovjets de kolen- en elektriciteitstoevoer evenals de wegen naar de westelijke sectoren van Berlijn. De bekende luchtbrug vormde daarop het antwoord van de westerse mogendheden, alsook een tegenblokkade. Na 318 dagen gaven de Sovjetautoriteiten de blokkade op omdat de bevolking meer en meer ging aanleunen bij de Amerikanen. Toch had de blokkade een belangrijk gevolg daar op 1 augustus 1948 een Duitse grondwetgevende vergadering werd bijeengeroepen die een jaar later leidde tot een “Grundgesetz” voor West-Duitsland. In de Oostzone werd de volksdemocratische grondwet goedgekeurd. In een recordtempo zagen we oost en west uit elkaar groeien. De westerse Bondsrepubliek kreeg een Bundestag ( Bonn ) op democratische wijze verkozen. In de Duitse Democratische Republiek werden “verkiezingen” gehouden die werden gewonnen door de enige toegelaten partij, de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands ( SED ). De Duitse Bondsrepubliek werd opgenomen in de OEES en ontving steun in het kader van het Marshall- plan. Zo kon het “Wirtschaftswunder” ( Konrad Adenauer en Ludwig Erhard ) zich voltrekken. 6
  • 73. Met de verankering van de Duitse Bondsrepubliek in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ( EGKS ) werd de basis gelegd voor het supranationaal gerichte Europese integratieproces. Op 4 april 1949 werd het NAVO-verdrag formeel ondertekend te Washington. De Amerikaanse regering had er op aangedrongen het Pact van Brussel een Atlantische dimensie te geven, gericht tegen de communistische dreiging. Sommige landen vonden het wat té verregaand, hoewel in tegenstelling tot het Pact van Brussel niet voorzien werd in een automatisch militair engagement. Wel werd onder druk van de Korea-oorlog voorzien in een geïntegreerd defensiestelsel. Beslissingen dienden weliswaar met unanimiteit te worden genomen, maar geen enkel land twijfelde aan de feitelijke Amerikaanse leiding van de NAVO ( verpersoonlijkt door de benoeming van Dwight Eisenhower als de militaire opperbevelhebber van de Supreme Headquarters Allied Powers in Europe ). De Sovjet-Unie lobbyde nog om de Franse en Britse regeringen te overtuigen het verdrag niet te ratificeren. Uiteindelijk had elke lidstaat toch bepaalde specifieke belangen die in het voordeel van ratificatie pleitten. Frankrijk zag het als een middel om Duitse ambities een halt toe te roepen. De Britten hoopten nog iets van hun vroegere glorie te behouden. Kleinere West-Europese staten zagen het als een garantie om er economisch weer bovenop te geraken. 7
  • 74. “Perpetual war for perpetual peace” Charles Austin Beard (1874-1948) De Verenigde Staten zoeken mijns inziens voortdurend vijanden – communisten, drugsbaronnen, terroristen, …- om heroïsch te bekampen. De Federation of American Scientists ( www.fas.org ) heeft een lijst opgesteld van sinds 1945 door de VS geïnitieerde militaire acties; dit zijn er bijna 200. Het hebben van een gemeenschappelijke vijand heeft zo zijn voordelen : binnenlandse problemen zoals een onstabiele economie dient men niet onder ogen te zien, de sociale welvaartsstaat kan afgebouwd worden, de wapenlobby haalt haar slag thuis en men kan de hand leggen op de noodzakelijke grondstoffen voor de eigen industrie. Zo kan het nieuwe “doemdenken” van “Limits to the growth – The 30-Year Update ( 2004 )” van dezelfde groep MIT-wetenschappers als het bekende rapport uit 1972 genegeerd worden; in Irak zit nog wel voldoende olie… Het is ook vrij flagrant dat de aanval op Irak al in 1996 onder de vorm van een handleiding beschikbaar was. Het “Clean Break”-rapport werd door Richard Perle, Douglas Feith en David Wurmser geschreven voor de toenmalige Isräelische premier Netanyahu. Het rapport voorzag in de ontmanteling van Irak en de neutralisering van Syrië. Vier jaar later dook een verwaterde versie op van de denktank PNAC ( Project for a New American Century ). Daarin staat expliciet te lezen hoe het probleem van het regime van Saddam Hoesein ondergeschikt is aan de noodzaak van een Amerikaanse militaire macht in de Golfregio. De absolute prioriteit is het bevestigen van het Amerikaanse leadership. De woorden van de Amerikaanse president gelden dan ook als wet. Ik vind zo’n “if you aren’t with us, you’re against us” behoorlijk schrikwekkend. De Bill Of Rights moet ook aan belang inboeten want het volk dient als één achter de leider te staan. Dissidente stemmen worden gesnoerd, getuige de reikwijdte van de USA PATRIOT (Uniting and Strengthening America by Providing Appropriate Tools Required to Intercept and Obstruct Terrorism” ) Act van 2001. De Amerikaanse voorliefde voor acroniemen zal nooit ophouden mij te verbazen. Toevallig zag ik onlangs een advertentie voor de summer school van de New School University in New York. Daarin vraagt men zich af “Must we dismantle democracy at home in order to export it overseas?” Daarin zit volgens mij erg veel waarheid. De democratisering van Irak wordt nu aangehaald als het hoofddoel; men diende de Irakezen te bevrijden van de tirannie van Saddam en consorten ( Operation Iraqi Freedom ). Daar staat tegenover dat kritiek over het hoe en het waarom wordt afgedaan als on-Amerikaans. De woorden van Theodore Roosevelt lijken me verhelderend : “To announce that there must be no criticism of the President or that we are to stand by the President, right or wrong, is not only unpatriotic and servile, but is morally treasonable to the American public.” Ik hoop dat de echo’s van de dystopische nachtmerrie 1984 van George Orwell ( continuë oorlogsvoering, privacy ingeruild voor veiligheid, staatsterreur, … ) ook niet meer dan dat worden… "You're free. And freedom is beautiful. And, you know, it'll take time to restore chaos and order—order out of chaos. But we will." George W. Bush, Washington, D.C., April 13, 2003 8
  • 75. Ken Lawrence 3T4 Boek 2 : Pagina’s 79 – 110 : Menig Europees federalist ijverde in september 1946 te Herstein om de woorden van Winston Churchill over een Verenigde Staten van Europa in de praktijk om te zetten. Deze Europese federalisten – heden ten dage te vergelijken met NGO’s – wezen erop dat de vooroorlogse methoden van interstatelijke betrekkingen gefaald hadden en dat een Europese Unie met zowel Oost-als West-Europese staten een must was. Op een conferentie te Montreux moesten deze federalisten pijnlijk genoeg vaststellen dat zo’n Europese Unie politiek niet haalbaar was. In de hoop toch enige beweging te krijgen in een Europees integratie-proces sloten de meeste Europese bewegingen zich aan bij een soort overkoepelend initiatief, het Internationaal Comité van Europese Eenheidsbewegingen. Zo waren er de Socialistische beweging van de Verenigde Staten van Europa, de Nouvelles Equipes Internationales ( NEI ), het United Europe Committee en de Pan-Europa beweging van graaf Coudenhove-Kalergi. Deze laatste sloot zich niet aan bij het Internationaal Comité. Dit Comité organiseerde in mei 1948 het Congres van Den Haag. Hoewel de Koude Oorlog zulke bijeenkomsten altijd op een bepaalde manier overschaduwde, werd er met geen woord over gerept. Italiaanse federalisten riepen al onmiddellijk uit dat er een Europese constituante zou moeten bijeengeroepen worden. De Britten en Scandinaven stijgerden want die wilden een louter adviserend orgaan, een soort vernieuwd Europees Concert. Mijns inziens hebben ze dan toch niet goed de desastreuze gevolgen van zo’n losse overeenkomst begrepen. De slotverklaring van het Congres bevatte vijf elementen. Ten eerste zou er geijverd worden een “Verenigd Europa” te creëren met vrij verkeer van mensen, goederen en ideeën. Ten tweede zou er een verklaring van de Rechten van de Mens moeten worden opgesteld. Ten derde zou een Europees Gerechtshof sancties kunnen opleggen wanneer de rechten uit punt twee niet werden nageleefd. Ten vierde zou een Europese Assemblee worden opgericht. Een laatste punt van de slotverklaring was vrij vaag en handelde over steunverlening aan politici en regeringen die zich inzetten voor de Europese zaak. Wat een Europese federale regering betreft kunnen we zeggen dat de aanwezigen niet verder kwamen dan een loutere definitie. Uiteindelijk werd het Congres geen succes omwille van de té afwijkende meningen omtrent de praktische kant van de Europese integratie. Toch gaven de verschillende Europese bewegingen niet op. Een ander overkoepelend orgaan, de Europese Beweging kwam enkele maanden na het mislukte Congres van Den Haag samen in Brussel teneinde een gedetailleerd plan op te stellen. Het resulterende plan werd voorgelegd aan de leden van het zogenaamde Pact van Brussel ( Groot-Brittannië, Frankrijk en de Benelux ). De ministers van Buitenlandse Zaken van deze landen zaten ook niet stil en richtten een Studiecommissie op voor de Europese Unie. Uiteindelijk wou men komen tot een Raad van Europa, maar de visies over de vorm van deze Raad weken af. De Britten ( labourregering ) stonden zo afkerig ten opzichte van een supranationaal getint initiatief dat ze weigerden de leiding op zich te nemen van het Europese integratieproces. Ze waren bovendien meer geïnteresseerd in het versterken van de band met de VS en waren begaan met zowel hun commerciële belangen in het Commonwealth als de toekomst van hun goed uitgebouwde welfare state. Bovendien was een superioriteitsgevoel hen niet vreemd : sinds 1066 ( Hastings ) was het land nooit meer bezet geweest. Vooral de Fransen waren voorstander van een gedurfde Europese constructie. Het uiteindelijk bereikte compromis hield de oprichting in van een Raad van Ministers en een Europese Assemblee. De Raad lag in het verlengde van wat de Britten wensten, namelijk een intergouvernementeel aspect, daar waar de Assemblee meer beantwoordde aan de 1
  • 76. wensen van de landen op het Europese continent die een interparlementair aspect wensten te integreren. De landen van het Pact van Brussel, evenals Denemarken, Noorwegen, Zweden, Ierland en Italië ondertekenden op 5 mei 1949 het verdrag tot de oprichting van de Raad van Europa. Omdat een aantal landen ( IJsland Griekenland en Turkije ) onder Sovjet-druk tot de NAVO waren toegetreden, werd hen ook een uitnodiging gestuurd om lid te worden van de Raad van Europa. Een jaar later geschiedde dit ook met de Duitse Bondsrepubliek. Ik vind het opmerkelijk dat men er hier blijkbaar van uitging dat eenmaal een land tot de NAVO behoorde, het lidmaatschap van de Raad van Europa hieruit voortvloeide. Ik maak hier toch de bedenking dat met betrekking tot Turkije en de EU een soortgelijke gedachtegang niet gevolgd wordt. Ook al is Turkije lid van de NAVO, het lidmaatschap van de EU blijft uitgesteld worden. De Raad van Europa zetelde in Straatsburg, de hoofdstad van Elzas-Lotharingen. Door de hoofdzetel daar te plaatsen werd er een symbolische betekenis gehecht aan de Raad die nu zetelde in de hoofdstad van een jarenlang fel betwist gebied. Een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Raad is het Europees Hof voor de Verdediging van de Rechten van de Mens. Voor de rest kunnen we zeggen dat de Raad van Europa niet veel betekende. Andrè Philip ( die we later nog tegenkomen bij de Europese Defensiegemeenschap ) diende een motie in om te komen tot een “Europese politieke autoriteit”, maar omwille van heftig Brits protest ( labourpublicatie ) is daar niets van gekomen. De lancering van het Noord-Koreaanse offensief op 25 juni 1950 zou in Europa een impact hebben op het Europese integratieproces. De context van de Koude Oorlog kon niet langer ( zoals was gebeurd ten tijde van het Congres van Den Haag ) worden genegeerd en vrij snel kwam het tot een gedurfde supranationale instelling. De Britse afstandelijkheid werkte het voorstel van Monnet en Schuman in de hand. Men wilde niet langer louter intergouvernementeel samenwerken, maar men streefde resoluut naar een “supranationaal” model teneinde de stapsgewijze creatie van een Europese eenheid te realiseren. Het plan van Monnet en Schuman draaide rond de integratie van de kolen- en staalnijverheden van Frankrijk en Duitsland. Omdat dit de traditionele oorlogsindustrieën waren en Frankrijk en Duitsland de twee mogendheden waren op het continent die al zo vaak met elkaar in conflict waren gekomen, leidde een integratie van die sectoren tot de onmogelijkheid van beide landen om nog met elkaar oorlog te voeren. Dit voorstel kreeg positieve reacties uit Belgische, Duitse, Italiaanse, Luxemburgse en Nederlandse hoek en werd uiteraard neergesabeld door de Britten. Uiteindelijk werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal snel tot stand gebracht. Drie elementen waren hiervoor verantwoordelijk. Eerst en vooral waren er de homogene visies bij de geïnteresseerde landen. Doordat de Britten en Scandinaven afkeurend stonden ten opzichte van de ganse onderneming vorderden de gesprekken wonderwel. Een tweede element waren de ministers van Buitenlandse Zaken zélf. Door hun afkomst ( grensgebieden ), onderlinge relaties ( schoolmakkers ) en zucht naar het bereiken van een compromis gingen de onderhandelingen vlot. Een laatste element was het uitgewerkte plan van Monnet dat gekoppeld aan diens enthousiasme wonderen verrichtte om snel tot een akkoord te komen. Het EGKS-Verdrag werd ondertekend op 18 april 1951 en voor de zomer van 1952 door de diverse nationale parlementen geratificeerd. Er werd een Hoge Autoriteit ( zetel te Luxemburg ) opgericht evenals een Gemeenschappelijke Vergadering ( zetel te Straatsburg ) en een Raad van Ministers. Het Hof van Justitie zetelde ook in Luxemburg. 2
  • 77. De inval van Noord-Korea op juni 1950 zorgde niet alleen voor een versnelling van het komen tot het EGKS-Verdrag. Velen dachten dat de definitieve communistische aanval op het vrije Westen was begonnen. De Amerikanen ( wie anders als het om communisme gaat ) namen het voortouw en wilden drie dingen. Eerst en vooral stuurden ze meer Amerikaanse troepen naar “het bedreigde gebied van de Duitse Bondsrepubliek”. Ten tweede wensten ze alle NAVO- strijdkrachten onder één bevel te brengen. Ten derde wensten ze dat de Duitse Bondsrepubliek opnieuw zou bewapend worden om mee te kunnen deelnemen aan militaire acties. Over een geïntegreerd militair oppercommando waren alle actoren het snel eens, maar de herbewapening van de Duitsers lag vooral bij de Fransen érg gevoelig. André Philip had een oplossing voor ogen: de creatie van een Europees leger. Op 24 oktober 1950 kwam minister Pléven met een uitgewerkt plan naar voren. Door de creatie van een Europees leger zou er geen sprake meer zijn van een “Duits” leger. Groot-Brittannië reageerde uiteraard erg negatief; defensie was voor hen erg nauw verbonden met de nationale souvereiniteit van hun land. Zelfs toen de labourregering werd verslagen in de verkiezingen van oktober 1951 en Winston Churchill opnieuw aan de macht kwam als eerste minister kwam er geen Britse koerswijziging. Uiteindelijk tekenden de Zes ( EGKS-landen ) op 27 mei 1952 het verdrag van de Europese Defensiegemeenschap ( EDG- verdrag ). Een paar dagen daarvoor hadden de westerse geallieerden de souvereiniteit van de Duitse Bondsrepubliek erkend. Belangrijk is dat het EDG-verdrag expliciet in de mogelijkheid voorzag om tot een Europese Politieke Gemeenschap te komen. Op 15 september 1952 kwam met dit doel een Assemblee bijeen die uiteindelijk het zogenaamde Verslag-Dehousse als ontwerpverdrag voor een Europese Politieke Gemeenschap publiceerde. Opmerkelijk is dat hoe minder gespannen de internationale toestand was, hoe minder men akkoord ging om verregaande verbintenissen te nemen. Zo strandde het oorspronkelijke Verslag-Dehousse; het uiteindelijke ontwerpverdrag dat op 10 maart 1953 werd aanvaard was een verwaterde versie van het origineel dat geen verregaande souvereiniteitsoverdrachten bevatte. Ondertussen nam de weerstand ten opzichte van de EDG steeds toe. Italië en Frankrijk hadden het EDG-Verdrag nog steeds niet laten ratificeren. In Italië was de regeringsstabiliteit sinds de dood van Alcide de Gasperi ver te zoeken. Zowel uiterst links als rechts ( “les extrèmes se touchent” ) eisten de aanhechting van Triëste. Bovendien was de Italiaanse Communistische Partij een echte kwelduivel. Frankrijk was dan meer begaan met haar kolonies. Vooral de Frans- Indochinese oorlog kreeg meer aandacht dan het Europese integratieproces. Op dat tijdstip was ijveren voor een Europees leger verloren moeite in Frankrijk, want er waren Franse soldaten nodig om de oorlog in de kolonie te beëindigen! De gangbare consensus was trouwens dat de ratificatie van EDG geen echte prioriteit was sinds de dood van Stalin en de schijnbaar verdwenen Koude Oorlog. Uiteindelijke culmineerde deze afwachtende houding in de eerste crisis van het Europese integratieproces. De regering-Pinay had te lang gewacht in de hoop een aantal Anglo-Amerikaanse garanties te kunnen voorleggen als argument voor het aanvaarden van het EDG-Verdrag. Britse steun bleef echter achterwege en de regering-Pinay viel. Haar opvolger, de regering-Mayer was veel rechtser en conservatiever, van de ratificatie zou niets in huis komen. Na slechts enkele maanden werd de regering in Frankrijk opgevolgd door de regering-Laniël; deze stond openlijk vijandig ten opzichte van de EDG. De Franse regering zette nu alles op alles voor het beëindigen van de Frans-Indochinese oorlog. De Franse Assemblee gaf de macht aan Pierre-Mendès-France. Hij slaagde er inderdaad in tot een wapenstilstand te komen, hoewel kwatongen beweren dat hij hiervoor een overeenkomst had gesloten met de Sovjet-Unie waarin hij zich engageerde om een Europese Defensiegemeenschap tegen te houden. Mendès-France trachtte weliswaar tot een compromis te komen : door toevoeging van een aantal protocollen zou de Franse Assemblee misschien meer geneigd zijn het EDG-Verdrag goed te keuren. Van zulke 3
  • 78. protocollen wensten Duitsland en Nederland dan weer niet te horen. Zij hadden reeds moeilijkheden genoeg gekend om in hun eigen parlementen het Verdrag te laten goedkeuren en wensten het niet te wagen dat deze vernieuwde versie zou weggestemd worden. Uiteindelijk besliste de Franse Assemblee de besprekingen omtrent het EDG-Verdrag voor onbepaalde tijd uit te stellen. Er kwam dus geen Europees leger, maar wel een alternatief dat een eerder los verband inhield : de West-Europese Unie. Deze heeft nooit echt veel te zeggen gehad en werd afgeschaft in 2002 toen er een plan kwam voor een soort “European task force”. Deze laatste is er tot op heden nog steeds niet. Het is ironisch vast te stellen dat er veel tegenstand was omtrent de herbewapening van de Duitsers, maar door het niet doorgaan van de EDG kwamen de VS tussen. Dezen integreerden de Duitsers in de NAVO en oefenden druk uit om de Duitse Bondsrepubliek te herbewapenen. Hierdoor kwam er dus een Duits nationaal leger tot stand in een veel losser verband dan binnen de EDG ooit het geval zou geweest zijn. Om uit de crisis te raken wenste men een initiatief te lanceren dat niet al té supranationaal, doch ook niet louter gouvernementeel van inhoud was. Zo werd het plan-Beyen dat uit 1952 dateerde terug boven gehaald en besproken als een Benelux-memorandum op de Conferentie te Messina op 2 juni 1955. Het plan werd positief onthaald en een voorbereidend comité met P.H.Spaak als voorzitter werd opgericht. Men kwam nadien nog eens samen in Venetië. De beslissende besprekingen hadden plaats op het kasteel van Hertoginnedal nabij Brussel. Het rapport van het voorbereidende comité, het zogenaamde rapport-Spaak, werd mits enkele wijzigingen aanvaard. Het bestond uit drie delen en het is opmerkelijk dat men alleen de eerste twee delen onmiddellijk in een praktische uitwerking wenste te gieten. Het derde deel handelde over de zogenaamde urgentiesectoren; sectoren die vandaag de dag nog steeds als “urgent” zouden kunnen bestempeld worden. Uiteindelijk werden op 25 maart 1957 de Verdragen van Rome getekend en zo de Europese Economische Gemeenschap ( EEG ) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ( Euratom ) in het leven geroepen. Qua instituties werd de volgende “tandem” opgericht : de EEG-Commissie lanceerde voorstellen en de EEG-Ministerraad nam beslissingen. Op het vlak van parlementaire controle schoot er nog wel wat te kort. Zo kon de Gemeenschappelijke Vergadering in feite alleen voorstellen formuleren m.b.t. de organisatie van Europese verkiezingen, moties van wantrouwen indienen ( enkel tegen de Commissie ) en kon ze het budget van de Europese instellingen onderzoeken. Bij dit laatste dienen we wel te vermelden dat in tegenstelling tot bij de EGKS de Verdragen van Rome aanvankelijk niet in eigen financieringsmiddelen voorzagen. Een eerste doel was het geleidelijk creëren van een Europese “douane-unie”. De EEG trachtte ook de Euro-Afrikaanse relaties te verbeteren door de oprichting van het Europees Ontwikkelingsfonds. Deze associatie wekte wrevel bij de Amerikaanse landbouwers. In het algemeen kunnen we wel zeggen dat de VS veel positiever dan Groot- Brittannië reageerde op de creatie van de EEG. Even leek het alsof de ganse revolutionaire onderneming alsnog zou falen door twee belangrijke gebeurtenissen. Ten eerste besloot Groot-Brittannië een vrijhandelszone op te richten. Ten tweede werd Charles de Gaulle – steeds een fervent tegenstander van supranationale instellingen – de eerste president van de Vijfde Franse Republiek. Een aantal EEG-landen zoals de Benelux en de Duitse Bondsrepubliek waren wel te vinden voor het Britse initiatief. Wat de Gaulle betreft kunnen we stellen dat de meeste waarnemers ervan uitgingen dat eens de problemen in Algerije waren opgelost de president zich resoluut tegen de EEG zou keren. Zo’n radicale afwijzing kwam er echter niet; zijn eerste officiële buitenlandse bezoek was in 1958 aan de Duitse Bondsrepubliek waar hij en Adenauer het goed met elkaar konden vinden. Later dat jaar bleek dat de Gaulle niet zozeer voor toenadering tot de Duitsers was in het kader van een Europese Gemeenschap, dan 4
  • 79. wel dat hij tegen een Brits geïnspireerde en geleide vrijhandelsassociatie was. Hiervoor waren twee redenen. Ten eerste was de Gaulle niet te spreken over de dekolonisatiepolitiek van de Britten. Hij verweet hen dat ze zich veel te eenzijdig hadden teruggetrokken in het kader van de Suez-kanaalaffaire. Ten tweede had de Gaulle in een memorandum geëist dat Frankrijk mee zou mogen beslissen op het hoogste niveau van de NAVO. De Britten en de Amerikanen waren hier niet voor te vinden en de Gaulle trok zijn conclusies : Frankrijk aanvaardde op 1 januari 1959 de verbintenissen uit het Verdrag van Rome en ging akkoord met een devaluatie van de Franse Franc opdat de muntconvertibiliteit makkelijker realiseerbaar zou worden. Groot-Brittannië reageerde onmiddellijk; op 21 juli 1959 werd de European Free Trade Association ( EFTA ) opgericht met als lidstaten Groot-Brittannië, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Oostenrijk, Zwitserland en Portugal. De VS ondernamen nog een poging om de beide blokken bij mekaar te brengen : de OEES werd omgevormd tot de OESO ( Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ) en de VS en Canada werden volwaardig lid. Dit Atlantisch karakter was echter niet voldoende om de EFTA en de EEG dichter bij elkaar te brengen. Opmerkelijk was dat de Gaulle vanaf 1960 zélf initiatieven nam om meer politieke samenwerking te realiseren in de Europese Gemeenschap. Toch zouden deze mislukken omdat er inherent steeds een contradictie aanwezig was : het beklemtonen van enerzijds de nationale soevereiniteit en anderzijds een “Europese confederatie” waren niet verenigbaar. We kunnen stellen dat de Gaulle vooral een Europa met een eigen buitenlands beleid wou dat voornamelijk ten opzichte van de Angelsaksische mogendheden stelling kon nemen. Hierin kaderde zijn uitnodigen van de Duitse kanselier Konrad Adenauer. De Gaulle formuleerde zijn ideeën over een coördinatie van het buitenlandse en militaire beleid van de Zes. Hoewel Adenauer enthousiast reageerde, waren de regeringskringen in Bonn van mening dat de Gaulle een veel te anti-Atlantisch beleid voor ogen had. Twee jaar daarvoor had de Gaulle namelijk duidelijk laten blijken de NAVO niet meer te zien zitten; Frankrijk zou voortaan haar defensie op autonome wijze regelen mét een eigen kernmacht. Toch was het logisch dat Adenauer en de Gaulle een grotere samenwerking zagen zitten. Met de ontmoeting tussen J.F. Kennedy en Chroesjtsjov werd de vrees dat de Amerikaanse regering concessies zou doen aan de Sovjet-Unie i.v.m. het Duitse probleem alleen maar aangewakkerd. De Europese Topconferentie in Bonn-Bad Godesberg ( juli 1961 ) had dan ook als hoofddoel het vinden van een oplossing voor de toenemende Sovjetrussische dreiging op Berlijn. De Franse en Duitse vertegenwoordigers gaven in een sfeer van euforie te kennen dat het politieke Europa was geboren. De Benelux-regeringen temperden dit enthousiasme onmiddellijk daar zij een Franse hegemonie vreesden. Toch liet de Gaulle het voorstel van de conferentie verder uitwerken. Dit plan-Fouchet kreeg veel tegenwind van de Nederlandse delegatie. Volgens hen tastte het plan het supranationale karakter aan van de Europese integratie, werd een toetreding van Groot-Brittannië erdoor bemoeilijkt alsook een mogelijke latere Atlantische samenwerking. Na inmenging van het Europese Parlement in Straatsburg werd het plan voor onbepaalde tijd opgeborgen. Vanaf 1961 besefte Groot-Brittannië dat deelname aan de EEG een noodzaak was geworden. Daar waren een aantal redenen voor. Ten eerste ging er veel minder dynamiek uit van de EFTA dan van de EEG. Ten tweede begonnen er barsten te komen in het Gemenebest. Ten derde waren er meer Amerikaanse investeringen in West-Europa; president Kennedy drong er zelfs op aan dat de Britse regering het Verdrag van Rome in zijn totaliteit zou aanvaarden. De onderhandelingen duurden lang en verliepen in een slechte sfeer. Deze was al rampzalig op het debat in het Lagerhuis en op de partijcongressen. De Britse pers deed nog olie op het vuur. Voortdurend pijnigde men zich met de gedachte dat er volstrekte onverschilligheid bestond vanwege het 5
  • 80. Europese continent ten opzichte van Britse toetreding; Brits leadership was geheel onnodig. Ook wat betreft de Commonwealth en vooral de landbouwproblemen werd vanaf oktober 1962 geen vooruitgang meer geboekt. Het rapport van het Mansholt-comité trachtte nog een oplossing te vinden, maar president de Gaulle had al zijn beslissing genomen : via zijn veto werd Groot- Brittannië uit de EEG gehouden. Wat doorslaggevend was voor de Gaulle was het feit dat Groot- Brittannië had gekozen voor een Atlantische samenwerking in plaats van een Europese. Op 21 december 1962 had Groot-Brittannië een militair akkoord gesloten met de VS. Hierdoor werd het land nóg afhankelijker van de Amerikaanse militaire macht. Voor de Gaulle zou Groot-Brittannië het “paard van Troje” zijn binnen de EEG. De eenzijdige wijze waarop de Gaulle te werk was gegaan veroorzaakte een vertrouwenscrisis in de EEG. Het samenhorigheidsgevoel was weg en men had de indruk dat de diverse instellingen slechts instrumenten waren van het nationaal buitenlands beleid. Nog meer wantrouwen ontstond toen op 21 januari 1963 Frankrijk en Duitsland een vriendschapsverdrag sloten. Velen interpreteerden het als de eerste toepassing van het “Europe des Etats” van de Gaulle, als een soort tegengewicht tegen een Europa dat een al te nadrukkelijke Atlantische dimensie verkreeg. De Gaulle zelf relativeerde deze aantijgingen. 6
  • 81. Ken Lawrence 3T4 Boek 2 : Pagina’s 148 – 159 : De activiteiten van de EEG werden van eind juni 1965 tot eind januari 1966 ernstig bemoeilijkt door de Franse “legestoelpolitiek”. Meteen werd opnieuw duidelijk hoe moeilijk het was om het economische succes van de EEG vast te koppelen aan een Europees politiek gezag. De aanleiding voor de crisis was te vinden in enkele voorstellen omtrent een betere democratische controle van de EEG. Hiervoor zouden de bevoegdheden van het Europese Parlement worden uitgebreid. Dit idee werd vooral ondersteund door de ondervoorzitter van de EEG-Commissie, Sicco Mansholt. De Commissievoorzitter Walter Hallstein stelde dan weer voor de unanimiteitsregel te vervangen door een meerderheidsregel. De Gaulle reageerde heftig en wilde niet weten van een federatief model. Hoogstens zou de Europese Gemeenschap kunnen evolueren naar een “confederatie” van staten. Toen er diende gedebatteerd te worden over de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid eiste de Franse regering dat de voorstellen omtrent de uitbreiding van de bevoegdheden van het Europese Parlement zouden opzij geschoven worden. Wat de Fransen voornamelijk dwarszat was het verlies van het vetorecht in de Ministerraad dat in het vooruitzicht werd gesteld. In de nacht van 30 juni op 1 juli 1965 begon de crisis toen de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Couve de Murville, de Ministerraad verliet en tot eind januari 1966 uit alle ministeriële EEG-bijeenkomsten wegbleef. Eind januari 1966 kwam het zogenaamde Luxemburgse “compromis” tot stand. Men verklaarde plechtig dat men “akkoord was niet akkoord te kunnen gaan”. De Zes hielden er op het verdere Europese integratieproces verschillende visies op na, maar zouden bij crisissen wel kunnen samenwerken. Ondertussen verliepen de GATT-onderhandelingen ( Kennedy-ronde ) in Genève vrij vlot. Voor het eerst onderhandelde de Gemeenschappelijke Markt als eenheid met de tegenpartij. De Commissie was de enige bevoegde onderhandelaar en de EEG-Ministerraad debatteerde over de staat van de onderhandelingen. Begin maart 1967 waagden de Britten het nog eens om hun aanvraag in te dienen tot toetreding tot de EEG. Dit betekende een radicale wending in de opvattingen van de Britse Labour Party en premier Wilson deed er dan ook alles aan om een mislukking te voorkomen. Hij hield voorafgaand uitgebreide besprekingen met de landen van de EFTA, de Gemenebestlanden en de EEG-lidstaten. Toch bestond er onzekerheid over de steun van president de Gaulle. Premier Wilson verklaarde dat de Britse regering het Verdrag van Rome in zijn geheel wilde aanvaarden; dit was een belangrijk verschil met de vorige aanvraag. Wat daarentegen een constante bleef, was de weigering van president de Gaulle. Hij baseerde zich op de gezamenlijke devaluatie die zowel de VS als Groot-Brittannië doorvoerden om zijn beslissing te funderen. De andere lidstaten begrepen dat zolang de Gaulle president was Groot-Brittannië geen schijn van kans had om lid te worden van de EEG. De jaren 1967-1969 betekenden mondiaal een historische overgangsperiode; de Derde Industriële Omwenteling was een feit. Ook de Praagse Lente en de Mei-revoltes hadden een impact op het Europese integratieproces. Om hierop een Europees antwoord te bieden, maar vooral om het Europese integratieproces uit het slop te trekken werd in december 1969 de Haagse topconferentie gehouden. Belangrijk was ongetwijfeld dat Georges Pompidou de nieuwe Franse president was, waardoor de weg naar de Britse toetreding open leek te liggen. De president wees 1
  • 82. in een toespraak op de drie problemen waar volgens hij de EEG mee te kampen had. Ten eerste was er de voltooiing. Dit had te maken met de overgang naar de laatste fase van de Europese douane-unie en de noodzakelijke financiële regelingen hieromtrent. Ten tweede was er de versterking. Dit draaide rond het realiseren van de Europese Monetaire Unie. Ten derde was er de uitbreiding waar men het natuurlijk had over het aanvaarden van nieuwe toetredingen. Voorts vond de president dat deze drie problemen afhankelijk waren van het antwoord op de vraag of men zeker was dat men verder wilde gaan met het opbouwen van de Europese Gemeenschap. Voor Georges Pompidou was het antwoord uitdrukkelijk “ja”. Zijn voorganger zou waarschijnlijk snedig gerepliceerd hebben met “Mais pour quoi faire?”. De nieuwe Duitse bondskanselier Willy Brandt wilde de ontspanningspolitiek tegengaan door volop voor de uitbreiding van de Gemeenschap te gaan. Bovendien zou volgens hem de Europese Gemeenschap democratisch dienen uitgebouwd te worden en moest er vrede tot stand komen tussen Oost- en West-Europa. Het slotcommuniqué bevatte de financiële regeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het vastleggen van het feit dat de bijdragen van de lidstaten op termijn zouden vervangen worden door eigen middelen van de Gemeenschap en ten slotte de uitbreiding van de bevoegdheid van het Europese Parlement ( in 1965-1966 nog aanleiding tot de crisis ). Ook werd een plan in het vooruitzicht gesteld voor het realiseren van de economische en monetaire unie en werd er besloten zo snel mogelijk met onderhandelingen te beginnen omtrent de uitbreiding van de Gemeenschap. Toch bleef de revolutionaire sfeer van 1968 spoken rond de EEG. De jongere generatie kon zich niet vinden in de EEG daar zij het beschouwden als een technocratische instelling gedreven door de belangen van machtsgroepen. Opmerkelijk is dat gelijkaardige kritiek terug te vinden was in meer gematigde en zelfs militant Europese kringen. Het Europese integratieproces miste creativiteit en inspiratie. Er heerste geen “Europa”-gevoel bij de inwoners van de EEG-lidstaten die, nu de heropbouw na WO II was afgerond, zich meer en meer gingen toeleggen op het genieten van de welvaart en de vrije tijd. Toch werkte men voort. In april 1970 werd met een akkoord over het landbouwbeleid en de eigen financieringsmiddelen de douane-unie gerealiseerd. Ook aan de realisatie van een Europese Monetaire Unie werd gewerkt, getuige het voorbereidende werk van het rapport-Werner. In februari 1971 werd een akkoord bereikt om in een periode van tien jaar deze unie te verwezenlijken. Toen datzelfde jaar de regering-Nixon besloot een feitelijke devaluatie van de dollar door te voeren en dit te koppelen aan eenzijdig protectionistische handelsbeperkingen reageerde de EEG niet dynamisch genoeg om de EMU sneller tot stand te brengen. Wel werd Groot-Brittannië EEG-lid in oktober 1971. Later zou blijken dat de Gaulle erg realistisch was geweest in het voorspellen dat zo’n lidmaatschap het vinden van een gezamenlijke Europese politiek alleen maar zou hinderen. Andere belangrijke verwezenlijkingen in Europa waren de Finse uitnodiging voor het houden van een Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de ontmoeting tussen Leonid Brezjnev en Willy Brandt in het kader van de “Ostpolitik” van deze laatste. Het was niet allemaal rozengeur en maneschijn. Sicco Mansholt richtte in februari 1972 een open brief aan de voorzitter van de Europese Commissie, Raymond Barre, waarin hij een oproep deed aan de leden van de Commissie om samen een Europees beleid te voeren ten einde een passend antwoord te geven aan – alles behalve moedgevende – bevindingen uit het Rapport van de Club van Rome ( Grenzen aan de groei ). Zijn oproep haalde niets uit; men zat nog te veel met de 2
  • 83. oliecrisis in het achterhoofd. De Parijse topconferentie van 1972 kunnen we dan ook zien als een op niets uitgedraaide poging voor een herformulering van het interne en externe Europese beleid. De economische en monetaire verschillen tussen de EEG-lidstaten werden alsmaar duidelijker; van de EMU zou op deze manier niets terecht komen. De zoektocht naar een eigen Europese identiteit werd op de conferentie plechtig verkondigd, doch in de praktijk is deze heden ten dage nog vaak zoek. Er waren alleen loze beloften en geen politieke wil. Toen in de herfst van 1973 de OPEC-landen hun boycot lanceerden betekende de oliecrisis dan ook de climax in een reeks Europese non-events. Boek 2 : Pagina’s 198 – 214 Door de oliecrisis werden de Europese landen ertoe aangezet een meer autonoom Europees Middellands-Zee- en energiebeleid te voeren. Zo erkenden de ministers van Buitenlandse Zaken op 6 november 1973 de “rechtmatige eisen van de Palestijnen” en werden onderhandelingen op de agenda gezet. De Franse minister van Buitenlandse Zaken Michel Jobert wenste van de gelegenheid gebruik te maken een eigen Europese identiteit te ontwikkelen en aldus te ontkomen aan de voortdurende Amerikaanse druk. Ook de Franse president Georges Pompidou ijverde hier voor. De VS wensten echter niet dat hun leadership in vraag werd gesteld. Henry Kissinger zorgde voor discrete en intensieve contacten tussen Washington en de belangrijkste West- Europese hoofdsteden. Nadien werd een openlijk tegenoffensief gelanceerd : daar waar de Europeanen een overleg wilden tussen de petroleumproducenten en de –consumenten organiseerden de Amerikanen een conferentie van de voornaamste olieverbruikers! Het formuleren van een “Europese identiteit”, waar vooral de Fransen achter stonden, werd nogmaals geformuleerd op de Europese topconferentie van Kopenhagen in december 1973. De bereidheid om zo’n identiteit na te streven zou moeten leiden tot gemeenschappelijke standpunten op het gebied van het buitenlands beleid. Als we kijken naar de verdeeldheid binnen Europa omtrent het al dan niet sturen van troepen naar Irak, dan kunnen we stellen dat een “Europese identiteit” nog lang niet gerealiseerd is. Op dezelfde conferentie onderstreepte men de wisselwerking tussen een autonoom Europees buitenlands beleid en de verdere uitbouw van de instellingen van Europa. Met het aanvaarden van de besprekingen tussen olieconsumenten en de OPEC-landen werd de aanzet gegeven tot een eigen buitenlands beleid, tegen dat van de Amerikanen in. Ook de ontwikkelingslanden zouden bij deze besprekingen aanwezig zijn. Ik heb de indruk dat men op dit moment meer evolueerde naar een aanpak in de lijn die Sicco Mansholt verdedigde op basis van het Rapport van de Club van Rome. Het is alleszins spijtig dat men er niet vroeger mee begonnen was. Pijnlijke fase in de geschiedenis van Europa is ongetwijfeld hoe het bij mooie intenties bleef. Michel Jobert stond op de Conferentie van Washington ( 12 tot 13 februari 1974 ) geïsoleerd; er werd gekozen voor het Amerikaanse idee van een confrontatiestrategie met de OPEC-landen. Met het installeren van het Internationaal Energie-Agentschap in Parijs werd het energie-overleg tussen de geïndustrialiseerde landen geïnstitutionaliseerd. Frankrijk deed met het ganse gebeuren niet mee. 3
  • 84. Uiteraard leidde dit alles tot een verziekte sfeer binnen de Gemeenschap. Om elkaar niet voor het hoofd te stoten werden enkele onbelangrijke gevallen besproken in de verschillende instellingen, zonder dat er nog sprake was van een overkoepelende visie. De toenmalige Belgische regering Tindemans-Van Elslande besloot de koe bij de horens te grijpen en stelde duidelijk wat er mis was binnen Europa. Ten eerste vielen landen voor het oplossen van de inflatie- en energieproblemen terug op de beperkte nationale dimensie daar waar op Europees niveau deze problemen veel efficiënter zouden kunnen aangepakt worden. Ten tweede functioneerde het Europese besluitvormingsproces niet meer normaal. De Franse president Giscard d’Estaing wenste wat aan de malaise te doen. Op de Parijse Topconferentie in december 1974 werden vier belangrijke beslissingen genomen. Ten eerste werd de Europese Raad opgericht. Hierin zetelden de regeringsleiders die op ten minste twee topontmoetingen per jaar de belangrijkste problemen zouden aanpakken. Uit vrees dat de “grotere” landen hierdoor de “kleineren” zouden verdrukken, werd in het slotcommuniqué duidelijk op papier gezet dat aan de bevoegdheden van de EG-Commissie niet zou geraakt worden. Ten tweede werd besloten een regionaal beleid uit te werken voor de Europese Gemeenschap. Ten derde werd vastgelegd dat in 1978 het Europees Parlement rechtstreeks verkozen zou worden. Dit idee ging terug tot het Congres van de Europese Beweging in Den Haag ( 1948 )! Ten laatste werd de Belgische minister Leo Tindemans belast met het uitwerken van een blauwdruk voor een “Europese Unie”. Dit Tindemans-rapport wees exact de pijnpunten aan van het Europese integratieproces. Toch kunnen we zeggen dat zijn aanbevelingen in 1978 genegeerd werden omwille van de politieke verdeeldheid binnen de lidstaten en nu nog steeds brandend actueel zijn. Tindemans pleitte voor een Europese identiteit dat tot een coherent beleid zou voeren in vier sectoren : de “Nieuwe Economische Wereldorde”, de betrekkingen tussen de VS en de Gemeenschap, de veiligheidsproblemen en het crisismanagement rond de Gemeenschap. Ook een Europees defensiebeleid zag hij als een noodzakelijke voorwaarde voor een volledige Europese Unie. Twintig jaar later zou op de Europese top in Helsinki meer aandacht worden besteed aan het oprichten van een Europese interventiemacht. Hoewel in 1976 een aantal Europese politieke partijen tot stand kwamen ( Europese Federatie van Liberale en Democratische Partijen, Europese Volkspartij, Confederatie van Socialistische Partijen ) diende de Europese Raad in Kopenhagen ( 7 tot 8 april 1978 ) de rechtstreekse verkiezingen een jaar uit te stellen omdat de Britse regering liet weten dat de voorbereidingen niet op tijd klaar zouden zijn. Uiteindelijk kwam het er in juni 1979 dan toch van. De opkomst was vrij hoog ( bijna 62% ) behalve in Groot-Brittannië ( 32% ). Opnieuw een teken aan de wand dat de Britten helemaal niet Europa-minded waren ( of moet ik zeggen “zijn? ). Het grootste aantal zetels werd – geheel naar verwachtingen – behaald door de socialisten en de sociaal- democraten. Het Albert-Ball-rapport veroordeelde sterk het Europese communautaire beleid. Men verweet de Europese landen onvoldoende te hebben gereageerd op de eerste oliecrisis, maar zich te hebben blindgestaard op de sociale welvaartspolitiek. Hierdoor kon ook aan de tweede oliecrisis ( 1979 ) amper het hoofd worden geboden. Een gemeenschappelijke Europese communautaire aanpak werd bemoeilijkt door de grote tegenstellingen tussen – alweer – Frankrijk en Groot-Brittannië. In Frankrijk was de socialistische president François Mitterand aan de macht en samen met de linkse regering-Maurois opteerden zij voor een beleid doordrenkt van overheidsinterventies en nationalisaties. De Britse regering, aangevoerd door Margaret Thatcher vaarde een gans andere 4
  • 85. koers : staatsinterventie en nationalisaties werden afgebouwd en er werd vertrouwd op het privé- initiatief. Thatchers eerste Europese optreden ( juni 1980, Europese Raad in Straatsburg ) zorgde al meteen voor vuurwerk. Ze wees op de discrepantie tussen de bijdragen van Groot-Brittannië aan het Europese budget en de ontvangsten die naar haar land vloeiden. Thatcher zwaaide nog met de verwezenlijkingen van Groot-Brittannië tijdens WO II en stelde resoluut dat er grenzen waren aan de Britse solidariteit. Haar eis om een minimum aan “juste retour” viel niet in dovemansoren, doch eerst trachtten de toenmalige Franse president Giscard d’Estaing en bondskanselier Helmut Schmidt de gemoederen te bedaren door te stellen dat Thatcher “would get her money back”. De ongelijkheid was volgens hen slechts van tijdelijke en voorbijgaande aard. Ook werd op de Europese Raad van Luxemburg een compromis voorgesteld waarbij Groot-Brittannië een forfaitaire compensatie zou krijgen. Thatcher verwierp het compromis en de Raad mislukte. Het zou nog tot de Europese Raad te Fontainebleau ( 1984 ) duren vooraleer een oplossing uit de bus kwam. Het jaar 1981 werd ook gekenmerkt door de toetreding van een van de armste landen van Europa tot de Gemeenschap. Voor de Grieken was het ongetwijfeld een bijzonder moment om, in hun jarenlang door militaire dictatuur geregeerde land, eindelijk naar de Europese stembusgang te mogen. Ook voor de Gemeenschap zelf was de toetreding symbolisch belangrijk : Europa was niet alleen een economisch blok gedreven door handelsbelangen. In 1984 besefte men dat het zo in Europa niet langer kon. Men diende voor eens en voor altijd het Britse probleem op te lossen. Bovendien was de inrichting van de Europese instellingen aan een grondige opknapbeurt toe. Een eerste initiatief van de Duitse en Italiaanse ministers van Buitenlandse Zaken ( Genscher en Colombo ) leidde tot niets. De Europese topconferentie van Fontainebleau ( 1984 ) daarentegen was van levensbelang voor de Gemeenschap. Er werden een aantal belangrijke beslissingen genomen. Ten eerste zou Groot-Brittannië een forfaitaire compensatie krijgen die jaarlijks nog zou worden aangevuld met het verschil tussen de ontvangsten en uitgaven – weliswaar voor slechts twee derden van dit verschil. Ten tweede werd het EU-budget verhoogd. De Gemeenschap kon beschikken over 1,4% i.p.v. 1% van de globale BTW-inkomsten. Deze maatregel werd genomen met het oog op de imminente toetreding van Spanje en Portugal. Ten derde wendde men zich tot het voorzichtig en stapsgewijs realiseren van een “Europese Unie”. Een pasklaar ontwerpverdrag, goedgekeurd door het Europese Parlement en in de lijn van het rapport-Tindemans, werd als té progressief opzij geschoven. Men koos voor de oprichting van twee comités. Het ene ( Comité-Dooge ) zou “de institutionele hervormingen van de Gemeenschap bestuderen”, het andere ( Comité-Adonnino ) zou zich bezighouden met het invullen van de leuze “het Europa van de burger”. Last but not least werd Jacques Delors de nieuwe commissievoorzitter. Door hem zou er pas écht vaart komen in het Europese integratieproces. Hij vond namelijk dat via een realistisch en pragmatisch beleid de Gemeenschap in staat zou zijn de vertraging in de economie en de hoge werkloosheid een halt toe te roepen. Uit deze visie ontstond het “Europa zonder Grenzen”- of het “Europa ‘92”-project. De Commissie-Delors stelde als prioriteit het realiseren van één geïntegreerde economische ruimte. Hierdoor zouden er schaalvoordelen ontstaan en zouden Europese bedrijven competitiever moeten worden om op de wereldmarkt te overleven. Toch wenste men duidelijk te stellen dat ook niet-economische motieven een rol speelden. Zo ondersteunde het project vier belangrijke doelstellingen. Ten eerste het verzorgen van een meer solidaire economische groei in 5
  • 86. alle Europese regio’s. Ten tweede wenste men de structurele werkloosheid af te bouwen. Ten derde werd opnieuw het belang van een Europese identiteit in de verf gezet. Ten laatste diende een grotere Europese samenwerking het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de toekomst. Dit laatste punt is volgens mij een reactie op het Rapport van de Club van Rome. Dit alles wou men realiseren op een analoge manier als ten tijde van de EGKS : eerste diende een monetair- economische eenheid te worden gerealiseerd die als basis zou dienen voor het verdere verloop van het Europese integratieproces. Om tot één geïntegreerde economische ruimte te komen, dienden driehonderd regelingen te worden goedgekeurd. Delors zag in dat men dit huzarenwerk alleen zou verwezenlijken als de unanimiteitsregel werd vervangen door meerderheidsbeslissingen. De Britten bleven dwars liggen, maar Delors wist Thatcher te overhalen door te wijzen op de achterstand die Europa zou moeten inhalen op Amerikaanse en Japanse concurrenten. De regering-Thatcher begreep de noodzaak dan toch. Op de intergouvernementele conferentie te Luxemburg werd hard gedebatteerd tussen de “maximalisten” en de “minimalisten”. Dit zou een steeds terugkerend fenomeen worden bij latere conferenties. Van hier af aan ( december 1985 ) dateert dus in feite de discussie over het al dan niet aanvaarden van een Europese grondwet. De maximalisten of integristen trachtten de minimalisten – die niet wilden weten van meerderheidsbeslissingen – te wijzen op de vruchten die een neoliberaal zou kunnen plukken in de enorme economische ruimte die in het vooruitzicht lag. Uiteindelijk werd het Europese besluitvormingsproces aangepast en kon het Europa-‘92-project gerealiseerd worden. Voorbehoud werd gemaakt door de Deense premier : de goedkeuring zou afhangen van een referendum. Ook de Britse premier bleef haar bedenkingen uiten. Het akkoord van Luxemburg ( ook wel de Europese Eenheidsakte genoemd ) had betrekking op vijf domeinen. Eerst werd in een aantal materies de unanimiteitsregel vervangen door een gekwalificeerde meerderheid. Ten tweede nam men de Europese Raad formeel op als een Europese instelling. Ten derde erkende en omschreef men de Europese Politieke Samenwerking ( m.a.w. de voortdurende zoektocht naar een “Europese identiteit” ). Ten vierde werden de bevoegdheden van het Europese Parlement gedeeltelijk uitgebreid. Ten slotte nam men een aantal bepalingen op omtrent de noodzaak van een communautair milieu- en sociaal beleid. Het Deense referendum eindigde positief ( in tegenstelling tot een later Deens referendum ). Ierland lag ook even dwars omdat het opnemen van het veiligheidsbeleid – weliswaar zonder de militaire aspecten – geïnterpreteerd werd als een schending van de Ierse neutraliteit. De uitslag van een referendum was echter positief. Op 28 februari 1986 kon aldus de Europese Akte ondertekend worden. Toen het algemene economische klimaat op het einde van de jaren ’80 wat gunstiger was, werd opnieuw gedacht aan het realiseren van de economische en monetaire unie. Dit hield in dat de lidstaten het gezag van een onafhankelijke Europese Bank dienden te aanvaarden. Later zou blijken dat vooral de Duitse Bundesbank daar problemen mee zou hebben. Op de Europese Raad te Hannover ( juni 1988 ) werd een comité onder voorzitterschap van Delors opgericht dat in april 1989 het Rapport-Delors publiceerde omtrent de realisatie van de Monetaire Unie. Het rapport bevestigde wat velen voelden; de Europese Akte ging niet ver genoeg indien men écht iets revolutionairs op het gebied van Europese integratie wilde bewerkstelligen. Op de Europese Raad van Madrid ( juli 1989 ) werd – in het kader van het bewuste rapport – dan ook gepleit voor een nieuw verdrag of alleszins een verregaande wijziging van het Verdrag van Rome. De Britse 6
  • 87. regering kantte zich – zoals verwacht – tegen een nieuwe soevereiniteitsoverdracht van monetaire en politieke bevoegdheden. De voorzitter van de Bundesbank had zijn bedenkingen bij hoe efficiënt een Europese Centrale Bank zou kunnen instaan voor prijsstabiliteit en de strijd tegen inflatie. Het Rapport-Delors werd dan ook niet in zijn geheel aanvaard, enkel de eerste fase. Dit hield twee zaken in. Ten eerste zouden de lidstaten convergentieprogramma’s voorleggen. Ten tweede werd besloten op een bijzondere intergouvernementele conferentie een tweede en derde fase uit te werken. Deze conferentie te Maastricht zou een enorme stap voorwaarts betekenen in de creatie van de Europese Unie. Rest ons nog iets te zeggen over de toetreding van Spanje en Portugal. Net zoals bij Griekenland zag men in dat lidmaatschap van de Europese Gemeenschap de beste manier was om de beide landen van hun dictatoriaal verleden ( respectievelijk Franco en Salazar ) af te helpen. Ten einde de landen er economisch en sociaal bovenop te helpen, werden moeilijke onderhandelingen gevoerd. Positieve aspecten aan hun toetreding waren de mogelijkheden tot nieuwe contacten met Noord- Afrika, de Latijns-Amerikaanse staten en natuurlijk het ganse Middellandse-Zeegebied. Negatief was dan weer dat beide landen nieuwe concurrentie betekenden voor bijvoorbeeld Frankrijk en Italië omwille van de vergelijkbare productie. Ook zou het Europese landbouwbudget steil de hoogte ingaan door hun toetreding en betekende de hoge inflatie en werkloosheid een bijkomende druk op de Europese Gemeenschap. Wat het herenigde Duitsland betreft, werd op de Europese Raad in Dublin aanvaard dat er geen aparte toetredingsprocedure diende opgestart te worden. Op 3 oktober 1990 werd de voormalige DDR deel van de Europese Gemeenschap. Boek 2 : Pagina 281 – 304 De Europese Gemeenschap reageerde snel op de val van de Berlijnse muur en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Zo werden met enkele Midden- en Oost-Europese staten de zogenaamde “Europa-overeenkomsten” ondertekend. Samen met het “Phare”-programma vloeiden zo jaarlijks 1,2 miljard ecu naar deze landen. Men hoopte dat deze subsidies een stimulerend effect zouden hebben op de investeringen van de privé-sector, de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling. Men sloot ook bilaterale akkoorden met Rusland en de staten voortgekomen uit de ex-Sovjet-Unie. Met de recente nieuwe toetredingen is een heel pertinente vraag die we ons moeten stellen die over de aanpak via het “uitbreidings”-perspectief. Worden het evenwicht en de verhouding tussen rijk en arm niet verstoord? Hoe zit het met et NAVO-lid Turkije dat nog steeds geen lid is van de EU? Het moge duidelijk zijn dat de debatten die gevoerd werden tijdens de conferenties die nu zullen besproken worden nog steeds stof tot nadenken bieden. Begin jaren ’90 begonnen de onderhandelingen omtrent de invoering van één Europese munt en de oprichting van een onafhankelijke Europese Centrale Bank. Opnieuw bleken de lidstaten niet zomaar bereid dat deel van hun nationale soevereiniteit op te geven. Te Maastricht ( februari 1992 ) werd wel vorm gegeven aan de nieuwe fases in het Europese integratieproces. Minimalistische en maximalistische argumenten botsten weer. Het afgezwakte Luxemburgse 7
  • 88. compromis werd als uitgangspunt gebruikt.Er stonden drie doelstellingen centraal. Ten eerste diende het herenigde Duistland goed geïntegreerd te worden en werd gestreefd naar de creatie van de EMU. Ten tweede dienden het EU-binnenlands en veiligheidsbeleid beter te worden gecoördineerd. Ten derde wilde men een betere samenwerking realiseren inzake Justitie en Binnenlandse Zaken. Deze drie elementen komen terug onder de vorm van de zogenaamde “zuilen” van het Verdrag van Maastricht. De eerste zuil handelt over de EMU. Zware onderhandelingen werden gevoerd over het tijdsschema en de toetredingscriteria. De tweede fase werd vastgelegd op 1 januari 1994 die gekenmerkt zou worden door besprekingen over vele aanpassingsmaatregelen. Ook werd het Europees Monetair Instituut opgericht dat de coördinatie van het monetair beleid moest versterken en de rol van de Europese Centrale Bank diende voor te bereiden. Voor de toetreding tot de derde en laatste fase ( vastgelegd op 1 januari 1999 ) dienden toetredingscriteria met betrekking tot de prijsstabiliteit, rentevoet, wisselkoersstabiliteit, begrotingstekort en staatsschuld te worden bepaald. Vooral deze laatste twee criteria zouden voor o.a. België een zware inspanning vereisen. Zoals vroeger vermeld was het de Duitse Bundesbank die reserves uitte met betrekking tot de Europese eenheidsmunt en de onafhankelijke Europese Centrale Bank. Als zoethoudertje werd besloten de zetel van deze bank te vestigen in Frankfurt, de vroegere zetel van de Duitse Bundesbank. In 1995 kreeg de Europese eenheidsmunt de naam “euro”. Ook werd bepaald dat de lancering van de derde fase de onherroepelijke vastlegging impliceerde van de pariteiten tussen de deelnemende valuta’s evenals de oprichting van de ECB. Als tegemoetkoming aan de Britse en Deense terughoudendheid werd een Protocol toegevoegd waarin stond dat beide landen – indien zij uiteraard de vijf criteria haalden – nog in 1999 hun definitieve beslissing zouden mogen nemen. De tweede zuil gaat over het profileren van de identiteit van de Europese Unie. De Europese Akte van 1987 bevatte reeds de formele erkenning van de Europese Politieke Samenwerking, maar bij de Golfoorlog en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie was gebleken dat een eigen Europees antwoord ontbrak. Vandaar het opnemen van de Europese Politieke Samenwerking in het Verdrag van Maastricht. Toch werd ook hier een historische kans gemist daar er nog steeds geen sprake was van meerderheidsbeslissingen. Op die manier kan de EU politiek geen gewicht in de wereldschaal leggen, iets waar ze economische en commercieel wél toe in staat is. De derde zuil handelt over de samenwerking tussen de lidstaten op het vlak van Binnenlandse Zaken en Justitie. Wat Binnenlandse Zaken betreft, werd een brug geslagen met de inhoud van het Schengen-akkoord dat handelt over het vrije verkeer van personen. Daarvoor gold alleen het vrije verkeer van werknemers. Bovendien dienen we steeds dit “vrije verkeer” te relativeren. Wat Justitie betreft werden een aantal zaken op elkaar afgestemd zoals de aanpak van drugshandel en “witwaspraktijken”. Ook werd het onderzoek en de opsporing van criminelen over de Europese landsgrenzen heen beter gecoördineerd en werd besloten een Europese politiedienst ( “Europol” ) op te richten. Het Deense referendum waartoe het bovengenoemde Protocol de mogelijkheid bood, eindigde in een duidelijk “neen”. Hoewel de intenties van de Franse president François Mitterrand logisch waren – het versterken van zijn presidentiële gezag alsook het verdelen van zijn politieke tegenstanders – werd de uitslag van het door hem gehouden referendum een kaakslag voor de Europese Unie. De rechtse oppositie had de publieke opinie goed weten te bespelen en in plaats 8
  • 89. van een verpletterend pro-Europees “ja” werd het een nipte 51 procent die zich achter het Verdrag van Maastricht schaarde. De precisering van de toetredingscriteria gebeurde op de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993. Er waren drie belangrijke criteria. Ten eerste dienden er stabiele instellingen te bestaan die de democratie, rechtsstaat, mensenrechten en minderhedenbescherming konden waarborgen. Ten tweede diende een markteconomie aanwezig te zijn die de concurrentie aankon. Ten derde diende men bereid en in de mogelijkheid te zijn het “acquis communautaire” ( = de verplichtingen voortvloeiende uit het lidmaatschap ) te implementeren. Op dezelfde Europese Raad werd de Commissie opgedragen een lijst van mogelijke toetreders te bepalen. Deze lijst zou later voorgesteld worden op de Europese Raad van Luxemburg ( juli 1997 ) alwaar de weerhouden landen – Hongarije, Polen, Tsjechië, Slovenië, Estland en Cyprus – gekend werden als de zogenaamde “Luxemburg-groep”. In juni 1997 kwamen de staatslieden en regeringsleiders samen op de intergouvernementele bijeenkomst te Amsterdam waarin expliciet voorzien was in het Verdrag van Maastricht. Vier doelstellingen werden nagestreefd waarvan er drie dienden om de drie “zuilen” te versterken. Zo werd er gesproken over het opheffen van belemmeringen voor het vrije verkeer en de zorg voor een grotere interne veiligheid. Ten tweede diende men werk te maken van het versterken van de Europese politieke samenwerking. Ten derde zouden de communautaire instellingen doelmatiger moeten gestructureerd worden met zicht op de uitbreiding van de Unie. De meest specifieke doelstelling, aangehaald door de sociaal-democratische regeringsleiders, was de werkgelegenheid. Er werden vier belangrijke beslissingen hieromtrent genomen. Eerst en vooral werd een Comité voor de Werkgelegenheid opgericht. Ten tweede werden stimulerings- en financieringsmaatregelen voorzien. Ten derde werd besloten jaarlijks op basis van een verslag over de werkgelegenheid gepaste acties te ondernemen. Ten slotte werd het Sociaal Protocol geïntegreerd in het nieuwe verslag. Andere belangrijke verwezenlijkingen waren die op het domein van de rechten ( kiesrecht, fundamentele mensenrechten, consumentenrechten en recht op informatie ) en de domeinen van Justitie en Binnenlandse Zaken ( inbouwen van de Shengen- akkoorden met invoeringsperiode van vijf jaar ). De instellingen werden ook niet uit het oog verloren ( stap richting mede-wetgevingsbevoegdheid Europees Parlement, stemmen met gekwalificeerde meerderheid in de Raad, en het verlenen van meer controlebevoegdheid aan het Europese Parlement ten opzicht van de Commissie. Opnieuw werd een poging ondernomen tot het formuleren van een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid die echter opnieuw mislukte ( getuige de oorlog in en om Kosovo ). De Commissie reageerde op de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam met de “Agenda 2000” van commissievoorzitter Jacques Santer. Men benadrukte daarin de problemen van de uitbreiding en het verband met de versterking van de Unie: (landbouw)hervormingen en het structuur- en regionaal beleid dienden in samenhang met de uitbreiding van de financiële middelen gezien te worden. De Commissarissen trachtten zelf ook aan wat “uitbreiding van de financiële middelen” te doen. Paul Van Buitenen, ambtenaar van de financiële controle, bracht de bal aan het rollen door het aangeven van belangenvermenging en wanbeheer met betrekking tot het da Vinci-programma. Men trachtte hem het zwijgen op te leggen, maar het Europese Parlement kreeg lucht van de zaak en weigerde kwijting te verlenen aan de Commissie-Santer. Op een parlementszitting ( 14 januari 1999 ) werd besloten dat een Comité van Wijzen de zaak zou onderzoeken. Wie een 9
  • 90. doofpotoperatie verwachtte kwam bedrogen uit; het Comité velde haar oordeel : “Het wordt moeilijk om nog iemand in de Commissie te vinden die nog enig gevoel voor verantwoordelijkheid heeft”. Een hevige ruzie brak begrijpelijkerwijze uit en de Commissie trad af. De eerstvolgende Europese verkiezingen ( 13 juni 1999 ) waren hier ongetwijfeld fel door getekend. Voeg daarbij het feit dat de campagnestrijd voornamelijk rond nationale thema’s werd gevoerd ( ben ik verkeerd te denken dat dit ook dit jaar het geval is? ) en dat de pers vol overgave berichtte over de platte zakkenvullerij van een aantal parlementairen en we hebben de verklaringen voor de uitzonderlijk lage opkomst en het succes dat eurosceptici behaalden. Het ontslag van de Commissie wierp ook, samen met de dreigende NAVO-interventie in ex- Joegoslavië ( Kosovo ), een schaduw over de voorbereidende onderhandelingen voor de Europese Raad in Berlijn ( februari 1999 ). Er werd voornamelijk gepraat over de uitdagingen die de uitbreiding veroorzaakte : ten eerste de gevolgen voor het communautaire landbouwbeleid, ten tweede de verdeling over de regio’s van de financiële middelen en ten derde de lastenverdeling tussen de lidstaten voor 2000 tot 2006. Romani Prodi werd de nieuwe commissievoorzitter. Ook wilde men een hand uitsteken naar de Balkan en de toetreding niet aan al te strikte voorwaarden koppelen zodat de landen verder zouden gaan op het pad van de democratie en het respecteren van de mensenrechten. Ook riep men de functie van Europees secretaris voor het Buitenlands en Veiligheidsbeleid in het leven. De aftredende secretaris-generaal van de NAVO, Javier Solana, kreeg de functie. De Europese Raad in Helsinki ( december 1999 ) betekende een historische doorbraak op twee terreinen : de uitbreiding en de externe veiligheid. Wat betreft de uitbreiding werd besloten Turkije ( belangrijk in de NAVO en een link naar Rusland, de Kaukasus en het Midden-Oosten ), Slovakije, Letland, Litouwen, Roemenië, Bulgarije en Malta ( samen de “Helsinki-groep” ) uit te nodigen voor onderhandelingen omtrent een mogelijke toetreding. Wat betreft de externe veiligheid uitte men eerst zijn frustratie over het hoofdzakelijk Amerikaanse karakter van de NAVO-interventie in ex-Joegoslavië, de oubollige defensiestrategie van de WE-lidstaten en het hoger liggen van de samengevoegde EU militaire uitgaven dan die van de VS. Een concrete stap richting een Europese defensie werd genomen; tegen het jaar 2003 zou de Europese Unie over een eigen interventiemacht moeten beschikken. Problematisch ( en waarschijnlijk een van de oorzaken voor het feit dat de interventiemacht er nog steeds niet is ) was dat de verhouding met de NAVO niet werd vastgelegd. Wel doekte men – als uiting van vertrouwen in het slagen van de onderneming – de West-Europese Unie op die sinds 1948 bevoegd was voor de defensieproblematiek. Op de Sarajevo-top ( juli 1999 ) werd het zogenaamde Stabiliteitsplan voorgelegd. Wat ontbrak was een globaal ontwikkelingsproject. Vermits velen vinden dat de berechting van oorlogsmisdadigers een van de topprioriteiten blijft, is het spijtig vast te stellen dat het proces van Milosevic maar blijft aanslepen. Ook de algemene verkiezingen in het “vroegere” oorlogsgebied en het succes van de nationalistische partijen bewijzen dat er nog een lange weg af te leggen is… Het nationalisme en racisme vierden niet alleen hoogtij in de gedesoriënteerde landen van Midden- en Oost-Europa. Zo nam in Italië Silvio Berlusconi de leider van de neo-fascistische MSI, Gianfranco Fini, en enkele gelijkgestemde zielen op in zijn regeringscoalitie. Ook op regionaal vlak werd een “cordon sanitaire” doorbroken door Berlusconi. Diens nieuwe partij 10
  • 91. Forza Italia vormde een regionale coalitie met de nationalistische Lega Nord van Umberto Bossi. De verkiezingen werden in 1994 gewonnen en een rechtse coalitieregering op basis van de Forza Italia, de Lega Nord en de Alleanza Nationale hield het enkele maanden vol. Een Europese reactie bleef uit. Zo’n reactie kwam er wel met de doorbraak van Jörg Haider en de nationalistische FPÖ in Oostenrijk ( 1999 ). Door het verkiezingssucces van deze partij lagen er drie wegen open : een coalitie tussen zij die de verkiezingen in feite hadden verloren ( christen- en sociaal democraten ), nieuwe verkiezingen of een coalitie met het FPÖ. Met verontwaardiging werd gereageerd toen de christen-democraat Wolfgang Schüssel koos voor de derde optie. Na een jaar was er niet veel meer over van het protest en de verontwaardiging. De Europese christen- democraten ( die in het Europese Parlement de Forza Italia tot hun fractie hadden toegelaten ) wilden de hele heisa achter zich laten, Berlusconi kon zijn ganse media-imperium ( lees : propagandamachine ) inzetten en zo probleemloos in 2001 opnieuw de regeringsleider worden en in Europa was het “back to business as usual”. Even stilstaan en evalueren waarom de Europese samenleving zo nationalistisch-rechts was ingesteld deed men niet. Nochtans had men dan kunnen vaststellen dat het gegoochel met de termen “globalisering” en “mondialisering” bij velen een automatische xenofobe reactie teweegbracht ten opzichte van de gevreesde instroom van immigranten die in Europa hun geluk kwamen beproeven. Men zou niet over het hoofd mogen zien dat een coherent buitenlands beleid, gekoppeld aan een beter immigratiebeleid een van de uitdagingen is van de EU. Nu men zo ver is doorgedrongen in Oost- Europa met het verspreiden van de Europese idealen is het onmogelijk – ook volgens Michail Gorbatsjov – om zich een toekomstig Europa voor te stellen dat afgebakend is van Rusland. De nationalistische ingesteldheid primeerde ook op de intergouvernementele conferentie te Nice ( 7 tot 10 december 2000 ). Een groot aantal staatslieden en regeringsleiders zat met de eigen nationale verkiezingen in het achterhoofd en landen waren weer meer begaan met het eigen belang in plaats van het Europese. Er waren drie elementen die dienden besproken te worden : de samenstelling en reorganisatie van de Commissie, de beperking van het vetorecht en het verder implementeren van de gekwalificeerde meerderheidsstemmingen en tenslotte de herverdeling van het stemmengewicht. De voorbereidende besprekingen waren al niet vlot verlopen daar weinigen bereid waren om een uitgebreide agenda te bespreken. De Commissie-Prodi zorgde er nog voor dat de zogenaamde “versterkte samenwerking” ( = sommige EU-landen die op bepaalde domeinen verder willen integreren dan andere landen ) op de onderhandelingstafel kwam. De besprekingen werden verder gekenmerkt door aanhoudend gezeur en de zoektocht naar wat vertrouwen tussen de lidstaten. De eigenlijk conferentie was niet veel beter. De eerste verwezenlijking was een maatregel tegen de BSE-crisis. Vandaar ging het alleen maar bergaf. Ten einde een alternatief voor een Europese Grondwet te lanceren, werd het Handvest van de Grondrechten in de Europese Unie plechtig afgekondigd. De 53 artikels waren op de Europese Raad in Biarritz goedgekeurd. Ook was er gesproken geweest over hoe het Handvest juridisch bindend kon gemaakt worden, maar daartegen verzette onder meer Groot-Brittannië zich heftig. Men bleef dus zitten met een mooie tekst die op geen enkele manier afdwingbaar was. Ook slaagde Tony Blair erin de stappen die ( op onder meer de Europese Raad van Helsinki ) genomen waren in de richting van een Europese defensie ongedaan te maken. Volgens zijn Britse campagne ondermijnde een Europees defensieproject de Atlantische alliantie. Hoe nauw deze Atlantische alliantie Blair aan het hart lag, kunnen we nu beoordelen aan de hand van zijn relatie met George W.Bush. Niet alleen Blair had andere dingen aan zijn hoofd te Nice. De Franse president Jacques Chirac hield er een dubbelzinnige houding op na. Met in het achterhoofd het pijnlijke Franse referendum na Maastricht en de komende presidentsverkiezingen wou hij een 11
  • 92. gefederaliseerde Europese Unie kost wat kost vermijden. Chirac was erg tevreden toen hij erin slaagde de Duitse kanselier Gerhard Schröder akkoord te laten gaan met de regeling waarbij Frankrijk hetzelfde stemmengewicht mocht hebben in de Raad ondanks het verschil in de respectievelijke bevolkingsgrootte. Ook José Maria Aznar deed er alles aan om de besprekingen beperkt te houden. Geen wonder als we kijken dat zijn kleine land qua stemmen in de Raad het gewicht van een “grote” lidstaat had. België zou dan weer zijn decennialange gelijke positie met Nederland moeten opgeven! Vruchteloos verwees men naar waar Frankrijk in was geslaagd. Het “directoire van de Groten” hield geen rekening met het protest. We kunnen een beknopt overzicht geven van de resultaten van Nice. Ten eerste beloofde men dat de kandidaat-lidstaten zouden mogen deelnemen aan de verkiezingen voor het Europese Parlement in juli 2004. Tevens zouden zij reeds op voorhand hun vertegenwoordigers kunnen aanduiden. Ten tweede werden een aantal beslissingen genomen in verband met de Commissie. Deze zou in de toekomst het maximum aantal van 27 commissarissen niet mogen overschrijden. Men kon niet langer een veto gebruiken bij de keuze van de commissievoorzitter en deze laatste zou leden van de Commissie individueel de laan kunnen uitsturen ( een reactie op de schandelen rond Edith Cresson ). Ten derde werd het vetorecht enigszins beperkt. Toch ijverden vooral Frankrijk en Groot-Brittannië voor het voortbestaan ervan. Ten vierde werd besloten het aantal EU-parlementsleden tot 732 te beperken. Ten vijfde werden beslissingen getroffen omtrent de regeling van meerderheidsbeslissingen evenals de nieuwe verdeling van het stemmengewicht. Vooral dit laatste lokte heftige discussies uit. Zo geraakte men er niet uit of alleen de bevolkingscijfers bepalend waren. De reacties op Nice waren erg uiteenlopend. De regeringen van “grote” lidstaten weigerden de slechte verstandhouding, het primeren van een nationale in plaats van Europese ingesteldheid en de minimale resultaten onder ogen te zien. Ook de machtsposities, gebrek aan leadership en Britse terughoudendheid werden door onafhankelijke waarnemers aangeduid als de redenen voor de flauwe resultaten van de intergouvernementele conferentie. Deze visie werd ook gehuldigd door het Europese Parlement dat proclameerde meer heil te zien in een Europese grondwetgevende vergadering. Later werd men wat milder en wees men ook op een aantal positieve aspecten : de positie van de commissievoorzitter was verbeterd, de “versterkte samenwerking” was versoepeld, de samenstelling van het Europese Parlement werd beperkt en de uitbreiding van de Unie kon gewoon doorgaan. Wanneer men het heeft over het “democratisch deficit” dan stellen we inderdaad vast dat het concept “Europa” bij de publieke opinie een erg negatieve bijklank heeft. Volgens mij kan dit slechte imago verbeterd worden door een duidelijk en ondubbelzinnig Europees beleid te voeren en door de Europeanen daarvan duidelijk op de hoogte te stellen, evenals hen inspraak te gunnen. Om het even filosofisch uit te drukken : net zoals vele mensen zichzelf nog nooit afvroegen “wie ben ik?”, “waar sta ik voor?” en “wat wil ik bereiken?” kampt ook de EU met deze existentialistische vragen. Dit is ook logisch daar het geheel door mensenhanden vorm werd en wordt gegeven. Voor mij is dit het beste bewijs dat de EU nog steeds kan “groeien”, zij het in mijn ogen minder extern gericht en meer intern… 12
  • 93. Boek 2 : Pagina 340 – 343 Even leek het alsof de schokkende gebeurtenissen van 11 september 2001 zou leiden tot het formuleren van een Europees gemeenschappelijk buitenlands- en defensiebeleid. Op de bijzondere top in Gent werd deze ijdele hoop met de aparte ontmoeting van de “Groten” de kop ingedrukt. Noch in het kader van de Europese Unie noch in dat van de NAVO werd gezocht naar een bondgenootschap met de Amerikanen in de strijd tegen het terrorisme. Een aantal landen ging buiten de internationale instellingen om rond de onderhandelingstafel zitten met de Amerikanen. Uiteraard ontbreekt zo op dit moment élk gemeenschappelijk draagvlak omtrent de strijd tegen het terrorisme. De nood aan een Europese militaire interventiemacht werd ook alsmaar duidelijker, hoewel de oproep hiertoe door Louis Michel op de Europese Topconferentie in december 2001 te Laken onmiddellijk door Britse, Franse en Duits regeringsleiders werd teruggefloten. Toch zagen we ook twee belangrijke stappen in het Europese integratieproces. Eerst en vooral was er de invoering van de euro op 1 januari 2002. Het concept “Europa” werd zo voor “Jan-met- de-pet” iets tastbaarder. Het enthousiasme werd wat getemperd door waarnemers die er op wezen dat de euro de enige munt is die niet rechtstreeks gedragen wordt door een politieke eenheidsstructuur. Ten tweede was er de beslissing op de EU-top in Laken om een “Conventie” te organiseren. Het was de Franse president Jacques Chirac die te Nice had gesproken over een Europese grondwet. Hij had er toen aan toegevoegd dat de Europese bevolking haar stem zou moeten uitbrengen over die grondwet. Vele kranten stonden negatief ten opzichte van de Verklaring van Laken ( de conventie werd een wanhoopsdaad genoemd ). Ook werd er op gewezen dat regeringsleiders nog steeds binnen de Europese context hun nationale belangen lieten primeren en dat het nog maar zeer de vraag was of dat met de komst van een Europese grondwet zou veranderen. 13