Universiteit Antwerpen Europese Politieke Integratie Ken Lawrence

4,089 views

Published on

Published in: Travel
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
4,089
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
3
Actions
Shares
0
Downloads
10
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Universiteit Antwerpen Europese Politieke Integratie Ken Lawrence

  1. 1. Hoofdstuk I : 1815 – 1830 1. Het Congres van Wenen ( 1814 – 1815 ) Het Congres van Wenen was een bijeenkomst van de voornaamste vertegenwoordigers van Groot-Brittannië, Rusland, Pruisen, Oostenrijk en Frankrijk. Ook kleinere vorstendommen hadden hun afgevaardigden gestuurd om een regeling in verband met de Europese toekomst na Napoleon te bespreken. Aanvankelijk werd op het Congres geen haast gemaakt. Men vroeg zich af of reeds gesloten verdragen mits enige wijziging of toevoeging niet volstonden. Zo was er het Verdrag van Chaumont tussen Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk en Pruisen. Dit verdrag volgde op de nederlaag van Napoleon I te Leipzig in oktober 1813 en werd ondertekend op 1 maart 1814. Het is voornamelijk belangrijk omdat het – in een pragmatische visie – pleit voor de onafhankelijkheid van een versterkt en groter “Royaume des Pays-Bas”, de oprichting van een “Duitse Statenbond” en de erkenning van een onafhankelijke Zwitserse Confederatie. Al deze zaken werden later ook daadwerkelijk gerealiseerd. Het als-bufferstaat-dienende Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd formeel opgericht in de Acht Artikelen van London ( 21 juli 1814 ). De “Duitse Bond” kwam er ook. Hij verving het in 1806 door Napoleon opgeheven “Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie” Tenslotte werd de onafhankelijke Zwitserse Confederatie later inderdaad erkend. In 1848 zou deze Confederatio Helvetica na een burgeroorlog omgevormd worden tot een meer liberale landsstaat. Het tweede belangrijke verdrag was dat van Fontainebleau dat ondertekend werd door Napoleon I op 6 april 1814. Dit verdrag bood de mogelijkheid om via het legitimiteitsbeginsel opnieuw de dynastie van de Bourbons in Frankrijk te installeren. In het Verdrag van Parijs werd vastgelegd op welke wijze Frankrijk zou behandeld worden na Napoleons veroveringszucht. Het is opmerkelijk hoe mild dit eerste Verdrag van Parijs was voor de Fransen. Deze “vergevingsgezindheid” kaderde in de strategie van de Verbondenen om Frankrijk zo snel mogelijk opnieuw te integreren in Europa. Het opmerkelijkst aan het verdrag is dat door Napoleon veroverde gebieden zoals Avignon ( dat aan de paus toehoorde ) en omgeving, Savoie, Chimay, Mariembourg, Philippeville, Bouillon, het Saargebied en een deel van de Moezelstreek niet moesten worden teruggeven door de Fransen. Bovendien zouden de vreemde legers het Franse grondgebied zo snel mogelijk verlaten en diende Frankrijk geen oorlogsvergoeding te betalen. Deze laatste twee elementen verdienen wel toelichting. Ten eerste werd het Verdrag van Parijs van 30 mei 1814 gevolgd door een Tweede Verdrag van Parijs ( november 1815 ) dat wél een oorlogsschatting oplegde aan de Fransen. Ten tweede : hoewel Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk en Pruisen tevreden waren over de vlotte Franse betaling van de oorlogsschatting en op 30 november 1818 dan ook zoals in het eerste Verdrag van Parijs stond hun troepen terugriepen, wilden ze toch zeker spelen. Ze hernieuwden heimelijk het Verdrag van Chaumont waarin ze bepaalden welke mogendheid welke Franse stad zou bezetten indien het Franse imperialisme weer zou 1
  2. 2. komen bovendrijven. Deze heimelijke vernieuwing gebeurde in het kader van de eerste bijeenkomst van de “Grote Alliantie”, waarover later meer. De Britse ideeën betreffende het minimaliseren van nieuw Frans of Russisch imperialisme werden neergezet in een diplomatieke nota die Lord Castlereagh ( de Britse minister van Buitenlandse Zaken ) aan de hertog van Wellington overmaakte op 25 oktober 1814. Daarin stond de Britse visie op welke “Balance of Power” noodzakelijk was. In de nota werd gewezen op het strategische belang van het mondingsgebied van de Schelde ( een waterweg waar de Britten als toenmalige “rulers of the waves” voor het veiligstellen van hun handelsbelangen een grote interesse hadden ). Ten tweede zagen de Britten Frankrijk als tegengewicht voor Russische, Pruisische en Oostenrijkse ambities en als dynastie verbonden met Spanje en de beide Siciliën. Ten derde pleitten de Britse diplomaten voor een sterke, onafhankelijke Poolse staat, opnieuw met het oog op het indijken van mogelijk Russisch imperialisme. Dit laatste werd een pijnpunt bij de besprekingen vermits in de 18e eeuw Pruisen, Oostenrijk en Rusland belangrijke grondgebieden hadden bekomen die zij bij het ingaan op het Britse voorstel zouden moeten teruggeven. Vermits de tweede pijler van de heropbouw en heruitwerking van het Europees evenwicht steunde op het compensatiebeginsel werd heftig gedebatteerd over welke vorm de compensaties zouden aannemen. Bij deze onderhandelingen wierp de Russische tsaar Alexander I zich op als hoofdrolspeler. Hij vond dat de besprekingen tussen de aanwezige topdiplomaten en vorsten onvoldoende rekening hielden met het feit dat het het Russische leger was dat de “Grande Armée” van Napoleon I een halt had toegebracht. Bovendien was Rusland de enige mogendheid op het Europese vasteland waar de liberaal-nationale ideeën van de Franse Revolutie niet waren doorgedrongen. Daarom ijverde tsaar Alexander I voor een territoriale uitbreiding van Rusland naar het Westen ( ten nadele van Polen ) en naar het zuiden ( wat ten nadele was van het Ottomaanse Rijk en dus onrechtstreeks ook van Oostenrijk ). Onmiddellijk sloegen de Britten en Oostenrijkers diplomatiek alarm en sloten op 3 januari 1815 een geheim akkoord. Vooral Groot-Brittannië vond dat het via een bufferstaat stilhouden van een mogelijke Franse veroveringsdrang niet voldoende was om een “Europees evenwicht” te garanderen. Rusland vormde voor de Britten evenzeer een mogendheid die een dominante positie op het vaste land zou kunnen innemen. Vooral als tsaar Alexander I een akkoord zou sluiten met Pruisen zouden zij een groot gebied ter beschikking hebben vanwaar ze hun militaire acties zouden kunnen coördineren. Deze vrees kunnen we kaderen binnen de opmerking van von Clausewitz, namelijk dat oorlogsvoering nu totaal, absoluut was geworden doordat de ganse bevolking “en masse” zou kunnen opgeroepen worden om tot actie over te gaan. We kunnen dan ook concluderen dat bij een alliantie tussen Rusland en Pruisen en het invoeren van dienstplicht zij over een gigantische troepenmacht zouden kunnen beschikken. Het belang hiervan mag niet onderschat worden – op militair vlak konden de Russen er niet vaak genoeg op wijzen dat zij het waren die Napoleon I definitief hadden tegengehouden – maar nu ook weer niet overschat worden vermits Rusland straatarm was en bijgevolg een oorlog moeilijk zou kunnen financieren. Desalniettemin achtten de Britten het veiliger om reeds op papier uit te werken hoe Groot-Brittannië, Oostenrijk en Frankrijk 2
  3. 3. een tegengewicht zouden kunnen uitbouwen tegenover mogelijke Russische ambities. Vandaar dus het geheim akkoord van 3 januari 1815 dat geïnspireerd was op het zogenaamde “Pitt-project”, een Brits plan over het herstel van het Europees evenwicht. De Slotakte van het Congres van Wenen werd op 9 januari 1815 ondertekend, nog voor de definitieve nederlaag van Napoleon te Waterloo ( 18 juni 1815 ). Het basisprincipe van de Slotakte was uiteraard het zich beveiligen tegen Frankrijk en de revolutionaire ideeën die eruit voortkwamen. Dit laatste hield in dat de vorsten en diplomaten het eens waren dat Europees evenwicht, uitgaande van de orde die gold voor 1792 in Europa, slechts mogelijk was indien de ondertekenaars allen akkoord waren steeds repressief op te treden en te interveniëren op die plaatsen waar de liberaal-nationale gedachten van “volkssouvereiniteit” en “natie” de overhand dreigden te krijgen. Enkele nieuwe elementen van internationaal publiek recht aangaande internationale handel werden ook in de Slotakte opgenomen. Het Congres van Wenen leidde voornamelijk tot een louter pragmatische territoriale herschikking en de wederzijdse belofte om revolutionaire idealen de kop in te drukken. 2. De staatkundige situatie in Europa Eind 1815 zag de staatkundige situatie in Europa er als volgt uit. Het Tweede Verdrag van Parijs bepaalde dat de grenzen van Frankrijk werden teruggebracht tot die van 1790. Hierdoor verloor Frankrijk een aantal strategisch belangrijke gebieden hoewel Elzas-Lotharingen behouden bleef. Rondom Frankrijk werden Pruisen, Beieren en Piëmont versterkt en samen met het Koninkrijk der Nederlanden dienden zij als bufferstaten. Omdat Oostenrijk voor de oprichting van dat Koninkrijk zijn deel ( de Oostenrijkse Nederlanden ) moest afstaan, werd het gecompenseerd op het Italiaanse schiereiland en de Adriatische Zee. Pruisen deed de beste zaak doordat het het belangrijkste Duitse vorstendom in het noorden Noord-Saksen ( van het koninkrijk Saksen ) kreeg, evenals Voor-Pommeren ( van Zweden ). Posen werd afgestaan en dit leidde tot de verbinding van Brandenburg met Oost-Pruisen. Ook in het westen werd het Pruisische grondgebied uitgebreid : Westfalen, het groothertogdom Berg, de aartsbisdommen Keulen, Trier en Mainz en het bisdom Münster evenals Saarland werden allen verworven door Pruisen. Alexander I mocht ook best tevreden zijn : Rusland behield Finland en Bessarabië, twee veroverde gebieden. Verder kreeg het koninkrijk Polen een autonoom statuut. Dit was het resultaat van een bereikt compromis tussen de Britse en Russische ideeën. Groot-Brittannië mocht alle gebieden behouden die het had veroverd tijdens de napoleontische oorlogen. Bovendien kreeg het ook Malta, de Ionische eilanden, Helgoland, de Kaapkolonie, Ceylon, een aantal Antillen-eilanden en het eiland Mauritius. In Scandinavië gebeurde het volgende : Zweden kreeg Noorwegen omdat het Finland aan de Russen had moeten afstaan. Denemarken werd voor zijn verlies van Noorwegen gecompenseerd met de hertogdommen Holstein en Lauenburg. 3
  4. 4. 3. De Duitse Bond Bij de bespreking van het Verdrag van Chaumont werd reeds gewezen op de intentie die men had voor de oprichting van een “Duitse Bond”. Deze kwam er dus ook en kan min of meer gezien worden als een confederatie ( waar men samenwerkt via een verdrag ) waarbij de ongeveer driehonderd vorstendommen tot vierendertig lidstaten en vier vrijsteden ( Bremen, Lübeck, Hamburg en Frankfurt-am-Main ) werden gereduceerd. Het voornaamste doel van de oprichting was het onder controle houden van het wakkergeschudde Duitse nationalisme en liberale geest. De voornaamste taak van de Algemene Vergadering van de Bondsdag bestond erin beslissingen te nemen over fundamentele problemen. Buiten de Algemene Vergadering bestond ook het Bondsbestuur dat lopende zaken behandelde. 4. Het Metternich-interventiesysteem : Twee initiatieven vormen de basis van het Metternich-interventiesysteem. Ten eerste is er de “Heilige Alliantie”. De meningen over dit religieus-geïnspireerd akkoord tussen tsaar Alexander I, de koning van Pruisen Frederik-Wilhelm III en de keizer van Oostenrijk Frans II, respectievelijk de orthodoxe, lutheraanse en katholieke ‘vorsten’zijn erg uiteenlopend. Lord Castlereagh noemde het “ (a) piece of sublime mysticism and nonsense”. Het feit dat de Russische tsaar mede gesteund werd in het initiatief door de pseudo-mystieke “counselling” van barones von Krüdener zal hier ongetwijfeld toe bijgedragen hebben. Volgens P. Van de Meersche leek het eerder een intentieverklaring dan een diplomatiek akkoord dat in de praktijk kon omgezet worden. Nochtans gaat iemand als Henry Kissinger niet uit de weg om het een belangrijke rol toe te kennen, namelijk als een soort morele rem op de verhoudingen tussen de verschillende landen. Jacques-Henri Pirenne stipt dan weer aan dat de Heilige Alliantie niet alleen om collectieve veiligheid draaide, maar dat het ook een manier was waarop de mogendheden hun machtsbelangen veilig trachtten te stellen, daarbij uitgaande van hun verleden of sterke punten – zoals het maritieme aspect voor de Britten. Wat alleszins niet mag vergeten worden is dat de Heilige Alliantie werd aangegaan door de tsaar en de vorsten persoonlijk en niet namens de regering of het volk dat zij representeerden. Wat er ook van zij, de kanselier van Oostenrijk Clemens Von Metternich vertoonde een grote belangstelling voor zo’n alliantie. Op dat moment waren er belangrijke tegenstellingen ontstaan tussen Oostenrijk en Rusland. Deze laatste stimuleerde het nationalisme van zijn satellietstaten wat nadelig kon zijn voor zo’n multiculturele samenleving ( “Vielvölkerstaat” ) als die van Oostenrijk. Metternich wou interne conflicten binnen zijn land vermijden en breidde de initiële opdracht van de Viervoudige Alliantie – die erin bestond het effectief naleven van het Tweede Verdrag van Parijs te garanderen - uit. De vier mogendheden die door het Akkoord van de Viervoudige Alliantie waren verbonden, met name Groot-Brittannië, Oostenrijk, Rusland en Pruisen, kwamen overeen regelmatig samen te komen om maatregelen te bespreken ter stimulering van de vrede en voorspoed in Europa. Waar deze maatregelen voornamelijk op neerkwamen, was het bespreken van militaire interventies om liberaal-nationale opstanden te onderdrukken. Met dit doel voor ogen en de nakende toetreding van 4
  5. 5. Frankrijk tot de “Grote Alliantie” werd besloten om voortaan ook “buitengewone” vergaderingen te organiseren. Dit laatste werd officieel via het Protocol van Aken dat zowel door de leden van de oorspronkelijke Viervoudige Alliantie als Frankrijk werd ondertekend op 15 november 1818. De eerste “buitengewone” vergadering was de Conferentie te Karlsbad ( 6 – 31 augustus 1819 ). Metternich had de vergadering georganiseerd naar aanleiding van een politieke moord. Ook de openlijke boekverbrandingen in dezelfde periode door de Burschenschaften, organisaties die onder de vorm van studentenverenigingen liberale Duits-nationale overtuigingen propageerden, baarde Metternich zorgen. De beslissingen die in Karlsbad werden genomen, leidden tot een, pas achteraf gelegitimeerde, interne interventie in Duitse aangelegenheden. 5. Breuken in de Alliantie en de onafhankelijkheidsstrijd in Latijns-Amerika Het werd duidelijk dat Groot-Brittannië niet langer akkoord was om gemeenschappelijke militaire interventies te ondersteunen. De Oostenrijkse en Russische troepen die ten strijde trokken tegen de liberaal-nationale opstanden in Noord-Italië ( Napels-Sicilië en Piëmont ) kregen dan ook geen steun van Groot-Brittannië. De breuk binnen de Viervoudige Alliantie werd zichtbaar op de beide conferenties die aan de hierbovengenoemde interventie ten grondslag lagen, namelijk de conferentie te Trappau in oktober – december 1820 en de conferentie te Laybach ( Lubliana ) in januari – mei 1821. Groot-Brittannië protesteerde ook tegen een interventie in Spanje, maar vermits de Spaanse koning Ferdinand VIII de neef was van de Franse koning Louis XIII kwam deze er met Franse steun dan toch. Dit was niet de enige keer dat de Spaanse koning de hulp inriep van het Europees directorium. Zijn verzoek om de opstanden in de Latijns-Amerikaanse kolonies ( het werk van liberatores zoals Bolivar, San Martin en Iturbe ) mee te helpen bestrijden, werd afgewezen. Hoewel de Britten handelsbelangen hadden in Spaans-Amerika ( die zij hadden kunnen uitbouwen ten tijden van de Continentale Blokkade ) en een radicale revolte deze belangen in het gedrang zou kunnen brengen, waren het vooral de Britten, daarin gesteund door de Amerikaanse regering, die een interventie niet duldden. Herhaaldelijk vroegen de Amerikaanse revolutionairen om steun van de Britten voor hun onafhankelijkheidsstrijd, maar de Britten weigerden. Slechts na het verkrijgen van hun zelfstandigheid, toen de nieuwe Amerikaanse republieken financieel volledig aan de grond zaten, leenden Londonse banken miljoenen ponden om de heropbouw te financieren. Hierdoor werden deze landen volledig afhankelijk van de goodwill van hun financiers. 6. De Monroe-doctrine Zoals vermeld was de Amerikaanse regering fel gekant tegen interventietroepen in Latijns-Amerika. Het Amerikaanse buitenlands beleid werd geconcretiseerd in de zogenaamde Monroe-doctrine, de verklaring die de toenmalige president in het Amerikaanse Congres gaf op 2 december 1823. Deze verklaring bestond uit twee hoofdelementen. Ten eerste benadrukte de president dat kolonisatie van het Amerikaanse continent uit den boze was. Hierbij dienen we op te merken dat deze stellingname niet 5
  6. 6. alleen ingegeven was door de onafhankelijkheidsstrijd in Zuid-Amerika, maar ook door de Russische koloniale ambities vanuit Alaska. Ten tweede wees Monroe erop dat de VS nooit was tussengekomen in Europese oorlogen en benadrukte hij dat een analoge houding van Europa ten opzichte van het Amerikaanse continent dan ook wenselijk was. Na de onafhankelijkheidsstrijd en de mislukking van het eerste Pan-Amerikaanse Congres ( Panama, 1826 ) versnipperde wat nog restte van het Spaanse koloniale rijk. Noch de confederatie voorgesteld door Miranda, noch de federatie geopperd door Bolivar konden op veel bijval rekenen. In 1830 desintegreerde Gran-Colombia in Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela. Bolivië, Paraguay en Uruguay scheidden zich af van Argentinië. Ook de Federatie van de Centraal-Amerikaanse Republieken viel uiteen. De schuldenlast van al deze landen leek alsmaar te verergeren. Voor de Britten is in gans dat verhaal geen mooie rol weggelegd. Niet alleen waren de landen in een diepe financiële put beland door het uitblijven van Britse steun tijdens de onafhankelijkheidsstrijd; nadien waren deze landen volledig afhankelijk van het Britse scheepvaartverkeer om van hun producten aan bodemprijzen af te raken. De Britten lieten ook hun investeringen in de mijnbouw in Gran-Colombia, Peru en Chili prompt vallen toen deze niet zo lucratief bleek als gehoopt. 7. De Griekse onafhankelijkheidsstrijd ( 1821 – 1830 ) : Griekenland behoorde toe aan het Ottomaanse Rijk. Onder meer het geheime genootschap Eteria ijverde voor de Griekse onafhankelijkheid. De eerste opstand onder leiding van Alexander Ypsilanti kon onderdrukt worden. De Europese mogendheden, indien zij consequent zouden geweest zijn in hun optreden, hadden moeten interveniëren om de onafhankelijkheidsstrijd te stoppen. Vooral de steun die de onafhankelijkheidsstrijders kregen van de filhellenen zette de Britten aan de strijd eveneens te steunen en wel voornamelijk omwille van sentimentele motieven. De nieuwe Russische tsaar Nicolas I deed er nog een schepje bovenop. Hij eiste dat Servië, Moldavië en Walachije autonoom zouden worden. Turkije en zijn vazalstaat Egypte waren echter nog niet van plan om volledig toe te geven en een wapenbestand te sluiten met de Grieken. Op 6 juli 1827 ondertekenden Groot-Brittannië, Rusland en Frankrijk een akkoord om Turkije en Egypte ertoe te dwingen. Bij de daaropvolgende slag bij Navarino ( oktober 1827 ) deden vooral de Russen een goede zaak; het Balkangebied werd nog aantrekkelijker voor hun expansiepolitiek. De Britten zagen dit in en wilden kost wat kost vermijden dat de Russen hun grondgebied doorheen Bosporus en Dardanellen naar de Middellandse Zee zouden uitbreiden. Twee akkoorden regelden de ganse kwestie. Het akkoord van Adrianopol ( 14 september 1829 ) stipuleerde dat Servië, Moldavië en Walachije autonoom zouden worden en dat Russische handelstroepen vrije doorvaart zouden hebben doorheen Bosporus en Dardanellen. De Britse en Franse diplomaten waren dan wel volledig vrij om de Griekse kwestie op te lossen. Dit gebeurde in het tweede belangrijke akkoord, het Verdrag van Londen ( februari 1830 ). Hierin stond dat een klein deel van Griekenland onafhankelijk was van de Turken. 6
  7. 7. Via Franse diplomatieke bemiddeling kwam het dus niet tot een openlijk treffen tussen Groot-Brittannië en Rusland, hoewel we kunnen stellen dat het wantrouwen tussen beide landen voor een behoorlijk onaangename sfeer zorgde in de “Grote Alliantie”. Rest ons nog de boutade aan te halen van von Clausewitz die stelt dat oorlog de verderzetting is van de politiek met andere middelen. 7
  8. 8. Ken Lawrence 3T4 Samenvatting Hoofdstuk II 1. De Julirevolutie en een tweede golf van liberaal-nationale opstanden in Europa : De tweede golf van liberaal-nationale opstanden in Europa begon in Frankrijk. Karel X, de opvolger van Louis XIII annuleerde het resultaat van de verkiezingen. Dit leidde tot een golf van opstanden waarbij de Bourbons het onderspit moesten delven. Louis-Philippe, hertog van Orléans, werd de nieuwe vorst. Dit is vrij opmerkelijk vermits men na een revolutie tegen een dynastie zou verwachten dat deze plaats zou moeten ruimen voor een republiek. Deze Louis-Philippe was een overtuigd liberaal en in de naburige landen van Frankrijk kwam een enthousiaste reactie op deze Parijse Julirevolutie. A. Italië : In Italië waren het de zogenaamde “carbonari”, vrijzinnige en geheime verenigingen die de liberale opstanden leidden. De Oostenrijkse interventiemacht kon echter deze revoltes onderdrukken. Dit was niet verwonderlijk vermits slechts de koninkrijken van beide Siciliën en dat van Piëmont-Sardinië een leger hadden. Ferdinand II ( in Napels ) en Charles-Albert ( in Turijn ) moesten hun dynastieke ambities afwegen tegen hun wens om Italië te verenigen en zich te ontdoen van de Oostenrijkse invloed. De Franse historicus P. Renouvin stipt aan dat de mislukking van deze plaatselijke revoltes zou leiden tot veel grotere opstanden op het niveau van het ganse schiereiland. B. Duitsland : Dankzij een vernieuwde, intensievere samenwerking tussen Oostenrijk, Pruisen en Rusland konden de interventietroepen van Metternich snel een einde maken aan de opstanden in de Duitse vorstendommen Beieren, Baden, Hessen, e.a. . Een andere belangrijke gebeurtenis is de oprichting van het Duitse Zollverein ( 1874 ) Deze tolunie tussen 18 Duitse vorstendommen is belangrijk omdat zij mee aan de basis ligt van de vorming van een liberaal-nationale Duitse eenheidsstaat. 2. Uiteenzetting over de Belgische revolutie : Er waren drie facetten aan de Belgische revolutie. Ten eerste was het volk niet langer akkoord met de politiek van Willem I die steeds het Nederlands bevoordeelde. Een tweede element was de godsdienstrivaliteit tussen katholieken en protestanten. Ten derde waren de liberale geesten uiteraard fel gekant tegen de verlichte, autoritaire despoot Willem I. De eerste fase van de Belgische opstand, de zogenaamde Septemberdagen, kunnen we zonder twijfel succesvol noemen. De revolutionairen dienden echter het oordeel af te wachten van de grote Europese mogendheden. Het verbrokkelen van de tegen 1
  9. 9. Frankrijk opgerichte bufferstaat leek aanvankelijk inderdaad te worden tegengehouden door een Russisch-Oostenrijks-Pruisische interventiemacht. Zij wachtten echter het oordeel af van de Fransen en Britten die niet bepaald warm liepen voor zo’n interventie. Op een Conferentie van Europese mogendheden ( te Londen ) werd een diplomatieke oplossing gevonden : België werd op 20 november 1830 onafhankelijk verklaard en de zoon van Willem I zou “Koning der Belgen” worden via een personele unie. De Belgische Constituerende Vergadering verwierp dit compromis echter op 24 november 1830. Twee ontwikkelingen in Europa bepaalden de verdere evolutie van België. Ten eerste was er de Poolse opstand. De Russische tsaar Nicolaas I eiste dat Poolse soldaten mee zouden vechten tegen de Belgische opstandelingen. Hierop brak een Poolse opstand uit, gericht op het verwerven van enerzijds de onafhankelijkheid en anderzijds de heraanhechting van die gebieden die in de 18e eeuw door Rusland, Pruisen en Oostenrijk waren veroverd. Het Europees directorium richtte zijn aandacht op het onderdrukken van de opstand. Na een kort en hopeloos verzet werd Polen – na de nederlaag van 7 september 1831 - opnieuw “ingelijfd” in Rusland. Het zou nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren alvorens Polen opnieuw onafhankelijk zou worden. De Polen zijn nu nog steeds niet te spreken over het uitblijven van Franse en vooral Britse hulp bij hun strijd. Was het Groot-Brittannië namelijk niet dat op het Congres van Wenen had gepleit voor een sterke en onafhankelijke Poolse staat? Een tweede ontwikkeling in het voordeel van een onafhankelijk België was het aan de macht komen van de liberaal-progressieve Palmerston in Groot-Brittannië. Palmerston zag weinig heil in absolutistische monarchieën en steunde dan ook de Belgische onafhankelijkheidsstrijd. Dit betekende echter niet dat men snel tot een oplossing kwam voor België. Een mogelijk compromis bestond uit ten eerste de erkenning van de onafhankelijkheid op voorwaarde dat België een “permanente en gewapende neutraliteit” – men mocht zich dus beschermen – zou respecteren. Ten tweede zou Nederland de grenzen van 1790 toebedeeld krijgen, inclusief Luxemburg als persoonlijk eigendom van Willem I. Ten laatste bevatte het compromis een regeling voor de rijksschulden : voor Nederland zou ze 15/31 en voor België 16/31 bedragen. Deze oplossing die werd geformuleerd op de Conferentie van Londen in januari 1831 werd echter door Willem I verworpen. Groot-Brittannië was dan weer furieus op het Belgisch Nationaal Congres dat de hertog van Nemours ( tweede zoon van de Franse koning Louis-Philippe ) als koning der Belgen wou kiezen. Een Fransman als koning van ( een gedeelte van ) de tegen Frankrijk opgerichte bufferstaat?! In Londen werd het verworpen voorstel verder uitgewerkt. Dit zogenaamde Traktaat van de XVIII Artikelen was té gunstig voor België opdat Willem I het zou overwegen. Hij was de stroom diplomatieke oplossingen in de zomer van 1831 duidelijk beu en begon aan een militaire actie, de Tiendaagse Veldtocht. Toen de Fransen hun spieren even rolden, liet Willem I zijn actie voor wat ze was. Deze korte Franse interventie leidde tot de – voornamelijk Britse – vrees voor een Frans overwicht in het gebied van de Schelde-, Maas- en Rijnmonding. Om dan ook voor de ganse zaak snel tot een compromis te komen, was het volgende voorstel dat 2
  10. 10. de Europese mogendheden aan Willem I voorlegden bijzonder gunstig voor deze laatste. Het Verdrag van de XXIV Artikelen stipuleerde namelijk dat Luxemburg- over-de-Maas en Maastricht, evenals het Duitssprekende deel van Luxemburg definitief bij Nederland werden gevoegd. Willem I bleek ook nu weer het voorstel onaanvaardbaar te vinden. Het geduld van de Fransen en Britten was op en ze gingen over tot een militaire interventie op 5 november 1832. Zelfs nadat de Nederlandse bezetters van de Antwerpse citadel zich op 23 november 1832 overgaven, duurde het nog een zestal jaren vooraleer Willem I het Verdrag van de XXIV Artikelen aanvaardde. Zelfs toen, in 1838, was niet alles onmiddellijk in kannen en kruiken. Er kwam namelijk een einde aan de regeling waarbij Maastricht, Luxemburg-over-de-Maas en het Duitse gedeelte van Luxemburg in Belgische handen bleven. Nu waren het weer de Belgen die het voorstel niet wilden aanvaardden! Franse en Britse druk en een verandering in de regeling omtrent de gemeenschappelijke openbare schuld zorgden ervoor dat het Belgische parlement uiteindelijk toch akkoord ging. Op 19 april 1839 werd het Verdrag van de XXIV Artikelen definitief ondertekend. Rest ons nog iets te zeggen over de keuze van de vorst voor België. Dit werd Leopold van Saksen-Coburg-Gotha. Dit was een goede keuze, vooral in de ogen van de Britten daar hij de weduwnaar was van de Britse kroonprinses Charlotte. 3. De ‘Oosterse kwestie’ en de Conventie van de Zee-engten : Na 1830 kunnen we zeggen dat naar aanleiding van de Griekse en de Belgische kwestie de Fransen en de Britten elkaar in hun liberale ideeën vonden. Enerzijds aanvaardde de Britse regering de Franse kolonisatie van Algerije en anderzijds volgde de Franse regering de Britse in haar houding t.o.v. de Spaanse en Portugese successie ( = opvolging in een recht; troonopvolging ). Deze toenadering zal slechts tijdelijk blijken zoals naar voren komt in de bespreking van de “Oosterse kwestie” en haar nasleep. In 1839 trachtte de Turkse sultan Syrië te veroveren van de Egyptische pasja Mohammed Ali aan wie Turkije het in 1833 had afgestaan. De ganse expeditie loopt met een sisser af. Het Egyptische leger overwon en de Turkse sultan stierf zonder meerderjarige troonopvolger. Deze verzwakking van het Ottomaanse Rijk kon nefaste gevolgen hebben. Franse en Russische imperialistische ambities borrelden weer op. De Fransen steunden openlijk Mohammed Ali en hoopten zo een betere greep te krijgen op het oostelijk deel van de Middellandse Zee. Rusland had vooral oog op een betere doorgang door de Bosporus en Dardanellen. Groot-Brittannië, Oostenrijk en Pruisen van hun kant wilden vooral het machtsevenwicht in Europa niet verstoord zien. De oplossing van de crisis kwam er in een te Londen bereikt akkoord. Frankrijk was bijzonder gefrustreerd over de inhoud van dit akkoord en de manier waarop het werd bereikt, namelijk op een bijeenkomst waar de Fransen niet waren uitgenodigd! Heel even dreigde er zelfs een oorlog van te komen aan de Rijn. Deze werd nipt vermeden, maar de houding van de Fransen in dit Rijngebied wakkerde wel het Duitse nationalisme aan. 3
  11. 11. De zeer belangrijke Conventie van de Zee-engten van juli 1841 werd door alle Europese mogendheden goedgekeurd en draaide volledig rond de Zwarte Zee. Ten eerste zou het neutraal statuut van de Bosporus en Dardanellen door alle Europese mogendheden worden gewaarborgd. Ten tweede zou Turkije de doorgang van elk vreemd oorlogsschip verhinderen behalve wanneer Turkije zélf in staat van oorlog zou verkeren. In dat laatste geval mocht het de vloot van een geallieerde staat toelaten. Door de Conventie was zowel een Russische dreiging als een Britse via de Zwarte Zee in principe onmogelijk. 4. De eerste Brits-Chinese oorlog en het Verdrag van Nanking : Het goede verloop van de koloniale handel tussen Groot-Brittannië en China kwam rond 1840 in gevaar. De Chinese overheid was de morele en financiële ruïnering van China door de Britse opiumhandelaars beu. De Chinese topambtenaar Lin Tse-hsu trad er hardhandig op. In een actie die slechts één week in beslag nam belandden alle buitenlandse drugshandelaars in de gevangenis en werden meer dan 20.000 balen opium vernietigd. De Britten reageerden kordaat en de regering Palmerston zond een militair expeditieleger naar Kanton. Dit leger walste letterlijk over de Mantsjoe- troepen boden. De Chinezen vreesden dat ze zouden ingelijfd worden zoals net was gebeurd met het door de Britten veroverde India. Het was de Britten echter puur om hun handelsbelangen te doen. In maart 1842 begonnen “onderhandelingen” tussen de Britten en de Chinezen. De inbreng van deze laatsten zal miniem geweest zijn vermits de Britten een staaltje van gunboat diplomacy tentoonspreidden : de zuidelijke Chinese hoofdstad Nanking was voortdurend in het vizier van de Britse kanonnen. Op 29 augustus 1842 werd het Verdrag van Nanking ondertekend. Het is alleszins opmerkelijk dat de aanleiding tot de eerste Brits-Chinese oorlog, namelijk de tegengehouden opiumhandel, nauwelijks gereflecteerd werd door de inhoud van het verdrag. China diende in dit verband een schadevergoeding te betalen voor de balen opium die zij had vernietigd. De rest van het verdrag bevatte een ganse reeks maatregelen die de Chinese markt dienden open te gooien voor de Britten. Ten eerste werden vijf havens ( Kanton, Amoy, Foe Chow, Ning Po en Shanghai ) opengesteld voor de Europese handel. Ten tweede verwierven de Britten het eiland Hongkong, een schitterend steunpunt om hun handelsacties te coördineren. Ten derde mocht de Chinese overheid slechts een 5% ad valorem importtaks heffen op Europese producten. Hiermee kwam definitief een einde aan het “op afstand houden van de Europese barbaren” zoals leden van de Mantsjoe-regering de Europeanen plachten te noemen. Ten laatste werd in het verdrag bepaald dat tot 1930 de Chinese regering niet op autonome wijze de douanerechten op ingevoerde producten mocht wijzigen. Het moge duidelijk zijn dat dit een wel bijzonder ongelijk verdrag was. Ondanks de op Nanking gerichte kanonnen vonden de Taipings, leden van een geheim pseudo-sektarisch genootschap, dat de Mantsjoe-regering té snel aan de Britse eisen had toegegeven. Voeg daarbij de tanende invloed van de regering in het zuiden van China en een algemene hongersnood en het is niet verwonderlijk dat deze explosieve cocktail in het voordeel werkte van de in 1851 begonnen Taiping-revolte. Hun leider veroverde in 1853 Nanking en riep het uit tot het Heavenly Kingdom, geïnspireerd door utopische gelijkheidsidealen die later nog door Mao’s Rode Gardisten zouden gebruikt worden. 4
  12. 12. Ondertussen waren er revolutionaire krachten aan het werk in Europa zelf. 5. De derde revolutiegolf in Europa en het einde van het Metternich-systeem : De nieuwe revolutiegolf in Europa vond zijn oorsprong in Zwitserland waar enkele voornamelijk rooms-katholieke kantons zich hevig verzetten tegen de pogingen van het centrale gezag om de Zwitserse Bond in liberale zin te hervormen. Deze zeven kantons ( Uri, Schwyz, Unterwalden, Luzern, Freiburg, Zug en Valais ) verenigden zich tot de zogenaamde Sonderbund. Dit resulteerde in 1847-1848 tot een burgeroorlog tussen de Sonderbund en de andere Zwitserse kantons. Uiteindelijk verloor de Sonderbund. De Confederatio Helvetica werd dus in meer liberale, antiklerikale zin hervormd en het Zwitserse centraal gezag werd verstevigd. Deze burgeroorlog leidde hét Europese revolutiejaar in, 1848. We kunnen stellen dat de revolutie zowat het hele Europese continent trof, met uitzondering van Rusland. Tsaar Nicolaas I had een hevige tegenreactie ontwikkeld ten gevolge van de mislukte decabristen-opstand in 1825. Hij had zijn land zo afgeschermd dat hij gespaard bleef van de grootschalige revoluties, maar op lange termijn vervreemde Rusland van de rest van Europa. Een beknopt overzicht van de gebeurtenissen in 1848 : Frankrijk : In Frankrijk was het voor het eerst de arbeidersmassa die op revolutionair vlak van zich liet horen. De frustratie van het Parijse volk was zo groot dat de koning Louis- Philippe er niet tegen bestand was. Op 25 februari 1848 werd het zogenaamd Voorlopig Bewind ingesteld en de Tweede Franse Republiek uitgeroepen. De nieuwe minister van buitenlandse zaken – de literator Alphonse de Lamartine – verzekerde de Europese mogendheden dat de relatie tussen Frankrijk en de andere Europese landen niet zou beïnvloed worden door de Tweede Franse Republiek. De Europese mogendheden waren allerminst overtuigd en met rede; de Parijse Februarirevolutie had uiteraard wél revolutionaire repercussies op de andere Europese landen. In Frankrijk zélf werd het al snel pijnlijk duidelijk hoe ongeorganiseerd het ganse socialistische experiment wel was. Het experiment met de ateliers nationaux liep uit de hand. Bovendien was de burgerij over haar eerste verbazing heen en met behulp van het leger werd snel weer orde op zaken gesteld. Op een bloedige manier werd de juni-opstand ( onder leiding van Louis Blanc ) te Parijs onderdrukt. Aldus kwam de autoritaire Louis Napolen ( Napoleon III ) aan de macht en installeerde hij het Second Empire. Later zal blijken hoe Louis Napoleon er alles aan deed om in de schijnwerpers te staan en hoe hij zijn diplomatieke ego zou trachten te strelen. Oostenrijk : Begin 1848 werd Metternich verplicht tot aftreden. Hij was niet langer in staat geweest de contrarevolutionaire rol te vervullen die van hem werd verwacht. In 1848 kwam de keerzijde van een “Vielvölkerstaat” aan het licht. Slavische nationalisten in het noorden eisten de erkenning van een Boheems-Moravische landdag. Bohemië- Moravië ( het huidige Tsjechië ) wilde autonomie. Hongarije daarentegen wilde – onder leiding van Lajos Kossuth – volledige onafhankelijkheid. De Oostenrijkse 5
  13. 13. troepen kregen het op korte tijd hard te verduren, vermits er ook onlusten waren uitgebroken in de Italiaanse bezettingen. Het kostte behoorlijk wat moeite, maar uiteindelijk zorgden de keurtroepen van Windischgrätz voor een Oostenrijkse overwinning. De zwager van Windischgrätz, Felix zu Scharzenberg, werd de opvolger van Metternich. Eind 1848 herademde de Oostenrijkse regering. Hongaarse nationalisten konden de klus niet alleen klaren. De Britten wensten hen niet te steunen vermits Hongaarse onafhankelijkheid een verzwakking betekende van Oostenrijk. Hiervan zou Rusland kunnen profiteren en dat zou het Europees evenwicht ernstig in gevaar kunnen brengen. Ook Louis-Napoleon interfereerde niet. Zijn leger moest op het Franse grondgebied nog instaan voor de ordehandhaving. Kossuth vluchtte naar Turkije en in 1849 werd Hongarije opnieuw geïntegreerd in het Oostenrijkse keizerrijk. Pruisen : Koning Frederik Wilhelm IV gooide het over een andere boeg. Hij onderdrukte de liberaal-nationale opstanden niet, maar gaf zijn volle steun. Hij ging akkoord met de oprichting van een grondwettelijke vergadering en hij schuwde uitspraken als “aan mijn volk en aan de Duitse natie” niet. Conservatieven en de zogenaamde “Junkers” onder leiding van Otto von Bismarck waren echter fel gekant tegen zo een verregaande liberalisering en vrij snel werd de grondwettelijke vergadering afgeschaft. Het Vorparlament op niveau van de Duitse Bond was echter reeds samengekomen. Doel was een nieuwe wetgevende en uitvoerende macht uitwerken. Uiteindelijk leidde dit tot de oprichting van het Frankfurter Parlament. Omwille van de academisch- getinte samenstelling werd er vaak smalend over gezegd : “in handen van de professoren is Duitsland verloren”. In dit Frankfurter Parlament werd oeverloos gediscussieerd over de wenselijkheid van een Groot-Duitsland dan wel een Klein- Duitsland. In maart 1849 besloot men uiteindelijk de troon van het Duitse keizerrijk aan te bieden aan Frederik Wilhelm IV. Deze laatste vond het beneden zijn waardigheid om de kroon te moeten aanvaarden van een Volkskammer en niet van zijn gelijken. De vertegenwoordigers die nog in Frankfurt waren, werden manu militari naar huis gestuurd. Een kort verzet leidde tot niets. Hun ideeën over de organisatie van een Klein-Duitse Bond werden wel overgenomen door de Pruisische regering-Radowitz. Het project van een Klein-Duitse Bond hield de uitsluiting van Oostenrijk in, een gegeven waar fel tegen gereageerd werd. Een nakende oorlog werd door Russische druk op de Pruisische regering vermeden : het Pruisische plan werd ingetrokken en de geschilpunten tussen Oostenrijk en Pruisen werden bijgelegd op de bijeenkomst van de Duitse Bond te Dresden in 1851. Het zou in 1866 toch tot een oorlog komen tussen beide landen. Italië : In Italië begon op 12 januari 1848 te Palermo de opstand van de Sicilianen tegen het bewind van Ferdinand II van Napels. De opstand breidde zich snel uit en de Italiaanse eenwording leek in gang gezet. Twee kandidaten voor de leiding van deze eenmaking 6
  14. 14. drongen zich op. Ten eerste was er Karel-Albert, de koning van Piëmont-Sardinië. Deze kandidaat kreeg de steun van liberalen en anti-klerikalen ( Massimo d’Azeglio ) en werd vooral omwille van zijn militaire en financiële gewicht dat hij in de schaal kon gooien als dé geschikte kandidaat gezien voor het verdrijven van de Oostenrijkers.Ten tweede was er Paus Pius IX ( ‘Pio Nono’ ). Deze werd voornamelijk door Gioberti als leider van de Italiaanse eenheid gezien. Een derde initiatief deed ook de ronde : het vestigen van een Italiaanse republiek. Dit idee werd gepromoot door Giuseppe Mazzini en zijn volgelingen ( die zich lieten inspireren door de ideeën van La Giovine Italia ). Kandidaat nummer één, Karel-Albert, maakte niet zo’n beste beurt toen hij in 1848 de tijd rijp achtte om met de Oostenrijkers af te rekenen. Hij haakte in op de nationaal- liberale beweging in Lombardije en … werd te Custozza in juli van datzelfde jaar verslagen door het Oostenrijkse leger onder leiding van generaal Radetsky. Volgend op de nederlaag dienden de Britten en Fransen dan weer diplomatiek tussen te komen om te vermijden dat de Oostenrijkers de territoria van Piëmont-Sardinië annexeerden. Na de nederlaag leek de weg vrij voor kandidaat nummer twee, Pio Nono. De Europese liberale revolutiegolf overspoelde echter Rome en de pauselijke staten en Pio Nono koos het hazenpad. Toen in 1849 Mazzini lid werd van het Triumviraat dat de leiding van de Romeinse Republiek voor haar rekening nam leek het derde alternatief het uiteindelijk nog te gaan halen! Franse troepen maakten er komaf mee. Aldus kwam een einde aan Mazzini’s eenwordingsdromen die hij voornamelijk in een Europees perspectief situeerde. De vlucht van Pio Nono werd hem niet in dank afgenomen en men was niet langer enthousiast om hem als leider van de Italiaanse eenmaking te zien. Van dit laatste bleef trouwens toch nauwelijks iets over. Het mislukken van de Risogimento en het Italia fara da se effende het pad voor de realistische en pragmatische diplomatieke strategie van Camille Benso di Cavour. 6. Interpretaties : Tot nu toe hebben we voornamelijk gesproken over het verloop en de afloop van de verschillende Europese revoluties van 1848. Rest ons nog iets te zeggen over de omstandigheden die leidden tot die revoluties. Zoals vaak was ook hier de sociale ellende de katalysator van de revoluties. Daarenboven kende de landbouwproductie een ware crisis met hongersnoden als het nefaste gevolg Het citaat van Babel, Battelli en Monnier (p.59) wijst op het feit dat liberalisme vanaf 1848 niet langer gekoppeld was aan nationalisme. Eenwordingsprocessen zullen slechts succesvol blijken wanneer ze van bovenaf geïnitieerd worden en nationalistisch geïnspireerd zijn. Het is het nationalisme waar het volk zich mee kan identificeren ( denk aan taal, … ) waardoor het zal overleven. Het liberalisme verdwijnt. Dit besef komt vooral tot uiting in de politiek die Bismarck zal voeren. Op “realpolitische” wijze koppelt hij het Duitse eenwordingsstreven los van het streven naar vrijheid. De figuur van Bismarck en zijn diplomatieke beslissingen komen in de volgende hoofdstukken ruimer aan bod. 7
  15. 15. Karl Marx zag het mislukken van het Europees revolutiejaar 1848 voornamelijk als het gevolg van de onmacht van de tot dan toe geldende socialistische visies. Hij legde de nadruk op een wetenschappelijke analyse van het negentiende-eeuwse productiesysteem en op het bewustwordingsproces van de arbeidersklasse teneinde een klasseloze maatschappij en de dictatuur van het proletariaat te verwezenlijken. Sir Lewis Namier beschouwt de mislukking van 1848 als het begin van de linkse en rechtse autoritaire regimes. Omdat compromissen tussen zo’n regimes praktisch onmogelijk zijn, ligt de weg open voor een totale oorlog. Sir Lewis Napier wijt dit hele proces aan het gebrek aan inzicht van de intellectuele elites in het historisch proces. Het in diskrediet brengen van de bestaande elite effent het pad voor geplebisciteerde dictaturen. Ook A.J.P. Taylor beschouwt 1848 als het uitgangspunt van autoritaire regimes. Hij vermeldt dat slechts in Engeland en Amerika – de twee landen die aan de revolutiegolf waren ontsnapt – nog de overtuiging leefde dat interstatelijke conflicten op basis van discussie en compromissen konden opgelost worden. Oorlog tussen staten lag in het vooruitzicht vermits nationalistische regimes hun bestaan slechts kunnen legitimeren als ze buitenlandse successen boeken. Extra : Waarom mislukten de revoluties? • Utopische ideeën van de professoren die niet voldoende voeling hadden met de wensen en verwachtingen van het volk. • Een duidelijk gebrek aan een sterke leidersfiguur; er waren er té veel verschillende. • Gebrek aan een overkoepelende ideologie die de mensen inspireerde. Vanaf 1848 kunnen we dan ook spreken van een breuk tussen politici en het volk. 8
  16. 16. Ken Lawrence 3T4 Hoofdstuk 3 : Het valt mij op dat het citaat van Clyde en Beers op p.63 brandend actueel zou kunnen zijn in de context van de oorlog in Irak mits een paar kleine aanpassingen : “The First Arab-Western treaties formed the beginnings of a new order for the Middle East. The US had won a war, but the settlement it had imposed was to operate in an alien environment, where the Western barbarian, assuming the role of reformer in asserting his equality, was not welcome. He was feared because of his military power, but he was not respected.” 1. De Krimoorlog : Het efficiënte politie-systeem dat tsaar Nicolaas I had geïmplementeerd in Rusland zorgde voor interne stabiliteit. Nicolaas I achtte het moment rijp om definitief met de Turkse machtspositie in het Zwarte-Zeegebied af te rekenen. Hierdoor zou hij toegang krijgen tot de felbegeerde gebieden van de Bosporus en Dardanellen. Deze veroveringsdrang leidde tot de Krimoorlog. Eerst eiste Nicolaas I een religieus protectoraat in het Ottomaanse Rijk gevolgd door een ultimatum dat Turkije tot een alliantie met Rusland dwong. Turkije weigerde en vanaf juli 1853 bezetten Russische troepen Moldavië en Walachije. Groot-Brittannië en Frankrijk zochten weer toenadering tot elkaar om een conflict te vermijden. Napoleon III vroeg aan Nicolaas I om zijn troepen terug te trekken. Nicolaas I weigerde daar hij zag hoe Oostenrijk – toch geïnteresseerd in de Balkan – zich neutraal opstelde. Deze neutraliteit was natuurlijk het gevolg van de Russische steun ten tijde van de moeilijkheden in Hongarije en Pruisen. Niet alleen de Britten en de Fransen stuurden een gezamenlijk ultimatum aan de Russen. Ook Cavour steunde hen namens Piëmont-Sardinië. Hij had in zijn achterhoofd uiteraard de overtuiging dat een diplomatiek succes zou kunnen bijdragen tot het verwezenlijken van de Italiaanse eenheid. Tenslotte bezweek Oostenrijk onder de druk en gaf het zijn neutraliteit op om Rusland tot een diplomatieke overeenkomst te dwingen. Deze oplossing nam de vorm aan van de zogenaamde “Vier punten van Wenen” die echter door tsaar Nicolaas I werden verworpen. Niets kon een oorlog verhinderen. In de herfst van 1854 landden Britse, Franse en Italiaanse troepen op de Krim. Het werd een bijzonder uitputtende oorlog, gevoerd in slechte hygiënische omstandigheden en met een nijpend tekort aan voedsel. Tachtig procent van de soldaten sneuvelden. Na het verlies van Sebastopol en vernieuwde druk vanwege de Oostenrijkers gaf de opvolger van de intussen overleden Nicolaas I, Alexander II zich over. Verdere onderhandelingen vonden plaats te Parijs waar Napoleon III in de schijnwerpers wou staan. Het Verdrag van Parijs ( 30 maart 1856 ) was vooral in het voordeel van Groot- Brittannië. Een Russische expansie in het oostelijk deel van de Middellandse Zee werd erdoor onmogelijk gemaakt. Ook de garantie dat de mogendheden de integriteit van het Ottomaanse Rijk zouden waarborgen, was vooral een goede zaak voor de Britten. Rest ons nog te zeggen dat het Europees Concert ophield te bestaan met de Krimoorlog. De mogendheden hadden, weliswaar ‘beperkt’, maar toch onder elkaar oorlog gevoerd. 1
  17. 17. 2. Napoleon III en zijn diplomatie : Napoleon III speelde het bijzonder sluw. Teneinde de Russische en Oostenrijkse machtsposities te verzwakken steunde hij de nationaliteitenbeweging in Servië en Montenegro. Bovendien erkende het hierbovengenoemde Verdrag van Parijs de Roemeense autonomie en – na de weigering van de Belgische prins Filip – werd Karel von Hohenzollern-Sigmaringen de eerste constitutionele vorst van Roemenië. Napoleon III wilde de eenmaking van Italië steunen omwille van vier redenen. Ten eerste wilde hij Oostenrijk – dat een aantal bezettingen had in Italië – verzwakken. Ten tweede had Napoleon III zijn oog op de gebieden van Savoie en Nizza. Ten derde wilde Frankrijk graag een satellietstaat die hen doorgang zou verschaffen naar het noorden van Afrika waar ze volop hun koloniale ambities wensten bot te vieren. Ten laatste was er ook het sentimentele element daar Napoleon III als oud-carbonaro zijn broer was verloren tijdens een opstand in Romagna. In Italië waren er op dat moment drie bewegingen. Een eerste rond de paus ( neowelfisme ), een tweede rond Mazzini ( Jong Italië ) en een derde rond graaf Camillo Benvo di Cavour. Deze laatste was regeringsleider van het belangrijkste Italiaanse vorstendom, Piëmont-Sardinië. Hij wilde de Italiaanse eenheid verwezenlijken door het gebruik van een Realpolitik. Op een erg pragmatische wijze ging hij tewerk teneinde de eenheid te realiseren die hij vooral voor de handelsbelangen als erg voordelig zag. Napoleon III zag het meeste heil in een samenwerking met Cavour. Op 28 januari 1859 werd een geheim akkoord ondertekend tussen Frankrijk en Piëmont-Sardinië. Frankrijk zou militaire steun verstrekken aan Piëmont-Sardinië om Lombardije en Venetië te bevrijden van de Oostenrijkers. In ruil kregen de Fransen het gebied van Savoie en Nizza. Enkele maanden later werd het akkoord uitgevoerd. Er werd een opstand uitgelokt in de Italiaanse bezettingen. Toen de Oostenrijkse troepen orde op zake kwamen stellen, werden zij aangevallen door zowel de Piëmontese als de Franse troepen. De slagen bij Magenta en Solferino werden fataal voor de Oostenrijkers. De tol aan manschappen was zo groot dat deze veldslagen tot de oprichting van het Internationale Rode Kruis leidden. Het vredesakkoord “De Vrede van Villafranca” maakte een einde aan de strijd. Oostenrijk stond Lombardije af, maar niet Venetië. Napoleon III verleende geen militaire steun meer aan de Italiaanse nationalisten. Het vervolg van de Italiaanse eenmaking begon bij de Siciliaanse opstand van Garibaldi en zijn “Duizend Radicalen”. Binnen de kortste keren veroverden ze Napels. De opstand werd onderdrukt door de Piëmontese troepen en Cavour drong een referendum op aan het zuiden van Italië. Hoewel Napels en Sicilië kozen voor de aansluiting bij het door Victor Emmanuel geleide vorstenhuis kunnen we zeggen dat dit vooral kwam door de timing van het referendum ( vlak na de overwinning van Cavour op de Roodhemden ). Ook nu nog spreek men in het zuiden van Italië van het onbevrijde Italië. De eenmaking werd onder druk gerealiseerd. Momenteel is iets gelijkaardigs aan de gang op Cyprus. Ook daar wordt druk uitgeoefend ( via de VN, meer bepaald Kofi Annan ) om via een referendum tot eenheid te komen. Ik weet niet zeker of dit de beste manier van werken is. 2
  18. 18. Een referendum is érg precaire materie daar een complex probleem vaak dient herleid te worden tot een ietwat simplistische voorstelling van de problematiek. Bovendien loopt men het gevaar dar de bevolking het opgedrongen referendum niet wil aanvaarden. De Italiaanse eenheidsstaat werd pas vervolledigd door Garibaldi ( die ondertussen generaal en parlementslid was geworden ) na de val van Napoleon III in 1870. De Romeinse kwestie zou pas een oplossing vinden in de “Lateraanse Verdragen” van Mussolini. Hoe ging het nu verder met Napoleon III? Napoleon III gebruikte de vervolging van de maronieten in Libanon ( deel van Syrië ) om de Turkse sultan te dwingen een christelijk gouverneur aan te stellen. Vooral de drang van Napoleon III om een zeekanaal te graven dat de Middellandse Zee met de Rode Zee zou verbinden, voerde de druk op de sultan stelselmatig op. De Internationale Suezmaatschappij ( de eerste multinational ) werd in 1858 opgericht met Frankrijk als voornaamste aandeelhouder. Er waren wel diplomatieke reserves over deze onderneming en de gevolgen ervan op de geopolitieke verhoudingen in het Midden-Oosten. Groot- Brittannië vond de kortere route naar India interessant, maar wou de Russische expansiedrang naar de Middellandse Zee wel nauwlettend in het oog houden. De Britse vestigingen te Aden en Malta verhinderden dat de Fransen het kanaal voor militaire doeleinden zouden kunnen gebruiken. Het project kwam er voornamelijk door het enthousiasme van projectleider Ferdinand de Lesseps. Ook op het Amerikaanse continent had Napoleon III ambities. Hij wenste in Mexico een keizerrijk te stichten dat de Latijns-katholieke tegenpool zou worden van de Angelsaksisch-protestantse macht in Noord-Amerika. Dit project mislukte echter jammerlijk. Napoleon III had een excuus nodig om te interveniëren. Toen de katoenexport werd tegengehouden door het Noorden overwoog hij zelfs even om samen met andere Europese mogendheden rechtstreeks in de Amerikaanse Burgeroorlog tussenbeide te komen. Uiteindelijk stuurde hij zijn expeditieleger slechts naar Mexico toen die regering weigerde de buitenlandse schulden te betalen. De regering Juarez werd verdreven en aartshertog Maximilaan ( gehuwd met prinses Charlotte, dochter van Leopold I ) werd de nieuwe vorst. Toen de Burgeroorlog in 1865 afgelopen was, veroordeelde de Amerikaanse regering de Franse interventie fel op basis van de Monroe- doctrine. De Fransen trokken zich terug. Enkele maanden later greep Juarez opniew de macht en werd Maximilaan gefusilleerd. 3. Gebeurtenissen in Azië : De entering van een Brits schip en de moord op de Franse missionaris Chapdelaine zetten de Britten en Fransen ( daarin gesteund door de Russen en Amerikanen ) aan om een militaire strafexpeditie op gang te brengen teneinde de bepalingen van het Verdrag van Nanking te verruimen. De Chinese regering moest dit onder hevige druk toestaan. De 3
  19. 19. verruiming gebeurde met het verdrag van Tientsin ( 1858 ). Het voornaamste van dit verdrag is dat nog meer havens voor handel werden opengesteld en dat Groot-Brittannië de souvereiniteit verwierf over Kowloon ( een schiereiland gelegen tegenover het eiland Hongkong ). De toegangsweg tot Peking veroorzaakte echter té veel problemen. De Brits- Franse expeditietroepen veroverden Peking waardoor de Mantsjoe-regering de bepalingen van het Verdrag van Tientsin moest aanvaarden in het Verdrag van Peking ( oktober 1860 ). De Britse en Franse troepen onderdrukten de Taiping-opstand omdat deze de handel in gedrang bracht. De Chinezen bleven erg fel gekant tegen de “barbaarse westerlingen”. Ook Rusland profiteerde van de Chinese zwakte en deed zoals gewoonlijk aan gebiedsuitbreiding. Vermeldenswaard is Vladivostok ( =“Heers over het Oosten” ), een Russisch bolwerk aan de oostgrens van Siberië. In 1854 kwam het eerste Amerikaans-Japans Verdrag tot stand. Onder Amerikaanse druk werd de Japanse regering gedwongen een aantal havens, waaronder Yokohama, open te stellen. De Japanners, meerbepaald Mikado Moetsohito, reageerden hierop door van hun vijand te leren. Ze entten de Westerse uitvindingen op hun cultuur en voerden een uitgebreid en diepgaand moderniseringsproces. Op korte tijd werd Japan een grootmacht. 4. Een groot-Duiste bond onder leiding van Oostenrijk of een klein-Duiste bond onder leiding van Pruisen? Op 18 september 1862 werd Otto von Bismarck de regeringsleider in Pruisen. We mogen zijn bekende uitspraak “durch Eisen und Blut” niet als typisch bestempelen voor zijn diplomatie. Hij was voornamelijk een pragmaticus die zonder dogma’s de ene en de andere grootmacht door middel van ‘diplomatic tricks’ kon beïnvloeden. Hij vond dat Pruisen de leiding van de Duitse bond moest opvorderen. Na de dood van de Deense vorst Frederik VII eiste Bismarck de afscheiding van de Duitssprekende vorstendommen. De opvolger van Frederik VII weigerde en het kwam in 1864 tot de Pruisisch-Deense oorlog. De Britten en de Fransen hielden zich afzijdig en Denemarken verloor de oorlog. Sleeswijk en Holstein werden door De “Vrede van Wenen” ( oktober 1864 ) van de overige Deense vorstendommen losgehaakt. De Conventie van Gastein bepaalde in augustus 1865 dat Sleeswijk en de haven van Kiel onder Pruisisch beheer kwamen; Oostenrijk kreeg het gezag over Holstein. Dit laatste deed Bismarck om Oostenrijk te paaien vermits bij de nakende Oostenrijks-Pruisische oorlog Holstein terug zou worden afgenomen. Bismarck paaide ook Rusland door het te steunen bij de onderdrukking van de Polen. Napoleon III werd dan weer gepaaid met de belofte dat hij allerlei conventies mocht organiseren en dat Venetië bij de Italiaanse eenheidsstaat zou gevoegd worden als Frankrijk zich neutraal opstelde bij een Oostenrijks-Pruisisch treffen. Een dispuut over de hervorming van de Duitse bond leidde in 1866 tot de langverwachte confrontatie tussen Pruisen en Oostenrijk. Napoleon III was erg verbaasd over de snelle afloop van deze krachtmeting. Reeds na een tweetal maanden verklaarde Oostenrijk te willen onderhandelen. De daaropvolgende vredesonderhandelingen vonden plaats in Parijs en culmineerden in het voorlopige akkoord van Nikolsburg dat uiteindelijk op 23 augustus 1866 werd geformaliseerd in de “Vrede van Praag”. Erg opmerkelijk was dat 4
  20. 20. Bismarck ervoor ijverde dat de Pruisisch-Oostenrijkse relaties zo snel mogelijk hersteld zouden worden. De nederlaag van Oostenrijk had tot gevolg dat de Duitse bond werd ontbonden. Er kwam een Zuid-Duitse en een Noord-Duitse bond ( inclusief Sleeswijk en Holstein ). Oostenrijk had geen enkele inspraak meer in het Duitse eenmakingsproces. Bismarck ontwierp een grondwet voor de Noord-Duitse bond en hield zélf de touwtjes stevig in handen : hij werd ‘Bundeskanzler’, een functie waarin hij alleen aan de koning verantwoordelijkheid was verschuldigd en niet aan de democratisch verkozen ‘Reichstag’. We merken ook een analogie op tussen Bismarcks streven naar één grote Duits-nationale structuur waarin de Tweede Zollverein de basis legt voor een gemeenschappelijke handelsruimte met een zelfde munteeenheid en het streven naar een Europese economische en monetaire unie op het einde van de twintigste eeuw. 5. Hoogoplopende Franse frustratie : Napoleon III zag met lede ogen aan hoe het imago van Pruisen er sterk op vooruitging terwijl dat van Frankrijk er sterk op achteruitging. Napoleon III trachtte met Bismarck te onderhandelen om het Groothertogdom Luxemburg in Franse handen te laten overgaan. De Londense Conferentie van mei 1867 bevestigde echter het Belgische verzet tegen zo’n regeling en opnieuw leed Napoleon III gezichtsverlies. Het karakter van deze laatste kennende kunnen we ons inbeelden HOE hoog hem zoiets zat! Voeg daarbij nog het immer sluimerende wantrouwen vanwege Groot-Brittannië en mislukte besprekingen met Oostenrijk-Hongarije en we begrijpen al beter de immense frustratie die bij de Fransen begon te leven. Een kleine vonk kon alles doen ontploffen. Deze vonk kwam er in 1870 bij een dispuut over de opvolging van de Spaanse troon. De Fransen eisten dat Pruisen zwart-op-wit zou neerschrijven dat Leopold von Hohenzollern-Sigmaringen nooit meer zou dingen naar de Spaanse troon omwille van het ongemakkelijke gevoel dat de Fransen kregen door in het zuiden een koning te hebben die Pruisen gunstig gezind was. Paranoia haalde het op gezond verstand en de Fransen vonden dat ze omsingeld werden. Bismarck was niet te spreken over de arrogante Franse houding en weigerde op hun eisen in te gaan. De Fransen verklaarden Pruisen de oorlog op 17 juli 1870 en trokken ten strijde, eerder met nationaal-chauvinistische ideeën dan met een goed-georganiseerde troepenmacht. De afloop laat zich raden : Frankrijk wordt roemloos verslagen. De Duitse overwinning te Sedan wordt het startschot voor een verdere Duitse eenmaking. Baden en Württemberg en later Beieren willen tot een Duitse Confederatie toetreden. Bismarck gebruikt de grondwet van de Noord-Duitse bond als blauwdruk voor de Duitse eenheidsstaat. Een staatsgreep te Parijs vertraagt een compromis tussen Pruisen en Frankrijk. Napoleon III werd afgezet en de op revanche gerichte Derde Franse republiek werd opgericht. Pruisische troepen herstellen de orde te Parijs en op 18 januari 1871 wordt het Duitse Keizerrijk uitgeroepen in de Spiegelzaal van Versailles. Op 10 mei 1871 wordt het Duits- Franse vredesverdrag ondertekend dat 3 zaken stipuleert. Ten eerste gaat Elzas- Lotharingen over in Duitse handen. Bismarck had dus niet kunnen weerstaan aan wat 5
  21. 21. gebiedsuitbreiding. Ten tweede moeten de Fransen een schadevergoeding betalen. Ten derde wordt besloten dat de Duitse troepen pas NA de Franse betaling het grondgebied verlaten. De socialistisch-geïnspireerden zagen in maart 1871 een nieuwe kans om een verandering teweeg te brengen. Alles wat links was ging naar deze zogenaamde Parijs Commune. Ditmaal was het het Franse leger dat een einde aan de Commune en de socialistische droom maakte in mei 1871. Rusland werd omwille van zijn neutraliteit tijdens de Pruisisch-Franse oorlog beloond. De neutraliteitsbepaling van het Verdrag van Parijs ( 1856 ) werd ten voordele van Rusland opgeheven in het Pontusverdrag. Groot-Brittannië hield zich de ganse tijd opmerkelijk afwezig. 6. Visies op de totstandkoming van Duitsland : Zowel marxistische als niet-marxistische historici beschouwen de diplomatie die door Bismarck en Cavour werd gevoerd als toonaangevend voorbeeld van een Realpolitik. Er zijn verschillende visies op het totstandkomen van Duitsland. Ten eerste zijn er de ‘Rankianen’ die vooral in externe factoren de oorzaak van een verenigd Duitsland zien. De Krimoorlog wordt gezien als een scharnierpunt in de diplomatieke trend : vóór de Krimoorlog was diplomatie een defensief middel dat erop gericht was oorlog te vermijden. De Krimoorlog luidde het begin in van de diplomatie als offensief middel met het oog op het voeren van een oorlog. Ten tweede zijn er die historici die meer belang hechten aan interne factoren. Zo zien zij de grotere afstandelijkheid van Groot-Brittannië op het wereldtoneel evenals de verzwakking van Oostenrijk als hoofdoorzaken van de Duitse eenmaking. Rest ons nog iets te zeggen over de interpretaties van K. Marx en F. Engels zélf. Zij stelden zich op als voorstanders van de Pruisisch-Franse oorlog en van de Bismarck- diplomatie. Deze stellingname verhulde een strategische keuze. Beiden waren beïnvloed door Carl von Clausewitz en zagen in dat oorlogsvoering nu totaal was geworden. Ook zagen zij een oorlog als een revolutionair gebeuren waarlangs de arbeidersklasse politieke macht zou kunnen veroveren. Duitsland zou jammer genoeg niet het sociale paradijs worden waarop beiden gehoopt hadden. Hun tijdelijke steun aan het nationalisme van de heersende burgerij had twee gevolgen. Ten eerste ontstond het “revisionisme”, een niet-revolutionaire vorm van het socialisme. Ten tweede zouden hun ideeën toch weerklank vinden in Rusland met Lenin en Trotsky. De basis voor het communisme werd gelegd in de inschattingsfout van 1870-1871. De hoogdravende uitspraak “Proletariërs aller landen – verenigt u” zal in het zicht van de nakende oorlog niet meer dan een hopeloze vredesboodschap blijken. 6
  22. 22. Ken Lawrence 3T4 Hoofdstuk IV 1. Het Bismarck-systeem De periode 1871-1899 wordt gekenmerkt door intensieve diplomatieke inspanningen vanwege het verenigde Duitsland. Bismarck besefte weliswaar dat Duitsland een grote en sterke mogendheid was geworden, maar maakte zich geen illusies over de uitkomst van een confrontatie tussen Duitsland en een alliantie van mogendheden. Hij ging zijn diplomatie dan ook richten op het voorkomen dat de centrale ligging van Duitsland op het Europese continent hen fataal zou worden. Volgens mij heeft heden ten dage Israël ook zo’n gevaarlijke ligging. Een alliantie tussen omliggende moslimlanden gericht tegen Israël zou voor deze laatste nefast zijn. In tegenstelling tot het toenmalige Duitsland kan Israël wel rekenen op een sterke bondgenoot, de Verenigde Staten. Mijns inziens heeft deze via zijn optreden in Irak een sterk signaal willen uitzenden naar de andere moslimlanden in het Midden-Oosten.We kunnen stellen dat Bismarck 2 hoofddoelen had om de Duitse toekomst veilig te stellen : ten eerste diende Frankrijk geïsoleerd te blijven; ten tweede moesten de gespannen verhoudingen tussen Duitsland, Rusland en Oostenrijk verbeterd worden. Het isoleren van Frankrijk ging het beste door enerzijds de Duitse relaties met de overige mogendheden te verbeteren en anderzijds de Franse imperialistische ambities aan te moedigen. Dit laatste lijkt op het eerste zicht contra-productief, maar het Franse imperialisme zou botsen met het Britse. Voor Duitsland was in dat geval de rol van bemiddelende instantie weggelegd. De tweede doelstelling zou minder makkelijk haalbaar blijken. De verzwakking van het Ottomaanse Rijk in het Balkan-gebied wekte de interesse van zowel Oostenrijk als van Rusland. Een confrontatie tussen deze twee landen vermijden, was dan ook de boodschap. Op 6 mei 1873 sloten Duitsland en Rusland een Conventie waarin ze elkaar wederzijdse militaire steun beloofden indien één van beiden door een andere Europese mogendheid zou worden aangevallen. Een maand later sloot Rusland ook een ( minder verregaande ) Conventie met Oostenrijk. Bismarck kreeg gedaan wat hij wou : een ‘Driekeizersentente’ tussen Wilhelm I, Frans-Jozef en tsaar Alexander II om Frankrijk diplomatiek te isoleren en de relaties tussen de drie landen te verbeteren. De Balkan vormde in de zomer van 1875 het strijdtoneel waar Rusland zich profileerde. De opstanden begonnen in Bosnië-Herzegovina en een jaar later kwamen de Bulgaren massaal in opstand tegen de Turkse overheersers. De Turken onderdrukten de revoltes op een bijzonder bloederige wijze waarbij niemand werd gespaard. In het boek staat dat deze moordpartij nog steeds ontzettend zwaar weegt op Bulgaars-Turkse relaties. Ik maak me dan ook de bedenking dat de haat die de Bulgaren na afloop van de Tweede Balkanoorlog in 1913 jegens voornamelijk de Serviërs voelden wel uitzonderlijk groot moet geweest zijn opdat de Bulgaren zich aansloten bij de Centrale Mogendheden in WO I, wat de Turken ook deden! In 1875 ondernam Rusland een militaire actie tegen de Turken op de Balkan. Hoewel de Russen Groot-Brittannië en Oostenrijk-Hongarije hadden verzekerd dat ze niet aan het statuut van de zee- engten ( Verdrag van Parijs – 1856 ) zouden komen, gebeurt dit toch. De Turken werden door de Russen verslagen en werden gedwongen het Verdrag van San Stefano te aanvaarden. Dit Verdrag bepaalde ten eerste dat Servië, Montenegro en het reeds autonome Bulgarije onafhankelijk werden en dat Armenië, Kreta en Bosnië-Herzegovina zelfbestuur krijgen. Hier zien we een mooie illustratie van de Russische drang naar de creatie van satellietstaten. Ten tweede werd 1
  23. 23. besloten een groot-Bulgaarse staat op te richten die in de praktijk onder Russisch toezicht zou staan. Uiteraard waren Groot-Brittannië en Oostenrijk-Hongarije allerminst te spreken over dit Verdrag van San Stefano. Groot-Brittannië vreesde een al te grote Russische aanwezigheid in de zee-engten van de Bosporus. Oostenrijk-Hongarije zag dan weer met lede ogen de creatie van Russische satellietstaten aan en het verlies van de invloedssfeer in de Balkan. Bismarck merkte de spanningen tussen de mogendheden op. Hij wenste een oorlog indien mogelijk te voorkomen of minstens uit te stellen. Hij trad dus op als bemiddelaar bij onderhandelingen die uitmondden in het Verdrag van Berlijn ( juli 1878 ). De Britse eerste minister Disraeli haalde zijn slag thuis : Rusland werd teruggefloten. Van een groot-Bulgaarse staat kwam voorlopig niets terecht en Cyprus kwam onder Brits gezag. De Russische tsaar was woedend op Bismarck wiens schuld het was dat de gunstige regeling van het Verdrag van San Stefano zo goed als teniet werd gedaan. Rest ons nog te zeggen dat het Verdrag van Berlijn ook een, wat later zou blijken, fatale fout maakte. Bosnië-Herzegovina ging namelijk over in de handen van Oostenrijk-Hongarije. Wat de gevolgen van de latere annexatie waren, zullen we nog bespreken. Bismarck bleek wel een érg handige jongen te zijn. Eerst zorgde hij ervoor dat Duitsland een geheim defensief verdrag met Oostenrijk-Hongarije sloot ( Akkoord van Gastein – 1879 ) met het oog op een mogelijke Russische aanval. Vervolgens kon hij het Russische wantrouwen rond het geheime verdrag doen afnemen. Bismarck slaagde er op 18 juni 1881 in de Driekeizersentente te hernieuwen! Deze entente hield in dat Rusland en Oostenrijk-Hongarije neutraal zouden blijven indien het opnieuw tot een oorlog zou komen tussen Duitsland en Frankrijk. Anderzijds zouden Duitsland en Oostenrijk neutraal blijven indien Rusland in conflict zou komen met Groot- Brittannië ( bv. in Centraal-Azië ). Ondertussen voelde Italië zich door het Franse koloniale beleid in Tunesië gedwarsboomd. Op 20 mei 1882 trad Italië toe tot de Tweebond; zo kwam de Triple Alliantie tot stand. De verplichtingen van de verschillende landen in de Alliantie waren niet dezelfde. Italië zou militaire steun krijgen indien het door Frankrijk zou aangevallen worden, maar zou niet tussenbeide komen indien Oostenrijk-Hongarije door de Russen werd aangevallen. De Driekeizersentente en de Triple Alliantie vormden samen de diplomatieke basis van het zogenaamde ‘Bismarck- systeem’ dat erop gericht was de hierbovengenoemde hoofddoelen van Bismarck te realiseren. De Balkan-spanning tussen Oostenrijk en Rusland hing als een zwaard van Damocles boven dit systeem. Door zich te binden aan de Habsburgers zou Duitsland later meegesleurd worden in WO I. 2. Kolonisatie en imperialisme Ondertussen werd de basis gelegd voor een toekomstige botsing tussen de mogendheden ten gevolge van hun vaak agressief koloniaal beleid. Vanuit Algerije veroverden de Fransen Tunis, wat zoals vermeld leidde tot de Italiaanse toetreding tot de Tweebond. De Britten vonden het hun morele plicht de grootheid van hun natie te beklemtonen in koloniale gebiedsveroveringen. De aankoop van een 7/16-aandelenparticipatie in de Suezmaatschappij was dan ook een middel om de invloedssfeer in Egypte te versterken. Een opstand werd handig gebruikt door de Britten om hun greep op Egypte te verstevigen. Met in het achterhoofd hun handels-en diplomatieke belangen die nauw verbonden waren met het Suezkanaal begonnen de Britten vanaf 1882 aan de feitelijke bezetting van Egypte. De Fransen protesteerden hier fel tegen en in oktober 1882 kwam het tot een compromis : het Suezkanaal kreeg een internationaal statuut. 2
  24. 24. Niet alleen in Noord-Afrika was de spanning te snijden. De ‘Scramble for Africa’ was een intens gebeuren in het laatste kwartaal van de negentiende eeuw. Zuid-Afrika had voornamelijk Britse interesse gewekt. De ontdekking van diamant en goud leidde tot een toenemende Britse druk op zuidelijk Afrika. De Boerenoorlog zou er het tragische gevolg van worden. Ook Oost-Afrika oefende een grote aantrekkingskracht uit op de Britten, voornamelijk gezien de Britse pogingen om de weg naar India veilig te stellen. De Britten veroverden telkens een nieuw gebied ter bescherming van hun vorige verovering. Zo bekwamen ze achtereenvolgens Soudan, Somalië, Kenia en Oeganda. Later zouden de Britten het Tanganjika-gebied aan Bismarck schenken. West-en Centraal-Afrika waren dan weer het doel van de Fransen en in mindere mate de Portugezen ( die de steun kregen van de Britten teneinde de Franse expansie in te dijken ). De Fransen veroverden Senegal en Niger. In Centraal-Afrika werd het wat complexer. Pierre Brazza had het noordelijk deel van het Kongobekken voor de Fransen veroverd. De Belgische koning Leopold II had echter reeds aanspraak gemaakt op dat gebied in het kader van … wetenschapsprojecten. Uiteraard ging het om de exploitatie van het gebied! Om een oplossing te vinden voor de toegenomen spanningen tussen mogendheden ten gevolge van hun imperialisme in Afrika werd te Berlijn een Internationale Conferentie gehouden van 15 november 1884 tot 26 februari 1885. Bismarck trad opnieuw op als bemiddelaar, maar zijn rol als ‘eerlijke makelaar’ ten tijde van de eerste Balkancrisis kon hij niet meer waarmaken. Daarvoor was zijn steun aan Jules Ferry te groot geweest. Desalniettemin kwam men tot een aantal overeenkomsten en werd Centraal-Afrika verdeeld tussen de verschillende Europese koloniale machten. Ten eerste kwam men tot een aantal internationale regels als voorwaarden voor de erkenning van annexaties in Afrika. Daartoe behoorden het concept van ‘effective occupation’, de handelsvrijheid en neutraliteit in het geval van een Europese oorlog van het Kongobekken en de afschaffing van de slavenhandel in de veroverde gebieden. De eigenlijke verdeling van Centraal-Afrika zag er als volgt uit : Frankrijk behield wat het veroverd had op de rechteroever van de Kongostroom, Portugal kreeg alleen Kabinda. Kongo-Vrijstaat werd opgericht onder de persoonlijke souvereiniteit van Leopold II. Ik herinner me vroeger gelezen te hebben dat de verdelingen van de Internationale Conferentie van Berlijn ( die soms letterlijk met de meetlat gebeurden ) ervoor gezorgd hebben dat rivaliserende volksstammen zoals de Hutu’s en de Tutsi’s in één gebied werden geplaatst. De rampzalige gevolgen daarvan gelden nog tot op de dag van vandaag! Buiten Afrika was er ook een gelijkaardige ‘Scramble for Asia’ aan de gang. Tussen de Britten en de Russen ontstonden spanningen over Afghanistan. De Fransen waren dan weer actief in Indo- China. 3. De val van Bismarck en de politiek van Wilhelm II Een aantal factoren liggen aan de basis van het einde van het Bismarck-bewind. Eerst en vooral verloor Bismarck de belangrijke Franse steun van Jules Ferry toen deze laatste werd afgezet. Men verweet hem te veel bezig te zijn met de Franse expansie in plaats van zich dichter bij huis te richten op de herovering van Elzas-Lotharingen. Bismarck zelf werd dan weer bekritiseerd omwille van het feit dat Duitsland nauwelijks iets aan expansiepolitiek had ondernomen. Bovendien leidde de generatiekloof tussen Bismarck en de ambitieuze nieuwe keizer Wilhelm II tot een hele reeks conflicten. Geconfronteerd met het Franse revanchisme en de nationalistische gevoelens die weer opborrelden in de Balkan zocht Bismarck nog een tegengewicht. Een hernieuwing van de Driekeizersentente was onmogelijk, maar Bismarck slaagde er wél in een, zij 3
  25. 25. het maar voor 3 jaar geldig, bilateraal defensief verdrag met Rusland te sluiten, het zogenaamde Herverzekeringsverdrag ( 18 juni 1887 ). De Russen stelden Bismarck voor de keuze die hij met zijn handig gekronkel zo lang uit de weg had kunnen gaan : een positie innemen ten opzichte van de Balkan. Ofwel zou Duitsland de Russen steunen, ofwel de dubbelmonarchie Oostenrijk- Hongarije. Bismarck zat in een dilemma. Toen hij hoorde dat er sprake zou zijn van Franse- Russische toenadering moest hij iets ondernemen. Hij trachtte logischerwijze tot een akkoord met de Britten te komen, maar dit mislukte, evenals een hernieuwing van het Herverzekeringsverdrag dat door Wilhelm II werd tegengehouden! Zo werd hij tot aftreden gedwongen. De Weltpolitik van Wilhelm II kon geen radicalere breuk zijn met de zorgvuldige ‘evenwichtsdiplomatie’ van Bismarck. Wilhelm II wilde van de Duitse natie de grootste en meest imposante maken. Zo verklaarde hij op de vijfentwintigste verjaardag van het Duitse Rijk het volgende programma : “Wereldpolitiek als opdracht, wereldmacht als doel en een Duitse vloot als werktuig”. Zijn houding kweekte een superioriteitsgevoel dat vooral de Britten en de Russen dwars zat. De Fransen zagen hun kans om uit het diplomatieke isolement te geraken. In december 1893 sloten zij een geheim defensieverdrag met de Russen. Wilhelm II joeg niet alleen de Russen tegen zich in het harnas. Het ‘Brittania rules the waves’ kwam in gevaar door het ‘Flottenverein’. Admiraal von Tirpitz, de architect van de Duitse vloot wilde er iets groots van maken en de orders bleven maar binnenstromen bij de industriëlen. Nooit met het doel om daadwerkelijk oorlog te voeren, maar wel om het beeld van een imposante natie uit te stralen. Zo interpreteerden de Britten echter de Bagdad-spoorlijn niet. De Berlijn-Byzantium-Bagdad-spoorlijn van Wilhelm II ging namelijk dwars over de Bosporus, maakte het Suezkanaal onnodig en bracht de weg naar India in het gedrang. 4. De onophoudelijke mars van het imperialisme De verdeling van West-Afrika werd het onderwerp van een Brits-Frans akkoord in juni 1896. Groot-Brittannië deed de beste zaak en kreeg Gambia, Sierra Leone, Gold Coast en Nigeria. Frankrijk kreeg de minder belangrijke, maar beter aan elkaar gesloten gebieden. Zuid-Afrika werd in 1899 tot 1902 het strijdtoneel voor een bloedige oorlog, de Boerenoorlog. De “Boerenregering” vocht met guerrilla-technieken tegen de regering Chamberlain die er niet voor terugdeinsde concentratiekampmethodes uit te testen op de vijand. Voor het eerst kwam de pers naar voren als een instantie die een grote invloed uitoefende op de publieke opinie. Heden ten dage worden de media vaak aangewend om de opinies van mensen te beïnvloeden. Denken we maar aan de oprichting van een Amerikaans televisie-station in Irak ten einde een pro- Amerikaanse houding te stimuleren. In Oost-Afrika leed Italië een vernederende nederlaag en werd aldus de allereerste Europese mogendheid die het onderspit moest delven in een koloniale oorlog. Nadat Italië Eritrea had bezet wou het samen met Menelik en zijn Eritrese stamgenoten komaf maken met de Ethiopische keizer. De gezamenlijke troepenmacht behaalde de overwinning, maar Italië moest met lede ogen toekijken hoe hun bondgenoot Menelik zicht tegen hen keerde en het Italiaans expeditieleger versloeg. Italië moest de onafhankelijkheid van Ethiopië erkennen. Eerlijkheidshalve kunnen we terecht opmerken dat Italië zélf nu ook niet bepaald de meest trouwe bondgenoot zal blijken ( ten tijde van WO I was Italië lid van de Triple Alliance, maar ging het land onmiddellijk over tot aansluiting bij de Geallieerden ). Zo’n 50 jaar na de Ethiopische onafhankelijkheid zal Mussolini 4
  26. 26. alsnog wraak nemen en een vernietigende gasaanval uitvoeren die aan een miljoen Ethiopiërs het leven zal kosten. In Soedan kwam het bijna tot een militair treffen tussen Britse en Franse troepen toen deze laatsten zich al te zeer profileerden in gebieden die de Britten onder controle hadden. De diplomatieke tussenkomst van de Franse minister Delcassé voorkwam een oorlog. 5. Problemen voor de Turken en de Chinezen In het prille begin van de 20ste eeuw werd de tanende macht van Abdoel Hamid II in het Ottomaanse Rijk duidelijk. De liberaal-nationalistische Jong Turken scandeerden dat het regime corrupt en aan de Westers mogendheden overgeleverd was. Interne moeilijkheden ( o.a. muiterij in het leger ) leidden tot de annexatie van Bosnië-Herzegovina door Oostenrijk-Hongarije. De Duitse keizer ( voorstander van de islam ) was niet te spreken over de gedwongen integratie van alle volkeren waar de Jong Turken voor ijverden. Wanneer we later de gruweldaden zien van de Turken tegen de Armeense bevolking kunnen we stellen dat hij gelijk had. Verder naar het Oosten kwam China in grote problemen. Doorheen de ganse geschiedenis vormde Korea de speelbal tussen China en Japan. Het akkoord tussen beide landen uit 1885 kwam in gevaar toen de Chinezen de Tong Hak revolte onderdrukten op Korea. De Japanners betwistten opnieuw de Chinese greep op Korea. Nadat Japanse troepen de Koreaanse koning hadden gegijzeld en aldus deze regering dwongen de Chinezen het land uit te sturen, verklaarden deze laatsten begrijpelijkerwijze de oorlog aan de Japanners … wat ze beter niet hadden gedaan. Het moderne Japanse leger walste letterlijk over de Chinese militairen en nog geen jaar later erkende China de Japanse militaire superioriteit in het Verdrag van Sjimonoseki dat erg streng was voor de Chinezen. Korea zou “onafhankelijk” worden, maar was in de praktijk afhankelijk van de Japanners. Een deel van het grondgebied, waaronder Port Arthur, ging over in Japanse handen. Het Verdrag werd nog aangevuld met een oorlogsschatting en bepaalde handelsvoorwaarden. Dan kwamen de gieren. Duitse, Franse en Russische ambassadeurs eisten ook een deel van de buit en Japan verloor Port Arthur; de Russen beheerden de haven. Daarvoor werd een geheim Russisch-Chinees akkoord gesloten dat bepaalde dat Rusland ook een concessie kreeg om doorheen Mantsjoerije een verbinding met de “transsiberische” spoorweg aan te leggen. De Japanse frustratie om dit Russisch gedrag leidde in 1904 tot een militair treffen. Ook Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië pikten hun graantje mee. Belangrijk was Hong Kong. Daar slaagden de Britten in om een concessie voor 99 jaar af te dwingen. In China zélf stond de situatie op springen. Niet alleen was China op een vernederende wijze behandeld na het verlies van Japan, maar het had ook te kampen met natuurrampen, hongersnood en een algemene economische depressie door de greep van vreemde mogendheden. In 1900 koelden vele Chinezen hun woede op de vreemdelingen. De Boksers ( I-ho chu’an ) hadden vrij spel daar de Chinese regering zich niet geroepen voelde in te grijpen. Een internationale interventiemacht sloeg de Boskersrevolte uiteindelijk neer. Belangrijk om te noteren is dat de Verenigde Staten ook deelnamen aan de troepenmacht. We zullen later zien dat zij deze interventie gebruiken ( misbruiken ) om hun invloedssfeer in de regio uit te breiden. Zouden de Amerikanen momenteel ook trachten hun Irak-interventie te gebruiken om in het Midden-Oosten een Amerikaans gezind bewind te installeren en aldus meer invloed te verwerven in de regio? 5
  27. 27. De vraag over hoe het nu verder moest met China bleef grotendeels onbeantwoord. Het Boxer- protocol bevatte enkel sancties en straffen, geen aanbevelingen voor de toekomst waardoor de verwarring en onzekerheid bleven. 6. Amerikaans imperialisme Amerika groeide in sneltempo. De bevolking nam pijlsnel toe. De gebieden in het noorden werden aan het VS-territorium toegevoegd. De industrie werd efficiënter en expandeerde. De vraag die onvermijdelijk de kop opstak was dan ook niet “Gaat Amerika een expansief buitenlands beleid voeren?”, maar waar gaat het dat doen? De republikeinse presidenten W. MacKinley en T.Roosevelt boden het antwoord. Ze steunden zich onder meer op het boek van Ten eerste werd afgerekend met de Spaanse koloniale macht in het Caribisch gebied. De ontploffing op een Amerikaanse kruiser in Havana vormde de aanleiding. Cuba werd onafhankelijk verklaard doch het Platt Amendement hield feitelijke afhankelijkheid in van de Verenigde Staten. Het lijkt me wat te vergelijken met wat de Japanners met Korea deden in het Verdrag van Sjimonoseki. Op dit punt zien we de invloed van industriëlen op het beleid van de (Republikeinse!) president van de Verenigde Staten. Ten einde van de overproductie af te raken – het Taylorisme had de arbeid zó efficiënt gemaakt dat overproductie een onvermijdelijk gevolg was, vooral in tijden van economische instabiliteit – wilde men de immense Chinese afzetmarkt bereiken. Zo begon de gestage opmars van de VS in die regio. Puerto Rico en Guam kwamen onder VS-controle. Roosevelt ( op dat moment assistent secretaris van de marine zag er geen graten in om een oorlog te beginnen teneinde de Filippijnen te annexeren ( we herinneren ons dat de diplomatie al een tijdje een offensief middel was geworden ). Uiteindelijk kunnen we stellen dat de VS de Filippijnen hebben gekocht voor 20 miljoen dollar wat technisch gezien een oorlogsschatting was. De opeenvolgende inlijving en verovering van Hawaï, een deel van de Samoa-eilanden en het eiland Wake leidden tot de onvermijdelijk botsing tussen het Amerikaanse en het Europese imperialisme. De zogenaamde Break-up of China baarde de Amerikanen zorgen. Zou de VS nog wel de vruchten kunnen plukken van haar noeste arbeid? Zou China door de Europese belangen ontoegankelijk blijven voor Amerikaanse handel? De Amerikaanse staatssecretaris John Hay lanceerde het voorstel om een Open Door Policy te respecteren. De voornaamste mogendheden werden gevraagd het recht op vestiging en vooral op vrijhandel in China te garanderen. Rest ons nog te zeggen dat zoals hierboven vermeld de Amerikanen ook handig wisten gebruik te maken van hun deelname aan de interventie tegen de Boksers-revolte. In Samsah Inlet werd een havenconcessie gezocht, iets waarover de Japanners niet blij waren. Het transoceanische Panama-kanaal kaderde in de theorieën van T.Mahan. Hij had aangetoond hoe belangrijk een uitgebreide vloot was om een supermogendheid te worden. Een echte Amerikaanse wereldwijde strategie werd nu mogelijk. Het Panama-kanaal was er niet zonder slag of stoot gekomen. De Britten waren wel akkoord dat de Amerikanen de onderneming volledig op zich zouden nemen, maar één van hun voorwaarden was dat de betrokken staten waardoor het kanaal zou lopen akkoord zouden gaan. Toen de Colombiaanse senaat weigerde het akkoord dat hun regering met de Amerikanen had gesloten hieromtrent goed te keuren, steunden deze laatsten prompt de Panamese onafhankelijkheidsstrijders. Nauwelijks enkele maanden later haalden de Panamezen de overwinning en aanvaardden uiteraard onmiddellijk het Amerikaanse voorstel over het kanaal. Op 5 augustus 1914 werd het kanaal onder exclusieve VS-controle operationeel. De legitimatie van de Amerikaanse interventies in Midden-en Zuid-Amerika kwam er met de Roosevelt Corollary, de actualisering van de Monroe-doctrine. Roosevelt gaf aan dat het in het 6
  28. 28. algemeen Amerikaanse belang was dat er in die regio’s werd ingegrepen. Dit Roosevelt Corollary had vooral een grote impact op de Caribische staten waar de regering van de Verenigde Staten nu op volledig legitieme wijze kon interveniëren in de belangrijkste souvereiniteitsaangelegenheden van deze staten. 7. Interpretaties : Het imperialisme en kolonialisme kunnen op vele wijzen geïnterpreteerd worden. John Atkinson Hobson publiceerde in 1902 zijn studie over het imperialisme waarin hij de toename van de rivaliteit tussen de imperialistische mogendheden toeschreef aan de opmars van de financiële belangen. De nieuwe technische mogelijkheden boden immense opportuniteiten aan zij die ondernemend van geest waren, maar hielden ook steeds grotere financiële risico’s in die steeds door staatsgaranties moesten gewaarborgd worden. Het leek op het ongezonde mercantillisme van een vergeten verleden. De verschillende marxistische interpretaties vinden vooral hun oorsprong in het werk van Hilferding. Hij wees op de toenemende macht van financieringsinstellingen en banken op het gehele productieproces wat volgens hem leidde tot de imperialistische mentaliteit. De concentratie van kapitaal zorgde voor steeds groter wordende monopolies die door de staat werden beschermd tegen andere mogendheden teneinde nog grotere monopolies te verwezenlijken. Op dezelfde denkpiste zitten mensen als Kautsky en Lenin. Beiden zagen in dat de weg open lag naar een internationaal verenigd grootkapitaal, maar op een belangrijk punt waren ze een andere mening toegedaan. Daar waar Klautsky de hoop uitdrukte dat zo’n ultra- kapitalisme zou kunnen leiden tot een grotere stabiliteit met minder imperialistische rivaliteiten zag Lenin het somberder in; verschuivingen in machtsverhoudingen en concurrentieposities zouden onafwendbaar leiden tot antagonisme tussen de verschillende mogendheden. De visie van Lenin werd door het uitbreken van WO I als de juiste gezien. Graag had ik stilgestaan bij de huidige situatie. Op het eerste zicht kunnen we zeggen dat de globalisatie tot stabiliteit heeft geleid. Supra-nationale instanties zijn er in geslaagd een klimaat van vrede te scheppen in de Westerse wereld. Geschillen tussen mogendheden worden op diplomatiek verantwoorde manier besproken en met veel tact opgelost. De internationale vereniging van kapitaal zorgt voor ongekende handelsmogelijkheden. De economie herpakt zich na het dipje van de “dot-com bubble-burst”. Leven we daadwerkelijk in een stabiel systeem? Men moet maar even denken aan de toenemende dreiging van het terrorisme om het plaatje al heel wat minder rooskleurig te maken. De “oorlog” die nu gevoerd wordt is er geen tegen een soevereine staat. Symbolen van kapitaalmonopolies ( WTC ) zijn het eerste doelwit. Ook met minder moordende afloop hebben we de brandende voertuigen en stukgeslagen etalages door de anti-globalisten als stille getuigen van een inherent onstabiel systeem… Rest ons nog te vermelden dat het imperialisme en het nationalisme beiden racisme in zich dragen. De “vanzelfsprekende” rassensuperioriteit kwam naar voor in vele werken ( het werk van Stewart Chamberlain, Manifest Destiny, Mission Civilisatrice, Sonderweg, White Man’s Burden, … ) en werd een bijkomende motivatie voor de mogendheden om het grondgebied van de inferieure rassen te veroveren. Uiteindelijk culmineerden deze ideeën in de ontwikkeling van totalitaire systemen en in de holocaust op de joden. 7
  29. 29. Extra : *Er zit naar mijn mening ontzettend veel waarheid in de voetnoot n°15 op p.93. Er staat ‘Of the two, the British were probably the more frightened and therefore the more aggressive.’ Zoiets zien we de dag van vandaag ook met de Irakoorlog. Het angstklimaat dat heerst na 11 september 2001 leidt tot een ‘pre-emptive strike’ op dat regime waar de Amerikanen het meest bang voor zijn. De Bush-administratie speelt in op de angst die het Amerikaanse publiek via de media wordt ingepompt. Als zij niet eerst aanvielen werd de kans dat Irak met massavernietigingswapens een tweede 11 september veroorzaakte alsmaar groter. *Ik vind het opmerkelijk ( citaat van Brugmans op p.99 ) dat zo’n imperialistische houding de gangbare werd. Het is juist deze houding waarop Napoleon I werd bekritiseerd! 8
  30. 30. Ken Lawrence 3T4 Hoofdstuk V In het prille begin van de 20ste eeuw gingen stemmen op die waarschuwden voor het in het gedrang komen van de wereldvrede door het heersende geopolitieke klimaat. De eerste Nobelprijs voor de vrede werd uitgereikt, vredesliga’s werden opgericht en conferenties werden georganiseerd. Een overzicht van de gebeurtenissen zal een beeld geven van de algemene gemoedstoestand en het geldende nationaal chauvinisme die uiteindelijk in 1914 tot die fatale “Grote Oorlog” zullen lijden. 1. Een tijd van vredesconferenties, ententes … en oorlog De initiatiefnemer van de Eerste Internationale Vredesconferentie ( Den Haag – 1899 ) was de Russische tsaar Nicolaas II. Tot de dag van vandaag vormen de drie conventies die uit de onderhandelingen resulteerden de basis voor diplomatieke verzoening en het oorlogsrecht. Een eerste conventie handelde over het op vreedzame wijze regelen van internationale geschillen. Deze conventie leidde tot de oprichting van het Permanent Hof van Arbitrage. De twee andere conventies behandelden het oorlogsrecht te land en ter zee die beiden op een meer humane wijze dienden uitgewerkt te worden. Men mag zich geen illusies maken over deze Eerste Internationale die vooral als mistgordijn diende om de vele “ententes” die omwille van imperialistische doeleinden werden gesloten, te verhullen. De Britten zochten in die periode bijvoorbeeld de Duitsers om een alliantieverdrag te sluiten. De Duitse kanselier von Bülow aarzelde en liet de kans liggen om met de Britten of de Russen een bondgenootschap te sluiten. Groot-Brittannië ging niet bij de pakken zitten en had binnen de kortste keren twee bondgenoten. Groot-Brittannië ging eerst aankloppen bij de Japanners. Het Brits-Japans Alliantie-verdrag kwam probleemloos tot stand in 1902 vermits beide mogendheden er alle belang bij hadden een machtige partner te hebben. Japan was nog steeds gefrustreerd op de Russen omdat het door hen was dat Japan de op China veroverde gebieden had moeten teruggeven. Japan besefte dan ook dat het in de niet al te verre toekomst tot een Japans-Russische confrontatie zou komen. Groot- Brittannië had dan weer pijnlijk moeten vaststellen dat het militair tekort schoot tijdens de Boerenoorlog. Een partner hebben als Japan, de opkomende macht in de “Pacific”, was dan ook waardevol om zélf de positie op het Aziatisch Continent te verstevigen. Het Brits-Japanse Alliantie-verdrag was vooral symbolisch van inhoud : als één van beiden door één macht zou aangevallen worden dan was het de taak van de andere om te voorkomen dat meerdere mogendheden de ene zouden aanvallen. Gebeurde dit laatste toch, dan moesten beide landen zij aan zij vechten. Een Brits-Franse “entente”, de zogenaamde “Entente Cordiale” kwam wat moeizamer tot stand. Beide landen zagen de agressieve Duitse handelspraktijken als bedreigend, maar er waren twee probleemgebieden op het Afrikaanse continent waar beide mogendheden uiteindelijk een compromis wisten te bereiken ( 8 april 1904 ). Frankrijk verzaakte aan zijn aanspraken op Egypte als de Britten hetzelfde zouden doen met Marokko. In verband met Marokko werd voor de Britten één uitzondering gemaakt : Tanger werd een neutrale haven. De Britten hadden hierdoor 1
  31. 31. nog steeds de controle over de toegang tot de Middellandse Zee daar zij ook nog Gibraltar bezaten. De Brits-Japanse Alliantie zou al snel in de praktijk omgezet worden. De reden tot de oorlog was de Japanse frustratie om het Russische gedrag voornamelijk wat betreft de Russische bezetting van Port Arthur. Ook de transsiberische spoorverbinding vormde een doorn in het oog van de Japanners. We mogen hierbij niet uit het oog verliezen dat zowel Port Arthur als de spoorweg, het gevolg waren van een geheim akkoord ( 1896 ) tussen de Russen en de Chinezen, de Japanse aartsvijanden. De Japanners vroegen de Russen beleefd, maar kordaat Mantsjoerije te ontruimen. Deze eis was erg redelijk, want vastgelegd in de uit 1895-daterende Conventie van Peking. Nadat de Russen weigerden en diplomatieke onderhandelingen geen effect hadden, besloten de Japanners tot de aanval over te gaan. Het Russische leger werd zowel op het land ( bij Moekden ) als op het water ( bij Tsjoesjima ) vrij snel overwonnen. De vredesonderhandelingen werden geleid door de Amerikaanse president die na het sturen van interventietroepen naar de Boksersrevolte ongetwijfeld opnieuw een kans zag om de Amerikaanse invloed in Azië uit te breiden. Het Vredesverdrag van Portsmouth ( 1905 ) was het resultaat van deze onderhandelingen en stipuleerde het volgende : Japan kreeg de haven van Port Arthur, het zuidelijk deel van Sachalin, de Russische bezittingen in Mantsjoerije en het protectoraat over Korea. Ik heb mezelf de bedenking gemaakt dat Korea de Aziatische tegenhanger is van Elzas-Lotharingen! De Japanners voerden stelselmatig hun druk op Korea op en uiteindelijk moest Korea op 22 augustus 1910 een opgedrongen annexatieverdrag ondertekenen. Wilhelm II was niet te spreken over de Frans-Britse “entente” en trachtte, door wat zout in de wonde genaamd Marokko te wrijven, de tegenstelling tussen beide landen op te drijven. Op die manier wou hij komen tot een verbreking van de “Entente Cordiale” waardoor de weg vrij lag voor de entente Duitsland-Rusland-Frankrijk. Het geschil ( de Eerste Marokkaanse crisis ) werd beslecht op de Internationale Conferentie te Algeciras. Op die Conferentie kwam Duitsland meteen “to the point” : waarom zouden alleen de Fransen tussenbeide mogen komen in interne Marokkaanse aangelegenheden? Roosevelt was opnieuw de bemiddelaar en ook hier werd een compromis bereikt. Meerbepaald zou Marokko “open” zijn zodat ook bijvoorbeeld Duitsland er handel mee kon drijven. Anderzijds werd de politiemacht over de Marokkaanse havens onder Frans-Spaanse bevoegdheid geplaatst. Belangrijker dan deze concrete resultaten was het feit dat het Duitse plannetje zich tegen hen had gekeerd. De populariteit van Duitsland kreeg een flinke deuk en de kiem werd gelegd voor Brits-Russische toenadering. Deze toenadering kwam in een sneltempo door een aantal verschillende factoren. Eerst en vooral werden de Britten geconfronteerd met het Duitse expansiebeleid. In het Midden-Oosten werd de Duitse invloed door de Bagdad-spoorlijn alsmaar groter. Bovendien hadden de Duitsers besloten hun vloot uit te breiden, iets waar de Britten zéker niet over te spreken waren, aangezien hun zeehegemonie als vanzelfsprekend werd beschouwd. De andere mogendheid, Rusland, had een ernstige klap te verduren gekregen met het verlies tegen Japan. Een regeling met Groot-Brittannië was voor de stabiliteit van het land van groot belang. In 1907 bereikten Groot-Brittannië en Rusland een akkoord omtrent hun invloedssferen in Azië ( meerbepaald het randgebied van Indië ). De “Triple Entente” werd aldus een feit door de drie bilaterale verdragen : Frankrijk-Rusland ( 1893 ), Frankrijk-Groot-Brittannië ( 1904 ) en Groot-Brittannië-Rusland ( 1907 ). 2

×