1
2
3
Bespreking case


Situering


Uitspraak van het Arbeidshof Gent ( afdeling Brugge ) op 28 mei 1999.




De partijen


De p...
als zelfstandige helpsters. Daarenboven wees de appellante erop dat alle diensters in het
personeelsregister als zelfstand...
De kwalificatie die de partijen aan de overeenkomst hadden gegeven werd door de rechter, die
hiertoe de bevoegdheid heeft,...
Voor mij zijn de doorslaggevende elementen enerzijds het feit dat de diensters niet zelf hun
arbeidstijd mochten organiser...
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Universiteit Antwerpen Case Arbeids En Sociale Zekerheidsrecht Ken Lawrence

324

Published on

Published in: Technology, Business
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
324
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Universiteit Antwerpen Case Arbeids En Sociale Zekerheidsrecht Ken Lawrence

  1. 1. 1
  2. 2. 2
  3. 3. 3
  4. 4. Bespreking case Situering Uitspraak van het Arbeidshof Gent ( afdeling Brugge ) op 28 mei 1999. De partijen De partijen zijn de appellante mevrouw ( “madame” ? ) M.C.H. en de R.S.Z. Bespreking feiten “Play Girls” was een bar in Oostende waar het voor de mannelijke klanten aangenomen vertoeven was. De exploitante woonde waarschijnlijk op de eerste verdieping en hield meer dan alleen een oogje in het zeil op de geburtenissen op haar gelijkvloerse bar. Hoewel ze uiteraard halsstarrig ontkende dat er meer activiteiten plaatsvonden dan een aangenaam gesprek bij een goed glaasje wijn zou het van een grote mate van naïveteit getuigen aan te nemen dat dienster en klant het hierbij lieten. Deze case betreft een arrest van het Arbeidshof van Gent ( afdeling Brugge ) over het statuut van een aantal “diensters” in de bar met de suggestieve naam “Play Girls”. Bij een vroeger arrest werd de appellante die de exploitante was van de bar veroordeeld tot het betalen van de sociale bijdragen die zij had ontdoken. Ze was in hoger beroep gegaan en dit arrest bevat het definitieve vonnis. De standpunten De appellante hield vol dat de diensters zelfstandigen waren. Zij baseerde zich hiervoor eerst en vooral op een geschreven overeenkomst. Hoewel er zeven diensters werkten in de bar was zo’n overeenkomst alleen opgesteld voor twee van de meisjes. Hierin werden zij bestempeld 4
  5. 5. als zelfstandige helpsters. Daarenboven wees de appellante erop dat alle diensters in het personeelsregister als zelfstandigen waren ingeschreven én dat de diensters zelf allen overeengekomen waren met de appellante om als zelfstandige te werken. Volgens de appellante waren de diensters bovendien geheel vrij om al dan niet te komen werken, vakantie te nemen, enz. Omdat de R.S.Z. betwiste dat de diensters zelfstandigen waren droeg zij de bewijslast. Vermits het hier om een schoolvoorbeeld van ontduiking van de sociale bijdragen gaat, denk ik niet dat het bewijs leveren een zware taak was. Eerst en vooral kan gezegd worden dat de argumenten die de appellante aanvoerde nooit uitsloten dat het om werknemers ging. Bovendien wees de rechter een groot aantal elementen van een gezagsrelatie aan waardoor er sprake was van werken in ondergeschikt verband. Deze elementen worden in de volgende paragraaf besproken. Het oordeel van de rechter De rechter leidde de gezagsverhouding af uit de volgende elementen : Ten eerste hadden de diensters geen zeggenschap en exploiteerden ze geen eigen onderneming. Ten tweede stonden ze enkel in voor de bediening van de klanten. Ten derde werd het aanbod en de prijs van de diensten bepaald door de appellante. Ten vierde namen de diensters geen deel aan de bedrijvigheid van de appellante. Ten vijfde woonde de appellante boven de bar en was ze altijd aanwezig. Zo heerste er dus continu een sfeer van controle. Ten zesde hadden de diensters geen keuze betreffende het tijdstip waarop het werk moest worden uitgevoerd. Het arrest vermeldt bovendien: “Een zekere vrijheid bij het bepalen van de arbeidstijd staat een gezagsverhouding overigens niet in de weg”. Ten zevende was het ook de appellante die het loon bepaalde en dagelijks uitbetaalde. Bovendien was er geen concrete aanwijzing dat de diensters anderen konden inschakelen voor het uitvoeren van hun arbeid. 5
  6. 6. De kwalificatie die de partijen aan de overeenkomst hadden gegeven werd door de rechter, die hiertoe de bevoegdheid heeft, afgewezen. De benaming van de overeenkomst was volgens hem niet de juiste wanneer hij keek naar de feitelijke elementen. Ook het schriftelijk “bewijs” dat de appellante voorlegde voor twee van haar diensters werd door de rechter niet aanvaard omdat de aard van de overeenkomst daar hoegenaamd niet mee overeenkwam. Het was ook niet van doorslaggevend belang dat zulke diensters conventioneel als zelfstandige worden bestempeld of onder deze noemer in het personeelsregister werden ingeschreven. Om het met de woorden uit de cursus te zeggen: “De fiscale en sociale kwalificatie is immers een gevolg van de realiteit en niet omgekeerd”. De juridische oplossing Het Arbeidshof veroordeelde de appellante de sociale bijdragen te betalen, vermeerderd met wettelijke interest en gerechtelijke interest. Het kostenplaatje zag er als volgt uit: 466.953 F + de wettelijke interest op 364.374 F vanaf 2 maart 1993 tot en met 8 april 1993 + gerechtelijke interest op hetzelfde bedrag vanaf april 1993 Voor één van de diensters werden wél de noodzakelijke sociale bijdragen betaalt, maar pas vanaf 1 februari 1992. De rechter oordeelde dat de R.S.Z. enkel nog de bijdragen in verband met deze dienster kon vorderen voor de periode van 2 januari 1992 tot en met 31 januari 1992. Kritische beschouwingen Het is duidelijk waarom de exploitante prefereerde dat de diensters als zelfstandigen door het leven gingen. Hierdoor diende ze een pak sociale bijdragen niet te betalen en ontsnapte ze aan de dwingende regels van het arbeidsrecht. Bovendien was de exploitante werkzaam in een behoorlijk dubieuze sector waarbinnen de grenzen van het legale en illegale niet altijd haarscherp zijn. In het arrest staat niet veel over de diensters, enkel dat hun leeftijd niet bekend was. In zo’n wereldje is het voor de handliggend dat men bij eventuele problemen met de arbeidsinspectie graag zo snel mogelijk iemand aan de deur zet. Opzeggingstermijnen en ontslagvergoedingen kan men missen als kiespijn! 6
  7. 7. Voor mij zijn de doorslaggevende elementen enerzijds het feit dat de diensters niet zelf hun arbeidstijd mochten organiseren en anderzijds de continue strikte controle op de kas. Daarenboven was het voor de diensters compleet onmogelijk om zelf personeel aan te werven voor het uitvoeren van hun arbeid. Het gezag dat de exploitante uitoefende was overduidelijk. Ze was steeds aanwezig om toezicht te houden, te controleren en waarschijnlijk ook te bevelen aan de dienster om het deze of gene klant gezellig te maken wanneer het tot een afgesproken prijs was gekomen. Dit laatste gebeurde bovendien tussen de exploitante en de klant, zonder inbreng van de dienster. De kas werd strikt gecontroleerd. Graag wou ik deze case nog even bespreken in het kader van de zogenaamde UNIZO- formule. Hoewel ik niet precies weet hoe de puntentoekenning gebeurt, sluit ik niet uit dat de diensters als zelfstandigen zouden bestempeld worden door de UNIZO-formule in deze specifieke case. Dit komt door een aantal elementen. Eerst en vooral zouden de diensters hoog scoren op punt 3, “Verantwoordelijkheid en beslissingsmacht om met bedrijfsmiddelen onderneming rendabel te houden”. Ook op punt 4 ( “Variabel inkomen zonder minimuminkomensgarantie” ) zou de score naar mijn mening vrij hoog zijn. Als er geen geïnteresseerde klanten zijn dan verdient de dienster niets! De dienster kan ook voor meerdere klanten werken ( punt 5 ) JUIST OF INTERPRETEER IK DAT VERKEERD?????????. Over punt 1 twijfel ik. ????????????????????????????????? De UNIZO-formule kent té hoge punten toe aan een aantal elementen terwijl anderen belangrijker zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld té weinig punten toegekend aan punt 10 ( “Zelf arbeidstijd organiseren” ). Dit is toch bijna van doorslaggevend belang of iemand al dan niet zelfstandige is. Bovendien heeft de UNIZO- formule geen aandacht voor wat er met het verdiende geld gebeurt. In het geval van de case werd de kas strikt gecontroleerd door de appellante waardoor er onmiddellijk al had kunnen besloten worden dat de diensters verre van zelfstandigen waren. 7

×