Water quiz voortgezet onderwijs_stichting c3
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Water quiz voortgezet onderwijs_stichting c3

on

  • 1,366 views

voortgezet onderwijs: waterquiz voor jongeren

voortgezet onderwijs: waterquiz voor jongeren

Statistics

Views

Total Views
1,366
Slideshare-icon Views on SlideShare
1,366
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
6
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Water quiz voortgezet onderwijs_stichting c3 Water quiz voortgezet onderwijs_stichting c3 Presentation Transcript

    • SPEEL de waterquizWeet jij het antwoord op al deze vragen?
    • Je wilt graag een zachtgekookt eitje.Moet er iets veranderen aan de kooktijdvan een ei als je geen gewoon kraanwater 1gebruikt, maar zeewater?A Ja, het ei moet korter koken. B Ja, het ei moet langer koken. C Nee, het ei moet even lang koken.
    • Je wilt graag een zachtgekookt eitje.Moet er iets veranderen aan de kooktijdvan een ei als je geen gewoon kraanwater 1gebruikt, maar zeewater? A Ja, het ei moet korter koken.UITLEG Zeewater kookt bij een hogere temperatuur dan kraanwater.Het water verdampt minder makkelijk in een zoutoplossing door hetopgeloste zout. Dit komt doordat de polaire natrium- en chloride-ionen vanhet opgeloste zout zich sterk binden aan de watermoleculen. Daarom zalhet water minder snel verdampen en dus pas bij een hogere temperatuurgaan koken. Je kunt zelf aantonen dat water met opgelost zout bij eenhogere temperatuur kookt. Als je een handje zout in kokend water gooitstopt het water met koken. Als je het doorverwarmt begint het na een vrijkorte tijd opnieuw te koken bij een hogere temperatuur.
    • In de poolzee drijft een enorme ijsberg.Onder invloed van broeikaseffect smelthij. Wat gebeurt er met het zeewaterpeil? 2A Dat stijgt. B Dat daalt. C Dat blijft gelijk.
    • In de poolzee drijft een enorme ijsberg.Onder invloed van broeikaseffect smelthij. Wat gebeurt er met het zeewaterpeil? 2 C Dat blijft gelijk.UITLEG Water neemt als vloeistof minder volume in dan water alsvaste stof. Watermoleculen bevinden zich in ijs namelijk in een rooster(door de waterstofbruggen) dat meer ruimte inneemt dan de bewegendewatermoleculen in een vloeistof. Daarom zal een drijvende ijsberg diesmelt het zeewaterpeil laten dalen. Veel mensen zijn bang dat onderinvloed van het broeikaseffect de zeeën zullen stijgen. Deze stijging isechter het gevolg van het smelten van ijs dat zich op het land bevindt. Alsdit ijs smelt en in de zee terecht komt, stijgt het waterpeil wel.
    • Op twee weegschalen staan identieketeilen met water. In één teil drijft eenblok. Het waterpeil is in beide teilen even 3hoog. Welke teil weegt het meest?A De teil zonder het blok. B Ze wegen beide even veel. C De teil met het blok.
    • Op twee weegschalen staan identieketeilen met water. In één teil drijft eenblok. Het waterpeil is in beide teilen even 3hoog. Welke teil weegt het meest? B Ze wegen beide even veel.UITLEG De wet van Archimedes zegt dat de opwaartse kracht gelijk isaan de massa van de verplaatste vloeistof. De opwaartse kracht in de teilmet het blok is dus gelijk aan de massa van het water dat door het deelvan het blok dat onder water zit, is verplaatst. Dat is precies gelijk aan deextra hoeveelheid water die in de andere teil zit, want de waterniveaus zijneven hoog.
    • Je strooit een kilo droogijs in een bakmet 50 liter water van 20°C. Er vormt zichnevel. Zodra de vaste stof uit de bak is 4verdwenen, is het volume van het water:A hetzelfde als vóór de toevoeging van het droogijs. B groter dan vóór de toevoeging van het droogijs. C kleiner dan vóór de toevoeging van het droogijs.
    • Je strooit een kilo droogijs in een bakmet 50 liter water van 20°C. Er vormt zichnevel. Zodra de vaste stof uit de bak is 4verdwenen, is het volume van het water: C kleiner dan vóór de toevoeging van het droogijs.UITLEG Er wordt geen gas opgenomen in het water. Dat betekent dater geen sprake is van een volumetoename. In essentie zou het volumedus gelijk moeten blijven... maar droogijs (bevroren koolzuur) is zeer koud.Het water koelt dus door de toevoeging van het droogijs sterk af.Aangezien koud water een kleiner volume heeft dan warm water, isantwoord c het goede antwoord. Het volume wordt kleiner, zij het slechtsweinig.
    • Wat gebeurt er als je een met watergevuld plastic boterhamzakje vlak boveneen brandende kaars houdt? 5A De zak blijft heel en het water wordt warm. B Er springt prompt een gat in de zak en het water dooft de kaars. C De zak gaat sterk krimpen.
    • Wat gebeurt er als je een met watergevuld plastic boterhamzakje vlak boveneen brandende kaars houdt? 5 A De zak blijft heel en het water wordt warm.UITLEG Water kan zeer veel warmte opnemen. Die grotewarmtecapaciteit is ook de reden waarom men al eeuwen lang brand metwater blust. Het water koelt het zakje dat daardoor niet de kans krijgt omte smelten of te verbranden. Dus alleen het water wordt warm en ergebeurt verder niets.
    • Je maakt een kuil in een ijsblok en vultde kuil met water. Je verwarmt het geheelin de magnetron. Wat gebeurt er? 6A Het water wordt heet en het ijs blijft ijs. B Het water blijft koud tot het ijs is gesmolten. C Het ijs ontploft.
    • Je maakt een kuil in een ijsblok en vultde kuil met water. Je verwarmt het geheelin de magnetron. Wat gebeurt er? 6 A Het water wordt heet en het ijs blijft ijs.UITLEG De elektromagnetische straling van de magnetron vergroot debeweging van watermoleculen. Watermoleculen in vloeibaar waterbewegen al een beetje. Elektromagnetische straling vergroot deze albestaande beweging makkelijk. Maar watermoleculen in ijs bevinden zichin een star rooster met waterstofbruggen. Ze bewegen bijna niet endaarom lukt het de magnetron moeilijk om deze watermoleculen inbeweging te krijgen. Een magnetron is goed in het opwarmen (latenbewegen van moleculen) van vloeibaar water, maar minder goed in hetopwarmen van ijs. Het water wordt dus heet en het ijs blijft ijs.
    • Kan water branden? 7 Ja, bij zeer hoge druk gecombineerdA met zeer hoge temperatuur en voldoende zuurstoftoevoer. B Ja, bij zeer lage druk gecombineerd met voldoende koolzuurtoevoer.C Nee.
    • Kan water branden? 7 C Nee.UITLEG Water kan niet branden omdat het in een mengsel van zuurstofmet waterstof het meest stabiele eindproduct vormt. Een reactie tot wateris dus geen evenwichtsreactie, maar geheel aflopend naar de kant van hetwater. Als je bijvoorbeeld waterstof toevoegt aan waterstofperoxide,reageert de uit het waterstofperoxide vrijgekomen zuurstof tot... water! Endit is een onomkeerbaar proces.
    • Welke sneeuw smelt het snelst? 8A Schone sneeuw. B Vuile sneeuw. C Stuifsneeuw.
    • Welke sneeuw smelt het snelst? 8 B Vuile sneeuw.UITLEG Vanwege het vuil is er sprake van smeltpuntverlaging. Doordatde schone sneeuw met ‘viezigheid’ is vermengd, verlaagt het smeltpuntwaardoor het zelfs al onder de 0 graden Celsius zal beginnen te smelten.Watermoleculen zijn bij vaste toestand netjes gerangschikt. De moleculenvan de ‘viezigheid’ komen tussen de watermoleculen te zitten. Hierdoorwordt die nette rangschikking (het rooster) verstoord en zal het watereerder in de vloeibare fase komen. Ditzelfde principe geldt voor hetstrooien van zout om gladheid op de wegen tegen te gaan.
    • Wat is de zuinigste manier om je bad telaten vollopen met water van 38°C? 9A Eerst het koude water erin. B Eerst het warme water erin. C Meteen de mengkraan goed afstellen.
    • Wat is de zuinigste manier om je bad telaten vollopen met water van 38°C? 9 A Eerst het koude water erin.UITLEG De hoeveelheid warmte die je verliest aan de omgeving isrecht evenredig met het verschil in temperatuur tussen het water en zijnomgeving. Om het warmtelek minimaal te houden, moet je dus dittemperatuurverschil zo lang mogelijk klein houden. Dat doe je door eersthet koude water in het bad te doen. Het koude water is meestal kouderdan de lucht en onttrekt dus warmte aan die lucht, in plaats van dat hetwarmte afstaat. Als het warme water er aan het einde wordt bijgevoegd isde temperatuur van het water in het bad gedurende de hele vultijd lagergeweest dan de gewenste waarde, en is het warmtelek het kleinst.
    • Je neemt een halve liter gedestilleerdwater en legt die aan met een halve literzuivere alcohol, beide uit de koelkast (7°C). 10Direct na het mengen is het mengsel: A kouder dan 7°C en precies een liter. B 7°C en iets meer dan een liter. C warmer dan 7°C en iets minder dan een liter.
    • Je neemt een halve liter gedestilleerdwater en legt die aan met een halve literzuivere alcohol, beide uit de koelkast (7°C). 10Direct na het mengen is het mengsel: C warmer dan 7°C en iets minder dan een liter.UITLEG Het totale volume aan vloeistof neemt af en de temperatuurstijgt. De hoeveelheid vloeistof neemt af doordat de water- enalcoholmoleculen extra waterstofbruggen gaan vormen. Door dezewaterstofbruggen tussen het water en het alcohol pakken de moleculendichter op elkaar. Het gevolg is dat het totale volume kleiner wordt. Eenliter (1000 ml) wordt zo 975 ml. Bij het vormen van deze extrawaterstofbruggen komt ook energie vrij, het is een exotherme reactie, metals gevolg dat de temperatuur stijgt. Bij het mengen van een halve literpure alcohol met een halve liter zuiver water, beide van 7°C, kan detemperatuur boven de 20°C uitkomen.
    • EINDE van waterquizOp hoeveel vragen wist jij het antwoord? vragen komen uit verschillende jaargangen van ‘De Nationale Wetenschapsquiz’