Scriptie Transitiepotentieel in de varkenssector
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Scriptie Transitiepotentieel in de varkenssector

on

  • 1,495 views

Afstudeerscriptie Food Production: Human Rights versus Environmental Rights.

Afstudeerscriptie Food Production: Human Rights versus Environmental Rights.
Een analyse van de mogelijkheden van een duurzame varkenssector.

Statistics

Views

Total Views
1,495
Views on SlideShare
1,495
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
2
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Scriptie Transitiepotentieel in de varkenssector Scriptie Transitiepotentieel in de varkenssector Document Transcript

  • “If you want a subject, look to pork!” (Charles Dickens, ‘Great Expectations’)
  • Transitiepotentieel in de varkenssector Een analyse van de mogelijkheden van een duurzame varkenssector Juli 2011 Begeleider: Robin Pistorius, tweede lezer: John Grin Masterscriptie Politicologie, Bestuur en Beleid F.M. Koning, Studentnummer: 59863112
  • VOORWOOR DVARKENS WORDEN VAN alles genoemd. Intelligent, onrein, lekker, zelfs als oplossingvoor duurzaamheidskwesties en ze zijn roze. Tijdens het schrijven van deze scriptie, bezoekenaan varkensstallen en het bekijken van documentaires ben ik er in ieder geval van overtuigd datvarkens bijzondere dieren zijn. Misschien komt de haatliefde verhouding met dit dier omdathet ons mensen aan onszelf moet denken. Echter één ding is zeker: na deze scriptie als sluitstukvan mijn studie Bestuur en Beleid zou ik niets liever willen dan lang rollen in een verfrissendmodderbad. ¶Via deze mij zeer onsympathieke weg wil ik nog even stilstaan bij diegene diemij gesteund hebben tijdens het nemen van deze laatste hindernis. Deze scriptie zou niet totstand gekomen zijn zonder de onvoorwaardelijke steun van mijn vrouw Merel. Die in dezebijzondere tijd ondanks mijn veelvuldige afwezigheid aanmoedigde en motiveerde om mijnscriptie en afstuderen tot een goed eind te brengen. ¶In het bijzonder wil ik bedanken mijn meelezers Wies en Dick voor de tijd die zijstaken in het bekijken van mijn teksten en de opmerkingen die zij daarbij plaatsen. Daar-naast ben ik Schelte ontzettend dankbaar voor de mooie vormgeving van deze scriptie. ¶Verder wil ik de afstudeergroep Food Production, Environment and Development:Human and Environmental Rights en in het bijzonder Willem Berghoef bedanken voor desteun in het gezamenlijk proces van afstuderen. Daarbij bedank ik speciaal Robin Pisto-rius mijn begeleider voor zijn kritieken en inzet om het hoogst haalbare uit mij en mijnscriptie te halen. Tot slot wil ik Amarins et le gatte Negre en Supercity bedanken voor hun mooiemuziek die menigmaal gebruikt is om de lange schrijfdagen door te komen. 3
  • INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 6 INLEIDING 7 Een duurzamer voedselsysteem; transitiepotentieel in de varkenssector 7 Voedsel, eiwitten, vlees en duurzaamheid 7 Duurzaamheid als behoeften 8 Probleemstelling 8 Methode 9 Leeswijzer 10 1. VOEDSELSYSTEEM & DUURZAAMHEID 12 1.1 Systeemtheorie als analytisch kader 13 1.2 Duurzaamheid van het voedselsysteem 15 1.3 Duurzaamheid als People, Planet and Profit 16 1.4 Beschrijving van het voedselsysteem 17 1.5 Actoren in het voedselsysteem 18 1.6 Samenvatting en deelconclusie 19 2. MULTILEVELPERSPECTIEF OP DE VARKENSSECTOR 20 2.1 Multilevelperspectief als verklaringsmodel voor transities 20 2.1.1 Het socio-technisch regime   21 2.1.2 De socio-technische niches   22 2.1.3 Het socio-technische landschap   22 2.2 Het varkensregime: historie tot nu 23 2.3 De varkenssector als regime. 24 2.3 Druk vanuit het landschap 26 2.4 Samenvatting en deelconclusie 27 3 TRANSITIEPOTENTIEEL ALS MEETMETHODE 28 3.1 Kwantitatieve methoden om duurzaamheid te onderzoeken 28 3.2 Kwalitatieve methoden om duurzaamheid te onderzoeken 29 3.3 Transitie sturen 31 3.4 Samenvatting en deelconclusie 33 4 TRANSITIEPOTENTIEEL VAN DE ACTOREN 34 4.1 De ketenactoren 34 4.1.1 De voerproductie   34 4.1.2 De varkenshouder   35 4.1.3 De vleesverwerking   38 4.1.4 De retailsector  40 4.2 De niet-ketenactoren  40 4.2.1 De overheid  41 4.2.2 De kennisinstellingen  41 4.2.3 De intermediaire organisaties  43 4.3 Samenvatting en deelconclusie 45 5 CONCLUSIES, DISCUSSIE & AANBEVELINGEN 46 5.1 Discussie 48 5.2 Aanbevelingen 48 BIJLAGE 1 INTERVIEWS 50 Lijst geïnterviewde personen 50 Interviews binnen de varkenssector 50 LITERATUURLIJST 52 Artikelen 52 Boeken 52 Rapporten 53 Vakliteratuur 53 Websites 544
  • LIJST M ET AFKORTI NGENCOV Centrale Organisatie VleessectorEBIS Ecologische Boeren is SamenwerkingELI Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en InnovatieFAO Food and Agricultural OrganizationGMP+ Good Manufacturing PracticesHACCP Hazard Analysis and Critical Control PointsKDV Keten Duurzaam VarkensvleesLCA Life Cycle AssesmentLEI Landbouw Economisch InstituutLTO Land- en Tuinbouworganisatie NederlandLNV Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (sinds 2010 ELI)MLP MultilevelperspectiefMNP Milieu en Natuur Planbureau (sinds 2008 Planbureau voor de Leefomgeving)nVWA nieuwe Voedsel en WarenautoriteitPPP People, Planet and ProfitPvE Productschappen Vee, Vlees en EierenTAG Transforum Agro en GroenTM TransitiemanagementWUR Wageningen University and Research centreLIJST VAN FIGUR ENFig. 1.1 Statisch systeemmodelFig. 1.2 Statisch voedselsysteemFig. 1.3 Productieketen als onderdeel actornetwerkFig. 2.1 Multilevelperspectief als geneste hiërarchie (uit Grin et al., 2010:19)Fig. 2.2 Multilevelperspectief op transities (uit Grin et al., 2010:25)Box 1. Kengetallen Nederlandse varkenssectorBox 1.1 Eigenschappen transitiesBox 1.2 Eigenschappen complexe systemenBox 3.1 Behoeften duurzame varkenshouderij 5
  • SAMENVATTING DE NEDERLANDSE VARKENSSECTOR maakt een moeilijke tijd door. Na de varkenspest eind vorige eeuw, maatschappelijke onrust over dierenwelzijn en kritiek op milieubelasting van de intensieve varkenshouderij is het imago van de sector slecht. Begin dit jaar daalden de opbrengsten, die al onder druk stonden, door de dioxinecrisis in Duitsland. ¶Met crises en maatschappelijke vragen over de milieueffecten van het onze voedselproductie en vleesproductie in het bijzonder staat de varkenssector voor een uitda- samenvatting ging. De varkenssector moet toekomstbestendiger: duurzamer. Wat zijn de mogelijkheden in de varkenssector om duurzamer te worden? Deze kwestie leidde tot de onderzoeksvraag: wat is het transitiepotentieel van de varkenssector? ¶Duurzaamheid is het voorzien van behoeften op een wijze die het mogelijk maakt dat toekomstige generaties ook in hun behoeften kan voorzien. Er zou daarom een systeem moeten komen dat ‘volhoudbaar’ is, een systeem waarin zoveel mogelijk behoeften worden voorzien. Deze behoeften zijn beschreven aan de hand van een viertal stakeholders in de varkenssector. De varkenshouder die zijn winst wil, het varken dat bepaalde dierenwelzijn eisen heeft, het milieu wat niet teveel beschadigd mag worden en de burger-consument die maatschappelijke en financiële eisen aan zijn varkensvlees stelt. Deze stakeholders komen overeen met wat in het maatschappelijk verantwoord ondernemen People, Planet en Profit genoemd wordt. In dit onderzoek is er een vierde stakeholder aan toegevoegd: Pigs. ¶Het onderzoek naar transitiepotentieel is theoretisch gekaderd door de systeem- theorie van Grin, Rotmans en Schot (2010). Deze theorie is gebruikt omdat het mogelijk maakt deelaspecten van hardnekkige problemen uit te lichten en een oplossingsrichting te beschrijven door middel van systeemveranderingen. Van deze theorie zijn drie concepten gebruikt om de varkenssector in kaart te brengen. Met het ‘Multifase-concept’ is onderzocht in welke fase van verandering de varkenssector als systeem zich bevindt. Met het ‘Multilevel-con- cept’ is beschreven hoe de varkenssector als socio-technisch regime eruit ziet. Het regime kan gezien worden als de normale gang van zaken, bestendigd door actoren en normen. De normen in het regime en de verschillende actoren in de sector zijn daarom onderzocht. Aan de hand van een actornetwerk, beschouwd als productieketenpartners en niet-ketenpartners, zijn deze actoren beschreven. Vervolgens is beschreven hoe dit regime onder druk staat van exogene krachten op landschapsniveau en concurrerende noviteiten op nicheniveau. De beschrijving van het ‘Multipatroon-concept’ is het eigenlijke transitiepotentieel waarin interacties tussen niche en regimespelers en veranderende normen beschreven worden. ¶Naast deze concepten uit de systeemtheorie is de daaraan gekoppelde theorie over transitiemanagement gebruikt om te beschrijven hoe de transitie naar een duurzamere varkenssector gestuurd kan worden. In het onderzoek zijn aan de hand van het actornetwerk enkele actoren uitgekozen als ‘representant’ van die actor. Een deel van deze actoren is geïnterviewd, na een oproep op netwerksite www.linkedin.com in de discussiegroep Duur- zaam Voedsel. Voor een breder beeld dan alleen interviews is gebruik gemaakt van publica- ties als beleidstukken en websites van andere actoren in de varkenssector. Daarbij is geanaly- seerd hoe de actoren omgaan met duurzaamheid in de varkenssector waarbij de ‘4P’s’ als handelingsrichting voor duurzaamheid gebruikt. ¶Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er in de varkenssector zowel op niche- als regimeniveau veel beweging is naar duurzaamheid. Er worden verschillende technieken toegepast om het milieu te sparen, zoals het gebruik van duurzame energie. Daarnaast komt de sector deels tegemoet aan de eisen van de samenleving omtrent dierenwelzijn. De sector legt zich via keurmerken zelf regels op om dierenwelzijn te bevorderen. Ook dit gebeurd zowel op niche- en regimeniveau. Dit kan gezien worden als verandering van normen in het regime. Wat betreft de actoren zijn de veranderingen aan te wijzen in de allianties die de actoren aangaan. Deze samenwerkingsverbanden zijn dan nieuw, dit is tevens een verandering van de norm dat afspraken via de keten lopen. ¶Uit het onderzoek blijkt dat transitiepotentieel in de varkenssector voort komt als duurzaamheid als integraal handelingsdoel gezien wordt en de verschillende stakeholders niet vanuit hun eigen behoefte handelen. Potentieel zit ook in het versterken van de duur- zame niche-ontwikkelingen door combinatie met normen en actoren uit de bestaande biologische niches. Daarbij lijkt een ketenregisseur een positief effect te hebben op het succes van nieuwe allianties.6
  • INLEIDING Een duurzamer voedselsysteem; transitiepotentieel in de varkenssector. “If you want a subject, look to pork!” 1 I N G R EAT EXP ECTATI O N S legt Charles Dickens deze woorden in mond van een gast die aanzit aan een diner, waarbij ondermeer gesproken wordt over een geschikt onderwerp voor de volgende zondagse preek. In dit gesprek wordt het varken gezien als symbool van vraatzucht. Niettemin laten de gasten zich het vlees goed smaken. De discussie legt de moeilijke relatie tussen het varken en haar onreinheid, en onze cultuur waarin het dier bovenaan het menu staat, mooi bloot. Het varken eten we, maar we spreken er liever niet over. Dezelfde spanning vinden we terug in het huidige debat over het voedselsysteem waarin de grenzen van vleesconsumptie en productie worden afgetast. Het betreft dan vooral de overmatige varkenscon- sumptie en de implicaties daarvan voor dierenwelzijn en milieu. De aandacht hiervoor past in het groeiende bewustzijn van consumenten ten aanzien van deze& inleiding onderwerpen. Voedsel, eiwitten, vlees en duurzaamheid M E D E DOO R D E documentaire Meet the Truth van de Partij voor de Dieren en het burgerinitiatief ‘Stop Fout Vlees’ van Milieudefensie wordt de discussie over de varkenssector door een breed publiek gevoerd. Meer specifiek gaat de discussie enerzijds over de milieubelasting veroorzaakt door ons vleesrijke dieet, anderzijds over het dierenwelzijn van onder andere varkens. De discussie over de gevolgen van de vleesproductie past binnen de bredere thematiek van de gevolgen van de voedsel- voorziening. Zo berekent de Food and Agricultural Organization (FAO) in het rapport Livestock’s long shadow, environmental issues and options, dat de vlees- en zuivelketen verantwoordelijk is voor 18% van het broeikaseffect (FAO, 2006) en ook in het Nederlandse rapport ‘Milieueffecten van Nederlandse consumptie van eiwitrijke producten; Gevolgen van vervanging van dierlijke eiwitten anno 2008’ (Blonk Milieuadvies, 2008) wordt vleesproductie verantwoordelijk gehouden voor veel nadelige milieuef- fecten. ¶De kwestie van duurzaamheid en vleesproductie in het voedselsysteem wordt in verschillende literatuur gekoppeld aan eiwitten (zie o.a. Drift, 2008; Elferink & Roug- oor, 2010, Apaiah, 2008). Eiwit is één van de voedingsstoffen, die de mens nodig heeft als bouwstof voor cellen. Eiwitten bestaan uit aminozuren. Van de twintig aminozuren kan de mens er zelf elf produceren. Voor de overige moet de mens dus dierlijke of plantaar- dige eiwitten eten (Tansey & Worsley, 1995:241). ¶Het consumeren van dierlijke eiwitten heeft relatief grote milieueffecten. Het produceren van één kilogram vlees kan drie tot tien kilogram graan kosten (Tilman et al., 202:671). Het milieubeslag is daardoor groot. Naast de ruimte voor de dieren, bestaat het milieubeslag ook uit de ruimte voor het verbouwen van veevoer. Elferink en Rougoor (2010) stellen dat door factoren als de groei van de wereldbevolking en de welvaart de vraag naar eiwitten zal stijgen (Elferink & Rougoor, 2008:70). Om aan die vraag te voldoen zou elk beschikbaar stuk vruchtbare grond gebruikt moeten worden voor eiwitproductie (Elferink & Rougoor, 2008:69). De verklaring voor het opkomen van eiwit als duurzaam voedselissue is dat de productie en consumptie van eiwitrijk voedsel in verhouding een groot milieueffect hebben (Elferink & Rougoor, 2008:11). Deze effecten zijn net als andere voedselproducten eutrofiëring, verzuring, vervuiling en verlies van biodiversiteit (Elfe- rink & Rougoor, 2008:68). ¶In Nederland zijn de zuivel en varkensvlees de grootste eiwitbronnen (Elferink & Rougoor, 2010:15,17). Varkens zijn met 24,8% van de totale vleesconsumptie de grootste 1. The pointed remark uttered by dierlijke eiwitvoorzieners van Nederland (Drift, 2008:18). Daarbij is de Nederlandse Uncle Pumblechook was in response to complaints over dinner on an ill-chosen varkenssector een exportsector (PvE, 2009). Een verduurzaming van de varkenssector is subject for a church sermon. daarmee een belangrijke stap naar een duurzamer voedselsysteem. 7
  • Duurzaamheid als behoeften Verduurzamen van het voedselsysteem, waarom? GR I N, ROTMANS & SCHOT stellen dat er dat er tegenwoordig een normatieve roep is om een verandering naar een duurzamere samenleving. (Grin et al., 2010: 1). Een duur- zame samenleving zou dan antwoord moet bieden voor hardnekkige problemen in deze tijd. Deze problemen manifesteren zich in crises in verschillende systemen als voedsel, water, energie en klimaat (Grin et al., 2010: 1). De onduurzaamheid van het voedselsys- teem wordt in dit onderzoek als een dergelijk hardnekkig probleem aangeduid. Maar wat is een duurzame samenleving? In zijn boek Sociology and the Environment stelt Irwin dat het definiëren van duurzame ontwikkeling lastig is en beschrijft verschillende functies van duurzame ontwikkeling (Irwin, 2001:34). Het VN-rapport Our Common Future (1987), ook bekend als het Brundt- land- rapport 2 heeft in haar onderzoek naar duurzame ontwikkeling een definitie geformuleerd die later veel gebruikt is. Omdat het niet in het bereik van dit onderzoek valt om het concept duurzaamheid uitgebreid te beschrijven, wordt hier de definitie van de Brundtland-commissie als werkdefinitie gebruikt: ‘Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die de huidige behoeften vervult zonder de mogelijkheid van toekomstige generaties om hun behoeften te vervullen in gevaar te brengen’ (Brundtland, 1987) Probleemstelling I N DIT ONDERZOEK wordt aangenomen dat het voedselsysteem onduurzaam is. Vleesproductie is een belangrijk onderdeel van die onduurzaamheid. De varkenssector is de grootste sector binnen de vleesproductie in Nederland. Enkele kengetallen van de varkenssector in Nederland zijn gegeven in Box 1. Box 1 Kengetallen Nederlandse varkenssector Cijfers totaal (CBS Statline 2010) Totaal aantal varkens (hokdieren) 12.254.972 Totaal aantal varkenshouders 7.030 Aantal slachtingen per week* 280.000 Totaal aantal slachtingen p/j 13.945.000 Waarde export in €** 2.300.000.000 * PvE, cijfers 2011 ** www.overvarkens.nl Naast dat de varkenssector interessant is vanwege de onduurzaamheid in termen van milieuprofiel3 is de casus ook interessant omdat de sector zelf ook lijdt onder hardnek- kige problemen. De Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) stelt begin 2011 op haar website dat de varkenshouderij in financiële crisis is (www.ltonoord.nl). Deze crisis wordt volgens LTO veroorzaakt door de hoge voerprijzen en de dioxinecrisis4 in Duits- land van begin 2011. Ook, zo stelt LTO in hetzelfde bericht, heeft de varkenssector een 2. De Brundtland-commissie, een VN- imagoproblemen vanwege de milieu en dierenwelzijnkwesties. Daarmee kan de var- commissie, heeft in 1987 de taak gehad kenssector gezien worden als voorbeeld van het eerder genoemde groeiende bewustzijn om duurzaamheid te onderzoeken. van consumenten ten aanzien van deze onderwerpen. 3. De impact die productie heeft op ¶Met de varkenssector als uitgangspunt wil ik in deze scriptie onderzoeken hoe het milieu zoals bodemvervuiling en het voedselsysteem duurzamer gemaakt kan worden. De aanname daarbij is dat een CO2-uitstoot. duurzamere varkenssector als onderdeel van het hele voedselsysteem zal leiden tot een 4. Begin 2011 kwam aan het licht dat verduurzaming van dat hele voedselsysteem. De varkenssector is gekozen omdat de dieren op honderden veehouderijen vleesconsumptie aangewezen wordt als een belangrijke veroorzaker van de onduur- besmet waren met het kankerverwek- kende dioxine. (http://www.nrc.nl/ zaamheid van het voedselsysteem. Daarnaast is de varkenssector gekozen omdat ver- nieuws/2011/01/15/meer-duitse-boerde- schillende onderzoeken (Drift, 2008; Elferink & Rougoor, 2010; Apaiah, 2008) naar de rijen-dicht-door-dioxineschandaal/)8
  • varkenssector zijn uitgevoerd als onderdeel van de verduurzaming van de eiwitvoorzie-ning. De resultaten van die onderzoeken kunnen van belang zijn voor het onderzoekenvan de mogelijkheden van het verduurzamen van de varkenssector. ¶Om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van verduurzaming wordt indit onderzoek het concept transitiepotentieel gebruikt. Transitiepotentieel is een conceptuit de theorie van transitiemanagement (Loorbach & Rotmans, 2009). Met het transitie-potentieel wordt de mogelijkheden van een verandering van een systeem bedoelt. Hettransitiepotentieel wordt inzichtelijk als er na een beschrijving van de actoren van eensysteem ook geanalyseerd wordt waar er kansen liggen voor transitie en waar er barrièreszijn. De vraag om verduurzaming in de varkenssector en de actoranalyse om de mogelijk-heden daartoe in beeld te brengen leiden tot de volgende onderzoeksvraag:Wat is het transitiepotentieel van de Nederlandse varkenssector?MethodeDE VAR KENSSECTOR KAN op verschillende manieren bekeken worden. In ditonderzoek is gekozen om de transitietheorie zoals beschreven door Grin, Rotmans enSchot (2010) te gebruiken. Deze theorie gebruikt inzichten uit de systeemtheorie enkoppelt deze aan transities naar duurzame systemen.In Transitions to SustainableDevelopment (2010) beschrijven de auteurs de kwestie van transities naar duurzaamheidvanuit een governance perspectief (Grin et al., 2010:1). Dat houdt in dat naast de beschrij-ving van systemen en hun verandering er ook onderzocht wordt of en hoe die verande-ringen gestuurd kunnen worden. Voor het onderzoek naar transitiepotentieel is dat vanbelang omdat een transitie uiteindelijk vorm krijgt door het handelen van actoren. ¶Deze theorie is aantrekkelijk voor dit onderzoek omdat deze mogelijkhedengeeft om binnen een complex systeem een deelaspect uit te lichten. Daarbij geeft detransitietheorie een handelingsperspectief waardoor er onderzocht kan worden hoe devarkenssector daadwerkelijk duurzamer gemaakt kan worden. De systeemtheorie van Grinet al. is een jonge onderzoeksmethode (Paradis, 2009:30), daarom zullen in de conclusie ookopmerkingen gemaakt worden over de theorie als analytisch kader van dit onderzoek. ¶Om antwoord te geven op de onderzoeksvraag is het essentieel dat het systeemvan de varkenssector beschreven wordt. In dit onderzoek wordt het voedselsysteem als eencomplex systeem getypeerd. Een complex systeem is een beschrijving van de realiteit als eengeheel van componenten en subsystemen die elkaar beïnvloeden (Grin et al., 2010: 114). Indit onderzoek wordt daarmee onderzocht wat de mogelijkheden van de varkenssectorzelf zijn om te verduurzamen. Er is niet gekozen om het gedrag van de consument teonderzoeken. Een dergelijk onderzoek past niet in het bereik van deze scriptie omdat ermet de systeemtheorie als onderzoekskader van de varkenssector zelf uitgegaan wordt. ¶Met de uit de systeemtheorie komende concepten ‘Multilevel-concept’, ‘Mul-tifase-concept’ en ‘Multipatroon-concept’ wordt geprobeerd inzichtelijk te maken waarer binnen de varkenssector kansen zijn om tot een duurzamer systeem te komen. In ditonderzoek zal daarbij de nadruk liggen op het zogenaamde niche- en regimeniveau.Door op dat niche- en regimeniveau een actoranalyse uit te voeren kan het krachtenvelden daarmee het transitiepotentieel rondom een thema geanalyseerd worden. Dezemethode komt voort uit een onderzoeksaanbeveling van het Drift-rapport ‘De eiwittran-sitie, dertig jaar issue, kans op take-off’’ waar de varkenssector benoemd wordt als eiwitbrondie verduurzaamd moet worden. (Drift, 2008: 83) ¶De onderzoeksdata bestaan uit zowel wetenschappelijke bronnen als rappor-ten en andere publicaties van de verschillende actoren uit de varkenssector. Hiermeewordt geprobeerd een zo volledig beeld van het varkenssysteem te beschrijven. Onder-zoeksresultaten naar de verduurzaming van het eiwitsysteem kunnen bijdragen aan debeantwoording van de onderzoeksvraag naar het transitiepotentieel van de varkenssec-tor en zullen daarom in die hoedanigheid worden gebruikt. ¶Naast de bestaande bronnen zijn niche- en regimespelers in de varkenssectorbenaderd om inzicht te krijgen of en hoe zij bezig zijn met het verduurzamen van devarkenssector en tegen welke barrières zij aanlopen. Om aan de nodige informatie tekomen is er op de netwerksite www.linkedin.com binnen de discussiegroep DuurzaamVoedsel geen oproep naar duurzame initiatieven in de varkenssector geplaatst. Op basis 9
  • van de reacties uit deze discussiegroep zijn enkele actoren uit de varkenssector geïnter- viewd. Het voordeel van de oproep op deze manier is dat er snel reacties kunnen komen uit de kring van actoren die zich bezighouden met duurzaam voedsel en de varkenssector. Een nadeel is dat door de zelfselectie van deelnemers die zich aanmelden voor die discussie- groep er een oververtegenwoordiging te verwachten is van actoren die zich positief inzetten voor de verduurzaming van voedselsystemen. Een verantwoording van de interviewtech- niek, alsmede de interviewvragen en de lijst met geïnterviewde personen staan in bijlage 1. ¶Deze scriptie is descriptief van aard. Een gevaar bij een descriptief onderzoek is betrouwbaarheid en de validiteit moeilijker aan te geven zijn dan bij een statistische methode (Kirk & Miller, 1984:19). Er is daarom gekozen om in dit onderzoek alleen conclusies over de verduurzaming van de varkenssector als casus zelf te benoemen. Gevolgtrekkingen op basis van de onderzoeksresultaten op andere sectoren in de vleesproductie worden niet gemaakt. Leeswijzer OM DE ONDERZOEKSVRAAG te beantwoorden zal in hoofdstuk 1 de gekozen systeemtheorie worden beschreven. Daar wordt ook het voedselsysteem zelf beschreven. Om duurzaamheid als concept te verduidelijken wordt in Hoofdstuk 1 duurzaamheid en de daaraan gekoppelde behoeften verder uitgewerkt. ¶In Hoofdstuk 2 wordt het Multilevel-concept als theoretisch kader verder uitgewerkt, en toegepast op de varkenssector. In Hoofdstuk 3 worden kwantitatieve en kwalitatieve methoden om duurzaamheid te onderzoeken opgevoerd, waarna er een beschrijving wordt gegeven van hoe transitiepotentieel in de varkenssector onderzocht kan worden. In Hoofdstuk 4 worden data uit interviews en beleidsstukken uit de varkenssector gepresenteerd en geanalyseerd. ¶In het vijfde hoofdstuk wordt aan de hand van de gevonden informatie uit de voorgaande hoofdstukken het transitiepotentieel beschreven en daarmee de hoofdvraag beantwoord. Hier komen dan ook de conclusie en aanbevelingen uit voort. Daarnaast wordt ook de systeemtheorie als analytisch kader beoordeeld 10
  • 11
  • 1. VOEDSELSYSTEEM & DUURZAAMHEID IN DEZE SCRIPTIE wordt onderzocht wat het transitiepotentieel van de varkenssector is. Verondersteld wordt dat deze sector niet duurzaam is en een verandering naar een duurzamer systeem gewenst is. Deze aannames zullen in dit hoofdstuk uitgelicht worden ¶Transities zijn fundamentele veranderingen in socio-technische systemen (zie Box 1.1) (Grin et al., 2010:11). In Transitions to Sustainable Development (2010) beschrijven Grin, Rotmans & Schot de kwestie van transities naar duurzaamheid vanuit een governan- ce perspectief (Grin et al., 2010:1). Dat houdt in dat naast de beschrijving van systemen en hun verandering er ook onderzocht wordt of en hoe die veranderingen gestuurd kunnen worden. Voor het onderzoek naar transitiepotentieel is dat van belang, omdat een transitie uiteindelijk vorm krijgt door het handelen van actoren. De auteurs gebruiken de systeem- theorie om transities te beschrijven. Zij koppelen daarbij transities aan verschuivingen binnen een systeem en subsystemen in de maatschappij (Grin et al., 2010:105). Box 1.1 Transities Transities zijn veranderingen van een bepaald socio-technisch systeem naar een ander socio-technisch systeem. Voorbeelden van dit soort socio-technische systemen zijn landbouw, gezondheidszorg, voedsel of energie. Transities hebben de volgende eigenschappen: voedsel & -Het zijn processen van co-evolutie: dat wil zeggen dat er meerdere veranderingen in het systeem nodig zijn. -Er zijn meerdere actoren bij betrokken zoals sociale groepen, bedrijven en beleid smakers. -Het zijn radicale veranderingen in de zin van het bereik van de verandering. -Het zijn lange termijn processen die tien tot vijftig jaar kunnen duren. (Grin et al., 2010:11). In de systeemtheorie zoals beschreven door Grin et al. (2010) zijn systemen een geheel van componenten en subsystemen die elkaar beïnvloeden (Grin et al., 2010:114). De systeem- theorie geeft handvatten aan het onderzoek naar het transitiepotentieel in de varkenssec- tor, omdat de varkenssector in deze scriptie wordt voorgesteld als een subsysteem van het voedselsysteem. Het voedselproductiesysteem wordt dan beschouwd als een systeem waarin verschillende productieketens bestaan (Gerbens-Leenes et al., 2003:233). ¶Een eerste argument voor de keuze voor de systeemtheorie binnen het onder- zoek is het feit, dat in dit onderzoek de varkenssector in relatie tot het voedselsysteem beschreven kan worden. Het tweede argument om systeemtheorie te gebruiken om het transitiepotentieel van de varkenssector te onderzoeken is omdat de systeemtheorie, vooral in Nederland, gebruikt wordt om transities te analyseren (Paredis, 2009:1). In zijn overzichtspaper over systeeminnovaties benoemt Erik Paredis (2009) twee heuristieken die het systeemdenken gebruikt om transities te analyseren. Een transitie wordt daarin beschouwd als een lange termijn proces, dat via een viertal fases verloopt. Daarnaast maakt de systeemtheorie gebruik van het multilevelperspectief (MLP), dat de oorzaken van transities analyseert aan de hand van de wisselwerking tussen de niveaus niche, regime en landschap (Paradis, 2009:4). ¶Deze heuristieken worden ook in dit onderzoek gebruikt. Hieronder wordt eerst het systeemdenken beschreven. Vervolgens wordt er kort ingegaan op het MLP. Het MLP wordt in Hoofdstuk 2 verder uitgewerkt. In paragraaf 1.2 wordt het begrip duurzaamheid gekoppeld aan de systeemtheorie. In paragraaf 1.3 wordt duurzaamheid verder uitgewerkt met het sturingskader people, planet en profit. In paragraaf 1.4 wordt een beschrijving gegeven van het voedselsysteem. Het hoofdstuk eindigt met een korte conclusie.12
  • 1.1 Systeemtheorie als analytisch kader EEN SYSTEEM KAN gezien worden als een beschrijving van de realiteit als een geheel van componenten en subsystemen die elkaar beïnvloeden. Een subsysteem is een deel van eenduurzaamheid groter systeem dat een systeem op zichzelf is, maar ook een rol speelt in de processen van het grotere systeem. De beschrijving van een systeem is altijd een interpretatie van de onderzoeker (Grin et al., 2010:114). Dit kan gezien worden als een zwak punt van de theorie en is een kritiek van Genus en Coles (2008). Zij stellen dat deze onderzoekmethode veel berust op keuzes en interpretaties van de onderzoeker (Genus & Coles, 2008:1441). Deze zwakheid in de theorie kan niet volledig worden ontweken. Dat wil zeggen dat in dit onderzoek een beschrijving van het voedselsysteem en de varkenssector wordt gegeven en niet dé beschrijving daarvan. Door het onderzoeksproces door de gemaakte keuzes en interpretaties expliciet te benoemen wordt gepoogd dit onderzoek transparant te maken. ¶De systeemtheorie wordt door Grin et al. (2010) uitgebreid met complexe syste- men en adaptieve systemen. Deze concepten worden in deze scriptie gebruikt om het voedselsysteem en de varkenssector te duiden. Eigenschappen van complexe systemen staan hieronder beschreven in Box 2. Box 1.2: Eigenschappen complexe systemen -Complexe systemen zijn open en zijn in interactie met hun omgeving. De grenzen van complexe systemen zijn moeilijk te bepalen. -Complexe systemen evolueren door de tijd. -Complexe systemen omvatten verschillende componenten en interacties tussen componenten. -Complexe systemen bevatten zowel negatieve als positieve terugkoppelingen. -De componenten kunnen niet het geheel omvatten. -Complexe systemen hebben een historie, hierdoor ontstaat padafhankelijkheid: de huidige staat van een systeem is afhankelijk van het pad dat voorgaande staten van het systeem zijn ingegaan, dit beïnvloed de opvolgende staat van het systeem. -Complexe systemen zijn genest en omvatten verschillende organisationele niveaus. Componenten of subsystemen zijn op zichzelf ook complexe systemen. -Complexe systemen hebben verschillende ‘attractors’. Een attractor is de staat waar een stabiel systeem zich graag in bevindt. (Grin et al., 2010:116). Een voorbeeld van een complex systeem is een ecosysteem. Een ecosysteem bestaat uit verschillende individuele dieren of diersoorten. Dit zijn de componenten, die op verschillende manier met elkaar in interactie zijn (Grin et al., 2010:117). In deze scriptie wordt het voedselsysteem benaderd als een complex systeem. In paragraaf 1.3 wordt het voedselsysteem verder uiteengezet. ¶Adaptieve systemen zijn bijzondere complexe systemen. Deze systemen kunnen leren en zich aanpassen aan hun omgeving. De componenten in adaptieve systemen zijn actoren die zich aan elkaar en aan hun omgeving aanpassen en hebben daardoor een lerend vermogen. Voorbeelden van actoren zijn bedrijven, staten of individuen die samenwerken of juist met elkaar concurreren (Grin et al., 2010:117). In adaptieve systemen zijn de actoren en subsystemen zelf ook adaptief. Dit betekent dat subsystemen dezelfde vorm hebben als het hele systeem (Grin et al., 2010:117). Adaptieve systemen hebben drie sleuteleigenschappen: co-evolutie; opkomst en zelforganisatie. Bij co-evolutie wordt bedoeld dat systemen en subsystemen met elkaar evolueren. Met opkomst wordt bedoeld dat er nieuwe structuren in systemen kunnen opkomen en met het zelforganiserend vermogen van een systeem wordt aangegeven dat systemen niet afhankelijk zijn van een begeleiding van buiten het systeem (Grin et al., 2010:118-119). In deze scriptie dient de varkenssector te worden beschouwd als een adaptief systeem omdat het varkenssector bestaat uit verschillende actoren die zowel elkaar als het systeem beïnvloeden. Hierdoor heeft de varkenssector als adaptief systeem een lerend vermogen. Vanwege dat lerend vermogen is het mogelijk om de varkenssector te ver- duurzamen. 13
  • ¶Hieronder is ter verduidelijking van het bovenstaande een statische weergave van een complex systeem gegeven (fig. 1.1). Het systeem bestaat uit de subsystemen X, Y en Z. Deze subsystemen kunnen op hun beurt ook uit subsystemen bestaan: X1, Y1. De grenzen van de systemen zijn onderbroken om aan te geven dat systemen open zijn. Fig. 1.1 Statisch Systeem Subsysteem X Subsysteem X1 Subsysteem Z Subsysteem X2 Subsysteem Y Subsysteem Y2 Systeem Binnen de systeemtheorie wordt er van uitgegaan dat systemen in beweging zijn. Een systeem beweegt zich daarbij naar een attractor, dit is een voorkeursstaat van een systeem in de vorm van een dynamisch evenwicht (Grin et al., 2010:116). In dit onderzoek wordt een duurzame varkenssector gezien als een gewenste staat. ¶Systemen kunnen relatief stabiel lijken als er sprake is van een attractor. Een systeem is dan in een staat van dynamisch evenwicht (Grin et al., 2010:121). Dit evenwicht wordt verstoord door externe factoren en interne factoren: de actoren in de componenten. Deze verstoringen leiden uiteindelijk tot een nieuw evenwicht. Met de blik van systeem- theorie op veranderingen is sprake van transitie en verschuiving van het ene dynamisch evenwicht naar het andere (Grin et al., 2010:122). Voor de verandering naar een duurzame varkenssector zou het duurzame systeem het dynamische evenwicht, ofwel de attractor moeten zijn. De aanname in dit onderzoek is dat het voedselsysteem een onduurzaam systeem is, waarbij er een verandering zou moeten komen naar een duurzaam systeem. ¶Naast het beschrijven van een systeem is het belangrijk om inzicht te krijgen in hoe een systeem verandert. De systeemtheorie biedt mogelijkheden om deze zogenaamde transities te beschrijven aan de hand van drie concepten: het Multifase-concept, het Multilevel-concept en het Multipatroon-concept (Grin et al., 2010:126). Deze concepten maken een analyse van transities inzichtelijker. ¶Het Multifase-concept maakt een transitie inzichtelijk omdat het een transitie door de tijd heen beschrijft. Dit concept onderscheidt vier fases die een systeemverandering doorloopt: 1) de voorontwikkelingsfase, waarin het systeem stabiel lijkt, maar op de achter- grond al verandert; 2) de opstartfase, hier krijgen de veranderingen structuur en momen- tum; 3) de versnellingsfase, de structurele veranderingen worden zichtbaar; 4) de stabilisa- tiefase, waar het systeem in een nieuw dynamisch evenwicht komt (Grin et al., 2010:126). ¶Het Multilevel-concept maakt een transitie inzichtelijk omdat het transities beschrijft in drie functionele niveaus: micro, meso en macro. Het gaat hier niet om geografische grootheden. De drie niveaus komen overeen met landschaps-, regime- en nicheniveau (Grin et al., 2010:131). De relatie tussen deze niveaus kan gezien worden als een geneste hiërarchie: het ene niveau bevindt zich in het andere niveau (Grin et al., 2010:18). In Hoofdstuk 2 wordt dieper ingegaan op het MLP.14
  • ¶Het Multipatroon-concept is de koppeling van het Multilevel-concept met desysteemtheorie. Met dit concept wordt beschreven hoe veranderingen op verschillendemanieren in het systeem plaatsvinden. De niveaus niche, regime en landschap wordenals subsystemen beschreven (Grin et al., 2010:135). Dit leidt tot het idee dat transitiesplaatsvinden door interactie tussen de drie niveaus (Grin et al., 2010:137). Met dit laatsteconcept kan dan inzichtelijk gemaakt worden waar zich transitiepotentieel bevindt.Alsde inzichten van de systeemtheorie worden toegepast op de varkenssector ziet dat er alsvolgt uit:Fig. 1.2 Statisch Voedselsysteem Subsysteem X Subsysteem X1 Subsysteem Subsysteem X2 Varkenssector Subsysteem Y Subsysteem Y2 VoedselsysteemDe varkenssector is dan hier beschreven als een adaptief subsysteem van het voedselsys-teem. Het voedselsysteem bestaat in deze beschrijving uit meerdere subsystemen. Om detransitie in de varkenssector te analyseren moet er aan de hand van het Multifase-con-cept onderzocht worden in welke fase de transitie zich bevindt. Met behulp van hetMultilevel-concept moeten de niveaus landschap, regime en niche inzichtelijk gemaaktworden. Aan de hand van het Multipatroon-concept kan inzichtelijk gemaakt wordenwaar veranderingen in het systeem plaatsvinden en daarmee waar het transitiepotenti-eel in de varkenssector zich bevindt. ¶In het onderzoek naar het transitiepotentieel in de varkenssector wordt nage-gaan of het adaptief systeem varkenssector zich naar een duurzaam systeem beweegt. Omde beweging naar een duurzaam systeem te beschrijven moet daarom duurzaamheideerst gedefinieerd worden. Om uiteindelijk de onderzoeksvraag te kunnen beantwoor-den wordt in de volgende paragraaf eerst het begrip duurzaamheid beschreven. 1.2 Duurzaamheid van het voedselsysteemI N DE NOTA Duurzaam Voedsel (2009) zet het Ministerie van Landbouw haar visie ophet duurzaam maken van het voedselsysteem uiteen. Daarin wordt onderkend dat hetvoedselsysteem niet duurzaam is en dat Nederland in de wereld een rol kan spelen omeen bijdrage te leveren aan het verduurzamen van het voedselsysteem (Ministerie vanLandbouw, 2009:8). Verondersteld wordt hier dat het voedselsysteem duurzamer moet.In dit onderzoek wordt onderzocht hoe de varkenssector, als onderdeel van het voedsel-systeem, duurzamer kan worden. Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden moeteerst beschreven worden wat duurzaamheid is. ¶Duurzaamheid kan worden omschreven als het in de huidige behoeftenvoorzien zonder de mogelijkheid van toekomstige generaties om in hun behoeften te 15
  • voorzien in gevaar te brengen (Brundtland, 1987). In het geval van het voedselsysteem betekent dat als het voedselsysteem niet duurzaam is, in de toekomst de voedselvoorzie- ning in gevaar kan komen. De toekomstige voedselvoorziening kent twee kwesties. In de eerste plaats wordt er in de toekomst een stijging van de vraag naar voedsel verwacht door de groei van de wereldbevolking (Tilman et al,. 2002:671). In de tweede plaats loopt de voedselvoorziening in de toekomst risico omdat de voedselproductie in haar huidige vorm gevaar kan opleveren voor de voedselproductie in de toekomst door uitputting van de natuur (Tilman et al,. 2002:671). Als het voedselsysteem in de toekomst niet in bepaalde behoeften kan voorzien is het systeem in de termen van de genoemde Brundt- land-definitie niet duurzaam. ¶De hierboven in paragraaf 1.1 beschreven systeemtheorie kan gebruikt worden om duurzaamheid te onderzoeken. Duurzaamheid bestaat uit een dimensie in tijd. In de behoeften moet ook in de toekomst worden voorzien. Deze tijdsdimensie komt ook naar voren in de systeemtheorie: complexe systemen hebben een historie (Grin et al., 2010: 116). Duurzaamheid van een systeem kan gezien worden als de gewenste attractor van dat systeem: een dynamisch evenwicht waarin het systeem zich zou moeten bevinden. ¶De Brundtland-definitie geeft verschillende aspecten van duurzaamheid weer: economische behoefte, sociale behoeften en ecologische behoeften. Omdat deze aspecten elkaar beïnvloeden worden deze aspecten hier gezien als doelen die in interactie zijn met elkaar. De economische behoefte kan invloed hebben op het ecologische aspect van een systeem. Deze interactie moet onderzocht worden om de mogelijkheden van verduurzaming te kunnen beschrijven. 1.3 Duurzaamheid als People, Planet and Profit DE I N DIT onderzoek gebruikte Brundtland-definitie laat ruimte over om de genoem- de behoeften te definiëren. In dit onderzoek gebeurt dit aan de hand van de termen people, planet en profit (PPP). Deze termen komen uit het huidige discours over maat- schappelijk verantwoord ondernemen (MVO). De terminologie komt van John Elking- ton die, na zijn onderzoek bij bedrijven, met Cannibals with Forks: The Triple Bottom Line of 21st Century Business (Elkington, 1997) zijn visie op MVO gaf. Later is de term triple bottomline door Shell uitgewerkt in PPP. Marcel van Marrewijk beschrijft dat PPP staat voor bedrijven die pogen economische doelen te harmoniseren met sociale verant- woordelijkheid en oog voor het milieu (Van Marrewijk, 2003:9). De termen PPP zijn wel veelgebruikt maar vormen geen analytisch kader. In een onderzoek naar MVO op univer- siteiten vat Heidi Muijen (2004) dat samen als: “it is a pre-scientific term, less rigid than a scientific concept and more metaphorical, i.e. ethical and strategic in its nature” (Muijen, 2004:235) Zij noemt PPP dus een ethisch en strategisch kader. Ondanks dat het concept op zichzelf niet wetenschappelijk is biedt het wel een sturingskader voor het definiëren van duur- zaam handelen. Duurzaam handelen kan dan gezien worden als strategie. In dit onder- zoek wordt het concept PPP gebruikt als kader voor een handelingsrichting naar duurzaamheid in de varkenssector. ¶In dit onderzoek betekent dat dan het nagaan hoe duurzaamheid binnen de varkenssector vorm krijgt als het voorzien in de behoeften van a) de mensen of samenle- ving: people, b) de winst van varkenshouder: profit, en c) de effecten op het milieu: planet. Daarnaast wordt in de varkenssector zelf PPP gebruikt in het project ‘Varkansen’. Dit project heeft als doel de varkenshouderij te verduurzamen (WUR, 2009:4). In dat project wordt nog een vierde ‘P’ toegevoegd: pigs. Dat klinkt misschien als een triviale kwinkslag op PPP, maar daarmee is in het project Varkansen de behoefte van het varken als een apart aspect benoemd. In mijn onderzoek zal ik ook deze vierde behoefte gebruiken, omdat die vierde ‘P’ ook symbool staat voor de roep uit de samenleving aan de varkens- sector om het dierenwelzijn te bevorderen.16
  • 1.4 Beschrijving van het voedselsysteem DE VAR KENSSECTOR EN de duurzaamheid daarvan staan niet op zichzelf. De varkenssector is onderdeel van het voedselsysteem. Het voedselsysteem kan zowel functioneel als geografisch worden beschreven. In dit onderzoek gaat het weliswaar om de Nederlandse varkenssector maar de Nederlands sector is door handel verbonden met een wereldwijd voedselsysteem. Het voedselsysteem wordt hier beschreven als een complex systeem, wat een functionele, beschrijving is. Met andere woorden, het voedsel- systeem wordt niet beschreven aan de hand van een geografische afbakening. ¶In de systeemtheorie kan de varkenssector dan een subsysteem van het voed- selsysteem genoemd worden. Om uiteindelijk het transitiepotentieel van de varkenssec- tor te onderzoeken wordt in deze paragraaf een beschrijving gegeven van het voedselsys- teem. Daarbij zullen eerst een aantal ontwikkelingen in het voedselsysteem beschreven worden, daarna volgt een beschrijving van het voedselsysteem. Om het voedselsysteem met betrekking tot duurzaamheid te beschrijven worden in dit onderzoek wetenschap- pers aangehaald die deze combinatie ook beschreven hebben (Tansey & Worsley 1995; Tilman et al., 2002, Daily et al., 1998). Deze auteurs beschrijven naast de successen van het huidige voedselsysteem hun zorgen over de duurzaamheid van het voedselsysteem. Een successen zijn dat de opbrengst van graan in de afgelopen veertig jaar wereldwijd is verdubbeld (Tilman et al., 2002:671) en er worden meer monden gevoed dan ooit te voren en voedsel in de Westerse wereld is goed bereikbaar. (Tansey & Worsley, 1995:2) ¶Het succes van een voedselsysteem moet volgens Daily et al. (1998) echter gezien worden in het licht van de duurzaamheid van het voedselproductiesysteem (Tilman et al., 2002:671). Daarmee bedoelen zij dat een voedselsysteem dat weliswaar succesvol is in het voeden van de monden niet als een succesvol voedselsysteem aange- merkt zou moeten worden als tegelijkertijd het milieu te zwaar belast wordt. Een duurzame voedselproductie moet voldoen aan de huidige en toekomstige behoeften van de samenleving zonder nadelige effecten voor de ecologie (Tilman et al., 2002:671). De verwachting is dat de wereldbevolking groeit tot ruim negen miljard in 2050. (Elfe- rink & Rougoor. 2010:9; Tilman et al., 2002:671) De vraag naar voedsel zal daardoor stijgen. Tegelijkertijd hebben de huidige voedselproductietechnieken grote milieueffec- ten als eutrofiëring5 , verzuring, vervuiling en verlies van biodiversiteit waardoor de toekomstige voedselproductie in gevaar kan komen (Elferink & Rougoor, 2008:68; Tilman et al., 2002:672). ¶Om het voedselsysteem als complex systeem inzichtelijk te maken wordt hierna het voedselsysteem vanuit verschillende invalshoeken beschreven. Deze invals- hoeken zijn deels ontleend aan het perspectief van duurzaamheid. Dit kan door te kijken naar de interacties tussen ecologische en economische systemen in het voedselsys- teem (Dailey et al., 1998:1). Eerst zal het voedselsysteem vanuit een ecologische invals- hoek beschreven worden. Vervolgens wordt het voedselsysteem beschreven vanuit een sociaaleconomische invalshoek en wel aan de hand van een actornetwerk van een voedselproductiesysteem. Hierin komt de rol van de mens in het systeem naar voren. Het voedselproductiesysteem wordt hier gezien als subsysteem van het biosysteem. De mens is een belangrijke actor in dat systeem omdat de mens met zijn handelen bewust het voedselsysteem kan verduurzamen. ¶Vanuit een ecologische invalshoek kan het voedselsysteem beschreven worden als biosysteem. In dit systeem vind energie-uitwisseling plaats: planten nemen zonne- energie op om C02 om te zetten in organische elementen als koolhydraten. Een deel van de energie wordt opgeslagen en is de bron van voedsel in de vorm van zaden en bladeren. Daarnaast zorgen planten voor het omzetten van CO2 in zuurstof. Van de geproduceerde zuurstof en energie leven micro-organismen en dieren. De kringloop is compleet als deze dieren door ademhaling weer C02 uitstoten. De belangrijkste kringlopen in het biosys- teem voor het behoud van leven zijn die van stikstof, koolstof, zuurstof, water, energie en mineralen. Deze kringlopen zijn met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaar (Tansey & Worsley, 1995:10). Het consumeren van voedsel is onderdeel van deze kringloop. ¶Vanuit het biosysteem gezien zijn mensen als diersoort een subsysteem van het5. Overmatige toevoer van stikstof biosysteem. Volgens de ideeën uit de systeemtheorie beïnvloeden subsystemen heten/of fosfaat naar het ecosysteem bovenliggende systeem (Grin et al., 2010:114). Hoe beïnvloedt de mens het ecosysteem?(ww.rivm.nl) Het biosysteem is voor de mens een bron van voedsel. Het raakvlak van de mens met de 17
  • voedselvoorziening is de agrarische sector (Tilman et al., 202:671). De genoemde kringlo- pen in het biosysteem verschillen van productiesystemen in de huidige landbouw. Er is geen volledige kringloop van stoffen in een industrieel proces zoals de moderne land- bouw nu is. De huidige grondstofdelving en industriële processen zijn lineair en genere- ren afval. Ook heeft het gebruik van fossiele brandstoffen en het introduceren van chemische stoffen in het milieu nog deels onbekende effecten. Ook in de agrarische sector, de basis van ons voedselsysteem, spelen deze zorgen (Tansey & Worsley, 1995:14). Eén van die zorgen is het verlies van biodiversiteit (Tilman et al., 2002: 672). Biodiversi- teit is een belangrijk aspect van het biosysteem. Biodiversiteit vermindert de kwetsbaar- heid van het biosysteem voor veranderingen (Tansey & Worsley, 1995:10; Tilman et al., 2002:672). Ook maakt biodiversiteit voedselproductie mogelijk. Vanwege de biodiversi- teit zijn er verschillende planten en dieren die wij eten (Elferink & Rougoor, 2010:69). ¶De vleesconsumptie is een belangrijke factor in de onduurzaamheid van het voedselsysteem. In de inleiding kwam naar voren dat de Food and Agricultural Organi- zation (FAO) heeft berekend dat de vlees- en zuivelketen verantwoordelijk is voor 18% van het broeikaseffect (FAO, 2006). Op basis van de ideeën van de systeemtheorie zou een verduurzaming van de vleessector dan een positief effect moeten hebben op de duur- zaamheid van het voedselsysteem. 1.5 Actoren in het voedselsysteem UIT H ET BOVENSTAANDE komt naar voren dat de mens met de landbouw het biosysteem beïnvloedt. De landbouw is de voedselvoorziening voor de mens. Om de rol van de mens in het voedselsysteem te verduidelijken wordt hieronder een actornetwerk beschreven. Bij het beschrijven van het actornetwerk is eten eerste gebruik gemaakt van de onderzoeksaanbeveling van het Drift-rapport Eiwittransitie waarin een actornetwerk beschreven wordt als het geheel van bedrijven, overheden, kennisinstellingen, maat- schappelijke organisaties, intermediaire organisaties en eindgebruikers (Drift, 2008:83). Ten tweede worden om de rol van de verschillende actoren in het actornetwerk te verdui- delijken de actoren beschreven aan de hand van een voedselproductieketen. De reden hiervoor is dat in onderzoek naar voedselsystemen de actoren vaak beschreven wordt als spelers in een ketenproces. (Gerbens-Leenes et al., 2003; Tansey & Worsley, 1995; Apaiah et al., 2006; Nijhoff-Savvaki et al., 2009) Om dezelfde reden wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen actoren die binnen en buiten de productieketen vallen. ¶Een voedselproductieketen bestaat uit boeren, arbeiders, handelaren, verwer- kers, distributeurs, retailsector en cateraars en consumenten (Tansey & Worsley, 1995:85, 111, 142). Sommige auteurs zien consumenten als eindgebruikers en zien hen los van de productieketen; ook afvalverwerkers plaatsen zij buiten de keten (Gerbens-Leenes et al., 2003:234; Apaiah et al., 2006:8). In dit onderzoek worden afvalverwerkers wel genoemd als onderdeel van het productiesysteem, omdat zij via hergebruik van reststromen ook onderdeel zijn van de productieketen. In figuur 1.3 is deze terugkoppeling aangegeven met een stippellijn. ¶Naast de productieketen is er nog een ondersteunend netwerk van banken, adviesbureaus en bijvoorbeeld stroomleveranciers (Gerbens-Leenes et al., 2003:234). De bedrijven in het actornetwerk van het voedselsysteem zijn de schakels in de voedselpro- ductieketen en het ondersteunende netwerk. De kennisinstellingen kunnen worden uitgesplitst in instellingen die zich bezighouden met technische aspecten en de sociolo- gische aspecten van het voedselsysteem. Overheden in het voedselsysteem zijn de verschillende overheden op nationaal niveau, de maatschappelijke organisaties bestaan uit verschillende actie- en belangengroepen (Drift, 2008:85). De intermediaire instellin- gen kunnen overlegorganen of samenwerkingsverbanden zijn (Drift, 2008:86) en kunnen daarmee een belangrijke rol spelen in transities. De verschillende actoren zullen op verschillende manieren omgaan met interne en externe veranderingen in de varkenssector. Vanuit de systeemtheorie is dat de dynamiek in een adaptief systeem (Grin et al., 2010:117). ¶Het globale beeld van de actoren zoals hierboven weergegeven dient als kader voor het analyseren van het transitiepotentieel van de varkenssector. In Hoofdstuk 2 wordt het actornetwerk en het regime van de varkenssector beschreven. Voordat er aan die analyse begonnen wordt zal in Hoofdstuk 2 eerst het MLP verder uitgewerkt worden.18
  • Fig. 1.3 Productieketen als onderdeel actornetwerk 6 actornetwerk voedselproductieketen ondersteunend netwerk gewasproductie varkenshouder leveranciers overig verwerking cateraars banken retailsector adviesbureaus consumenten kennisinstellingen afvalverwerking intermediaire org. = distributie maatschappelijke org. overheden 1.6 Samenvatting en deelconclusie DE SYSTEEMTH EOR I E IS geschikt voor het onderzoek naar het transitiepotentieel van de varkenssector. Het biedt mogelijkheden om de verduurzaming van de varkens- sector te bezien als onderdeel van het duurzaamheidsvraagstuk van het gehele voedsel- systeem. De inzichten en concepten Multifase, Multilevel en Multipatroon uit de systeemtheorie bieden mogelijkheden om het transitiepotentieel van de varkenssector te onderzoeken. Met de systeemtheorie wordt de werkelijkheid geanalyseerd aan de hand van de interactie binnen en tussen systemen en subsystemen. De varkenssector wordt in dit kader gezien als een adaptief systeem binnen het voedselsysteem. Een zwak- heid van de systeemtheorie is dat de onderzoeker veel ruimte heeft voor interpretaties en keuzes voor beschrijvingen, door het onderzoeksproces met de daarin gemaakte keuzes transparant te maken wordt gepoogd deze zwakheid te ondervangen. ¶In dit hoofdstuk is verder het concept duurzaamheid beschreven en is het sturingskader PPP verder uitgewerkt. Het voedselsysteem is beschreven als biosysteem en aan de hand van de voedselproductieketen. Daarbij is naar voren gekomen dat het huidige voedselsysteem nadelige effecten op het milieu voortbrengt die de voedselvoor- ziening in de toekomst in gevaar kan brengen en dat vleesproductie verantwoordelijk is van een deel van die onduurzaamheid. Daarbij komt dat door de verwachte bevolkings- groei de behoefte aan voedsel in de toekomst zal stijgen en er verwacht wordt dat er in de toekomst meer vlees geconsumeerd wordt.6. Voor dit figuur is gebruik ge-maakt van de indeling aan de handvan een productieketen van Tanseyen Worsley (1995), met daarbij hetonderscheid tussen ondersteundnetwerk en ketenspelers vanGerbens-Leenes et al. (2003) en hetactornetwerk zoals beschreven in hetrapport Eiwittransitie (2008). 19
  • 2. MULTILEVELPERSPECTIEF OP DE VARKENSSECTOR OM DE VAR KENSSECTOR te beschrijven is gekozen voor concepten uit de systeem- theorie. Met het Multilevel-concept wordt een systeem beschreven op basis van drie functionele niveaus: het socio-technisch landschap, socio-technisch regime en socio- technische niches. (Grin et al., 2010:131). Door de varkenssector te beschrijven aan de hand van deze niveaus kunnen verschillende aspecten van de varkenssector belicht worden. Daarbij kan door de interactie tussen deze niveaus duidelijk worden welke krachten er in een systeem aanwezig zijn. Hierdoor kan inzichtelijk gemaakt worden welke mogelijkheden zijn voor transitie van de varkenssector. ¶Eerst zal in paragraaf 2.1 het MLP verder uitgewerkt worden. Daarna worden multilevel & de inzichten van het MLP op de varkenssector toegepast, in paragraaf 2.2 wordt het regime van de varkenssector beschreven en in 2.3 de landschapsdruk. Tot slot is er een korte conclusie. 2.1 Multilevelperspectief als verklaringsmodel voor transities OM TRANSITI EPOTENTI EEL TE onderzoeken is in dit onderzoek gekozen voor een systeembenadering met het daaraan gekoppelde MLP als onderzoeksmodel. Deze theorie is aantrekkelijk omdat met het MLP als model een systeem wordt bekeken op drie niveaus (Grin et al., 2010:18). Daardoor kunnen verschillende processen die van invloed kunnen zijn op transitiepotentieel inzichtelijk gemaakt worden. In deze paragraaf wordt het MLP verder toegelicht. ¶In hoofdstuk één was kort aangegeven dat het MLP drie niveaus beschrijft waar veranderingen plaatsvinden. Het landschaps-, regime-, en nicheniveau zijn onderdeel van elkaar, als een geneste hiërarchie (Grin et al., 2010:18). In figuur 2.1 deze hiërarchie aangegeven. Fig. 2.1 Multilevelperspectief als geneste hiërarchie (uit Grin et al., 2010:18 ) Landscape Increasing structuration of activities in local practices Patchwork of regimes Niches (novelty)20
  • 2.1.1 Het socio-technisch regime DE BASIS VOOR het MLP is het socio-technisch regime. Dit is weergegeven als het middelste niveau in figuur 2.1. Het socio-technisch regime is een netwerk van actoren waarbinnen verschillende normen bestaan die het regime bestendigen (Grin et al., 2010:20). Dat betekent dat actoren in het regime zich op een manier gedragen die het systeem legitimiteit geeft en waardoor het systeem zichzelf versterkt. Het socio-techni- sche regime bestaat niet op zichzelf maar vormt een netwerk van actoren en groepen die door hun handelingen het systeem reproduceren (Paredis, 2009:16). Via deze gedachtevarkenssector kan het regime beschreven worden als de normale gang van zaken, de actoren en syste- men, die daarvoor zorgen, en de denkkaders die daarbij gebruikt worden (Paradis, 2009:4). Deze denkkaders vloeien voort uit de normen van het regime. In de theorie van MLP is dit een sociale beschrijving in de vorm van drie typen normen. Deze normen bestendigen het regime. Ten eerste zijn er cognitieve normen, die bestaan uit waardesys- temen, doelen, innovatie agenda’s en probleemdefinities. Ten tweede zijn er regulatieve normen waartoe standaarden en wetgeving behoren. Ten derde zijn er normatieve normen als gedragsnormen, rolpatronen en relatietypen (Grin et al., 2010:19; Paredis, 2009:16). Het MLP geeft daarmee een kader om de transities op verschillende niveaus te beschrijven (Grin et al., 2010:133). ¶De normale gang van zaken wordt in deze scriptie het staand regime genoemd. De verschillende actoren en normen bestendigen het staand regime, dit kan gezien worden als een gewenst dynamisch equilibrium van het systeem, ofwel de attractor. Om het staand regime van de varkenssector te beschrijven zal het daarom nodig zijn om de verschillende normen te beschrijven. Volgens Paredis gaan systeemverandering gepaard met opkomst van nieuwe actoren en nieuwe normen (Paredis, 2009:20). Het is daarom interessant voor het onderzoek naar transitiepotentieel om te bezien of er nieuwe actoren en normen opkomen in de varkenssector. ¶Door de normen van het regime bestaat er een bepaalde robuustheid, waar- door zogenaamde lock-in mechanismes7 ontstaan. Deze mechanismes zorgen ervoor dat oplossingen voor problemen volgen op een al eerder ingeslagen pad. Daardoor versterkt het regime zichzelf en wordt het stabiel. Door die robuustheid is innovatie is incremen- teel van aard. Als er sprake is van veranderingen of innovatie worden deze gedragen door verschillende sociale groepen. Deze groepen zijn autonoom, maar wel met elkaar verbonden. Hierdoor zijn veranderingstrajecten in het socio-technisch regime een vorm van co-evolutie tussen verschillende groepen. Deze veranderingstrajecten kunnen echter zo sterk zijn dat de co-evolutie niet meer plaatsvindt, deze spanning zorgt voor ruimte voor transitiemogelijkheden of windows of opportunities (Grin et al., 2010:21). Voor het onderzoek naar transitiepotentieel in de varkenssector is het daarom interessant om te onderzoeken hoe veranderingstrajecten lopen en of er sprake is van co-evolutie en windows of opportunities. 7. Een voorbeeld van een lock in mechanisme is het qwerty-toetsen- bord. Bij de eerste typemachines was het een probleem dat de hamertjes voor de letters elkaar konden blok- keren. Door het qwerty-model werd dit minimaal. Qwerty is echter niet het snelste model om te leren en te typen. Ondanks dat de reden voor ontstaan van het qwerty-toetsen- bord niet meer aanwezig is, wordt er wel voortgebouwd op dit model bij bijvoorbeeld pc’s. 21
  • 2.1.2 De socio-technische niches NAAST H ET R EGI M EN IVEAU is er in het MLP het nicheniveau. Dit niveau is weergeven als onderste niveau in figuur 2.1. Het nicheniveau bestaat uit opkomende socio-technische innovaties net buiten of aan de rand van het regime (Grin et al., 2010:22). Op het nicheniveau zijn de structuren en de verschillende normen zwakker. Omdat de verbindingen tussen actoren en de bestendigheid van normen zwakker is bestaat er meer ruimte is voor radicale veranderingen (Grin et al., 2010:18). Innovaties op nicheniveau moeten geconstrueerd worden tegelijkertijd met voorkeuren in de markt. Dit beschrijven Grin et al. als een actor-centraal proces: het succes van een innovatie is afhankelijk van welke actoren erbij betrokken zijn (Grin et al., 2010:22). Binnen de niche zijn er verschillende processen te onderscheiden: het creëren van netwerken om noviteiten te ontwikkelen; leerprocessen om de noviteit te verbeteren en het proces om de aandacht en fondsen voor de noviteit aan te trekken (Grin et al., 2010:23). In de varkenssector kunnen er dergelijke noviteiten aanwezig zijn. Er zal in dit onderzoek daarom gekeken worden of er noviteiten zijn en welke actoren daarbij betrokken zijn. Dergelijke noviteiten kunnen een rol spelen in de transitie naar een ander, duurzamer varkenssysteem en daarmee zijn noviteiten van belang voor het onderzoek naar transitiepotentieel. ¶De interactie tussen niche en regime kunnen verschillende uitkomsten hebben. Uiteindelijk kunnen niches uitgroeien tot de nieuwe gang van zaken en vervangen zij het staand regime. Dit betekent dat de verschillende normen vanuit de niche versterkt worden en de nieuwe gang van zaken voortbrengen. Met andere woorden, de niche wordt het nieuwe regime (Grin et al., 2010:137). Niches kunnen ook geabsorbeerd worden door het staand regime. Het staand regime neemt dan bepaalde aspecten van de niche over. Dit gebeurt bijvoorbeeld om de bedreiging van concurrentie van de niche weg te nemen (Grin et al., 2010:138). Een andere uitkomst is dat de niche de strijd met het staand regime verliest en er dus geen transitie plaatsvindt. Een onderdeel van het onderzoek naar transitiepotentieel in de varkenssector is daarmee te analyseren hoe de interactie tussen niches en het staand regime in de varkenssector nu verloopt. 2.1.3 Het socio-technische landschap H ET R EGI M ENIVEAU STAAT onder invloed van het landschapsniveau. Dat wil zeggen dat er een exogene druk bestaat buiten het socio-technisch regime. Dit is weerge- geven als het bovenste niveau in figuur 2.1. Dit niveau is een metafoor voor ontwikkelin- gen en materiële structuren (Grin et al., 2010:23). De structuren bestaan uit door de mens gebouwde infrastructuur maar ook natuurlijke structuren als landschap en klimaat. De ontwikkelingen bestaan uit maatschappelijke trends, economische ontwikkelingen en milieueffecten (Paradis, 2009:20). Het concept landschapsniveau kan gebruikt worden om de druk van het landschap op het regime te beschrijven. De druk van het landschap staat weergegeven in figuur 2.2. In het geval van de varkenssector kunnen ontwikkelin- gen in het voedselsysteem beschouwd worden als landschapsdruk op het regime. ¶Het MLP biedt inzicht in hoe de wisselwerking tussen landschapsdruk, regime en nicheontwikkelingen een transitie tot stand kan brengen. In figuur 2.2 een transitie in MLP weergeven. Een transitie wordt hier weergegeven als een ontwikkeling van een niche naar regimeniveau. Met andere woorden: een systeeminnovatie leidt tot een systeemverandering, waarbij het regime gezien wordt als een systeem.22
  • Fig. 2.2 Multilevelperspectief op transities (uit Grin et al., 2010:25) Increasing structuration of activities in local practices socio-technical landscape (exogenous context) landscape developments put pressure on existing regime, which opens up, new regime creating windows influences markets, user of opportunity for novelties landscape preferences socio- technical industry science regime policy culture technology socio-technical regime is ‘dynamically stable’ on different dimensions there are ongoing processes new configurations breaks through, taking advantage of ‘window of opportunity’ adjustments occur in socio-technical regime elements become aligned external influences on niches and stabalise in a dominant design (via expectations and networks) internal momentum increases niche- innovations small networks of actors support novelties on the basis of expectations and vision learning processes take place on multiple dimension (co-construction) efforts to link different elements in a seamless web timeIn de volgende paragraaf worden de concepten landschapsdruk en regime toegepast opde varkenssector. De varkenssector wordt daarin gezien als het regime in het varkenssec-tor.2.2 Het varkensregime: historie tot nuTRANSITI ES ZIJ N LANGE termijn processen. Bij het MLP wordt gebruik gemaaktvan historische inzichten om als heuristiek te dienen voor het beschrijven van dieprocessen (Grin et al., 2010:15). In de systeemtheorie wordt ook benoemd dat systemenniet los staan van hun geschiedenis (Grin et al., 2010:116). In dit onderzoek wordt devarkenssector als regime gezien. Omdat in de systeemtheorie regimes niet losstaan vanhun verleden wordt om het huidige regime in de varkenssector te beschrijven eerst eenkorte weergave van de historie van de Nederlandse varkenssector beschreven. Daarnavolgt een beschrijving van het huidige regime. ¶De varkenshouderij heeft in een kleine eeuw tijd een grote veranderingdoorgemaakt. Het Transforum Agro en Groen (2008), een instelling die zich bezighoudtmet duurzame ontwikkelingen in de landbouw (www.transforum.nl), heeft de geschie-denis van de Nederlandse varkenssector vanaf 1930 beschreven. In aantallen is het aantalvarkens met twee miljoen in 1930 tot veertien miljoen in 1990 gestegen (TAG, 2008:43).Nu in 2011 worden er wekelijks 280.000 varkens geslacht (Slachtcijfers PvE, 2011). Dezestijging in de productie is het gevolg van een verandering in de varkenssector van eengemengd bedrijf waar varkens een bijzaak waren tot een kernactiviteit in de bio-indus-trie (TAG, 2008:48). Deze verandering is mogelijk gemaakt door een aantal innovaties.Een belangrijke rol in de totstandkoming van deze innovaties is het voortplantingson-derzoek geweest. Door onderzoek naar de selectie van erfelijke en genetische eigen-schappen werd het mogelijk typen varkens te produceren die meer vlees gaven en een 23
  • betere voedselconversie8 hadden (TAG, 2008:47). Naast het onderzoek naar deze juiste eigenschappen van varkens heeft de techniek van kunstmatige inseminatie het mogelijk gemaakt de juiste varkens te produceren. Daarnaast is het door nieuwe stalontwerpen mogelijk om de voortplantingscyclus van het varken te beïnvloeden waardoor vers varkensvlees het hele jaar door geproduceerd kan worden. Door technologische ontwikke- lingen in het voer van varkens konden de gewichtstoename en de voedselconversie verbeterd worden. Ook de vorm van de varkens veranderde. Tot de jaren zestig was er meer vraag naar vet, na 1960 veranderde dit naar een vraag naar mager vlees. Door de selectie- technieken veranderde het varken van vorm zodat er meer van het gewenste magere vlees geproduceerd kon worden (TAG, 2008:48). Ook de eisen van de bio-industrie hadden effect op de vorm van het varken. De varkens werden uniformer van vorm waardoor zij beter pasten in de slachtmachines. De varkenssector heeft vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw een verandering doorgemaakt van een gemengd bedrijf met varkens als bijzaak tot een ‘agri-business’ met varkens als core-business nu (TAG, 2008:49). ¶Het Milieu en Natuur Planbureau (MNP) beschrijft in de publicatie ‘Duurzame ontwikkeling van de landbouw in cijfers en ambities, veranderingen tussen 2001 en 2006’ verschil- lende recente ontwikkelingen in de varkenssector’ (MNP, 2007). In die publicatie wordt gesteld dat de varkenssector door de samenleving bekritiseerd werd vanwege het mestoverschot, varkenspest en contaminanten in vlees en het dierenwelzijn (MNP, 2007:49). De Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) ziet begin 2011 ook problemen in de sector en stelt op haar website dat de varkenshouderij in crisis is (www.ltonoord.nl). Deze crisis wordt volgens LTO veroorzaakt door de hoge voerprijzen en de dioxinecrisis9 in Duitsland van begin 2011. Door de dioxinecrisis daalde de vraag naar varkensvlees en door de hogere voerprijzen zijn de kosten gestegen. ¶Financieel is het moeilijk voor de varkenshouders door de druk op de kostprijs, mede door de stijgende voerprijzen. Daarnaast heeft de varkenssector imagoproble- men vanwege milieu en dierenwelzijnkwesties. Met het oog op de bovengenoemde ontwikkelingen in de varkenssector zou gesteld kunnen worden dat de varkenssector in zwaar weer zit. Door deze druk kunnen er mogelijkheden zijn voor een transitie naar een andere varkenssector. ¶In de systeemtheorie wordt ervan uitgegaan dat systemen altijd veranderen en overgaan in andere systemen (Grin et al., 2010:126). Met het in Hoofdstuk 1 genoemde Multifase-concept is er een handvat om aan de transitie een historisch kader te geven. Aan de hand daarvan kan in beeld gebracht worden in welke fase de varkenssector als systeem zich bevindt. Om de fasering te duiden is er bestaand onderzoek naar transities in de voedselsector geraadpleegd. In het rapport Eiwittransitie, 30 jaar issue kans op take-off wordt de onduurzaamheid van het voedselsysteem beschreven als eiwitkwestie. Daarmee worden de verschillende eiwitbronnen, zoals varkensvlees, beschouwd als systemen waarvan een duurzame transitie gewenst is (Drift, 2008). De titel van het rapport doet vermoeden dat het eiwitsysteem zich in de opstartfase bevindt. Onderzocht dient te worden of dat ook voor het varkenssysteem geldt. Na dit historische deel wordt in de volgende paragraaf vanuit het MLP het regime van de varkenssector beschreven. 2.3 De varkenssector als regime OM I N TER M EN van het MLP de varkenssector inzichtelijk te maken wordt het regime in de varkenssector beschreven aan de hand van het actornetwerk en een be- schrijving van de verschillende normen in de varkenssector. 8. Voedselconversie is het benodigde ¶Een actornetwerk is het geheel van actoren binnen een bepaald systeem. In aantal kilo voer per kilo product. het Drift-rapport Eiwittransitie wordt een actornetwerk beschreven als het geheel 9. Begin 2011 kwam aan het licht dat van bedrijven, kennisinstellingen, overheden, maatschappelijke organisaties, inter- dieren op honderden veehouderijen mediaire organisaties en eindgebruikers (Drift, 2008:83). Zoals toegepast in Hoofd- besmet waren met het kankerverwek- stuk 1 wordt ook hier wordt een onderscheid gemaakt tussen de actoren in de produc- kende dioxine. (http://www.nrc.nl/ nieuws/2011/01/15/meer-duitse-boerde- tieketen en het ondersteunende netwerk. In de sector zelf worden namelijk rijen-dicht-door-dioxineschandaal/) verschillende afspraken gemaakt in ketenverband. Het beschrijven van de varkenssec- tor aan de hand van de keten biedt daarom een meerwaarde voor het beschrijven van 10. Deze site is een voorlichtingsite geïnitieerd door brancheorganisaties het actornetwerk. Om de productieketen van de varkenssector eenvoudig in kaart te LTO, Productschap Vee &Vlees, de brengen is gebruik gemaakt van informatie van de varkenssector zelf via de website vakbond voor varkenshouders en de www.overvarkens.nl10. stichting Varkens in zicht.24
  • ¶Voor het houden van varkens is voer nodig. De productie van voer gebeurt deels in Nederland, maar voer en de ingrediënten daarvan worden ook geïmporteerd. Het produceren van varkens gebeurt op de varkenshouderij. Het houden van varkens bestaat uit twee verschillende onderdelen, de kraamafdeling en het op gewicht brengen van de varkens voor de slacht: fokbedrijven en mestbedrijven. Dit hoeft niet in hetzelfde bedrijf te gebeuren. Als de varkens op gewicht zijn gaan zij naar de slacht. De slachthui- zen behoren tot de actor ‘verwerking’. Daarnaast zijn bij de verwerking ook de vleespro- ductiebedrijven betrokken. In Nederland is VION daar een belangrijke actor (Drift, 2008:33). Het varkensvlees wordt uiteindelijk verkocht via cateraars, zowel voor de consumptieve markt via de horeca, of voor professionele markt in bedrijfs- en schoolres- tauraties en keukens van vervoersmaatschappijen. Naast de cateraars kopen de eindge- bruikers varkensvlees bij de retailsector: specialistische winkels en supermarkten. Het ondersteunend netwerk word hier beschreven als het systeem van actoren die een rol spelen als leveranciers in de productieketen. Voor de varkenshouderijen zijn dit de stalbouwers, energieleveranciers, banken en adviesbureaus. ¶Het actornetwerk van de varkenssector bestaat verder uit de verschillende overheden. Op landelijk niveau is dat vooral het Ministerie van Landbouw en uitvoe- ringsinstanties als de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA). Omdat varkenshoude- rijen ook een actor zijn in grondgebruik is het Ministerie van Ruimte ook een actor (Drift, www.overvarkens.nl). Vanwege het ruimtelijke ordeningaspect zijn provincies en ge- meenten ook als overheden betrokken bij het varkensregime. Kennisinstellingen kunnen worden onderverdeeld in instellingen met expertise op (milieu)technisch vlak of gedrags- kundig vlak (Drift, 2008:86). Op het technische expertisegebied zijn er de Universiteit Wageningen, maar ook verschillende brancheorganisaties als LTO en Productschap Vee en Vlees. Op het gebied van gedrag zijn er het Instituut voor Milieuvraagstukken, het Land- bouw Economisch Instituut en ook de Universiteit Wageningen (Drift, 2008:87). ¶Het beschrijven van maatschappelijke organisaties brengt in dit kader verschil- lende belangengroepen en actiegroepen in beeld. Dit zijn in de varkenssector de Dieren- bescherming, Stichting Wakker Dier, Greenpeace, Milieudefensie, Youth Food Movement, maar ook lokale actiegroepen die protesteren tegen de komst van megastallen. ¶De intermediaire organisaties tot slot bestaan vooral uit samenwerkingsorga- nisaties. In de varkenssector worden veel zogenaamde ketenafspraken gemaakt. Dit zijn afspraken tussen varkenshouders, verwerkers en bijvoorbeeld supermarkten om bepaal- de labels of merken te voeren. Ketenafspraken zijn nodig omdat bijvoorbeeld in het geval van het label biologisch elke schakel in de keten zich aan bepaalde afspraken moet houden. Deze afspraken worden neergelegd in convenanten als het biologisch Conve- nant (www.biologischconvenant.nl) ¶Vanuit de theorie van MLP wordt het regime beschreven aan de hand van niet alleen de verschillende actoren, maar ook worden bepaalde normen die in het regime gelden beschreven (Grin et al., 2010:20). De normen binnen een regime bestaan uit regulatieve, normatieve en cognitieve normen. In het varkensregime zijn er verschil- lende regulatieve normen. Zo zijn er wetten en regels die gelden voor de varkenshouders die betrekking hebben op milieu, ruimte, dierenwelzijn en voedselveiligheid. Deze wetten en regels gelden ook voor andere actoren in het regime: zo moeten veevoerleve-11. HACCP staat voor Hazard ranciers ook aan bepaalde voedselveiligheidseisen voldoen zoals HACCP11 en GMP+ 12.Analysis Critical Control Points Ook zijn er een aantal keurmerken die door certificeringorganisaties worden gecontro-en betreft een verplicht protocol leerd. Een belangrijk keurmerk is ‘Biologisch’, dit keurmerk is belangrijk omdat hetmet betrekking tot de hygiëne vanbehandeling en bereiding van wettelijke kaders heeft en niet louter een zelfregulerende norm is zoals bij het keurmerkvoedsel. www.vwa.nl/onderwerpen/ ‘Beter Leven’13. Hier zijn nu twee keurmerken genoemd. Verder in het onderzoek wordtwerkwijze-food/dossier/haccp hier dieper op ingegaan.12. GMP+ is een certificering waarin de ¶Naaste regulatieve normen worden er vanuit het MLP normatieve en cogni-diervoederveiligheid geborgd is. www. tieve normen. Deze normen bestendigen in een regime de normale manier van doen. Ingmpplus.org/nl/ de beschrijving van niches kwam naar voren dat de normen daar zwakker zijn dan in het13. Zie voor een uitgebreid over- regime. Eventueel kunnen deze normen leiden tot een transitie in het regime. In hetzicht van keurmerken o.a. www. onderzoek naar transitiepotentieel is het daarom van belang om ook de normatieve enmilieucentraal.nl/pagina.aspx?onderwerp=Keurmerk%20 cognitieve normen te onderzoeken en of er tussen niche en regime verschillen te vindenvlees,%20vis%20en%20gevogelte zijn. Omdat het niet in het bereik van dit onderzoek ligt om diepgaand in te gaan op dewww.consuwijzer.nl/Keurmerken/ beweegredenen en daarmee de normatieve en cognitieve normen van alle actoren, zal inKeurmerk_op_categorie/Keurmer-ken_Voeding dit onderzoek de nadruk liggen op de regulatieve normen. Met regulatieve normen 25
  • wordt in deze scriptie de wettelijke kaders bedoeld en de verschillende keurmerken omtrent biologisch of duurzaam varkensvlees. 2.3 Druk vanuit het landschap DE LANDSCHAPSDRUK OP het regime van het varkenssector wordt hier beschreven via de landschapsdruk op het eiwitsysteem. In de inleiding kwam naar voren dat de varkenssector gezien kan worden als een sector in de eiwitvoorziening. Gebruikmakend van de systeemtheorie wordt de varkenssector hier gezien als een adaptief subsysteem van het eiwitsysteem. Adaptieve systemen zijn zelfgelijkend met het hele systeem (Grin et al., 2010:117). De druk op de varkenssector wordt daarom hier gelijkgesteld met de druk op het eiwitsysteem. In ‘De drijvende krachten achter het eiwit’ beschrijven Elferink en Rougoor (2010) de krachten die op het eiwitsysteem drukken. De landschapsdruk bestaat uit deze krachten. In het eiwitsysteem zijn deze ontwikkelingen een groeiende vraag naar voedsel door bevolkingsgroei enerzijds en verandering van een eiwitrijker menu ander- zijds (Elferink & Rougoor, 2010:78). Naast de stijgende vraag is er sprake van landschaps- druk vanwege de milieueffecten. In Hoofdstuk 1 kwam naar voren dat er milieueffecten als eutrofiëring, verzuring, vervuiling en verlies van biodiversiteit zijn (Elferink & Rougoor, 2008:68;Tilman et al., 2002:672). Deels komen deze effecten vanuit het systeem zelf, buiten het eiwitsysteem echter worden deze effecten ook veroorzaakt door andere subsystemen in het voedselsysteem (Tansey & Worsley, 1995:22; Tilman et al., 2002:672). ¶Naast de milieueffecten is er ook een maatschappelijke druk op het varkensre- gime. In de maatschappij is er een roep om meer diervriendelijkheid en diergezondheid in de veesector en daarmee ook de varkenssector. Uit deze maatschappelijke druk zijn organisaties als Stichting Wakker Dier (www.wakkerdier.nl) en Varkens in Nood (www. varkensinnood.nl) ontstaan, maar ook de politieke partij de Partij voor de Dieren (www. partijvoordedieren.nl). Deze organisaties hebben invloed op beleid (Drift, 2008:17,19). Er zal in deze scriptie niet ingegaan worden op bepaalde acties van de genoemde organisa- ties, ze worden hier alleen genoemd als voorbeeld van de maatschappelijke druk waar de varkenssector onder staat. De maatschappelijke druk wordt dan als een manifestatie van landschapsdruk beschouwd. ¶Vanuit de theorie van het MLP komt de vraag naar voren of het regime deze landschapsdruk kan weerstaan en hier via incrementele verandering op reageert. Of dat er innovaties op nicheniveau zijn die gebruik maken van de landschapsdruk als window of opportunity en er langs die weg een transitie plaats kan vinden. Een transitie zou dan tot stand komen door de interactie tussen de drie niveaus (Grin et al., 2010:54). De beschrijving van deze interactie sluit aan bij het Multipatroon-concept van de systeem- theorie. Met dit concept wordt de interactie tussen niche en regime beschreven als een aantal mogelijke ontwikkelingen. Er kan sprake zijn van niches die elkaar versterken en het regime ondermijnen, waardoor er concurrentie tussen niche en regime ontstaat en uiteindelijk de niche de concurrentie verliest of dat het regime verdwijnt. Ook kan er van een situatie sprake zijn, waarin het regime de niche absorbeert, er is dan sprake van een nieuw regime. Een laatste optie is dat door landschapsdruk het regime verandert. (Grin et al., 2010:327).26
  • 2.4 Samenvatting en deelconclusieDoor de verschillende niveaus die het MLP vormen geeft dat concept handvatten voor desysteembeschrijving van de varkenssector. Dit is nodig omdat van daaruit onderzochtkan worden uit welke normen en actoren het regime van de varkenssector bestaat en ofer nieuwe normen en actoren in de sector opkomen. In de beschrijving van het regimevan de varkenssector en de landschapsdruk kwam naar voren dat de varkenssector isuitgegroeid tot een core business. Maar ook kwam naar voren dat de sector onderfinanciële en maatschappelijke druk staat. De interactie tussen de drie niveaus kanwindows of opportunity voor niches met zich meebrengen voor een verandering. Demogelijkheden van verandering vormen het transitiepotentieel. Om het transitiepoten-tieel te onderzoeken wordt in Hoofdstuk 3 eerst het concept transitiepotentieel uitge-werkt. 27
  • 3 TRANSITIEPOTENTIEEL ALS MEETMETHODE IN DEZE SCRIPTIE wordt onderzocht wat het transitiepotentieel van de varkenssector is. De transitie in de varkenssector wordt in dit onderzoek opgevat als de verandering naar een duurzamer systeem. Een duurzaam systeem is een systeem waarin beoogt wordt in de behoeften op sociaal en economisch vlak te voorzien zonder dat dit nadelige effecten heeft op ecologisch vlak. De onderzoeksvraag heeft daarmee twee aspecten: duurzaamheid en de mogelijkheden voor transitie. De vraag die in dit hoofdstuk beantwoord moet worden is: hoe kan de mogelijke verduurzaming in de varkenssector inzichtelijk worden gemaakt? In voorgaande hoofdstukken kwamen de concepten Multilevel, Multifase en Multipatroon aan bod. Met deze concepten kan inzicht gegeven worden in hoe het varkenssysteem werkt: welke actoren er zijn en hoe die zich tot elkaar verhouden. Echter voor het onderzoek naar transitiepotentieel is meer nodig, namelijk een beschrijving van de richting waarin de verandering plaatsvindt. In de beschrijving van de systeemtheorie werd dit de attractor genoemd: de voorkeursstaat van een systeem. De aanname in dit onderzoek is dat het gewenst is om de varkenssector te verduurzamen. In dit hoofdstuk worden daarom twee typen methoden beschreven aan de hand waarvan het proces van verduurzamen inzichtelijk kan worden gemaakt. In paragraaf 3.1 komen kwantitatieve methoden aan de orde en in transitie & paragraaf 3.2 kwalitatieve methoden. Aan de hand van deze beschrijvingen is ervoor geko- zen in dit onderzoek een kwalitatieve methode te hanteren. In paragraaf 3.3 wordt deze kwalitatieve methode gebruikt om het transitiepotentieel verder uit te werken. In paragraaf 3.4 wordt daarna uiteengezet hoe het concept transitiepotentieel past binnen het verduurza- men van een systeem. Tot slot volgt een conclusie. 3.1 Kwantitatieve methoden om duurzaamheid te onderzoeken OM HET VERDUURZAMEN van voedselsystemen te onderzoeken kan een kwantita- tieve methoden gebruikt worden. Gerbens-Leenes et al. (2003) proberen de methode Life Cycle Assessment (LCA) toe te passen op een voedselproductiesysteem (Gerbens-Leenes et al., 2003:232). Een LCA is een methode om de milieu-impact van een product te meten, van fabricage tot afvalverwerking14 . Gerbens-Leenes, Moll en Schoot Uiterkamp (2003) vergelij- ken de duurzaamheid van verschillende voedselproductiesystemen met elkaar. Zij operatio- naliseren de milieueffecten op basis van land-, energie- en watergebruik. Dit zijn weliswaar meetbare eenheden, maar deze benadering leidt wel tot een simplificatie van milieueffecten van een voedselproductiesysteem: in Hoofdstuk 1 kwam naar voren dat voedselproductiesys- temen ook effecten als eutrofiëring, verzuring en verlies biodiversiteit te zien geven. Deze effecten worden in de LCA-methode niet meegerekend. Een beperking van LCA is dan dat niet alle milieueffecten onderzocht worden. Hierdoor kunnen voedselproductiesystemen duurzaam lijken als het gaat om ruimtebeslag, terwijl zij dat niet zijn op het gebied van het aantasten van de biodiversiteit. ¶Een andere kwantitatieve methode om de duurzaamheid van voedselproductieke- tens te meten is de exergieanalyse (Apaiah et al., 2006). In deze methode worden inzichten uit de LCA-methode gebruikt, maar er wordt hier uiteindelijk maar één score berekend: de exergiewaarde. Deze methode kan aantrekkelijk zijn omdat het voedselproductiesystemen op duurzaamheid vergelijkt met slechts één waarde. In hun artikel Exergy Analysis: A tool to study the sustainability of food supply chains vergelijken zij de voedselproductiesystemen van erwtensoep, varkensvlees en een eiwitvervanger op basis van erwten. Met deze methode wordt exergie, de kwaliteit van energie, gemeten over een heel voedselproductieproces (Apaiah et al., 2006:2). Het nadeel van de exergieanalyse is dat alle delen in het productiepro- ces moeten worden omgezet in exergiewaarden. Niet al deze waarden zijn bekend, zoals de energie die het bemesten kost, of alle transportkosten (Apaiah et al., 2006:3). Daardoor is een exergieanalyse niet volledig. Afgezien van het feit dat niet alle exergiewaarden bekend zijn en dat een berekening daarvan te lang kan gaan duren omdat bepaalde gegevens moeilijk te 14. Zie voor een uitgebreide beschrijving van LCA Jeroen Guinée, Handbook on achterhalen zijn, kunnen sommige milieueffecten niet in exergiewaarden worden uitge- life cycle assessment operational guide drukt. Dit geldt bijvoorbeeld voor het verlies van biodiversiteit. Deze beperkingen van de to the ISO standards, Kluwer Acadamic exergieanalyse komen deels overeen met die van de LCA-methode. Publishers, Dordrecht 2002.28
  • 3.2 Kwalitatieve methoden om duurzaamheid te onderzoeken DE UITWER KI NG VAN transitie naar duurzaamheid kan op een kwalitatieve wijze plaatsvinden aan de hand van beschrijvingen van drie behoeften die, zoals in de Brundt- land-definitie, bij duurzaamheid genoemd worden. Er wordt dan van uitgegaan dat duurzaamheid bestaat uit de economische, sociale en ecologische behoeften. Een methode die in dit kader wordt toegepast is het beschrijven van de behoeften binnen hetmeetmethode specifieke perspectief van people, planet en profit (PPP). Omdat in de Brundtland-definitie van duurzaamheid de vervulling van behoeften niet geduid wordt is er in deze scriptie voor gekozen om die behoeften te vertalen aan de hand van het inmiddels veel gebruikte concept PPP. De aspecten people, planet en profit kunnen gezien worden als een duiding van een denkrichting. Duurzaamheid is dan geen getal of einddoel maar een richting van handelen. Het PPP biedt dan zelf ook geen analytisch kader, maar is wel een handvat voor een beschrijving van hoe actoren met duurzaamheid omgaan. ¶Ook om de duurzaamheid van het voedselsysteem te beschrijven wordt dit kader gebruikt. In ‘De drijvende krachten achter het eiwit’ gebruiken Elferink en Rougoor het concept people, planet en profit om de drie behoeften van duurzaamheid te beschrijven (Elferink & Rougoor, 2010:8). In de varkenssector wordt PPP gebruikt in het project ‘Varkansen’. In dat project wordt nog een vierde ‘P’ toegevoegd: pigs. Dit project van de Universiteit van Wageningen heeft als doel de varkenshouderij te verduurzamen door middel van stalontwerpen (WUR, 2009:4). Het project Varkansen biedt interessante inzichten voor dit onderzoek omdat met behulp van de aspecten PPP gezocht is naar verduurzaming van de varkenshouderij. In het project wordt duurzaamheid gezien als een proces dat zich doorontwikkelt. Verduurzamen staat in het project naast de thema’s dierenwelzijn, milieu, klimaat, minimaal energiegebruik en goede landschapsinpassing voor een gezonde economie, werkplezier, het voortbestaan van bedrijven en voedselpro- ductie voor de groeiende wereldbevolking (WUR, 2009:6). Deze inzichten leiden tot een definitie die voortborduurt op de eerder gebuikte Brundtland-definitie (1987) en wordt in deze scriptie gehanteerd als de navolgende werkdefinitie van duurzaamheid: ‘(…) verduurzamen is het streven om continu tegemoet te komen aan zoveel mogelijk behoeften tegelijk, zonder nadelige gevolgen voor toekomstige generaties’ (WUR, 2009:6). De behoeften worden bij Varkansen beschreven als wat wil het varken, wat wil de varkenshouder, wat wil het milieu en wat wil de burger-consument15 (WUR, 2009:7-13). De standaarden die aan PPP gekoppeld zijn kunnen dan beschreven worden voor de varkenssector. In box 3.1 is de invulling van deze behoeften weergegeven zoals die beschreven zijn in het project ‘Varkansen’. 15. Met burger-consument wordt bedoeld dat mensen maatschappelijke behoeften of eisen hebben en econo- mische behoeften. 29
  • Box 3.1 Behoeften duurzame varkenshouderij (WUR, 2009) Varken - Rusten: samen met andere varkens comfortabel rusten. - Verzadiging: samen met andere varkens onbeperkt eten. - Exploratie: samen met andere varkens verkennen. - Excretie: in aparte ruimte kunnen mesten en urineren. - Sociaal gedrag: samen met andere varkens kunnen zijn. - Zelfverzorging: zichzelf kunnen verzorgen. - Thermocomfort: omgeving met juiste temperatuur. - Veiligheid: vrij van angst voor soortgenoten of anderen - Gezondheid: geen omgerief ervaren. - Beweging: normaal kunnen bewegen, zonder obstakels - Seksueel gedrag: seksueel gedrag kunnen vertonen. - Nestbouwgedrag: nest kunnen bouwen gescheiden van ander varkens. - Maternaal gedrag: moedergedrag kunnen vertonen. Varkenshouder - Economische duurzaamheid: goed inkomen, bedrijfscontinuïteit. - Autonomie: keuzevrijheid als ondernemer. - Maatschappelijke erkenning: waardering als producent en voor de producten. - Sociaal welbevinden: arbeidsvreugde, goede arbeidsomstandigheden. Milieu in omgeving bedrijf - Lokaal borgen van bodem, lucht en waterkwaliteit. - Behouden van landschap, niet verstoren omgeving. Milieu in keten en wereldwijd - Minimaliseren klimaatverandering door menselijk gedrag. - Minimaliseren gebruik fossiele energie. - Beperking en terugwinning andere eindige hulpstoffen. -Sluiten mest- en voer kringlopen. - Voorkomen verlies biodiversiteit, variëren landgebruik. - Voorkomen verlies biotopen. Burger-consument - Respect voor dieren, natuur en milieu: dieren moeten in natuurlijke omgeving leven. - Harmonieus samenleven: boeren leven harmonieus met vee, stallen passen in het landschap. - Geborgde productieomstandigheden: vlees moet smakelijk zijn, maar ook veilig. Daarbij moet gezegd worden dat in het project ‘Varkansen’ voor de behoefte van het varken uitgegaan van de kwaliteit van het leven zoals die door dieren zelf wordt ervaren. De varkenshouder is belangrijk voor duurzame varkensstallen, omdat zonder dat de behoeften van de varkenshouder vervuld worden een stalontwerp nooit van de grond zal komen. Bij de behoeften van het milieu is in het project rekening gehouden met de effecten op lokaal en op mondiaal niveau. Dit onderscheid is weergegeven in Box 3.1. Bij de behoeften van de burger-consument is rekening gehouden met wensen op maat- schappelijk vlak, de burgerwensen en met wensen op economisch vlak, de wensen van de consument (WUR, 2009:7-13). ¶Door de beschrijving van verduurzamen in termen van de genoemde behoef- ten kunnen deze behoeften gezien worden als doelen van een duurzame varkenshoude- rij. Bij transitie gaat het dan om de richting van de verandering: naar de realisatie van deze doelen en wel van zoveel mogelijk doelen tegelijk. ¶De in paragraaf 3.1 genoemde kwantitatieve methoden zijn meetinstrumenten om de duurzaamheid van een productieketen te meten, waardoor er ook gemeten kan worden wat het effect is van een handeling om de betreffende keten te verduurzamen. De kwalitatieve methoden zijn hulpmiddelen om duurzaamheid te beschrijven. Het analyseren van transitiepotentieel gebeurt met het doel van verduurzamende mogelijk-30
  • heden. Met de analyse van transitiepotentieel wordt niet gemeten hoe groot een effect is. De invulling van de PPP-methode in het project Varkansen is bruikbaar omdat de behoeften van duurzaamheid uitgewerkt in people, planet, profit en pigs de richting weergeeft van het doel van een transitie naar een duurzame varkenssector. Duurzaam- heid is dan geen vast doel, maar een handelingsrichting, waarin zich een verandering voltrekt. Zonder een richting van verandering te duiden kan er geen transitiepotentieel onderzocht worden. Hiermee wordt bedoeld dat het transitiepotentieel een beschrijving is van de mogelijkheden voor start van een verandering. In de volgende paragraaf wordt beschreven hoe het handelen in de richting van duurzaamheid vorm krijgt. 3.3 Transitie sturen WAT IS ER nodig om in de richting van duurzaamheid te handelen? Waar moeten veranderingen plaatsvinden om tot duurzaam handelen te komen? Eigenlijk zijn dit de vragen die ten grondslag liggen aan het begrip transitiepotentieel. Transitiepotentieel is een concept uit de systeemtheorie. Aan de hand van de concepten regime en niche uit het MLP kan transitiepotentieel inzichtelijk gemaakt worden. Grin et al. (2010) stellen dat een transitie voortkomt uit een complexe interactie tussen het landschap, een regime en concurrerende niches. Omdat bij het onderzoek naar transitiepotentieel er een bepaalde richting van verandering aangenomen wordt kan de transitie ook beschouwd worden als een sturingsvraag. In deze scriptie wordt aangenomen dat de transitie naar een duurzamere varkenssector gewenst is. Hoe kan de transitie naar die duurzame sector gestuurd worden? Bij de sturingsvraag kan de systeemtheorie en het MLP uikomst bieden. Het MLP wordt door Grin et al. (2010) gebruikt vanuit een governance-perspec- tief: kan het handelen naar duurzaamheid gestuurd worden? ¶In het systeemdenken en het MLP wordt verondersteld dat systemen in bewe- ging zijn. Daaruit vloeit de vraag voort of de richting van die beweging beïnvloed kan worden. In voorgaande hoofdstukken kwam naar voren dat het voedselsysteem in het algemeen en het varkensregime in bijzonder onder druk staan. Vervolgens is er beschre- ven dat er een verandering naar een duurzamere varkenssector gewenst is, waarin de behoeften zoals beschreven in Box 3.1 zoveel mogelijk vervuld worden. Het onderzoeken van transitiepotentieel wordt gedaan vanuit de aanname dat met de kennis van transitie- potentieel er gestuurd kan worden naar de gewenste richting van transitie: duurzaam- heid (Grin et al., 2010). Daarmee kan gesteld worden dat het systeemdenken en het MLP geschikt zijn als theoretisch raamwerk om het transitiepotentieel te onderzoeken. ¶Een sturingsvraag kan gezien worden als een governance-issue. Het valt buiten het bereik van deze scriptie om uitgebreid stil te staan bij de precieze achter- grond van het begrip governance16 . Hier wordt hier volstaan met een werkdefinitie: bij een governance perspectief wordt er van uitgegaan dat het proces van sturen van maat- schappij en markt niet louter bij een centrale overheid ligt (Grin et al., 2010:223). Dat betekent dat de macht om sturing te geven aan een transitie bij verschillende actoren kan liggen in de varkenssector. Vanuit de theorie van het MLP worden handvatten aangereikt voor die sturing. Het sturen van transities wordt daar transitiemanagement (TM) genoemd, daarbij wordt gepoogd om het sociale systeem te beïnvloeden naar een duurzame richting, om weerbarstige problemen op te lossen (Grin et al., 2010:108). Bij TM wordt uitgegaan van de aanname dat volledige controle over hardnekkige problemen (in casu de onduurzaamheid van het varkenssysteem) niet mogelijk is, maar dat dergelijke problemen gestuurd kunnen worden door aanpassingen en beïnvloeding door het organiseren van een gezamenlijk zoek- en leerproces in de richting van duur- zaamheid. De essentie van TM is dat het focust op zowel inhoud als het proces van het organiseren van een participatoir stakeholder proces met leren en experimenteren als doel (Grin et al., 2010:140). Het in Hoofdstuk 2 beschreven actornetwerk is als de metho- de van TM gevolgd wordt van belang om inzicht te krijgen in die verschillende stakehol- ders in de varkenssector. Er moet dan geanalyseerd worden hoe deze actoren handelen met betrekking tot duurzaamheid. De ideeën uit TM kunnen een kader bieden om de16.Voor een uitvoerige beschrijvingvan het begrip ‘governance’ zie Jon sturingsvraag van transitie naar een duurzaam systeem handvatten te geven.Pierre & B. Guy Peters, Governance, ¶TM bestaat uit componenten in een viertal fases: 1) structureer het probleem inPolitics and the State, Palgrave Mac- een vraag en organiseer een transitiearena; 2) ontwikkel een transitieagenda, een visie opmillan New York, 2002. duurzame ontwikkeling en ontwikkel de transitiepaden; 3) creëer transitie-experimen- 31
  • ten en voer die uit en mobiliseer de resulterende transitienetwerken; 4) monitor, evalu- eer en trek lessen uit deze experimenten en pas visie, agenda en netwerken aan. Hierbij wordt door de auteurs vermeld dat deze fases niet in een vaste volgorde verlopen (Grin et al., 2010:141). Deze fases kunnen gebruikt worden als kader voor het onderzoeken van transitie- potentieel. De fase ‘structureren van het probleem’ is dan het issue van het verduurzamen van de varkenssector. De genoemde behoeften in termen van people, planet, profit en pigs in paragraaf 3.3 kunnen beschouwd worden als een visie op duurzame ontwikkeling en agendavorming. In het onderzoek naar transitiepotentieel wordt gekeken naar bestaande experimenten. Het project ‘Varkansen’ kan als een dergelijk experiment beschouwd worden. Uit de evaluatie van ‘Varkansen’ en andere projecten die onderzocht worden in deze scriptie kunnen succesfactoren voor transitie benoemd worden. ¶Naast bovengenoemde vier fases noemen de auteurs een aantal principes. Ten eerste; het creëren van ruimte voor innovaties in niches of arena’s. Hierdoor krijgen nieuwe ideeën de ruimte om zich te ontwikkelen. Hierin komt de sleuteleigenschap van adaptieve systemen ‘opkomst’ in terug, dus of noviteiten opkomen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Ten tweede; de focus op voorlopers. Voorlopers zijn actoren die de capaciteit hebben om eigen structuren op te zetten. Begeleide variatie en selectie, waardoor inflexibiliteit in het systeem wordt ontweken. Ten derde; het principe van radicale verandering in incrementele stappen. Dit volgt uit de theorie van complexe systemen dat een systeemverandering radicaal moet zijn, maar niet geforceerd uitge- voerd kan worden. Ten vierde het principe van empowering niches. Hiermee wordt het bestaan van niches op het gebied van kennis, financiën, lobby en ruimte voor experimen- ten bedoeld. Hierin komt de sleuteleigenschap van adaptieve systemen ‘co-evolutie’ terug. Het regime en de niches kunnen met elkaar co-evolueren waarbij de het regime de niche absorbeert of de niche het regime overneemt. Ten vijfde is er het principe van ‘al doende leren en al lerende doen’: hiermee wordt bedoeld dat bij TM geprobeerd wordt om zowel praktische als theoretische kennis te vergroten. Tot slot is er het principe van anticipatie en aanpassing: dit is de strategie dat ook tijdens het transitieproces aanpas- singen worden gemaakt. (Grin et al., 2010:145-146) ¶Wat voegen deze principes van TM toe aan het onderzoek naar transitiepoten- tieel? Ten eerste kan het onderzoeken van transitiepotentieel gezien worden in het licht van transitiemanagement. Bij de eerdergenoemde fases kwam al naar voren dat het creëren van ruimte voor ontwikkeling een component is van TM. Bij het zoeken naar transitiepotentieel wordt er gezocht naar die ruimte. Ten tweede is het zoeken naar voorlopers onlosmakelijk verbonden met de ruimte voor transitie. Er kan dan gekeken worden welke actoren mee bewegen naar een duurzamere varkenssector. Bij het vinden en beschrijven van voorlopers of ‘champions’ (Drift, 2008:84) kunnen succesfactoren gevonden worden waar transitiepotentieel uit blijkt. In het regime kan onderzocht worden of er incrementele veranderingen plaatsvinden. Met andere worden: of het regime zelf beweegt naar een duurzame varkenssector. Bij het principe van empowering niches moet in het geval van de varkenssector gekeken worden welke niches met elkaar co-evolueren. De laatste principes betreffende al doende leren en anticiperen zijn minder van belang in dit onderzoek omdat deze principes van toepassing zijn tijdens de duur van transitiemanagement. In dit onderzoek wordt transitiepotentieel gezien als de start van transitiemanagement. ¶Voor het onderzoeken van transitiepotentieel is het nodig duidelijk te krijgen welke actoren en structuren in het regime al een verandering naar een duurzaam systeem nastreven. In de woorden van het Drift-rapport Eiwittransitie: “Wat koppelt er mee en wat tegen?” (Drift, 2008:36). Daarmee wordt bedoeld welke actoren, in beleid of handelen, dezelfde richting van duurzaamheid op willen gaan. In het Drift-rapport Eiwittransitie wordt als onderzoeksaanbeveling een aanzet gegeven om van de verschillende eiwitsystemen het transitiepotentieel te onderzoeken met behulp van een actoranalyse (Drift, 2008:83). Het varkenssysteem is één van die eiwitsystemen. Het moet blijken of in het actornetwerk tussen de verschillende partners en binnen de actoren beweging waarneembaar is die op transitiepotentieel zou kunnen duiden. ¶Het transitiepotentieel wordt in deze scriptie onderzocht door verschillende actoren te interviewen. Dit zijn zowel actoren die opereren op zowel het regimeniveau als het nicheniveau. De interviewvragen en een verantwoording van de interviewtechniek staan vermeld in bijlage 1. Met deze vragen wordt geprobeerd duidelijk te krijgen of de32
  • geïnterviewde actoren in de richting van duurzaamheid handelen. Daarnaast wordtgevraagd welke belemmeringen en kansen er zijn: “Wat koppelt er mee en wat tegen?” ¶Naast de interviews worden bestaande publicaties geraadpleegd over devarkenssector en over de totstandkoming van veranderingen in de varkenssector. Omeen zo breed mogelijk beeld te krijgen komen de geraadpleegde publicaties uit verschil-lende bronnen als vakbladen, onderzoeksartikelen en beleidsnotities van de verschil-lende actoren uit de sector. ¶De onderzoeken van transities op basis van TM kent ook kritiek. Shove enWalker (2007) becommentariëren de transitiemethode en geven vier waarschuwingen bijhet nieuwe onderzoeksveld. Ten eerste is er altijd sprake van macht en belangen bij eentransitie (Shove & Walker, 2007:3). Als transitie gestuurd kan worden is er ten eerste dekeuze van de richting normatief. Daarbij is er de vraag welke definitie gevolgd wordt. Indit onderzoek is al naar voren gekomen dat het operationaliseren van duurzaamheid inde varkenssector moeilijkheden met zich meebracht. Daarbij is er ook de vraag welkemacht een eventuele transitiemanager heeft en vanuit wiens macht hij opereert. Tentweede kan de theorievorming ook gebuikt worden door ‘business-as-usual’ actoren: hetstaand regime (Shove & Walker, 2007:6). Ten derde zijn er ook transities die een andererichting opgaan dan die van duurzaamheid. De transitieliteratuur geeft volgens deauteurs geen antwoord hoe daar mee om te gaan (Shove & Walker, 2007:7). Een vierde enin deze casus interessante waarschuwing is dat de nadruk van de transitieliteratuur optechnologie ligt. De duurzaamheidsoplossingen komen dan van de aanbodzijde. Er is inde theorie nog weinig beschreven over de onduurzame vraag van de consumenten. Voorde verduurzaming van varkensvlees is dat interessant. In dit onderzoek wordt onder-zocht wat de sector zelf, aan de aanbodzijde, doet aan duurzaamheid. Maar dit legt ookde zwakheid bloot van de theorie dat er niet ingegaan wordt op de onduurzame vraagvan de consumenten naar veel en goedkoop vlees. ¶Omdat het onderzoek gezien wordt als een begin van een transitiemanage-mentcyclus kan er juist rekening gehouden worden met deze kanttekeningen. Zo kanbij het onderzoek ook gekeken worden naar de machtsbalans in de sector als onderdeelvan transitiepotentieel. Daarnaast kan er onderzocht worden of het staand regimereageert op een wijze wat Shove en Walker (2007) ‘business-as-usual’ noemen. Door hetliteratuuronderzoek en aan de hand van de interviews wordt gekeken naar waar er in hetbestaande regime openingen zijn naar een duurzamere varkenssector en waar er kansenzijn voor een transitie naar een duurzame varkenssector.3.4 Samenvatting en deelconclusieOM TE ONDERZOEKEN wat het transitiepotentieel van de varkenssector naar eenduurzamer systeem is, is in dit hoofdstuk het concept transitiepotentieel uitgewerkt.Daarvoor zijn kwantitatieve en kwalitatieve methoden beschreven. Transitiepotentieelis beschreven als de ruimte in een systeem en als start van een verandering. Daarom is ergekozen voor een kwalitatieve benadering, te meer omdat een kwalitatieve benaderingvooral gebruikt wordt om effecten te meten en niet om het startpunt te onderzoeken.De richting van de transitie is kwalitatief uitgewerkt aan de hand van de doelen van hetproject Varkansen met betrekking tot de behoeften van varken, varkenshouder, milieuen burger-consument. Duurzaamheid kan dan beschouwd worden in termen van hetvoorzien van de behoeften van varken, varkenshouder, milieu en de burger-consumentop een manier die ook in de toekomst uitvoerbaar is. Tot slot is het transitiepotentieelbeschreven als onderdeel van transitiemanagement, voortvloeiend uit de theorie vancomplexe systemen. Daarbij is de kanttekening gemaakt dat TM enkele beperkingenkent, maar dat deze juist bij de beschrijving van transitiepotentieel als start van TMrekening gehouden kan worden 33
  • 4 TRANSITIEPOTENTIEEL VAN DE ACTOREN OM H ET TRANSITI EPOTENTI EEL in de varkenssector te analyseren wordt onder- zocht hoe verschillende actoren zich bewegen naar een duurzamere varkenssector. In Hoofdstuk 3 werd beschreven dat transitiepotentieel een richting van handelen vooron- derstelt. In dit hoofdstuk wordt van een aantal actoren in de varkenssector deze bewe- ging naar een duurzamere varkenssector onderzocht. Aan de hand van interviews met en publicaties van de verschillende actoren wordt onderzocht hoe zij zich inzetten om tot een duurzamere varkenssector te komen. Deze duurzaamheid wordt dan beschouwd als handelen waardoor de vier behoeften van people, planet, profit en pigs gediend worden. Daarbij wordt expliciet gevraagd naar kansen en belemmeringen die de actoren daarbij ondervinden. Hierdoor ontstaat er een beeld van wat er, in termen van het rapport Eiwittransitie, ‘tegen en mee koppelt’ met een duurzame varkenssector. Ook wordt er onderzocht in welke fase de transitie in de varkenssector zich bevindt. Daarvoor moet bekeken worden of er structuren zijn en of die zichtbaar zijn (Grin et al., 2010:126). ¶Om de varkenssector te beschrijven worden in dit hoofdstuk worden de actoren net als in eerdere hoofdstukken onderverdeeld in ketenpartners in paragraaf 4.1 en niet-ketenpartners in paragraaf 4.2. In het transitiemanagement wordt dit onder- transitie & scheid niet gemaakt, echter in verschillende studies naar voedselketens of veehouderijen wordt dit onderscheid wel gemaakt (Gerbens-Leenes et al., 2003; Apaiah et al., 2006). Het feit dat er in ketens gedacht wordt kan beschouwd worden als een norm in het regime van voedselproductie. ¶Omdat actoren in niches anders omgaan met de staande normen dan in het regime zou gesuggereerd kunnen worden dat veranderingen in het varkensregime gepaard gaan met veranderingen in de keten. Ook wordt er in de transitieliteratuur van uitgegaan dat transities nieuwe actoren met zich meebrengen (Paredis,2009: 20). Er wordt daarom ook onderzocht of er nieuwe actoren zijn aan te wijzen. Daarnaast wordt bekeken wat de onderzochte actoren onder duurzaamheid verstaan en hoe zij omgaan met het voorzien in de verschillende behoeften. Doen de actoren dit integraal, of gaan zij uit van één bepaalde behoefte? Tot slot wordt er aan de hand van de gepresenteerde data aangegeven in welke fase van transitie de varkenssector zich op basis van het Multifase- concept bevindt. ¶Bij de beschrijving van de verschillende actoren wordt eerst benoemd of het hier regime of nichespelers betreft. Vervolgens wordt beschreven hoe het handelen van de actoren geduid kan worden met betrekking tot transitiepotentieel.De verschillende interviews zijn gehouden onder nichespelers en regimespelers in de varkenssector. Deze spelers zijn onder de aandacht gekomen na een oproep in de discussiegroep Duurzaam Voedsel op de netwerksite www.linkedin.com. Daarnaast zijn publicaties en websites gebruikt van verschillende actoren in het actornetwerk. 4.1 De ketenactoren I N DEZE PARAGRAAF wordt eerst uiteengezet hoe de verschillende actoren in de keten bewegen naar duurzaamheid. In het literatuuronderzoek en de interviews is gezocht naar hoe de actoren in de behoeften van de verschillende stakeholders worden voorzien. Hiervoor worden de aspecten people, planet profit en pigs gebruikt als een dui- ding van de handelingsrichting naar duurzaamheid. 4.1.1 De voerproductie I N HOOFDSTUK 2 kwam naar voren dat varkens gehouden werden als dier dat leefde van afval van het boerenbedrijf. Tegenwoordig is het varkensbedrijf een core business, waardoor er ook een verandering is opgetreden wat betreft het voeren van varkens. In de intensieve varkenshouderij wordt veel gebruikt gemaakt van hoogwaardig voer uit veevoerfabrieken. De grondstoffen voor dit voer, veelal soja, komen vaak uit Zuid-Ame- rika (Blonk, 2008:v). Omdat de veevoerproducenten een belangrijk onderdeel zijn van de34
  • huidige intensieve veehouderij en daarmee ook de varkenshouderijen kunnen zij beschouwd worden als regimespelers. ¶Momenteel wordt onder andere door de FAO onderzocht wat de mogelijkhe- den zijn om vee te voeren met reststromen (FA0, 2002). In Nederland gebruikt het veevoerbedrijf Nijssen/Granico verschillende reststromen uit de voedselindustrie om onder andere varkensvoer te produceren (www.nijsen-granico). Het idee is dat het gebruiken van reststromen minder milieueffecten met zich meebrengt (FAO, 2002:303). Behalve door Nijssen/Granico wordt ook op kleinere schaal reststromen gebruikt om varkens te voeren. Zo gebruikt worstenmaker Levi & Brandt afval van cateraars en groenteboeren om de varkens te voeren waarvan zij hun worsten maken. In een inter- view met initiatiefnemer Samuel Levi kwam naar voren dat de varkens in het bedrijf nog niet alleen gevoerd kunnen worden met de ingezamelde etensresten. Levi & Brandt voeren nu hun varkens voor 10-20% uit reststromen. Doel is om dat naar 60% te brengen. Samuel Levi is geïnterviewd omdat hij op verschillende manieren betrokken is bij het voedselsysteem en de varkenssector. ¶Duurzaamheid is voor Levi & Brandt conform de Brundtland-definitie: in sociale en economische behoeften voorzien, zonder de mogelijkheid van het vervullen van die behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Voor Levi heeft de sociale component ook een cultureel aspect: de behoefte en genot van voedsel als voedsel- cultuur. Dat betekent dat eten meer is dan het binnenkrijgen van voedingsstoffen. Met zijn adviesbureau The Greenpeas wil hij adviezen geven over good practices in de voed- selsector met betrekking tot duurzaamheid. Een mogelijkheid voor meer duurzaamheid in de varkenssector is volgens Levi om meer te doen met reststromen. Er wordt volgens hem veel eten weggegooid waar varkens van kunnen leven. Een belemmering bij het gebruik van reststromen is dat je varkens dan niet in vijf maanden, maar in acht maanden op gewicht brengt, stelt hij: restafval is niet hoogwaardig 17 genoeg voor een snel traject. Deze belemmering kan gezien worden als een normatieve regel in het staand regime. Het op gewicht brengen van varkens in vijf maanden wordt namelijk als normaal gezien. ¶Een andere belemmering van het inzetten van reststromen voor varkensvoer is de regelgeving omtrent reststromen. Varkens zijn alleseters en zouden ook slachtafval kunnen eten om zo aan hun eiwitten te komen. Na de BSE-crisis is gebruik van dierlijke resten als voedingsstof verboden. Echter bij het Ministerie van Landbouw is er hetactoren beleidsdoel om reststromen optimaal te benutten. Daarom wordt er nu onderzocht wat de mogelijkheden zijn van het gebruik van restproducten, waaronder die van dierlijke oorsprong (nVWA, 2011). ¶Op het gebied van voerproductie lijken er mogelijkheden te zijn voor een duurzamer systeem in de varkenssector. Het gaat dan met name om duurzaamheid als de beperking van nadelige milieueffecten. Bij regimespelers is er beweging naar het gebruik van reststromen als bron van veevoer. Dit kan als duurzaam beschouwd worden omdat de milieueffecten kleiner zijn, omdat er geen schepen met soja uit Zuid-Amerika hoeven te komen en er in Zuid-Amerika geen land gebruikt wordt voor de productie van veevoer met nadelige effecten voor het milieu daar. Een regimespeler als Nijsen/Granico gebruikt al niet-dierlijke reststromen. Ook op het regulatieve vlak is de overheid aan het onderzoeken of wetgeving veranderd kan worden. Een nichespeler als worstenmaker Samuel Levi merkt wel dat er nog flinke stappen gemaakt moeten worden om varkens meer te voeren met reststromen. Zoals geldt voor de norm in het staand regime dat de varkens binnen een bepaalde tijd opgemest moeten worden. In de diervoerketen lijkt er een beweging te zijn naar duurzaamheid vooral op het vlak van de ecologische behoefte door het milieu te ontlasten door reststromen te gebruiken. 4.1.2 De varkenshouder I N H ET ACTOR NETWER K van de varkenssector is de varkenshouder de belangrijk- ste actor. In het project ‘Varkansen’ speelt de varkenshouder een centrale rol. Een varkens- bedrijf kan alleen duurzaam zijn als ook in de behoeften van de varkenshouder wordt voorzien (WUR, 2009:10). Maar hoe gaat die varkenshouder zelf om met duurzaamheid? 17. Hoogwaardig veevoer is verwerkt Voor dit onderzoek is de varkenshouder Han Rutgers geïnterviewd. Daarnaast zijn twee voer met de juiste hoeveelheden projecten met varkenshouders bekeken en zijn Marion Verhoeven van de Keten Duur- voedingsstoffen voor de gewenste doeleinden. zaam Varkensvlees (KDV) en de projectbegeleider van het project Ecologische Boeren In 35
  • Samenwerking (EBIS) Harm Wientjes geïnterviewd. Deze twee laatste projecten zijn naar voren gekomen in de genoemde oproep op de Duurzaam Voedselgroep op de netwerksite www.linkedin.com. Han Rutgers heeft een bedrijf met 570 zeugen, 120 opfokzeugen, 2 dekberen, 2.000 biggen. 2.000 vleesvarkenplaatsen. Dit bedrijf is zowel een vermeerderingsbedrijf als een bedrijf waar de vleesvarkens worden opgemest. Dit bedrijf wordt in dit onderzoek beschouwd als een regimespeler omdat het als intensieve varkenshouderij past in de normen van het huidige regime van het varkenssysteem. Hoe gaat dit bedrijf om met de druk van het landschap en opkomende niches? En hoe beweegt dit bedrijf naar duur- zaamheid in termen van voorzien in de behoeften van varken, varkenshouder, milieu en de burger-consument? ¶Voor Han Rutgers is duurzaamheid het optimaal benutten van grondstoffen en het optimaal benutten van wat je produceert en daarbij zo min mogelijk het milieu belasten. Hij stelt dat het economische aspect, profit, het vertrekpunt is: “Alle mooie, duurzame initiatieven kunnen alleen slagen als het economisch rendabel is.” (Han Rutgers, varkenshouder) Om het milieu te ontlasten zet hij sterk in op zijn energiehuishouding. De stallen hebben in totaal 800m2 zonnepaneel op het dak. Voor het verwarmen van zijn stal gebruikt hij een houtkachel die zaagsel van lokale zagerijen verbrandt. Het lokaal ondernemen geeft hij ook vorm door zijn varkens voor de helft te voeren met lokaal geproduceerde maïs en tarwe. ¶Wat betreft dierenwelzijn behoort Rutgers tot de bedrijven die hun beren18 niet castreren. Ook mest hij beren op. Andere bedrijven doen dat niet omdat die bedrij- ven menen dat beren opmesten veel moeilijkheden geeft. Maar volgens Rutgers gaan beren efficiënter om met voer, waardoor de gemiddelde voederconversie19 lager ligt, waardoor er efficiënter met voer omgegaan wordt. Hij wilde met zijn bedrijf graag overstappen op het 1-stervlees20 maar wilde daar niet alleen de kostprijs voor terug zien. Hij denkt dat consumenten best meer willen betalen voor vlees, maar dat niet doen omdat het nu zo goedkoop wordt aangeboden. Hij hoopt bij een volgende ronde, waar- bij varkenshouders geselecteerd worden, wel mee te doen. ¶Han Rutgers beschrijft enkele obstakels voor duurzame initiatieven in de varkenshouderij. Zo zou hij graag anders omgaan met zijn mest. Nu worden de vaste en vloeibare uitwerpselen opgevangen in de mestkelder. Het verwerken van mest is aan bepaalde eisen gebonden en vormt een kostenpost. Tegenwoordig zijn er mobiele mestscheiders. Dit zijn machines die in enkele uren de mestkelder leegpompen en scheiden in vloeibare en vaste stoffen. Afzonderlijk zijn deze stoffen geld waard als meststof voor andere sectoren in de landbouw. Volgens Rutgers loopt de wetgeving nog achter, waardoor deze oplossing moeilijk van de grond komt. De vloeibare mest zou dan opgeslagen moeten worden in een opslagtank. In die tank leven bacteriën die meststof zuiveren tot een product wat geloosd kan worden in oppervlaktewater. Echter dat proces moet wel gecontroleerd worden. Maar volgens Rutgers wordt zijn bedrijf al elke drie maanden door verschillende instanties gecontroleerd: dan kan dit er wel bij. De kosten van die controle zullen volgens hem opwegen tegen de baten van de meststoffen. Han Rutgers ziet ook dat er op het gebied van stalontwerp, zoals bij de kraamstallen, veel gebeurt op het gebied van diervriendelijkheid. Dit heeft echter wel tijd nodig. In een interview in agrarisch vakblad AGD noemde Rutgers zichzelf een ondernemer die tot de 18. Mannetjesvarkens voorlopers behoort, maar niet als allereerste nieuwe inzichten en innovaties toepast 19. De voederconversie is een getal wat (www.agd.nl). Aanpassingen van de stallen zullen daarmee even op zich laten wachten. weergeeft hoeveel kilogram voer er nodig Han Rutgers is een voorbeeld van een intensieve varkenshouder. Uit zijn antwoorden is voor een kilogram vlees. Bij Han Rut- gers is dat 2,56kg voer per kg vlees. blijkt dat hij op de verschillende vlakken van duurzaamheid al verandert of wil verande- ren. Op basis van één interview kan echter niet gesteld worden dat dit voor alle inten- 20. Het 1-stervlees is een maatstaf sieve varkenshouders geldt. Wel zou voorzichtig aangenomen kunnen worden dat de van het keurmerk Beter Leven waarbij voorwaarden worden gesteld aan keuzes waarvoor Rutgers staat exemplarisch zijn voor intensieve varkenshouders. dierenwelzijn. Dit is een initiatief van ¶Om meer inzicht te krijgen in het transitiepotentieel van de varkenssector is de Dierenbescherming in samenwer- het nodig om ook varkenshouders te bekijken die zich op nicheniveau bevinden. Deze king met veehouderijen, de retailsector en cateraars. Zie voor een uitgebreide spelers volgen andere normen dan de regimespelers. Eén vorm van hoe die nichespelers beschrijving: http://beterleven.dierenbe- te werk gaan is via allianties. Een voorbeeld van zo’n alliantie is Ecologische Boeren In scherming.nl/36
  • Samenwerking (EBIS), waarbij twee melkveehouders, één zeugenhouder en één geiten-houder een samenwerking aangaan om duurzame doelen te bereiken (Ekoland, 2010:32).Deze doelen omschrijven zij als het op lokaal niveau zo veel mogelijk de kringlopen vanmineralen en energie tussen producent, consument en industrie op elkaar laten aanslui-ten. De bedrijven willen een regionaal productiesysteem opzetten dat is gebaseerd opkringlopen. Naast grondstoffen uit de regio, willen zij daarvoor ook reststromen uit deregio gebruiken. Een belangrijk aspect van EBIS is dat de daarbij aangesloten boerenbiologische producten verkopen, aldus projectbegeleider Harm Wientjes. Dit betekentdat het naast het voldoen aan de aan het dierenwelzijn gestelde eisen, er geen sprake magzijn van gebruik van kunstmest. Ook moet het voer biologisch moet zijn, willen produc-ten het label biologisch mogen dragen. Andersom kan de mest uit het EBIS projectgebruikt worden voor biologische landbouwers, zodat zij het label biologisch kunnendragen. Voor Wientjes is duurzaamheid een breed begrip en het is nodig dat te vertalen inde praktijk. Duurzaamheid is voor hem het op elkaar laten aansluiten van kringlopen enhet verbeteren het welzijn van dieren. ¶Volgens Wientjes is de huidige wetgeving geen belemmering voor het slagenvan het project EBIS. Wel zou het een kans zijn als de wetgeving stimulerend is. Dit kanbijvoorbeeld door stimulerende maatregelen om afval van productie van biologischvoedsel voor de humane sector te gebruiken voor veevoer in de biologische sector. Door tekijken naar het EBIS project lijkt het regime ruimte te bieden voor dergelijke initiatieven.Gesuggereerd zou kunnen worden dat dit te maken heeft met het feit dat biologischeproducten al een lange tijd deel uitmaken van de markt. En dat de marktniche vanbiologische producten onderdeel uit maken van het voedselregime. Daarbij moet welopgemerkt worden dat het label ‘biologisch’ niet hetzelfde is als duurzaam. Bij biologi-sche producten is er weliswaar sprake van eisen aan de omgang met dieren, maar ligt denadruk op de onthouding van kunstmatige stoffen als kunstmest en smaak- en geurstof-fen. Er zou gesteld kunnen worden dat biologische productie een stap is in de richtingvan duurzaamheid in de vorm van dierenwelzijn en daarmee een vorm is van transitiepo-tentieel. Echter, de milieueffecten als mestuitstoot kunnen nadeliger zijn dan bij niet-biologische productie (Blonk, 2008). ¶De EBIS is als alliantie anders dan een ketenafspraak omdat de betreffende vierboeren, die er deel van uitmaken, zich in verschillende ketens bevinden. Er wordt hierdus afgeweken van de norm in het staand regime om volgens de lijn van de keten tewerken. Met dit handelen proberen de boeren van EBIS tot duurzame oplossingen tekomen in de agrarische sector, met als onderdeel de varkenshouderij. ¶Misschien het meest concrete voorbeeld van een niche die zich bezighoudt metde verduurzaming van de varkenssector is de Keten Duurzaam Varkensvlees (KDV). In hetonderzoek naar transitiepotentieel in de varkenssector is het daarom interessant om tezien hoe deze nichespeler zich ontwikkeld heeft en zich verhoudt tot het staand regime. ¶KDV probeert een weg te vinden tussen de verschillende behoeften vanduurzaamheid. Op de site van KDV staat de spanning tussen economie en milieubeschreven als:‘Een van de paradoxen waar veel groene initiatieven mee worstelen is het feit dat maatregelen om het dierwelzijn te verbeteren vaak een negatief effect hebben op het milieu. Keten Duurzaam Varkensvlees probeert daarom een optimale balans te vinden tussen beide doelstellingen, zonder de mogelijkheid te verliezen om op te schalen. Zonder voldoende volume blijft de kostprijs immers onacceptabel hoog en blijven de cumulatieve resultaten op het gebied van dierwelzijn en milieu beperkt’. (www.duurzaamvarkensvlees.nl)Uit dit citaat komt naar voren dat er geprobeerd wordt aan de verschillende behoeftenvan duurzaamheid te werken. Marion Verhoeven, woordvoerder van KDV zet dit verderuiteen in haar visie op duurzaamheid. Van duurzaamheid is sprake wanneer er integraalduurzaam geproduceerd wordt. Daarmee bedoelt zij niet één onderwerp als welzijn ofalleen milieu uitvergroten en daar alles op aanpassen, maar bij iedere maatregel kijkenwat de integrale gevolgen zijn. Zij probeert dan in de praktijk beslissingen te nemen enregels te stellen die de integrale duurzaamheid verbeteren. Dat betekent voor de var-kenssector dat een duurzame varkenssector bestaat wanneer de productie duurzaam is.Daarbij moeten de duurzame producten wel verwaard kunnen worden in de markt. 37
  • In het interview kwam naar voren dat de start van de keten in 1997 ingezet is als reactie op nieuwe wetgeving omtrent de varkenshouderij. Er ontstond destijds een samenwer- king tussen de varkenshouderij en een milieuadviseur op het gebied van landbouw. Zij vonden dat de investeringen die nodig waren voor de nieuwe regelgeving terugverdiend moesten worden. Echter het vlees bleef merkloos en de varkenshouder moest concurre- ren met varkenshouders uit andere landen die niet aan de nieuwe eisen behoefden te voldoen. Het voldoen aan de strengere wetgeving moest als meerwaarde vermarkt worden, aldus Verhoeven. ¶KDV probeert in alle schakels van de keten naar duurzaamheid te streven. Hiertoe hebben zij een ketenregisseur De Hoeve ingesteld die de KDV beheert. Duur- zaamheid in de schakels betekent voor het voer dat KDV gebruik maakt van duurzame soja. Met de organisatie Solidaridad (www.solidaridad.nl) hebben zij afspraken om kleine boeren ondersteunen en het gebruik van groene stroom daar bevorderen. Daar- naast worden er in die samenwerking eisen gesteld aan natuurbeheer. In de varkenshou- derij zelf stellen zij wat betreft dierenwelzijn ruimere eisen: 1m2 per dier. In de keten zijn ingrepen als castreren, staarten couperen en tanden slijpen verboden. Preventief antibioticagebruik is binnen KDV verboden; KDV werkt met een innovatieproject naar een antibioticavrije sector. Wat betreft milieu is de eis dat de deelnemende varkenshou- ders twintig procent minder energie gebruiken en wordt er voor 2015 gestreefd naar een energieneutrale varkenshouderij. Ook wat betreft ammoniakuitstoot is er de eis dat deelnemende varkenshouders twintig procent minder uitstoot realiseren. ¶KDV is begonnen als een keten met enkele varkenshouders, die afspraken hadden met keurslagers. Tegenwoordig zijn er bijna 200 varkenshouders in de keten die naast de ambachtelijke en keurslagers hun vlees afzetten bij cateraars als La Place, Albron en supermarkten COOP en DEEN. Deze doorbraak kwam door de samenwerking met vleesverwerkers Kruiswijk en Lunenberg. Deze partijen hadden al een netwerk en afzetmarkt waardoor het duurzame varkensvlees beter in de markt kon worden gezet en meer bedrijven konden meedoen. Dit is mede te danken aan het feit, dat door de samen- werking de vierkantsverwaarding21 beter is geworden. ¶Ondanks de sterke groei van KDV ziet Marion Verhoeven ook belemmeringen voor een transitie naar een duurzamere sector. Binnen de sector is er veel wil om duur- zaam te produceren, stelt zij. Maar dat moet wel financieel haalbaar zijn. De reguliere productie staat nu onder druk omdat de producenten genoodzaakt zijn onder de kostprijs te leveren. ¶Een probleem is volgens Marion Verhoeven, dat er in de Nederlandse varkens- sector meer investeringen vereist zijn dan elders in de EU. Dit veroorzaakt een concurren- tieachterstand. Vlees voor zogenaamde ‘kiloknallers’ zijn buiten Nederland geproduceerd. De eisen omtrent dierenwelzijn zoals de norm voor m2 per dier zijn daar lager: 0,65 m2. De norm in Nederland is 0,8 m2 en die van KDV is 1.0 m2 per dier. Ook zijn elders de eisen omtrent mestuitstoot minder streng. Daarom stelt Marion Verhoeven dat het een kans kan zijn om een hoogwaardiger product te leveren en daardoor meer te verdienen. ¶Naast de oproep op www.linkedin.com komt de ketenregisseur De Hoeve ook naar voren in onderzoek naar de varkenssector. Het succes van KDV wordt toebedeeld aan het feit dat er een ketenregisseur is die meer macht heeft dan de zwakke positie van boeren alleen (Nijhoff-Savvaki et al., 2009:9). In het onderzoek van Nijhoff-Savvaki et al. kwam ook naar voren dat een ketenregisseur bij andere onderzochte projecten in het buitenland ook een factor van succes was, ongeacht of die ketenregisseur uit de keten zelf of vanuit de overheid kwam. (Nijhoff-Savvaki et al., 2009:11) Een ketenregisseur lijkt daarmee een rol te spelen in het succes van een transitie. Bij de actor varkenshouder is er op alle gebieden van duurzaamheid beweging. Daarbij lijkt er zowel in het regime als in de niches beweging te zijn naar het voorzien in de behoeften die bij duurzaamheid genoemd zijn. 4.1.3 De vleesverwerking DE VERWER KI NG VAN vlees bestaat uit het slachten en verwerking tot verschillende producten, die aan de retail of cateraar verkocht kunnen worden. Met een marktaandeel van ongeveer 50% (www.vleesmagazine.nl) is VIONfoodgroup, (hierna VION) een 21. Vierkantsverwaarding is het vermarkten belangrijke speler in de varkensketen. In dit onderzoek wordt VION beschouwd als van alle onderdelen van een karkas.38
  • regimespeler. VION speelt in op de vraag naar verduurzaming van voedsel door verschil-lende producten aan te bieden. Zij leveren het vlees van het Beter Leven Keurmerk maarhebben ook een biologische tak. De Groene Weg (www.degroeneweg.nl) is een biologi-sche slagerijketen en sinds 2004 honderd procent eigendom van VION. De Groene Wegbegeeft zich op de biologische markt. Biologisch voedsel is niet hetzelfde als duurzaamvoedsel, maar beide varianten kunnen elkaar misschien wel versterken. Om meer inzichtte krijgen in hoe het biologische varkensvlees verschilt van duurzaam vlees is voor ditonderzoek Henk Gerbers geïnterviewd. Hij is Business Development Manager Organicbij VION en voorzitter van het Merkartikel Bio+ waarvoor de Groene Weg het vlees levert. ¶Voor Henk Gerbers is duurzaamheid een containerbegrip. Er zijn tal vancertificeringen die zich bezighouden met ‘iets met betrekking tot duurzaamheid’, stelthij. Duurzaamheid betekent voor hem juist integraliteit, met daarbinnen verschillendeaspecten die je terugvindt in de specialistische labels die er nu op de markt zijn. Daar-naast zit er een element van tijd aan vast:“Kunnen we met hoe we nu met de aarde omgaan over tien jaar nog steeds landbouw bedrijven?” (Henk Gerbers, Bio+/Vion)Volgens Gerbers kun je het vergelijken met de tienkamper en de kogelstoter in deatletiek. Wie is nu de betere atleet? De kogelstoter is als specialist waarschijnlijk beter,maar op verschillende vlakken scoort ook de tienkamper. En wie zorgt er beter voor zijnlichaam? De kogelstoter die één aspect van zijn lijf tot het uiterste traint, of de tienkam-per die verschillende aspecten traint.Hij gebruikt deze vergelijking ook omdat biologisch varkensvlees de naam heeft slechterte zijn voor het milieu dan reguliere productie. Uit een onderzoek van Blonk Milieuad-vies blijkt biologisch varkensvlees slechter te scoren op CO2-uitstoot (Blonk, 2008).Volgens Gerbers is dat echter slechts één aspect van duurzaamheid. Die integraliteit isniet alleen belangrijk bij het definiëren van duurzaamheid, maar ook bij de communica-tie naar de consument:“De consument raakt verward van al die labels die één aspect van duurzaamheid uitlichten: dieren- welzijn, fair trade, biologisch (..).” Henk Gerbers, Bio+/Vion)Met het merk Bionext, dat de nieuwe generatie van biologisch voedsel wil zijn proberenzij daar op in te gaan. Veel aspecten van duurzaamheid als dierenwelzijn worden algedekt door het biologisch label. Bionext wil daar thema’s van energie, CO2 en verpak-kingsmateriaal aan toevoegen. Het voordeel is dat het biologische label al een wettelijkkader heeft. Het wettelijke kader van het label Biologisch is een kans voor een duurzamevarkenssector. Biologisch en duurzaam kunnen elkaar als labels versterken. Dit kanbeschouwd worden als een vorm van co-evolutie van niches. Echter, een belemmering isvolgens Gerbers juist de huidige norm van specialisatie in het marketingdenken. Speciali-seren op één gebied en dat gespecialiseerde product communiceren is de marketingtech-niek van tegenwoordig, stelt hij. Het integrale idee van duurzaamheid staat daar haaks op. ¶Gerbers stelt verder dat hij verwacht dat het 1-stervlees binnenkort de basiswordt voor het vlees in de winkel en dat het 2-stervlees zal volgen. Dit komt volgens hemomdat de eisen voor 1-stervlees en 2-stervlees relatief eenvoudig zijn in te passen binnende huidige vorm van varkens houden in de sector. Het 3-stervlees is een wezenlijk anderemanier van varkens houden en staat eigenlijk gelijk met de eisen van biologischevarkenshouderijen. ¶Vanuit de transitietheorie is dat gegeven om de volgende redenen van belang.Enerzijds lijkt het op een verandering van het regime. De eisen kunnen gezien wordenals nieuwe regulatieve normen en zullen als zodanig in het regime opgenomen kunnenworden. Anderzijds betreft dit oplossingen die in het regime eenvoudig zijn in te voerenen is er van een echte systeemverandering geen sprake als het 3-stervlees niet gangbaarwordt. Tegelijkertijd wierp Gerbers de vraag op wat meer resultaat heeft, een grootaantal partijen die één stapje naar voren zetten of één partij die één grote stap naar vorenzet. Volgens die redenering zouden 1-ster producten als gangbare producten over degehele linie duurzamer zijn. 39
  • ¶Tijdens het interview met Henk Gerbens is het eerdergenoemde ‘EBIS-project’ ten sprake gekomen. Daarbij gaf Gerbens aan dat het interessant is dat die samenwer- king blijkbaar slaagt bij boeren die bij elkaar in de buurt wonen. Hij vroeg zich daarbij af waarom dat niet zou kunnen werken op een afstand van tien, honderd of duizend kilometer. De ict-oplossingen zijn volgens hem aanwezig omdat mogelijk te maken. Deze laatste opmerking is interessant omdat het een andere aanpak binnen de keten benoemd, anders dan op het kleinschalige niveau van EBIS. ¶Wat de casus van De Groene Weg ook van belang laat zijn, is dat de biologische keten gekocht is door regimespeler VION. Dit kan gezien worden als een manifestatie van absorberen van een niche door het regime. 4.1.4 De retailsector I N DIT ONDERZOEK wordt onder de retail de supermarkt en de cateraars verstaan. Supermarktketen Albert Heijn gebruikt verschillende keurmerken om duurzaam voedsel in assortiment, waaronder ook het varkensvlees, te promoten (www.ah.nl). In de interviews die voor dit onderzoek gehouden zijn, kwam naar voren dat de retailsector veel marktmacht heeft. Samuel Levi stelt dat de retailsector een grote rol speelt omdat deze veel invloed heeft op de prijs van vlees in de winkel: “Het is de vraag of mensen kiloknallers willen, ze kopen het omdat het aangeboden wordt. Super- markten willen altijd vlees in de bonus” (Samuel Levi) Hiermee bedoelt Levi, dat consumenten misschien wel meer willen betalen voor vlees, maar dat niet doen omdat het zo goedkoop wordt aangeboden. Net als Rutgers betwij- felt hij of klanten veel minder vlees gaan kopen als het duurder wordt. Een kans voor een duurzamere varkenssector is dat Albert Heijn volgend jaar alleen nog 1-ster vlees gaat verkopen. Hiermee wordt in de behoefte van het varken beter voorzien, omdat het Beter Leven-keurmerk eisen stelt aan het dierenwelzijn. Maar, stelt Levi, een voorloper moet wel een voortrekker zijn, andere supermarkten moeten volgen. ¶Naast supermarktketens voorzien ook cateraars de consumenten van varkens- vlees. De brancheorganisatie Veneca maakt onderdeel uit van het convenant ‘Marktont- wikkeling verduurzaming dierlijke producten’ (www.veneca.nl). In dit convenant zijn afspra- ken gemaakt om een omzetgroei van duurzaam voedsel van vijftien procent te bewerkstelligen: “De eerste focus is op dierenwelzijn, maar er kunnen duurzame producten worden ontwikkeld die daarnaast ook een plus hebben op andere aspecten van duurzaamheid (o.a. duurzame veevoergrond- stoffen, milieu, diergezondheid).” (COV, 2009:2) De afspraken van de regimespelers Albert Heijn en Veneca kunnen gezien worden als bewegingen van het regime in de richting van duurzaamheid. Tegelijkertijd kunnen deze afspraken in het transitiedenken gezien worden als wat Grin et al. het regime vecht terug noemen (Grin et al., 2010). Het regime reageert door middel van dit soort afspra- ken op de landschapsdruk in de vorm van de maatschappelijke vraag naar duurzaam voedsel Met het maken van ketenafspraken bevestigen de convenantpartners dat de huidige keten dé manier is om naar de varkenssector te kijken. 4.2 De niet-ketenactoren NAAST DE VERSCH I LLENDE actoren in de productieketen bestaat de varkenssector ook uit actoren buiten de keten (Gerbens-Leenes et al., 2003:234; Drift 2008:85; Nijhoff- Savvaki et al., 2009:2). In deze paragraaf wordt van de actoren overheid, kennisinstellin- gen en intermediaire organisaties beschreven hoe zij zich naar duurzaamheid bewegen.40
  • 4.2.1 De overheidDE OVER H EI D I N brede zin maakt en handhaaft wet- en regelgeving. Hierin manifes-teren zich de regulatieve normen in het regime (Grin et al., 2010:). Daarmee is de over-heid per definitie een regimespeler. Toch ondersteunt de overheid in de vorm van hetMinisterie van Landbouw innovatieve projecten in de veehouderij en creëert daarmeeruimte voor nicheontwikkelingen. Daarom kan de overheid gezien worden als sleutel-speler in transitieprocessen. ¶In dit onderzoek wordt met de overheid als speler in het varkensregime vooralhet Ministerie van Landbouw bedoeld. Veel regelgeving omtrent varkens is vastgelegd inhet Varkensbesluit. Dit zijn vooral regels over dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid(www.wetten.overheid.nl). Mede door de toenemende landschapsdruk vanuit demaatschappij en politiek over dierenwelzijn en milieu komt er een nieuw varkensbesluit.In een eerdere toekomstvisie heeft de minister gesteld dat“de varkenshouderij zich in 2023 moet hebben ontwikkeld tot een duurzaam producerende keten met een breed draagvlak in de samenleving” (Ministerie van Landbouw, 2008)Het Ministerie van Landbouw heeft onderzoek gedaan naar de effecten op de varkens-houderijen in Nederland als strengere eisen over dierenwelzijn en milieu ingevoerdzouden worden (LEI, 2010). Uit dit onderzoek bleek dat veel varkenshouderijen doordeze nieuwe regelgeving en het tempo waarmee deze ingevoerd zou worden het econo-misch niet zouden redden (LEI, 2010:10) Hierop besloot de minister de eisen voor watbetreft het aantal vierkante meter leefruimte per varken te verlagen. Dit kan gezienworden als een sterke en succesvolle reactie van het staand regime op nieuwe normen. ¶Ook de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) is betrokken bij regelge-ving in de varkenssector, zij heeft de taak voedselveiligheid te waarborgen (www.vwa.nl).Eén van de aspecten die daarbij een rol spelen is de controle op diervoer en daarmee hetgebruik van reststromen als diervoer. Zoals eerder genoemd wordt het gebruik vanreststromen als diervoer gezien als verduurzaming van het systeem. Een belemmering ishet risico bij dierlijke resten zoals slachtafval. Hierdoor kan namelijk de ziekte BSEontstaan (www.vwa.nl). Om die reden wordt dierlijk afval verdeeld in drie categorieënmet verschillende toepassingsmogelijkheden. Varkens zijn alleseters en zouden dier-meel kunnen gebruiken als bron van eiwit in plaats van bijvoorbeeld geïmporteerd soja.Maar mede omdat het nagaan van de herkomst van reststromen moeilijk is, wordtvleesafval niet gebruikt als voer voor varkens (VWA, 2004).4.2.2 De kennisinstellingenI N DEZE PARAGRAAF worden twee onderzoeksprojecten beschreven die als doelhebben de varkensstallen duurzamer te maken. In het eerste project gaat het om eenonderzoek aan het eind van de jaren negentig. Dit ‘Hercules-project’ is wat betreft deduurzame stalontwerpen deels mislukt. Omdat dit project uitvoerig is geanalyseerdkunnen uit deze casus lessen getrokken worden. Het tweede project is het eerdergenoemde project ‘Varkansen’. ¶Het ‘Hercules-project’ dat 1998 startte werd onder andere geprobeerd een nieuwstalontwerp voor varkens te implementeren (Bos & Grin, 2008). Eén van de onderdelenwas een systeem onder de stalvloer dat de vloeibare en vaste uitwerpselen van de varkenszou scheiden: ‘de mestband’. Als de varkensmest gescheiden is in vaste en vloeibare vormkan dit efficiënter worden toegepast als meststof. Dit innovatieve systeem zou gebruikmaken van energie die de varkens zelf produceren, en naast het scheiden van mest, dezemest ook drogen en de lucht reinigen. Daarnaast zou het een verbetering van het welzijnvan de varkens inhouden (Bos & Grin, 2008:487). De doelen die het project beoogde pastbij het handelingskader om de behoeften van varken, varkenshouder en milieu te dienen.Daarmee kan dit een duurzaam project genoemd worden. ¶De mestband is uiteindelijke niet geïmplementeerd. Bos en Grin (2008)gebruiken de metafoor ‘backtalk’ ontleend aan Schön (1983) om te beschrijven hoe hetstaand regime heeft gereageerd op de innovatie van de mestband (Bos & Grin, 2008:484). 41
  • Met ‘backtalk’ wordt het principe bedoeld dat bij het ontwerpen van beleid de ontvan- gers van dat beleid reageren op het nieuwe beleid. Dit kan ook onverwachte feedback zijn waardoor het beleid herzien moet worden (Schön & Rein, 1994:168) Bos en Grin (2008) komen met bevindingen over het regime naar voren, die relevant kunnen zijn voor het zoeken naar transitiepotentieel in de varkenssector. Waarom lukte het niet dit duurzame systeem in te voeren? Eén van de aspecten die er toe leidde dat de mestband uit het ‘Hercules-project’ werd gehaald is omdat de bedrijven die meededen aan het project snel resultaat wilde zien. Dit was lastig omdat het systeem een integraal varkensstalsysteem was. Tot nog toe werden stallen in delen gebouwd. Het nieuwe systeem paste daarmee niet in de culturele normen van het regime (Bos & Grin, 2008:489). Een tweede probleem kwam voort uit het idee dat de kosten van het systeem zouden opwegen tegen de opbrengsten van de mest. De mestmarkt verander- de echter, waardoor de vraag naar dierlijke mest daalde (Bos & Grin, 2008:490). Hier- door zou het invoeren van het systeem te duur worden, althans, wat te duur werd geacht binnen de sector. Een derde factor die er toe leidde dat de mestband niet ingevoerd werd bleek een gevoelskwestie van de varkenshouders te zijn. De varkens- houders hadden een diepgewortelde aversie tegen techniek onder de stalvloer (Bos & Grin, 2008:490). Naast de opschaling van de teststal naar een middelgrote stal bleek ook de rol van de experts belangrijk te zijn. Een instituut als de Universiteit Wagenin- gen was meer op de maatschappij en overheid gericht en zou een mislukking van een project accepteren. Het andere onderzoeksinstituut Praktijkonderzoek Varkenshoude- rij was meer gericht op de varkenshouders en wilde minder risico nemen (Bos & Grin, 2008:493). ¶John Grin geeft in een verslag over de onderzoeksresultaten twee conclusies over hoe om te gaan met de macht van een staand regime. (Grin, persoonlijke commu- nicatie). Ten eerste zou er een meer systematisch model voor reflexive design moeten komen, waarbij technische moeilijkheden geïdentificeerd worden als manifestaties van het staand regime. Vervolgens moeten deze moeilijkheden vertaald worden in pragma- tische veranderingen binnen het experiment en als suggesties voor een verandering van regime. Ten tweede moet er een systemisch instrument ontworpen worden, dat in staat is om de suggesties van regimeverandering naar actoren te brengen die deze verande- ringen kunnen invoeren. Een dergelijk platform zou moeten bestaan uit intermediaire actoren die tussen experimenten (niches) en het regime staan (Grin, persoonlijke communicatie). ¶Om meer inzicht te krijgen in de mogelijkheden van transitie naar een duurzamere varkenshouderij is Onno van Eijk geïnterviewd. Hij is nauw betrokken geweest bij het eerder genoemde project ‘Varkansen’ en is werkzaam bij Livestock Research van de Universiteit Wageningen. Ook zijn er verschillende publicaties van de Universiteit Wageningen en gelieerde instituten als Livestock Research gebruikt om inzicht te krijgen in het transitiepotentieel van de varkenssector. Het project Varkan- sen heeft als doel de varkenssector duurzamer te maken door middel van stalontwer- pen. Voor Onno van Eijk betekent duurzaamheid de behoeften van stakeholders optimaal bedienen, maar afwenteling voorkomen. Die stakeholders zijn dan in het geval van ‘Varkansen’ de varkens, het milieu, de burger-consument en de varkenshou- der. Voor duurzaamheid gebruikt hij graag het (Zuid-Afrikaanse) woord volhoudbaar- heid: in casu een manier van voedselproductie die je kunt volhouden naar volgende generaties. Het bedienen van de behoeften van verschillende stakeholders tegelijk is wel moeilijk, volgens Van Eijk. Vooral de invulling van dierenwelzijn kent moeilijkhe- den. Dierenwelzijn wordt nu vaak gezien als een vierkante meter discussie. Dit is een effect van regulatieve normen (wetgeving) op dierenwelzijn. ¶Het is volgens Van Eijk ook maar de vraag of de stap naar het 1-stervlees een stepping stone is of greenwashing22 van de actoren in de sector. Het probleem is volgens hem dat er vaak gekozen wordt tussen behoeften van de verschillende stake- holders, en dan ook nog eens te vroeg. Volgens Van Eijk moet er eerst tussen de stake- holders overeenstemming komen over het feit dat er verschillende actoren zijn, met 22. Met greenwashing wordt het (deels overlappende) behoeftes. Vervolgens zou er gekeken moeten worden naar hoe duurzamer voordoen dan iets is bedoeld. (http://www.duurza- zoveel mogelijk behoeften gediend kunnen worden. Van Eijk stelt dat het daarom zo mer.com/greenwashing/greenwash- belangrijk is om ook de varkenshouder bij het project te betrekken: ing/2009129/)42
  • “Een systeem moet integraal bekeken worden en niet per schakel, (..) het is een belemmering in de transitie van de varkenssector als stakeholders alleen naar hun eigen ‘stake’ kijken en niet met een integrale blik dat zij een ‘stake’ zijn van een geheel.” (Onno van Eijk, Varkansen)Volgens Van Eijk liggen er kansen als er veel projecten starten die zoveel mogelijkbehoeften bedienen. De stalontwerpen van ‘Varkansen’ zijn volgens hem namelijk geenblauwdrukken. Als die stalontwerpen verplicht zouden worden ga je volgens hem vande ene blauwdruk naar de andere. Van Eijk stelt dat juist door veelzijdigheid veel bereiktkan worden. Een veelzijdig systeem is robuuster (net als biodiversiteit in een ecosysteem). ¶Een verandering in een systeem vereist wel maatwerk voor de ondernemer,omgeving en markt. Dat is bij iedere ondernemer anders. Een individuele aanpak leidtdan tot die veelzijdigheid van mogelijkheden. Eén aspect, dat ook in ‘Varkansen’ naarvoren kwam, is om het varken weer, net als vroeger, te gebruiken als dier dat onderdeelis van een kringloop en gebruik maakt van de reststromen. Door maatwerk op onderne-mer, omgeving en markt kunnen dan varkenshouderijen ontstaan die gedimensioneerdzijn op de omvang van de reststromen van de omgeving. Met andere woorden: varkens-houderijen kunnen groter zijn naarmate er in de omgeving meer afval is, dat als voervoor de varkens kan dienen. ¶Transitiepotentieel voor de varkenssector ligt ook op het vlak van de verde-ling van de marktmacht. Van Eijk stelt dat de retailsector veel marktmacht heeft. Ditkomt omdat varkensvlees een versproduct is. Er wordt door retailers verdiend opversproducten om houdbare A-merken onder kostprijs te verkopen, de zogenaamdekruissubsidie. Retailers kunnen varkensvlees goedkoop inkopen omdat door decyclus van het varkensbedrijf de varkenshouder zijn product op een bepaald tijdstipmoet leveren. Van Eijk vindt het jammer dat in het project ‘Varkansen’ het idee van eenvarkenshouder die zelf varkens slacht en opslaat in een koelcel niet is opgenomen. Ditzou de varkenshouder meer marktmacht geven. Dan had hij zelf kunnen bepalenwanneer hij zijn varkens levert. Volgens Van Eijk werkt het staand regime zo; in dehuidige situatie is het vraag- en aanbodspel in feite verstoord. ¶Het verschil met het ‘Hercules-project’ is volgens van Eijk dat de verschillendeactoren in het project beter bij elkaar aansluiten. Zo lopen subsidiestromen betergelijk met de voortgang van het project. ¶Waar nu in de varkenssector niches zijn is volgens Van Eijk op het gebiedvan nieuwe allianties en ketenafspraken. Bijvoorbeeld een varkensboer die met eenander ras, dat anders bereid moet worden als ‘supermarktvlees’, een alliantie begintmet een restaurant. Transitiepotentieel zit volgens Van Eijk in het integraal aanpak-ken van het systeem:“Nu bestaat de sector uit specialistische schakels, waar een ongelijkheid van macht in zit. Het werkt niet om alleen de varkenshouder te veranderen.” (Onno van Eijk, Varkansen)4.2.3 De intermediaire organisatiesM ET I NTER M EDIAI R E ORGAN I SATI ES worden in het eerder genoemdeDrift-rapport Eiwittransitie vooral convenanten in de keten bedoeld (Drift, 2008:88).In dit onderzoek worden daar ook brancheorganisaties en adviesbureaus toe gere-kend, omdat zij vaak tussen verschillende actoren bemiddelen of een rol hebben endaarmee een intermediaire functie vervullen. Dit komt bijvoorbeeld naar voren bij degenoemde convenanten waaraan brancheorganisaties deelnemen (Drift 2008:88). ¶De Land en Tuinbouw Organisatie (LTO) is één van de belangrijkste bran-cheorganisaties voor de landbouwsector en daarmee van de varkenssector. De LTOkan daarom als regimespeler gezien worden, te meer omdat zij de belangen behartigtvan de sector en daarmee van het staand regime. Op de website stelt de LTO: 43
  • “samen met andere organisaties werkt LTO Nederland aan een duurzaam imago van de varkenshouderij. Met de Dierenbescherming heeft ze de ComfortClass proefstal opgezet, waar gezocht wordt naar technisch en economisch haalbare manieren om het welzijn van de varkens te vergroten (...)Samen met ketenpar- tijen ontwikkelt LTO Nederland een ‘merk’ voor vlees dat gegarandeerd duurzaam is geproduceerd.” (www.lto.nl) De behoefte van het dier worden genoemd, de varkenshouderij en het imago, wat duidt op de relatie met de consument. Hieruit kan opgemaakt worden dat LTO zich inzetvoor de verschillende behoeften van varkenshouder, varken en burger-consument. Naast de LTO is de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) een belangrijke brancheorganisatie in de varkenssector, om die reden wordt de NVV gezien als regime- speler. De NVV heeft in samenwerking met de Rabobank een onderzoek laten doen naar het rendement in onder andere varkenssector (LEI, 2011). In dit rapport komt vooral naar voren dat de marktmacht in de keten van de varkenshouder klein is en zelfs afneemt (LEI, 2011:4). Een aanbeveling die in het rapport gedaan wordt is het zichtbaar maken van duurzaamheid in het product: “Consumenten vinden smaak, gezondheid en gemak ook belangrijk. En herkomst van het voedsel alsook maatschappelijke waarden als dierenwelzijn, rechtvaardigheid en milieu worden ook belang- rijk gevonden” (LEI, 2011:15). Zowel vanuit de LTO als de NVV is er beweging naar duurzaamheid in termen van het handelingskader people, planet, profit en pigs. Beide brancheorganisaties sturen er op aan om deze beweging kenbaar te maken aan de consument door middel van merknamen of labels. De LTO laat met het stalontwerp ComfortClass zien hoe zij het bereiken van die duurzame doelen voor zich ziet. ¶Verschillende adviesbureaus houden zich bezig met de varkenssector. Harm Wientjes van het eerder genoemde EBIS-project is werkzaam bij DLV, een adviesbureau voor de agrarische sector. En ook Samuel Levi is met The Green Peas werkzaam in de adviesbranche, zij het meer in de voedselsector. Samuel Levi stelt dat er verschillende trade-offs bestaan in de verschillende aspecten van duurzaamheid. De intensieve varkenshouderij is niet diervriendelijk stelt hij, maar als alle dieren in de varkenssector buiten zouden leven is dat een te grote aanslag op het milieu. Om niet te hoeven kiezen tussen de behoeften van milieu en varken zouden er minder varkens moeten zijn. Toch betekent volgens Levi duurzaamheid kiezen: “Je kunt sommige trade-offs ontwijken en kiezen voor het milieu én de winst: de varkens binnen ophokken en vervuiling opvangen. Zelf kies ik toch voor het dierenwelzijn en proberen daarbinnen goed voor het milieu te zijn.” (Samuel Levi) In het staand regime ziet Levi verschillende belangen die een transitie belemmeren. Hij stelt dat de politiek moet kijken naar mogelijkheden om de regelgeving te veranderen met als doel het gebruik van reststromen te verbeteren. Daarnaast zou er niet alleen gekeken moeten worden naar het exportbelang van varkens. Nederland zou volgens Levi bijvoorbeeld alleen duurzaam varkensvlees moeten exporteren. Een ander punt volgens Levi is dat de gesubsidieerde landbouw het varkensvlees goedkoop houdt. Dit draagt bij aan het beeld dat consumenten hebben over hoe goedkoop vlees is. Want naast deze subsidie is volgens Levi bij de consument onbekend hoe hoog de verborgen kosten zijn als de milieueffecten worden meegerekend. In zijn werk als worstenmaker probeert hij ook zijn vlees een merk mee te geven. Levi lijkt er andere normen op na te houden dan het staand regime. Hij stelt dat duurzaamheid kiezen is en kiest dan voor het varken. Varkenshouder Han Rutgers ziet ‘profit’ als uitgangspunt voor het invullen de overige behoeften. Vanuit deze tegenstelling kan Levi als nichespeler beschouwd worden.44
  • 4.3 Samenvatting en deelconclusieI N DE VOORGAANDE paragrafen is steunend op interviews en publicaties vanactoren uit de varkenssector onderzocht hoe die actoren bewegen naar duurzaamheid.Daarin kwam naar voren dat zowel in het staand regime als bij nichespelers aantoonbaarbeweging valt waar te nemen naar het voorzien in de behoeften van de stakeholdersgevat in het kader people, planet, profit en pigs. Tegelijkertijd is er bij de verschillendeactoren een verschil in de mate waarin zij die doelen tegelijk willen dienen. Er is somssprake van een voorkeur voor een bepaalde behoefte als uitgangspunt. Wel kwam naarvoren dat in het regime geprobeerd wordt doelen van duurzaamheid binnen bestaandenormen te vatten, zoals ketenafspraken en winst als uitgangspunt. In Hoofdstuk 1 werdhet Multifase-concept beschreven, waarbij werd vastgesteld, dat in het rapport Eiwit-transitie gesuggereerd werd dat de eiwitvoorziening zich rond de opstartfase bevindt.Omdat veranderingen in de sector structuur hebben en momentum krijgen in de vormvan allianties en ketenafspraken zou de indruk kunnen ontstaan, dat de transitie in devarkenssector, als onderdeel van die eiwitvoorziening, zich ook in de opstartfase vantransitie bevindt. De structuren zoals certificeringen en allianties zijn echter zichtbaar,daarom zou aangenomen kunnen worden dat er sprake is van een versnelling in detransitie in de varkenssector en deze daarmee in de versnellingsfase bevindt. ¶Wat betreft sturing van de transitie wordt er door de geïnterviewde actorennauwelijks gewezen naar de overheid als sturende actor. Harm Wientjes stelt dat hetproject EBIS prima werkt binnen de huidige regelgeving. Eventueel zou bevorderenderegelgeving als subsidie een kans kunnen opleveren voor het versterken van duurzameinitiatieven. Samuel Levi is van de geïnterviewden de enige die een duidelijkere rol vande overheid verlangt en stelt dat Nederland bijvoorbeeld alleen duurzaam varkensvleesmag exporteren. Hieruit zou gesuggereerd kunnen worden dat de spelers in de sectorzelf in staat zijn om de transitie naar een duurzamere sector te sturen. Dit komt ook naarvoren in het onderzoek van Nijhoff-Savvaki et al. dat (private) ketenregisseur De Hoeveals succesfactor aanwijst voor KDV ¶In hoofdstuk vijf worden de bevindingen uit dit hoofdstuk uitgewerkt totconclusies over het transitiepotentieel in de varkenssector en aanbevelingen om tot eenduurzamere varkenssector te komen. 45
  • 5 CONCLUSIES, DISCUSSIE & AANBEVELINGEN I N H ET LICHT van de onduurzaamheid van het voedselsysteem en de vleesvoorzie- ning in het bijzonder heeft dit onderzoek als doel gehad te onderzoeken wat het transi- tiepotentieel is van de Nederlandse varkenssector is. Om zo de mogelijkheid van het bereiken een duurzame sector als dynamisch equilibrium te onderzoeken. De duurzame varkenssector is in termen systeemtheorie dan de gewenste staat of attractor. Daarnaast heeft het onderzoek tot doel gehad het jonge onderzoeksinstrument van de transitietheo- rie toe te passen en daar lessen uit te trekken voor de ontwikkeling van deze theorie. Eerst zullen een zestal conclusies over het transitiepotentieel in de varkenssector worden getrokken en wordt ingegaan op de gebruikte theorie. Daarna worden er een aantal conclusies & aanbevelingen worden geformuleerd om tot een duurzamere varkenssector te komen. ¶Duurzaamheid is in dit onderzoek gedefinieerd als een handelingsrichting waarin er naar gestreefd wordt tegemoet te komen aan zoveel mogelijk behoeften zonder nadelige gevolgen voor toekomstige generaties. Daarbij zijn de behoeften van een viertal stakeholders als uitgangspunt genomen te weten, de varkenshouder, het varken, het milieu en de burger-consument. ¶Vervolgens is op basis van concepten uit de systeemtheorie onderzocht wat succesfactoren zijn voor een transitie naar een duurzame varkenssector. Daarbij is de varkenssector beschouwd als een adaptief systeem.In dit onderzoek zijn drie concepten uit de systeemtheorie gebruikt om transitiepotentieel te onderzoeken. Met behulp van het Multifase-concept is aangegeven in welke fase van verandering de varkenssector als systeem zich bevindt. In Hoofdstuk 4 is aan de hand van het actornetwerk van de var- kenssector geanalyseerd waar het transitiepotentieel van de varkenssector zich bevindt. I. Aangenomen kan worden dat de verduurzaming van de varkenssector zich voorbij de opstartfase bevindt en er daarmee kans is op versnelling. Deze versnelling kan gezien worden als onderdeel van transitiepotentieel. Aan de hand van het Multilevel-concept is in Hoofdstuk 3 inzichtelijk gemaakt hoe in de varkenssector nieuwe normen en actoren kunnen opkomen. II. Het opkomen van de verschillende certificeringen duidt op nieuwe normen. Er is wel spanning tussen niche en regime wat betreft het aanvatten van duurzaamheid als integraal issue of met een bepaalde behoefte als vertrekpunt. De integraliteit van duurzaamheid sluit niet aan bij de normen van marketing. III. Gebleken is dat er in de varkenssector op zichzelf geen nieuwe actoren opkomen maar dat er wel nieuwe verbindingen ontstaan tussen actoren in de vorm van allianties en nieuwe ketenafspraken. Ook is er sprake van samenwerking met actoren buiten de sector. Deze allianties zijn vooralsnog kleinschalig. Een ketenregisseur zou deze niches kunnen versterken. Met behulp van concepten uit het transitiemanagement is onderzocht of er lessen getrokken kunnen worden uit bestaande projecten om de duurzaamheid van de var- kenssector te verbeteren. Daarbij is gekeken of er binnen het regime al incrementele veranderingen plaatsvinden en of er voorlopers te onderscheiden zijn. Ook is er vanuit de theorie van transitiemanagement onderzocht of er niches zijn die co-evolueren en ondersteund kunnen worden. ¶Uit het onderzoek is gebleken dat nicheprojecten als EBIS, KDV en Varkansen als doel hebben duurzaamheid te bevorderen door integraal te kijken naar de behoeften van de verschillende stakeholders, deze nicheprojecten zijn voorbeelden die als voorlo- pers beschouwd kunnen worden. ¶Het feit dat VION De Groene Weg overneemt en in het interview met Henk Gerbers naar voren kwam dat 1-stervlees gangbaar wordt, kan gezien worden als het absorberen van nieuwe normen in de niche door het regime. Maar daarbij moet wel genoemd worden dat zwaardere normen zoals het 3-stervlees niet snel gangbaar zullen46
  • worden in de sector omdat deze normen niet door kleine aanpassingen in het staand regime toepasbaar zijn. Dit beeld komt ook naar voren bij intensieve varkenshouder Rutgers die zonnepanelen plaatst op zijn dak om zijn energiehuishouding te verduurza- men. Onno van Eijk noemde dit een letterlijke vorm van het ‘opklikken’ van noviteitenaanbevelingen in het staand regime. IV. Het staand regime absorbeert aspecten van niche-ontwikkelingen in de varkenssector. Hierdoor bestaat er de kans dat business-as-usual actoren een transitie belemmeren. Met Bionext wordt getracht verschillende certificeringen in niches rondom duurzaamheid te combineren. Dit is een vorm van co-evolutie waaruit potentieel voor een transitie naar een duurzaam systeem kan voortkomen. Het gaat daarbij wel om de hele voedselsector en niet alleen de varkenssector. Gesuggereerd kan dan worden dat transitiepotentieel voortkomt niet alleen uit co-evolutie binnen niches in de varkenssector maar ook uit verbanden buiten de eigen sector. Dit komt ook in de eerdergenoemde allianties naar voren. ¶Naast de co-evolutie van niches zou geconcludeerd kunnen worden dat een integrale visie op duurzaamheid potentie met zich meebrengt voor duurzame ontwikkeling. V. Verschillende niches in de varkenssector co-evolueren en hebben daarmee de potentie om duurzaam- heid in de varkenssector te bevorderen. VI. De integraliteit van duurzaamheid bevordert de co-evolutie van niches In de interviews zijn een tweetal opmerkingen gemaakt die hier nog worden uitgelicht: “één stap van vele actoren meer effect heeft dan een grote stap van één actor” (Henk Gerbers) en; “duurzaamheid zit in praktijkoplossingen” (Harm Wientjes) Deze opmerkingen staan voor een belangrijk discussiepunt omtrent duurzaamheid: wat is het doel van verduurzaming van de varkenssector? Kan de huidige sector duurzaam worden? Of moet er een systeemverandering komen. Het is moeilijk om een eenduidig antwoord te geven omdat lastig is te meten wat duurzaam genoeg is. Dit komt terug in de gehanteerde definitie van duurzaamheid: het is een handelingsrichting en geen vastgesteld doel. De algemene conclusie is dan: dat transitiepotentieel in de varkenssector voortkomt uit duurzaamheid als integraal handelingsdoel. Potentie zit in het versterken van de duurzame niche-ontwikkelingen door combinatie met normen en actoren uit de bestaande biologische niches. Het onderzoek naar transitiepotentieel in de varkenssector kan ook een lering zijn voor soortgelijke onderzoeken in andere veesectoren. Hier moet dan wel rekening gehouden worden met unieke eigenschappen van het varken als alleseter die van invloed is op de mogelijkheden voor een verduurzaming. Een gevolgtrekking van deze casus op andere vleesvoorziening 47
  • 5.1 Discussie DE TRANSITI ETH EOR I E IS een jong onderzoeksinstrument en theoretische concepten moeten daarom bewezen worden in de praktijk. Het uitgangspunt dat transitie gepaard gaat met nieuwe actoren is deels van toepassing in de casus van de varkenssector. De nieuwe actoren zijn er in de vorm van nieuwe allianties. Een suggestie is dat dit te maken heeft met de aard van de varkenssector. Varkensvlees is een basis voedselproduct. Een kritiek op de transitietheorie is dat deze technologisch gedetermi- neerd is. Het zou kunnen zijn dat sommige aspecten uit de theorie minder van toepas- sing kunnen zijn op voedselcasussen. Daarnaast is er de kritiek dat transitiemanage- ment toegepast wordt op actoren aan de aanbodzijde van een product. Verder onderzoek naar de rol van de consumenten aan de vraagzijde in het duurzaamheidsvraagstuk is aan te bevelen. 5.2 Aanbevelingen TRANSITI EPOTENTI EEL WER D I N dit onderzoek geduid als start van transitiema- nagement. Nu er onderzocht is waar er mogelijkheden zijn voor transitie in de varkens- sector kunnen de volgende aanbevelingen worden geformuleerd: I. Kies bij verduurzaming voor een integrale aanpak van het voorzien van behoeften: wees de tienkamper. II. Gebruik bij transitiemanagement een ketenregisseur als transitiemanager. Deze ketenregisseur zou dan niet tot de business-as-usual actoren moeten behoren. Het EBIS-project lijkt baat te hebben bij het feit dat de deelnemers elkaar kennen uit de buurt. Via een ICT-systeem zou het mogelijk zijn dit project navolging te geven met deelnemers die verder uit elkaar hun bedrijf hebben. III. Bekijk de mogelijkheden hoe de successen van lokale projecten opgeschaald kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van een systeem wat verschillende actoren bij elkaar brengt.48
  • 49
  • BIJLAGE 1 INTERVIEWS Lijst geïnterviewde personen - Onno van Eijk, Varkansen / WUR Livestock Research (face-to-face interview) Onno van Eijk is als projectleider betrokken bij het project Varkansen waarin gezocht werd naar stalontwerpen die een duurzame varkenshouderij mogelijk maken. (www. varkansen.wur.nl) - Henk Gerbers, Vion Food Group / Stichting Bio+ (face-to-face interview) Henk Gerbers is bij de Vion Foodgroup verantwoordelijk voor het biologische merk Bio+ (www.biologica.nl) - Samuel Levi, Youth Food Movement / Brand & Levi Worsten / The Green Peas (face-to- face interview) Naast worstenmaker en cateraar heeft Samuel Levi de Youth Food Movement Nederland opgezet, een organisatie die zich inzet voor een duurzamer voedselsysteem: ‘good, clean en fair voedsel’ (www.youthfoodmovement.nl). Daarnaast heeft Samuel Levi een adviesbu- reau The Green Peas, dat adviezen geeft over duurzaamheid in de voedselsector (www. thegreenpeas.nl). - Han Rutgers, intensieve varkenshouderij Maatschap Rutgers (face-to-face interview) Han Rutgers was genomineerd voor Ondernemer van het Jaar 2011 en doet met name op het vlak van energiehuishouding veel aan duurzaamheid (www.agd.nl/Agrarisch-On- dernemer-van-het-Jaar/Rutgers.htm) - Marion Verhoeven, Keten Duurzaam Varkensvlees (telefonisch interview) Marion Verhoeven is verantwoordelijk voor de marketing en communicatie van de Keten Duurzaam Varkensvlees (KDV). Binnen KDV (www.duurzaamvarkensvlees.nl) wordt getracht op zoveel mogelijk vlakken het varkensvlees duurzaam te produceren. De keten wordt beheerd door De Hoeve (www.dehoevebv.nl) en is gecertificeerd door het CDG (www.cdg.nu). - Harm Wientjes, EBIS / DLV advies. (telefonisch interview) Harm Wientjes begeleidt het project Ecologische Boeren in Samenwerking. DLV advies is een commercieel adviesbureau in de agro-sector (www.dlv.nl). N.B. Non-respons: - Nijssen/Granico, diervoerproducent dat gebruik maakt van reststromen op industriële schaal. Interviews binnen de varkenssector Interviews houden is een manier om door middel van vragen een onderwerp te onder- zoeken. In deze scriptie is gekozen voor een zogenaamd semi-gestandaardiseerd inter- view. Deze techniek wordt door Nigel Gilbert beschreven in Researching Social Life (2008) Bij een dergelijk interview staan de hoofdvragen vast maar is er ruimte om de volgorde van vragen te veranderen en naar behoefte door te vragen. Dit in tegenstelling tot een gestandaardiseerd interview. Omdat het onderzoek naar transitiepotentieel een verkennend karakter heeft is er ruimte nodig om te kunnen variëren in vragen. Het is namelijk niet bekend wat er gezocht wordt; er wordt niet getoetst of iets waar is, maar onderzocht wat er speelt. Het semi-gestandaardiseerd interview is daar een passend middel voor. Hieronder staat het interviewschema zoals dat gebruikt is in het onderzoek.50
  • Masterscriptie Bestuur en Beleid, Universiteit van AmsterdamModule: Food Production, Human Rights and Environmental RightsSander Koning Labadie - 5986311Onderzoek: Waar ligt het transitiepotentieel van de varkenssector?Mijn onderzoek gaat over transities in de varkenssector. De aanname is dat de sector veelduurzamer kan. In mijn onderzoek probeer ik uit te vinden hoe de varkenssectorduurzamer kan worden.Thema’s en vragen:- Wat is volgens u duurzaamheid? En wat is een duurzame varkenssector?- Wat doet u aan duurzaamheid?- Zijn er, zo ja waar zijn er belemmeringen om tot meer duurzaamheid te komen?- Waar liggen er juist kansen of mogelijkheden? - in beleid? - bij actoren? - anders?Actornetwerk varkenssector in kaart gebracht: actornetwerk voedselproductieketen ondersteunend netwerk gewasproductie varkenshouder leveranciers overig verwerking cateraars banken retailsector adviesbureaus consumenten kennisinstellingen afvalverwerking intermediaire org. = distributie maatschappelijke org. overheden- Overige opmerkingen 51
  • LITERATUURLIJST Artikelen - R.K. Apaiah, A.R. Linneman, H.J. van der Kooi, Exergy Analysis: A tool to study the sustainability of food supply chains, Food Research International 2006, Vol 39 blz. 1-11. - B. Bos, J. Grin, “Doing” Reflexive Modernization in Pig Husbandry: The Hard work of Changing the Course of a River, Science Technology Human Values Februari 2008 Vol. 33, blz. 480-507. - G. Daily et al., Global food supply, Food Production, Population Growth, and the Environment, Science, 28 Augustus 1998: Vol. 281 no. 5381, blz. 1291-1292. - A. Genus, A.M. Coles, Rethinking the multi-level perspective of technological transiti- ons, Research Policy Vol 37 2008, blz. 1436-1445. - P.W. Gerbens-Leenes, H.C, Moll, A.J.M. Schoot Uiterkamp, Design and development of a measuring method for environmental sustainability in food production systems, Ecological Economics, Vol. 46 2003, blz. 231-248. - J. Grin, Dual track governance of transitions: an agency perspective, lessons on health and agriculture in the Netherlands, persoonlijke communicatie - D. Loorbach, J. Rotmans, The practice of transition management: Examples and lessons from four distinct cases, Dutch Research Institute For Transitions – Drift, Erasmus University, Rotterdam 2009. - M. van Marrewijk, Concepts and Definitions of CSR and Corporate Sustainability: Between Agency and Communion, Journal of Business Ethics 44, 95–105, 2003. - H.S.C.A. Muijen, Corporate Social Responsibility starts at University, Journal of Busi- ness Ethics 2004 Vol 53, blz. 235–246. - R. Nijhoff-Savvaki, J. Trienekens, O. Omta, Re-localizing pork production and supply: building bridges, not walls, IFAMA, 2009. - D. Tilman, K.G. Cassman, P.A. Matson, R. Naylor, S. Polasky, Agricultural sustainability and intensive production practices, Nature, 8 Augustus 2002: Vol. 418, blz. 671-677. - E. Paredis, Socio-technische systeeminnovaties en transities: van theoretische inzichten naar beleidsvertaling, Steunpunt Duurzame Ontwikkeling, Leuven, 2009 - E. Shove, G. Walker, Caution! Transitions ahead: politics, practice and sustainable transition management, Environment and Planning, volume 39 2007, blz. 763-770. Boeken - N. Gilbert, Reseacrhing Social Life (2008). London: Sage Publications Ltd., third edition. - Jeroen Guinée (2002). Handbook on life cycle assessment operational guide to the ISO standards, Dordrecht: Kluwer Acadamic Publishers. - J. Grin, J. Rotmans and J. Schot (2010). Transitions to Sustainable Development, New Directions in the Study of Long Term Transfomative Change, London: Routledge London. - E. Elferink, C. Rougoor (2010). De drijvende krachten achter het eiwit, een krachtenana- lyse van productie consumptie en duurzaamheid wereldwijd, Culemborg: CLM. - J. Elffers, M. Schwarz (2010). Sustainism is the New Modernism, A Cultural Manifesto for the Sustainist Era, New York: DAP Publishing. - A. Irwin (2010). Sociology and the Environment, Oxford: Blackweel Publishers - J. Kirk, M.L. Miller (1986). Reliability and validity in qualitative research, London: Sage Publications Ltd. - J. Pierre & B. Guy Peters, Governance, Politics and the State, Palgrave Macmillan New York, 2002. - Donald Schön & Martin Rein (1994). Frame reflection. Toward the resolution of intracta- ble policy controversies. New York: Basic Books. - G. Tansey, T. Worsley (1995). The Food system: a guide, London: Earthscan Publications Ltd.52
  • Rapporten- Blonk Milieu Advies, Carbon Footprints van Conventioneel en Biologisch Varkensvlees, uitgebreide samenvatting, Gouda, 2009.- Blonk Milieu Advies, Milieueffecten van Nederlandse consumptie van eiwitrijke producten, Gevolgen van vervanging van dierlijke eiwitten anno 2008, Gouda, 2008- Centrale Organisatie Vleessector, Convenant Marktontwikkeling Verduurzaming Dierlijke Producten (Tussensegmenten) 2009 t/m 2011, Den Haag, 2009- Drift, De eiwittransitie, dertig jaar issue, kans op take-off, Rotterdam, 2008.- FAO, Livestock’s long shadow, environmental issues and options, Rome, 2006.- FAO, Protein sources for the animal feed industry, Bangkok 2002.- LEI, Economische gevolgen van bestaande regelgeving voor de Nederlandse Varkenshouderij, Den Haag, 2010.- LEI, Actualisatie ketenrendementen in de Nederlandse agribusiness: 2000-2009 Varkensvlees, zuivel, groente en fruit, Den Haag, 2011.- Ministerie van Landbouw, Nota Duurzaam Voedsel, Naar een duurzame consumptie en productie van ons voedsel, Den Haag, 2009.- Ministerie van Landbouw, Toekomstvisie Duurzame Veehouderij, Den Haag, 2008.- Milieu en Natuur Planbureau, Duurzame ontwikkeling van de landbouw in cijfers en ambities, veranderingen tussen 2001 en 2006, Bilthoven, 2007.- nVWA, Advies alternatief gebruik van voormalige voedingsmiddelen, Den Haag 2011- nVWA, Deelproject 3c Ketenanalyse diervoedersector: Beheersing van kritische punten in de diervoederketen ter ondersteuning van het toezichtsarrangement, Wageningen, 2004.- Produktschap Vee en Vlees, jaarverslag 2009, Zoetermeer, 2009.- Transforum Agro en Groen (TAG), Historical and future transitions in agriculture and food, Zoetermeer, 2008.- Brundtland Report: Our common future, Oslo, 1987.- Varkansen, Brochure Springplank naar een duurzame veehouderij, Wageningen UR, Communication Services, 2009.VakliteratuurEkoland, oktober 2010.AGDmedia, maart 2011 (online www.agd.nl). 53
  • Websites www.agd.nl/Agrarisch-Ondernemer-van-het-Jaar/Rutgers.htm (20-4-2011). www.ahold.com/brands (6-4-2011). www.ah.nl/puureneerlijk/ (18-5-2011). www.beterleven.dierenbescherming.nl/ (18-5-2001). www.biologischconvenant.nl (27-4-2011). www.biologica.nl (28-5-2001). www.cdg.nu.nl (31-5-2011). www.consuwijzer.nl/Keurmerken/Keurmerk_op_categorie/Keurmerken_Voeding (21-6-2011). www.degroeneweg.nl (28-5-2011). www.gmpplus.org/nl/ (29-05-2011). http://www.duurzamer.com/greenwashing/greenwashing/2009129/ (28-6-2011) www.linkedin.com (1-4-2011). www.lto.nl/nl/25222731-Varkenshouderij.html (22-5-2001). www.ltonoord.nl/templates/dispatcher.asp?path=10666069&itemid=10666069&page_ id=25222721 (22-5-2010). www.milieucentraal.nl/pagina.aspx?onderwerp=Keurmerk%20vlees,%20vis%20en%20 gevogelte (21-6-2011). www.nijsen-granico.nl/nl/nijsengranico/historie/ (21-05-2011). www.overvarkens.nl (15-4-2001). www.partijvoordedieren.nl (1-6-2011). www.rivm.nl/milieuportaal/dossier/vermesting_eutrofiering/(17-4-2011) www.solidaridad.nl (3-6-2011). statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=7123slac&D1=a&D2=a&D3= (l-14)-l&HDR=G2&STB=T,G1&VW=T (28-5-2011). www.thegreenpeas.nl (2-5-2001). www.transforum.nl (21-6-2011). www.varkansen.wur.nl (1-3-2011). www.varkensinnood.nl (1-6-2011). www.veneca.nl/view.cfm?page_id=13884 (2-5-2011). www.vleesmagazine.nl/nieuws/vion-slacht-opnieuw-minder-van-rooi-weer-meer-12041. html(31-5-2001). www.vwa.nl/onderwerpen (21-5-2011). www.vwa.nl/onderwerpen/werkwijze-food/dossier/haccp (29-5-2011). www.wakkerdier.nl (1-6-2011). www.wetten.overheid.nl/BWBR0006806/ (22-05-2011). www.youthfoodmovement.nl (15-4-2011).54
  • 55