Verdienmodellen voor de journalistiek door Y. Roerdink

2,724 views
2,459 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
2,724
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
329
Actions
Shares
0
Downloads
12
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Verdienmodellen voor de journalistiek door Y. Roerdink

  1. 1. 1 Master Journalistiek en Media Research en Redactie Universiteit van Amsterdam JUNI 2013 VERDIENMODELLEN VOOR DE JOURNALISTIEK Yvonne Roerdink: 5616158 Begeleider: Martijn de Waal Tweede lezer: Mark Deuze S
  2. 2. 2
  3. 3. 3 VOORWOORD Het medialandschap is volop in beweging. Alleen al tijdens mijn tijd aan de master Journalistiek en Media gebeurde er veel. Zo stopte dagblad de Pers, verkeerd Wegener in zwaar weer, dalen de oplages, verdwijnt het Mediafonds en wordt er veel gekort op de publieke omroep. Ook de toekomst van de journalistiek ziet er financieel gezien niet rooskleurig uit. Ondanks - of misschien wel dankzij - deze crisis, ontstaan er mooie journalistieke initiatieven, zoals De Correspondent en De Nieuwe Pers. Crisis is kans en biedt ruimte voor innovatie, maar hoe moeten de nieuwe initiatieven gefinancierd worden? Wat zijn die financiële kansen voor de journalistiek? Waar veel onderzoek is gedaan naar toekomstige verdienmodellen voor de journalistiek, geldt dat niet voor de huidige trends wat betreft verdienmodellen voor de journalistiek. Vanuit deze nieuwsgierigheid is het idee ontstaan om mijn scriptie te wijden aan ontwikkelingen omtrent verdienmodellen voor journalistieke platforms. Graag wil ik van de gelegenheid gebruik maken om een aantal mensen te bedanken. In de eerste plaats mijn scriptiebegeleider Martijn de Waal, die altijd klaar stond om vragen te beantwoorden en actief meedacht tijdens het scriptie-proces. Bovendien heeft zijn feedback op mijn teksten mij enorm hebben geholpen tijdens het schrijven van deze scriptie. Ten tweede wil ik Dianne Roerdink, Renate Lenselink en Paul Schram bedanken voor de finishing touch van deze masterscriptie. Een bijzondere vermelding krijgt Diny Roerdink voor de steun die ik heb gekregen - niet alleen tijdens het schrijven van mijn scriptie - maar tijdens mijn gehele studieperiode. Tot slot wil ik alle anderen bedanken die een bijdrage hebben geleverd aan mijn scriptie, in het bijzonder: Piet Bakker, Jelle Buizer, Rick van Dijk, Teun Gautier, Stefan Hoevenaar, Alexander Pleijter, Eric Smit, Dimitri Tokmetzis, Marianne Zwagerman en tot slot het Stimuleringsfonds voor de Pers. Jullie enthousiasme voor mijn onderwerp werkte aanstekelijk en motiverend. Yvonne Roerdink | Amsterdam, 27 juni 2013
  4. 4. 4 SAMENVATTING Dankzij technologische ontwikkelingen liggen de kansen voor de journalistiek om te innoveren voor het oprapen. Tegelijkertijd staat het vakgebied financieel onder druk. Hoe moeten de innovaties gefinancierd worden? Deze masterscriptie is een aanvulling op het onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012). Vorig jaar deden zij onderzoek naar journalistieke verdienmodellen in negen landen wereldwijd, waarbij Nederland buiten beschouwing is gebleven. Deze scriptie richt zich op de huidige ontwikkelingen omtrent verdienmodellen van journalistieke platforms in Nederland. Het onderzoek is alsvolgt opgedeeld: Nadat de oorzaken en de gevolgen van de dalende journalistieke inkomsten zijn geschetst, wordt aan de hand van een literatuurstudie de verdienmodellen in kaart gebracht. In het onderzoek is het verdienmodel verdeeld in drie onderdelen: 1) manieren om geld te verdienen; het inkomstenmodel, 2) strategieën om het publiek te bereiken en 3) strategieën om kosten te besparen. Vervolgens wordt het kwantitatieve en kwalitatieve onderzoek behandeld, waarbij een enquête is uitgezet onder journalistieke platforms die een aanvraag hebben ingediend bij het het Stimuleringsfonds voor de Pers. Op basis van deze resultaten zijn vijf platforms uitgekozen voor een diepte-interview. De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat hoewel advertentie-inkomsten voor de meeste journalistieke platforms nog steeds de grootste inkomstenbron zijn, het service-georiënteerde verdienmodel in opkomst is. Ook het verkopen van content aan bestaande mediaorganisaties en samenwerken met mediaorganisaties komt veel voor. De meest gebruikte strategie is 'specialisatie'. Daarnaast is onderzocht wat de visies van mediadeskundigen zijn over de trends van verdienmodellen en wat de trends van verdienmodellen kunnen betekenen voor de journalistieke onafhankelijkheid. Hiermee is deze scriptie eveneens een aanvulling op het onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012) omdat deze scriptie ook de spanning tussen commercie en de mogelijke gevolgen voor de journalistieke onafhankelijkheid onderzoekt. De mediadeskundigen zien vooral in de belangenverstrengeling tussen journalisten en bedrijven een mogelijk gevaar. Het is opvallend dat de journalistieke platforms beweren dat hun journalistieke onafhankelijkheid niet in gevaar is. Dit verdient nader onderzoek. Binnen het onderzoek is er geen nieuw verdienmodel voor de journalistiek gevonden. De innovatie lijkt te zitten in het combineren van bestaande inkomstenmodellen met verschillende strategieën. Dit komt overeen met de conclusie van het voornoemde onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012).
  5. 5. 5 INHOUDSOPGAVE 1.  INLEIDING:  HET  MEDIALANDSCHAP  STAAT  OP  ZIJN  KOP  ...............................................................  6   2.    THEORETISCH  KADER  .............................................................................................................................  10   2.1  BEGRIPPEN  .....................................................................................................................................................................  10   2.2  COMMERCIE  VERSUS  JOURNALISTIEKE  ONAFHANKELIJKHEID  ..............................................................................  13   3.  METHODE  VAN  ONDERZOEK  ..................................................................................................................  18   4.  DALENDE  INKOMSTEN  VOOR  DE  JOURNALISTIEK  .........................................................................  26   5.  RESULTATEN  ...............................................................................................................................................  29   5.1  DEELVRAAG  1:  WELKE  VERDIENMODELLEN  VOOR  DE  JOURNALISTIEK  ZIJN  ER  BEKEND  IN  DE   WETENSCHAPPELIJKE  DISCUSSIE?  ....................................................................................................................................  29   5.2  DEELVRAAG  2:  WELKE  INKOMSTENMODELLEN  WORDEN  HET  MEEST  GEBRUIKT?  ..........................................  38   5.3  DEELVRAAG  3:  WELKE  STRATEGIEËN  OM  HET  PUBLIEK  TE  BEREIKEN  WORDEN  HET  MEEST  GEBRUIKT?  ..  49   5.4  DEELVRAAG  4:  WELKE  STRATEGIEEN  OM  KOSTEN  TE  BESPAREN  WORDEN  HET  MEEST  GEBRUIKT?  ...........  53   5.5  DEELVRAAG  5:  WAT  ZIJN  DE  VISIES  VAN  EXPERTS  OVER  DE  TRENDS  VAN  VERDIENMODELLEN  VOOR  DE   JOURNALISTIEK  .....................................................................................................................................................................  58   5.6  DEELVRAAG  6:  WAT  KUNNEN  DE  TRENDS  VAN  VERDIENMODELLEN  BETEKENEN  VOOR  DE   ONAFHANKELIJKHEID  VAN  DE  JOURNALISTIEK?  ............................................................................................................  68   6.  CONCLUSIE  &  DISCUSSIE  ..........................................................................................................................  76   6.1  CONCLUSIE  .....................................................................................................................................................................  76   6.2  DISCUSSIE  ...................................................................................................................................................................  80   LITERATUURLIJST  ..........................................................................................................................................  82   BIJLAGE  ..............................................................................................................................................................  87   BIJLAGE  1  VRAGENLIJST  ZOALS  GEBRUIKT  IN  GOOGLE  FORM  .....................................................................................  87   BIJLAGE  2  OVERZICHT  STRATEGIEËN  EN  INKOMSTENMODELLEN  ..............................................................................  91   BIJLAGE  3  RESULTATEN  ENQUÊTE  ....................................................................................................................................  92   BIJLAGE  4  AANTEKENINGEN  INTERVIEWS  (RUW)  .........................................................................................................  92  
  6. 6. 6 1. INLEIDING: HET MEDIALANDSCHAP STAAT OP ZIJN KOP Bijna de helft van de Amerikaanse hoofdredacteuren is bang dat wanneer er geen nieuw verdienmodel wordt gevonden, hun nieuwsorganisatie over tien jaar niet meer bestaat. Dit blijkt uit een onderzoek van het Project for Excellence in Journalism waarbij 353 hoofdredacteuren ondervraagd zijn. Het grootste probleem ligt volgens de hoofdredacteuren bij het nalaten van innovatie binnen hun vakgebied waardoor de journalistiek belangrijke kansen misloopt (Pew Research Centre's Project for Excellence in Journalism, 2010). Ook in Nederland heerst onzekerheid over toekomstige inkomstenbronnen voor de journalistiek. Tijdens de debat-avond “Red de Journalistiek”, op 4 december 2012 in cultuurcentrum De Balie in Amsterdam, hoopten hoofdredacteuren en directeuren een financiële blauwdruk voor de journalistiek te vinden. Deze avond kwam niet uit de lucht vallen. De manier waarop de journalistiek gefinancierd wordt is de afgelopen jaren sterk veranderd. Lange tijd waren advertentie-inkomsten de belangrijkste inkomstenbron, maar de financiële crisis van 2008 zorgde ervoor dat bedrijven minder geld kunnen besteden aan advertenties. Echter, de advertentie-inkomsten namen al langere tijd af. Het internet biedt adverteerders een goed alternatief om hun advertenties te vertonen. Dit alternatief is niet alleen aantrekkelijk omdat het een stuk goedkoper is, maar ook omdat steeds meer consumenten gebruikmaken van internet en de doelgroep via dit medium gericht bereikt kan worden. Op internet laat een gebruiker veel ‘sporen’ achter, waardoor de adverteerder weet wie de gebruiker is. Dit is een positieve ontwikkeling voor adverteerders, maar heeft gezorgd voor een daling van inkomsten bij media-instellingen (Levy & Nielsen, 2010). Een andere financiële tegenslag waar de journalistiek mee te maken heeft, is de terugloop van abonnees. Steeds minder mensen zijn bereid om te betalen voor content (Kaye & Quinn, 2010). Ook in Nederland is het aantal huishoudens dat een abonnement heeft op een krant de afgelopen jaren gedaald (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2007). Door deze financiële tegenslagen hebben de redacties steeds minder geld (Levy & Nielsen, 2010). De schrijver H.J.A. Hofland zegt over de huidige journalistiek: “Ik ben niet zo snel in mineur, maar het ziet er niet vrolijk uit voor de gedrukte pers op de lange termijn. Er kan een regeneratie komen, of een nieuwe generatie komen die het licht ziet, maar zoals het er nu voorstaat – ik wil niet zeggen dat we een stervende bedrijfstak zijn, maar wel een flink krimpende – zoals het er nu voorstaat, ziet het er somber uit” (Schutte, 2009). In hoofdstuk 4 ‘Literatuuronderzoek’ wordt uitgebreid ingegaan op de oorzaken van de financiële tegenslagen voor de journalistiek.
  7. 7. 7 BEDREIGING OF KANS? De veranderingen binnen het medialandschap kunnen gezien worden als een grote bedreiging voor de journalistiek, maar ook als een nieuwe kans. Juist in deze tijd waarin internet ons veel mogelijkheden biedt, computersystemen ons toegang geven tot gigantische hoeveelheden data en er tientallen nieuwe manieren zijn om journalistieke verhalen te vertellen, komt er ruimte vrij voor nieuwe invullingen van de journalistiek. De journalist kan zijn voordeel halen uit nieuwe vormen van samenwerking, nieuwe analytische hulpmiddelen, datajournalistiek en nieuwe manieren om het publiek te betrekken (Anderson, Bell & Shirky, 2012). Dankzij moderne technologieën zijn er oneindig veel mogelijkheden om verhalen op andere manieren te vertellen; content is niet langer beperkt tot één distributiekanaal, maar kan verspreid worden via verschillende kanalen. Een verhaal kan zowel in de krant, via de laptop, op de iPad als op televisie worden vertoond. Dit biedt makers veel kansen om hun content op nieuwe manieren te produceren en distribueren (Levy & Nielsen, 2010). Kortom: het medialandschap heeft te maken met verschillende bedreigingen, zoals de dalende abonnee- en advertentie-inkomsten, maar ook met nieuwe kansen. Het is positief dat er nieuwe technologische mogelijkheden zijn, maar hoe moeten de nieuwe methodes om journalistiek te produceren en te distribueren betaald worden als traditionele inkomstenmodellen niet meer toereikend zijn? Deze vraag staat centraal in het onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012). Zij onderzochten op welke manier online journalistieke start-ups geld kunnen verdienen. De reden van hun onderzoek was dat er nog weinig onderzoek was gedaan naar bestaande verdienmodellen van journalistieke platforms (Sirkkunen & Cook, 2012). Sirkkunen en Cook (2012) hebben hun onderzoek internationaal uitgevoerd door zich te richten op 69 journalistieke platforms en hun bijbehorende verdienmodellen. Uit dit onderzoek is gebleken dat advertentie-inkomsten nog steeds de grootste inkomstenbron voor journalistieke platforms vormen. Andere bewezen modellen om geld te verdienen met journalistiek zijn paywalls (content achter een paywall plaatsen), abonnementen en freemium-accounts (lidmaatschap waarbij een deel gratis beschikbaar is en een ander deel tegen betaling beschikbaar). De onderzoekers vonden weliswaar geen nieuwe verdienmodellen, maar wel nieuwe en interessante combinaties van bestaande modellen om journalistieke platforms op de langere termijn winstgevend te maken. Sirkkunen en Cook (2012) voerden hun onderzoek in negen landen uit, waaronder de Verenigde Staten, Japan, Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië, Spanje en Finland. Nederland is buiten beschouwing gebleven. Met deze scriptie wordt een vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd in Nederland en vormt daarom een toevoeging op het onderzoek van Sirkkunen en Cook
  8. 8. 8 (2012). Sirkkunen & Cook (2012) hebben niet gekeken naar de mogelijke gevolgen van commercie op journalistieke onafhankelijkheid, maar wijzen in hun conclusie wel op het belang om kritisch te kijken op welke manier journalistieke platforms de kwaliteit en onafhankelijkheid kunnen waarborgen. Bij een scriptie over verdienmodellen voor de journalistiek kan het dilemma tussen commercie en journalistieke onafhankelijkheid niet onbesproken blijven. De focus van deze scriptie ligt weliswaar op verdienmodellen, maar omdat de journalistiek ook een belangrijke publieke functie vervult, wordt ook de spanning tussen commercie en de mogelijke gevolgen voor de journalistieke onafhankelijkheid meegenomen in het onderzoek. Om deze reden is deze scriptie eveneens een aanvulling op het onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012). OP ZOEK NAAR KANSEN Nu subsidies verdwijnen en advertentie- en abonnee-inkomsten dalen, dringt de volgende vraag zich op: hoe moet de journalistiek op lange termijn gefinancierd worden? (Kaye & Quinn, 2010). Anderson, Bell en Shirky (2012) schrijven in hun pamflet dat er gezocht moet worden naar alternatieve inkomsten om goede journalistiek te blijven maken. Ze spreken zelfs van een revolutie: “In a revolution, strategies that worked for decades may simply stop working (as many already have). Strategies that seemed impossible or insane a few years ago may now be perfectly suited to the current environment.” Wat zijn de nieuwe strategieën en kansen die door deze onderzoekers genoemd worden? En over welk verdienmodel gaat het als er door de Amerikaanse hoofdredacteuren wordt geroepen dat redacties een nieuw verdienmodel moeten vinden, omdat ze anders wel kunnen opdoeken? (Pew Research Centre's Project for Excellence in Journalism, 2010). Deze scriptie verkent de financiële mogelijkheden om de journalistiek te financieren. Er is veel geschreven over de toekomst van de journalistiek en de bijbehorende verdienmodellen, maar er is weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar bestaande verdienmodellen van journalistieke platforms (Sirkkunen & Cook, 2012). Daarnaast wordt onderzocht wat de mogelijke gevolgen zijn van commercie op de journalistieke onafhankelijkheid. Het doel van dit onderzoek is niet om het ultieme businessmodel te vinden, maar om inzicht te verkrijgen in trends van financieringen. Hieruit vloeit de volgende onderzoeksvraag voort: “Wat zijn de trends in financieringen bij journalistieke platforms?”
  9. 9. 9 Om deze hoofdvraag te beantwoorden, zijn de volgende deelvragen opgesteld: 1. Welke verdienmodellen voor de journalistiek zijn er bekend in de wetenschappelijke discussie? 2. Welke inkomstenmodellen worden het meest gebruikt? 3. Welke strategieën om het publiek te bereiken komen het vaakst voor? 4. Welke strategieën om kosten te besparen worden het meest gebruikt? 5. Wat zijn de visies van experts over de trends van verdienmodellen voor de journalistiek? 6. Wat kunnen de trends van verdienmodellen betekenen voor de journalistieke onafhankelijkheid? Om deze vragen te beantwoorden is allereerst in kaart gebracht welke verdienmodellen er bekend zijn in de literatuur. De verdienmodellen zijn verdeeld in drie onderdelen 1) het inkomstenmodel, 2) de strategieën om een publiek te bereiken en 3) de strategieën om kosten te besparen. Vervolgens is op basis van deze bevindingen een enquête ontworpen die is uitgezet onder 263 aanvragers voor de Persinnovatieregeling van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Op basis van de uitkomsten van dit kwantitatieve onderzoek zijn vijf personen geïnterviewd die achtergrondinformatie geven over het verdienmodel van hun journalistieke platform. De resultaten hiervan worden per onderdeel van het verdienmodel besproken. Vervolgens duiden de experts de trends van verdienmodellen en geven zij hun visie over de mogelijke gevolgen van commercie op de journalistieke onafhankelijkheid. De combinatie van het literatuuronderzoek, het kwantitatieve – en het kwalitatieve onderzoek geven samen een impressie van de ontwikkelingen van de verdienmodellen voor de journalistiek.
  10. 10. 10 2. THEORETISCH KADER In dit hoofdstuk worden de relevante begrippen en theorieën besproken om de hoofdvraag te beantwoorden. Vervolgens wordt gekeken naar de mogelijke invloed van commercie op de journalistieke onafhankelijkheid. 2.1 BEGRIPPEN Deze scriptie onderzoekt de verdienmodellen voor de journalistiek. De nadruk ligt op de manier waarop de journalistiek geld verdient, en niet op de vraag wat de onderzochte journalistieke platforms eigenlijk zijn. Daarom wordt in dit onderzoek in navolging van het onderzoek van Sirukkunen en Cook (2012) met de term ‘journalistiek platform’ elke organisatie die zich bevind op één of meerdere schakels binnen de journalistieke keten van verslaggeving of het informeren van de burger door informatieve content te publiceren bedoeld. Dit kan in de vorm van een samenwerking met burgerjournalisten of als professionele journalist. De focus van de journalistieke platforms kan liggen op het bedienen van niche- tot massapubliek, of bij het verlenen van service aan bestaande mediaorganisaties (Sirkkunen & Cook, 2012). Het journalistieke platform moet zich bovendien in meer of mindere mate bezighouden met het vestigen van de aandacht op onrecht, blootleggen van corruptie en het informeren van de burger zodat het publiek een mening kan vormen (Anderson, Bell & Shirky, 2012). De beroemde uitspraak van de Britse uitgever Northcliffe's past hier goed bij: “News is something someone somewhere doesn’t want printed. Everything else is advertising.” Niet alle ondervraagde platforms houden zich hier evenveel mee bezig. Net als bij het onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012), is de mate waarin ze hiermee bezig zijn voor dit onderzoek niet van belang, omdat de focus ligt op het verdienmodel en niet op hun taken. Wat wordt er in dit onderzoek verstaan onder een verdienmodel? In de wetenschappelijke discussie wordt de term verdienmodellen op verschillende manieren uitgelegd, In het onderzoek van Sirkkunen en Cook is een verdienmodel de overkoepelende term van strategieën van activiteiten waarbij op korte of lange termijn inkomsten worden gegenereerd. Hierbij streeft de organisatie naar een balans tussen inkomsten en kosten (Sirkkunen & Cook, 2012). Deze onderzoekers gebruiken een brede definitie van de term verdienmodellen, zoals volgens Eisenmann (2002) in onderzoeken vaak wordt gedaan: “Business models are widely
  11. 11. 11 used, but rarely defined’”. Om eenduidigheid te krijgen over het gebruikte begrip is er voor deze scriptie gekozen om het begrip ‘verdienmodel’ specifieker te definiëren. De term verdienmodel wordt in de wetenschappelijke discussie op verschillende manieren uitgelegd. Volgens Magretta (2002) wordt de term verdienmodel vaak verward met de term strategie en daarom is het: “one of the most sloppily used terms in business’’. Volgens Magretta (2002) is er een duidelijk verschil tussen de begrippen strategie en de term verdienmodel. Verdienmodellen beschrijven hoe verschillende delen van de organisatie in elkaar passen als een systeem; hierbij gaat het om kosten, inkomsten en de levensvatbaarheid van de organisatie. Bij strategie gaat het erom hoe bedrijven concurreren, welke initiatieven zij ondernemen en hoe zij het publiek bereiken. De beschrijving van Magretta komt overeen met Thompson en Strickland (2001). Volgens hen houdt een verdienmodel zich bezig met financieel succes: “Being more focused than strategy’” (Thompson & Strickland, 2001). Ook Picard (2010) ziet verschil tussen strategie en verdienmodel. Als mediaorganisaties spreken over verdienmodellen, hebben ze het volgens Picard (2010) niet over strategie, maar juist over de manier waarop geld verdiend kan worden. Dit is volgens Picard maar één onderdeel van het hele verdienmodel. Hij noemt dit het inkomstenmodel (“hoe verdien ik geld?”) Jansen, Jägers, Steenbakker en Melger (2003) trekken een overeenkomstige conclusie uit hun literatuuronderzoek. Zij concluderen dat het begrip 'verdienmodel' op verschillende manieren wordt omschreven, namelijk een verdienmodel als: 'de manier van waarde creëren', ‘de wijze van geld verdienen’ of ‘de structuur van de organisatie’ (Jansen et al, 2003). Volgens de Business Model Generatie (een groep creatieve ondernemers) bestaat een verdienmodel uit klantsegmenten (Wie zijn de klanten?), waardeproposities (Wat is de geleverde waarde? Via welke kanalen communiceren we? Hoe onderhouden we de klantenrelatie?), inkomstenstromen en kostenstructuren (Clark, Osterwalder & Pigneur, 2012). Zoals hier uiteen is gezet zijn er verschillende manieren om naar verdienmodellen te kijken. Aan de ene kant is het verdienmodel iets waarbij men kijkt naar de wijze waarop geld verdiend kan worden door middel van advertenties, paywalls of giften. Aan de andere kant is het verdienmodel een manier waarop een publiek georganiseerd kan worden en hoe de concurrentiepositie ten opzichte van andere media verbeterd kan worden. In deze scriptie is het verdienmodel de combinatie van zowel manieren om geld te verdienen, de strategieën om het publiek te bereiken als de strategieën om geld te besparen. Kortom: het verdienmodel omvat 1) het inkomstenmodel; de wijze waarop geld wordt verdiend 2)
  12. 12. 12 strategieën om publiek te bereiken en 3) strategieën om kosten te besparen. Een organisatie kan verschillende strategieën en inkomstenmodellen met elkaar combineren. Deze combinatie vormt het verdienmodel. Elke onderneming heeft een eigen businessmodel, oftewel verdienmodel. Of het nu gaat om profit, non-profit, overheid; iedereen heeft geld nodig om de werkzaamheden te bekostigen: “Als het geld op is, is het spel uit” (Clark, Osterwalder & Pigneur, 2012). Maar alleen een verdienmodel hebben is voor een onderneming niet genoeg. Het gaat om het langdurige succes van een verdienmodel, ook wel een duurzaam verdienmodel genoemd. Vergelijkbaar met het onderzoek van Sirkkunen en Cook (2013) is een duurzaam verdienmodel een verdienmodel dat winstgevend en levensvatbaar is. Verderop in het onderzoek zal blijken dat het voor de journalistieke platforms moeilijk is om aan te geven of hun verdienmodel duurzaam is. Dit komt onder andere omdat sommige verdienmodellen zich nog moeten bewijzen.
  13. 13. 13 2.2 COMMERCIE VERSUS JOURNALISTIEKE ONAFHANKELIJKHEID In een onderzoek over financiering van journalistieke platforms, wordt bijna vergeten dat de journalistiek - naast de commerciële rol - nog een andere (misschien wel belangrijkere) rol heeft, namelijk die van een publieke organisatie met een maatschappelijk belang: journalistiek geeft de burger waardevolle informatie (Croteau & Hoynes, 2006). VERSCHIL MEDIA MET ANDERE BEDRIJFSTAKKEN Vergeleken met andere bedrijven hebben media-instellingen een bijzondere functie. Dit komt onder andere omdat - in tegenstelling tot andere bedrijfstakken - de inhoud invloed kan hebben op de werking van de democratie. Om als burger volledig deel te kunnen nemen aan de democratie, moet de burger toegang krijgen tot informatiebronnen voor het maken van een weloverwogen keuze. De journalistiek heeft als ware de taak om burgers voor te bereiden op deelname aan de democratie, waardoor de media zowel een informerende als een educatieve functie hebben. Door deze specifieke taak van de journalistiek is het lastig om die taak over te laten aan een vrije markt, waarbij winst voorop staat. Daarom zegt de mate van winstgevendheid van de media-industrie niets over de werking van een gezond media systeem (Croteau & Hoynes, 2006). Doordat de journalistiek vaak wordt gezien als de Vierde Macht binnen de democratie, gelden er voor media speciale regels en wetten. In artikel 7 van de Nederlandse grondwet is de persvrijheid vastgelegd (Artikel 7: Vrijheid van meningsuiting; censuurverbod, 2008). Een andere reden waarom de media-branche afwijkt van andere bedrijfstakken komt vanwege de tijdrovende productie vergeleken met de houdbaarheid van het product; nieuws heeft een vluchtig karakter. Het nadeel hiervan is dat de productiekosten in een korte tijd terug verdiend moeten worden. Bovendien is de inhoud vaak alleen voor één bepaald gebied interessant en is deze daarom moeilijk schaalbaar te maken (Nahuis et al., 2004). Tot slot wijkt de media-industrie af van andere bedrijfstakken omdat de ene consument meer “waard is” dan de andere. Adverteerders zijn voornamelijk geïnteresseerd in een jonge of vrouwelijke doelgroep. De reden hiervoor is dat jonge mensen vaak nog niet merkvast en dus beïnvloedbaar zijn; vrouwen zijn een aantrekkelijke doelgroep omdat zij meestal gaan over de besteding van het huishoudgeld (Croteau & Hoynes, 2006; Lowrey & Gade, 2011). Onderzoeksjournalistiek heeft met dit probleem te maken. Deze vorm van journalistiek is niet alleen kostbaarder om te produceren, de doelgroep is niet het publiek waar bedrijven voor willen adverteren. De doelgroep voor onderzoeksjournalistiek is de hoogopgeleide blanke man.
  14. 14. 14 Dit is voor bedrijven geen waardevolle doelgroep (Lowrey & Gade, 2011). Als een mediamaker graag veel adverteerders wil binnenhalen moet hij dus content maken voor een jong en vrouwelijk publiek. Prenger en van Vree (2004) verwachten dat de komende tijd het gevecht om kijkcijfers en adverteerders zal toenemen. Steeds vaker wordt de inhoud van de programma's beoordeeld op de hoeveel geld dat het oplevert. Dit wordt door Prenger en Van Vree (2004) aangeduid als de commodificering van journalistieke producten; informatie waarmee geld verdiend kan worden, dat uitgebuit en hergebruikt kan worden. Volgens Prenger en Van Vree (2004) vervagen de grenzen tussen reclame en inhoud. Bij de publieke omroep zijn verschillende voorbeelden aan te wijzen waarbij inhoud wordt gesponsord, programma's lichter worden gemaakt of dramatische beelden worden gebruikt om het publiek vast te houden (Prenger & van Vree, 2004). Dit leidt tot een verschraling van de publieke omroep. De programma’s worden minder nieuwswaardig of juist extremer. Deze verschraling kan ook een negatief effect hebben op de commerciële omroepen. Het is denkbaar dat de commerciële kanalen goede nieuwsvoorzieningen bieden omdat RTL niet wil dat hun kijkers wegzappen naar het NOS Journaal. Dit zou verklaren waarom RTL als commerciële zender een niet winstgevend programma als het dagelijkse journaal blijft uitzenden. De zender wil een totaalpakket bieden aan de kijkers, inclusief een degelijk journaal. Wanneer de publieke omroep zou wegvallen, is de vraag of deze goede nieuwsvoorziening van RTL in stand blijft. Volgens deze gedachte zet de publieke omroep als het ware de minimumstandaard in de markt (Nahuis, et al, 2004). MARKT VERSUS PUBLIEK Als de strijd om kijkcijfers en adverteerders toenemen en de grenzen tussen reclame en journalistieke inhoud vervaagd, kan dit gevolgen hebben voor de journalistieke onafhankelijkheid. Bij een onderzoek over verdienmodellen voor de journalistiek kan het dilemma tussen commercie en journalistieke onafhankelijkheid niet onbesproken blijven. Deze twee rollen zorgen voor spanning binnen mediaorganisaties (Croteau & Hoynes, 2006). Deze spanning wordt verhoogd door de recente bedreigingen waar journalistieke platforms mee te maken hebben (Croteau & Hoynes, 2006). Krimpende budgetten voor de journalistiek hebben een impact op de sociale rol van de journalist als “waakhond van de democratie”. Wanneer het bestaan van journalistieke platforms door de daling van advertentie-inkomsten wordt bedreigd, wordt ook de publieke rol van de media bedreigd (Kaye & Quinn, 2010). Dit is een uitdaging aan zowel de economische kant als aan de publieke kant (Croteau & Hoynes, 2006).
  15. 15. 15 Het economische belang van de mediaorganisatie staat vaak in contrast met het publieke belang. Croteau en Hoynes (2006) verdelen deze twee belangen in het market model en het public sphere model. Met het market model is de rol van de financier groot en zijn economische motieven doorslaggevend. Bij de keuze voor de inhoud van een programma houdt men rekening met de financier. Er worden bijvoorbeeld programma’s gemaakt die aantrekkelijk zijn bij een groot of een - voor de adverteerder - interessant publiek. Hoe meer relevante mensen er kijken, hoe meer geld een medium kan vragen aan zijn adverteerders. Het nadeel aan dit model is dat de centrale rol van adverteerders ervoor zorgt dat de media niet altijd trouw zijn aan het publiek. Wanneer een publiek niet interessant is voor de adverteerder kan een programma - ondanks de hoge kijkcijfers - van de buis gehaald worden (Croteau & Hoynes, 2006). Tegenover het market model staat het public sphere model. Organisaties die hierin vallen hebben een maatschappelijk belang doordat zij de burger informeert en onderwijst en om in sommige gevallen handvatten aan te rijken om de samenleving te verbeteren. In dit model spelen de media een belangrijke rol bij een goed functionerende democratie. Bij het public sphere model staat het publieke belang voorop, wat vaak botst met het commerciële belang, omdat activiteiten die puur het publieke belang dienen vaak kostbaar zijn en geen groot publiek trekken (Croteau & Hoynes, 2006). Het public sphere model houdt niet in dat er geen geld verdiend wordt. Ook deze media kunnen geld verdienen. Het grote verschil tussen de twee modellen is dus niet of ze geld verdienen, maar waar de prioriteit ligt. Bij het public sphere model ligt die prioritiet bij het informeren van de burger en bij het market model juist bij het binnenhalen van financiers. Dit verschil uit zich in de gebruiker zien als ‘burger’ (public sphere model) of als ‘consument’ (market model) (Croteau & Hoynes, 2006). Opvallend is dat Beam (zoals geciteerd in Lowrey & Gade, 2011) concludeert dat kranten met een sterkte marktoriëntatie beter in staat zijn om onderzoek en kwalitatief hoogwaardige reportages te maken dan de minder op de markt georiënteerde kranten. Dit wordt ondersteund door het onderzoek van Picard (Picard 2005, zoals geciteerd in Picard, 2008). Uit dit onderzoek blijkt dat krantenuitgevers met een stabiele financiële situatie beter in staat zijn om het publieke belang te dienen, dan wanneer de financiële situatie aan verandering onderhevig is. Kortom, hoewel het commerciële belang soms schuurt met het publieke belang, is een gezonde financiële basis noodzakelijk om als journalistiek platform de taak van de 'waakhond van de democratie' uit te voeren (Picard, 2008).
  16. 16. 16 In paragraaf 5.6 wordt gekeken of de platforms meer naar het public sphere model neigen of naar het market model. Om dit te meten wordt er gekeken naar de transparantie en onafhankelijkheid van de redacties. ONAFHANKELIJKHEID Voor een journalistiek platform is een mate van onafhankelijkheid van belang om een goede reputatie te krijgen en te behouden. In deze scriptie wordt met de term ‘journalistieke onafhankelijkheid’ bedoeld dat de keuze voor (de benadering van) een onderwerp niet afhankelijk is van de adverteerder. De journalist is niet onafhankelijk als onderwerpen op bepaalde manieren niet gebracht mogen worden omdat adverteerders hierdoor afschrikken of wanneer het platform een reclame-omgeving creëert door onderwerpen te behandelen die adverteerders aantrekken en die soms zelfs door adverteerders worden betaald. Journalistieke onafhankelijkheid betekent niet dat de inhoud van de journalistiek geen bias heeft. Onafhankelijke journalistiek betekent namelijk ook dat een platform de vrijheid heeft om te bepalen vanuit welk standpunt het onderwerp wordt benaderd (Beers, 2006). Een voorbeeld hiervan is het Reformatorisch Dagblad. De onafhankelijkheid komt pas onder druk te staan als de inhoud wordt aangepast naar de wensen van de adverteerder of de financier. Dit is vooral een probleem als de consument hier niet van op de hoogte is (geen transparantie) of als de consument geen toegang tot alternatieve mediabronnen heeft (Nahuis, Appelman, van Dijk, Vollaard, Waagmeester, 2004). Het dilemma waar mediaorganisaties vaak mee te maken hebben is dat het verspreiden van sommige informatie weliswaar het publieke belang dient, maar schuurt met het commerciële belang van de mediaorganisatie. Wat doet een mediaorganisatie met negatieve informatie over een bedrijf dat ook adverteert of een aandeel heeft in het medium? Een ander dilemma waar media mee te maken hebben is dat entertainment over het algemeen meer geld oplevert dan diepgaande journalistiek, maar minder toevoegt aan de maatschappij (Croteau & Hoynes, 2006). Wanneer de consument geen vertrouwen (meer) heeft in de onafhankelijkheid van het journalistieke platform, is het risico groot dat de overstap gemaakt wordt naar de concurrent. Daarom is het economisch interessant om te voorzien in de behoefde van consumenten voor onafhankelijke journalistiek. Concurrentie levert op die manier ook prikkels voor onafhankelijkheid op. Dit wordt ook wel het reputatiemechanisme genoemd (Nahuis et al, 2004).
  17. 17. 17 Omdat het maken van nieuws zich afspeelt op twee economische markten (adverteerders en consumenten) en het nieuws een belangrijke sociale functie heeft, maken onderzoekers zich zorgen over de impact van advertenties op nieuws en informatie (Lowrey & Gade, 2011). Om een mogelijke belangenverstrengeling tussen redactionele en commerciële belangen tegen te gaan, kunnen er een aantal maatregelen worden getroffen (Prenger & Van Vree, 2004): 1) Het platform kan een eigen gedragscode opstellen die ingaat op potentiële gevallen van belangenverstrengeling. 2) Er wordt volledige transparantie geboden in de bijdragen die commerciële partijen leveren aan de totstandkoming van producties. 3) De afspraken worden per productie helder zwart-op-wit gezet: wat is wel toegestaan en wat niet? De hoofdredacteur van het platform speelt de sleutelrol in het bewaken van de autonomie (Prenger & van Vree, 2004). Traditioneel gezien lag de verantwoordelijkheid van onafhankelijke journalistiek voornamelijk bij de massamedia. Maar door het gefragmenteerde medialandschap en hun verouderde verdienmodellen is hun invloed kleiner geworden, terwijl de invloed van de kleine journalistieke platforms groter is geworden. Dit roept vragen op over de kwaliteit van de journalistiek. Sommige journalistieke start-ups spelen hier slim op in door zichzelf uit te geven als “fris, nieuw en onafhankelijk medium” (Sirkunnen & Cook, 2012). Sirkunnen & Cook (2012) geven aan dat het nog onduidelijk is wat de publieke rol is van de groeiende aantal journalistieke start-ups. In paragraaf 5.6 'journalistiek en onafhankelijkheid' zal de spanning tussen – aan de ene kant de financiering van de journalistiek en aan de andere kant het waarborgen van de kwaliteit en onafhankelijkheid – verder aan bod komen. Tijdens de interviews met de eigenaren van journalistieke platforms is besproken hoe zij omgaan met eventuele commerciële belangenverstrengeling. In dit hoofdstuk is het verdienmodel gedefinieerd en is uitgelegd waarom de journalistiek afwijkt van andere vakgebieden. Daarnaast is er stilgestaan bij de spanning tussen de commerciële en publieke rol van de journalistiek, door middel van het market en public sphere model. Tot slot is ingegaan op de journalistieke onafhankelijkheid. Het volgende hoofdstuk bespreekt de methode van onderzoek. Daarna wordt de situatie geschetst waarin de journalistiek zich momenteel begeeft.
  18. 18. 18 3. METHODE VAN ONDERZOEK Dit onderzoek heeft een interdisciplinair karakter doordat de vakgebieden Communicatiewetenschap, Bedrijfskunde en Media-studies elkaar bij het onderwerp “verdienmodellen voor de journalistiek” overlappen. Aangezien de deelvragen verschillende vakgebieden beslaan is ervoor gekozen om diverse onderzoeksmethoden met elkaar te combineren. LITERATUURSTUDIE Het eerste gedeelte vormt een literatuurstudie. Voorafgaand aan het zoeken naar literatuur zijn zoektermen gedefinieerd, waarbij rekening is gehouden met het feit dat begrippen en concepten vaak synoniemen hebben. Er is onderscheid gemaakt tussen sleutelzoektermen en hulpzoektermen. Door sleutelzoektermen (zoals business, revenuestream, journalism, media) te combineren met hulpzoektermen (zoals model, future, platform, business, changing, mass, landscape, developments, new, news, funding en newsgathering) is geprobeerd om de beschikbare literatuur in kaart te brengen. Op basis van de sneeuwbalmethode zijn literatuurverwijzingen in studies gebruikt om artikelen te vinden die nog niet eerder via de andere zoekprocedures waren gevonden en om de onderwerpen en bevindingen verder te verkennen. Om het gevaar van verouderde literatuur tegen te gaan is via de Web of Science de citaatindex gebruikt om recente literatuur te vinden. Bovendien geeft deze zoekmachine aan welke onderzoeken nog meer over hetzelfde onderwerp gaan. Om tot een goede, betrouwbare beantwoording van de onderzoeksvragen te komen, zijn de relevante publicaties op een eenduidige wijze verwerkt. Per bron zijn de kenmerkende bevindingen, de waarde van de bron en de onderzoeksmethode genoteerd. Dit leverde een samenvatting per artikel op. Voor hoofdstuk 4 is er gebruikt gemaakt van recente en minder recente bronnen om de resultaten van context te voorzien. Op deze manier wordt de ontwikkeling van de financiering van de journalistiek besproken en de oorzaken en gevolgen van de dalende inkomsten uitgelegd. Voor de analyse zijn op basis van de literatuur de verdienmodellen in kaart gebracht en gecategoriseerd. Deze categorieën zijn toegepast op de enquête en het verdere onderzoek.
  19. 19. 19 KWANTITATIEF - EN KWALITATIEF ONDERZOEK Na het literatuuronderzoek volgen het kwantitatieve- en het kwalitatieve onderzoek. De methodologie van dit onderzoek is vergelijkbaar met het onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012). Zij hebben eerst een vragenlijst verstuurd naar start-ups en vervolgens diepte- interviews gehouden. De vragenlijst die zij hebben ontworpen is voor een deel gebaseerd op de bevindingen die zij hebben opgedaan in het voorstadia van hun onderzoek en voor het andere deel op een eerder onderzoek over inkomstenbronnen van bloggers dat is gepubliceerd op problogger.net in 2010. De combinatie van deze resultaten is gebruikt als ontwerp voor de vragenlijst van Sirkkunen en Cook (2012). De enquête die gebruikt is voor deze scriptie is in de basis hetzelfde als de vragenlijst van Sirkkunen en Cook (2012), met het verschil dat de enquête voor deze scriptie gedetailleerder is. Voor dit onderzoek zijn namelijk de vragen over verdienmodellen verdeeld in de drie onderdelen die tot stand zijn gekomen op basis van het literatuuronderzoek zoals wordt beschreven in paragraaf 5.1. Een ander verschil is dat deze enquête - in tegenstelling tot de vragenlijst van Sirkkunen en Cook (2012) - vragen bevat over het ontvangen van subsidie. Het doel van de enquête is het verschaffen van informatie over de huidige verdienmodellen. De enquête bestaat uit open, gesloten en meerkeuzevragen (zie bijlage 1). ONDERZOEKSGROEP De enquête is uitgezet onder aanvragers van de Persinnovatieregeling van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Er is gekozen voor deze onderzoeksgroep omdat de Persinnovatieregeling een subsidieregeling is voor platforms die op een innovatieve manier bezig zijn met journalistiek. De subsidie die wordt verdeeld door het Stimuleringsfonds voor de Pers is bedoeld als een tijdelijke stimulans voor het versterken van innovatie in de pers en de journalistiek. Uiteindelijk zal het platform een eigen verdienmodel moeten vinden om voort te bestaan. Om in aanmerking te komen voor subsidie, moeten de projecten bezig zijn met vernieuwing (Noomen, 2012). De enquête is uitgezet onder 263 platforms die vanaf 2010 een aanvraag hebben ingediend (Persinnovatie, datum onbekend). Zowel aan journalistieke platforms waarbij de subsidie is toegewezen als aan journalistieke platforms waarbij subsidie is afgewezen, is gevraagd om de enquête in te vullen.
  20. 20. 20 De onderzoeksgroep bestaat uit alle platforms die een aanvraag hebben ingediend bij de Persinnovatieregeling voor een project dat zich begeeft op één of meerdere schakels binnen de journalistieke keten: van nieuwsgaring/duiding tot het distribueren van journalistieke content; van niche- tot massabereik; en van professionele journalisten tot (samenwerking met) burgerjournalisten. Om het minder verwarrend te maken, wordt er in deze scriptie gesproken over een journalistiek platform. De criteria voor de onderzochte groep komen overeen met het Finse onderzoek dat gedaan is door Sirkkunen en Cook (2012). Het grote verschil tussen dit onderzoek en het Finse onderzoek is dat zij zich puur hebben gericht op online start-ups die geen subsidie hebben gekregen, terwijl de onderzoeksgroep voor deze scriptie ook offline platforms en platforms die subsidie hebben ontvangen bevat. Per mail zijn alle 263 aanvragers gevraagd om de enquête in te vullen. Echter, niet alle aanvragers maken deel uit van de doelpopulatie, bijvoorbeeld omdat ze een aanvraag hebben ingediend voor een onderzoek over journalistieke mogelijkheden of omdat de aanvrager nooit gestart is met een journalistiek platform. Dit is een geval van overdekking. Hoe groot de overdekking in dit onderzoek is, kan niet vastgesteld worden, omdat dit vertrouwelijke informatie is van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Uiteindelijk hebben 29 aanvragers de enquête ingevuld. Dit is elf procent van het totaal. Als de overdekking wordt afgetrokken van het totaal, dan ligt het percentage hoger. Het is lastig vast te stellen of de lage respons te wijten is aan non-respons of overdekking. Dat maakt het niet mogelijk om het percentage respons te berekenen (Bethlemen, 2008). DOEL VAN HET PLATFORM De platforms waarover de enquête is ingevuld verschillen enorm in het doel dat zij nastreven. Hieronder staan een aantal citaten waarmee zij zichzelf omschrijven. Sommige platforms richten zich op lokaal nieuws: “Klein nieuws van om de hoek op de meest simpele en snelle manier aanbieden” (Oerde), “historische en actuele informatie over Nederlandse plaatsen inzichtelijk maken” (Plaatsengids.nl), “regionale uitgevers de mogelijkheid bieden innovatieve oplossingen te gebruiken” (Publish-Inn/Penthion Media Techonologies), “kwaliteitsverbetering brengen in de branche van de lokale nieuwsmedia” (Nederlandse Nieuwsblad Pers), “videojournaals maken over Zeeland” (Zeelandin2minuten), “Lokaal nieuwsmedium voor jongeren in Zwolle creëren” (MijnZ), “lokale website met diverse informatie over Leeuwarden aanbieden (liwwadders.nl) en een “platform creëren door en voor Hagenaars en Hagenezen” (DenHaagDirect.nl).
  21. 21. 21 Andere platforms geven bestaande content een nieuwe bestemming. Ze omschrijven dit als volgt: “bestaande content een nieuwe bestemming geven en extra informatie creëren door middel van semantische technieken (Newz), “kwaliteitscontent hergebruiken” (www.serioussources.com), “een nieuwsselectie maken dat relevant is voor kinderen en jongeren en deze content vervolgens op een leuke en begrijpelijke manier aanbieden” (Uitgeverij Young & Connected) en een “selectie maken van toekomstige evenementen voor een persagenda” (Zapaday). Andere platforms richten zich op een niche-onderwerp met informatie over geluidstechniek (Linear Audio) of over kunst journalistiek (Cultureel Persbureau), of richten zich op het trainen van journalisten (De Groene Amsterdammer/Masterclass en de Vereniging Van OnderzoeksJournalistiek), op datajournalistiek (Sargasso en Datajournalistiek) of op een marktplaats waar aanbieders en kopers/donateurs bij elkaar komen (Fotomarkt en Nieuwspost). Andere platforms experimenteren met betaalsystemen: eLinea wil content van verschillende uitgevers op één plaats digitaal aanbieden en het Nederlands Dagblad experimenteert met een geavanceerd betaalsysteem. Overige platforms zijn: HP/De Site (website van het maandblad HP/DE Tijd), Follow the Money (multimediaal platform voor financieel-economische (onderzoeks)journalistiek) Wereldjournalisten.nl (podium voor etnische minderheden in Nederland met betrekking tot de actualiteiten), NewsGame (koppelen nieuws en jongeren aan elkaar), Passionate Platform (educatie op literair gebied) en Virtumedia met het project isgeschiedenis.nl (actualiteit in historisch perspectief plaatsen). OPRICHTING Achttien platforms waarover de enquête is ingevuld zijn al gestart. De meeste platforms zijn gelanceerd in 2010, 2011 of 2012. Het Nederlands Dagblad en de Groene Amsterdammer zijn natuurlijk al eerder opgericht, maar in dit onderzoek gaat het om de lancering van het nieuwe platform waar zij subsidie voor hebben aangevraagd. Zeven platforms zullen gelanceerd worden in 2013 of 2014. SUBSIDIE De helft van de respondenten die de enquête hebben ingevuld, hebben subsidie ontvangen en maken hier nog steeds gebruik van. Elf respondenten hebben een subsidie aanvraag ingediend, maar geen subsidie gekregen. Zie figuur 1 op de volgende pagina:
  22. 22. 22 Figuur 1 OMZET De meeste platforms maken nog geen omzet. Van de platforms die wel omzet maken varieert deze omzet van tienduizend euro tot twaalf miljoen euro per jaar. Als de grootste twee omzetten (>3 miljoen en 13 miljoen) en de platforms die geen omzet maken, buiten beschouwing worden gelaten is de gemiddelde omzet van de platforms die een enquête hebben ingevuld 79 duizend euro per jaar. WINST Van alle platforms geven vier platforms aan winstgevend te zijn. Elf platforms zijn niet winstgevend, waarvan één expliciet aangeeft dat zij een platform zijn zonder winstoogmerk. Het is aannemelijk dat dit bij meer platforms het geval is. Drie platforms zijn 'nog niet' winstgevend. Bij de overige platforms is deze vraag niet van toepassing. In hoeverre de gebruikte verdienmodellen succesvol zijn, is in dit onderzoek niet gemeten. Wel is er gevraagd of de platforms zelf vinden dat zij een duurzaam verdienmodel hebben. Van de 29 respondenten, hebben er negen een duurzaam verdienmodel. Opvallend is dat niemand aangeeft niet bezig te zijn met een verdienmodel. Zie onderstaand figuur 2: Figuur 2 DIEPTE-INTERVIEWS De uitkomsten van de enquête zijn gebruikt als basis voor verder kwalitatief onderzoek, door middel van semigestructureerde diepte-interviews. Met semigestructureerde interviews wordt bedoeld dat de basis van de vragen voor iedereen hetzelfde is (er wordt dieper ingegaan op
  23. 23. 23 de antwoorden van de enquête), maar dat de focus per interview verschilt. Sommige geïnterviewden praatten meer over de inkomsten- en kostenstructuur, waar anderen het meer over strategieën en journalistiek ondernemen hadden. Aan de hand van de uitkomsten van de enquête zijn een vijftal personen van journalistieke platforms geselecteerd voor een uitgebreid interview: Jelle Buizer, voorzitter Stuurgroep Newz. Newz is een platform waar reeds geproduceerde content wordt verzameld. Newz faciliteert initiatieven die bestaande content een nieuwe bestemming willen geven. Bovendien krijgt de content extra informatie door alle content aan elkaar te koppelen door middel van semantische technieken. Buizer is daarnaast product manager bij de FD Mediagroep. In die hoedanigheid geeft hij tijdens het interview ook een aantal interessante voorbeelden van het Financieel Dagblad en Company.info (database met informatie over bedrijven). Beide organisaties zijn onderdeel van de FD Mediagroep. Teun Gautier, directeur Groene Amsterdammer/Masterclass. De Groene Amsterdammer/Masterclass maakt dure en zeer tijdsintensieve onderzoeksjournalistiek mogelijk en biedt jonge journalisten werkervaring. Stefan Hoevenaar, oprichter van Zapaday. Zapaday maakt persagenda’s “voor de toekomst” voor redacties en bedrijven door het verzamelen van activiteiten en evenementen. Zapaday onderscheidt zich met andere persagenda’s doordat Zapaday gratis is en verder vooruit kijkt. Het doel van deze tool is journalisten helpen bij het bedenken van een onderwerp, waardoor zij meer tijd kunnen besteden aan duiding en achtergrond. Bovendien geeft het bedrijven informatie over relevante activiteiten binnen hun branche. Eric Smit, medeoprichter van Follow the Money. Follow the money is een online platform dat zich richt op financieel-economisch nieuws en onderzoeksjournalistiek. Follow the Money publiceert content op hun eigen site en maakt content voor bestaande media. Dimitri Tokmetzis, hoofdredacteur Sargasso. Sargasso is een blog voor datajournalistiek. Sargasso maakt content voor bestaande mediaorganisaties (zowel krant als tv) en publiceert dagelijks eigen stukken op de site. De reden voor deze selectie is het verzamelen van een zo’n gevarieerd mogelijke samenstelling van verdienmodellen. Hierbij is niet geprobeerd om de verdienmodellen statistisch representatief weer te geven, maar om de verschillende trends van verdienmodellen verder uit te diepen. Zo is Newz een platform dat nieuwe verdienmodellen voor kranten faciliteert, Follow the Money hoopt in de toekomst te verdienen aan een niche
  24. 24. 24 publiek, de Groene Amsterdammer/Masterclass bespaart kosten door studenten in te zetten en Sargasso werkt veel samen met bestaande mediaorganisaties. De resultaten van deze interviews worden gecombineerd met de resultaten uit de enquêtes. Daarnaast zijn drie experts geïnterviewd om de resultaten te duiden: Ten eerste Piet Bakker. Bakker is mediadeskundige en lector Massamedia en Digitalisering aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Bakker heeft veel onderzoek gedaan naar innovatie bij kranten en tijdschriften en naar nieuwe vormen van journalistiek. Bakker is daarnaast consultant voor uitgevers en een veelgevraagde spreker op (internationale) conferenties. Ten tweede Alexander Pleijter. Pleijter is hoofdredacteur van de Nieuwe Reporter en lector journalistiek & Innovatie aan de Fontys Hogeschool in Tilburg. Hij heeft onderzoek gedaan naar journalistieke innovatie en nieuwe media. Pleijter spreekt regelmatig op debatbijeenkomsten over nieuwe mediaontwikkelingen. Tevens is hij mede-auteur van het Handboek Crossmediale Journalistiek en Redactie. En tot slot, Marianne Zwagerman. Zwagerman is media-innovatiespecialist en schrijfster. Zwagerman was directeur digitale media bij de Telegraaf Media Groep en medeoprichter van Powned en Wakker Nederland. Zwagerman is initiatiefnemer van de in de inleiding genoemde debat-avond “Red de Journalistiek 2012”. De drie experts zijn geselecteerd op basis van hun deskundigheid op het gebied van innovatie binnen de journalistiek en de daarbij behorende verdienmodellen. Bovendien mengen zij zich vaak in het publieke debat, via blogs, openbare discussies en door het delen van wetenschappelijk onderzoek. De interviews met de experts waren semigestructureerd. Aan alle experts werd gevraagd hoe zij de toekomst, trends, bedreigingen en kansen met betrekking tot de financiering van de journalistiek zien. De interviews waren opgezet voor één uur maar liepen in de meeste gevallen uit tot maximaal twee uur. Alle interviews zijn opgenomen en uitgetypt. Na het uittypen van de interviews zijn alle uitkomsten geanalyseerd en handmatig per categorie ingedeeld. RESULTATEN Door de combinatie van het literatuuronderzoek, de enquête, de diepte-interviews met de platforms en de gesprekken met mediadeskundigen wordt een beeld geschetst van trends van financiering voor journalistieke platforms.
  25. 25. 25 Vervolgens wordt er gekeken wat de trends van verdienmodellen kunnen betekenen voor de journalistieke onafhankelijkheid. Zoals in het theoretisch kader is besproken zijn er media waarbij commerciële motieven een doorslaggevende factor zijn in de keuze voor de inhoud (het market model) en media waarbij het publieke belang het belangrijkst is (het public sphere model). Het verschil zit hem niet in de mate van geld verdienen, maar het verschil in prioriteit: moet de burger geïnformeerd worden of moet er een interessant publiek voor de adverteerder worden aangetrokken? (Croteau & Hoynes, 2006). Deze begrippen worden geoperationaliseerd door te kijken naar de onafhankelijkheid van de redactie. Volgens de gebruikte definitie van onafhankelijkheid van Beers (2006) komt deze in het geding als platforms onderwerpen op bepaalde manieren niet brengen omdat adverteerders hierdoor afschrikken of wanneer het platform een reclame-omgeving creëert door onderwerpen te behandelen die adverteerders aantrekken en die soms zelfs door adverteerders worden betaald (Beers, 2006). Aan de hand van de gesprekken met de eigenaren van de platforms en de experts worden de risico’s in kaart gebracht. Wat betekenen de trends van verdienmodellen voor de journalistieke onafhankelijkheid? Wordt de onafhankelijkheid gewaarborgd door middel van het opstellen van een gedragscode, het maken van afspraken over de autonomie van het platform en het bieden van transparantie in de eventuele commerciële bijdrage van partijen? (Prenger & van Vree, 2004). In paragraaf 5.6 worden deze resultaten weergegeven. SAMENVATTING METHODE VAN ONDERZOEK Allereerst wordt in dit onderzoek de oorzaken en gevolgen van de dalende inkomsten van de journalistiek besproken. Vervolgens wordt door middel van een literatuuronderzoek de verdienmodellen in kaart gebracht en gecategoriseerd. Hierbij worden de drie concepten van een verdienmodel aangehouden: 1) manieren om geld te verdienen; het in, 2) strategieën om het publiek te bereiken en 3) strategieën om kosten te besparen. Per onderdeel van het verdienmodel worden de resultaten afkomstig uit het kwantitatief- en kwalitatief onderzoek van de journalistieke platforms geanalyseerd. Vervolgens worden de trends van verdienmodellen door experts geduid en wordt tot slot met de experts en de hoofdredacteuren van de platforms besproken wat de ontwikkelingen van verdienmodellen kunnen betekenen voor de journalistieke onafhankelijkheid.
  26. 26. 26 4. DALENDE INKOMSTEN VOOR DE JOURNALISTIEK Zoals in de inleiding besproken, hebben mediaorganisaties de afgelopen decennia de inkomsten zien dalen. De meeste westerse mediaorganisaties hebben te maken met een onstabiele economische toekomst (Sirkkunen & Cook, 2012; Lee-Wright, Philips & Witschge, 2012). De traditionele manier om geld te verdienen is veranderd door onder andere de terugloop in advertentie- en abonnee-inkomsten. Dit hoofdstuk gaat dieper in op de oorzaak van de verminderende inkomsten. ADVERTENTIE-INKOMSTEN Advertenties zijn, sinds de opkomst ervan in de tweede helft van de negentiende eeuw, een grote bron van inkomsten voor journalistieke platforms (Sirkkunen & Cook, 2012; Lee-Wright, Philips & Witschge, 2012). Eén van de grootste transformaties van verdienmodellen voor de geschreven pers werd bedacht door de Britse krant The Sun. The Sun bood in 1833 de krant aan voor één zesde van de reguliere krantenprijs. In een mum van tijd groeide de oplage. Door het grote bereik werd The Sun interessant voor adverteerders. Een nieuw verdienmodel was geboren (Carner, 2012). Dit verdienmodel was lange tijd de belangrijkste manier om de journalistiek te financieren. Sinds de wereldwijde financiële crisis in 2008 is de waarde van mediaorganisaties enorm afgenomen. De Amerikaanse kranten zagen hun marktwaarde in dat jaar met 64,5 biljoen dollar dalen. De daling in inkomsten voor de traditionele media is niet alleen te wijten aan de financiële crisis; dit heeft het proces alleen maar versneld. Al lang voor de financiële crisis bleken traditionele verdienmodellen niet meer te werken (Kaye & Quinn, 2010). Sinds de jaren '90 veranderde het distributie-platform voor mediaorganisaties. Steeds vaker werd er gekozen voor internet als distributie platform in plaats van televisie of kranten. Op het moment dat steeds meer consumenten en organisaties overstapten naar het internet, verplaatsten de adverteerders zich ook naar dit nieuwe medium. Vanaf 2000 werd zichtbaar dat de advertentie- en abonnee- georiënteerde verdienmodellen, die de traditionele media jarenlang hadden ondersteund, op internet niet bleken te werken (Kaye & Quinn, 2010; Levy & Nielsen, 2010). De online advertentie-inkomsten zijn vaak erg laag, dit komt door de vele mogelijkheden om op internet te adverteren en doordat internetgebruikers vaak geen loyaliteit hebben voor de krant. Bezoekers zijn gemiddeld een minuut op een krantenwebsite (in
  27. 27. 27 vergelijking met een offline-krant is dat 27 minuten). Dit is voor een adverteerder niet aantrekkelijk en hebben hier ook niet veel geld voor over (Carner, 2012). Kortom: door de financiële crisis en de advertentiemogelijkheden op internet liepen de advertentie-inkomsten voor traditionele media flink terug. Bovendien kozen adverteerders de laatste jaren er steeds vaker voor om hun advertentie op kabel- en digitale televisie of gratis kranten te tonen. Hier kunnen zij voor weinig geld een gerichte doelgroep bereiken (Kaye & Quinn, 2010; Levy & Nielsen, 2010). In 2012 is naar verwachting de hoeveelheid advertentie-inkomsten voor de Amerikaanse media-industrie in vergelijking met 2005 met de helft gekrompen (Kaye & Quinn, 2010). Een groot deel van de advertentie opbrengsten (voornamelijk de classified advertenties, zoals personeelsadvertenties) die eerst ten goede kwamen aan journalistieke organisaties, komen nu terecht bij platforms zoals Yahoo! Monster (vacatures), eBay (marktplaats) en Craigslist (verzameling van vacatures, woningen diensten). Hierdoor lopen omroepen en kranten veel inkomsten mis (Kaye & Quinn, 2010; Lee-Wright, Philips & Witschge, 2012). Google heeft het advertentie-georiënteerde verdienmodel van traditionele media nog verder bedreigd doordat adverteerders kunnen betalen voor het plaatsen van hun advertentie wanneer gezocht wordt op specifieke sleutelwoorden. Op deze manier kunnen adverteerders heel specifiek een bepaalde groep bereiken. Bovendien maakt Google gebruik van algoritmes om op relevante plaatsen en tijden advertenties te plaatsen, passend bij de gebruiker of website (Kaye & Quinn, 2010). Google wordt ook wel de “frenimy” van de media genoemd. Met deze term wordt iemand bedoeld die zowel je vriend (friend) als je vijand (enemy) is (Kaye & Quinn, 2010). Aggregatiewebsites zoals Google News zouden ervoor hebben gezorgd dat er minder bezoekers naar nieuwswebsites gaan. Google News neemt de titel en het eerste deel van een nieuwsbericht letterlijk over, soms zonder een goede verwijzing naar de oorspronkelijke bron, waardoor de bezoekers niet worden doorgelinked naar de bron. Minder bezoekers betekent meestal: minder advertentie-inkomsten (Lee-Wright, Philips & Witschge, 2012). Aan de andere kant is Google ook een vriend omdat dankzij Google, websites juist veel nieuwe bezoekers krijgen. De traffic die ontstaat dankzij Google is vaak groter dan de traffic die direct op de website komt. Toch noemen veel mensen het diefstal op de manier waarop Google te werk gaat. Rupert Murdoch, een van 's werelds grootste en invloedrijkste media-conglomerate stelt in 2009 de retorische vraag: “Should we be allowing Google to steal our copyrights?” Verdedigers van Google zeggen dat nieuwssites juist geld kunnen verdienen aan de pageviews die ontstaan dankzij Google. Als nieuwssites echt problemen hebben met de handelswijze van Google, kunnen de sites ervoor kiezen om hun website niet te laten indexeren, zodat Google
  28. 28. 28 niet naar hen kan linken. Toch is er geen enkele nieuwssite die hiervoor kiest (Kaye & Quinn, 2010). ABONNEE-INKOMSTEN Wanneer het economisch slechter gaat, worden journalistieke platforms dubbel geraakt: eerst dalen de advertentie-inkomsten en niet lang daarna zeggen abonnees hun abonnement op om op die manier te bezuinigen op hun uitgaven (Nielsen & Levy, 2010). Deze trend is ook in Nederland zichtbaar. Uit cijfers van het onderzoeksinstituut HOI blijkt dat de oplages van de grootste landelijke dagbladen in het derde kwartaal van 2012 gedaald zijn ten opzichte van dezelfde periode in 2011 (HOI, 2013). De trend van abonnee-stop is in Nederland al langer gaande. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is de daling in abonnees te wijten aan de opkomst van gratis dagbladen en het online raadplegen van nieuws. Het aantal Nederlandse huishoudens dat een abonnement heeft op een krant is gedaald van 62 procent in 1997 naar 51 procent in 2006 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2007). In 2008 raadpleegde 41 procent van de Nederlanders online-nieuws (Wunchs-Vincent, 2010). Ondanks dat er meer mensen gebruik maken van online nieuws, zijn steeds minder van hen bereid om hier ook daadwerkelijk voor te betalen (Sirkkunen & Cook, 2012). De twee grootste factoren die de oorzaak zijn van de huidige crisis in de journalistiek is 1) de strijd om online adverteerders, waardoor er minder advertentie-inkomsten binnen komen en 2) het publiek dat niet wil betalen voor online content (Kaye & Quinn, 2010). In dit hoofdstuk is de belangrijkste literatuur besproken over het veranderende medialandschap. Door het veranderende medialandschap is het vanzelfsprekend dat ook het verdienmodel moet veranderen (Wunsch-Vincent, 2010). Journalistieke platforms zijn niet in staat gebleken om zich snel aan te passen aan de nieuwe mogelijkheden van internet. Er is een gebrek geweest aan het innoveren van nieuwe verdienmodellen (Sirkkunen & Cook, 2012). In de volgende paragraaf wordt dieper ingegaan op de verdienmodellen die bekend zijn in de literatuur.
  29. 29. 29 5. RESULTATEN Dit hoofdstuk behandelt de vijf deelvragen. Paragraaf 5.1 geeft antwoord op de vraag: “welke verdienmodellen zijn er bekend in de literatuur?”. Paragraaf 5.2, 5.3 en 5.4 geeft antwoord op de deelvragen die gaan over de meest gebruikte inkomstenmodellen en strategieën om geld te verdienen en om kosten te besparen. Paragraaf 5.5 geeft antwoord op de vraag: “Wat zijn de visies van experts over de trends van verdienmodellen voor de journalistiek?” Tot slot geeft paragraaf 5.6 antwoord op de vraag: “Wat kunnen de trends van verdienmodellen betekenen voor de journalistieke onafhankelijkheid?” 5.1 DEELVRAAG 1: WELKE VERDIENMODELLEN VOOR DE JOURNALISTIEK ZIJN ER BEKEND IN DE WETENSCHAPPELIJKE DISCUSSIE? Zoals in het theoretisch kader is beschreven, wordt de term verdienmodel in de literatuur op verschillende manieren uitgelegd. Sirkkunen en Cook (2012) hebben een wereldwijd onderzoek gedaan naar start-ups en hun verdienmodellen. Zij verdelen de verdienmodellen in grofweg twee genres: storytelling georiënteerde verdienmodellen en service-georiënteerde verdienmodellen. Met storytelling georiënteerde verdienmodellen wordt bedoeld dat er geld verdiend wordt aan activiteiten die te maken hebben met het produceren van het journalistieke product. Storytelling georiënteerde verdienmodellen voor online platforms richten zich vaak op een niche-publiek, zoals een bepaalde hobby. Offline platforms richten zich meer op het massapubliek. Met service-georiënteerde verdienmodellen worden de verdienmodellen bedoeld die niet direct iets te maken hebben met het journalistieke eindproduct maar waarbij een bepaalde dienst wordt verleend. Voorbeelden hiervan zijn het verzamelen en hergebruiken van bestaande content, het verkopen van informatie, het geven van trainingen, het organiseren van evenementen of het bieden van een platform voor burgerjournalistiek of crowdfunding. Uit het grootschalige onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012) onder start-ups blijkt dat de meeste start-ups een storytelling georiënteerd verdienmodel hebben, maar dat de service- georiënteerde verdienmodellen lijken te groeien (Sirkkunen & Cook, 2012). In de analyse wordt gekeken of deze trend ook bij de onderzochte Nederlandse platforms zichtbaar is. Uit het onderzoek van Sirkkunen en Cook (2012) blijkt dat advertentie de grootste inkomstenbron is. Daarna komen de meeste inkomsten uit het betalen voor content, het
  30. 30. 30 verkopen van data en technologie, het organiseren van evenementen en het geven van consulten. Uit het onderzoek van Sirkkunen & Cook (2012) blijkt bovendien dat de meeste start-ups niet willen concurreren met de traditionele media maar een toevoeging willen zijn door het niche publiek te bedienen. Daarnaast biedt het onderzoek praktische tips voor ondernemers die een eigen journalistiek platform willen oprichten. Tips zijn onder andere “denken als een ondernemer”, het laag houden van de kosten, werken met kleine teams, het bezitten van veel verschillende vaardigheden, het vinden van een niche en vanaf het begin af aan een relatie opbouwen met de adverteerders (Sirkkunen & Cook, 2012). Sirkkunen en Cook (2012) hebben voor hun onderzoek naar trends van verdienmodellen gebruik gemaakt van de lijst van inkomstenmodellen van Kaye en Quinn (2010). In deze lijst staat sponsoring, filantropie, micro-betalingen, samenwerken met andere media, familiebezit, niche-content, prijsdiscriminatie, lidmaatschappen en het gebruik van tablets. Naast de lijst van Kaye en Quinn (2010) wordt er ook gekeken naar inkomsten uit verschillende vormen van adverteren, paywalls, abonnementen, freemium (verdienmodel waarbij een gedeelte van de informatie gratis is en een ander deel tegen betaling beschikbaar is), affiliate marketing (inkomsten wanneer er via het platform een aankoop wordt gedaan), merchandise, het verkopen van data en technologie, het organiseren van evenementen en het geven van trainingen en consulten. Bij Sirkkunen en Cook (2012) lopen de verschillende inkomstenmodellen en manieren om publiek te trekken door elkaar. Deze paragraaf categoriseert de verschillende modellen en strategieën die worden genoemd in de literatuur in drie onderdelen: 1) Strategieën om het publiek te bereiken 2) Manieren om geld te verdienen (inkomstenmodel) en; 3) strategieën om kosten te besparen. In de subparagrafen hieronder worden deze onderdelen verder uitgelegd. Het eerste onderdeel gaat over de vraag hoe je voor een specifieke doelgroepen relevant kunt zijn, het tweede onderdeel gaat over hoe je geld verdient als je de lezer voor je content hebt weten te interesseren en het derde onderdeel gaat over de manier waarop kosten bespaard kunnen worden. Dit samen maakt het verdienmodel.
  31. 31. 31 VERDIENMODEL ONDERDEEL I: STRATEGIEEN OM HET PUBLIEK TE BEREIKEN. Er zijn verschillende strategieën om het publiek te bereiken. Een journalistiek platform kan zich richten op een nichepubliek of op een massapubliek. Wanneer een platform zich richt op een nichepubliek specialiseert het platform zich in een bepaald onderwerp. Als informatie voor deze niche van goede kwaliteit is, kan dit doorverkocht worden aan andere journalistieke platforms. Niche-content is vaak moeilijk te vinden, waardoor het een hoge waarde heeft voor een specifieke groep. Internet is bij uitstek een geschikt medium om een nichepubliek te bereiken. Dit is het grote verschil tussen online mediaorganisaties en traditionele mediaorganisaties: online mediaorganisaties zijn vaak gericht op niches, terwijl traditionele media vaak gericht zijn op de massa (Lowrey & Gade, 2011; Sirkkunen & Cook, 2012). Een andere strategische keuze die journalistieke platforms kunnen maken om het publiek te bereiken is de keuze voor een bepaalde geografische doelgroep. Richt het platform zich op een nationaal publiek, regionaal publiek of op een lokale gemeenschap? Wanneer een platform zich richt op een lokale gemeenschap, wordt dit hyperlocal genoemd: content die waarde heeft voor een specifieke community die met elkaar verbonden zijn door hun geografische locatie. Organisaties die deze content genereren hoeven niet te concurreren met nationale of regionale media. Deze vorm is interessant voor lokale adverteerders (Lowrey & Gade, 2011). Naast het specialiseren in een onderwerp of een locatie, kunnen journalistieke platforms ook keuzes maken voor het type platform waarop ze het product verspreiden. Is de content bedoeld voor televisie, krant, internet of de smartphone-gebruiker? Elk platform heeft een ander type gebruiker en heeft andere eisen. Content voor mobiele telefoongebruikers moet zoveel mogelijk aan sluiten bij de behoefte van het mediagebruik thuis, onderweg of op werk (Lowrey & Gade, 2011). Door de komst van e-readers, zoals de iPad, kunnen traditionele bedrijven hun bereik vergroten om dezelfde content op verschillende plekken tegelijk te plaatsen (Sirkkunen & Cook, 2012). Het lijkt erop dat smartphones en tablets steeds vaker de traditionele nieuwsbronnen gaan vervangen. Hoewel kranten en televisie nog steeds de grootste bronnen voor nieuwsgaring zijn, maakt internet – ten koste van de kranten – een steeds grotere inhaalslag. In Korea is het lezen van online kranten populairder (77.3 procent) dan het lezen van offline kranten (51,5 procent). In Amerika gebruikt veertig procent van de bevolking de online krant als nieuwsbron, twintig procent gebruikt de papieren krant als nieuwsbron en zeventig procent gebruikt de televisie als bron voor het nieuws. Online nieuwsbronnen wordt door 41 procent van de Nederlanders gebruikt (Wunsch-Vincent, 2010).
  32. 32. 32 Tenslotte is ook de mate van toegankelijkheid tot journalistieke content een strategische keuze. De toegang tot content kan exclusief zijn of juist gratis worden aangeboden. Dit laatste wordt ook wel het eyeball business model genoemd: met gratis content worden “oogballen” aangetrokken, in de hoop dat dit publiek ook in aanraking komt met de advertenties (Kaye & Quinn, 2010). De journalistieke-platforms kiezen bij dit verdienmodel ervoor om geen geld te verdienen aan de verkoop van content, maar verdienen geld aan de advertenties. Het aanbieden van gratis content is een strategie om publiek te trekken. Voorbeelden hiervan zijn BBC, CNN en Yahoo News (Ala-Fossel et al., 2008; Wunsch-Vincent, 2010). Voor veel commerciële bedrijven was dit lange tijd een gezond verdienmodel (Kaye & Quinn, 2010). Of dit nog steeds het geval is, wordt besproken in paragraaf 5.3 “Welke strategieën worden er gebruikt om publiek te bereiken?” Kortom, er zijn verschillende manieren om het publiek te bereiken, door bijvoorbeeld content af te stemmen op een bepaald nichepubliek of door publiek te lokken met gratis content. De hierboven beschreven strategieën om publiek te trekken sluiten elkaar niet uit en kunnen eindeloos met elkaar gecombineerd worden. VERDIENMODEL ONDERDEEL II: MANIEREN OM GELD TE VERDIENEN Hierboven is beschreven welke manieren er zijn om het publiek te bereiken. Deze subparagraaf beschrijft hoe vervolgens geld verdiend wordt aan dit publiek. In de literatuur worden verschillende modellen beschreven om geld te verdienen met journalistiek. Sommige modellen zijn nieuw, andere modellen zijn een kopie van bestaande verdienmodellen zoals pay-per-view; wat lijkt op het betalen per krant (Wunsch-Vincent, 2010). Op basis van de resultaten van de verdienmodellen van Sirkkunen en Cook (2012), Kaye en Quinn (2010), Wunchs-Vincent (2010) en Ala-Fossel et al. (2008) staat hieronder een overzicht van de gebruikte verdienmodellen voor de journalistiek. In de praktijk worden deze modellen vaak met elkaar gecombineerd (Sirkkunen & Cook, 2012). 1) Vrijwillige donaties, subsidie, sponsoring en filantropie Met filantropie worden rijke mensen en instellingen bedoeld die de journalistiek financieel ondersteunen. Een voorbeeld van een succesvol verdienmodel waarbij gebruik gemaakt wordt van filantropie is ProPublica (Wunsch-Vincent, 2010; Kaye & Quinn, 2010; Sirkkunen & Cook, 2012). Een journalistiek platform met dit verdienmodel is erg afhankelijk van geldschieters.
  33. 33. 33 2) Microfunding en micro-betalingen Hierbij worden projecten betaald door individuele mensen; ook wel crowdfunding genoemd. Vaak kan zelf bepaald worden hoeveel geld het project krijgt. Voorbeelden hiervan zijn spot.us en kickstarter (Sirkkunen & Cook, 2012). Crowdfunding is ook in Nederland in opkomst. In 2012 heeft Voordekunst.nl ruim één miljoen euro aan donaties opgehaald. Met 176 projecten op deze culturele crowdfunding-website zijn zij – vergeleken met 2011 – verviervoudigd (Voordekunst, 2013). Nieuwspost is ook een Nederlandse crowdfunding-website die zich voornamelijk richt op journalistieke producties. Over Nieuwspost zijn nog geen cijfers bekend. 3) Contributie en abonnement Technologische ontwikkelingen van distributiekanalen maken het eenvoudiger om de kijker individueel te laten betalen voor producten. Een voorbeeld hiervan is de kunst- en cultuurcontent die de betaalzender HBO aanbiedt (Nahuis et al., 2004; Wunsch-Vincent, 2010). 4) Advertentie-inkomsten Hieronder vallen de traditionele advertenties en online advertenties via banners, social media of nieuwsbrieven. Bij dit verdienmodel hoort ook affiliate marketing: een vorm van internetmarketing waarbij het platform geld verdient als de gebruiker via dat platform een aankoop doet (Sirkkunen & Cook, 2012). Advertentie-inkomsten zijn voor de meeste media de grootste bron van inkomsten (Wunsch-Vincent, 2010; Sirkkunen & Cook, 2012). Dit komt overeen met het onderzoek van Franklin (2008) waaruit blijkt dat tachtig procent van de inkomsten van betaalde kranten afkomstig is van advertentiegelden (Franklin, 2008). 5) Producten en diensten verkopen aan het publiek of bestaande media Dit kan gaan om Pay-per-view: de consument moet betalen om toegang te krijgen tot de informatie (Ala-Fossel et al., 2008; Wunsch-Vincent, 2010). Dit werkt tot nu toe voornamelijk in de financiële sector, zoals bij Financial Times en Wall Street Journal. Dit kan in de vorm van micro-payment services zoals iTunes (Wunsch-Vincent, 2010; Sirkkunen & Cook, 2012).
  34. 34. 34 6) De verkoop van data en klantenonderzoek-informatie De gebruiker moet zich registreren, zodat deze gebruikersinformatie gebruikt kan worden voor bedrijven. (Ala-Fossel et al., 2008; Wunsch-Vincent, 2010; Sirkkunen & Cook, 2012). Onder dit verdienmodel vallen alle inkomsten die ontstaan uit het verzamelen of structureren van informatie van gebruikers en op maat gemaakte informatie voor bedrijven over belangrijke trends. Een voorbeeld waarbij trends op sociale media worden doorgespeeld aan bedrijven is Tweetminister (Sirkkunen & Cook, 2012). 7) Licentie voor inhoud of technologie Hieronder valt het verkopen van platforms en licentie voor inhoud of technologie en de paid-for applicaties voor smartphones en tablets (Wunsch-Vincent, 2010, Sirkkunen & Cook, 2012). 8) Freemium Een verdienmodel waarbij een gedeelte van de informatie zichtbaar is maar een gedeelte van de informatie alleen voor premiumleden, die tegen betaling toegang hebben. Een gratis account kan opgewaardeerd worden naar premium (Ala-Fossel et al., 2008; Sirkkunen & Cook, 2012). Een voorbeeld van Premium is The New York Times. Deze krant heeft het afgelopen jaar meer inkomsten gehaald uit online abonnementen op de krant dan uit advertenties. Dat is een historische verandering waarbij het verdienmodel is omgedraaid (Coscarelli, 2012). Ook The Financial Times heeft een groei opgemerkt van online abonnees. Voor het eerst hebben zij nu zelfs meer betaalde online abonnees dan offline abonnees en dit proces zal naar verwachting blijven groeien (Reynolds, 2012). 9) Evenementen organiseren (Sirkkunen & Cook, 2012). 10) Trainingen/consults/workshops Een journalist die veel weet over een onderwerp, kan zijn expertise tegen betaling delen met andere mensen. Daarnaast kan hij ook trainingen geven in hoe bedrijven om moeten gaan met nieuwe media (Sirkkunen & Cook, 2012). 11) Merchandise (Sirkkunen & Cook, 2012).
  35. 35. 35 12) Hybrid models Bij dit model worden verschillende verdienmodellen gecombineerd (Lowrey & Gade, 2011). Kortom, er zijn verschillende modellen om geld te verdienen aan het publiek. Net als bij de strategieën om publiek te bereiken, geldt ook bij deze modellen dat meerdere modellen met elkaar gecombineerd kunnen worden. Figuur 3 (Sirkkunen & Cook, 2012) laat de schematische weergave zien van inkomstenbronnen voor een online platform. Figuur 3. Overgenomen van “Chasing Sustainability on the Net. International Research on 69 Journalistic pure Players and their Business Models,” door E. Sirkkunen en C. Cook, 2012, Tampere Research Centre for Journalism. Media and Communication. VERDIENMODEL ONDERDEEL III: KOSTEN BESPAREN Behalve manieren om geld te verdienen, zijn er ook strategieën om kosten te besparen. Dit kan onder andere door de samenwerking tussen traditionele media en burgerjournalisten aan te gaan. Hierbij gebruiken de traditionele media amateurcontent van burgerjournalisten (zoals foto's, filmpjes en blogs), waardoor er een win-win situatie ontstaat: media krijgen tegen weinig kosten veel nieuwe content en burgerjournalisten hebben een platform waarop hun productie wordt verspreid (Sirkkunen & Cook, 2012). Een andere manier om kosten te besparen is door coloboration; voormalige concurrenten werken samen om hun informatie en bronnen te vergroten en hun inhoud te delen. Hierdoor versterken ze hun positie.
  36. 36. 36 Tot slot kan er geld worden bespaard door geen nieuwe content te produceren, maar bestaande content nog eens te gebruiken, dit wordt ook wel diversification genoemd: journalistieke platforms die content opnieuw gebruiken, content een nieuwe bestemming geven, verschillende bestaande content bundelen en tot slot distribueren op verschillende platforms, op verschillende tijden en plaatsen. Een voorbeeld hiervan is het verdienmodel van de link economy van de Huffington Post: een kleine groep werknemers zoekt op internet naar interessante content en plaatsen deze tegen een kleine betaling op hun website met een link naar de bron. Alle advertentie-inkomsten houdt de Huffington Post zelf (Wunsch-Vincent, 2010). Het Pew Project for Excellence in Journalism (2010) heeft onderzoek gedaan naar de inhoud van journalistieke producties. Uit hun onderzoek blijkt dat tachtig procent van het nieuws geen nieuwe informatie bevat. Nieuws wordt veelvuldig gekopieerd (Pew Research Centre's Project for Excellence in Journalism, 2010). SAMENVATTING DEELVRAAG 1 De eerste deelvraag van dit onderzoek luidt: “Welke verdienmodellen voor journalistiek zijn er bekend in de literatuur?” Op basis van de hierboven beschreven literatuur kan geconcludeerd worden dat een verdienmodel bestaat uit: 1) Strategieën om het publiek te bereiken, door: - Hyperlocal (gericht op een specifieke geografische doelgroep) - Specialisatie (gericht op een bepaalde niche) - Massapubliek (gericht op een grote doelgroep) - Content gratis beschikbaar stellen als publiekstrekker - Service verlenen 2) Manieren om geld te verdienen aan het publiek, door: – Subsidies – Donaties en crowdfunding – Abonnementen en lidmaatschappen – Verkoop losse content aan publiek en mediaorganisaties. – Verkoop afgeleide producten (onder andere dvd's en boeken)
  37. 37. 37 – Advertentie-inkomsten en sponsoring – Evenementen organiseren – Service: trainingen/workshops/consulten – Merchandise – Informatie verzamelen voor bedrijven (gegevens, data) – Verkoop van technologie of platform – Freelancen voor bedrijven of mediaorganisaties. 3) Strategieën om kosten te besparen, door: - Diversification (Bestaande content hergebruiken) - Amateur content gebruiken (burgerjournalistiek, blogs en andere bijdragen) - Coloboration (Voormalige concurrenten werken samen) In deze paragraaf is de belangrijkste literatuur besproken over de verdienmodellen. De verdeling die gemaakt is op basis van dit literatuuronderzoek is gebruikt voor de enquête. Het doel van de enquête is het inzichtelijk maken van de gebruikte verdienmodellen. Paragraaf 5.2, 5.3 en 5.4 bespreekt de resultaten uit de enquête en de resultaten uit de diepte- interviews. Aan de hand van voorbeelden van eigenaren van journalistieke platforms wordt gekeken naar de voor- en nadelen van deze modellen.
  38. 38. 38 5.2 DEELVRAAG 2: WELKE INKOMSTENMODELLEN WORDEN HET MEEST GEBRUIKT? [inkomstenmodel + Strategieën om publiek te bereiken + Strategieën om kosten te besparen = het verdienmodel] De vorige paragraaf beschreef welke verdienmodellen er bekend zijn in de literatuur. Zoals besproken bestaat een verdienmodel uit manieren om geld te verdienen (het inkomstenmodel), strategieën om het publiek te bereiken en strategieën om kosten te besparen. Deze paragraaf geeft - op basis van de resultaten uit de enquête en de gesprekken met de personen van de journalistieke platforms – antwoord op de deelvraag: “welke inkomstenmodellen worden het meest gebruikt?” RESULTATEN ENQUÊTE Met deze enquête is in kaart gebracht welke inkomstenmodellen zorgen voor de grootste omzet bij de platforms die een aanvraag hebben ingediend bij het Stimuleringsfonds voor de Pers. De inkomstenmodellen 'Advertentie', 'Subsidie' en 'Abonnementen' beslaan van alle inkomstenmodellen het vaakst een “tamelijk groot deel” of “zeer groot deel” van de inkomsten. In figuur 4 worden alle inkomstenmodellen getoond. Figuur 4
  39. 39. 39 De inkomstenmodellen die ook veel voorkomen, maar een 'zeer klein deel' of 'tamelijk klein deel' van de inkomsten beslaan zijn: 'de verkoop van losse content aan media-instellingen' en 'de verkoop van afgeleide producten'. Deze laatste twee modellen worden door ruim de helft van de platforms genoemd als inkomstenbron. Deze paragraaf bespreekt de meest voorkomende inkomstenmodellen aan de hand van voorbeelden die afkomstig zijn uit de enquête en uit de diepte-interviews. ADVERTENTIE Ondanks de daling van advertentie-inkomsten van de afgelopen jaren, blijken advertenties nog steeds de grootste inkomstensbron te zijn voor de onderzochte journalistieke platforms. Van de 29 platforms geven er 21 aan dat advertenties en sponsoring zorgen voor een 'zeer klein deel' tot 'een zeer groot deel' van hun inkomsten. Dit kunnen verschillende soorten advertenties zijn: advertenties in de traditionele media of advertenties op internet; zoals banners of affiliate marketing (inkomsten wanneer er via het platform een product van een derde komt). HP/de site, de website van het opinie maandblad HP/De tijd haalt een 'zeer groot deel' van hun 100.000 euro omzet uit advertenties. Om hun inkomstenmodel te optimaliseren hoopt Hans van Brussel, werkzaam op de afdeling online HP/De tijd, dat de site in de toekomst een groter bereik krijgen, waardoor deze aantrekkelijker wordt voor adverteerders. Bovendien geeft van Brussel aan dat voor een duurzaam verdienmodel het belangrijk is dat de economie aantrekt waardoor er hogere marketingbudgetten vrijkomen. Frank van den Hoven, hoofdredacteur PlaatsenGids, een website waar historische en actuele gegevens worden verstrekt, geeft ook aan dat zij hun grootste inkomsten halen uit advertenties. Een 'tamelijk klein deel' van de omzet halen zij uit affiliate marketing volgens het Cost per Sale principe. Dit houdt in dat zij commissie krijgen over elk boek of reis dat via hun site wordt verkocht. PlaatsenGids is met dit inkomstenmodel nog niet zelfvoorzienend. PlaatsenGids hoopt hun verdienmodel te optimaliseren door meer bezoekers over te halen om via hun website producten van derden te koepen, door middel van de affiliate marketing constructie. Bovendien hopen zij, net als HP/De tijd in de toekomst meer bezoekers te trekken waardoor het aantrekkelijker wordt voor adverteerders om op hun site te adverteren.
  40. 40. 40 Ondanks het feit dat advertentie-inkomsten dalen, zijn zij nog steeds de grootste inkomstenbron voor veel media. Echter hebben kranten het vooral moeilijk om dezelfde inkomsten ook online te genereren. Volgens Jelle Buizer van de FD Mediagroep is het grote probleem van dit tijdperk dat een adverteerder vroeger een journalist nodig had om bereik te genereren, maar nu vele alternatieven heeft. Buizer: “Google heeft veel, véél meer bereik dan wij. Zij weten meer over hun bezoekers; waar ze naar toe gaan en welke interesses ze hebben.” Voor adverteerders is het interessant om in een Google-omgeving te adverteren. Bovendien dalen de prijzen voor online advertenties omdat er online veel advertentiemogelijkheden zijn. Buizer: “Een pagina in de krant kost voor een adverteerder 30.000 euro, voordat je een campagne online hebt weggezet voor dit bedrag ben je veel tijd en capaciteit kwijt”. Eric Smit, oprichter van Follow the money – een online onderzoeksbureau dat zich richt op financiële journalistiek – is ook niet erg positief over de opbrengsten van online advertenties op hun website. Met het geld dat hij hiermee ophaalt - zo’n 2000 euro per maand - kan je volgens hem niet eens een website draaiende houden. Dimitri Tokmetzis, oprichter van Sargasso - een blog dat zich richt op datajournalistiek - merkt dat het slecht gaat met de advertenties en de bezoekersaantallen: “De advertentiemarkt is best wel ingestort op het moment. Niet alleen bij ons, maar bij iedereen.” Sargasso verdient ongeveer 2000 euro per maand aan advertentie-inkomsten. “Dat wil ik liever niet kwijtraken want daar kunnen we onze vaste kosten van de site mee betalen, maar we zien advertenties niet als langetermijnoplossing.” Zapaday, een internationale persagenda die toekomstige evenementen bij houdt voor organisaties, verwacht duizenden euro's te verdienen met de online-advertenties. Stefan Hoevenaar, oprichter van Zapaday: “Dat we nu nog geen advertenties op onze site hebben staan is dom, we hadden andere prioriteiten. Maar als we het goed integreren kunnen we daar zo een paar duizend euro per maand uithalen. Dus het zou heel dom zijn als we dat niet zouden doen.” Echter is nog de vraag of zijn verwachtingen uitkomen. SUBSIDIE Na de advertentie-inkomsten wordt subsidie het meest genoemd als inkomstenbron. Zestien van de 29 platforms halen hier hun inkomsten uit. Dit hoge aantal heeft een logische verklaring, omdat de onderzochte groep een subsidieaanvraag heeft ingediend bij het Stimuleringsfonds voor de Pers.
  41. 41. 41 Bij Follow the Money en Zapaday wordt de subsidie gebruikt om naamsbekendheid te creëren en voor kwaliteit te zorgen. Zij hopen dat wanneer zij een betrouwbare en bekende naam hebben, ze geld kunnen vragen voor hun content. Follow the Money heeft 180.000 euro subsidie gekregen van het Stimuleringsfonds, waarvan de helft een lening is. Smit gebruikt de subsidie voornamelijk voor het creëren van naamsbekendheid. Voor Zapaday was de subsidie heel belangrijk maar niet de hoofdmoot. Hoevenaar: “Subsidie is heel fijn en het is ook een stukje erkenning, maar daar kun je niet je broek van omhoog houden. Heel Zapaday kost een paar ton en de subsidie was maar 40.000 euro. Het meeste geld hebben wij ontvangen van onze investeerder ANP.” ABONNEMENTEN OF LIDMAATSCHAP De onderzochte platforms hebben verschillende manieren gevonden om de gebruiker te laten betalen voor content. Bijvoorbeeld via abonnementen (papier en digitaal) of freemium- en premium lidmaatschappen. Met freemium is een deel van de content gratis beschikbaar en een deel van de content staat achter een betaalmuur. Tien van de 29 platforms zegt een 'tamelijk klein deel' tot een 'zeer groot deel' van de omzet uit abonnementen of lidmaatschap te halen. Voorbeelden hiervan zijn onder andere Zapaday, het Financieel Dagblad en het Nederlands Dagblad. Het Nederlands Dagblad, met een jaarlijkse omzet van twaalf miljoen euro, haalt een 'zeer groot' deel van de inkomsten uit abonnees. Rinder Sekeris, directeur uitgever van het Nederlands Dagblad ziet de digitale opbrengsten weliswaar stijgen, maar niet voldoende om de dalende inkomsten uit print abonnees te compenseren. Sekeris: “Wellicht blijft dit gat altijd bestaan, maar er zijn nog wel technologische verbeteringen mogelijk om dit gat kleiner te maken.” Het Nederlands Dagblad doet nu een proef met een betaalsysteem om online betalen voor content makkelijker te maken. Volgens Jelle Buizer van de FD-Mediagroep zal de oplage van het Financieel Dagblad in redelijk hoge oplage blijven verschijnen omdat de digitale abonnementen sterk stijgen. Het voordeel hiervan is dat digitale abonnementen dezelfde inkomstenstroom hebben als de papieren abonnementen. Teun Gautier, uitgever van de Groene Amsterdammer ziet zijn abonnee-aantallen ook stijgen: “De Groene is altijd klein geweest en is langzaam groter geworden. We hebben per week een bereik van 90.000 unieke lezers; in een jaar is dit bereik 350.000.”
  42. 42. 42 Het platform Zapaday, een persagenda met opkomende evenementen, heeft een inkomstenmodel wat gebaseerd is op gepersonaliseerde abonnementen. PR bureaus, mediaorganisaties en andere bedrijven kunnen een abonnement nemen op een bepaalde sector waarover zij informatie willen. Zij krijgen op maat de gebeurtenissen van de toekomst waarin ze geïnteresseerd in zijn. Dit verdienmodel hoopt Hoevenaar te optimaliseren door via een nieuwsbrief meer mensen te verleiden om te betalen voor online content. Het op maat maken van de producten is nu nog heel arbeidsintensief. Hoevenaar: “Tot nu toe zijn er nog heel veel handmatige werkzaamheden nodig om de agenda's op maat te maken. Dit moet in de toekomst anders.” De abonnementen van het Financieel Dagblad zouden er in de toekomst ook weleens heel anders uit kunnen gaan zien, aldus Buizer: “Ik sluit niet uit dat we straks artikelen voor tien cent gaan verkopen in plaats van een regulier kranten abonnement. En dat heeft ook zijn nadelen, want met een abonnement heb je als krant zekerheid, je weet wat je het komende jaar voor omzet hebt. Zo'n soort model zou de inkomstenstroom van een krant weleens heel erg kunnen veranderen. Het is niet ondenkbaar, dat je, net als met een telefoonabonnement, meer betaalt als je meer gebruikt. De ene maand betaal je één euro en de andere maand tien euro.” BETALEN VOOR LOSSE CONTENT AAN PUBLIEK Een systeem dat zo'n soort model in de toekomst mogelijk hoopt te maken is Newz, een initiatief van de FD-Mediagroep waar Jelle Buizer voorzitter van is. NDP Nieuwsmedia (de brancheorganisatie voor nieuwsbedrijven in Nederland) hoopt via Newz bestaande content een nieuwe bestemming te geven door de content te standaardiseren en te verrijken met labels via semantische technieken. Hierdoor kunnen er nieuwe verbanden tussen oude nieuwsberichten getrokken worden. Buizer: “Google is hier al heel ver mee. Als je op bijvoorbeeld BeyoncÉ zoekt, krijg je automatisch rechts in beeld haar bio met geboortedatum, broers/zussen enzovoort, zonder dat je op een website klikt. Google wordt een steeds grotere bedreiging voor ons. Google News neemt niet alleen steeds grotere stukken bestaande nieuwsartikelen over, maar binnenkort kunnen zij het artikel ook samenvatten.” Het argument dat Google zorgt voor bezoekers op de site veegt Buizer van de baan: “Maar een heel klein deel van de bezoekers komt op die manier op de site van het FD. Google News verwijst vaak niet goed door en bovendien heeft de lezer al genoeg aan de eerste 50 woorden om het nieuws uit het artikel te krijgen.” Het initiatief Newz lost dit niet op dat mensen nieuws via Google News gratis tot zich
  43. 43. 43 namen, maar maakt het wel makkelijker om dankzij de database applicaties te bouwen, waardoor je makkelijker voor de content kunt betalen. Newz kan in de toekomst geld verdienen door app-bouwers te laten betalen voor de infrastructuur van Newz. Newz verwacht begin september te draaien met een aantal titels. ONLINE-CONTENT De verkoop van online-content is in dit onderzoek niet onderzocht als een afzonderlijk inkomstenmodel, maar geplaatst onder het inkomstenmodel: 'verkoop losse content'. Tijdens de interviews wordt vaak gesproken over de verkoop van online content. Het is opvallend dat de meeste platforms positief zijn over de inkomsten die zij in de nabije toekomst verwachten te halen uit de verkoop van online content, terwijl tot nu toe blijkt dat mensen niet willen betalen voor artikelen op het internet (Kaye & Quinn, 2010). De platforms hebben verschillende manieren bedacht om dit inkomstenmodel wél te optimaliseren. Eric Smit, oprichter van Follow the Money (FTM) is één van de mensen die zeer positief gestemd is over het betalen op de site. Op dit moment is de content van FTM gratis te bekijken op hun website. Als FTM genoeg naamsbekendheid heeft, willen zij bepaalde content achter een betaalmuur zetten. Smit ziet in tegenstelling tot Kaye & Quinn in het algemeen een bereidheid toenemen om voor kwaliteitscontent te betalen. Smit: “Maar dan nog moet je een heel duidelijk onderscheid maken: Wat wil je de persoon die bij jou op de site komt bieden? Waar moet hij voor betalen en hoeveel? Dat moet je uitproberen, je kunt niet zomaar een betaalmuur neerzetten.” De iPad is volgens hem een ideaal medium voor het aanbieden van online content. Smit: “Ik zie het zo voor me: Het nieuws geef je weg en voor het achtergrondartikel moet je betalen. Daaronder voeg je het onderzoeksrapport toe of krijg je toegang tot het netwerk van de experts. Bij elk niveau dat je verder leest stijgt je kennis. Hoe verder je komt, hoe meer je betaalt. Dit zouden wij ontzettend graag willen maken.” Teun Gautier, uitgever van de Groene Amsterdammer ziet daarentegen helemaal niets in een applicatie: “Vernieuwing zit hem niet in de vorm. Die applicaties die iedereen wil maken, het kost handenvol geld, maar hoeveel mensen downloaden hem nu eigenlijk? Zo'n app werkt bovendien helemaal niet handig.” Meerdere respondenten geven aan dat een eenvoudig betalingssysteem nodig is om het betalen voor online content tot een succes te maken. Bovendien moeten consumenten wennen aan het betalen voor digitale journalistieke content.
  44. 44. 44 VERKOOP CONTENT AAN MEDIA Meer dan de helft van de platforms geeft aan dat zij inkomsten halen uit de verkoop van content aan bestaande media. De meest gebruikte of opvallendste inkomstenstromen met betrekking tot de verkoop van content aan media worden hier behandeld. Eén van die platforms die content verkoopt aan bestaande media is Sargasso, een blog dat zich voornamelijk richt op datajournalistiek. Sargasso heeft bij het ANP een vast contract waarin staat dat zij elke dag een klein datajournalistiek artikel leveren en één keer per week een groter stuk. Sargasso levert de data en analyse, ANP belt de bronnen na en maakt er een kop en een staart aan. Deze opdrachtgever is goed voor ongeveer zeventig procent van Sargasso’s inkomsten. Tokmetzis: “Genoeg om mijn functie mee te betalen.” Daarnaast richt Sargasso zich op het leveren van content aan televisieprogramma’s. Tokmetzis: “Je kunt bij Nieuwsuur aankloppen met een verhaal en dan krijg je zo een paar duizend euro per productie. Dat lukt je bij de geschreven pers niet zomaar, daar zit veel minder geld.” Toch verloopt de samenwerking tussen Sargasso en bestaande televisieprogramma's moeizaam: “Ik heb zelf een krantenachtergrond en ik merk dat de eisen bij tv heel anders zijn. Wat wij nieuws vinden, vinden zij weer geen nieuws en andersom.” Omdat de marges in de journalistiek klein zijn wil Sargasso de data die zij nu al gebruiken voor de landelijke verhalen regionaliseren. Tokmetzis: “Het idee is om een database op te zetten zodat met een paar drukken op de knop er een complete dataset uitrolt voor de regionale media, inclusief een analyse. Als we zo'n dataset drie of vier keer kunnen verkopen, kunnen we daar veel geld aan verdienen.” In het begin willen zij net als bij ANP een volledige analyse leveren, maar in de toekomst verwacht Tokmetzis dat regionale media datajournalistieke vaardigheden kunnen ontwikkelen en genoeg hebben aan de ruwe data. Tot nu toe had Sargasso nog geen tijd en geld om hier in te investeren. Follow the Money verkoopt onderzoeksverhalen aan bestaande media, maar ze maken hier geen winst mee. Smit: “Wat wij maken is in de regel duurder dan de prijs die wij hiervoor krijgen en toch blijven we dat voorlopig doen. Maar dat verschil moeten we nog wel zien recht te breien natuurlijk.” Volgens Eric Smit is het een probleem dat kranten standaard freelance tarieven hanteren, ook voor kostbare onderzoeksjournalistiek. De tarieven die kranten rekenen zijn volgens Smit niet toerijkend genoeg om onderzoeksverhalen te financieren. Smit: “Je hebt de kosten voor het kantoor, databases die je gebruikt, Lexis Nexis, Kamer van Koophandel, dat moet allemaal betaald worden.”

×