Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing Augustus 2013

  • 512 views
Uploaded on

 

More in: News & Politics
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
512
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
1
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing jaargang 11 | nummer 4 | augustus 2013 Thema: Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid Veilige wereld, veilig Nederland Risico-regulering en agrobiotechnologie Investeren in capaciteit psychosociale hulpverlening
  • 2. Inhoud Het Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing is een tweemaandelijkse uitgave van de Nationaal Coördinator Terrorisme- bestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het blad informeert, signaleert en biedt een platform aan bestuurders en professionals over beleidsontwikkeling, innovatie, uitvoering en evaluatie ten aanzien van nationale veiligheid en crisisbeheersing. De uitgever is het niet noodzakelijkerwijs eens met de inhoud van gepubliceerde bijdragen. De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de inhoud van de artikelen berust bij de auteurs. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 20132 Thema: Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid 03 | Wél alert, niet gealarmeerd (introductie Dick Schoof, NCTV) 04 | Terugkerende Syriëgangers (Edwin Bakker) 05 | Geweld van eenlingen: niet altijd te voorkomen, risico’s wel te verkleinen 08 | Freeze-fight-flightreacties plegers en slachtoffers gewelddadige aanslagen 10 | Media en contraterrorisme (Jan van Dijk) 12 | Out of the box-denken in de CT-Infobox 16 | Lokale aanpak radicalisering en jihadgang 18 | Internationale terrorismebestrijding met Haagse roots 20 | Gijzelingen in de Sahel: booming business voor terroristen? 22 | Verwachtingenmanagement avant la lettre 24 | Defensie tegen terrorisme 48 | Vier vragen aan: Alex P. Schmid, nestor Nederlands wetenschappelijk terrorisme-onderzoek Overige onderwerpen 27 | Comeback van de staat in een hybride, onzekere wereld 30 | Veilige wereld, veilig Nederland 32 | Nieuwe afspraken crisiscoördinatie op Europees niveau 34 | Agrobiotechnologie en de politiek van risico-regulering 36 | Investeren in capaciteit voor psychosociale hulpverlening 38 | Cybersecurity crisisanalyse: risicomanagement risico’s nog niet onderkend 40 | Evaluatieraamwerk voor crisisoefeningen 42 | Wees Alert Online 2013: samenwerken aan veilige digitale wereld 42 | Wedstrijd SecureYourFuture 43 | Verspreiding natuurbranden dynamisch modelleren 44 | De staat van de netcentrische crisisbeheersing 46 | CBRN Security website & middag Omslagfot0: Bomaanslag tijdens marathon Boston
  • 3. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 3 Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid Dick Schoof, Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid Wél alert, niet gealarmeerd Waarom “alert”? Omdat de ontwikkelingen in binnen- en buitenland dat van ons vragen. Én omdat de burger dat van ons vraagt. Er zijn op dit moment opstanden in diverse regio’s van Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daarbij is in enkele landen een moeizaam proces naar democratisering op gang gebracht. In die landen maken niet alleen democratisch gezinde organisaties, maar ook jihadistische netwerken gebruik van de ruimte om te groeien. In sommige landen, zoals Egypte en Syrië, trekken deze laatst genoemde organisaties ook jihadisten uit Europa aan. We zien, ook in Nederland, een toename van jihadreizigers én een toenemende radicalisering op internet en sociale media. En bij terugkeer naar Nederland bestaat er een risico dat deze jihadreizigers getraumatiseerd en geradi- caliseerd zijn. Deze ontwikkelingen zijn een belangrijke reden geweest om het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) begin dit jaar te verhogen van “beperkt” naar “substantieel”. Sinds ruim een jaar is er bij het rijk één organisatie voor terrorisme- bestrijding, cybersecurity, nationale veiligheid en crisisbeheersing: de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding & Veiligheid (NCTV). Doel van de NCTV is om samen met onze partners maatschappelijke ontwrichting te voorkomen en beperken. De vorm van ontwrichting die in deze special van het Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing centraal staat is terrorisme. “Be alert, not alarmed”. Dát motto van Engelse en Australische crisiscollega’s vat de Nederlandse visie op terrorismebestrijding mooi samen: wél alert, niet gealarmeerd. Daarnaast leest u in deze special meer over “potentieel gewelddadige eenlingen”. Dat kunnen individuen zijn die vanwege een psychiatrische stoornis een risico vormen. Denk daarbij aan Tristan van der V. (schiet- incident Alphen aan den Rijn). Maar dat kunnen ook personen zijn die vanuit religieuze motieven een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid. Bijvoorbeeld de recente moordaanslag op een militair in Londen. Een lastig, want soms ongrijpbaar en onzichtbaar risico. Onlangs zijn de cijfers van de Risico- en crisisbarometer gepubliceerd. Dit is een halfjaarlijkse meting naar de veiligheids- beleving van de Nederlandse bevolking. Uit de laatste meting blijkt dat 58% van de Nederlanders zich druk maakt over cyber- aanvallen en dat de angst voor terrorisme is gestegen (sinds november 2012) met 11%, naar 49%. Waarom “not alarmed”? Uit onderzoek blijkt dat Nederlanders begrijpen dat we er als overheid alles aan doen om een aanslag te voorkomen, maar dat we het nooit 100% kunnen uitsluiten. Daarom zijn we ook transparant in ons dreigingsbeeld. De uitreisbewegingen naar Syrië en andere bovengenoemde ontwikkelingen maken samenwerking noodzakelijker dan ooit. En deze is intensiever dan ooit: internationaal, op rijksniveau, tussen de diensten zoals AIVD en MIVD. Samenwerking met vitale sectoren zoals luchtvaart. Samenwerking met de wetenschap. Tussen tussen rijk, regio en gemeente. En last but not least samenwerking met professionals van politie, onderwijs, jeugd- en welzijnswerk. Daarbij helpt de NCTV, naast expertise en netwerk, met coördinatie. Het zit ten slotte in onze naam. Één van de concrete producten, die is ontstaan uit deze samen- werking, is de “Toolbox extremisme, radicalisering en Potentieel Gewelddadige Eenlingen”. Hierin vindt u o.a. e-learning modules over hoe mensen radicaliseren en hoe daarmee om te gaan. Daarbij zullen we altijd blijven kijken naar “proportionaliteit”. Met andere woorden: terrorismebestrijding binnen de randvoorwaarden die de recht- staat ons geeft. Deze special biedt u een heel brede kijk in de keuken van contraterrorisme: mensen uit de praktijk én wetenschappers, van burger tot militair, van lokaal tot inter- nationaal, van strategie tot middelen. Voor zover u het nog niet was, hoop ik dat u na het lezen van deze special “alert, not alarmed” bent.
  • 4. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid prof. dr. Edwin Bakker, hoogleraar Terrorisme en Contraterrorisme, Universiteit Leiden Syrië-gangers Terugkerende De meerderheid van de ‘teruggekeerden’ raakte in het verleden echter niet betrokken bij terroristische activiteiten. Hopelijk kunnen we dat later ook over de Syrië- gangers zeggen. Dat betekent overigens niet dat ze desondanks geen gevaar kunnen vormen of problemen kunnen veroorzaken. Zo zouden ze een rol kunnen spelen bij de verdere verspreiding van radicaal gedachte- goed en het faciliteren van nieuwe foreign fighters die ook naar Syrië willen. Daarnaast valt te denken aan problemen die veroor- zaakt worden door opgelopen trauma’s in de vorm van huiselijk geweld, agressief gedrag of suïcidale neigingen. Benadrukt dient echter te worden dat een deel van de Syrië-gangers mogelijk vrij geruisloos in de samenleving zal re-integreren. Een aantal Het is moeilijk een goede inschatting te maken. We weten niet hoeveel er zijn vertrokken en hoeveel terug zullen komen, maar dat een aantal terugkomt, is zeker. De vraag is in welke staat, met welke ervaring, en met welke ideeën en intenties? Het zwartste scenario is een persoon die in eigen land een aanslag gaat plegen, zoals het geval was in Frankrijk waar Mohamed Merah meerdere militairen en joodse medeburgers doodde in en rond zijn woonplaats Toulouse. Helaas is Merah niet de enige die bij terugkeer een gevaar vormde. Onder de verantwoordelijken voor de aanslagen die sinds 9/11 in Europa hebben plaatsgevonden was ongeveer 12 procent ooit in het buitenland geweest om te trainen of te vechten. onder hen zal zelfs gelouterd terugkeren en mogelijk extra gemotiveerd zijn om iets van hun leven te maken. Kortom, er is niet één type ‘terugkeerder’. Dit vraagt om genuanceerd beleid waarbij het zwartste scenario niet per se het uitgangspunt zou moeten zijn. Sterker nog, als dit wel de basis voor beleid vormt en alle ‘terugkeerders’ primair gezien worden als potentiële terroristen loop je het risico wantrouwen of vijandbeelden te versterken en zo ongewild mee te werken aan een selffulfilling prophecy. Daarnaast zijn er diverse juridische barrières die een louter repressieve benadering in de weg staan – zo is een persoon die in Syrië aan de strijd heeft deelgenomen voor de wet niet per se een crimineel, laat staan een terrorist. Bovendien is de capaciteit van de overheid beperkt en is het onmogelijk tientallen ‘terugkeerders’ permanent in de gaten te houden. Een genuanceerd beleid is derhalve om meerdere redenen noodzakelijk. De grootste uitdaging voor een verantwoord en genuanceerd beleid is het maken van de juiste inschatting: wie vormt beslist geen gevaar en wie zouden we liever niet meer vrij in Nederland zien rondlopen? Een snelle inschatting is gewenst; direct na terugkeer of indien mogelijk zelfs daarvoor. Bepaald dient te worden wat iemand in Syrië heeft gedaan en meegemaakt, en in welke staat zo iemand terugkeert. Deze uitdaging vraagt veel ogen en oren in de directe omgeving van de terugkerende Syrië-gangers en een netwerk van diverse partijen die samen een juist inschatting kunnen maken, hulp kunnen bieden of, indien nodig, snel en hard in kunnen grijpen. Gelet op het feit dat er inmiddels al een aantal personen is teruggekeerd, is het te hopen dat hiervoor snel de benodigde middelen en structuren worden gevonden. Het vertrek van Nederlandse jongeren om deel te nemen aan de strijd in Syrië vormde begin dit jaar de aanleiding voor het verhogen van het Dreigings- beeld Terrorisme Nederland. Het feit dat deze jongeren zich aansluiten bij jihadistische organisaties en getraind en mogelijk geïndoctrineerd worden, is iets dat de overheid en de politiek zorgen baart. Welke dreiging gaat er van hen uit als ze terugkomen? Is er reden om de alarmbel te luiden of zal het wel meevallen? Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 20134 Martelaarsfoto van Mourad Massali, de eerste bekend geworden jihadist, die – aldus meldingen in de media – sneuvelde in Syrië.
  • 5. Joost van Elk en Joost van Rossum, NCTV niet altijd te voorkomen, maar risico’s wel te verkleinen Geweldvan eenlingen: rieën met elkaar gemeen hebben, is dat van de daden een maatschappij-ontwrichtend effect kan uitgaan. Definitie Voor een goede afbakening van het type eenling waar we hier over spreken, heeft de NCTV recent een definitie ontwikkeld. Potentieel gewelddadige eenlingen zijn personen die, zonder medewerking van anderen en vanuit een persoonlijke krenking of grief, een dreiging vormen richting de maatschappij of diens vertegenwoordigers, als gevolg van een individueel doorlopen proces richting geweld. De definitie onderscheidt drie criteria. Ten eerste staat de motivatie van de eenling centraal. Het gaat hierbij om personen die handelen op basis van een krenking of grief die zij hebben tegen de maatschappij, de overheid en/of diens vertegenwoordigers. Het gaat dus niet om gewelddadige uitingen in bijvoorbeeld de relationele of criminele sfeer. Er moet sprake zijn van een link naar de maatschappelij als doelwit. In de tweede plaats staat het maatschappelijke effect van de daad centraal. Het effect van de daad moet maatschappij-ontwrichtende elementen bevatten. Zo is een individuele gewelddaad die niet expliciet is gericht tegen de Nederlandse overheid of diens vertegenwoor- digers, maar wel degelijk grote angst of onrust zaait onder de Nederlandse bevolking, ook onderwerp van de Rijksbrede aanpak. Te denken valt aan het schietinci- dent in Alphen a/d Rijn op 9 april 2011. De aanpak van dergelijke incidenten valt onder de noemer ‘handha- ving van de sociale en politieke stabiliteit’. Tot slot gaat het erom dat de ‘eenling’ een potentieel veiligheidsrisico vormt, dan wel een concrete dreiging vormt voor de (nationale) veiligheid en/of de vitale belangen. Er moet dus sprake zijn van een (potentieel) veiligheidsrisico. In beleidsstukken, analyses en artikelen wordt een veelheid aan terminologieën door elkaar gebuikt. Geradicaliseerde eenlingen, ‘lone wolves’, verwarde personen, ‘school shooters’, solistische dreigers, gefixeerde eenlingen, het lijkt een bonte verzameling van gevaarlijke individuen waarin nauwelijks enige lijn is te onderscheiden. Toch is dit niet helemaal het geval. Dit artikel beoogt onderscheid aan te brengen in de verschillende gedaanten waarin de eenling zich kan manifesteren, zijn motieven en de doelwitten waar hij/ zij zich tegen richt. Omernstigegewelddadenvaneenlingentegendesamen- leving te voorkomen, is het van belang een dergelijk persoon zo vroeg mogelijk in het vizier te krijgen. Daarna kan worden gekeken welke maatregelen er eventueel worden getroffen. Allereerst is dus detectie nodig in een zeer vroeg stadium, als er nog slechts sprake is van een intentie en nog niet van een concreet gevaar. We spreken dan ook over potentieel geweldda- dige eenlingen (PGE). Mensen dus die de intentie en de potentie hebben om over te gaan tot geweld. Zoals gezegd, kunnen potentieel gewelddadige eenlingen zich manifesteren in vele gedaanten: als een zogenoemde ‘straattaaldreiger’, als een verwarde of gefixeerde eenling, als een zogenoemde ‘systeemhater’1 of als een ideologisch geradicaliseerde eenling. Laatstgenoemde categorie valt onder de noemer terrorisme.2 Dat is niet vanzelfsprekend het geval voor de eerste drie categorieën. Wat de drie laatste catego- De laatste tijd staan gewelddadige eenlingen sterk in de belang- stelling. Ze halen het nieuws door aanslagen, geweldsincidenten of bedreigingen van burgemeesters en politici. Wie zijn die mensen precies? Wat beweegt hen? En welke type gewelddadige eenlingen zijn er allemaal? 1 Uit onderzoek blijkt dat het merendeel (zo’n 60%) van de bedreigingen aan het adres van politici en andere publieke personen afkomstig is van jongeren (vooral jongens) in de leeftijd van 10-16 jaar. Deze zogenaamde straattaaldreigers uiten hun dreigementen meestal via het internet, sociale media of straattaal. Het achterliggende motief is vaak frustratie of verveling. De jongeren die deze dreigementen uiten zijn zich in de meeste gevallen niet bewust van het feit dat dreigen strafbaar is (art. 285 Wetboek van Strafrecht). 2 Geradicaliseerde eenlingen is één van de prioritaire thema’s in de Nationale Contraterrorismestrategie 2011-2015. Uit recente dreigingsanalyses blijkt bovendien dat het risico dat van deze groep uitgaat (mede dankzij de ontwikkelingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten) in de nabije toekomst kan toenemen. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 5 Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
  • 6. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid Om de beleidsmatige aanpak rond dit onderwerp vorm te geven, wordt er onderscheid gemaakt tussen zogenoemde ‘gekende’ en ‘ongekende’ dreigers. Een gekende dreiger is het type (gewelddadige) eenling dat zijn grief of krenking al één of meerdere malen kenbaar heeft gemaakt, bijvoorbeeld door middel van het schrijven van een brief, een bedreiging op internet of het stellen van een symbolische daad.3 Deze personen hebben al de nodige aandacht van de daartoe bevoegde instanties. Voor deze groep is een specifieke aanpak vereist: het gaat om maatregelen die uiteenlopen van confronterende gesprekken en zorgtrajecten, tot inlichtingenvergaring en arrestaties. Voor de andere groep (gewelddadige) eenlingen, de ongekende dreigers, is een andere aanpak vereist, die zich in eerste instantie richt op het detecteren van deze personen. Ongekende dreigers zijn personen die hun grief of krenking nooit eerder publiekelijk hebben geuit. Deze groep is logischerwijs zeer moeilijke te detecteren. De inspanningen om dit type dreigers in beeld te krijgen, bestaan dan ook veelal uit het vergroten van de ‘awareness’ bij personen in hun directe omgeving. Daarbij gaat het om familieleden, omwonenden en kennissen (dus: burgers in algemene zin), maar vooral aan zogenoemde ‘eerstelijnsprofessio- nals’: docenten, zorgverleners, welzijnswerkers, wijkagenten etc. De aanname bij de laatste groep is dat zij eerder dan andere professionals in aanraking zullen komen met (potentieel) gewelddadige eenlingen en het verhogen van de ‘awareness’ onder deze professionals de moeite loont. Onderstaand wordt dit schematisch weergegeven. Aanpak De aanpak van de overheid is erop gericht zoveel mogelijk (potentieel) gewelddadige eenlingen van de categorie ‘ongekend’ naar de categorie ‘gekend’ te krijgen, onder andere door middel van verhoogde ‘awareness’ onder diverse groepen professionals. De pijlen in het schema illustreren dit. Zodra een geweld- dadige eenling eenmaal ‘gekend’ is, is het mogelijk om concrete maatregelen te nemen indien hier, na analyse en risicotaxatie, aanleiding toe is. Het verhogen van ‘awareness’ is dus een methode om de categorie ‘ongekende dreigers’ te verkleinen en de categorie ‘gekende dreigers’ te vergroten. De beleidsmatige aanpak voor (potentieel) geweldda- dige eenlingen bestaat uit vijf sporen, die voortkomen uit de genoemde onderverdeling in categorieën PGE’s. 1. ‘Awareness’-verhogende maatregelen gericht op de groep ‘ongekende’ dreigers, zoals multidisciplinaire trainingen onder eerstelijns professionals en het bevorderen van structurele informatie-uitwisseling tussen (overheids-)instanties. 2. Verdere professionalisering en validering van risicotaxatie-instrumenten, zodat nog beter kan worden vastgesteld in hoeverre er sprake is van een mogelijke PGE en welke individuele maatregelen nodig zijn. 3. Individuele maatregelen gericht op de groep ‘gekende’ dreigers, zoals (confronterende) gesprek- ken, individuele zorgtrajecten of gerichte inlichtingenvergaring. 4. Het beperken van de toegang tot middelen waarmee gewelddadige eenlingen (gekend of ongekend) hun intenties kunnen omzetten in daden, zoals wapens, munitie, explosieven of specifieke websites. 5. Het zorg dragen voor een effectieve opvolgingsstruc- tuur voor meldingen die voortkomen uit de verhoog- de ‘awareness’ onder personen in de directe omge- ving, bijvoorbeeld door op structurele basis informatie uit te wisselen tussen verschillende disciplines op lokaal en nationaal niveau (zorg, welzijn, onderwijs en veiligheid) Geradicaliseerde eenlingen De problematiek van geradicaliseerde eenlingen – een- lingen die handelen vanuit een terroristisch oogmerk, in het buitenland vaak ‘lone wolves’ genoemd – is de afgelopen jaren ook internationaal prominent op de agenda gekomen. Veel landen worstelen met de operationalisering van dit relatief nieuwe veiligheids- vraagstuk. Men beperkt zich vaak tot de categorie Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 20136 3 Te denken valt aan de gooier van de waxinelichtjeshouder naar de Gouden Koets tijdens Prinsjesdag 2010, de Damschreeuwer die op 4 mei 2011 de Nationale Dodenherdenking verstoorde, of de verwarde man die op 3 september 2011 het podium beklom van een concert waarbij koningin Beatrix aanwezig was.
  • 7. Op 20 juni jl. organiseerde de NCTV een congres over potentieel gewelddadige eenlingen, waarbij multidisci- plinaire samenwerking (tussen zorg, politie, gemeenten en andere partijen) een van de onderwerpen was. Centraal stond de presentatie van een drietal onder- zoeken dat in opdracht van de NCTV is verricht. Het eerste onderzoek, van de Universiteit Tilburg, richtte zich op de talrijke risicotaxatiemodellen die wereldwijd bestaan, met als doel het in Nederland gebruikte model verder te perfectioneren. Het onderzoek beoogde de bestaande risicotaxatiemodellen te beoordelen op geschiktheid om de (potentiële) dreiging die uitgaat van specifieke personen tijdig en juist in te schatten. Dit biedt vervolgens een basis voor het type (geïntegreerde) behandeling of aanpak dat iemand behoeft. Het tweede onderzoek van de Universiteit Leiden stelde het verschijnsel ‘systeemhaat’ centraal, in relatie tot de talrijke complottheorieën die op het internet rondgaan. Dit onderzoek loopt momenteel nog en wordt naar verwachting in 2014 afgerond. De basisvraag bij dit onderzoek is of complottheorieën, verdachtmakingen en bedreigingen aan het adres van de overheid en diens vertegenwoordigers het vertrouwen in het bevoegd gezag op de langere termijn uithollen en daarmee wellicht een voedingsbodem vormen voor mogelijke acties door gewelddadige eenlingen. Het derde onder- zoek betrof een terreinverkenning in de neurobiologie door onderzoekers van de Radboud Universiteit Nijmegen (zie elders in dit blad). Dit onderzoek richtte zich op de samenhang tussen neurobiologische reacties en stresssituaties, bijvoorbeeld een concrete bedreiging, en voegde een nieuw (vierde) element toe aan de klassieke onderverdeling ‘Freeze/Fight/Flight’: het element ‘Focus’. Focus zou een uitgestelde Fight-reactie zijn en mogelijk een indicatie van gewelddadig gedrag in de toekomst. Omdat deze bevinding betrekkelijk nieuw is, verdient het verdere verdieping in de vorm van voortgezet wetenschappelijk onderzoek. Wat de drie onderzoeken met elkaar gemeen hebben is dat ze verder bijdragen aan het inzicht in de maatschappelijke en psychologische processen die kunnen leiden tot potentieel gewelddadig gedrag door eenlingen. De aanwezige eerstelijnsprofessionals zagen in deze onderzoeken diverse aanknopingspunten om de mogelijkheden van tijdige detectie van potentieel gewelddadige eenlingen te vergroten. Men was het er overigens over eens dat realisme geboden is wat betreft de verwachtingen: het zal onmogelijk zijn om potentieel gewelddadige eenlingen in alle gevallen tijdig te onderkennen en te stoppen. Het congres toonde aan dat wetenschap, beleid en uitvoering nauw samenwerken om de risico’s op zijn minst te verkleinen. politiek-religieus geïnspireerde eenlingen, waarbij wel onderscheid wordt gemaakt tussen zogenoemde ‘lone operators’ (wel verbonden met en/of aangestuurd door terroristische netwerken/organisaties) en ‘lone wolves’, die uitsluitend ideologisch geïnspireerd worden maar solistisch handelen. Andere landen, waaronder Nederland, zijn bezig de aanpak te verbreden, zodat ook gewelddadige eenlingen die een minder helder ideologisch uitgekristalliseerd motief hebben, in het vizier genomen kunnen worden. Tot slot gaan er steeds meer stemmen op om de term ‘lone wolves’ zoveel mogelijk te vermijden. Er zou een onbedoeld heroïsch, en daarmee wellicht inspirerend, effect van uitgaan op individuen die zich zelf in een radicaliseringsproces bevinden. Zorg, politie en wetenschap Een element dat de laatste tijd sterk in de belangstelling staat, is de samenwerking tussen geestelijke gezond- heidszorg en de politie bij een tijdige aanpak/detectie van potentieel gewelddadige eenlingen. Waar de zorg eenlingen vooral benadert vanuit curatief oogpunt (en de eigen veiligheid van de cliënt en diens directe omgeving centraal stelt), doet de politie dat primair met het oog op openbare orde en veiligheid. De ervaring leert dat beide werelden veel van elkaar kunnen leren. Er wordt momenteel veel geïnvesteerd in het tijdig delen van informatie, op basis van wederzijds vertrou- wen en toegevoegde waarde voor beide partijen. Dat levert de eerste resultaten op. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 7
  • 8. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid drs Inti A. Brazi, Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour, Pompestichting, Nijmegen drs Noemi Kwaks, Onderwijsinstituut voor psychologie en kunstmatige intelli- gentie, Radboud Universiteit Nijmegen dr Erik Bulten, Pompestichting prof. dr. Karin Roelofs, Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour, Pompestichting, Nijmegen Freeze-fight-flightreacties bij plegers en slachtoffers van gewelddadige aanslagen en slachtoffers van gewelddadige aanslagen in de periode vóór, tijdens en na de aanslag. De vraag was ook om het onderzoek sterk te richten op de aanslagen gepleegd door de GGE. Plegers van gewelddadige aanslagen De aanslag die de GGE pleegt is een zeer ernstige vorm van agressie. Bij het verklaren van agressief gedrag is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen twee vormen van agressie. Ten eerste agressie die automatisch optreedt als reactie op de omgeving. Dit wordt ook wel reactieve agressie genoemd en een tweede vorm waarbij agressie doelgericht en gepland wordt ingezet (instrumentele agressie). In het rapport wordt de rol van freeze-fight-flight reacties bij beide vormen van agressie toegelicht. De resultaten van een literatuurstudie geven aan dat de concepten freeze- fight-flight genoeg houvast bieden voor het begrijpen van reactief agressief gedrag. De GGE kenmerkt zich echter niet door reactieve agressie maar door instru- mentele agressie. De agressie wordt immers gericht en gepland ingezet om een doel te bereiken. Het instru- mentele agressieve gedrag van de GGE in de fase voorafgaand aan de aanslag wordt niet voldoende verklaard door de concepten freeze-fight-flight. Er is weliswaar een sprake van ‘vechtgedrag’, maar dit agressieve gedrag vertoont veel meer overeenkomsten met instrumentele agressie dan met het (reactieve) fightgedrag. Om het gedrag van de GGE te beschrijven bleek het nodig een ander concept te introduceren, genaamd focus. Focus duidt op een fase van doelgericht plannen, rigiditeit en een verhoogde fixatie op een Het is bekend dat bij blootstelling aan een bedreigende situatie een serie neurale en hormonale mechanismen geactiveerd wordt. Deze mechanismen maken het mogelijk dat iemand kan vechten of te vluchten bij dreiging van gevaar. Deze basale afweermechanismen zijn voor een deel genetische bepaald, maar worden ook door omgevingsfactoren beïnvloed. Eén van de meest bekende afweermechanismen is de zogenaamde fight-or-flightrespons, waarbij het organisme automa- tisch dan wel gepland overgaat tot vechten of vluchten. We weten inmiddels ook dat voorafgaand aan fight-or- flight, er een reactie optreedt die bekend staat als de freezereactie. Freeze wordt gekenmerkt door een verlaagde hartslag en bewegingsloosheid. Tijdens deze freezereactie is het individu erg oplettend; er wordt een inschatting van het risico gemaakt1 . Als er in deze processen iets niet goed gaat kan dat leiden tot overmatige inzet van agressie of te heftige angstreacties. Hoewel freeze-fight-flightgedragingen de belangrijkste defensieve reacties zijn bij zowel mensen als dieren, is er toch weinig bekend over de rol van deze reacties bij slachtoffers en daders van gewelddadige aanslagen. Volgens de NCTV zou het vergroten van de kennis over de freeze-fight-or-flightrespons mogelijk aanknopings- punten kunnen bieden voor het beleid ten aanzien van ernstige geweldsaanslagen. Met dit doel heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een literatuurstudie en een experimentele studie naar de mogelijke rol van freeze-fight-flightreacties bij plegers Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 20138 De aanslag op het World Trade Center in New York en de verschillende gewelddadige aanslagen die daarop volgden, hebben internationaal geleid tot een verhoogde bewustwording van de aanwezigheid van terroristische dreiging. Ook het belang om de nationale veiligheid te waarborgen kreeg in de afgelopen jaren toegenomen aandacht. Hoewel men in eerste instantie misschien geneigd is om de term ‘gewelddadige aanslag’ te koppelen aan grote organisaties and extremistische groeperingen, zijn er afgelopen jaren ook aanslagen gepleegd door de zogenaamde gewelddadige geradicaliseerde eenlingen (GGEs). Deze mensen maken geen deel (meer) uit van een groepering en voeren solistisch aanslagen uit. Om beleid te kunnen maken voor terrorismebestrijding is er behoefte aan inzicht in de eigenschappen en het gedrag van deze GGEs, maar ook in die van slachtoffers als reactie op een aanslag. 1 M.A. Hagenaars, J. Stins en K. Roelofs, ‘Aversive life events enhance human freezing responses’, in: Journal of Experimental Psychology: General, 141 (2012) , 98-105.
  • 9. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 9 vastomlijnd doel. Focus wordt daarbij gefaciliteerd door processen van isolatie en radicalisering die voorafgaan aan de aanslag. Figuur 1 geeft een schematische samenvatting weer van de dynamische samenhang tussen freeze-fight-flight-en-focusreacties. Bij de GGE zou focus zich kunnen uiten door toenemen- de radicalisering en sociale isolatie. Er ontstaat een steeds sterkere en eenzijdige fixatie op het doel dat wordt nagestreefd en het verkrijgen van steeds speci- fiekere informatie over wat dat doel dichterbij brengt. Er is daarom sprake van een sterke cognitieve controle. Ze laten zicht niet afleiden van het doel. Natuurlijk spelen psychiatrische problemen vaak ook een rol bij GGEs, maar de psychiatrische stoornissen zijn dusdanig divers dat ze onvoldoende verklaring bieden voor het gedrag dat de GGE kenmerkt voorafgaand aan de aanslag. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of het concept focus meer houvast biedt. Zo zijn er nog geen vragenlijsten ontwikkeld waarmee dit concept gemeten zou kunnen worden. In dit onderzoek is wel een eerste aanzet gegeven om het focus concept in een experimen- tele setting meetbaar te maken. Het rapport beschrijft een onderzoek bij gewelddadige delinquenten die relatief hoog scoren op instrumentele agressie dan wel reactieve agressie. Bij de instrumentele agressiegroep zagen we dat emoties veel minder invloed hadden op doelgericht gedrag. Deze effecten waren met name aanwezig bij gewelddadige delinquenten die hoge scores hadden op instrumentele agressie in combinatie met lage scores op angst. Deze eerste empirische verkenning biedt een experimenteel model voor de verhoogde focus en het doelgerichte gedrag die bij de GGE een rol lijken te spelen. Samengevat, de oorspronkelijke opdracht was om te onderzoeken of de freeze-fight-or-flightrespons aanknopingspunten zou kunnen bieden om op onderdelen het gedrag van de GGE beter te begrijpen en/of deze responsen relevant zouden kunnen zijn voor het beleid ten aanzien van ernstige geweldsaanslagen. Zoals uit het voorafgaande blijkt, is de kennis over freeze-fight-or-flightrespons hiervoor nauwelijks bruikbaar. Daarom is het focusconcept geïntroduceerd. Slachtoffers van gewelddadige aanslagen In het geval van slachtoffers bieden freeze-fight-flight- en-focusgedragingen wel een verklaring voor gedrag tijdens en na de aanslag. Bij slachtoffers van een aanslag spelen freeze-fight-flightreacties een grote rol in alle verschillende fasen (voor, tijdens en na de aanslag) van de aanslag. Deze neigingen zijn reeds voor de aanslag aanwezig en worden gevormd door een aantal factoren, zoals het meemaken van eerdere traumatische gebeurtenissen, maar ook neurobiologische en persoonlijkheidskenmerken. Tijdens de aanslag spelen freeze-fight-flightreacties een grote rol. Het organisme kan reageren met freeze en later fight of flight, waarna deze reacties elkaar af kunnen wisselen en langer of korter kunnen duren, naar gelang de situatie. Na de aanslag is er nog steeds sprake van freeze-fight-flight- reacties, deels automatisch (als reactie op dingen die aan de aanslag doen denken) en deels gecontroleerd (met als doel de herinnering aan de aanslag te vermij- den). Freeze-fight-flightresponsen zijn vaak functioneel. Echter wanneer ze voortduren tot na de aanslag en elkaar niet flexibel afwisselen, kunnen ze leiden tot psychische problemen zoals posttraumatische stress stoornis. Het rapport doet aanbevelingen voor een gezond herstel na een trauma, hetgeen bestaat uit een balans tussen freeze-fight-flight aan de ene kant en gecontroleerd toenaderings- of herstelgedrag aan de andere kant. Bij een relatief kleine groep slachtoffers, bij wie er geen sprake is van een afwisseling van freeze-fight-flight- gedrag en gecontroleerd herstelgedrag, lijken andere processen een rol te spelen. Deze groep slachtoffers toont gedrag dat overeenkomsten vertoont met focusgedrag van de GGE: een fixatie op de aanslag met een rigide perceptie van acute dreiging en geassocieerd doelbewust eenzijdig gedrag. Ook dit gedrag staat herstel in de weg2 . Slachtoffers van een aanslag lijken het best geholpen met steun in de verwerking van eventuele trauma’s, met name als er sprake is van een rigide fixatie op het trauma en een verhoogd vermij- dingsgedrag. Daarmee bieden freeze-fight-flightreacties handvatten voor het ontwikkelen van beleid voor slachtofferbegeleiding. Deze bijdrage is gebaseerd op het rapport ‘De rol van freeze-fight- flightreacties bij plegers en slachtoffers van gewelddadige aanslagen’, geschreven door I.A. Brazil, M. Hagenaars, V. Ly, N. Kwaks, S. Jellema, M. Vries, R. Verkes, E. Bulten, K. von Borries & K. Roelofs. 2 A. Ehlers en D.M. Clark, ‘A cognitive model of posttraumatic stress disorder’, in: Behavior Research and Therapy, 38 (2000), 319–345.
  • 10. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid prof. J. van Dijk, hoogleraar Communicatiewetenschap, Universiteit Twente lid van de Commissie Cohen (Project X Haren) Media en contraterrorisme In deze tijd waarin mediahypes steeds vaker voorkomen en krachtiger worden draaien dit soort gebeurtenissen steeds sneller uit op een hype. Deze wordt mede geschapen door de mensen zelf met hun sociale media en berichten op de mobiele telefoon. Media en hun ontvangers zwepen elkaar op in een cross-media hype. Filmpjes en geruchten uit sociale media en gemaakt of verspreid via de mobiele telefoon worden al te snel vertoond op TV. Sensatie en de angst niet als eerste te rapporteren zijn daarbij de drijfveer. Zo heeft het filmpje met de Nigeriaanse terrorist in Londen die met een druipende hakbijl in de hand de reden van zijn daad mocht uitleggen (‘oog om oog, tand om tand i.v.m. Afghanistan’) niet alleen een schokkend maar ook een verkeerd effect gehad. Sommige Islamisten zagen hierin de bevestiging van hun zaak. Wanneer massamedia terroristen de kans geven hun zaak uit te leggen hebben zij tezamen met de door media versterkte angst dubbel succes. Het is een beproefde strategie van Al Qaida om videoboodschappen naar de massamedia te sturen. Een ander bekend negatief effect is de versteking van stereotypen en vijandbeelden, tegenwoordig vooral ten aanzien van moslims en de Islam. In Boston was een Saoediër ook de eerste verdachte. Positief is daarentegen veel aandacht voor het individu- ele leed van onschuldige slachtoffers. Dit is de grootste antireclame voor de terroristische daad. Hetzelfde geldt voor aandacht voor alle tegengebaren zoals stille marsen, kransen op straat, sterke toespraken van bestuurders en alle tekenen van: dit zal ons niet klein krijgen. Massamedia: hoe ver kan de reportage gaan? Terroristen zijn gericht op het verspreiden van angst onder de bevolking. Ongewild zijn de massamedia daarbij hun belangrijkste handlangers. Zij kunnen dat niet helemaal voorkomen. Dit is hun grote dilemma. Toch is er een wereld van verschil tussen een traditio- neel massamedium als krant, radio en TV dat zo nuchter, onderbouwd en terughoudend mogelijk verslag probeert te doen van een terroristische aanslag en een medium dat emotioneel, zonder voldoende feitencontrole, met sensationele inhoud en zonder enige terughoudendheid het nieuws meteen brengt als het geproduceerd wordt. In het laatste geval is de kans groot dat de angst onder de bevolking onnodig versterkt wordt. Wat kunnen de massamedia het beste doen? In de eerste plaats moeten de massamedia oppassen als zij live verslaggeving bieden onder het label Braking News . Zij gaan dan al snel niet geverifieerde informatie doorgeven. Bij de aanslag in Boston dit jaar maakten zij aan de lopende band fouten met betrekking tot het aantal doden en gewonden, een vermeende aanslag in de JFK bibliotheek en de arrestatie van verdachten. Zij versloegen ook direct de paniekreacties van de autoriteiten zoals de sluiting van een vliegveld en een deel van het luchtruim, zware controles in de metro enzovoort. In Boston werd zo een ware oorlogstoestand door de autoriteiten zelf gecreëerd die vermenigvuldigd werd door de massamedia, hongerig naar elk nieuwtje in hun live verslaggeving. Terwijl terughoudendheid en dubbel controleren voor je het nieuws brengt juist het devies zou moeten zijn. Massamedia zijn ongewild de belangrijkste verspreiders van angst onder de bevolking bij terroristische aanslagen. In plaats van zich te laten meevoeren in een maalstroom van geruchten zouden zij zich gereserveerder kunnen opstellen. Ook de autoriteiten moeten zich niet gek laten maken door de vermeende mogelijkheden van de sociale media bij contraterrorisme. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201310
  • 11. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 11 Twijfelachtig zijn daarentegen de oproepen van autoriteiten om via de massamedia mensen naar tips te vragen en zelfs naar daders te laten zoeken zonder heel specifieke opsporingsinformatie te geven. Via de sociale media kan dit ontaarden in een soort heksenjachten. Die passen al snel in de stereotype vijandbeelden. In Boston werden aanvankelijk de verkeerde verdachten aangegeven. Er kwamen honderdduizenden tips, foto’s en filmpjes binnen die de politie niet of nauwelijks kon verwerken. Ze hebben hen wel enigszins geholpen in dit geval, maar het is steeds de vraag of eigen recherche- werk niet sneller en doeltreffender is. De politie heeft nog niet de middelen om snel het kaf van het koren te scheiden. Hiermee komen we bij de rol van de sociale media in contraterrorisme. Sociale media: een gemengde zegen Sociale media spelen een steeds belangrijkere rol in de crisiscommunicatie. Zij zijn hierbij een gemengde zegen. Aan de ene kant kunnen zowel de bevolking als de autoriteiten elkaar hiermee zeer snel en doeltreffend informeren. Potentiële slachtoffers melden hun familie en bekenden dat zij veilig zijn. Autoriteiten geven actuele en betrouwbare informatie. Aan de andere kant is de informatie in sociale media voor het overgrote deel gehaast en onbetrouwbaar. Zij creëren een enorme informatieoverdaad vol met speculatie, geruchten en misinformatie. Op de dag van de aanslagen in Boston en in Londen werden miljoenen Tweets en Facebook- berichten gegenereerd. In Boston kwamen meteen tien verschillende hashtags waarin de berichten verzameld werden. In noodsituaties weet de bevolking onjuiste geruchten meestal snel te corrigeren via sociale media, maar in Boston was dit een onbegonnen zaak. Tientallen geruchten werden tegelijkertijd verspreid door zowel sociale als massamedia. De politie van Boston deed zijn uiterste best misinfor- matie te corrigeren via Twitter. Zij deed op dit medium ook twee keer een informatieverzoek aan de bevolking. De eerste keer om filmpjes van het parcours vlak bij de aanslag en de tweede keer om algemene tips van de bevolking. Hierop kwamen 300.000 reacties. Het op deze wijze inzetten van de bevolking bij de opsporing vormt eveneens een tweesnijdend zwaard. Het kan de gouden tip bevatten, maar het kan ook een volgende lawine aan geruchten, heksenjachten en uitingen van discriminatie in gang zetten. Autoriteiten moeten beseffen dat zij geen enkele greep hebben op het vervolg. Bij massamedia kan men nog min of meer verantwoordelijke journalisten aanspreken, bij sociale media is dat niet het geval. Het beste advies aan de autoriteiten is dat zij zichzelf moeten blijven, op hun eigen recherchewerk en routines vertrouwen en slechts heel gericht om steun van de bevolking moeten vragen. Opsporing Verzocht komt immers ook niet met ongerichte vragen. Dezelfde houding zouden de autoriteiten moeten aannemen bij informatie contra terrorisme in de sociale media. Het is zaak hier een baken van rust en betrouw- baarheid te worden in de geruchtenstroom. Creëer direct een hashtag op Twitter en een Facebook pagina en maak hier reclame voor. Geef op deze adressen alleen de meest cruciale informatie die zoveel mogelijk gerust stelt. Corrigeer feitelijk de belangrijkste onjuistheden. Verwijs alleen naar betrouwbare websites met aanvul- lende informatie. Ga niet in discussie. Verkondig exact hetzelfde in de massamedia. Dit is de enige manier om overeind te blijven in het cross-mediale geweld van de golf van berichtgeving rond terroristische aanslagen.
  • 12. Hans de Wit, hoofd CT-Infobox CT-Infobox: Out of the box-denken in de inlichtingen- en opsporingsinformatie kon dit samenwerkingsverband niet optimaal functioneren. Om deze problemen op te lossen ontstond de idee voor een CT-Infobox, dat op 1 juli 2004 werd gehuisvest bij de AIVD. Al snel sloten de Immigratie- en Naturalisatie- dienst (IND), de Militaire Inlichtingen- en Veiligheids- dienst (MIVD) – en in latere instantie ook de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), de Konin- klijke Marechaussee, Financial Intelligence Unit (FIU) en Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) – zich hierbij aan. De CT-Infobox valt onder het regime van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) 2002. Deze noodzakelijk ‘ophanging’ aan de WIV leverde in het begin spanning op; de partners ervoeren de positie van de AIVD te zeer als leidend. De CT-Infobox moest immers een praktische samenwerking zijn op voet van gelijkwaardigheid en onder erkenning van ieders bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD)4 was van mening dat er een adequate wettelijke basis moest komen, met gelijkwaardigheid van de partners. Die basis komt er binnenkort, in de vorm van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Daarin is de gelijkwaardigheid vastgelegd van de deelnemende partijen in het Coördinerend Beraad, het sturingsorgaan van de CT-Infobox. Deze AMvB treedt naar alle waarschijnlijk- heid in 2016 in werking. De AMvB kan worden beschouwd als de formele bevestiging van een reeds bestaande situatie. De CT-Infobox heeft zich inmiddels in goede harmonie ontwikkeld tot een praktisch en gelijkwaardig samen- werkingsverband. Die gelijkwaardigheid is een nood- zakelijke voorwaarde voor succesvol samenwerken tussen diensten, evenals het hebben van één gezamen- lijk doel, het elkaar vertrouwen en het willen en durven delen van informatie.5 Inleiding Door de aanslagen in 2001 en 2004 kwam de bestrijding van terrorisme in Nederland hoog op de politieke agenda te staan. Er werd fors geïnvesteerd, hetgeen leidde tot een breed scala aan anti-terrorismemaat- regelen. Een van die maatregelen was de oprichting van de Contra-Terrorisme-Informatiebox, kortweg de CT-Infobox1 . De laatste jaren is de aandacht van politiek, bestuur en samenleving voor radicalisering afgenomen,2 ondanks het gegeven dat Nederland in de ogen van jihadisten nog steeds een legitiem doelwit is, een land waarin moslims worden gediscrimineerd en hun geloof geregeld wordt beledigd. Afgelopen periode kwam de terrorismebestrijding en dus ook de CT-Infobox weer in een “hernieuwde” belangstelling te staan. Oorzaak: de toenemende signalen in de afgelopen periode van radicalisering van jongeren in Nederland, de “Arabische opstanden” en de jihadgang naar landen in Afrika en het Midden-Oosten, met name naar Syrië. Met het oog op de veiligheidsrisico’s voor Nederland moest de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veilig- heid (NCTV) daarom op 13 maart 2013 het dreigings- niveau verhogen van beperkt naar substantieel.3 Achtergrond Na de aanslagen in Madrid in maart 2004 kondigde het kabinet aan dat personen die op enigerlei wijze in verband konden worden gebracht met terroristische activiteiten of ondersteuning daarvan, met een verhoogde inzet in het oog dienden te worden gehouden. Dit voornemen leidde begin april 2004 tot de oprichting van een zogeheten Analytische Cel. Het betrof hier een bij het (toen nog) Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) ondergebracht samenwerkings- verband van het Openbaar Ministerie (OM), de politie en de Algemene Inlichtingen- en veiligheidsdienst (AIVD). Door de wettelijke bepaalde scheiding van Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201312 1 Een samenwerkingsverband van de AIVD, Nationale Politie, IND, MIVD, FIOD, Kmar, FIU, Inspectie SZW, NCTV en OM. 2 Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 32, maart 2013. 3 De verhoging betekent dat de NCTV de kans op een aanslag in Nederland reëel acht. 4 De commissie die erop toe ziet dat de CT-Infobox zijn taken rechtmatig uitvoert. 5 Zie ook het evaluatieonderzoek Projectgroep Emergo (Gezamenlijke aanpak zware/georganiseerde criminaliteit in hart Amsterdam 2011) – Nodal Governance –. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
  • 13. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 13 Werkwijze en meerwaarde De CT-Infobox is een uniek samenwerkingsverband van partners. Het is de enige plaats in Nederland waar target-gerelateerde informatie over terrorisme en expertise vanuit de verschillende organisaties bij elkaar komt. De kracht van de Box is dat zij rechtstreeks toegang heeft tot een zeer groot aantal bestanden, waaronder alle relevante registraties van de aangesloten partners. Bovendien zijn de experts van de samenwer- kende partijen bij elkaar gehuisvest, zodat optimaal gebruik kan worden gemaakt van informatie, kennis/ expertise en bevoegdheden. De CT Infobox werkt altijd persoonsgericht en naar aanleiding van één of meer risicopersonen die door een van de deelnemende organisaties is ingebracht. De CT-Infobox doet geen zelfstandige onderzoeken en gebruikt geen bijzondere inlichtingenmiddelen of opsporingsbevoegdheden. Na aanmelding door een partnerdienst bij de CT-Infobox van een persoon die te relateren is aan terrorisme, wordt alle informatie over betrokkene bijeengebracht vanuit de veelheid aan beschikbare systemen van de samenwerkende partners. De aangetroffen informatie wordt opgeslagen in een gesloten database, die uitsluitend toegankelijk is voor medewerkers van de CT-Infobox. Soms hebben verschillende partners een stukje informatie waar zij hun bedenkingen bij hebben, waardoor zij het moeilijk kunnen taxeren en duiden. Met stukjes informatie van andere partners daarbij opgeteld, kan de beschikbare informatie wel net genoeg zijn om een signaal of zelfs dreiging te onderkennen. Onderlinge, tot dan toe verborgen verbanden worden op die manier zichtbaar. Ook wordt duidelijk welke informatie van belang is voor een specifieke organisatie. Output/Advisering Ten behoeve van advisering vindt vervolgens – op basis van de aanwezige multidisciplinaire expertise – een analyse van de informatie plaats. Verschillende specialisten in de CT Infobox kijken daarbij naar de mogelijkheden vanuit verschillende perspectieven om de risico’s die uitgaan van de betreffende persoon te verkleinen of weg te nemen: inlichtingenmatig, vreemdelingrechtelijk, strafrechtelijk, fiscaalrechtelijk en/of bestuurlijk. Met deze aanpak wordt het mogelijk om tot afgewogen adviezen te komen aan de deel- nemende organisaties, vaak over een vervolgaanpak. De CT-Infobox brengt twee soorten adviezen uit aan de samenwerkingspartners. - Verstrekkingsadvies Als een organisatie over informatie blijkt te beschikken die voor één van de andere organisaties van belang kan zijn, adviseert de CT-Infobox deze gegevens uit te wisselen met één of meer organisaties op basis van de daarvoor geldende regels. - Attenderingsadvies Dit advies is gericht op een mogelijke aanpak, specifiek toegesneden op de aard van de betrokken organisatie. Hierbij gaat het om adviezen voor het starten van een onderzoek: inlichtingenmatig, opsporingsmatig, financieel-informatief en/of vreemdelingrechtelijk. Bij vreemdelingrechtelijke advisering gaat het bijvoorbeeld om een advies om een verblijfsvergunning te weigeren, in te trekken of niet te verlengen, het ongewenst verklaren en het weigeren, dan wel intrekken van het Neder- landerschap zodat in een vroeg stadium plannen van terroristen verstoord en misschien zelfs voorkomen kan worden. Ook in het kader van vroegtijdig ingrijpen en voorko- men adviseert de CT-Infobox over een persoonsgerichte aanpak aan de NCTV. Deze aanpak was in het verleden uitsluitend gericht op het verstoren door bijvoorbeeld het opvallend in de gaten houden van een persoon. Doel daarbij is dat het voor betrokkene en zijn omge- ving duidelijk wordt dat hij overheidsaandacht geniet, waardoor hij belemmerd of op z’n minst geremd word om zich in te laten met terrorismegerelateerde zaken.6 Tegenwoordig is dit advies niet beperkt tot het voor de voeten lopen van een persoon van wie een (terroristi- sche) dreiging uitgaat. Ook een benadering vanuit sociaal, maatschappelijk en/of psychologisch perspec- tief, bedoeld om deradicalisering van zo’n persoon te bevorderen, behoort thans tot de mogelijkheden. Gedacht kan worden aan aandacht voor zaken als scholing, huisvesting, werk en eventueel (geestelijke) zorg. Deze aanpak is maatwerk en kent als uitgangspunt dat de bewuste persoon zo snel mogelijk een regulier leven kan opbouwen. 6 Door (rechts)wetenschappers ook wel aangeduid als ‘bestuurlijk pesten’. Bloemenhulde voor slachtoffers bomaanslag Boston marathon
  • 14. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid speelt bij contraterrorismemaatregelen tegen indivi- duen. Door samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de betrokken partijen kan gericht worden over- gegaan tot vroegtijdig verstoren, het bevriezen van tegoeden, gericht optreden door politie of bijzon- dere(bijstands)eenheden, of andersoortige risico- reducerende maatregelen. De evaluatiecommissie stelt tevens dat de totstand- koming van de CT-Infobox een goed voorbeeld is van hoe binnen de veiligheidsketen een informatieknoop- punt kan worden opgezet. Zeker nu op meerdere plaatsen binnen de veiligheidsketen wordt nagedacht en geëxperimenteerd met het opzetten van dergelijke knooppunten, verdient het aanbeveling om de ervaringen van de CT-Infobox hierin mee te nemen.10 Kernboodschap van de uiteindelijke evaluatie in 2011 is dat het Nederlandse antiterrorismebeleid degelijk en deugdelijk genoemd mag worden, maar niet in beton is gegoten. De aanpak van terrorisme in Nederland past zich aan op basis van de ontwikkeling van het feno- meen, lessen uit de praktijk, rechtelijke toetsing en kritieken uit de maatschappij. Ook de CT-Infobox beweegt uiteraard mee met de maatschappelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen en toekomst Uit de Nationale contraterrorismestrategie blijkt verder dat Nederland als open samenleving kwetsbaar blijft voor alle mondiale ontwikkelingen die een relatie hebben met terrorisme. In jihadistische kringen geldt Nederland nog steeds als een legitiem doelwit. Tot voor kort richtte de CT Infobox zich dan ook met name op het jihadisme en het maken van degelijke zeer uitge- breide analyses. De Box heeft inmiddels terrorisme in de breedte als aandachtspunt. Maar ook kan de CT-Infobox op verzoek van één van de partners worden ingezet bij incidenten of calamiteiten. Binnen enkele uren adviseert zij dan op basis waarvan de aanvrager kan besluiten tot de juiste aanpak of inzet. Volgens de Nationale contraterrorismestrategie 2011-2015 zien we ook ontwikkelingen in binnen- en buitenland die extra aandacht rechtvaardigen voor de aanpak van geradicaliseerde eenlingen, in de media ook wel ‘lone wolves’ genoemd.11 Niet altijd is duidelijk of de Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201314 Bij haar advisering heeft de CT-Infobox in de afgelopen periode een efficiencyslag gemaakt door verdere standaardisatie, verkorting van het analysetraject en investeringen in ICT waaronder het via een zoekschil ontsluiten van informatie van verschillende partners, waardoor het zoeken wordt vereenvoudigd en het analyseren een stuk sneller kan worden uitgevoerd. Effecten en evaluaties CT Infobox De CT Infobox heeft in de afgelopen negen jaar honderden adviezen uitgebracht. Verreweg de meeste adviezen worden opgevolgd. De meest tastbare successen liggen in de vreemdelingrechtelijke aanpak van personen. Het feit dat medewerkers van verschil- lende diensten gezamenlijk, multidisciplinair onder- zoek doen, vormt volgens de partners op zich al een belangrijke meerwaarde. Gebruikmaken van elkaars kennis, expertise, informatie en bevoegdheden – uiter- aard met inachtneming van de voor die instantie geldende wettelijke bepalingen – bevordert de professionaliteit en de samenwerking op CT-gebied. Uit rapportages over het functioneren van de CT-Infobox komt een overwegend positief beeld over het samenwerkingsverband naar voren. Zo stelde de Commissie van Toezicht betreffende Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) in 2007 dat ‘…de CT-Infobox van nut is voor het onderzoeksterrein islamistisch terrorisme/radicalisme, waarop verschillende diensten actief zijn, waardoor er voor de noodzakelijke afstem- ming moet worden gezorgd’. De CT-Infobox voorziet volgens de CTIVD in deze afstemming. Alle maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen in het kader van de terrorismebestrijding zijn in opdracht van de Tweede Kamer in onderlinge samen- hang geëvalueerd op basis van het rapport van de commissie Suyver.7 De CT-Infobox is in deze evaluatie meegenomen.8 De Commissie Suyver constateert dat de CT-Infobox een belangrijk en nuttig instrument is in de samenwerking tussen de verschillende spelers op het veld. De Commissie heeft de indruk dat in de praktijk veel afstemmingsproblemen worden voorkomen, juist door het operationeel zijn van de CT-Infobox.9 In de Nationale contraterrorismestrategie 2011-2015, opgesteld onder leiding van de NCTV, wordt aangegeven dat de CT-Infobox in Nederland een belangrijke rol 7 Ingesteld n.a.v. de motie van Kamerlid Pechtold om na te gaan hoe de antiterrorismemaatregelen het beste kunnen worden geëvalueerd. 8 Rapport Antiterrorismemaatregelen in Nederland in het eerste decennium van de 21e eeuw (januari 2011), Ministerie van Justitie en Veiligheid, publicatie-nr. 04126-6359. 9 Rapport Commissie evaluatie antiterrorismebeleid “Naar een integrale evaluatie van antiterrorismemaatregelen” (mei 2009) publicatie-nr. ibis-13174. 10 Rapport Antiterrorismemaatregelen in Nederland in het eerste decennium van de 21e eeuw. 11 Olslo/Utoya, Karst T.
  • 15. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 15 aanvaller handelt of handelde uit ideologische motieven, of dat het gaat om iemand die verward is of andersoortige motieven heeft. Alleen waar het gaat om ideologische motieven is er een rol weggelegd voor de CT Infobox. De zogenoemde “verwarden” vallen binnen het project “solistische dreigers” van de Nationale Politie. Niemand wordt als terrorist geboren. Voordat iemand besluit een terroristische aanslag te plegen, ondergaat hij of zij een radicaliseringsproces waarbij onderweg meestal bepaalde ‘signalen’ tot uiting komen. Vanuit dit standpunt zou het mogelijk zijn om preven- tief op te treden, op voorwaarde dat die signalen tijdig worden gedetecteerd. Het signaleren en vastleggen van informatie waardoor vroegtijdige detectie mogelijk is, is essentieel, maar tegelijk zeer moeilijk. Volgens de strategienota dient de CT-Infobox juist een belangrijke rol te spelen bij het initiëren van maatregelen tegen individuen. In de CT-Infobox komt informatie samen van alle samenwerkende instanties met betrekking tot terrorisme en daaraan te relateren radicalisering. Daardoor kan in de Box een weloverwogen afweging gemaakt worden in de verschillende mogelijkheden om tegen een (potentiële) terrorist op te treden. Een ontwikkeling die anno 2013 een rol speelt zijn de opstanden in Afrika en het Midden-Oosten (aanvanke- lijk optimistisch aangeduid als de Arabische Lente) en daarbij vooral de Nederlandse jihadgangers naar dit gebied. Uitreizigers kunnen in gebieden waar zij actief zijn westerse belangen schaden. Zij kunnen expertise en strijdervaring opdoen. Na terugkeer kunnen zij anderen inspireren tot radicalisering en jihadgang. Hoewel zeker niet alle terugkeerders voor dreiging zorgen, moet rekening worden gehouden met enkelingen die zeer radicaal, getraumatiseerd en in hoge mate gewelds- bereid terugkomen. De aanpak van de problematiek van uitreizigers en terugkeerders is niet voorbehouden aan een of enkele overheidsinstanties. Intensieve samen- werking en gegevensuitwisseling tussen opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten, nationaal en internationaal is een absolute noodzaak. De CT-Infobox heeft hier een rol in. In de Box brengen alle deelnemen- de partners informatie over risicopersonen samen, om zo de meest effectieve interventiemogelijkheid te benutten.12 Het verder optimaliseren van de aanpak van de CT-Infobox heeft volgens de strategienota van de NCTV de komende jaren prioriteit. Hierbij zal dan niet alleen gekeken moeten worden naar het verder ontsluiten van de informatiesystemen van de betrokken partijen, teneinde vereenvoudigd zoeken en snellere analyses mogelijk te maken. Wat betreft de CT Infobox kan men ook denken aan snellere producten, zoals advisering over eventuele verstoringsmaatregelen bij geplande uitreizen naar strijdgebieden en advisering over persoonsgerichte aanpak bij terugkeerders. Daarnaast zou gedacht kunnen worden aan enige betrokkenheid van de CT-Infobox bij de ontwikkeling van een Passenger Information Unit in het licht van reisbewe- gingen en grensbewaking. Tot slot - Gezien vanuit het theoretisch perspectief en de praktijk, blijkt dat een samenwerkingsverband zoals de CT-Infobox een succes kan zijn. Randvoorwaardelijk is wel het hebben en het daadwerkelijk dragen van een gezamenlijk doel, samenwerken in vertrouwen, informatie willen delen en een juridische basis. Daarnaast het hebben van specialisten vanuit de verschillende organisaties en informatie op één locatie. - Kijkend naar de vele adviezen en de opvolging daarvan blijkt ook de CT-Infobox inhoudelijk zijn meerwaarde te hebben. - Ondanks de positieve evaluaties zal de CT-Infobox in ontwikkeling moeten blijven. Er zal geïnvesteerd dienen te worden in het doorontwikkelen van de hiervoor benodigde informatiehuishouding, onder meer door het stimuleren van het vastleggen van ‘signalen’, het ontsluiten van relevante bronnen en data-analyse. Kijkend naar de recente ontwikkeling op het vlak van radicalisering, de vele jihadgangers en de aanslag in Boston is de CT-Infobox niet meer weg te denken. Zoals voormalig minister Remkes op 18 maart 2005 in de Tweede Kamer zei: “De bestrijding van terrorisme vergt de inzet van meerdere partijen en samenwerking daartussen. Geen enkele partij heeft daar het alleenrecht op. Integendeel. Intensieve samenwerking en gegevensuitwisseling – binnen de wettelijke kaders die daarvoor gelden – zijn absoluut noodzakelijk voor een effectieve aanpak van terrorisme. Het is vanuit deze gedachte dat de CT Infobox tot stand is gekomen.” 12 Brief minister Opstelten aan Tweede Kamer d.d. 13 maart 2013.
  • 16. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid Lokale aanpak radicalisering en jihadgang waren tot nu toe daarin succesvol. ‘Jihadgang’ is dan ook niet nieuw. Het aantal geslaagde reizen is dat wel. Deze Nederlandse jongens gaan weg als amateurs, maar kunnen terugkomen als professionals en dat baart veiligheidsdiensten grote zorgen. Mede daardoor is het dreigingsniveau in maart jongstleden verhoogd. Hoe we de risico’s van uitreizigers en terugkeerders willen ondervangen is uiteengezet in de beleidsbrief van de Minister van Veiligheid en Justitie die het Dreigings- beeld Terrorisme Nederland (DTN32) begeleidde. De vele diensten die zich met terrorismebestrijding bezighouden hebben hun inzet geïntensiveerd. Denk aan inlichtingenwerk, opsporing, vervolging, vreemde- lingrechtelijke maatregelen alsook in grensbewaking en beveiliging. Maar er is ook hernieuwde aandacht voor de lokale bestuurlijke aanpak van jihadistische radicalisering, want niet iedereen die door het mondiaal jihadisme is geïnspireerd kan op bovenstaan- de manier worden aangepakt. De vraag die terrorisme- bestrijders bezighoudt, is hoe we de risico’s die van deze individuen uitgaan zoveel mogelijk kunnen inperken (en daarmee aanslagen en jihadistische aanwas kunnen voorkomen). In essentie is de (lokale) aanpak van jihadistische radicalisering in het algemeen en jihad- gang van en naar Syrië in het bijzonder onder te verdelen in: preventie, detectie en interventie. Preventie Het voorkomen dat personen zich onderdeel gaan voelen van de jihadistische beweging (oftewel: radicalisering) is een zeer complexe onderneming, kent vele facetten die niet alleen op lokaal niveau te adresseren zijn én het is maar de vraag of individuele – vaak digitale – religieuze zoektochten vanuit de overheid ‘te voorkomen zijn’. Het is intussen duidelijk dat er geen uniek sociaal, etnisch, of psychologisch profiel bestaat van personen die radicaliseren. Er is geen directe link te leggen met socio-economische, pedago- gische of onderwijskundige achterstelling. De reden waarom iemand overtuigd raakt en zich inlaat met de jihadistische beweging hangt sterk af van de persoon- De reden dat Nederlandse jongeren die naar Syrië zijn vertrokken zich bij dergelijke strijdgroepen willen aansluiten, en niet bij de door de internationale gemeenschap gesteunde Syrische oppositie, is dat ook zij zichzelf als onderdeel zien van de mondiale jihadisti- sche beweging (waarvan Al Qaida de meest bekende uiting is). Sommige jongens (en soms ook meisjes) begeven zich al jaren in deze ideologische kringen, anderen slechts enkele weken voor vertrek. Personen in deze beweging beschouwen zichzelf als de enige ware gelovigen, die een individuele verplichting hebben de islam te verdedigen tegen een wereldwijd front van islamvijandige afvallige leiders, verraders, sjiieten, Amerikanen, Joden en al hun bondgenoten. De verplichting kan volgens hen ingevuld worden door prediking, vorming en opvoeding, maar zich voegen bij (en sneuvelen in) de gewapende strijd in oorlogs- gebieden is voor hen het meest nastrevenswaardige. Voor de dreigingsinschatting is een aantal dingen complex: het is niet altijd gemakkelijk te onderkennen wie zich onderdeel vindt van deze beweging, bovendien is niet altijd duidelijk wie geweld legitimeert en wie daadwerkelijk geweldsbereid is. Daarbij komt dan ook nog dat hun definitie van het door hen verklaarde oorlogsgebied erg ruim kan zijn. Het front kan zich zomaar in Boston, Woolwich, Timboektoe, Aleppo of Amsterdam bevinden, en is afhankelijk van de inge- schatte waarde die een geweldsdaad zou hebben voor de jihadistische zaak. Aanhangers van de jihadistische beweging vormen een te verwaarlozen percentage van het islamitisch spectrum. In Nederland gaat het naar schatting om enkele honderden personen. Toch vormen zij vanwege hun verheerlijking, rechtvaardiging en nastreving van (terroristisch) geweld een dreiging voor de nationale veiligheid van Nederland. Personen in jihadistische kringen hebben in het verleden – soms meerdere malen – geprobeerd zich aan te sluiten bij jihadistische strijdgroepen in Tsjetsjenië, Afghanistan, Irak en Somalië, maar slechts enkelen De strijd in Syrië eist steeds meer slachtoffers. Volgens cijfers van de Verenigde Naties zijn er tot eind april zeker 93.000 doden gevallen. Het afgelopen jaar kwamen in Syrië gemiddeld 5000 mensen per maand door geweld om het leven. Volgens de VN is de situatie in Syrië “drastisch verslechterd”. Nederland maakt zich zorgen om de situatie in Syrië zelf maar veiligheidsdiensten hebben ook alarm geslagen over de vele honderden EU ingezetenen die zich aansluiten bij jihadistische strijdgroepen aldaar en de mogelijke dreiging die zij kunnen vormen voor Nederland. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201316
  • 17. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 17 lijke context en lijkt vooral te maken met wie je bege- leidt of tegenkomt in je (digitale) religieuze zoektocht. Het gaat overigens ook over hele kleine aantallen die niet andere kenmerken hebben dan hun vele leeftijds- genoten. Gegeven dit alles is radicalisering dusdanig onvoorspelbaar en in aantallen beperkt dat het eigenlijk niet in breed preventief beleid is te vatten. Heel lang is aangenomen dat het verbeteren van de sociaaleconomi- sche positie van (moslim)jongeren, versterken van sociale cohesie tussen bevolkingsgroepen en het inves- teren in (onderwijs over) democratisch burgerschap bij zouden dragen aan de preventie van radicalisering. Dit verband is echter niet te bewijzen en lijkt hoogstens indirect. Gevoeligheid voor het jihadistisch discours heeft minder te maken met de eigen (achterstands) positie dan met de overtuiging dat de eigen groep, waarmee je je sterk identificeert, waar ook ter wereld onrecht wordt aangedaan, wordt bedreigd en het idee dat daar wat aan gedaan moet worden. Toeval hou je niet tegen, maar rechtvaardigheidsgevoel en idealisme kan gekanaliseerd worden en religieuze gemeenschappen kunnen meer doen om te zorgen dat nieuw-praktiserenden in hun (digitale) zoektocht niet ontsporen. Ook andere personen in de omgeving kunnen een rol spelen in de begeleiding van nieuw- praktiserende, geëngageerde personen. Naast de familie en vrienden kunnen onderwijspersoneel, jongeren- werkers en hulpverleners ook een positieve invloed hebben in het kanaliseren van idealisme, het plaatsen van emoties, het tegenspreken van complotdenken en het nuanceren van extreme (politieke of religieuze) interpretaties. Dit alles is onderdeel van het versterken van de weerbaarheid tegen de overtuigingskracht van de jihadisten. Samen met sleutelfiguren uit de islamitische gemeenschap, kunnen lokale professionals verder bijdragen aan het ontmoedigend klimaat. Het is dan ook van belang dat er lokale netwerken en samenwer- kingsverbanden bestaan waarin ambtenaren, professio- nals en sleutelfiguren aandacht geven aan dit gevoelig onderwerp. In de meest relevante gemeenten biedt de NCTV hierin advies en ondersteuning aan. Detectie Wil men interveniëren bij personen die zich in toenemende mate de ideeën, doelen en methodes van het mondiaal jihadisme toeëigenen of de intentie ontwikkelen om naar buitenlandse strijdhaarden te reizen, dan moet dit proces wel herkend worden. Dit is geen simpele opgave, omdat veel persoonlijke uiterlijkheden en religieuze gedragingen overlappen met bestaande niet-gevaarlijke islamitische uitingen. Ervan uitgaande dat radicalisering een afwijking van de norm behelst, dan is de opdracht om de afwijking te herkennen alleen mogelijk als de norm ook bekend is. Is de gemiddelde belevingswereld en gedrag van (jonge) geëngageerde praktiserende Nederlandse moslims wel bekend? Kan het afwijkende proces naar het jihadisme toe wel worden geduid? Een dergelijke duiding is niet zonder grondige kennis te maken. De NCTV heeft daarom verschillende niveaus van trainingen en voorlichting laten ontwikkelen om het bewustzijn en detectiecapaciteit onder professionals op lokaal niveau te vergroten. Een aantal gemeenten heeft ook eigen trainingen ontwikkeld. Naast het versterken van de kennis is het van belang dat er ook duidelijke lokale structuren zijn, waar de signalen gemeld en geduid kunnen worden en dat deze meldingsstructuur ook aangehaakt is aan de veiligheidsketen. Ook hierin kan de NCTV ondersteuning en advies bieden. Interventie Op het moment dat een signaal geduid is als jihadisti- sche radicalisering zal een interventie overwogen moeten worden om de risico’s te verkleinen. Het type interventie hangt sterk af van de persoon en context. Het zal altijd maatwerk zijn. Iemand die net begint te flirten met het gedachtegoed vereist andere aandacht dan iemand die verhard is teruggekeerd van de strijd in Syrië. Het is dan ook aan te bevelen om een multidisci- plinair casusoverleg beschikbaar te hebben dat zich over signalen van radicalisering en uitreis kan buigen. Dat kan bijvoorbeeld plaatsvinden in het veiligheidshuis of in andere bestaande overleggen voor bijzondere doelgroepen, maar dat kan ook een apart opgerichte werkgroep zijn als de situatie daarom vraagt. Soms kan de insteek van interventie op het vlak van zorg en begeleiding leiden tot een vermindering van risico’s en soms zal gekozen moeten worden voor verstoring of vervolging. Het kan ook dat hard en zacht gecombi- neerd wordt. Soms is het ook aan te bevelen om een gespecialiseerde coach in te zetten die tracht de betrokkene uit de extremistische beweging te begelei- den en daarmee de risico’s duurzaam te verminderen. Dergelijk specialisme is erg schaars, maar ook hierin kan de NCTV adviseren en ondersteunen. Conclusie Zoals duidelijk moge zijn, is de lokale aanpak van jihadistische radicalisering in de uitvoering maatwerk. Het is maatwerk dat erg afhankelijk is van inhoudelijke kennis en de samenwerking tussen formele en informele partners en sleutelfiguren. Hierin onder- steunt de NCTV die driehoeken waar het speelt. Niet alle gemeenten of regio’s hoeven zich zorgen te maken of een telefoontje van de NCTV te verwachten, maar men kan altijd investeren in formele en informele samen- werkingsverbanden en in sleutelfiguren die de lokale gemeenschappen goed kennen en die zich ook zorgen maken over jongvolwassenen die religieus ontsporen en zich aan willen sluiten bij jihadistische strijdgroepen.
  • 18. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid Peter Knoope, directeur International Centre for Counter-Terrorism Den Haag Internationale terrorismebestrijding met Haagse roots king van de Amerikaanse troepen uit Afghanistan in 2014, en het moge duidelijk zijn dat de dreiging van terrorisme internationaal onverminderd is, en zich voortdurend ontwikkelt. De verslechtering van de veiligheid om ons heen heeft vanzelfsprekend ook invloed op de situatie binnen de EU en in Nederland. De EU is geen eiland en niet geïsoleerd van haar omgeving. Er zijn internationale reisbewegingen vanuit Europa, voornamelijk richting het Syrische strijdtoneel; er is het internet dat kan functioneren als informatie- en rekruteringsbron; er zijn trainingskampen in bijvoorbeeld de Sahel en Pakistan; en er zijn grieven en motieven die uitgebuit kunnen worden. Vanwege het gevaar dat de onrust aan de zuidgrens (maar ook aan de oostgrens) binnen de EU consequenties kan hebben is het van belang om ook met die bril naar de ons omringende wereld te kijken. Binnenlandse veiligheid is zondermeer gediend met buitenlandse en internationale stabiliteit. Waar een klein land groot in kan zijn ICCT borduurt voort op de internationaal geroemde ‘brede benadering’ van de Nederlandse overheid, waarbij niet alleen de gevolgen maar ook de oorzaken of aantrekkingskracht van terrorisme worden aange- pakt. Zodoende heeft ICCT als missie overheden te overtuigen van het belang te concentreren op het verminderen van het maatschappelijk draagvlak voor politiek geweld en het wegnemen van factoren die mensen motiveren om deel te nemen of steun te bieden aan politiek gewelddadige organisaties. Een taak die deels bij de overheid ligt, en deels bij de internationale gemeenschap en maatschappelijke organisaties. ICCT analyseert en adviseert, maar draagt ook bij aan het faciliteren van discussie tussen deze verschillende actoren en aan nationale capaciteitsopbouw door trainingen en workshops te organiseren in voor Nederland prioritaire landen. Tegelijkertijd benadrukt ICCT het belang dat terrorisme- bestrijdingsmaatregelen geïmplementeerd worden in overeenstemming met mensenrechten en de rule of law. Dit thema wordt ook in bredere zin uitgedragen in het buitenlands beleid van de Nederlandse overheid. De zorgvuldige handhaving van de principes van de All terrorism is local Volgens het meest recente rapport van Europol (de TE-SAT) is de situatie binnen de EU, wanneer het gaat over terroristische dreiging, in het afgelopen jaar verslechterd. Ook Nederland verhoogde recent het dreigingsniveau. Toch is deze situatie nog altijd bijna geruststellend te noemen in vergelijking met die in regio’s even ten zuiden van de EU. Noord-Afrika bevindt zich sinds de Arabische lente in een chaotische periode. Dit is mede een gevolg van het veiligheidsvacuüm dat ontstond na de val van regimes in Tunesië, Egypte en Libië. Op een aantal plekken trachten door Al Qaeda geïnspireerde groepen deze ruimte in te nemen en het verlies aan positie, uit de beginperiode van de revolu- ties, te heroveren. Maar ook ten zuiden van de Sahara spelen Jihadistische groeperingen een steeds grotere rol in under-governed spaces. Zowel in Nigeria als in Mali is onder invloed van verschillende ontwikkelingen een toename van de aantrekkingskracht van gewelddadige organisaties merkbaar. Tel daarbij op de aantrekkings- kracht van het conflict in Syrië, ook op Westerse jongeren, en de mogelijke gevolgen van de terugtrek- Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201318 Drie jaar geleden opende het International Centre for Counter- Terrorism – The Hague (ICCT) officieel zijn deuren. Inmiddels is het uitgegroeid tot een mondiale speler met activiteiten in uiteen- lopende landen als Algerije, Nigeria, de Filippijnen en Indonesië. ICCT is een onafhankelijke denktank en kritisch kennisknooppunt dat overheden en internationale organisaties van analyse en beleidsadvisering voorziet op het terrein van de preventieve en internationaalrechtelijke aspecten van terrorismebestrijding. Het Centre werkt nauw samen met onderdelen van de VN, de EU, OVSE, het Global Counterterrorism Forum en het recent uit dit Forum voortgekomen Hedayah centrum in Abu Dhabi. Hoewel ICCT velerlei projecten uitvoert voor verschillende overheden en organi- saties, liggen de roots van het Centre in een door de Nederlandse overheid uitgewerkte motie van de Tweede Kamer. Mede dankzij de voortdurende impulsen vanuit diezelfde overheid, draagt ICCT internationaal zijn steentje bij aan de continu evoluerende discussie over extremistisch geweld en terrorismebestrijding – een inter- nationale discussie met lokale consequenties.
  • 19. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 19 rechtsstaat is überhaupt een belangrijk uitgangspunt. Maar juist in het domein van terrorismebestrijding, waar volgens sommigen elk middel gerechtvaardigd is omdat het overleven van de rechtstaat zelf in het geding is, verdient het zorgvuldige aandacht. Zeker ook omdat overheden die zich niet aan de ‘eigen’ regels en principes houden benzine op het vuur van extremisti- sche propaganda gooien – zie bijvoorbeeld discussies rondom Guantánamo Bay en Abu Ghraib. De stelling die ICCT betrekt is, dat juist wanneer de rechtstaat wordt aangevallen de kracht van het systeem moet worden aangetoond door de aanval te voorkomen of af te slaan met behulp van een zorgvuldige toepassing van de regels van diezelfde rechtsstaat. Dat mag in Nederland wellicht geen vraagtekens oproepen, in veel andere landen bestaan hierover andere inzichten. Kritische praktijk- en beleidsgerichte initiatieven Op de bovengenoemde terreinen – de preventieve en internationaalrechtelijke aspecten van terrorismebe- strijding – ontplooit ICCT uiteenlopende activiteiten in partnerschap met verschillende internationale, statelijke en niet-statelijke actoren. Coöperatie in plaats van concurrentie zit ingebed in de organisatie, die berust op een samenwerkingsverband tussen Instituut Clingendael, het T.M.C. Asser Instituut en de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden. Deze drie Haagse instituten vormen het kennis- en onderzoeksfundament voor de werkzaamheden van ICCT en leveren de primaire Research Fellows. Daarnaast kent het Centre Associate en Visiting Fellows, die op specifieke onderwerpen en projecten worden ingezet. ICCT levert kritische, onafhankelijke analyse en praktische, beleidsgerichte output. Onderstaande projecten geven een indruk van de thematische focus en het soort activiteiten waarmee ICCT zich bezighoudt. Rehabilitatie en re-integratie programma’s In samenwerking met de VN, en met sponsoring van het US Department of State, ontplooit ICCT een internationaal initiatief dat gericht is op de rehabili- tatie en re-integratie van gevangenen die vastzitten vanwege terroristische misdrijven. Dit heeft geleid tot een serie good practices die overheden in overweging kunnen nemen wanneer zij dergelijke programma’s ontwikkelen. Op dit moment is ICCT bezig met de ontwikkeling van een innovatieve trainingsmodule die beoogt de kennis op dit terrein te vergroten onder gevangenismanagement en beleidsmedewerkers in verschillende landen. Belang maatschappelijke middenveld in preventie van terrorisme Via verschillende initiatieven vergroot ICCT de rol van maatschappelijke actoren bij het identificeren en voorkomen van terrorisme. Dergelijke personen en organisaties zijn diepgeworteld in de samenleving, genieten geloofwaardigheid onder relevante groepen, en werken dagelijks aan het wegnemen van veel van de factoren die anders radicalisering in de hand werken. Echter, in veel landen wordt er huiverig gekeken naar het nationale en internationale maatschappelijke middenveld, en zijn deze groepen steeds meer onderhe- vig aan strikte wetgeving die de bewegingsvrijheid beperkt. ICCT biedt een neutraal platform waarbij statelijke en niet-statelijke actoren samen kunnen werken aan de analyse én effectieve oplossingen van het gedeelde probleem van politiek geweld in de samenle- ving, bijvoorbeeld door middel van het mede-organise- ren van regionale implementatie workshops voor Resolutie 1624 van de VN Veiligheidsraad. Rol slachtoffers in het voorkomen van radicalisering Onder leiding van ICCT Associate Fellow Max Boon, slachtoffer van de bomaanslag in het Marriott hotel in Jakarta in 2009, verkent ICCT de meest optimale manier waarop slachtoffers van terrorisme een structurele rol kunnen spelen in het voorkomen van radicalisering in Indonesië. Hierbij wordt gekeken naar de noodzakelijke procedures, support en training om slachtoffers te identificeren en voor te bereiden op targeted outreach campaigns, waarbij interactie met Indonesische jongeren die behoren tot primaire risicogroepen vooropstaat. De uitkomsten van dit project zullen een bron van inspiratie zijn ver buiten de landsgrenzen van Indonesië. Getuigenbescherming in terrorisme-gerelateerde rechtszaken In samenwerking met de Nederlandse overheid initieert ICCT een project dat landen helpt bij de ontwikkeling en verbetering van processen die het gebruik en de bescherming van getuigen en inlichtingenmateriaal in terrorisme-gerelateerde rechtszaken mogelijk maken. Dit alles vanzelfsprekend in volledige overeenstemming met de rule of law en mensenrechten. Door middel van training en juridische bijstand aan wetgevers, rechters en andere betrokkenen, in voor Nederland prioritaire landen, wordt de effectiviteit én de legitimiteit van de rechtsgang in deze landen vergroot. Voor meer informatie over deze en andere projecten: www.icct.nl
  • 20. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid Sergei Boeke, onderzoeker Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme, Universiteit Leiden-Campus Den Haag Gijzelingen in de Sahel: booming business voor terroristen? Ondanks de islamistische boodschap die deze groepen uitdragen, is het de vraag of zij handelen vanuit het (politieke) oogmerk van een terroristische organisatie of juist vanuit het economisch oogmerk van een crimineel netwerk. Het gebied in Noord-Mali, grenzend aan de buurlanden Mauritanië, Algerije en Niger, is traditioneel een kruispunt voor handel- en smokkel- routes voor de hele regio. De commandanten van AQIM en MUJAO staan bekend om hun smokkelactiviteiten. Zo verdiende Mokhtar Belmokhtar zijn bijnaam als sigarettensmokkelaar, terwijl de andere belangrijke AQIM commandant, de onlangs gesneuvelde Abu Zeid, zijn kost verdiende door het smokkelen van thee. Deze bestaande smokkelnetwerken werden begin jaren 2000 steeds meer gebruikt voor illegale goederen, waaronder drugs (vooral cocaïne). Vanaf 2003 zou men ontdekken dat gijzelingsacties eveneens veel inkomsten konden genereren. De kosten gaan voor de baten Voordat wordt gekeken naar de opbrengsten van gijzelingen, is het van belang om vanuit het perspectief van de gijzelnemer het operationele proces te beschou- wen. Het uitvoeren van een succesvolle gijzelingsactie is namelijk veel complexer dan het organiseren van een eenmalige terroristische actie of aanslag, en bovendien staat aan het begin van het traject de uiteindelijke opbrengst niet vast. Na een vaak relatief eenvoudige ontvoeringsfase moeten de gijzelaars voldoende worden gevoed, verzorgd en bewaakt, per definitie voor een onbepaalde periode. Zo bevinden de vier Fransen die in Niger zijn ontvoerd, zich al meer dan duizend dagen in gevangenschap. Voor de gijzelnemer is dit een inspanning op financieel vlak die ook een zware wissel op menskracht en logistiek legt. Hierboven komt de wetenschap dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten het op hen gemunt hebben en dat onderkenning tot een plotselinge en gewelddadige dood kan leiden. Dit Met uitzondering van de gijzelingsactie in het Algerijnse gascomplex Amenas in januari 2013, waarbij 37 westerse werknemers in een mislukte bevrijdingsactie omkwa- men, is het gros van de gijzelaars in de Sahel afgelopen tien jaar vrijgekomen. Dit op helaas enkele executies en mislukte bevrijdingsoperaties na. Al geven staten om begrijpelijke redenen nooit toe dat losgeld is betaald, is dit in de meeste gevallen wel het geval geweest. Ook zijn soms veroordeelde terroristen vrijgelaten in ruil voor een gijzelaar. Gijzelen blijkt dus een lucratieve strategie voor de daders. Maar wie zijn deze daders? Wat zijn hun motieven? En welk beleid kan het fenomeen beperken? Meerdere verantwoordelijke groeperingen Het landschap van terroristische groeperingen in de Sahel is complex en zeer gefragmenteerd. Veel groepen zijn afsplitsingen van elkaar en zij hebben een sterke decentrale organisatiestructuur, voor zover er van een organisatie of een structuur gesproken kan worden. De initiator van de gijzelingen in 2003, de Algerijnse GSPC, heeft zich in 2006 op het vijf-jarig lustrum van 9/11 omgedoopt tot Al-Qaida in de Islamitische Maghreb (AQIM). In 2011 splitste een Afrikaanse groep strijders zich van AQIM af en noemde zich le Mouvement pour l’Unicité et le Jihad en Afrique de l’Ouest (MUJAO). Binnen AQIM kon Mokhtar Belmokhtar, alias Mister Marlboro en verantwoordelijk voor het gijzelingsdrama in Amanas, het niet vinden met het leiderschap en vertrok eind 2012 uit de organisatie, met medeneming van zijn strijders om zelfstandig verder te gaan. Deze drie groeperingen worden voornamelijk verantwoorde- lijk gehouden voor de verschillende gijzelingen in de Sahel. Tot de Franse interventie in januari 2013 (Operatie Serval) hadden zij grote bewegingsvrijheid in Noord- Mali en dit verklaart waarom gijzelaars, ook die uit buurlanden waren onvoerd, daar meestal terecht- kwamen. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201320 Zo’n tien jaar geleden, in het voorjaar van 2003, ontvoerde de Algerijnse terreurgroep Le Groupe Salafiste pour la Predication et le Combat (GSPC) 32 Westerse toeristen bij verschillende acties. Snel hierna werd de helft van de gijzelaars door een Algerijnse militaire operatie bevrijd, terwijl de andere groep later dat jaar in Noord-Mali werd vrijgelaten. Dit bleek de start te zijn van een reeks gijzelingen door terroristische groeperingen waarbij meer dan negentig westerlingen werden ontvoerd. Het betreft zowel toeristen als ex-pats en hun families. Onder hen veel Fransen – er wonen nog steeds veel mensen met de Franse nationaliteit in de voormalige Franse kolonien. Ten tijde van dit schrijven houden terreur- groepen in de Sahel nog zeker acht gijzelaars vast, waaronder de Nederlander Sjaak Rijke, die eind november 2011 in Mali werd ontvoerd.
  • 21. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 21 dwingt de gijzelnemers tot continue alertheid en verplaatsingen, een uitputtend regime voor zowel gijzelnemer als gijzelaar. Kortom, een gijzeling kost tijd en geld en is niet zonder risico. Voordat men de stap neemt om een gijzelings- actie uit te voeren, moet er een verwachting zijn dat het wat oplevert. En eenmaal begonnen, is het in het belang van de ontvoerders om hun gijzelaars in leven te houden om hun investering terug te kunnen verdienen. Een gijzelingsactie kan zeker een element van terro- risme omvatten, met bijvoorbeeld het zaaien van angst onder bepaalde groepen of gemeenschappen, maar de aard van een gijzelingsoperatie leent zich derhalve meer tot een economische dan een ideologische rationale. Grote opbrengsten Afgelopen tien jaar hebben de gijzelingen de verschil- lende terroristische groeperingen financieel veel opgeleverd en dit is de voedingsbodem geweest voor nieuwe gijzelingsacties. Volgens de Amerikaanse voormalige ambassadeur in Mali, Vicki Huddleston, is tussen 2004 en 2011 ongeveer $ 90 miljoen door Europeanen in losgeld betaald. Volgens een andere Amerikaanse bron zou AQIM in 2011 gemiddeld $ 4,5 miljoen per gijzelaar hebben ontvangen. Dit maakt losgeld tot de primaire inkomstenbron van de terroristi- sche groeperingen, waarschijnlijk aanzienlijk groter dan de inkomsten van drugssmokkel. Hier zijn de groepen tenslotte kleine schakels in een lange logistieke keten van de cocaïne-boer in Zuid Amerika tot de verslaafde in Europa. Aangezien tot 2012 intermediairs uit de Malinese overheid de onderhandelingen namens Westerse partijen met de gijzelnemers voerden, is waarschijnlijk een deel van het losgeld bij hen blijven hangen. Dit kan weer verklaren waarom de Malinese overheid jarenlang niet optrad tegen deze groeperingen en hun smokkel- en gijzelingspraktijken. Het vrij krijgen van gevangengenomen terroristen kan eveneens een opbrengst zijn van een gijzeling, maar blijkt in de praktijk zeer ingewikkeld te zijn. West- Afrikaanse landen, waar meestal de veroordeelde terroristen gevangen zijn, staan begrijperlijkerwijze niet te springen om deze vrij te laten in ruil voor de vrijheid van een Europese gijzelaar. Externe diplomatieke druk kan dit realiseren (het geval van Pierre Camatte) maar leidt weer tot regionale spanningen. Kentering in beleid Op internationaal vlak is er geen uniform beleid voor de omgang met gijzelingsacties. Sommige landen, waaronder de VS en het VK, weigeren principieel losgeld te betalen terwijl anderen meer flexibel blijken te zijn in de praktijk. Frankrijk speelt op dit gebied een belang- rijke rol in de Sahel en het Franse beleid is recent gewijzigd. Afgelopen jaren heeft de Franse staat of hebben Franse bedrijven losgeld betaald. Hiernaast zijn overigens ook high-risk militaire bevrijdingsoperaties uitgevoerd. Inmiddels is het na Operatie Serval politiek onmogelijk om de tegenstander op het slagveld te betalen. Deze kentering in beleid heeft mede bijge- dragen aan internationale overeenstemming op de G8 bijeenkomst op 19 juni jongstleden in Enniskillen, waar in een gezamenlijk communique bepleit werd geen losgeld meer te betalen aan terroristen. Dit zou niet alleen hun belangrijkste inkomstenbron moeten afsluiten, maar ook de incentive wegnemen voor nieuwe gijzelingen. Verder is afgesproken dat best practices worden gedeeld en dat hulp zal worden verleend bij gijzelingsincidenten. Toch zal het onder- werp van gijzelingen politieke dilemma’s blijven opleveren, en ook voor de nog vastgehouden gijzelaars geldt dat afgesproken principes de praktijk van het redden van mensenlevens niet gemakkelijker maken. Screenshot website YouTube waarop Sjaak Rijke te zien is. De Nederlander werd in november 2011 ontvoerd in de stad Timboektoe in Mali.
  • 22. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid C.W. Hijzen, promovendus aan de Universiteit Leiden Verwachtingenmanagement avant la lettre komen. In 1975 en 1977, toen Zuid-Molukse jongeren verschillende gijzelingen en bezettingen hadden uitgevoerd, kreeg de Binnenlandse Veiligheidsdienst eveneens het verwijt te hebben ‘gefaald’.1 Het publieke en politieke ongeduld is begrijpelijk, omdat iedere aanslag er één te veel is en het voorkomen van terroristische aanslagen sinds de jaren zeventig tot de kerntaken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is uitgegroeid. Maar dit gaat voorbij aan de complexiteit van de inlichtingenpraktijk in het contraterrorismeveld. De diffuse netwerken van geradicaliseerde moslims, die de belangrijkste bron van de hedendaagse dreiging vormen, zijn zeer fluïde, veranderlijk, nauwelijks georganiseerd, soms kortstondig en kennen een sterk zelfsturend vermogen. Het opbouwen van een duur- zame informatiepositie in deze moeilijk doordringbare milieus, waar andere religieuze en ideologische opvattingen dominant zijn, andere talen en gebruiken normaal zijn, is een ongelooflijk ingewikkelde zaak voor veiligheidsdiensten.2 En een complexe praktijk In de jaren zeventig kwamen die moeilijkheden pijnlijk aan het licht. De BVD zag de gevaren uit terroristische hoek niet aankomen, omdat de dienst geïnstitutionali- seerd was als communismebestrijder. De normen van extremisme en staatsgevaarlijkheid waren eigenlijk niet op terroristen van toepassing, vond de dienst. Als gevolg van die ideologische oriëntatie op het commu- Diffusere dreigingen De AIVD constateert in het laatste jaarverslag dat dreigingen technologiseren, internationaliseren en steeds diffuser worden. In de jaren zeventig, signaleerde de BVD exact dezelfde trends. Van internationalisering was sprake toen het ‘Arabisch terrorisme’ begin jaren zeventig naar Nederland kwam, toen het Japanse Rode Leger in 1974 de Franse ambassadeur en enkele mede- werkers gijzelde en ‘de activiteiten van de Rote Armee Fraktion zich tot ons land uitbreiden’ in 1977. Die dreigingen technologiseerden tegelijkertijd, met name door ‘voortdurende veranderingen van methodieken’ en steeds geavanceerder wordende explosieven, zoals barometrische bommen. De diffusie bleek ten slotte uit het feit dat ‘de contacten toenamen tussen groepen die ideologisch weinig met elkaar gemeen hebben, doch die alleen geweldstoepassing als een gemeenschappe- lijk element hebben’, zo rapporteerde de BVD aan het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hoge verwachtingen Terwijl die dreigingen daardoor moeilijk grijpbaar zijn, zijn politiek en maatschappij hun verwachtingen ten aanzien van het veiligheidsapparaat juist gaan opschroeven. Toen na de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 bleek dat Mohammed B. voor de AIVD geen onbekende was, werd in pers en parlement de vraag gesteld of de geheime dienst de gruwelijke aanslag op Van Goghs leven niet had moeten voor- Over de complexe inlichtingenpraktijk in het contraterrorismeveld Het inwinnen van inlichtingen in het contraterrorismeveld is geweldig complex. Terwijl politiek en maatschappij verwachten dat de geheime diensten in staat zijn aanslagen te voorkomen, communiceerde de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in de jaren zeventig juist dat er allerlei haken en ogen aan de inlichtingenpraktijk zaten. Misschien dat ook de huidige Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) de beperkingen aan het inlichtingenwerk op dit vlak duidelijker moet communiceren. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201322 1 Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, Toezichtsrapport inzake de afwegingsprocessen van de AIVD met betrekking tot Mohammed B., CTIVD nummer 17, 2: Handelingen der Tweede Kamer, zittingsjaar 1976-1977 Kamerstuk 14515 nummer 1, Verslag van de vaste Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten omtrent haar werkzaamheden, 15 mei 1975 – 7 juni 1977. 2 P.H.M. Abels, ‘Inlichtingen- en veiligheidsdiensten en terrorismebestrijding’, in: B.A. de Graaf, J.A. van Reijn en E.R. Muller (eds.), Inlichtingen- en veiligheidsdiensten, Hoofddorp 2010, 205-224, aldaar 210-211.
  • 23. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 23 nisme schoot de modus operandi eveneens tekort. De BVD had zich bekwaamd in het binnendringen met agenten en informanten van hiërarchisch en glashelder gestructureerde organisaties, zoals de Communistische Partij Nederland, maar de Zuid-Molukse jongeren en de Rode Jeugd waren bij lange na niet zo strak georgani- seerd. Waar gevaar in het communistische domein samenhing met lidmaatschap van organisaties, tijdschriften en kranten, daar was het lidmaatschap in terroristische kringen veel minder eenduidig. Zo waren de Zuid-Molukkers in talloze in elkaar overlopende en elkaar bestrijdende actiegroepen georganiseerd, waarvan sommige soms maar enkele maanden bestonden. Als de BVD daar al zicht op kreeg, dan was het erg moeilijk die organisaties binnen te dringen. BVD’ers waren zeer goed opgeleid om een boom op te zetten met een communist, maar met de jongeren in activistische en terroristische kringen was dat veel moeilijker. Niemand is tot het onmogelijke gehouden De dienst deed er in de jaren zeventig veel aan om die praktische handicaps aan de buitenwacht te communi- ceren. Achter de schermen maakte BVD-hoofd Andries Kuipers na de Zuid-Molukse acties van 1975 minister van Binnenlandse Zaken W.F. de Gaaij Fortman bijvoorbeeld deelgenoot van de problematische ‘beheersing van de informatiestroom’. De internationale en binnenlandse inlichtingenpartners brachten tijdens terroristische acties zoveel berichten in omloop dat de BVD geen tijd had ze allemaal te verifiëren. De minister mocht bovendien eens proberen met afluisterapparatuur aan de slag te gaan. Zo ondervond hij aan den lijve hoe slecht de verstaanbaarheid werkelijk was. Verder drukte Kuipers De Gaaij Fortman op het hart dat zijn dienst maar moeilijk tot de gesloten groepjes terroristen wist door te dringen. Met name ten aanzien van de Zuid- Molukkers zou voor een effectieve inlichtingeninwin- ning zo’n groot apparaat vereist zijn dat ‘een politie- staat’ zou ontstaan. Kuipers’ tempering van de verwachtingen ten aanzien van zijn dienst konden rekenen op begrip. PvdA-fractievoorzitter van Thijn concludeerde dat ‘niemand tot het onmogelijke gehouden kon worden’.3 Een diepgravend onderzoek Dit soort verwachtingenmanagement avant la lettre zien we vandaag de dag nauwelijks terug. Onder invloed van een groeiend budget en de uitbreiding van de techni- sche mogelijkheden in het inlichtingen- en veiligheids- werk, zijn de verwachtingen enorm gegroeid. Bij ieder incident, iedere misstap of ieder krantenartikel wordt geroepen om ‘een diepgravend onderzoek’, waarna een minister of diensthoofd publiekelijk het eigen falen moet toegeven. Ten dele heeft de AIVD die enorme verwachtingen aan zichzelf te wijten, omdat de dienst zijn eigen bestaansnoodzakelijkheid meestal relateert aan het voorkomen van aanslagen.4 Het onwenselijke gevolg is echter dat het begrip voor de complexiteit en de dilemma’s die inherent zijn aan de inlichtingenpraktijk bij de buitenwacht is verdwenen. Dat kan op den duur ten koste gaan van het draagvlak voor de dienst. Misschien is het daarom tijd om net als in de jaren zeventig zowel voor als achter de schermen duidelijker te communiceren over de beperkingen aan het inlichtingenwerk ten behoeve van de terrorismebe- strijding. Ook de AIVD zou niet tot het onmogelijke gehouden hoeven zijn. 3 Handelingen Tweede Kamer, 1976-1977-1973, 14 515 nr. 1, Verslag Vaste Commissie Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, 15 mei 1975 – 7 juni 1977; D. Engelen, Frontdienst: de BVD in de Koude Oorlog, Amsterdam 2007, 180-181. 4 Bijvoorbeeld: https://www.aivd.nl/onderwerpen-0/terrorisme/ Foto: AIVD
  • 24. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid dr Michiel de Weger, onderzoeker en consultant Defensie tegen terrorisme dreiging zich op richt, kunnen reguliere militairen of de Nationale Reserve desnoods op grote schaal worden ingezet voor (gewapende) bewakingstaken. Heel creatief is bijvoorbeeld om militairen onder leiding van de douane extra controles te laten uitvoeren, of militairen te gebruiken om politiemensen of marechaussees vrij te maken uit ondersteunende taken, zodat zij dan weer bewakings- of gewone buurtgerichte politiediensten kunnen verlenen (‘back filling’). Ook kan de Koninklijke Marechaussee opdracht worden gegeven een deel van haar normale taakuitvoering te stoppen, om op grote schaal de politie te gaan helpen. Buiten Nederland Minder bekend is wat Defensie precies buiten Nederland doet tegen terrorisme. De afgelopen jaren zijn boeken- kasten vol geschreven over de ‘war on terror’ en hoe onder die noemer westerse krijgsmachten wereldwijd werden ingezet. Veelal in de slipstream van de Amerikaanse krijgsmacht zijn ook Nederlandse militairen actief geweest in landen als Irak en Afghanistan. Of alles wat men daar deed contraterro- risme mag worden genoemd is twijfelachtig.1 Veel kan beter een interventie in een burgeroorlog (Uruzgan) of handhaving van de openbare orde (Irak, Al Muthana) worden genoemd. Dat neemt niet weg dat ook (potentiële) plegers van aanslagen tegen willekeurig gekozen burgers werden gezocht en tegengehouden. Bij dit soort gerichte acties speelden de Nederlandse speciale eenheden, het Korps Commando Troepen (het KCT van de Koninklijke landmacht) en de Maritime Special Operations Forces (MarSOF, van het Korps mariniers) een belangrijke rol. De derde speciale eenheid van de krijgsmacht, de Brigade Speciale Huidige bijdrage Inmiddels steunt de krijgsmacht binnen Nederland het bevoegd gezag op meer manieren tegen terrorisme. Zo beveiligt de Koninklijke Marechaussee de burgerlucht- vaart, met name de ‘’terrorismegevoelige” maatschap- pijen op Schiphol. Ook levert het air marshalls die meevliegen om eventueel aan boord nog kapingspogin- gen te beëindigen. Marechaussees beschermen militaire en andere VIPs, onder andere tegen aanslagen. De speciale eenheden van de krijgsmacht nemen deel in de Dienst Speciale Interventies, inclusief dat individuele militairen in de staf en arrestatieteams werken. Defensie heeft ook enkele militaire en civiele mede- werkers gedetacheerd bij de Nationaal Coördinator voor Terrorismebestrijding en Veiligheid. De Koninklijke luchtmacht heeft permanent 2 F-16’s klaar staan om vliegtuigen te onderscheppen in het kader van de zogeheten Renegade-procedure die in werking treedt als een onbekend vliegtuig ons lucht- ruim schendt. Verder is publiek bekend dat de militaire en de civiele inlichtingen- en opsporingsdiensten informatie delen, onder andere over terrorisme, maar ook tegen bijvoorbeeld de verspreiding van massaver- nietigingswapens en landen die terroristische organi- saties steunen. Afhankelijk van de soort of de omvang van de terroristi- sche dreiging of de aanslag die al heeft plaatsgevonden, kunnen nog andere delen van de krijgsmacht ‘bijstand verlenen’ aan het bevoegd gezag. Na een aanslag kan worden gedacht aan CBRN- of medische hulp. Juist om een aanslag te voorkomen, zeker als veel objecten worden bedreigd – of niet precies bekend is waar de Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201324 De basis voor de rol die de Nederlandse Defensie speelt tegen terrorisme werd niet na ‘9-11’, maar in de vroege jaren zeventig gelegd, als reactie op het gijzelingsdrama tijdens de Olympische Spelen in München in 1972 en verschillende incidenten in Nederland zelf. Tijdens beraadslagingen in de Ministerraad zei de toenmalige minister van Justitie, Dries van Agt, – in mijn woorden – dat de terroristische acties in essentie militair van aard waren en ook om een militaire aanpak vroegen. In die jaren werd het Korps Mariniers opgedragen een tegen gijzelingen en kapingen bedoelde interventie eenheid op te zetten en ging de explosievenopruimingsdienst verdachte pakketjes onderzoeken. Sinds die tijd is er veel veranderd, maar niet dat Defensie een belangrijke rol speelt in contraterrorisme. 1 M. de Weger, Steeds weer speciaal en Altijd ergens anders, Breda: Nederlandse Defensieacademie, 2011.
  • 25. 25Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 Beveiligingsopdrachten van de Koninklijke marechaus- see, beschermt al jaren de Nederlandse ambassades en diplomaten in de gevaarlijkste landen ter wereld, ook tegen terroristische aanslagen. Minder bekend is dat KCT en MarSOF de afgelopen jaren ook trainingen hebben verzorgd van interventie eenheden van andere landen (in termen van de special forces zelf is dit een vorm van military assistance, naast direct action en special reconnaissance een hoofdtaak van militaire speciale eenheden). Zo werd in Uruzgan enkele jaren een speciale politie-eenheid getraind. Bijzonder is ook de jarenlange bijdrage aan het door de Amerikaanse special forces geleide Flintlock trainings- programma in Sahara-landen zoals Mali. Amerikaanse, maar ook Engelse en Franse militaire speciale eenheden voeren in tientallen landen aanvallen tegen terroristen uit, verzamelen inlichtingen over hen, of trainen lokale militaire of politie-eenheden in counterterrorism. De Nederlandse special forces lijken, voor zo ver publiek bekend, in niet zo veel landen te worden ingezet. Technisch doen ze niet onder voor hun grote internatio- nale voorbeelden, maar de politieke wil om hen optimaal te gebruiken lijkt in ons land minder. Zou dat veranderen, dan zouden ze een (veel) grotere rol in contraterrorisme kunnen spelen. Overigens is interes- sant dat inzet in het buitenland binnen een ander politiek, bestuurlijk en juridische systeem plaatsvindt dan inzet in Nederland. Als het echt contraterrorisme betreft zou wat mij betreft de inzet niet wezenlijk anders moeten worden behandeld, dus ook in het buitenland moeten vallen onder de eindverantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie, gecoördineerd door de Nationaal Coördinator voor Terrorisme- bestrijding en Veiligheid, geleid door de Dienst Speciale Interventies en uitgevoerd binnen de Politiewet en gerelateerde regelgeving. Crossing to the dark side Er is nog een wat paradoxale manier waarop Defensie bijdraagt tegen terrorisme. Uit onderzoek blijkt dat wereldwijd een aanzienlijk deel van de known terrorists een militaire achtergrond heeft. Zoals minister Van Agt al suggereerde: terroristische aanslagen zijn vaak vergelijkbaar met kleinschalig militair optreden. Zo’n 10-15% van alle terroristen is actief dienend of voor- malig militair. Binnen deze groep zijn leden van speciale eenheden en (onder)officieren oververtegenwoordigd. Binnen terroristische organisaties nemen de (ex-) militairen vaak belangrijke functies in, zoals het geven van trainingen of het leiden van groepen. Sommige terroristen blijken in een krijgsmacht sniper, arts, explosieven of CBRN-specialist te zijn geweest, dan wel bij een inlichtingendienst te hebben gewerkt.2 Uiteraard zijn militaire inlichtingendiensten, ook de Nederlandse, zich bewust van het risico dat militairen oversteken naar the dark side of the force (in Star 2 H. Sollie en M. de Weger, Crossing to the dark side: een verkenning naar extremisme en terrorisme vanuit krijgsmacht en politie, Breda: Nederlandse Defensieacademie, 2010. Drone Scan Eagle, sinds eind juni 2013 in gebruik bij Defensie Foto: Ministerie van Defensie
  • 26. Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid gewelddaden door oud-militairen met al dan niet tijdens missies opgelopen trauma’s te onderkennen en tegen te gaan. Binnen de organisaties worden collega’s en leidinggevenden geacht de inlichtingendienst in te schakelen als zij denken dat een militair radicaliseert. Ook op dit terrein wordt uiteraard met civiele en buitenlandse inlichtingendiensten samengewerkt. De toekomst Van Agt heeft ongetwijfeld in de jaren 1970 niet kunnen voorspellen hoe Defensie anno 2013 bij zou dragen tegen terrorisme. Waarschijnlijk is dat een militaire bijdrage ook de komende decennia wel nodig zal zijn, maar precies met welke capaciteiten dat zal gebeuren valt niet te voorspellen. Teveel is afhankelijk van de ontwikkelijking van de terroristische dreiging zelf. Een paar trends lijken echter wel in ieder geval voor de middellange termijn (tot 5 - 10 jaar) relevant. Zo lijkt de invloed van terroristische (jihadistische) groeperingen in het noorden van Afrika, het Midden- Oosten en Centraal-Azië toe te nemen. Voor militaire speciale eenheden en de militaire inlichtingendienst ligt hier dus mogelijk meer werk. Mogelijk leidt de groei van het aantal potentiële terroristen in Nederland door de terugkeer van grote aantallen Nederlanders die in de conflicten in die delen van de wereld hebben gevochten op een toenemend beroep op Defensie voor uitbreiding van observatie- en interventiecapaciteit. Ten tweede, de toenemende beschikbaarheid en gebruik van zwaar- dere, vaak militaire wapens, explosieven en ook chemische, biologische en radiologische stoffen, maakt dat militaire kennis of inzet nodig is, omdat civiele organisaties hier geen of slechts beperkt middelen tegen kunnen inzetten. Dat terroristen uiteindelijk ook komen te beschikken over nog nieuwere technologieën, zoals nano-tech en bio-engineering, lijkt onvermijde- lijk, maar wanneer dit zal gebeuren en wat dit voor de bijdrage van Defensie tegen terrorisme zal betekenen is veel minder duidelijk. Militaire bijstand tegen terroristi- sche cyberaanvallen of inzet van luchtobservatie met militaire drones zou kunnen toenemen. Van een heel andere aard is de trend van toenemende centralisatie van politiecapaciteit, door de vorming van de Nationale Politie. Mits de komende jaren succesvol, zal de druk toenemen om ook de Koninklijke Marechaussee in de Nationale Politie op te nemen, misschien gelijk ook om de politie als enige interventie eenheden te laten hebben. Voor beide wordt al decennia gepleit, maar een succesvolle Nationale Politie, die vertrouwd wordt door en direct contact heeft op regeringsniveau, kan deze discussie definitief beslechten. Niet dat dat veel zou uitmaken voor de bestrijding van terrorisme, maar wel voor de omvang van de bijdrage van Defensie daaraan. Wars-termen: Darth Vader was oorspronkelijk een jedi knight, een soort commando die vocht aan de goede kant). Om dit te voorkomen wordt geprobeerd om in keuringen zoveel mogelijk personen met extremistische ideeën te onderkennen en buiten de organisatie te houden. Ook wordt geprobeerd risico’s van individuele Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201326
  • 27. Rosa Dinnissen, Research afdeling Instituut Clingendael1 comebackDe onzekere wereld van de staat in een hybride, Net als in de voorgaande editie staan dit jaar wederom de mate van samenwerking en conflict in het inter- nationale systeem en de aanwezigheid en invloed van statelijke en niet-statelijke actoren centraal. De eerste kernvraag van de Monitor is onveranderd gebleven: Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen geweest in 2012 met betrekking tot de internationale veiligheid en stabiliteit en wat zijn op basis daarvan de verwachtingen voor de komende vijf a tien jaar? In aanvulling op de eerste kernvraag is er een tweede vraag geformuleerd, die een vergelijking maakt met de geschetste trends uit de Monitor 2012: Vragen de bevindingen van de Monitor 2013 om een bijstelling van de verwachtingen (waarschijnlijkheden en onzekerheden) zoals deze geformuleerd zijn in de Verkenningen en de Monitor 2012, in het bijzonder afgezet op het assenkruis? Gebaseerd op het stramien van de Verkenningen en de Monitor 2012 is dit jaar wederom een onderscheid gemaakt tussen verschillende actoren2 en drijvende krachten3 , waarbij de belangrijkste gebeurtenissen en trends van het afgelopen jaar in kaart zijn gebracht en geanalyseerd. Op basis van deze analyse is er per actor en drijvende kracht een overzicht gegenereerd van de verwachtingen voor de komende vijf à tien jaar (de waarschijnlijkheden en onzekerheden), de strategische schokken, winnaars en verliezers en tenslotte de gevolgen van deze ontwikkelingen voor de Nederlandse en mondiale veiligheid en stabiliteit.4 In navolging van het interdepartementale project van ‘Verkenningen: houvast voor de krijgsmacht van de toekomst’ uit 2010, komt Instituut Clingendael dit jaar met een vervolg op de pilot van vorig jaar: de Clingendael Strategische Monitor 2013. Toekomstige gebeurtenissen, uitkomsten en trends kunnen onmogelijk worden voorspelt. Wel kan er iets worden gezegd over de mate van waarschijnlijkheid van bepaalde uitkomsten. In de Monitor duidt Instituut Clingendael de belangrijkste ontwikkelingen uit één jaar en voorziet beleidsmakers daarmee van de nodige input voor toekomstig beleid. Zo wordt de Monitor geraadpleegd bij het opstellen van nota’s van de mini- steries van Buitenlandse Zaken, Defensie en ook Veilig- heid en Justitie. Dankzij de analyses en scenario’s van de Monitor, kunnen beleidsmakers anticiperen op toekom- stige ontwikkelingen en hun beleid zo effectief mogelijk proberen in te passen in een diffuse, onzekere wereld. De staatsgreep in Mali, de leiderschapswisselingen in China en Rusland, oplopende spanningen over eilanden in de Zuid- en Oost-Chinese Zeeën, de verdere implosie van het Syrië regime, stijgende (jeugd)werkloosheid in Europa en meer recent de aanslag in Boston en het opnieuw oplaaiende geweld in Egypte. Na het verschijnen van de eerste editie van de Clingendael Strategische Monitor is er veel gebeurd. 1 Samen met Jan Rood is de auteur verantwoordelijk voor de eindredactie van de Clingendael Strategische Monitor 2013. Verder houdt zij zich bezig met de Nationale Risicobeoordeling (NRB), de Nuclear Security Summit (NSS), klimaatverandering en voedselveiligheid. Dank gaat uit naar Kees Homan, Senior Research Associate bij Instituut Clingendael, voor zijn constructieve commentaar op eerdere versies van dit artikel. 2 Actoren: Grootmachten, Internationale en Regionale Organisaties, Niet-statelijke Actoren en Individuen, Risicolanden en Fragiele Staten. 3 Drijvende krachten: Mondialisering, Economie, Technologie en Wetenschap, Proliferatie Massavernietigingswapens, Polarisatie en Radicalisering, Natuurlijke Hulpbronnen en Klimaatverandering. 4 Wat betreft het stramien zijn er een aantal verschillen met de Monitor 2012. In de Monitor 2013 worden de implicaties voor de krijgsmacht niet meer separaat besproken. Hiertoe is eerder dit jaar ‘Clingendaels visie op de krijgsmacht van de toekomst’ gepubliceerd. Ook wordt er niet meer specifiek ingegaan op het Conflictspectrum en de Nederlandse samenleving en de Caribische delen van ons Koninkrijk. Deze onderdelen worden dit jaar per hoofdstuk besproken. Ten slotte is dit jaar ook Japan opgenomen in het hoofdstuk Grootmachten. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 27
  • 28. De ontwikkelingen en trends zijn voor alle actoren en drijvende krachten wederom geaggregeerd tot één algemene verschuiving van het internationale systeem op het assenkruis uit de Verkenningen (zie figuur 1). Bij het schetsen van scenario’s voor de komende vijf à tien jaar, zal er in een jaar tijd dan ook niet veel veranderd zijn. Men moet bij het lezen van het rapport in ogen- schouw nemen dat de Monitor 2013 slechts één jaar na de pilotversie verschijnt. Wanneer trends voor de komende vijf à tien jaar worden onderzocht, zullen de veranderingen in één jaar niet erg groot zijn. De Monitor 2012 concludeerde dat de druk op mondiale ‘openbare ruimtes’, onverminderd is. Hetzelfde gold voor de onzekerheid over de zogenaamde ‘Gordel van Instabiliteit’ in met name het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MONA regio), in risicolanden en fragiele staten. Verder werden kennis en technologie gemakke- lijker beschikbaar voor niet-statelijke actoren, die nieuwe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Ook kwam de sociale cohesie van Europese samenlevingen verder onder druk te staan door de economische crisis. Tussen grote mogendheden verliep de samenwerking stroever – waardoor de ‘global governance’ werd aangetast – een ontwikkeling waar vooral opkomende landen van leken te profiteren. In vergelijking met de Monitor 2012 is er op veel punten sprake van continuïteit. Het internationale systeem verschuift binnen het assenkruis richting het multi- polaire kwadrant, maar bevindt zich nog steeds in het multilaterale kwadrant; de westerse dominantie neemt nog steeds af en de invloed van opkomende mogend- heden zet verder door. Naast continuïteit, is er ook sprake van verandering. De ontwikkeling van machtsverhoudingen is in een stroomversnelling geraakt, waarbij het patroon van de verschuiving de BRICS landen overstijgt. Ook de zogenaamde MIST landen5 breiden hun invloed in het internationale systeem uit. De spanningen tussen China en de VS zijn het afgelopen jaar opgelopen. Hierdoor kan de kans op conflicten rond deze ‘polen’ en het belang dat er wordt gehecht aan de Zuid- en Oost-Chinese Zeeën, toenemen. De economische crisis, klimaatonderhandelingen, ontwikkelingen in Afghanistan en de afnemende bewegingsvrijheid en terughoudendheid van inter- nationale organisaties laten zien dat het multilaterale bestel en het internationale leiderschap van bijvoor- beeld de VN of de G20, verder onder druk staan en dat het ‘Westerse waardensysteem’ verder wordt uitge- daagd. Hierdoor wordt er een trend zichtbaar in de richting van ad-hoc coalities, clusters en informele Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201328 5 MIST landen: Mexico, Indonesië, Zuid-Korea en Turkije. Figuur 1
  • 29. verbanden, met een grotere rol voor regionale verban- den. De rol die de Economic Community of West African States (ECOWAS) het afgelopen jaar in Mali speelde is hier een voorbeeld van. Als gevolg hiervan vormen de integratie van opkomende landen in het internationale systeem en de vraagstukken over power en burden sharing die daarbij centraal staan, een grote uitdaging. De rol van niet-statelijke actoren blijft groot. Hierdoor nemen hybride bedreigingen van terrorisme, corruptie en georganiseerde criminaliteit toe. Internationaal nieuwe ‘hot spots’ van terrorisme, transnationale criminaliteit en radicalisering in onder andere Syrië en Mali, vragen om bijzondere oplettendheid. Burgerbewegingen nieuwe stijl worden invloedrijker, mede dankzij de opmars van sociale media en de makkelijke beschikbaarheid van kennis en technologie. De verhouding tussen statelijke en niet-statelijke actoren is daarmee diffuus en hybride, waardoor onzekerheid toeneemt. Tenslotte is er sprake van een ‘representativiteitscrisis’ in het Westen en staten die hun best doen om hun dominante positie en legitimi- teit te waarborgen of terug te winnen. Tenslotte lijken binnen het mondiale dreigingsbeeld de grote onzekerheid over de uitkomst van de Arabische Lente, de burgeroorlog in Syrië en de toekomst van Iran, Pakistan en Afghanistan te zorgen voor een toenemende fragiliteit van de ‘Gordel van Instabiliteit’ in Sub-Sahara Afrika en delen van Azië. Oplopende spanningen in Azië, de representativiteits- crisis van de EU – met een toenemend gevaar van radicalisering – en het onder druk komen te staan van ‘openbare ruimtes’, zorgen ervoor dat de onzekerheid en het risico van onveiligheid in 2012 groter zijn geworden. Confrontaties tussen grote mogendheden in Zuidoost Azië, en tussen China en de VS of Japan in het bijzonder, zijn toegenomen. De instabiliteit in de periferie van Europa, met name in delen van Sub-Sahara en Noord-Afrika, het Midden-Oosten, Afghanistan en Pakistan, brengen het risico van ‘spillover’ effecten met zich mee. Hierdoor wordt Europa kwetsbaarder en vatbaarder voor spanningen en conflict. Omdat hybride dreigingen onverminderd groot zijn en de mondiale ‘openbare ruimtes’ door een sluipende dreiging worden aangetast, wordt ‘global governance’ verder op de proef gesteld. Een grootschalige conventionele, nucleaire militaire dreiging op Nederlands grondgebied blijft onwaar- schijnlijk. Wel bestaat het risico van ‘nieuwe’ dreigingen zoals terrorisme, instabiliteit in de periferie van Europa, met een toenemende kans op radicalisering, maat- schappelijke ontwrichting, digitale aanvallen en de (internationale) impact daarvan. Het afgelopen jaar heeft laten zien dat de trends zoals deze zijn geschetst in de Monitor 2012, doorzetten en dat de kwetsbaarheid voor internationale (economi- sche) ontwikkelingen, zoals de economische crisis, onverminderd groot blijft. Ook voor Nederland kan dit op termijn ingrijpende gevolgen hebben. In het licht van bezuinigingen en een aanhoudende economische crisis komen de klassieke ankers van het buitenland beleid onder druk te staan. Hierdoor zal de samenwer- king met Europese partners (EU) op het gebied van veiligheid belangrijker worden, om zo de mondiale agenda te kunnen blijven beïnvloeden. Om haar huidige positie in het internationale systeem te behouden zal Nederland over de EU grenzen heen moeten kijken. Door de dreiging van ‘spillover’ effecten van instabiliteit uit de periferie van Europa te beperken, zal het belang van partners buiten het OESO-gebied toenemen. Nederland zal hiertoe vaker in ad-hoc samenwerkingsverbanden en clusters moeten deelne- men, om zo niet alleen de stabiliteit in het buitenland, maar ook de veiligheid dichter bij huis te waarborgen. Demonstraties op Tahrirplein in Egypte Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 29
  • 30. Joep Wijnands, directeur Veiligheidsbeleid, ministerie van Buitenlandse Zaken veilig Nederland Veilige wereld, (sociale) media zijn we mondiaal steeds nauwer met elkaar verbonden. Dat is een groot goed. Tegelijkertijd vormen cyberaanvallen een van de grootste veiligheids- dreigingen van deze tijd. Moderne dreigingen laten zich weinig gelegen liggen aan grenzen of dijken. Interne en externe veiligheid zijn steeds minder goed van elkaar te scheiden. Met zijn open economie en internationale oriëntatie is Nederland immers sterk afhankelijk van het buitenland. Terrorisme en piraterij vormen een veiligheidsprobleem èn een economisch probleem. Nederlandse deelname aan missies in conflictgebieden dient niet alleen ter bestrijding van bijvoorbeeld terrorisme, maar ook voor het veilig stellen van onze handelsroutes en de toegang tot cruciale grondstoffen die nodig zijn voor onze industrie van nu en morgen. Strategische belangen en accenten De Internationale Veiligheidsstrategie (IVS) onder- scheidt drie strategische belangen op buitenlands veiligheidsgebied: • verdediging van het eigen en bondgenootschappe- lijke grondgebied; • een goed functionerende internationale rechtsorde; en • economische veiligheid. Om deze belangen veilig te stellen, worden de volgende accenten gezet in het buitenlands- en veiligheidsbeleid: • Meer Europese verantwoordelijkheid: door het afnemende relatieve gewicht van individuele Europese landen is een verdieping van de samenwerking met Europese partners nodig. Ook om relevant te blijven voor de VS en de rest van de wereld. Een sterke EU die ook meer verantwoordelijkheid neemt op het terrein van veilig- heid en defensie is van belang voor een stabiel inter- nationaal stelsel en een sterke NAVO. Dit betekent ook meer defensiesamenwerking met andere Euro- pese landen om ons militaire handelingsvermogen te vergroten en voldoende slagkracht te behouden. Veranderende omgeving De wereld om ons heen verandert in snel tempo. Zowel in economisch als in geopolitiek opzicht. Machtsverhoudingen verschuiven, nieuwe grootmach- ten winnen aan invloed. In deze veranderende wereld, neemt de relatieve invloed van Europa af. Terwijl de economie in Europa stagneert, laten Azië, Latijns- Amerika en Afrika indrukwekkende groeicijfers zien. De defensie-uitgaven in Europa vertonen een dalende tendens, in andere delen van de wereld stijgen deze juist. Snelle verandering en economische ontwikkeling heeft een keerzijde: instabiliteit. Toenemende onrust in de ons omringende regio’s heeft, zowel direct als indirect, invloed op onze eigen veiligheid. Dat de wereld complexer en onvoorspelbaarder is geworden levert kansen op, maar ook dreigingen. De snelle economische groei elders biedt kansen voor onze export maar heeft ook gevolgen voor de wereldwijde voedsel-, grondstoffen– en energievoorziening. Ook technologische ontwikkelingen brengen nieuwe vraagstukken met zich mee. Denk aan de discussie over schaliegaswinning en over drones. Door internet en Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201330 Sinds 21 juni jl. is er een kabinetsbrede visie op internationale veiligheid – de Internationale Veiligheidsstrategie: “Veilige wereld, veilig Nederland”. Een dergelijke strategie is volgens het kabinet nodig omdat vandaag de dag vrede en veiligheid geen vanzelf- sprekendheid zijn. In deze internationale veiligheidsstrategie worden beleidsaccenten geformuleerd voor deze kabinetsperiode op basis van een analyse van de belangrijkste ontwikkelingen in onze internationale veiligheidsomgeving. Wat betekenen deze ontwikkelingen voor onze strategische veiligheidsbelangen? Welke kansen en bedreigingen brengen de veranderingen met zich mee voor ons land? Wat betekent dit alles voor ons buitenlands- en veiligheidsbeleid? Waar de bestaande Strategie Nationale Veiligheid (2010) ingaat op binnenlandse maatregelen om de Nederlandse veiligheidsbelangen te behartigen, richt deze strategie zich op datgene dat Nederland ín en mét het buitenland onderneemt om zijn belangen veilig te stellen.
  • 31. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 31 • Meer focus op instabiele regio’s nabij Europa: wat er gebeurt aan de randen van de Europese Unie heeft directe gevolgen voor onze eigen veiligheid en economische belangen. Zoals Timmermans schreef: als het huis van de buren in brand staat, is het verstandig te helpen met blussen. Instabiliteit en radicalisering in het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn aanleiding tot zorg. Op de korte termijn hebben deze strijdgebie- den aantrekkingskracht op bepaalde groepen Europese (ook Nederlandse) jongeren. Op de langere termijn is de vraag wat deze ontwikkelingen betekenen voor de stabiliteit in Europa zelf. Europa zal meer verantwoordelijkheid moeten nemen en meer moeten investeren in stabiliteit in de eigen omgeving. • Preventie: dat voorkomen beter is dan genezen, en vaak aanzienlijk goedkoper, geldt ook voor veiligheid. Dit ligt voor de hand bij onderwerpen als wapenbe- heersing en terrorismebestrijding, maar is ook essentieel bij crisismanagement en conflictpreventie. Klimaatverandering, schommelende voedselprijzen uitputting van natuurlijke hulpbronnen, waaronder waterschaarste zijn in toenemende mate de oorzaak van (gewapende) conflicten. Deze bronnen van conflict moeten in een zo vroeg mogelijk stadium worden aangepakt. • Ontwapening en wapenbeheersing: proliferatie van massavernietigingswapens en rakettechnologie geeft steeds meer reden tot zorg. Een nog actievere inzet van Nederland is daarom nodig voor de versterking van het internationaal juridisch kader gericht op non-proliferatie en ontwapening. Het uiteindelijke doel is het geheel uitbannen van massavernietigings- wapens, inclusief nucleaire wapens. Wederzijdse ontwapening blijft daarbij het uitgangspunt. • Geïntegreerde benadering: aan crises liggen vaak vele oorzaken ten grondslag. Duurzame veiligheid ontstaat dan ook niet door aan één knop te draaien. Het in goed overleg tussen de verantwoordelijke bewindslieden geïntegreerd inzetten van het beschikbare instrumentarium – diplomatie, ont- wikkelingssamenwerking, defensie, inlichtingen- en veiligheidsdiensten, politie, justitie en handel – biedt de beste kansen op blijvende resultaten. Dit inzicht krijgt – mede dankzij Nederlandse inzet – steeds meer weerklank bij andere landen en organisaties. • Samenwerking met de private sector: economische veiligheid is een integraal onderdeel van ons veiligheidsbeleid. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft ogen, oren èn belangen over de hele wereld. Afspraken die wij maken met het bedrijfsleven vergroten onze nationale veiligheid en de veiligheid van de vitale sectoren zelf. Zo is de kennis en techniek van bedrijven nodig om een veilige digitale wereld dichterbij te brengen. Cyber security is een zaak van overheid èn bedrijfsleven. Datzelfde geldt voor energievoorzieningszekerheid en bescherming van koopvaardijschepen. Naast deze accenten blijft er uiteraard een aantal constanten in ons beleid. De trans-Atlantische samen- werking en de NAVO blijven cruciaal voor de brede veiligheid van Nederland. Nederland blijft inzetten op multilaterale samenwerking in verschillende verbanden en organisaties. Een succesvol veiligheidsbeleid heeft alleen kans van slagen als we samenwerken: met andere landen, internationale en maatschappelijke organi- saties en het bedrijfsleven. ‘Bruggen slaan’ is ook in het buitenlandbeleid het devies. Van oudsher is de positie van Nederland – door zijn geo- grafische ligging – als zeevarende natie en handelsland onlosmakelijk verbonden met het buitenland en maken we ons sterk voor een goed functionerende internatio- nale rechtsorde en internationale stabiliteit. Een actieve inzet voor wereldwijde stabiliteit en internationale solidariteit is tevens een welbegrepen eigenbelang. Want onze veiligheid begint en eindigt niet bij onze landsgrenzen of bij de buitengrenzen van de Europese Unie. Vrede en veiligheid zijn geen vanzelfsprekendheid. Het vergt een continue investering om een veilige wereld en daarmee een veilig Nederland zeker te stellen.
  • 32. Chris van Duuren, Nationaal Crisiscentrum Marieke Timmermans, Permanente Vertegenwoordiging bij de EU Eva Barneveld, Nationaal Crisiscentrum Nieuwe afsprakenvoor crisiscoördinatie op Europees niveau De CCA in de praktijk De aanslagen in Mumbai in 2008, de uitbarsting van de IJslandse vulkaan in 2009 en de aardbevingen in Haïti in 2010 toonden stuk voor stuk aan, dat er grens- en sector overschrijdende rampen kunnen ontstaan, die een gecoördineerde aanpak op EU-niveau vergen. Deze ‘rampen’ lieten echter ook zien dat de bestaande CCA niet voldeden: zij werden geen enkele keer volledig geactiveerd. Via de CCA-website werd informatie gedeeld tussen lidstaten en instellingen over de nationale aanpak en situatierapporten. De lidstaten hadden een grote behoefte aan informatie over bijvoorbeeld consulaire bijstand (Mumbai), elkaars aanpak van schaarste (geen vliegverkeer door vulkaan- uitbarsting) en nationale bijstandsteams en hulpgoede- ren (Haïti), maar de webpagina bleek onvoldoende gebruikersvriendelijk om aan de behoeften te voldoen. Dat kwam doordat de pagina niet regulier gebruikt werd. De CCA waren opgesteld om een gepaste respons op elke crisissituatie te kunnen formuleren, maar tegelijkertijd bedoeld voor uitzonderlijke situaties die zich niet dagelijks voordoen. Hierdoor kregen zij niet genoeg bekendheid en werden zij niet vaak genoeg gebruikt om echt goed te werken. Intern onderzoek in 2010 onder de voorzitterschappen tussen 2006 en 2009 wees uit dat de activering van het instrument niet laagdrempelig genoeg was. Men bleek huiverig om de CCA te gebruiken, omdat dat een te heftig signaal naar de samenleving zou afgeven over de reikwijdte van de ramp, in de wandelgangen ook wel het ‘Armageddoneffect’ genoemd. Daarnaast bracht het Verdrag van Lissabon de oprich- ting van een nieuwe EU-instelling met zich mee: de Europese Dienst voor Externe en Diplomatieke Betrek- kingen (EDEO), met aan het hoofd de Hoge Vertegen- woordiger voor Buitenland- en Veiligheidsbeleid, Catherine Ashton. Deze nieuwe organisatie moest worden ingebed in de CCA, vanwege haar bevoegd- heden op het terrein van externe betrekkingen en veiligheid. Het Verdrag bracht nog een novum met zich mee: de solidariteitsclausule (artikel 222). Volgens dit artikel zijn lidstaten verplicht elkaar bij te staan wanneer één van hen getroffen wordt door een door de De afspraken ‘oude stijl’ In 2006 werden door de EU-lidstaten (LS) de zogenaam- de Crisis Coördinatie Arrangementen (CCA) opgesteld. Dit zijn werkafspraken tussen de EU-instellingen en de lidstaten over hun samenwerking bij een grens- en/of sector overstijgende ramp binnen of buiten de EU. De CCA werden door de EU opgesteld naar aanleiding van de aanslagen in New York in 2001, Madrid in 2004 en Londen in 2005 en de tsunami in de Grote en Indische Oceaan in 2004. De primaire drijfveer was het internationale terrorisme, dat steeds meer de kop opstak in Europese landen. De Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de lidstaten spraken af dat het (roulerend) voorzitterschap van de EU voortaan de CCA als coördinatie instrument tot zijn beschikking zou hebben, ondersteund door de crisisstructuren van de Europese instellingen. Het doel van de CCA was de EU en haar lidstaten te voorzien van een gecoördineerde strategische en politieke respons op crisissituaties. Dat kan gaan om coördinatie op het gebied van communicatie naar de EU-inwoners, politieke besluitvorming of het simpel- weg informeren van elkaar over de nationale analyse en aanpak. De besluitvormingsprocessen in Brussel lopen via de Permanente Vertegenwoordigingen, die daarmee een cruciale spilfunctie vervullen tussen de lidstaten en EU-instellingen als het gaat om onderhandelingen, woordvoering en informatiedeling. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201332 Eind juni hebben de EU-lidstaten hun afspraken over EU-brede crisiscoördinatie op politiek niveau vernieuwd. De nieuwe afspraken moeten het makkelijker maken om op Europees niveau beslissingen te nemen bij rampen binnen of buiten de EU die om een respons op dat niveau vragen.
  • 33. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 33 natuur of door de mens veroorzaakte ramp, een terroristische dreiging of aanslag en via de clausule om bijstand verzoekt. Deze clausule moet worden gezien als laatste redmiddel, als alle andere opties zijn uitgeput. De CCA werden daarbij gezien als een geschikt instru- ment om bij activering hiervan het handelen van de EU te coördineren. Om deze redenen werd in 2010 onder het Belgische voorzitterschap besloten de CCA grondig te herzien, met als doel de afspraken flexibeler en laagdrempeliger te maken. Vernieuwing van de CCA: de IPCR Op 26 juni van dit jaar nam de EU – na een herziening die ruim drie jaar in beslag heeft genomen – de nieuwe arrangementen aan. Met de nieuwe naam, Integrated Political Crisis Response arrangements (IPCR), moet het verleden waarin de CCA bij de lidstaten onbekend en onbemind waren, worden afgesloten en met een schone lei worden begonnen. De nieuwe afspraken moeten het makkelijker maken om op Europees niveau beslissingen te nemen bij grote rampen die om een respons op dat niveau vragen. De nieuwe arrangementen zijn vooral bedoeld voor de politieke coördinatie. Hiervoor moet alle voorhanden informatie aan de beleidsmakers worden aangeboden. Deze informatie moet vanuit de nationale crisiscentra en de EU-instellingen en agentschappen via een geïntegreerd informatieplatform binnen de Commissie en EDEO uitkomen bij het politieke niveau dat de beslissingen neemt. Omdat deze informatiestromen snel op gang moeten komen is, in tegenstelling tot in de oude arrangementen, gekozen te werken met de bestaande vergaderstructuren. Hierdoor hoeft niet elke keer opnieuw een apart ‘vergadercircus’ te worden opgetuigd. Dit moet ervoor zorgen dat het laagdrempe- liger wordt voor een voorzitterschap om de IPCR te activeren. Werkwijze van de IPCR Het voorzitterschap heeft een leidende rol in de IPCR. De Commissie, EDEO en het Raadssecretariaat onder- steunen het voorzitterschap in zijn rol. De basis van de IPCR is dagelijkse monitoring door en informatie- uitwisseling tussen instellingen en lidstaten, met in het bijzonder de lidstaten die rond een bepaalde crisis actief hun zorgen uiten. Het voorzitterschap beslist of zij tot activering over- gaat en hoort betrokken partijen daarover. De vervolgstap is het bijeenroepen van informele ‘round table’-vergaderingen in Brussel met de Permanente Vertegenwoordigers. Bij deze ronde tafel vergaderingen worden adviezen geformuleerd voor de COREPER (Comité van Permanente Vertegenwoordigers) of de Raad van Ministers. De samenstelling van de Raad is afhankelijk van de geraakte sectoren en de verwachte maatschappelijke en politieke impact daarvan. Het voorzitterschap kan ter voorbereiding hierop ook de voor het onderwerp van de crisis relevante Raadswerk- groepen bijeenroepen zoals de groep voor crisisbeheer- sing (PROCIV) of hogere comités zoals het Politiek en Veiligheidscomité (PSC) en het comité voor interne Veiligheid (COSI). Toekomst Het komend half jaar worden de standaard procedures uitgewerkt en gaan de lidstaten en instellingen het beleid vormgeven en uitvoeren op het gebied van opleiden, trainen en oefenen en crisiscommunicatie in IPCR-verband. Daarnaast is het van groot belang dat de sleutelfunctionarissen op het gebied van crisisbeheer- sing in de lidstaten en de Europese instellingen de nieuwe IPCR afspraken leren kennen en er mee leren werken.
  • 34. prof.dr.ir. Marjolein van Asselt, hoogleraar risk governance, Universiteit Maastricht & lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dr. Esther Versluis, universitair hoofddocent European regulatory governance universitair hoofddocent European regulatory governance Agrobiotechnologie en de politiek van risico-regulering gewassen zijn zodanig genetisch veranderd dat ze resistent zijn tegen bepaalde insecten of juist tolerant voor een bepaald landbouwgif, waardoor het gif wel het onkruid en niet de plant doodt. De insteek is dat de opbrengst per hectare zo verbeterd kan worden. In Europa is het gebruik van GMO’s in de landbouw, in diervoeding en in voedselproductie omstreden. Er worden nog altijd met enige regelmaat velden vernield, regio’s of individuele boerderijen noemen zichzelf GM-free en er zijn demonstraties tegen producenten van GMO’s, ook in Nederland, zoals afgelopen mei tegen Monsanto. Niet alleen de aard van de besluit- vorming (het afwegen van goede en kwade kansen), maar ook de maatschappelijke dynamiek maakt het thema tot een politieke kwestie. Tegen die achtergrond hebben we onderzocht hoe de diverse lidstaten op het Europese toneel hebben gestemd. Politiek tekort Het is opvallend, zo niet onthutsend, dat in geen van die 18 stemmingen er een gekwalificeerde meerderheid voor of tegen was. De stemmen staakten. Met andere woorden, de ‘politici’ slaagden er niet in om een besluit te nemen. Wat gebeurt er dan? Wordt er opnieuw gestemd net zo lang tot dat er een meerderheid is? Nee. In de Europese Unie is het anders geregeld: in dat geval krijgt de Commissie het laatste woord. Op deze manier auto- riseerde de Commissie alle geanalyseerde GMO’s: de genetisch gemodificeerde mais- en koolzaadsoorten werden toegelaten op de Europese, en daarmee ook op de Nederlandse, markt. De politieke dimensie van risicoregulering In de wetenschappelijke literatuur is weinig aandacht voor de politiek rondom risico-regulering en agrobio- technologie. Daarom hebben wij (Navah e.a., 2013) 18 stemrondes in de SCFAH en de Council of Ministers geanalyseerd. Vanwege data-beschikbaarheid hebben we de periode 2003-2005 beschouwd. De besluiten betroffen tien soorten genetisch gemodificeerde mais bestemd voor de productie van voedsel en diervoeding en één soort genetisch gemodificeerd koolzaad, geproduceerd door Syngenta (CH), Monsanto (US) of Pioneers/Dow AgroSciences (US). Dat is ongeveer 20% van alle op de Europese markt toegelaten GMOs. De In EU-verband wordt besloten of genetisch gemodificeerde zaden, landbouwproducten of voedselproducten waarin GMO’s (genetically modified organisms) zijn verwerkt, worden toegelaten op de Nederlandse markt. De goede en kwade kansen moeten worden afgewogen (zie WRR, 2011). Dat is een politieke afweging, die thuishoort in een politiek gremium. Zo is het ook geregeld. Er zijn twee politieke organen waarin afgevaardigde landen-vertegenwoordigers stemmen over agrobiotechnologische producten: de Standing Committee on Food Chain and Animal Health (SCFCAH) en de ‘ministerraad’ (Council of Ministers). Er is veel discussie over het democratische gehalte van dergelijke organen, maar het zijn wel politieke instituten. Wat weten we over de politiek van risico-regulering? Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201334
  • 35. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 35 De Commissie is echter geen politiek orgaan, maar een ambtelijk en technocratisch instituut. Er wordt vaak gesproken over het ‘democratische tekort’ van de Europese Unie, maar als het gaat om besluitvorming over agrobiotechnologie dan is er nog een fundamen- teler probleem. Er is een politiek tekort. Daarmee bedoelen we dat besluiten die naar hun aard en maat- schappelijke lading politiek zijn niet in de politieke gremia worden genomen. Hoewel het volgens de overeengekomen regels is, kunnen er fundamentele vragen gesteld worden over de legitimiteit van dit type risicobeleid. Stempatronen Vervolgens hebben we gekeken naar de stempatronen van de lidstaten. Wij onderscheiden vier clusters op basis van de manier waarop de landen stemden. - Anti-GMO: Oostenrijk, Cyprus, Denemarken, Griekenland, Hongarije, Litouwen, Luxemburg en Malta. - Pro-GMO: Tsjechië, Estland, Finland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. - Ambivalent: België, Frankrijk, Italië, Letland en Duitsland. - Van pro/ambivalent naar anti: Polen, Portugal en Ierland. In de periode die wij bestudeerd hebben was er geen land dat verschoof van ‘ambivalent/anti’ naar ‘pro’. Vaak wordt aangenomen dat naarmate een nieuwe technologie ingeburgerd raakt, ook de maatschappe- lijke en politieke weerstand afneemt. Hoewel geneti- sche modificatie al sinds midden jaren tachtig van de vorige eeuw commercieel wordt toegepast in de landbouw, was er aan het begin van de 21ste eeuw in Europa sprake van toename van de weerstand. Mede vanwege het gesignaleerde politieke tekort is het draagvlak voor de genomen besluiten ook beperkt. Op het niveau van de lidstaten zien we dan ook andere politieke acties, zoals een nationaal verbod op het verhandelen en cultiveren van GMO’s die op de Euro- pese markt zijn toegelaten. Oostenrijk, Griekenland, Hongarije, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland hebben dergelijke verboden uitgevaardigd, ook nadat de Wereldhandelsorganisatie dergelijk gedrag heeft veroordeeld (zie het artikel ‘De politieke rol van risico-assessments’ in het Magazine Nationale Veilig- heid en Crisisbeheersing, augustusl 2012). De Franse en Duitse verboden zijn opvallend. In de door ons onderzochte periode stemde Duitsland nooit tegen: 14 onthoudingen en 4 keer voor, waarbij die vier stemmin- gen overigens allemaal betrekking hadden op dezelfde maissoort (MON 863). Frankrijk stemde zelfs 13 keer voor toelating op de Europese markt en slechts 5 keer tegen. De notulen van de politieke beraadslagingen in de Europese gremia zijn niet openbaar. Dus we konden niet langs die lijn het stemgedrag nader onderzoeken. We hebben wel geanalyseerd in hoeverre de stem- patronen verklaard kunnen worden door de politieke machtsverhoudingen in de lidstaten. Stemmen ‘groene regeringen’ tegen GMO’s? Dat bleek niet het geval. Neem bijvoorbeeld Polen, die verschoof van ambivalent naar negatief, terwijl een centrum-linkse regering plaatsmaakte voor een centrum-rechtse. Ook het pro-GMO blok bevat alle kleuren van de politieke regenboog, inclusief ‘groene regeringen’. Verder viel op dat als er in lidstaten majeure verschuivingen plaatsvonden in de samenstelling van de regering dat niet leidde tot een ander stempatroon. Dat gold in de onderzochte periode bijvoorbeeld voor Nederland, Zweden en Finland. Ook de ambivalentie en de daarmee samenhangende variatie in het stempatroon kan niet verklaard worden door parallelle veranderingen in het nationale politieke landschap. Het lijkt erop dat sommige landen een ingenomen positie hebben, waar geen beweging meer in zit. Op die manier houden de landen elkaar in de tang en worden er geen politieke besluiten genomen. Europa anti-GMO? Europa wordt vaak gekarakteriseerd als anti-GMO: de (potentiële) risico’s voor mens en milieu zouden zwaarder wegen dat de (veronderstelde) voordelen. Vandaar dat producenten als Monsanto ‘dreigen’ de Europese markt links te laten liggen. Dit beeld doet echter geen recht aan de variatie in de standpunten van de lidstaten. De Europese Unie is helemaal niet verenigd in een anti-GMO stellingname. In feite is het omgekeer- de het geval: omdat de politiek er niet in slaagt om een politiek besluit te nemen, staat de deur open voor agrobiotechnologische producten. Genetisch gemodifi- ceerde zaden, landbouwproducten of voedselproducten wordenlangstechnocratischewegtoegelatenopdeEuro- pese markt. Als het gaat om de regulering van GMOs is er een politiek tekort. Ook een land als Nederland, dat op Europees niveau consistent pro-GMO stemt, zou zich daar druk om moeten maken. Referenties - M. Navah, E. Versluis en M.B.A. van Asselt, ‘The politics of risk decision-making: The voting behavi- our of the EU member states on GMOs’, in: van M.B.A. van Asselt, E. Versluis en E. Vos (red.), Balancing between trade and risk: Integrating legal and social science perspectives, Routledge, 2013, 128-146. - WRR, Evenwichtskunst: Over de verdeling van verantwoor- delijkheid voor fysieke veiligheid, 2011.
  • 36. Michel Dückers, Arq Psychotrauma Expert Group Sander Banus, Marcel Mennen, Cisca Stom, RIVM, Centrum Veiligheid psychosociale hulpverlening Investeren in de capaciteit voor Verantwoordelijkheid voor PSH Wie is verantwoordelijk voor PSH? In eerste instantie zijn mensen zelf verantwoordelijk om hun eigen belang te bewaken. De meeste mensen zijn daartoe prima in staat, al dan niet met ondersteuning vanuit de eigen sociale kring. Er is niettemin een groep – meestal wordt de omvang geschat op 10-20% – met psychosociale problemen die baat heeft bij aanvullende zorg. De eigen verantwoordelijkheid van de grote groep zelfredzamen doet niets af aan de verantwoordelijkheid van overhe- den voor de veiligheid en gezondheid van alle burgers. Van overheden wordt verwacht dat ze de PSH coördine- ren en faciliteren, knelpunten oplossen, beleid harmo- niserenmetoogvoorverantwoordelijkhedenenbevoegd- heden van andere overheden. Bij een ramp zijn altijd meerdere ministeries betrokken, waaronder VenJ als bewaker van de nationale veiligheid. Zodra het op de gezondheid en het welzijn van burgers aankomt, valt PSH binnen het domein van het ministerie van VWS. De taak is ondergebracht bij het Centrum Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM werkt nauw samen met de Arq Psychotrauma Expert Groep. Impact, het landelijk kennis- en advies- centrum voor psychosociale zorg en veiligheid bij schok- kende gebeurtenissen, is onderdeel van Stichting Arq. Essentie van PSH De essentie van PSH bestaat uit ondersteuning, hulp en zorg voor mensen die zijn geconfronteerd met gevaar, verlies, gezondheidsschade en een ernstige verstoring van hun dagelijks leven. Of zij nu worden geëtiketteerd als slachtoffer, patiënt of getroffene, de hulpverlening moet passend zijn. Proportioneel, toegespitst op behoeften en problemen, aansluitend op de eigen veerkracht. PSH laat zich lastig afbakenen. In de smalste vorm gaat het om zorg gericht op psychologische problemen die (vermoedelijk) samenhangen met de gebeurtenis. In de breedste zin zijn alle aspecten van de nafase relevant die in relatie staan tot de veiligheid, het welzijn en de gezondheid van getroffenen. Gebruikelijke PSH-thema’s zijn opvang en verzorging, hereniging met dierbaren, informatie en advies (over de gebeurtenis, de nasleep, normale reacties, toegang tot hulpverleners en diverse praktische zaken) en herdenkingen en monumenten. Ook de afwikkeling van schadevergoeding en aanspra- kelijkheid is van grote betekenis voor overlevenden en nabestaanden. Nationale veiligheid: psychosociale hulpverlening altijd prioriteit Het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door het waarborgen van de vitale belangen en kernwaarden van onze samenleving, dat is de kern van de Strategie Nationale Veiligheid. Rampen en crises vormen een bedreiging die ons dwingt risico’s te inventariseren, voorbereidingen te treffen, te voorzien in een doortastende respons en maatwerk te bieden bij de nazorg. Zowel voor de acute respons als voor de nafase geldt dat de exacte uitdaging op voorhand onbekend is. Omstandigheden bepalen problemen, problemen bepalen prioriteiten. Omstandigheden zijn onzeker, prioriteiten in principe dus ook. Een verkenning van een aantal scenario’s van de Nationale Risicobeoordeling – waarin steeds een inschatting wordt gemaakt van de gevolgen van een gebeurtenis – laat zien dat de psychosociale hulpverlening (PSH) altijd een prioriteit zou moeten zijn. Zodra sprake is van doden, gewonden, angst, verdriet, onmacht en onzekerheid, vragen de gezondheid, het welzijn en de veiligheid van mensen aandacht. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201336
  • 37. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 37 Optimaliseren van de capaciteit De Strategie Nationale Veiligheid inspireert tot het kijken naar risico’s en dreigingen, de taken en uitdagin- gen die daaruit voortvloeien en tot de slot de benodigde capaciteit. Welke combinatie van mensen, middelen en methoden vereist de PSH? Deze vraag heeft een kwalitatieve en een kwantitatieve dimensie. Kwalitatief gezien zijn voor het verlenen van PSH in ieder geval twee zaken essentieel: - kennis over wat wel en niet te doen onder welke omstandigheden; - aanwezigheid van die kennis op de juiste plek: toegang tot/ontsluiting van die kennis voor gebruikers. Kennis over wat wel en niet te doen Om over een actueel referentiekader te beschikken wordt voortdurend literatuuronderzoek verricht over PSH bij rampen en crises in algemene zin, maar ook toegespitst op bijzondere omstandigheden zoals CBRN gebeurtenissen. De PSH inzet bij rampen en crises in Nederland en buitenland wordt geanalyseerd en we investeren doorlopend in ons evaluatie-instrumen- tarium – after-action reviews, quality of psychosocial care vragenlijst. Daarnaast vindt voortdurend overleg plaats met mensen uit praktijk, beleid en wetenschap om in te spelen op actuele ontwikkelingen en behoef- ten. De kennis zelf wordt vastgelegd in openbare kennispublicaties en publiek toegankelijke kennisdata- banken. In samenspraak met beoogde gebruikers en andere betrokkenen worden bovendien standaarden ontwikkeld – algemene multidisciplinaire richtlijnen, maar ook concrete, doelgroep-specifieke handelingsperspectieven. Aanwezigheid van die kennis op de juiste plek De kennis moet worden verankerd in het denken en handelen van mensen in het veelvormige PSH netwerk. Om de juiste kennis op de juiste plek te krijgen, wordt vanuit het RIVM en Arq actief samengewerkt met de partijen die op lokaal en nationaal niveau een rol vervullen binnen de PSH, zoals Slachtofferhulp Nederland, het Nederlandse Rode Kruis, gemeente en veiligheidsregio, GGD, GGZ, artsen, psychologen, psychiaters, maatschappelijk werk, welzijnsorganisa- ties, ministeries en universiteiten. Inhoudelijk kristalliseert die samenwerking uit in de standaarden die op zichzelf al een voertuig zijn voor kennisversprei- ding en implementatie. Maar het kan gerichter. De uitwisseling tussen praktijk, beleid en onderzoek is noodzakelijk om het gehele stelsel van organisaties goed in te richten voor de hulpverlening. RIVM en Arq onderhouden daartoe netwerken en verbinden het PSH veld met experts en professionals uit relevante terreinen zoals gezondheidsonderzoek, medische milieukunde, toxicologie en virologie. Bijvoorbeeld via ontmoetings- en uitwisselingsmomenten met gastsprekers, discussie- sessies en workshops. Over actuele activiteiten, producten en ontwikkelingen wordt gecommuniceerd in nieuwsbrieven. Daarnaast is de kennis voeding voor opleiden, trainen en oefenen; de drie-eenheid voor de directe implementatie van kennis. De genoemde activiteiten spelen in de koude fase, maar vormen de basis voor de crisisadvisering in de warme fase. Het Centrum Veiligheid draagt zorg voor de vorming van een ad-hoc crisisteam om nationale en lokale overheden te adviseren over de mogelijkheden tot PSH tijdens de acute fase en de nafase (tijdens kantooruren bereikbaar via het nummer: 030-274 2742, buiten kantooruren via 030- 274 9111). Arq en Impact zijn hierbij actief betrokken. Het crisisteam is ervaren in het formuleren van praktische adviezen onder tijdsdruk. Overheden en andere partijen mogen altijd een beroep doen op het crisisteam. Doel is lessen uit eerdere crises en wetenschap samen te brengen en te ontsluiten. De kwantitatieve dimensie van de capaciteitsvraag gaat over feitelijke en benodigde aantallen. De komende periode wordt beter in kaart gebracht hoeveel mensen, middelen en methoden beschikbaar zijn op het niveau van Rijk en regio. Wat zijn hun kenmerken? Bij welke organisaties zijn ze ondergebracht? Vervolgens kan via verschillende scenario’s worden nagegaan of dit toereikend is. Dat doet recht aan de uitingsvormen van ramp en crisis. Scenario-denken is waardevol en gangbaar binnen de crisisbeheersing. Echter, het is goed om te benadrukken dat de lange termijn geen vanzelf- sprekende plek inneemt in scenario-ontwikkeling. In de nationale risicobeoordeling is dat bijvoorbeeld terug te zien in de scoring van de impact van een gebeurtenis op de sociale en maatschappelijke onrust. Die is met name gebaseerd op directe effecten. De lange termijn is minder grijpbaar, maar voor een inschatting van de benodigde capaciteit in de nafase is een beeld van de lange termijn onmisbaar. Leren en anticiperen Het is zaak de PSH meer systematisch te evalueren, te leren van iedere inzet en de kwaliteitscyclus te sluiten. Dit vraagt om de ontwikkeling, toepassing en versprei- ding van evaluatiecriteria en -instrumenten. Naast leren van het verleden is het nodig om vooruit te kijken. Risico’s veranderen, nieuwe thema’s verlangen een oplossing. Denk aan maatschappelijke onrust rondom zedenzaken, asbest in woonwijken, allergie voor purschuim etc. De PSH-kennis moet steeds mee ontwikkelen en doordringen tot de juiste plek. Het illustreert meteen de samenhang in alle activiteiten zoals geschetst in dit artikel. Die samenhang bepaalt de kwaliteit van de PSH-capaciteit.
  • 38. Rieks Joosten en André Smulders, TNO Risicomanagement risico’s nog niet onderkend nissen beheersbaar blijven. Door het bewust of onbewust negeren van beschikbare signalen kunnen gebeurtenissen onterecht bestempeld wordt als een ‘black swan’ of ‘perfect storm’ en daarmee onterecht worden geëxcuseerd. Gevolg hiervan is dat er weliswaar actie genomen wordt om de schade te beperken en te herstellen, maar niet dat het falende risicomanagement wordt verbeterd. De DigiNotar casus De DigiNotar crisis is hiervan een voorbeeld. Deze crisis ontstond doordat bij een groot aantal partijen dat afhankelijk was van DigiNotar in de problemen kwam toen bleek dat de certificaten van DigiNotar niet langer te vertrouwen waren. Verschillende partijen dreigden de ondersteuning voor deze certificaten in te trekken. Dit escaleerde toen duidelijk werd dat er wellicht sprake zou zijn van het intrekken van steun voor bovenliggende certificaten, waardoor het effect versterkt zou worden. We beperken ons voorbeeld tot de situatie waarin alleen sprake was van het intrekken van de ondersteuning van DigiNotar certificaten. Een partij die van DigiNotar certificaten afhankelijk was, kan niet claimen dat het intrekken van de DigiNotar certificaten een ‘perfect storm’ was. Voor die partij was slechts één gebeurtenis relevant, namelijk dat de DigiNotar certificaten werden ingetrokken. Dat dit weer het directe gevolg was van het verliezen van het vertrouwen in het DigiNotar certificaat systeem maakt dit nog geen onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden. Een dergelijke partij kan ook niet stellen dat het DigiNotar incident een ‘black swan’ was. Een signaal dat tijdens het ontwerp van de dienst beschikbaar was, is het feit dat de PKI structuur in Nederland uitdrukkelijk specificeert dat certificaten ingetrokken kunnen worden als er reden is om aan te nemen dat ze zijn gecompro- mitteerd. Een ander signaal, dat tijdens het operatio- ‘Black Swans’ en ‘Perfect Storms’ ‘Black Swans’1 zijn gebeurtenissen die niet eerder zijn waargenomen en waarvan dus ook niet bekend is dat ze kunnen voorkomen. ‘Perfect Storms’2 zijn gebeurtenis- sen die het gevolg zijn van een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden die elk voor zich bekend en hanteerbaar zijn, maar in hun samenhang een calamiteit opleveren. Paté-Cornell stelt dat alleen gebeurtenissen die een echte ‘black swan’ of een echte ‘perfect storm’ zijn, geëxcuseerd kunnen worden. Andere potentieel risicovolle gebeurtenissen dienen opgevangen te worden in het reguliere risicomanagement proces, dat ervoor moet zorgen dat de gevolgen van zulke gebeurte- Simpele cybersecurity crisisanalyse verrast: Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201338 Volgens prof. Paté-Cornell van Stanford zijn er twee soorten incidenten waar regulier risicomanagement tekort schiet en een crisis onvermijdelijk is: ‘Black Swans’ en ‘Perfect Storms’. In dit artikel laten we zien dat een analyse van het DigiNotar incident op basis van dit model leidt tot verrassende conclusies. Deze manier van analyseren helpt bestuurders om te komen tot betere keuzes en een effectievere aanpak na een incident. 1 De term ‘Black Swan’ is ontleend aan een gelijknamig boek van Nassim Taleb, waarin de auteur onbekende gebeurtenissen vergelijkt met de ontdekking van zwarte zwanen door Nederlandse ontdekkingsreizigers in het 17e eeuwse Australië, terwijl in Europa tot dan toe alleen witte zwanen voorkwamen. 2 De term ‘Perfect Storm’ is ontleend aan het boek ‘The Perfect Storm’ van Sebastian Junger, waarin de auteur beschrijft hoe een samenloop van gebeurtenissen die elk goed bekend en hanteerbaar zijn, leidt tot een calamiteit van buitengewone proporties. Het doet denken aan de watersnoodramp van 53, waarin een samenloop van zwakke dijken, een zuidwesterstorm en springtij tot een calamiteit leidden. Dit is vergelijkbaar met de ‘Swiss Cheese’ metafoor (Reason 1990).
  • 39. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 39 nele leven van de dienst beschikbaar was, is de berichtgeving over (mogelijk) gehackte certificate authorities, zoals Comodo (maart 2011) en StartCom (juni 2011), wat het denkbaar maakt dat ook DigiNotar mogelijk gecompromitteerd zou kunnen worden. Risico’s van risicomanagement Voor elke partij die een van de (meer dan 10.000) door DigiNotar uitgegeven certificaten gebruikte, hadden deze signalen aanleiding kunnen zijn om na te denken over de gevolgen die dit voor hen zou kunnen hebben. Toen het incident plaatsvond werden ze voor de acute vraag gesteld hoe ze hun dienstverlening moesten continueren bij gebrek aan daarvoor benodigde certificaten. De (imago)schade die veel partijen hebben opgelopen is dan ook volledig toe te schrijven aan het feit dat zij het onverwacht intrekken van certificaten niet als ¬risico hebben aangemerkt en dus ook geen mitigerende maatregelen hebben genomen. Bovenstaande analyse laat zien dat het falen van DigiNotar de daaropvolgende crisis weliswaar heeft getriggerd, maar niet veroorzaakt. De daadwerkelijke oorzaak van de crisis bestaat uit twee factoren: het missen van signalen die het bestaan van dit soort risicovolle gebeurtenissen (het falen van een CA) aantoont, en het onvoldoende aandacht hebben – zowel in de ontwerpfase als in het operationele leven van systemen – voor het zelfstandig dan wel gezamen- lijk optreden van zulke gebeurtenissen en de schade die dit kan veroorzaken. Het feit dat organisaties signalen missen in hun risicomanagement en de risico’s van het optreden van (samengestelde) bekende gebeurtenissen in (IT) systeem¬ontwerpen niet meenemen, is wat ons betreft een duidelijk signaal, namelijk dat de huidige manier waarop deze organisaties hun risicomanagement hebben ingericht kennelijk ongeschikt is om bekende en relevante risico’s mee te beheersen. Volgens Paté-Cornell zou het reguliere risicomanage- mentproces dit signaal dan ook moeten oppakken, maar bovenstaande analyse laat zien dat het herkennen van en acteren op zulke signalen alles behalve gemeen- goed is. Dat lijkt ons een belangrijk risico van het risicomanagement proces. Om dit risico te kunnen adresseren is een nieuwe manier van denken over risico’s nodig, en een bijbehorend nieuw risicomanage- ment proces. Een mogelijk alternatief Binnen TNO hebben dit soort gedachten geleid tot een nieuwe aanpak. Deze aanpak neemt de (bedrijfs) doelstellingen (verplichtingen) op de verschillende bestuurslagen als uitgangspunt en beoogt de bijbe- horende risico’s (van het niet halen ervan) expliciet en bestuurbaar te maken. Enerzijds gebeurt dit door bestuurders aan doelstellingen (en dus risico’s) te koppelen en anderzijds door in kaart te brengen waar het welslagen van afhankelijk is en signalen te inventa- riseren die op mogelijke risico’s wijzen. Heldere criteria om vast te stellen wanneer lijsten hiervan compleet zijn, signaleren mogelijke risico’s in het risicomanagement proces zelf. Een andere eigenschap van deze aanpak is dat activitei- ten een ‘menselijke maat’ hebben: managers hoeven alleen hun eigen ‘scope of control’ te kunnen overzien en de verplichtingen c.q. verwachtingen die zij hebben ten aanzien van anderen (al dan niet binnen de eigen organisatie). Gevolg hiervan is dat ook als zij onderdeel zijn van complexe, genetwerkte samenwerkingsverban- den, zij steeds ‘in control’ zijn omdat expliciet is gemaakt over welke risico’s zij afspraken moeten maken en duidelijk is met wie dat moet worden afgestemd. Inmiddels is een experiment gestart waarin deze methodiek wordt uitgeprobeerd in de praktijk. Totdat de resultaten van dit experiment bekend zijn, kunnen bestuurders het hier gepresenteerde model van ‘Black Swans’ en ‘Perfect Storms’ gebruiken om in geval van een incident te kunnen beoordelen of er eventuele tekortkomingen zitten in hun huidige risicomanage- ment proces. Referenties E. Paté-Cornell, ‘On “Black Swans” and “Perfect Storms”’: Risk Analysis and Management When Statistics Are Not Enough’, in: Risk Analysis, 32 (2012), 1823–1833. J. Reason, ‘The Contribution of Latent Human Failures to the Breakdown of Complex Systems’, in: Philosophical Transactions of the Royal Society of London. Series B, Biological Sciences 327 (1990-04-12, 1241), 475–484.
  • 40. Bertruke Wein en Rob Willems, Radboud Universiteit Nijmegen crisisoefeningen Evaluatieraamwerk voor Daarmee zijn de kritische processen het vaakst als evaluatiecriterium gevonden en bovendien zijn ze het onderwerp van oefeningen om te beoordelen of (delen van) de crisisstructuur werkt als beoogd. Een andere bevinding uit het onderzoek is dat de voor de kritische processen gehanteerde evaluatiecriteria veelal zogenaamde ‘procescriteria’ zijn: het zijn criteria die vooral gaan over de juiste handelwijze. Dit in tegenstelling tot criteria die aangeven wat de gewenste uitkomst van het kritische proces zou moeten zijn, de zogenaamde ‘uitkomstcriteria’. Het evaluatieraamwerk Het evaluatieraamwerk bouwt voort op de meest gehanteerde evaluatiecriteria (de kritische processen) en focust op uitkomstcriteria. Allereerst een toelichting op de kritische processen. Deze zijn voor het regionale/ lokale niveau (veiligheidsregio en aangesloten gemeenten) vastgelegd in het Besluit Veiligheidsregio’s en vinden feitelijk hun oorsprong in de Basisvereisten Crisismanagement van het Landelijk Beraad Crisis- beheersing (2006). Voor het nationale niveau (de ministeries) ontbreekt een dergelijke wettelijke basis. De processen zijn echter voor het nationale en regionale/lokale niveau grotendeels dezelfde; het minieme verschil zit vooral in de precieze organisatie- structuur en de te bereiken uitkomsten. Tussen de Het onderzoek Voor het onderzoek is een zo representatief mogelijke selectie gemaakt uit de ruim 400 opgestuurde evaluaties van nationale en voornamelijk regionale crisisoefe- ningen. Deze selectie (ruim 70 evaluaties van crisis- oefeningen) is allereerst geanalyseerd op gehanteerde evaluatiecriteria. Hieruit kwam naar voren dat met name de functie van de oefening bepalend is voor de gevonden evaluatiecriteria, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt in de functies testen, ontwikkelen en oriënteren. Testen als functie komt nationaal het meest voor (ongeveer 1 op de 2 evaluaties tegenover 1 op de 7 evaluaties regionaal) en evaluatiecriteria zijn met name de zogenaamde ‘kritische processen’: melden & alarmeren, opschalen, informatie managen en leiding geven & coördineren. Ontwikkelen als functie komt regionaal het meest voor (ongeveer 2 op de 3 evaluaties tegenover 1 op de 4 evaluaties nationaal) en evaluatie- criteria zijn opnieuw de kritische processen en de competenties van belangrijke functionarissen in de crisisstructuur dan wel de competenties van een team als geheel. Bij oriënteren als functie tenslotte (nationaal ongeveer 1 op de 3 evaluaties, regionaal 1 op de 5 evaluaties) zijn de evaluatiecriteria divers, variërend van meer inhoudelijk (crisisspecifiek) tot meer algemeen van aard (samenwerking, communicatie). Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201340 Omdat evaluaties van crisisoefeningen veelvuldig van elkaar verschillen heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie de Radboud Universiteit/ITS te Nijmegen gevraagd evaluaties van nationale en regionale crisisoefeningen onder de loep te nemen. Doel was de gehanteerde evaluatiecriteria in kaart te brengen en op basis daarvan met een raamwerk te komen voor het effectief evalueren van crisisoefeningen. In dit artikel worden zowel het onderzoek als het uiteindelijke evaluatieraamwerk toegelicht.
  • 41. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 41 kritische processen zit een duidelijke samenhang. Het eerste kritische proces ‘melden & alarmeren’ heeft tot doel de onderdelen van de crisisstructuur in gereedheid te brengen en te voorzien van de eerste, essentiële beslisinformatie. Het proces daarna, ‘opschalen’ heeft tot doel de beschikbare eenheden inzetbaar te krijgen op de daartoe aangewezen plaats. Vervolgens levert het proces ‘informatie managen’ de grondstof (beslis- informatie) voor het meest wezenlijke proces van crisismanagement: ‘leiding geven & coördineren’. Leiding geven & coördineren moet ten slotte leiden tot een gecoördineerde aanpak van de rampenbestrijding en/of crisisbeheersing via het treffen van juiste, tijdige maatregelen. De uitkomst van de processen afzonderlijk bepaalt uiteindelijk de uitkomst van de crisisstructuur als geheel: alarmeren en opschalen resulteren in inzet- bare eenheden, informatie managen resulteert in beslisinformatie op basis waarvan via het proces leiding geven & coördineren maatregelen worden getroffen. Anders gezegd leiden de processen melden & alarmeren en opschalen tot inzetbaarheid van de crisisstructuur, het proces informatie managen tot bestuurbaarheid en ten slotte het proces leiding geven & coördineren tot weerbaarheid van de crisisstructuur. In het schema staan deze evaluatiecriteria en de bijbehorende uitkomst samengevat (zie figuur 1). Door de kritische processen vervolgens in een stroom- schema te plaatsen wordt duidelijk hoe de processen en hun uitkomsten samenhangen. We beschrijven het stroomschema kort: de input voor de processen melding, alarmering en opschaling wordt geleverd door de beschikbare (en geprepareerde) eenheden van de crisisstructuur, wat resulteert in inzetbare eenheden. Deze output vormt weer de input voor de processen informatiemanagement en leiding & coördinatie wat resulteert in beslisinformatie en uiteindelijke maat- regelen. Deze output moet er uiteindelijk in resulteren dat de (effecten van de) crisis beperkt dan wel voor- kómen wordt (outcome). Door de begrippen doel- matigheid en doeltreffendheid toe te voegen aan het stroomschema ontstaat vervolgens het uiteindelijke evaluatieraamwerk; de relatie tussen de input en output in het stroomschema bepaalt de uiteindelijke doel- matigheid en de relatie tussen de output en de outcome de uiteindelijke doeltreffendheid van de getroffen maatregelen. Het evaluatieraamwerk ziet er daarmee als volgt uit (zie figuur 2. Voor de volledigheid is daarbij ook het startpunt meegenomen: geprepareerde, beschikbare eenheden). Praktische wenk Het voorgestelde evaluatieraamwerk vraagt iets extra’s van degenen die oefeningen van (delen van) de crisis- structuur voorbereiden en evalueren. Naast de ‘nor- male’ voorbereiding op de evaluatie van een oefening (ondermeer vaststellen functie, doel, doelgroep en wijze van evalueren) vraagt het evaluatieraamwerk een extra voorbereiding op het scenario. Aan de hand van het scenario zal immers tevoren nagedacht moeten worden over de verwachte output en outcome van de crisisstructuur. Met andere woorden welke maatregelen en bijbehorende beslisinformatie worden verwacht bij dit specifieke scenario met welk beoogd effect? Deze verwachte maatregelen en beslisinformatie vormen vervolgens het startpunt van de evaluatie: welk effect beoogden we, hebben we de juiste maatregelen getroffen en beschikten we over de juiste beslis- informatie? Dit evaluatieraamwerk, met de focus op te treffen maatregelen en bijbehorende beslisinformatie (op basis van scenario’s gebaseerd op de nationale risicobeoorde- ling of het regionale risicoprofiel), kan de opmaat vormen voor een meer resultaatgerichte evaluatie van crisisoefeningen. Figuur 1 Figuur 2
  • 42. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201342 samenwerken aan een veilige digitale wereld Wees Alert Online 2013: Doe mee Organisaties die zich al verbonden hebben aan Alert Online zijn o.a. Nationaal Cyber Security Centrum, Cyber Security Raad, Shell, TNO, Nederland ICT, Nationale Politie, VNO-NCW, Ordina, ECP platform voor de InformatieSamenleving, Nationaal Platform Criminaliteitsbestrijding, Cap Gemini, RB&W, ministeries van Defensie, Veiligheid en Justitie, Infrastructuur en Milieu, Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Buitenlandse Zaken, taskforce BID en NCTV als initiatiefnemer van de campagne. Wilt u samen met deze partijen optrekken en een activiteit toevoegen aan het campagneprogramma? Doe mee en sluit aan! Meer informatie of direct aanmelden? Achtergrondinformatie en voorbeelden van deelname zijn hier terug te vinden: www.alertonline.nl. Aanmelden kan eenvoudig door een e-mail te sturen naar: alertonline@nctv.minvenj.nl. Nederland hoort bij de landen met de meeste internetaansluitingen, het snelste internet en de meeste internetbankierende mensen. Dat geeft Nederland een voor- sprong en biedt kansen voor innovatie, een hogere arbeidsproductiviteit en econo- mische groei. Maar dat betekent ook dat iedereen zich bewust moet zijn van gevaren, risico’s maar nog belangrijker de kansen die er zijn. Door gezamenlijk op te trekken, krachten te bundelen en ervaringen te delen, kunnen slimme, effectieve maat- regelen worden getroffen om zo de digitale veiligheid sterker te maken. Krachten bundelen In de week van 28 oktober tot en met 5 november 2013 start de NCTV weer samen met het bedrijfsleven en overheid de campagne Alert Online. De campagne- week maakt het bedrijfsleven, overheid en publiek bewust van hun internet- en mobiel gebruik en de risico’s die dat met zich meebrengen, maar wordt er ook breed aandacht besteed aan de kansen die er liggen voor bedrijven en overheden. Een goed draaiende digitale samenleving kan niet zonder goede beveiliging van het internet: Cyber security. Onze concurrentie- positie, nationale veiligheid en ons dagelijks leven kan in het gedrang komen wanneer vitale bedrijven en overheden hun Cyber security niet op orde hebben. Ben jij gespecialiseerd in het ontwikkelen van oplossingen in nieuwe media, zoals app’s, (serious) games en websites? En heb je een goed idee hoe we deze multimediale toepassingen in kunnen zetten om onze samenleving tegen allerlei bedreigingen te kunnen beveiligen? Doe mee met de wedstrijd Secure Your Future! Het beste product, concept of idee wordt beloond met een mooie prijs én je krijgt professionele begeleiding bij het marktrijp maken. Waar zijn we naar op zoek? We zijn in deze wedstrijd op zoek naar de beste multimediale toepassing op veilig- heidsgebied. Het draait hierbij zowel om nationale veiligheid als om openbare veilig- heid op straat, internetveiligheid en bescher- ming van overige vitale infrastructuur. Je kunt bijvoorbeeld denken aan een toepassing op het gebied van crisiscommu- ni-catie, GIS toepassingen, informatiedeling, intelligence, cameratoezicht, contraterro- risme, politieoptreden, brandweer, defensie, slimme big data toepassingen, kennisma- nagement, serious security gaming, veilig- heidsonderwijs, crowd control, gaswolk detectie. Of om multimedia toepassingen voor detectie en opsporing van calamiteiten, zoals chemische, biologische of radioactieve besmetting of van digitale criminaliteit. Meedoen? Verzin of bouw een app, game, website, video, Prezie of andere multimedia toepas- sing en zend deze vóór 17 oktober 2013 in via de website www.secureyourfuture.eu. De toepassing hoeft dus nog niet helemaal uitontwikkeld te zijn tot een werkende oplossing. Het mag ook een concept of idee zijn, die je bijvoorbeeld helder uitlegt in een presentatie, demonstratievideo. Ieder- een met een goed idee mag meedoen, van student, hobbyist tot ervaren ondernemer. Heb je een vraag? Kijk op de website of stuur een bericht aan info@thehaguesecuritydelta.com Secure Your Future is een initiatief van The Hague Security Delta samen met technologietijdschrift De Ingenieur en het Koninklijk instituut van Ingenieurs KIVI NIRIA. Wedstrijd SecureYourFuture.eu
  • 43. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 43 Ester Willemsen, Instituut Fysieke Veiligheid (ester.willemsen@ifv.nl) Vera Bánki, Geodan (vera.banki@geodan.nl) Arda Riedijk, Geodan (arda.riedijk@geodan.nl) Verspreiding natuurbranden dynamisch modelleren maatregelen nodig zijn, gericht op het beperken van de grootte, de intensiteit en de schade van natuurbranden. Om hiervoor oplossingen te vinden wordt samengewerkt tussen ministeries, provincies, gemeenten, veiligheidsregio’s, brandweer, terrein- beheerders en de recreatiebranche1 . Sneller en beter inzicht Eén van de ontwikkelde oplossingen is het verspreidingsmodel natuurbranden. Het model helpt de hulpdiensten om beter voorbereid te zijn op een natuurbrand; de resultaten die het model genereert geven bijvoorbeeld weer waar in een bepaald gebied het grootste risico op snelle uitbreiding van een brand is. Dit is cruciale informatie bij het inschatten van risico’s rondom zwaartepunten zoals verzorgings- tehuizen, energiebedrijven, pretparken of recreatiegebieden. Ook voor het oefenen biedt het model meerwaarde, want op basis van eerdere branden kunnen oefenscena- rio’s worden gemaakt die het verloop van een echte brand simuleren, al dan niet met gebruik van Virtual Reality. Ten slotte geeft het model meer inzicht tijdens de besluit- vormingsfase van een natuurbrand over Van onbeheersbaar naar beheersbaar Hoe snel en op welke manier een natuur- brand zich verspreidt, is afhankelijk van veel factoren. Bijvoorbeeld de windrichting en -snelheid, het type vegetatie maar ook de ondergrond, droogte, leeftijd en dichtheid van de vegetatie. In droge periodes is de kans dat een natuurbrand onbeheersbaar wordt 50%. Dat betekent dat er bij de helft van de natuurbranden in droge periodes sprake is van onbeheersbaarheid. Of deze branden onbeheersbaar blijven, is erg afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse. Dat betekent dat aanvullende bijvoorbeeld evacuatie of de inzet zelf. De meerwaarde van het nieuwe versprei- dingsmodel natuurbranden zit in een aantal elementen. Het model: • houdt rekening met de weerssituatie ter plaatse en die van de dagen hieraan voorafgaand; • anticipeert op veranderende weersom- standigheden; • neemt het type vegetatie van het getroffen gebied mee in de berekening (op basis van open data); • is te koppelen aan bestaande geografi- sche informatiesystemen (GIS), dit maakt het eenvoudig bruikbaar voor verdere analyses zoals: het berekenen van de snel- heid waarmee de brand een bepaalde locatie bereikt, het opvragen van het aantal bewoners of recreanten binnen de natuurbrandcontour, of het maken van een vergelijking met oudere natuur- brandgegevens. Bruikbaar basismodel Vanuit innovatieplatform i-Bridge is er in 2012 een proof of concept van het model ontwikkeld voor heidegebieden. Eind 2012 is dit project afgerond met een groots opgezette eindoefening op Vliegbasis Twente. Vanuit het project Effectief Blussen is een doorstart gemaakt van proof of concept naar een voor het veld bruikbaar basismodel voor heidegebieden. Het heidemodel zal tevens dienen als basis voor de overige Nederlandse landschappen als duin, veen en bos. Het model is reeds beschikbaar voor professionals die zich bezighouden met het voorkomen, bestrij- den en onderzoeken van natuurbranden. Meer informatie vindt u op www.infopuntnatuurbranden.nl. Nieuw rekenmodel inzetbaar door de hele veiligheidsketen 1 A. van Gullik, Natuurbrand, een onderschat risico, 2008. Een model dat de uitbreiding van een natuurbrand betrouwbaar, real-time en realistisch voorspelt bestond nog niet eerder in Nederland. De brandweer is gewend te werken met statische mallen en vuistregels die hun werk doen maar bijvoorbeeld geen rekening houden met de actuele weerssituatie ter plekke. Het onderzoeksproject ‘Verspreidingsmodel Natuurbranden’ van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV), Efectis Nederland, diverse veiligheidsregio’s en Geodan biedt daarin verandering. Het model is uitvoerig getest en met succes ingezet bij de natuurbrand op de Groote Heide in Leende op 26 maart 2013. De brand voltrok zich in slecht toegankelijk gebied onder schemerige omstandigheden. Ondanks het feit dat een berekening door het model een benadering is van de werkelijkheid, kwam de uitkomst tijdens deze inzet zeer dicht bij de werkelijke verspreiding.
  • 44. Willem Treurniet en Kim van Buul, TNO Alexander Bouwman, programmamanager Netcentrisch Werken, Instituut Fysieke Veiligheid De staat van de netcentrische crisisbeheersing tussen de regio’s en hoe zij aansluiten bij het landelijke niveau NCC en LOCC. Naar aanleiding van de huidige staat van netcentrisch werken zijn er zes gebieden geïdentificeerd die zich lenen voor een verdere door- ontwikkeling: • Een algehele professionaliseringsslag Het algemene beeld is dat de nieuwe professie van IM (zowel het proces, als de functionarissen) nog een verdere professionaliseringsslag kan gebruiken. Deze behoefte geldt niet alleen voor IM, maar ook om de samenwerking tussen IM en andere processen. Met name in de samenwerking tussen informatie- managers en ‘hun’ teamleider (op CoPI-, ROT- of BT-niveau) is winst te halen. Er is behoefte aan meer informatie-gestuurd leiderschap, gericht op het verbinden van zelfstandige en zelfbewuste professionals. • Verdere verfijning van de rol van de meldkamer en CaCo Het snel beschikbaar hebben van een startbeeld is belangrijk voor een snelle en adequate afhandeling en opschaling. De wijze waarop momenteel de Calamiteiten Coördinator rol (CaCo-rol) wordt ingevuld en de informatiepositie van de meeste meldkamers in het algemeen leidt nog onvoldoende tot de snelle beschikbaarheid van een informatief startbeeld. De landelijke scan Aan de hand van zes workshop, waarin gebruik werd gemaakt van een toetsingskader, is de huidige staat van netcentrisch werken bij alle 25 veiligheidsregio’s, het NCC en het LOCC in kaart gebracht. Het doel van de workshops was om inzicht te krijgen in de wijze waarop betrokkenen netcentrisch werken hebben geïmplemen- teerd en welke keuzes daarin zijn gemaakt. Een belang- rijk uitgangspunt van de workshops was de onderlinge uitwisseling van ervaringen, knelpunten en good practices tussen de regio’s, het NCC en het LOCC. Op deze manier kon een duidelijk beeld worden geschetst van de keuzes en invulling van netcentrisch werken binnen deze partijen. Naast de vorm van de workshops droeg ook de focus van het toetsingskader bij aan de landelijke scan. Zo lag de focus op de invoering van informatiemanagement (IM) ter ondersteuning van de multidisciplinair leiding & coördinatie, zoals dit ook de focus is geweest van het landelijke project. Hierbij is nadrukkelijk aandacht besteed aan de inbedding van het IM-proces in de bredere procescontext. Waar staan we nu? Uit de workshops is duidelijk gebleken dat de meer- waarde van een netcentrische aanpak onderkend wordt, maar dat er nog grote verschillen zijn qua invulling Meerwaarde netcentrische aanpak in de praktijk onderkend Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201344 Ruim zes jaar geleden startte Nederland met een landelijk project dat zich richtte op het verbeteren van de informatievoorziening voor de rampenbestrijding. Dit onder andere naar aanleiding van het adviesrapport van de ACIR dat concludeerde dat de toenmalige informatie- voorziening onvol-doende toereikend was tijdens rampen en crises om informatie goed te laten stromen. Een netcentrische informatiedeling zou eraan moeten bijdragen dat alle crisis- functionarissen op alle betrokken niveaus gelijktijdig toegang hebben tot de meest actuele informatie. In 2007 startte het Landelijke project Netcentrisch Werken met de conceptontwikkeling en in 2009 volgde de imple-mentatie bij alle veiligheidsregio’s, het NCC en het LOCC. Rond het einde van het landelijke project heeft TNO een landelijke scan gehouden om de balans op te maken van de resultaten van het landelijke project: de huidige staat van netcentrisch werken in Nederland. In dit artikel gaan we in op deze huidige staat, maar vooral waar nog uitdagingen liggen en hoe deze opgepakt gaan worden.
  • 45. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 45 • Doorontwikkeling van beleidsteams Wat hierboven is opgemerkt over de noodzaak tot verdere professio-nalisering van IM, geldt in het bijzonder voor het beleidsteam. De manier waarop het totaalbeeld in het LCMS is opgebouwd en gestructureerd is vooral toegesneden op de opera- tionele aspecten van een incident. Informatie die nodig is voor de taken waarvoor het BT gesteld wordt en voor het maken van beleidsassessments, ontbreekt deels. • Aandacht voor grensoverschrijdende samenwerking Grensoverschrijdende samenwerking – zowel over regiogrenzen als over landsgrenzen – wordt op dit moment nog niet of nauwelijks ondersteund door de opgestelde werkwijze netcentrische crisisbeheersing en het ondersteunende LCMS. • Aandacht voor samenwerking met het rijksniveau De netcentrische werkwijze, de functionaliteiten van het LCMS en de mogelijkheden die het LCMS biedt worden in de samenwerking tussen veiligheidsregio’s en het rijksniveau nog onvoldoende benut. Bij de veiligheidsregio’s is nog onvoldoende helder wat er bedoeld wordt met de rollen van het rijk (faciliteren, richting geven of sturen) en hoe deze rollen zich verhouden tot de rollen en bevoegdheden van de veiligheidsregio’s. • Herbezinnen op de scope van netcentrisch werken Er is bij de start van het landelijke project net- centrisch werken bewust voor een bepaalde scope gekozen: implementatie van IM ter ondersteuning van het proces van grootschalige en multidiscipli- naire leiding & coördinatie. De destijds gekozen scope blijkt echter naarmate het project vordert, in toenemende mate als ‘knellend’ te worden ervaren. Diverse regio’s hebben geïnvesteerd in – bijvoorbeeld – het informatienetwerk ter directe ondersteuning van ingezette eenheden, in informatie- management bij risicobeheersing en herstel en in het delen van informatie met ketenpartners. Om uniformi- teit van optreden te bevorderen en te handhaven, moet de doorontwikkeling zich daarom herbezinnen op de scope. Hierbij is het van belang om in de toekomst nadrukkelijker het proces leiding & coördinatie in de scope te betrekken. Met name door te investeren in dit proces kan de winst van het werken op basis van een actueel gedeeld beeld worden geoogst. Hoe nu verder? Het algemene beeld van ‘de staat’ is dat de implementa- tie van netcentrische crisisbeheersing bij de veiligheids- regio’s, bij het NCC en het LOCC daadwerkelijk in gang is gezet; de professie van informatiemanagement (IM) is op de kaart is gezet en bij daadwerkelijke incidenten is en wordt de meerwaarde van een netcentrische aanpak onderkend. Maar we zijn er nog niet. De landelijke scan heeft uitgewezen dat er nog belangrijke punten zijn om verder door te ontwikkelingen. Het landelijke project is afgerond, maar kent een door- start in het programma Netcentrisch Werken onder leiding van Alexander Bouwman. Dit programma is ondergebracht bij het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) en zal de verdere doorontwikkeling samen met de veilig- heidsregio’s, het NCC en het LOCC gestalte te geven. De doorontwikkeling zal er op gericht zijn om te komen tot een in voldoende mate uniforme aanpak voor de veiligheidsregio’s, het NCC en het LOCC, zodat gespro- ken kan worden van een landelijke werkwijze. De inhoud van ‘de staat van de netcentrische crisisbeheer- sing’ is daarbij van grote waarde en waardevolle input.
  • 46. Fedor Meerts, NCTV CBRN Security Website & Middag organisaties inzien om hun beveiliging te verbeteren. In de eerste stap stelt de gebruiker vast welke CBRN-stoffen de organisatie in beheer heeft en in welke hoeveelheden. Dit is belangrijk om te kunnen bepalen of – en zo ja welke – aan- vullende maatregelen noodzakelijk zijn. In de tweede stap beoordeelt de gebruiker aan de hand van een vragenlijst het huidige weerstandsniveau van zijn of haar organisa- tie op de volgende thema’s: • security management; • registratie en inkoop; • toegangsbeveiliging; • transport en mobiel gebruik; • personeel en bewustwording; • informatie- en kennisbeveiliging. In de derde stap worden het risiconiveau en het weerstandsniveau gevisualiseerd in een spinnenwebdiagram. Per thema worden daarna tips voor verbeteracties getoond. CBRN Security Middag Op 8 november 2013 organiseert de NCTV de CBRN Security Middag, samen met de Veel organisaties hebben de afgelopen jaren hard aan gewerkt aan hun beveiliging, met een duidelijke verhoging van het weer- standsniveau tot gevolg. Om hen hierbij te ondersteunen hebben de NCTV en de betrokken ministeries – samen met een groot aantal instellingen – een pakket instrumenten ontwikkeld. Deze instrumen- ten zijn vanaf nu op één centrale plaats te vinden: www.nctv.nl/onderwerpen/tb/tools. U vindt factsheets en modules die hulp bieden bij: • beveiliging op de agenda zetten; • beveiliging analyseren en maatregelen voorbereiden; • security awareness binnen uw organisatie vergroten; • beveiliging beoefenen en evalueren. Zelfanalysemodule CBRN Security Een goed startpunt is de nieuwe online Zelfanalysemodule CBRN Security. Hiermee kunnen beveiligingsmanagers snel zelf hun risiconiveau inschatten, de staat van hun beveiliging beoordelen en tips van andere ministeries van Economische Zaken (EZ), Infrastructuur en Milieu (I&M), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deze middag is gericht op managers die dagelijks verantwoordelijk zijn voor de beveiliging van CBRN-stoffen. In het plenaire gedeelte zal de NCTV het actuele dreigingsbeeld in Nederland toelichten. Daarna zijn er workshops over de CBRN Security instrumenten die vanuit de Rijksoverheid aangeboden worden. Onder meer staan workshops op het programma over Zelfanalyse CBRN Security, Security Awareness, Cyber Security Awareness, spionage, Biosecurity, Red Teaming oefeningen en maatregelen bij instellingen. De middag biedt tevens de mogelijkheid om ervaringen en kennis uit te wisselen met collega’s. Deelname aan de dag is alleen op uitnodiging. Werkt uw organisatie met risicovolle CBRN-stoffen, maar heeft u nog geen uitnodiging ontvangen? Neem dan contact op met de NCTV via cbrn@nctv.minvenj.nl. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201346 Chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) stoffen hebben veel belangrijke toepassingen in Nederland, maar zijn voor kwaadwillenden ook interessant om een aanslag mee te plegen. Daarom is het noodzakelijk om deze risicovolle stoffen goed te beveiligen. Bedrijven en overheidsinstellingen die werken met CBRN-stoffen zijn zelf verantwoordelijk voor een adequate beveiliging en moeten in staat zijn om signalen van misbruik te herkennen.
  • 47. Redactieadres Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing Ministerie van Veiligheid en Justitie Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, kamer Z.06.136 Postbus 20301 2500 EH Den Haag E-mail: magazine@nctv.minvenj.nl Internet: www.nctv.nl Redactiecommissie Marcel van Eck, Paul Abels, Chris van Duuren, Arjo van Driel, Chris Hanekamp, Hedzer Komduur, Martine van de Kuit, Jan-Bart van Oppenraaij, Eelco van Stofbergen, Maaike van Tuyll en Geert Wismans (samenstelling en eindredactie) Redactieraad Prof. dr. Ben Ale (Technische Universiteit Delft) Prof. dr. ir. Marjolein van Asselt (Universiteit Maastricht, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) Prof. dr. Edwin Bakker (Universiteit Leiden/ Centre for Terrorism & Counterterrorism) Prof. dr. Arjen Boin (Universiteit Utrecht) Mr. dr. Ernst Brainich Prof. dr. Adelbert Bronckhorst (TNO/VU Amsterdam) Dr. Menno van Duin (Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid) Prof. dr. Michel van Eeten (Technische Universiteit Delft) Prof. dr. Georg Frerks (Universiteit Wageningen) Prof.dr. Beatrice de Graaf (Universiteit Leiden/Centre for Terrorism & Counterterrorism) Prof. dr. Bob de Graaff (Nederlandse Defensie Academie) Prof. dr. Ira Helsloot (Radboud Universiteit Nijmegen) Prof. dr. Erwin Muller (Universiteit Leiden) Dr. Astrid Scholtens (Crisislab) Prof. dr. Erwin Seydel (Universiteit Twente) Prof. dr. Rob de Wijk (Universiteit Leiden, The Hague Centre for Strategic Studies) Aan dit nummer werkten mee: Paul Abels, Marjolein van Asselt, Kamaldeep Badwal, Edwin Bakker, Vera Bánki, Sander Banus, Eva Barneveld, Sergei Boeke, Alexander Bouwman, Inti Brazil, Erik Bulten, Kim van Buul, Merijn ten Dam, Jan van Dijk, Rosa Dinissen, Michel Dückers, Chris van Duuren, Esselien van Eerten, Joost van Elk, Constant Hijzen, Rieks Joosten, Peter Knoope, Noemi Kwaks, Fedor Meerts, Marcel Mennen, Arda Riedijk, Karin Roelofs, Joost van Rossum, Alex P. Schmid, Dick Schoof, André Smulders, Cisca Stom, Marieke Timmermans, Willem Treurniet, Esther Versluis, Michiel de Weger, Bertruke Wein, Lodewijk van Wendel de Joode, Joep Wijnands, Rob Willems, Ester Willemsen, Hans de Wit Fotografie AIVD, ANP, Geodan, Hollandse Hoogte, IPI/Anna Blau, Ministerie van Defensie, NCTV IIlustraties Instituut Clingendael, NCTV, Radboud Universiteit Nijmegen/ITS Cartoons Foksuk.nl, Stripstudio.nl Vormgeving Grafisch Buro van Erkelens, Den Haag Productiebegeleiding Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Directie P&O / GMD / Grafisch Buro J-16981 Druk DamenVanDeventer © Auteursrecht voorbehouden. ISSN 1875-7561 Colofon Voor een gratis abonnement mail: magazine@nctv.minvenj.nl Het magazine is te downloaden via www.nctv.nl Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 47
  • 48. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201348 Alex P. Schmid, nestor van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek naar terrorisme Vier vragen aan: Tot hoe ver terug gaat uw wetenschappe- lijke betrokkenheid bij de bestudering van terrorisme en hoe bent u hierbij betrokken geraakt? “Ik kwam eind jaren zeventig vanuit Zwitserland naar Nederland en vond al snel werk bij het Centrum voor Onderzoek van Maatschappelijke Tegenstellingen (COMT) in Leiden. Het centrum kreeg van de regering het verzoek onderzoek te doen naar de Molukse kapingen. Ik deed een studie naar de Molukse gijzelingsacties vanuit een nieuwe invalshoek: geweld als communi- catiestrategie. Tot dat moment was de dominante visie op terrorisme dat het een voortzetting was van guerrillaoorlog in een stedelijke omgeving. Door de opkomst van de massamedia, met name televisie, kreeg het 19de eeuwse concept van de “propaganda van de daad“ echter een nieuwe dimensie. Ik zag dat gebeuren, en ontwikkelde een theorie die ik uitwerkte in het boek Violence as Communication; Insurgent Terrorism and the Western News Media. Het was overigens niet zo dat mijn invalshoek meteen als waar- devol werd gezien. Ik herinner me nog een krantenkop in het Leidsch Dagblad: “Dom, dwaas en zelfs gevaarlijk”, zo werd mijn pleidooi, om de sensatielust van de mas- samedia via guidelines aan banden te leggen, gekenschetst. Ik deed ook ander onderzoek in de jaren tachtig, bij voorbeeld naar de effectiviteit van geweldloosheid en naar schendingen van mensenrechten.” Wat is uw fascinatie voor terrorisme en contraterrorisme? “Ik ben niet gefascineerd door geweld, integendeel, ik verafschuw geweld en ben daarom vooral geïnteresseerd in hoe je geweld kan voorkomen of beperken. Mijn moeder ontvluchtte de Sovjet Unie in 1932; haar ouders kwamen in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog om het leven, tijdens de Russische burgeroorlog . Mijn proefschrift aan de Universiteit van Zürich ging dan ook over interventie en contrarevolutie in deze burgeroorlog. Ook later liet Rusland mij niet los. Zo schreef ik onder meer Soviet Military Interventions since 1945 . Ook in een nieuwe publicatie die binnenkort verschijnt, ‘Ter- rorists on Trial’, die ik samen met Beatrice de Graaf redigeer, behandel ik twee Russische case studies. De eerste betreft een rechtszaak uit 1878 tegen Vera Zasulich, een revolutio- naire aristocrate die aan de wieg stond van het hedendaagse terrorisme , en de tweede case study gaat over een Stalinistisch show- trial medio jaren dertig.” Is er een vergelijking te maken tussen het terrorisme en de bestrijding ervan in de jaren zeventig en nu? “Zelfmoordterrorisme bestond toen zo goed als niet en religie speelde nog nauwelijks een rol. Links terrorisme verdween met de ondergang van de Sovjet Unie, terwijl etnisch nationalistisch terrorisme ook na de Koude Oorlog bleef voortbestaan. Het fanatisme is toegenomen nadat in Iran de Ayatollahs de macht overnamen en in Afghanistan, als reactie op de Sovjet interventie, de Jihad werd uitgeroepen. Een ander verschil is dat de nexus tussen terrorisme en georgani- seerde misdaad vroeger nauwelijks bestond. Bij de bestrijding van terrorisme gebruikte men toendertijd nog geen computers, al legde in Duitsland Horst Herold met zijn ‘Rasterfahndungsstrategie’ de basis voor het gebruik van data-mining bij de opsporing. Nu is met de opkomst van het internet de rol van communicatie strategieën zowel bij het terrorisme als bij het contra-terrorisme centraal komen te staan.” Hoe beoordeelt u het hedendaagse wetenschappelijke onderzoek op het vlak van terrorisme? “Ik ben niet zo pessimistisch als Marc Sageman, die onlangs stelde dat het onder- zoek in de laatste tien jaren ‘stagneert’. Ik deel wel zijn opvatting dat de verregaande scheiding tussen academisch onderzoek en inlichtingenwerk een beter begrip van ter- rorisme in de weg staat, wat ook negatieve gevolgen heeft voor de bestrijding ervan. Een betere samenwerking tussen wetenschap- pers, beleidsmakers en practitioners komt de effectiviteit van terrorismebestrijding ten goede.” Foto: IPI/Anna Blau