1
Radicaal (on)zichtbaar
Verkennend onderzoek naar omvang, kenmerken en oorzaken van mogelijke radicalisering onder
Amster...
2
VOORWOORD
Het onderzoek Radicaal (on)zichtbaar is uitgevoerd in opdracht van de Informatie Huishouding van de
Dienst Ope...
3
SAMENVATTING RADICAAL (ON)ZICHTBAAR
Probleemverkenning en behoefte gemeente Amsterdam
Recente signalen geven aan dat er ...
4
Roux et al (2010) Deze vragenlijst is op basis van eigen inzicht en expertise aangepast en aangevuld met
additionele vra...
5
namelijk uit respondenten die voldoen aan een voor dit onderzoek vastgesteld profiel (Zie hoofdstuk 6
Materiaal en doelg...
6
 Legitimiteit Autoriteiten: Er zijn kleine maar belangrijke minderheden met weinig respect en
vertrouwen in de verschil...
7
van kleding als de omgang met mannen gaat het om de representatie naar de sociale omgeving.
Conservatief gedachtegoed in...
8
direct zouden willen vertellen. Dit is een exploratief onderzoek en hierop doorvragen zou misschien tot
'dichtklappen' h...
9
10
INHOUD
VOORWOORD..........................................................................................................
11
3.5.3 Wij-Zij denken......................................................................................................
12
6.MATERIAAL EN DOELGROEP..................................................................................................
13
8.3.6 Superioriteitsgevoel ...............................................................................................
14
9.5 Verbeter signaleringsvermogen professionals: effect van beeldvorming ..................................... 103
9.6 ...
15
1. INLEIDING
De gemeente Amsterdam wil een onderzoek doen naar de mogelijke radicalisering onder moslima’s. Al
eerder h...
16
single-issue bewegingen aan te pakken, en de uitvoering van interventies bij risicosituaties.
1.2 Probleemverkenning en...
17
2. MODELLEN EN DEFINITIES
In deze studie zullen we ons primair bedienen van een sociaalpsychologische benadering van ra...
18
nieuwe uiterst positieve sociale identiteit. De macht van de leiders over de nieuwe leden wordt voortdurend
sterker en ...
19
iemand erg orthodox zijn, zonder radicaal te zijn. En zo hoeft een radicaal of extremist niet per se ook
orthodox in de...
20
gewantrouwd worden; verzet tegen hen is gerechtvaardigd;
3. Religieuze gezagsdragers berusten in deze situatie en plege...
21
3. HET VIZEA-ONDERZOEK EN DE SOCIAAL PSYCHOLOGISCHE BENADERING
In dit hoofdstuk wordt het Vizea-onderzoek in de context...
22
Deze constatering levert natuurlijk een uitdaging op als het gaat om de keuze van benadering voor
radicaliseringsonderz...
23
Demografische
factoren
Opleiding
Sekse
Leeftijd
Religie
Etniciteit
Woonomgeving
Baan
etc.
Sociaal-
psychologische
facto...
24
Bos de 'ideologische dimensie' van radicalisering.18
Beide deze dimensies kunnen als ze sterk aanwezig zijn
in het radi...
25
3.4.2 Onzekerheidsgevoel
De tweede sociaalpsychologische factor die Van den Bos bespreekt is onzekerheid. Volgens de
so...
26
problematische radicalisering kan zorgen als deze met geweld gepaard gaat. Het strijden voor gelijke
rechten – tegen ac...
27
voorbode voor geweldsgebruik. 35
De definitie van wij-zij denken bij Bos kan worden samengevat als: De
mate waarin de j...
28
radicalisering. Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving blijkt ook geen verband met sympathie voor
gewelddadig ged...
29
interview model (zie onder).
Tot nu toe werd aangenomen dat moslims die radicaliseren een relatief normale jeugd hadden...
30
Demografische
variabelen
Sociaal-
psychologische
variabelen:
Ervaren en
waargenomen
onrechtvaardig-
heid
Onzekerheid en...
31
3.10 Definities en theoretische aanpassingen op Van den Bos van de zeven factoren volgens
Vizea
3.11 Sociaalpsychologis...
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Eindrapport radicaal onzichtbaar
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Eindrapport radicaal onzichtbaar

335

Published on

Recente signalen geven aan dat er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden over de rollen van vrouwen in
radicale bewegingen. De gemeente Amsterdam geeft onder andere aan dat zij te weinig zicht heeft op
moslima’s die kampen met problemen die hen vatbaar kunnen maken voor radicalisering. Daar komt nog bij
dat deze groep lastig te bereiken is. Hun problematiek is niet duidelijk en uit eerder oriënterend onderzoek
blijkt dat deze groep een tendens vertoont om hun problemen te verinnerlijken.

Published in: Leadership & Management
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
335
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Eindrapport radicaal onzichtbaar

  1. 1. 1 Radicaal (on)zichtbaar Verkennend onderzoek naar omvang, kenmerken en oorzaken van mogelijke radicalisering onder Amsterdamse moslima’s
  2. 2. 2 VOORWOORD Het onderzoek Radicaal (on)zichtbaar is uitgevoerd in opdracht van de Informatie Huishouding van de Dienst Openbare Orde & Veiligheid van de Gemeente Amsterdam. We zijn onze opdrachtgevers erkentelijk voor het verstrekken van de opdracht en onze dank gaat uit naar alle betrokkenen bij het onderzoek. In het bijzonder willen we bedanken: De externe leden van de begeleidingscommissie: Professor Dr. T. Pels [Verwey Jonker instituut], dr. R. Witte [IVA, Universiteit van Tilburg] en drs. F. Venecourt [Spirit] voor het kritisch meelezen en de wetenschappelijke feedback en de heer dr. B. Amjarso voor zijn inspirerende hulp bij het samenstellen van de vragenlijst. Onze speciale dank gaat uit naar de twee veldwerkers Z. Madhdroume en N. Ramzi, die ontelbare uren in dit onderzoek hebben gestopt en zonder wiens vertrouwen en ervaring de doelgroep nooit bereikt had kunnen worden. Onze dank gaat dan ook uit naar alle respondenten die bereid zijn geweest tijd vrij te maken voor onze vragen en die ervoor gezorgd hebben dat deze groep vrouwen niet langer onzichtbaar is. Tot slot hopen we de lezer een nieuwe ervaring mee te kunnen geven die aanvullend is op reeds bestaand onderzoek op het terrein van radicalisering. 10 juni 2012 Drs. L. Wessels, hoofdonderzoeker, conflictanalysis360 Msc. A. Dijkman, onderzoekscoördinatie, Vizea
  3. 3. 3 SAMENVATTING RADICAAL (ON)ZICHTBAAR Probleemverkenning en behoefte gemeente Amsterdam Recente signalen geven aan dat er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden over de rollen van vrouwen in radicale bewegingen. De gemeente Amsterdam geeft onder andere aan dat zij te weinig zicht heeft op moslima’s die kampen met problemen die hen vatbaar kunnen maken voor radicalisering. Daar komt nog bij dat deze groep lastig te bereiken is. Hun problematiek is niet duidelijk en uit eerder oriënterend onderzoek blijkt dat deze groep een tendens vertoont om hun problemen te verinnerlijken. Dat velen hun emotionele, politieke en identiteitsontwikkeling mogelijk doormaken in een schaamte- en taboecultuur maakt het onderzoek en het duiden van de problematiek nog lastiger. Voor een compleet beeld van risico's van radicalisering is een goed beeld van deze groep essentieel. De gemeente is ervan overtuigd dat een onderzoek naar de omvang en kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima’s helderheid kan verschaffen wat op zijn beurt kan resulteren in een oplossingsgerichte aanpak. Om een doelgerichte aanpak te verwezenlijken heeft de gemeente Amsterdam belang bij een onderzoeksteam dat toegang heeft tot deze lastig te benaderen doelgroep zodat op een effectieve manier het probleem in beeld gebracht kan worden. De Informatie Huishouding (IHH) van de bestuursdienst van de gemeente Amsterdam heeft daarom Vizea de opdracht verleend om dit onderzoek uit te voeren en daarbij gebruik te maken van haar specifieke netwerk en contacten. Doelstellingen Het Vizea-onderzoek naar radicalisering onder moslima's in Amsterdam heeft vijf doelstellingen: 1. Inzicht krijgen in de relatieve omvang van de groep kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 2. Inzicht krijgen in de oorzaken die leiden tot de problematiek van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijke radicaliserende moslima's in Amsterdam; 3. Zicht krijgen op veel voorkomende kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 4. Kennis verkrijgen over positieve en negatieve invloeden van buitenaf en de impact hiervan, zoals het aanbod van radicaal gedachtegoed; 5. Het doen van suggesties en aanbevelingen voor beleid en verder onderzoek. Aard en methode van het onderzoek Dit onderzoek is exploratief van aard. Er is weinig specifiek onderzoek naar de rol, positie en het gedrag van geradicaliseerde moslima's gedaan in Nederland en daarbuiten. Bestaand onderzoek gaat vaak over radicalisering onder moslims, ongeacht geslacht. Het behandelt vrouwen vaak niet als een groep met mogelijk aparte eigenschappen wat radicalisering betreft. Dit onderzoek is daarmee vernieuwend en exploratief en de eerste keer dat de gemeente Amsterdam zo specifiek onderzoek laat doen naar vrouwen en radicalisering. Om de beperkte tijd en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten is er voor gekozen om het onderzoek in te delen in twee fasen; een kwantitatief gedeelte en een kwalitatief gedeelte. Ten eerste het uitzetten van een vragenlijst onder 155 dames op basis van een doelgroepprofiel. Voor de vragenlijst is gebruik gemaakt van vragen uit eerder onderzoek van Van den Bos (2009) en op basis van de studie ‘Salafisme in Nederland’ van
  4. 4. 4 Roux et al (2010) Deze vragenlijst is op basis van eigen inzicht en expertise aangepast en aangevuld met additionele vragen die in de uiteindelijke vragenlijst verwerkt zijn. In fase twee zijn twaalf geselecteerde dames geïnterviewd met gebruikmaking van een narratief biografisch interviewmodel. Deze methode, ontwikkeld door de socioloog Schütze, vraagt de respondente om zelf het verhaal van haar leven te vertellen. Het voordeel hiervan is dat er volgens Schütze door de spontaniteit van het verhaal zogenaamde 'Zugzwänge' (letterlijk de dwang om een 'zet' te maken, denk aan het schaken) tot het verdichten en tot het detailleren. Vooral door deze “Zugzwänge” raken mensen ‘verstrikt’ in hun verhaal en verliezen daarbij de controle over hun verhaal. De verteller wordt meegesleept door zijn eigen verhaal en produceert op die manier meer en andere informatie, een vollediger beeld over zich zelf dan hij of zij van plan was. Deze methode leidt daarmee vaker tot een eerlijker en duidelijker beeld van het leven van de respondent, dan reguliere vraag- en antwoord methodes. Toegang tot respondenten Elk onderzoek werkt met 'materiaal', de informatie waar we als onderzoekers toegang toe hebben. Bij dit onderzoek ligt er een grote uitdaging omdat de informatie over radicalisering en over de rol van vrouwen daarin niet voor het oprapen ligt en voor ons veelal onzichtbaar is: gedrag van veel moslimvrouwen en zeker mogelijk radicaliserende moslimvrouwen in het bijzonder, vindt achter de voordeur plaats. Zonder toegang tot deze vrouwen en relevante netwerken kun je niets zinnigs zeggen over het radicaliseringspotentieel van moslima's in Amsterdam. Wat dit onderzoek extra interessant en relevant maakt is de toegang die Vizea heeft tot sterk geïsoleerde moslima's. Een onderzoek naar niet- geïsoleerde moslima's is minder interessant omdat de meeste indicatoren dan automatisch wijzen op niet-radicalisering, niet-isolatie of minder kwetsbaarheid. Vizea heeft deze vrouwen kunnen bereiken en bevragen door eigen ervaring, netwerk en daarbij behorende toegang tot lezingen van conservatieve prekers en verschillende gesloten fora voor vrouwen (thuis, in de moskee, in praatgroepen, tijdens islamitische feesten). Dat betekent dat Vizea hiermee een 'biased steekproef', selecte steekproef doet in positieve zin, dieper de doelgroep in van mogelijk kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende vrouwen. Omvang kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's Op basis van dit onderzoek kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat het aantal radicale moslima's in Amsterdam is. Elke poging om een omvang van deze doelgroep te bepalen is moeilijk. Zoals in hoofdstuk 6 Materiaal en Doelgroep is beschreven, levert een algemene schatting op basis van de gegevens van de Veiligheids- en Diversiteitsmonitor 2010 van de Dienst Onderzoek en Statistiek1 op, dat er in de leeftijdscategorie 13 tot 30 jaar in Amsterdam maximaal 20.000 moslima's zijn. We gaan uit van deze leeftijdscategorie omdat uit eerdere onderzoeken blijkt dat in deze leeftijdscategorie het radicaliseringpotentieel het grootst is. Bij een steekproefmarge van 7 procent, een betrouwbaarheidspercentage van 90% en een populatie van 20.000 is een steekproef van 138 personen voldoende om representatief te zijn.2 Met 155 ingevulde vragenlijsten is daarmee aan deze voorwaarde voldaan. Deze marges gelden echter voor een aselecte steekproef en gezien het feit dat het bij onderzoek Radicaal (on)zichtbaar om een selecte steekproef gaat, is het extrapoleren van de uitslag naar de gehele doelgroep van moslima's in Amsterdam in deze context weinigzeggend. De selecte steekproef bestaat 1 Dienst Onderzoek en statistiek: Veiligheids en Diversiteits Monitor, 2010. 2 Steekproefcalculator (www.AllesoverMarktonderzoek.nl)
  5. 5. 5 namelijk uit respondenten die voldoen aan een voor dit onderzoek vastgesteld profiel (Zie hoofdstuk 6 Materiaal en doelgroep pagina 37) met factoren die bij kunnen dragen aan het radicaliseringpotentieel. Ongeveer 1,3 procent (2 dames) van de 155 dames scoort meer dan 3,0 op de factor Directe geweldslegimatie (tegen 4 procent op exact 3.0). Het percentage dames dat daadwerkelijk aangeeft dat geweld gebruikt mag (4,2 procent) of moet (2.8 procent) worden om de islam te verdedigen is relatief klein. Een hoge score op geweldslegitimatie is echter niet voldoende om daadwerkelijk te radicaliseren en tot een geweldsdaad te komen. De onderzochte dames zijn niet allemaal noodzakelijkerwijs radicaal, maar in potentie wel het meest ontvankelijk voor radicalisering, gemeten aan de hand van de factor Directe geweldslegitimatie. Deze gegevens zijn gebaseerd op de uitslag van het kwantitatieve gedeelte van het onderzoek. Aan de hand van het kwalitatieve gedeelte blijken echter dat er meer factoren zijn die een rol kunnen spelen bij radicalisering van meiden en vrouwen (zie Hoofdstuk Resultaten Interviews pagina 61). Deze factoren zijn echter niet meegenomen in de vragenlijst omdat deze is gebaseerd op uitkomsten van eerder onderzoek. Nieuw kwantitatief onderzoek zou moeten uitwijzen in welke mate deze nieuwe aanvullende factoren van belang zijn bij een eventuele omvangsberekening. Resultaten en conclusies uit de vragenlijst  Onrechtvaardigheid: Het gevoel van collectieve achterstelling, van onrechtvaardigheid is zeer wijd verbreid is onder de moslima's in Amsterdam: zij voelen zich als groep gediscrimineerd (61,5% procent), 72,5% procent is boos over deze discriminatie en een deel voelt zichzelf achtergesteld (18,1% procent). Er is geen verband tussen deze factor en geweldslegitimatie gevonden.  Dreiging: het gevoel van dat bedreiging wijd verspreid is. Maar liefst 60,5 procent van de moslima’s vindt dat de islam in Nederland bedreigd wordt. Slecht 11,6 procent vindt dat de islam niet bedreigd wordt. 14,5 procent van de moslima’s voelt zich persoonlijk onveilig in Amsterdam.  Ideologisch referentiekader: er is sprake van een sterke aanwezigheid van een ideologisch referentiekader bij de dames. Deze sterke aanwezigheid van inhoudelijk referentiekader staat (met inachtneming van bovengenoemde beperking) in verband met onrechtvaardigheidsgevoel, dreigingsgevoel, een lage betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving; iets sterker in verband met superioriteitsgevoel en in zwak verband met indirecte geweldslegitimatie. Er kon geen verband bewezen worden met geweldslegitmatie of een lage betrokkenheid bij de samenleving. Er is dus geen verband aangetoond tussen orthodoxie, een sterke aanwezigheid van een ideologisch kader en geweldslegitimatie.  Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving: Er is sprake van een grote groep moslima's die zich niet deel voelt van de Nederlandse samenleving. Ook al kan er geen verband met geweldslegitimatie gevonden worden, blijft dat wel zorgwekkend. Deze factor houdt namelijk wel verband met veel andere gemeten factoren. Daarnaast zou dit ook vergeleken kunnen worden met deze attitudes bij de algemene – niet-moslim - populatie van Amsterdam om er meer relevants over te kunnen zeggen; voelen zij zich in vergelijking met de niet-moslimpopulatie van dezelfde leeftijds- en seksegroep meer betrokken bij de Nederlandse samenleving?
  6. 6. 6  Legitimiteit Autoriteiten: Er zijn kleine maar belangrijke minderheden met weinig respect en vertrouwen in de verschillende autoriteiten. Opvallend is de hoge middenscore op veel van de vragen. Vaak houdt een derde van de respondenten zich op de vlakte en dat duidt niet op een hoge legitimiteit van autoriteiten. Opvallend genoeg is de hoogste vertrouwensscore tussen alle autoriteiten voor de politie van Amsterdam voorbehouden. Wat het stadsbestuur betreft houden de moslima’s zich veel op de vlakte (63,9 procent), maar zijn er meer die het bestuur vertrouwen dan wantrouwen.  Superioriteitsgevoel: Gevoelens van superioriteit zijn alom aanwezig in de populatie van moslima’s, maar een lineair verband tussen die gevoelens en geweldslegitimiteit kan niet worden aangetoond. Wel staat deze factor in verband met andere factoren zoals (dreigingsgevoel-redelijk, ideologisch referentiekader-goed, een lage legitimiteit van autoriteiten en indirecte geweldslegitimatie).  Geweldslegitimatie: Er is weinig sprake van geweldslegitimatie bij de moslima's. Bij de kleine groep moslima's die geweld wel legitiem vinden en bereid zouden zijn om geweld te gebruiken is er een samenhang gevonden met een lage ervaren legitimiteit van autoriteiten. Het meer kunnen verklaren van gewelddadig gedrag (zonder het noodzakelijkerwijs goed te keuren) houdt geen verband met geweldslegitimatie. Resultaten uit de narratief biografische interviews De zeven factoren die gemeten zijn in de vragenlijst komen terug in de interviews. Per factor wordt de meest opvallende uitkomst besproken: De meeste dames, een enkeling daargelaten, heeft het gevoel persoonlijk gediscrimineerd te worden en niet welkom te zijn in Nederland. Dat gevoel correspondeert met het gevoel van de gehele groep respondenten zoals blijkt uit de SPSS analyse van de vragenlijst. Voor een aantal dames is dat gevoel dermate sterk dat zij emigratie serieus overwegen. Overigens onderkennen de dames zelf dat emigreren nog niet zo eenvoudig is. Bedreiging van de islam en moslims wordt sterk gevoeld door veel dames. Ook al wordt het niet altijd als zodanig benoemd, de dames lijken het gevoel te hebben gevangen te zitten in een samenleving die hen niet als moslim accepteert. Het lijkt deze dames echter aan een reëel handelingsperpectief te ontbreken. Hierdoor wordt het risico steeds groter dat zij met de rug tegen de muur komen te staan. Interventies om betrokkenheid bij de samenleving te vergroten en maatregelen om de perceptie van de legitimiteit van de autoriteiten te vergroten (de twee factoren die het dichtst staan bij geweldslegitimatie) lijken daarom geboden. Bij alle dames is er sprake van een zeer sterke aanwezigheid van een ideologisch referentiekader. Religie, zingevingsvragen en praktiseren is voor alle dames zeer belangrijk. Zelfs in het geval dat een respondent in kwestie, vanuit de eigen optiek gezien, niet of nauwelijks praktiseert, is er wel een groot verlangen dit alsnog te doen. Er komt uit bestudering van de interviews van de dames geen eenduidige methode, plaats of religieuze studievorm naar voren die verklaart waarom deze dames vergeleken met de rest van de populatie relatief intensief praktiserend zijn. Het religieuze referentiekader van meeste dames, is vooral gericht op kleding en de omgang met mannen. Het religieuze refententiekader lijkt hiermee naast strikt (dichotoom, want zwart-wit idee of goed en fout) ook vrij beperkt te zijn. Opvallend hierbij is dat de onderwerpen die besproken worden gaan over de representatie naar de buitenwereld. Zowel op het gebied
  7. 7. 7 van kleding als de omgang met mannen gaat het om de representatie naar de sociale omgeving. Conservatief gedachtegoed in termen van strikte (kleding)voorschriften, kan, naar het lijkt, niet goed verklaard worden door louter blootstelling aan geschriften en (radicale) medegelovigen. Het lijkt er eerder op dat veel van deze dames na een moeilijk socialiserinsgproces tot conservatieve interpretaties komen met religie als coping-mechanism voor (grote) problemen in het leven. Over de geïnterviewde dames zou voorzichtig gezegd kunnen worden dat zij redelijk betrokken zijn bij de Nederlandse samenleving. De meesten hebben werk of studeren. Een enkeling is wegens omstandigheden thuis. Een dame vindt werk echt leuk, maar de meeste dames zien werk als een noodzaak om het hoofd financieel boven water te houden. Behalve de betrokkenheid bij een aantal religieuze sociale organisaties (d.m.v. zelf lesgeven) van twee dames, spreekt geen van de andere dames over vrijwilligerswerk. De dames voelen zich vaak eerst moslim en dan Nederlander. Men identificeert zich niet als allochtoon. De meeste dames ervaren hun culturele achtergrond, bezien vanuit de islam, als problematisch. Daarnaast hebben ze het gevoel dat de Nederlandse samenleving niet bij hen betrokken is, dat ze uitgesloten worden en dat er aan hen extra eisen aan hun gesteld worden die niet gelden voor andere Nederlanders. Verder onderzoek naar factoren die meespelen bij de gevoelens van betrokkenheid van deze dames bij de Nederlandse samenleving verdiend aanbeveling. Het vertrouwen in de autoriteiten in termen van 'De Nederlandse politiek' is laag. 'Den Haag' heeft het specifiek op moslims gemunt, zo is het gevoel. Over de gemeente en de politie werd niets gezegd. Wel werd er in enkele gevallen met waardering gesproken over de sociaalpsychologische opvang in de stad, ook al was dat 'niet genoeg.' De indruk ontstaat dat veel dames de weg naar die instellingen niet weten te vinden of niet willen vinden. Er wordt soms een voorkeur uitgesproken voor behandeling in een (nog niet of onvoldoende bestaande) islamitische sociaal-maatschappelijke infrastructuur. Ook op deze factor moet meer onderzoek gedaan worden. De dames voelen zich vooral vaak superieur ten aanzien van familie, dan ten opzichte van 'de samenleving' of de dominante 'andere' cultuur. Ook worden ze vaak heen en weer geslingerd door gevoelens van 'niet goed genoeg' zijn in het algemeen, voor Allah, het ondergeschikt zijn aan familie, de eigen cultuur of man aan de ene kant, en de kracht en positie die aan de vroomheid van praktiseren wordt ontleend aan de andere kant. Het hebben van goed werk, een leidende functie (tijdelijk of anderszins) of een functie in een religieuze organisatie (bijvoorbeeld een religieuze vereniging) doet de dames zich goed voelen, maar is geen bron van superioriteitsgevoel. Velen willen vooral met rust gelaten worden in hun geloof. Dit met rust gelaten willen worden sluit aan bij het model van Van den Bos waarin de sociaalpsychologische gevoelens en de verschillende attitudes ofwel gecombineerd worden met angst (leidend tot isolatie) of met kwaadheid (bijdragend tot intenties tot gewelddadig gedrag). Deze dames vertonen een combinatie van verschillende emoties over hun leven: angst, soms berusting met humor of droefheid, kwaadheid, onzekerheid, soms onverschilligheid en vaak frustratie. Geen van de dames spreekt zich uit over geweld of geweldslegitimatie met uitzondering van één geïnterviewde, die deel uitmaakte van een radicaal-extremistische groep en in dat groepsverband radicaliseerde en sprak over een grote mate van superioriteitsgevoel bij de groep, het zich isoleren van familie en samenleving. De structuur van de groep doet denken aan die van een sekte met een hoge mate van groupthinking (het streven naar harmonie in denken binnen een groep met een intolerantie voor ideeën van binnen- of buitenaf die die harmonie kunnen verstoren of voor onzekerheid in denken of te volgen strategie kan veroorzaken). Het is onwaarschijnlijk dat dames die geweld zouden willen gebruiken dit
  8. 8. 8 direct zouden willen vertellen. Dit is een exploratief onderzoek en hierop doorvragen zou misschien tot 'dichtklappen' hebben kunnen leiden. Dan zouden ze misschien niet zo openhartig hebben gesproken over de andere persoonlijke onderwerpen die ter sprake kwamen. Er kwam al zoveel nieuwe informatie naar boven in de interviews dat het in de afweging van de interviewers niet fatsoenlijk geweest zou zijn zonder onder psychologische begeleiding diep hierop na te vragen. Dat neemt niet weg dat bij het benaderen van heftige emoties men ook dichter komt bij die emoties die noodzakelijk zijn voor het zich zetten tot geweld. Het zou verstandig zijn om deze groep dames in de toekomst verder te bevragen onder welke omstandigheden ze bereid zouden zijn geweld te gebruiken anders dan de in de vragenlijst algemeen gegeven reden van 'verdedigen van de islam.' Nieuwe thema's en factoren uit de interviews De interviews met deze lastig bereikbare groep heeft een schat aan informatie, nieuwe factoren en thema's opgeleverd en daarmee nieuwe wegen van onderzoek naar radicalisering mogelijk gemaakt. Deze inzichten kunnen tot de meting van nieuwe factoren leiden en mogelijk tot aanpassingen in de behandeling van het probleem van radicalisering en wellicht ook in de omgang door andere publieke actoren. Er zijn zes thema's geïdentificeerd waaronder verschillende factoren kunnen worden gedefinieerd: Levensbeschouwelijke Zoektocht; Socialisering (primair en secundair; thuissituatie en sociale omgeving); Emancipatie, Gender & islam & Cultuur;' Ingrijpende Levensgebeurtenissen;' 'Psychosociale problematiek,' 'Behoefte aan Genegenheid' en 'Stapeling van problematiek.' Als we deze thema's in een duidelijker verband plaatsen ontstaat een beeld van een proces waarin deze zes thema's interactie met elkaar aangaan. Het lijkt erop dat deze dames onder enorme psychische druk leven of leefden. De dames zijn vaak kwetsbaar en emotioneel geïsoleerd en voelen zich aan hun lot overgelaten. Dit resulteert in een hypothese dat de vrouwen religie niet alleen gebruiken voor algemene zingeving maar ook als het belangrijkste coping mechanism om houvast te vinden in een (zeer) moeilijke situatie. Aanbevelingen  Ondersteun de behoefte om vorm te geven aan zingeving: emanciperende werking;  Opvoedingsondersteuning bij problematische gezinssituaties: constructieve communicatie;  Aandacht voor identiteitsontwikkeling en burgerschap: regie op eigen toekomst in Nederland;  Aandacht voor sociale kwetsbaarheid en isolement: risico op verslaving, ronseling jihad en seksueel geweld;  Verbeter signaleringsvermogen professionals: effect van beeldvorming;  Aansluiting reguliere hulpverlening: expertiseontwikkeling culturele en religieuze dynamiek;  Publiek debat: niet belediging maar delegitimatie van autoriteiten vormt een risico;  Versterking religieuze infrastructuur: veilige religieuze socialisatie.
  9. 9. 9
  10. 10. 10 INHOUD VOORWOORD.....................................................................................................................................................2 SAMENVATTING RADICAAL (ON)ZICHTBAAR......................................................................................................3 INHOUD ............................................................................................................................................................10 1. INLEIDING .....................................................................................................................................................15 1.1 Huidige situatie in de gemeente Amsterdam.................................................................................. 15 1.2 Probleemverkenning en behoefte gemeente Amsterdam.............................................................. 16 1.3 Aanpak Vizea ................................................................................................................................... 16 1.4 Doelstellingen.................................................................................................................................. 16 2. MODELLEN EN DEFINITIES............................................................................................................................17 2.1 Vijf fasenmodel: Moghhadam en Meertens ................................................................................... 17 2.1.1 Niet-lineair.......................................................................................................................... 17 2.1.2 Vijf verdiepingen ................................................................................................................ 17 2.3 Centrale definities: 'Radicaal' – Islamitisch Radicalisme en (Gewelddadig) Islamitisch Extremisme18 2.3.1 Verschil tussen orthodox en radicaal/extremist................................................................. 18 2.3.2 'Radicaal' is nog niet problematisch................................................................................... 19 2.4 Verschil tussen Islamitisch Radicalisme en Islamitisch Extremisme................................................ 19 2.4.1 Deze twee definities corresponderen met de brede aanpak van de gemeente Amsterdam20 3. HET VIZEA-ONDERZOEK EN DE SOCIAAL PSYCHOLOGISCHE BENADERING..................................................21 3.1 Eerder radicaliseringsonderzoek ..................................................................................................... 21 3.2 Sociaalpsychologische invalshoek ................................................................................................... 22 3.3 Radicaliseringsproces (Van den Bos 2009): Sociaalpsychologische factoren en attitudes.............. 23 3.3.1 Verklaring Van den Bos model............................................................................................ 23 3.4 Sociaalpsychologische Factoren: Onrechtvaardigheidsgevoel, Onzekerheidsgevoel en Groepsdreiging ............................................................................................................................................................... 24 3.4.1 Onrechtvaardigheidsgevoel................................................................................................ 24 3.4.2 Onzekerheidsgevoel ........................................................................................................... 25 3.4.3 Groepsdreiging................................................................................................................... 25 3.5 Attitude Factoren............................................................................................................................. 26 3.5.1 Inhoudelijk gedachtegoed.................................................................................................. 26 3.5.2 Legitimiteit van de Nederlandse autoriteiten .................................................................... 26
  11. 11. 11 3.5.3 Wij-Zij denken..................................................................................................................... 26 3.5.4 Superioriteitsgevoelens...................................................................................................... 27 3.5.5 Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving................................................................ 27 3.5.6 Attitude ten aanzien van radicaal en terroristisch gedrag ................................................. 27 3.6 Belangrijke Uitkomsten van Van den Bos' Onderzoek..................................................................... 27 3.7 Theoretische Opzet Vizea Studie..................................................................................................... 28 3.7.1 Genderperspectief en onzekerheid.................................................................................... 28 3.7.2 Socialisatie.......................................................................................................................... 28 3.7.3 Definities ............................................................................................................................ 29 3.7.4 Vizea zeven factoren van Van den Bos aangepast.............................................................. 29 3.7.4 Grafiek Radicaliseringsproces volgens Vizea...................................................................... 29 3.8 Visualisering radicaliseringsproces volgens Vizea: .......................................................................... 30 3.9 Begripsbepaling voor deze studie.................................................................................................... 30 3.10 Definities en theoretische aanpassingen op Van den Bos van de zeven factoren volgens Vizea.. 31 3.11 Sociaalpsychologische factoren..................................................................................................... 31 3.11.1 Factor 1 ervaren en waargenomen (politieke en sociale) onrechtvaardigheid................ 31 3.11.2 Factor 2 bedreiging........................................................................................................... 31 3.12 Attitudes........................................................................................................................................ 31 3.12.1 Factor 3 ideologisch referentiekader (+methode van interpretatie)................................ 31 3.12.1.1 Ideologisch referentiekader ................................................................................ 31 3.12.1.2 Methode van Interpretatie.................................................................................. 32 3.12.2 Factor 5 betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving................................................ 32 3.12.3 Factor 6 legitimiteit van autoriteiten: .............................................................................. 32 3.12.4 Factor 7 superioriteitsgevoel............................................................................................ 32 3.12.5 Factor 8 legitimering van geweld ..................................................................................... 33 5. EXPLORATIEVE METHODE.............................................................................................................................34 5.1 Aard van het onderzoek .................................................................................................................. 34 5.2 Fase 1: Vragenlijsten........................................................................................................................ 34 5.3 Fase 2: Interviews............................................................................................................................ 35 5.3.1 Selectie voor interviews ..................................................................................................... 35 5.3.2 Narratief biografisch interviewmodel ................................................................................ 35 5.3.3 Vragen naar gender, socialisatie en methode van interpretatie ........................................ 35
  12. 12. 12 6.MATERIAAL EN DOELGROEP..........................................................................................................................37 6.1 Toegang tot respondenten .............................................................................................................. 37 6.2 Doelstelling 1: omvang .................................................................................................................... 37 6.3 Sociaal wenselijke antwoorden en selectie van respondenten....................................................... 38 7. RESULTATEN VRAGENLIJST............................................................................................................................39 7.1 Vragenlijst analyse met SPSS........................................................................................................... 39 7.2 Algemene demografische kenmerken............................................................................................. 39 7.2.1 Verdeling van respondenten over de stad ......................................................................... 39 7.2.2 Huwelijkse staat ................................................................................................................. 40 7.2.3 Thuis/Uitwonend................................................................................................................ 40 7.2.4 Opleiding ............................................................................................................................ 40 7.2.5 Werk ................................................................................................................................... 40 7.2.6 Etnische verdeling .............................................................................................................. 40 7.2.7 Gemiddelden van alle factoren op een rijtje...................................................................... 40 7.3 De Sociaalpsychologische Factoren: Onrechtvaardigheid, Bedreiging............................................ 42 7.3.1 Factor 1: Onrechtvaardigheid............................................................................................. 42 7.3.2 Factor 2: Bedreiging............................................................................................................ 44 7.4 Attitude Factoren............................................................................................................................. 46 7.4.1 Factor 3: Ideologisch Referentiekader en Methode van Interpretatie............................... 46 7.4.2 Factor 4: betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving................................................. 48 7.4.3 Factor 5: Legitimiteit Autoriteiten...................................................................................... 50 7.4.4 Factor 6: Superioriteitsgevoel ............................................................................................ 53 7.4.5 Factor 7 Geweldslegitimatie............................................................................................... 55 7.5 Conclusie factoren........................................................................................................................... 58 8. RESULTATEN INTERVIEWS.............................................................................................................................61 8.1 Selectie voor interviews .................................................................................................................. 61 8.2 Analysemethode en Stappen .......................................................................................................... 61 8.3 De zeven factoren in de interviews ................................................................................................. 61 8.3.1 Onrechtvaardigheid............................................................................................................ 61 8.3.2 Bedreiging........................................................................................................................... 63 8.3.3 Ideologisch kader/methode van interpretatie ................................................................... 65 8.3.4 Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving................................................................ 67 8.3.5 Legitimiteit van autoriteiten............................................................................................... 68
  13. 13. 13 8.3.6 Superioriteitsgevoel ........................................................................................................... 69 8.3.7 Geweldslegitimering........................................................................................................... 69 8.4 Nieuwe factoren en andere inzichten ............................................................................................. 70 8.5 Levensbeschouwelijke zoektocht .................................................................................................... 70 8.6 Socialisatie....................................................................................................................................... 76 8.6.1 Problematische thuissituatie.............................................................................................. 76 8.6.2 Problematische sociale omgeving...................................................................................... 78 8.7 Emancipatie, Gender & Islam en Cultuur........................................................................................ 79 8.8 Ingrijpende levensgebeurtenis........................................................................................................ 80 8.9 Psychosociale problematiek ............................................................................................................ 85 8.10 Gebrek aan genegenheid............................................................................................................... 86 8. 11 Stapeling van problematiek.......................................................................................................... 90 8.11.1 De problemen van de dames verkort weergegeven ........................................................ 91 8.12 Conclusie interviews...................................................................................................................... 92 8.12.1 Methodisch model: meerwaarde van het narratief biografische interview .................... 92 8.12.2 Theoretisch model............................................................................................................ 93 8.12.3 Conclusies over de zeven factoren in de interviews ........................................................ 93 8.12.4 Nieuwe thema's en factoren............................................................................................ 95 8.12.4. 1 Zingeving ............................................................................................................ 95 8.12.4.2 Socialisering ........................................................................................................ 96 8.12.4.3 Ingrijpende levensgebeurtenissen...................................................................... 96 8.12.4.4 Psychosociale problematiek................................................................................ 96 8.12.4.5 Genegenheid....................................................................................................... 96 8.12.4.6 Stapeling.............................................................................................................. 97 8.12.5 Sociaalpedagogische factoren en het sociaalpsychologische model ............................... 97 8.12.5.1 Verschillen tussen mannen en vrouwen ............................................................. 97 8.12.6 Oplossingen vanuit de interviews .................................................................................... 98 8.12.7 Omvang kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's........................ 99 9. CONCLUSIES & AANBEVELINGEN................................................................................................................100 9.1 Ondersteun de behoefte om vorm te geven aan zingeving: emanciperende werking ................. 100 9.2 Opvoedingsondersteuning bij problematische gezinssituaties: constructieve communicatie ..... 101 9.3 Aandacht voor identiteitsontwikkeling en burgerschap: regie op eigen toekomst in Nederland. 101 9.4 Aandacht voor sociale kwetsbaarheid en isolement: o.a. risico op verslaving, ronseling jihad en seksueel geweld................................................................................................................................... 102
  14. 14. 14 9.5 Verbeter signaleringsvermogen professionals: effect van beeldvorming ..................................... 103 9.6 Aansluiting reguliere hulpverlening: expertiseontwikkeling culturele en religieuze dynamiek.... 103 9.7 Publiek debat: niet belediging maar delegitimatie van autoriteiten vormt een risico.................. 104 9.8 Versterking religieuze infrastructuur: veilige religieuze socialisatie.............................................. 104 9.9 Radicaliseringweegschaal.............................................................................................................. 106 Geraadpleegde Literatuur...............................................................................................................................107 Bijlagen ...........................................................................................................................................................109 Bijlage 1: Werkwijze veldwerkers........................................................................................................ 109 Bijlage 2 Religieuze kaart: Overzicht organisaties waar de vragenlijst afgenomen is ......................... 111 Bijlage 3: Gebruikte vragen en Correlaties.......................................................................................... 114 Bijlage 4A Vragenlijst & 4B Herkomst van de vragen .......................................................................... 119 Bijlage 5: Narratief-biografisch interviewprotocol .............................................................................. 137 Bijlage 6 Narratief biografisch interview respondent 1....................................................................... 140 Bijlage 7 Narratief biografisch interview respondent 2....................................................................... 157 Bijlage 8 Leden van de begeleidingscommissie................................................................................... 173
  15. 15. 15 1. INLEIDING De gemeente Amsterdam wil een onderzoek doen naar de mogelijke radicalisering onder moslima’s. Al eerder heeft zij zich met de vragen van radicalisering onder jongere moslims bezig gehouden en daar rapporten over geschreven. Sinds 2004 investeert de gemeente Amsterdam in preventie en aanpak van radicalisering. In 2007 heeft de gemeente haar actieplan ‘Amsterdam tegen radicalisering’ gepresenteerd.3 Daarin wordt beschreven dat de investering op drie niveaus plaatsvindt, te weten: (1) De voedingsbodem voor radicalisering verminderen door sociaal vertrouwen en wederzijdse tolerantie en acceptatie onder Amsterdammers te bevorderen, (2) Vatbare groepen, zoals jongeren die worstelen met hun identiteit en hun plaats in de samenleving, weerbaar maken tegen negatieve invloeden en radicaal gedachtegoed. 3) Personen die een proces van radicalisering doormaken, actief begeleiden om het radicaliseringsproces te keren en hen weer op een positieve manier aan de samenleving te binden. Het is van groot belang vatbare groepen, zoals jongeren die worstelen met hun identiteit en hun plaats in de samenleving, in een vroegtijdig stadium weerbaar te maken tegen negatieve invloeden en radicaal gedachtegoed. Ook is het zaak personen die een proces van radicalisering doormaken, actief te begeleiden om het radicaliseringsproces te keren en hen weer op een positieve manier aan de samenleving te binden. Deze aanpak richt zich op alle vormen van radicalisering: van linksradicalisering, rechtsradicalisering, dierenrechtenactivisme tot en met moslimradicalisering. Het streven van deze aanpak is om de reële risico’s van maatschappelijke onrust in de stad als gevolg van radicale uitingen en gedrag van individuen en groepen te verkleinen en te minimaliseren. Op dit moment ligt de focus op de aanpak van moslimradicalisering omdat meldingen in Amsterdam nu vooral gaan over deze vorm van radicalisering. In 2006 presenteerde IMES, het Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van het College van B&W het onderzoeksrapport Processen van radicalisering; waarom sommige Amsterdamse moslims radicaal worden.4 In dit onderzoek werden aanbevelingen gedaan om moslimradicalisering een halt toe te roepen. De belangrijkste aanbevelingen zijn:  Het vergroten van maatschappelijk vertrouwen;  Het vergroten van politiek vertrouwen;  Het vergroten van religieuze weerbaarheid. 1.1 Huidige situatie in de gemeente Amsterdam Gedurende dit onderzoek heeft een heroriëntatie van het Amsterdamse radicaliseringsbeleid plaats gevonden. Hierin is de aanpak van radicalisering en polarisatie aangepast aan de huidige dreiging en wordt effectiever en efficiënter gewerkt. De aanpak focust zich op daadwerkelijk geconstateerde risico's (groepen, individuen die radicaliseren en polariseren) met als doel om problemen vroegtijdig te signaleren, te de- radicaliseren en te de-escaleren. Netwerk- en expertiseopbouw zijn daarvoor randvoorwaarden. De belangrijkste activiteiten zijn: Het meld- en adviespunt, een pilotproject om organisaties zelf te leren om casussen af te handelen, opzetten van een pool met professionals op het gebied van de-radicalisering, doorontwikkeling van het draaiboek Vrede, onderzoek naar handelingsperspectieven om de risico’s van 3 Gemeente Amsterdam: PAS, IHH en COT (Marco Zannoni) 2007 4 Slootman en Tillie, 2006.
  16. 16. 16 single-issue bewegingen aan te pakken, en de uitvoering van interventies bij risicosituaties. 1.2 Probleemverkenning en behoefte gemeente Amsterdam Recente signalen geven aan dat er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden over de rollen van vrouwen in radicale bewegingen. De gemeente Amsterdam geeft onder andere aan dat zij te weinig zicht heeft op moslima’s die kampen met problemen die hen vatbaar kunnen maken voor radicalisering. Daar komt nog bij dat deze groep lastig te bereiken is. Hun problematiek is niet duidelijk en uit eerder oriënterend onderzoek blijkt dat deze groep een tendens vertoont om hun problemen te verinnerlijken. Dat velen hun emotionele, politieke en identiteitsontwikkeling mogelijk doormaken in een schaamte- en taboecultuur maakt het onderzoek en het duiden van de problematiek nog lastiger. Voor een compleet beeld van risico's van radicalisering is een goed beeld van deze groep essentieel. De gemeente is ervan overtuigd dat een onderzoek naar de omvang en kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima’s helderheid kan verschaffen wat op zijn beurt kan resulteren in een oplossingsgerichte aanpak. Om een doelgerichte aanpak te verwezenlijken heeft de gemeente Amsterdam belang bij een onderzoeksteam dat toegang heeft tot deze lastig te benaderen doelgroep zodat op een effectieve manier het probleem in beeld gebracht kan worden 1.3 Aanpak Vizea Vizea is een adviesbureau dat zich specialiseert in beleid, coaching en onderzoek en ondersteunt overheden en maatschappelijke organisaties bij het oplossen van complexe sociale en culturele vraagstukken. Vizea doet een onderzoek in opdracht van de gemeente betreffende de omvang en kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima’s. Deze doelgroep is eerder deels in kaart gebracht door de IHH. Hieruit bleek dat moslima’s tijdens hun zoektocht naar eigen identiteit regelmatig worstelden met hun ontwikkelingsproces in de Nederlandse maatschappij. Daarnaast valt op dat zij in deze worsteling nogal eens alleen staan waardoor de doelgroep moeilijk te bereiken is. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven bovengenoemde aanknopingspunten graag in kaart te willen brengen door middel van dit onderzoek zodat een aanpak erop gericht kan wordende betreffende moslima’s weer op een positieve manier bij de samenleving te betrekken. Vizea gebruikt bij dit onderzoek een sociaalpsychologische benadering en voert het onderzoek in twee fases uit door middel van een vragenlijst (fase 1) en interviews (fase 2) zoals later in dit document nader wordt uitgezet. Vizea beschikt over een groot netwerk en contacten met sleutelfiguren binnen de diverse islamitische gemeenschappen waardoor het mogelijk is om de doelgroep van het onderzoek te kunnen bereiken. 1.4 Doelstellingen Het Vizea-onderzoek naar radicalisering onder moslima's in Amsterdam wil onderzoeken hoe groot het radicaliseringspotentieel bij deze groep is en heeft daarom vijf doelstellingen: 1. Inzicht krijgen in de relatieve omvang van de groep kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 2. Inzicht krijgen in de oorzaken die leiden tot de problematiek van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijke radicaliserende moslima's in Amsterdam; 3. Zicht krijgen op veel voorkomende kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 4. Kennis verkrijgen over positieve en negatieve invloeden van buitenaf en de impact hiervan, zoals het aanbod van radicaal gedachtegoed; 5. Het doen van suggesties en aanbevelingen voor beleid en verder onderzoek.
  17. 17. 17 2. MODELLEN EN DEFINITIES In deze studie zullen we ons primair bedienen van een sociaalpsychologische benadering van radicalisering met het gebruik van factoren van radicalisering (als indicatoren en kenmerken) in plaats van een zogeheten stappen- of fasen model. Hierbij laten we ons leiden door een eerdere studie van Van den Bos, Loseman en Doosje (hierna aangeduide als 'Van den Bos'). Maar voordat we onze keuze voor deze benadering toelichten en uitleggen in hoofdstuk drie, is het belangrijk om deze stappen modellen te bespreken om een beeld te scheppen van mogelijke factoren binnen een radicaliseringsproces. Ook bieden deze modellen goede aanknopingspunten voor het vaststellen van de centrale definities van radicalisering. In dit hoofdstuk bespreken we daarom het vijf fasen model van Mogghadam, de 'ontwikkelingsstadia' van radicalisme van Buijs en daarna de centrale definities van radicalisering (islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme) voor het onderzoek. 2.1 Vijf fasenmodel: Moghhadam en Meertens Een veelgebruikt model om radicalisering te duiden is het 5-verdiepingenmodel (ook wel traptredemodel) van Fathali Moghhadam. Omdat dit model heel gangbaar is, wordt het hier besproken in de vorm van de sociaalpsychologische interpretatie van Roel Meertens. 2.1.1 Niet-lineair Het is belangrijk te vermelden dat uit onderzoek niet blijkt dat jongeren die uiteindelijk terrorisme plegen, netjes al deze vijf stappen van één tot en met vijf doorlopen. Het radicaliseringsproces verloopt soms heel snel en niet lineair. Omdat niet elke 'verdieping' netjes aan één indicator verbonden is, is het ook niet eenvoudig om dit model als theoretisch werkmodel te gebruiken. De uiteindelijke weg die iemand aflegt naar radicalisering is dynamischer dan dit relatief statische model. Wel biedt het model een beeld van radicalisering dat visueel aantrekkelijk is en verschillende factoren duidelijk introduceert. 2.1.2 Vijf verdiepingen In 2007 presenteert Roel Meertens een sociaalpsychologisch fasemodel geïnspireerd op dit vijf verdiepingen model van Moghaddam. Het geeft een los verband aan tussen sommige van de indicatoren die we gebruiken zoals onrechtvaardigheidsgevoel, onzekerheidsgevoel, superioriteitsgevoel en het fasenmodel. 5 “Op de begane grond leven in Nederland enige duizenden moslims die op allerlei gebied onrecht ervaren, die zich achtergesteld voelen in vergelijking met anderen en daar kwaad over zijn. Bovendien zijn zij onzeker over hun positie in de maatschappij. Een aantal van hen klimt naar de eerste verdieping in de hoop op meer gerechtigdheid, op middelen om hun situatie te verbeteren en op een positieve persoonlijke en sociale identiteit. Zij doen dit door hard te werken, goed te studeren en door aansluiting te vinden met de Nederlandse samenleving. Zij die niet slagen gaan vol wrok naar de tweede verdieping. Daar lopen zij de kans om beïnvloed te worden door rekruteurs of leidersfiguren van allerlei signatuur, die oorzaken aanwijzen van hun woede en onzekerheid, veelal de westerse wereld in het algemeen en de Verenigde Staten in het bijzonder; vijanden die uiteindelijk met fysiek geweld moeten worden verslagen. De meeste bezoekers van de tweede verdieping zullen deze opvattingen van de hand wijzen. Een aantal zal zich er door aangesproken voelen en doorlopen naar de derde verdieping. Eenmaal daar aangekomen treden zij sekten binnen of vormen er zelf een, waarin – in een notendop – het volgende gebeurt. Hun geestelijk leiders betogen dat zij als groep oneindig veel beter zijn dan de buitenwereld. Hierin gaan de leden steeds meer geloven en dat geeft hun een 5 Moghaddam, F. M. & Marsella, A. J. (Eds.). Understanding terrorism: Psychological roots, consequences, and interventions. Washington, DC: American Psychological Association, 2004.
  18. 18. 18 nieuwe uiterst positieve sociale identiteit. De macht van de leiders over de nieuwe leden wordt voortdurend sterker en de volgelingen gaan steeds meer op in de groep. Zij overtuigen elkaar steeds opnieuw van hun gelijk en zij geven zelfs hun baan of studie op om zich volledig te kunnen wijden aan hun nieuwe missie. Contacten met collega’s, vrienden of familie worden steeds minder, of zelfs geheel verbroken. Dit leidt er weer toe dat de binding aan de groep steeds sterker wordt. Twijfel aan de juistheid van de doelen van de groep of aan de waarde van de groep leidt tot grote spanning en wordt zoveel mogelijk onderdrukt. Hoe langer de groepsleden met elkaar omgaan en hoe meer zij zich van de buitenwereld afzonderen, des te sterker is de druk om elkaars opvattingen over te nemen, om te conformeren. De meningen worden radicaler en de bereidheid tot het nemen van risico’s wordt groter. Dit leidt tot extreme beslissingsprocessen waarin afwijkende meningen worden veroordeeld. Deze spiraal van elkaar steeds versterkende krachten leidt naar de vierde verdieping. Eenmaal daar aangekomen is het radicaliseringsproces vrijwel onomkeerbaar. Er resteert slechts op de vijfde verdieping een terroristische aanslag als het ultieme doel van het leven.” 6 2.2 Ontwikkelingsstadia van radicalisme Buijs, Demant en Hamdy stellen in 'Strijders van eigen bodem: Radicale en democratische moslims' dat er drie algemene ontwikkelingsstadia van radicalisme zijn die onderscheiden kunnen worden. Zij zijn meer gefocust op vertrouwen en legitimiteit van autoriteiten als centrale thema’s: “De eerste fase is die van een vertrouwensbreuk, waarin het vertrouwen in de bestaande overheid sterk uitgehold wordt en er een conflict ontstaat tussen een groep of beweging en specifieke machthebbers over een specifiek beleid. Er is dan nog geen sprake van een ideologische breuk, maar wel van wantrouwen ten aanzien van het establishment. In een volgend stadium wordt niet meer het beleid, maar de legitimiteit van het politieke systeem zelf ter discussie gesteld; er is dan een legitimiteitsconflict. De oppositie ontwikkeld een alternatief ideologisch en cultureel systeem, dat het heersende regime en zijn sociale normen in diskrediet brengt ten gunste van betere. In het laatste stadium, dat van de legitimiteitscrisis, wordt de kritiek op de maatschappij uitgebreid naar de personen die er mee verbonden zijn. Die personen worden ontmenselijkt en de oppositionele radicalen beginnen zichzelf te beschouwen als de strijders van het licht die de duisternis bestrijden.” De sociaalpsychologische factoren en attitude factoren zoals beschreven in Van den Bos zullen in deze studie niet direct gecombineerd worden met het fasemodel van Moghhadam en Meertens en de ontwikkelingsstadia zoals beschreven door Buijs, Demant en Hamdy (2006). Daarvoor bieden die fases en stadia te weinig aanknopingspunten. Wel kunnen ze ons helpen om een onderscheid te maken tussen radicalisering en problematische radicalisering hieronder. 2.3 Centrale definities: 'Radicaal' – Islamitisch Radicalisme en (Gewelddadig) Islamitisch Extremisme Voordat we ons eigen model presenteren op basis van Van den Bos, is het belangrijk om duidelijke definities te geven van wat wel of niet problematische radicalisering is. 2.3.1 Verschil tussen orthodox en radicaal/extremist Er is een verschil tussen iemand die praktiserend is, orthodox (rechtzinnig in de leer7 ) en een islamitisch radicaal of islamitisch extremist. Het is belangrijk om deze drie vormen niet op één hoop te gooien. Zo kan 6 Meertens. pp. 35, 36. 7 H. Moors en M. Jacobs definiëren Orthodoxie als het “[vasthouden] aan beginselen die vast staan, die een waarheidsclaim inhouden en die met historische autoriteitsargumenten (tradities) zijn omkleed.(..) Orthodoxie bevat per definitie een boodschap en het argument dat die boodschap stevig wortelt in het verleden.” Moors, H en Jacobs, M. Aan de hand van de imam, integratie en participatie van orthodoxe moslims in Tilburg-Noord, IVA beleidsonderzoek en Advies, Tilburg.
  19. 19. 19 iemand erg orthodox zijn, zonder radicaal te zijn. En zo hoeft een radicaal of extremist niet per se ook orthodox in de leer te zijn. Dat kan doordat de islamitisch radicaal of islamitische extremist selectief ‘shopt’ in het geloof. Hij kan door andere moslims als niet orthodox of traditiegetrouw worden gezien. 2.3.2 'Radicaal' is nog niet problematisch Bij de bestrijding van radicalisering moeten we niet alle vrouwen die een afwijkende of radicale mening hebben (veel jongeren hebben in hun jeugd afwijkende of door andere als radicaal bestempelde opvattingen) wegzetten als problematische radicalen. Volgens Marion van San et al in 'Idealen op drift' 8 is dat ‘wegzetten' een manier van de gevestigde politiek om iedereen die vijandig staat tegen de gevestigde politiek buitenspel te zetten. De vrijheid van gedachten en vrijheid van meningsuiting is echter een belangrijk onderdeel van onze democratie. We moeten ervoor waken in naam van terrorismebestrijding mensen, de mond te snoeren. De samenleving kan zich, door mensen als 'radicalen' weg te zetten, ontslaan van de plicht open te staan voor de dialoog over problemen die deze groep misschien aankaart. Zo kunnen milieuactivisten, linkse anti-discriminatieplatforms, rechtse protestgroeperingen en mensen die protesteren tegen het Nederlands buitenlandbeleid problemen aankaarten of onderliggende behoeften representeren die wel legitiem zijn. Een goed voorbeeld is Greenpeace. Deze organisatie overtreedt bij tijd en wijle de wet (zonder geweld tegen personen). Maar dit betekent niet dat er geen milieuproblematiek is die belangrijk is om onder de aandacht te brengen, zo erkennen inmiddels veel Nederlanders. Naast mogelijkheden tot constructieve dialoog snijden we onszelf af van 'early warning' signalen en mogelijkheden tot interventie door niet in dialoog te gaan met deze groepen. Tenslotte weten we uit de geschiedenis dat veel groepen die voor onrecht zijn opgekomen eerst werden weggezet als radicalen. De 'prijs' die deze 'radicalen' moeten betalen in onze democratie is echter wel dat zij het geweldsmonopolie van de staat respecteren. Daarom ligt de grens van problematische radicalisering ook juist daar zoals we hieronder zullen toelichten, bij islamitisch extremisme, waar gebruik van geweld wordt gelegitimeerd. 2.4 Verschil tussen Islamitisch Radicalisme en Islamitisch Extremisme Hierboven hebben we radicalen feitelijk gedefinieerd als mensen met (sterk) afwijkende politieke ideeën en als een term die in de samenleving gebruikt kan worden om mensen een negatief stempel op te drukken. Dit zijn echter wel jongeren waarmee we in dialoog moeten blijven over hun ideeën en opvattingen zonder hen uit te sluiten. Het zijn immers democratische burgers zolang zij met vreedzame middelen deelnemen aan het politieke proces. In Processen van Radicalisering9 geven Slootman en Tillie definities van problematische radicalisering met hun definitie van islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme. Een islamitische radicaal, zo is de veronderstelling, is sterker vatbaar voor gedachtegoed dat aanzet tot geweld dan een gewone gelovige die praktiserend is of orthodox. Dit omdat er sprake is van een veel duidelijker en samenhangende gevoelens en visies bij ‘niet-radicale’ gelovigen. In deze studie zullen we de volgende definitie gebruiken voor islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme aan de hand van de kenmerken zoals door Slootman en Tillie hieronder beschreven. Overtuigingen die islamitisch radicalisme kenmerken: 1. De islam ligt onder vuur en wordt bedreigd; 2. Burgerlijke machthebbers hebben bijgedragen aan deze dreiging/marginalisering en moetendaarom 8 Van San et al, 2010. De argumentatie van deze alinea is geïnspireerd op eenzelfde argumentatie in dit boek. 9 Processen van Radicalisering, Slootman en Tillie, 2006, p. 19.
  20. 20. 20 gewantrouwd worden; verzet tegen hen is gerechtvaardigd; 3. Religieuze gezagsdragers berusten in deze situatie en plegen daarom verraad aan het geloof; 4. De grondslagen van het geloof moeten worden hersteld door een terugkeer naar de echte religieuze normen en waarden en door een letterlijke interpretatie van de koran; 5. De eigen religie is superieur en zou de grondslag moeten vormen voor de samenleving en de leidraad moeten zijn voor de politiek; 6. De ware gelovige moet een actieve rol spelen bij het verwezenlijken van deze samenleving, wat gezien wordt als een urgente zaak. Overtuigingen die islamitisch extremisme kenmerken: 1. Het verwezenlijken van de ideale, goddelijke, samenleving is het hoogste doel (utopisme); 2. Het nastreven hiervan is een plicht voor elke gelovige, wat alle middelen heiligt, inclusief geweld; 3. Tegenstellingen worden verabsoluteerd en de vijand wordt gedemoniseerd, doordat de activisten zichzelf zien als de strijders van het goede die het kwaad bestrijden. We maken in deze studie een keuze om een onderscheid te maken tussen niet-radicale gelovigen, waaronder orthodoxe gelovigen, en de aanhangers van islamitisch radicalisme (‘radicalen’) en islamitisch extremisme (‘extremisten’). Die laatste groep wordt gekenmerkt door legitimering en gebruik van geweld, zoals gedefinieerd door Slootman en Tillie. Naarmate een individu meer naar islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme neigt, neemt de noodzaak tot interventie toe. 10 Dit onderscheid tussen de reguliere vorm van het praktiseren en orthodoxie aan de ene kant en islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme aan de andere kant sluit ook aan bij de derde tot en met vijfde verdieping van het fasemodel van Meertens en Moghhadam (aansluiting bij sekten die geweld als oplossing zien voor het bestrijden van onrecht) en de legitimiteitscrisis (demonisering van de vijand en bestrijding van de 'duisternis' als 'strijder van het licht') van het model van Buijs, Demant & Hamdy. Wanneer wij in deze studie de termen radicalisering en extremisme alsmede radicalen en extremisten gebruiken, dan doen wij dat aan de hand van bovenstaande kenmerken. 2.4.1 Deze twee definities corresponderen met de brede aanpak van de gemeente Amsterdam Het de-radicaliseren van radicaliserende (moslim)jongeren is sterk gericht op (acute) interventie bij hen die geweld legitimeren en gebruiken (islamitische extremisten). Het vergroten van de weerbaarheid tegen radicalisering, bestaat uit preventiemaatregelen bij groepen die mogelijk kunnen radicaliseren of die op basis van indicatoren uit eerder onderzoek vatbaar worden geacht voor radicalisering (islamitische radicalen). Het verkleinen van de risico’s voor radicalisering kan gebeuren door allerhande maatregelen en dialoog met een brede groep moslims, waaronder ook orthodoxen. 10 In Slootman en Tillie 2006, Processen van Radicalisering, pp. 17,18.
  21. 21. 21 3. HET VIZEA-ONDERZOEK EN DE SOCIAAL PSYCHOLOGISCHE BENADERING In dit hoofdstuk wordt het Vizea-onderzoek in de context van eerder radicaliseringsonderzoek geplaatst en wordt de primaire keuze voor de sociaalpsychologische benadering onderbouwd. Daarna wordt de opzet van een recent sociaalpsychologisch onderzoek besproken die we gedeeltelijk overnemen, te weten: Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreigde groepen, van Kees van den Bos, Annemarie Loseman en Bertjan Doosje (2009). De Vizea-aanpak bouwt hier verder op voort en een aantal fundamentele definities worden gepresenteerd. 3.1 Eerder radicaliseringsonderzoek In het buitenland wordt sinds de aanslagen van elf september2001, en in Nederland na de moorden op Pim Fortuyn door een dierenrechtenactivist en op Theo van Gogh door Mohammed Bouyeri, er veel meer onderzoek gedaan naar radicalisering. Dit gebeurt vanuit het idee dat radicalisering een reële bedreiging vormt voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving (onder andere) door het risico van aanslagen. De benadering van de studie van radicalisering verschilt en wordt door verscheidene organisatie uitgevoerd. Zo zijn er studies die vooral politiek-sociologisch van aard zijn, zoals Buijs, Demant en Hamdy (2006) 'Strijders van eigen bodem' Roux, Stiphout en Tillie (2010) 'Salafisme in Nederland; Aard, omvang en dreiging' en Martijn de Koning (2008) 'Zoeken naar een zuivere Islam.' Er is een journalistieke case studie van een specifieke groep geradicaliseerde vrouwen 'Strijdsters van Allah. Radicale moslima's en het Hofstadnetwerk van Groen en Kranenborg (2006). Daarnaast zijn er veel studies die een politicologische en sociaalpsychologische benadering combineren zoals Slootman en Tillie's (2006) 'Processen van Radicalisering'. Dan zijn er studies die vooral een sociaalpsychologische benadering hebben zoals Meertens, Prins, Doosje (2006) 'In iedereen schuilt een terrorist' en de al genoemde studie van Van den Bos, Loseman en Doosje (2009) (‘Van den Bos’) 'Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreigde groepen.' Er is een (sociaal) pedagogische studie van Van San, Siecelinck, de Winter 'Idealen op drift' en ten slotte zijn er veel inventariserende politicologische studies zoals de rapportages van de AIVD (beginnend met: Van Dawa tot Jihad 2004), Moors, Balogh, Van Donselaar & De Graaff (2009) ‘Polarisatie en radicalisering in Nederland. Een verkenning van de stand van zaken in 2009’ en Rodrigues en Donselaar: (2010) 'Monitor Racisme en Extremisme. Negende Rapportage’. Van San, Siecelink en de Winter vatten in 'Idealen op drift'11 de huidige stand van onderzoek samen aan de hand van de drie verklaringsmodellen die door de verschillende benaderingen gebruikt wordt: het fasen- model, het indicatoren-model en het interventie/'effect-model'. Helaas blijkt geen van deze modellen op zichzelf alles zaligmakend voor het voorspellen van radicalisering. De Britse binnenlandse veiligheidsdienst MI5 vatte het zo samen: “Crucially the research has revealed that those who become terrorists “are a diverse collection of individuals, fitting no single demographic profile, nor do they all follow a typical pathway to violent extremism”(...) It also concludes that the research results have important lessons for the government program to tackle the spread of violent extremism, underlining the need for “attractive” alternatives” to terrorist involvement but also warning that traditional law enforcement tactics could backfire if handled badly or used against people who are not seen as legitimate targets.” Travis 2008.12 11 Van San et al, 2010, pp. 21-26. 12 Geciteerd in idem, p. 26
  22. 22. 22 Deze constatering levert natuurlijk een uitdaging op als het gaat om de keuze van benadering voor radicaliseringsonderzoek. Centraal hierbij is het inzicht dat radicalisering een niet-lineair proces is. We hebben daarom niet gekozen voor een 'fase-model' van radicalisering maar een sociaalpsychologische invalshoek die gebruik maakt van een 'indicatoren-model'. Deze keuze willen we nu toelichten. 3.2 Sociaalpsychologische invalshoek Het Vizea-onderzoek is primair gebaseerd op een sociaalpsychologische benadering. In de wetenschap van de sociaal-psychologie staan verklaringsmodellen centraal die gaan over emoties, zingevingsbehoeftes en identiteitsontwikkeling. Precies die onderwerpen die spelen bij jongeren in deze fase van hun leven, de adolescentie. De officiële definitie van sociaalpsychologie is: de studie naar hoe (menselijke) gedachten, gevoelens en gedragingen worden beïnvloed door werkelijke of ingebeelde anderen.13 Menselijk gedrag wordt dan verklaard door de interactie van persoonlijke factoren met de sociale omgeving. In zijn studie Radicaliserende moslims en moslima's sociaalpsychologische bekeken spitst Roel Meertens (2007) de definitie van de sociaalpsychologie i.v.m. radicalisering als volgt toe: “Sociaalpsychologen bestuderen hoe de gedachten, de gevoelens, de emoties en het gedrag van individuen worden beïnvloed door de sociale omgeving. Bij ‘omgeving’ kan men denken aan een partner, andere mensen, groepen, organisaties, maatschappelijke instellingen en collectieve kennis. Een voorbeeld is de vraag: welke rol speelt de sociale omgeving bij de radicalisering tot terreurdaden? Het omgekeerde onderzoeken sociaalpsychologen ook: hoe individuen de sociale omgeving kunnen veranderen. Een pregnant voorbeeld is de invloed van Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, op de verhoudingen tussen niet-moslims en moslims in Nederland.”14 Die verhouding en de wederzijdse percepties zijn immers sterk beïnvloed door zijn terroristische daad. Deze benadering past ook het beste bij het verzoek van de gemeente. In het verzoek van de gemeente wordt gevraagd naar de omvang en kenmerken van vatbare/kwetsbare, geïsoleerde moslima's die mogelijk radicaliseren. Er wordt in de aanvraag gewag gemaakt van initieel onderzoek en ervaringen bij de gemeente van signalen van moslima's waar er sprake is van psychosociale problemen in combinatie met onzichtbaarheid van die problematiek, mede door schaamte- en taboe cultuur. Er wordt gesproken over een groep jonge vrouwen die in hun zoektocht naar identiteit – onder invloed van sociale en religieuze factoren – worstelen met hun ontwikkelingsproces in de Nederlandse maatschappij en daarin alleen staan. Daaruit spreekt primair een problematiek van sociaalpsychologische en sociaalpedagogische aard. Omdat eerder onderzoek niet heeft aangetoond dat jongeren die radicaliseren en sympathie ontwikkelen voor terroristisch geweld een typisch demografische achtergrond hebben anders dan dat het vooral jonge mannen zijn die kunnen radicaliseren, moet er naar andere soorten factoren gekeken worden om hun gedrag en denkwijze te verklaren.15 En wel door te kijken naar hoe de interpretatie van mensen van wat er om hen heen gebeurt, hun percepties, handelen en voelen beïnvloedt. De eerder genoemde studie van Van den Bos, Loseman en Doosje (2009)16 vond al sterke verbanden tussen bepaalde sociaalpsychologische factoren en de vatbaarheid voor radicaal gedachtegoed. Maar de studie werd o.a. bij een algemene groep 13 Allport, G. W. (1985). The historical background of social psychology. In G. Lindzey & E. Aronson (Eds.), The handbook of social psychology. New York: McGraw Hill. 14 Meertens. Roel W,. Radicaliserende moslims en moslima's sociaalpsychologische bekeken. http://dare.uva.nl/document/125633 , 2007. 15 Van den Bos. 2009, i., 5. 16 Idem.
  23. 23. 23 Demografische factoren Opleiding Sekse Leeftijd Religie Etniciteit Woonomgeving Baan etc. Sociaal- psychologische factoren Waargenomen onrechtvaardig- heid Ervaren onzekerheid Groepsdreiging Attitude factoren: Inhoudelijke aspecten van radicaal gedachtegoed Legitimeit van autoriteiten Wij-Zij denken Superioriteits- gevoelens over subcultuur Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Radicaal geweld en terroristisch gedrag Boosheid Angst Intenties tot gewelddadig gedrag Intenties tot afwenden van samenleving Gewelddadig gedrag Isolerend gedrag van voornamelijk mannelijke moslims gedaan, niet exclusief bij moslima's. De Vizeastudie zal veel elementen van de aanpak van dit onderzoek gebruiken om drie redenen: het is een recente studie, het bouwt voort op eerder belangrijk leidend onderzoek zoals Slootman en Tillie (2006) en het is het meest uitgebreide sociaalpsychologische onderzoek dat tot nu toe in Nederland is gedaan. 3.3 Radicaliseringsproces (Van den Bos 2009): Sociaalpsychologische factoren en attitudes Van den Bos vat het radicaliseringsproces als volgt schematisch samen: Grafiek Radicaliseringsproces Van den Bos 2009 Van den Bos 2009, p.9. 3.3.1 Verklaring Van den Bos model De sociaalpsychologische factoren vormen de kern van het onderzoek. Van den Bos bestudeert drie sociaalpsychologische factoren, te weten: onrechtvaardigheidsgevoel, onzekerheid en groepsdreiging. In het sociaalpsychologische model van Van den Bos beïnvloeden en interageren deze met attitudes ten aanzien van inhoudelijke aspecten van radicalisering: radicaal gedachtegoed, de legitimiteit van Nederlandse autoriteiten en de legitimering van gewelddadig gedrag. Deze combinatie van sociaalpsychologische factoren en daaruit voortvloeiende houdingen leiden óf tot een in zichzelf gekeerde reactie (angst) en isolatie-gedrag óf tot een primair door boosheid gekenmerkte reactie en mogelijk gewelddadig gedrag.17 De logica, die ten grondslag ligt aan dit model, begint met de aanname dat de drie psychosociale factoren onrechtvaardigheid, ervaren onzekerheid en groepsdreiging de sturende factoren zijn (sturende dimensie) en de oorzaken van radicalisering. De houdingen die hier uit voortvloeien zijn het resultaat van de perceptie en ervaring van deze drie factoren. Deze combinatie van houdingen (attitude-factoren) noemen Van den 17 Eerder onderzoek wees uit dat isolement wel een kenmerk is van radicalisering, maar ook van veel andere psychologische processen die niet tot geweld leiden en daarom minder interessant als losse factor.
  24. 24. 24 Bos de 'ideologische dimensie' van radicalisering.18 Beide deze dimensies kunnen als ze sterk aanwezig zijn in het radicaliseringsproces bij een klein deel van de mensen leiden tot een zodanig grote boosheid dat legitimering van gewelddadig gedrag ontstaat evenals de gedachte dat ze zelf willen of moeten meedoen. 3.4 Sociaalpsychologische Factoren: Onrechtvaardigheidsgevoel, Onzekerheidsgevoel en Groepsdreiging We bespreken nu in het kort de onderliggende logica van de drie sociaalpsychologische factoren samen met de zes attitudes uit het model van Van den Bos: 3.4.1 Onrechtvaardigheidsgevoel Het onrechtvaardigheidsgevoel wordt volgens Van den Bos gedefinieerd als daadwerkelijke of vermeende achterstelling19 ten opzichte van andere in dit geval niet-moslim groepen. Eerder onderzoek van Meertens (2005), Slootman en Tillie (2006), Corens 2008 en ook later onderzoek van Van San et al (2010) stellen dat ervaren en waargenomen politieke en sociale onrechtvaardigheid een sterke factor is in radicalisering.20 Al eerder is vastgesteld bij onderzoek naar vooral mannelijke moslimradicalen dat de meeste geradicaliseerde moslims een relatief normale jeugd hebben gehad en een normale of goede opleiding hebben genoten. Ook is er geen sprake van psychische ziektes. Met andere woorden; ze zijn niet gek. Waarin geradicaliseerde moslims wel verschillen met de meeste andere moslims is de mate waarin ze kwaad zijn. En dat gevoel komt voort uit het idee dat de eigen groep (waaronder zijzelf) onrechtvaardig behandeld wordt. En dat gevoel, en vooral het gevoel van groepsdeprivatie (nog boven een perceptie van persoonlijke achterstelling) is een sterke motivatie om zaken desnoods op illegitieme, dus ook in sommige gevallen op gewelddadig wijze, te veranderen.21 De gepercipieerde onrechtvaardigheid moet immers worden opgeheven of rechtgezet. Volgens Van den Bos beginnen radicaliseringsprocessen vaak met daadwerkelijke of vermeende achterstelling (perceived relative deprivation). Jongeren hebben het gevoel dat ze minder krijgen of dat hun hooggespannen verwachtingen niet uitkomen. Dat kan betrekking hebben op materiële zaken zoals werk, behuizing, geld/loon of een stageplek, maar ook op immateriële zaken. Zo is de manier waarop mensen worden behandeld bij die waargenomen onrechtvaardigheid belangrijk. Een grote mate van (waargenomen) disrespect kan radicalisering in de hand werken. Er zijn twee vormen van (waargenomen) deprivatie, te weten: persoonlijke en collectieve. Volgens de relatieve–deprivatietheorie zijn het vooral collectief gevoelde achterstellings-gevoelens die in de perceptie (die overigens reëel kan zijn) veroorzaakt wordt door de geprivilegieerde groep, die tot boosheid en collectieve actie kunnen leiden. Vooral als die achterstelling als belangrijk obstakel gezien wordt voor het behalen van 'wezenlijke doelen' in het leven, zoals werk, enige status etc.22 Volgens de theorieën over sociale conflicten van Lewis A. Coser gaat dat gepaard met hechting aan de eigen groep 'ingroup' en toekennen van algemene positieve eigenschappen aan deze groep (ingroup bias genoemd) en het toekennen van negatieve kwalificaties en negatieve generalisaties aan de andere groep, de 'outgroup.'23 18 Van den Bos, 2009, p. 7 19 Van den Bos p. 11. 20 Meertens 2005, pp. 37-40, Slootman en Tillie 2006, pp. 44-49, San et al 2010, pp, 44-53. Corens 2008, pp. 4-6. 21 Meertens 2005, p. 37. 22 Van den Bos, p.12. 23 Lewis A. Coser, The Functions of Social Conflict, 1956.
  25. 25. 25 3.4.2 Onzekerheidsgevoel De tweede sociaalpsychologische factor die Van den Bos bespreekt is onzekerheid. Volgens de sociaalpsycholoog Michael Hogg hebben mensen een fundamentele behoefte aan een gevoel van zekerheid over de wereld en hun plaats daarin. 24 De mate waarin de moslims zich zeker voelen over hun plaats in de wereld, hun rol en identiteit, is de definitie van zekerheid in dit verband. Nederlandse moslims worden bijna per definitie heen en weer geduwd tussen twee werelden: een islamitische, 'buitenlandse' identiteit aan de ene kant en een Nederlandse aan de andere kant. Dit leidt tot frictie in de beantwoording van twee vragen: wie ben ik? (de persoonlijke identiteit) en 'tot welke groep behoor ik? (de sociale identiteit). Naarmate die onzekerheid groter is, wordt de behoefte om bij een hechte groep te horen en om een duidelijke ideologie te hebben, groter. Door de psycholoog Hogg wordt dit de 'subjective uncertainty reduction' (subjectieve onzekerheidsreductie) behoefte genoemd.25 Die onzekerheid moet gecompenseerd worden. Een methode daarvoor is het horen bij of zich aansluiten bij een groep. Het doel van die groepsidentificatie en ideologie is om jezelf een positieve eigen identiteit te verschaffen, een basisbehoefte van elk mens. Van den Bos meldt dat onze verregaande geïndividualiseerde samenleving deze onzekerheid vergroot en de hang naar sociale verbanden van vroeger of algemene hang naar gemeenschap doet toenemen. Mensen hebben immers een basale drang om zich verbonden te voelen en sociaal geaccepteerd te zijn.26 Bij jongeren spelen deze processen extra sterk omdat ze als adolescenten per definitie al in een zoektocht naar identiteit zitten. Wat de potentie voor radicalisering betreft, stelt Van den Bos dat onzekerheid de aansluiting bij groepen die potentieel ook extremistisch kunnen zijn bevordert: ''Hoe groter de onzekerheid, hoe sterker de motivatie om het zelfconcept te construeren in termen van […. ]groepen die orthodox zijn, onderscheidend, hiërarchisch gestructureerd, consensusgericht, intolerant van interne meningsverschillen/onenigheid en verscheidend en hoog xenofoob en etnocentrisch (de eigen groep is superieur).”27 3.4.3 Groepsdreiging De derde sociaalpsychologische variabele die Van den Bos presenteert is groepsdreiging; een factor die verwant is aan groepsachterstelling (groepsdeprivatie). Bij deze factor voelt het individu dat de groep fysiek of symbolisch (door stigmatisering van de groep) bedreigd wordt. Van den Bos definieert groepsdreiging als de mate waarin jongeren de groep waar zij lid van zijn (b.v. de moslims) bedreigd worden door andere groepen in de samenleving (bijvoorbeeld niet-moslims).28 Volgens de geïntegreerde dreigingstheorie verergeren waargenomen bedreigingen door de ingroup de negatieve attitudes tussen de (in en out-) groepen.29 Als het individu weinig andere contacten heeft buiten de eigen groep, zal deze dreiging door de outgroup (of die nou reëel of irreëel is, economisch of symbolisch) veel erger zijn en meer invloed hebben op percepties, emoties en gedrag.30 Het individu heeft dan drie mogelijkheden volgens de zogeheten 'sociale identiteitstheorie': (1) de groep verlaten om bij een hogere status groep te komen, (2) zich vergelijken met nog meer ondergeschikte groepen (om een positief zelfconcept te behouden) of (3) door collectief te strijden, de confrontatie aangaan met de dominante groep.31 Het is deze laatste stap die voor 24 Van den Bos, p. 14 en Slootman, Tillie 2006, pp. 50-58. 25 Meertens 2005, p. 40. 26 Maslow, Motivation and personality, 1970, 2 nd edition en Baumeister and Leary, The Need to belong: desire for interpersonal attachments as a fundamental human motivation, Psychological Bulletin, 1995, 497-529 in Van den Bos, p. 15. 27 Van den Bos, p. 16. 28 Idem p. 17. 29 Stephan et al in Van den Bos, p. 17. 30 Idem. 31 Idem, p. 18
  26. 26. 26 problematische radicalisering kan zorgen als deze met geweld gepaard gaat. Het strijden voor gelijke rechten – tegen achterstelling- is immers een democratisch recht. Daarnaast kan geweld tegen homo’s als voorbeeld gegeven worden voor de tweede mogelijkheid (zich vergelijken met of afzetten tegen een vermeende ‘mindere’ groep). 3.5 Attitude Factoren Van den Bos bespreekt een aantal houdingen (attitudes) die indicatoren zijn van radicalisering. We bespreken ze hier omdat ze terugkomen in onze eigen studie later. In het model van het radicaliseringsproces zijn het de bovengenoemde drie sociaalpsychologische variabelen die het intrinsieke motivatie-mechanisme vormen voor de attitudes, de sturende factoren. Van den Bos geeft zes houdingen aan die kunnen samenhangen met radicalisering of voortvloeien uit de sociaalpsychologische factoren: Inhoudelijk gedachtegoed (“ideologische aspecten van radicaal gedachtegoed”), legitimiteit van Nederlandse autoriteiten, de mate van wij-zij denken, superioriteitsgevoel van de subcultuur, betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving en de houding ten aanzien van het gebruik van geweld (geweldslegitimatie). 3.5.1 Inhoudelijk gedachtegoed Radicaal gedachtegoed voorziet in een behoefte aan houvast en zingeving. Van den Bos testte of de mate waarin het radicaal gedachtegoed wordt aangehangen correspondeert met geweldslegitimering en andere gemeten factoren. Inhoudelijk gedachtegoed, zo zegt de definitie van Van den Bos, ‘omvat de specifieke ideologische of religieuze elementen van radicalisering:’ Daarmee kan de definitie van inhoudelijk gedachtegoed als mogelijke radicaliseringsfactor het beste als volgt worden samengevat: De mate waarin een jongere inhoudelijk radicaal gedachtegoed aanhangt geeft de mate aan waarin de jongere is geradicaliseerd. 32 3.5.2 Legitimiteit van de Nederlandse autoriteiten Van den Bos testte of een lage legitimiteit voor de Nederlandse autoriteiten in verband gebracht kan worden met radicalisering. Legitimiteit van die autoriteiten is immers een obstakel op de weg naar radicalisering. Een geradicaliseerde moslim moet eerst een delegitimatieproces doorlopen waarbij deze de Nederlandse autoriteiten (bij Van den Bos is dat de politie en de Nederlandse regering in het bijzonder) steeds minder is gaan erkennen. Voordat de persoon in kwestie geweld goedkeurt moet er sprake zijn van een afwijzing van de legitimiteit van het Nederlandse gezag, vooral de Nederlandse regering en politie.33 Legitimiteit wordt daarmee gedefinieerd als: de mate waarin de maatschappelijke autoriteiten als legitiem worden gezien of juist niet. 3.5.3 Wij-Zij denken Wij-zij denken betreft een ontwikkeling in de manier waarop een jongere zichzelf en de wereld om zich heen waarneemt: Naarmate een jongere verder radicaliseert, zal deze steeds meer in termen van wij-zij gaan denken en de andere groep in steeds monolithischer vorm percipiëren. 34 Als de 'wij' groep zich als slachtoffer ziet is er een 'zij' groep nodig die daarvoor verantwoordelijk is. Samen met de volgende factor 'superioriteitsgevoel' kan dat leiden tot dehumanisering van de ander, de 'vijand' en dat is een mogelijke 32 Van den Bos, p. 21. 33 Bos, Loseman, Doosje 2009, p22. 34 Van den Bos p. 21.
  27. 27. 27 voorbode voor geweldsgebruik. 35 De definitie van wij-zij denken bij Bos kan worden samengevat als: De mate waarin de jongere de wereld om zich heen percipieert en beschrijft in termen van wij-zij is een indicatie van wij-zij denken. 3.5.4 Superioriteitsgevoelens Van den Bos heeft ook getest of superioriteitsgevoelens sterk in verband te brengen zijn met radicalisering. Dit superioriteitsgevoel zou dan blijken door uitspraken die aangeven dat de eigen groep wordt gezien als beter dan de andere en dat iedereen eigenlijk zou moeten denken als zijzelf. Van den Bos, Loseman en Doosje (2009) en Slootman en Tillie (2006) geven aan dat superioriteitsgevoel een belangrijke voorspeller van radicalisering en radicaal gedrag is. Superioriteitsgevoelens omvat zowel de mate waarin jongeren vinden dat iedereen zo zou moeten denken zoals zij zelf als ook de mate waarin ze hun groep of cultuur superieur achten ten opzichte van andere groepen en culturen.36 3.5.5 Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Deze factor wordt ook beschreven en getest in de studie van Van den Bos, uitgaande van het idee dat mensen die zich sterk afzonderen van de Nederlandse samenleving mogelijk meer geradicaliseerd kunnen zijn.37 Deze betrokkenheid uit zich door het zich Nederlander voelen, zich thuis voelen in Nederland, zich betrokken voelen bij de Nederlandse samenleving en zich verbonden voelen met andere Nederlanders. Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving behelst daarmee: de mate waarin jongeren zich verbonden voelen aan de Nederlandse samenleving en andere Nederlanders.38 3.5.6 Attitude ten aanzien van radicaal en terroristisch gedrag Van den Bos testte ook hoe jongeren denken over het gebruik van geweld en terroristische aanslagen en stelt dat het vooral de combinatie van de houdingen met het tonen van bepaalde emoties is, die een voorspellende waarde heeft voor radicalisering. Vooral de combinatie met boosheid zou dan meer bepalend zijn (i.p.v. angst).39 De aanname hierbij is dat angst een grote rol speelt in het begin van het radicaliseringsproces en naarmate het radicaliseringsproces voortschrijdt boosheid de overhand krijgt en dat daarmee de emotie meer extern gericht wordt. De beschrijving van Van den Bos van de attitude ten aanzien van radicaal en terroristisch gedrag laat zich het best samenvatten als: de mate waarin de jongere sympathie heeft voor geweldsgebruik en in zijn houding tot de andere groepen sporen van boosheid vertoont. 3.6 Belangrijke Uitkomsten van Van den Bos' Onderzoek Met het oog op onze studie is het interessant om de meest in het oog springende resultaten van het Van den Bos onderzoek kort te melden: Er bleek een sterkere samenhang tussen geweldslegitimatie en een lage legitimiteit van de Nederlandse autoriteiten. Ook tussen superioriteitsgevoelens en geweldslegitimatie werd een sterke correlatie gevonden.40 Legitimering van het gebruik van geweld had geen of nauwelijks samenhang met het aanhangen van een specifiek politiek islamitisch gedachtegoed. Wij-zij gevoelens werden door Van den Bos gemeten in termen van contact met niet-moslims en ook daar werd geen verband gevonden met mogelijke gewelddadige 35 Bos, Loseman, Doosje 2009, Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreigde groepen, pp. 9, 20, 28, 34-36. Slootman en Tillie 2006, pp. 27, 57. 36 Idem. 37 Isolatie hoeft niet altijd tot radicalisering te leiden. Men kan er ook voor kiezen zich geweldloos van de samenleving af te keren. 38 Van den Bos p. 21. 39 Van den Bos, pp 21-23. 40 Van den Bos, pp. 30-39.
  28. 28. 28 radicalisering. Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving blijkt ook geen verband met sympathie voor gewelddadig gedrag te hebben.41 3.7 Theoretische Opzet Vizea Studie De studie van Vizea heeft dezelfde sociaalpsychologische benadering als Van den Bos en onderzoekt grotendeels dezelfde factoren, maar verschilt wezenlijk op een aantal punten. In dit gedeelte willen we uitleggen waar onze opzet verschilt met die van Van den Bos. De sociaalpsychologische factoren en attitude factoren worden gedeeltelijk overgenomen, maar de definitie van sommige factoren wordt aangepast en 'socialisatie' wordt als factor toegevoegd aan het model (Zie de grafiek radicalisingsmodel volgens Vizea onder). 3.7.1 Genderperspectief en onzekerheid In tegenstelling tot Van den Bos' studie is ons onderzoek louter gericht op vrouwelijke moslims. Dat vergt een andere benadering. We willen dus specifiek kijken naar de sekse-identiteit en sekse-rollen van moslima's en welke rol deze gender gerelateerde identiteit speelt bij hun eventuele radicaliseringsproces. Wat dit genderperspectief betreft vroeg de sociaalpsycholoog Meertens zich al af of moslima’s vanwege hun sekse-rol en sekse-identiteit (die in veel moslimculturen op veel punten verschilt van de dominante Nederlandse sekse-rollen en identiteiten voor vrouwen) meer onzekerheid ervaren dan mannen.42 Aangenomen kan worden dat behoefte aan sociale verbanden en gemeenschap bij vrouwen, en dus ook bij moslima's, groter is dan bij mannen. Die behoefte speelt daarmee een versterkende rol bij de onzekerheid van moslima's en is een factor die aansluiting bij groepen die mogelijk radicaliseren zou kunnen bevorderen. Onzekerheid definiëren we hiermee als “De mate waarin de moslima zich zeker voelt over haar plaats in de wereld, haar rol en identiteit” 43 Deze vragen naar gender en onzekerheid leken te gecompliceerd om zoals bij de ‘Van den Bos’ studie in een vragenlijst te vervatten, daarom worden de hierop betrokken vragen alleen in de interviews behandeld. Zie daarvoor hieronder ‘Vragen naar gender, socialisatie en methode van interpretatie’ onder het hoofdstuk Interviews. 3.7.2 Socialisatie Naast sociaalpsychologische factoren die betrekking hebben op de gevoelens en percepties van de dames en de attitude factoren die daaruit voortvloeien, leek ons de vraag belangrijk wat de mogelijke diepere achtergronden zijn van de gevoeligheid voor die percepties. Pels en de Ruyter geven aan dat er een gebrek is aan onderzoek naar de invloed van opvoeding in familie en schoolomgeving in radicaliseringsonderzoek.44 We vragen ons af of de gevoeligheid voor onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreiging (en bepaalde daarmee samenhangende houdingen) sociaalpedagogische grondoorzaken in hun opvoeding en het opgroeien hebben. Met andere woorden, zijn ervaringen in het leven van de moslima's tijdens hun opvoeding die mogelijk meespelen die we nog niet bekeken hebben? Ook liggen bepaalde vragen over opvoeding en persoonlijke ervaringen misschien te gevoelig om in een vragenlijst te stoppen. Denk aan fenomenen als misbruik, geweld en informatie over relaties. Ook wordt de vragenlijst dan te breed om te proberen alle mogelijke invloeden te 'vangen'. Daarom maken we ook gebruik van het narratief-biografisch 41 Er zijn uiteraard meer uitkomsten in de studie van Van den Bos, maar voor de opzet van de studie van Vizea zijn dit de belangrijke conclusies. 42 Onzekerheid is lastig te meten een te gevoelig onderwerp om te bespreken in een vragenlijst, daarom meten we deze factor op basis van resultaten van de interviews. 43 Dit is in feite de definitie van Van den Bos waarin het woord 'jongere' door 'moslima' is vervangen. 44 Pels, Trees en Doret J. de Ruyter ‘The influence of education ans socialization on Radicalization: An exploration of theoretical presumptions and emperical research, 24 Nov. 2011, Springerlink.com. Zie ook Van San ‘Idealen op Drift’ 2010.
  29. 29. 29 interview model (zie onder). Tot nu toe werd aangenomen dat moslims die radicaliseren een relatief normale jeugd hadden gehad en dat er geen sprake was van psychische ziektes. De focus op opvoeding en opgroeien, geeft ons een mogelijkheid om te kijken of dat nu wel of juist geen rol speelt bij dames die mogelijk radicaliseren. 3.7.3 Definities De factor ‘socialisatie’ gaat uit van het idee dat de opvoeding en specifieke socialisatie van een vrouw veel invloed heeft op de sociaalpsychologische factoren die hierboven bij van den Bos en hieronder in onze aanpak zijn aangegeven. Deze factor is exploratief en komt uit het veld van de sociaalpedagogiek (de studie van opvoeding en socialisatie). Socialisatie wordt gedefinieerd als: de manier waarop de persoon is gesocialiseerd. Er zijn twee soorten socialisatie: de primaire (familie) en secundaire socialisatie (vrienden, school, omgeving). Aangezien er nog geen specifieke indicatoren zijn gedefinieerd voor socialisatie en radicalisering binnen deze studie, worden deze op een andere manier onderzocht, namelijk door middel van interviews en niet in de vragenlijsten. Dit gender en socialisatieperspectief is nieuw en een aanpak die wezenlijk verschilt van andere studies (m.u.v. “Idealen op drift”). Voor de rest volgt de aanpak de factoren van Van den Bos. 3.7.4 Vizea zeven factoren van Van den Bos aangepast In deze Vizea-studie onderzoeken we zeven factoren (indicatoren en kenmerken) van radicalisering bij een speciale doelgroep. Uit verschillende studies blijkt dat radicalisering vaak niet een lineair proces is en er niet altijd duidelijke indicatoren per fase of ‘stap’ zijn te definiëren. 3.7.4 Grafiek Radicaliseringsproces volgens Vizea De setup van het Vizea-onderzoek kent deels dezelfde opzet als de opzet van Van den Bos. Naast de demografische factoren worden veelal dezelfde sociaalpsychologische factoren en attitude factoren gebruikt; zij het in een soms iets andere vorm, voortbouwend op nieuwe vragen en voortschrijdend inzicht. Schuingedrukt zijn de factoren aangegeven verschillen met de Van den Bos benadering hieronder aangegeven.
  30. 30. 30 Demografische variabelen Sociaal- psychologische variabelen: Ervaren en waargenomen onrechtvaardig- heid Onzekerheid en Gender identiteit (alleen d.m.v. interviews) Groeps en +individuele dreiging Attitudes t.a.v: Ideologisch kader + Methode van interpretatie (alleen d.m.v interviews) Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Legitimiteit van autoriteiten Superioriteitsgevoel Wij-zij denken (vervalt) Legitimering van geweld Boosheid Angst (Legitimatie van) Gewelddadig gedrag Isolerend niet gewelddadig gedrag Sociaalpedagogische factor + Socialisatie (alleen d.m.v. interviews) De schuingedrukte tekst geeft een verandering/toevoeging aan, aan in vergelijking met het model van Van den Bos. Deze worden onder besproken. 3.8 Visualisering radicaliseringsproces volgens Vizea: 3.9 Begripsbepaling voor deze studie Negen radicaliseringsfactoren worden onderzocht: onrechtvaardigheidsgevoel, onzekerheid (in interviews), bedreiging, ideologisch referentiekader (+methode van interpretatie, in interviews), betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving, legitimiteit van autoriteiten, superioriteitsgevoel, legitimering van geweld en socialisatie (in interviews). Zeven van deze factoren zijn reguliere factoren die ook eerder algemeen onderzocht zijn. Twee factoren (socialisatie en methode van interpretatie) zijn nieuw of bewerkingen van eerdere factoren. De zeven andere factoren worden in de literatuur al besproken als mogelijke indicatoren van vatbaarheid voor radicalisering. 45 Hiermee bedoelen we dan de radicalisering van moslims in termen van islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme, zoals in hoofdstuk 2 beschreven. Alle factoren zijn indicatoren van mogelijke radicalisering, maar de factor legitimering van geweld is een direct kenmerk (en dus niet slechts een 'indicator') van islamitisch extremisme, en daarmee de belangrijkste factor. Daarom zal bij de analyse deze factor meer nadruk krijgen dan de andere factoren. Een zeer duidelijke begripsbepaling is nodig voor helderheid van discussie en om recht te doen aan de reeds verkregen inzichten in de studie van radicalisering. Hier volgen de negen factoren, hun definities en hoe deze eventueel verschillen van de eerdere definities zoals bij Van den Bos gegeven. 45 Zie onder en 'geraadpleegde literatuur'.
  31. 31. 31 3.10 Definities en theoretische aanpassingen op Van den Bos van de zeven factoren volgens Vizea 3.11 Sociaalpsychologische factoren 3.11.1 Factor 1 ervaren en waargenomen (politieke en sociale) onrechtvaardigheid Deze factor staat ook wel bekend als deprivatie of groepsdeprivatie. Deze definitie van de factor komt overeen met die van Van den Bos. Definitie: De mate waarin het gevoel bestaat dat ofwel de persoon dan wel de moslimgemeenschap waarvan de persoon zich deel voelt, wordt achtergesteld. 3.11.2 Factor 2 bedreiging Deze definitie van de factor komt ook overeen met die van Van den Bos. Bij deze factor echter hebben we enkele vragen toegevoegd die gaan over de beleving van de persoonlijke veiligheid. Dit doen we omdat we veronderstellen dat deze persoonlijke en groeps-veiligheidsbeleving in elkaars verlengde liggen. We willen onderzoeken of er net zoals in het rapport 'De sociale staat van Nederland 2011' van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) sprake is van een ‘met mij gaat het goed, maar met Nederland gaat het slecht’ tendens.46 In dit geval zou het gaat om een ‘ik voel me veilig, maar de moslims worden bedreigd’-analyse. Definitie: De mate waarin moslima het gevoel heeft dat de groep waar zij lid van zijn (de moslims) bedreigd worden door andere groepen in de samenleving (bijvoorbeeld niet-moslims). 3.12 Attitudes 3.12.1 Factor 3 ideologisch referentiekader (+methode van interpretatie) In vergelijking met Van den Bos zijn er twee aanpassingen: de benoeming van de factor zelf en de toevoeging van de vraag naar de methode van interpretatie van het gedachtegoed: Definitie: de aanwezigheid van een ideologisch referentiekader. 3.12.1.1 Ideologisch referentiekader Bij Van den Bos heette deze factor ‘Inhoudelijke aspecten van radicaal gedachtegoed’. Wij definiëren het als ideologisch kader omdat dit duidelijker aangeeft dat er bij mogelijke radicalisering sprake moet zijn van een coherente ideologie. In Processen van radicalisering, (2006) noemen Slootman en Tillie, een orthodoxe geloofsinvulling (aangeduid als de religieuze dimensie) een aangrijpingspunt voor radicalisering. Bos, Loseman en Doosje (2009)47 stellen op basis van Buijs (2002)48 dat elke ideologie of elk ideologisch kader in beginsel gebruikt kan worden als voertuig voor radicalisering. Radicalisering vindt immers niet plaats in een ideologisch vacuüm, maar altijd op basis van een ideologie, een samenhangende filosofie over hoe de wereld eruit ziet of uit zou moeten zien. Meertens definieert ‘ ideologie’ als volgt: een geïntegreerd, coherent en intern consistent systeem van opvattingen en overtuigingen die de wereld en de plaats die mensen daarin innemen, kunnen verklaren.49 In die ideologie kan dan geweld tegen anderen worden gelegitimeerd. De aanwezigheid van een dergelijk ideologisch kader is een noodzakelijke voorwaarde voor radicalisering, maar op zichzelf nog geen bewijs van radicalisering. 46 www.trouw.nl/tr/nl/4492/Nederland/article/detail/3035740/2011/11/16/Nederlanders-blijven-tevreden-over-eigen-leven-maar-somber-over- samenleving.dhtml 47 Bos, Loseman, Doosje 2002, p. 7, 10 48 Buijs, Frank, Democratie en terreur: de uitdaging van het islamitisch extremisme, SWP, Amsterdam 2002. 49 Roel Meertens 2007, p. 40.

×