Bas LeijssenaarFysiotherapie in Nederland1965 - hedenPhysical Therapy in the Netherlands1965 - present
Royal Dutch Society for Physical Therapy
Bas LeijssenaarFysiotherapie in Nederland1965 - hedenPhysical Therapy in the Netherlands1965 - present
Om te beginnen is de academische en wetenschappelijke basis van het vak aanzienlijk versterkt. Hetaantal wetenschappelijke...
V00rwoordEnglish Summary 111. Inleiding 231.1. De geboorte van de fysiotherapie 231.2. Groei met hindernissen 231.2.1. Sti...
16.4. Herwonnen vertrouwen en bevestiging vaneffectiviteit 16217. Liberalisering en marktwerking 16718. Directe Toegankeli...
1111In 1965 the Dutch modern physiotherapy came into beingby Royal Decree (the so called ‘Physiotherapist Ruling’ or‘Fysio...
1212 1313tigde Fysiotherapeuten). Since the 1976 reorganizationthe Dutch Society for Physical Therapy was given thetask of...
1414 1515sixties that effect-studies were conducted by the Depart-ment of Epidemiology at Maastricht University MedicalCen...
1616 1717allowed to do PhD-research, while previously this wasnot a problem. Physiotherapists who wished to engagein scien...
1818 1919Dutch physiotherapy developed from being a problemchild to a normal functioning student.The scientific approach to...
2222 23231. INLEIDINGOp 1 september 1889 richtte een betrekkelijk klei-ne groep gymnastiekleraren en heilgymnastischemasse...
2424 2525Het lijkt dan ook goed te gaan met de fysiothe-rapie. In 1989 vierde de organisatie haar eeuw-feest nog onder de ...
2626 2727die we als vanzelfsprekend beschouwen, zijnvoorafgegaan door jaren van strubbelingen ofdoor toevalligheden tot st...
31312. DE WET OP DE PARAMEDISCHE BEROEPENEN HET FYSIOTHERAPEUTENBESLUITIn 1889, op 1 september, werd de voorloper vande KN...
3232 3333goede financiële regeling te komen. Echter, defysiotherapie kwam nog vaak in conflict met deziekenfondsen en zorgve...
3434 3535Een tweede probleem betrof de wens van eeneigen tuchtrecht. In de Wet op de ParamedischeBeroepen werd de mogelijk...
3636 3737
3838 39393. DE ONTWIKKELING VAN HET WETTELIJK KADER –VAN WUG NAAR BIGDe komst van de Wet op de Beroepen in de Individuele ...
4040 4141De regering gelast wederom een kritisch we-tenschappelijk onderzoek naar de vraag óf en zoja welke maatregelen ge...
4242 4343commissie wil aan beide uitgangspunten vast-houden en biedt een compromis. De taak van deoverheid is het bestrijd...
4444 4545Behandeling met het Zanderapparaathoudt in: niet alleen de curatieve zorg, maar ookalle activiteiten gericht op h...
4646 4747
4848 49494. VAN BROEDERMOORD TOT EEN STABIEL GEZIN:DE BEROEPSORGANISATIEHet KNGF is de overkoepelende vereniging voor alle...
5050 5151de vergoedingen voor massage, oefentherapieen fysiotechnische applicaties als pensioen-geld gereserveerd. Vervolg...
5252 53534.4. Conflicten tussen praktijkhoudersen medewerkers en BVG-problematiekMedio jaren tachtig komt het nogmaals tot ...
5454 5555Er volgden jaren van rechtszaken tegen hetweigeren van overeenkomsten en van moeizameonderhandelingen. Uiteindeli...
5656 5757altijd gemakkelijk laten verenigen. Toch is het defysiotherapie redelijk goed gelukt zich naar bui-ten toe als ee...
5858 5959
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden

708

Published on

De geschiedenis van de fysiotherapie in Nederland van 1965 - heden
Ontwerp voor KNGF
tekst: Bas Leijenaar
dtp door drukkerij de Gans
mmv stg. Geschiedenis Fysiotherapie
fotoredactie: Michiel vd Peppel WijzijnComunicatie

Published in: Health & Medicine
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
708
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
0
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Transcript of "2011-12_KNGF-WPT_Geschiedenis-fysiotherapie 1965-heden"

  1. 1. Bas LeijssenaarFysiotherapie in Nederland1965 - hedenPhysical Therapy in the Netherlands1965 - present
  2. 2. Royal Dutch Society for Physical Therapy
  3. 3. Bas LeijssenaarFysiotherapie in Nederland1965 - hedenPhysical Therapy in the Netherlands1965 - present
  4. 4. Om te beginnen is de academische en wetenschappelijke basis van het vak aanzienlijk versterkt. Hetaantal wetenschappelijke onderzoeken dat is verschenen in de laatste jaren kent een exponentielestijging. Dat heeft ook gevolgen voor de uitoefening van ons beroep. Dat is tegelijkertijd dan detweede grote ontwikkeling, namelijk dat wij veel minder goeroe-achtig ons vak oppakken maar veelmeer uitgaan juist van die academische onderbouwing van de fysiotherapie.Een derde ontwikkeling, en die houdt verband met die eerste twee, is de sterkere en steeds meergelijkwaardige positie die de fysiotherapie inneemt in de zorg, zowel in de cure als in de care.De jongste geschiedenis van de fysiotherapie toont ook onze zwakheden. Nog steeds zijn wij nietbreed in staat de toegevoegde waarde van de fysiotherapie stevig neer te zetten. Nog steeds is bin-nen de fysiotherapie een te weinig aan ‘unité de doctrine’. Zo kunnen we de conclusie trekken datde geschiedenis van de laatste jaren een lijn te kennen geeft die voortzetting vraagt. Geen stilstandin de ontwikkelingen maar misschien wel een versterkte ontwikkeling van hetgeen is ingezet.In organisatorische zin valt op dat de grote verdeeldheid van pakweg twintig jaar geleden in defysiotherapie nu is gegroeid tot een sterke eenheid. Ook internationaal zijn de contacten tussenfysiotherapeuten sterk gegroeid en ons congres in Amsterdam in 2011 is daar een uiting van.Bas EenhoornVoorzitter Koninklijk Nederlands Genootschap voor FysiotherapieIn de wereld van fysiotherapie is er heel veel veranderd. Als je in die wereld woont en werkt besefje dat niet zo helder. Immers, je groeit mee met die veranderingen. Daarom is een studie naar dieveranderingen in de laatste vijfenveertig jaar heel verhelderend. Dan ineens wordt het duidelijkwelke veranderingen zich hebben afgespeeld.VOORWOORDBas Eenhoorn
  5. 5. V00rwoordEnglish Summary 111. Inleiding 231.1. De geboorte van de fysiotherapie 231.2. Groei met hindernissen 231.2.1. Stichting Geschiedenis Fysiotherapie 251.3. Waarom geschiedenis? 262. De Wet op de Paramedische Beroepenen het Fysiotherapeutenbesluit 312.1. Fysiotherapeutenbesluit 1977 332.2. Van Volksgezondheid naar Onderwijs enWetenschappen 332.3. Toenemende verantwoordelijkheid:van ‘in opdracht’ naar ‘ingevolge verwijzing’ 343. De ontwikkeling van het wettelijk kader:van WUG naar BIG 393.1. Een stukje voorgeschiedenis:verboden terrein voor onbevoegden 393.2. Maatschappelijke druk 413.3. Individuele gezondheidszorg 433.4. Het wetsvoorstel BIG 444. Van broedermoord tot een stabiel gezin:de beroepsorganisatie 494.1. De roerige jaren zeventig 494.1.1. Vereniging Hoofden /Leidinggevenden Fysiotherapie 494.2. Sociaaleconomische belangen enberoepsgroep in beroering 504.2.1. Pensioenkwestie 504.3. Herstructurering 1976 504.4. Conflicten tussen praktijkhouders enmedewerkers en BVG-problematiek 534.5. Vestigingsbeleid, conflicten met deziekenfondsen en een stap op weg naar eenheid 544.5.1. Tuchtrecht 554.6. Van verdeeldheid naar eenheid in verdeeldheidnaar eenheid 564.7. ‘Nu hoort het hele land bij elkaar’ 565. Opleiding 615.1. Van fysiotherapeutische ‘scholen’... 615.2. ... op weg naar een wettelijk geregelde opleiding 625.3. De opleiding na het Fysiotherapeutenbesluit 635.4. Een kwaliteitsimpuls: van Volksgezondheid naarOnderwijs en Wetenschappen 645.5. Een brede beroepsopleiding 655.5.1. Aantallen opleidingen 666. Landelijke Vereniging van Studenten Fysiotherapie 716.1. Dinges 716.2. Een kritisch geluid uit de hoek der studerenden 716.3. Studentenvertegenwoordiging 727. Internationalisering 777.1.1. Nederlandse fysiotherapeuten in hetbuitenland 788. WCPT 838.1. Internationalisering: behoefte en noodzaak 838.2. De oprichting van het WCPT 838.3. Uitbreiding van het internationale bouwwerk 848.4. Ontmoeting en uitwisseling 859. Een voortdurend wisselend speelveld:fysiotherapie en maatschappij 919.1. Startschot voor immense groei 919.2. Barst de gezondheidszorg uit haar voegen?Kritiek op de beroepsgroep 91INHOUDSOPGAVE©2011 Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, Amersfoort• Eerste druk, oplage 7000• Strikt voor educatieve doeleinden (educational use only)• ISBN 9789076285009Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, ogeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaargemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voor-afgaande schriftelijke toestemming van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) te Amersfoort.Voor het beeldmateriaal in deze uitgave geldt dat het KNGF zijn uiterste best heeft gedaan om alle rechthebbenden te achterhalen. Wanneerdesondanks beeldmateriaal wordt getoond waarvan u (mede)rechthebbende bent en voor het gebruik waarvan u niet als bron of rechtheb-bende wordt genoemd, ofwel voor het gebruik waarvan u geen toestemming hebt verleend, kunt u contact opnemen met ons via onderstaandegegevens.Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)Postbus 2483800 AE Amersfoort• 0031(0)33 4672900• www.fysionet.nl• info@kngf.nl
  6. 6. 16.4. Herwonnen vertrouwen en bevestiging vaneffectiviteit 16217. Liberalisering en marktwerking 16718. Directe Toegankelijkheid Fysiotherapie 17319. Tot slot 17920. Lijst 185Colofon 187Dankwoord 18910. Eerste aanzetten tot professionalisering enverwetenschappelijking 9710.1. Vroege vormen van verwetenschappelijking 9710.2. De Stichting Wetenschap en Scholing Fysiotherapie 9710.2.1.NIVEL en LiPZ 9811. Ziekenfondsen en zorgverzekeraars 10311.1. Ziekenfondsen en fysiotherapie -een blik op het verleden 10311.2. Ziekenfondsen en fysiotherapie -na het Fysiotherapeutenbesluit 10411.3. Bezuinigingen en stijgende kosten 10411.4. ‘Kennelijk om stante pede te laten zienwat zij waard is...’ 10511.5. Nogmaals bezuinigingen 10711.6. Beperking fysiotherapeutische applicaties 10811.7. Groeiend zelfbewustzijn 10911.8. Universitair onderwijs in de fysiotherapie 11012. Verbijzonderingen en specialisatie 11512.1. Kinderfysiotherapie 11512.2. Manuele therapie 11612.3. Sportfysiotherapie 11912.4. Arbeids- en Bedrijfsfysiotherapie 12012.5. Hart-, vaat- en longfysiotherapie 12212.6. Geriatrische fysiotherapie 12212.7. Orofaciale fysiotherapie 12312.8. Bekkenfysiotherapie 12412.9. Lymfologische fysiotherapie 12412.10. Psychosomatische fysiotherapie 12512.11. Ziekenhuisfysiotherapie 12513. Beroepsgroep onder vuur 12913.1. 100 jaar georganiseerde fysiotherapie -koninklijk! 130Kader CFO – op weg naar de DTF 13113.2. Hervormingen in de gezondheidszorg enonzekerheid over de eigen positie 13113.3. Effectiviteit ter discussie.Doodsteek of uitdaging? 13213.3.1. Helders –De eerste hoogleraar fysiotherapie 13314. Buigen of barsten:verwetenschappelijking als antwoord 139Voorbeeld doorwerking in de praktijk 13914.1. De kloof tussen wetenschap en praktijk:op zoek naar overbrugging 13914.2. De kloof tussen wetenschap en onderwijs:stappen in de goede richting 14015. Kwaliteitsbeleid als antwoord 14515.1. ‘Kwaliteit’ wordt een issue 14515.1.1. Kader IOF 14615.2. Nogmaals een beperkende maatregel 14615.3. Beperking leidt tot bundeling van krachten NPI 14715.3.1.Rob Oostendorp 14815.4. ‘Richtlijnen’ voor de toekomst 14815.5. De invoering van het kwaliteitsregister 14915.6. Registratie 15015.7. Herregistratie 15015.8. Het beroepsprofiel van de fysiotherapeut 151Kader – Hoe kwam het beroepsprofiel tot stand? 152Beroepscompetentieprofielen (BCP) 15316. De puberteit ontgroeid: de late jaren negentig 15716.1. Veranderingen in het beroep fysiotherapeut 15716.2. Methodisch handelen, klinisch redeneren enevidence based onderzoek en praktijk 15816.2.1.Methodisch handelen 15816.3. Deskundigheidsontwikkeling 15916.3.1.Klinisch redeneren 160
  7. 7. 1111In 1965 the Dutch modern physiotherapy came into beingby Royal Decree (the so called ‘Physiotherapist Ruling’ or‘Fysiotherapeutenbesluit’). Obviously, this was not thebeginning of the history of physiotherapy in the Nether-lands. Already in the first half of the twentieth century,precursors of modern physiotherapy seeped into theNetherlands from Sweden and Germany. In the sixties ofthe nineteenth century a new profession originated: thatof remedial (or: medical) gymnast-masseur (in Dutch:heilgymnast-masseur). This new group clashed regularlywith the medical community, which was disgruntledwith the entrance of “unauthorized persons” on itsfield. In order to better position themselves, in 1889 theremedial gymnasts founded the Society for the practiceof physiotherapy in the Netherlands (Genootschap terbeoefening van de Heilgymnastiek in Nederland).The Society, as representative of the physiotherapists(and the former remedial gymnast-masseurs), hasworked for the past century on developing a professio-nal branch. The first half of the twentieth century wasmarked by a commitment to integration and profes-sionalization. The Society tried to achieve unity amongthe various gymnastic schools and aimed at scientificsubstantiation of the various treatment methods. Duringthe second half of the century, amongst other activities,the Society tried to regulate admission to the profession,it aimed at an effective management of the professionalconduct of those admitted, it developed standards forpractitioners, rules for competition between its members,and developed a professional ethics. This translated intoa tremendous professional development, the establish-ment of a vocational training and the development of aprofessional organization. During the twentieth century,Dutch physiotherapy developed from a “circle of friends”to a leading paramedical profession.However, all ofthis could not be achieved in the absence of a properlegislation in which the domain of physiotherapy wasdetermined and regulated.That legislation came in 1965. That year, the Physiothe-rapist Ruling was promulgated; a decree in accordancewith the 1963 Act on the Paramedical Professions (Wet opde Paramedische Beroepen). The Physiotherapist Rulingbrought remedial gymnastics, massage and physicaltherapy together under the term ‘physiotherapy’ anddeclared follow physiotherapeutic schooling mandatoryfor the exercise of the profession. Four years later, in1969, the first generation of physiotherapists graduated.The 1965 Physiotherapist Ruling regulated a number ofimportant matters, including vocational training, therelationship between doctor and physiotherapist, thetitle “physiotherapist”, and reserved several treatmentmethods for physical therapists. Legal recognition wasalso of importance since only an approved paramedicalprofession could conclude contracts with health insu-rance funds.The Physiotherapist Ruling defined the profession as fol-lows: “The professional, in consequence of reference of amedical practitioner, application of one or more of thefollowing types of therapy: exercise therapy, massagetherapy and physical therapy in the narrower sense.” Inparticular the provision “in consequence of reference”was a sensitive element. It meant that doctors had tohand the physical therapist a written prescription, alt-hough this did not have to define the kind of treatmentthe physical therapist should apply. The health insurancefunds covered physiotherapeutic treatment only whenthe physician provided a written order. “In consequenceENGLISH SUMMARY
  8. 8. 1212 1313tigde Fysiotherapeuten). Since the 1976 reorganizationthe Dutch Society for Physical Therapy was given thetask of looking after the vocational interests of theprofession. The NGF functioned as a kind of umbrellafor its regional divisions, the Scientific Council, and theseveral socio-economic interest groups such as those for‘dienstverbanders’ (physical therapist in the pay of aboss, LVFD), physiotherapists working in nursing homes(NVFV), multidisciplinary working physiotherapists (VMSF)‘vrijgevestigden’ (freelancers, LVVF) and students (LVSF).De laatste twee werden voor de herstructurering opge-richt. The last two were created during the reorganiza-tion. During the eighties another conflict arose withinthe profession. Many physiotherapists saw themselvesas independent entrepreneurs, with all the accompan-ying advantages and disadvantages such as not havingto pay social contributions and enjoying a favora-ble tax rate, but not being entitled to unemploymentbenefits. These independent physiotherapists owned apractice (practice owners), or worked on account-basein practices of others. As unemployment rose underphysiotherapists during the eighties and the govern-ment again had to cut back spending, this constructioncame under fire. The physiotherapists who had workedon account-base had to accept reduced fees or lose theirjobs. When the government also, sans consultation withphysiotherapists, concluded that account-based workingphysiotherapist were no real freelancers but rather werefictitious employees and thus immediately had to startpaying social contributions, the situation escalated. Theclash between practice owners and ‘employees’ led tothe establishment of yet another interest group, this onefor employees in the freely established practice (VMFV,Vereniging van Medewerkers in de Vrijgevestigde Prak-tijk). The proliferation of interest groups weakened theposition of the profession in negotiations with healthinsurers and governments, who took advantage of theinternal discord of the branch.Besides the internal struggles and external threatsthere also were several positive developments duringthe seventies and eighties. In 1972 the first professionalethics was presented as a basis for later disciplinary law.In 1981, university education in physical therapy was puton the agenda of the Society. The LVFD took initiativeto work on developing a vocational profile, which waspresented in 1985. The profession also came to the con-clusion that the internal divisions only brought negativeeffects about. A lot of effort was made to bring the dif-ferent parties together. In 1988 the two associations thatwere established for freelance physiotherapists, the NVVF& LVVF, came together and continued as a socio-eco-nomic interest group for freelance physiotherapists: theAssociation of Freelance Physiotherapists (VVF, Vereni-ging voor Vrijgevestigde Fysiotherapeuten). That pavedthe way for further integration: in 1992, the Society andVMFV came together, and in 2000 the VVF, LVFD and theSociety (Royal by then) merged and continued as theRoyal Dutch Society for Physical Therapy (KNGF, Konink-lijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie), fromthat moment on the only umbrella organization for allphysiotherapists, looking after their the social, economicand professional interests.Back in the seventies it had become clear that certainailments and populations required specific approaches.Demographic and social changes such as the aging ofthe population or the ‘sportification’ of society con-of reference”, kept physiotherapy emphatically in theshadow of the GP’s and doctors.The importance of the Physiotherapist Ruling is obvious.In essence, it laid the foundation for the developmentof a professional branch. For the first time in history,the domain of physiotherapy and the geforrole of thephysiotherapist in healthcare were clearly defined, andrequirements for education and training were man-dated. The broad definition that it gave of the profes-sion, however, created space for an ongoing discussionabout the details of the discipline. Should physiotherapyprofessionalize and scientificate or take the directionof alternative medicine? Should the physiotherapist besubordinate to the doctor, or be an independent heal-thcare provider? Such debates have played out in a con-stantly changing cultural, social and political context.The Physiotherapist Ruling was repeatedly amended orsupplemented, and even completely revised in 1977.Just before that, in 1975, the physiotherapeutic traininggot full-fledged recognition. Physiotherapeutic educati-on had always been placed under the Ministry of Health.In 1975 the training was transferred to the Ministry ofEducation and Science, including the training in thesystem of Higher Professional Education (HBO). For thestudents that meant a much lower tuition, and it offeredthem the opportunity to get a monthly study bursary. Italso meant that full-time teachers could be appointed.Nowadays physiotherapists follow a four-year highervocational training leading to a bachelor’s degree. Thetraining requirements are documented in various legaldescriptions, and also in the Vocational Profile PhysicalTherapy (Beroepsprofiel Fysiotherapie). In 2011 there were10 physical therapy programs at colleges. Every yearabout 2000 students enter these programs and around1000 graduate as physiotherapists.During the seventies and eighties, Dutch physiotherapywas confronted with two specific problems. First, therapid development of the profession came along withgrowth problems and internal divisions. Second, therewas tremendous external pressure, especially in the formof government cutbacks.The early seventies showed that large groups of phy-siotherapists did not feel well represented by the DutchSociety for Physiotherapy (NGF, Nederlands Genoot-schap voor Fysiotherapie). Many felt they could not earnenough. Meanwhile, physiotherapists started workingwithin various institutions and in increasingly moredifferent places, resulting in conflicting interests withinthe profession. This brought about a proliferation ofnew associations, such as the the VHF, the Associa-tion of Heads of Physiotherapy, founded in 1970, whichrepresented the interests of physiotherapists workingin healthcare-institutions, and the NVVF, the DutchAssociation of Freelance Physiotherapists (NederlandseVereniging voor Vrijgevestigde Fysiotherapeuten) in 1974.The situation was further exacerbated by disagreementover the introduction of a mandatory pension. Besidesthe pension- and payment conflicts the Society wasembroiled in an internal reorganization in response tothe emergence of the NVVF. In 1976 the Society was “res-tructured”, but a reunion with the NVVF did not occur. Asecond group of so called ‘vrijgevestigden’ (freelancers)founded the LVVF, the National Association for FreelancePhysiotherapists (Landelijke Vereniging voor Vrijgeves-
  9. 9. 1414 1515sixties that effect-studies were conducted by the Depart-ment of Epidemiology at Maastricht University MedicalCenter. Led by Lex Bouter, the first steps towards a scien-tific approach were taken. In 1980, the Foundation forScience and Education Physical Therapy (SWSF, StichtingWetenschap en Scholing Fysiotherapie) was established.The profession felt that training was essential to thedevelopment of the field, and gave the SWSF three tasks:professional development, research and development,and documentation.During the eighties, the branch started to professiona-lize itself. Yet, physical therapy had a difficult time lyingahead. Doubts about the quality and effectiveness of itstreatments surfaced yet again, despite the positive stepsthat were taken. The government once again firmly an-nounced cuts in healthcare spending. It seemed obviousto remove the money from the healthcare professionsthat could not prove their own effectiveness. This led toa beginning sense of the need for quality policies at theoffices of the Society. This was reinforced in 1986 whenthe first draft of the Individual Health Care ProfessionsAct (Wet BIG, Beroepen in de Individuele Gezondheids-zorg) was published. Under this law, health care wouldbecome much less regulated. The government wouldwithdraw, and the responsibility for a properly functio-ning health care came to lie with the caregivers and carerecipients. That meant that the caregivers themselveshad to take responsibility for their treatments. Physio-therapy realized that quality assurance and improve-ment of quality would soon become of greater interestthan ever before. With the BIG-law, medical professionswould fall under a public medical disciplinary law,which allowed much heavier penalties than the existingdisciplinary law of the Society. Physiotherapists whocould not substantiate why they had treated a patient ina certain way could find themselves in trouble under thenew disciplinary rules. This contributed to the profes-sionalization of the branch. It forced physiotherapistsforced to keep an administration on what they hadobserved, what treatment they chose and why, and whatthe results were. Later, during the nineties, this wasdeveloped further as a part of methodical treatment,which in turn was part of a broader quality policy.In 1989, the profession received a huge boost after thetoll-taking seventies and eighties. To mark its cen-tenary, the Dutch Society for Physical Therapy was givenRoyal designation. This is granted to organizationsthat occupy an important place in a field of nationalsignificance and that exist for at least one hundredyears. Henceforth the Society continued under the nameRoyal Dutch Society for Physical Therapy (KNGF, Konink-lijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie). Thephysiotherapists looked back on their past with somesatisfaction. The Royal decree of 1965 explicitly identifiedthe physiotherapist profession as para-medical. Thedecision that technical equipment could be used outsidethe physical environment of the hospital without medi-cal supervision was a unique Dutch achievement. Thiswas an important step towards becoming an indepen-dent profession, which was seen as the ideal to achieve.While the physiotherapist was now indeed responsiblefor independently choosing a treatment method andcarrying out the treatment, the situation remained,even after the new Physiotherapist Ruling of 1977, thata patient could only be referred to a physiotherapist fortreatment, meaning that the doctor still was respon-tributed to this insight. This led to the development ofspecializations or distinctions within physiotherapy.These distinctions often have their own professionalassociation, which are part of the Royal Society. Theyhave their own administration, project groups, commit-tees and often a private journal. Five of the specializa-tions have their own master-education (sports, pelvic,geriatric, and child physiotherapy and manual the-rapy). The ten specializations are: child physiotherapy,manual therapy, sports physiotherapy, company physicaltherapy, cardiac / vascular / pulmonary physiotherapy,geriatric physiotherapy, orofacial physiotherapy, pelvicphysiotherapy, lymphatic physiotherapy, physiotherapyin hospitals, and psychosomatic physiotherapy.During the seventies and eighties unification of theprofession was not the only field in which substantialcontributions were made. During the seventies, severalphysiotherapists worked on the internationalization ofthe Dutch physiotherapy. On several (international) occa-sions they insisted on the importance of equal educationand a shared body of The Netherlands was known as anexporter of physiotherapists in the seventies, eightiesand early nineties. The Dutch physiotherapeutic educa-tion was incredibly popular, which led to a huge surplusof physiotherapists. Dutch physiotherapists establishedthemselves worldwide, from Australia to Sweden and theUnited States and Germany.Especially during the late seventies and early eightiesDutch physiotherapy was confronted with a continuousstruggle with cost increases and spending cuts in healthcare. During the eighties, after decades of growth, thegovernment put a stop on the funding of physiotherapy.During the late seventies, physiotherapy had grown soexplosively that the government believed it had to puta curb on this expanding burden on the health budget.Physical therapy was perceived as too expensive and waslimited in its exercise by radical measures such as redu-cing the number of reimbursable applications to one pertreatment. Not only the number of applications was re-duced, but also the reimbursement per application andthe wage-rates of physiotherapists were halted in theirtracks. Criticism aimed at the lack of professionalism ofthe branch and at the lack of scientific underpinning ofthe discipline became commonplace during the eighties.Physiothe Physiotherapy was an easy target becauseit suffered from a legitimacy problem. The sixties andseventies were mainly spent on controlling growth,growth and more growth. The numbers of treatmentsand of physiotherapists grew immensely. Other matterswere thus on the background, like the reflection on theprofession. The profession was accused of the fact thatphysical therapy had no clear professional profile andalmost no scientific basis for its treatment-methods.The history of Dutch physical therapy from the eightiesto the present can largely be interpreted as a responseto this criticism. The enormous growth of the previousdecades led to a proportional increase in costs. Becauseof these, healthcare had to become ‘more efficient’ and‘market oriented’. Governments and health insurerswould only spend money on treatments whose effect hadbeen scientifically proven. This posed major problemsfor Dutch physiotherapy, since it still lacked scientificgrounding. The Society had established a scientific com-mittee in the early sixties, whose task was to coordinateresearch on physical therapy. It was also since the late
  10. 10. 1616 1717allowed to do PhD-research, while previously this wasnot a problem. Physiotherapists who wished to engagein science have had to do so through other disciplines,were they could get an academic masters degree.The gap between science and practice was even greaterthan that between research and education. The pastfifteen years have witnessed major changes in phy-siotherapy. Evidence-based medicine, evidence-basedpractice, guidelines and clinical prediction rules, butalso direct access and market forces have been intro-duced. Physical therapy has become a profession whoseactions rely on scientific data. The gap between thepractical training and the scientific underpinnings ofthe profession makes scientific information inaccessibleto many physiotherapists: scientific articles are oftendifficult to find, difficult to interpret, and not directlyapplicable to the patients they receive in their practice.While the scientific underpinning of the discipline is wellunderway, it seems the gap between science and prac-tice increases rather than disappears. This problem is notspecific to the Dutch situation. In other countries, fromCanada to Australia, the profession wrestles with it.In order to close this gap, the physical therapy lands-cape has been refurbished the past decade and a half.Scientification has been given a place within the trai-ning programs, where future physiotherapists are nowprepared for a field on which science plays an impor-tant role. Also, there is the development of professionalscience master’s and masters, that can be followed afterfinishing the regular HBO-education. These mastersallow physiotherapists to develop a scientific attitude,enabling them to close the gap between recent scientificdevelopments and the physiotherapists daily practice.Scientification was not the professions only response tothe heavy criticism that it received in the early nineties.Under the heading of quality policy several policies werecarried out to improve the profession. Quality policiescontributed to the implementation of scientific results inpractice. The impetus for quality policy was given duringthe Leidschendammer quality conferences in 1989 and1990, where government, health insurers and healthcareproviders reached agreement on future quality policies.Until the first half of the nineties quality policy consistedmainly in the establishment of a vocational ethics anddisciplinary rules. This changed rapidly. With the BIG-law introducing title-protection, the quality of thosewho might carry the title would be of great importance.In addition, the government sought for years to introdu-ce more market forces in healthcare. The profession hadto make sure they could present a good and trustworthy‘product’ on the medical market.Already in 1990 the KNGF presented its policy for thefuture, anticipating many of the later developments.In November 1990 a committee was set up to developfuture mandatory further education. At the beginning of1991 the project Development of physical Therapy Reviewended, which had experimented with peer review. In1992 the KNGF, VVF and LVFD presented the letter OutlookPhysical Therapy, in which they express their concernsabout the future of the field. The downside of all theinnovations and the constant emergence of new speci-alizations, applications and treatments was acknowled-ged: the discipline could become fragmented. In 1995,the KNGF formulated its first explicit objectives, inclu-sible for diagnosing. Physiotherapists remained highlydependent on others. During the nineties initiatives weretaken to strengthen the relationship between doctor andphysiotherapist, aiming to improve the accessibility ofphysical therapy. For example, there were experimentswith consultative referral, which meant that doctors senta patient to the physiotherapist, who then was able toindicate whether or not he could treat the patient.The centennial of the profession proved to be the eye ofthe cyclone. Soon the storm burst out again. Health carein general had landed in rough waters. The governmentregularly presented entirely new plans for health care,the introduction of more market forces seemingly theonly constant factor. Physiotherapists would henceforthbe paid per session, no longer per operation or ap-plication; a measure which had been discussed sincethe introduction of the fee per transaction in 1979. Theearly nineties seemed to be a fatal period for Dutchphysiotherapy, with the publication of the 1991 reportEffectiveness of physical therapy (Effectiviteit van Fysio-therapie), provided by the University of Limburg (nowthe University of Maastricht) and the 1992 report Chooseor share (Kiezen of Delen) from the Dunning committee.The reports explicitly doubted the effectiveness of a largenumber of physiotherapeutic treatment. The impact ofthese reports was great, and was reinforced, not alwaysin a fair way, by the media.The year 1992 would prove to be the turning point, theyear during which Dutch physiotherapy received hardknocks, but also the year in which a real and subtantialstart was made with scientification and further profes-sionalization, developments whose germs had alreadybeen laid during the eighties. In 1992, Paul Helders wasappointed the first professor of physiotherapy in the Ne-therlands. Taking a scientific approach to physiotherapyhad long been a difficult process because the profes-sion had few to none entrances in the academic world.Physiotherapists who wanted to engage in academicresearch had to do so via other disciplines, meaningthat physiotherapy lacked its own scientific models. TheKNGF also started to develop evidence-based treatmentguidelines in the years surrounding the publication ofthe critical reports. A reorientation on the foundations ofthe discipline took place, in which the young generationof physiotherapists, schooled in the modern, post-1975education, played a major role. They quickly did awaywith all kinds of dubious applications that had almosttransformed physiotherapy into physiotechnique.The results of the scientific approach initiated during theearly nineties were significant. The results of scientificresearch are being incorporated into guidelines that areused in daily practice. The guideline-research still takesplace in the cradle of physiotherapy’s scientific research:Maastricht. Professor Rob de Bie leads the guideline-re-search within the Care and Public Health Research Center.With the ongoing scientification, new problems emer-ged. Science and practice are often far apart, andwithin physiotherapy, the distance rather increased thandecreased. Partly, this has to do with the gap betweenhigher vocational education, where physiotherapistsare trained, and academia/universities, where researchis done. With the introduction of the bachelor/ masterstructure in higher education this became even moreproblematic: without a master’s degree you are not
  11. 11. 1818 1919Dutch physiotherapy developed from being a problemchild to a normal functioning student.The scientific approach to physiotherapy has broughta tremendous staff development with it. This develop-ment took place at two levels: that of the individualphysical therapist and that of the profession as awhole. At the level of the profession work has been putinto the realization of what is called a body of know-ledge. Evidence-based research, research by scientificstandards, plays a crucial role at this level. At the levelof the individual physiotherapist clinical reasoning isexpected. Over time a therapist gathers a wealth of ex-perience. Together with the knowledge from his studiesthis forms an arsenal of practical knowledge that isclinically applicable. Clinical reasoning is the combineduse of individually developed clinical experience (whatI know of this problem) and what is generally knownabout the problem (scientific knowledge, guidelines,rules, etc.). Based on these two sources, the physio-therapist interprets the problem he is faced with anddetermines his course of action.Professionalization and scientification have recoveredthe confidence in physiotherapy. The three reports thatwere published in 2003 confirmed the effectiveness ofphysiotherapy, recognized the professionalization andscientification of the disciple, and acknowledged thatits Quality Policy contained all essential instruments.Still, a few more important changes occurred after2003. Since the late eighties, the government triedto reform the Dutch health care system by introdu-cing more market forces and ensuring that only carethat could prove its own effectiveness would receivegovernment funding. Between 1992 and 1998, physio-therapy became less and less applicable for financialcompensation from health insurance companies. In2004 the government even further reduced the tariffsfor physiotherapy. In 2005 however, minister of HealthHans Hoogervorst released the maximum tariffs,enabling the branch to negotiate with the insurancecompanies themselves. In 2006 another change in thehealth care system was implemented. The idea of anobligatory basic and a voluntary supplementary insu-rance, circling around since the eighties, was finallyrealized. Although physiotherapists were insecure aboutliberalizing their market, the results were pretty decent.During the first year, their rates rose by 16%, a welcomecorrection to a profession who considered themselvesunderpaid for years.The final and perhaps most significant change occurredin 2006. That year, Direct Accessability for Physiothe-rapy (DTF, Directe Toegankelijkheid Fysiotherapie) wasintroduced. Recent years showed that most patients arewell able to assess whether they have to see a doctor ora physiotherapist. Already in the first quarter of 2006,one quarter of the patients went to a physiotherapistwithout consulting a doctor. At the end of 2007 this hadrisen to 35%, while about half of the patients indicatedto be aware of the immediate accessibility. These ratesincreased in recent years, in 2009 to over 39%. Patientswho went directly to a physiotherapist average twofewer treatments and achieved their treatment goalsmore often than referred patients. The introduction ofdirect accessibility marks the first moment in the longhistory of Dutch physiotherapy on which the professiondoes not fall under someone else’s responsibility.ding: in-service training, to develop and use evidencebased guidelines: the introduction of registration andre-registration, subject to specific requirements, peer re-view and quality assurances. For the current generationof physiotherapists, these are axioms, but for the earliergenerations these measures meant tremendous changes.In 1996 another important change was made: therestrictive measure was implemented. This was me-ant to save over 200 million guilders (a euro is 2,20guilders) on health care spending. It meant that thenumber of physiotherapeutic treatments covered byhealth insurances was limited to a maximum of nine.Who wanted to receive compensation for more sessionshad to take an additional insurance. An exception wasmade for the chronically ill, at least for those who foundtheir condition on the so-called ‘chronische lijst’ (list ofchronic conditions). The introduction of these restrictivemeasures threatened to reduce the work for freelancephysiotherapists. An acceleration of the professional andscientific improvement of the discipline was initiated asa countermovement.One of the most important parts of the further professio-nalization has been the introduction of a Central QualityRegister (CKR, Centraal Kwaliteitsregister Fysiotherapie).The CKR functions as the central element of quality assu-rance in the quality policy. To this end, it has establis-hed a set of basic physiotherapeutic norms, expressedand laid down in the Official Regulation of the QualityRegister. Any person who meets the basic standards andthe resulting requirements can be registered. The registerwas partly introduced in 1998, for specialized physiothe-rapists, and fully introduced in 2000.The Vocational Profile Physiotherapy (BeroepsprofielFysiotherapie) has been a key document in the field forover a decade. It describes the current state of affairsin the field. The current profile dates from 2005, butthe original was written in 1998, the same year as theintroduction of the Quality Register. The Register andthe Profile share the same goals: promoting quality andconsistency. For physical therapy education, the Profileserves as a benchmark; it provides guidelines for thepreparation of (future) students for the existing field.With regard to the internationalization of the field, thedocument can be used to compare the Dutch situationwith that of other countries.We can see the eighties and the early nineties as thepuberty of Dutch physiotherapy, a period of growingpains, internal divisions and uncertainty about the fu-ture. Yet, a basis for later development was laid. Duringthe nineties, Dutch physiotherapy began to outgrowits puberty. Scientification and the implementation ofquality policies had their effect. Over 15,000 physiothe-rapists are now registered in the CKR. There is a networkof quality sub-systems deployed, which requires phy-siotherapists to be involved in further training if theywant to retain their registration in the CKR. There arecurrently eighteen evidence-based guidelines develo-ped, and several are in preparation. The pace at whichall of this took place could easily be called astonishing.In 1991-92 two dramatic reports were released, almostdestroying physiotherapy and its reputation. In 2003three very positive reviews were published. These wereof the hand of NIVEL, the Health Council (de Gezond-heidsraad) and the Council on Health-research (deRaad voor Gezondheidsonderzoek). In twelve years time
  12. 12. 2222 23231. INLEIDINGOp 1 september 1889 richtte een betrekkelijk klei-ne groep gymnastiekleraren en heilgymnastischemasseurs het Genootschap ter beoefening vande Heilgymnastiek in Nederland op. Dit Genoot-schap werd opgericht met als doelstelling ‘deheilgymnastiek zowel practisch als theoretisch tebeoefenen, eenheid te brengen in de wijzen vanbehandeling en een goede verhouding te bevor-deren tussen medici en heilgymnasten’.Gedurende de eerste helft van de twintigsteeeuw probeert de beroepsgroep te professiona-liseren. Naast de heilgymnastiek en de massagekomt in deze periode de ‘physische therapie’(behandeling met warmte en koude, elektri-sche prikkeling, licht en andere prikkels) op alsmedisch specialisme. Onder aanvoering van hetGenootschap werd getracht om meer eenheid ophet vakgebied te krijgen, een gedegen weten-schappelijke onderbouwing te bewerkstelligenen de relatie met de medici te verbeteren. Ech-ter, het allerbelangrijkste was te komen tot eenwettelijke regeling, waarmee de status van hetberoep geregeld werd.1.1. De geboorte van de fysiotherapiePas sinds 1965 is er officieel sprake van fysio-therapie. In dat jaar kwam, in het kader van deWet op de Paramedische Beroepen uit 1963, hetFysiotherapeuten Besluit tot stand. Daarmeewerd geregeld dat de heilgymnastiek, de mas-sage en de fysische therapie tot het domein vande fysiotherapie worden gerekend. Vier jaar later,in 1969, studeerden de eerste fysiotherapeutenaf. Sindsdien groeit het aantal fysiotherapeuten,specialisten met betrekking tot het menselijkebewegen in hun dagelijkse omgeving en maat-schappelijke participatie, gestaag.1.2. Groei met hindernissenDe moderne geschiedenis van de fysiotherapie iseen enerverend verhaal van groei en ontwikke-ling, maar ook van tegenslag en strubbelingen.De ontwikkeling van de Nederlandse fysiothera-De fysiotherapie in Nederland heeft een lange geschiedenis. In de eerste helft van de negentien-de eeuw sijpelden de voorlopers van de huidige fysiotherapie, vanuit voornamelijk Zweden enDuitsland, Nederland binnen. In de jaren zestig van diezelfde eeuw ontstond een nieuw beroep,dat van heilgymnast*. Tegen het einde van de negentiende eeuw waren de heilgymnasten eenzelfbewuste beroepsgroep geworden. Deze groep botste steeds vaker met de medici, die niet blij warenmet het zelfstandige optreden van niet-medici op hun vakgebied. Voor de verdere ontwikkeling van deheilgymnastiek werd het vakgebied losgemaakt van de gewone gymnastiek.* Met de term heilgymnastiek werden de behandelmethoden,vooral oefentherapie en massage, benoemd die nu onder de(bredere) noemer ‘fysiotherapie’ vallen.De oprichters van het Genootschap ter Beoefening van de Heilgymnastiek in Nederland.Vanaf 1889 de voorloper van het (K)NGF. (Bron: SGF)
  13. 13. 2424 2525Het lijkt dan ook goed te gaan met de fysiothe-rapie. In 1989 vierde de organisatie haar eeuw-feest nog onder de naam Nederlands Genoot-schap voor Fysiotherapie. Ter gelegenheid vandat eeuwfeest werd het predicaat ‘Koninklijk’verleend. Momenteel zijn ruim 23.000 Neder-landse fysiotherapeuten werkzaam in zowel de‘extramurale’ (eerstelijns) als de ‘intramurale’zorg. In de extramurale zorg is de fysiotherapeutvooral een solist en ondernemer; hij werkt alleenof met anderen in een praktijk waarbij hij eenindividuele relatie met zijn patiënten heeft. Inde intramurale zorg werken fysiotherapeuten inrevalidatieklinieken, ziekenhuizen, de geestelijkegezondheidszorg en verzorg- en verpleeghuizen.In tal van andere maatschappelijke institutenzijn tegenwoordig eveneens fysiotherapeutenwerkzaam: bij sportverenigingen, in bejaarden-tehuizen, het bedrijfsleven, het onderwijs en dewetenschap.1.2.1. Stichting Geschiedenis FysiotherapieIn 1891 werd in het eerste nummer van het‘Maandschrift gewijd aan de Heilgymnastiek. Or-gaan van het Genootschap ter beoefening van deHeilgymnastiek in Nederland’ door de redactieopgeroepen tot het schrijven van de geschiede-nis van de heilgymnastiek.Aan de oproep uit 1891 tot geschiedschrijving vanhet vakgebied werd lange tijd niet of nauwe-lijks gehoor gegeven. De laatste decennia is daarenige verandering in gekomen. De fysiotherapeuten historicus Terlouw heeft de geschiedschrijvingvan de fysiotherapie in gang gezet, onder anderemet zijn proefschrift over de opkomst van deheilgymnastiek in Nederland rond de overgangvan de 19e naar de 20e eeuw: ‘De opkomst vanhet heilgymnastisch beroep in Nederland in de19e eeuw.In 1989, gelijktijdig met het honderdjarig be-staan van het NGF, richtten Thomas Terlouw, Pe-ter Buijs en Henk van Leeuwen de Stichting totBehoud ener Heilgymnastische Bibliotheek op.In 1996 veranderde de naam van de stichting inStichting Geschiedenis Fysiotherapie (SGF) met alsdoelstelling: het bevorderen van historische ken-nis en interesse met betrekking tot de fysiothe-rapie. Aan de stichting ligt een helder idee tengrondslag. Namelijk dat een fysiotherapeut diehet verleden van zijn beroep kent beter in staatis het heden te begrijpen en op de toekomst isvoorbereid.In eerste instantie hield de stichting zich vooralbezig met het redden van het fysiotherapeutischEen ‘Pantostat’ uit 1925.Eén van de apparaten uit de collectie van de SGF. (Bron: SGF)pie in de periode 1965-heden laat zich uitste-kend vergelijken met de volwassenwording dieieder mens doormaakt. De vraag is dan waar defysiotherapie nu staat in die ontwikkeling. Inhet Fysiotherapeutenbesluit van 1965 werd eenvrij ruime definitie van fysiotherapie gegeven,namelijk: ‘Het beroepsmatig ingevolge verwijzingdoor een praktijk uitoefenende geneeskundigetoepassen van een of meer van de volgende vor-men van therapie: bewegingstherapie, massage-therapie en fysische therapie in engere zin.’Dat schiep ruimte voor voortdurende discussieover de invulling van het vakgebied. Moest defysiotherapie professionaliseren en verweten-schappelijken of juist de richting van de alterna-tieve geneeskunst inslaan? Was de fysiotherapeutondergeschikt aan de arts of zou hij eigenlijk eenzelfstandige zorgaanbieder moeten zijn? De fy-siotherapie heeft, zoals elke professie, te makenmet een maatschappelijke en culturele contextwaarin normen en waarden over gezondheiden lichamelijkheid een belangrijke rol spelen.Deze context is voortdurend aan veranderingenonderhevig en de fysiothera-pie moest zich hier dan ookvoortdurend op herbezinnen.De individualisering van desamenleving en de opkomstvan de burger als mondigeconsument zijn zonder twijfelvan invloed geweest op demanier waarop een fysiothe-rapeut zijn werk uitoefent.Ontwikkelingen als de vergrij-zing en de ‘versporting’ vande samenleving hebben zelfsde opkomst van bijpassendefysiotherapeutische specialisa-tierichtingen opgeleverd.Het streven naar marktwerkingen efficiëntie in de zorg dwongde fysiotherapie ertoe zichzelfte legitimeren; wie niet presteerde of niet konbewijzen dat zijn ‘product’ werkte, werd weg-geconcurreerd. Overheden en zorgverzekeraarswilden nog slechts geld uitgeven aan behan-delingen waarvan de werking wetenschappe-lijk vast werd gesteld. De laatste decennia zijnvoorheen onbekende zaken als effectonderzoek,evidence based research, evidence based practiceen randomized clinical trials geïntroduceerd enis de beroepsgroep druk doende zich van eenwetenschappelijk fundament te voorzien.Henk van Leeuwen en Thom Terlouw: belangrijke initiatiefnemers van deStichting Geschiedenis Fysiotherapie. (Bron: SGF)
  14. 14. 2626 2727die we als vanzelfsprekend beschouwen, zijnvoorafgegaan door jaren van strubbelingen ofdoor toevalligheden tot stand gekomen. Door degeschiedenis van het vakgebied te bestuderen,krijgen we in beeld hoe processen en ontwik-kelingen zijn verlopen. We zien niet alleen hetresultaat, maar ook de weg ernaartoe. Door hetreisverslag van ‘de fysiotherapeut’ op te teke-nen, helpen we onszelf het vakgebied met zijnproblemen en resultaten beter te plaatsen.Elementen van de fysiotherapeutische behan-delwijze bestaan al duizenden jaren. Er zijn vaakconflicten geweest tussen deze behandelwijzenen die van andere genezers. Tot diep in de twin-tigste eeuw is de fysiotherapie verstrengeld ineen worsteling met andere genezers en artsen,maar ook met maatschappelijke en politiekeorganen en ontwikkelingen.Fysiotherapie is naast een medisch fenomeenook een sociale, economische en politieke actorgeworden. In dit proces is het schrijven van degeschiedenis van het vakgebied ook een eman-cipatoire handeling. Door het verleden van zowelde eigen successen als het eigen falen op aldeze terreinen in kaart te brengen, ontwikkeltde fysiotherapie naast haar wetenschappelijkezelfreflectie ook een historische zelfreflectie.Dit sterkt het vakgebied in zijn pogingen zich inde toekomst nog beter te profileren. Zoals eenjongvolwassene aan het begin van zijn carrièreop zijn opvoeding en ontwikkeling terugblikt, zois nu de beurt aan de fysiotherapie zich van haarlevensloop rekenschap te geven.J.G. Metzger was één van de grondleggers van de fysiotherapiein Nederland. (Bron: Zeeuws Archief / KZGW)Meer weten?• Bezoek de website van de Stichting Geschiedenis Fysiotherapie(SGF): www.sgfinfo.nlerfgoed, dat dreigde te worden weggegooid ofvergeten. Sinds haar oprichting is de kernactivi-teit van de stichting het bijhouden en uitbreidenvan een historische bibliotheek. Deze biblio-theek is ondergebracht bij de Hogeschool vanAmsterdam en bevat momenteel zo’n 4000 titels.De oudste druk stamt uit 1797. De stichting wildeze activiteit graag uitbreiden en onderzoekt demogelijkheid om een historisch documentatie-centrum op te zetten. In 2009 begon de SGF methet digitaliseren van een deel van haar collectie,de tijdschriftencollectie. Ook stimuleert de SGFhet historisch onderzoek naar de fysiotherapie.Een enkele keer wordt aan historici gevraagd(fasen uit) de geschiedenis van de fysiotherapiete onderzoeken.Daarnaast biedt de stichting studenten aan deopleidingen fysiotherapie de mogelijkheid voor,en begeleiding bij, het schrijven van een his-torische scriptie. De SGF probeert al enige tijdom geschiedenis van de fysiotherapie weer alsvak op te laten nemen in het curriculum van deopleiding tot fysiotherapeut.Bovendien stimuleert de stichting de historischeinteresse in de fysiotherapie op verschillendemanieren, zowel binnen de beroepsgroep alsdaarbuiten. Buiten tekst- en beeldmateriaal ver-zamelt de SGF ook oude fysiotherapeutische ap-paratuur. Sommige van deze apparaten zoudenmoderne patiënten (en ook fysiotherapeuten)grote schrik aanjagen.1.3. Waarom geschiedenis?Waarom nu de geschiedenis van de fysiothera-pie? De herhaalde oproep tot het schrijven vande geschiedenis van het vakgebied laat zien dater meer achter zit dan alleen het bevredigen vaneen historische interesse. Studie van de geschie-denis geeft inzicht in de manier waarop de he-dendaagse situatie tot stand is gekomen. ZakenEen collectie van duizenden boeken over fysiotherapiein de historische bibliotheek van het SGF in Amsterdam. (Bron: SGF)De stichting Geschiedenis Fysiotherapie
  15. 15. 31312. DE WET OP DE PARAMEDISCHE BEROEPENEN HET FYSIOTHERAPEUTENBESLUITIn 1889, op 1 september, werd de voorloper vande KNGF opgericht, het Nederlands Genootschapvoor Heilgymnastiek en Massage. In 1942 werdde beroepsgroep wettelijk erkend. Belangrijkemijlpalen voor de fysiotherapie. Een groot aantalontwikkelingen droeg bij aan de vorming van defysiotherapie in de afgelopen anderhalve eeuw.Wat begon met een groep heilgymnasten dielang werd ingedeeld bij de kwakzalvers, groeideuit tot een volwassen, maatschappelijk geac-cepteerde medische beroepsgroep. Een groepwaartoe men zich wendt met problemen op hetgebied van bewegen en het bewegingsapparaat.Het jaar 1965 als startpunt voor dit boek is nietzomaar gekozen. Het Genootschap, als represen-tant van de fysiotherapeuten en voorheen ookde heilgymnasten-masseurs, heeft de afgelo-pen eeuw gewerkt aan de vormgeving van eenprofessionele beroepsgroep. Er werd een goedemanier gezocht om de toelating tot de beroeps-groep te reguleren, er werd gestreefd naar eeneffectieve beheersing van het beroepsgedrag, erwerden normen opgesteld voor de beroepsuit-oefening en regels over de onderlinge concur-rentie en er werd een beroepsethiek opgesteld.Dit vertaalde zich in een enorme vakinhoudelijkeIn 1889, op 1 september, werd de voorloper van de KNGF opgericht, het Nederlands Genootschap voorHeilgymnastiek en Massage. In 1942 werd de beroepsgroep wettelijk erkend. Belangrijke mijlpalenvoor de fysiotherapie. Een groot aantal ontwikkelingen droeg bij aan de vorming van de fysiothe-rapie in de afgelopen anderhalve eeuw. Wat begon met een groep heilgymnasten die lang werdingedeeld bij de kwakzalvers, groeide uit tot een volwassen, maatschappelijk geaccepteerde medischeberoepsgroep. Een groep waartoe men zich wendt met problemen op het gebied van bewegen en hetbewegingsapparaat.ontwikkeling, de oprichting van een beroepsop-leiding en de uitbouw van een beroepsorgani-satie. De fysiotherapie ontwikkelde zich van een‘vriendenkring’ tot een vooraanstaande parame-dische beroepsgroep. In deze lange ontwikkelingvormt het jaar 1965 een belangrijk knooppunt.Eigenlijk is er sprake van een tweeluik, de jaren1963 en 1965, met het zwaartepunt op het laatstejaar. In 1963 werd de Wet op de Paramedischeberoepen uitgevaardigd en in 1965 het Fysiothe-rapeutenbesluit. Met de Wet op de ParamedischeBeroepen kwam een einde aan het exclusivi-teitsrecht van artsen op medisch gebied. Voorhet eerst werden paramedische professies wet-telijk erkend en onderdeel van het geheel aanmedische zorg, hoewel natuurlijk onder strikteIn het Fysiotherapeutenbesluit van 1965 wordt het vakgebied alsvolgt gedefinieerd: ‘Het beroepsmatig ingevolge verwijzing dooreen praktijk uitoefenende geneeskundige toepassen van een ofmeer van de volgende vormen van therapie: bewegingstherapie,massagetherapie en fysische therapie in engere zin.Fysiotherapeutenbesluit van 1965, Bron: Staatsblad 52, 1965Een pagina uit het Handboek Heilgymnastiek en Massage uit 1969.
  16. 16. 3232 3333goede financiële regeling te komen. Echter, defysiotherapie kwam nog vaak in conflict met deziekenfondsen en zorgverzekeraars.Behalve de aanpassing van het Fysiotherapeu-tenbesluit in 1977 werden begin jaren zeventignog twee belangrijke besluiten genomen.1970: Het Besluit Inrichtingseisen FysiotherapieMet dit besluit werden minimumeisen gesteldaan de praktijkinrichting van een fysiotherapeut,bijvoorbeeld met betrekking tot verplicht aanwe-zige apparatuur.1973: FysiotherapeutenbesluitMet dit besluit werden aanvullende eisen gesteldaan opleiding en examen van fysiotherapeuten.Met het fysiotherapeutenbesluit van 1965 werdmet betrekking tot de opleiding voortgebouwdop de bestaande situatie. In de praktijk bleek ditniet goed te functioneren. Met het besluit van1977 werd dit pas echt goed aangepakt.Het belang van het Fysiotherapeutenbesluitmoge duidelijk zijn. Niet alleen verkreeg hetberoep van fysiotherapeut er de titel mee waar-onder wij het ook nu nog kennen, in essentiewerd de basis voor een professionele beroeps-groep gelegd. Het Fysiotherapeutenbesluit is danook meerdere malen aangepast of aangevuld enwerd in 1977 zelfs geheel herzien.2.1. Fysiotherapeutenbesluit 1977‘Een nieuw besluit, nieuw begin’, zo kenschetsthet redactioneel commentaar van het NederlandsTijdschrift voor Fysiotherapie in het september-nummer van 1977 het nieuwe Fysiotherapeuten-besluit. Dit geeft aan dat het Fysiotherapeuten-besluit werd gezien als een scharnierpunt. Eenflink aantal punten waar het Genootschap zichde voorgaande decennia hard voor had gemaakt,werd in dit besluit verwezenlijkt. De rol van defysiotherapeut in de gezondheidszorg werd eenstuk duidelijker vanwege de betere omschrijvingvan zijn bevoegdheden in de beroepsomschrij-ving fysiotherapie.2.2. Van Volksgezondheid naarOnderwijs en WetenschappenEen essentieel punt betrof de opleiding. Deopleiding tot fysiotherapeut was altijd onderge-bracht bij het ministerie van Volksgezondheid.In 1975 werd (de subsidiëring van) de opleidingovergedragen aan het ministerie van OnderwijsVanaf 1970 worden minimumeisen gesteld aan de praktijkruimtevan de fysiotherapeut.voorwaarden. Met dit besluit was voor het eerstde opleiding tot fysiotherapeut verplicht voor deuitoefening van het vak. Vier jaar later studeer-den als gevolg van dit besluit de eerste fysiothe-rapeuten af.In het Fysiotherapeutenbesluit werd de fysiothe-rapie maar zeer oppervlakkig gedefinieerd (ziekader pagina 31). Als gevolg hiervan is er binnende fysiotherapie altijd ruimte geweest voor dis-cussie over de exacte invulling van het vak.Met het Fysiotherapeutenbesluit van 1965 werdnaast de vereiste vooropleiding nog een aantalandere belangrijke zaken geregeld, waarondereen beroepsopleiding, de verhouding tussen fy-siotherapeut en arts, de titel ‘fysiotherapeut’ enbeschermde beroepswerkzaamheden.De titel heilgymnast-masseur werd vervangendoor de titel fysiotherapeut, omdat de oude titelde inhoud van het beroep niet langer dekte.Vooral de fysische therapie werd steeds belang-rijker en in het Fysiotherapeutenbesluit werdze opgenomen als integraal onderdeel van deopleiding. Voortaan mocht iedereen die dezeopleiding afrondde zich fysiotherapeut noemen.In het besluit werd bepaald dat deze fysiothe-rapeuten een aantal beschermde beroepswerk-zaamheden hadden: oefentherapie, massage enfysische therapie in engere zin.De Wet op de Paramedische Beroepen, waar-binnen de fysiotherapie werd geregeld met hetFysiotherapeutenbesluit, kende een systeem vanberoepsbescherming. Later, met de invoering vande Wet BIG in 1993, werd dit vervangen door eensysteem van titelbescherming. De fysiotherapeutbleef een ondergeschikte rol houden ten opzich-te van de artsen. In het Fysiotherapeutenbesluitwerd vastgelegd dat de arts de fysiotherapeuteen schriftelijke opdracht moest geven, hoe-wel deze niet ook de toe te passen behandelinghoefde te omschrijven. De ziekenfondsen ver-goedden therapeutische hulp alleen wanneer dearts een schriftelijke opdracht verstrekte.Daarnaast had het Fysiotherapeutenbesluit nogeen ander belangrijk gevolg: de fysiotherapeutenvormden de eerste paramedische beroepsgroepdie in de Wet op de Paramedische Beroepenwerd geregeld.Het grote belang voor de fysiotherapie was datalleen een wettelijk erkend paramedisch be-roep contracten mocht afsluiten met de zieken-fondsen, een essentiële voorwaarde om tot eenDe magnetiseur als kwakzalver afgebeeld.(Bron: 100 jaar fysiotherapie in Nederland)
  17. 17. 3434 3535Een tweede probleem betrof de wens van eeneigen tuchtrecht. In de Wet op de ParamedischeBeroepen werd de mogelijkheid van een eigentuchtrecht geopperd. Het Genootschap diendehiertoe een verzoek in bij minister van Volksge-zondheid mevrouw Vorrink (PvdA).De minister was echter van mening dat het beterzou zijn een uniform tuchtrecht voor de helemedische sector te hebben. Ze wilde de fysiothe-rapeuten bij dit tuchtrecht onderbrengen. Hoe-wel vanuit de beroepsgroep dus een begin werdgemaakt met het tuchtrecht, in de vorm van eenverzoek aan de landelijke politiek, werd in hetbesluit van 1977 voorlopig nog niets geregeld.In de jaren erna speelde de kwestie weer op enin de totstandkoming van de Wet BIG speelde zeeen belangrijke rol.Meer weten?• Wet op de Paramedische Beroepen Staatsblad 113, 21 maart 1963• Fysiotherapeutenbesluit Staatsblad 52, 11 februari 1965• Besluit Inrichtingseisen Fysiotherapie Staatsblad 287, 27 april 1970• Wijziging Besluit Inrichtingseisen Fysiotherapie Staatsblad 145,6 maart 1973• Fysiotherapeutenbesluit Staatsblad 431, 1 juli 1977• Wet op het voortgezet onderwijs Staatsblad 40,1963Fysiotherapiebehandeling nagebootsttijdens een open dag van fysiotherapeuten,eind jaren ‘80.en Wetenschappen, met alle bijkomende rech-ten en plichten. Dit leverde een dilemma op: deberoepsgroep was blij met de officiële erkenningvan haar opleiding, maar tegelijkertijd ook banghaar invloed op de opleiding grotendeels te ver-liezen nu zij was overgegaan in de handen vanhet ministerie van Onderwijs en Wetenschap-pen. Dit werd als volgt opgelost: met het nieuweFysiotherapeutenbesluit werd geregeld dat deberoepsgroep en de Vereniging van Opleidings-instituten voor Fysiotherapie leden kregen ineen nieuw te vormen college van advies. Op 13oktober 1965 werd dit College van Advies inzakehet beroep van fysiotherapeut ingesteld doorde minister van Sociale Zaken en Volksgezond-heid. Daarin hadden door de minister benoemdevertegenwoordigers van het NGF, de KNMG,de gezamenlijke opleidingen fysiotherapie enambtenaren van het ministerie zitting. Het col-lege werd voorgezeten door dr. P.H. van Setten,orthopedisch chirurg.2.3. Toenemende verantwoordelijkheid:van ‘in opdracht’ naar‘ingevolge verwijzing’Daarnaast deed zich een aantal maatschappe-lijke en beroepsinhoudelijke veranderingen voordie problemen met de bestaande regelingen aanhet licht brachten. Redenen genoeg om de re-gelingen uit de oude fysiotherapeutenbesluitente herzien. Ten eerste bleek dat de verhoudingtussen de fysiotherapeut en de arts onduidelijkwas. De strenge hiërarchie van het in opdrachtvan een arts werken werd in het Fysiotherapeu-tenbesluit van 1977 dan ook vervangen door de‘verwijzing’. Dit was een ingrijpende verande-ring. De fysiotherapeut krijgt hiermee een eigenverantwoordelijkheid, hij is niet langer slechtsde assistent van de arts. Wel blijft de arts óókverantwoordelijk, bijvoorbeeld voor zijn besluitvan doorverwijzing naar de fysiotherapeut.Een advertentie van kortegolfapparatuur uit 1970.
  18. 18. 3636 3737
  19. 19. 3838 39393. DE ONTWIKKELING VAN HET WETTELIJK KADER –VAN WUG NAAR BIGDe komst van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) is een van demeest invloedrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van de moderne fysiotherapie. De wetbetekende het einde van een tijdperk dat begonnen was in 1865. Sinds dat jaar zocht de fysio-therapie haar weg tussen twee sporen in: het spoor van de geneeskunde en het spoor van deaanverwante medische beroepen. In 1986 kwamen beide sporen samen in het wetsvoorstel BIG. Indecember 1993 werd de Wet BIG daadwerkelijk geëffectueerd.3.1. Een stukje voorgeschiedenis:verboden terrein voor onbevoegdenZonder een blik op de wat minder recente ge-schiedenis valt het belang van de Wet BIG haastniet te begrijpen. In 1865 werd de Wet rege-lende de Uitoefening van de Geneeskunst (WUG)uitgevaardigd. Met die wet werd de geneeskunsttot verboden terrein verklaard voor onbevoeg-den. Het doel van deze wet was de ‘kwakzalve-rij’ tegengaan. In de praktijk betekende dit datde alleenheerschappij op medisch gebied werdgegeven aan de geneeskunde, bestaande uittot arts opgeleiden en verpleegkundigen. Dezemonopoliepositie werd vervolgens meer en meeraangevallen door reeds bestaande en later opko-mende aanverwante medische beroepen. Naastde strijd tussen artsen en ‘kwakzalvers’ speeldeook een machtsstrijd tussen deze twee groepenaan de ene kant en de overheid aan de andere.In de WUG van 1865 werd vastgelegd dat hettoezicht een overheidstaak was. De bevoegdheidtot uitoefening van de geneeskunde werd gere-geld via een universitaire opleiding. Zo werd hetterrein van de geneeskunde radicaal afgebakendvan dat van de niet-geneeskundige. De wet-ten van 1865 werkten echter niet bevredigend:de onbevoegde uitoefening van de geneeskunstnam toe, overtreders werden zelden bestraft ende overheid kreeg het gevoel dat zij het de ziekeonmogelijk maakte genezing te zoeken waar hijdie meende te kunnen vinden.Aan het begin van de 20e eeuw ontstond de ge-dachte dat als de kwakzalverij niet uitgebannenkon worden, dan maar haar schadelijke gevolgenbeperkt moesten worden. In 1917 wordt een aan-tal commissies ingesteld om de problematiek nogeens te bestuderen. Eén hiervan moet genoemdworden, omdat de ideeën die uit deze commis-sie voortkomen in de gehele verdere geschiede-Samuël van Houten was er medeverantwoordelijk voor dat degeneeskunde deels toegankelijk werd voor ‘onofficiële’ geneeskundigen.(Bron: archief Tweede Kamer)Kwakzalver Van Dyk prijst zijn ‘geneeskrachtige’ waar aan op straat in Amsterdam, 1953.(Bron: Spaarnestad Photo)
  20. 20. 4040 4141De regering gelast wederom een kritisch we-tenschappelijk onderzoek naar de vraag óf en zoja welke maatregelen getroffen moeten wordenom onbevoegden een zekere mate van vrijheidvan behandeling te geven. De resultaten van ditonderzoek zijn echter dubbelzinnig.3.2. Maatschappelijke drukOndertussen loopt de maatschappelijke druk omonbevoegden toegang te geven tot het terreinvan de geneeskunde op. De leidende gedachte isdat de patiënt vrij moet zijn genezing te zoekenwaar hij die denkt te vinden. Het is begin jarenzestig en de individualisering van de maatschap-pij begint op gang te komen. Burgers wordenmondiger en zijn er minder en minder van ge-diend dat de overheid hen bevoogdt. Ook justitieoefent onverminderd druk uit om tot nieuwewetgeving te komen, ondertussen dreigend refe-rerend aan de zaak Lemmen.Opnieuw wordt een werkgroep ingesteld: deinterdepartementale werkgroep-Muntendam,onder voorzitterschap van de directeur-generaalvan Volksgezondheid Piet Muntendam (PvdA). Dewerkgroep-Muntendam kreeg de taak om eenwetsvoorstel te ontwikkelen dat een aanvaard-bare vorm van behandelvrijheid mogelijk maak-te. De werkgroep kwam al gauw tot de conclusiedat het afschaffen van het artsenmonopolie enPiet Muntendam, voorzittervan de Commissie Muntendam.(Bron: SpaarnestadPhoto)nis van de fysiotherapie terug zullen komen: destaatscommissie-Van Houten genoemd naar haarvoorzitter Samuel van Houten (van het bekende‘kinderwetje van Van Houten’ uit 1874).Deze commissie moest onderzoeken ‘hoe dewettelijke bepalingen betreffende de uitoefe-ning van de geneeskunst zouden moeten luiden,indien de bevoegdheid tot het uitoefenen vandie kunst niet meer afhankelijk werd gesteld vanhet bezit van het getuigschrift van een met goedgevolg afgelegd artsexamen.’ Kortom: hoe zoude wet eruit moeten zien wanneer onbevoegdentoegang werd gegeven tot de geneeskunst? Decommissie komt tot de conclusie dat de genees-kunst óók voor onbevoegden opengesteld moetworden, maar met uitzondering van enkele me-dische verrichtingen. Het verbod blijft dan alleennog bestaan voor die verrichtingen waarvoor eenspecifieke vaardigheid of kennis nodig is, bij-voorbeeld het toedienen van injecties.Verder was de commissie van mening dat iedereonbevoegde die de geneeskunst wilde gaanuitoefenen zich zou moeten registreren bij de in-specteur van de gezondheidszorg in zijn of haaromgeving. In dit door de staatscommissie-VanHouten voorgestane stelsel zou het terrein van degeneeskunst voor iedereen opengesteld worden.De vooruitstrevende ideeën van de commissie-Van Houten zien echter nooit het daglicht. In eenpolitiek steekspel rondom de invoering van eenaantal medische wetten (waaronder de Ziekteweten de wettelijke regeling van het ziekenfonds-wezen) zetten de artsen de toenmalige katholie-ke minister mr. P.J.M. Aalberse voor het blok: wilhij dat zij hem steunen, dan moet hij de plan-nen van de commissie-Van Houten in de ijskastzetten. Dat gebeurt dan ook; de minister kan hetzich niet veroorloven de artsen tegen zich in hetharnas te jagen.Pas na de Tweede Wereldoorlog verandert erweer veel op het gebied van de medische wet-geving. In de jaren na de oorlog is overtredingvan de Wet regelende de Uitoefening van deGeneeskunst schering en inslag: er is nauwelijkshandhaving en onbevoegden kunnen vrijelijkhun gang gaan.In 1950 wordt dan een nieuw onderscheid inge-voerd: dat tussen ‘kwakzalvers’ en ‘alternatievegenezers’. Het idee is dat die laatste groep welenige vrijheid gegund mag worden op het terreinvan de geneeskunst. In dat jaar werd de kwestiezeer actueel vanwege het proces tegen de mag-netiseur Lemmen. De rechter sprak hem vrij vankwakzalverij omdat hij niet kon oordelen ‘als dewetgever geen duidelijke wetgeving invoert’.Behandeling kortegolf begin jaren ‘60. (Bron: Spaarnestad Photo)
  21. 21. 4242 4343commissie wil aan beide uitgangspunten vast-houden en biedt een compromis. De taak van deoverheid is het bestrijden van de onbevoegdeuitoefening, maar wanneer de wet op dit gebiedniet wordt gehandhaafd vervaagt het normbe-sef. Aangezien het publiek al lang gebruik maaktvan de onbevoegden, deze onbevoegden niet ofnauwelijks worden vervolgd, men de keuzevrij-heid van de patiënt belangrijk vindt en be-voogding door de overheid steeds minder wordtgewaardeerd, oppert de commissie het volgende:de overheid dient te accepteren dat mensenvrijwillig een risico willen lopen. Tot bestraffingmoet pas worden overgegaan als de behande-ling duidelijk gevaarlijk is voor het leven van depatiënt. De commissie handhaaft dus de situatiewaarin alleen de opleiding tot arts toegang geefttot de geneeskunde. De onbevoegde uitoefeningblijft strafbaar als deze het verlenen van ‘nor-male’ medische hulp belemmert.3.3. Individuele gezondheidszorgOndertussen heeft de overheid alweer een nieu-we commissie ingesteld, de staatscommissie-DeVreeze. Deze commissie moet de grondslagenvan de medische wetten, daterend uit 1865,gaan onderzoeken. In 1969, de commissie is danruim anderhalf jaar aan het werk, verschijnenin het Nederlands Tijdschrift voor Fysiotherapiede voorlopige conclusies van de commissie. Decommissie overweegt een stelsel van titelbe-scherming, in plaats van het stelsel van be-roepsbescherming uit de bestaande wetgeving.Titelbescherming neemt de moeilijkheid vanhet exact omschrijven van het beroep weg.De uitoefening van het beroep is dan vrij, maarhet recht van het voeren van een titel (en daar-mee het recht het niet nader omschreven beroepuit te oefenen) wordt dan slechts toegekend aanhen die aan specifieke eisen voldoen. Daarnaastoverweegt de commissie de invoering van tucht-recht voor de verschillende beroepsgroepen inde gezondheidszorg. In juni 1973 verschijnen dedefinitieve conclusies. De Vreeze introduceerdeeen nieuwe term die een belangrijke rol is gaanspelen in de medische wetgeving: de individuelegezondheidszorg. Het gaat voortaan om de zorgvoor de individuele patiënt in de brede zin. DatA de Wit, de eerste inspecteur op het gebied van fysiotherapie.een geheel vrije toegang tot het terrein van degeneeskunde niet haalbaar waren. De werkgroepoverwoog vervolgens om slechts bepaalde groe-pen behandelvrijheid toe te staan. Deze optiewerd al snel weer van tafel geveegd: het zouniet mogelijk zijn objectieve wetenschappelijkecriteria op te stellen om onderscheid te makentussen toelaatbare en niet-toelaatbare groepen.De werkgroep concludeerde dat er slechts éénkeuze overbleef: die tussen een positief of eennegatief stelsel.In een positief stelsel wordt vastgelegd wat mag;in een negatief stelsel wat niet mag. Munten-dam adviseerde het negatieve stelsel. Ten eerstezou het positieve stelsel minder snel aanvaardworden door tegenstanders van behandelvrij-heid, omdat dit een zekere erkenning van on-bevoegde genezers betekende. Ten tweede wasde overheid niet overtuigd van de bekwaamheidvan onbevoegden, want daarvoor waren im-mers geen criteria op te stellen! Het voorstel vande werkgroep-Muntendam was dan een mooicompromis: het betekende dat de monopoliepo-sitie van de arts behouden bleef, maar beperktwerd tot een kleiner deel van het terrein van degeneeskunst. Voor het overige deel werd behan-delvrijheid ingevoerd.Eindelijk leek het te komen tot een wettelijkeregeling omtrent de onbevoegde beoefenaarsvan de geneeskunst, maar de artsenorganisatie(KNMG) wijst alle voorstellen van de werkgroepvan de hand. De minister durft de confrontatieniet aan en de voorstellen van de werkgroep-Muntendam verdwijnen ongepubliceerd in dearchieven. De maatschappelijke druk blijft echteronverminderd bestaan. Op 11 augustus 1965wordt de commissie-Peters ingesteld. Deze com-missie krijgt min of meer dezelfde taakstellingmee als de commissie-Van Houten uit 1917.De commissie-Peters vindt dat onbevoegdenalleen dan op beperkte schaal de geneeskunstmogen uitoefenen wanneer ‘hun medische ken-nis en vaardigheid aan de hand van geijkte me-thoden zou kunnen worden vastgesteld’, iets datal vaker onmogelijk was gebleken. De commissieconcludeert dan ook dat het niet aanvaardbaar isom onbevoegden toe te laten op het terrein vande geneeskunst. Gelukkig laat de commissie hethier niet bij zitten; zij erkent dat het maatschap-pelijke probleem hier niet mee is opgelost enwijst op de paradoxale verhouding tussen tweebestaande uitgangspunten. Enerzijds het strevennaar keuzevrijheid van de patiënt, anderzijdshet handhaven van het artsenmonopolie. DeEen ‘voorbehouden handeling’ is bijvoorbeeld de injectie.(Bron: 100 jaar fysiotherapie in Nederland)
  22. 22. 4444 4545Behandeling met het Zanderapparaathoudt in: niet alleen de curatieve zorg, maar ookalle activiteiten gericht op het voorkomen vanbedreiging of aantasting van de gezondheid.In 1979 dringt de komst van de Wet op de Be-roepen in de Individuele Gezondheidszorg zichop. De inspecteur van de Volksgezondheid tenbehoeve van de paramedische beroepen, A. DeWit, laat de term individuele gezondheidszorgvallen tijdens een toespraak aan de AcademieLeffelaar, een opleiding in Amsterdam. Met deWet BIG vervalt de beroepsbescherming en wordtslechts de titelbescherming gehandhaafd. Datzou betekenen dat iedereen fysiotherapeutischehandelingen mag verrichten, iets wat met de Wetop de Paramedische Beroepen en het Fysiothera-peutenbesluit juist was verboden. Wel mag dande titel ‘fysiotherapeut’ alleen gevoerd wordendoor iemand die een erkende opleiding heeftgevolgd. Het voeren van de titel dient dan alskwaliteitsgarantie.3.4. Het wetsvoorstel BIGOp 16 mei 1986 resulteert het werk van de velecommissies, en in het bijzonder de commissie-De Vreeze, in het indienen van de Wet op de Be-roepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG)bij de Tweede Kamer. De Wet BIG was het resul-taat van een discussie die, maatschappelijk en intal van werkgroepen en commissies, al meer daneen halve eeuw werd gevoerd. In de wet werdeen drietal zaken samengetrokken: verouderdewetgeving wordt vernieuwd en aangesloten opde veranderde maatschappij, handhaving vande regelingen wordt beter mogelijk en er wordteen overkoepelend systeem aangebracht in dewetgeving door een uniforme regeling voor alleberoepen in de individuele gezondheidszorg.De Wet BIG betekende dat de geneeskunde,onder specifieke voorwaarden, niet langerverboden terrein voor onbevoegden was. Dewet legt de verantwoordelijkheid voor de kwa-liteit van de beroepsuitoefening primair bij deberoepsgroep zelf. Daarnaast benadrukt het deeigen verantwoordelijkheid van de burger. Integenstelling tot vroeger heeft de overheid alleennog de eindverantwoordelijkheid. Die eindver-antwoordelijkheid geeft de overheid vorm inhet scheppen van kaders of voorwaarden. In hetwetsvoorstel BIG zijn die onder meer terug tevinden in de vorm van kwaliteitseisen voor debehandeling. Ook worden er richtlijnen gegevenvoor het beheer van patiëntgegevens. De over-heid bepaalt verder dat indien een beroepsgroepzelf te weinig eisen stelt voor de kwaliteit vanbehandeling zij daar zelf toe over mag gaan.
  23. 23. 4646 4747
  24. 24. 4848 49494. VAN BROEDERMOORD TOT EEN STABIEL GEZIN:DE BEROEPSORGANISATIEHet KNGF is de overkoepelende vereniging voor alle fysiotherapeuten in Nederland. De verenigingbehartigt de belangen van ruim 23.000 fysiotherapeuten op beroepsinhoudelijk, economischen sociaal-maatschappelijk gebied. De voornaamste zorg van het Genootschap is de voorwaar-den te creëren voor een kwalitatief hoogwaardige en toegankelijke fysiotherapeutische zorg.Het KNGF is meestal in staat gebleken de eenheid binnen het vakgebied te bewaren, zelfs in tijdenvan de grootste problemen en conflicten, zoals de bijna-broedermoord binnen de gelederen van devrijgevestigden in de jaren zeventig of de hevige onenigheid over de pensioenen.4.1. De roerige jaren zeventigIn de jaren zeventig rommelde het binnen deberoepsgroep. Fysiotherapeuten stonden ondergrote druk vanwege bezuinigingen in de ge-zondheidszorg. Ziekenfondsen probeerden artsenminder verwijzingen naar fysiotherapeuten telaten uitschrijven. Er waren voortdurend conflic-ten over de honorering van fysiotherapeutischearbeid: vooral de fysiotherapeuten in dienst-verband werden veelal onderbetaald. Daarnaastraakte de beroepsgroep verdeeld: fysiothera-peuten werkten op steeds meer verschillendeplaatsen en binnen verschillende instellingen,wat soms voor tegengestelde belangen binnende beroepsgroep zorgde. Voor velen was vrijevestiging, het voeren van een eigen praktijkbuiten de zorginstellingen, een ideaalbeeld, eenavontuur dat ze maar al te graag aangingen. Inde ogen van velen werd dit avontuur hen afge-nomen toen hen een verplicht pensioen werdopgelegd. Dat werd door de vrijberoepsbeoefe-naren gezien als een aantasting van hun econo-mische onafhankelijkheid. De ‘pensioenkwestie’zou een grote splijtzwam blijken.4.1.1. Vereniging Hoofden / Leiding-gevenden FysiotherapieAl vanaf 1970 worden belangen van de intra-muraal werkende fysiotherapeuten (werkzaambinnen zorginstellingen) behartigd door eenzelfstandige en onafhankelijke organisatie: deVereniging Hoofden Fysiotherapie (VHF). Fysio-therapeuten die leiding gaven aan afdelingenfysiotherapie binnen instellingen in de gezond-heidszorg verenigden zich in de tweede helft vande jaren zestig om inhoudelijke, organisatorischeen economische problemen aan te pakken. Inde jaren negentig bleek dat de rol van afde-lingshoofd sterk veranderd was en steeds vakeringenomen werd door niet-fysiotherapeuten enniet-medisch geschoolden. In 2000 werd de ver-eniging voor deze nieuwe soort leidinggevendenopengesteld. De statuten werden aangepast ende naam werd veranderd in Vereniging Leiding-gevenden Fysiotherapie (VLF).1889: Genootschap ter beoefening van de Heilgymnastiek in Nederland1965: Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (NGF)1989: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)
  25. 25. 5050 5151de vergoedingen voor massage, oefentherapieen fysiotechnische applicaties als pensioen-geld gereserveerd. Vervolgens werd in 1973 eenverplichtstelling aangevraagd bij het ministerievan Sociale Zaken. Die kwam er met ingang van1 januari 1975. Tot diep in 1977 verzette de NVVFzich tegen deze verplichtstelling van de pensi-oenregeling, totdat de vereniging op 3 septemberbesluit haar bezwaren tegen verplichtstellingin te trekken. Per 1 april 1978 ging de volledigeberoepspensioenregeling van start. Daarmee washet pleit beslecht, hoewel het nog jaren duurdevoordat de ontevredenheid afnam.4.3. Herstructurering 1976In 1976 werd het Genootschap ‘geherstructu-reerd’. De in 1974 opgerichte belangenvereni-ging voor vrijgevestigde fysiotherapeuten, deNVVF, ging zelfstandig verder. Naast de NVVFontstond in 1976 een tweede vereniging voorvrijgevestigden, de Landelijke Vereniging vanVrijgevestigde Fysiotherapeuten (LVVF). Dit werdde sociaaleconomische belangenvereniging voorvrijgevestigden die tevens lid waren van het NGF.Voor de fysiotherapeuten in dienstverband werdeveneens een sociaaleconomische belangenver-eniging opgericht: de Landelijke Vereniging vanFysiotherapeuten in Dienstverband (LVFD). Dezeorganisatie onderhield de contacten met over-heidsinstanties en zorginstellingen en onder-handelde voor de dienstverbanders over bijvoor-beeld de cao en de pensioenvoorzieningen. Deberoepsinhoudelijke belangenbehartiging van deberoepsgroep lag vanaf 1976 specifiek bij het NGF,dat als ‘koepelorganisatie’ ging functionerenLVVF kwam op voor vrijgevestigde fysiotherapeutenin de felle ziekenfondsdiscussie die woedde vanaf de jaren ‘60.Naast de spanningen die de pensioen- en beloningsconflic-ten met zich meebrachten was het Genootschap verwikkeld ineen interne herstructureringsperiode. De oprichting van de NVVFspeelde daarbij een grote rol. Er werden voorbereidingen getrof-fen voor de oprichting van een vereniging voor fysiotherapeuten indienstverband en een vereniging voor fysiotherapiestudenten. Defysiotherapeut in dienstverband was een relatief nieuw verschijn-sel. Voor de oorlog kwam dit nauwelijks voor. Pas in het begin vande jaren zestig, toen de heilgymnastiek de zweem van alternatievegeneeskunde die haar zo lang had omringd begon kwijt te raken,haakte de beroepsgroep in op nieuwe ontwikkelingen in de zorg.Fysiotherapeuten en heilgymnasten gingen werken in zieken- enverpleeghuizen en revalidatieklinieken (deze laatste waren in veellanden opgekomen als gevolg van de Tweede Wereldoorlog).4.2. Sociaaleconomische belangenen beroepsgroep in beroeringIn 1974 werd de oprichting van een NederlandseVereniging van Vrijgevestigde Fysiotherapeuten(NVVF) aangekondigd door een groep fysiothe-rapeuten die zich niet goed vertegenwoordigdvoelde door het Genootschap. Vooral over deverdiensten van een vrijgevestigde fysiothera-peut verschilden de partijen van mening. Voorhet bestuur van het Genootschap kwam de op-richting van de NVVF als een grote verrassing. DeNVVF gaf aan geen alternatieve vereniging te zijn,maar een vereniging voor vrijgevestigde fysio-therapeuten die lid waren van het Genootschap.Toch rezen bij het bestuur van het Genootschapgrote twijfels over de intenties van de NVVF. Hetbestuur van het Genootschap schreef een openbrief aan het bestuur van de NVVF, waarin dezeervan wordt beschuldigd verdeeldheid te zaaienbinnen de beroepsgroep. Het duurde niet langof de beschuldigingen vlogen over en weer, ende verhoudingen raakten ernstig vertroebeld.In november 1975 deelde het bestuur van hetGenootschap mee dat ze genoeg had van deniet-constructieve houding van de NVVF en ze decontacten verbrak.4.2.1. PensioenkwestieIn de jaren zestig bleek dat het voor veel vrij-gevestigde fysiotherapeuten lastig was indivi-dueel een fatsoenlijke oudedagsvoorziening opte bouwen. Het Genootschap heeft onder meerals doelstelling zich te bekommeren om de so-ciale belangen van zijn leden. Uit een enquêtebleek dat het merendeel van de leden een col-lectieve pensioenregeling toe zou juichen. Sinds1968 was een drietal commissies bezig met depensioenregeling voor fysiotherapeuten. Zo werdeen pensioencommissie ingesteld, die de taakhad een pensioenreglement te ontwerpen. In1967 had het Genootschap al met de ziekenfond-sen afgesproken dat zij, met ingang van 1968,ongeveer 8 procent van de door fysiotherapeu-ten te declareren bedragen in een stichting zoustorten. Deze stortingen zouden dan uiteindelijkworden aangewend voor een pensioenregeling.In 1970 werd daadwerkelijk aangevangen met hetregelen van de oudedagsvoorziening. Er werdeen Stichting voorlopig beheer van pensioengel-den voor fysiotherapeuten opgericht, bestuurddoor leden van de ziekenfondsorganisaties (deheren Hougée, Landheer jr. en Polderman) enhet Genootschap (de heren Berrens, Spit enRijnvis). Vanaf 1970 werd een percentage vanFysiotherapeuten en heilgymnasten waren steeds vaker werkzaambinnen ziekenhuizen, verpleeghuizen en revalidatieklinieken.
  26. 26. 5252 53534.4. Conflicten tussen praktijkhoudersen medewerkers en BVG-problematiekMedio jaren tachtig komt het nogmaals tot eenconflict binnen de beroepsgroep. Veel fysiothe-rapeuten zagen zichzelf als vrije ondernemers,met alle voor- en nadelen van dien. Een vrij-gevestigde fysiotherapeut droeg geen premiesaf en viel onder een gunstig belastingregime.Daar stond tegenover dat hij geen aanspraakkon maken op een werkeloosheidsuitkering. Erwaren vrijgevestigden met een eigen praktijk, depraktijkhouders, en vrijgevestigden die op nota-basis in de praktijk van een ander werkten. Dezelaatsten droegen een deel van wat ze verdiendenaf aan de praktijkhouder, in ruil voor het rechtgebruik te mogen maken van de praktijkruimteen de benodigde apparatuur. Deze vorm van sa-menwerking werkte lange tijd uitstekend, maarin de jaren tachtig ontstonden er problemen.De arbeidsmarkt voor fysiotherapeuten raakteverzadigd, de aantallen afgestudeerden blevengroeien en de werkeloosheid nam toe. Van over-heidswege werd ondertussen stevig bezuinigdop de gezondheidszorg. De fysiotherapeuten dieop notabasis werkten, kwamen hierdoor in deverdrukking. In veel gevallen moesten zij steedslagere vergoedingen accepteren, ze stonden een-voudigweg voor de keuze om óf minder te ver-dienen óf in de bijstand terecht te komen. Onderdegenen die op notabasis werkten ontstondonvrede over de LVVF. Reeds in 1981 werd eenwerkgroep voor fysiotherapeuten op notabasisopgericht om de sociaaleconomische belangenvan de groep te behartigen. De groep vroeg zichaf of de LVVF hun belangen wel kon behartigen,aangezien de belangenvereniging het zowel voorde praktijkhouders als de medewerkers moestopnemen. Het conflict werd nog ernstiger toenin 1984 de Bedrijfsvereniging van de Gezond-heid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen(BVG), het orgaan dat van overheidswege wasbelast met de uitvoering van een aantal socialewetten (WW, Ziekenfondswet, WAO, et cetera.),zonder enig overleg met de beroepsgroep beslootdat fysiotherapeuten op notabasis wel degelijkpremies moesten afdragen. Dit veroorzaakteenorme beroering binnen de beroepsgroep, inhet bijzonder onder de vrijgevestigden. Eindjaren zeventig was immers in onderlinge afstem-ming tussen BVG, LVVF en het Genootschap eenmodelcontract* opgesteld. De afspraak was datals volgens dit contract werd gewerkt, er geenpremieverplichtingen waren voor medewerkersop notabasis. De BVG besloot echter dat er in depraktijk vaak sprake was van een fictief dienst-verband en dat dienovereenkomstig premiebetaald moest worden. Het conflict draaide inde kern om de aantoonbare zelfstandigheid vande fysiotherapeut op notabasis. Als gevolg vandeze zogenaamde BVG-problematiek splitsteeen groep fysiotherapeuten zich af. Zij richttende VMFV op, de Vereniging van Medewerkers inde Vrijgevestigde Praktijk. De VMFV was onaf-hankelijk van het Nederlands Genootschap voorFysiotherapie. De problemen waren hiermee noglang niet opgelost. Eind 1984 weigert de BVG eennieuw ontwikkeld modelcontract. In 1985 legt de* Het modelcontract was een Overeenkomst betreffende hetbehandelen tegen nota, aangegaan tussen twee vrijgevestigdefysiotherapeuten c.q. heilgymnasten-masseurs, in de volksmondook wel het Roze Kontrakt genoemd.voor zijn regionale afdelingen, de Wetenschap-pelijke Raad, de diverse werkgroepen, de Neder-landse Vereniging voor Fysiotherapie in Verpleeg-huizen (NVFV), de Vereniging van MultidisciplinairSamenwerkende Fysiotherapeuten (VMSF), deLandelijke Vereniging voor Fysiotherapeuten inDienstverband (LVFD), de Nederlandse Verenigingvan Vrijgevestigde Fysiotherapeuten (LVVF) en deLandelijke Vereniging van Studenten Fysiothera-pie (LVSF). De LVVF en de LVSF werden voor dezeherstructurering opgericht.De eerste vergadering van de LVVF was direct eenhistorisch evenement. Ongelukkigerwijs moestende leden direct beslissen over de zeer heikelekwestie van de ziekenfondshonorering, terwijlhierover onder de vrijgevestigden al tijden onge-noegen heerste. De gemoederen liepen hoog open na afloop van de vergadering wilden som-migen het debat elders voortzetten. De meerder-heid van de aanwezigen wilden echter stemmenover een motie die eerder die dag was inge-bracht door Henny Spit. Terwijl de schoonmakersal aan de slag gingen, werden de stemmen ge-teld. De motie-Spit bleek met grote meerderheidte zijn aangenomen.Behalve conflicten brachten de jaren zeven-tig ook positieve ontwikkelingen. Zo werd er indecember 1972 een conceptberoepsethiek gepre-senteerd. Daarmee maakte het Genootschap zijnhouding jegens mens en maatschappij duidelijk.De intentie was om deze ethiek te laten dienenals de basis voor het reeds aangevraagde tucht-recht. De LVFD heeft zich al vanaf haar oprichtingin de jaren zeventig beziggehouden met hetontwikkelen van een beroepsbeeld. Dat beroeps-beeld, in de vorm van een beroepsprofiel, werduiteindelijk voor het eerst geformuleerd in 1985.Stemming op de ledenvergadering van het LVVF.Spotprent uit vakblad FysioVisie over het BVG-conflict (1985).
  27. 27. 5454 5555Er volgden jaren van rechtszaken tegen hetweigeren van overeenkomsten en van moeizameonderhandelingen. Uiteindelijk komen de par-tijen tot een nieuwe modelovereenkomst. Ookwerd besloten tot de oprichting van de Geschil-lencommissie ziekenfonds-fysiotherapeuten,die zich nog jarenlang heeft mogen buigen overrechtszaken over de BVG-heffingen.De jaren tachtig brachten echter ook een stap inde richting van meer eenheid. Vanaf 1988 gaande twee verenigingen voor vrijgevestigde fysio-therapeuten, de NVVF en LVVF, samen verder alséén sociaaleconomische belangenvereniging voorde vrijgevestigde fysiotherapeut: de Verenigingvan Vrijgevestigde Fysiotherapeuten (VVF).In 1996 komen het KNGF en VMFV bij elkaar. Inhet jaar 2000 fuseren VVF, LVFD en KNGF en gaansamen verder onder de naam KNGF.4.5.1. TuchtrechtIn de Wet op de Paramedische Beroepen (1963)en het Fysiotherapeutenbesluit (1965) werd alvastgelegd dat de beroepsgroep op termijn eeneigen tuchtrecht kreeg. Tuchtrecht werd door hetGenootschap gezien als een mogelijkheid omde kwaliteit van het vak nog strenger te bewa-ken. In 1972 stelt het Genootschap voor om nueindelijk het tuchtrecht op de fysiotherapie vantoepassing te verklaren, maar in 1974 is hier vanoverheidswege nog geen gehoor aan gegeven.Ondertussen werd het bestuur van het Genoot-schap steeds vaker geconfronteerd met klachtenvan patiënten. De hoop werd tevergeefs geves-tigd op het nieuwe Fysiotherapeutenbesluit, datin 1977 in werking trad. Verantwoordelijk staats-secretaris Hendriks stelde dat er reeds een wet invoorbereiding was voor algemeen tuchtrecht voorde medische sector.In 1980 verandert de overheid weer van stand-punt: ze staat een aparte tuchtrechtspraak voorde fysiotherapie voor. Pas met de invoeringvan de Wet BIG komt het tuchtrecht weer echtin beeld. In de Wet BIG werd bepaald dat eenberoepsgroep tuchtrecht nodig heeft wanneerdat tot een goede beroepsuitoefening bijdraagt.De kerntaak van tuchtrecht is het waarborgenvan goede beroepsuitoefening. Verschillendecommissies (o.a. de Commissie vermindering envereenvoudiging van overheidsregelingen onderleiding van de heer Geelhoed) vinden de risico’svan de beroepsgroep fysiotherapie niet specifiekgenoeg om een eigen tuchtrecht te rechtvaardi-gen.Deel van de uitspraak van een tuchtzaak uit 2001.LVVF, in navolging van de NVVF en de VMFV, haarleden een nieuw soort modelcontract voor waar-mee het traditionele notasysteem werd verlaten.Er werd een nieuwe vorm van samenwerkinggeïntroduceerd: de maatschap. Het duurde nogenkele jaren met conflicten voordat dit nieuwesysteem ingevoerd en door alle betrokken par-tijen geaccepteerd werd.4.5. Vestigingsbeleid, conflicten met deziekenfondsen en een stap opweg naar eenheidLater in de jaren tachtig lopen de conflicten metde Vereniging van Nederlandse Ziekenfondsenhoog op. Per 1 januari 1985 waren de zieken-fondsen niet meer verplicht met iedere fysio-therapeut die zich ergens wilde vestigen eenovereenkomst aan te gaan. Dit was een maat-regel die paste binnen de doelstelling van deoverheid de gezondheidszorg te decentraliserenen tegelijkertijd te bezuinigen. De ziekenfond-sen mochten in dit beleid plaatselijk bepalenhoe groot de behoefte aan zorgverleners was.Voorheen moest met elke fysiotherapeut die zichwilde vestigen een modelovereenkomst wordenaangegaan. De maatregel moest een beperkingvan de kostengroei opleveren en bijdragen aanhet vestigingsbeleid. In bepaalde streken warenfysiotherapeuten oververtegenwoordigd, terwijlandere streken nog nauwelijks werden gedekt.VNZ, VVF en VMFV tekeneneen modelovereenkomst.
  28. 28. 5656 5757altijd gemakkelijk laten verenigen. Toch is het defysiotherapie redelijk goed gelukt zich naar bui-ten toe als eenheid te presenteren. In de jarenzeventig en tachtig was dat lastig vanwege deinterne verdeeldheid, waardoor de fysiothera-peuten door overheid en zorgverzekeraars tegenelkaar konden worden uitgespeeld. Door zichte verenigen heeft de fysiotherapie haar positieverstevigd en is ze in staat in woelige tijden eenvuist te maken.4.7. ‘Nu hoort het hele land bij elkaar’Op 1 juli 1992 fuseerden het KNGF en de VMFV,waarmee voor het eerst de gehele beroepsgroepwas verenigd. ‘Nu hoort het hele land bij elkaar’,kopt een artikel in FysioPraxis die maand. Metdeze fusie is er één beroepsinhoudelijke belan-genorganisatie, het KNGF, één belangenorganisa-tie voor de vrijgevestigde fysiotherapeut, de VVF,en één belangenorganisatie voor dienstverban-ders, de LVFD. Toch is er van bestuurlijke eenheidnog geen sprake. In een redactioneel commentaarin de FysioPraxis van februari 1993 werden de ge-zamenlijke besturen van de verenigingen aange-duid als ‘een kruiwagen vol kwakende kikkers’.De grootst mogelijke eenheid ontstond uitein-delijk in het jaar 2000, met de opheffing vande VVF en de LVFD en het opgaan van hun ledenin het KNGF. Daarmee werd het KNGF de enigeoverkoepelende organisatie voor alle fysiothe-rapeuten. De organisatie behartigt de belangenvan alle fysiotherapeuten op diverse vlakken:beroepsinhoudelijk, sociaal-maatschappelijk eneconomisch.De organisatiestructuur van het KNGF wordt nubepaald door twee elementen: een geografi-sche indeling op basis van een aantal RegionaleGenootschappen Fysiotherapie (RGF’n, twaalfin totaal) en een specialisatie op deelgebiedenbinnen tien beroepsinhoudelijke verenigingen.Iedere fysiotherapeut die lid is van het KNGF isten minste ook lid van een Regionaal Genoot-schap Fysiotherapie en kan ook lid zijn van eenberoepsinhoudelijke vereniging. De RegionaleGenootschappen hebben honderd procent vande stemmen in de algemene vergadering vanhet KNGF, het hoogste bestuurlijke orgaan. Dedagelijkse leiding is in handen van het algemeenbestuur (AB). De beroepsinhoudelijke verenigin-gen, de specialistenverenigingen, hebben eenadviserende functie. Tijdens de algemene ver-gadering hebben zij wel spreekrecht, maar geenstemrecht. De twaalf Regionale Genootschappenontplooien tal van activiteiten op het terrein vankwaliteitsbeleid. Ook verzorgen zij allerhandeoverlegstructuren, zoals de dialoog met zorgver-zekeraars, zorginstellingen en patiëntenvereni-gingen.Medio jaren tachtig ontwikkelde de beroepsgroepeen beroepsethiek met gedragsregels en interntuchtrecht. Een commissie van toezicht werd op-gericht om dat tuchtrecht te handhaven. In 1989werd het intern verenigingstuchtrecht ingevoerden deed de commissie van toezicht voor het eerstuitspraak. In de periode tot 1993 werden meerdan 70 zaken behandeld.Vanaf 1993 viel de fysiotherapie onder de WetBIG. Het succes van de interne tuchtrechtrege-ling overtuigde de minister van Volksgezondheidervan dat de fysiotherapie vanaf dat momenteen publiekrechtelijk medisch tuchtrecht moestkrijgen. Dit tuchtrecht gold voor ieder die de titelfysiotherapeut voerde; een groot verschil met hetverenigingstuchtrecht, dat alleen gold voor ledenvan het Genootschap.4.6. Van verdeeldheid naar eenheid inverdeeldheid naar eenheidOndanks de soms hevige meningsverschillenbinnen de wereld van de fysiotherapie is het(K)NGF een baken geweest voor de positie vande fysiotherapeut in de storm aan politieke enmaatschappelijke veranderingen de afgelopendecennia. De fysiotherapie wordt, net als andereberoepsgroepen, voortdurend geconfronteerdmet ad-hocbesluiten van politiek en zorgverze-keraars. De kunst is daarop te reageren vanuiteen visie op zowel de lange als de korte termijn.Voor individuele fysiotherapeuten is die kortetermijn erg belangrijk; zij moeten immers hundagelijks brood verdienen en hebben de zorgom het voortbestaan van hun praktijk. Voor deberoepsgroep als geheel is een langetermijnvisieechter essentieel; de vraag naar de toekomstigepositie van de beroepsgroep in het maatschap-pelijk veld staat daarbij voortdurend centraal.Er bestaat een spanning tussen de lange- enkortetermijnbelangen, en tussen de belangenvan de verschillende soorten fysiotherapeuten.Zij die in dienstverband werken, hebben an-dere belangen dan zelfstandige ondernemers,sportfysiotherapeuten hebben wellicht weerandere belangen dan bedrijfsfysiotherapeuten.De wereld van de fysiotherapie bestaat uit eenveelheid aan partijen en belangen die zich nietCongres naar aanleiding van het ‘Jaar van het Kind’ in 1979.De toenmalige Prinses Beatrix was onder de aanwezigen.
  29. 29. 5858 5959

×