Herman Pleij heeft tijdens de Pensioen expeditie op 16 november 2010 te Zeist eeninhoudelijke bijdrage geleverd onder de t...
weggegooid. Dat vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en is tevens eenschandalige aanslag op het toch al p...
De verklaring lag uiteraard in klimaat en grond. Kou en vocht vroegen immers om eenhoge verbranding, vandaar de permanente...
aangelopen. Het begroetingsritueel plaveit de weg naar verdere contacten. Ook dezakenbrief eindigt steevast in formulaire ...
tienduizenden reformatorisch gezinde vluchtelingen. Dit mentale erfgoed is in België uit hetcollectieve geheugen verdwenen...
boerenslimheid de hoogste posities bereiken. In dat kader circuleerden er al tijdens zijn levenallerlei anekdoten die een ...
dwong. Niet alleen Erasmus had het daar al over, ook zijn tijdgenoot Barlandus,geschiedschrijver, wilde zowel Brabanders a...
en geestelijkheid. De burger zou alles in zijn eentje gaan klaren, zonder de ballast vanzinloze fratsen. Dan kon hij het m...
Zulke strelende zelfbevestigingen werden er meer uitgesproken, wat rond het middenvan de negentiende eeuw zelfs leidde tot...
Het spel was een waarschuwing en vormde een nieuwe stimulans om de charitatievedoelen stevig ter hand te nemen – uit zuive...
minstens zo officiële wetgeving in strijd was met zulke regelingen. Maar in Nederlandstoorden weinigen zich daaraan, op de...
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Herman Pleij - Dat maak ik zelf wel uit

874 views
792 views

Published on

De Pensioen Expeditie is het platform voor het nieuwe pensioendenken.
Doe mee met de discussie in onze LinkedIn groep PensioenExpeditie.

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
874
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
5
Actions
Shares
0
Downloads
0
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Herman Pleij - Dat maak ik zelf wel uit

  1. 1. Herman Pleij heeft tijdens de Pensioen expeditie op 16 november 2010 te Zeist eeninhoudelijke bijdrage geleverd onder de titel ’Dat maak ik zelf wel uit’.Onderstaand artikel vormt de leidraad voor meerdere van zijn (toekomstige) lezingen. Desamenvatting van het verhaal vindt u onderstaand.DAT MAAK IK ZELF WEL UIT!Over de toenemende eigengereidheid in de vaderlandse samenlevingHerman PleijZelfbeklag, klagen en kritiek staan in hoog aanzien in de vaderlandse geschiedenis enkennen veel deelnemers. Een dergelijke inzet stuurt nog steeds het publieke debat, zelfs nogmeer door de nieuwe uitingsvormen dankzij internet. Steeds meer mensen kunnen meedoenen worden gestimuleerd een duit in het zakje te doen door de aandacht van politici voor dezegolven van directe participatie. Maar al eeuwen terug begon het oeverloze geruzie overalleen al de kosten en de werkverdeling met betrekking tot de afwatering van het gebied. Endie vrije kritiekrelatie kwam voort uit individuele vrijheidszin en een alomvattend gevoel vangelijkwaardigheid. Een geleerde als de jurist Hugo de Groot legde een dergelijk zelfbeeld alvast in 1610, als beslist en onwrikbaar ijkpunt voor het wezen van de bewoners van deRepubliek. Met die vrijheid bedoelde hij vooral de keuze om zich naar eigen goeddunken tekunnen ontplooien, zonder dwang van bovenaf. In de loop der tijden heeft deze neiging nogal wat zelfzuchtige kanten gekregen - vooralles moet een tol betaald worden. De doorgegeven cultuur van ‘dat maak ik zelf wel uit’heeft er waarschijnlijk ook toe geleid dat buren elkaar het licht niet in de ogen gunnenvanwege een overhangende tak. Alles in Nederland begint met conflicten of leidt daar snelnaartoe. Daarbij kan de eigenzinnige betweterij hoog oplopen. Biedt de mondialewetenschap een vaccinatieprogramma aan voor jonge meisjes ter voorkoming vanbaarmoederhalskanker, dan grijpt de eerste de beste huisvrouw naar de laptop en laat hetland weten hoe de vork écht in de steel steekt. Ze heeft van kwalijke bijwerkingen gehoorden andere risico’s, dus je moet wel gek zijn om je dochter daaraan bloot te stellen. Meteenkomt meer dan de helft van de doelgroep niet opdagen. Zo simpel valt honderd jaarmedische vooruitgang in Nederland te blokkeren: eerst nog eens zien, dat maak ik zelf weluit, daar ga ik zelf over, maak dat je moeder wijs. De actie past binnen de hier al langer bekende therapieontrouw, die volgens recentonderzoek zijn weerga in de wereld niet kent. Na de huisarts met behulp van Googlegeïnformeerd te hebben over wat men mankeert en welke medicamenten daarvoor hetmeest geschikt zijn, worden deze afgehaald bij de apotheek. Thuis oordeelt de patiënt danaan de hand van de bijsluiter, dat hij zich beter tot een half pilletje per dag kan beperken inplaats van de voorgeschreven twee, gezien de in het vooruitzicht gestelde risico’s. Maar eenander kan evengoed besluiten om er toch maar meteen drie te nemen, want dan word jegauwer weer gezond. En voel je je halverwege de kuur weer goed, dan gooi je de restgewoon weg, want beter is beter en degene die dat het best kan weten ben jezelf. Door diteigengereide optreden worden er jaarlijks voor tientallen miljoenen euro’s medicijnen 1
  2. 2. weggegooid. Dat vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en is tevens eenschandalige aanslag op het toch al problematische budget van de zorg. Maar bovendienhoort men zich de ogen uit de kop te schamen in het licht van de schaarste aan medicijnenin ontwikkelingslanden. De invoering van het rookverbod in de Horeca riep eenzelfde verzet op. Toch isduidelijk dat het binnen afzienbare tijd overal rookvrij zal zijn in openbare gebouwen, cafésen restaurants inbegrepen. Maar uit onderzoek bleek dat die maatregel vooral in Nederlandonverdraaglijk gevonden werd, vooral rond wijk- en stamkroegen. Het verzet verliep heelemotioneel, alsof onschuldige individuen zomaar uit hun huis gezet werden. Zo voelde hetkennelijk ook. De verantwoordelijke minister ontwierp een tussenregeling om zulke verlengdehuiskamers alsnog te ontzien en in de eigen nicotinedampen te laten gaarkoken: ik maak zelfwel uit waaraan ik doodga. Zo’n verzet ontbrandde indertijd ook bij de invoering van deautogordel. Alsof je niet zelf mocht weten hoe je in je eigen auto zou omkomen! In eersteinstantie vlammen de emoties steeds heftig op bij de aantasting van de eigen autonomie,maar na een tijdje worden ze gedoofd door de redelijkheid van het gewonnen inzicht. Zelfs het emotionele afwijzen van de Europese grondwet startte bij dat principiëlewantrouwen tegen centraal gezag. Niemand had dat hartgrondige neen zien aankomen. Hoekon een land dat vanuit eigenbelang altijd vooraan had gelopen bij de totstandkoming vanEuropa nu tegen de logische stap van een grondwet zijn? Toen het neen zich enkele wekenvoor de stemming steeds duidelijker begon af te tekenen, probeerde de voltalligeministerraad nog met persoonlijk uitgedeelde pamfletten het volk tot een ja te bewegen.Toen stond helemaal vast dat het neen zou worden: dat maken we zelf wel uit. Die tamelijkirrationele afwijzing kwam voort uit de angst door een nieuw en wellicht machtiger centrum inBrussel aan banden gelegd te zullen worden. Maar ook hier zijn we allang bijgedraaid doorEuropa met hernieuwd elan weer op te pakken, vooral als het om Europese belangen in derest van de wereld gaat.Recht voor zijn raapCollectieve typeringen van andere volkeren zijn vaak negatief. Dat blijft een signaal voor degevaren van nationalisme dat zo graag superioriteitsgevoelens kweekt en de narigheiddoorschuift naar de buren. Vinden Belgen ons gierig, dan slaan wij terug met dom. En zelfgrossieren we in anekdoten over de gierigheid van Schotten. Deze rancuneuze folklore, hoeonschuldig ook, kan niettemin de internationale verhoudingen frustreren. In Mexico deed deregering er alles aan om de Mexicaanse griep als varkensgriep te presenteren, maar dewereld bleef zich aan elke verantwoordelijkheid onttrekken door het land toch langs dezeweg als schuldige aan te wijzen. Toen men in de vijftiende eeuw ontdekte wat syfilis was enhoe deze ziekte werd overgedragen, sprak men in de Lage Landen van de ‘Franse ziekte’.Maar zo noemden ze deze geslachtsziekte niet in Frankrijk. Daar had men het over de‘Spaanse pokken’, terwijl Spanje zelf liever verwees naar de ‘pest van Napels’. De bewoners van de Lage Landen werden al in de Middeleeuwen aangeduid alsbotte Hollanders. Dat gebeurde met grote eenstemmigheid en dat klinkt nog na in onzedagen. Dit volk kende geen manieren, was zelfzuchtig en vertelde je recht voor je raap watmen van je vond, dat alles in een wolk van ongekende vraat- en zuipzucht. Vooral dieuitbundige consumptiecultuur kwam daarbij steeds terug, overigens als enige uitzonderingop de verder gemelde en soms geprezen eenvoud en matigheid. Een standaardversje,circulerend vanaf de vijftiende eeuw, bezong deze wonderlijke combinatie als uithangvlagvan Hollanders: zwaar zuipen, gulzig vreten en simpel gekleed gaan, daaraan kon je zeherkennen. 2
  3. 3. De verklaring lag uiteraard in klimaat en grond. Kou en vocht vroegen immers om eenhoge verbranding, vandaar de permanente behoefte aan brandstof. Alonso Vásquez, auteurvan een kroniek uit 1624 over de oorlogen tegen Spanje, deed gedetailleerd uit de doekenhoe deze onmatigheid zich manifesteerde. Men greep elke gelegenheid aan om zich klem tezuipen en vol te vreten. Niet alleen feesten werd zo luister bijgezet maar ook begrafenissen.Zelfs terechtstellingen verliepen in een damp van alcohol, waarbij de veroordeelde ten slottevrolijk lallend het schavot betrad en zelf de strop indook. Dat drankmisbruik kwam door deopvoeding. Alleen zo kon men kinderen weerbaar maken tegen die barreweersomstandigheden in dit eigenlijk onbewoonbare gebied – daarom had het volgensVásquez ook langdurig leeggestaan. Zelfs de artsen schreven drank voor om overeind teblijven, met de aanbeveling om periodiek dronken te worden. En de training begon al aan deborst, want moeders werd aanbevolen de tepels met alcohol in te smeren. Bewijsgronden voor de lange tradities hierachter vond men in Tacitus’ Germania uitde eerste eeuw na Christus. Die verhaalde breeduit over de drinkgelagen en eetfestijnenonder de Germanen. Zulke gewoonten konden dan eenvoudig verbonden worden metandere vormen van onbeschaafdheid. Vásquez’ landgenoot Alvarez wist in 1549 te vertellen,dat men dermate in deze tafelrituelen opging dat het noodzakelijke plassen ook gewoononder tafel plaatsvond. Maar hoe twijfelachtig zulke details ook mochten zijn, er waren weldegelijk gronden voor wat men in Europa als botheid zag. De weinig hiërarchischgeorganiseerde samenleving, de sterke gelijkheidsdrang, de afwezigheid van krachtigeheersers of een dwingend centraal gezag en de daardoor nauwelijks ontwikkelde hofcultuurstonden de vestiging van verfijnde omgangsvormen in de weg. Die hoofsheid, ook onderstedelijke aristocratieën, hoge geestelijkheid en rijke kooplieden, sloeg hier eenvoudigminder aan omdat de bedding ontbrak. Uitgerekend Erasmus nam het op zich om deze botheid te verdedigen. Kennelijkwerd hij daar wel mee geconfronteerd omdat hij altijd het ‘Roterodamus’ achter zijn naambleef voeren. Hij wilde een zekere onbeschaafdheid niet ontkennen, maar wees daarnameteen op de positieve kanten daarvan. Hollanders gebruikten weinig plichtplegingen,gingen niet gebukt onder de veinzerijen van hofculturen en waren in het algemeen heeldirect en rechtdoorzee. Eigenlijk waren dat voordelen die de omgang met Hollandersaanzienlijk vergemakkelijkten. Desondanks bleven de negatieve interpretaties van deze onverbloemde botheidoverwegen. En nog steeds kijkt men Nederlanders daar graag op aan. Anderzijds hoef jegeen antropoloog te zijn om Hollanders in het buitenland te kunnen betrappen. Het echtpaardat ik een Frans café hoorde binnenkomen, kwam met het gebruikelijke lawaai binnen. Datmoest een echo zijn van het uittrekken van de klompen en luidkeels ‘vólk’ roepen bij deentree van winkels en boerderijen. Ook vroeger werd de persoonlijke communicatie albeheerst door opperste pragmatiek. Niks wachten op klandizie of bezoek, we hadden welwat beters te doen, wat dachten ze wel, de deur stond open. En waarom een bel als jegewoon kon roepen? De man brak als eerste door de deur, het ging immers om nieuwe werelden. Diemoesten veroverd worden en dan durfde je vrouw pas te volgen als het veilig was. Zemarcheerden diagonaal door de zaak terwijl hij richting toog ‘deux café’s’ toeterde, eenbeetje hard want die fransozen waren slecht van verstaan. Ter verduidelijking stak hij ooktwee vingers omhoog, want iedereen wist dat ze hier tevens de nodige moeite hadden methun eigen taal. Daarna ploften ze in de verste uithoek neer. ‘Blij dat ik zit’, zei de vrouw wathaar de snedige reactie ‘Zeg dat wel’ opleverde. De caféhoudster achter de balie keek hen verbijsterd na. Hunnen in de zaal,weliswaar met anderhalf millennium vertraging maar toch. Fransen begroeten elkaar eerst,om daarna tot conversatie, zaken of de bijslaap over te gaan. Men neemt ook telkensbeleefd afscheid, orgasme of niet, al zeven jaar samen op kantoor of net tegen elkaar 3
  4. 4. aangelopen. Het begroetingsritueel plaveit de weg naar verdere contacten. Ook dezakenbrief eindigt steevast in formulaire tierelantijnen. Die geven het signaal dat men elkaarondanks of juist dankzij van alles ten volle eert en respecteert, en dat men nu in angstigespanning verkeert of de aangeboden hoogachting wel geaccepteerd zal worden.Nederlanders vinden dat een hoop flauwekul en eindigen dan ook liever met een joviaal‘Doei’. Of ze staan te schutteren met hun handen in plaats van het eindeloos schudden vandie van anderen. De etiquette van de hogere kringen (wie zijn dat helemaal?) vinden we totaaloverbodig, want we doen graag zo snel mogelijk zaken zonder al die loze plichtplegingen.Maar wat wij eerlijk noemen en recht voor zijn raap blijven ze buiten de grenzen lomp vinden.Het enorme succes van Boer Zoekt Vrouw is vooral te danken aan de zonder omwegengeuite wensen tot behoeftebevrediging van gewoon aandoende plattelanders en hunsmachtende teeltkeus. En de titel laat daar geen gras over groeien. In Frankrijk heeft menhet format overgenomen, maar zeker niet de titel: veel te grof. Daar heet het L’amour dans lepré, waarmee een even simpel als beslissend verschil in levenskunst is aangegeven. Vakantiegangers hier verwachten permanent aan die botheid blootgesteld te zullenworden. Enige tijd terug mocht ik drie Amerikaanse collega’s mee uit eten nemen na eencongres in Amsterdam. Ik koos voor een Oudhollands ingerichte onderneming van zekerefaam, want Amerikanen willen overal hun ‘roots’ herkennen. Het probleem is echter dat devaderlandse horeca andere opvattingen heeft over dienstbaarheid dan die in Amerika. Daarmoet het voetvolk het salaris rechtstreeks verdienen van de klanten, maar hier is alles voorafgeregeld in een CAO. Amsterdamse restaurants hebben bovendien geen beroepspersoneelin dienst maar werkstudenten, wel met beeldig lange schorten over hun spijkerbroek maarlang niet geneigd om zich een beetje te laten rondcommanderen door imperialistischebondgenoten uit het NAVO-pact. Bij onze binnenkomst keken ze vanaf de toog licht gestoord over hun schouder: ‘Ogod, klánten…’ We mochten toch gaan zitten, kregen menu’s en werden vijf minuten daarnagesommeerd om te bestellen. De Amerikanen kwamen al meteen in de stemming, want dieonderhandelen graag over wat ze eigenlijk willen eten aan de hand van door het personeelaan te prijzen gerechten, met de menukaart als terloops hulpmiddel. Maar het bedienendemeisje wilde graag noteren zonder dialoog. ‘Can it go what quicker?’ riep ze in getraindEngels, waarop de Amerikanen in een enthousiast gelach uitbarstten, om mij vervolgenswarm op de schouders te kloppen: een themarestaurant met ‘Old Dutch Habits’! Beter had ikhet niet kunnen uitkiezen, straks zouden de meisjes van plezier over de houten vloerbinnenrollen, zelfs Jan Steen zou ervan gaan blozen. Het is niet meer goed gekomen daar,zeker niet toen het meisje ‘Hurry up a little’ riep – de Amerikanen waren kompleet verdwaaldin La Grande Bouffe met boerenpaaldans na.Gewiekste gewoonheidLompe inhaligheid behoort tot de bekendste beoordelingsformats als het over Nederlandersgaat. Oud-vicepremier Wouter Bos is nog steeds staatsvijand nummer één in België. In 2009kocht hij namelijk tijdig de goede delen terug van de door de inmiddels noodlijdendeFortisbank opgeslokte ABN-AMRO, ten behoeve van deze voorlopig door de staat beheerdebank. De Vlaamse kranten bliezen van verontwaardiging over die grove onbeschaafdheid omzonder nadere plichtplegingen als een sluwe vos de buit terug te slepen naar zijn eigen Hol-land. Dat men hiermee ongewild verwees naar de literaire oorsprong van deze slimheid ineigen kring – Van den vos reynaerde ontstond in de buurt van het dertiende-eeuwse Gent –maakte de verontwaardiging des te pikanter. Ze kregen daar gewoon een koekje van eigendeeg, want men was vergeten dat deze burgermoraal stamde uit Vlaamse steden, om bij destichting van de Republiek op export te gaan naar het noorden, letterlijk in de bagage van de 4
  5. 5. tienduizenden reformatorisch gezinde vluchtelingen. Dit mentale erfgoed is in België uit hetcollectieve geheugen verdwenen door het herstel van de hiërarchieën binnen kerk en staatdaar, tezamen met de vreemde overheersingen van Spanje en Oostenrijk en de suprematievan de Franse taal. Onmiddellijk daarna werd de Hollandse leepheid nog eens bevestigd door hetdoelbewust dralen bij de uitdieping van de Westerschelde, ondanks alle gemaakteafspraken. Nederland heeft al sinds de scheiding in de zestiende eeuw weinig belang bij debevaarbaarheid van deze zeearm, omdat die de levensader van Antwerpen is – en wijhebben Rotterdam. Wat Belgen deze keer furieus maakte was niet alleen de schending vande overeenkomst, maar ook de brede instemming van alle Nederlanders met hunverontwaardiging. Nu vertrouwde men het helemaal niet meer. Daar kan het zogenaamdeIJzeren-Rijndossier aan toegevoegd worden. België wil al tientallen jaren een eigenrailverbinding met het Ruhrgebied hebben. Daarvoor moet men een klein stukje door onsLimburg. Maar alweer heeft Nederland geen belang bij zo’n alternatieve Betuwelijn endaarom wordt ook hier eindeloos getraineerd. Zelfs de huidige ecologie komt als geroepenmet een familie boommarters die niet van een spoorlijn door hun habitat houden. En moetmen vandaag de dag niet allereerst aan de omgeving denken? Nederlanders koesteren liever het zelfbeeld van handig, slim en alert. Al vanaf de lateMiddeleeuwen kwam in de steden de verering van het simpele individu op gang. Meestalklein van afmeting en gebrekkig wist zo’n eenling toch met zijn gezonde verstand de helewereld naar zijn hand te zetten. Dat gebeurde in een literatuur die naast Reynaert tal vanandere schelmen opvoerde, die hun vernuft te gelde wisten te maken. Deze lompe eenlingenbelichaamden de pragmatische slimheid van de burgerkoopman, die geleerd had detraditionele macht en omgangsvormen van de adel ten eigen voordele aan te wenden. Zoalszo vaak bleek literatuur het aangewezen medium om vrije ondernemingszin te propagerentegenover knellende erecodes, aan de hand van aanstekelijke verhalen. Daarom doet de verering van nobel heldendom het hier slecht maar zijn burgerlijke,soms zelfs boerse belichamingen van eenvoud en gezond verstand heel populair. Graagpromoveert men leiders tot huisvader van het gezin waarvan wij allen deel uitmaken. Datbegon met Willem van Oranje als Vader des Vaderlands. Om een dergelijke personificatiezat men bij de Opstand kennelijk dermate verlegen, dat de titel eerst vergeven werd aangraaf Egmont. Maar hij vond de dood op het schavot, vandaar vervolgens Willem. Men wasdermate vervuld van deze gedachte dat hij ook terugkeerde in de argumentatie bij deafzwering van de Spaanse koning in 1581. Een vorst diende zijn onderdanen lief te hebben‘als een vader zijn kinderen’. En daarin was Filips II ernstig tekortgeschoten. Vader Catskreeg deze eretitel aangemeten als hoeder van de zeden van het vaderlandse huisgezin,terwijl later Vader Drees zou zorgen dat niemand in het nationale huishouden tekort zoukomen. Ook zeeheld Michiel de Ruyter werd in de negentiende eeuw op deze maatgesneden. Bij voorkeur stelde men hem voor als een Bijbellezende huisvader die zelfsgepromoveerd werd tot ‘bestevaer’ – grootvader. Zelfs in de literatuur werd het gezin gebruikt als metafoor voor de teloorgang vanHollands aanzien uit de Gouden Eeuw. Zo liet Potgieter in Jan, Jannetje en hun jongste kinduit 1841 dit gezin uit de tijd van de Opstand voortleven in de negentiende eeuw. Nog steedskonden de ouders zich beroemen op kinderen als Jan Compagnie en Jan Contant. Maar hetjongste kind, Jan Salie, baarde groeiende zorgen. Daarom verwijderden ze deze nietsnut uithun midden, in de hoop dat daardoor de welvaart van weleer zou terugkeren. Vanuit dergelijke beeldvorming werden helden uitgerust met huiselijke deugden. DeRuyter was van eenvoudige afkomst, haalde in zijn blauwgeruite kiel wat kwajongensstrekenuit – resten van de waardering van de schelm -, verdiende een grijpstuiver in de lijnbaan enwist de top van het krijgswezen ter zee te bereiken door alles uit de praktijk op te pikken.Niets geen ijdele geleerdheid of aristocratische afkomst, gewone jongens konden met hun 5
  6. 6. boerenslimheid de hoogste posities bereiken. In dat kader circuleerden er al tijdens zijn levenallerlei anekdoten die een dergelijke levenshouding moesten demonstreren. Men wilde hemin een Franse haven een lauwerkrans rond de slapen drukken vanwege getoonde moed,maar hij bleef onvindbaar. Uiteindelijk trof men hem aan in zijn kapiteinshut, waar hij zijneigen bed aan het opmaken was. Nu gaat het er niet om dat zulke verhalen mogelijkverzonnen zijn, maar wel dat men hem zo wenste voor te stellen. De verering van zijnpraalgraf in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, op zichzelf al curieus in Nederland, laten wegraag over aan Hongaren. Die leggen daar voortdurend bloemenkransen neer, omdat hij bijNapels een aantal Hongaarse dominees uit de handen van de katholieke vijand bevrijd heeft. Die cultus van de onafhankelijke eenling die de hele wereld aankon ging hand inhand met het succes van de Republiek. Daarmee probeerde men ook het beeld van lompebotteriken te weerleggen. Dat deed de vermaarde rechtsgeleerde Hugo de Groot met zoveelwoorden, toen hij in het voetspoor van Erasmus juist de oprechtheid en eenvoud van debevolking prees. Het richtpunt daarvoor vormde de Bataafse mythe, waarin volgehoudenwerd dat wij afstamden van een bijzonder vrijheid- en vredelievend volk. En deze Batavenkenmerkten zich in het bijzonder door een grote soberheid en eensgezindheid. Daarom kon Willem van Oranje ook de eretitel Willem de Zwijger krijgen: zwijgen wasimmers goud. Het nationalisme van de negentiende eeuw deed daar nog een schepjebovenop. De burgerij maakte een veelzeggend gebaar door ’s-Gravenhage een beeld van destichter des vaderlands te schenken, voorgesteld als een eenvoudig geklede man diestaande op zijn sokkel op het Plein een betogende pose aannam. Zo had hij zich voor zijnvolk ingezet, pleitend en niet vechtend. Dit beeld van de Vader des Vaderlands (dat staaterop) uit 1848 was een antwoord op de uitbeelding van Willem als een krijgszuchtige ruiterop een steigerend paard voor paleis Noordeinde, dat enkele jaren eerder door koning WillemII geschonken was. Zo wenste het volk hem niet te kennen en te herdenken. Dat onzemartelaar ook van luxe hield, van prachtige harnassen en van sierlijke hoffeesten met eenoverdaad aan exotische eetwaar kwam niet van pas en mocht dus ook geen rol spelen.Willem werd gefatsoeneerd naar het uiterlijke voorkomen dat bezoekers overal op straatkonden waarnemen: eenvoudige kledij en simpele leefstijl in het algemeen. Voor zover debescheiden hofcultuur aan extravagantie deed, speelde die zich binnen gesloten muren af. Men wilde wel degelijk het grootse verleden van de Republiek doen herleven, maarniet in termen van militaire heldendaden of ander krijgsrumoer – het diende te gaan ommorele kwaliteiten. Die bestonden allereerst uit huiselijke deugden, heel toepasselijk door DeAmicis in 1873 samengevat als de ‘aartsvaderlijke eenvoud der Nederlandse zeden’. De toonwas al gezet door een plechtige verklaring van de voorzitter van een Haagsdichtgenootschap in 1786 bij zijn poging het diepste wezen van de Nederlandse samenlevingaan te geven: ‘De beste burger [was] een mensch, die zich alle zijne Medeburgers alskinderen van dezelfde Hemelschen Vader, als leden van een en hetzelfde Huisgezinvoorstelde’. Zelfs het gebaar van de aftredende koningin Wilhelmina in 1948 op het balkonvan het paleis op de Dam sloot hier nog direct bij aan. Ze maande bij de troonsoverdrachtaan haar dochter Juliana haar rumoerige gezin op het plein tot stilte door een vinger voor delippen te houden.Gezond verstandEr werden ook pragmatische verklaringen gegeven voor de nagestreefde soberheid. Menhad hier te maken met moerasgrond waardoor alles aan bouwen, beheren en exploiterentwee keer zo duur was als in landen waar men vastere grond onder de voeten had. Er wasdus geen andere keus dan zo simpel mogelijk te werk gaan, je moest wel. En datbuitenlanders die gedwongen eenvoud voor botheid aanzagen was louter kortzichtigheid.Zakelijk en rechtdoorzee behoorden tot de eigenschappen waartoe de structuur van het land 6
  7. 7. dwong. Niet alleen Erasmus had het daar al over, ook zijn tijdgenoot Barlandus,geschiedschrijver, wilde zowel Brabanders als Hollanders daarop vastleggen. En altijd kwamde pragmatiek bovendrijven. Geestig, welsprekend of geleerd uit de hoek komen, stondvolgens De Amicis in weinig aanzien. Wat had je daaraan? Het ging er veel meer om dat jezakelijk en snel converseerde, met het oog op onmiddellijke resultaten in de nabije toekomst:‘Ze spreken bijna altijd van wat ze doen zullen, zeer zelden van wat ze gedaan hebben’. Datroept herinneringen op aan Pim Fortuyn die met zulke slogans het publiek op zijn handkreeg. Het vaderlandse zelfbeeld van zuinig, proper en matig werd in het buitenland echtereerder begrepen als de schraperige inhaligheid van lompe zuipschuiten. De achttiende-eeuwse diplomaat en schrijver Friedrich Carl von Moser walgde van deze koopliedencultuur:‘De heersende geest is de koopmansgeest’. Men sprak hier alleen maar over winst enverlies, sparen en nog meer vergaren. En nooit viel daarbij enige grandeur, smaak of passiewaar te nemen. Volgens hem waren die oppervlakkigheid en dat eindeloze gemarchandeerte wijten aan de zware zeelucht die elke diepgang in de weg stond. En met warmeinstemming haalde hij een Franse dame aan, die hem had toegevoegd dat hier helemaalgeen sprake was van een Republiek, maar van een vrijkorps kooplieden onder aanvoeringvan de Prins van Oranje. Zeker was het zo dat alles meteen nut moest afwerpen. Zelfs de letterkunde zouerdoor geïnfecteerd zijn, een opvatting die niet alleen lange tijd de Nederlandseliteratuurkritiek beheerste, maar die ook voor buitenlanders als een paal boven water stond:onleesbare didactiek, profijtelijke gelegenheidsverzen en domineespoëzie met eenopgeheven vinger. Uit een heel andere hoek valt de hang naar pragmatiek af te leiden uit demenigte spreekwoorden en gezegden die daarover gaat. Zulke wandbordjeswijsheden warenheel populair in de Lage Landen, waar ze als bakens voor het gewenste leven goed pastenin de interieurs van de hoog opgehemelde huizen. In alle geledingen omringde men zich metzulke puntige wijsheden, van Erasmus’ Adagia via de talrijke gedrukte verzamelingen in hetLatijn en de volkstaal tot aan de eindeloze reeks kopieën van Bruegelsspreekwoordenschilderij. Niet voor niets werd de zestiende eeuw in de Lage Landen wel deeeuw van het spreekwoord genoemd. En dat had van alles te maken met de triomf van deburger en zijn gezin die zaten te springen om huiselijke richtlijnen in gevatte tekst. Zo’n populaire verzameling circuleerde onder de titel Duytsche Adagia, aangelegddoor Symon Andriessoon en gedrukt in 1550. Daarin komt een sectie voor van liefst 24spreekwoorden over de dwaasheid van het verrichten van zinloze dingen: ‘Desenavolghende bedieden al te vergheefs arbeyden oft doen, oft dat onmoghelick is’. Dat wasvan belang om dagelijks voor ogen te houden en diep tot zich te laten doordringen: vissendrinken geven, je gelijk halen bij doden, sterren tellen, blinden bijlichten, zingen voordovemans deuren, vechten met geesten, de zee leegscheppen, nog wijder gapen dan eenoven, het varken kelen als het dood is, een put graven aan de waterkant, hout naar het bosdragen, water in een lekzak vervoeren, de lucht slaan, water naar zee dragen, dodeninsmeren met genezende zalf, net doen alsof je Hercules bent, de zon bijlichten, in de luchtvissen, in het water jagen, vissen leren zwemmen, een zwaan handschoenen aandoen,water in een zeef dragen, bouwen op water, een blote hond villen. Maar ook elders in hetboek keren zulke gezegden steeds terug: het is moeilijk stelen waar de waard een dief is, hetis lastig hinkelen voor de voeten van een manke. Eveneens komen telkens aanbevelingenvoor om zich praktisch te gedragen en zich te schikken binnen de grenzen van het mogelijke,type: beter geblazen dan de mond verbrand, Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd,kun je de koe niet krijgen neem dan het kalf, leef in Rome als de Romeinen, enzovoort. Met dergelijk verweer werd het verwijt van botheid weersproken: men kon nietanders. En dat kwam door het weinig uitnodigende klimaat, om over de rest nog maar tezwijgen. Overleven lukte het best door te leren om voor zichzelf op te komen, zelfredzaam tezijn en vooral niet afhankelijk te worden of te blijven van het traditionele overwicht van adel 7
  8. 8. en geestelijkheid. De burger zou alles in zijn eentje gaan klaren, zonder de ballast vanzinloze fratsen. Dan kon hij het met het mooiste gereedschap dat God de mens had verleendeen eind schoppen: zijn verstand. In die geest kondigde de middeleeuwse schilder Jan vanEyck zijn persoonlijk ondernemerschap in de kunsten aan. Hij koos het motto ‘als ic can’ –voor zover in mijn vermogen ligt. Iedereen wist dat zijn talenten zeer ver reikten, want hijbehoorde al heel snel tot de top van de Europese schilderkunst. Maar in principe lag zo’ncarrière binnen ieders vermogen. Als je maar wou.Geweten van de wereldInternationaal wordt die aangewreven botheid ook gezien als ongepaste bemoeizucht metandermans zaken. Berucht in de wereld is de ‘Dutch uncle’, de man die precies weet watgoed voor iedereen is. Eind jaren ’60 verzonden wij namens het revolutionairestudentenbewind van de Universiteit van Amsterdam telegrammen over de hele aardbol. Zoverzekerden we Mao in China van onze steun, wat hem het nodige vertrouwen in detoekomst moest geven. Verwoerd in Zuid-Afrika haalden we daarentegen onderuit met hetbericht dat het nu eens uit moest zijn met het apartheidsbewind, en een beetje snel graag.Dat waren symptomen van de bekende Nederlandse arrogantie om precies te weten wat dejuiste ideologische en morele koers is. Daar hoorde ook de toezegging bij om een handje tekomen helpen, om vervolgens al die voornemens luidkeels kenbaar te maken. Toch stond deze betweterigheid niet alleen ongunstig bekend in de wereld. De Amicislegde ook meteen het verband met hulpvaardigheid, en hij ging zelfs zover dat hij zijnpositieve oordeel verhief tot opinie van de wereld. Hij deed dat bij het weerspreken van detraditionele beschuldigingen dat Nederlanders louter inhalige profiteurs zouden zijn. Altijdging het gerucht dat wij aan oorlogen verdienden door ook wapens aan de vijand teverkopen: geld was belangrijker dan de nationale eer. De Amicis had het nog sterkergehoord. In een zeeoorlog met de Engelsen waren het de officieren zelf geweest die detegenstanders van nieuwe kogels voorzagen, waardoor deze konden doorvechten. Die zucht naar bezit door dik en dun kon volgens hem niet waar zijn. Wel was het zodat de kooplieden hun rijke huizen graag uitrustten met dure boeken en schilderijen, maardan ging het toch om spirituele zaken. Die gehechtheid aan huis en huisgezin gold voor dehele bevolking van het land. Dat was ook het geval met liefdadigheid: ‘Alle schrijvers dieNederland bestudeerd hebben, zijn het hierover eens, dat er geen land in Europa is, waarnaar evenredigheid van de bevolking, een groter som aan aalmoezen van de handen dergegoede klassen naar die der behoeftige klassen overgaat’. Zijns inziens was die houdingbevorderd door het sterke internationalisme van het land als gevolg van de wijds opgezettehandel. Daar had Alvarez in de zestiende eeuw ook al op gewezen: de internationalehandelscontacten werkten niet alleen gedogen in de hand maar ook mededogen. Dieprincipiële wereldoriëntatie verklaarde volgens De Amicis al die buitenlandse kranten enliteratuur die men hier zag, terwijl je er ook met menige vreemde taal terecht kon. Toch waren dergelijke oordelen eerder aan te treffen bij de bewoners zelf, vooral inde Franse tijd. Kennelijk moest men morele suprematie van stal halen om zich te kunnenonderscheiden, nu men als militaire en economische macht niet meer op het eerste planmeespeelde. Daarbij richtte men de blik graag op de Gouden Eeuw, want toen was dat nogwel het geval. Adriaan Loosjes roemde in zijn treurspel over Johan de Witt uit 1807 dienseminente bestuurskunst bij de Delftse buskruitramp van 1654 – de inspiratie kwam uit eenrecente catastrofe van die aard in Leiden. Van die reële macht mocht dan weinig over zijn,voor wat deugdzaamheid betrof konden wij nog steeds vooraan staan, vooral in tijden vannood: ‘Hoe ’t deugdzaamst volk der aard, beroemd door trouw en moed, / Zich altijd grootgedraagt, maar ’t grootst in tegenspoed’. 8
  9. 9. Zulke strelende zelfbevestigingen werden er meer uitgesproken, wat rond het middenvan de negentiende eeuw zelfs leidde tot officieel regeringsbeleid. Van hogerhandstimuleerde men de bestudering van Grotius’ voortrekkersrol op het gebied van hetinternationale recht, al meer dan twee eeuwen oud maar nog steeds actueel. Verder werdener wereldconferenties georganiseerd in Den Haag over recht en vredesvraagstukken,waarmee men tegelijk solliciteerde naar een zetel voor internationale rechtspraak. Daarbijhoorde het verkondigen van een neutraliteitspolitiek bij mondiale conflicten. Verder was destichting van het Vredespaleis in Den Haag een teken dat men serieuze erkenning zocht ophet wereldpodium. Die werd ten slotte verkregen door de vestiging van het InternationaleGerechtshof in de residentie dat zich over volkenrechtelijke misdaden buigt bij internationaleconflicten. Uiteraard had die neutraliteitspolitiek ook economisch voordeel, althans dat was deverwachting, al werd die slechts in bedekte termen uitgesproken. Vechtende landen dieofficieel met elkaar in oorlog waren – een klassieke oorlogssituatie die na de TweedeWereldoorlog rap van karakter zou veranderen – hadden behoefte aan een neutraal podiumom handel te drijven, anders was de oorlogsinspanning niet vol te houden. Dat men doorgeen partij te kiezen het gevaar liep iedereen tegen zich in het harnas te jagen en dat menook buitenspel kwam te staan bij allerlei essentiële ontwikkelingen, bleek pas later. In deTweede wereldoorlog werd de neutraliteit onder de voet gelopen door de Duitsers, hoekrampachtig men zich ook in de jaren daarvoor in die zin tegenover vluchtelingen bleefopstellen. Maar het podium voor de internationale rechtspraak is gebleven. Aan vredesactiesvoor de internationale gemeenschap wordt ook buitenproportioneel deelgenomen. Datmaakte het recente terugtrekken uit Uruzgan extra pijnlijk, vandaar het snel ontwikkelen vanlapmiddelen om weer in de publieke gunst van de wereld te mogen terugkeren – dievervangende politietraining gaat vast door. In Nederland is ook relatief het hoogstepercentage van de inwoners aangesloten bij verenigingen die gericht zijn op goede doelen.Maar wat levert dat op en waar komen die vrijgevigheid en inzet dan vandaan? Om te beginnen liggen dergelijke ambities in het spoor van de zelf aangemetenmorele suprematie. Je kunt dat wel roepen, maar dan zul je het ook moeten waarmaken.Verder werd het verband tussen charitas en persoonlijk profijt al in de Middeleeuwen gelegd,om vooral aan te slaan in de Lage Landen. Daar ontwikkelde zich een koopmansmoraal diezich tevens uitstrekte over het hiernamaals. Ook daarin kon je investeren. Reeds deAntwerpse stadssecretaris Jan van Boendale vestigde daar de aandacht op in zijn berijmdeinstructiewerk voor stedelijke omgangsvormen van omstreeks 1330, Der leken spieghel(handboek voor leken). Zie je de armen over het hoofd, dan zul je eeuwig branden in de hel.Deze waarschuwing is anderhalve eeuw later aangrijpend gedramatiseerd in de Elckerlijc,dat wil zeggen: iedereen. Herhaaldelijk werd deze toneeltekst gespeeld, overgeschreven,herdrukt en meermalen in het Latijn vertaald, om langs die weg ook carrière te maken inandere talen. De weelderige koopman die de titelrol vervulde kreeg totaal onverwacht de dood opbezoek. Opeens moest hij op weg naar het dodenrijk, maar geen enkele van de deugdenwilde hem daarbij vergezellen. Hij had bij het vergaren van zijn rijkdommen geen momentaan goede werken gedacht en nu was het te laat. Door te investeren in eettafels engasthuizen voor de armen en gebrekkigen – het zou hem maar een fractie van zijn vermogengekost hebben – had hij zich een paspoort voor de hemel kunnen verschaffen volgens hetdoor de kerk gehuldigde principe ‘do ut des’: geef opdat je gegeven wordt. Dat konden al diekooplieden en investeerders die de Lage Landen beheersten in hun zak steken. MetElckerlijc kwam het nog net goed. Via inkeer, berouw, boete en lering kon hij toch nog steunverwerven bij zijn laatste tocht. Maar op die moeizame manier had het niet gehoeven. Wantwel stond vast dat hij eindeloos zou moeten branden in het vagevuur voordat de hemelpoortzich zou openen. 9
  10. 10. Het spel was een waarschuwing en vormde een nieuwe stimulans om de charitatievedoelen stevig ter hand te nemen – uit zuiver eigenbelang. Dat resulteerde in de zestiende-eeuwse hervorming van de armenzorg als taak van de wereldlijke overheid. Daarmeeverdween de kerkelijke charitas niet, ook niet binnen de latere protestantse gemeenten,maar er werd wel duidelijk gemaakt dat het profijt van donerende privépersonen nooit hetuitgangspunt mocht zijn. Een humanist als de Amsterdamse Coornhert bepleitte dieherziening met overtuigende argumenten. De charitas kweekte beroepsbedelaars met allerleivoorgewende gebreken die onrust veroorzaakten in de steden met hun opdringerige gedrag.Bovendien was het een statisch systeem dat op geen enkele wijze de eventueel partiëleterugkeer in de werkende gemeenschap stimuleerde. Eerder was het tegendeel het geval,aangezien alle partijen belang hadden bij de handhaving van de status quo: de armen warenevenals de simulanten verzekerd van een geregeld inkomen, terwijl de schenkers degelegenheid geboden werd om hun plaats in de hemel veilig te stellen. Coornherts voorstellen brachten in ieder geval rust terug in de steden. Alleen deallerarmsten die beslist niet in staat waren om een inkomen te verwerven mochten voorzienvan een merk op hun kleding nog bedelen. Maar de rest werd gedwongen tewerkgesteld. Ende voordelen daarvan bleken nog veel groter dan alleen het herstel van de orde. Niet tenonrechte is de nogal plotselinge bloei van de Republiek mede toegeschreven aan hetenorme arbeidspotentieel door zulke maatregelen. Daardoor konden verschillende vormenvan massa-industrie ontwikkeld worden – arbeiders genoeg die niet vastzaten aanhuisnering. Buitenlanders viel deze liefdadigheid uit eigenbelang meteen op. En ze toonden zichvol bewondering. De Engelse diplomaat Sir William Temple bracht deze tenminste zonderomwegen in 1673 onder woorden: ‘Liefdadigheid schijnt in dit land zeer algemeen te zijn,hoewel geregeld door de wetten van het land, en gewoonlijk niet ingegeven door algemeenmededogen. Maar men vindt haar in de bewonderenswaardige voorzieningen die getroffenzijn voor alle soorten mensen die behoeftig zouden kunnen zijn of door een regeringonderhouden zouden moeten worden’. Een eeuw later zag Diderot deze voordelen nogsteeds. Er was weinig of geen armoede, en daardoor bleven misdrijven beperkt. Rovers zagje niet langs de grote wegen. Daar had hij nog een andere materiële verklaring voor. Hetwaterige land was eenvoudig ongeschikt voor dieven, want die konden geen kant op: overalgreppels, kanalen, rivieren en tolpalen. De particuliere charitas zette zich voort in alle confessionele kringen als rechtstreeksevertaling van Gods gebod aan elke leek afzonderlijk. Daardoor raakte deze houding zoverankerd in de collectieve mentaliteiten, dat later ook wereldlijke genootschappen zichgingen inzetten voor maatschappelijke doelen, tot in alle uithoeken van de wereld. En watdestijds een paspoort voor de hemel heette, kon toen het sussen of afkopen van hetgeweten heten – een sentiment dat nog heden vele nationale acties in beweging zet. Als zelfbenoemd geweten van de wereld heeft Nederland zich na de TweedeWereldoorlog ontwikkeld tot moreel laboratorium voor nieuwe levensvormen en ethiek. Delange tradities in tolerantie en gedogen tezamen met die van de profijtelijke goedertierenheidhebben daarbij aanzienlijk geholpen. Experimenten met drugsbeleid, abortus, euthanasie enhomohuwelijk onder de noemers van gedogen en ‘moet kunnen’ hebben binnenslands weltot discussie geleid maar nauwelijks tot confrontaties, laat staan structureel geweld –daarvoor staan die noemers garant. Daarentegen was de verontwaardiging in het buitenland hier en daar massief enoveral nogal aan de heftige kant. Vooral het Vaticaan schold Nederlanders uit voormoordenaars van ongeboren kinderen en bejaarden, en schandvlekkers van het huwelijkdoor de sanctionering zelfs in bed van tegennatuurlijk gedrag. Andere landen zoals Frankrijken Amerika wonden zich mateloos op over het toestaan van persoonlijk gebruik vansoftdrugs via officiële gedoogregelingen. Juridisch gezien hadden ze wel een punt, omdat de 10
  11. 11. minstens zo officiële wetgeving in strijd was met zulke regelingen. Maar in Nederlandstoorden weinigen zich daaraan, op de pragmatische gronden die men in dit geval graaggestut zag door het toepasselijke gezegde ‘het ene doen en het andere niet laten’. Al met al werpen die ethische experimenten wel vruchten af. Een groot deel van debevolking legt zich doorgaans neer bij de na lange debatten ontworpen regelingen. Iedereenmoet aan zijn trekken kunnen komen. En wat een ander graag wil, hoef jij daarom nog niet tedoen. Als je er maar geen last van hebt. Die eeuwenlang getrainde houding vormt degrondslag van een samenleving met een hoge graad van welbevinden. Maar of men zichdaarom nog steeds geweten van de wereld moet voelen, is de vraag. Vooralsnog blijftdiezelfde wereld geïrriteerd reageren op wat men allereerst ziet als het opgeheven vingertje.Terwijl het toch onmiskenbaar zo is, dat veel van deze praktische regelingen op elk van degenoemde terreinen min of meer stilzwijgend zijn ingevoerd in diverse andere landen. Zelfsverschillende departementen in Frankrijk en enkele staten in Amerika kennen inmiddels eendrugsbeleid dat rechtstreeks op gedogen is afgestemd. Naar mocht blijken houdt men zoenigszins de boel onder controle en blijft de georganiseerde misdaad min of meer opafstand. Maar ja, enigszins en min of meer. Misschien moet men Nederlander zijn om dezepragmatische relativeringen op waarde te kunnen schatten.Zie verder: Herman Pleij, ‘Moet kunnen’: een kleine mentaliteitsgeschiedenis van deNederlander. Amsterdam, Historisch Nieuwsblad / Veens Magazines, 2010; id.,Cultuurgeschiedenis van Nederland. Hoorcollege over de historische ontwikkeling van deNederlandse identiteiten. Box met 4 CD’s bij NRC-Academy, 2010. 11

×