Back to basics

460 views
379 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
460
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
7
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Back to basics

  1. 1. Jan Beleyn Günther L‟heureux Back - to - basics: milieu- en stedenbouwrecht in de bedrijfswereld 27 september 2012Vlaams stedenbouwrecht: the basics inzakevergunningen, planning en handhaving 1
  2. 2. Outline• Korte verwelkoming en voorstelling• Opzet van deze opleiding 2
  3. 3. Regelgeving RO in Vlaanderen?• Eerder: Stedenbouwwet 1962 en het Coördinatiedecreet 1996 betreffende de ruimtelijke ordening• Voor 10 jaar ook het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DORO of DRO)• Sinds 1 september 2009 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) Meer info: www.ruimtelijkeordening.be 3
  4. 4. Vergunningenluik 4
  5. 5. Vergunningen?• Twee vergunningen specifiek in het beleidsdomein van de ruimtelijke ordening – de stedenbouwkundige vergunning (vroeger “bouwvergunning”) – de verkavelingsvergunning 5
  6. 6. Stedenbouwkundige vergunning• Vergunningsplicht (4.2.1.): – verschillende bouwwerken: het optrekken of plaatsen van een constructie, het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat en het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie (4.1.1. 3°) – ontbossen – “bos” in de zin van het Bosdecreet 1990 – vellen van zogenaamde “hoogstammige bomen” – reliëfwijziging – zekere inrichtingswerkzaamheden voor o.m. het stationeren van voertuigen en het gewoonlijk gebruik van grond – wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed - verschillende functiecategorieën volgens een Besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000: (1) wonen (2) verblijfsrecreatie (3) dagrecreatie (4) landbouw in de ruime zin (5) handel, horeca, kantoorfunctie en diensten en (6) industrie en ambacht 6
  7. 7. Stedenbouwkundige vergunning• Vergunningsplicht (4.2.1.): – wijziging van het aantal woongelegenheden – aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen – en….zekere vergunningsplichtige handelingen uit provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen (zie verder) 7
  8. 8. Stedenbouwkundige vergunning• Eerste uitzondering: van stedenbouwkundige vergunning vrijgestelde handelingen (4.2.3.) – decretale vrijstelling van onderhoudswerken (4.2.1.): werken, andere dan stabiliteitswerken (4.1.1.11°), die het gebruik van een constructie voor de toekomst veilig stellen door het bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde of versleten materialen of onderdelen (4.1.1.9°) – (nieuw) Vrijstellingsbesluit in werking getreden op 1 december 2010 – modulering mogelijk op lokaal niveau (zie verder) 8
  9. 9. Stedenbouwkundige vergunning• Tweede uitzondering: de meldingsplicht (4.2.2.) – Vooral in het Besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen – procedure: melding per beveiligde zending (1.1.2.3°) bij de gemeente. Het College van Burgemeester en Schepenen kan enkel akte nemen van de aangemelde handelingen. Handelingen mogen pas aangevat worden vanaf de twintigste dag na de datum van de melding. De aangemelde handelingen kunnen niet meer aangevat worden indien twee jaar na datum van melding verstreken zijn – gelijkschakeling met de stedenbouwkundige vergunning – modulering mogelijk op lokaal niveau (zie verder) – o.m. niet in “ruimtelijk kwetsbaar gebied” (zie verder en 1.1.2.10°) en niet wanneer in strijd met de ruimtelijke plannen (zie verder) 9
  10. 10. Verkavelingsvergunning• Vergunningsplicht (4.2.15.) – niemand mag zonder verkavelingsvergunning een stuk grond verkavelen (4.1.1. 14°) voor woningbouw of voor het opstellen van vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt – recent bijgeschaafd – verkaveling vs. verdeling als uiting van het eigendomsrecht• Ook een mogelijkheid (4.2.15.) – voor het verkavelen en het bebouwen van terreinen voor andere functies (klassiek: zogenaamde “industriële verkavelingen” bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen)• De verkavelingsvergunning als stedenbouwkundige vergunning (4.2.17.) – wegen, reliëfwijzigingen, ontbossen en afbraak 10
  11. 11. Verkavelingsvergunning• Het reglementaire karakter van de verkavelingsvergunning: ruimtelijke planning in microformaat – een verkavelingsvergunning omvat reglementaire voorschriften aangaande de wijze waarop de verkaveling ingericht wordt en de kavels bebouwd worden (4.2.15.) – een eigenaar van een in een niet-vervallen verkavelingsvergunning begrepen kavel kan een wijziging van de verkavelingsvergunning aanvragen. De wijziging van de verkavelingsvergunning moet worden geweigerd als de eigenaars van meer dan de helft van de in de oorspronkelijke vergunning toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gesteund bezwaar indienen (4.6.7.) – ook beperkte mogelijkheden om te verzaken aan de uit een verkavelings - vergunning verkregen rechten (4.6.8.) – ook zekere afwijkingsmogelijkheden (zie verder) 11
  12. 12. Vergunningen: enkele kenmerken• Een vergunning verleent rechten, maar nooit een “subjectief recht” op vergunningen• Aan de vergunning kunnen voorwaarden en lasten gekoppeld worden – voorwaarden (4.2.19.): begrip en voorbeelden – lasten (4.2.20.): begrip en voorbeelden• Vergunningen hebben een ”zakelijk” karakter (4.2.22.) – vergunning slaat op de vergunde handeling, niet op de vergunningsaanvrager – EXCURSUS: korte vergelijking met andere vergunningen en toelatingen• Fasering van vergunningen (4.2.21.) – ook relevant voor geldingsduur van de vergunning (zie verder) 12
  13. 13. Vergunningen in de tijd • Stedenbouwkundige vergunning (4.6.2.) – bijna steeds voor onbepaalde duur. Quid tijdelijke vergunningen? – gemeenrechtelijke vervalregeling: werken moeten (daadwerkelijk) worden gestart binnen de twee jaar na afgifte van de vergunning én de werken mogen niet onderbroken zijn gedurende meer dan twee jaar én het vergunde gebouw moet winddicht zijn binnen de drie jaar na de aanvang van de werken – uitzondering: beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen – aard van het verval: van rechtswege maar partieel – overmacht speelt niet – fasering 13
  14. 14. Vergunningen in de tijd • Verkavelingsvergunning (4.6.4.) – ratio legis: vermijden van speculatie en “ophoping” van onbebouwde percelen – onderscheid tussen verkavelingsvergunningen zonder (“kleine verkavelingen”) en met (“grote verkavelingen”) wegeniswerken – vervalregeling voor “kleine verkavelingen”: binnen een termijn van vijf jaar na afgifte van de vergunning moeten 1/3 van de loten verkocht of verhuurd zijn (voor meer dan negen jaar) of bezwaard zijn met een erfpacht of opstalrecht. Binnen een termijn van tien jaar moeten 2/3 van de loten verkocht of verhuurd zijn (voor meer dan negen jaar) of bezwaard zijn met een erfpacht of opstalrecht – vervalregeling voor “grote verkavelingen”: binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de vergunning moet overgegaan worden tot oplevering van de onmiddellijk uit te voeren lasten / moet een waarborg verschaft zijn. Daarna geldt opnieuw wat t.a.v. kleine verkavelingen wordt vooropgesteld, maar nu 1/3 binnen de tien jaar en 2/3 binnen de vijftien jaar 14
  15. 15. Excursus: band met milieuvergunning• Koppeling stedenbouwkundige vergunning / stedenbouwkundige melding en milieuvergunning / milieumelding (4.5.1. en artikel 5 Milieuvergunningsdecreet) – milieuvergunning en milieumelding – spiegelconstructie: stedenbouwkundige vergunning (of melding) wordt geschorst tot de milieuvergunning bekomen werd of milieumelding gedaan werd. Stedenbouwkundige vergunning (of melding) vervalt van rechtswege (of is onuitvoerbaar) als de milieuvergunning definitief geweigerd wordt. Omgekeerd wordt de milieuvergunning (of melding) geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning (of melding) niet bekomen werd (of gedaan werd) en de milieuvergunning (of melding) vervalt van rechtswege (of is onuitvoerbaar) als de stedenbouwkundige vergunning definitief geweigerd wordt 15
  16. 16. Vergunningen: procedure• Onderscheid tussen een reguliere en een bijzondere procedure (4.7.1.) – bijzondere procedure voor handelingen van algemeen belang of voor aanvragen ingediend door publiekrechtelijke rechtspersonen – hierna bekijken we enkel de reguliere procedure• Onderscheid tussen ontvoogde en niet-ontvoogde gemeente (4.7.1.) – ontvoogde gemeente: gemeente beschikt over een goedgekeurd (volledig) ruimtelijk structuurplan, een gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, een plannenregister, een vergunningenregister en een register van onbebouwde percelen (7.2.1.) – welke gemeenten zijn ontvoogd (www.ruimtelijkeordening.be)? – relevantie: voornamelijk de tussenkomst van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar 16
  17. 17. Vergunningen: procedure in 10 stappen• (1) Vooraf: soms een projectvergadering (5.3.2.) – voor belangrijke bouw- of verkavelingsprojecten. Besluit van 19 maart 2010 van de Vlaamse regering• (2) Aanvraag (4.7.13.) – wordt ingediend bij het bevoegde College van Burgermeester en Schepenen – Besluit van de Vlaamse regering: verschillende regels aangaande de samenstelling van het bouwdossier en de al dan niet verplichte tussenkomst van een architect• (3) Ontvankelijkheidsonderzoek (4.7.14.) – eerst een ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek. Het resultaat hiervan wordt binnen de 30 dagen (ordetermijn) meegedeeld aan de aanvrager per beveiligde zending. Recent hierbij ook een complex MER-verhaal• (4) Openbaar onderzoek (4.7.15.)? – Besluit van de Vlaamse regering 17
  18. 18. Vergunningen: procedure in 10 stappen• (5) Adviesverlening (4.7.16.) – Besluit van de Vlaamse regering – onderscheid tussen bindende en niet-bindende adviezen? – niet-ontvoogde gemeenten behoeven nog steeds het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar dat bindend is in geval het negatief is of voorwaarden oplegt – facultatief advies van de GECORO 18
  19. 19. Vergunningen: procedure in 10 stappen• (6) Beslissing in eerste aanleg (4.7.18.) – na een verslag van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar (4.7.17.) neemt het College van Burgemeester en Schepen een beslissing binnen de 75 dagen indien het aangevraagde gelegen is in een ontvoogde gemeente, over de aanvraag geen openbaar onderzoek moet gevoerd worden en niet samen met een milieuaanvraag moet ingediend worden (zie verder) – anders: 105 dagen – verkavelingsaanvraag steeds binnen de 150 dagen – bij gebreke aan een tijdige beslissing wordt de aanvraag geacht afgewezen te worden (stilzwijgende weigeringsbeslissing)• (7) Mededeling beslissing in eerste aanleg (4.7.19.) – binnen een ordetermijn van 10 dagen – formaliteit: aanplakking – uitvoerbaarheid: wachttermijn van 35 dagen te rekenen vanaf de aanplakking 19
  20. 20. Vergunningen: procedure in 10 stappen• (8) Schorsend administratief georganiseerd beroep (4.7.21-25.) – wordt ingediend bij de Deputatie binnen de 30 dagen – wie kan beroep indienen? – belangrijke formaliteiten (ontvankelijkheidsvereisten ook in een Besluit van de Vlaamse regering) – beslissing binnen een vervaltermijn van 75 dagen / 105 dagen (hoorrecht) + opnieuw mededeling binnen een ordetermijn van 10 dagen – bij gebreke aan een tijdige beslissing wordt de aanvraag geacht afgewezen te worden (stilzwijgende weigeringsbeslissing) – formaliteit: aanplakking – opnieuw de wachttermijn (36ste dag na de dag van de aanplakking)• (9) Raad voor Vergunningsbetwistingen (4.8.1-31.) – administratief rechtscollege – (o.m.) beroep tegen vergunningsbeslissing in laatste administratieve aanleg – beroepstermijn: 45 dagen 20
  21. 21. Vergunningen: procedure in 10 stappen – niet-schorsend, wel mogelijkheid om schorsing te vragen – schets van de (recent gewijzigde) procedure – onderscheid tussen een administratief en een juridisch beroep – hoelang loopt een dergelijke procedure? – verleent niet zelf de vergunningen• (10) Enkel nog cassatieberoep bij de Raad van State – cassatieberoep? 21
  22. 22. Excursus: procedure• Afstemming aanvraagprocedure stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning middels het zogenaamde “uniek loket” (4.7.3. e.v.) – enkel wanneer de gemeente in beide gevallen bevoegd is – in te dienen op een uniek gemeentelijk loket – gezamenlijke mededeling van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek – gezamenlijke adviesaanvragen – gezamenlijk openbaar onderzoek – gezamenlijke weerlegging van stedenbouwkundige en milieugebonden bezwaren – gelijktijdige beslissing 22
  23. 23. Uitsmijter: het stedenbouwkundig attest • Dient steeds een ganse vergunningsprocedure doorlopen te worden om te weten of mijn project kans maakt? Nee, er is ook het zogenaamde “stedenbouwkundig attest” (5.3.1.) – het stedenbouwkundig attest geeft op basis van een plan aan of een overwogen project in redelijkheid de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften, de eventuele verkavelingsvoorschriften en een goede ruimtelijke ordening zal kunnen doorstaan – bindend bij algemene “status quo” – maar is geen vergunning – procedure – blijft 2 jaar geldig 23
  24. 24. Planningsluik 24
  25. 25. Ruimtelijke planning: inleiding • Beknopt en ter ingeleide: wat zijn ruimtelijke plannen? – omschrijving en ratio legis – stedenbouwkundige voorschriften (1.1.2.13°) – de ruimtelijke plannen s.s. houdende “bestemmingsvoorschriften” (4.1.1.1°) – ook stedenbouwkundige verordeningen – EXCURUS: voorbeelden van andere dan ruimtelijke plannen van belang bij de beoordeling van een zeker project (www.gisvlaanderen.be) – ter herinnering: ook in verkavelingsvergunningen staan zekere reglementaire voorschriften • Overgangsfase (zie hoger) – tot op heden zitten we nog steeds in een overgangsfase tussen het oude planinstrumentarium uit de Stedenbouwwet 1962 / het Coördinatiedecreet 1996 en het nieuwe planinstrumentarium uit het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening 25
  26. 26. Oude planinstrumentarium• Plannen van aanleg – op gewestelijk niveau: de gewestplannen – op gemeentelijk niveau: algemene en bijzondere plannen van aanleg 26
  27. 27. Gewestplannen• Gewestplannen zijn klassieke bestemmingsplannen voor de verschillende “gewesten” – bindende en verordenende kracht – K.B. 28/12/1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen juncto Omzendbrief 8/7/1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (www.ruimtelijkeordening.be) 27
  28. 28. Gewestplannen• Consulteerbaar op www.gisvlaanderen.be 28
  29. 29. Gemeentelijke plannen van aanleg• Meer gedetailleerde bestemmings- en inrichtingsplannen: de algemene plannen van aanleg (APA‟s) en (vooral) de bijzondere plannen van aanleg (BPA‟s) – bindende en verordenende kracht – geen uniform begrippenkader 29
  30. 30. Gemeentelijke plannen van aanleg• Steeds navraag doen bij lokale overheid! 30
  31. 31. Plannen van aanleg: verhouding• Het lagere plan moet steeds het hogere plan in acht nemen. Er dient in principe enkel rekening gehouden te worden met het lagere plan (dat een verfijning moet uitmaken van het hogere plan) – voorbeelden – MAAR: Steeno-doctrine (de vaststelling van een later hoger plan heft automatisch – van rechtswege – het lager strijdig plan op, zelfs impliciet) – MAAR: Heylen-doctrine (artikel 14, vierde lid Coördinatiedecreet 1996: met lagere plannen kan „desnoods‟ afgeweken worden van het gewestplan) – MAAR: vroeger nog andere mogelijkheden om af te wijken van het hogere plan van aanleg (artikel 14, vijfde lid Coördinatiedecreet 1996, sectorale BPA‟s) 31
  32. 32. Nieuwe planinstrumentarium• Twee nieuwe soorten plannen op drie verschillende planniveaus volgens het subsidiariteitsbeginsel: de Vlaamse, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuur- en uitvoeringsplannen – ratio legis? – subsidiariteitsbeginsel= elke bevoegde overheid houdt zich bezig met zaken die best op het desbetreffend niveau geregeld worden. Het hoger niveau treedt maar op als de zaken niet op het lager niveau kunnen geregeld worden – verfijning planologisch subsidiariteitsbeginsel. Een planningsniveau kan met instemming van alle op grond van de ruimtelijke structuurplanning bevoegde planningsniveaus een planningsinitiatief nemen voor de totaliteit van een bepaald gebied, ook al beschikt het daartoe niet over de noodzakelijke planningsbevoegden (2.2.1.) 32
  33. 33. Ruimtelijke structuurplannen • Het ruimtelijk structuurplan is een beleidsdocument van en gericht tot de overheid hetwelk als onmiddellijke basis dient voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen (2.1.1. e.v.) – opzet – telkens onderscheid tussen informatief, richtinggevend en bindend gedeelte – een ruimtelijk structuurplan verwoordt een beleidsvisie en ontbeert verordenende kracht: GEEN beoordelingskader bij vergunningverlening (2.1.2.) – bindend gedeelte is wel bindend t.o.v. de overheid (absolute hiërarchie) en het richtinggevend gedeelte moet principieel (relatieve hiërarchie) gevolgd worden, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen (2.1.2.). Uitzondering: verwezenlijking van bindend sociaal objectief – aangrenzende gemeenten kunnen voor de totaliteit van hun grondgebieden ook een gezamenlijk ruimtelijk structuurplan opmaken (2.1.1.) 33
  34. 34. Ruimtelijke structuurplannen • Onderlinge verhouding – afwijkingen t.a.v. het bindend gedeelte zijn uitgesloten. Opnieuw “relatieve hiërarchie” t.a.v. het richtinggevend gedeelte – het hoger ruimtelijk structuurplan dat later komt dan het lager ruimtelijk structuurplan moet aangeven welke bindende bepalingen van het lagere plan worden opgeheven (geen impliciete opheffing) • Steeds consulteerbaar op internet 34
  35. 35. Ruimtelijke uitvoeringsplannen• In wezen de opvolgers van de plannen van aanleg• Ruimtelijke uitvoeringsplannen vanaf het moment dat de desbetreffende overheid over een goedgekeurd ruimtelijk structuurplan beschikt (7.4.3. inzake gemeenten)• Regelen het grondgebruik op een gebiedsgerichte en / of thematische wijze – (opnieuw) bindende en verordenende kracht – gebiedcategorieën conform het Besluit van de Vlaamse regering van 11 april 2008 m.b.t. de vorm en inhoud van ruimtelijke uitvoeringsplannen 35
  36. 36. Ruimtelijke uitvoeringsplannen• Verhouding tot structuurplannen – het is op basis van de structuurplannen dat de ruimtelijke uitvoeringsplannen tot stand komen. Opnieuw geldt een absolute hiërarchie in de relatie tot het bindend gedeelte en een relatieve hiërarchie aangaande het richtinggevend gedeelte – Geïntegreerde plannings- en uitvoeringsprocedure bij zogenaamde grootschalige stedenbouwkundige projecten (3.1.1. e.v.)• Verhouding tot plannen van aanleg – de bestaande plannen van aanleg blijven van kracht tot ze vervangen worden door een ruimtelijk uitvoeringsplan (tenzij het ruimtelijk uitvoeringsplan het anders bepaalt)• Onderlinge verhouding ruimtelijke uitvoeringsplannen – absolute hiërarchie van het hoger plan op het lager plan – expliciete of impliciete opheffing van het strijdige lagere plan (2.2.2.) 36
  37. 37. Praktisch: welke plannen zijn er? • Vragen staat steeds vrij • Ook een formeel instrument: het stedenbouwkundig uittreksel (5.2.7.) – niet te verwarren met stedenbouwkundig attest (zie hoger) – dit is of wordt in de toekomst een uittreksel uit het plannenregister en vergunningenregister 37
  38. 38. Stedenbouwkundige verordeningen?• Verordeningen op gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau bevattende voorschriften van stedenbouwkundige aard – verschillende zaken nieuw – inhoud (2.3.1.) – mogelijkheid tot uitsluiting van normaliter toegestane functiewijzigingen en het regelen van de woongelegenheden – invloed op de vergunningsplicht en meldingsplicht (4.2.5.): de verordeningen kunnen de vergunningsplichtige handelingen aanvullen, voor meldingsplichtige handelingen een vergunningsplicht invoeren en voor vrijgestelde handelingen een meldingsplicht invoeren – mogelijkheid van verdere uitwerking van gewestelijke verordeningen op provinciaal en gemeentelijk niveau – wat bij strijdigheid met ruimtelijke uitvoeringsplannen (2.3.3.)? – onderlinge hiërarchie? 38
  39. 39. Planschade• Een beperkte schadevergoeding wanneer door een ruimtelijk uitvoeringsplan een bouwverbod of verkavelingsverbod tot stand komt (2.6.1. e.v.) – in welke gevallen (2.6.1.) – uitgesloten gevallen (2.6.1.) – hoegrootheid van de schadevergoeding (2.6.2.)• Aankoopplicht (2.4.14.) – in welke gevallen? – band met de planschade?• Ook een afzonderlijk Decreet houdende vaststelling van de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut 39
  40. 40. Planbatenheffing• Verschuldigde heffing wanneer een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg zekere gunstige bestemmingswijzigingen doorvoert – aard: verhaalbelasting – gunstige planwijziging: enkele voorbeelden (2.6.4.) – uitgesloten gevallen (2.6.5.) – heffingsplichtige (2.6.8.) – bedrag van de heffing (2.6.10 -12.) – wanneer moet betaald worden (2.6.14.) – toewijzing en aanwending van de heffing (2.6.17.) – Besluit van de Vlaamse regering 40
  41. 41. Toepassing ruimtelijke planning• Regel: reglementaire voorschriften uit de verordenende ruimtelijke planning moeten nageleefd worden. Deze vormen samen met enkele andere decretale beoordelingselementen en de goede ruimtelijke ordening het beoordelingskader bij vergunnings- aanvragen (4.3.1.) – decretale beoordelingselementen (4.3.5. e.v.), waaronder de “watertoets”, zoals recent nog gewijzigd – opvallende afbakening van het begrip goede ruimtelijke ordening (4.3.1.) – ook dwingende en facultatieve eisen uit andere beleidsdomeinen dan de ruimtelijke ordening (4.3.3-4.) 41
  42. 42. Toepassing ruimtelijke planning• Excursus: toepassing van ruimtelijke planning ook buiten het beleidsdomein van de ruimtelijke ordening? – de milieuvergunning 42
  43. 43. Afwijkingen?• Beperkte afwijkingen (4.4.1.)• Stabiliteitswerken (4.4.2.)• Afwerkingsregel (4.4.3.)• Sociaal-cultureel en recreatief medegebruik en medegebruik inzake natuurschoon (4.4.4-5.)• Monumenten en stads- en dorpsgezichten (4.4.6.)• Temporele afwijkingen (4.4.7. en 4.3.2.)• Handelingen van algemeen belang (4.4.7.-4.4.8.)• Overgangsregel: handelingen sorterend onder voorschriften plan van aanleg (4.4.9.)• …• Zonevreemdheid (4.4.10. e.v.) 43
  44. 44. Afwijkingen?• Sinds 1 september 2009 vooral een zeer ernstige uitbreiding van het toepassingsgebied van de verschillende afwijkingen. De afwijkingen zijn niet langer beperkt tot deze of andere plannen maar hebben een algemene draagwijdte 44
  45. 45. Beperkte afwijkingen• Afwijking van “stedenbouwkundige voorschriften” (en verkavelings- voorschriften) – enkel inzake de perceelsafmetingen, de afmeting en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen – afwijkingen kunnen niet toegestaan worden inzake bestemming, maximaal toegelaten vloerterreinindex en aantal bouwlagen 45
  46. 46. Stabiliteitswerken • Afwijking van stedenbouwkundige voorschriften (en verkavelings - voorschriften) – enkel ten behoeve van bestaande, hoofdzakelijk vergunde (4.1.1.7°) en niet- verkrotte (4.1.1.15°) constructies – stabiliteitswerken: werken die betrekking hebben op de constructieve elementen van een constructie zoals (a) het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak, met uitzondering van plaatselijke herstellingen en (b) het geheel of gedeeltelijk herbouwen of vervangen van buitenmuren of dragende binnenmuren, zelf met recuperatie van de bestaande stenen (4.1.1.11°) 46
  47. 47. Afwerkingsregel• Afwijking van een andere bestemming dan woningbouw – indien het perceel niet voor woningbouw bestemd is, kan toch een vergunning worden afgeleverd voor (eengezins)woningen – opvulregel bij wachtgevel – voorwaarden? – niet in “ruimtelijk kwetsbaar gebied” (zie verder en 1.1.2.10°) 47
  48. 48. Medegebruik• Afwijking van bestemmingen – sociaal-cultureel of recreatief medegebruik? – Tijdelijk gebruik in afwachting van realisatie van bestemming? – medegebruik inzake natuurschoon? 48
  49. 49. Monumenten• Afwijking van stedenbouwkundige voorschriften – beschermd monument, stads- of dorpgezichten? – advies vanuit het beleidsveld onroerend erfgoed als doorslaggevende factor 49
  50. 50. Temporele afwijkingen• Positieve anticipatie voor werken van algemeen belang – handelingen van algemeen belang: Besluit van de Vlaamse regering• Negatieve anticipatie – ratio legis? 50
  51. 51. Handelingen van algemeen belang• Afwijking van stedenbouwkundige voorschriften voor handelingen van algemeen belang met beperkte ruimtelijke impact – handelingen van algemeen belang: Besluit van de Vlaamse regering• Specifiek in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen 51
  52. 52. Overgangsregel• Afwijking van bestemmingsvoorschriften van een plan van aanleg – indien het aangevraagde vergund kan worden op grond van een vergelijkbare categorie of subcategorie van gebiedsaanduiding 52
  53. 53. Zonevreemdheid• Zonevreemdheid – initieel: basisrechten als oplossing voor een historisch passief maar met de laatste grotere decreetswijziging uitgebreid tot een algemene bestemmings- afwijking – misverstand: zonevreemd is onvergund – zonevreemde constructie (4.1.1.17°) – wel: afwijkingsmogelijkheden inzake bestemming inzake bestaande hoofdzakelijk vergunde niet-verkrotte constructies 53
  54. 54. Zonevreemdheid: drieluik• (1) Zonevreemde werken aan bestaande constructies (4.4.10-22.) – steeds onderscheid woningen en andere constructies – verbouwen (4.1.1.12°) – herbouwen (4.1.1.6°) - uitbreidingen - aanpassingswerken - bijzondere regeling bij vernietiging door een vreemde oorzaak (4.4.21.). Ook van toepassing in ruimtelijk kwetsbare gebieden• (2) Zonevreemde functiewijzigingen (4.4.23.) – Besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone – enkele voorbeelden nader bekeken: van landbouw naar wonen en van industrie naar handel 54
  55. 55. Zonevreemdheid: drieluik• (3) Planologische oplossing middels planologisch attest (4.2.24-29.) – niet te verwarren met stedenbouwkundig attest (zie hoger) – een planologisch attest vermeldt of een bestaand, hoofdzakelijk vergund en niet- verkrot bedrijf al dan niet behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is – toepassingsvoorwaarden – procedure – doel: prelude van een verplichte planwijziging – voordeel: anticipatieve vergunningverlening 55
  56. 56. Excursus: andere beleidsdomeinen• De mogelijkheden of verplichtingen om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften gelden ook in andere beleidsdomeinen (5.6.7.) – milieuvergunning – onteigening – natuurbehoud – bos 56
  57. 57. Handhavingsluik 57
  58. 58. De vier (sub)handhavingsluiken• Repressieluik: de straffen• Reparatieluik: het herstel• Transactieluik: het vergelijk• Preventieluik: de staking 58
  59. 59. Repressieluik: de misdrijven (6.1.1.) • Handelingen zonder of in strijd met een (uitvoerbare) vergunning – “handelingen”= werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met ruimtelijke implicaties • Handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan / plan van aanleg / verordening – uitzonderingen • Inbreuken op de informatieplicht • Eigenaarsmisdrijf • Miskenning van de staking van wederrechtelijke handelingen (zie verder, preventieluik) • Quid instandhoudingsmisdrijf? • Miskenning van de meldingsplicht? – nee, op grond van artikel 119bis van de N. Gem. (GAS) 59
  60. 60. Repressieluik: de misdrijven • Inzake het vermoeden van vergunning (4.2.14.) – constructies waarvan is aangetoond dat ze gebouwd werden voor 22 april 1962 worden onweerlegbaar geacht vergund te zijn – constructies waarvan is aangetoond dat ze gebouwd werden na 22 april 1962 maar voor de inwerkingtreding van het eerste gewestplan worden geacht vergund te zijn, behoudens wanneer zulks wordt tegengesproken door een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift telkens opgesteld binnen de 5 jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. Maximale betwistingsperiode van één jaar na opname (registratie) in het vergunningenregister. Dit alles behoudens ligging in ruimtelijk kwetsbaar gebied – mogelijkheden tot betwisting voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (4.8.1.) 60
  61. 61. Repressieluik: regularisatievergunning • Vergunning na de feiten – vergunning is in principe een voorafgaandelijke toelating – maar toch mogelijk om achteraf een vergunning te bekomen – het later bekomen van een vergunning ontneemt het strafbare karakter niet van het eerder gebrek aan vergunning. Wel kan geen herstel meer bevolen worden (zie hierna) – er moet rekening gehouden worden met het regelgevend kader dat speelt op het moment van de beoordeling van de vergunningsaanvraag – decretale basis (4.2.24.) 61
  62. 62. Repressieluik: as-built attest • IN DE TOEKOMST: belang van het as-built attest (4.2.7.) – een as-built attest is een attest waarin wordt verklaard dat handelingen betreffende een constructie of een gebouwencomplex niet of slechts marginaal afwijken van de plannen die het voorwerp uitmaken van de stedenbouwkundige vergunning of melding 62
  63. 63. Repressieluik: de sancties (6.1.1.) • Gevangenisstraf en / of geldboete – gevangenisstraf van 8 dagen tot 5 jaar (theorie) – geldboete van € 26 – € 400.000 • Minimumstraf voor “professionele overtreders” – gevangenisstraf van minimaal 15 dagen (theorie) en / of – geldboete van minimaal € 2.000 • Vermogensvoordelen? • [Repressie aangaande het preventieluik – administratieve geldboete bij overtreding stakingsbevel • GAS inzake de meldingsplicht] 63
  64. 64. Repressieluik: de verjaring • Stedenbouwmisdrijven zijn wanbedrijven • Verjaringstermijn van 5 jaar maar mogelijke stuitings- (5+5 jaar) en schorsingsdaden – stuiting van de verjaring? – schorsing van de verjaring? – voorbeelden • Aanvang verjaringstermijn: belangrijk onderscheid tussen aflopende, voortdurende en voortgezette misdrijven • De uitzonderingen: het gewoontemisdrijf en het gebruiksmisdrijf? • Opgepast ook voor eenheid van opzet bij opeenvolgende steden- bouwmisdrijven 64
  65. 65. Reparatieluik: begrip • Fysiek of pecuniair herstel van de stedenbouwkundige overtreding (herstelmaatregel) • Op vordering van het College van Burgemeester en Schepenen / stedenbouwkundige inspecteur (publieke herstelvordering) of op vordering van derde benadeelden (private herstelvordering) • Het advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid als ontvankelijkheidsvereiste bij de publieke herstelvordering • Mogelijk voor de strafrechter en / of de burgerlijke rechter – opeenvolgende publieke herstelvordering behoeft het advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid 65
  66. 66. Reparatieluik: de maatregelen• Het concrete herstel van het publiekrechtelijk misdrijf (6.1.41.)• Nog steeds drie soorten herstelmaatregelen: – herstel in de vorige toestand – bouw – of aanpassingswerken – meerwaarde 66
  67. 67. Reparatieluik: de maatregelen• Het herstel in de vorige toestand – fysiek herstel – meest volmaakte vorm van herstel – herstel in een “niet-wederrechtelijke staat” – veelal sloop, maar verschillende varianten denkbaar: vb. heropbouw, herbebossen… – belangrijke variant: staking van het strijdige gebruik 67
  68. 68. Reparatieluik: de maatregelen• Bouw- of aanpassingswerken – ook fysiek herstel – kan zowel bestaan uit positieve handelingen (uitvoering van opgelegde maar niet gerealiseerde werken) als negatieve handelingen (gedeeltelijke sloop) 68
  69. 69. Reparatieluik: de maatregelen• Meerwaarde – pecuniair herstel – bedrag gelijk aan de meerwaarde die het onroerend goed verkregen heeft door het bouwmisdrijf – Besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 – maar rechter legt finaal autonoom het bedrag van de meerwaarde vast 69
  70. 70. Reparatieluik: de maatregelen• Richtlijnen inzake de keuze van de (publieke) herstelmaatregel (6.1.41.): – herstel in de vorige toestand / staking strijdig gebruik bij miskenning van het stakingsbevel (zie verder) of wanneer de handeling in strijd is met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen. In die gevallen zijn ook bouw- of aanpassingswerken mogelijk, maar enkel wanneer zulks “kennelijk” volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen. Recent werd hier ook de meerwaarde mogelijk wanneer het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening. – in alle overige gevallen: meerwaarde, behoudens bij “onevenredige miskenning” van de goede plaatselijke ordening 70
  71. 71. Reparatieluik: de maatregelen• Voorrangsregel (6.1.41-42.): – bij de publieke herstelvordering primeert steeds de vordering van de stedenbouwkundige inspecteur op deze van het CBS (ook al is het door hem gevorderde minder zwaar) – in combinatie met een private herstelvordering kiest de rechter de maatregel die hem passend lijkt 71
  72. 72. Reparatieluik: verjaring • Quasi - onmogelijk geworden vraagstuk in de ruimtelijke ordening • Pro memorie: situatie voor het decreet van 4 juni 2003 • Pro memorie: het decreet van 4 juni 2003 • Pro memorie: chaos na het decreet van 4 juni 2003 • Oplossingen in de VCRO? 72
  73. 73. Reparatieluik: verjaring • Geen publieke herstelvordering meer (enkel) gegrond op (eerdere) strafbare feiten van instandhouding tenzij in ruimtelijk kwetsbaar gebied (6.1.1.) – “een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgermeester en schepenen is ingesteld op grond van de instandhouding van handelingen, kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd indien deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld” 73
  74. 74. Reparatieluik: verjaring • Verjaringsregel voor de publieke herstelvordering (6.1.41.) – in ruimtelijk kwetsbaar gebied: door verloop van TIEN jaren te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf gepleegd werd. Maar instandhouden blijft strafbaar dus nog steeds nultolerantie – in openruimtegebied: door verloop van TIEN jaren te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf gepleegd werd. Openruimtegebied= landelijke en recreatiegebieden aangewezen op plannen van aanleg en de gebieden aangewezen op ruimtelijk uitvoeringsplan die sorteren onder de categorieën landbouw, recreatie of de subcategorie gemengd openruimtegebied (behoudens VEN) – buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied en buiten openruimtegebied: door verloop van VIJF jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf gepleegd werd – maar zonder dat afbreuk gedaan wordt aan de gemeenrechtelijke stuitings- of schorsingsgronden of aan artikel 26 V.T.Sv. Tevens wordt voorzien in een bijkomende schorsingsgrond n.a.v. de minnelijke schikking en de 74 bemiddelingspogingen (zie verder)
  75. 75. Reparatieluik: verjaring 75
  76. 76. Reparatieluik: verjaring • Overgangsbepaling voor de nieuwe verjaringsregels (7.7.4.) – nieuwe termijnen gelden slechts vanaf 1 september 2009. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan de termijnen vermeld in artikel 2262bis, §1, tweede en derde van het Burgerlijk Wetboek (5-20 jaar) indien het recht om de herstelvordering in te stellen ontstaan is voor 1 september 2009, opnieuw zonder afbreuk te doen aan de gemeenrechtelijke stuitings- of schorsingsgronden en aan artikel 26 V.T.Sv. – analyse 76
  77. 77. Reparatieluik: verjaring • Nieuwe regels grondwettig bevonden door het Grondwettelijk Hof (zie o.m. Grondwettelijk Hof nr. 83/2010 van 29 juli 2010) • Maar diverse nieuwe vragen in de rechtspraktijk: een bloemlezing 77
  78. 78. Reparatieluik: verjaring • Verjaring van de private herstelvordering? – de private herstelvordering wordt in wezen ongemoeid gelaten – een dergelijke vordering steunt op artikel 1382 B.W. – zodoende enkel toepassing van artikel 2262bis, §1 tweede en derde lid B.W., artikel 26 V.T.Sv. en de gemeenrechtelijke stuitings- en schorsingsgronden 78
  79. 79. Reparatieluik: redelijke termijn • Onderscheid redelijke termijn – verjaring? • Arrest EHRM Hamer (27 november 2007). De herstelmaatregel – het herstel in de vorige toestand - als “straf” in Europeesrechtelijke zin van artikel 6 EVRM • Invloed op de herstelvordering? 79
  80. 80. Reparatieluik: uitvoering • Advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid vereist bij ambtshalve uitvoering (6.1.46. en 6.1.7.) • Specifieke bevoegdheid van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid inzake de invordering van dwangsommen (6.1.21.) • Advies inzake betekening van oude vonnissen of arresten (6.1.17.) 80
  81. 81. Transactieluik: begrip • Recent nog bijgeschaafd (6.1.51.) • Minnelijke schikking = vergelijk tussen de stedenbouwkundige inspecteur en de overtreder waarvan de uitvoering leidt tot het verval van de strafvordering en de herstelvordering • Het vergelijk kan bestaan uit de betaling van een geldsom en / of de uitvoering van door de stedenbouwkundige inspecteur opgelegde aanpassingwerken (dit laatste behoudens bij regularisatie van het onvergunde of spontaan herstel in de vorige toestand / staking van het strijdige gebruik) 81
  82. 82. Transactieluik: uitgesloten gevallen • Niet bij professionele opdrachtgevers • Niet in ruimtelijk kwetsbaar gebied • Niet bij gevallen waarin het misdrijf bestaat, of ondermeer bestaat, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel 82
  83. 83. Transactieluik: wanneer?• Voor dagvaarding voor correctionele rechtbank of inleiding van de herstelvordering• Soms na tussenkomst van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid• Ook de rechter kan een bemiddelingspoging bevelen• Soms ook nog akkoord van derden nodig 83
  84. 84. Transactieluik: modaliteiten • Besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de minnelijke schikking in de ruimtelijke ordening: – bedragen tussen de € 150 en € 5000 voor geregulariseerde en niet- geregulariseerde misdrijven afhankelijk van de objectieve zwaarte van het stedenbouwmisdrijf en de omstandigheden waaronder dat misdrijf is begaan – aanvullend bedrag voor niet-geregulariseerde misdrijven: meerwaarde! – aanvraagprocedure 84
  85. 85. Transactieluik: impact verjaring • Aanvragen tot minnelijke schikking en bemiddeling van de aanvrager schorsen de verjaring van de strafvordering en de herstelvordering (zie hoger en 6.1.53.) 85
  86. 86. Preventieluik: begrip en inleiding • Staking van de in overtreding verrichte werken / handelingen of het strijdig gebruik (6.1.47. e.v.) • De stakingsfiguur bleef behouden in de nieuwe Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en werd niet wezenlijk gewijzigd 86
  87. 87. Preventieluik: procedure • Onmiddellijke staking der werken • Kennisgeving van proces-verbaal van vaststelling binnen 8 dagen per “beveiligde” zending of deurwaardersexploot • Binnen 8 dagen na kennisgeving bekrachtiging door de bevoegde stedenbouwkundige inspecteur en mededeling van de bekrachtiging binnen de twee werkdagen per beveiligde zending • Vordering tot opheffing • Miskenning stakingsbevel: administratieve geldboete 87
  88. 88. Vragen?• Fire away! 88
  89. 89. GegevensJan Beleynjbeleyn@publius.bePUBLIUSPres. Kennedypark 6/24 8500 Kortrijk Belgiumt +32 (0)56 74 56 00 f +32 (0)56 74 56 01www.publius.beGünther L’heureuxglheureux@publius.bePUBLIUSWetstraat 26/71040 BrusselT+32 (0)2 234 66 00 f+ (0)2 234 66 01www.publius.be 89

×