• Like
Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 4: Herinneringen
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 4: Herinneringen

  • 33 views
Uploaded on

 

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
33
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
0
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. { Hoofdstuk 4. Herinneringen
  • 2. De vorige keer… De burgemeester, Irene, de commissaris en inspecteur Kaals overleefden op een mysterieuze wijze het auto-ongeluk. Irene was er zelfs van overtuigd dat iemand hen gered had, maar het niet durfde te vertellen. Katrien vertelde Stella over haar breuk met Pieter en die wilt tevergeefs bemiddelen tussen haar en Pieter. De burgemeester wilde dat de commissaris ervoor zorgt dat Irene de waarheid niet vertelt en hij kreeg ook veel kritiek tijdens de dorpsraad. Stella vond een dronken Katrien, die haar schoolvriendje Xavier was tegengekomen en Esmée had een discussie met Marcel. Tenslotte brak er iemand in het gemeentehuis in.
  • 3. Esmée stond in haar werkkamer en zuchtte. Wat ze gedaan had, was erg gevaarlijk zoals Marcel zei, maar ze moest het doen. Het was haar taak om de bewoners van Maandorp te beschermen. Dat zat in haar bloed. Zolang ze in leven was, kon ze niets anders doen.
  • 4. Natuurlijk moest Esmée te weten komen wat de weerwolven van plan waren, maar vooraleer ze hen ging confronteren, moest ze weten wat weerwolven juist waren. Ze wist dat het mensen waren die ’s nachts in wolven veranderden, maar dat was ook het enige. Toen ze in de boekenkast naar informatie aan het zoeken was, vond ze het boek Memoriae Magae van een zekere Cornelia.
  • 5. ‚Wat is dat, oma?‛ vroeg Esmée en ze wees op een boek dat op het oude bureau lag. Esmée probeerde om de titel te lezen: ‚Memori-a-ee Maga-ee?‛
  • 6. ‚Het is ‘Memoria Magae’, Esmée. Dat is een boek van één van onze voorouders. Ze heet Cornelia.‛ ‚Was zij zoals u, oma?‛ ‚Inderdaad. Haar boek gaat over weerwolven. Je weet wel, die wezens waar ik je over verteld heb.‛ ‚En waarop u jaagt…‛ vulde Esmée aan. ‚Ik weet dat je dat niet leuk vindt, Esmée, maar…‛ ‚Maar het is gevaarlijk. Dat hebt u altijd tegen mij gezegd. Ik niet wil dat u iets overkomt, oma.‛
  • 7. Esmée kreeg tranen in haar ogen, draaide haar rug en ging in de zetel zitten. Haar oma zuchtte en ging naast haar zitten. ‚Je mist jouw ouders, hé?‛ zei ze toen ze Esmée knuffelde. ‚Ja, en ik wil u ook niet kwijt.‛ Oma glimlachtte. ‚Moet ik je iets voorlezen uit het boek?‛ ‚Ja, dat zou leuk zijn, oma!‛
  • 8. Esmée kon zich weer herinneren waarover het boek ging. Cornelia was de eerste die over weerwolven vertelde. Zij creëerde ook de weerwolf die verantwoordelijk is voor de huidige weerwolfroedels. Esmée deed het boek open op het allereerste hoofdstuk.
  • 9. Ongeveer 1600 jaar geleden leefden er 6 vrouwen op een eiland in de Egeïsche zee, Thera genaamd. Deze vrouwen maakten een reis langs de verschillende eilandjes nabij Thera. Wanneer er een vulkaan op het eiland uitbarstte en voor hevige aardbevingen zorgde, was godin Fortuna erg goed gezind en redde de 6 vrouwen.
  • 10. Ze zetten hun reis verder -met Fortuna als gezelschap- en trokken door Hellas en kwamen uiteindelijk in Brittannië aan.
  • 11. Ze bezochten een stenen cirkel en voelden daar de krachten van de goden. De vrouwen dansten en zongen in de cirkel en namen de krachten van de goden op. De goden werden woedend en de vrouwen moesten de natuur voor eeuwig dienen.
  • 12. Zij moesten de problemen oplossen die ze zelf maakten of andere mensen maakten en de goden zorgden ervoor dat de vrouwen het erg moeilijk kregen. Alles wat ze deden zou effect op hen hebben. Duistere praktijken vroegen meer energie dan de goede.
  • 13. De vrouwen werden verbannen naar 6 uithoeken van de wereld, waar ze hun taak moesten volbrengen. Als ze stierven, erfde hun eerstgeborene dochter of het dichtst verwante, vrouwelijk familielid de kracht van de vrouw.
  • 14. Esmée bladerde snel door. De mythe over hoe de heksen ontstaan waren, had ze al meer dan genoeg gelezen. Ze bladerde totdat ze bij de passage kwam die haar oma ooit had voorgelezen.
  • 15. Nog een maand en ik ga trouwen met Lucius Antonius Pulcher. De beeldschone zoon van de rijke heer Tiberius Antonius Maximus. Ik heb mijn bruidsschat al aan de Antonii beloofd en verschillende familieleden komen van overal om het huwelijk bij te wonen.
  • 16. Ook de dochter van de broer van mijn oom, de man van mijn vaders zus, is er. Ze heet Kassandra en ze is net zoals ik een heks.
  • 17. Enkele dagen geleden heb ik mijn ver familielid Kassandra vernoemd. Ik heb haar samen met Antonius in de zuilengang gezien. Op het eerste gezicht lijkt dit niet erg, maar ik zag dat Kassandra mijn verloofde om haar vinger wond.
  • 18. Zij heeft zelfs liefdesdrank gemaakt om Antonius helemaal voor zich te winnen! Ik kan het niet meer aan! Ik zie mijn toekomstige man altijd bij Kassandra, maar hij ontkent dat er iets is tussen hen. Ik wéét echter dat hij haar liever ziet dan ik en ik wéét dat ze de nachten met elkaar doorbrengen. Hopelijk zal ons huwelijk ervoor zorgen dat hij die Kassandra vergeet.
  • 19. De avond voor mijn huwelijk was ik heel erg blij. Ik zou die volgende dag met mijn geliefde Antonius trouwen en na het feest zou ieder familielid terug naar huis vertrekken, ook Kassandra. Helaas leken zij enorm van elkaar te houden en Kassandra en Antonius wandelden hand in hand het bos in om nooit meer terug te komen. Dat had ik gezien vanop mijn balkon.
  • 20. Ik kookte van woede en van zodra ik weg kon, ging op reis om hen te zoeken en wraak te nemen. Maanden later vond ik hen. Ze woonden in een hutje in een bos van Griekenland. Antonius en Kassandra waren gelukkig, want ze hadden een kind gekregen, een dochter.
  • 21. Hun geluk kon ik echter niet aanzien en met een spreuk blies ik Antonius naar achter, waardoor hij bewusteloos op de grond neer kwam. Kassandra nam haar dochter stevig vast en rende met haar van mij weg.
  • 22. Nog steeds was ik vastbesloten om wraak te nemen. Ik veranderde Antonius in een grote zwarte, enge wolf. Niemand, maar dan ook niemand zou houden van zo’n lelijk beest.
  • 23. Blijkbaar had ik het verkeerd. Kassandra ontdekte nogal snel dat ik haar man in een wolf had veranderd, maar ze bleef toch van hem houden. Uiteraard wilde ze de oude Antonius terug en ze veranderde hem met een spreuk terug in een mens. Zij leek echter geen rekening te houden met de volle maan, een zeer krachtige bron die spreuken beïnvloedt, waardoor Antonius niet helemaal terug kwam als mens, maar als mens met wolvenstreken.
  • 24. Overdag was Antonius de knappe, gespierde en aardige man, maar ‘s nachts was hij een behaarde, wolfachtige en woeste man. Kassandra deed enorm haar best om toch van Antonius te houden, hoewel hij haar vaak pijn deed. Ze kon het niet aan dat ze haar eigen man in een weerwolf veranderd had. Na een fikse ruzie rende Antonius het bos in en liet haar wenend achter.
  • 25. Daarom wierp ze zichzelf van een rots in het water. Antonius werd nooit meer terug gezien en hun dochter werd herenigd met haar grootvader die in de buurt woonde. Kassandra’s stommiteiten hadden haar naar haar eigen dood geleid…
  • 26. Esmée zuchtte: Waarom zijn bijna alle slechte dingen van de wereld ontstaan door jaloezie? Ach, dit boek is nutteloos. Er staat hier niets in over wat weerwolven juist zijn. Ze wandelde langs de paspoppen, die ze gebruikte om haar spreuken op te oefenen en snuffelde weer in één van de boekenkasten totdat ze het gepaste boek vond.
  • 27. Dat boek stond in de categorie ‘Ziektes en kwaaltjes’. Esmée had al de boeken gecategoriseerd om het overzichtelijker te maken. Al die boeken waren ooit geschreven door één van haar heksenvoorouders. Ze werden altijd van generatie op generatie doorgegeven. Natuurlijk waren er nog vele anderen boeken geschreven door heksen, maar omdat die niet tot de heksenlijn van Esmée behoorden, had ze die ook niet ter beschikking. Esmée veegde het stof van het boek en zo werd de titel ‘Bovennatuurlijke Ziektes’ zichtbaar.
  • 28. Dat is het goede boek. Dat boek legde ze op haar bureau en begon met het lezen van het hoofdstuk Lycantropie. Lycantropie, ook wel bekend als weerwolfziekte, is één van weinige ongeneeslijke bovennatuurlijke ziektes. Wolven zijn automatisch drager van Lycantropie, maar zij hebben geen problemen met deze ziekte. Voor mensen en dieren is Lycantropie helemaal anders. Wolven kunnen de ziekte aan mensen en dieren overdragen door hen te bijten. Dieren zullen direct sterven of heel erg verzwakt zijn. Als een mens een beet krijgt, heeft het geen effect op hem.
  • 29. Tenzij de mens tijdens volle maan wordt gebeten. Hij zal gedurende een week erg moe zijn. Daarna vertoont hij de eerste symptomen. Zweterig zijn, de drang hebben om te bijten en ’s nachts zal het haar sneller groeien. Na nog een week verdwijnen die symptomen en dan wordt de mens elke nacht een weerwolf (om meer over weerwolven te weten, lees dan: Nachtelijke Monsters). Blij en teleurgesteld legde Esmée het boek terug weg. Ze wist nu wel wat meer over weerwolven, maar helaas was hun ziekte ongeneeslijk. De enige oplossing was hen vermoorden.
  • 30. Irene snuffelde tussen de spullen van de burgemeester. Ze wist dat het niet mocht, maar wat hij had gedaan was nog veel erger. Ze trok de ene lade na de andere open om antwoorden te vinden. Helaas gaven ze niets prijs.
  • 31. Plots schoot er haar iets te binnen, De antwoorden zouden ook in het stadsarchief kunnen liggen. Het was daar de ideale plaats om iets te verstoppen, want niemand zou het ooit in zijn hoofd halen om het hele archief overhoop te halen.
  • 32. Net op het moment dat Irene de deur wilde open doen, botste ze op iemand anders. ‚Mevrouw Jansen? Wat hebt u hier te zoeken?‛ Irenes charismatische vaardigheden leken haar even te ontglippen en ze wist niet meer wat ze moest zeggen. ‚Komt u maar mee naar het bureau. Daar zult u alles kunnen uitleggen.‛
  • 33. Met een opgeluchte zucht plofte Stella neer in Katriens zetel. Ze wist niet dat het zo moeilijk was om een dronken vrouw stil te krijgen. Nu lag Katrien rustig en stil – als je het gesnurk achterwege liet – in haar bed. Hoewel het nog niet zo heel laat was, had Stella geen fut meer om nog naar huis te rijden. Stella tastte naar haar GSM in haar broekzak en stuurde Maarten een sms’je dat ze bij Katrien bleef slapen.
  • 34. Nadat ze een berichtje had teruggekregen van Maarten, sloot ze haar ogen en probeerde te slapen. Dat was behoorlijk moeilijk met Katrien die ongelooflijk hard snurkte. Het leek alsof ze het hele Amazonewoud aan het omzagen was.
  • 35. Dus staarde Stella maar naar Katrien om in slaap te vallen. Als ze aan haar gesnurk gewoon zou worden, zou ze misschien in slaap kunnen vallen. Stella vroeg zich trouwens ook af wat er zich allemaal in het hoofd van de dronken, snurkende Katrien afspeelde.
  • 36. Terwijl Katrien op een afgesleten zetel haar dagelijkse sigaret lag te roken, kwam Xavier binnen met een biertje in zijn hand. ‚Mijn ouders zijn eindelijk weg‛, zei hij, ‚We hebben heel het huis voor ons alleen.‛ ‚Eindelijk‛, zuchtte Katrien zonder enige intonatie in haar stem.
  • 37. ‚Ik word echt ziek van dat geheim gedoe, Xavier. Kunnen we niet gewoon aan iedereen vertellen dat we een koppel zijn?‛ ‚Ik ook Katrien, maar ik wil geen ruzie met mijn ouders. Niet weer. Ze weten dat je rookt en ze zullen je een slechte invloed vinden.‛ Katrien rolde met haar ogen, zuchtte geïrriteerd en nam een trekje van haar sigaret. ‚Ik ben hier nu toch ook?‛ ‚Ja, maar ik heb ze wijs gemaakt dat ik met jou verplicht voor een schoolopdracht moest werken.‛
  • 38. Xavier stond op en Katrien deed hetzelfde. Hij keek haar recht in de ogen. ‚Geef mij ook eens een sigaret. Ik word hier echt bloednerveus van.‛ Katrien nam een sigaret uit haar pakje en gaf het met een aansteker aan Xavier. Hij nam een trekje en blies met een opgeluchte zucht de rook tussen zijn lippen weg. ‚Zie je, het is voor ons allebei goed. Als we het iedereen vertellen dan hoeven we dit niet meer in het geheim te doen en dan bij jij niet meer bloednerveus.‛ ‚Oké, maar mijn ouders gaan hier echt niet blij mee zijn, zoals ik al gezegd heb.‛
  • 39. ‚Waarom zouden je ouders je verbieden om gelukkig te zijn? ‘Nevermind’, het is tijd voor wat ontspanning.‛ Katrien pakte Xaviers sigaret af en doofde die samen met de hare in de assenbak die op de kast stond. Daarna nam ze de afstandsbediening van de stereo en zette die aan.
  • 40. Net op dat moment speelde er een rustig liefdesliedje op de radio. Xavier en Katrien glimlachten schaapachtig naar elkaar. ‚Mag ik deze dans van u, jongedame?‛ vroeg Xavier met een overdreven bekakt accent. ‚Heel graag, jongeheer!‛ giechelde Katrien. Heel zachtjes wiegden ze de kamer rond en hadden ze alleen maar oog voor elkaar. Alles wat rond hen stond in de blauwe kamer kon hen niets meer schelen.
  • 41. ‚Dit is net een film‛, giechelde ze. ‚Oh ja? Een goede film is niet compleet zonder de ideale filmkus.‛ Xavier trok speels zijn wenkbrauwen op en glimlachte belachelijk. Hij boog zich voorover en Katrien helde naar achter steunend op zijn armen. Ze sloten hun ogen en brachten hun lippen steeds dichter naar elkaar toe.
  • 42. Het liedje liep op zijn einde en Xavier plofte weer in de zetel. Katrien ging op zijn schoot zitten en legde haar armen rond zijn nek. Zij staarde met haar helderblauwe ogen in zijn kastanjebruine kijkers. Ze hadden geen woorden nodig om te zeggen dat ze van elkaar hielden. Eén blik was al voldoende.
  • 43. De agente kwam de verhoorkamer binnen en zette zich voor Irene. Ze gooide enkele papieren op tafel. ‚Mevrouw, Jansen,‛ zei ze met geforceerde glimlach, ‚laten we meteen beginnen.‛ Irene antwoordde niet en bleef koelbloedig voor zich uit staren. ‚Wat deed u in het gemeentehuis? Waarom hebt u ingebroken?‛
  • 44. Dan begon Irene toch wat onzeker te worden of dat liet ze toch zo uitschijnen. ‚Ik heb niets gestolen‛, zei ze. ‚U heeft dan misschien niets gestolen, maar u heeft wel ingebroken. Irene lachte. ‚Eigenlijk heb ik helemaal niet ingebroken. Ik ben gewoon blijven hangen na sluitingstijd.
  • 45. De agente voelde zich geïrriteerd en kruiste haar armen en haar benen. ‚Het kan mij niet schelen wat uw definitie voor inbreken is! Ik wil weten wat u daar deed, mevrouw Jansen!‛ Irene verroerde geen krimp en hield haar lippen op elkaar. ‚Luister, ik heb weinig geduld vanavond! Hoe sneller dit incident van de baan is des te beter voor ons!‛
  • 46. Ondertussen was de commissaris in zijn kantoor aan het bellen met de burgemeester. ‚Meneer de burgemeester? Er is ingebroken in het gemeentehuis.‛ ‚Wat? Ingebroken? Jullie hebben de dader toch gevat?‛ ‚Ja, ze is opgepakt. U raadt nooit wie het was.‛
  • 47. ‚Het was niemand minder dan mevrouw Jansen.‛ ‚Wat had zij daar te zoeken? Ach, maakt niet uit. Zorg ervoor dat ze vrijkomt. ‚Dat kan ik toch niet maken? Dat is niet rechtvaardig!‛ ‚U weet toch wat we afgesproken hebben? We moeten Irene aan onze kant houden opdat ze niets vertelt over de weerwolven. Het maakt mij niet uit wat u doet, maar onthoud dat ik altijd iemand anders als commissaris kan aanstellen.‛
  • 48. Commissaris Debock had geen andere keuze en ging de verhoorkamer binnen. ‚Inspecteur Vervoort, zou ik u even kunnen spreken?‛ ‚U ziet toch dat ik bezig ben met een verhoor, commissaris!‛ ‚Ik wil u spreken in verband met het verhoor‛, zei hij streng.
  • 49. ‚Wat is er?‛ vroeg inspecteur Vervoort nadat ze de verhoorkamer waren buiten gegaan. ‚Mevrouw Jansen mag gaan.‛ Vervoort trok een verontwaardigde blik. ‚Op basis waarvan?‛ vroeg ze boos. ‚Heeft ze iets gestolen?‛ ‚Nee, maar ze heeft wel ingebroken!‛
  • 50. ‚Kunnen we ons niet beter concentreren op belangrijkere zaken? Er loopt hier een moordenaar rond en wij houden ons bezig met een inbraak waar niets gestolen is.‛ De inspecteur was op haar tenen getrapt en ging boos aan één van de computers zitten. ‚Vertel haar dan maar het ‘heuglijke’ nieuws!‛ zei ze furieus.
  • 51. Debock wandelde de verhoorkamer weer binnen. Irene keek vewachtingsvol op. ‚U mag naar huis, mevrouw Jansen.‛ ‚Meent u dat?‛ ‚Vergeet niet dat dit een waarschuwing is. Als we u nog een keer betrappen dan zal dit wel een staartje krijgen.‛
  • 52. Irene sprong blij recht en omhelsde de commissaris. ‚Bedankt, commissaris!‛ Daarna liet ze hem los en verliet de verhoorkamer. Louis wist niet dat het zo makkelijk was om Irene voor zich te winnen. De burgemeester zou heel tevreden zijn.
  • 53. Voor de laatste keer legde Isaura haar haar goed en streek ze de plooien van haar kleed glad. Vanavond had ze een afspraak met de professor. Ze wist dat het haar deugd ging doen, omdat de stress en de problemen van de laatste maanden haar bijna te veel werden.
  • 54. Ze draaide zich om en keek naar de foto die op de kast stond. Een foto van haar en haar ex-man Hugo, toen alles nog goed ging. Isaura heeft altijd van Hugo gehouden. Hij was diegene die haar nam zoals ze was en haar begreep. De roddels, die verkondigden dat Hugo vreemd gegaan zou zijn met een veel mooiere vrouw, klopten totaal niet.
  • 55. Hugo legde zijn arm om de nek van Isaura en keek haar met verliefde ogen aan, terwijl ze op de bank zaten. ‚Ons dagje in de stad was erg leuk‛, zei hij, ‚Dat moeten we nog eens overdoen.‛ ‚Ja en ik ben trouwens benieuwd naar onze foto. Die zou heel mooi staan op de kast in onze slaapkamer.‛ Ze glimlachten allebei en keken naar hun dochter die op de schommel zat. ‚Oh ja, ik moet nog iets vertellen, Hugo.‛ Maar net op dat moment vroeg Bieke aan haar vader of hij haar wilde duwen op de schommel.
  • 56. ‚Ik vertel het straks wel‛, zei Isaura. Hugo wandelde naar zijn dochter en begon haar te duwen op de schommel. Isaura bleef zitten en glimlachtte. Hugo en Bieke waren twee handen op één buik. Ze beleefden altijd veel plezier en deden de zotste dingen. Natuurlijk hield Bieke ook van haar moeder, maar ze kwam meestal naar haar als ze met problemen zat of verdrietig was en een knuffel nodig had.
  • 57. De achterdeur die naar de keuken ging, werd geopend. Marcel kwam naar buiten en bedekte met zijn hand zijn ogen tegen het felle zonlicht. ‚De pannenkoeken zijn klaar!‛ riep hij. De schommel was nauwelijks gestopt en Bieke sprong eraf en rende naar haar opa. Hugo grinnikte.
  • 58. Wanneer Bieke binnen was, ging Isaura naar haar man en ze nam zijn handen vast. ‚Wat moet je nu vertellen?‛ vroeg hij. ‚Ik weet dat het nog vroeg is, maar ik kan niet meer wachten om het te vertellen.‛ Isaura kon een glimlach niet bedwingen. ‚Ik ben zwanger, Hugo! We worden weer ouders!‛
  • 59. Hugo’s ogen glinsterden en hij kuste Isaura. ‚Dat is super! Ik wilde echt al lang nog een kindje!‛ ‚Zeg nog wel niets tegen mama, papa en Bieke, want het is nog vroeg.‛ ‚Tuurlijk, maar we moeten nu wel naar binnen anders vragen ze zich af waar we blijven.‛
  • 60. Dat was één van de laatste leuke momenten die Isaura met Hugo had. Enkele weken later kreeg ze een miskraam en Hugo zat daardoor erg in de put. Hij begon afstand te nemen van zijn gezin en enkele maanden later waren de scheidingspapieren getekend. Ze hield nog steeds van haar ex, maar hij hield niet meer van haar.
  • 61. Isaura had de deur niet horen opengaan omdat ze in gedachten verzonken was. Daarom schrok ze ook toen haar dochter Bieke voor haar neus stond. ‚Mag ik buiten spelen?‛ vroeg Bieke met smekende ogen aan haar moeder. ‚Nee, het is donker buiten en je had trouwens al lang in je bed moeten liggen!‛ zei Isaura streng. ‚Maar… het is vakantie‛, vertelde Bieke, ‚Iedereen mag nu langer opblijven.‛
  • 62. ‚Het is nu trouwens veel te gevaarlijk voor kleine meisjes zoals jij.‛ ‚Ik ben al wel 9, hé!‛ riep Bieke, ‚Jij gaat vanavond toch ook naar buiten?‛ ‚Ja, maar ik ga niet alleen én ik ben veel ouder dan jou‛, legde Isaura uit, ‚En nu naar bed!‛ ‚Maar ik ben nog niet moe!‛ zeurde Bieke. ‚Lees dan een boek op je bed‛, zuchtte Isaura.
  • 63. Isaura schudde haar hoofd. Wat moet er van Bieke worden wanneer ze tiener is?
  • 64. Beneden ging de deurbel. ‚Ik zal wel opendoen!‛ riep Esmée. Wanneer ze de deur open deed zag ze dat het de professor was die aanbelde. ‚U bent er al?‛ vroeg Esmée, ‚Ik weet niet of Isaura al klaar is.‛ ‚Maakt niet uit, Esmée, ik heb tijd genoeg.‛
  • 65. ‚Isaura, meneer Haningen is er!‛ riep Esmée. ‚Ik kom, mama, ik ben bijna klaar!‛ klonk er van boven. De professor grinnikte. ‚Hoe vaak moet ik het je nog vertellen dat je ook Bert mag zeggen?‛ ‚Ach, dat is een oude gewoonte.‛
  • 66. ‚Ik ben echt blij dat je met mijn dochter uitgaat… Bert. Na al die miserie van de laatste maanden heeft ze dat echt nodig. U bent trouwens ook een goede partij voor haar.‛ ‚Oh, het is niet mijn bedoeling om Isaura aan de haak te slaan. Het is gewoon iets tussen vrienden.‛ Esmée geloofde er echter niet veel van, maar ging er niet tegenin. Haar blik was gericht op iets anders.
  • 67. Esmée begon lijkbleek te zien en zette en stap naar achter. ‚Wat is er, Esmée?‛ vroeg Bert onrustig. ‚A… a… ach…‛ Haar adem stokte waardoor ze amper iets gezegd kreeg. Daarom wees ze over Berts schouder.
  • 68. Toen ging alles heel snel. Bert draaide zich om en drie weerwolven stonden voor hun neus. Eentje van hen sprong op hun twee af. Esmée krijste overstaanbare woorden en er klonk een harde knal, maar de wolf had de twee slachtoffers al in zijn macht.
  • 69. Het bloed stroomde op de houtenvloer van de hal en Bert en Esmée bleven roerloos liggen in het deurgat. De wolven waren erg geschrokken door de knal en renden weg. Alleen de aanvaller bleef versteend zitten en keek recht voor zich uit.
  • 70. Marcel vroeg zich af waar al dat lawaai vandaan kwam en kwam de hal binnen. Zijn ogen werden erg groot toen hij zijn vrouw en zijn dochters afspraakje op de grond zag liggen. ‚Esmée!‛ riep hij bezorgd.
  • 71. Het lawaai was ook niet aan Isaura ontgaan en ze rende onmiddellijk haar kamer uit en spurtte de trap af. ‚Mijn god‛, zei ze toen ze de twee lichamen zag liggen, ‚Wat is er gebeurd?‛ Marcel kon echter geen woord uitbrengen.
  • 72. Plots voelde Isaura zich duizelig worden en hoorde ze een oorverdovend gepiep. ‚Hoor jij dat ook?‛ vroeg ze aan haar vader. ‚Wat moet ik horen?‛ ‚Dat gepiep!‛ Hij leek helemaal niet te begrijpen waar zijn dochter het over had. Heel de omgeving rond Isaura begon te tuimelen en ze hoorde alleen maar dat gepiep en geestachtige stemmen.
  • 73. Alles werd zwart voor haar ogen en ze viel op de grond. Marcel bleef verward alleen achter… __________