Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 3: Dorpsraad
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 3: Dorpsraad

on

  • 154 views

 

Statistics

Views

Total Views
154
Views on SlideShare
120
Embed Views
34

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

2 Embeds 34

http://www.weebly.com 17
http://brentswriteandartplace.weebly.com 17

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 3: Dorpsraad Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 3: Dorpsraad Presentation Transcript

  • { Hoofdstuk 3. De dorpsraad
  • De vorige keer… Katrien vond het tweede slachtoffer en de politie ontdekte dat ze dezelfde soort verwondingen had als de graaf. De Gravin werd niet meer verdacht van moord op haar man en werd vrijgelaten. Dat trok de aandacht van de pers, maar de Gravin kon hen afschepen. Katrien en Pieter werden door de burgemeester betrapt, wanneer hij aan Pieter wilde melden dat hij afspraak met Irene Jansen had. Zij wist te vertellen dat het weerwolven en niet mensen waren die de moorden pleegden. Terwijl Isaura werd uitgenodigd voor een diner met de professor, deed Maarten een aanzoek bij Stella. Katrien heeft echter minder geluk wanneer Pieter het uitmaakt tijdens het ‘romantisch’ diner. Irene bewees de commissaris, de burgemeester en inspecteur Kaals dat de weerwolven wel bestonden. Dit loopt echter fout af wanneer ze met de auto vluchtten voor de wolven. Irene verliest de controle een botst tegen een boom…
  • Alles was wazig. Het felle licht scheen in haar ogen en de kamer was helemaal wit. Ze wilde rechtop zitten, maar de enorme pijn weerhield haar daarvan. “… rene? Irene?” hoorde ze. Irene keek in het rond en ze zag een wazige gestalte naast haar liggen. Ze antwoordde niet, in plaats daarvan kreunde ze. “Misschien moet ik haar helpen”, zei een andere stem. Irene hoorde iemand naar haar toe stappen en ze voelde dat die persoon iets op haar neus zette. Plots kon ze weer zien.
  • “Dat is al beter”, zei Irene en ze voelde aan haar rond brilletje. De eerste die ze zag, was een vriendelijke, bruinharige verpleegster. Ze hielp Irene rechtop te gaan zitten. Irene bedankte haar. “De dokter komt zo. Als je iets nodig hebt, bel me dan.”
  • Toen de verpleegster de kamer uitging, zag Irene pas dat inspecteur Kaals naast haar lag. “Hoe voel je je?” vroeg ze. “Buiten het feit dat ik overal pijn heb, gaat het best goed”, vertelde Irene. “Hetzelfde bij mij.” “Weet je hoe het met de anderen gaat?” Anja Kaals schudde haar hoofd. “De verpleegster wist het zelf niet. Misschien moeten we het aan de dokter vragen.”
  • Net op dat moment kwam er een roodharige man met een lange witte jas binnen. “Dokter Dieter Kloosters”, stelde hij zichzelf voor. De twee dames keken nieuwsgierig op. “Jullie hebben heel veel geluk gehad”, zei dokter Kloosters, “Jullie hebben er nauwelijks iets aan overgehouden.”
  • “Dat is toch goed?” vroeg Anja. “Er is toch iets vreemd aan de hand. De auto was in zéér slechte staat, jullie zouden het amper overleefd hebben. Het is een mysterie hoe jullie er uit zijn geraakt.” “Heeft er dan iemand ons gered, want ik kan me niet inbeelden dat we ons zelf gered hebben?” vroeg Irene. “Er heeft iemand ons gebeld, maar ze was niet meer te zien toen we aankwamen”, vertelde de dokter, “Ach, het wordt nog onderzocht.”
  • Dokter Kloosters wilde er net vandoor gaan, toen er iets in Anja’s gedachte opkwam. “Oh, dokter! Hoe is het met de commissaris en de burgemeester?” “Het gaat goed met hen”, zei hij glimlachend. “Zouden we hen mogen zien?” vroeg Anja. “Natuurlijk, ik zal twee verpleegsters sturen om jullie te begeleiden.”
  • Even later waren Irene en Anja met de commissaris en de burgemeester aan het praten over de gebeurtenissen van de vorige avond. “Als niemand van ons weet hoe we er uit zijn geraakt dan moet er iemand ons wel gered hebben?” vroeg de burgemeester. “De enige vraag is: Wie?” zei de commissaris.
  • “Ik kan me wel iets vaag herinneren”, zei Irene. “Wat dan?” vroeg de commissaris “Een schim… Een zwarte schim in het vuur. Misschien was dat onze redder, maar het kon ook een weerwolf zijn.”
  • “We mogen vandaag toch al naar huis, dus dan kunnen we het meteen uitzoeken”, zei Anja. “Ik zou het nog wel rustig aan doen”, zei één van de twee verpleegsters die binnenkwamen streng. “Jullie hebben wel genoeg gebabbeld”, zei de andere verpleegster, “We nemen de dames terug naar hun kamer.”
  • Stella was net wakker en rekte zich uit. Ze voelde de gespierde armen van Maarten om zich heen. “Lekker geslapen?” vroeg hij. “Zalig! Het was gisteren echt een geweldige dag.” “Ik ben blij dat we samen nog iets gedaan hebben”, zei Maarten, “Het was echt al lang geleden.”
  • Stella draaide zich om en streelde het hand van Maarten. “Ik ben de gelukkigste vrouw ter wereld. Ik ga trouwen met de knapste man van het land. Oh, ons huwelijk wordt een sprookje en dan gaan we op huwelijksreis naar een subtropisch eiland en…” “Hé, Stella, rustig aan!” lachte Maarten. “Ik was weer aan het wegdromen, hé?” giechelde Stella, “Hoe laat is het, trouwens?”
  • “Tien voor negen.” “Tien voor negen?” Stella sprong uit het bed. “Ik moet al lang onderweg zijn naar Katrien!” Stella griste snel een aantal kledingstukken bij elkaar, die de vorige nacht op de grond beland waren en rende naar de badkamer. Maarten grinnikte alleen maar.
  • Stella kwam als een wervelwind aan in Katriens winkeltje. Katrien gooide haar sigaret vlug in de prullenmand onder de toonbank. “Je bent een kwartier te laat!” snauwde Katrien. “Sorry”, zei Stella alleen maar. Ze vroeg zich af waarom Katrien zo kwaad was.
  • Normaal was Katrien nooit boos als ze te laat kwam en ze kwam zelden te laat. Stella was echter wel slim genoeg om te merken dat er iets aan de hand was met Katrien. “Je hebt gerookt”, merkte Stella. “Hoe kom je daar nou bij?” “Ten eerste stink je uit je bek en ten tweede zie ik een sigaret smeulen in de prullenmand.” “Maakt dat uit? Ga aan het werk!”
  • Net op dat moment kwam er een rosharige man binnen. “Hé, Stella, hebben jullie hier nog boeketten liggen?” vroeg hij. “Nee, het spijt me. We verkopen ze hier niet zo vaak en er komt maandag pas een nieuwe levering.” “Spijtig, de bloemenwinkel is ook al dicht.” “Heb je soms iets goed te maken met je vrouw?” grapte Stella.
  • “Was het dat maar. Anja heeft een auto-ongeluk gehad.” “Dat meen je niet!” De man knikte. “Ze was samen met de commissaris, de burgemeester en een vertegenwoordigster onderweg met de auto. Ze zijn tegen een boom gebotst.” Stella beet op haar lip.
  • “Hoe is het nu met hen?” vroeg ze. “Ze hebben geluk gehad en mogen vandaag al naar huis. Ik ga Anja halen en ik wilde iets voor haar meenemen. Ach, ik vind nog wel iets. Dag, Stella.” “Dag, Michiel! Wens haar nog veel beterschap van mij!” “Zal ik doen!” riep hij na. Toen de deur dicht was, ging Stella naar Katrien.
  • “Wat is er?” vroeg ze. “Niets”, zei Katrien bot. “Katrien, ik weet dat er iets is. De laatste keer dat je rookte, was er ook iets aan de hand. Ik ken je al lang genoeg. Je maakt me niets meer wijs.” “Het is uit met Pieter! Tevreden?” Stella geloofde eerst niet wat ze hoorde. “Het is uit? Jullie gingen gisterenavond toch uit eten?”
  • “Ja, maar die idioot besloot om de avond te verpesten en het uit te maken!” “Waarom dan?” “Maakt het iets uit? Het is gedaan!” Dan viel Katriens blik op Stella’s hand. “Is dat een ring?” “Ja…” Stella verstopte haar hand vlug achter haar rug. Het was niet het gepaste moment om over haar verloving te praten nu Katrien een gebroken hart had.
  • Katrien leek echter op een antwoord te wachten. “Ik ben verloofd…” Katriens humeur veranderde helemaal en er verscheen een glimlach op haar gezicht. “Dat is geweldig!” riep ze uit en ze omhelsde haar vriendin, “Wanneer gaan jullie trouwen?” “Katrien, ik ben nauwelijks een dag verloofd!” lachte Stella. Katrien kon het niet laten om Stella’s hand te nemen en de ring te bewonderen.
  • “Moet ik eens met Pieter gaan praten?” vroeg Stella. Katrien werd weer sip. “Dat hoeft helemaal niet, Stella. Het is gedaan en daarmee uit!”
  • “Kom binnen”, zei de burgemeester en hij liet Irene en commissaris Debock binnen in zijn kantoor. “We moet ze het vertellen”, zei Irene. De burgemeester was nauwelijks gaan zitten. “Wat moeten we ze vertellen?” vroeg hij. “Over de weerwolven.” “Ben je gek geworden?” riepen de burgemeester en de commissaris in koor.
  • Irene rolde met haar ogen en schudde haar hoofd. “De mensen beginnen vragen te stellen”, vertelde Irene, “Waarom rijden twee politieagenten, de burgemeester en een vertegenwoordigster ’s avonds laat door het bos? Als we de bewoners over de weerwolven vertellen dan kennen ze hun vijand.”
  • De burgemeester schudde resoluut zijn hoofd. “We vertellen het niet, Irene!” zei hij, “Ik wil niet dat er paniek uitbreekt!” “Er gaat juist paniek uitbreken als we ze het niet vertellen!” Irenes stem werd luider en ze balde haar vuisten.
  • “Vroeg of laat komt er een slimme kop achter dat die wonden niet door een mens gemaakt zijn. Mensen zullen niet weten wie er op hen jaagt en dan breekt er pas paniek uit.” “Ik blijf bij mijn standpunt, mevrouw Jansen”, zei de burgemeester streng, “Als u niet naar mij luistert dan kunt u uw jachtverbod vergeten.”
  • “Deze keer hebt u misschien gewonnen, burgemeester, maar mijn standpunt is echt wel de beste oplossing!” Geïrriteerd verliet Irene het kantoor van de burgemeester.
  • “Zij gaat nog voor problemen zorgen”, zuchtte de commissaris. “We moeten ervoor zorgen dat Irene bij onze kant blijft. “Tja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Irene heeft bewijzen. Als ze wilt kan ze die aan iedereen laten zien die er in geïnteresseerd is.” “Dan breekt er paniek uit en gaat het volk een zwart schaap zoeken. Eerst was dat de Gravin, maar nu ze er tijdelijk tussenuit geknepen is…”
  • “Dus wat is je plan?” “Voor zover ik weet, is Irene een alleenstaande vrouw. Ze apprecieert hoogstwaarschijnlijk wat aandacht van een man.” “Je bedoelt dat ik met haar…” “Het maakt niet uit wat je met haar doet, Louis. Zolang ze haar mond houdt.”
  • Naast het kantoor van de burgemeester was er een heel ander gesprek aan de gang. “Stella, wat kan ik voor je doen?” vroeg Pieter. Hij sloot de deur en gebaarde dat Stella mocht gaan zitten.
  • “Ik en Maarten gaan binnenkort trouwen en we zouden graag de trouw- en feestzaal willen huren.” Stella moest natuurlijk met een reden naar Pieter gaan voordat ze met hem over Katrien zou praten. “Hiervoor moet u niet bij mij zijn. Dat moet u vragen aan de verantwoordelijke voor de feestzaal.” Pieter nam een klein papiertje en schreef de naam van de verantwoordelijke op. Dat gaf hij aan Stella.
  • “Nu ik hier toch ben”, begon Stella, “Hoe zit het nou tussen jou en Katrien?” Pieter zuchtte. “Ik moet je vast niet vertellen wat er gisterenavond allemaal gebeurd is?” vroeg Pieter. “Ik weet wat er gebeurd is, maar waarom?” “Ik en Katrien zagen elkaar amper en we hadden het beiden druk met onze job. Het vuur was gewoon… weg.”
  • Stella knikte en zei: “Je hebt haar toch niet te hard aangepakt?” “Natuurlijk niet, maar je weet hoe Katrien is. Misschien had ik het wel op een andere moment moeten doen.” “Jullie waren echt een geweldig stel”, gaf Stella toe, “Jullie vulden elkaar aan. Terwijl jij Katrien in toom hield, zorgde zij ervoor dat je meer de deur uitkwam.” “Helaas is dat nu gedaan.”
  • Pieter wilde niet meer praten en deed alsof hij aan een belangrijk dossier verder werkte. Stella merkte dat ze hier niets meer kon doen en vertrok.
  • Hoewel het nog licht was, begon de avond stilletjes te vallen. Irene was in gedachte verzonken toen ze op weg was naar het gemeentehuis voor de dorpsraad. Ze voelde een pijnscheut in haar been en ze dacht weer aan het ongeval.
  • “Iemand moet ons gered hebben”, dacht Irene. Plots stond Irene stil. Ze herinnerde zich iets.
  • De schim die ze in het vuur zag. Die schim leek meer menselijke vormen te hebben dan een weerwolf. De gedaante gebruikte water, waarvan Irene niet wist vanwaar het kwam, en bluste het vuur. Dan klonk er luidde knal. De deuren vielen uit de auto en de gedaante trok de vier lichamen er uit.
  • Irene dacht weer na. “Waarom wilt onze redder zich niet bekend maken? Helemaal alleen een vuur blussen en vier mensen redden is echt wel een heroïsche daad.”
  • Irene was ondertussen bij het gemeentehuis gekomen en ging naar binnen. Toen ze op de bovenste verdieping kwam, zag ze dat er al heel wat bewoners aanwezig waren voor de dorpsraad. Haar blik viel op een oudere vrouw in het gezelschap en ze wandelde er naar toe.
  • “Hallo, ik ben Irene Jansen”, stelde Irene zichzelf voor. “Ik ben Esmée de Boeck”, zei de oudere vrouw. “Ik ken jou van ergens”, zei Irene. “Misschien hebben we elkaar al ergens gezien op straat?” zei Esmée schouderophalend. Irene schudde haar hoofd.
  • “Nee dat kan het niet zijn. Het lijkt alsof ik je nog maar pas heb gezien.” Esmée voelde zich een beetje ongemakkelijk. “Ik weet niet waar u het over hebt.” Ze was opgelucht toen ze Stella zag binnenkomen en stapte op haar af.
  • “Waarom kom je niet?” vroeg Stella door haar gsm. “Ik voel me echt niet lekker, Stella”, klonk het aan de andere kant van de lijn. “Goed blijf dan maar thuis”, zuchtte Stella, “Tot vanavond, Maarten.”
  • “Problemen?” vroeg Esméé. “Nee, niet echt. Maarten voelt zich niet lekker dus hij komt niet. Jij ziet er ook niet echt goed uit. Is er iets?” “Gewoon wat huiselijke probleempjes. Je kent dat wel.”
  • Stella fronste haar wenkbrauwen. Esmée was niet in haar normale doen, vond ze. De deuren van de vergaderzaal gingen open en Esmée ging direct naar binnen. Stella besteedde er geen aandacht meer aan en ging ook naar binnen.
  • De winkeltjes op het dorpsplein sloten hun deuren en de laatste klanten gingen weg. Alleen de bar op het plein bleef nog even open en daar maakte Katrien meteen gebruik van. “Een cocktail, alsjeblief” zei Katrien tegen de barman.
  • Naast haar kwam er een zwartharige man zitten. “Xavier?” vroeg Katrien verwonderd. Xavier was een oude klasgenoot en het ex-liefje van Katrien. “Het is echt lang geleden dat we elkaar nog gezien hebben, niet?” “Inderdaad, hoe is het nu met je?” “Prima, de winkel draait goed, dus ik mag best tevreden zijn.” Katrien vertelde bewust niets over haar situatie met Pieter. Dat was het laatste waar ze het vandaag over wilde hebben.
  • “En met Pieter?” Natuurlijk dacht Xavier dat Katrien en Pieter nog een stel waren. “Het is uit en ik kom mijn verdriet verdrinken.” Xavier wist dat hij niet verder moest doorvragen. Hij kende Katrien. Ze was geen aangenaam gezelschap als ze over haar problemen begon te praten. Xavier volgde Katriens voorbeeld en nam iets te drinken.
  • “Goed,” begon de burgemeester, “dan zou ik graag met het volgende onderwerp beginnen. De moorden.” Er klonk wat geroezemoes.
  • “Fijn dat u er over begint, meneer de burgemeester,” zei een vrouw bot, “want tot op de dag van vandaag is er nog niets gebeurd. Er is een tweede slachtoffer gevallen en mensen worden onterecht beschuldigd, maar er is geen enkel spoor en geen enkele verdachte. Iedereen is erg ongerust! Ik en vele anderen verwachten dat u, als burgemeester, achter de veren van de politie zit!”
  • “Maar dat heeft u nog niet gedaan”, zei een man, “Ik mag er niet aan denken dat er iets met mijn dochter, Bieke, gebeurd.” Het was Hugo Berends, de ex-man van Isaura en dus ook de ex-schoonzoon van Esmée. “Het is zomer en mijn dochter speelt graag buiten. Ik houd steeds mijn hart vast als ze buiten speelt, omdat die moordenaar nog steeds rondloopt.”
  • “Hij heeft wel gelijk”, zei Stella, “Ik ben nu bang als ik naar mijn werk ga, tevens als ik er van terugkom. Een vriendin van mij heeft het tweede slachtoffer ontdekt en ik heb er een glimp van opgevangen. De moordenaar gaat heel brutaal te werk en dat maakt mij nog het meeste bang.”
  • Ook professor Haningen, die altijd de kerk in het midden probeert te houden, hield zich niet in. “Ze hebben allemaal gelijk, burgemeester. Vroeger zouden er direct enkele maatregelen genomen worden, maar toen was de Graaf er nog. Iedereen weet dat de Graaf de beslissingen nam en daar zette u enkel uw naam onder. Nu de Graaf dood is, lijkt alles in het honderd te lopen.”
  • “Luister, iedereen”, zei de burgemeester, “De Graaf was een goede vriend van mij en zijn dood doet me erg veel pijn.” Dat leverde enkele reacties vol ongenoegen op.
  • “De Gravin lijdt ook onder de dood van haar man”, zei een vrouw. “Net zoals de familieleden van mevrouw van Door, die onder haar lijden”, vulde een man aan, “U zou als burgemeester het voorbeeld moeten geven en zeggen dat iedereen verder moet gaan . Uw argument is belachelijk en als u zo verder blijft doen, dan kunt u de volgende verkiezingen wel vergeten!”
  • De burgemeester wist niet meer wat hij moest zeggen. Omdat het al begon te schemeren, besloot hij om de dorpsraad af te ronden. Vele bewoners gingen met triomfantelijke glimlachen naar buiten, omdat ze wisten dat de burgemeester zich niet kon verdedigen. De burgemeester was bang om zijn positie te verliezen en dan was het gedaan met zijn persoonlijke privileges.
  • “Bedankt dat je me naar huis wilde brengen, Stella”, zei Esmée. “Ach, dat is maar een kleine moeite. Tegenwoordig is het niet veilig meer op straat.”
  • Esmée gaf Stella een kus op haar wang en stapte uit. Voordat ze naar binnenging, waaide ze nog naar Stella. Wanneer de deur gesloten werd, drukte Stella haar gaspedaal in en vertrok.
  • Stella was in gedachten verzonken. Plots moest ze remmen, want er stond iemand in het midden van de weg. Verward stapte Stella uit en liep naar het zwalpende lichaam. Ze kon haar ogen niet geloven.
  • “Katrien?” Katriens lichaam stonk naar de drank en ze kon amper haar evenwicht houden. “Je bent dronken”, zei Stella. “I... Ik ben... ben n… niet…”
  • Katrien kon haar zin niet afmaken, want ze viel met haar gezicht op de grond. Stella vreesde even dat Katrien bewusteloos was,…
  • …maar dan begon ze te schaterlachen. “Ik ben toch zo’n kluns, hé! Tja, n… niemand moet mij hebben.” Katrien begon plots luidkeels Ik voel me zo verdomd alleen te zingen.
  • Stella wilde Katrien recht helpen, maar Katrien sloeg haar hand weg. “Zeg, blijf eens van mij af, stom wijf!” “Katrien, je hebt gedronken. Je moet naar huis.” “Ik moet niets!”
  • Stella’s gsm rinkelde. De naam van Maarten verscheen op het schermpje. “Ja, Maarten?” “Ik maak me een beetje zorgen. De dorpsraad is toch al lang afgelopen?” “Ik moest eerst Esmée naar huis brengen en nu ik heb Katrien gevonden. Dronken. Het is beter dat ik deze nacht bij haar blijf.”
  • “Oké, dat is goed. Ik red me wel.” Maartens stem klonk erg hees en hij leek te hijgen. “Weet je zeker?” vroeg Stella bezorgd, “Je klinkt niet erg gezond.” Dat laatste had Maarten niet meer gehoord, want hij had al ingehaakt.
  • Stella nam Katrien weer bij haar arm en na veel tegenwerking kon ze haar uiteindelijk in haar auto duwen. Stella stapte en startte de motor. “W… we gaan toch ni… ni… niet naar huis, hé?” vroeg Katrien die languit op de achterbank lag. “Nee, we gaan naar Plopsaland”, zei Stella sarcastisch.
  • Esmée sloot de voordeur achter zich en zuchtte. Ze had een enorme hekel aan de dorpsraad. Haar man, Marcel, had haar vaak aangeraden om te stoppen, maar dat wilde Esmée niet. Ze wilde graag weten wat die rijke stinkerds bekokstoofden en als het nodig was, kon ze tegen hun bizarre ideeën protesteren. Gelukkig had iedereen dezelfde soort ideeën tijdens deze raad. Iedereen was het erover eens dat de burgemeester de situatie niet aan kon en dat er dringend meer blauw op straat moest verschijnen.
  • Zo hoopten ze dat ze daardoor de dader of daders konden pakken, maar de waarheid zou anders zijn dan iedereen zou verwachten. Esmée wist het. Ze had het met haar eigen ogen gezien. Toch kon ze moeilijk zeggen: Enkele dorpsbewoners kunnen veranderen in wolven en zij zijn vast verantwoordelijk voor die moorden! Esmée wist van het bestaan van de weerwolven af, maar ze kon niet zeggen wat ze wist. Als de mensen dit te horen kregen dan zouden ze haar gek verklaren en daarmee moest ze misschien ook haar eigen identiteit verraden. Dus hield Esmée mooi haar mondje.
  • Esmée werd naar de woonkamer geleid door de geur van heerlijke gebakken aardappeltjes en boerenworst. “Aha, je bent net op tijd voor het eten”, zei Marcel, die met het voedsel uit de keuken kwam.
  • Esmée ging aan tafel zitten en zuchtte. Ze was erg moe. Marcel keek haar aan. “Je bent er nog steeds niet bovenop, hé?” vroeg hij, “Hoe vaak heb ik het je niet verteld? Je moet ermee stoppen, Esmée.” “Het is al van kindsaf mijn taak om dit te doen. Ik kan er niet mee stoppen.” “Dat kan je wel! Je weet toch dat het gevaarlijk was, dat wat je gisteren hebt gedaan? Ik verwonder mij dat er niemand je gezien heeft.
  • Esméé keek naar de grond. “Dat meen je niet, hé? Heeft er iemand je gezien?” “Niet echt, maar mevrouw Jansen herkende mij wel van ergens.” “Je hebt zelf jarenlang geijverd om ons familiegeheim te bewaren en nu zorg je er bijna zelf voor dat het ontdekt wordt!”
  • “Oma en opa mogen geen ruzie maken!” zei een piepstemmetje. Het was Bieke, die naast Esmée zat. “Dat doen we ook niet, meisje”, zei Esmée.
  • “Mam, wil je mijn haar doen? De professor komt bijna en ik weet niet wat ik er mee moet aanvangen.” “Tuurlijk, Isaura.”
  • Esméé stond op en met een verwijtende blik keek ze haar man aan. Ze volgde haar dochter de trap op.
  • Ondertussen sloten de burgemeester en zijn secretaris alles af in het gemeentehuis. Wanneer ze de ontvangsthal bereikten, merkten ze niet dat er iemand verstopt zat.
  • Van zodra de deuren van het gemeentehuis gesloten waren, rende er iemand de trap op. Die persoon wist precies waarheen ‘ie moest gaan. Naar het kantoor van de burgemeester… __________