Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 2: Restaurant 'Lupaluna'
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 2: Restaurant 'Lupaluna'

on

  • 215 views

 

Statistics

Views

Total Views
215
Views on SlideShare
176
Embed Views
39

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

2 Embeds 39

http://brentswriteandartplace.weebly.com 23
http://www.weebly.com 16

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Microsoft PowerPoint

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 2: Restaurant 'Lupaluna' Doden in het maanlicht - Hoofdstuk 2: Restaurant 'Lupaluna' Presentation Transcript

  • { Hoofdstuk 2. Restaurant ‘Lupaluna’
  • De vorige keer… Heel Maandorp was gechoqueerd door het plotse overlijden van de Graaf. De Gravin werd aangehouden wegens moord op haar man. In het dorp rouwde iedereen om de Graaf en iedereen leek ook te denken dat de Gravin de dader was, toen er nog een slachtoffer viel…
  • ’s Morgensvroeg jogde Katrien door de straten van het dorp. Dit deed ze drie keer per week om haar slanke lichaam fit te houden. Neuriënd, want ze luisterde ondertussen naar haar MP3, liep Katrien over het dorpsplein. Ze was bijna aan het einde van haar jogparcours en was opgelucht omdat ze haar huis zag.
  • Plots zag ze iets abnormaals in haar ogenhoeken. Ze stopte… Ze draaide zich om en krijste het uit. Zo’n bloederig tafereel had ze nog nooit gezien...
  • Verschillende politiewagens stonden verspreid over het dorpsplein. Enkele agenten probeerden de ramptoeristen en de nieuwsgierige burgers op afstand te houden. ‚… en toen kwam ik hier… en zag ik haar… liggen‛, verklaarde Katrien in shock aan een agent. ‚Bedankt, mevrouw‛, zei de agent vriendelijk, ‚U kunt naar huis gaan. Dat zal u goed doen.‛
  • Net op het moment dat Katrien naar huis wilde gaan, kwam Stella met haar fiets aangereden. Ze vroeg zich of waarom al die mensen daar stonden. Stella ging naar de menigte en daar zag ze Katrien lijkbleek op haar toestappen.
  • ‚Wat is er gebeurd?‛ vroeg Stella bezorgd. Katrien antwoordde niet, maar vloog Stella om haar hals en barstte in tranen uit. Stella hoefde al geen antwoord meer toen ze het bebloede lichaam van een vrouw zag. ‚Sst, rustig‛, probeerde Stella haar te kalmeren, ‚We zullen naar jouw huis gaan en daar kan je even bekomen van de shock.‛
  • ‚Wie hebben we hier?’ vroeg commissaris Debock die de crime scene betrad. ‚Liedewij van Door‛, zei Inspecteur Kaals, ‚Een vrouw van 42 jaar en directrice van de school. De wetsdokter kan ons iets meer vertellen.‛
  • ‚Wat weet je ons allemaal te vertellen, Thijssen?‛ vroeg de commissaris. ‚Ten eerste is ons slachtoffer wellicht tussen elf en één gisteravond overleden‛, antwoordde de wetsdokter, ‚Ik kan je zelfs nog iets héél interessants vertellen.‛ Debock en Kaals spitsten hun oren extra hard. ‚Ik ontdekte dat Liedewij dezelfde soort verwondingen heeft als de Graaf. Ook heb ik een haar gevonden dat ik eerst moet onderzoeken om mijn vermoeden te laten kloppen.‛ De commissaris zuchtte: ‚Ik hoop echt niet dat we met een seriemoordenaar zitten, want dan is het nog maar pas begonnen.‛
  • Katrien legde haar GSM neer. Ze bibberde nog steeds en had nog altijd een krop in haar keel. Zojuist had ze naar Pieter, haar lief, gebeld. Ze vertelde hem wat er die ochtend allemaal gebeurd was en hij zei dat ze naar hem mocht komen op het werk. Pieter werkte in het gemeentehuis en dat was helemaal niet ver van haar woning,
  • ‚Tot ziens, Esmée. Nog een prettige dag verder,‛ zei Stella die achter de kassa stond. Katrien kwam juist binnen en glimlachte. Ze vond Esmée een schattig oud dametje en het was een vaste klant. Elke dag kwam ze naar het winkeltje van Katrien. Niet altijd om iets te kopen, maar om gewoon te praten met Stella en Katrien. Katrien begreep niet waarom veel mensen een hekel aan haar hadden. Gewoon omdat ze nogal vreemde gedachten had?
  • ‚Je hebt genoeg gewerkt voor vandaag, Stella‛, zei Katrien, ‚Geniet maar van een vrije zomernamiddag.‛ ‚Weet je zeker dat je het alleen aankan?‛ vroeg Stella bezorgd. ‚Ik sluit de winkel deze middag. Ik ga langs Pieter in het gemeentehuis en daarna gaan we misschien nog iets doen. Jij verdient wel een middagje vrij.‛ Stella glimlachte naar haar vriendin.
  • ‚Vertrek maar‛, zei Stella, ‚Ik sluit alles wel af.‛ Katrien knikte. Net op het moment dat Katrien naar buiten ging, wilde Maarten naar binnen komen. Hij begroette haar en liet haar passeren.
  • ‚Verrassing!‛ riep Maarten, terwijl hij met een boeket bloemen stond te zwieren. ‚Oh, dat is kei lief van je!‛ schetterde ze en ze kuste hem op zijn voorhoofd, ‚Waaraan heb ik dit te danken?‛ ‚Omdat ik vanaf vandaag twee maanden zomervakantie heb die we samen kunnen doorbrengen. Als je niet aan het werk bent tenminste.‛ Stella lachte en zoende hem. ‚Gelukkig heb ik deze middag vrij!‛ ‚Geweldig! Dan kunnen we gaan lunchen in Lupaluna.‛ ‚In dat nieuwe restaurant? Daar wil ik al zolang naar toe! Je bent een schat, Maarten!‛
  • Inspecteur Kaals kwam met een hele hoop papieren het kantoor binnen. ‚Briefing!‛ riep ze en ze deed teken naar de commissaris die in zijn kantoor zat. Iedereen verzamelde zich bij het prikbord.
  • ‚Thijssen had gelijk: er zijn enorm veel gelijkenissen tussen de wonden van de Graaf en van Liedewij‛, vertelde ze, ‚en zowel op het lichaam van de Graaf als op het lichaam van Liedewij zijn er haren gevonden die met elkaar matchen.‛ ‚Waarom heeft niemand iets van dat haar op de Graaf gezegd?‛ vroeg de commissaris. ‚Omdat het een dierenhaar is, een wolvenhaar welbepaald. De Graaf is immers lid van de jagersclub.‛
  • ‚Maar Liedewij is in ieder geval geen lid van die club‛, zei een vrouwelijke inspecteur, ‚Ik heb alle clubs en verenigingen gecheckt waarvan ze lid was en er zat geen jagersclub tussen.‛
  • ‚Het is misschien iemand van de jagers zelf?‛ zei een andere, mannelijke inspecteur. De vrouwelijke inspecteur schudde haar hoofd: ‚Nee, ze zijn gisterenmiddag naar Oostenrijk vertrokken. Dat was de favoriete plek van de Graaf om te jagen en ze gingen daar een wake voor hem houden.‛ ‚Dat kunnen we beter eerst nog checken‛, zei inspecteur Kaals.
  • ‚Ik heb ook met de procureur gebeld‛, zei de commissaris, ‚ze wil dat we de Gravin vrijlaten omdat ze geen reden meer ziet om haar nog langer vast te houden.‛ ‚En dat mes dan?‛ vroeg inspecteur Kaals verbouwereerd. ‚Volgens haar is dat bloed aan het keukenmes gewoon een ongeluk, zoals de Gravin al gezegd had.‛ ‚Goed, jullie checken die jagersclub en eventuele verbanden tussen Liedewij en de Graaf‛, zei inspecteur Kaals, ‚Wij verhoren de Gravin nog voor de laatste keer.‛
  • De commissaris en inspecteur Kaals brachten de Gravin naar de verhoorkamer. ‚Gaan jullie mij nog eens beschuldigen van moord?’ vroeg de Gravin. ‚Integendeel, u wordt vrijgelaten als u meewerkt met dit onderzoek’, vertelde de commissaris, ‚Nu er een tweede slachtoffer gevallen is , ziet de procureur u niet langer als verdachte.‛
  • ‚De procureur is heel wijs. Is er een tweede slachtoffer gevallen? Jullie hadden beter de echte moordenaar gezocht in plaats van mij te beschuldigen!‛ ‚We moeten u nog enkele vragen stellen‛, zei de inspecteur die de opmerking van de Gravin negeerde, ‚Uw man zat toch in de jagersclub?‛ ‚Ja, hij besteedde heel veel tijd aan die club‛, bevestigde de Gravin. ‚Was hij voor zijn dood nog naar de club geweest?‛ ‚Op de dag van zijn dood zelfs! Maar wat heeft dit te maken met zijn dood?‛
  • ‚Is er iemand van de jagers die hem zou vermoorden?‛ vroeg de commissaris. ‚Ik geloof niet dat zij zoiets zouden doen. Mijn man had het halve dorp in handen. Als iemand van hen hem zou vermoorden, dan betekende dat ook het einde van de club.‛ ‚Kende u Liedewij van Door?‛ vroeg de commissaris. ‚Ik weet dat ze directrice van de school is, maar ik heb haar nog nooit persoonlijk ontmoet. Is zij het tweede slachtoffer?
  • Inspecteur Kaals knikte. ‚Kende uw man haar goed?‛ vroeg de commissaris. De Gravin hield haar schouders op. ‚Ik weet niet met wie mijn man allemaal contact had. Trouwens, Gerard trok vooral met het chiquere volk op.‛ ‚Bedankt, u kunt gaan‛, zei de inspecteur, ‚Vergeet niet om uw spullen bij de balie op te halen.‛
  • De gravin slaakte een opgeluchte zucht toen de lift de hal bereikt had. Ze stapte uit en wandelde richting de balie. ‚Mijn spullen, graag?‛ vroeg ze bot. De vrouw achter de balie ging naar een kluisje en nam een handtas, een portemonnee en enkele andere spulletjes.
  • Ze kwam terug en legde ze op de balie. De gravin deed alles terug in haar handtas. ‚Nog een prettige dag verder‛, zei de vrouw. ‚Mijn dag zal in ieder geval veel prettiger zijn dan hier in deze stomme gevangenis.‛ Geïrriteerd wandelde ze naar de uitgang. Maar toen ze een groepje journalisten zag, wilde ze rechtsomkeer maken. Te laat! Ze hadden haar al gezien.
  • ‚Gravin! Gravin!‛ riepen de journalisten in koor. ‚Wat is er echt met uw man gebeurd?‛ ‚Bent u opgelucht dat u vrij bent?‛ ‚Wat vindt u van het tweede slachtoffer? Vindt u dat de politie goed werk levert?‛ Elodie kreeg allerlei vragen naar haar hoofd geslingerd, maar ze had helemaal geen zin om die te beantwoorden. ‚Hoe onrespectvol kunnen jullie stelletje journalisten zijn? Ik heb dagen in de gevangenis gezeten! Nu ik eindelijk in alle rust om mijn man kan rouwen, stellen jullie belachelijke vragen!‛
  • Gelukkig zag ze net een taxi aankomen. De Gravin duwde een journalist opzij, ze liep naar de taxi en stapte in. Ze was gered door de taxi.
  • De rust op de gang van de eerste verdieping van het gemeentehuis werd verstoord. Er ging een lift naar boven. Katrien stapte uit die lift en ging naar het kantoor van de secretaris oftewel het kantoor van Pieter. Ze klopte op de deur. Achter de deur klonk er een gemompel dat sterk op een ‚ja‛ leek.
  • ‚Hey, liefje‛, zei Katrien toen ze binnenkwam. Pieter kuste haar. ‚Gaat het al wat beter?‛ vroeg hij bezorgd.
  • Ondertussen ging Katrien op het bureau zitten. ‚Ik moet gewoon proberen om dat beeld uit m’n hoofd te krijgen‛, zei ze, ‚en volgens mij kan jij daarbij helpen.‛ Ze zoende Pieter, maar hij trok zich terug. Hij ging zitten op zijn bureaustoel. ‚Niet hier, schatje‛, zei Pieter.
  • ‚Het is lunchpauze, Pieter. Alsof er nu iemand je kantoor zou binnenkomen. Als ze kloppen zeg je gewoon dat je ‘in gesprek’ bent.‛ Katrien liet zich van het bureau glijden en belande op Pieters schoot. Ze begon hem opnieuw te zoenen en hij leek er meer vertrouwen in te hebben. Katrien begon aan zijn hemd te frunniken en deed zijn das los. Pieter probeerde stilletjes aan de rok van Katriens kleed naar boven te doen.
  • Plots ging de deur, die in verbinding stond met het kantoor van de burgemeester, open. De burgemeester zelf verscheen en kuchte. Katrien en Pieter schrokken en deden alsof er niets aan de hand was. ‚Goedemiddag‛, zei de burgemeester droogjes.
  • Hij bleef Katrien aan staren. Zijn blik vertelde evenveel als: ‚Moet je niet naar huis gaan?‛. Katrien stond op. ‚Ik moet thuis nog iets afhandelen. Ik zie je vanavond.‛ Vol schaamte liep Katrien het kantoor van haar vriend uit.
  • ‚Ik heb een lunch met mevrouwen Jansen van de dierenbescherming. Ik zal wat later terug zijn.‛ Pieter, die zich ook schaamde, knikte. ‚Oh, voor deze ene keer is het goed, maar neem in het vervolg liever geen vriendinnetjes meer mee‛, zei de burgemeester voordat hij wegging.
  • Isaura liep voorbij restaurant Lupaluna met een hele boel boodschappen. Net op dat moment kwam de professor, Engelbert Haningen, uit het restaurant. Isaura en Engelbert hadden elkaar niet gezien en botste tegen elkaar. Gelukkig had Isaura haar boodschappen stevig vast en liet ze die niet vallen.
  • ‚Oh, excuseer, Isaura‛, zei de professor die een stukje sla van zijn jas pikte. Dat was door de botsing op zijn jas gekomen. ‚Het is niet erg, professor‛, zei Isaura. Maar de professor verontschuldigde zich toch nog een keer.
  • ‚Dit restaurant is blijkbaar zeer goed‛, zei Isaura. ‚Het eten is hier verrukkelijk! Je zou hier ook eens moeten gaan eten.‛ ‚Als ik tijd heb. Het is nu zomervakantie en Bieke komt vast weer met knotsgekke ideeën op de proppen.‛ De professor lachte.
  • Misschien kunnen we morgenavond samen gaan? Bieke zal dan nog over haar zomerplannen nadenken, toch?‛ ‚Oké, dat is goed. Sinds de scheiding heb ik amper nog tijd voor mezelf gemaakt. Morgen om 7 uur bij mij?‛ ‚Dat is goed. Tot morgen en nog een prettige dag verder, Isaura.‛ Hij gaf Isaura een kus op haar wang en wandelde verder.
  • Isaura vertrok ook maar werd bijna opnieuw omvergelopen. Deze keer door de burgemeester. ‚Die heeft haast‛, dacht Isaura.
  • ‚U bent laat‛ zei een stem toen de burgemeester binnenkwam. Het was een vrouw. Ze had een gifgroen mantelpakje aan en had een groene handtas bij zich. Haar blonde haren waren in een knotje gebonden en ze droeg een Harry Potterbrilletje op haar neus. Dit was Irene Jansen, vertegenwoordigster van de dierenbescherming. ‚Mijn excuses, mevrouw Jansen‛, zei de burgemeester, ‚Ik werd opgehouden.‛ Geïrriteerd keer Irene op haar horloge. ‚Ik heb zalm besteld voor ons allebei‛, zei ze, ‚Ik hoop dat u dat niet erg vindt?‛
  • De burgemeester schudde zijn hoofd. Irene haalde enkele papieren uit haar tas en legde die op tafel. ‚Laten we meteen to the point komen‛, zei Irene, ‚Toen ik in het stadsarchief aan het rondneuzen was, ben ik enkele interessante dingetjes tegengekomen.‛ Ze haalde enkele vergeelde documenten te voorschijn. ‚Wat moet ik met documenten van 600 jaar geleden?‛ vroeg de burgemeester. Irene gebaarde dat hij moest lezen. Hij doorbladerde het document en trok zijn wenkbrauwen op.
  • ‚Dit gaat over gelijkaardige aanvallen, zoals nu‛, stelde hij vast. ‚Hierin staat vermeld dat de slachtoffers aangevallen werden door wolven, weerwolven.‛ Het laatste woord zei zachtjes. Ze stopten even met praten toen de serveerster de zalm wilde opdienen.
  • ‚Zoiets is toch belachelijk?‛ fluisterde de burgemeester, ‚Ik kan geloven dat ze dat 600 jaar geleden geloofden, maar nu?‛ ‚Meneer de burgemeester, u denkt toch niet dat de verwondingen die op onze slachtoffers zijn aangebracht van mensen zijn? De beschrijving van die wonden in dit document komt overeen met de beschrijving van de wonden in de krant.‛ ‚Zoiets bestaat niet!‛
  • ‚Wat zegt u over dit? Ik citeer dit letterlijk uit de tekst. Ik zag deze nacht hen weer veranderen en iemand aan stukken scheuren. Ze lijken op wolven, maar ze zijn veel groter en angstaanjagender.‛ ‚Dit is gewoon een verhaaltje om die aanvallen te verklaren.‛ ‚Nee, dit is geen verhaaltje. Ik ga bewijzen dat die weerwolven echt zijn!‛ ‚Doe maar! Sta maar voor aap voor het hele dorp. Het is niet mijn probleem.‛
  • ‚Waarover zouden de burgemeester en die vrouw discussiëren?‛ vroeg Stella zich af, ‚Het gaat er nogal hevig aan toe.‛ Stella en Maarten waren net klaar met hun lunch. Ze liepen voorbij de tafel van de burgemeester en Irene. Maarten haalde zijn schouders op. ‚Ik weet het niet en het is iets waarmee we ons niet moeten bemoeien‛, zei Maarten, ‚Als het belangrijk is dan krijgen we het vroeg of laat te horen.‛ Stella en Maarten wandelden naar buiten.
  • ‚Misschien kunnen we even naar de tuin van het restaurant gaan‛, stelde Maarten nerveus voor. ‚Waarom niet?‛ Hand in hand stapten ze door de tuin. Stella glimlachte. ‚Het was echt een zalige middag. Het eten was hemels en we brengen eindelijk weer wat tijd met elkaar door.‛
  • Ze zoende Maarten op de mond. Omdat Stella Maarten maar bleef vasthouden, duwde hij haar opzij. ‚Wat is er?‛ vroeg Stella. Maarten kuchte en zette een stap naar achter.
  • Hij knielde voor Stella. Zij begon te blozen en haar hart begon sneller te slaan. ‚Dat is toch niet wat ik denk dat het is?‛ vroeg Stella. ‚Het hangt er van af wat je denkt.‛
  • Maarten haalde een klein zwart doosje tevoorschijn. Hij deed dat doosje open en daarin zat een gouden ring met een diamant. ‚Lieve Stella, we wonen nu al een tijdje samen en ik weet dat ik de rest van mijn leven met jou wil delen. Daarom vraag ik je: Wil je met mij trouwen?‛
  • Stella wist even niet waar ze het had. Ze hapte naar adem en kreeg tranen in haar ogen. ‚M… Maarten, natuurlijk wil… wil ik je met je trouwen‛, probeerde Stella uit te brengen. Ze nam de ring uit het doosje, deed hem om haar vinger en vloog om Maartens hals.
  • Het was al laat en de commissaris wilde net zijn computer afsluiten toen inspecteur Kaals binnenkwam. ‚Er wilt iemand u spreken, commissaris‛, zei ze. ‚Kan dat niet wachten tot morgen?‛ zuchtte de commissaris. ‚Het is Irene Jansen van de dierenbescherming.‛ De commissaris rolde met zijn ogen. ‚Laat haar binnen.‛
  • De inspecteur liet Irene binnen en stapte zelf naar buiten. ‚Ga zitten, mevrouw Jansen.‛ Irene had dezelfde, vergeelde documenten bij zich die ze ook aan de burgemeester had laten zien. ‚Ik wil dat u dit even doorleest.‛
  • Ze gooide de documenten voor zijn neus op het bureau. ‚Volgens de documenten vielen weerwolven de mensen aan‛, besloot de commissaris even later uit die documenten, ‚Dat is maar een fabeltje, toch?‛ ‚Dit is geen fabeltje, commissaris. Ze bestaan echt.‛
  • ‚Mevrouw Jansen, ik dacht dat u wel slimmer was dan dit. Weerwolven die mensen aanvallen? Zoiets belachelijk heb nog nooit gehoord in mijn gehele carrière. Ga aankloppen bij een filmproductie. Daar zullen ze jouw verhaal heel graag ontvangen.‛ Met een verzuurd gezicht keek Irene hem aan. ‚Het is waar en ik ga dit bewijzen.‛
  • ‚Mij hoef je niets meer te bewijzen. Ik weet dat dit niet waar is.‛ ‚Alsjeblieft, commissaris, geef me één kans‛, drong Irene aan, ‚Eén kans, alsjeblieft. Daarna laat ik je onderzoek met rust.‛ ‚Goed dan‛, gaf de commissaris uiteindelijk toe, ‚Ik geef je één kans om dit te bewijzen.‛ Hij wist dat dit de enige manier was om Irene het zwijgen op te leggen. ‚Ik zie je vanavond op het dorpsplein. Neem ook een agent mee. De burgemeester heb ik al ingelicht.‛ Irene stond op en liet de commissaris achter in zijn kantoortje.
  • ‚Hebt u gereserveerd?‛ vroeg de gastvrouw. ‚Ja, op naam van ‘Van Hoof.’ Katrien Van Hoof.‛ ‚Aha, ik zie het: een tafel voor twee. Volgt u mij maar.‛
  • Katrien en Pieter werden naar hun tafel begeleid en gingen zitten. ‚Het is hier best mooi, niet?‛ stelde Katrien vast. ‚Ze zeggen dat de zoon van de kok, met dat vijfsterrenrestaurant in de stad, dit restaurant runt. Ik hoop dat hij net zo goed is als zijn vader.‛
  • Een ober bracht de kaarten naar hen. ‚Wat ga jij kiezen?‛ vroeg Pieter na een tijdje. ‚Ik ga eens een keertje gek doen en kreeft bestellen‛, zei Katrien. ‚Ik doe mee!‛
  • ‚Nog eens sorry voor deze middag‛, verontschuldigde Katrien zich, ‚Ik wilde niet dat je problemen kreeg met de burgemeester.‛ ‚Dat is niet erg. Hij zag het deze keer door de vingers.‛ ‚Daarom heb ik hier gereserveerd, om het goed te maken!‛ zei Katrien enthousiast. Ze zag niet dat Pieter zijn gezicht vertrok.
  • Zoals afgesproken verzamelden Irene, de commissaris, inspecteur Kaals en de burgemeester zich op het dorpsplein. ‚Ik snap nog steeds niet wat we hier doen‛, mompelde inspecteur Kaals. ‚Ik ga jullie bewijzen dat weerwolven bestaan‛, antwoordde Irene. ‚Je verdoet uw en onze tijd, mevrouw Jansen‛, zei de burgemeester, ‚Niemand heeft tijd voor zulke flauwekul.‛
  • ‚U zult versteld staan wanneer u ze vanavond ziet. Ik heb ze gisterenavond stiekem geobserveerd in het bos. Doe het wel discreet want je wilt er geen enkele tegen het lijf lopen.‛ Inspecteur Kaals leek toch even bang te zijn. ‚Stap in de auto‛, beval Irene, ‚Dan kunnen we meteen vertrekken.‛ Met tegenzin stapten de drie de auto in.
  • Ondertussen smulden Pieter en Katrien van de kreeft. ‚Ik heb eens zitten denken‛, zei Katrien, ‚Misschien moeten we samen een weekendje weg. Weg van Maandorp. Gewoon om te genieten van de zomer.‛ Pieter zuchtte en Katrien zag dat er iets mis was. ‚Wat is er?‛ vroeg Katrien.
  • ‚We hebben elkaar al een aantal maanden niet meer gezien. We spraken alleen via de telefoon. Nu wil je dat we samen een weekendje weg gaan?‛ ‚Juist om die verloren tijd in te halen!‛ ‚Het is al erg genoeg dat we elkaars liefde op het werk moet zoeken.‛ ‚Wil je het nu uitmaken?‛ vroeg Katrien die voelde wat er ging volgen. ‚Ik vrees van wel, Katrien. Dit is geen relatie.‛
  • Katrien voelde zich beledigd. ‚Ik heb speciaal voor jou in een peperduur restaurant gereserveerd om nog eens samen te kunnen zijn! Zodat we een geweldig avond zouden beleven! Jij maakt het nu zomaar uit?‛ ‚Katrien, niet zo roepen‛, fluisterde Pieter, ‚Iedereen kan ons horen.‛ ‚Dat kan me niet schelen!‛ riep ze, ‚Iedereen mag weten voor je idioot je bent.‛
  • Boos stond Katrien op. Pieter greep haar pols vast. ‚Katrien, alsjeblieft! Laten we dit op een…‛ ‚Laat me los!‛ schreeuwde Katrien, maar Pieter bleef haar pols vast houden. Katrien wurmde zich los. Ze nam een glas water en gooide dat in Pieters gezicht. ‚Klootzak‛, snauwde ze en van streek liep ze weg.
  • ‚Ik zie helemaal niets‛, zei de commissaris die samen met de anderen achter een struik verstopt zaten. ‚Wees nu toch eens stil!‛ snauwde Irene, ‚Straks horen ze ons nog!‛ ‚Ik zie iets!‛ zei inspecteur Kaals plots.
  • In de verte zagen ze een gedaante van een mens. Het kwam dichter en dan was het geen mens meer. Het had overal haar en het had hondachtige kenmerken in het gezicht. Dit was een weerwolf.
  • ‚Oh, mijn god‛, bracht de burgemeester plots uit, ‚Achter ons!‛ Iedereen draaide zich om en krijste het uit. ‚Naar de auto!‛ riep Irene.
  • De commissaris en de inspecteur trokken hun wapens en schoten in het rond om de weerwolven op afstand te houden.
  • Irene startte de motor van de auto terwijl de anderen nog aan het instappen waren. ‚Wacht op mij!‛ riep er plots iemand. Het was inspecteur Kaals. Ze was nog achter.
  • Gelukkig kon ze nog net op tijd in de auto springen vooraleer die vertrok. Ze belandde op de commissaris’ schoot. ‚Dat was op het nippertje‛, zuchtte de commissaris die ook een beetje geschrokken was. ‚Wat voor schepsels waren dat?‛ vroeg de burgemeester.
  • ‚Dat zijn weerwolven! Zien jullie nu wel dat jullie mij moesten geloven. Maar jullie vonden me gek en dom! Nu zullen jullie wel anders kraaien!‛ ‚Pas op!‛ riep inspecteur Kaals plots. Op het midden van de weg stond een weerwolf.
  • De auto probeerde hem te ontwijken, slipte en botste tegen een boom. Irene, de burgemeester, de commissaris en inspecteur Kaals verloren hun bewustzijn en zagen niet dat de auto vuur vatte… __________