Thesis 2013
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Like this? Share it with your network

Share

Thesis 2013

on

  • 302 views

Research for my thesis was about experiences in our urban environment moving from a to b. What do we notice and what do we remember along the way? Movement like walking has a greater effect to the ...

Research for my thesis was about experiences in our urban environment moving from a to b. What do we notice and what do we remember along the way? Movement like walking has a greater effect to the health, as does it to the mind. At this moment everything needs to go quicker. Walking is slower and calms us down and therefore we will notice and grow hopefully more respect for our surroundings.

Statistics

Views

Total Views
302
Views on SlideShare
290
Embed Views
12

Actions

Likes
0
Downloads
1
Comments
0

2 Embeds 12

https://www.behance.net 8
http://www.behance.net 4

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Thesis 2013 Document Transcript

  • 1. Hoe wordt onze beleving in de ontworpen omgeving beïnvloed door de hedendaagse beweging? Melanie August de Meijer . HKU Urban Design . 2013 De weg ernaar toe – Beleving door Beweging
  • 2. 03 Inhoudsopgave Inleiding 05 1 Beleving 09 1.1 Wat is een beleving? 12 1.2 Bepaalt de omgeving de beleving? 13 1.3 Belevingen meegeven 20 1.4 Beleving in de ontworpen omgeving 21 1.5 Gedragsbeïnvloeding door Beleving 24 2 Het gebruik van de ontworpen omgeving 29 2.1 Waaraan moet een openbare ruimte voldoenden om de gebruiker tevreden te stellen? 32 2.2 De betekenissen van de openbare ruimte 33 2.3 Het gebruik van de openbare ruimte 36 2.4 De instinct van de gebruiker in de openbare ruimte. 40 2.5 De functies van stedelijke ontworpen openbare ruimtes 44 3 Gebruik en beleving 51 3.1 Gebruik en beleving in de ontworpen omgeving 54 3.2 De beleving van de ontworpen omgeving 55 3.3 Mental Maps 58 3.4 Relatie tussen mens en de ontworpen omgeving 59 3.5 Geluiden in de ontworpen omgeving 62 3.6 Vormgeving van de ontworpen omgeving 68 4 Bewegen in de ontworpen omgeving 77 4.1 “Ik ben al lopend tot mijn beste gedachten gekomen”. 80 4.2 Wie wandelt het best? Wandelen inspireert 86 4.3 De Flaneur 90 4.4 De Flaneuse 93 5 Beleving door Beweging 101 5.1 Hoe beleven wij onze ontworpen omgeving door beweging? 104 5.2 Waarom lijkt de terugweg altijd korter? 105 5.3 David Hockney. A Bigger Picture. 108 5.4 Beweging in de ontworpen omgeving 109 6 Onderzoek 113 De wandelingen van Utrecht 114 Vragenlijsten 120 Onderzoek conclusie 129 Conclusie 132 Notenlijst 136 Literatuurlijst 139 Afbeeldingenverantwoording 141
  • 3. 05 Tijdens het lezen van een boek, word ik als het ware meegenomen in het verhaal. Is deze beleving te vertalen in iets tastbaars… Zintuiglijke belevingen door geur, gehoor, zicht, gevoel, weersomstandigheden, temperatuur en licht. Zintuiglijke belevingen worden door iedereen anders ervaren. Bijvoorbeeld door toe- passingen in de buitenruimte. Materiaal- en beplantingsgebruik, de oppervlakte van de ruimte, perspectieven, bewegingen, hoogteverschillen en de menselijk maat ten opzichte van de op- pervlakte en kaders zoals bebouwing zijn hierin belangrijk. Wanneer ik een plek bezoek prikkelt het aanzicht van de omgeving iets in mij. Herinneringen van belevingen bevatten emotie, gevoel en zintuigelijke prikkelingen. De volgende keer dat ik een plek bezoek kan mijn beleving anders zijn. Dit kan door het moment van de dag zijn, hoe ik de plek heb bereikt en hoe de kleuren en geuren van het seizoen zijn. Een emotie of doel waarom ik terug ga naar een plek is omdat ik mij er fijn voel of omdat ik weet dat ik daar kan doen wat ik wil. Omdat ik er rustig een boek kan lezen, de zon daar fijn schijnt, de bomen een verkoelende effect hebben of omdat er genoeg zitplekken zijn om de mensen om mij heen te kunnen observeren. Een bezigheid die meer mensen fijn vinden. De geur van gemaaid gras doet mij denken aan mijn ouderlijk huis en het geluid van toeterende auto’s aan de drukke stra- ten van New York. Ik hoef mijn ogen maar te sluiten en ik ben terug in dat moment. Zintuigelijke belevingen bevredigen mijn verlangen naar herinneringen. Rustig lopen, snel lopen, rennen of stilstaan. Door de snelheid van mijn eigen beweging of van bewegingen om me heen ervaar ik mijn omgeving anders. Waar richt ik mijn ogen op? Blijf ik naar beneden kijken of kijk ik om me heen? Is het een plek met afwisselende of eentonige de- tails, loop ik over verhoogde of verlaagde oppervlaktes, heb ik een wijds of smal uitzicht? Dit alles beïnvloedt mijn beweging. Tegenwoordig moet alles sneller en veelzijdiger. Als persoon zijn we mobieler en afstandelijker. Hoe wij ons bewegen of worden bewogen is de laatste jaren mede door de industriële revolutie versneld. We zijn meer gericht op ons eind doel, van A naar B, dan de weg ernaar toe. Tijdens de weg ernaar toe zijn we meer afgeleid door ons mobiel, onze gedachtes of het boodschap- penlijst voor het avondeten dan dat we bewust zijn van onze omgeving. Details om ons heen zien we minder. De wereld om ons heen veranderd in een abstracte wereld van vlakken en lijnen. Ons tempo en de tempo waarin wij bewogen worden beïnvloed onze beleving van onze omgeving. Dus net als het lezen van een boek wil ik weten of zintuigelijke prikkels en details in de ontwor- pen omgeving ons beïnvloeden in ons beleving door beweging. Afb. pag 6,7: Jan Dibbits, Construction of a wood,1969 / Paolo Uuccello, Hunt in the forest, c1470 Inleiding De weg ernaar toe – Beleving door Beweging
  • 4. In 2010, tijdens mijn tweede jaar, kwam ik dit beeld tegen van Jan Dib- bes. Ik zag de vertaling van het schil- derij in de natuur, simpele witte vlak- ken op boomstammen aangebracht. Mijn vraag was toen kan een bele- ving van beweging worden vertaald naar een ontwerp in de natuur. Fascinatie . Inspiratie uit zeer rea- listische kunst . schilderwerk ver- taald / vertaling van / in de natuur of openbare ruimte. De wit geschil- derde stammen zijn de vertaling van de beweging van de personen in het schilderij. Het perspectief van in het schilderij is op een eenvoudig manier vertaald en aangebracht in de natuur.
  • 5. 1
  • 6. 1 Beleving 09
  • 7. 1.1 Wat is een beleving? 12 Ruiken, voelen, zien, proeven en horen zijn de vijf zintuigen die een mens heeft. Beleving is een vaag en moeilijk meetbaar begrip maar door toename van belevingsonderzoeken door omge- vingspsychologen de afgelopen jaren is er steeds meer bekendheid gekomen. Bij het beleven gaat het om een set van wisselende factoren die mede bepalen hoe mensen over een plek denken. Het gaat om ervaringen, voorkeuren, waardering en sociale constructie. Beleving is een set van wisselende factoren die mede bepalen hoe mensen over een plek den- ken. Zintuiglijke belevingen door geur, gehoor, zicht, gevoel, weersomstandigheden, tempera- tuur en licht beïnvloeden hoe wij een omgeving beleven. Het ene onderzoek legt bij het meten van beleving de nadruk op de ervaringen die men in de omgeving opdoet en de betekenissen die men daaraan toekent terwijl het andere onderzoek meer gebaseerd is op de waardering van de omgeving waarbij voorkeur een centraal begrip is.1 Om belevingen in de buitenruimte vast te leggen begon ik met onderzoeken naar de beleving van geur. Het idee kwam door het lopen naast de patatkraam op Vredenburg in Utrecht. Zodra je die geur ruikt weet je waar je bent het is de geur van de plek. Net als het strand de geur van de zee of de geur van koffie door de Douwe Egberts fabriek in de schepenbuurt van Utrecht. Ik wilde deze geuren vastleggen. Mijn eerste onderzoek naar het vastleggen van geur wandelde ik langs de vijver naast mijn thuis. Ik verzamelde blaadjes, stukjes vuil en ving wat water uit de vijver in een potje. Dit zal vast wel ruiken naar de locatie. Helaas bleek dat niet zo te zijn en de geuren van de spullen die ik had verzameld waren niet zo uitgesproken over de plek. Ik vond het best jammer, maar mijn onderzoek leverde wel de duidelijkheid dat geur niet te vangen is. Geur is een moment opnamen. Een moment die gekoppeld is aan een herinnering. De kunstgeschiedenis lijkt een geurloze aangelegenheid. Toch is niets minder waar. Geen zintuig is zo goed in staat het verleden zo levendig terug te halen als de reuk, maar doordat geuren verdwijnen gaat een deel geschiedenis verloren zonder dat we dat beseffen. Tijdens de museumnacht op 3 november in het Rijksmuseum Amsterdam bezocht ik de tentoonstel- ling Ruiken in het Rijks. Een aantal geuren uit de zeventiende eeuw werden weer tot leven ge- bracht. Bij het schilderij De bocht van de Herengracht van Gerrit Adriaensz Berckheyde stond een medewerker met een flesje met de geur van de gracht. Vroeger gooide de bewoners al hun vuil in de grachten. Kijkend naar het schilderij en de geur van de gracht bracht mij terug in de 17e eeuw aan de Vijzelstraat kijkend naar de Herengracht. Afb. pag 10,11: Gary Winogrand, 1975 Afb. pag. 14,15: Gerrit Adriaensz Berckheyd, De bocht van de Herengracht, Amsterdam, 1671-1672
  • 8. 13 De stad is mijn terrein. Soms hou ik ook best van de natuur maar in de stad is zoveel meer te zien en te ontdekken. In de stad wordt lelijk weer mooi, fabrieken steken hun torens tegen de skyline, vuilnis ziet er uit als een winkel van Sinkel, er kan altijd wat tussen liggen dat ik graag wil hebben. Ik kom ogen te kort. Meestal pak ik de fiets. Wandelen is natuurlijk de beste manier om goed om je heen te kijken, om inspiratie op te doen, om contact te maken. Maar ik hou van fietsen. Daarom wil ik ook niet verhuizen naar een ander land. Als een molletje met de metro, als een directeur in pak met de auto, niets voor mij. Ik hou van wapperende haren, regenpakken, een beetje strijd tegen re- gen en wind. Agressie en normen vliegen me steeds meer om de oren zodra ik buiten ben. De buitenruimte is een normerende machine, een plek waar je je moet gedragen. Ik ben voorzichtig want mensen spelen soms zelf voor rechter. De ontmoeting met anderen is tegelijkertijd juist het pluspunt van de deur uit, de straat op. Andere meningen, andere levens, andere smaken. De openbare ruimte is een vreemd dampig niets waarin de geur van friet is gemengd met die van gewassen of ongewassen kledingstukken, wolken parfum of adem met de geur van de knoflooksaus van gisteren. Een samen- gaan van flarden zonder substantie: ja dat is zeker openbaar! 3 Omgevingspsychologen houden zich bezig met de wederkerige relatie tussen de omgeving en het gedrag van mensen, dus zowel met de invloed van de omgeving op mensen als met de invloed van mensen op de omgeving. Zij kruipen daarbij in de huid van de eindgebruiker en bekijken het object (bijvoorbeeld een station) vanuit zijn perspectief. Een veel gebruikte term daarbij is ‘placemaking’. Dit beschrijft het proces van ontwerp van pleinen, parken, straten en overige verblijfsgebieden die een hoge attractiewaarde hebben. Beleving dus! Omgevingspsychologen doen o.a. onderzoek naar hoe mensen door een juiste inrichting van de omgeving het prettig vinden om te voet naar het station te komen waarbij de auto op gro- tere afstand geparkeerd wordt. Ook de wachttijdbeleving van reizigers blijkt beïnvloed te kun- nen worden door het gebruik van muziek en kleuren. Het grote voordeel bij deze onbewuste aanpak is dat de reiziger geen weerstand ervaart maar het juist als prettig, makkelijk of zelfs leuk ervaart.4 Bepaalt de omgeving de beleving? 1.2
  • 9. 17 Een pagina uit Mr Mostley. 20 tekeningen van de vorm van Nederland. Alle vormen waren anders en sommige leken niet eens op Nederland. Dit is een kunstwerk uit 2006 van Veronica Ditting; Can you draw the map of the country you live in? 80 mensen van verschillende na- tionaliteiten werd gevraagd om de vorm van Nederland te tekenen uit het hoofd en zo exact mogelijk.2 Ik heb zelf en anderen gevraagd hetzelfde ook te doen. Deze hadden dan wel een Nederlands Nationaliteit. Afb. pag. 16: Veronica Ditting, Can you draw the map of the country you live in?, Mr. Motley, 2006 Afb. pag. 17: Gasten van café l’Affiche, Vorm van Nederland op bier filtertjes, Amsterdam, 2012
  • 10. Afb. pag. 18,19: Forrest Gump, Screen shots film Forrest Gump, 1994, http://www.youtube.com/watch?v=DrY6loEUl7Q
  • 11. Een aantal maanden geleden zag ik de film Forrest Gump op tv. Deze film heb ik wel al zo’n 10.000 keer gekeken. Wat ik zo fijn vind aan deze film is dat je wordt meegenomen in het ver- haal. Doordat Forrest zoveel meemaakt blijft de film spannend in afwisseling. De film gaat over Forrest Gump, een man met een laag IQ en sukkelig gedrag. Zijn leven wordt gevolgd vanaf zijn jeugd in Alabama in de jaren vijftig tot in de jaren tachtig. Hij haalt succes na succes en maakt historische gebeurtenissen van dichtbij mee, zonder dat te beseffen. Zo geeft hij een jonge Elvis Presley inspiratie voor zijn dansstijl en John Lennon voor een lied (Imagine), is hij én in de Vietnamoorlog én bij de protesten tegen diezelfde oorlog in Washington D.C.. Hij vindt ook de smiley uit en is de inspiratiebron voor de bumpersticker-spreuk Shit Happens. Met al zijn daden en handelingen wilde hij slechts één doel bereiken: zijn geliefde Jenny weer terugzien. Hoe vertel je in woord wat je hebt gezien en beleeft aan een ander? Hoe neem je de ander mee in je verhaal. Een scene uit de film Forrest Gump waarneer Jenny, de vrouw van Forrest die kanker heeft, ligt op haar bed. Forrest komt naast haar zitten en Jenny vraagt; Jenny Curran: Were you scared in Vietnam? Forrest Gump: Yes. Well, I-I don’t know. Sometimes it would stop raining long enough for the stars to come out... and then it was nice. It was like just before the sun goes to bed down on the bayou. There was always a million sparkles on the water... like that mountain lake. It was so clear, Jenny, it looked like there were two skies one on top of the other. And then in the desert, when the sun comes up, I couldn’t tell where heaven stopped and the earth began. It’s so beautiful. Jenny Curran: I wish I could’ve been there with you. Forrest Gump: You were. In de film spelen ze de beelden af van locaties die hij omschrijft. Voor Jenny blijft het bij de woorden van Forrest, die zij met haar eigen fantasie in beeld van beleving moet voorstellen. 1.3 Belevingen meegeven 20
  • 12. Beleving in de ontworpen omgeving 1.4 21 Op een zonnige warme dag, met de blote benen zittend en genietend op een terras. Terras- stoelen van riet die een afdruk achterlaten in je huid op de achterkant van je bovenbenen. Is het mogelijk dat een plek je iets meegeeft wat je kan meenemen of verplaatsen? Stel, je vertoefd een middag naast een veld van lavendel. Zou het dan mogelijk zijn dat jouw jas de geur vangt en zich thuis verspreidt? In China was onlangs een prachtige campagne om mensen bewust te maken van het feit dat wandelen beter voor het milieu is dan altijd de auto pakken. Jody Xiong van reclamebureau DDB China bedacht een boom die vanzelf kleur krijgt door passende voetgangers. Bij 132 ze- brapaden in 15 Chinese steden plaatste hij grote doeken met daarop een (in eerste instantie) kale boom. Door matten met groene verf op de stoep voorzagen overstekende voetgangers de boom van een mooi groen bladerdek. Naar schattingen hebben 3.920.000 mensen aan dit project meegedaan. The more you walk, the greener the trees will be. Well, that’s the message the creators are intending to make. Almost 4 million people stepped in a green environmentally friendly washable and quick dry paint, then walked across a massive canvas measuring 12.6 x 7 meters that was stretched at at pedestrian crossing in 15 different cities in China. Credits go to Jody Xuibg from DDB China in cooperation with the China Environmental Protection Foundation. 40% of carbon monoxide emissions come from cars. According to China’s Ministry of Commerce; the country is now the world’s largest car market with over 500 million vehicles on the road. 132 trees were created. After the campaign, the above print was exhibited at the Shanghai Zheng Da Art Museum.5 Dit project wil de gebruiker iets duidelijk maken; dat wandelen veel gezonder is en tegelijk geeft het werk een beleving mee. Deze ervaring zal de gebruiker nog lang bij zich blijven. Het is origineel en ontstaat door de gebruikers. Ze konden er ook omheen lopen maar uit nieuwsgier- igheid nemen ze deel aan dit kunstwerk. De ontwerper voegt een beleving toe in de ontwor- pen omgeving. Ik had dit best zelf willen bedenken. Dan had ik het bij de entree van de HKU gelegd. De wortels bij de deuren en de bladeren ontstaan wanneer ze richting de trap, kantine of winkel lopen. Afb. pag. 22,23: DDB Shanghai, Green Pedestrain Crossing - More Walking, Less Driving, China, 2011
  • 13. Een project die ik zelf heb kunnen ervaren was op het Utrecht Centraal. Op Utrecht Centraal is op de vloer een ‘loper’ geïnstalleerd. De loper, een sticker in de vorm van een atletiekbaan, helpt om mensen beter te dirigeren richting de aankomsthal. De reizig- ersstroom wordt zo aangepast zodat de bezoekers beter gedistribueerd raken over de hele OV terminal. Een korte observatie lijkt te laten zien dat de loper lijkt te werken: mensen splitsen zich beter op en laten zich intuïtief leiden door de loper. Mogelijkheden liggen in de aansluiting van de loper op het wayfinding systeem van Utrecht Centraal. Nu komen mensen uit in de hal, waar ze vervolgens worden overgelaten aan hun eigen lot en zelfredzaamheid. In een ideale situatie zouden we willen dat bij elk beslissingspunt de reiziger opgevangen en begeleid wordt in zijn keuze. Dat maakt de loper waarschijnlijk nog effectiever.6 Deze beleving is een vergelijkbare vorm als de bladerdek van voetsporen. Hier wordt dan wel door middel van een kunstwerk de bezoeker begeleid. Geholpen in zijn richting van wandelen. Ik vind zelf wel dat hierin ook een boodschap schuilt. Al heb je haast of ben je zoekende ren niet als een kip zonder kop kris kras door het stationshal. Ik ben regelmatig in New York. Als je het hebt over drukte is dit wel the place to be. Maar hoe druk het is in New York, alle New Yorkers handteren dezelfde regel; “Keep your lane”. Ga niet over de stoep rechts links lopen waardoor je het moeilijk maakt voor je tegenliggen en achterligger. In Nederland begrijpen vele dit niet. Zelfs op de roltrap! Gelukkig heeft de Pro-Rail een informatief beleving toegepast. Links gaan, rechts staan! Signaal voor reizigers op roltrappen. Op zo’n 150 roltrappen op stations in Nederland heeft Pro-Rail stickers geplaatst met de tekst: ‘Links gaan, rechts staan’. Reizigers geven aan zich soms te ergeren aan het in hun ogen ‘on- nodig’ links staan van medereizigers op de roltrap. Met de stickers hoopt Pro-Rail deze erger- nis weg te nemen en het doorlopen op roltrappen te bevorderen. Eerdere proeven met de stickers op stations Leiden en Amersfoort werden goed ontvangen. Pro-Rail zet de stickers nu in heel Nederland in.7 Nog steeds merk ik in openbare ruimtes dat vele niet rekening houden met elkaar. Zoals je voorganger op de roltrap te vragen er langs te mogen, krijg je snel een snauw. Hoe dan ook ik probeer altijd de trap te nemen. Voornamelijk om de irritatie te vermijden van “sardientje zijn in het blik” gevoel en de reiziger die nog even blijft staan bovenaan de roltrap. Onze verkeerskundigen en planologen weten natuurlijk als geen ander dat ze het gedrag van de weggebruiker te sturen met hun verkeerskundige en stedenbouwkundige ontwerpen. Wat dat betreft is gedragsbeïnvloeding niet nieuw. Als we in plaats van een snelweg over een be- paald traject een schelpenpad aanleggen dan kunnen we met grote zekerheid voorspellen dat 1.5 Gedragsbeïnvloeding door Beleving 24
  • 14. 25 daar geen 120 km/u wordt gereden. Maar de omgevingspsycholoog onderzoekt op een sub- tieler niveau het gedrag van de (in ons geval) weggebruiker en zijn directe omgeving. Het gaat daarbij om de beleving van de ruimte die beïnvloed wordt door allerlei prikkels om ons heen. Denk daarbij niet alleen aan het bekende bordenwoud, de aanwezigheid van groen maar ook aan licht, geluid, kleuren en…geur. Zo heeft Connexxion in Zuid-Holland bijvoorbeeld een geur laten ontwikkelen die het gevoel van veiligheid en comfort bij (vooral de vrouwelijke) busreizig- ers verhoogt.8 Een beleving is dus inderdaad mee te geven aan de bezoeker of gebruiker. Dit als een beleving met een boodschap wordt bewust ontworpen voor de ontworpen omgeving. Dat komt denk ik ook omdat ontwerps en omgevingspsychologen iets willen verbeteren en vertellen aan de gebruiker. Wat de gebruiker ermee doet is vast te leggen door verder onderzoek in wandelpa- tronen zoals de loper op het Utrecht Centraal. Zodra de loper is verwijderd slaat het gedrag in wandelen terug naar hoe het eerst was of blijft de mens zijn nieuwe kennis in beleving ge- bruiken? Email contact met Wouter van Tooren, Omgevingspsycholoog.
  • 15. 26
  • 16. 27 Afb. pag. 27: Boven: ProRail, Links gaan, Rechts staan, Utrecht, 2012 Onder: Tooren, W., Building Senses, Rode Loper, Utrecht Centraal, 2012
  • 17. 2
  • 18. 2Het gebruik van de ontworpen omgeving 29
  • 19. Een algemeen gehanteerde definitie van openbare ruimte bestaat er niet, maar de meeste definities verwijzen naar parken en straten. Openbare ruimtes hebben sociale, culturele, eco- logische, verkeerstechnische en economische betekenis en zijn onmisbaar voor een stad. Ze hebben verschillende functies zoals het bieden van mogelijkheid tot sociaal contact of anoni- miteit, het bieden van rust en recreatie of juist de mogelijkheid om volop mee te doen met het stedelijk leven. Openbare ruimtes gaan met de tijd mee en hebben verschillende rollen gehad. Zo waren de steden tot in de middeleeuwen vooral gericht op handel, groei en verdediging. De openbare ruimte was de plek van handel en het vervoeren van handelswaar. In de renaissance veranderde dat, toen werden de eerste recreatieve stadsparken voor de elite aangelegd. Vanaf de industriële revolutie kregen de stad en de openbare ruimtes te maken met nieuwe types vervoersmiddel, namelijk de trein, tram, fiets en auto. Openbare ruimtes werden verder steeds meer een plek voor iedereen die aan de vervuilde en drukke stad wilde ontsnappen. In de 21e eeuw, vooral in de eerste helft, kreeg de auto steeds meer ruimte, soms ten koste van pleinen en parken. 2.1 Waaraan moet een openbare ruimte voldoenden om de gebruiker tevreden te stellen? 32 Afb. pag. 30,31: Alex MacLean Lenox, Picknickers, Massachusetts V.S., 2005
  • 20. 33 De kwaliteit van de plek heeft wel veel meer invloed op de beleving. Zo dragen openbare ruimtes die groen, toegankelijk en zichtbaar zijn, bij aan een positieve beleving voor de wijk. Hoe veel openbare ruimtes er zijn in wijken maakt niet veel uit. Bewoners kiezen duidelijk één centrale openbare ruimte in de wijk die ze graag bezoeken.9 De openbare ruimte is belangrijk voor mensen: ze gebruiken het bijna dagelijks. De openbare ruimte wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en beleeft. De combi- natie van gebruik en beleving zorgt ervoor dat mensen een betekenis verbinden aan een plek. Gebruikers geven verschillende betekenissen op één moment en verschillende betekenissen per levensstadium. Het kleine kind gebruikt het park om te spelen, te rennen en vriendjes te ontmoeten. Jaren later krijgt hij er zijn eerste kus. Eenmaal volwassen wordt het park een plek om te wandelen, te ontmoeten en buurtactiviteiten te organiseren.10 Identiteit van de openbare ruimte. Herkenbaarheid van de plek en de wijze waarop wij ons op die plek gedragen. Zoals Winston Churchill zei; “We shape our public spaces, afterwards public spaces shape us”.11 Waardering van de openbare ruimte. Woningen aan het water, een park, een prettig ontworpen straat leveren meer op. Maar ook winkels hebben meer omzet wanneer zij aan een prettig vormgegeven openbare ruimte gesi- tueerd zijn. Thuisgevoel en veiligheidsgevoel in de openbare ruimte. Een groot deel van de ontmoetingen tussen mensen vindt plaats in de openbare ruimte. De aantrekkelijke openbare ruimte zelf waarmee mensen zich kunnen vereenzelvigen, draagt bij aan het thuisgevoel en veiligheidsgevoel van mensen. Mensen die zich veilig voelen, zijn eerder geneigd contact te maken met anderen. Mensen zullen hierdoor hun woning en woonomge- ving, positiever waarderen. Ontwikkeling van jongeren en kinderen in de openbare ruimte. Een veilige en aantrekkelijke buitenruimte ondersteunt kinderen en jongeren bij hun ontwik- keling. Een dergelijke buitenruimte helpt kinderen om de wereld om hen heen op een veilige manier te verkennen, alleen of met vriendjes. De openbare ruimte biedt plek om te rennen, te voetballen en te leren fietsen.12 De betekenissen van de openbare ruimte 2.2
  • 21. Een gewone dag op een gewone straat: iemand laat de hond uit, een auto wordt geparkeerd en iemand zit op een bankje een ijsje te eten. Mensen maken op verschillende manieren ge- bruik van de openbare ruimte. Het gebruik is de activiteit die men er doet, waarbij het gaat om hoeveel en de soort menselijke activiteiten die er plaatsvinden en hoelang de activiteiten duren. Elke bewoner wil op korte afstand van zijn huis zijn hond uit kunnen laten, een fijne en veilige plek hebben waar kinderen kunnen spelen en een plek waar men rust kan vinden. In de open- bare ruimte wil men zich snel kunnen verplaatsen. Dichtbij de auto kunnen parkeren, openbaar vervoer op loopafstand en voorzieningen, zoals winkels en horeca. Als zulke openbare ruimtes op korte afstand aanwezig zijn, wordt hier gebruik van gemaakt, ook al is de kwaliteit van de plek niet heel hoog. De kwaliteit van de plek heeft wel veel meer invloed op de beleving van een plek. De kwaliteiten zijn die de gebruiker gebruikt of voelt. Zoals activitieiten, ontmoetingen, comfort, veiligheid en overzicht. Een bijzondere esthetische waarde heeft minder invloed op het gebruik en de beleving. Smaken blijven verschillen. Alleen niet alle plekken worden gebruikt waarvoor ze ontworpen zijn. Parkeerplaatsen, de hoek van de straat en kruispunten kunnen voor sommige gebruikers een belangrijke ontmoetingsfunctie hebben, ook al zijn ze daar in de eerste plaats niet voor ingericht. Bij ontmoetingen in de openbare ruimte gaat het vaak om bekenden. Mensen die men van gezicht kent, worden overal begroet of er wordt een praatje mee gemaakt. Kleine kinderen en de hond zijn populaire aanleidingen hiervoor, zij stimuleren het sociale gebruik van openbare ruimtes.13 Het gebruik hangt van verschillende factoren af, met mooi weer is het gebruik intensiever dan met slecht weer, kinderen gebruiken andere plekken dan ouderen en in parken blijven mensen in het algemeen langer plakken dan in donkere steegjes. 2.3 Het gebruik van de openbare ruimte 36 Afb. pag. 34,35: NRC Next, Chinezen in zwembad; In de Chinese provincie Sichuan zoeken duizenden mensen verkoeling in een zoutwaterzwembad. (26 augustus 2011)
  • 22. De Deense architect Gehl maakt onderscheid in verschillende soorten gebruik: 1. Noodzakelijk gebruik gaat over doelgerichte, functionele activiteiten waar men geen keuze in heeft. Voorbeelden zijn fietsen naar het werk, op de bus wachten of de straat oversteken om een brief te posten. Het overgrote deel van lopende activiteiten vallen onder deze categorie gebruik. Het noodzakelijk gebruik vindt plaats ongeacht de kwaliteit van de openbare ruimte. 2. Optioneel/recreatief gebruik hangt juist sterk af van de kwaliteit van de openbare ruimte. Het gaat hier om het gebruik van de openbare ruimte waar mensen voor kiezen, als er in ieder geval tijd en plaats het mogelijk maken. Belangrijk is hier de keuzevrijheid, dus wat heeft de ene plek wel en de andere niet te bieden en welk gevoel krijgt men er bij. Een aantal voorbeelden van optioneel/recreatief gebruik zijn funshoppen, vanaf een bankje mensen observeren en zonne- baden. Het gaat vooral om activiteiten die leuk en plezierig zijn. 3. Sociaal gebruik gaat over alle soorten gebruik die afhankelijk zijn van de aanwezigheid van anderen en van de kwaliteit en duur van andere types van activiteiten. Voorbeelden zijn kinder- en die samen spelen, begroetingen en gesprekken, gezamenlijke activiteiten maar ook passief gebruik zoals het kijken en luisteren van andere mensen. Dit type gebruik wordt ook wel gezien als het resultaat van noodzakelijk en optioneel gebruik, omdat het zonder afspraak en spontaan plaatsvindt op plekken waar mensen tegelijkertijd zijn, dezelfde ruimte delen. Het soort so- ciaal gebruik hangt weer af van de plaats. In woonstraten of dichtbij scholen zijn meer sociale activiteiten dan bijvoorbeeld in het centrum omdat mensen elkaar kennen en iets gezamenlijks hebben, in het centrum zijn de activiteiten oppervlakkiger. Samenhangend met noodzakelijk, optioneel en sociaal gebruik is het passeren en het verblij- ven in de openbare ruimte. Het gaat hier over de aard en de duur van de activiteit in de open- bare ruimte. Bij passeren gaat het vooral om van A naar B te komen, oftewel een vorm van noodzakelijk gebruik.14 37
  • 23. In grote steden zie ik parken, speeltuinen en sportvelden volop worden gebruikt. Waarom worden deze plekken zo goed gebruikt en sommige ook weer niet? Het zou te maken kunnen hebben aan de ligging, de materialen of de gebruikers. Als toekomstige ontwerper voor de openbare ruimte ben ik nieuwsgierig hoe mijn ontwerp ooit gebruikt zal worden. Wordt het zo gebruikt zoals ik het zou willen? Moet ik wel zo ontwerpen met de intuitie van de gebruiker in mijn achterhoofd of ontwerp ik het omdat ik het zo mooi vindt. Over elke vierkante meter in ons gemaakte landschap is nagedacht en alles is gereguleerd. Met een ontwerp is het mogelijk om met elk detail en regeltoepassing in de openbare ruimte rekening te houden. Hoe de gebruiker de openbare ruimte beleefd of gebruikt is pas na de aanleg te constateren. Is de stedenbouwkundige wel opgewassen tegen de instinct van de gebruiker? 2.4 De instinct van de gebruiker in de openbare ruimte. 40 Afb. pag. 38,39: Garry Winogrand, Woman are Beautiful, New York V.S., 1975
  • 24. De Nederlandse term ‘olifantenpad’ is een verwijzing naar de paden die in de jungel worden gemaakt door logge olifanten, die zich door niets en niemand laten tegenhouden. Een olifan- tenpaadje is immers een pad dat wandelaars of fietsers zelf kiezen en ook maken, zonder zich iets aan te trekken van de stedenbouwkundigen.15 Olifantenpaadjes, de kortste weg van A naar B niet van A naar C. Een olifantenpaadje is een ‘afstekertje’, de kortste weg tussen A en B. Je ziet ze meestal als kale linten in groenstroken, bermen en talluds. Iedereen gebruikt ze, zonder er verder bij stil te staan. Terwijl het toch een merkwaardig verschijnsel is. Over elke vierkante meter in ons aan- geharkte land is nagedacht en alles is gereguleerd. Maar tegen olifantenpaadjes is geen kruid gewassen. Ze ontstaan spontaan. Hoe goed stedenbouwkundigen hun huiswerk ook doen. Er is onderzoek gedaan naar hoeveel mensen in een uur de verharde stoep en het olifanten- paadje namen. Geteld zijn er 65 mensen die het olifantenpaadje namen. 11 mensen de stoep waarvan 6 met hoge hakken.16 Het ontwerp in de openbare ruimte rondom een olifantenpaadje is vaak niet veel soeps. Plan- ologen en Architecten van stedelijke ontwerpen moeten flexibele zijn. Fout van de ontwerper is dat alles is al vastgelegd in het ontwerp. Gek genoeg accepteren vele ontwerpers dat er olifantenpaadjes ontstaan omdat het menselijk instinct niet te sturen is. Wel zal een verbetering zijn is een betere samenwerking tussen verkeers- en stedenbouwkun- digen. Dat de steden en verkeersdeskundigen meer tijd en geld stoppen in een nazorg traject. De gemeente Leusden probeerde een olifantenpaadje te blokkeren door een greppel te gra- ven. Tevergeefs. De greppel veranderen in een dijkje hielp evenmin. Later kwam er een hek te staan. Werkte ook niet. De wanhopige wethouder overwoog nog een rioolbuis neer te leggen als obstakel. Maar hij heeft gecapituleerd.17 Eigenlijk diep het hart van stedenbouwkundigen, vinden zij de olifantenpaadjes een aardig ver- schijnsel en soms zelfs een waardevol toevoeging. Waarschijnlijk willen zij in ons gereguleerde Nederland toch een onschuldige ongehoorzaamheid behouden. 41 Afb. pag. 42,43: P. Huiskamp, Olifantenpadje, Apeldoorn, 2011
  • 25. De bestaansbasis van een plek is sterk verbonden met de functie ervan.18 Openbare ruimtes in de stad hebben verschillende functies zoals een vormgevingsfunctie, het bieden van mogelijk- heid tot sociaal contact of anonimiteit, het bieden van rust en recreatie of juist de mogelijkheid om volop mee te doen met het stedelijk leven.19 Straten, parkeerplaatsen en fietspaden zijn misschien niet echt tot de verbeelding sprekende voorbeelden van openbare ruimtes. Zoals een park, het zijn wel drie voorbeelden met een verkeersfunctie, zoals wandelen, fietsen, auto- rijden en parkeren. Meestal heeft een openbare ruimte dubbele functies, een straat heeft bij- voorbeeld naast een verkeersfunctie ook een sociale ontmoetingsfunctie. Goede verblijfsmogelijkheden in straten direct voor de huizen stimuleren het buitenleven, zoals een bankje of stoepje. Dit is een ontmoetingsplek, zoals Jane Jacobs (1961)20 beschrijft, en het is vaak een aantrekkelijke plek voor bewoners om zich op te houden en contact met elkaar te hebben. In Nederland houd men van zijn eigen ruimte. Vandaar ook de meest hoge schuttingen in de achtertuin. In de grote steden zoals New York in de buurt Greenvillage. De buurt waar leven, beleving en ontmoetingen zijn op straat. In Nederland kan een schutting met tuin het contact en gebruik van de openbare ruimtes zoals een parkje verderop juist belemmeren. Dat be- schutte is voor veel mensen veilig en comfortabel dus een belangrijke plek om te recreëren.21 Beschrijving documentaire William H. Whyte. The Social Life of Small Urban Spaces Small fragment of William H. Whyte’s witty and original film about the open spaces of cities and why some of them work for people while others do not. 1980 Gezamenlijk gebruik is volgens Whyte (1980) een kwaliteit van een openbare ruimte, omdat men dan bewust voor die plek gekozen heeft om elkaar te ontmoeten. Dit betekent niet dat op ‘succesvolle openbare plekken’ alleen maar gezamenlijke activiteiten plaatsvinden, ook indivi- duen zijn daar vaker te vinden. Oftewel: een succesvolle openbare ruimte is een veel gebruikte openbare ruimte.22 The best used plazas are sociable places with a higher proportion of couples than you find in less used places: more people in groups, more people meeting people, or exchanging good- byes.23 In het filmpje van Whyte is te zien dat mensen met de zon meebewegen. Klimaat en weer spelen een belangrijke rol in het ontwerp van een openbare ruimte. Steden in warme landen hebben piazza’s gelegen tussen de bebouwing. Deze piazza’s worden regelmatig gebruikt van- wege het tekort aan een eigen buitenruimte aan huis. In deze warme landen blijft het gebruik 2.5 De functies van stedelijke ontworpen openbare ruimtes 44
  • 26. 45 continu vanwege het gelijkmatig tempratuur of het afwisselend gebruik in plekken gelegen in de zon of juist in de schaduw. Het weer in Nederland is vaak afwisselend van lange dagen kou, één dag zomer en dan weken regen. We hunkeren naar warmte en klagen graag dat het weer nooit goed is. Dus als het eerste voorjaarszonnetje schijnt dan gaan we massaal met winterjas en muts op het terras zitten met een warme chocomel. Openbare plekken zoals pleinen met horeca hebben de meest ontmoetingsactiviteit vooral tijdens de lunch en ‘s avonds tijdens de borrel. Deze ontspanningsvorm, die zich bevind in het drukke stadsleven, geeft mensen het gevoel van ontspannen en genieten. Mensen worden getrokken door plekken die een activiteit en voorzieningen aanbieden, waar iets te doen is.24 Plekken waar niks te doen is en waar geen voorzieningen zijn, blijven leeg. Hoe meer activiteiten er zijn, des te meer krijgen mensen de kans om deel te nemen. Van belang is dat iedereen de kans krijgt mee te doen.25 Ook kinderen spelen het liefst waar de meeste activiteiten al plaats vinden. Zij laten zich niet leiden door speelplekken die speciaal voor hen gecreëerd zijn: zowel in wijken met eengezinswoningen als in flatwijken spelen kind- eren vooral op straat, op parkeerplaatsen en bij ingangen van huizen.26 Dat openbare ruimtes, zoals parken, onder andere om aan de drukte van de stad te ontsnappen worden gebruikt. Het ironsiche hieraan is dat vele dit weten maar toch doen en hieruit blijkt dat mensen toch altijd andere mensen opzoeken.27 De verschillende soorten gebruik stellen dus elk andere eisen. Maar wat maakt een openbare ruimte een goede openbare ruimte? Gehl legt een verband tussen het gebruik en de kwaliteit van de fysieke inrichting van de openbare ruimte. Enkele voorwaarden zijn: Een goede plek is een bereikbare en toegankelijke plek.28 Hier komen veel verschillende men- sen die de mogelijkheid hebben om uiteenlopende activiteiten te doen. Andere kenmerken die het gebruik beïnvloeden zijn veiligheid en comfort. Verder trekken plekken die schoon en esthetisch waardevol zijn meer mensen aan.29 Verder moet de plek voldoende zitruimte bieden zodat mensen langere tijd kunnen verblijven.30 Afb. pag. 46,47: Edwin Zakman, Street 11, 2004 Afb. pag. 48,49: Whyte, Sceen shots documentaire; The Social Life of Small Urban Places, 1930
  • 27. 07
  • 28. 07
  • 29. 3
  • 30. 3 Gebruik en beleving 51
  • 31. Gebruik en beleving bevatten verschillende aspecten. Er zijn uiteenlopende soorten gebruik van openbare ruimtes, men kan een park doorkruisen om van A naar B te komen, men kan er heen gaan om te sporten of men gaat er heen om vrienden te ontmoeten. Het gaat om nood- zakelijk of optioneel gebruik, gezamenlijk of individueel gebruik en over verblijven of passeren.31 Het gebruik verschilt per mens, afhankelijk van sociale kenmerken. Zo gebruiken ouderen de openbare ruimtes anders dan jongeren. Ook hangt het gebruik af van de functie van de open- bare ruimte, een muziekfestival zal eerder in een stadspark georganiseerd worden, dan op een bedrijventerrein. Door de verschillende activiteiten en belevenissen kennen gebruikers betekenis toe aan een plaats. Bij het beleven gaat het om een set van wisselende factoren die mede bepalen hoe mensen over een plek denken. Het gaat om ervaringen, voorkeuren, waardering en sociale constructie.32 3.1 Gebruik en beleving in de ontworpen omgeving 54 Afb. pag. 52,53: Alex MacLean Lenox, Parkinglot, Disneyland Florida V.S., 2005
  • 32. We lopen ’s nachts liever niet meer alleen door een slecht verlicht park, we kunnen ons ergeren aan kapotte stoeptegels en veel ouderen lopen het liefst met een grote boog om een groep lawaaiige hangjongeren. Daarentegen zitten we op een mooie zomerdag graag op een gezellig plein waar van alles te zien is, geeft het groen en water in de wijk ons een gevoel van rust en laten we de kinderen het liefst spelen op veilige en schone speeltoestellen. Openbare ruimtes zijn niet slechts het product van de ontwerper, maar worden pas een plek als het betekenis krijgt voor een individu of binnen een samenleving. Plekken worden voort- durend door mensen gecreëerd en gerepresenteerd. Een belangrijk begrip in dit verband is, sociale constructie, het proces waarbij meningen, betekenissen en beelden van een plaats in sociaal verband gevormd worden.33 Het gaat hier om de subjectieve waardering van de ge- bruiker, oftewel hoe mensen de openbare ruimtes beleven. Beleving is een vaag en moeilijk meetbaar begrip, door de toename van belevingsonderzoek de afgelopen jaren is er steeds meer bekendheid gekomen. Beleving is een set van wisselende factoren die mede bepalen hoe mensen over een plek denken. Het ene onderzoek legt bij het meten van beleving de nadruk op de ervaringen die men in de omgeving opdoet en de betekenissen die men daaraan toekent terwijl het andere onderzoek meer gebaseerd is op de waardering van de omgeving waarbij ’voorkeur’ een cen- traal begrip is.34 De beleving van de ontworpen omgeving 3.2 55
  • 33. Afb. pag. 56,57: Kevin Lynch, Screen shots documentaire; The image of the city, 1960
  • 34. Eén van de eerste wetenschappers die uitgebreid onderzoek deed naar de beleving van de stad is Lynch, waarbij hij gebruik maakte van mental maps als onderzoeksmethode. Steden zijn constructies in de ruimte, met een redelijk vaste schaalgrootte maar het beeld wat wij over de stad hebben verandert constant en verschilt per persoon. Volgens Lynch gaat het om de ‘leesbaarheid’ van de stad, oftewel de mate van herkenning van bepaalde stadsdelen. Dit zorgt voor een bepaald beeld ven de stad dat door meerdere mensen min of meer gedeeld wordt. Dit is onder andere van belang voor het navigeren door de stad, oftewel voor de oriën- tatie, dus weten waar je bent. De volgende vijf fysieke elementen bepalen voor een groot deel de leesbaarheid van een stad: -Paden of lijnen (‘paths’): hier beweegt men zich langs: straten, wegen, fietspaden. Dit zijn vaak belangrijke objecten in een mental map omdat via deze wegen de omgeving wordt gebruikt. -Randen (‘edges’): objecten die een grens of contrast aangeven, deze helpen een omgeving op te delen in segmenten bijvoorbeeld een hek of bebouwing. -Gebieden (‘districts’): een min of meer afgebakend gebied van de grotere ruimte, op basis van een bepaalde herkenbare identiteit of karakter. Zij maken deel uit van een groter netwerk. -Knooppunten (‘nodes’): elementen waar men naar toe en vandaan beweegt, zoals stations of pleinen. -Bakens of oriëntatiepunten (‘landmarks’): Zijn ook een soort knooppunt maar staan meer op zichzelf en maken niet per se deel uit van een netwerk. Deze zijn duidelijk identificeerbaar en herkenbaar voor ruimte. Voorbeelden zijn een kerktoren of een opvallend appartementen- complex. Deze elementen moeten wel aan bepaalde eisen voldoen wil het waarde hebben als openbare ruimte. De elementen moeten goed bereikbaar en toegankelijk en zichtbaar zijn. Lynch richt zich in dit onderzoek vooral op de fysieke omgeving maar erkent dat er ook andere aspecten van belang zijn bij de ‘leesbaarheid’ van de stad zoals de sociale betekenis van een gebied, de functie, de historie en zelfs de naam.35 Een quote van Kevin Lynch uit The image of the city. Waar het nu eigenlijk om gaat bij het be- leven van een stad. “Looking at cities can give a special pleasure, however commonplace the sight may be. Like a piece of architecture, the city is a construction in space, but one of a vast scale, a thing perceived only in the course of long spans of time. [...] At every instant, there is more than the eye can see, more than the ear can hear, a setting or a view waiting to be explored. Nothing is experienced by itself, but always in relation to its surroundings, the sequences of events leading up to it, the memory of past experiences.”36 - Kevin Lynch, 1960 3.3 Mental Maps 58
  • 35. Bij het ervaren van openbare ruimtes in de directe omgeving speelt ook plaats verbondenheid een belangrijke rol. De relatie tussen bewoners en hun beleving van de woonomgeving varieert naar persoons- en huishoudenkenmerken. Zo is er de veronderstelling dat bewoners in lagere sociaaleconomische posities, ouderen en huisvrouwen met jonge kinderen hun buurt intensie- ver gebruiken, meer sociale contacten in de buurt hebben en zich meer met de buurt identifi- ceren. Ook huizenbezit zou hier positief mee samenhangen. Tijd is hier een belangrijke factor: hoe meer tijd men in de buurt doorbrengt, hoe hechter de relatie met de woonomgeving is.37 Afb. pag. 60,61: Maider Lopez, Crossing, 2006 Series of photographs taken when a person walks in front of a building or urban element that is exactly the same colour as the persons clothing. The photos show urban scenes in which, sometimes clearly and sometimes subtly, people are camouflaged with the architecture. Relatie tussen mens en de ontworpen omgeving 3.4 59
  • 36. Het leven in steden vol met zintuigelijke prikkels is soms niet altijd prettig. Er is meer geluid, meer drukte, er zijn meer geuren en veel verschillende mensen. Sinds vorig jaar woont meer dan de helft van de wereldbevolking in stedelijke gebieden. Omdat er steeds meer mensen (soms gedwongen) naar de stad trekken, roept dit bij mij de vraag op hoe het leven in de stad van invloed is op de beleving van de mens. Een mooi voorbeeld hoe de stad de zintuigelijke beleving van de mens kan beïnvloeden vind ik het onderzoek naar geluid. Het blijkt namelijk dat het geluid in de stad steeds harder wordt. Dit komt hoofdzakelijk doordat er steeds meer lawaaiige apparaten in de publieke ruimte zijn. Denk maar aan de gemeentewerker die bladeren met een blower op komt ruimen of de gla- zenwasser die tegenwoordig standaard een elektrische hoogwerker of hogedrukspuit bij zich heeft. Waar in de natuur ieder dier een eigen frequentie gebruikt werkt dit in de stad niet zo. Auto’s hebben bijvoorbeeld niet een andere frequentie dan fietsers, ze maken simpelweg meer geluid en overstemmen daarmee andere geluidsveroorzakers. Hoewel deze opeenstapeling van geluid voornamelijk onprettig is om te horen, ervaren we het als lawaai, blijkt ook dat het geluid van invloed is op het gedrag van de mens. Een mens kan slechts een bepaalde hoeveelheid prikkels zoals door ruiken, voelen, zien, proeven en horen tegelijk verwerken. Wanneer deze hoeveelheid prikkels te groot word dan kan dit twee conse- quenties hebben: je wordt er door overladen of je sluit je er voor af.38 In het eerste geval kun je kun je voorstellen dat je in een zeer luidruchtige ruimte bent. Je kunt je niet afsluiten voor dat wat je hoort en wat je ziet. Het betekent bijvoorbeeld ook dat je je niet kunt concentreren. Wanneer de stimuli niet te overheersend zijn kun je ook kiezen om je af te sluiten voor de omgeving. Een bijzondere en steeds vaker voorkomende manier van afsluiten voor omgevingsgeluid is het dragen van een iPod terwijl je over straat loopt. Denk maar eens aan de iPod drager. Wat betekent het afsluiten nu eigenlijk? Wanneer je je afsluit voor harde ge- luiden van passerende trams of voorbijrazende auto’s sluit je je ook af voor de sociale interactie met andere stadsgenoten. Veel en harde geluiden zijn dus, naast de invloed op het individu, indirect ook van invloed op de sociale beleving van de stad. Langs drukkere autowegen zullen zich minder mensen ophouden. Het is immers een onprettig geluid. Dit terwijl stromend water, zoals een fontein, juist een prettig geluid geeft (niet iedere vorm van stromend water is overigens prettig, het moet niet harder zijn dan het volume van praten). Mensen zullen zich daarom eerder rond dit soort plekken bevinden. Op deze manier is de hoeveelheid en het soort geluid van invloed op de manier van sociale interactie. De kennis over geluid laat ons op een andere manier kijken naar de inrichting van de openbare ruimte. Het betekent bijvoorbeeld dat we ervoor moeten zorgen dat we naast drukke plekken ook geluidsarme plekken in moeten richten. Deze geluidsarme plekken zullen tegelijkertijd dan ook de plekken zijn waar het voor mensen makkelijker en aantrekkelijker is om met elkaar in contact te komen. Geluid speelt dus een belangrijke rol bij het ontwerpen van openbare ruim- tes in wijken en steden. Geluid beïnvloedt de beleving.39 3.5 Geluiden in de ontworpen omgeving 62
  • 37. Exposé Using bone conduction, a technology developed for hearing devices, the touch echo instal- lation transmits sounds of the cities which were devastated in the 1945 carpet bombing in the Second World War, through the arms of the visitors when they rest their elbows on the ba- lustrade and hold their ears closed. Several custom-made sound conductors mounted to the railing send sounds of airplanes and bombs exploding through vibrations; it is completely silent unless you touch the railing. The installation touched echo is a minimal media intervention set within a public space. The visitors of Brühl’s Terrace in Dresden are taken back in time to the night of the terrible air raid which devastated their city February 13, 1945. In their role as per- former, the visitor imagines themselves in the place of the Dresden inhabitants who must have closed their ears tightly in fear to shut out the horrendous noise of the explosions 65 years ago. When one leans on the balustrade the sound of airplanes and explosions is transmitted from the swinging balustrade through one’s arm directly into the inner ear. Markus Kison touched echo. D-2007 - 2009. Side specific installation on the Brühlsche Terrrasse, Dresden. Film: http://vimeo.com/1182182 vanaf 1.24 tot 2.30 min Afb. pag. 64,65: A touch of code, Interactive Installations and Experiences Expose, pag. 81, Gestalten 2011 No bird sang Documentair fotograaf Anaïs López (1981, Nederland) vertrekt vanuit het leven in de stad en de plek die de mens er inneemt. Ze legt de interacties tussen stad en mens in stilstaand en be- wegend beeld vast: een close-up op het individu wisselt af met een beeld van de stad waarin dit individu leeft en verbindt zo de private met de publieke realiteit. Een voorbeeld van een documentair stadsportret dat López ophangt aan een persoonlijk verhaal is het project In the beginning no bird sang. In dit ‘work in progress’ staat de Amsterdamse nieuwbouwwijk IJburg centraal. Aangetrokken door het idee van een afgelegen stad zonder geschiedenis trok López de buurt in. Tijdens haar wandelingen ontmoette ze Jean, een blinde man die alle vogels op het eiland bij naam kent. Deze tussentijdse installatie van López combineert de foto’s die ze nam tijdens de wandelingen met de oscillogrammen, de grafische representatie van het zanggeluid, van de vogels die op deze specifieke plek voorkomen. (tekst: Liene Aerts) Afb. pag. 66,67: Anais Lopez, No bird sang, 2012, http://www.anaislopez.nl/installation_no_bird_sang/in/work_ in_progress (18 maart 2013) 63
  • 38. Het is begonnen met mijn verhuizing naar de buitenwijk Tolsteeg. Ik heb 8 jaar vlakbij het Zocherpark gewoond. Ik nam hier regelmatig een wandeling. Ik ben in mijn nieuwe wijk op- zoek gegaan naar een nieuwe wandeling. Waar is het groen en waar kan ik mijn gedachtes op orde zetten. Welke structuren, materialen, kleuren, bewegingen en geluiden beleef ik hier. Het begon net herfst te worden dus alle kleuren van de bladeren en bosjes waren zeer kleurrijk. Ik heb mijn zoektocht hiernaar vastgelegd op film. Bij toeval door het omzetten op de computer is de kwaliteit verslechterd. Ik begon mij af te vragen of wij niet door de snelheid waarin wij leven onze omgeving niet meer in detail zien. Alles om ons heen wordt abstract. Een wereld van gekleurde vlaktes om ons heen. Het Hollandse landschap zie ik wanneer ik vanaf Schiphol met helder weer opstijg. Eerst zie ik nog de boerderijen en bebouwingen tegen de achtergrond van weilanden, akkers, sloten en plassen. Maar komt het vliegtuig hoger dan verdwijnen de details en vervormen de herkenbare dingen in lijnen en vlakken. De schoonheid die ik dan beleef is van een wijds patroon van ge- lijkwaardige, naast elkaar geplaatste vlakken. Het is alsof ik naar een moderne variant van een van Mondriaans rasterschilderijen kijkt. Elke keer dat ik Holland weer in vogelvlucht aanschouw vraag ik me af wat er zo bijzonder is aan het zien van omgevingen als abstracte patronen van vlakken en lijnen? Mondriaan heeft Holland nooit in vogelvlucht aanschouwd. Hij vertrok waarschijnlijk met de boot naar Engeland en vandaar naar New York nadat de Tweede Wereldoorlog uitgebroken was. De laatste, en volgens hem de gelukkigste, jaren van zijn leven bracht hij door in New York, de stad die hij bewonderde om haar geheel van rechthoekige vormen. Mondriaan overleed er in 1944. (Een gebeurtenis die in 1994 op veel plaatsen werd herdacht met tentoonstellingen). Het is jammer dat Mondriaan de omgeving van Schiphol en Amsterdam, die hij tijdens zijn Amsterdamse jaren (1892-1912) vaak schilderde, nooit in vogelvluchtperspectief heeft mogen aanschouwen. Hij zou het zeer gewaardeerd hebben. In een autobiografisch essay, dat hij in de lente van 1941 in New York schreef, vermeldt hij dat hij als jonge schilder landschappen bij voorkeur bij grijs en donker weer schilderde wanneer de atmosfeer de details van de dingen vervaagde en de omtrekken juist accentueerde. Later in Parijs omstreeks 1910 voelt hij zich sterk aangetrokken tot het werk van de kubisten. Hij vindt alleen dat ze niet ver genoeg gaan in hun abstractie van afgebeelde dingen. Mondri- aan onderzoekt in zijn schilderijen van bomen, huizen en planten wegen naar een nieuwe visie van de zichtbare werkelijkheid. `Meer en meer verwijderde ik gebogen lijnen uit mijn schilderijen totdat mijn composities uiteindelijk alleen bestonden uit verticale en horizontale lijnen’, schrijft Mondriaan terugkijkend in New York. De waarneming van herkenbare objecten verdwijnt gelei- delijk uit zijn werk. Vergelijk bijvoorbeeld zijn schilderijen van bomen uit 1908. Mondriaan verlaat langzaam het uitgangspunt dat een schilderij iets afbeeldt, zoals bijvoor- beeld bij de kubisten nog het geval was. Lijnen, rechthoeken en kleurvlakken zijn de nieuwe 3.6 Vormgeving van de ontworpen omgeving 68
  • 39. schilderkundige elementen. Mondriaan stelt zich de opdracht met deze elementen composities te maken die nieuwe expressieve kwaliteiten aan de toeschouwer tonen. Dit resulteert onder meer in de bekende rasterschilderijen. De toeschouwer die gewend is aan afbeeldingen van dingen uit de zichtbare omgeving wordt een nieuwe abstracte kijk op de wereld getoond. Zouden wij de esthetisch patronen van een Hollands landschap in vogelvluchtperspectief be- wust ervaren zonder de kennis van Mondriaans schilderijen en zijn levenslange onderzoek dat daaraan vooraf ging? En dat geldt natuurlijk voor meer waarnemingen. Zouden wij de vlakver- delingen kunnen waarderen van moderne architectuur, de aanleg van pleinen, enzovoort? En zouden de ontwerpers deze gebouwen en pleinen hebben kunnen maken zonder Mondriaans werken gekend en begrepen te hebben? Onze hedendaagse ervaring van de ontworpen om- geving lijkt sterk beïnvloedt door Mondriaans abstracte visie van de werkelijkheid. Een in dit verband interessante perceptiepsychologische vraag is: Wat ging Mondriaan tijdens zijn leven zien? Of hoe ging hij de zichtbare omgeving anders zien? Volgens Mondriaan berust de `oude kunst’ op lijnen en vormen. Zijn `nieuwe kunst’ gaat uit van vlakken en composities. In waarnemingstermen kan men zeggen dat de `oude kunst’ er op gericht is de toeschouwers een omgeving te laten zien van figuren tegen een achtergrond, terwijl Mondriaans nieuwe kunst probeert de toeschouwer een omgeving te laten zien die op- gebouwd is uit vlakken en lijnen die tezamen een compositie tonen. Vanuit de hedendaagse waarnemingspsychologie bekeken had Mondriaan gelijk in een aantal zaken, al waren zijn conclusies erg rechtlijnig. Hij had gelijk dat de wereld der dingen niet de enige wereld is die wij kunnen zien. Als ik in het vliegtuig zit, kan ik de omgeving van Am- sterdam behalve als een landschap met boerderijen, sloten en weilanden ook zien als een abstract patroon van kleurvlakken. Ik zou het eerder een creatieve waarneming noemen. Ik kan hetzelfde visuele gegeven vanachter het vliegtuigraam op meerdere manieren ordenen of organiseren, waardoor nieuwe waarnemingen kunnen ontstaan. Soms zie ik een geblokt tafel- laken in de door sloten omgeven percelen van het landschap. Mondriaans abstracte zienswijze lijkt vooral functioneel wanneer men een gegeven op een andere manier wil bekijken. In een abstract vlakkenpatroon duiken eerder nieuwe beelden op dan uit de feitelijke registratie van weilanden, sloten en boerderijen.40 Mondriaan schreef regelmatig naar zijn vrienden in Parijs vanuit New York. Wat zou Mondriaan hebben geschreven, zou hij zelf ooit of door iemand een luchtfoto van zijn geboorteland heb- ben gezien? We zullen het nooit weten. De wens van Mondriaan aan zijn vrienden was dat alle brieven na het lezen vernietigd moesten worden. 69 Afb. pag. 70,71: Piet Mondriaan, Boom, 1908, http://www.mondriaanfonds.nl/Activiteiten (13 december 2012) Afb. pag. 72,73: National Geographic, Tulipfields, Holland, 2010 Afb. pag. 74,75: Jonathan Lewis, Pixel Walmart, 2009
  • 40. 4
  • 41. 4Bewegen in de ontworpen omgeving 77
  • 42. “Waarom is ‘even een blokje om’ voor zoveel mensen hét middel om hun gedachten te orde- nen?” Is het misschien het ritme van de voetstappen, de vrijheid om alle kanten uit te gaan, de frisse buitenlucht, of het uitzicht? Lopen is de oudste manier om ons voort te bewegen en de eenvoudigste. We hoeven er geen speciale technieken voor aan te leren of apparatuur voor aan te schaffen. Het zit in onze natuur. Wandelen kent geen ander doel dan het lopen zelf. De mensheid leerde lopen voor ze leerde spreken - nog altijd worden de eerste stapjes die een peuter zet even hoog gewaardeerd als zijn eerste woordjes. En we gebruiken het lopen als beeld voor een groot aantal fundamentele aspecten van ons leven: de loop der tijd, het recht dat zijn loop moet hebben, een levensloop, een loopbaan, een goed lopende argumentatie. Pas de laatste paar duizend jaar hebben we ons zwervend bestaan opgegeven en pas de afgelopen eeuw zijn we massaal overgegaan tot een zittend bestaan. 4.1 “Ik ben al lopend tot mijn beste gedachten gekomen”. 80 Afb. pag. 78,79: Friedrich Nietzsche, Friedrich Nietzsche, The New York Times, 2003
  • 43. “All truly great thoughts are conceived by walking.” Friedrich Nietzsche Friedrich Nietzsche: Alleen gedachten die ons tijdens het wandelen invallen zijn waardevol. Veel filosofen verwijzen naar hun wandelingen. Wandelen: die speciale vorm van lopen die be- doeld is ter ontspanning, die geen ander doel kent dan het lopen zelf, die in vrijheid plaatsvindt en waarbij iedere richting een goede kan zijn. Ergens in 1882 kocht Friedrich Nietzsche een schrijfmachine - een ‘Schrijfbal’, merk Malling- Hansen. Zijn gezichtsvermogen ging achteruit. Het werd uitputtend en pijnlijk zijn blik gefixeerd te houden op een pagina. Hij kreeg er hoofdpijn van. Hij had het schrijven al moeten beperken en vreesde het te moeten opgeven. De schrijfmachine redde hem, tenminste tijdelijk. Toen hij eenmaal kon tikken leerde hij het ook met gesloten ogen te doen. Woorden konden weer van zijn geest naar het papier komen. Maar de machine had nog een ander effect op z’n werk. Een van zijn vrienden, en componist, merkte een verandering in zijn schrijfstijl op. Zijn bondige proza was nog strakker geworden, neigde naar telegramstijl. ‘Misschien neem je door dit instrument zelfs een nieuwe stijl aan,’ schreef de vriend, daarbij opmerkend dat als hij zelf iets noteerde over muziek en taal het resultaat vaak afhing van de kwaliteit van pen en papier. ‘Je hebt gelijk,’ antwoordde Nietzsche, ‘ons schrijfgereedschap speelt een rol in het vormen van onze gedachten.’ Door de machine veranderde Nietszsches proza van argumenten naar aforismen, van gedachten naar woordspelingen, van retoriek naar telegramstijl. Nietzsches dagen bestaan voor een groot deel uit wandelingen, tijdens welke hij kleine noti- ties maakt. Die aantekeningen werkt hij later uit tot korte teksten: aforismen in meer of minder strikte zin van het woord, teksten die veel te raden laten, die vaak meerzinnig zijn, die eerder de lezer tot zelf denken aanzetten dan dat ze een theorie van de auteur presenteren. Regelmatig verzamelt Nietzsche deze aantekeningen in boeken die hij wel aanduidt als wan- del-boeken: het zijn boeken die men evenmin aan één stuk kan doorlezen, als ze aan één stuk geschreven zijn. Al deze boeken verzamelen gedachten over een grote verscheidenheid aan onderwerpen, steeds geformuleerd in korte teksten, variërend van enkele regels tot enkele pa- gina’s. En hoewel er wel een zekere orde zit in de verzameling van teksten per hoofdstuk, blijft de lezer gedwongen steeds grote stappen te nemen, of te springen van het ene onderwerp naar het andere.41 81
  • 44. 82 Vanaf mijn tiende schrijf ik in dagboeken. Elk dagboek heeft een eigen vorm en kleur. Elk dagboek is anders. Een behoefte om opnieuw te beginnen. Ik schrijf op wat geheim is voor een ander. Ik lees ze nu niet pas later als ik oud ben. Door een voor een ga ik terug in het verleden. Wat geschreven is staat vast, kan nooit meer veranderd worden. In één dagboek heb ik met potlood geschreven. Ik heb hier best spijt van want ik ben bang dat het loop der jaren zal vervagen. Ooit gedacht om het met blauw inkt over te schrijven. Maar dan vernieuw ik het, misschien moest ik wel de verhalen in potlood schrijven. Op dat moment was het een fijne keuze, want potlood schrijft zacht en heeft iets van vroeger toen ik leerde met potlood mijn naam precies tussen de blauwe en rode lijnen te schrijven. Letter na letter. Elk dagboek van mij heeft een ander handschrift, maar wel mijn handschrift. Ik heb iets met handschriften. Ik wil later ook een handschrift die iedereen herkent als mijn handschrift. Elke pen en papiersoort daar schrijf ik anders door. Ik kan een tijd lang dezelfde stijl hebben maar deze blijft niet. Mijn enige echte handschrift komt op papier wanneer ik iets snel moet schrijven. Dat is de meest comfortabel handschrift die ik ken, maar ook de lelijkste. Het past niet, het is niet leesbaar, het is slordig. Hoe kan ik het lelijk vinden terwijl dat schrift in zijn puurste vorm is. Er is totaal geen controle over geweest. Mijn concentratie ligt op dit moment niet bij het schrijven maar bij het luisteren. Want wat ik moet opschrijven wordt snel verteld. Met moeite probeer ik zoals een telefoonnummer wel netjes op te schrijven. Ik herhaal het en toch heb ik twee nummers verkeerdom genoteerd. Daar gaan mijn mooie opgeschreven nummers. Het is een zooitje op papier maar de inhoud is het belangrijkst. Deze moet ik goed bewaren tot ik het moet gebruiken. De verhalen in mijn dagboeken zijn veel belangrijker dan de stijl van het schrijft maar hoe duidelijker geschreven hoe beter en mooier. In tegenstelling tot mijn leven zie ik de mooiheid in geschrift er langzaam vanaf zakt verder de dag door die ik beschrijf. Nietzsche heeft gelijk.
  • 45. 83 Walking, Walks, Walka-bouts, Walker, Hiker, Saun-tering, Meandering, Strol-ling, Wander, Wandering,Saunter, Promenade, Am-bulate, Shuffle, Fast Wal-king, Competitive Walking,Gait, Stride, Pace, March,Quick Step, Browse, Win-dow Shopping, Sight See-ing, Walking Meditation,Contemplative Walks, Kin-hin, Pilgrimages, Stroll, La-byrinths, Sacred Circles,Marching, Parading, Cir-cumnavigation, Path, Pa-thway, Trail, Sidewalk, Road,wandelen, Slenteren, hup-pelen, links, rechts, schui-velen, ijsberen, omgaan,struinen, omlopen, rond-drentelen, rondgaan, rond-sjouwen, rondslenteren,rondsluipen, rondwande-len, rondzwerven, rotsen,wandelen, kuieren, drente-len, kuieren, rondslenteren,slenteren, wandelen, zichvertreden, flaneren, slen-teren, wandelen, kuieren,slenteren, wandelen, eenblokje om gaan, een lucht-je scheppen, een wande-ling maken, flaneren, kuie-ren, lopen, zich vertreden,drentelen, rondlopen, be-nen, gaan, ijsberen, kuie-ren, marcheren, pikkelen,schrijden, stappen, stiefe-len, treden, voortbewegen,zich bewegen.
  • 46. “Ik gebruik de wereld zoals hij is, als een ontwerp en als een toevalligheid” Richard Long Door te wandelen in het landschap laat hij een spoor achter. Richard Long maakt hier foto’s van en omschrijft in woorden wat hij om zich heen ziet. My work has become a simple metaphor of life. A figure walking down his road, making his mark. It is an affirmation of my human scale and senses: how far I walk, what stones I pick up, my particular experiences. Nature has more effect on me than I on it. I am contact with the vocabulary of universal and common means; walking, placing, stones, sticks, water, circles, lines, days, nights, roads.42 Zijn levenswijze staat heel dicht bij zijn werk. Net zoals zijn kunst reduceert hij ook zijn leven tot erg simpele activiteiten, zoals wandelen. Het ritme slapen-wandelen-slapen geeft hem een inzicht in het ritme van de natuur, een ritme dat hij omzet in een universele vormentaal. Zo wandelt hij bijvoorbeeld enkele malen rond in een cirkel en die wandeling legt hij dan achteraf vast in de vorm van een landkaart (de Associatieve Wandeling). Of hij loopt heen en weer in een rechte lijn tussen twee punten totdat zijn voetstappen die lijn zichtbaar hebben gemaakt. Het liefst werkt Long op ‘abstracte’ plaatsen, die zeer uitgestrekt zijn, zoals de Schotse High- lands, want daar ‘’gebeurt iets te midden van niets’’. Daar, in the middle of nowhere, begint Long te sleuren met keien en stenen, die volgens de kunstenaar als religieuze tekens kunnen begrepen worden. Toch zijn het niet enkel de stenen die belang hebben, het is de gehele sfeer, de ambiance, de details. Ook het tijdstip op de dag en de gevoelens van de kunstenaar bepa- len mee hoe een sculptuur er uiteindelijk uitziet. Walking, he said to me, wit hits hardships and its pleasure, the suprise of discovery andgro- wing experience, relaxation and concentration: walking is a good way tot hink. Steady rythems. Your feet can take you anywhere in the world, except where there is no water or the water is too deep. A lot of ideas come while walking, or when sitting down to rest. Landscape puts them into your head.43 Richard Long is een veelzijdig kunstenaar, hij werkt niet alleen met foto’s, boeken en sculp- turen, maar ook met taal. De taal die hij hanteert, is echter niet bedoeld als poëzie. Het zijn ‘begrippen die hij tegenkomt op zijn wandelingen en die hij samenbrengt’. Een zin is ‘een sculptuur van woorden’, net zoals een wandeling voor Long ‘een sculptuur van stappen is’, en een lijn ‘een sculptuur van stenen’.44 86 4.2 Wie wandelt het best? Wandelen inspireert
  • 47. I like the idea of using the land without possessing it. A walk marks time with an accumulation of footsteps. It defines the form of the land. Walking the roads and paths is tot race a portrait of the country. I have become interested in using a walk to express original ideas about the land, art and walking itself. A walk is also the meands of discoveering places in which to make sculpture in ‘romote’ areas, places of nature, places of great power and contemplation. These works are made of the place, they are a re-arrangement of i tand in time will be re-absorbed by it. I hope to make work for the land, not against it.45 87 Afb. pag. 84: Richard Long, River Po Line, Italië, 2001 Afb. pag. 85: Richard Long, A line made by walking, Engeland, 1967
  • 48. Door me te verdiepen in “wat nou wandelen is”, kwam ik bij “de Flaneur”. Ik had weleens gehoord van flaneren maar wist niet dat er een flaneur bestond. Een dandy, een man strak in driedelig pak die op zijn gemak door zijn stad flaneert. Een hele rustige vorm van wandelen of slenteren. De flaneur is de observeerder van de menigte om zich heen. “De massa is zijn do- mein, net zoals de lucht dat is voor de vogel en het water voor de vis. Zijn passie en zijn beroep is op te gaan in de massa.”46 Hij is niet afgeleid door de commercie of drukte. Dat tegenwoordig wel zo is. We wandelen tegenwoordig omdat we ergens naar toe moeten of we observeren omdat we ergens naar opzoek zijn. Het is net als het lezen van een boek; als je er eenmaal inzit, word je vanzelf mee- gevoerd. Zo lees ik de muren van de stad… Er zijn verschillende manieren om de stad te ervaren en in beeld te brengen. Het Stedelijk Museum probeerde in 2007 met de tentoonstelling ‘Mapping the city’ de relatie tussen kunste- naars en de stad vanaf ongeveer 1960 tot heden bloot te leggen. Het Stedelijk Museum nam als historisch kader de begrippen ‘de flaneur’ en ‘de dérive’.47 De flaneur werd in het midden van de negentiende eeuw geboren, in het middden van de in- dustriële revolutie. Hij werd voor het eerst beschreven door de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) en later door de cultuurfilosoof Walter Benjamin (1892-1940). De flaneur kenmerkt zich door zijn pogingen zich over te geven aan de vervreemding van de straten van de grote stad waar hij oorspronkelijk thuis hoort. In die vervreemding voelt de fla- neur zich vrij. Hij laat zich graag afleiden door zijpaden en onverwachte ontmoetingen. Hij is nieuwsgierig maar houdt graag afstand en stelt nabijheid niet op prijs. Het paradoxale van de flaneur is dat hij wel betrokken is bij de stad, maar tegelijkertijd ontheemd is en liever op een afstand blijft. Walter Benjamin beschreef de flaneur als een detective van het leven op straat. Hij is aandach- tig en observeert. Hij is een connaisseur van de stedelijke omgeving. Anoniem flaneert hij door de straten, niemand weet wie hij is. De opkomst van de warenhuizen wordt door Benjamin beschreven als het einde van de tijd van de flaneur.48 Kleine winkeltjes in achterafsteegjes ver- dwijnen en maken plaats voor enorme winkelfabrieken. Deze plekken van massaconsumptie zorgen voor het verdwijnen van de onvoorspelbaarheid van de stedelijke openbaarheid. De openbare ruimte figureert voortaan als kermisattractie voor de welgestelde man. De Franse filosoof Guy Debord (1931-1994) richtte in 1957 de Situationistische Internationale op om een halt toe te roepen aan de oprukkende spektakelmaatschappij. Debord was van mening dat het leven steeds meer geregeerd werd door schijn en spektakel. Volgens deze Franse filosoof had de consumptie- en mediamaatschappij de burger veranderd in een doel- loze consument die bezig is met overleven in plaats van leven.49 4.3 De Flaneur 90
  • 49. Vanuit deze klacht werd de maatschappijkritische beweging de Situationistische Internationale opgericht (1957-1972) door een kleine groep radicale kunstenaars en schrijvers. Samen pleit- ten ze voor een stad en een samenleving die ontdaan moest worden van planning, functiona- lisme en bureaucratie. In hun visie moest de stad bevrijd en heringericht worden volgens de verlangens en wensen van haar bewoners. De stad moest volgens de Situationisten spannen- der en creatiever worden en meer spel bevatten. De Situationisten gebruikten verschillende spelmethodes om hun ideale stad te construeren: de dérive (50), het groepsgewijs ronddolen of doelloos zwerven door de stad, het détourne- ment, het verdraaien van situaties of het veranderen van de stedelijke context waardoor de ori- ginele betekenis ervan veranderde, en de psycho-geografie, waarbij de stad opnieuw in kaart werd gebracht aan de hand van eigen emoties en ideeën. De flaneur van Guy Debord is, in tegenstelling tot die van Baudelaire, sociaal betrokken. Het gaat hem niet alleen om het voeden van zijn eigen nieuwsgierigheid, hij wil iets bereiken. Hij wil graag contact leggen en op die manier iets tegen die grootstedelijke vervreemding inbrengen.51 91 Afb. pag. 88: Brassaï, The eye of Paris, Parijs, 1933. Brassaï fotografeerde Parijs als een flaneur Afb. pag. 89: New York Times, Brain Fatigue Goes Green, 2 april 2012.
  • 50. Afb. pag. 93: Onbekend, Flaneuse, Tumblr, 2013
  • 51. 93 Lang is gedacht dat het 19de-eeuwse flaneren vooral iets van mannen was. Virgina Woolf is een groot schijfster uit de 18e eeuw. Ooit zij heeft zich beschreven als een flaneur maar dan de vrouwelijke flaneuse. Die bestonden ook, al werden toen der tijd vrouwen die over straat wandelen alleen en zonder doel aangekeken als een hoer. Zij omschrijft haar weg naar de kan- toorwinkel waar zij een nieuwe potlood moest kopen maar bleef uren lang weg. Ze vergeet wat ze kwam doen, maar kwam vol inspiratie terug. Virgina Woolf’s beschrijving van haar beleving in de straten van Londen reflecteert hoe de tijd is veranderd. Alles wat zij ziet, hoort en voelt beschrijft zij in detail. Krijgen wij als 21e eeuw be- woner van de stad te veel zintuigelijke prikkels? Komt het door alle invloeden om ons heen en in onze oren dat wij niet kunnen stil staan bij een moment van beleving die een prettig gevoel geeft. Zijn alleen de momenten in onze gedachtes belangrijk zoals; wat we nog moeten doen of als we ergens naar toe moeten, wij alleen het einddoel visualiseren en niet de beleving van de weg ernaar toe? De Flaneuse 4.4 Street Hanuting: A London Adventure by Virginia Woolf 1930
  • 52. The observer-participant dialectic is evidenced in part by the dandy culture. Highly self-aware, and to a certain degree flamboyant and theatrical, dandies of the mid-nineteenth century created scenes through outrageous acts like walking turtles on leashes down the streets of Paris. Such acts exemplify a flâneur’s active participation in and fascination with street life while displaying a critical attitude towards the uniformity, speed, and anonymity of modern life in the city. No one perhaps has ever felt passionately towards a lead pencil. But there are circumstances in which it can be- come supremely desirable to possess one; moments when we are set upon having an object, an excuse for walking half across London between tea and dinner. As the foxhunter hunts in order to preserve the breed of foxes, and the golfer plays in order that open spaces may be preserved from the builders, so when the desire comes upon us to go street rambling the pencil does for a pretext, and getting up we say: “Really I must buy a pencil,” as if under cover of this excuse we could indulge safely in the greatest pleasure of town life in winter--rambling the streets of London.   The hour should be the evening and the season winter, for in winter the champagne brightness of the air and the sociability of the streets are grateful. We are not then taunted as in the summer by the longing for shade and solitude and sweet airs from the hayfields. The evening hour, too, gives us the irresponsibility which darkness and lamplight bestow. We are no longer quite ourselves. As we step out of the house on a fine evening between four and six, we shed the self our friends know us by and become part of that vast republican army of anonymous trampers, whose society is so agreeable after the solitude of one›s own room. For there we sit surrounded by objects which perpetually express the oddity of our own temperaments and enforce the memories of our own experience. That bowl on the mantelpiece, for instance, was bought at Mantua on a windy day. We were leaving the shop when the sinister old woman plucked at our skirts and said she would find herself starving one of these days, but, «Take it!» she cried, and thrust the blue and white china bowl into our hands as if she never wanted to be reminded of her quixotic generosity. So, guiltily, but suspecting nevertheless how badly we had been fleeced, we carried it back to the little hotel where, in the middle of the night, the innkeeper quarrelled so violently with his wife that we all leant out into the courtyard to look, and saw the vines laced about among the pillars and the stars white in the sky. The moment was stabilized, stamped like a coin indelibly among a million that slipped by imperceptibly. There, too, was the melancholy Englishman, who rose among the coffee cups and the little iron tables and revealed the secrets of his soul--as travellers do. All this--Italy, the windy morning, the vines laced about the pillars, the Englishman and the secrets of his soul--rise up in a cloud from the china bowl on the mantelpiece. And there, as our eyes fall to the floor, is that brown stain on the carpet. Mr. Lloyd George made that. «The man›s a devil!» said Mr. Cummings, putting the kettle down with which he was about to fill the teapot so that it burnt a brown ring on the carpet.   But when the door shuts on us, all that vanishes. The shell-like covering which our souls have excreted to house themselves, to make for themselves a shape distinct from others, is broken, and there is left of all these wrinkles and roughnesses a central oyster of perceptiveness, an enormous eye. How beautiful a street is in winter! It is at once revealed and obscured. Here vaguely one can trace symmetrical straight avenues of doors and windows; here under the lamps are floating islands of pale light through which pass quickly bright men and women, who, for all their poverty and shabbiness, wear a certain look of unreality, an air of triumph, as if they had given life the slip, so that life, deceived of her prey, blunders on without them. But, after all, we are only gliding smoothly on the surface. The eye is not a miner, not a diver, not a seeker after buried treasure. It floats us smoothly down a stream; resting, pausing, the brain sleeps perhaps as it looks.   How beautiful a London street is then, with its islands of light, and its long groves of darkness, and on one side of it perhaps some tree-sprinkled, grass-grown space where night is folding herself to sleep naturally and, as one passes the iron railing, one hears those little cracklings and stirrings of leaf and twig which seem to suppose the silence of fields all round them, an owl hooting, and far away the rattle of a train in the valley. But this is London, we are reminded; high among the bare trees are hung oblong frames of reddish yellow light--windows; there are points of brilliance burning steadily like low stars--lamps; this empty ground, which holds the country in it and its peace, is only a London square, set about by offices and houses where at this hour fierce lights burn over maps, 94
  • 53. over documents, over desks where clerks sit turning with wetted forefinger the files of endless correspondences; or more suffusedly the firelight wavers and the lamplight falls upon the privacy of some drawing-room, its easy chairs, its papers, its china, its inlaid table, and the figure of a woman, accurately measuring out the precise number of spoons of tea which----She looks at the door as if she heard a ring downstairs and somebody asking, is she in?   But here we must stop peremptorily. We are in danger of digging deeper than the eye approves; we are impeding our passage down the smooth stream by catching at some branch or root. At any moment, the sleeping army may stir itself and wake in us a thousand violins and trumpets in response; the army of human beings may rouse itself and assert all its oddities and sufferings and sordidities. Let us dally a little longer, be content still with surfaces only- -the glossy brilliance of the motor omnibuses; the carnal splendour of the butchers› shops with their yellow flanks and purple steaks; the blue and red bunches of flowers burning so bravely through the plate glass of the florists› windows.   For the eye has this strange property: it rests only on beauty; like a butterfly it seeks colour and basks in warmth. On a winter›s night like this, when nature has been at pains to polish and preen herself, it brings back the prettiest trophies, breaks off little lumps of emerald and coral as if the whole earth were made of precious stone. The thing it cannot do (one is speaking of the average unprofessional eye) is to compose these trophies in such a way as to bring out the more obscure angles and relationships. Hence after a prolonged diet of this simple, sugary fare, of beauty pure and uncomposed, we become conscious of satiety. We halt at the door of the boot shop and make some little excuse, which has nothing to do with the real reason, for folding up the bright paraphernalia of the streets and withdrawing to some duskier chamber of the being where we may ask, as we raise our left foot obediently upon the stand: «What, then, is it like to be a dwarf?»   She came in escorted by two women who, being of normal size, looked like benevolent giants beside her. Smiling at the shop girls, they seemed to be disclaiming any lot in her deformity and assuring her of their protection. She wore the peevish yet apologetic expression usual on the faces of the deformed. She needed their kindness, yet she re- sented it. But when the shop girl had been summoned and the giantesses, smiling indulgently, had asked for shoes for «this lady» and the girl had pushed the little stand in front of her, the dwarf stuck her foot out with an impetuosity which seemed to claim all our attention. Look at that! Look at that! she seemed to demand of us all, as she thrust her foot out, for behold it was the shapely, perfectly proportioned foot of a well-grown woman. It was arched; it was aristocratic. Her whole manner changed as she looked at it resting on the stand. She looked soothed and satisfied. Her manner became full of self-confidence. She sent for shoe after shoe; she tried on pair after pair. She got up and pirouetted before a glass which reflected the foot only in yellow shoes, in fawn shoes, in shoes of lizard skin. She raised her little skirts and displayed her little legs. She was thinking that, after all, feet are the most important part of the whole person; women, she said to herself, have been loved for their feet alone. Seeing nothing but her feet, she imagined perhaps that the rest of her body was of a piece with those beautiful feet. She was shabbily dressed, but she was ready to lavish any money upon her shoes. And as this was the only occasion upon which she was hot afraid of being looked at but positively craved attention, she was ready to use any device to prolong the choosing and fitting. Look at my feet, she seemed to be saying, as she took a step this way and then a step that way. The shop girl good-humouredly must have said something flattering, for suddenly her face lit up in ecstasy. But, after all, the giantesses, benevolent though they were, had their own affairs to see to; she must make up her mind; she must decide which to choose. At length, the pair was chosen and, as she walked out between her guardians, with the parcel swinging from her finger, the ecstasy faded, knowledge returned, the old peevishness, the old apology came back, and by the time she had reached the street again she had become a dwarf only.   But she had changed the mood; she had called into being an atmosphere which, as we followed her out into the street, seemed actually to create the humped, the twisted, the deformed. Two bearded men, brothers, apparently, stone-blind, supporting themselves by resting a hand on the head of a small boy between them, marched down the street. On they came with the unyielding yet tremulous tread of the blind, which seems to lend to their approach something of the terror and inevitability of the fate that has overtaken them. As they passed, holding straight on, the 95
  • 54. little convoy seemed to cleave asunder the passers-by with the momentum of its silence, its directness, its disaster. Indeed, the dwarf had started a hobbling grotesque dance to which everybody in the street now conformed: the stout lady tightly swathed in shiny sealskin; the feeble-minded boy sucking the silver knob of his stick; the old man squatted on a doorstep as if, suddenly overcome by the absurdity of the human spectacle, he had sat down to look at it--all joined in the hobble and tap of the dwarf›s dance.   In what crevices and crannies, one might ask, did they lodge, this maimed company of the halt and the blind? Here, perhaps, in the top rooms of these narrow old houses between Holborn and Soho, where people have such queer names, and pursue so many curious trades, are gold beaters, accordion pleaters, cover buttons, or support life, with even greater fantasticality, upon a traffic in cups without saucers, china umbrella handles, and highly-coloured pictures of martyred saints. There they lodge, and it seems as if the lady in the sealskin jacket must find life tolerable, passing the time of day with the accordion pleater, or the man who covers buttons; life which is so fantastic cannot be altogether tragic. They do not grudge us, we are musing, our prosperity; when, suddenly, turning the corner, we come upon a bearded Jew, wild, hunger-bitten, glaring out of his misery; or pass the humped body of an old woman flung abandoned on the step of a public building with a cloak over her like the hasty covering thrown over a dead horse or donkey. At such sights the nerves of the spine seem to stand erect; a sudden flare is brandished in our eyes; a question is asked which is never answered.  Often enough these derelicts choose to lie not a stone›s thrown from theatres, within hearing of barrel organs, almost, as night draws on, within touch of the sequined cloaks and bright legs of diners and dancers. They lie close to those shop windows where commerce offers to a world of old women laid on doorsteps, of blind men, of hobbling dwarfs, sofas which are supported by the gilt necks of proud swans; tables inlaid with baskets of many coloured fruit; sideboards paved with green marble the better to support the weight of boars› heads; and carpets so softened with age that their carnations have almost vanished in a pale green sea.   Passing, glimpsing, everything seems accidentally but miraculously sprinkled with beauty, as if the tide of trade which deposits its burden so punctually and prosaically upon the shores of Oxford Street had this night cast up nothing but treasure. With no thought of buying, the eye is sportive and generous; it creates; it adorns; it enhances. Standing out in the street, one may build up all the chambers of an imaginary house and furnish them at one›s will with sofa, table, carpet. That rug will do for the hall. That alabaster bowl shall stand on a carved table in the window. Our merrymaking shall be reflected in that thick round mirror. But, having built and furnished the house, one is hap- pily under no obligation to possess it; one can dismantle it in the twinkling of an eye, and build and furnish another house with other chairs and other glasses. Or let us indulge ourselves at the antique jewellers, among the trays of rings and the hanging necklaces. Let us choose those pearls, for example, and then imagine how, if we put them on, life would be changed. It becomes instantly between two and three in the morning; the lamps are burning very white in the deserted streets of Mayfair. Only motor-cars are abroad at this hour, and one has a sense of emptiness, of airiness, of secluded gaiety. Wearing pearls, wearing silk, one steps out on to a balcony which overlooks the gardens of sleeping Mayfair. There are a few lights in the bedrooms of great peers returned from Court, of silk- stockinged footmen, of dowagers who have pressed the hands of statesmen. A cat creeps along the garden wall. Love-making is going on sibilantly, seductively in the darker places of the room behind thick green curtains. Strolling sedately as if he were promenading a terrace beneath which the shires and counties of England lie sun-bathed, the aged Prime Minister recounts to Lady So-and-So with the curls and the emeralds the true history of some great crisis in the affairs of the land. We seem to be riding on the top of the highest mast of the tallest ship; and yet at the same time we know that nothing of this sort matters; love is not proved thus, nor great achievements completed thus; so that we sport with the moment and preen our feathers in it lightly, as we stand on the balcony watching the moonlit cat creep along Princess Mary›s garden wall.   But what could be more absurd? It is, in fact, on the stroke of six; it is a winter›s evening; we are walking to the Strand to buy a pencil. How, then, are we also on a balcony, wearing pearls in June? What could be more absurd? Yet it is nature›s folly, not ours. When she set about her chief masterpiece, the making of man, she should have thought of one thing only. Instead, turning her head, looking over her shoulder, into each one of us she let creep 96
  • 55. instincts and desires which are utterly at variance with his main being, so that we are streaked, variegated, all of a mixture; the colours have run. Is the true self this which stands on the pavement in January, or that which bends over the balcony in June? Am I here, or am I there? Or is the true self neither this nor that, neither here nor there, but something so varied and wandering that it is only when we give the rein to its wishes and let it take its way unim- peded that we are indeed ourselves? Circumstances compel unity; for convenience sake a man must be a whole. The good citizen when he opens his door in the evening must be banker, golfer, husband, father; not a nomad wandering the desert, a mystic staring at the sky, a debauchee in the slums of San Francisco, a soldier heading a revolution, a pariah howling with scepticism and solitude. When he opens his door, he must run his fingers through his hair and put his umbrella in the stand like the rest.   But here, none too soon, are the second-hand bookshops. Here we find anchorage in these thwarting currents of being; here we balance ourselves after the splendours and miseries of the streets. The very sight of the bookseller›s wife with her foot on the fender, sitting beside a good coal fire, screened from the door, is sobering and cheerful. She is never reading, or only the newspaper; her talk, when it leaves bookselling, which it does so gladly, is about hats; she likes a hat to be practical, she says, as well as pretty. 0 no, they don›t live at the shop; they live in Brixton; she must have a bit of green to look at. In summer a jar of flowers grown in her own garden is stood on the top of some dusty pile to enliven the shop. Books are everywhere; and always the same sense of adventure fills us. Second- hand books are wild books, homeless books; they have come together in vast flocks of variegated feather, and have a charm which the domesticated volumes of the library lack. Besides, in this random miscellaneous company we may rub against some complete stranger who will, with luck, turn into the best friend we have in the world. There is always a hope, as we reach down some grayish-white book from an upper shelf, directed by its air of shabbiness and desertion, of meeting here with a man who set out on horseback over a hundred years ago to explore the woollen market in the Midlands and Wales; an unknown traveller, who stayed at inns, drank his pint, noted pretty girls and serious customs, wrote it all down stiffly, laboriously for sheer love of it (the book was published at his own expense); was infinitely prosy, busy, and matter-of-fact, and so let flow in without his knowing it the very scent of hollyhocks and the hay together with such a portrait of himself as gives him forever a seat in the warm corner of the mind›s inglenook. One may buy him for eighteen pence now. He is marked three and sixpence, but the bookseller›s wife, seeing how shabby the covers are and how long the book has stood there since it was bought at some sale of a gentleman›s library in Suffolk, will let it go at that.   Thus, glancing round the bookshop, we make other such sudden capricious friendships with the unknown and the vanished whose only record is, for example, this little book of poems, so fairly printed, so finely engraved, too, with a portrait of the author. For he was a poet and drowned untimely, and his verse, mild as it is and formal and sententious, sends forth still a frail fluty sound like that of a piano organ played in some back street resignedly by an old Italian organ-grinder in a corduroy jacket. There are travellers, too, row upon row of them, still testifying, indomi- table spinsters that they were, to the discomforts that they endured and the sunsets they admired in Greece when Queen Victoria was a girl. A tour in Cornwall with a visit to the tin mines was thought worthy of voluminous record. People went slowly up the Rhine and did portraits of each other in Indian ink, sitting reading on deck beside a coil of rope; they measured the pyramids; were lost to civilization for years; converted negroes in pestilential swamps. This packing up and going off, exploring deserts and catching fevers, settling in India for a lifetime, penetrating even to China and then returning to lead a parochial life at Edmonton, tumbles and tosses upon the dusty floor like an uneasy sea, so restless the English are, with the waves at their very door. The waters of travel and adventure seem to break upon little islands of serious effort and lifelong industry stood in jagged column upon the floor. In these piles of puce-bound volumes with gilt monograms on the back, thoughtful clergymen expound the gospels; scholars are to be heard with their hammers and their chisels chipping clear the ancient texts of Euripides and Aeschylus. Thinking, annotating, expounding goes on at a prodigious rate all around us and over everything, like a punctual, everlasting tide, washes the ancient sea of fiction. Innumerable volumes tell how Arthur loved Laura and they were separated and they were unhappy and then they met and they were happy ever after, as was the way when Victoria ruled these islands.   97
  • 56. The number of books in the world is infinite, and one is forced to glimpse and nod and move on after a moment of talk, a flash of understanding, as, in the street outside, one catches a word in passing and from a chance phrase fabricates a lifetime. It is about a woman called Kate that they are talking, how «I said to her quite straight last night . . . if you don›t think I›m worth a penny stamp, I said . . .» But who Kate is, and to what crisis in their friendship that penny stamp refers, we shall never know; for Kate sinks under the warmth of their volubility; and here, at the street corner, another page of the volume of life is laid open by the sight of two men consulting under the lamp-post. They are spelling out the latest wire from Newmarket in the stop press news. Do they think, then, that fortune will ever convert their rags into fur and broadcloth, sling them with watch-chains, and plant diamond pins where there is now a ragged open shirt? But the main stream of walkers at this hour sweeps too fast to let us ask such questions. They are wrapt, in this short passage from work to home, in some narcotic dream, now that they are free from the desk, and have the fresh air on their cheeks. They put on those bright clothes which they must hang up and lock the key upon all the rest of the day, and are great cricketers, famous actresses, soldiers who have saved their country at the hour of need. Dreaming, gesticulating, often muttering a few words aloud, they sweep over the Strand and across Waterloo Bridge whence they will be slung in long rattling trains, to some prim little villa in Barnes or Surbiton where the sight of the clock in the hall and the smell of the supper in the basement puncture the dream.   But we are come to the Strand now, and as we hesitate on the curb, a little rod about the length of one›s finger begins to lay its bar across the velocity and abundance of life. «Really I must--really I must»--that is it. Without in- vestigating the demand, the mind cringes to the accustomed tyrant. One must, one always must, do something or other; it is not allowed one simply to enjoy oneself. Was it not for this reason that, some time ago, we fabricated the excuse, and invented the necessity of buying something? But what was it? Ah, we remember, it was a pencil. Let us go then and buy this pencil. But just as we are turning to obey the command, another self disputes the right of the tyrant to insist. The usual conflict comes about. Spread out behind the rod of duty we see the whole breadth of the river Thames--wide, mournful, peaceful. And we see it through the eyes of somebody who is leaning over the Embankment on a summer evening, without a care in the world. Let us put off buying the pencil; let us go in search of this person--and soon it becomes apparent that this person is ourselves. For if we could stand there where we stood six months ago, should we not be again as we were then--calm, aloof, content? Let us try then. But the river is rougher and greyer than we remembered. The tide is running out to sea. It brings down with it a tug and two barges, whose load of straw is tightly bound down beneath tarpaulin covers. There is, too, close by us, a couple leaning over the balustrade with the curious lack of self-consciousness lovers have, as if the importance of the affair they are engaged on claims without question the indulgence of the human race. The sights we see and the sounds we hear now have none of the quality of the past; nor have we any share in the serenity of the person who, six months ago, stood precisely were we stand now. His is the happiness of death; ours the insecurity of life. He has no future; the future is even now invading our peace. It is only when we look at the past and take from it the element of uncertainty that we can enjoy perfect peace. As it is, we must turn, we must cross the Strand again, we must find a shop where, even at this hour, they will be ready to sell us a pencil.   It is always an adventure to enter a new room for the lives and characters of its owners have distilled their atmosp- here into it, and directly we enter it we breast some new wave of emotion. Here, without a doubt, in the stationer›s shop people had been quarrelling. Their anger shot through the air. They both stopped; the old woman--they were husband and wife evidently--retired to a back room; the old man whose rounded forehead and globular eyes would have looked well on the frontispiece of some Elizabethan folio, stayed to serve us. «A pencil, a pencil,» he repeated, «certainly, certainly.» He spoke with the distraction yet effusiveness of one whose emotions have been roused and checked in full flood. He began opening box after box and shutting them again. He said that it was very difficult to find things when they kept so many different articles. He launched into a story about some legal gentleman who had got into deep waters owing to the conduct of his wife. He had known him for years; he had been connected with the Temple for half a century, he said, as if he wished his wife in the back room to overhear him. He upset a box of rubber bands. At last, exasperated by his incompetence, he pushed the swing door open and called out roughly: «Where d›you keep the pencils?» as if his wife had hidden them. The old lady came in. Looking at nobody, she put her hand with a fine air of righteous severity upon the right box. There were pencils. How then could he do without 98
  • 57. 99 her? Was she not indispensable to him? In order to keep them there, standing side by side in forced neutrality, one had to be particular in one›s choice of pencils; this was too soft, that too hard. They stood silently looking on. The longer they stood there, the calmer they grew; their heat was going down, their anger disappearing. Now, without a word said on either side, the quarrel was made up. The old man, who would not have disgraced Ben Jonson›s title-page, reached the box back to its proper place, bowed profoundly his good-night to us, and they disappeared. She would get out her sewing; he would read his newspaper; the canary would scatter them impartially with seed. The quarrel was over.   In these minutes in which a ghost has been sought for, a quarrel composed, and a pencil bought, the streets had become completely empty. Life had withdrawn to the top floor, and lamps were lit. The pavement was dry and hard; the road was of hammered silver. Walking home through the desolation one could tell oneself the story of the dwarf, of the blind men, of the party in the Mayfair mansion, of the quarrel in the stationer›s shop. Into each of these lives one could penetrate a little way, far enough to give oneself the illusion that one is not tethered to a single mind, but can put on briefly for a few minutes the bodies and minds of others. One could become a washerwoman, a publi- can, a street singer. And what greater delight and wonder can there be than to leave the straight lines of personality and deviate into those footpaths that lead beneath brambles and thick tree trunks into the heart of the forest where live those wild beasts, our fellow men? That is true: to escape is the greatest of pleasures; street haunting in winter the greatest of adventures. Still as we approach our own doorstep again, it is comforting to feel the old possessions, the old prejudices, fold us round; and the self, which has been blown about at so many street corners, which has battered like a moth at the flame of so many inaccessible lanterns, sheltered and enclosed. Here again is the usual door; here the chair turned as we left it and the china bowl and the brown ring on the carpet. And here--let us examine it tenderly, let us touch it with reverence--is the only spoil we have retrieved from all the treasures of the city, a lead pencil.52
  • 58. 5
  • 59. 5 Beleving door Beweging 101
  • 60. Is it true because of our own movement has been changed trough the movement in objects like a faster car, a faster train or faster shoes make us see the world around us differently? When I walk I think about my grocery list or the things I must do that day. I stare at the ground moving under me and only notice some changes in structures or colours. Really noticing the world around me doesn’t catch my interest. I am thinking and the images of what I must do that day come in my sight. Because I have much to do I am not focussed to the details around me. Do I forget to look around me just to take a second of rest in my mind. I believe that everywhere I go I get impulses all the time. Advertising signs, traffic signs, moving cars, people to bump in, pavements to trip over, stopping lights and everywhere noise. My sight gets blur because there is much to notice and much to absorb for my mind. The way we move or to be moved on our way from A to B is made by some one. Do they pay any attention to how I look at my surroundings? Is the building by Frank Gehry on my right a design he has made to catch my attention? Because in just a second I would pass on and have never seen it. I think that architects and landscape designers play a big role in designing my surroundings. I wonder if they are busy bringing in more incitement to my sight or wanting to keep it soft and quiet. A place where we can only see colour and familiar shapes we know from our childhood, the rest is fantasy and made up in our own mind. Many may see the world in this way. Tempo Tempi. meladem 2012 5.1 Hoe beleven wij onze ontworpen omgeving door beweging? 104 Afb. pag 102,103: meladem, Screen shots film; Tempo Tempi, Utrecht, 2012
  • 61. Je tijdsbeleving loopt van gebeurtenis tot gebeurtenis. Ga je ergens heen dan zijn er veel meer gebeurtenissen, zeg indrukken, dan bij de terugweg wanneer alles al een beetje bekend is. De terugreis maakt minder indruk doordat je alles al eens gezien hebt, en lijkt daardoor korter. Onze tijdsbeleving is subjectief: hoe meer signalen we uit de omgeving opnemen, hoe langer de tijd lijkt te duren.
Beleving van tijd niet stabiel is en beïnvloed wordt door stemming en leef- tijd. Bij plezierige activiteiten vliegt de tijd, terwijl de seconden eindeloos traag voorbij kruipen bij nare situaties. Bij prettige gebeurtenissen vergeet je al snel de tijd en dan al veel verder blijkt te zijn. Als je je verveelt of zit te wachten, lijkt iedereen seconde weg te tikken. Tijdsbeleving veranderd bij het ouder worden, kennis en ervaring van tijd versnelt de beleving. Dat is eigenlijk simpel te verklaren, een kind in van het basisonderwijs komt is 12 jaar en is dus langer op school geweest (al zo’n 8 jaar) dan zijn eigen leven duurt, iemand die met pensioen is heeft al meerdere decennia verzameld. Ook bij reizen en vakanties gebeurt er wat met de tijdsbeleving. Zo hebben veel mensen de ervaring dat de terugreis sneller lijkt te gaan dan de heenreis. Ook is het zo dat we de eerste helft van de vakantie het idee hebben dat deze trager verloopt dan de tweede helft, die is in- eens om. Hier geldt ook, in de tweede week heb je minder indrukken dan in de eerste week. Op de heenweg duurt het een tijd, zeg anderhalf uur, voordat je in onbekend gebied begint te komen. Die anderhalf uur duurt dus al lang, omdat je al die tijd alleen nog maar bekend gebied ziet, en dus wel aan het reizen, maar nog niet “weg” bent. Tot vlak voor het moment dat je er bent, dan is alles onbekend en gaat de tijd gevoelsmatig langer duren. Ook al ben je er bijna, je weet niet dat je er bijna bent. Dat laatste anderhalve uur telt daardoor volledig mee in de ge- voelsmatige reisduur. Op de terugreis ben je meteen onderweg naar huis. Het eerste anderhalf uur duurt dus gevoelsmatig niet lang, omdat je al meteen goede voortgang maakt. De laatste anderhalf uur tellen gevoelsmatig nauwelijks mee. Je herkent waar je bent, je voelt je al weer vertrouwd. Gevoelsmatig ben je dan al thuis. Op de heenreis tellen dus de eerste en de laatste anderhalf uur zwaar mee in de gevoelsmatige reistijd. Op de terugreis tellen diezelfde beide anderhalve uren nauwelijks mee in de gevoelde reistijd. Als je ergens naar toe gaat wil je er eigenlijk zo snel mogelijk zijn. In veel gevallen heb je een afspraak om een bepaalde tijd. Het rare van tijdsbeleving is dat wat je wilt dat snel gaat, heel langzaam gaat. Maar andersom ook, als je op een leuk feestje bent is de tijd zo voorbij. Op de heen weg wil je zo snel mogelijk op je bestemming zijn, daarom lijkt alles trager te verlopen.53 Waarom lijkt de terugweg altijd korter? 5.2 105
  • 62. De Britse kunstenaar David Hockney (1938) woonde meer dan dertig jaar in Los Angeles. De schilderijen waar hij wereldberoemd mee werd, tonen typische West coast onderwerpen, vooral heel veel zwembaden met palmbomen en soms een pretty boy. Hockney is zijn hele carrière al gefascineerd door kijken. Zijn kunst is een ontwikkeling hoe hij de wereld om zich heen ziet. Vanwege de zorg voor een zieke vriend kwam hij vanaf 1997 steeds vaker terug naar Enge- land, naar het landschap van de Wolds in het oosten van Yorkshire waar hij opgroeide. Meer- dere keren per week reed hij van het huis van zijn moeder naar zijn vriend. Hockney vertelt: “Ik merkte dat ik verliefd geworden was op het landschap – het is er heel mooi, een onbedorven stuk Engeland. Ik kom er al vijftig jaar  en het is nauwelijks veranderd…er is voornamelijk akker- land, de dorpjes zijn er klein gebleven… Voor toeristen is er niks, geen theeschenkerijen, alleen deze prachtige, golvende heuvels. Ik heb daar nog gewerkt als schooljongen, in de oogsttijd. Dat ik dit landschap nu terugzie, vooral zo uit een langzaam rijdende auto terwijl er niemand op de weg is… Ik bezoek mijn vriend die lijdt en op sterven ligt en ik ontdek het levende land- schap.” Het werd een gouden zomer en Hockneys schilderijen uit die tijd lijken wel illustraties uit een kinderboek. Hoe leggen kunstenaars de werkelijkheid vast? Van het meetkundig vangen van die werkelijk- heid in het centraal-perspectief van de renaissance tot het directe weergeven ervan in licht- vlekken door de impressionisten. Hockney bestudeerde het allemaal en besloot zich voor zijn landschappen te bedienen van de middelen van onze tijd. Hockneys werk met de camera. Of beter negen camera’s, en soms zelfs achttien. Die liet hij op een auto monteren, allemaal scherp gesteld op een stukje van het landschap. De afzonderlijke beelden die de camera’s op de stapvoets rijdende auto opleverden, voegt Hockney later weer samen op grote videoscher- men. Het effect is overdonderend. Hoe goed je ogen ook zijn, zoveel details zie je zelf nooit. Of toch wel? Volgens sommige critici wil Hockney ons een ‘wandelervaring’ bieden. Het land- schap die hij vastlegt met de camera’s, geven de verandering van de seizoenen weer.54 5.3 David Hockney. A Bigger Picture. 108 Afb. pag. 106,107: David Hockney, 9 camera’s, Engeland, 2011
  • 63. Al onze ervaringen in de stedelijke omgevingen is een dynamische activiteit waarbij beweging, tijd en de beleving door bewegen in de openbare ruimte een belangrijk onderdeel is van onze visuele oogpunt. Verschillende tempo in bewegen geeft andere manieren van zien, interactie met en het vormen van mentale beelden van de ontworpen omgeving. De voetgangers ge- zichtspunt en beleving van zijn omgeving gaat gepaard met de vrijheid om te stoppen en te verbinden met je omgeving. Automobilisten zien de ontworpen omgeving door snelheid en door een voorruit. Tegelijkertijd geconcentreerd op de weg, het verkeer en afgeleid door ver- keers- of reclame-borden. De snelheid heeft invloed op het ervaren van de omgeving maar ook doordat de automobilist zijn omgeving ziet door een autoruit. Door het bekijken van de beweging als automobilist op film in slow motion, Donald Appelyard, Kevin Lynch en Richard Myer onderzochten en beschreef de automobilist visuele ervaring in hun boek The View from the Road (1964). Gespeeld op een snellere projectie snelheid, sommige passages van de film bestaan uit een ritmische afstand van bruggen en viaducten. Door de beleving van het rijden langs billboards en lichtreclame, benadrukt Robert Venturi, in het boek Learning from Las Vegas 1972, hoe de omgeving is ontworpen om autobestuurders als waarnemers aan te passen. The overarching lesson, however, is that, while environments seen only from cars can – and perhaps should – be designed to suit motorists and passengers, those seen by both motorists and pedestrians should be designed for the pedestrian’s more discerning and prolonged at- tention.54 Wat hiermee bedoeld wordt; de ontworpen omgeving van een autoweg of voetpad moeten verschillend ontworpen worden. Omdat de beleving van zijn omgeving door beide anders wordt ervaren, komt door de beïnvloeding van zijn ooghoogte, bewegingsvrijheid en snelheid. Beweging in de ontworpen omgeving 5.4 109 Afb. pag. 110,111: Kevin Lynch, Screen shots film; The View from the Road, Las Vegas V.S., 1964
  • 64. 6
  • 65. 6 113 Onderzoek De wandelingen van Utrecht
  • 66. Afb. Sara (Student Graphic Design HKU), Moodcurve van Galgenwaard naar Ledig Erf in Utrecht, 2013.
  • 67. De wandelingen van Utrecht 116 Hoe is de beleving van een ander? Ik, als ontwerper, kijk te gericht naar mijn locatie. Zie, hoor, voel of ruik ik anders dan rest? Voor mijn afstudeerproject riep ik de hulp in van vrienden, familie en kennissen. Door middel van het evenement, de wandelingen van Utrecht, aan te maken via Facebook. Ik vroeg anderen voor mij een van de vier routes te nemen en te beleven op hun een eigen manier. Hoe ze de wandeling namen ter voet, per fiets of met het openbaar vervoer mochten ze zelf kiezen. Hoe zij deze route van punt A naar B beleefden mochten ze vastleggen op een eigen creatieve manier. Nadat ze de route hadden genomen stuurde ik ze een korte vragenlijst toe. Het evenement heb ik vanaf half februari gestart. Ik heb het twee maal verlengd vanwege het slechte en koude weer. Eindelijk was de lente er en ontving ik alsnog vele fotorapportages, films, een moodcurve en beantwoorden vragenlijsten.
  • 68. Om mensen enthousiast te maken heb ik een tekst met uitleg geplaats op het evenementen- pagina van Facebook. De lente uhm en zomer komen eraan, dus tijd om naar buiten te gaan! Vanaf NU tot en met 21 april genieten, ontdekken en beleven van de “lente” in Utrecht bied ik jullie de Wandelingen van Utrecht aan. Voor mijn afstudeeropdracht ‘de Wandelingen’ ontwerp ik als landschapsarchitecte wandel- routes vanuit de buitenwijken richting de singel van Utrecht. Ik heb zelf al regelmatig deze routes bewandeld maar ik ervaar ze natuurlijk anders dan hoe jij ze zal ervaren. Ik heb jou nodig om mij te helpen met onderzoekanalyses van deze routes. Je mag een route of meerdere nemen wanneer jij wil. Meedoen aan de routes is tot en met 21 april 2013. Voornamelijk gaat het om de weg ernaar toe. Van A naar B. Je mag vanaf punt A starten maar je mag ook van B naar A en dan van A naar B. Dit zijn de routes waaruit je mag kiezen: - Hogelanden Westzijde naar Oudegracht-Weerzijde - Verlengde Hoogravenseweg naar Ledig Erf - Jaagpad naar Ledig Erf - Park Oog in Al naar Centraal Station Utrecht Ik zal je een plattegrond van de route toesturen zodra ik van jou weet als jij wil een bericht heb ontvangen om mij hiermee te willen helpen. Hoe jullie deze routes bewandelen, fietsen of berijden per bus of auto maakt niet uit. De keuze is aan jou. Je mag de route ook als een ander ervaren zoals iemand in een rolstoel, als een bejaarde of als kind. Vanaf welke ooghoogte mag jij kiezen. De route die je neemt en beleeft mag je zelf kiezen hoe je deze vastlegt. Bijvoorbeeld dmv foto’s, film, geluid, temperatuur, mind mapping, tekst of verzameling van zooi die je tegenkomt. Ik wordt heel blij van eigen ideeën. De analyses die jullie voor mij doen zijn heel belangrijk voor mij. Het vormt de basis van mijn ontwerp omdat ik door jullie ogen ga ontwerpen. Jullie analyses zullen uiteindelijk dus ook een kunstwerk worden of wie weet echt door Gemeente Utrecht worden uitgevoerd. Ik ben heel dankbaar voor jullie tijd en initiatief om mij te helpen. Wat je hiervoor krijgt? Bijzondere routes meemaken, op plekken komt die je nog nooit hebt ge- zien en gaat realiseren dat er meer is dan alleen de singel rondom de binnenstad van Utrecht. Please laat weten of je aan mijn onderzoek wil meewerken of graag dit bericht onder je vrien- den, familie, collega’s en kennissen verspreiden! 117 Onderzoek
  • 69. 120 Naam: Juke Leeftijd: 29 Woont in Amsterdam Werkt als zelfstandige trainings- en begeleidingspsycholoog bij 1 op 1. De Wandeling // Ledig erf – Jutfaseweg . 11 april 2013 Start: 13.48 – Finish: 14.25 . Weer: druilerig, windering, fris, grijs Dit zijn mijn gedachtes die ik had tijdens de wandeling. Soms veel na elkaar, soms even niets. De start is bij het Ledig erf. Ik ben al vanaf het station komen lopen en heb dus al een stuk door de binnenstad, over de grachten gelopen. Nu begint mijn Wandeling en moet ik richting Jutfaseweg. “Ik ga de verkeerde kant op”, de stad uit” “Lelijk zeg, die nieuwbouw” “Aan welke kant van het water moet ik eigenlijk zijn?” “Mooie huizen” “Hey, de watertoren. Daar moet ik heen” “Voel me net een toerist. Ik ga ook gewoon toeristje spelen. Leuke foto’s maken” …..omleiding…… “En het was net zo’n gemakkelijke route, gewoon het water volgen” “Koud” “Stoplichtmannetje, haha, die had ik zonder omleiding mooi niet gezien. In Berlijn hebben ze ook zo’n mannetje. De Ampelman of zoiets. Kan je overal op bekers kopen. Hoe zag die er ook alweer uit” “Grote verbouwing trouwens. Omleiding is trouwens niet zo groot” “Tot eind 2014 afgesloten. Ach, dan was het ook niet anders geweest als ik een week eerder was gaan wandelen” “Wat suf, geen stoep langs het water. Heb ik een route langs het water, loop ik nog aan de ‘verkeerde’ kant” “Oja, Lisa woont hier. Kijken of ik het huis nog kan vinden uit mijn hoofd. Ik vergeet ook altijd het huisnummer van mensen” “Als ze me hier de weg vragen zie ik er toch niet uit als een toerist” “Koud” De wandelingen van Utrecht - Beleving van Juke
  • 70. 121 “He, Pastoe. Daar had Poekje toch ook spullen van? Een kast oid?” “Oeps, nu ben ik Lisa al voorbij. Zit toch niet echt op te letten. Komt omdat ik met mijn hoofd bij de route langs het water ben denk ik” …..camera leeg….. “Daar gaat mijn plan om toeristje te spelen. Nou ja, toch een saai stuk hier” “Waar loopt dit heen? Een snelweg? Nou, lekker dan” “Koud” “Muziekje erbij pakken dan maar. Saai stuk zeg. Lelijk ook. Muziekje. Wat? Euhm. Oja, sound- track Beasts of the Southern Wild. Kan ik fijn bij nadenken. Ga ik maar loopmediteren. Lang- zamer lopen. Aandacht erbij. Ademhaling rustig en muziekje erbij. Ik hoor ook lekker niets meer van buiten. Toch alleen maar auto’s. Lekker in mijn eigen wereld kruipen. Net al genoeg aandachtig geweest voor deze route. Mag vast wel. Is dat niet ook gewoon Beleving? Hmm, of moest ik nou juist mijn aandacht bij de route houden? Doe ik nu trouwens juist door langzaam te lopen en goed te kijken. Ik luister alleen niet meer naar de omgeving” “Net een dorp. Buitenwijk. Een stad is bruisend. Dit is dat totaal niet. Bluh” “Wie zouden hier wonen?” “Grappige stoeptegels” “Even wat mensen verzinnen bij deze huizen…..Haha” “Sportscafé Tropica. Verlaten. Autoverkoop. Sportschool met drie mensen. Gezellig hier he” “Aah opletten. T Goylaan, kaart erbij. Wat een klotekruising” “Leuk pad dit. Salamander oid? Woonbootjes aan de overkant. Mijn ouders woonden ook op een woonboot toen mama zwanger was van mij” “Aan de overkant van de weg houdt het land op. Wat een leuke plek!” “Nog meer water” “Mooi oud hier. Niet naar links kijken, lelijke nieuwbouw” “Haha, die tekst. Groot gelijk heeft hij of zij ook. Wordt maar lekker kunstenaar Mel. Niet net als ik de hele dag achter zo’n stom bureau, luisteren naar anderen. Anderen met domme plannen” “Het is trouwens maar net hoe afhankelijk of onafhankelijk je jezelf vindt denk ik. Ik kan ook besluiten er mooi niet meer aan mee te doen……mooie muziek toch…..” “Ik zie de snelweg. Half 3 geweest. Mooi geweest zo, ik ga naar Mel” Onderzoek
  • 71. beleving van Robert 122 Naam: Robert Leeftijd: 32 Woont in Utrecht Werkt als Docent Engels op een Havo / Vwo school in Zeist Goed, wat heb ik allemaal beleefd, ervaren, gezien, gehoord, gevoeld en geroken tijdens de wandeling? Wij zijn begonnen bij de ‘rode brug’, om omringd wordt oude boerderijgebouwen, arbeiders- huizen van voor de oorlog, lelijke nieuwbouw van na de oorlog, en recente nieuwbouw dat minder lelijk is. Dit zet meteen de toon voor de hele wandeling: een mengelmoes van verschil- lende tijden. De weg is gemaakt van bakstenen en de vreemde ligging langs het water geven meteen het gevoel dat het een straat is uit een andere tijdperk. De kinderverblijf langs het weg past niet in de omgeving. Er groeit onkruid door de tegels en er zijn stukken grond waar niets groeit. Verderop is er een treinviaduct van beton met graffiti. Alle verschillende stijlen en verloedering geven het beeld dat dit een soort niemandsland is. Het is die dag koud en grijs, en je voelt de wind in je nek bijten, nog kouder gemaakt door het water van de gracht. Er is veel te zien wat de wandeling interessant maakt, maar het voelt niet fijn. Voor de viaduct lijkt er toch hoop te komen. Nu zien wij vooral oude fabrieksgebouwen en arbeidershuizen die met de tijd een authentieke geschiedenis hebben gekregen nadat hun oorspronkelijke gebruik is verlopen. De natuur, in de vorm van stukken gras en planten die aan muren hangen, nemen het over. In de oude huizen zie je de moderne welvaart van de inwoners. Door het contrast tussen oud en nieuw is het nog steeds een schizofrene stuk land, maar deze keer krijgt het daardoor persoonlijkheid. Er is een geitenhuisje, beelden van leeuwen langs de weg, mooie graffiti schilderijen op de grote fabrieksmuren. De mensen doen hun best om het een prettige plek te maken en dat is overal te zien. Verderop zie je een molen bovenuit steken, en een nieuwbouwflat. De contrasten blijven de toon zetten. Het wordt drukker en de grote van de gebouwen nemen toe. Het voelt nu aan als een stad. Een gegeven moment kom je een lege veld vol onkruid tegen. Daarachter zijn de ru- ïnes van een bloemfabriek (dat is te zien aan het beeld van een bakker). Het is fascinerend om te zien hoe zo’n plek kan bestaan tussen alle drukte; moet dit niet inmiddels allang omgezet worden naar een betonnen flat? Dat zijn de plannen volgens het poster, maar voor nu lijkt het alsof de tijd stil staat. Alle gebouwen hier zijn of oud of nieuw, en je beseft dat elke gebouw hier ooit in zo’n toestand was, of uiteindelijk zal komen. Het is bijna zonde dat het niet voor altijd zo blijft staan. Vervolgens stijgt de Dom uit de horizon. De wandeling lijkt een beloning te geven: volg deze weg en je zult in het mooiste stuk van de stad komen. Dat gevoel wordt versterkt door de
  • 72. Onderzoek 123 oude stadspanden langs het water en de ouderwetse lantaarnpalen. Bij de Kaatstraatbrug kan je niet helpen om nogmaals om je heen te kijken. Je beseft dat dit ooit buiten de stad was, waar vee en granen geoogst werden, om vervolgens met de Vecht vervoerd te worden. Na de industriële revolutie zijn fabrieken en behuizing en masse gebouwd langs het water. Maar zelfs dat is nu verleden tijd. Nu wordt de stad gebruikt om te wonen, op kantoor te werken, om boodschappen te doen, uit eten te gaan, om ijsjes te eten, en om concerten te houden. Het ironische is dat de nieuwe gebouwen van na de oorlog beter passen bij hun doel, maar passen minder goed in de stad, want gebouwen met een ziel sluiten beter aan bij mensen. En toch, je kunt je afvragen of het nieuwbouw ook ooit met tijd deel wordt van geschiedenis. Voorbij het laatste bruggetje zie je de stadsmuur, dat nog geen meter hoog is. De kinder- kopjes van de weg zijn grof, het water loopt alle kanten uit, de fietsers moeten vooroverbui- gen om over de steile bruggen te komen, en tussen de gebouwen zijn allemaal steegjes. De stad om je heen leeft een organische bestaan en je hebt zin om daar deel van te zijn. Je kunt bij Nijntje zitten op haar pleintje, maar ik had zin om verder te gaan richting de Dom, terug in de tijd naar een bron van geschiedenis.
  • 73. vragenlijst van Tim 124 Naam: Tim Leeftijd: 31 Woont in Amsterdam Werkt als Business Developer voor Sanoma Mobile Dag en datum van de wandeling: 17-04-2013 Tijdstip of moment van de wandeling: 15:00 Tijdsduur van de wandeling: 30 min Beginpunt of adres wandeling: Salamanderpad Eindpunt of adres wandeling: Ledig Erf Vervoersmiddel naar beginpunt van de wandeling: Fiets Vervoersmiddel tijdens de wandeling: Fiets en te voet Zag je vanaf het beginpunt de binnenstad al verderop? Nee Nee, vanaf waar zag je wel de binnenstad? Op de gracht naar het Ledig erf toe (nog vlak voor de stadsboerderij) Sloot deze wandeling goed aan met de binnenstad van Utrecht? Absoluut niet, veel te veel verkeer, en autowegen haaks op het wandelpad naar de stad. Met welk navigatiemiddel heb je deze wandeling genomen? Google Maps (iPhone) Welke karakterlandschap had deze wandeling: industrieellandschap Welke kleur was jouw wandeling? Groen en grijs Welke openbare voorzieningen (zoals horeca, musea, benzinestation, stadion etc.) kwam je tegen: Horeca (wat restaurants aan het einde, dus pas bij de stad) en verder niet wat me is opgevallen als openbare voorziening (tenzij ik de watertoren in kon). Welke openbare ruimtes (zoals parken, pleinen, speelterreinen etc.) kwam je tegen? Ik denk een drietal speeltuinen en volgens mij een soort mini boerderij. Welke openbare vervoersopstapplekken (zoals een bushalte, station etc.) kwam je tegen? Een bushalte aan het einde (vlak voor het spoor), verder niets opgevallen. Welke bijzondere gebouwen of objecten ben je tegengekomen? De watertoren is het meest bijgebleven, ook als herkenningspunt in het midden. Ik kon op de heenweg richting de water- toren lopen en aan het einde er op terugblikken. Stond deze wandeling ergens d.m.v. verkeerspaddenstoelen of borden aangegeven? Is mij niet opgevallen. Heb gezocht naar paden en daar met gevoel een route op gebaseerd. Kwam je obstakels tegen in de wandeling? Ja, best veel voor zo’n korte wandeling. In het begin meerdere doodlopende paden. En na ieder klein stukje lopen (ongeveer 200 meter) een drukke weg om over te steken (veel auto’s en stoplichten). Ik denk 4 autowegen en stoplichten
  • 74. Onderzoek 125 om op de wachten. Ook aan het einde liep ik vast, tegen een industrieterrein/spoor, hier wordt aan gewerkt, maar was wel een obstakel. Lag deze wandeling gelegen naast verkeer? Alleen op die plekken waar het pad uitliep op ‘niets’ en je dus verplicht werd om langs de autoweg te gaan lopen. Welk verkeer (bus, auto, fiets, boot etc.) kwam je tegen? Vooral veel auto’s, een roeibootje vlakbij de watertoren, gaf weer wat rust) en wat fietsen en wandelaars. Had je last van het verkeer? Ja, de paden zelf waren te smal en veel auto’s onderweg (tijdens en na het oversteken), veel chaos dus. Kwam je tegenliggers tegen op de wandeling? Ja, op de wandelpaden in het begin alleen. Aan het einde werd het voor mijn gevoel allemaal iets breder, dus meer ruimte, maar tevens meer ruimte voor meer fietsers, auto’s, etc. dus tevens weer drukker. Kwam je nog bekenden tegen? Nee Vond je de wandeling saai of boeiend? Ik vond het boeiend, gezien de ontdekkingsreis. De wandeling zou veel boeiender kunnen zijn. Aan de overkant van het water zie je industriële gebouwen (bijvoorbeeld Watertoren), maar je kunt er niet naar toe en ik weet ook niet wat er in die gebouwen plaatsvindt. Wat vond je aan de wandeling vervelend? De doodlopende paden en de autowegen die ik ie- dere keer weer moest oversteken, ook het wachten op de stoplichten was vervelend. Wat vond je aan de wandeling prettig? Het begin, rustig langs het water. Ik had toch het idee dat de wnadeling steeds iets minder prettig was, gezien van rust naar meer chaos. Vooral bij Ledig erf, is een erg druk punt met onduidelijke oversteekplaatsen en auto’s en fietsers van alle kanten. Ligt deze wandeling in jouw woonbuurt, bij je werk of school, bij vrienden of familie? Ligt in de buurt van mijn lieve vriendinnetje. Was je al eens eerder op deze wandeling geweest? Nee, omdat we eigenlijk zo snel mogelijk via de meest korte route naar de stad fietsen. En sinds ik mijn vriendinnetje nog maar kort ken, hebben we voornamelijk veel sneeuw en regen op onze dak gehad, dus ook niet echt lekker wandel weer. Zou je deze wandeling nogmaals willen nemen? Ja, het begin stukje aan het water tijdens de zomer lijkt me leuk. Wat is jou het meest bijgebleven van de wandeling? De rust in het begin, de chaos en doodlo- pende paden in het midden en de watertoren aan het einde. Geef een naam aan deze wandeling: Salamanderpad
  • 75. vragenlijst van Anne 126 Naam: Anne Leeftijd: 32 Woont in Utrecht Werkt bij de HKU als administratiefmedewerkster Dag en datum van de wandeling: vrijdag 29 maart Tijdstip of moment van de wandeling: 14.00 . Tijdsduur van de wandeling: 1 uur Beginpunt of adres wandeling: Rode brug :-) Eindpunt of adres wandeling: Oude gracht 62A bis, huis van Marloes Vervoersmiddel naar beginpunt van de wandeling: benen Vervoersmiddel tijdens de wandeling: benen Zag je vanaf het beginpunt de binnenstad al verderop? Ik geloof van niet Nee, vanaf waar zag je wel de binnenstad? vanaf het viaduct geloof ik Sloot deze wandeling goed aan met de binnenstad van Utrecht? Ja Met welk navigatiemiddel heb je deze wandeling genomen? geen Welke karakterlandschap had deze wandeling: Stedelijk maar ook een beetje industrieel qua gevoel op sommige plekken Welke kleur was jouw wandeling? Grijs helaas, maar wel met af en toe zeer groot contrast door de graffiti Welke openbare voorzieningen (zoals horeca, musea, benzinestation, stadion etc.) kwam je tegen: Il Mulino ijsjes mmmmmm heerlijk! Welke openbare ruimtes (zoals parken, pleinen, speelterreinen etc.) kwam je tegen? Weinig, wel aan de overkant van het water Welke openbare vervoersopstapplekken (zoals een bushalte, station etc.) kwam je tegen? Niet op gelet... Welke bijzondere gebouwen of objecten ben je tegengekomen? De gebouwen van Kyteman, echt vet.
  • 76. Onderzoek 127 Stond deze wandeling ergens d.m.v. verkeerspaddenstoelen of borden aangegeven? Nee Kwam je obstakels tegen in de wandeling? Ja, welke en hoe dan? Losse tegels, putdeksels, paaltjes. Ik struikel nogal snel hahahaha Nee, waarom niet? Lag deze wandeling gelegen naast verkeer? ja, maar er kwam heel weinig verkeer langs Welk verkeer (bus, auto, fiets, boot etc.) kwam je tegen? enkele auto en fietser. In de zomer denk ik veel gezellige bootjes. Had je last van het verkeer? Nee Kwam je tegenliggers tegen op de wandeling? Weinig Kwam je nog bekenden tegen? Nee Vond je de wandeling saai of boeiend? Begin beetje saai, later boeiend (vanaf het gedeelte met de graffiti/ Kyteman) Wat vond je aan de wandeling vervelend? Niks Wat vond je aan de wandeling prettig? Langs het water lopen Ligt deze wandeling in jouw woonbuurt, bij je werk of school, bij vrienden of familie? Ja, Marloes woont op de Oude Gracht :-) Was je al eens eerder op deze wandeling geweest? Ja, waarom dan? Nee, waarom niet? Ik wandel niet zo vaak in Utrecht Zou je deze wandeling nogmaals willen nemen? Ja, ben wel benieuwd wat er te doen is in die grote loods waar op staat ben je nou helemaal betoeterd haha Wat is jou het meest bijgebleven van de wandeling? Het voelt een beetje Berlijnachtig aan dat stukje Geef een naam aan deze wandeling: Contrasten in utrecht :-)
  • 77. Dank aan: Tim Juke Sara Robert Anne Yuri Sascha Elma Irene Joyce Lonneke Jordie Stefanie Mieke Bram Henk Laura Eva Lisa Ashton Willem Chris
  • 78. Iedereen die heeft deelgenomen aan de wandelingen van Utrecht heeft mij geholpen. Voordat ik begon met het evenement aan te maken, dacht ik wel de routes te kennen. Ik had ze al vaak genomen. Wat zou een ander mij nou nog kunnen laten zien? Ik heb mij hierin erg vergist. Ik ben na afloop zo verbaasd over hoe een ander een plek kan beleven. Ieder ziet anders of vind iets anders mooi of lelijk. Uit de omschrijving van hun beleving, zoals woorden die iets omschrijven, heb ik veel gehaald. Ik heb toch soort van ontdekt dat ik een handicap heb als het gaat om ontwerpen voor de buitenruimte. Ik kijk te gericht. Daarom vind ik het zo belangrijk dat ik de hulp van anderen heb opgeroepen. Ik zie andere vormen, materialen en details. Vooral het verhaal van hoe de persoon zich daar voelt is een belangrijk aspect van het ontwerpen. Als het onprettig is, kan ik als ontwerper er misschien wat aan veranderen. Uit de vragenlijsten en tijdsduur van zijn wandeling, viel mij op dat bij de mensen die er een dagje van maakten meer om zich heen keken, dan degene die per fiets de route nam. De bewuste wandelaar of flaneur ziet meer. Vooral degene die geen foto’s maakten haalden hun gedachtes terug en omschreven zijn wandeling in detail. Degene met fototoestel of mobiel dacht de beleving vast te leggen op beeld. Zijn beleving of gevoel wat zij hadden blijkt niet over te komen op beeld. De snelheid waarin zij zich bewogen zegt iets over hun manier van kijken. De beleving van een ander gaat mij verder helpen in mijn ontwerp. Met mijn ontwerp hoop ik de ander te helpen in opnieuw zijn omgeving te beleven op een bewuste manier. 129 Onderzoek Conclusie de wandelingen van Utrecht
  • 79. Verzameling van foto’s van de wandelingen genomen door anderen.
  • 80. Virgina Woolf, Richard Long, Hockney, de Flaneur of Mondriaan hun belevingen toen reflec- teren hoe de tijd is veranderd. Alles wat zij zagen, hoorde, voelde of dachten vertalen zij in beelden of woorden. Krijgen wij als 21e eeuw bewoner van de stad te veel zintuigelijke prikkels? Komt het door alle invloeden om ons heen en in onze oren, dat wij niet kunnen stil staan bij een moment van beleving die een prettig gevoel geeft? Zijn alleen de momenten in onze gedachtes belangrijk zoals; wat we nog moeten doen of als we ergens naar toe moeten, wij alleen het einddoel visualiseren en niet de beleving van de weg ernaar toe? Door mijn eerste onderzoek belevingen in de ontworpen omgeving, wilde ik de zintuigelijke belevingen vastleggen. Zoals horen, proeven, ruiken, zien en voelen. Ik was benieuwd of deze belevingen te vormen zouden zijn in een ontwerp. Deze belevingen zijn anders te beleven om- dat ieder ander hieruit door emotie een eigen herinnering vormt. De beleving is bij ieder anders. Als ik de geur van gemaaid gras ruik denk ik aan mijn ouderlijk huis, daar waar wij een grote tuin met veel gras hadden. Als toekomstige ontwerper voor openbare ruimtes vind ik het belangrijk dat mensen met een reden een plek bezoeken. Hoe zij deze plek gebruiken of beleven bevatten verschillende as- pecten. Door mensen te ontmoeten, genieten van de omgeving in de zon of als noodzakelijk gebruik omdat mijn aangelegd looppad degene sneller van punt A naar B brengt. Het ontwerpen van openbare ruimtes moet er met verschillende gebruikers rekening worden gehouden. Een wandelaar beweegt op een ander tempo dan een autobestuurder. De manier hoe wij ons tegenwoordig bewegen of worden bewogen is loop der jaren veranderd. Wij kun- nen veel sneller ons bewegen in ons omgeving. Door auto’s en het openbaar vervoer. In ons beweging spelen andere factoren mee die ons beleving versterken of juist verzwakken. We zijn gehaast tegenwoordig en als we ergens naar op weg zijn, gebruiken we deze momenten om handsfree te bellen of om ons af te sluiten van onze omgeving met muziek. Onze to do list 132 Conclusie Hoe wordt onze beleving in de ontworpen omgeving beïnvloed door de hedendaagse beweging?
  • 81. 133 en het einddoel die wij moeten bereiken is wat wij nog visualiseren in onze gedachtes. Onze beweging, in de tempo waarin wij leven zorgt dat wij geen oog meer hebben voor detail. Onze beleving van de omgeving bestaat nog alleen maar uit strepen en kleurvlakken. Onze beleving in de ontworpen omgeving wordt beïnvloed door de hedendaagse beweging. Wij gedragen ons anders door te veel zintuigelijke prikkels en de versnelde tempo in onze omgeving. Van deze prikkels nemen wij afstand door een behoefte in afzondering van onze omgeving. Deze invloeden van afzondering om ons heen en in onze oren laat ons niet stil staan bij een moment van beleving die een prettig gevoel geeft. Wij worden steeds meer geïsoleerd met ons zelf en onze gedachtes. Mijn onderzoekrapportage is de leidraad in mijn ontwerp; De Wandelingen van Utrecht. Be- leving door Beweging. Ik heb voor mezelf een programma van eisen voor mijn ontwerp ge- steld. Verrassen . Beleven . Anders kijken . Verbeelden . Verbinden. De wandelingen moet de gebruiker verrassen voor het activeren van zijn zintuigen. De gebruiker iets laten ondergaan door een beleving waarbij emoties kunnen ontstaan. Anders laten kijken naar zijn omgeving doordat mijn ontwerp, de wandelpaden, hen meeneemt langs de verborgen schoonheden gelegen in zijn wijk. De wandelpaden creëren een verbinding met zijn wijk en de binnenstad van Utrecht. De wandelpaden liggen gelegen langs de vertakkingen van de binnenstadsingel, deze vloeien door de buitenwijken naar de binnenstad van Utrecht. Omdat buitenwijken van Utrecht ieder een eigen karakter hebben dan de binnenstad van Utrecht, zijn de wandelpaden het verbindingselement die een eenheid creëren met de binnenstad van Utrecht. Eenmaal op de wandelingen, beweegt ieder zich op zijn eigen tempo door verschillende belevingen heen. Melanie August de Meijer . HKU Urban Design 2013
  • 82. “We shape our public spaces, afterwards public spaces shape us”. Winston Churchill
  • 83. Notenlijst 136 (1) Buijs, A.E. & van Kralingen, B., Het meten van beleving, inventarisatie van bestaande indicatoren en meet- methoden. Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte, 2003 (2) Ditting, V., “Can you draw the map of the country you live in?”, in Mr. Motley, nr. 10, 2006. (3) Op straat, Mr. Motley, jrg 4, nr 1, 2004, p.6., http://mistermotley.nl/Archief/Nummers/1 (12 november 2012) (4) Omgevingspsychologen experimenteren met beleving, 12 en een half, http://www.12eneenhalf.nl/inhoud/ omgevingspsychologen-experimenteren-met-beleving (22 november 2012) (5) Bladerdek van voetstappen, Mixed Grill, http://www.mixedgrill.nl/2012/09/01/bladerdek-van-voetstappen (01 september 2012) (6) Loper op Utrecht Centraal, Building Senses, http://www.buildingsenses.nl/loper-op-utrecht-centraal (11 september 2012) (7) ProRail, Links gaan Rechts staan, http://www.prorail.nl/Bedrijfsinformatie/Nieuws/Pages/Linksgaanrechts- staan.aspx (11 september 2012) (8) Omgevingspsychologen experimenteren met beleving, 12 en een half, http://www.12eneenhalf.nl/inhoud/ omgevingspsychologen-experimenteren-met-beleving (22 november 2012) (9) Tilstra, T., De openbare ruimte in de wijk ontrafeld, een onderzoek naar het gebruik en de beleving, http:// igitur-archive.library.uu.nl/student-theses/2011-0218-200329/UUindex.html (25 september 2012) (10) Glaeser, E., Triump of the City, New York: The Pinguin Press 2011, pp.34-36. (11) Karsten, L., Betekenis van de openbare ruimte, KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing, http://www. kei-centrum.nl/view.cfm?page_id=7261, 25 september 2012 (12) Karsten, L., Betekenis van de openbare ruimte, KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing, http://www. kei-centrum.nl/view.cfm?page_id=7261, 25 september 2012 (13) Gehl, J., Project for Public Spaces, Denemarken: The Danish Architectural Press 2001 (14) Gehl, J., New City Life, Denemarken: The Danish Architectural Press 2006 (15) Ekker, J P., “Geen wereld zonder olifantenpad”, in Parool, Kunst en Media, 26 juni 2011, p.27. (16) Visser, O., “De Plek”, in Touractief, jrg 04, nr 5, 2011, pp.82 – 83. (17) Olifantenpaadjes, 2011, Jan-Dirk van der Burg. Film over de vraag hoe aangeharkt Nederland de Olifan- tenpaadjesplaag te lijf moet gaan. (18) Gehl, J., Project for Public Spaces, Denemarken: The Danish Architectural Press 2001 (19) Glaeser, E., Triump of the City, New York: The Pinguin Press 2011, pp.106-107. (20) Flint, A., Wresteling with Moses: How Jane Jacobs Took On New York’s Master Builder and Transformed the American City, New York: Random House Inc. 2011, pp.12-13. (21) Carmona, M., Public Spaces – Urban Places, Oxford: Architectural Press Elsevier 2003, pp.50-55. (23) Whyte 1980, PPS, http://www.pps.org/reference/wwhyte (23 november 2012) (24) Carmona, M., Public Spaces – Urban Places, Oxford: Architectural Press Elsevier 2003, p.14. (25) Project fot Public Spaces 2010, http://www.pps.org (23 november 2012) (26) Gehl, J., Project for Public Spaces, Denemarken: The Danish Architectural Press 2001 (27) Whyte 1980, PPS, http://www.pps.org/reference/wwhyte (23 november 2012)
  • 84. 137 Notenlijst (28) Project fot Public Spaces 2010, http://www.pps.org (23 november 2012) (29) Flint, A., Wresteling with Moses: How Jane Jacobs Took On New York’s Master Builder and Transformed the American City, New York: Random House Inc. 2011, pp.18. (30) Project fot Public Spaces 2000, http://www.pps.org (23 november 2012) (31) Gehl, J. et al., New City Life, Denemarken: The Danish Architectural Press 2006 (32) Carmona, M., Public Spaces – Urban Places, Oxford: Architectural Press Elsevier 2003, pp.36. (33) Carmona, M., Public Spaces – Urban Places, Oxford: Architectural Press Elsevier 2003, p.32. (34) Gehl, J. et al., New City Life, Denemarken: The Danish Architectural Press 2006 (35) Lynch, K., Image of the city, 1960, pp.47-48. (36) Lynch, K., Image of the city, 1960, p.1. (37) Gehl, J. et al., New City Life, Denemarken: The Danish Architectural Press 2006 (38) López, A., De belevenis van de stad, Liberate the City, http://liberatethecity.com/texts/208 de flaneur (13 februari 2013) (39) Went, K., Over geluid in de stad, Hoe psychologie en architectuur verbonden zijn, Stipo, http://www. ruimtevolk.nl (07 december 2012) (40) Campen, C., Mondriaans abstracte visie, Psychologie, nr 10, 1994, p.36-39. (41) Friedrich Nietzsche, Kunstbus, http://www.kunstbus.nl/cultuur/friedrich+nietzsche.html (20 feb 2013) (42-45) Richard Long, A line made by Walking, Londen: Afterall Books, pp.51,56,57. (46) Baudelaire, Le peintre de la vie moderne, Parijs: Presses Universitaires de France 1983, p.22. (47) Schoonenboom, M., Flaneren ging over kijken en bekeken worden, Volkskrant, http://www.volkskrant. nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/915568/2008/05/08/lsquo-Flaneren-ging-over-kijken-en-bekeken- worden-rsquo.dhtml (21 maart 2013) (48) López, A., De belevenis van de stad, Liberate the City, http://liberatethecity.com/texts/208 de flaneur (13 februari 2013) (49) Smith, P.D., City. A guidebook for the urban age, New York: Bloomsbury Publishing 2012, p.167. (50) López, A., De Flaneur, Liberate the City, http://liberatethecity.com/texts/208 de flaneur (13 februari 2013) (51) Overzichts tentoonstelling; Het verloren paradijs van de Situationistische Internationale, Centraal Museum Utrecht 14.12.2006 t/m 11.03.2007, www.centraalmuseum.nl (52) Spachman, S., Virginia Woolf: Street Haunting, http://s.spachman.tripod.com/Woolf/streethaunting.html (15 december 2012) (53) van der Ark, K., Waarom lijkt de terugweg altijd korter?, http://inzichten.karinacoaching.nl/#post18 (9 januari 2013) (54) van Ool, N., De brede blik van David Hockney, http://buitenplaatsen.wordpress.com/2013/02/05/1363 (24 maart 2013) (54) Carmona, M., Public Spaces – Urban Places, Oxford: Architectural Press Elsevier 2003 (55) Hockney D., A Bigger Picture 27.10.2012 – 03.02.2012, Museum Ludwig Keulen
  • 85. Literatuurlijst 139 Baudelaire, Le peintre de la vie moderne, Parijs: Presses Universitaires de France 1983, p.22. Buijs, A.E. & van Kralingen, B., Het meten van beleving, inventarisatie van bestaande indicatoren en meet- methoden. Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte, 2003 Campen, C., Mondriaans abstracte visie, Psychologie, nr 10, 1994, p.36-39. Carmona, M., Public Spaces – Urban Places, Oxford: Architectural Press Elsevier 2003, pp.50-55. Ekker, J P., “Geen wereld zonder olifantenpad”, in Parool, Kunst en Media, 26 juni 2011, p.27. Flint, A., Wresteling with Moses: How Jane Jacobs Took On New York’s Master Builder and Transformed the American City, New York: Random House Inc. 2011, pp.12-13. Op straat, Mr. Motley, jrg 4, nr 1, 2004, p.6. Gehl, J., Project for Public Spaces, Denemarken: The Danish Architectural Press 2001 Gehl, J., New City Life, Denemarken: The Danish Architectural Press 2006 Gehl, J., Project for Public Spaces, Denemarken: The Danish Architectural Press 2001 Glaeser, E., Triump of the City, New York: The Pinguin Press 2011 Richard Long, A line made by Walking, Londen: Afterall Books, pp.51,56,57. Smith, P.D., City. A guidebook for the urban age, New York: Bloomsbury Publishing 2012, p.167. Visser, O., “De Plek”, in Touractief, jrg 04, nr 5, 2011
  • 86. Afbeeldingenverantwoording 141 Afb. pag 6,7: Jan Dibbits, Construction of a wood,1969 Afb. pag 6,7: Paolo Uuccello, Hunt in the forest, c1470 Afb. pag 10,11: Gary Winogrand, 1975 Afb. pag. 14,15: Gerrit Adriaensz Berckheyd, De bocht van de Herengracht, Amsterdam, 1671-1672 Afb. pag. 16: Veronica Ditting, Can you draw the map of the country you live in?, Mr. Motley, 2006 Afb. pag. 17: Gasten van café l’Affiche, Vorm van Nederland op bier filtertjes, Amsterdam, 2012 Afb. pag. 18,19: Forrest Gump, Screen shots film Forrest Gump, 1994, http://www.youtube.com/ watch?v=DrY6loEUl7Q Afb. pag. 22,23: DDB Shanghai, Green Pedestrain Crossing - More Walking, Less Driving, China, 2011 Afb. pag. 27: Tooren, W., Building Senses, Rode Loper, Utrecht Centraal, 2012 Afb. pag. 27: ProRail, Links gaan, Rechts staan, Utrecht, 2012 Afb. pag. 30,31: Alex MacLean Lenox, Picknickers, Massachusetts V.S., 2005 Afb. pag. 34,35: NRC Next, Chinezen in zwembad; In de Chinese provincie Sichuan zoeken duizenden mensen verkoeling in een zoutwaterzwembad. (26 augustus 2011) Afb. pag. 38,39: Garry Winogrand, Woman are Beautiful, New York V.S., 1975 Afb. pag. 42,43: P. Huiskamp, Olifantenpadje, Apeldoorn, 2011 Afb. pag. 46,47: Edwin Zakman, Street 11, 2004 Afb. pag. 48,49: Whyte, Sceen shots documentaire; The Social Life of Small Urban Places, 1930 Afb. pag. 52,53: Alex MacLean Lenox, Parkinglot, Disneyland Florida V.S., 2005 Afb. pag. 56,57: Kevin Lynch, Screen shots documentaire; The image of the city, 1960 Afb. pag. 60,61: Maider Lopez, Crossing, 2006 Afb. pag. 64,65: A touch of code, Interactive Installations and Experiences Expose, pag. 81, Gestalten 2011 Afb. pag. 66,67: Anais Lopez, No bird sang, 2012, http://www.anaislopez.nl/installation_no_bird_sang/in/work_ in_progress (18 maart 2013) Afb. pag. 70,71: Piet Mondriaan, Boom, 1908, http://www.mondriaanfonds.nl/Activiteiten (13 december 2012) Afb. pag. 72,73: National Geographic, Tulipfields, Holland, 2010 Afb. pag. 74,75: Jonathan Lewis, Pixel Walmart, 2009 Afb. pag. 78,79: Friedrich Nietzsche, Friedrich Nietzsche, The New York Times, 2003 Afb. pag. 84: Richard Long, River Po Line, Italië, 2001 Afb. pag. 85: Richard Long, A line made by walking, Engeland, 1967 Afb. pag. 88: Brassaï, The eye of Paris, Parijs, 1933 Afb. pag. 89: New York Times, Brain Fatigue Goes Green, 2 april 2012 Afb. pag. 93: Onbekend, Flaneuse, Tumblr, 2013 Afb. pag 102,103: meladem, Screen shots film; Tempo Tempi, Utrecht, 2012 Afb. pag. 106,107: David Hockney, 9 camera’s, Engeland, 2011 Afb. pag. 110,111: Kevin Lynch, Screen shots film; The View from the Road, Las Vegas V.S., 1964