Your SlideShare is downloading. ×
Hoofdstuk 1
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×

Introducing the official SlideShare app

Stunning, full-screen experience for iPhone and Android

Text the download link to your phone

Standard text messaging rates apply

Hoofdstuk 1

2,897
views

Published on

Published in: Education

0 Comments
1 Like
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total Views
2,897
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
15
Comments
0
Likes
1
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. Hoofdstuk 1 Van taal naar taalwetenschap Marijke Alebregtse Kevin de Vries Jonneke Muilwijk
  • 2. Opdracht 1 Ga voor jezelf na hoe de verkleinwoorden van Nederlandse zelfstandige naamwoorden worden gevormd (dus: huis-huisje, enzovoort) en probeer zo de onbewuste, abstracte kennis die je hebt van de vorming van het verkleinwoord in het Nederlands expliciet te maken.
    • Om verkleinwoorden af te leiden is in de standaardtaal het achtervoegsel –je , met als vormvarianten (omwille van klankredenen) -kje , -pje , -tje en –etje , in gebruik.
  • 3. De vormvarianten
    • Het achtervoegsel heeft de vorm -kje na onbeklemtoond -ing ( g valt weg in de spelling), tenzij ook de hieraan voorafgaande lettergreep onbeklemtoond is. In dat geval is de vorm -etje .
    • De vorm van het achtervoegsel is -pje na m , voorafgegaan door een sjwa, een lange klinker, een tweeklank, l of r , alsmede na meerlettergrepige leenwoorden op -um .
    • Het achtervoegsel heeft de vorm -tje :
    • - na n , l en r voorafgegaan door een lange klinker of een tweeklank en na rn .
    • - na een niet-beklemtoonde slotlettergreep op n , l of r voorafgegaan door een zwak beklemtoonde klinker.
    • - na klinkers en tweeklanken (in de spelling eindigend op i
    • of w ), respectievelijk lange klinkers gevolgd door een medeklinker.
    • - na een sjwa
  • 4.
    • Het achtervoegsel heeft de vorm -etje na m , n , ng , l of r voorafgegaan door een korte klinker.
    • In alle overige gevallen heeft het verkleinwoord het achtervoegsel -je , dat wil zeggen na p , b , t , d , f , s (ook als de verbinding ks als x gespeld wordt), k , g of ch , ofschoon na b meestal ook -etje kan komen.
    • Natuurlijk zijn er ook veel uitzonderingen.
    • Wil je dit uitgebreid nalezen;
    • http://www.let.ru.nl/ans/e-ans/12/03/01/04/02/01/body.html
  • 5. Opdracht 2 Zet een asterisk (*) naast de zinnen die ongrammaticaal zijn. Kan je uitleggen waarom ze ongrammaticaal zijn?
    • Er loopt de vrouw op straat. *
    • Er loopt een vrouw op straat. Ik denk dat deze zin niet klopt omdat de zin begint met het bijwoord ‘er’ en na het werkwoord een onbepaald lidwoord volgt. Die combinatie loopt niet goed.
    • (b) Marie zei dat ik zich moest wassen. *
    • Marie zei dat ik me moest wassen. Het wedekerend voornaamwoord past zich in deze zin niet aan het onderwerp aan.
    • (c) Ik heb de postbode nog niet gehoord.
    • (d) Jan heeft gestudeerd.
    • (e) Willem heeft vermoord. *
    • Willem heeft iemand vermoord. Het werkwoord ‘vermoorden’ is gekoppeld aan een wederkerend voornaamwoord.
  • 6. Opdracht 3 In de voorbeelden (11) en (12) (zie blz. 7) wordt het verschijnsel van de dubbele articulatie toegelicht met woorden die tezamen in de ene volgorde een andere betekenis hebben dan in de andere volgorde. Kan je dit principe ook toepassen op klanken?
    • Het Chinees is een toon- of klanktaal . Hetzelfde woord kan verschillende betekenissen hebben, afhankelijk van de toon waarop je het woord uitspreekt.
    • Het is dus mogelijk om het principe van dubbele articulatie toe te passen op klanken.
  • 7. Opdracht 4 Stel dat je een hond honderd verschillende bevelen leert zoals haal de krant , of ga liggen . Heeft de hond dan een taal geleerd? Waarom wel of waarom niet?
    • Nee , een hond heeft dan geen taal geleerd omdat de hond af gaat op intonatie van het gezegde. Daarbij is het voor de hond niet natuurlijk en zal de hond er verder niets mee doen. (nier doorgeven aan nakomelingen) behalve als het gezegde beveelt wordt.
  • 8. Opdracht 5 In welke mate zou je haardracht of kapsel ook een ‘taal’ kunnen noemen in de figuurlijke zin van het woord? In welke opzichten verschilt deze ‘taal’ van menselijke, natuurlijke talen?
    • Haardracht vind ik een soort van non-verbale communicatie . De drager laat zonder gebaren, een uitdrukking zien van stijl wat vaak karakteristiek is voor bepaalde persoonlijkheden. (bescheiden, stoer) Deze ‘taal’ verschilt in de volgende opzichten: non-verbaal zonder gebaren, wel/niet veranderlijk, geen typische opbouw, geen klanken.
  • 9. Opdracht 6 In pantomime wordt ook gebruik gemaakt van de handen, net als in een gebarentaal. Wat is het verschil tussen pantomime en een gebarentaal van doven?
    • Gebarentaal voor doven:
    • wordt gezien/waargenomen en gebruiken vooral hun handen, daarbij is gebarentaal voor doven noodzakelijk om jezelf te kunnen uiten / ‘verstaanbaar te maken’.
    •  
    • Pantomime :
    • In de huidige taalgebruik die vorm van theatrale kunst die alleen de bewegingsmogelijkheden van het menselijk lichaam als dramatische expressie en communicatiemiddel aanwendt, met doelbewuste uitsluiting van het gesproken woord.
    •  
    • Verschil:
    • Gebarentaal is uitsluitend om jezelf duidelijk te maken uit noodzaak, terwijl pantomime meer theatraal is met een kunstzinnig element waarbij het gehele menselijk lichaam bewogen kan worden.
  • 10. Opdracht 7 De Nederlandse Gebarentaal is een van de vele gebarentalen in de wereld, naast bijvoorbeeld de Britse Gebarentaal (British Sign Language, BSL) en de Italiaanse Gebarentaal (LIS). Vergelijk de volgende zinnen: (a) (NGT) MAN VROUW HELPEN (b) (BSL) MAN HELPEN VROUW (c) (LIS) MAN HELPEN VROUW Wat kan je uit deze voorbeelden concluderen over de verscheidenheid in gebarentalen?
    • Vergelijking:
    • In zin 1 staat een voorbeeld van de Nederlandse Gebarentaal. In zin 2 en 3 staan respectievelijk voorbeelden van de Britse en Italiaanse Gebarentaal.
    • Als je de zinnen vergelijkt valt op dat de volgorde in de zin van de NGT anders is dan de volgorde in de zinnen van de andere twee gebarentalen.
  • 11.
    • Ten eerste is het aantal gebaren met een heel duidelijke relatie tussen betekenis en vorm relatief klein . Dat maakt het binnen een gebarentaal al moeilijk om de betekenis te achterhalen, laat staan als je kijkt naar verschillende gebarentalen. Wel is de relatie tussen vorm en betekenis sterker in de gebarentaal dan in de gesproken taal. De verscheidenheid in gebarentalen heeft in mijn ogen ook te maken met de verschillende manieren van betekenis geven aan alle dingen in het dagelijks leven . Dit is dus in Italië bijvoorbeeld anders dan bij ons in Nederland. Daarnaast heeft de opbouw van een taal er ook mee te maken hoe zo’n gebarentaal gevormd wordt. Dit zie je terug in de voorbeelden als je kijkt naar de zinsvolgorde .
  • 12. Opdracht 8 In het voortgezet onderwijs worden leerlingen meestal geconfronteerd met taalstructuur middels het ‘ontleden’: het benoemen van zinsdelen en woordsoorten. Wat is het verschil tussen dit ‘ontleden’ en de meer wetenschappelijke benadering van de taalstructuur in de taalwetenschap?
    • De leerlingen worden meestal geconfronteerd met een taalstructuur door middel van het benoemen van zinsdelen en woordsoorten (ontleden). Als je kijkt naar hoe de taalwetenschap hier mee omgaat, zie je dat men probeert regels op te stellen die in staat zijn om te ‘voorspellen’ wat de mogelijke, correcte zinnen van een taal zijn. Binnen de taalwetenschap is men op zoek naar regels die van toepassing zijn op zoveel mogelijk gevallen. De leerlingen komen hier vaak niet aan toe, omdat zij alleen de hoofdregels krijgen uitgelegd. Voor de leerlingen is het minder relevant om als het ware te ‘spelen’ met regels die er op uit zijn om dingen te ‘voorspellen.’
  • 13. Opdracht 9 Opdracht (1) ging over het verkleinwoord van zelfstandige naamwoorden in het Nederlands. Binnen welk deelterrein van de taalwetenschap houdt met zich bezig met dit onderwerp?
    • Het deelterrein morfologie is het terrein waarbinnen men zich onder andere bezig houdt met het verkleinwoord van het zelfstandig naamwoord. Alles wat te maken heeft met het ‘veranderen’ van woorden gebeurt in de morfologie. Woorden zijn namelijk geen onveranderlijke eenheden. Zo zijn er talloze woorden die afgeleid zijn van een ander woord en zo zijn er dus ook de verkleinwoorden. Alle processen die er voor zorgen dat woorden ‘veranderen’ vallen binnen de morfologie.