4. de peuter PBLO-V

3,459 views

Published on

0 Comments
1 Like
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total views
3,459
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
320
Actions
Shares
0
Downloads
27
Comments
0
Likes
1
Embeds 0
No embeds

No notes for slide
  • De slides geven aan de hand van kernwoorden de inhoud uit de cursus ‘Groot worden (GW)’ weer. In de cursus vindt u verdere uitleg en concrete illustraties bij elk van de kernwoorden.
  • We behandelen een aantal zaken samen
  • Wat zie je? Zien jullie verschillen tussen baby en peuter? Groei is sterkst in de eerste 6 maanden van de baby (afgezien van prenatale fase) Baby groeit sneller dan peuter, omdat groei in lengte en gewicht vertragen! Niet alle lichaamsdelen groeien in zelfde proportie (asyncrhone groei)
  • Peuter: Groei in lengte en gewicht vertraagt bij peuter => baby groeit sneller als peuter (peuters worden slanker, beginnen deel van babyvet te verbranden) Asynchroon: niet alle lichaamsdelen groeien even snel en in zelfde proportie Verhoudingen van volwassen lichaam worden duidelijker p. 112: duidelijke opbouw Eerste tandjes? 6 maanden! => melkgebit (meestal rond 2 j) kleuter Synchroon: alle lichaamsdelen groeien even snel! 6j: gemiddeld 120 cm en 20kg
  • We behandelen een aantal zaken samen
  • Peuter: - Fundamenteel = cruciaal in het leven/van enorm groot belang voor de ontwikkeling (zoals rennen, springen, lopen, hinken op één been, werpen, …) Geef aan: Om de motorische ontwikkeling van het kind te stimuleren is het belangrijk dat het kind genoeg ruimte heeft zowel binnen als buiten, om te bewegen en te spelen. Het aanwezig zijn van verschillende spelmaterialen zoals ballen, puzzels, etc. geven de peuter de mogelijkheid om met behulp van dit materiaal zijn motoriek verder te ontwikkelen. Volgorde van de activiteiten alsook exacte leeftijd kan niet zomaar aangegeven worden. - Fijne motoriek gecombineerd met groeiende cognitieve mogelijkheden => kind kan puzzel maken Geef voorbeelden van de toenemende zelfstandigheid/zelfredzaamheid van de peuter: Bvb. Peuter wil zelf eten, zelf aankleden, ‘ikke doe’. Grove en fijne motoriek worden beter; in combinatie met cognitieve ontwikkeling zorgt dit ervoor dat peuter zelfstandig een puzzel kan maken Zelfredzaamheid: zelfstandig stappen, eten en drinken, zichzelf aan en uit kleden, … Zindelijkheidstraining: er is nog een 10 à 15% van de kinderen die op 5 jaar niet zindelijk is (kleuter leert sluitspieren te beheersen) Als je het forceert, kan dit leiden tot gedragsstoornissen of op latere leeftijd nog bedplassen Vooral ‘ s nachts nog ongelukjes Middagdutje is voor kleine kindjes nog erg belangrijk (hoe zie je dit op school?)
  • We behandelen een aantal zaken samen
  • , ot vier jaar: krabbelstadium, geometrische vormen ontstaan als bij toeval. Tekenen is bewegingsspel plezier van het tekenen, als je dan vraagt: wat heb je getekend? Verzinnen ze precies een titel: ik heb een… getekend. Omdat je dat van hen verwacht. Eigenlijk tekenen ze voor het tekenen op zich.
  • We behandelen een aantal zaken samen
  • Perceptuele ontwikkeling van peuter en kleuter worden samen behandeld omdat er geen grote verschillen zijn in de perceptuele ontwikkeling tussen peuter en kleuter. Wel is het zo dat naarmate peuter en kleuter ouder worden, de capaciteiten steeds beter en fijner worden. Geef een voorbeeld bij voorwerp herkennen met verschillende zintuigen: Bvb. Een kind krijgt eerst een voorwerp te zien (bvb. een teddybeer) en moet het daarna tastend zoeken in een ondoorzichtige zak gevuld met opgefrommeld krantenpapier. Naarmate kind ouder wordt, meer differentiërend analyseren (let steeds meer op details) => eerst is cirkel mama, dan benen, dan … Aandacht voor boeiende details= gestuurd psycho-emotionele ontwikkeling Leg uit: De peuter schenkt in de eerste plaats aandacht aan de details die hem/haar boeien. Deze waarneming wordt beïnvloedt door psychologisch-emotionele factoren. Deze emotionele kleuring is bij jonge kinderen sterker aanwezig dan bij volwassenen. Bvb. Wanneer een gezin op wandeling een gevaarlijke blaffende hond tegenkomt die achter een omheining zit, kan het jonge kind zo beangstigd zijn dat hij de omheining niet meer ziet of er geen rekening mee houdt en vervolgens weigert om nog een stap voorbij de hond te zetten. Of: Een volwassene staat zakelijker tegenover de wereld, hij begint niet te juichen als hij een heerlijk taartje ziet.
  • We behandelen een aantal zaken samen
  • Baby: Alles uitproberen, door experimenterend te handelen (sensori (zintuigen) door te handelen (motorisch) Peuter en kleuter: niet meer alles 1st uitproberen door experimenterend te handelen! => Kind verwerft heel wat mogelijkheden =>
  • Blaadjes waaien weg => iets opleggen of kind wil snoepje => krukje nemen en snoepje nemen of speelgoedje rolt altijd weg => er blokje voorzetten en dan blijft ze staan Door nabootsing van wat mama, papa, … doen! Ze moeten er op die moment niet zijn (kinderen herinneren dit) Kind roept voorstelling weer op, wanneer hij/zij dit nodig heeft Vb. Mama geeft kusje op voorhoofd als kindje weent => ook kusje op voorhoofd geven Vb. Ruzie op de speelplaats (cfr. Fragment klasse) => nadoen van wat ze in films zien Vb. Ook zaken in het winkelkarretje doen net als mama en papa Vb. Ook in de tuin werken … Kind roept voorstelling op wanneer hij/zij op zoek is naar oplossing voor probleem = beginnend symbolisch denken (bal rolt onder de kast, achter kast gaan zoeken) 3. Symbolisch denken = kind reageert niet meer enkel op situaties die nu aanwezig zijn, ook op momenten die niet meer daadwerelijk afgespeeld worden (= fantasie) Creativiteit bij kinderen, zinvol om dit te stimuleren (samen composthoop bouwen, …) zodat kind geïnteresseerd geraakt (bij ouder voelt het zich op z’n gemak) kind gaat doe- alsof spelletjes spelen (=> ridder spelen, kokenetentje, …) Kinderen gaan bepaalde symbolen hanteren (vb. Kraaltjes zijn snoepjes, dozen zijn melk om te verkopen in de winkel, …) Kind kan anticiperen op situaties => goed reageren op gesteld gedrag Dingen die jullie hebben gedaan?? Sprookjes boeien kinderen tijd peuterleeftijd enorm!
  • De peuter kan een primitieve voorstelling maken van zichzelf; de peuter beseft voor het eerst dat hij een zelfstandige eenheid is, die losstaat van zijn ouders en een eigen willetje heeft! Geen bewust/intentioneel gebruik: Peuters beschikken nog niet over strategieën om selectief bepaald informatie in te prenten of doelgericht op zoek te gaan naar specifieke eerder opgeslagen inhouden (vb. ruzie tussen vriendjes, dan kan ik … dit doen) Geef enkele tips aan studenten over hoe ze de cognitieve ontwikkeling van peuters kunnen stimuleren: Bvb. Je kunt het denkvermogen van de peuter op verschillende manieren stimuleren. Het zelfstandig bedenken van oplossingen voor problemen door het kind is van groot belang in de verstandelijke ontwikkeling, bijvoorbeeld alleen een puzzel maken. De vaardigheid om dingen in categorieën onder te brengen en om informatie op te slaan in het geheugen en terug te kunnen oproepen kun je stimuleren met verschillende soorten speelgoed: vormsorteerders, duplo, lego, voelzakjes, … Er zijn ook activiteiten die je met je peuter kunt doen om zijn geheugen te stimuleren, bvb. het weghaalspel waarbij je het kind een aantal voorwerpen laat zien, daarna één weghaalt zonder dat het kind kijkt om vervolgens het kind te laten bedenken welk voorwerp er ontbreekt. 2 fases van denken: Preconcepten = er is nog niet echt sprake van concepten en begrippen, zoals bij de kleuter (veelal nog verwezen naar kenmerken in de nabije omgeving) Intuïtief denken = vliegtuig kan vliegen want beweegt vleugels op en neer zoals vogel, hoewel kind nog nooit vliegtuig heeft gezien
  • Denkfouten: Piaget ziet de pre-operationele periode als voorbereiding tov concreet operationele stadium Waarbij in pre-operationele fase nog veel denkfouten worden gemaakt.
  • Toon studenten het experiment op de slide. Laat hen het experiment beschrijven. Vraag hen wat er fout loopt. Toon vervolgens een fragment waarop enkele conservatieproeven worden toegelicht. Dit kan studenten helpen om een antwoord te formuleren op de vraag: ‘wat loopt er fout?’ http://www.youtube.com/watch?v=YtLEWVu815o&feature=related (3 min 12 sec) Conservatie: kwantiteit is niet gekoppeld aan fysieke verschijning (lang, uitgestrekt, ..)
  • Toon vervolgens onderstaand fragment over de conservatie van massa: http://www.youtube.com/watch?v=U64V-z56TRg (26 sec)
  • Overloop de verklaringen. Geef zelf nog een extra voorbeeld bij centratie: Bvb. Twee speelgoedtreintjes die gelijk starten en na 30 sec. stoppen; de ene trein is verder gekomen dan de andere en kind geeft correct aan dat de trein die het verst is gekomen de snelste is. Maar als de twee treinen op verschillende plaatsen starten, dan nog zal het kind aangeven dat de trein die het verst is gekomen de snelste is. Geef zelf nog een extra voorbeeld bij geen reversibel denken: Bvb. Dialoog: Peter, heb jij een broertje? Ja. Hoe heet dat broertje? Jan. Heeft Jan ook een broertje? Neen. De relatie ‘Peter is een broertje van Jan’ is voor het kind niet omkeerbaar. Geef zelf nog een extra voorbeeld bij statisch-gericht denken: Bvb. Vraagt men een kind een vallende stok te tekenen, dan tekent het kind eerst een rechtopstaande stok en vervolgens een liggende stok. Peuters en kleuters kunnen bvb. bang zijn voor een clownsgezicht (toestand), ook al hebben ze kunnen zien hoe de clown zich schminkte (proces). Ze zien niet dat waterhoeveelheid overgegoten werd (geen oog voor transformatie => geen identiteitsargument (geen inzicht in toestand van water)
  • Beschrijf het experiment: Op een tafel zijn drie bergen van verschillende grootte nagemaakt en in het landschap zijn verschillende herkenningspunten aangebracht, zoals een huis, een besneeuwde bergtop en een kruis. De proefpersoon (= het kind) neemt aan één kant van de tafel plaats. Aan hem of haar wordt gevraagd wat een pop die aan de andere kant van de tafel wordt neergezet, zou zien. De peuter en de kleuter beweren dat de pop hetzelfde ziet als zijzelf, terwijl het uitzicht bepaald wordt door de plaats waar iemand rond de tafel staat. Vraag aan de studenten om deze reactie van peuter/kleuter te verklaren: kind is nog niet in staat zich te decentraliseren (standpunt van iemand anders innemen) => niet perceptueel en niet emotionele-motivationeel (wat ziet ander kind? Wat voelt ander kind?) Kind kan zich nog niet in andermans plaats stellen, vb. kind houdt handen voor het gezicht, heeft niet door dat andere hem zien Vb. kind kijkt naar eendjes en heeft niet door dat ander kind eendje niet ziet eten Vb. kind dat droevig kijkt als hij paar sokken krijgt, is er zich niet van bewust dat anderen zijn gezicht zien en dat hij zijn gevoelens verraadt Cfr. Sally en Anne proef
  • Beschrijf de proef: Situatie 1) Je laat het kind twee poppen zien en vertelt dat de ene pop Sally heet en de andere Anne. Geef elke pop een mandje en leg een fiche in het mandje van Sally. Situatie 2) Vertel aan het kind dat Sally een eindje gaat wandelen en haal vervolgens de pop uit het zicht van de peuter. Vertel het kind dat Anne tevoorschijn komt omdat Sally er niet is. Vertel dat Anne de fiche uit het mandje van Sally pakt en bij zichzelf in het mandje legt. Vraag de peuter waar Sally zal zoeken naar de fiche als ze terug komt. Stel deze vraag ook aan de studenten: Waar zal Sally, volgens de peuter, de fiche zoeken? Oplossing: Kinderen die kunnen decentreren, zullen zeggen dat Sally in haar eigen mandje zal zoeken. Kinderen die niet kunnen decentreren (bvb. peuters) bekijken het vanuit hun eigen standpunt, waarbij hij/zij zelf weet dat de fiche bij Anne ligt, dus gaan ze ervan uit dat Sally dat ook weet en zeggen ze dat Sally in Anne haar mandje zal kijken. Deze proef leunt aan bij denkfout in drie bergen experiment, namelijk standpunt van ander kunnen innemen.
  • Beschrijf het klasse-inclusie-experiment: Het jonge kind heeft problemen wanneer hij onderscheid moet maken tussen ‘deel’ en ‘geheel’. Piaget toonde kleuters een verzameling bloemen; de meeste bloemen waren geel, sommige waren blauw. De kleuter beseft dat het allemaal bloemen zijn en ziet ook dat er meer gele dan blauwe bloemen zijn. Maar op de vraag of er meer gele bloemen of meer bloemen zijn, gaat hij echter in de fout. Hij zal vermoedelijk zeggen ‘meer gele bloemen’. Vraag aan de studenten om deze reactie te verklaren.
  • Peuter/kleuter verwerft mogelijkheid tot beginnend symbolisch denken => kan dus voorstellingen maken en er op los fantaseren, maar verwart fantasie en werkelijkheid. p/kleuter neemt fantasie geregeld voor werkelijkheid (eigen pre-operationeel wereldbeeld, kijkt naar werkelijkheid zoals die vervormd is door eigen fantasie Vb. krokodil onder het bed (schaduw) Vb. heks die op het raam tikt (harde wind) Angst wegjagen door samen ksjjjt te zeggen!  Antropomorfisme/animisme => levensloze objecten krijgen zelfde eigenschappen toegeschreven die kind zelf ervaart (vb. stoute tafel, zon is kwaad, …) Fysiognomisch waarnemen => de dingen hebben een gezicht of lijken een gezicht te hebben, vaak met een emotionele waarde (zo irrationele angsten kaderen) => angst voor behang op de muur, enge wolk, … Artficialisme => al wat het kind ziet, is door iemand gemaakt, ‘ iemand ’ is verantwoordelijk => engeltjes schudden hun dekentjes uit (het sneeuwt), de kabouters trekken de bladeren van de bomen, … Finalisme => niet zozeer, waarom? Daarom? Maar eerder het DOEL dat erachter zit nagaan => de nacht is er om te kunnen slapen, bikini is er om goed weer te krijgen Onlogische verbanden => verbanden tussen gebeurtenissen die kort op elkaar zijn gebeurd of op basis van rare redenen (bv. Kleur) vb. als ik mijn pyjama aan heb, begint samson vb. mijn mama moet naar het ziekenhuis omdat ik stout ben 6. Magisch denken => bijgeloof Heel veel is nog onduidelijk, ze vullen deze gaten in met fantasie. Op die manier gaan ze angsten tegengaan (via magisch denken).
  • Leg uit: verwarring fantasie – werkelijkheid: De peuter/ kleuter neemt vaak zijn fantasie (soms letterlijk) voor werkelijkheid. Het jonge kind kijkt dus niet naar de werkelijkheid zoals die is, maar naar de werkelijkheid zoals die vervormd is door de eigen fantasieën. De peuter/ kleuter heeft het dus moeilijk om fantasie en werkelijkheid te onderscheiden , hetgeen opnieuw leidt tot wat je een reeks “denkfouten” zou kunnen noemen. Vertel dat een eerste peuterverwarring ‘antropomorfisme’ is, leg dit uit en geef enkele voorbeelden hiervan: Bvb. De tafel is stout. Over de ondergaande zon kan kind zeggen: de zon gaat weg omdat hij boos is. Voordat je de peuterverwarring ‘fysiognomisch waarnemen’ toont, geef je enkele voorbeelden hiervan: Bvb. Onweerswolk waarin een boos gezicht getekend wordt. Kind tekent een lachend gezicht. Vraag aan de studenten welke fout de peuter hier maakt. Toon vervolgens het goede antwoord op de slide. Voordat je de peuterverwarring ‘artificialisme’ toont, geef je hier enkele voorbeelden van: Bvb. Sneeuw wordt gemaakt door engeltjes, een machtige reus heeft de bergen gemaakt. Vraag aan de studenten welke fout de peuter hier maakt. Toon vervolgens het goede antwoord op de slide. Vraag aan studenten of ze zelf nog extra voorbeelden kunnen geven over deze peuterverwarringen, bv. stage-ervaringen, eigen ervaringen als kind. + fragment uit kinderpraat toevoegen!
  • Vertel dat een eerste kleuterverwarring finalisme is, leg uit en geef voorbeelden: Bvb. Voortdurende waarom-vraag van de kleuter; “’ De nacht is gemaakt opdat men zou kunnen slapen ’ , ‘ Bananen groeien aan bomen opdat je ze kunt plukken. ’“ Voordat je de kleuterverwarring ‘onlogische, irrationele verbanden’ toont, geef je hier voorbeelden van: Bvb. “’Als ik mijn pyjama aan heb, begint Sesamstraat.’ … Op zich is dit geen onlogische uitspraak, want kleine kinderen die op een vast tijdstip naar bed gaan, maken dit dagelijks mee. Maar als een driejarige op een bepaald moment graag Sesamstraat wil zien en vraagt of hij zijn pyjama aan mag, wordt zijn vergissing pas duidelijk.” ; ”Zwarte olijven groeien bij de negertjes, hè mama?” Vraag aan de studenten welke fout de kleuter hier maakt. Toon vervolgens het goede antwoord op de slide. Voordat je de kleuterverwarring ‘magisch denken’ toont, geef je hier voorbeelden van: Bvb. “ Zo kan in de wagen een kind bij zichzelf denken of luidop roepen: ‘ Groen… groen… groen! ’ om het verkeerslicht op groen te laten springen. Een verkouden hummeltje waarvan de moeder zegt dat het niet mee naar de winkel mag omdat het ziek is, kan enkele ogenblikken later zeggen: ‘ Ikke naar winkel gaan denk ik, dan ik beter zijn. ’” Vraag aan de studenten welke fout de kleuter hier maakt. Toon vervolgens het goede antwoord op de slide. Vraag aan studenten of ze zelf nog extra voorbeelden kunnen geven over deze peuterverwarringen, bv. stage-ervaringen, eigen ervaringen als kind. Geef zelf nog extra voorbeelden van peuter- en kleuterverwarring en vraag aan studenten over welke verwarring het gaat: Het regent, opdat de planten geen dorst meer zouden hebben. (finalisme) Als ik enkel op de witte strepen van het zebrapad loopt, dan zullen we vanavond iets lekkers eten. (magisch denken) De bloemetjes in de tuin zijn gemaakt door de bloemenfee. (artificialisme) De zee is blij. (antropomorfisme of animisme)
  • We behandelen een aantal zaken samen
  • Betekenisvol taalgebruik, dat bij baby aanving breidt verder uit! Kind gebruikt meer en meer begrijpelijke klanken en/woorden “ Toete ” = schoenen “ asje aan ” = Jasje aan “ tiene ook ” = Stientje ook Kind begrijpt veel meer woorden dan dat hij kan zeggen (begrip voor gebruik) Volwassene moet goed taalmodel aannemen; peuters leren door imitatie! Belangrijk: veel uitleggen ‘we gaan in badje en dan dit doen en dan dit doen …’ ‘ ik begrijp dat je dat niet zo leuk vindt, maar … ’ (ouder als spreekbuis)
  • Peuter begrijpt veel meer dan dat het kan zeggen, het is dan ook belangrijk dat je als ouder als spreekbuis fungeert. Peuters leren namelijk door imitatie (social learning!) Begrijpt meer dan het kan zeggen Voorbeeld: Verschil Lena en Nora, nichtjes met maand verschil. Aan 2 jaar kon Lena zichzelf verstaanbaar maken ( “ mama, moog poep fietsen ” = mama fietst met haar poep omhoog (er was een helling en mama moest hard trappen, zij zat achteraan), “ papa inne bad ” (toen ze het geluid van de douche hoorde) Nora begreep wellicht even veel van de wereld om haar heen, maar kon het niet met woorden duidelijk maken. Gevolg: frustratie, boosheid, woede aanvallen (typisch voor 2 jaar, maar ook geïnduceerd door gebrek aan communicatie) Belangrijk dat je dus zaken uitlegt aan kinderen, al lijkt het niveau van hun communicatie niet zo hoog. Hun begripsniveau is hoger dan het niveau van communicatie. Geef een voorbeeld van spreekbuis zijn: Bvb. Als je als ouder voelt dat kind geen zin heeft om mee te gaan, maar kind kan zich niet uitdrukken, dan kan je zeggen ‘Ik denk dat je liever niet meegaat, maar we moeten eten halen. Dus we gaan nu weg, ook al vind je het vervelend.’ Vb. als mijn nichtje geen zin heeft om zich om te kleden en in haar pyjama naar school wilt of niet mee wilt naar oma (omdat mama en papa op stap gaan) of … Typisch voor peuter (en kleuter) zijn de bedmonologen. Dit om de dag te overlopen, hierin worden bepaalde zaken gezegd die overdag niet gepermiteerd zouden worden. Kind is erg creatief. (diepste wensen, fantasieën en of angsten kunnen zo geuit worden) Vraag aan studenten voorbeelden van bedmonologen (bv. gehoord tijdens babysitten): Bvb. ‘en als ik eens klein groei’ (dit kind is in een periode waarin het graag verwend zou worden zoals zijn kleine zusje); al zingend brabbelen: ‘boemboem, mamalaliere’ Bedmonologen Voorbeeld: ‘ s Avonds in bed, Over gebeurtenissen, verhalen, etc., Uiten van diepste wensen, fantasieën, angsten (zegt soms dingen die niet gepermitteerd zijn) => Kind speelt echt met taal en gaat deze zo oefenen!
  • Egocentrisch taalgebruik = bedmonologen en overdag gaat peuter/kleuter ook tegen zichzelf praten. Dit heeft een belangrijke functie. Volgens Vygotsky belangrijke sociale functie; kinderen leren problemen oplossen. V. Ziet dit als een voorloper van innerlijke dialogen als we met onszelf in discussie zijn (Vygotsky) Vb. Had ik dit gisteren niet beter zo gezegd of had ik niet beter dat gedaan of … hoe moet ik volgende keer het beste reageren? Vb. … Vanaf 2 jaar Peuters, kleuters leren ongeveer 10 nieuwe woorden/dag, dus tweewoordzinnen Zelfbesef (weten dat je iemand, een individu bent), zelfkennis (weten wie je bent): peuter beseft dat er voornaam is dat bij hem hoort (gaan antwoord kunnen geven op vraag ‘ hoe heet jij? ’ ) Gaat veel meer persoonlijke voornaamwoorden als ‘ ik ’ en ‘ mijn ’ gebruiken. Kinderen zijn zich op 8 jaar pas bewust dat ze verschillende talen spreken en worden zich dan meer en meer bewust van het zelfde woord in de verschillende talen. => Meertalige kinderen zijn creatiever in denken !! (wist je dat?) Meertaligheid : kinderen hebben doorgaan geen problemen met het leren van twee talen, zolang die op een verstandige manier gebruikt worden: Tweede taal: (taal gebruiken die je best beheerst, consequent in zijn in contact met kind) !! Het leren van een tweede taal is een kwestie van associatie met persoon/situatie Kinderen beseffen pas rond 8 j dat ze 2 talen spreken en beseffen dan pas dat een bepaald woord hetzelfde betekent. Vaak Langzamer leren praten en communiceren, maar geen gevolgen voor algemene taalontwikkeling. Hoe vroeger, hoe beter (meertalige lln zouden creatiever zijn, niet zeker of ze meer bereiken in leven) => maar geen sluitend onderzoek op deze meer zouden bereiken in het leven dan kinderen die ééntalig opgevoed zijn. Taal stimuleren (boekjes, liedjes, gesprekjes,…)
  • Peuter wordt zich ten volle bewust van zichzelf en zijn eigen lichaam => komt tot ontdekking dat hij een zelfstandige eenheid is, los van zijn ouders! Kinderen willen zelf iets, ze kunnen dat ook, ze zijn iets op zichzelf => kunnen in tuin spelen als mama er niet is!
  • Transitionele objecten: fungeren voor korte periode als effectieve vervanging van mama/papa Kind hecht zich aan knuffel/dekentje: zacht, knuffelen, dragen geuren van thuis Koppigheid door ontluikend zelfbewustzijn Laat peuter gillen maar maak duidelijk dat je peuter dan even apart zet - conflict tussen drang naar zelfstandigheid- hunker om liefde niet kwijt te raken: uit in neen zeggen, niet willen - Emotioneel in war als peuter begrijpt dat ouders vertrekken (best voor je vertrekt dicht contact vermijden, suggestie over wat kind kan doen, praten op niveau van kind) AANPAK: Consequent zijn in aanpak!: - duidelijke regels, afspraken: geeft veiligheid, ruimte om te experimenteren binnen grenzen - geef kans om actief te zijn en zichzelf te zijn (overbescherming kan kind bang/onrustig maken) - eis niet meer dan het aan kan (vb zindelijkheid, netheid) - waarschuw kind vooraf dat hij nadien spel zal moeten beëindigen Identiteit, zelfredzaamheid, zelfvertrouwen stimuleren Gebruik voornaam, kleine opdrachten geven, prijs kind, stimuleer zelfredzaamehid (handen wassen, jas aantrekken, broek ophalen, puzzel maken, opruimen), maak duidelijk dat kind fout mag maken Schaamte: Als iedereen naar hem/haar kijkt, zal het kind verlegen worden en wegkruipen bij mama of papa Trots: Als iedereen lang zal ze leven zingt, zie je een kind opleven, het geniet ervan, weet dat het voor hem/haar is Jaloezie: Als mama of papa met een ander kind knuffelt, jaloerse reacties. Of “ mijn fiets ” als een kind op bezoek met haar fiets speelt. Agressie: Door zoektocht naar zelfstandigheid vaak boze buien, soms agressie (slaan, op de grond liggen en trappen, speelgoed afnemen, nijpen, haar trekken …) Intentioneel schade toebrengen aan anderen om doel te bereiken. ! Leert met ouder worden emoties beheersen (bijvoorbeeld verschil in aantal woedebuien Lena 4j en Stien 2 jaar is echt groot) Agressie: intentioneel toebrengen van verwondingen/schade bij anderen: deel van agressie gericht op bereiken van doel (vb afpakken speelgoed) Neemt af met ouder worden: kan emoties beheersen of oplossen door taal (jongens meer openlijke agressie vb slaan; meisjes: psychisch kwetsen: schelden/negeren)
  • Sekse identiteit: Besef van eigen geslacht => grote interesse in eigen en andermans lichaam Uitgebreid bestuderen van eigen en andermans geslachtsdelen (broertje, zusje, …) Voorbeeld: Lena: Mama is een meisje, Lena is een meisje, papa is een jongen, papa heeft een piemel!, Tekening van mama en papa: “ papa jouw piemel heb ik niet getekend, dat was te moeilijk hoor) Meer interesse in eigen lichaam : bestudeert geslachtsdelen, ook die van iemand anders Voorbeeld: spelen met geslachtsdelen: geeft rustgevend, ontspannend gevoel – niet doel om orgasme te komen mr gebeurt som wel Grote behoefte lichamelijk contact : Belangrijk voor de hechting (sensitief responsief reageren!!) Voorbeeld: peuters worden heel graag geknuffeld, gekriebeld. Meisjes meer knuffelen dan jongens? Afhankelijk van opvoeding Jongens meer weggeduwd en meisjes meer vastgenomen en geknuffeld Anale fase: tot 3 j (pregenitaal stadium): kind houdt stoelgang op om prikkeling op potje te vergroten..: stoelgang: geschenk geven of protest uitdrukken door te weigeren op potje te gaan ‘ geschenk ’ dat kind kan achterhouden
  • Waarom vinden peuters dit een fantastisch boek? Sluit aan bij wat zij op dit moment fascinerend vinden: uitwerpselen, “ vieze ” woorden ANALE fase volgens Freud Door reactie van opvoeders ( “ Dat mag je niet zeggen! ” zullen ze dit net meer gaan doen) Voorbeeld: Daan, leerde dat “ fukjoe ” leuke reacties opwekte bij omstaanders, moeder probeerde niet te reageren terwijl Daan op de trampoline op en neer sprong op de maat van : “ fukjoe, fukjoe, fukjoe ” . Niet altijd eenvoudig omwille van reacties van de omgeving, sociale druk op de moeder.
  • Als je denkt aan Erikson en datgene dat we net hebben gezien bij de sociaal-emotionele ontwikkeling, wat kan je hier dan uit besluiten? Eerst moeten ze goede relaties hebben gehad met ouders (vertrouwen hebben gekweekt) pas dan in staat om met anderen ook veilige relatie aan te gaan.
  • Volle besef dat kind zelfstandige entiteit is die losstaat van ouders en omringende omgeving ‘ Ik kan zelf dingen willen en/of doen ’ : ik-je komt volop in ontwikkeling Peuter kijkt vanuit ‘ eigen ’ standpunt; Ander standpunt bestaat niet (peuter lijkt soms hard/ongevoelig te reageren) Bvb. iemand pijn of verdriet doen, moeilijk te begrijpen want peuter voelt pijn zelf niet. Dus: uitleggen: je mag niet slaan, dan doe je X pijn.
  • Peuter is bij het volle besef dat hij een zelfstandige entiteit is die losstaat van zijn ouders en zijn omringende omgeving => zelfbewustzijn breekt door! = ik-je volop in ontwikkeling Peuter heeft nog niet voldoende cognitieve capaciteiten om de wereld vanuit andermans standpunt te bekijken (egocentrisme). Peuter kan soms hard en ongevoelig overkomen tov anderen MAAR enkel een veilig gehecht kind kan voldoende autonomie ontwikkelen om zich ten volle te ontwikkelen (tot een zelfbewust iemand) Veilig gehecht kind kan op ontdekking want weet dat het mensen heeft om op terug te vallen! Cfr. Erikson! (vertrouwen vs wantrouwen) => als hier niet aan voldaan is, weinig autonomie en voornamelijk twijfel in zichzelf en gevoel van schaamte (ongelukkig kind) > ook bij overbescherming mogelijk! Zich beschrijven obv uiterlijke kenmerken (vb. Langer haar) Seksestereoptiep gedrag : vb. Jongens willen niet met poppen spelen en voetballen graag Peuter en kleuters hebben zeer onwrikbare gendergerelateerd verwachtingen => Man is krachtig, agresief, … Vrouw is zorgzaam, lief, … => Belang van speelgoed!!
  • 1 e fase: Morele ontwikkeling : weten wat mag en niet mag! Leg uit: Weten wat mag en wat niet is gelinkt aan de aanwezigheid van de ouders: Op 2,5 jaar weten kinderen al wel aardig wat moeder en vader goed vinden en wat niet. Maar in eerste instantie geldt dit alleen als mama en/ of papa in de buurt zijn. Zijn ze weg, dan doet de peuter rustig zijn eigen zinnetje. De morele regeltjes zijn dus uitsluitend verbonden aan de aanwezigheid van de opvoedende figuur. Geef een voorbeeld van hoe morele regels verbonden zijn met aanwezigheid opvoedende figuur: Bvb. Kind mag van mama niet op kinderstoel van kleine zusje zitten, maar hij vindt dit erg leuk. Als moeder toekijkt, stelt hij dit gedrag niet. Is moeder afwezig, dan kruipt hij wel op de kinderstoel. Hij verbindt de regel dus aan de aanwezigheid van de moeder: moeder aanwezig = mag niet; moeder afwezig = mag wel. 2 e fase: Weten dat het niet mag, maar kunnen zich niet weerhouden. Schuiven de schuld dan op anderen, de hond, kleine broer, ‘ vanzelf ’ , … (je ziet dit aangezien ze zeggen van, ‘ foei, dit mag niet, maar toch doen ze het ’ ) DIT aangezien peuter vooral gericht is op de gevolgen van het gedrag => straf en beloning 3 e fase: Pas na een tijdje verinnerlijking en gaat het dus ook dingen niet doen als moeder of vader er niet is! Op 2.5 j weten kinderen wat mama en papa goed vinden maar geldt eerst als ze in buurt zijn Nog geen geweten, geen echt moreel gedrag => komt pas vanaf de kleutertijd!
  • We behandelen een aantal zaken samen
  • Bewegingsspelen (voorzie driewieler, schommel, bal,..) ‘ Doen alsof ’ -spel /rollenspel (door symbolisch denken, fantasie) Fantasie en werkelijkheid nabootsen Nabootsen wereld rondom hen: symbolen gebruiken voor werkelijkheid vb stoelen achter mekaar: trein; of eigen gebaren gebruiken (vb lio: met hand: kijk, lief poesje op hand) Vadertje-moedertje (3-4j): bootsen gedrag, toon van ouders na Ook als ‘ verwerking ’ gevoelens (agressie, frustratie, driftbui afreageren) Constructiespel Belangrijk : Niet in staat tot samenspel Zelfde ruimte, maar peuter speelt op zichzelf = ‘ Toekijkend ’ (heeft interesse in activiteiten van leeftijdsgenootjes maar participeert niet) en ‘ solitair ’ (alleen spelende peuter: doet geen poging om met anderen in contact te komen) Wel ‘ parallelspel ’ : met zelfde materiaal naast mekaar spelen
  • Bewegingsspelen: step, fietjes, zwemmen, klauteren, schommelen, voetballen, … Constructiespel: objecten manipuleren om iets te bouwen/te produceren: cogn, motorische vaardigheden oefenen Regelspel vb zakdoek leggen, 1,2,3 piano, schipper mag ik overvaren,..: sociaal spel: leren beurt afwachten, aan afspraken houden, tegen verlies kunnen toekijkend, solitair, parallelspel neemt geleidelijk af Vanaf 3j: samen spelen: 1st aarzelend, kort, delen vaak probleem Associatief spel : samen bezig, praten, wisselen informatie en ideeën, maar geen gemeenschappelijke taak of doel Coöperatief spel : activiteiten worden op elkaar afgestemd, hier is wel een gemeenschappelijke taak of doel
  • 4. de peuter PBLO-V

    1. 1. Ontwikkelingspsychologie De peuter (1,5 jaar – 3 jaar)
    2. 2. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling 10. Morele ontwikkeling 12. Spelontwikkeling OverzichtOverzicht
    3. 3. Baby Peuter 1. Lichamelijke ontwikkeling1. Lichamelijke ontwikkeling
    4. 4. 1. Lichamelijke ontwikkeling1. Lichamelijke ontwikkeling
    5. 5. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling 10. Morele ontwikkeling 12. Spelontwikkeling OverzichtOverzicht
    6. 6. 2. Motorische ontwikkeling2. Motorische ontwikkeling
    7. 7. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling OverzichtOverzicht
    8. 8. 3. Tekenontwikkeling3. Tekenontwikkeling Aparte cursus
    9. 9. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling 10. Morele ontwikkeling 12. Spelontwikkeling OverzichtOverzicht
    10. 10. 4. Perceptuele ontwikkeling van de peuter en kleuter 4. Perceptuele ontwikkeling van de peuter en kleuter
    11. 11. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling 10. Morele ontwikkeling 12. Spelontwikkeling OverzichtOverzicht
    12. 12. Piaget 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling
    13. 13. 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling
    14. 14. 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling
    15. 15. Pre- operationele stadium (peuter/ kleuter) Welke denkfouten treden op in de experimenten? 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling Enkele experimenten: 1. Conservatieproeven 2. Het ‘drie bergen’-experiment 3. De ‘Sally en Anne’-proef 4. Het klasse-inclusie-experiment
    16. 16. 1. Conservatieproeven – Inhoud 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling http://www.youtube.com/watch?v=YtLEWVu815o&feature=related
    17. 17. 1. Conservatieproeven – Massa 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling http://www.youtube.com/watch?v=U64V-z56TRg
    18. 18. 1. Conservatieproeven: Verklaringen  3 denkfouten: 1. Centratie: één opvallend kenmerk 2. Geen reversibel (omgekeerd) denken 3. Statisch-gericht denken: geen oog voor ‘overgang’ of transformatie 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling
    19. 19. 2. ‘Drie bergen’-experiment 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling ‘Drie bergen’-experiment: Verklaring 4. Egocentrische perspectiefname
    20. 20. 3. ‘Sally en Anne’-proef 1) Sally Anne 2) Fiche Fiche 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling
    21. 21. 4. Klasse-inclusie-experiment 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling Klasse-inclusie-experiment: Verklaring 5. Geen onderscheid deel-geheel
    22. 22. Verwarring fantasie-werkelijkheid Blaadjes waaien weg: ‘blaadjes zijn bang van mij’ Antropomorfisme/animisme Alles: door iemand gemaakt artificialisme Alles heeft bedoeling ‘waarom’ vragen! finalisme Mama ziek omdat kind stout was Onlogische verbanden Magisch denken: ‘groen’ om licht op groen te laten springen Fysiognomisch waarnemen
    23. 23. • Peuterverwarring – Antropomorfisme of animisme • Objecten krijgen eigenschappen die kind zelf ervaart – Fysiognomisch waarnemen • Objecten krijgen een ‘gezicht’ met emotionele geladenheid. – Artificialisme • Alles wordt door ‘iemand’ gemaakt. 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling Verwarring fantasie-werkelijkheid
    24. 24. • Kleuterverwarring – Finalisme • Alles heeft een bedoeling. – Onlogische, irrationele verbanden • Verbanden tussen dingen die toevallig samengaan. – Magisch denken • ‘Ik kan dingen beïnvloeden.’ • Bij volwassenen: ‘bijgeloof’ • Elementen die ze nog niet kennen opvullen via fantasie. http://www.youtube.com/watch?v=O8ayhQk4-uA 5. Cognitieve ontwikkeling5. Cognitieve ontwikkeling Verwarring fantasie-werkelijkheid
    25. 25. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling OverzichtOverzicht
    26. 26. Prelinguale periode 6. Taalontwikkeling6. Taalontwikkeling
    27. 27. Betekenisvol taalgebruik – Begrijpt meer dan het kan zeggen – Volwassene = spreekbuis, want leren door ‘nazeggen’/ imitatie – Bedmonologen • ‘s Avonds in bed • Over gebeurtenissen, verhalen, etc. • Uiten van diepste wensen, fantasieën, angsten • Soms al zingend brabbelen => Kind speelt met taal en oefent het zo. 6. Taalontwikkeling6. Taalontwikkeling
    28. 28. – Egocentrisch taalgebruik • Vygotsky: belangrijke functie => problemen oplossen en nadenken over problemen – Vanaf 2j: Tweewoordzinnen  Gebruik persoonlijke voornaamwoorden – Meertaligheid • Tweede taal: associatie met persoon/situatie • Langzamer leren praten en communiceren • Hoe vroeger, hoe beter 6. Taalontwikkeling6. Taalontwikkeling http://www.youtube.com/watch?v=R4zzfUh3PMU
    29. 29. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling 10. Morele ontwikkeling 12. Spelontwikkeling OverzichtOverzicht
    30. 30. 7. Sociaal emotionele ontwikkeling7. Sociaal emotionele ontwikkeling
    31. 31. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling OverzichtOverzicht
    32. 32. 8. Seksuele ontwikkeling: peuter8. Seksuele ontwikkeling: peuter Sekse-identiteit ontwikkelt • Interesse voor eigen en ander lichaam • Grote behoefte aan lichamelijk contact • ‘Vieze woorden’-spelletjes • Anale fase (Freud) • stoelgang op potje = lustbeleving • geschenk of protest?
    33. 33. 8. Seksuele ontwikkeling8. Seksuele ontwikkeling
    34. 34. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling 10. Morele ontwikkeling 12. Spelontwikkeling OverzichtOverzicht
    35. 35. ‘Een kind komt pas goed los als het goed vast heeft gezeten’
    36. 36. Erikson Voorwaarde autonomie Veilige gehechtheid Exploreren binnen veilige grenzen Schaamte/twijfel Exploreren beperken Overbescherming 9. Persoonlijkheidsontwikkeling9. Persoonlijkheidsontwikkeling
    37. 37. 9. Persoonlijkheidsontwikkeling9. Persoonlijkheidsontwikkeling http://www.klasse.be/tvklasse/18530-Meisjes---Jongens#.UjBdxqVHvgI
    38. 38. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling 10. Morele ontwikkeling 12. Spelontwikkeling OverzichtOverzicht
    39. 39. Morele ontwikkeling 1. Gelinkt aan ‘aanwezigheid’ ouders 2. Gericht op gevolgen (straf, beloning) 3. Weten wat niet mag maar ‘toch doen’ 4. ‘Verinnerlijken’ van regeltjes 10. Morele ontwikkeling10. Morele ontwikkeling
    40. 40. 1. Lichamelijke ontwikkeling 2. Motorische ontwikkeling 3. Tekenontwikkeling 4. Perceptuele ontwikkeling 5. Cognitieve ontwikkeling 6. Taalontwikkeling 7. Sociaal emotionele ontwikkeling 8. Seksuele ontwikkeling 9. Persoonlijkheidsontwikkeling 10. Morele ontwikkeling 12. Spelontwikkeling OverzichtOverzicht
    41. 41. 12. Spelontwikkeling12. Spelontwikkeling
    42. 42. • GEEN samenspel: zelf ruimte, maar peuter speelt op zichzelf = ‘toekijkend’ en ‘solitair’ • Wel ‘parallelspel’ • GEEN samenspel: zelf ruimte, maar peuter speelt op zichzelf = ‘toekijkend’ en ‘solitair’ • Wel ‘parallelspel’ 12. Spelontwikkeling12. Spelontwikkeling
    43. 43. Bekijk deze video http://www.youtube.com/watch? v=5as0rr7lmo4&feature=player_embedded Welke elementen zorgen ervoor dat dit nieuwe programma peuters aanspreekt? 12. Spelontwikkeling12. Spelontwikkeling

    ×