Theologie   metafysica
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Theologie metafysica

on

  • 1,046 views

 

Statistics

Views

Total Views
1,046
Views on SlideShare
799
Embed Views
247

Actions

Likes
0
Downloads
2
Comments
0

1 Embed 247

http://jurgenmarechal.nl 247

Accessibility

Upload Details

Uploaded via as Microsoft PowerPoint

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Theologie   metafysica Theologie metafysica Presentation Transcript

  • Metafysica
    • Drs. J.L.C. Marechal
  • Het begrip metafysica
    • Andronicus van Rhodos gaf de werken van Aristoteles uit. Voordat hij hiermee kon beginnen moest hij de boeken eerst ordenen. Hij zette standaardwerken over logica, praktische wijsbegeerte en fysica in de kast. Hij hield echter veertien boeken over waar hij zich in eerste instantie geen raad mee wist.
    • Andronicus van Rhodos keek vertwijfeld naar de geordende bundels. Toen zag hij dat er nog plaats over was naast de boeken over de fysica. Dit bracht hem op het idee de overige delen na(ast) deze boeken over de fysica te zetten. Hij noemde deze werken “meta ta physica”. Dit betekent de boeken die na de fysica komen.
    View slide
    • Er zijn nog meer hypothesen over het ontstaan van het begrip metafysica te noemen maar duidelijk moet zijn dat dit begrip onlosmakkelijk verbonden is met Aristoteles. Hij noemde het echter geen metafysica maar “proté philosophia”: eerste filosofie.
    View slide
  • De eerste filosofie
    • De eerste filosofie onderzoekt het zijnde als zijnde, het zijnde in zoverre het is, het zijnde zonder meer.
    • Aristoteles ging net als zijn leermeester Plato en i.t.t. de presocraten uitspraken doen over heel de werkelijkheid. Niet de fysische oerelementen of de kosmos stond centraal maar de laatste verklaringsgronden van het zijn.
  • Presocraten
    • De presocraten hadden de vraag over het transcendente voorbereid. Zij hadden zich echter net met de logos bevrijd van het mythische. Deze bevrijding hield het ontstaan van de filosofie in. Ze waren bang dat het transcendente hen bij het mythische terug zou brengen, daarom hebben ze het niet behandeld.
  • Plato en Aristoteles
    • Plato en Aristoteles deelden hun angst niet en hebben op verschillende manieren inhoud gegeven aan het transcendente. Plato ontwikkelde zijn ideeënleer en Aristoteles (als kritiek hierop) zijn universaliteitsleer.
  • Metafysica
    • Metafysica is de wijsgerige discipline die verantwoording aflegt van die specifieke werkelijkheidsbenadering die naar (iets in) de werkelijkheid kijkt met als invalshoek de werkelijkheid als zodanig (= de uiteindelijkheidsoptiek).
  • Drie vragen
    • De metafysica stelt drie vragen aan heel de
    • werkelijkheid:
    • De levensbeschouwelijke vraag is: Wat is het uiteindelijk ware (zinvolheid)?
    • De ethische vraag is: Wat is het uiteindelijk goede (handelen)?
    • De esthetische vraag is: Wat is het uiteindelijk schone?
  • De optiekentheorie en Aristoteles
    • Na het bestuderen van de eerste filosofie van Aristoteles kunnen we concluderen dat de optiekentheorie geïnspireerd is door zijn universaliteitsleer. Er is eenheid in veelheid en niet eenheid en veelheid zoals in de dualistische metafysica van Plato het geval is.
  • De metafysische hypothese van Herman Berger
  • Stelling van de metafysica
    • Er is sprake van eenheid omdat elke willekeurige werkelijkheid uit zichzelf een band heeft met alle andere werkelijkheden. Er is eenheid in de mate waarin er veelheid is, zoveel eenheid als er veelheid is. Eenheid in veelheid moet zijn (anders krijg je verdeeldheid).
  • Individualiteit bron van veelheid
    • De vele werkelijkheden zijn één met elkaar tot in het diepst van hun individuele eigenheid. Individualiteit is en blijft de bron van het verschil tussen de soort.
  • Individualiteit bron van eenheid
    • Maar individualiteit is tevens en tegelijk de bron van eenheid. Daar waar zij van elkaar verschillen, precies daar tot in dezelfde alles-omvattende diepte zijn ze met elkaar één. Dat we de eenheid van alle werkelijkheden op het spoor kunnen komen vanuit elke willekeurige werkelijkheid is in die veronderstelling duidelijk geworden.
  • Het samengaan van eenheid en veelheid
    • Het samengaan van eenheid en veelheid is een paradox die om opheldering vraagt. Het is simpeler één van de twee op te geven. Denk hier aan de premoderne en postmoderne manier van denken.
  • “ Verder dan alle wetenschappen”
    • Metafysiek pretendeert te reflecteren over alle werkelijkheid. Ze kan die pretentie ook beargumenteren. We zijn inderdaad “verder dan alle wetenschappen”; we hebben een besef van de continuïteit van de werkelijkheid waardoor de discontinue wetenschappelijke domeinen onderhuids verbonden zijn.
  • “ Verder dan alle taalspelen”
    • Wetenschap vertegenwoordigt slechts één type taalspel naast vele andere. Metafysiek is “verder” dan “alle taalspelen”, omdat de vele taalspelen niet als een discontinue en onverbonden veelheid gedacht kunnen worden. Ook zij worden onderhuids door een continuïteit: het transcendentale taalspel, dat uiteindelijk gedacht moet worden als de metafysische openheid van de mens voor de eenheid van alle werkelijkheden.
  • “ Verder dan alle abstracties”
    • Veronderstel eens dat we uitsluitend over abstracte begrippen zouden beschikken en dat de concrete werkelijkheid buiten ons ligt en dus buiten ons bereik blijft. Hoe kunnen we dan ooit een begrip toekennen aan de concrete werkelijkheid ? We doen het in het oordeel, we doen het in feite. Maar hoe is het mogelijk? Moeten we misschien tot de conclusie komen dat we de werkelijkheid zelf nooit bereiken?
    • We weten dat onze begrippen abstract zijn en daardoor op afstand staan van de concrete werkelijkheid. Hoe kunnen we weet hebben van inadequaatheid van onze begrippen? Antwoord: omdat die inadequaatheid ‘altijd al’ overwonnen is. Dat kan niet gebeurd zijn door het abstracte begrip zelf; dat is juist abstract. Er moet een tweede, nog niet genoemde component in onze kennis aanwezig zijn: het moment van de zijnskennis als voorkennis.
    • Ons besef van de inadequaatheid van het abstracte getuigt ervan dat we de grenzen van het abstracte al hebben overschreden. Ieder grensbewustzijn is immers een actueel bewustzijn van datgene wat over de grens ligt: het is bewustzijn van het aanvullende. En als aanvulling van het abstracte kan alleen het concrete in aanmerking komen. We moeten tot de conclusie komen dat we kennelijk bij de concrete werkelijkheid zelf aanwezig zijn.
    • Onze kennis bestaat uit twee momenten: Dat van het abstracte begrip en dat van de zijnskennis: het eerste is expliciet, het tweede impliciet/intuïtief dat er een reflectie op het oordeel voor nodig is om het enigermate aan het licht te brengen.
  • “ Verder dan…”
    • We ontdekken een impliciete aanwezigheid bij de continuïteit - zinvolheid - eenheid. Expliciet is de zich opdringende discontinuïteit van de vele objecten van de wetenschap. In de betreffende discontinuïteit kondigt zich meer aan dan de discontinuïteit , want we ervaren haar als problematisch. Hoe kan dat?
    • Dat zou niet kunnen indien we uitsluitend van discontinuiteit weet zouden hebben. Er moet zich dus ‘achter’ de discontinue wetenschapsdomeinen een continue werkelijkheid bevinden, en met die continue werkelijkheid moeten we op één of andere wijze in onmiddellijk contact staan.
    • Zo zijn we ons rechtstreeks en expliciet bewust van het taalspel waarbinnen wij opereren. Maar ook nu geldt: in wat zich zo opdringt is meer aanwezig dan wat zich opdringt. En dat impliciete aanwezige is verantwoordelijk voor de onrust die ons overvalt als we ons afvragen of we in ons taalspel opgesloten zitten. Hoe kun je überhaupt besef hebben van het feit dat je binnen een taalspel staat?
  • De metafysische hypothese komt in een tweede fase
    • Het onderscheid tussen veelheid en verdeeldheid
  • Verdeeldheid
    • Juist de verdeeldheid van de werkelijkheid doet ons twijfelen aan de zinvolheid van het bestaan; zij is: verscheurdheid, veelheid zonder verband. Hoe zou het leven zin kunnen hebben als de werkelijkheid tegen zichzelf verdeeld is? Of het leven zin heeft is geen vraag waar de wetenschap antwoord op kan geven. De vraag naar zin is de vraag naar de werkelijkheid zondermeer. Die vraag kan alleen opkomen binnen de metafysiek.
  • Niet de veelheid is een kwaad, maar de verdeeldheid
    • Als Berger de verhouding van veelheid en eenheid gaat denken naar het model van de intersubjectiviteit, is het wantrouwen van de premoderne tijd tegen de veelheid niet langer mogelijk en is in feite uit de veelheid de factor verdeeldheid weggenomen. Het verdeelde is verdeeld tegen zichzelf maar vooral tegen het andere. Het sluit een andere werkelijkheid buiten. Daarom is het een manco: Verdeeldheid moet niet zijn.
  • “ Eenheid moet zijn”
    • Met het veroordelen van de verdeeldheid zeggen we meteen: “eenheid moet zijn””. Parallel aan de verdeeldheid die we uit de veelheid hebben afgezonderd, moeten we uit de eenheid die er al is , de eenheid afzonderen die er nog niet is , maar waarvan we nu weten dat ze moet zijn .
    • De eenheid die “moet zijn” is niet ingevoerd als een tweede zelfstandig niveau náást de feitelijkheid. Het is immers de feitelijke werkelijkheid zelf die veroordeeld is inzover ze verdeeld is, en die onder de eis van de eenheid staat voorzover haar eenheid nog onvoldoende is.
  • De werkelijkheid heeft dus twee dimensies
    • Naar haar eerste dimensie is de werkelijkheid feitelijk
    • Naar haar tweede dimensie staat dezelfde werkelijkheid onder een eis. Berger noemt dit de dimensie van normativiteit.
  • De twee dimensies verhouden zich als “hoger” en “lager”
    • Heidegger: “Höher als die Wirklichkeit steht die Möglichkeit”.
  • Geen horizontaliteit maar verticaliteit
    • Lager en hoger liggen bij Heidegger in tijdelijkheid uit elkaar. De toekomst is voor hem de plaats van de mogelijkheid.
    • De feitelijkheid en mogelijkheid zijn volgens Berger echter gelijktijdige en onmiddellijke dimensies van dezelfde werkelijkheid. De ware werkelijkheid is te verstaan als de waarheid, de normativiteit, van de feitelijke werkelijkheid.
    • www.jurgenmarechal.nl